summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authornfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 21:08:31 -0800
committernfenwick <nfenwick@pglaf.org>2025-01-22 21:08:31 -0800
commit56d47cdbd3feed2759051a0c52d8773477ad7a02 (patch)
treef118eb1455c47fc077fb78a80f8443de7f1cfd52
parent61022804d76b3193ce0206673e27719ce2d8aaea (diff)
NormalizeHEADmain
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/65832-0.txt28248
-rw-r--r--old/65832-0.zipbin519429 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65832-h.zipbin645653 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65832-h/65832-h.htm27435
-rw-r--r--old/65832-h/images/logo.pngbin12630 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65832-h/images/new-cover.jpgbin47556 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/65832-h/images/titlepage.pngbin8584 -> 0 bytes
10 files changed, 17 insertions, 55683 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..3a33ead
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #65832 (https://www.gutenberg.org/ebooks/65832)
diff --git a/old/65832-0.txt b/old/65832-0.txt
deleted file mode 100644
index 737b947..0000000
--- a/old/65832-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,28248 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Baboe Dalima, by Michaël Théophile Hubert
-Perelaer
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Baboe Dalima
-
-Author: Michaël Théophile Hubert Perelaer
-
-Release Date: July 13, 2021 [eBook #65832]
-
-Language: Dutch
-
-Character set encoding: UTF-8
-
-Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
- Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book
- was produced from scanned images of public domain material
- from the Google Books project.)
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***
-
-
-
- VERZAMELDE
- Romantische Werken
-
- VAN
-
- M. T. H. PERELAER
- Gep. Hoofdofficier van het Nederl.-Ind. Leger
-
- EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE,
- BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER
-
-
- VIII–IX
-
- BABOE DALIMA
-
-
- AMSTERDAM
- UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.
-
-
-In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer
-bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische
-Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned.
-Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der
-hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed
-gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen
-was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z.
-i. jammer was.
-
-Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting,
-wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd
-behoeven te worden.
-
-»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien
-blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die
-verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar
-vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i.
-onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die
-jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke
-bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de
-fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz.,
-die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets
-boekerigs, iets je ne sais quoi, waartegen een Nederlandsch publiek
-niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben,
-die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te
-laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers
-vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten
-einde brengen. En... toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die
-daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten...
-Ware het niet mogelijk...?”
-
-Ja, ware het niet mogelijk...? Dat was de laatste galm, dien ik nog
-opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in
-een hoek van het coupé, en... Ja, ware het niet mogelijk?... Dat was de
-gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het
-sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; ... en nog
-stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds
-het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek,
-hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.
-
-Ben ik geslaagd in mijne poging?... Die poging was, om hetgeen op het
-gebied van het opium-monopolie in Nederlandsch-Indië voorvalt, onder
-het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te
-steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet
-ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge
-reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden
-om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke
-bestuursordonnantiën in een verhaaltrant voor te dragen, die tot lezen
-zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver
-verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke
-mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn
-onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal
-voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings-
-en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die
-uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik
-den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan den opiumpacht!
-
-In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij
-genoopt hebben, op den omslag het dicton: la mère en interdira la
-lecture à sa fille te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door
-onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht
-geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen
-vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens
-meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de
-pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens
-zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan.
-Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling
-van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver,
-maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat
-evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te
-onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag
-hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze
-Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn
-onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.
-
-En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop,
-dat de criticus dat eerbiedigen zal.
-
-Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele
-verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen
-van Nerekool, geen.... enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan
-hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega,
-ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij,
-die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die
-grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits,
-als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te
-twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden,
-zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle
-geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?
-
-
-
-En nu,.... mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u
-opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een
-kreet door u ontlokt worde:
-
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die
-schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!
-
-
- Den Haag, Mei 1886.
-
- DE SCHRIJVER.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
-
-
-Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het
-verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.... En volmondig
-roep ik uit: ja! ja!! ja!!!
-
-Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer
-stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies
-boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met
-knodsslagen verguisd;
-
-..... waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te
-zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;
-
-..... maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het
-Engelsch werd het door een Reverend vertaald en had daar alle succes;
-in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men
-begonnen;
-
-..... maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle
-verguizing in Nederland den tweeden druk;
-
-..... maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en
-Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel
-opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;
-
-..... maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning
-hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, Struyck,
-Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude
-artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen
-vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn
-boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook
-voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!
-
-Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?
-
-Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die
-beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht
-ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat
-door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden,
-gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der
-maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde
-verhandelingen weinig toegang hebben.
-
-Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders
-beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met
-hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium
-omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid
-ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven,
-euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend
-helder licht.
-
-En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en
-verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en
-ontlok den kreet:
-
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die
-schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!
-
-
- Den Haag, November 1889.
-
- DE SCHRIJVER.
-
-
-
-
-
-
-
-VOORWOORD
-
-VOOR DEN DERDEN DRUK.
-
-
-In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman „Baboe
-Dalima” schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te
-meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds
-(betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd
-gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna
-1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?
-
-Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen
-van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder
-gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een
-tijdschrift uit, getiteld: de Opiumvloek, waarin op merkwaardige wijze
-de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.
-
-Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het
-Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich
-mannen als de H.H. Groeneveldt, Bosscher, Van Dedem, Van den Berg, Van
-Kesteren, Elout van Soeterwoude, de Waal, Brooshooft, Be-Ik-Sam, Jansz,
-Zegers, Groneman, Hora Siccama, Sandick, Kielstra, Sprenger van Eyck,
-Bool, enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de
-Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met
-elkander afwijkende zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich
-voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de
-Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel,
-namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.
-
-Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het
-debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten
-doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en
-al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche
-Opiumpachters.
-
-Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera
-begonnen.
-
-Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de
-Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de
-algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn
-te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen
-te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe)
-in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de
-Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht
-der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de
-Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de
-Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.
-
-Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard
-deed klinken, had Z. Exc. de Minister van Koloniën de voldoening in
-zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te
-kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera is
-geslaagd.
-
-Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik
-mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die
-invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten
-volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor.
-Maar, die zijn niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen,
-òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het
-lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand
-gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid
-wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze
-laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens
-alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al
-zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te
-derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau
-Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af,
-hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat
-het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd,
-schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een
-algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele
-bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar
-loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien
-zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn,
-naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.
-
-Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt,
-om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om,
-tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande
-maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal
-worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te
-oefenen.
-
-
-
-Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die
-vraag het ondervolgende ter neder te stellen. In het Kroningsnummer van
-Sociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde liet ik onder den
-titel van: Eene stem uit de oude Garde een opstel opnemen, waarin onder
-anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige Koningin gelukken het
-Opium-monopolie aan gewetenlooze Chineezen te ontrukken en in handen
-eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de
-gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te
-doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens
-den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het
-voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu:
-heil onzer Koningin! roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen
-prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel
-weldeed!” Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik
-daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het
-vooropgestelde beginsel, in Baboe Dalima verkondigd, hadde gebroken!
-
-„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog à outrance aan het
-Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind
-hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die
-geen monopolie zou mogen genoemd worden!”
-
-„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog à
-outrance aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent
-dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid
-opmerk.”
-
-„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het
-Opium-gebruik....”
-
-„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te
-vergeefs; ik werd overschreeuwd met:
-
-„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’
-Opium-roman.”
-
-„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik.
-„Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt
-worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden,
-heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander
-volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het
-grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te
-drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en
-dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het
-Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen,
-nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename
-van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds
-een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor
-oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus
-daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en
-derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik
-pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij
-nimmer een verdediger vinden.”
-
-Of ik mijn auditorium overtuigd had?
-
-Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het
-beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo
-voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert
-bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift
-in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te
-bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de
-heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in
-eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets
-is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige
-verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het
-gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de
-gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding,
-thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan
-het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg
-brengen. Maar, courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden
-vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het
-tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik
-langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om op de
-vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog à
-outrance aan het opium-verbruik!
-
-Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te
-blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te
-tasten.
-
-
-
-Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn
-Opium-roman Baboe Dalima. Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek
-op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.
-Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel
-hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de
-feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heer J.
-L. Zegers, zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen
-Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die
-bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk
-(Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden: Wat mij echter in die
-kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden
-de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had
-in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest
-laten. Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten
-zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen
-Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel
-op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de
-onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger
-dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te
-voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging
-van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de
-hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid
-verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was
-gebleven.
-
-Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat afleid, nu
-niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft?
-Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing
-in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar
-allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij
-voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij Baboe Dalima
-gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe
-Dalima bespeurd had.
-
-Ik hernam lachende:
-
-„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk
-op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve
-kindermeisje geteekend heb.”
-
-„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar
-uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”
-
-Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem
-antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en
-verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons
-gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het
-weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.
-
-Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:
-
-„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van
-Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid
-doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon
-is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol
-bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade
-te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in
-wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de
-facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente
-voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar?
-Maar.... hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien
-fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar
-gestreden, welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen
-den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de
-Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland
-doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder
-den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de
-inboorlingen bedekte.”
-
-Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.
-
-Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring
-openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te
-verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van
-de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman Baboe Dalima door mij
-onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.
-
-
-
-En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van
-den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en
-verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en
-ontlok den kreet:
-
-Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de Opium-pacht, die
-schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!
-
-
-
-Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de
-Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de
-Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.
-
-
- De Schrijver.
-
- Nijmegen, October 1898.
-
-
-
-
-
-
-
-INHOUD.
-
-
- Bladz.
- Voorwoord Eerste druk V
- Voorwoord Tweede druk VII
- Voorwoord Derde druk VIII
- I. By Moeara Tjatjing 4
- II. In de djaga monjet 15
- III. De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam 29
- IV. De draden verwikkelen 45
- V. In de voor- en binnengalerij 60
- VI. Een echtpaar 72
- VII. Een verraderlijk dèsa-genoot 88
- VIII. Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie 104
- IX. Kuiperijen.—Een vrienden-drietal 118
- X. Une invitation à la chasse et une invitation
- à la valse 132
- XI. In den residentstuin 146
- XII. Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter 161
- XIII. Op den weg naar het jachtterrein 176
- XIV. Een huiszoeking met hare gevolgen 191
- XV. Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit 203
- XVI. Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje 221
- XVII. In den Djoerang Pringapoes 239
- XVIII. De onschuld ten val 252
- XIX. Toeloeng! Toeloeng, toean! 265
- XX. Aan de rijsttafel 280
- XXI. Op het kantoor van den resident 300
- XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden 312
- XXIII. Eene verhinderde landraadzitting 1
- XXIV. Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht 15
- XXV. Eva’s dochteren en de slang 31
- XXVI. Aardig gemanoeuvreerd! 45
- XXVII. Summum jus summa injuria.—Vader en zoon
- veroordeeld.—Singomengolo vermoord 58
- XXVIII. Correspondentie 71
- XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak 85
- XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer 102
- XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh 116
- XXXII. Eene wetenschappelijke opiumkit 133
- XXXIII. In de regents-pandoppo 147
- XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi 162
- XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche 179
- XXXVI. Lim Ho’s huwelijk 193
- XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s
- in gevecht 211
- XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te
- Karang Bollong 226
- XXXIX. Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te
- Santjoemeh 243
- XL. Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram 261
- XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende
- terechtstelling 275
- XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit 293
-
-
-
-
-
-
-
-I.
-
-BIJ MOEARA TJATJING.
-
-
-Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.
-
-De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust,
-joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in
-allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij
-deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren
-opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest
-te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig
-bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare
-onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een
-fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te
-laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.
-
-Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen
-Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met
-haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om
-achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart
-zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze,
-in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts
-ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene
-donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een
-lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere
-gedeelte te overstroomen.
-
-Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier
-verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van
-Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib
-bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een
-rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor
-gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de
-zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die
-steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de
-keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige
-palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn.
-
-Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog
-duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die
-in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond
-verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar
-gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze
-splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere
-boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of
-beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en
-vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en
-wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van
-wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die
-stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de
-boomkruinen verborgen.
-
-Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund
-zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een
-uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats
-had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen.
-Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi
-te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit,
-bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige
-„kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den
-omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar
-te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk
-beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer
-en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud
-afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de
-tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder
-gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel
-bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet
-eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die
-hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te
-bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.
-
-Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al
-die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest,
-verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen
-oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering
-was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den
-boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen
-stormgeweld der wateren rust kon verstoren.
-
-Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten
-alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te
-midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch
-als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde,
-door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven,
-niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een
-ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het
-door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik
-van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een
-wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was
-hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5]
-gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen
-gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen
-verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een
-onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het
-gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van
-inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende
-toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het
-niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden
-fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm
-langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op
-gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel
-kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer
-en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige
-kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd
-zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar
-behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de
-keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij
-de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak
-een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden
-tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in
-het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe
-zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte
-der zee lieten waren.
-
-„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te
-zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien,
-dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n
-storm niet verlaten heeft.”
-
-„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de
-andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin
-bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.”
-
-„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij
-niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor
-den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden!
-Zoudt gij thans op zee willen zijn?”
-
-„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld!
-Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die
-zich door geen noodweer...”
-
-„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting.
-Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel
-van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam)
-waarin twee.... weg is ze weer!”
-
-„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook
-gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene
-vrouw.”
-
-„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de
-handen voor de oogen.”
-
-„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de
-branding geraken.”
-
-„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting
-kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.”
-
-„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.”
-
-„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng
-evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren,
-eer zoo eene zinkt.”
-
-„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.”
-
-„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers
-naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar
-geweken.”
-
-„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....”
-
-„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken
-in!”
-
-Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het
-laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met
-welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen
-waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar
-voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht
-met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te
-bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken.
-
-Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep:
-
-„Eene stoomboot!”
-
-En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het
-roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht
-in den mast.
-
-„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10].
-Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare
-lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij
-kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen
-smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.”
-
-Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie
-lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust
-aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een
-korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken
-was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode
-licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht
-alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te
-veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk
-tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf
-bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind,
-zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden.
-
-„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten
-Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons
-gaan.”
-
-„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we
-daar iets van de djoekoeng vernemen.”
-
-Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en
-stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels
-van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in
-de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een
-golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte
-vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het
-pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog
-zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven
-het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet
-lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt,
-die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide
-Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het,
-alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne
-schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen
-terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort
-gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar,
-of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te
-bespeuren.
-
-„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten
-aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder
-stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en
-verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.”
-
-„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.”
-
-En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht
-gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden
-zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort
-en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water
-met zijn voorste gedeelte op het droge lag.
-
-„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan.
-
-Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden
-boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld
-lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens,
-die in het gras lagen.
-
-„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad.
-
-„Ik,” antwoordde een zwakke stem.
-
-„Wie is ik?”
-
-„Ik, Ardjan.”
-
-„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?”
-
-Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der
-schipbreukelingen.
-
-„Diam!” (stil) fluisterde de andere.
-
-Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had.
-Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel
-onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek
-een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den
-naastbijzijnde verkend had, riep hij uit:
-
-„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?”
-
-„Ik ben overboord gevallen.”
-
-„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon.
-
-„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.”
-
-„En die vrouw ook? Wie is zij?”
-
-„Dat is Moenah, mijne zuster.”
-
-„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner
-stem. „Is die ook over boord gevallen?”
-
-En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat
-van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de
-lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd,
-welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals
-haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te
-verschuilen.
-
-„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than
-Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende.
-
-Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen.
-
-De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de
-naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in
-dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren
-van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was
-de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van
-onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij
-had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter
-te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit
-de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met
-even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd
-zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten
-bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde.
-
-Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien
-gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in
-wier macht zij zich bevond.
-
-Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten
-daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der
-beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat
-de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide
-Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden
-met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak
-zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de
-Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de
-tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan
-onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij
-het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing
-bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine
-dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de
-djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen
-de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in
-ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen
-uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt
-bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.
-
-Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de
-enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar
-aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders
-te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje
-bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de
-minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en
-voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven.
-
-Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe
-sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien
-draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen
-op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren
-afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij
-werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte
-zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die
-ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de
-zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den
-sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de
-bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten
-worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet,
-en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen
-dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat
-niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen
-zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de
-aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina”
-(chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than
-Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand
-toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts
-vermeerderde.
-
-Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet
-aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de
-touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten
-zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten
-hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het
-leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder
-wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee
-aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden,
-en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de
-bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der
-elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug
-gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden
-waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne
-deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten
-gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit
-overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje
-vastgebonden.
-
-Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij
-met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King
-stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene
-dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker
-voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem
-het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog
-niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij
-het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras
-in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij
-ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? ....
-Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden,
-waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar
-mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in
-geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen
-vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van
-de boeien te ontslaan.
-
-„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is
-voor ons verloren!”
-
-„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje
-kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.”
-
-„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen
-reppen, denk ik.”
-
-„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk
-zijn.”
-
-„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar
-laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.”
-
-„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er
-van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12]
-
-„Ik ben van meening hem te laten loopen.”
-
-„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn...
-Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit
-iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.”
-
-„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan
-hebben,” zei Than Khan.
-
-„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden
-hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?”
-
-„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen.
-Waarheen?”
-
-„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de
-andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene
-goede vangst gemaakt hebben.”
-
-Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan
-er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden.
-Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag
-terugkomen, verhelderde zijn oog.
-
-„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur.
-
-De Chineezen antwoordden niet.
-
-„Is zij ontvlucht?”
-
-Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der
-dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier
-bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij
-toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte
-touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was
-alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar
-zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich
-weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare
-ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij
-zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de
-residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog
-een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn,
-alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde...
-ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.....
-
-Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg,
-waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam.
-
-„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van
-daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden
-wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara
-Tjatjing te bereiken.”
-
-„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je
-daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is
-het zoo niet?”
-
-Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard:
-
-„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven.
-Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.”
-
-„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!”
-
-„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een
-smokkelaar aanzag.”
-
-„Had je geen sluikwaren bij je?”
-
-Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden
-gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan.
-
-„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je
-niet aan boord zijn?”
-
-De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij:
-
-„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal
-door te brengen.”
-
-„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in
-vollen gang zijn?”
-
-„Het is toch zoo.”
-
-„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.”
-
-Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig
-stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten
-gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in
-eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk
-aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was
-donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille
-morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd
-rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng”
-[13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak.
-Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar
-den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen,
-moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om
-op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te
-azen.
-
-Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte
-weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een
-sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het
-buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de
-oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht.
-
-
-
-
-
-
-
-II.
-
-IN DE DJAGA MONJET.
-
-
-Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid
-geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer
-uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd
-hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij
-zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden
-zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel
-gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt
-hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren,
-en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de
-hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den
-horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven
-op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren
-van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht
-hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met
-scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven,
-of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te
-slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud,
-getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te
-bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne
-belangstelling meer gaande maakte.
-
-Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de
-aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien,
-dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind
-lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een
-seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem
-King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de
-laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene
-bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen
-en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij
-hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker:
-
-„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond
-wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had
-moeten aankomen en die....”
-
-„Nu ten anker zal willen komen.”
-
-„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat
-zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare
-zeilen, gaat voor anker....”
-
-„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.”
-
-„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets
-doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener
-voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is
-hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s”
-(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.”
-
-„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.”
-
-„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten
-spoeden.”
-
-„Gij!”
-
-„Neen, gij!”
-
-„Waarom niet beiden te zamen?”
-
-„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en
-onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende.
-
-„Laat er ons dan om dobbelen.”
-
-„Mij goed.”
-
-Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor
-den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere
-behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na
-den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij
-elkander lagen. Daarop wierp Khan Than.
-
-„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij
-elkander. Gij teldet maar vijf.”
-
-„Nu, dan ga ik.”
-
-„Maar, mondje dicht over Dalima!”
-
-„Natuurlijk,” was het antwoord.
-
-Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling.
-
-Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo,
-dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen
-enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om
-gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga
-monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine
-baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets
-aan zijne waarneming ontsnappen kon.
-
-Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een
-vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen;
-hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee
-glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en
-worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat
-moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van
-hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de
-golf gericht hield.
-
-„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij.
-
-Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam.
-
-„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried.
-
-„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar
-schiet de sloep de Moeara in.”
-
-Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog
-door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven
-gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water
-aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de
-aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het
-onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde.
-
-Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig
-verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van
-een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep
-opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige
-struiken te verbergen.
-
-„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende,
-die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten
-hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak
-vertoonden.
-
-„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde
-een ander lachend.
-
-„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling
-toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw
-zuur verdiende gagie verlost zijn.”
-
-„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...”
-
-„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.”
-
-Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog
-verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven.
-
-Daar vond intusschen een ander tafereel plaats.
-
-Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd
-onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die
-steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had
-onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan
-verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op
-Dalima doelde.
-
-Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de
-aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene
-geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande
-oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid
-niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi”
-Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was,
-vroeg hij op onverschilligen toon:
-
-„Was de Javaan alleen?”
-
-„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King.
-
-Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho.
-
-„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij.
-
-„Ja, babah.”
-
-„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?”
-
-„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de
-djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof
-hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab
-verbrijzeld.”
-
-„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam.
-
-Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem
-evenwel met een blik te verwaardigen:
-
-„Waarom ben je ontvlucht?”
-
-„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij
-aan boord en wilde naar de dèsa terug.”
-
-„En daarom heb je Dalima meegenomen.”
-
-Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten.
-
-„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder.
-
-„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar
-verdronken?”
-
-„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van
-de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat
-gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.”
-
-„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet
-Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het
-noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.”
-
-„Maar, waar is zij dan gebleven?”
-
-„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.”
-
-Die twee stonden te bibberen van angst.
-
-„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op
-antwoord!”
-
-„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan.
-
-„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King.
-
-„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan,
-terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut
-dreunde en schudde.
-
-„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima
-armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en
-zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar
-teruggekomen.”
-
-Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan.
-
-„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem
-King.
-
-„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan.
-
-Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid
-weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut
-aangekomen waren, trad binnen.
-
-„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel.
-
-In een oogwenk waren allen binnen.
-
-„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than
-Khan wees.
-
-Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die
-twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De
-touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden.
-O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de
-zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere
-natie ook niet in de klem zou geraken?
-
-Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho:
-
-„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht!
-Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind
-opspoort en mij uitlevert!”
-
-Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende
-naar buiten.
-
-Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner
-volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een
-langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak,
-met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige
-halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich
-toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de
-„gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de
-overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan.
-
-„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin
-ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje
-haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand,
-dat begrijp je!”
-
-Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden.
-Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij.
-
-„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.”
-
-Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden
-Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen
-hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing
-gekomen was, beval de Chinees:
-
-„Komaan, spreek; ik luister.”
-
-„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de
-Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe
-Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij
-schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk
-dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener
-behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen
-bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets
-kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den
-vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo
-iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van
-den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee
-Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said
-wachtte.
-
-„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat
-hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar
-zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit
-te kijken, daar hij gasten verwachtte.
-
-„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar
-uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet;
-want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in
-aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen
-ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik
-aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep
-Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje
-te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg,
-deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg
-mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten.
-
-„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank
-uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen
-en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer
-volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te
-kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe
-nabijheid in een doosje bevond.
-
-„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door
-overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig.
-Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten
-opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw
-slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en
-weet er gebruik van te maken.
-
-„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een
-hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed
-is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne
-krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s
-geliefd worden.
-
-„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot
-nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot
-vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som
-bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen.
-Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet
-ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier
-dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje
-haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;....
-ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt....
-Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen
-erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader
-had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean
-resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....”
-
-„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door
-het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!....
-Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.”
-
-„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de
-djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van
-haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind
-wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die
-daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed
-aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven,
-wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind
-liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje
-toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een
-gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over
-het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene
-djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig
-stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem
-Ping Hin....”
-
-„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho.
-
-De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en
-antwoordde:
-
-„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!”
-
-„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw
-je voor leugens!”
-
-„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho,
-waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog
-niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet
-ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne
-geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u
-beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het
-licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag
-Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in
-een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred
-uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die
-ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het
-voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen.
-
-„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien
-daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De
-kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en
-neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers
-glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God
-is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere
-opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen
-zeeziek in hunne kooien lagen.
-
-„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng,
-waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op
-de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw
-er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij,
-door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin.
-
-„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het
-residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit
-kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen.
-
-„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben
-belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de
-branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle
-macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het
-gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging....
-en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik
-uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden
-Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd
-hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb
-haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.”
-
-Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim
-Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen.
-
-Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King
-wendde:
-
-„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?”
-
-Geen van beiden antwoordden.
-
-„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl
-hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer
-uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf.
-
-„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij
-hebben geen meisje gezien.”
-
-„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij
-bij hem aankwamen.”
-
-„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk.
-„Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet
-kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten,
-wat er van het meisje geworden is.”
-
-Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken,
-wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der
-hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt
-hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos
-geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden.
-
-Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van
-Ardjan.
-
-„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der
-roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een
-struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.”
-
-„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de
-polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig
-en bedaard.
-
-Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat
-stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond.
-
-Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn
-Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel
-doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik;
-terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop
-toebracht.
-
-In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de
-Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner
-stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen,
-alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten
-te brengen.
-
-„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan.
-
-„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht.
-
-„Wij weten het niet.”
-
-„En gij?” was de vraag tot Ardjan.
-
-„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den
-toean resident teruggekeerd zijn.”
-
-„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt.
-
-„Geen medelijden met kerels als gij!”
-
-„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen.
-
-„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!”
-antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste.
-
-„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan
-wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te
-ontvoeren....”
-
-„Zij is mijne bruid!” kreet deze.
-
-„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen
-hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping
-Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...”
-
-Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich
-bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho.
-
-„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als
-de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in
-die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan
-te minnekoozen.”
-
-„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt,
-dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist
-hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik
-wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een
-grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis
-van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....”
-
-„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit.
-
-„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho
-voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan.
-
-„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben
-ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen
-verrader!”
-
-„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees
-onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze
-vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar
-krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen,
-niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet
-te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen
-terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.”
-[20]
-
-„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens
-de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan
-waar Dalima woont!”
-
-Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren
-jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat,
-dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf
-een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met
-slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden
-afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en
-zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en
-liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden.
-
-Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de
-pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de
-roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de
-slachtoffers bot te vieren.
-
-
-
-
-
-
-
-III.
-
-HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM.
-
-
-Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel,
-dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden.
-
-De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene
-luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de
-wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de
-golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een
-zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen
-oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik
-later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen
-door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de
-volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de
-schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder
-af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander
-nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een
-golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den
-noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij
-daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van
-Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de
-opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van
-groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een
-kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende
-deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren
-gaffel in sierlijke plooien wapperde.
-
-Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag,
-stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een
-kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven
-hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het
-Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte
-wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de
-hut, die slechts aan de zeezijde open was.
-
-Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf
-gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een
-dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd,
-gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van
-Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den
-boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden.
-
-Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun
-ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch
-vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der
-tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het
-hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de
-kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden
-gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en
-bijgevolg hard, ruw en stekelig.
-
-Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig
-rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren
-gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was.
-
-Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er
-voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen
-bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden
-met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen
-gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden
-drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed
-hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de
-zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was
-eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een
-streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte
-lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik
-toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde
-verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat
-daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren
-angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan,
-geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen
-zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren
-frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen
-van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam
-pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en
-te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen,
-ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al
-meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de
-beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden
-verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen
-met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter,
-werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten
-op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen
-ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten!
-
-„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond
-ontvlood.
-
-Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een
-teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling
-door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen
-op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het
-gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen
-bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die
-slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten
-hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan
-hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat
-doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten
-verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen
-niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen
-en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich
-tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen
-wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene
-kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet,
-zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de
-onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de
-bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels
-onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in
-stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de
-beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem.
-
-Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij
-de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht!
-
-Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd.
-Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad
-voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd
-rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er
-niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne
-slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een
-oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen
-der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo
-onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het
-punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een
-alarmkreet vernomen werd.
-
-„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het.
-
-Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de
-beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de
-Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze
-rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden,
-langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een
-paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar
-de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de
-naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de
-sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen,
-en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door
-Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al
-schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet.
-
-„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog
-altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als
-eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden.
-
-„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch
-gedaan?”
-
-Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde
-hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de
-rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en
-wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden
-was.
-
-„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!)
-kreet hij.
-
-„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast
-hem gehurkt zat.
-
-„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten.
-
-„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet.
-
-En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden
-bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de
-menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken.
-
-En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten
-zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige
-branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den
-lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en
-verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet
-ondervinden.
-
-„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend.
-
-Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte
-sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het
-sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was,
-waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het
-meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in
-te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den
-lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de
-vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein,
-dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het
-beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden.
-
-Het meisje was wanhopig.
-
-De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende
-zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als
-den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen
-snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te
-halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond
-hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de
-lijder vervoerd zoude kunnen worden.
-
-Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga
-monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de
-opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde
-zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om
-die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord
-was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw.
-
-Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend,
-welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen
-en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich
-opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de
-noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als
-krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de
-gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht
-van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten
-aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der
-politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede
-de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra
-buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop
-de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen
-vertrekken.
-
-Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem
-melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien
-was.
-
-„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht
-uitoefent,” zeide hij.
-
-„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de
-lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te
-voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar
-den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen
-kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons
-niet onopgemerkt bleven.”
-
-„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn
-uwe bevelen?”
-
-„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel,
-dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.”
-
-Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder
-den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten.
-Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het
-smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het
-vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des
-hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige
-gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon
-brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen
-bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken
-schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond,
-gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide
-vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren.
-
-
-
-Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om
-haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden?
-
-Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld
-had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd
-gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare
-voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een
-verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een
-oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou
-naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar
-hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om
-haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te
-bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk
-maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren,
-zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den
-resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel
-als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in
-dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en
-ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen.
-
-Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant
-binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij
-komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de
-groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang”
-(wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was.
-Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige
-beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder,
-kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu
-met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand
-opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang
-hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog
-altijd onafgebroken op en neer ging.
-
-„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht
-hare lippen ontvlood.
-
-Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren
-van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met
-een lichten gil.
-
-Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van
-haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde
-in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong,
-die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in
-de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette
-met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere
-krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik
-van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen,
-waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een
-beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn
-gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en
-waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje
-vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den
-blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind
-was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel
-zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de
-bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een
-der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo
-als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar
-verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden
-sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend
-modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank
-rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in
-een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk
-van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht
-blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen,
-met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat
-zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken.
-
-„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest.
-
-„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar.
-
-Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten
-te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden
-met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima,
-die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een
-schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot
-van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna,
-eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana
-met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met
-het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n
-treurige vermaardheid kreeg.
-
-Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij
-daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van
-haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding
-zitten bleef.
-
-„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van
-daan? O, mama is zoo boos op u.”
-
-„Nana, ik ben ontvoerd geworden.”
-
-„Door wien?”
-
-„Door lieden van Lim Ho.”
-
-„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht
-geweest?”
-
-„Ja.”
-
-„Den geheelen nacht?”
-
-„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...”
-
-„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de
-meisjes schrikken deed.
-
-Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat
-de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de
-badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige
-golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en
-schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder
-het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan
-eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden
-onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten
-drogen.
-
-Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige
-matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en
-niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind,
-de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken
-boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien
-verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo
-veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al
-moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo
-waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere
-toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje
-te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd
-veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der
-zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de
-huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de
-frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele
-zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden;
-wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat
-verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen
-begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken
-volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende
-beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong
-toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke
-door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de
-toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje
-uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand
-ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren.
-Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen
-ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds
-haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen,
-dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten
-haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed
-op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het
-mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte
-van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs
-toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot,
-wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en
-opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd.
-
-Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig
-meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen
-zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die
-destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van
-haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed
-Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding
-hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het
-onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun
-kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven.
-Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw
-gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa
-en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven,
-of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de
-zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel
-geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat
-aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van
-welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken
-opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen
-bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den
-voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij
-kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen
-zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht
-gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar
-was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar
-gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege
-geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk
-vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht
-worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest.
-
-Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in
-geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar
-deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar
-vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van
-geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij
-den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op
-beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but
-make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone
-Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen
-schieten.
-
-Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor
-zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der
-residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te
-Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen
-waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus
-niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan.
-Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den
-regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van
-den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de
-Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende
-tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als
-juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een
-diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident
-op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige
-uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de
-gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds
-voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk
-geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat
-karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij,
-wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met
-vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus
-vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van
-alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.
-
-Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van
-baboe Dalima gramstorig uitriep:
-
-„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je
-geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan”
-(vrijer).”
-
-„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik
-ben niet weggeloopen.”
-
-„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?”
-
-„Ik werd ontvoerd.”
-
-„Door wien?”
-
-„Door vreemde Chineezen.”
-
-„Hoe heeft zich dat toegedragen?”
-
-Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds
-vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een
-kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij
-de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op
-Billiton bevond.
-
-„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder
-aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die
-schaking.
-
-„Aan boord van een groot schip.”
-
-„Van wie was dat schip?”
-
-„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”...
-
-„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang
-Bing, den opiumpachter?”
-
-„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna
-Anna gehurkt zat, bedeesd.
-
-Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare
-oogen een bizonder vuur vertoonden.
-
-„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie
-verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter.
-
-Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg
-Laurentia haastig en met hijgenden boezem:
-
-„En?”....
-
-O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de
-wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was.
-
-„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm.
-
-„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak,
-terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik
-begrijpen, alvorens....”
-
-Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw
-van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild
-glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak,
-die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang
-verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte
-kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op
-dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam
-zich niet aan het opiumschuiven overgaf.
-
-„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos
-aangestaard te hebben.
-
-„Niets,” was het rustige antwoord.
-
-„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een
-vaartuig gelokt hebben, om....”
-
-„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het
-meisje snel in.
-
-„Gered!... Gered!... Door wien?”
-
-„Door Ardjan!”
-
-„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de
-njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten,
-om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim
-Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!...
-Gulpendaaam!!...”
-
-Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en
-schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in
-den waan dat er onraad was.
-
-„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel.
-
-„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het
-meisje op langgerekten toon.
-
-„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!”
-
-
-
-
-
-
-
-IV.
-
-DE DRADEN VERWIKKELEN.
-
-
-De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep,
-dan, hoewel hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer
-resident) was, mocht hij de vlugheid in persoon geheeten worden. De
-booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, minder rap te
-zijn.
-
-Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en
-kabaja gekleed, en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige
-residentiehuis gezeten, zijn kop koffie te slurpen en een sigaar te
-rooken, toen de stem van zijne vrouw door de geheele woning weerklonk.
-
-„Gulpendam!.... Gulpendaaam!”
-
-Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn
-wipstoel met zoo’n vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk,
-daarbij ontvangen, vier voeten achteruit vloog.
-
-„Oppas!.... Pajoeng!.... lakas!” (oppasser!.... de zonnescherm!....
-Gauw!)
-
-Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak,
-namelijk steeds den pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in
-zijne nabijheid te willen hebben. In de voorgalerij stonden steeds een
-viertal van die zonneschermen in eene stelling naast den stoel, waarop
-de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een vlak naast
-den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke
-slaapkamer stond een ander recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de
-echtelijke bedkoets. Er mochten eens dieven des nachts komen, die
-zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! De
-heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het
-teeken des gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar
-zij had er met hand en tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de
-pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend de macht in handen wilde
-hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, dan klonk
-het onveranderlijk: „Oppas!.... Pajoeng!” en dan volgden de
-zonnescherm, met den sigarenkoker en de „tali api” [33] (brandende
-lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge
-wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen,
-de residentspet met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een
-roomsch priester het sacrament zou gedragen hebben.
-
-Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in
-het oor:
-
-„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil
-hier!”
-
-En tot den oppasser klonk nog barscher:
-
-„Moendoer! lari! lakas!” (Achteruit! weg! gauw!)
-
-Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed
-dezen verdwijnen.
-
-„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte
-schepsel geweest is.”
-
-„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten
-vallen.”
-
-„In de dèsa!.... Het mocht wat!.... Zij is met haren Ardjan er van door
-geweest!”
-
-„Ampooon, njonjaaa!” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch
-verstond, om geen woord te verliezen.
-
-„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen,” ging mevrouw in een’
-adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht aan
-boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!”
-
-Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de
-resident de ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de
-Matamata ontvangen, dat de Kiem Ping Hin op de kust gezien was. Die
-schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die aan het hoofd
-stond der smokkelaars van het heulsap. [34]
-
-„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift.
-
-„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte
-meid.”
-
-„Ampooon, njonjaa!” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat.
-„Ampooon, njaa!”
-
-„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen
-toon.
-
-„Allah, toean!” (O, God, mijnheer). „Zij hebben Ardjan gevangen
-genomen! Kassian!” (heb medelijden).
-
-„Ardjan gevangen genomen?.... Maar, wie....?”
-
-„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend.
-
-„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam
-binnensmonds en overluid. „Waar werd hij gevangen genomen?”
-
-„Bij de Moeara Tjatjing toean!”
-
-„Hoe kwam hij daar?”
-
-„Hij was met mij ontvlucht!”...
-
-„Hoort ge wel?” gilde mevrouw.
-
-„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan.
-
-„Van het schip!... van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier
-uit het huis! Dat zal meer de waarheid zijn!”
-
-„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”,
-bromde de resident. En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst,
-hoe ge aan boord van dat schip gekomen zijt.”
-
-Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde
-thans hare lotgevallen, van af dat ze uit den tuin der residentswoning
-ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen doorgebeten en zich zelve
-bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van dat verhaal
-was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles
-aangehoord.
-
-„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de
-resident.
-
-„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan”
-(draagstok) wegdroegen. Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want
-ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen van de touwen, die mij
-bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren zag
-schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest,
-dan zouden zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik
-dan niet ontkomen zijn.”
-
-„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk.
-
-„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en
-daarna mij naar de djaga monjet wilden brengen.”
-
-„Naar de djaga monjet?... Oppas!... Oppas!...” riep Van Gulpendam.
-
-„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij
-schamper.
-
-„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te
-letten, aan den binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een
-paar van uwe makkers naar de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige
-dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden tot assistentie mede, en tracht den
-Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima zal u tot gids
-verstrekken.”
-
-„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw.
-
-„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot
-helderheid te brengen.”
-
-En zich tot den oppasser wendende:
-
-„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport.
-En nu ga, neem Dalima mede.”
-
-Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde
-hij tot zijne vrouw:
-
-„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van.
-Waar Lim Ho in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die
-het licht niet mag zien. En is mijne peiling juist.... dan zal de rijke
-pipa moeten over de brug komen.”
-
-Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten
-vinger der rechterhand eene beweging, die geldafschuiven moest
-beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte dat gebaar, door met een
-blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten.
-
-„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind
-meer. Op haren leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien.
-Langzamerhand zal zij ook moeten leeren begrijpen, van waar het geld
-komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” ging hij voort, terwijl
-hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd zult zijn,
-zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge
-ook gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste
-rijtuigen, de fraaiste en de vurigste paarden hebben?”
-
-„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken
-glimlach... „hoewel”... ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en
-prachtige japonnen niet bizonder hecht...”
-
-„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien
-leeftijd denken alle meisjes: most adorned, when unadorned. Dat
-verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een
-levenskwestie is, zich zoo schoon mogelijk te maken... En nu Anna, ga
-eens kijken of mijn ontbijt in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg
-voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn secretaris, zal ze komen
-keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.”
-
-Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia:
-
-„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John Pryce te Batavia
-betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal niet
-eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed,
-och, dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer
-gelogd worden, en een sommetje overschieten. En dat kan te pas komen,
-nietwaar?”
-
-„Maar, dat wegloopen van Dalima?....”
-
-„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij
-verhaald heeft, dan.... Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net
-gevischt heeft. Maar.... dat zal hem nog meer zeil doen bijzetten....
-En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, dan zal ons die
-zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het
-bevredigen zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het
-zeil naar den wind brassen, en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef
-niet afsteekt.”
-
-
-
-Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen
-de uitgezonden oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan
-op aanwijzing van Dalima gevonden had.
-
-Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het
-diner opgestaan, en zat met ega en dochter in de voorgalerij der
-prachtige residents-woning de vrienden en bekenden af te wachten, die
-den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van de gastvrije
-familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die
-gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de
-echtelieden aankleefden, verdienden zij die euphemistische waardeering
-ten volle. De zucht tot schitteren droeg, wel is waar, het hare daartoe
-bij, maar werd door le bon ton van mevrouw en mijnheer zoodanig
-getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan benadeeld werd.
-
-Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het
-residentie-huis. Neen, de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal
-des weeks en wel op Woensdag plaats. Dan werden de kleine ambtenaren,
-de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, de planters,
-de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde de
-resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit
-cachemiren pantalon gekleed, in al den luister, dien een residentelijk
-ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan was de schoone Laurentia met
-al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw gelijk. Maar, dan
-was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid
-te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en
-hooghartigheid aan den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms
-vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, aan den anderen, schering
-en inslag van het samenzijn.
-
-Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de
-hooggeplaatsten, die door hunne traktementen of inkomsten den
-residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de Afdeelings-Kommandant,
-die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, de
-Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de
-Secretaris der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel
-(Handelmaatschappij), enz. Die kwamen dan zonder omstand, zonder
-bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik met mevrouw en met de
-lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna zij aan de
-speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk
-maakte mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den
-regel niet de minst gelukkige, vooral wanneer in den naävond een
-fijntje tegen een gulden het fischje met een pot gespeeld werd. Het
-jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer voor de
-behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te
-sluipen, aan de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het
-hartje op te halen aan de melodieën van Chopin, van Beethoven, van
-Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier meesterstukken door het
-lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden.
-
-Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een
-andere dienst zou opgedragen worden.
-
-Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de
-kleinste bizonderheden medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in
-ijlende koorts verkeerde, naar het hospitaal ter behandeling gebracht
-had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar op.
-
-„Te drommel,” prevelde hij tusschen de tanden. „Die gekheid met die
-duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.”
-
-Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de
-aandoeningen, die zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten.
-Wat evenwel de goede luim van den resident ten top voerde, was dat de
-oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen door het dèsavolk,
-eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik
-struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten.
-
-„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident.
-
-„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer
-met gekruiste knieën zat.
-
-„Ook het dèsavolk?”
-
-„Engèh (ja) Kandjeng toean.”
-
-Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat
-genoeg leesbaar.
-
-„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen
-meegebracht?” vroeg hij verder.
-
-„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean! Ik heb die vaatjes en die blikken
-bij den assistent-resident van politie afgegeven.”
-
-„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden.
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet
-begreep.
-
-Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij
-tot een Europeaan spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft,
-wanneer hij het hem toegevoegde niet begrijpt. Het moet niet zoozeer
-opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, als wel als een
-beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van
-Gulpendam kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord
-verbaasd te zijn.
-
-„Ga naar den assistent-resident,” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek
-dadelijk bij mij te komen.”
-
-De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen
-op, en ijlde heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was
-hij weg, of een paar der verwachte gasten kwamen opdagen. Een oogenblik
-later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, het gesprek
-algemeen.
-
-Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan.
-Dalima was terug, en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was
-afgeloopen. Zij had wel eenige woorden van haren vader met den oppasser
-opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt.
-
-Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche
-meisje daar gehurkt zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen
-stroomden.
-
-„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.”
-
-„O Nana!... zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!”
-
-En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij
-den Javaan teruggevonden had.
-
-„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij.
-
-„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna.
-
-„Lim Ho,” antwoordde Dalima.
-
-„Lim Ho? Hoe kwam die daar?”
-
-„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de
-djaga monjet de Moeara Tjatjing uitvoer.”
-
-„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?”
-
-„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben
-zeker, dat hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook
-sprak Ardjan eenige woorden, die mij zekerheid verschaften.”
-
-„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?”
-
-„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien
-ook, omdat hij mij van de Kiem Ping Hin, ontvoerd en gered heeft. O,
-Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts wartaal.”
-
-„En waar is Ardjan nu?”
-
-„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij
-den assistent-resident van politie geweest zijn.”
-
-„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?”
-
-„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium
-afgegeven,” antwoordde Dalima.
-
-„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?”
-
-„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.”
-
-„In de nabijheid der .... Dus te gelijk met hem gevonden?”
-
-„Ja, Na!”
-
-Het blanke meisje dacht een oogenblik na.
-
-„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij
-binnen’smonds.
-
-En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare
-gedachten te verzamelen, vroeg zij:
-
-„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip
-verliet?”
-
-„Ja, Nana!”
-
-„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.”
-
-„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs
-eene „tali” (touw) er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en
-waren blij van het schip zoo spoedig mogelijk verwijderd te geraken.”
-
-Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar
-hare kamer, die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer
-terug met hare schrijfcassette in de hand. Zij zette zich neder bij een
-der lampen, die de pandoppo verlichtten, en schreef ijverig een
-briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe:
-
-„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?”
-
-„Zeker, Nana!”
-
-„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?....”
-
-„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is
-zoo ver. En het is reeds zoo laat.”
-
-„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos”
-(dos-à-dos), dan is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!”
-
-Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om
-de boodschap der nonna uit te voeren.
-
-Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten,
-die reeds aangekomen waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die
-zij ontwikkelen konden, ontvangen.
-
-„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje
-getrouw blijft,” sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw
-aangekomenen, die hoewel niet in uniform gekleed, toch door zijne
-houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt wit
-hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried.
-
-„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden avond niet getrouw
-gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier.
-
-„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh
-zijn, en dat vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten
-vertrekken. Nu dacht ik, dat bezigheden u soms zouden verhinderd
-hebben, om...”
-
-„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel
-moeten gebeuren, dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te
-leur te stellen. Neen, ik heb mijne bevelen gegeven, en voor de rest
-zorgt mijn chef van den staf.”
-
-„En gij, overste,” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten.
-„Hadt gij het heden niet druk met die nare tijdingen. Er zal ook wel
-weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? Ik heb ten minste
-als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te Batavia
-in dien zin eene mededeeling ontvangen.”
-
-„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde
-deze, die chef van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De
-voorzieningen voor de versterking naar Atjeh zijn allen getroffen, en
-heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. Toch is het gevaar
-groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had
-kunnen nemen.”
-
-„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg
-mevrouw Van Gulpendam deelnemend.
-
-„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de
-geneesheer van de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een
-Inlander door politie-agenten binnen gebracht was, die
-ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, en
-waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.”
-
-„Zijne... Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam.
-
-„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,”
-antwoordde de overste. „Maar dat is de leer van de herkenning der
-ziekten. Daar de lijder in het oog van den jeugdigen arts in extremis
-was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar het hospitaal te
-gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters
-zijn.”
-
-„Jawel, jawel; maar ga voort.”
-
-„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige
-artsen van de hedendaagsche school! Die man had den mond vol van
-absente diaeresis; van aanwezige efflorescentia en formicatie, gepaard
-aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met eene eenvoudige maar toch
-flink toegepaste urticatie te doen had.”
-
-„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw.
-
-„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink
-toegepaste geeseling met karbouwbladeren.”
-
-„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig
-werd. „Die worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?”
-
-„Juist, resident.”
-
-„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een
-tienmijls vaart!”
-
-„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets
-anders te doen, dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden,
-namelijk de pijnlijkste plekken met sirihkalk in te smeeren, en de
-overige met versche klapperolie. De man lag in een hevige ijlende
-koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor heeft
-die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.”
-
-„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt,
-overste?” vroeg de resident.
-
-„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd
-heeft. Het onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk,
-dat de ijlende koorts nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren.
-Daarna zal zij afnemen. Maar, het zal wel veertien dagen duren,
-alvorens die man weer op de been zal zijn.”
-
-„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam.
-
-„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.”
-
-„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?”
-
-„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.”
-
-„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?”
-
-„Neen, resident.”
-
-„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?”
-
-„Neen, volstrekt niet.... Maar, resident, die vragen.... Stelt gij
-belang in den lijder?”
-
-„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. Ik weet van het
-geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem
-Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.”
-
-Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de
-gewone plichtplegingen werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes
-genomen, terwijl de lieve Anna zich met de thee onledig hield. Maar nog
-waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de assistent-resident van
-politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des huizes
-gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak
-hij tot den huisheer:
-
-„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap
-dadelijk bij u te komen.”
-
-„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande,
-en tot zijne partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u
-drieën moeten spelen.... Kom, Meidema.”
-
-De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij.
-
-„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van
-het vertrek zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke
-opium-aanhaling gedaan, nietwaar?”
-
-„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien
-blikken. In de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z.
-er is een vaatje van tien kilo in een ander geplaatst, en met grof zout
-omgeven. De blikken bevatten ieder vijf kilo ongeveer. Zoodat de
-aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.”
-
-„Zoo, nog al aardig,” meende de resident.
-
-„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan.
-
-„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen
-dertig gulden het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens
-mij nog maar vier duizend vijf honderd gulden. Is ’t niet?”
-
-„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe
-opium, maar tjandoe. En gij weet wel, dat van een katie opium slechts
-15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen wordt.”
-
-„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden blik op den
-assistent-resident. „Maar is het wel opium?”
-
-„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen.
-„Het is tjandoe, zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is
-zuiver Bengaalsch product.”
-
-„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige
-stellen?”
-
-„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig
-is. Het is tjandoe, die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent
-morphium [35] bevat.”
-
-„Zoo!.... Ik meen maar.... Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is
-u in handen gesteld.... Gij kent de herkomst van die vaatjes en
-blikken, nietwaar?”
-
-„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij
-gerapporteerd, dat die opium afkomstig is van de Kiem Ping Hin, en gij
-weet wie....”
-
-„Van de Kiem Ping Hin?.... Hoe komt gij er aan?”
-
-„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala
-oppas.”
-
-„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem.
-
-Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen.
-
-„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den
-assistent-resident.
-
-„Ja, resident.”
-
-„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen
-bediende met strakken blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean
-assistent bracht, is immers bij Ardjan gevonden?”
-
-„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar)....”
-
-„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op
-strengen toon.
-
-„Engèh Kandjèng toean!”
-
-„Hoort gij het, mijnheer Meidema?”
-
-„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat.
-
-„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.”
-
-„Maar, resident....”
-
-„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te
-vervullen.”
-
-„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?”
-
-„Dank u.”
-
-Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en
-hief de schoone Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors
-zesde schoppen, met groot mariage klaveren en harten zeven in de hand.
-
-„Vole déclarée, schoppen!” riep zij.
-
-„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan
-het andere tafeltje zat. „Dat’s vroeg.”
-
-
-
-
-
-
-
-V.
-
-IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ.
-
-
-Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed
-juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die
-toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren.
-
-Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig,
-fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje
-aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo
-dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet
-vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef,
-geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding
-aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf,
-zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon
-worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden
-wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking
-jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige
-gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche
-aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen
-stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat
-waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene
-genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar
-voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen
-stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid
-een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat
-wellicht ontsluieren.
-
-„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid
-vernemen?”
-
-„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde
-de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo
-aanminnig mogelijk antwoordde:
-
-„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen.
-Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.”
-
-„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam
-de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke
-hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het
-haast noemen, fâcheux troisième.”
-
-Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie
-hij zocht. Zich tot de heeren wendende:
-
-„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u,
-kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid
-gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer
-secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere
-tafeltje.
-
-„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.”
-
-„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een
-oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld
-en gewonnen!”
-
-„Een vole, mevrouw?”
-
-„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de
-schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.”
-
-„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?”
-
-„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen
-waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen
-door met twee troeven...”
-
-„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had
-klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw,
-boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde
-mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had
-de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En....
-waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....”
-
-„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?”
-brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af.
-
-De aangesprokene keerde zich met drift om.
-
-„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend.
-„Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken
-Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....”
-
-„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een
-schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes.
-
-„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?”
-
-„Neen, de kokkie deed dat.”
-
-„En de thee?”
-
-„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?”
-
-„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger
-mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe.
-
-„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten
-van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee
-prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik
-u bidden mag, een kop thee.”
-
-„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje.
-
-„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?”
-
-„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige
-quatre-mains van Ludovic met mij speelt...”
-
-Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht.
-
-„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat
-baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met
-den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid
-tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een
-spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs
-d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de
-voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar,
-kolonel?”
-
-„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van
-de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een
-gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had.
-
-„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den
-oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden,
-speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!”
-
-„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,”
-spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht
-overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar
-zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts
-afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?”
-
-„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij
-toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama
-te ontvangen?”
-
-„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen,
-vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van
-Beethoven spelen....”
-
-„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus
-36, verzoeken?”
-
-„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken
-glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas
-op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het
-omberen.”
-
-Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar
-fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam
-en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden
-stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten.
-
-Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en
-aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de
-uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met
-een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was
-een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in
-de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie
-te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van
-Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij
-uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de
-Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst
-werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht
-gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was
-iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van
-vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne
-beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne
-omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten
-volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij
-was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een
-geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten,
-noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord,
-noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het
-Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de
-casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet
-om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden;
-neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem
-voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk
-als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op
-hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke
-door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij
-daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef
-bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te
-omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht
-verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik
-in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan.
-Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking,
-gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de
-tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld
-vooruit te komen!
-
-Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als
-rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan
-hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van
-Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen
-gegeven.
-
-„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool
-is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst
-verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar
-vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne
-jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?”
-
-De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch
-voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische
-denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede
-de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was.
-
-De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te
-turen.
-
-„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van
-Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter
-mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan
-ginds tafeltje bij den resident eens kijken.”
-
-„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!”
-
-Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs.
-
-Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de
-woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de
-stem van de dochter des huizes weerklonk:
-
-„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom,
-het is tijd.”
-
-„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog
-niets gehoord!”
-
-„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij
-omslaan.”
-
-„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij
-de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel
-keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap
-heel andere kaarten op.”
-
-„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van
-Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch
-hier doen?”
-
-„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel.
-
-„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen
-zin.”
-
-„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad
-van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen
-niet ver.”
-
-„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een
-afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit
-aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!”
-
-De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet
-zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool
-begon:
-
-„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik
-dadelijk gekomen.”
-
-„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop
-vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.”
-
-En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de
-sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en
-bekeken, fluisterde het jonge meisje:
-
-„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil!
-onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier
-Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is
-evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren
-gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...”
-
-„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van
-Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren
-opstaan, overluid.
-
-„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O,
-hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op
-de piano, als ik u bidden mag.”
-
-„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach.
-
-„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal
-kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.”
-
-Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de
-bladen om te slaan.
-
-„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den
-prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote
-schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het
-hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij
-ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat
-briefje te schrijven.”
-
-„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.”
-
-„Luister aandachtig.”
-
-En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste
-gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn
-kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij
-al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in
-den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen
-kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen
-des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die
-den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen,
-vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in
-welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar
-ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium
-ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was.
-
-Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en
-zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo
-aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden
-betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte,
-vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een
-verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die
-van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste
-blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers,
-in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een
-oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet
-hooren.
-
-„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool,
-terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend.
-
-„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op
-gedempten toon.
-
-„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?”
-
-„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van
-dien aard.”
-
-„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?”
-
-„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu
-de fleurs d’oranger!”
-
-„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal
-worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe
-bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....”
-
-„Sjtt.... straks!”
-
-En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne
-sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in
-ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en
-zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige
-opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm
-der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge
-meisje de laatste vraag van Van Nerekool:
-
-„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....”
-
-Het lieve kind aarzelde.
-
-„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles
-mededeelen.”
-
-„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.”
-
-„Een weinig geluisterd?”
-
-Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare
-oortjes.
-
-„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa
-den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon
-de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan.
-Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel,
-hetwelk de deur maskeert, en....”
-
-„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,”
-
-„En, toen heb ik alles gehoord....!”
-
-„Alles, wat?”
-
-„Wat zij verteld hebben....”
-
-„Ja, maar, wat hebben zij verteld?”
-
-„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?”
-
-„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....”
-
-„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag
-u dat af.”
-
-„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.”
-
-„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat
-doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er
-geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal
-worden. Wees openhartig met mij.”
-
-„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het
-is zoo moeielijk.”
-
-„Waarin bestaat die moeielijkheid?”
-
-„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij
-hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.”
-
-En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide
-ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte
-waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema
-bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij
-mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den
-politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood
-hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den
-gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren
-vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille
-van het meisje te bekorten.
-
-„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had,
-waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat
-schip genoemd?”
-
-„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets
-dergelijks.”
-
-„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar
-met nadruk. „Bedenk u wel.”
-
-„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.”
-
-Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht
-aan zijne lippen ontgleed.
-
-„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij.
-
-„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?”
-
-„Neen.”
-
-„Aan Lim Ho!”
-
-„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij
-de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen.
-
-„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg.
-
-Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare
-ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van
-schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren
-door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig
-prevelde:
-
-„Ach God! Ach God!”
-
-„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen,
-„laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat
-in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.”
-
-„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle
-beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn
-vader?”....
-
-„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.”
-
-„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die
-zaak gecompromitteerd worden?”
-
-„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij
-ongemoeid blijft. Wees gerust.”
-
-„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn
-ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.”
-
-„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap
-nemen.”
-
-Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de
-ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige
-oogenblikken later het kaartspel geëindigd was.
-
-„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel,
-terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde.
-
-Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam
-vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na
-te turen.
-
-„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets
-te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar.
-
-Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten.
-
-„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen.
-
-„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.”
-
-„Vergist, waarmede?”
-
-„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij
-Ardjan gevonden was.”
-
-„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft
-in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran”
-(gevangenis) stoppen! Begrepen?!!”
-
-„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en
-onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan
-zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht.
-
-
-
-
-
-
-
-VI.
-
-EEN ECHTPAAR.
-
-
-Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen
-zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en
-daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in
-Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de
-administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen
-met zaken, welke het opiummonopolie gelden.
-
-Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van
-haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie
-herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de
-gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den
-rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem
-mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat
-nog wel van eene vrij belangrijke partij.
-
-„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid
-voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de
-strekking niet begrijp.”
-
-„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool.
-
-„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij
-mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt,
-dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden
-afgedaan.”
-
-„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch
-reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke
-organisatie.”
-
-„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat
-lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?”
-
-„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben
-overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de
-preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt,
-de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij
-heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.””
-[38]
-
-Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met
-doordringenden blik aan.
-
-„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere
-meening voor.”
-
-„En die is?”
-
-„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid
-heb gevraagd?”
-
-„Ja. Maar, wat zou dat?”
-
-„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te
-berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst
-over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.”
-
-„Welnu?”
-
-„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.”
-
-„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een
-ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den
-landraad te presideeren.”
-
-Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn.
-
-„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het
-reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr.
-Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij,
-alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....”
-
-„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de
-afdoening der landraadzaken belasten.”
-
-„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat
-krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de
-rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de
-resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den
-landraad kan optreden.”
-
-„Welnu?”
-
-„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik
-weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.”
-
-„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?”
-
-„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den
-Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de
-grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat
-zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering
-ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van
-Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken
-dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van
-Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat
-hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den
-bevoegden rechter te onttrekken.” [40]
-
-„Maar, dat is afschuwelijk!”
-
-„Zeker is het dat.”
-
-„En wat hebt gij gedaan?”
-
-„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die
-zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien
-dagen voor komen.”
-
-
-
-Dat zou zij niet.
-
-Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke
-ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het
-onverwachts een bezoek.
-
-Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in
-den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op
-bezoeken gesteld is.
-
-Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht,
-en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan
-zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had,
-dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel
-een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had.
-Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak
-gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren
-verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai
-gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan
-snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand,
-toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den
-„sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah
-Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht.
-
-„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de
-opiumpachter) vroeg hij.
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser.
-
-„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond)
-luidde het bevel.
-
-„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?”
-
-„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...”
-
-En een anderen oppasser wenkende:
-
-„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval
-hij.
-
-De schoone Laurentia trok de schouders op:
-
-„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en
-kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!”
-
-„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De
-wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.”
-
-„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren
-innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!”
-
-„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den
-beer aan John Pryce...”
-
-Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen
-influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te
-spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en
-nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog
-dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij
-o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen).
-
-„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met
-een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?”
-
-Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te
-hebben de oude vrouw derwaarts te brengen.
-
-Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het
-Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde
-een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor
-’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van
-iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van
-machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach
-evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad
-zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja,
-terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel
-zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den
-Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen
-omgaf [41].
-
-„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar
-een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag
-naar herwaarts?”
-
-De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met
-een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den
-Kandjeng toean te vernemen.”
-
-„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen
-doen.”
-
-„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het
-lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder
-een goede plaats vindt...”
-
-„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident
-glimlachend.
-
-„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het
-residentiehuis insloop.”
-
-Van Gulpendam spitste de ooren.
-
-„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?”
-
-„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.”
-
-„Nu, laat hooren, babah.”
-
-Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische
-vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied
-zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch
-niet zou begrijpen.
-
-Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de
-partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den
-resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd
-was, geen opium was.
-
-„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam.
-
-„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs”
-(verdikt plantensap).”
-
-„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan
-bestaat er geen overtreding.”
-
-„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium
-is.”
-
-„Drommels!”
-
-„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet
-wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben
-verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan
-rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het
-Gouvernement aan de pachters verstrekt...”
-
-„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam
-verbaasd.
-
-„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster
-in handen gesteld van den apotheker.”
-
-„En wat heeft die beslist?”
-
-„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat
-het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.”
-
-„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de
-zaak haren loop hebben.”
-
-„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....”
-
-„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij
-aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.”
-
-„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de
-stereotype glimlach van zijn gelaat niet week.
-
-En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef
-hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den
-handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep:
-
-„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik
-heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een
-kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn
-zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens
-bezichtigen?”
-
-De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die
-wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak
-een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen
-voorstelde.
-
-De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf
-onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde
-dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar
-uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het
-gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den
-sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest.
-Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den
-Chinees weer over met de woorden:
-
-„Zeer fraai, inderdaad.”
-
-„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?”
-
-„Wat, gij wilt?....”
-
-„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene
-heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot
-genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.”
-
-Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet
-de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje
-vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd,
-het gesprek van straks:
-
-„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den
-oever?”
-
-„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.”
-
-„Kunt gij die vertrouwen?”
-
-„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de
-Chinees met een valschen glimlach.
-
-„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan
-gevonden werd?”
-
-„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.”
-
-„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen
-is, nietwaar?”
-
-„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.”
-
-„Dan weet ik genoeg, babah.”
-
-De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te
-verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten.
-
-„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos.
-
-„Van welke?”
-
-„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.”
-
-„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,”
-betuigde de Chinees.
-
-„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal
-opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....”
-
-„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean.
-Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?”
-
-„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....”
-
-„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....”
-
-„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt
-zwaar, zeer zwaar gestraft!”
-
-De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den
-zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te
-voorschijn.
-
-„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit
-Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag
-het zoo kunnen?”
-
-„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident
-bewonderend.
-
-„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar
-Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken
-wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.”
-
-De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens
-den blik er in vallen.
-
-„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee
-zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan”
-(leverancier).”
-
-„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te
-nemen?”
-
-„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk
-genoegen.”
-
-Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet
-in den stijgbeugel te hebben.
-
-„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....”
-
-„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat
-ik doen kan.”
-
-De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was.
-Plotseling bedacht hij zich:
-
-„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd
-heeft?”
-
-„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.”
-
-„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de
-kaars vliegen.”
-
-De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord.
-
-„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident
-achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.”
-
-Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en
-reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht
-wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een
-fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong
-kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot
-van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van
-den babah.
-
-„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog
-Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de
-lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde.
-
-Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng
-toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de
-pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en
-schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas
-van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van
-duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren
-onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker
-van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en
-stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte
-papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende,
-borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar
-zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde
-van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh
-schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de
-binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam.
-
-„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in
-het oor.
-
-Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede.
-
-„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde,
-door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen
-aan te kijken.
-
-In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los
-te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar
-verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren
-blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem
-aan, en drukte hem een kus op de lippen.
-
-Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den
-sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone
-Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te
-vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten
-te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden
-vertegenwoordigde.
-
-Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone
-vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al
-onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met
-verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de
-bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg
-verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden.
-
-„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig
-sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij
-wat ik heb....”
-
-„Wat gij hebt?”
-
-„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.”
-
-„Maar, wat dan toch?.... Vertel....”
-
-„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....”
-
-Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag,
-naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn
-geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten,
-opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen
-aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer
-vies uitzag, ontwaard werd.
-
-„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen
-lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene
-hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren
-wilde. „Eerst dat, Gulpie!”
-
-Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker.
-Zijn gelaat gaf walging te kennen.
-
-„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.”
-
-„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok
-Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat
-minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal”
-[45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.”
-
-„En wil je me dat laten slikken?”
-
-„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig
-schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor
-den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens
-ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna
-zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij...
-Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....”
-
-Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of
-wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten?
-Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij
-hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen
-inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een
-gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende
-beweging volvoerde.
-
-„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem
-zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe,
-slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is
-te kostbaar!”
-
-En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje
-van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te
-likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was.
-
-„En nu het verhaal?” vroeg hij.
-
-„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je
-alles vertellen.”
-
-Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare
-nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats,
-en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening
-der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een
-boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel
-geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te
-zetten.
-
-En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim
-medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe
-Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een
-vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om
-het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst
-was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten,
-dat hij toen zijn doel niet bereikt had.
-
-Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen,
-de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd
-behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en
-daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene
-vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja
-het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot
-van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken
-Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een
-vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had.
-
-Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk
-gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum
-compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de
-fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone
-Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of
-waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken
-op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in
-hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in
-hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in
-het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene
-pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die
-dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan
-ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed
-van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en
-hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij
-het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te
-hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne
-levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd
-was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam,
-leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare
-weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den
-bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn
-arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde.
-In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in
-lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden:
-
-„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor
-haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft
-mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen.
-Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij
-mij dit aangeboden.”
-
-En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit
-een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van
-edelgesteente tot sluitstuk had.
-
-„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden
-waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De
-prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden
-inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende
-vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde
-in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het
-briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja
-daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende
-lichtstralen overtoog.
-
-Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte
-het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde
-haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd,
-hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met
-brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit:
-
-„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!”
-
-„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met
-hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware
-verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich
-zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...”
-
-„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel
-het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel,
-betoel! (inderdaad) Hari ontong!”
-
-
-
-
-
-
-
-VII.
-
-EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT.
-
-
-Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh,
-lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige,
-maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa
-Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een
-breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke
-van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen
-vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van
-grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde.
-
-Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want
-zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de
-heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste
-„assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de
-meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van
-de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd
-waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de
-ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de
-„katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de
-„poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra
-kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare
-liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar
-aangename verscheidenheid van kleuren.
-
-De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen,
-van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar
-bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als
-afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die
-als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht
-der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo
-een heerlijk beschaduwd terrein leveren.
-
-Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest
-schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de
-eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk
-bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend
-leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs
-langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden,
-werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,”
-„djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten
-opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer
-gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van
-Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een
-hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de
-opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar
-ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het
-verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend
-worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch
-velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen
-enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans!
-
-Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in
-zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te
-Kaligaweh teruggekeerd was.
-
-Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo
-genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa
-losgebroken.
-
-Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51]
-Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik
-te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te
-wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik
-misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het
-handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk
-in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten
-afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat.
-
-Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel
-geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij
-een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der
-binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker
-talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam
-van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den
-gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de
-pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem
-eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van
-gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde
-hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet
-alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere
-voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing
-weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook
-bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort
-schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die
-personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg
-stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer
-heulsap gezien.
-
-In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht
-van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh
-met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die
-door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden,
-behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n
-opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene
-wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo
-begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig
-mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel
-prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met
-duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk
-Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met
-de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden
-de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met
-hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de
-schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden;
-maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken
-zelfs van een eerste bezoek.
-
-Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk
-was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was,
-maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in
-vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het
-gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de
-flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de
-bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare
-welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de
-lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe
-troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders
-aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen
-opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele
-district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen
-loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht
-getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de
-frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid
-bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de
-gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware
-hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met
-hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining
-gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog
-treffender maakte.
-
-In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook
-naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel
-bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het
-doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De
-gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die
-scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken
-gesleten werd.
-
-Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart
-wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was;
-maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij
-zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te
-eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon”
-(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest
-anders worden!
-
-Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de
-bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen
-van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani
-(snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te
-snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der
-„potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere
-bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen;
-want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen)
-hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols
-product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de
-helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare
-reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo
-feestvollen dag kenmerkte.
-
-„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt
-nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java,
-een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve
-gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan
-voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en
-de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van
-minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand,
-menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte
-graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel
-minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid
-hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer
-op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen
-worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den
-„panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat
-de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in
-meer verfijnde maatschappijen voorvallen.
-
-Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde,
-klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek
-elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist
-uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had.
-
-Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de
-prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk
-beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche
-vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten
-was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met
-gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden
-hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was
-ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk
-gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het
-gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij
-op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden.
-
-Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar
-Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen
-een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en
-knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot
-zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet
-verwelkomden.
-
-De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten
-dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de
-„toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend
-hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra
-vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte
-stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder.
-
-Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele
-sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten
-glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven
-den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der
-Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte
-wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een
-doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen
-scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke
-„kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als
-zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk
-voorzienen gaard zouden neervallen.
-
-Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken,
-en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met
-hare welluidende tonen.
-
-„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.
-
-En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon
-het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de
-instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en
-oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in
-solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de
-muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller
-aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die
-onder de jolige menigte heerschte.
-
-Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de
-bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking
-der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen
-ongebruikelijk, moest gelden.
-
-Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide
-Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s”
-(sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke
-voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en
-gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden
-eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren
-snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten
-van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te
-verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had,
-die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des
-milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker
-verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold
-waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de
-„sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere
-lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had
-een woord van dank voor den milden Singomengolo.
-
-Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder
-hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste
-muziektonen begroet.
-
-„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.
-
-Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder
-dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten
-klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar
-den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar
-door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is
-de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare
-sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een
-integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat
-bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een
-der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor
-liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch
-verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:
-
-Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het
-dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk
-verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van
-de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en
-vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed
-onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van
-jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare
-gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden
-van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene
-koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder
-geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen
-bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter
-uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten
-aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen.
-Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor,
-hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte
-zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister,
-hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl
-de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt
-niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar
-boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng”
-(fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel
-in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer
-moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts
-stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen
-uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp)
-duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare
-gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt
-was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide
-verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en
-de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens
-betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er
-aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet
-te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat
-niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.
-
-De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor
-dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu
-eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen
-ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien
-slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen.
-Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en
-behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het
-was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo
-kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen
-blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren
-minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen,
-te gemoet.
-
-Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en
-duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van
-het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch
-genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen
-uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning
-geslaakt, te eindigen.
-
-Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren,
-terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte
-wegstierven.
-
-De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne
-bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door
-de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen,
-die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.
-
-Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar
-een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten
-hanteeren.
-
-De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste
-hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk
-voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd.
-
-Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel
-deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van
-de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan
-Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen
-zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de
-lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan,
-dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn.
-Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang
-Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot
-geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd
-gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen
-zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij
-werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van
-Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen
-niet veel te vinden.
-
-Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig
-gebaar naar het geopende speelhol.
-
-„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s”
-(kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor
-de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij.
-
-Dat was olie in het vuur geworpen.
-
-„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der
-omstanders.
-
-„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen
-duivelen-lach.
-
-Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen
-vergeten!
-
-„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”
-
-„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de
-verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari
-ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten
-klinken!”
-
-En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en
-te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden
-handholten drie rijksdaalders liet rinkelen.
-
-Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand
-arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde
-maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo
-verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten
-verstrikt was.
-
-Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel
-bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten
-èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen
-dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden
-van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee,
-de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij
-in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave
-vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te
-leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen!
-
-Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol,
-en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl
-buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s”
-[63] vernomen werden.
-
-Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de
-bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen,
-slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen
-overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der
-spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers
-onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het
-slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de
-croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor
-zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon
-was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in
-de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken
-waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd
-te zijn.
-
-Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het
-dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden
-de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene
-ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten
-werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.
-
-Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd
-de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de
-waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah
-Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden
-gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te
-groot was.
-
-Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al
-niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne
-handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de
-belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel
-lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op
-de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden
-met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende
-blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme
-slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden
-te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.
-
-Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het
-gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de
-uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al
-ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet
-alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die
-haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64]
-
-Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien
-uitslag vernam:
-
-„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet
-houden!”
-
-
-
-
-
-
-
-VIII.
-
-EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE.
-
-
-Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig
-voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk
-gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de
-geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den
-beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen.
-Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk
-de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar
-een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan.
-Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de
-eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen
-over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het
-product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen.
-
-Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie
-losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende
-verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren
-ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een
-zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan.
-De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de
-vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het
-amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de
-rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden,
-daarop voortstuwden.
-
-Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar
-te nemen. Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst
-langzaam, maar zeker. O, in den beginne was het verbruik van opium zoo
-gering. Een paar „mata’s” [66] daags, nog niet eens die hoeveelheid,
-waren voor die oorspronkelijke lieden, aan de werking van het gift niet
-gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap met zijne
-betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de
-Profeet Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel
-aantal mata’s verschafte de grootste opgewektheid, de hoogst
-opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat genot was bij den
-opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata [67].
-Waarlijk, het was te geefs!
-
-Maar... maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe
-hoeveelheid, die toch reeds eene bres in zijn bescheiden budget
-veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld wederkeerde;
-langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die
-hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te
-erlangen. Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu
-en dan, bijvoorbeeld eens in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand
-nam, helaas, naarmate de zenuwen aan den prikkel gewenden, werd de
-behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen aan te
-wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had,
-loom, naargeestig, zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve
-hoogst ongelukkig gevoelden. Geen ander middel bestond daartegen dan om
-de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel andermaal in
-te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den
-eenen zwijmel in den anderen overgingen [68].
-
-Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te
-gronde ging, wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de
-zoo verleidelijke opiumballetjes overschreden reeds de draagkracht van
-menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften eischten bevrediging,
-en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven was de lust
-tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja
-vernietigd. Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig,
-vadzig, lui, slaperig wezen; geheel onbekwaam tot de geringste
-inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen kon worden
-door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel.
-
-Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van
-Kaligaweh dermate geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten
-in het oog vallen. Werd de dèsa toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam
-geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde die, wanneer zij die
-streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk der
-bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal
-handelt, mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne
-meewarigheid wel gaande moesten maken.
-
-O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van
-den opium-hartstocht voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de
-Oostersche bronstint niet meer te herkennen was; die saamgeschrompelde
-huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te
-verschroeien aan eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die
-hoekige gelaatstrekken, welke het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel
-deden gelijken; die fletse blikken van de diep ingezonken oogen met
-donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken
-borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke
-veroorloofde de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid
-deed opwellen, want de specimina, die ontwaard werden, hadden
-ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) om de
-lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat
-vreeselijk kuchen, hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte
-klinkende van eene beklemde borst en van aangetaste longen sprak, en
-het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die spillebeentjes,
-zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te
-dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde
-pronkstuk der schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot
-onwraakbare getuige van het langdurig lijden, van de onafzienbare
-ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor die lichamen gesloopt
-werden.
-
-Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar
-waar hij als dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten
-achtergelaten had, later terugzag, mochten zijne lippen zich waarlijk
-bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach omkrullen. Al
-wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen
-om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het
-geheel niet onderhouden galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die
-slecht bewerkte velden, die weinige buffels, welker vermagerd en
-ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, dat alles was
-zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het product schamel en
-schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor
-dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de
-schuld, dat kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen
-verpand werden, en in de kolk van den volksramp verdwenen.
-
-Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne vrienden Ong Sing
-Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis te
-Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke
-tusschenkomst voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans
-in vergelijking met vroeger, toen die drie middelen, zoo als de
-Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, in die dèsa weinig of
-niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. Vroolijk
-en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen
-en fier en trotsch zou het Nederlandsche wapen met het virile „Je
-Maintiendrai” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat
-pandjeshol, boven dat speelhol, welke als aangebedene Drievuldigheid,
-tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte
-uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is
-kunnen worden!
-
-Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen
-gegraven, behoorde Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie
-van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die vroeger een gegoed Javaansch
-landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” (buffels) mocht
-heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven,
-verdobbeld en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste
-ellende gedompeld had.
-
-Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding
-van plat uitgespreide bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van
-„nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje waarin Pak Ardjan vroeger,
-met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, en de
-toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag?
-
-Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag,
-bedompt en hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij
-bestond, heerschte eene onaangename muffe lucht, die door in bederf
-overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een blik op de schamele
-omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half vergaan
-en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het
-dak, hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog
-en overigens in stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het
-eenige meubel aanwezig, liet geen twijfel over van waar die bedompte
-lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger bodem bedekten,
-krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de
-vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen
-werden, en door het langdurig gebruik het lichaam aan flarden
-verlieten, op den bodem gehurkt, met verglaasden en dom uitzienden blik
-dat schouwspel aanstaarden.
-
-Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten
-worden. Want de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins
-geen besef meer! De ontzettende zelfzucht, die door het opiumverbruik
-ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende onverschilligheid omtrent
-zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen toe, de
-hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid,
-van elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht,
-waardoor hij ten laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de
-voldoening van zijn hoofdhartstocht en de nevenlusten daarvan, waaraan
-alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde zijn oog, en maakte
-hem aan den rand van den afgrond stekeblind.
-
-Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken
-voortgebracht, dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde
-en droomde hij, en bouwde voor zich alleen een paradijs op, waarin
-slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. Had hij de
-opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin
-bereikt, dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde
-hij zijne vrouw, die hem alsdan als eene hoeri van het paradijs
-verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; dan hadden er in
-die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en
-handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden
-moeten gesluierd worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk,
-onbekwaam om zijne hartstochten te kunnen breidelen.
-
-Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te
-bedaren, dan verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die
-voor hem, maar nog meer voor zijne geheele omgeving een kelk van lijden
-was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel
-zenuwstel in beroering, dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem
-door het hoofd, dan was hij ongedurig en angstig, dan voelde hij pijn
-door het geheele lichaam, dan was hij het sterven nabij, zoo verzekerde
-hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts één
-middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was
-andermaal de opiumpijp ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift
-te bestrijden.
-
-En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld
-vandaan haalde, moest zij maar weten.
-
-En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de
-lamp verzorgen, bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een
-ander sterke koffie zetten, meestal afkomstig van diefstal uit de
-gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd door armoede mogelijk
-was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet vlug
-genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met
-kermen en klagen, met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen
-radeloos en diep neerslachtig maakte.
-
-In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo
-verdorven als zijn vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo
-ontvangbare tijdperk der jeugd indrukken opgedaan, die het mogelijk
-maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig getreden was, en dat
-hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, die hem
-bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij
-in de djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van
-Lim Yang Bing, den opiumpachter van Santjoemeh verkondigde.
-
-Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was
-dat gezin in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze
-evenwel, na eerst een korten tijd als matroos aan boord van een
-gouvernementskruisboot gediend te hebben, eene plaats aan boord van den
-schoener Kiem Ping Hin verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen
-Ardjan, door zijn van nature helder verstand geholpen, tot djoeroemoedi
-opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, om in aanraking met de
-lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was
-geene groote hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote
-waarde weg te kunnen moffelen; terwijl zijne opvattingen omtrent het
-mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. Het ontvreemde heulsap
-leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht
-ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het
-overige gedeelte nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het
-huisgezin ten goede te komen, in de grootste ongebondenheid werd
-verteerd.
-
-Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den
-opiumpachter den wenk gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar
-bij de politie aangeteekend stond.
-
-Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd
-van gewestelijk bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de
-opiumpolitie den onverlaat op het spoor, zonder hem te kunnen snappen.
-Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de Kiem Ping Hin diende, was daar
-nimmer een ernstige poging toe gedaan.
-
-Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had,
-dat Pak Ardjan, onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen
-was, van de door de politie aangehaalde opium aan wal gebracht te
-hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke mishandeling, die
-de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, uit
-deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde,
-nog minder uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben
-om den euveldader zijne verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor
-zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, had Ardjan bij zijn vader eenige
-katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, zou hij zich om de
-mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die slonk,
-begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het
-verblijf in het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn
-versuft brein had hij gedacht de invrijheidstelling van Ardjan te
-kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim Ho in te dienen. Die raad
-was hem door een pleitbezorger gegeven, die in een geding met den
-rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene goudader meende
-ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en de
-voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend.
-
-Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door
-Mr. Zuidhoorn opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan
-de eischen van zijn rechtsgevoel te voldoen, en den onverlaat, die zich
-zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den wrekenden arm der justitie
-over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de schoone dochter
-van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om den
-verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en
-meende haar tot een goed einde te kunnen brengen.
-
-Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak
-Ardjan zijn voorraad smokkelopium, die hij in een blikken trommel
-verstopt, in een eenzaam naburig ravijn diep in den grond, onder een
-dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en bevonden dat
-helaas! hoogstens nog maar een paar taël over waren. Hij nam die mede
-naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers gedaan,
-waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden.
-
-Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat
-Singomengolo in de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd
-had. Hoewel die verschijning, en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd
-voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar gevoel van onrust,
-dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware hij in
-normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt
-was, omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij
-begon zich loom te gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn
-denkvermogen raakte in de war; in één woord, hij was het stadium nabij,
-dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze narcoticum noodig
-had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad
-voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een
-nipahblad wikkelde, en het tusschen de atappen van de dakbedekking der
-schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was,
-begon het lieve leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om
-hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht ter wille te zijn.
-
-Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood
-aan zijne derde pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den
-invloed van het papaverproduct verkeerde, verscheen Singomengolo,
-vergezeld van een viertal politieoppassers en van de Chineezen van de
-opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, wat
-er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene
-zekere behendigheid de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op
-de baleh-baleh onmisbaar behoorde, geborgen had, en twee zijner
-kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank verstopt had,
-en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete
-lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel
-het allerminst een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des
-pachters was, misleiden.
-
-„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne
-handlangers het huis binnendrong.
-
-„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk,
-terwijl zijne vrouw met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen
-in een hoek van het vertrek samenschoolden.
-
-„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie.
-
-En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij:
-
-„Hier is opium gerookt!”
-
-„Neen, waarachtig niet!”
-
-„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het
-corpus delicti van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is
-de pijp; zij is nog warm.”
-
-Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel
-vernietigd.
-
-„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch.
-
-Geen antwoord.
-
-„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de
-lippen voort.
-
-Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de politiedienaren,
-welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon,
-door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd
-worden,—waarvan het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die
-helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. [69]
-
-Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd
-gezocht; in den bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet;
-onder de „dapoer” en in de asch van dat primitieve kooktoestel werd
-getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters werden opengesneden,
-en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en „kapèk”
-(sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen,
-die zij bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het
-armoedige huisraad, de weinige potten en pannen, de rijstketel, het
-tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot de sirihdoos toe, werden
-doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden.
-
-Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve.
-Eerst werd Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem
-onder het toedienen van een groot aantal vuistslagen, de smerige
-vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, en weldra stond hij daar
-met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. Onder den
-aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene
-blijft beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor
-zijne kinderen te dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de
-kinderen, waaronder meisjes van 7 tot 14 jaren. Met de grootste
-zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden de
-gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk
-gevoel ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen
-weerhouden; zij zochten en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne
-lippen nog met beestachtigen kortswijl de magerheid der „prawan’s”
-(maagden) bespotten. Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder
-het oog der politie geschiedde, ja met hare medewerking volvoerd werd;
-want èn de bandoelans èn de politieoppassers wedijverden met de
-Chineezen in ontuchtige handelingen.
-
-De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder
-die behandeling; maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog
-losbandiger gebaar, door een der politieagenten gepleegd, waarbij de
-oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van veertien jaren, haar
-sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak Ardjan
-woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem
-den sabel uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te
-deelen, die dezen noodzaakten, onder het uiten vaneen akelig jammerend
-gehuil, het tooneel zijner heldendaden te verlaten.
-
-Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem
-blind voor hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens
-uitgeteerde arm geene inspanning van eenigen duur kon verleenen, was
-dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder nog ter verdediging
-van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld.
-Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander
-gebonden, waarbij men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen
-doorreeg, hetgeen bij iedere beweging van den ongelukkige afgrijselijke
-smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk te maken, werden hem
-de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig van
-barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde
-polsen slechts gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen
-aangevuld, die in der haast van een paar stukjes brandhout gesneden, en
-tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven werden, hetgeen den
-ongelukkigen zulke onduldbare pijnen veroorzaakte, dat hij in een
-klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier weg
-had.
-
-Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden!
-
-Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig.
-
-Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.... om dien lachte hij.
-Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten
-onthouden.
-
-Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet
-verdenken?
-
-En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen!
-En dat zouden die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen
-twijfel te koesteren. En, als dan de „toean toean rakkers” (de heeren
-rechters) kennis van de zaak namen! Ja, dat kon reeds niet anders. Pak
-Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen de politie, en nog
-wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen kon
-blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar
-gestraft werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan,
-en daarbij niets gevonden had! Dan zou wellicht nog meer te berde
-komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” (te gemeen) met de meisjes
-omgesprongen... En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! Die
-zouden dat wel te weten komen!
-
-O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen
-maar goed genomen had!... Dan...
-
-„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de
-schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig
-mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing”
-(het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien
-verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen,
-neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden
-had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om
-straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan
-huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van
-schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh...
-wat is dat?”...
-
-En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek,
-waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog
-kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte
-streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet
-onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een
-schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden
-bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte
-en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te
-brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was
-de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had.
-
-„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den
-rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor
-de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde
-parelde.
-
-Maar deze sprak geen woord.
-
-Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was,
-werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel)
-geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest,
-gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de
-gevangenis van Santjoemeh overgebracht.
-
-Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam
-bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die
-beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de
-politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht
-ernstig gewond was.
-
-Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las,
-kon hij een bitteren glimlach niet verbergen.
-
-„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij.
-
-
-
-
-
-
-
-IX.
-
-KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL.
-
-
-Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van
-Pak Ardjan, zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den
-landraad, en de omstandigheden, waaronder zij plaats gevonden had,
-vernam, grinnikte hij van genoegen.
-
-„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins
-verstandige behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet
-waarheen gezonden, alvorens de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing
-aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke getuige is dan weg.”
-
-Hij verviel in diep gepeins.
-
-Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van
-den resident laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de
-ijle toezegging gekregen, dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor
-hem te stemmen.
-
-„Betoel, njonja mahal!” [70] (Waarachtig, het is eene dure mevrouw)
-grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke hulp wel kosten,
-wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga!
-dat zal naar geld ruiken!”
-
-Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen
-zekeren loop.
-
-„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat
-mij te zeer! Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo
-aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij is lief, dat’s waar; maar daar
-zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.... Dat is flauwe,
-bekende kost!.... Die weerspannige deern voor mijn wil te doen
-bukken;.... haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen
-overdekken;.... in de armen van haar, die mij veracht, de hoogste
-wellust te genieten;.... om haar daarna, naar lichaam en ziel verlept
-en verflenst, te kunnen wegtrappen,.... ziet.... dat is de „sambal”,
-(gepeperde toespijs) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij
-Kong! Aan dat verlangen zal ik bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet.
-Met list of met geweld? Om het even; als het noodig zal zijn, met
-beiden tegelijk!”
-
-Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai
-bewerkte rottanbank in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange
-Chineesche pijp in den mond, waaruit hij de heerlijkste tabak, die het
-Hemelsche Rijk oplevert, rookte.
-
-„Met list?”.... zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij
-zich zelven voort. „Met list?.... Wat staat mij het meest in den weg?
-De wil van het jonge meisje. Ja, maar die zal wel te buigen zijn,
-wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.... Dat zal desnoods de taak
-van het geweld zijn. Maar,.... wie staat mij nog meer in den weg? De
-njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb
-ik, als het er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik....”
-
-En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der
-Chineezen, wanneer zij geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met
-ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, goudgeld, guldens of
-rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets
-minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken,
-zonder ooit eene enkele munt te veel of te weinig neer te leggen.
-
-„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?....” ging hij voort.
-„Ardjan, haar verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in
-de stadsboeien, en is beschuldigd van een paar pikols opium binnen
-gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen is, en hij
-zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan
-moet Dalima de mijne geweest zijn! Daarna?.... Och, dan.... dan denk ik
-niet meer aan haar. De vraag zal dan zijn, welk lief bekje mij verder
-boeien zal? Dus.... Ardjan is ook niet te vreezen. En wanneer die uit
-de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.... Blijft nog
-over Setrosmito, Dalima’s vader.... O, die ellendige Javaan heeft mij
-met zijn kris gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de
-onschuld zijner dochter bood.... Dat moet ik hem nog betaald zetten!
-Maar hoe?.... O, een denkbeeld!.... Die gevangenneming van Pak Ardjan
-is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val
-kon raken; al ware het maar voor weinige weken....”
-
-En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op
-een fraai voetstuk van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen
-en krokodillen en relief voorzien, bij een pilaar stond, greep daar een
-ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, dat zinnebeeld
-van Ngoh, den Watergod, [71] gesneden, en deed daarmede een paar slagen
-op het klankrijke metalen instrument. Onmiddellijk daarop trad een
-zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot bij de rustbank
-naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd
-bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht.
-
-„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho.
-
-„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl
-hij zijn sembah herhaalde.
-
-„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der
-opiumkit zwerven. Ik moet hem dadelijk spreken.”
-
-„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al
-hurkende achteruitschoof, toen opstond en steeds front naar den Chinees
-makende, achteruitstapte, en zoo door de fraai gebeeldhouwde deur van
-het vertrek verdween.
-
-„Slechts voor weinige weken....” zoo ging Lim Ho met zijnen
-gedachtengang voort. „En in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden
-worden, om de lieve Dalima te lokken.... O!... daarbij zou de njonja
-resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur worden!... Om
-het even, geld is er genoeg!”
-
-En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken.
-Toen een ander Javaan verscheen, vroeg hij:
-
-„Is Drono al weg?”
-
-„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te
-vertrekken.”
-
-„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel.
-
-Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem.
-
-„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå,
-en zeg haar, dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.”
-
-„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken
-sembah.
-
-„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig.
-
-„Saja, babah.”
-
-’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de
-„njonja besar” (de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde
-terstond; want het was in de ochtenduren, en de schoone Laurentia had
-haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, en de benoodigdheden aan „kokkie”
-(kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig met na die bezigheden
-haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte
-entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen”
-(kwakzalfster) had zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds,
-wanneer het mogelijk was, op ieder uur van den dag.
-
-„Tabeh, njonja;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der
-Javaansche onderdanigheid zoo eigen, terwijl zij aan de voeten der
-Europeesche dame nederhurkte.
-
-„Tabeh nènèh,” antwoordde Laurentia.
-
-„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het
-gesprek te beginnen.
-
-„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.”
-
-„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten zijn zoo
-moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.”
-
-De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de
-oude een paar rijksdaalders in de hand.
-
-„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.”
-
-Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een
-smerigen zakdoek, waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde
-dat de njonja tevreden zou zijn.
-
-Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden,
-„wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde,
-dan keek iedereen het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de
-een of ander ook wel een blik toe aan de baboe, die het jongetje
-vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat baboe Dalima schoon,
-zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten gaan
-wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de
-onschuld te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo
-jammer zijn, wanneer die lieve meid in verkeerde handen viel. Er was
-zooveel geld met haar te verdienen!”
-
-Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten,
-dat de hartstocht van Lim Ho voor het schoone meisje steeds
-aanwakkerde, en dat hij al meer en meer genegen was, groote
-opofferingen voor haar bezit te doen.
-
-De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå
-zag met sluwen blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar
-toch met den loerenden blik op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een
-poos, en scheen daarbij al de aandacht harer toehoorster te boeien;
-want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde malen het
-schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare
-mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet
-dadelijk, maar dacht, zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij:
-
-„Boleh; tapeh.... mentega sama ikan!”
-
-Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar”
-beteekent, was er eene glinstering in het fletsche oog van het oude
-wijf verschenen. Bij het overige gedeelte van de uitdrukking der njonja
-teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche
-uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het
-Maleisch vertaald, gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip.
-
-„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend.
-
-„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in
-het Maleisch. „Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met
-beloften laat ik mij niet afschepen!”
-
-„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien
-van den band te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude
-verwelkte lendenen gesloten hield, en het de njonja aanbood.
-
-Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van
-Chineesch maaksel, die van diamanten fonkelden.
-
-„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden
-glimlach.
-
-„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf.
-
-Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft
-gezegd, dat hij de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen
-betuigen, wanneer de zaak gelukt was.”
-
-Laurentia lachte hoonend.
-
-„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!....
-Neen, ik wil den babah niet zien.”
-
-„Maar, njonja....”
-
-„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.”
-
-„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå.
-
-„Wat ge wilt, nèh!”
-
-„Maar, njonja....”
-
-„Geen woord meer daarover, ’Mbok. Zorg nu maar, dat ge me eene flinke
-provisie van die obat brengt.”
-
-„Tobat!....” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?”
-
-„Neen.”
-
-„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s,
-„tjientjing’s” (ringen).”
-
-„Neen... neen... nèh...; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden)
-weet?”
-
-„Gelang’s, njonja?... Welke?”
-
-„Gouden, natuurlijk, nèh... Ik heb er laatst gezien, de dochter van den
-Majoor-Chinees had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van
-„maas toewa” (oud goud), die zich drie of vier malen om den pols
-wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl zij in den mond een
-rosé-achtigen diamant hadden... kijk, zoo dik!”
-
-En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink.
-
-De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde.
-
-„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor
-die zou ik nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen
-zijn.”
-
-Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de
-oude vrouw met een enkelen blik als doorboorde.
-
-„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. „Tabeh
-njonja!”
-
-„Tabeh nèh!”
-
-Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en
-herhaalde de uitdrukking van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te
-zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. Hij overhandigde den
-volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte gelang’s
-aan ’Mbok Karjå.
-
-
-
-Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal
-de lezer een nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den
-jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hulp door Anna van Gulpendam voor
-Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het
-verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te
-werpen.
-
-Karel van Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman
-van ongeveer acht en twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat
-wel wat ernstig door een paar hel blonde bakkenbaarden omlijst werd,
-terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren krullendos prijkte.
-Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche
-Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina cum laude had
-afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid
-erkennen, dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had
-getrokken, welke met eenig recht er van verwacht hadden kunnen worden.
-Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, als op de hoogeschool had
-hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner studiën,
-die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel
-sprong, om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke
-reeds bij het kind en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt.
-Hij hield dol veel van alles, wat hem niet aanbevolen werd, en
-daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, dan de
-teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om
-die afwijking van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar,
-wat nood? Dat hinderde hem minder. Hij kroop dan in een hoek van het
-schoollokaal en droomde. Destijds werd wel eens gemompeld, wanneer hij
-dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt hoofd naar
-boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim
-verloren: „arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die
-voorspelling werd geloochenstraft; met hem gebeurde het als met zoovele
-anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden der manbaarheid.
-
-Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige
-lieden,—van die, welke steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den
-dag leggen omtrent zaken, die hen niet raken,—beweerden dat die vader
-nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend was. Waarop zij
-dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam te
-pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren
-naam zoude zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling
-inboezemen, in een tijd, waarin Goddank, de mensch het recht van
-bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts waardeering geniet,
-wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een
-zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der
-wereld, namelijk die der weldenkende lieden.
-
-Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten.
-De studiën van den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs
-bekostigd, maar hij was ook in staat gesteld geweest, om aan de meest
-prettige partijen der Leidsche studeerende jongelingschap deel te
-kunnen nemen, en geen hunner kon er zich op beroemen, het:
-
-
- Io vivat! Nostrorum sanitas!
-
-
-met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht
-kwetsbare regelen der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden
-te hebben. Toen evenwel die moeder bij het eindigen van den studietijd
-plotseling kwam te overlijden, bleek het, dat het vermogen, welk zij
-bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te gelde gemaakt
-had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die
-zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man
-den raad in dienst van de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië over
-te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd
-Karel van Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking
-gesteld van den Gouverneur-Generaal. Te Batavia aangekomen, werd hij
-gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om de leden van het
-Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte,
-alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk
-waren, in het bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de
-uitdrukking luidde, behulpzaam te zijn.
-
-Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak
-ten opzichte der Inlanders betreffende; want de behandeling der
-facultatieve revisiën van de vonnissen in zake van misdrijf door de
-landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn deel geworden.
-Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd
-geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen.
-
-Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad
-in de hoofdplaats der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke
-gids, die de heerlijke eigenschappen van den jongen rechtsgeleerde tot
-ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden van vuurvaste
-beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der
-vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia.
-
-Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis gemaakt met twee
-jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een
-vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork,
-controleur, en Eduard van Rheijn, aspirant-controleur, beiden
-behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur in de residentie
-Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de
-hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook
-het district Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats
-ten residentie-bureele zich voor zijn aanstaande betrekking moest
-bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge mannen, die, met een
-onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee trachtten
-te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden.
-In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel van
-Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de
-heer Verstork was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in
-Indië en zijne daardoor meerder opgedane ondervinding, meer buigzaam
-van karakter en, ofschoon zelf niet in staat om iets ongeoorloofds te
-bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere verrichtingen
-zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en
-bepalingen uitvielen, of ook wel tegen de stiptste opvattingen der
-eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij
-zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten
-gevolge van dien karaktertrek in botsing met de overige jongelieden,
-maar verontschuldigde zich steeds door op zijne bizondere
-omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. Ook hij
-had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van
-Nerekool, als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin
-achtergebleven. En hoewel zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in
-haar levensonderhoud en dat harer kinderen trachtte te voorzien, zoo
-reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange na niet toe,
-om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat,
-toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van
-Willem in Europa waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën
-dier jongelieden konden, zonder hunne toekomst totaal te verwoesten,
-niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, dat onze controleur onder
-zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij
-eigenlijk de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan,
-die hij zoude betreden.
-
-Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als
-tegenwicht kon gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als
-lauw mocht aangemerkt zijn, of wanneer hij in de noodzakelijkheid
-meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen verzachtende
-omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en
-wandel streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer
-hij de gevolgen der zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht
-kon optreden.
-
-Eduard van Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet
-onder zijne gebreken. Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds
-zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, als die welke bij Verstork
-zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, dat hij bij
-den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op
-eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk
-Indisch ambtenaar gevormd te worden.
-
-De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en
-lieten geen enkel oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te
-genieten, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood. Voor Karel en
-Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, daar zij beiden te
-Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. Anders
-was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats,
-was ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd,
-zoodat van een dagelijksch verkeer met zijne vrienden geen sprake kon
-zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag namiddag, wanneer zijn arbeid
-beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed dan spoorslags
-naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan
-bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie” door, waar de zoo
-verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder bracht
-hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken
-chef, den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat
-de dag aan den hemel was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te
-hebben, stipt tegen negen uur op zijn kantoor te kunnen verschijnen.
-
-Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een
-paar glazen ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was
-hij meestal te zamen met zijne twee onafscheidelijken, die hem dan
-zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren vooral de Zondag avonden,
-die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden onderling
-gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij
-bij Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit
-die vriendenharten ontsproten, hunnen gang.
-
-Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een
-zijner bezoeken bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben
-met diens dochter Anna, die kennismaking op de daarop gevolgde
-danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den militairen
-kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had,
-en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het
-beschaafdste meisje der geheele wereld vond.
-
-„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het
-eenvoudige genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het
-liefde, die zich in mijn hart begint te nestelen? Bij de geringe
-ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, onthoud ik mij van eene
-afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat ik mij
-uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid
-bevind.”
-
-„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?” vroeg Eduard met ondeugenden
-glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon uithuizig.
-Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan
-is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek
-brengen, of wel hij gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of
-niet. Ik verdenk hem er zelfs van, aan de residentelijke ombertafel
-plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen het residentiehuis
-langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, door
-bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog
-zich omtrent mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.”
-
-Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd.
-
-„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel van
-Nerekool.
-
-„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel....”
-
-„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede.
-
-„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet
-uitspreken.”
-
-„Welnu dan, ga voort.”
-
-Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde
-aangetrokken; maar ook, dat nog geen enkel woord aan zijn lippen
-ontglipt was, hetgeen den toestand zijns harten had kunnen verraden.
-Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel is waar, hem
-het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden,
-maar toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot
-complimentjes en vernuftige steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer
-jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, en die hun licht niet
-onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn
-verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog
-geheel onbewust was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond
-evenwel, het was reeds laat, had een Javaansche bediende een briefje
-gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, ten spoedigste bij
-haar op het residentiehuis te komen.
-
-Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen
-evenwel de ernstige plooi van zijn gelaat niet wegnam.
-
-„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat
-ook vreemde gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van
-alle aangenomen vormen, nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan
-een jeugdig man deed. Voor het minst moest ik het voor eene
-onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig werd
-ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het
-lieve kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon
-was, dat ik met haar piano speelde, kon het niemands aandacht wekken,
-dat wij ook toen in de hel verlichte binnengalerij bij het klavier
-plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna mij had laten
-roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den
-verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.”
-
-En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn van de
-mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die
-te Moeara Tjatjing aangehaald was, verhaald had.
-
-Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon:
-
-„Dat is zeer treurig.”
-
-„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming
-vergiste. „Maar, ik hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.”
-
-„En uwe.... genegenheid voor het lieve meisje is.... wel groot?” vroeg
-„Willem aarzelend.
-
-„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u
-verhaalde, de lieve Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer
-bij den militairen kommandant, dan weer bij hare ouders aan huis te
-ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak te wisselen,
-en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van....”
-
-„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard van Rheijn ietwat spottend.
-
-„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel,
-van het eenvoudige en degelijke van haar karakter, en.... waardste
-vrienden, de bekentenis moet er uit: ik ben geheel en al onder haren
-betooverenden invloed.”
-
-„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig.
-
-„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig.
-
-„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst
-voor.”
-
-„Maar, waarmede dan?”
-
-„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te
-beantwoorden.”
-
-„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van
-Nerekool neerslachtig. „Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch....”
-
-„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen... en, vertrouw op
-mijn woord, dan zal ik u antwoorden.”
-
-Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den
-geheimzinnigen controleur te halen. Karel moest zich met de gedane
-toezegging vergenoegen.
-
-
-
-
-
-
-
-X.
-
-UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE.
-
-
-Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden;
-evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch
-van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar
-Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou
-geheel anders toegaan.
-
-Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van
-Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen.
-
-„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het
-vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta,
-om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof,
-dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als
-gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats
-gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik
-meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn
-nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo
-is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak
-zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi”
-(rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout)
-zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen.
-Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert:
-
-„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners
-mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd.
-Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het
-tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van
-die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen,
-die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene
-woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en
-zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden
-daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander,
-de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee
-voert, gelegen.
-
-„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk
-gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene
-klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden
-verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die
-zult gij gewis niet afslaan.
-
-„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono”
-(Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen
-bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo
-tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een
-uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te
-steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige
-terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat
-gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren
-den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel
-in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is
-dat afgesproken?....”
-
-„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof
-zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten
-hooren.
-
-„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn,
-„en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te
-nemen....”
-
-„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe
-vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de
-tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt
-geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten
-minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd
-kan worden, onontbeerlijk....”
-
-„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik
-een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat
-is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En
-revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.”
-
-„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo
-heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih”
-(plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een
-paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking.
-Gaarne zullen zij u die wapens leenen.”
-
-„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten”
-(regentswoning) te brengen.”
-
-„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche
-hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij
-komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk.
-
-„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou
-ik....”
-
-„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten
-voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die
-wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche
-grooten. Maar....”
-
-„Wat, maar?”
-
-„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?”
-
-„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle
-schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn.
-Wees gerust.”
-
-
-
-Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht.
-Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo,
-alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke
-kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd,
-die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare
-stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den
-bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen,
-een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen
-vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar
-getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren,
-liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het
-halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets
-geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting
-daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel
-alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen
-vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte,
-waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring
-verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den
-stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te
-vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de
-overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte
-en alles omhulde.
-
-Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van
-Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh
-voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de
-gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote
-vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen
-en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den
-breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en
-schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden.
-
-In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene,
-blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat
-waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met
-hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te
-kennen gaven.
-
-De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een
-oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te
-overzien.
-
-„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich
-zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat
-rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat
-violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet
-weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel
-blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den
-uitkijk zien staan.”
-
-En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing
-van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte
-naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer
-moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te
-ontvangen en te beantwoorden.
-
-De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was
-eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering
-gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het
-uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een
-blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale
-trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden,
-drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en
-neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr
-wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij
-ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne
-bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident
-blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een
-welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met
-een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging
-voor zijn persoon betuigen moest:
-
-„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!”
-
-Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel
-tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten
-der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren
-reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op
-de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een
-genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van
-den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en
-dochter terug.
-
-„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t
-zicht.”
-
-De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid
-gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe
-voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een
-sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van
-de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede
-zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed
-in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden
-harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een
-minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de
-beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den
-rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet
-ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit
-albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus
-Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager,
-dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen
-bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten.
-Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het
-fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende
-diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over
-het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere
-oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De
-hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk,
-hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten
-dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud
-goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer
-bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den
-uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had.
-
-Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel
-van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest,
-zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe
-aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige
-zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding
-niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin
-besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid
-gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene
-eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven,
-die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid
-niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst
-ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele
-tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo
-eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te
-wilde vlucht namen.
-
-„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene
-partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij
-het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe
-gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de
-dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.”
-
-Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in
-zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne,
-geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in
-zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje
-bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend
-daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan
-had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker,
-dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van
-het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als
-haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou
-Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar
-weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een
-paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van
-verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en
-met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen
-wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den
-gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest,
-zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak
-moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn
-bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne
-eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis
-moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het
-residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer
-onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden
-zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij
-zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een
-vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met
-eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot
-feestcommissarissen ridderde:
-
-„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia
-met aanmoedigende stem en innemenden glimlach.
-
-„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident.
-
-Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige
-aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep:
-
-„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!”
-
-En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte
-zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal
-hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan
-de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters,
-lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud.
-
-„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone
-Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw
-aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd
-drukte.
-
-Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst.
-
-„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik
-had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn
-vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek
-was.”
-
-„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw
-Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.”
-
-De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog
-voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk
-met zijn chef.
-
-Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna
-van Gulpendam in het oor gefluisterd:
-
-„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.”
-
-„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd.
-
-Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk.
-Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de
-residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden.
-Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de
-ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het
-garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de
-residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin,
-die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar
-verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe
-Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de
-hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en
-allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der
-Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat
-Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing,
-de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die
-allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de
-reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en
-geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen
-gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die
-uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het
-uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou
-Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de
-schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht,
-hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er
-naar geluisterd had.
-
-Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid,
-bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat
-door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd,
-waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle
-aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij
-bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch
-had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig
-monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld,
-gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen
-volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl
-de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde.
-Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de
-polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude
-geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde
-terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden
-Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar
-te zien, het genot straalde beiden de oogen uit.
-
-„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de
-wals, „nieuws omtrent Ardjan.”
-
-„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld.
-
-Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den
-jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend
-gelaat te lezen.
-
-„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat
-nu al vergeten? O, die mannen!”
-
-„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van
-Gulpendam?”
-
-„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....”
-
-„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....”
-
-„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge
-meisje.
-
-„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of
-nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?”
-
-Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen
-woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk
-zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den
-overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand
-omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het
-aanminnige gelaat gevestigd was.
-
-Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort.
-
-„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?”
-
-Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds
-ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een
-bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest
-verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord
-verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest
-zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de
-onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in
-laatstbedoelde beteekenis op.
-
-„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats
-brengen?”
-
-„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet
-vermoeid. Laten wij voortdansen.”
-
-Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk.
-
-„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den
-maalstroom van dansers en danseressen meetroonde.
-
-„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...”
-
-Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op.
-
-„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!”
-
-Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder.
-
-„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin
-u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel
-mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal
-wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve
-dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?”
-
-Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik;
-maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te
-eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare
-gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor
-hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!”
-
-Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij
-voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte,
-waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een
-eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar
-zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest,
-alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van
-zijn schat had willen nemen.
-
-„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij
-van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar
-veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand
-bij uwe ouders?”
-
-Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde
-zij:
-
-„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......”
-
-„Karel heet ik, lieve Anna.”
-
-„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa
-niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.”
-
-„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?”
-
-„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie.
-Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het
-niet ver in de wereld zal brengen.”
-
-„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?”
-
-De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach.
-
-„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het
-goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben
-ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer
-ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in
-dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te
-bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij
-naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken;
-maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen,
-behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?”
-
-Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te
-verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep.
-
-„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader
-zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in
-weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?”
-
-„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden,
-hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.”
-
-„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe
-liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge,
-niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs
-de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....”
-
-De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet
-Anna’s middel los, en bood haar den arm aan.
-
-„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus
-morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren
-belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?”
-
-Zij knikte met een bevalligen glimlach.
-
-Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden
-zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot
-de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren,
-groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den
-prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis
-uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte
-te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij
-zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de
-keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den
-bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol
-als een kunstenaarsgedachte slingerden.
-
-„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen
-opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te
-deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.”
-
-Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn
-met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als
-welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of
-wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime
-mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die
-deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen,
-ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden?
-Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met
-zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn
-hart drukte.
-
-„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,”
-sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne
-woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen
-heeft. Dit uur behoort mij.”
-
-
-
-
-
-
-
-XI.
-
-IN DEN RESIDENTS-TUIN.
-
-
-De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de
-kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig
-uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries,
-die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de
-liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden
-de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een
-groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst
-met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die
-stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn
-kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het
-ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij
-dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou
-gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard
-werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of
-schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering
-van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.
-
-In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden
-allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge
-mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de
-frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het
-heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der
-Tjemårå’s voer.
-
-Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor.
-Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste
-bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de
-erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de
-vertolking der woorden:
-
-
- „Un jour, l’âme ravie,
- Je vous vis si jolie,
- Que je vous crus sortie
- Du céleste séjour.
- Était-ce donc un ange, une femme,
- Qui venait d’embraser mon âme?
- Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour,
- Je sais que j’aime d’un pur amour!”
-
-
-zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest
-van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78],
-dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring
-daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een
-oogenblik ongezien te vertoeven.
-
-„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die
-ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller
-oog op ons gevestigd was.”
-
-Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm.
-
-„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder,
-mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
-
-Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan
-zijne mannelijke borst.
-
-„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn,
-steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de
-hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne
-onverdeelde liefde betuigen.”
-
-Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij
-zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten.
-
-„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo
-lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt
-mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in
-de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van
-het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o,
-herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!”
-
-Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar
-ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof
-het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden
-behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond.
-
-Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover.
-
-„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die
-liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.”
-
-En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten
-twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een
-knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan
-elkander verbonden zouden worden.
-
-Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en
-in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl
-hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne
-geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige
-Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar
-ginds de cornet à piston herhaalde:
-
-
- „... Mais depuis ce beau jour,
- Je sais que j’aime d’un pur amour!”
-
-
-Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke
-bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het
-ontwaken was nabij.
-
-„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn
-kind?”
-
-Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden
-verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke
-vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort:
-
-„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze
-laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.”
-
-En toen hare dochter aarzelde:
-
-„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn
-arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven.
-Ga gerust.”
-
-Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige
-vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar
-met een angstig voorgevoel heenijlen.
-
-„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van
-Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij
-uwen arm aan te bieden.”
-
-Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het
-hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had.
-
-„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer
-verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het
-is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen
-hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei,
-mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...”
-
-Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo
-kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij
-waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het
-volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen
-kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke
-volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de
-jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer
-opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone
-Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het
-gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en
-voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was
-aanmoedigend.
-
-„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene
-onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat
-ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...”
-
-„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan.
-
-„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij
-mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden,
-dan...”
-
-Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan.
-
-„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach.
-
-„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.”
-
-„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij
-met iets sarcastisch in hare stem.
-
-„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij,
-vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij
-nooit een woord van liefde gewisseld...”
-
-„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem
-met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede
-aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een
-verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid,
-of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”...
-
-„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer
-onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in.
-
-„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de
-behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering
-aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien
-jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene
-schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had
-ik een even speelschen geest...”
-
-Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter.
-
-„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,”
-ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met
-meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht
-drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat
-Anna mij geheel gelijken zal...”
-
-Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar
-vervoerde.
-
-„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van
-het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte
-liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden
-en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...”
-
-„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,”
-meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid.
-
-„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te
-beduiden heeft? Ik vat niet...”
-
-Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over
-de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep
-haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå
-doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht.
-
-„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde
-ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar
-constateeren, dat ik ook jong geweest ben....”
-
-„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant.
-
-„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia
-met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar
-dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet
-in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.”
-
-„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool
-heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts
-enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als
-schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen
-en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe
-dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste
-bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde
-weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar....
-boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op
-uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch
-alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven
-had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in
-weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd
-in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet
-over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij
-eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat
-mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe
-bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet
-van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde
-ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen
-woord ontviel....”
-
-„Maar, mijnheer Van Nerekool....”
-
-„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel,
-tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat
-ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was
-dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene
-afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van
-uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen
-hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het
-betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het
-verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo
-in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen
-engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons
-liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden,
-met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen
-kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke
-nabij!”
-
-Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat
-was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk
-in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt,
-als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn
-een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit
-Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden
-kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet
-op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De
-gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de
-oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had
-Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar
-gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en
-door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren
-gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als
-gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een
-oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik
-nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts;
-want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht
-jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare
-Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden,
-die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als
-uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk
-gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te
-zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van
-verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht,
-de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en
-liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip
-van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid
-beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den
-aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de
-sarcastische woorden:
-
-„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat
-Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk,
-mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang
-naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis
-kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?”
-
-„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in
-zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....”
-
-„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord.
-
-„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen
-met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het.
-Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de
-wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als
-de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene
-genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen.
-Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die
-liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had
-gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder
-van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn
-geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van
-min edele bedoelingen geheel vrij is.”
-
-Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die
-vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo
-iemand geen lichtzinnig spel te spelen was.
-
-„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij
-vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden,
-en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans
-onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame
-plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen
-druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde
-denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen?
-Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die
-genegenheid niets afweten?”
-
-„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns
-ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik
-slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk
-van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik
-sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den
-resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te
-vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het
-verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe
-welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen
-verleenen.”
-
-Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm
-van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en
-haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken.
-Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening
-te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden
-van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en
-verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene
-uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige
-aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde
-krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige
-gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als
-ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op
-den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had
-kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen.
-Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de
-realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen
-van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan
-voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en
-zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing
-Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah
-Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen
-scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en
-welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest
-vonden.
-
-„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en
-nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter
-met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met
-zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die
-schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en
-vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat
-schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in
-het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei).
-
-„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange
-grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend,
-haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou
-nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter
-ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.”
-
-„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...”
-
-„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met
-den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij
-met dien te verhandelen mocht hebben?”
-
-Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van
-zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn
-gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de
-rechterlijke macht.
-
-Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak
-gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van
-den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken
-met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren,
-en alle andere hartstochten zwijgen.
-
-„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is
-niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is
-alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val
-mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht
-eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....”
-
-Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar
-met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen.
-
-„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,”
-ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische
-menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u
-nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd
-is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die
-droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij
-nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot
-loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er
-bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.”
-
-Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene
-zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te
-bedwingen.
-
-„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia
-met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare
-woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik
-wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten,
-en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de
-uwe zal worden....”
-
-„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij
-de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde
-bedwingen.
-
-Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart
-gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield;
-want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad
-bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht.
-
-„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat
-enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij
-eene belofte doen....”
-
-„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....”
-
-„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te
-vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig
-die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.”
-
-„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den
-landraad niets te maken.”
-
-„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het
-voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den
-vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn,
-nietwaar?”
-
-„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!”
-
-„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan,
-Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....”
-
-Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O,
-voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te
-hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken.
-
-„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij
-haar met zijn eerlijk gemoed in de rede.
-
-„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.”
-
-De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep
-volstrekt niet.
-
-„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,”
-ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog
-betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke
-menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?”
-
-„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de
-smokkelarij betreft, is....”
-
-„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool?
-Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der
-belastingschuldigen!”
-
-„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel
-behoorlijk bewezen?”
-
-„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat
-er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den
-opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter!
-die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de
-smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig
-bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene
-aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan
-Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar,
-mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten
-te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche
-aanklagers onschadelijk maken!...”
-
-„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk
-voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet
-zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf
-heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte
-van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s
-vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen,
-vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....”
-
-„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van
-Gulpendam.
-
-„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de
-resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.”
-
-„Mevrouw....”
-
-„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u
-bereikbaar. Bedenk u wel!”
-
-„Maar, wat eischt gij van mij?”
-
-„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er
-minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste
-oord ware wellicht het meest verkieslijke.”
-
-„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.”
-
-„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap
-van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....”
-
-Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn
-geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone
-verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij
-sprak, gejaagd:
-
-„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen
-dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!”
-
-„Nooit?”
-
-„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam.
-Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?”
-
-„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?”
-
-„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij
-boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!”
-
-En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den
-tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste
-opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer
-binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep.
-
-„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het
-navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt,
-Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of
-omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.”
-
-„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?”
-
-„Van mij, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?”
-
-„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort
-zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het
-eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb,
-is: doe er uw voordeel mede.”
-
-Daarop boog zij en ijlde heen.
-
-Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn
-gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog
-naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van
-vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het
-lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een
-glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te
-lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat
-gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral,
-daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook
-zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was
-weinige minuten later buiten.
-
-„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone
-Laurentia, terwijl hij voor haar boog.
-
-
-
-
-
-
-
-XII.
-
-ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER.
-
-
-Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen
-het echtpaar Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel
-zat. Wel was de resident volgens gewoonte vroeg op geweest; de dames
-evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen eindelijk Laurentia
-verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen
-ambtsrok met zilveren knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte,
-met een papier in de hand aan tafel gezeten, en overigens vrij nurksch
-gestemd.
-
-„Eindelijk!” riep hij.
-
-„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!”
-
-„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te
-ontbijten? Ge weet, dat ik zeer vele bezigheden heb.”
-
-„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?”
-
-„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend,
-dat ik ongaarne alleen aan tafel zit.”
-
-„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen
-gehad hebben.”
-
-Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den
-tijd niet genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij
-had het ook als gastvrouw zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans
-overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest.
-
-„Anna!... Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun
-jullie vrouwen dan nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden
-dag in katzjammer te liggen? Maar,.... wat is er met Anna? Welk nieuws
-zou die mij te vertellen hebben?”
-
-„Och, dat zij dat zelf maar doet.... Anna!... Pangil nonna!” (roep de
-juffrouw) wendde Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo
-binnengetreden was.
-
-„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw)
-antwoordde de baboe.
-
-„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van
-Gulpendam.
-
-„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond
-in den tuin door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever,
-welk papier gij daar in de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van
-paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte genoeg, en daarenboven
-volkomen verlof om op het kantoor te blijven.”
-
-Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel
-aangehoord, zoo koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde.
-Daarom had zij ook eene afleiding gezocht, en bezigde daartoe dat
-onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig:
-
-„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer
-ontstemt.”
-
-„Een telegram?”
-
-„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden
-ochtend om acht uur reeds hier.”
-
-„Ge drukt zoo op dat reeds, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog
-den brief van Amy, toen wij haar met haar engagement gefeliciteerd
-hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op het
-telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij
-dienzelfden ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s
-vlug, ja vlugger dan vlug, dunkt me.”
-
-„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het
-lengteverschil gelegen is.”
-
-„Jawel, jawel! De zon draait.... neen, de aarde draait zoo, en....
-jawel, dat weet ik. Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram
-nog vroeger te ontvangen dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst
-die telegram uit den Haag, die u zoo ontstemt.”
-
-„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?”
-
-„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?”
-
-„Van mijn broeder Gerrit.”
-
-„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet
-galant.”
-
-Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant.
-
-„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen.
-Tenzij....”
-
-„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig.
-
-„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De
-begrooting van den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in
-den smaak. Men rekent op een paar millioenen meer van dat middel.”
-
-„Men?... Men?... Wie is die men?”
-
-„Wel.... Sidin toeroen lajer,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de
-resident voorzichtig. „De zon hindert zoo door die jaloezielatten. Wie
-die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede Kamer.”
-
-„Is het niet anders?”
-
-„Niet anders?.... Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan
-twaalf ton jaarlijks aan pachtschat betaalt?”
-
-„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor
-achttien ton inschrijven!”
-
-„Gij spreekt er gemakkelijk over.”
-
-„Wanneer is die verpachting?”
-
-„In de maand September van dit jaar.”
-
-„Laat dat nu maar aan mij over.”
-
-„Ja, maar....”
-
-„Geen muizenissen.... De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar
-wat meer opium rooken, en.... gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe
-heet gij het?”
-
-„Virtus nobilitat.”
-
-„En gij zult het virtus nobilitat op de borst dragen; maar ik zal het
-verdiend hebben.”
-
-„Hoe?”
-
-„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes
-ton meer. Dus geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets
-anders spreken. Hoe komt het, dat gij het gebeurde met Anna en Van
-Nerekool zoo kalm opneemt?”
-
-„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen
-tijd.”
-
-„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te
-antwoorden, nietwaar?”
-
-„Dat niet,” knikte Van Gulpendam.
-
-„Kassi koppie! nènèh!” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare
-lijfmeid Wong toewa.
-
-Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner
-zich een sneedje brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden
-„dageng assep minjagan” (gerookt hertenvleesch) bekleed had, vroeg de
-nieuwsgierige vrouw:
-
-„Welnu, Gulpie?”
-
-„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te
-doen rijzen, slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van
-Nerekool noodig hebben.”
-
-„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen
-glimlach, alsof zij niets begreep.
-
-„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld
-worden, dan zal noodzakelijk zijn vader Lim Yang Bing van de
-mededinging uitgesloten moeten worden.”
-
-„Waarom dat?”
-
-„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke
-keel zouden die opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan
-opiumsmokkelarij en aan mishandeling de pacht gegund werd! Het zou nog
-sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, als het anker
-gehieuwd wordt!”
-
-„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?”
-
-„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over
-hebben, men zal schouderophalend met Préault prevelen: „dagbladen zijn
-de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit een gevoel van
-zelfdekkerij een onderzoek gelasten.”
-
-„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?”
-
-„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare
-schreeuwzuster in zou gaan stemmen!”
-
-„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede,
-wanneer zij daartoe genoodzaakt is.”
-
-„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat,
-ook niet welke intrigues in het spel kunnen komen. Als Lim Ho
-veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, dat zijn vader
-zich van de pacht onthield.”
-
-„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.”
-
-„Dat weet ik wel.”
-
-„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.”
-
-„Zeker.”
-
-„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!”
-
-„Juist!”
-
-„Maar,.... dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei
-Laurentia met een sluwen glimlach.
-
-„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die
-onze schoonzoon werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan
-werd, dan.... Ik heb u reeds verteld, dat ik van plan ben, om hem bij
-het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk te laten
-presideeren.”
-
-„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.”
-
-„Wil hij daarvan niets weten?”
-
-„Neen.”
-
-„Hoe weet ge dat?”
-
-„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste,
-zond ik Anna heen, en toen....”
-
-„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning.
-
-„Toen heb ik hem gepolst.”
-
-„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!”
-
-„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.”
-
-En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het gesprek,
-dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met
-Karel van Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met
-een losbol te doen had gehad, zij in de verleiding ware gekomen de
-mededingster harer dochter te worden. Toen dat verhaal geëindigd was,
-en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam met een zucht:
-
-„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk
-gegaan. Hier had gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De
-gelegenheid was wellicht gunstig, een echte zuid-oost passaat; maar gij
-hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt met volle zeilen op het
-doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.”
-
-„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je
-zeilen en je ankerplaats! en laat mij met rust!” zei de schoone
-Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo weinig gewaardeerd werden.
-
-„Maar de zaak is nu bedorven.”
-
-„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te
-vangen!”
-
-Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden
-sprak. Als haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die
-woorden vergezelde, had kunnen opvangen.... Maar—zou het waar zijn, wat
-de Fransche realistische school leert: dat er geen verblinder wezens
-dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter begreep dien
-lach niet.
-
-„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.... Luister Laurtje. Het is
-na dat gesprek te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht
-nog of morgen, bij mij aanzoek om de hand van onze Anna zal komen
-doen.”
-
-„Welnu?”
-
-„Dan zal ik zien, welk land ik bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot
-andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven binnen te loopen.”
-
-„Ik hoop het! maar.... ik twijfel aan het welslagen.”
-
-„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van
-Nerekool haar nog zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te
-loopen. Als dat gebeurde, zou dat niet anders dan gunstig kunnen
-werken.... gij begrijpt mij;.... want Anna moet onze krachtigste
-bondgenoote zijn.”
-
-„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen
-lummel willen geven?”
-
-„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit.
-Als maar eerst het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal
-er wel gelegenheid gevonden worden, om Anna over stag te doen gaan....”
-
-Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind!
-
-„En,” ging de resident met cynisme voort, „het verliefd uilskuiken als
-onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!.. daar komt zij... Goeden
-morgen, Anna! Hebt gij goed geslapen na die dansreceptie?... He, wat
-heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep dat korvetje van stapel! Geen
-dans overgeslagen!”
-
-Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want
-na het gebeurde in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten
-te zullen ontwaren. Daarin zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in
-haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden was haar vader haar
-liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad om de
-wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren
-reeds lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En
-toch.... Zij beantwoordde de lieftalligheid van papa met een
-hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan, toen de heer Van
-Gulpendam zeide:
-
-„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu
-aan den arbeid, die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna,
-luister goed naar uwe mama. Alles, wat zij u zeggen zal, is alsof het
-van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.”
-
-En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den
-secretaris der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien
-eene sigaar aan, nam er zelf eene, die hij aan de tali api ontstak,
-door een oppasser eerbiedig aangereikt. Toen de sigaar goed rond
-brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die de bewerking
-met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide
-ambtenaren de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de
-nieuwtjes van den dag en de te verrichten dienstaangelegenheden
-bespraken.
-
-Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder
-gewisseld, had daarna naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl
-baboe Dalima haar van een kopje koffie, dat zij op de aanrechttafel
-ingeschonken had, voorzag.
-
-„Ennakh, Nana! (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een
-bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige meesteres.
-
-Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met
-wellust en met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen
-het tipje harer tong over de fraaie lippen liet glijden, om als het
-ware tot den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was,
-gaf zij het aan de baboe over.
-
-„Minta lagi, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij.
-
-„Engèh Nana,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de
-aanrechttafel ijlende.
-
-Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo
-opmerkzaam, dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest
-bezighield, en zij zich niet haastte het gesprek met hare moeder aan te
-vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg haar met
-onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de
-frissche huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot
-gedeelte van den nacht gedanst, en het overige gedeelte waarschijnlijk
-slapeloos doorgebracht had, er even helder als altijd uitzag; zij
-bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter, die
-onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en... berekende, in
-hoeverre die bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool
-genoegzaam zouden kunnen boeien, om hem het hoofd te doen bukken onder
-het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook al het oog der moeder
-trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog van die
-heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder
-die bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden:
-
-
- „Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”
-
-
-Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan
-de edele gestalte van Karel dacht, die haar zoo onbegrijpelijk koel
-bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare
-netten te verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand
-zou moeten afzien?... Maar, weg met die beelden, weg met die gedachten!
-De woorden van haren echtgenoot kwamen haar voor den geest. Zij moest
-helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden, wilde zij de borst
-van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien.
-
-Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene
-durfde niet spreken en trachtte hare verlegenheid achter haren eetlust
-te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten te verzamelen,
-alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia
-goedhartig:
-
-„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van
-Nerekool in den tuin te gaan wandelen?”
-
-„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd.
-
-„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is.
-Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik
-meen toch recht te hebben, Anna, op uw vertrouwen, nietwaar?”
-
-„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel
-onverklaarbaar.”
-
-„Maar, Anna?”
-
-„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.”
-
-„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de
-gewaarwording, die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is,
-hetwelk de vrouw doet neerbuigen voor den man?”
-
-„Ja, mama!”
-
-„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal
-zijn, die gij den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid
-heeft?”
-
-„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele
-hoedanigheden, die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral
-zijn eerlijk hart, dat mij getroffen heeft.”
-
-„Dat alles is wel wuft, Anna.”
-
-„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor
-ijdele praal, niet voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke
-hoedanigheden, voor vastheid van karakter, voor eerlijkheid van
-grondbeginselen?”
-
-„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.”
-
-„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?”
-
-„Afkeuren?.... Ik niet.”
-
-„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.”
-
-Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op.
-
-„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij.
-
-„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.”
-
-„Och kom.”
-
-„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.”
-
-„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?”
-
-„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam
-nietwaar?
-
-„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.”
-
-„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart
-gij met uw partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer
-vriendinnen een toiletartikel of de geheimen van een plumpudding te
-bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw, als de gade van de
-hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals,
-kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz.
-bezighouden, en hadt bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om
-uwe aandacht, aan uwe dochter te wijden....”
-
-„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!....”
-
-„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid
-mijn hart binnen geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij
-hebt daar recht op, want gij zijt mijne moeder.... Dan bevond ik mij
-zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid, waarin
-zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den
-boventoon voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die
-gesprekken, die mij niet boeiden, en van die personen, die mij
-tegenstonden....”
-
-„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.”
-
-„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk
-voorkomt? Gebeurt u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.”
-
-Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare
-dochter met hare oogen.
-
-„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem.
-
-„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te
-hebben, mij aan die menigte te kunnen onttrekken; dan....”
-
-„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn,
-in Mozart, in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en
-verwaarloosde de wereld....”
-
-„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het
-rijk der tonen, dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!”
-
-„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het
-oog; want de zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de
-geestdrift harer dochter. „Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij
-ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.”
-
-„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die
-zich aan het verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een
-redetwist over gedwongen arbeid in heerendienst, of aan een
-beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken, om....”
-
-„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van
-Gulpendam met goedhartigen glimlach in.
-
-„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn
-van zoogenaamde lieden van de beau monde kenmerken. Onder die weinigen
-behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de eenigste. Want,
-waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano
-schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder
-den persoon van de vertolkster....”
-
-„He, he, hoe nederig, Anna!”
-
-„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van
-den vader, de beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te
-omringen; maar, die men in den steek liet, wanneer het „invallen”
-klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag of uit de
-Java-courant vernomen werd.... Dan bevond ik mij met Karel alleen, en
-vond in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo
-bevonden wij ons meestal te midden eener groote menigte geïsoleerd, en,
-zoo vonden onze gevoelens vertolking in de heerlijke tonen, die onze
-vingeren ontlokten.... Neen, mama, glimlach niet; bij die gelegenheden
-is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon
-doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden;
-want ik ben overtuigd, dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde
-dacht, en wij ons onbewust tot elkander aangetrokken gevoelden. Maar
-gisteren avond.... gedurende de invitation à la valse is ons ons geheim
-ontsnapt, en.... mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus, die
-tusschen ons gewisseld werd....”
-
-Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd
-aan de borst van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals
-sloeg, en in de verrukkelijk schoone oogen staarde.
-
-„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan
-de inspraak van haar hart gehoor gaf?”
-
-„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat
-ik u vergeven kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt,
-er zouden omstandigheden zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze
-goedkeuren kon.”
-
-Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder.
-
-„Mijne keuze goedkeuren!.... Mama.... gij maakt mij overgelukkig!”
-
-En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken
-schoot, terwijl onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden
-schokken. Hare moeder, aan zoo veel hartstochtelijkheid niet gewoon,
-beurde haar op.
-
-„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk,
-nietwaar? Waarom daarover zoo te ontroeren?... Zoudt gij dan kunnen
-denken, dat ik uw geluk niet zou willen bevorderen?”
-
-„Mijn geluk!... Ja, mijn geluk!... lieve, beste mama!... Ja zeker, mijn
-geluk!” kreet het opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer
-moeder met kussen overdekte.
-
-„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid
-harer dochter te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals
-straks, dan kunnen wij hand in hand, en uw oog op het mijne gevestigd,
-die teedere zaak verder behandelen. Kom hier, en ga zitten. Hier aan
-mijn hart!”
-
-En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.... Het was
-evenwel het tegenovergestelde beeld van den landman met de slang....
-
-„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de
-handen te zamen vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde.
-
-„Ik denk ja.”
-
-„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot
-zijn?”
-
-„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te
-veroveren zijn. Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!”
-
-„Verrast?... Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?”
-
-„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de
-gedane vraag te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren,
-waardoor Van Nerekool zijne geheele genegenheid won.”
-
-„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal
-doen om mijne hand te verwerven.”
-
-„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.... Alles? Schept gij u geen
-droombeelden?”
-
-„Droombeelden?”
-
-„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat
-die Karel zoo verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.”
-
-„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder.
-
-„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van
-Nerekool in den tuin achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner
-liefde aangehoord te hebben.....”
-
-„Mama!.... de bekentenis zijner liefde!....” kreet het jonge meisje
-schier ademloos.
-
-„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de
-bekentenis zijner liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op
-het verwerven der toestemming van papa.....”
-
-„O, mama!... wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de
-veranderlijkheid van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij
-voortging het gelaat harer moeder met kussen te overdekken.
-
-„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet
-alleen dat vooruitzicht, maar ook dat van eene verbetering van positie,
-waardoor een huwelijk met een meisje zooals gij meer mogelijk zou
-worden.”
-
-„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als
-andere meisjes, om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?”
-
-„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde
-opgevoed, en het zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die
-weelde, hoe weinig ook maar, afstand zoudt moeten doen.”
-
-„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle
-opofferingen in staat!”
-
-„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid
-evenwel niet getoetst kan worden. In die werkelijkheid is het
-integendeel maar al te waar, dat, wanneer gebrek of schaarschte de deur
-inkomt, de liefde het raam uitvliegt.”
-
-„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!”
-
-„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de
-toekomst van ons kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw
-verder levensgeluk zullen toevertrouwen, in staat zij, u eene
-onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van Nerekool
-daartoe de hand te kunnen reiken; maar.....”
-
-„Wat antwoordde hij toch?”
-
-„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was:
-„nooit!””
-
-„Nooit!.... Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor
-mij bekend, en, toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht
-steldet, heeft hij geantwoord: „nooit!” Hoe kan dat?”
-
-„Ik stelde hem eene voorwaarde.”
-
-„Eene voorwaarde?”
-
-„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.”
-
-„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik
-begrijp minder dan ooit.”
-
-„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest
-doen, daar die hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen
-effenen en Van Nerekool zelven tot aanzien zou brengen.”
-
-„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel
-mensch, en het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem
-aangetrokken gevoel. Nog niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den
-aanstaande mijner baboe te redden, en hij zou....”
-
-„Den aanstaande uwer baboe....” kreet mevrouw Van Gulpendam.
-
-„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?”
-
-„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval....”
-
-„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts
-een misverstand, wat wel te recht zal komen. Zeg mij, wat gij Van
-Nerekool voorgeslagen hebt?”
-
-„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen.
-Bedenk, dat het de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw
-huwelijk geldt.”
-
-En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren
-echtgenoot, voor Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen
-Leeuw verlangde; dat dit echter niet verkregen kon worden dan door de
-opvoering van de opium-inkomsten in de residentie Santjoemeh. Het
-virtus nobilitat zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s
-schatkist.
-
-„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia
-voort, „is het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat
-kan niet, wanneer zijn zoon Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede
-gepaard gaande mishandeling veroordeeld wordt. Eene wreede
-noodzakelijkheid is het dus....”
-
-Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een
-strakken blik, op de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof
-zij haar de woorden uit den mond wilde kijken. Nu vloog zij op en wild
-en woest viel zij Laurentia in de rede.
-
-„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den
-Nederlandschen leeuw te bezorgen!.... Dat kan, dat mag niet gebeuren!
-Hoort ge, moeder?”
-
-„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.”
-
-„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.... Ja? O, dan ben ik
-wel ongelukkig!”
-
-„Maar, Anna, luister dan toch!”
-
-„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal
-hij de echtgenoot van de dochter van zulke ouders worden!”
-
-En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare
-kamer op.
-
-
-
-
-
-
-
-XIII.
-
-OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN.
-
-
-„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?”
-
-Met die vraag stormde Eduard van Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van
-Nerekool de kamer binnen.
-
-„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. „Maar zijn de paarden er
-reeds?”
-
-„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen
-geest voor een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten
-trappelend voor de deur.”
-
-En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met
-elkander te drinken en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie
-rijpaarden verschenen, echte Makassaren, [79] niet zoo bizonder fraai
-van bouw als Kedoeërs, of als Batakkers [80], maar voorzien van een
-breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid aanduidden,
-voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar
-daarbij sterk en lenig waren.
-
-In een oogwenk zaten de jongelieden te paard.
-
-„En uwe buks?” vroeg Eduard.
-
-„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van
-Nerekool.
-
-De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh
-den rechterlijken ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het
-met den cordonriem over den schouder, stak een paar revolvers in de
-pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd waren; zoodat hij in
-bewapening nagenoeg met Eduard van Rheijn gelijk stond. Weldra hadden
-de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden in stevigen draf in
-oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van hunnen
-rit was.
-
-Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu
-en dan een woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot
-een levendig gesprek. Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door
-Tamarinde- [81] en Kanarie-boomen beschaduwd was, liet zich de
-tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, wanneer
-de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den
-namiddag, de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal
-harer dagelijksche reis.
-
-De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig
-voort; in flinken draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer
-zij steeg. Zelden behoefden de edele dieren in stap gebracht te worden,
-en waren dan nog in dien gang niet te houden. Daarbij het landschap,
-hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin des woords
-verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s,
-die met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele
-kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering vormden te midden van het
-groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna volgden
-klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant,
-hoog in de lucht hunne wuivende bladertakken, waaruit hare kruinen
-bestonden, verhieven en een zonderling grillige schaduw op de groene
-graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de
-schaakvormige vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een
-terreinplooi op, lieten de galangan’s, die haar omgaven met haar groen
-kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- of „klampies”-
-[82]struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit
-jaargetij als ontelbare waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in
-dit seizoen na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan
-vierkanten vloeibaar zilver, met eene groene omlijsting omgeven, gelijk
-waren. Achter dat sawahveld verhief zich het gebergte, dat met zijne
-vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch overdekt, een
-donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel
-langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de
-gezichtseinder zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging,
-hetgeen tegen het meer lichte azuur des hemels scherp maar bekoorlijk
-afstak. Op sommige punten konden de ruiters, wanneer de paarden eene
-heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing genieten
-moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar
-bij den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te
-schitteren, waarop de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes
-voordeden, of als tegenstelling de zwarte rook van een stoomschip, die
-zich in dikke krullen somber over het watervlak omboog, ontwaard werd.
-
-Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende
-der hitte te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd,
-die hen zoo vatbaar maakte voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de
-elkander opvolgende landschappen, die zich links en rechts van hen
-uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke gemoederen te
-boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene
-kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk
-gevolg, allen te paard, in de verte in het oog kregen, die hen
-spoorslags tegemoet reden.
-
-„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard van Rheijn. „Kijk, die
-daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den
-ruitergroep houdt.”
-
-„Wie is bij hem?” vroeg Karel van Nerekool. „Zie ik goed... dan zijn
-het August van Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij
-God!... ook Frits Mokesuep!”
-
-„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „djoeroetoelis,”
-den „loerah,” den „kabajan,” den „kamitoewa,” den „tjarik,” [83] in één
-woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe
-Pahit met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in
-groot gala op hunne kleine paardjes gezeten, die met geel galon
-geboorde chabrakken van tijgervel versierd zijn, en waarop de goed
-gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel rusten!
-Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)” riep Eduard van Rheijn opgewonden
-uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden
-toewuifde.
-
-„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en
-weldra had die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken
-de begroetingen en verwelkomingen allerwegen.
-
-„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl
-hij Karel van Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet
-ongesteld?”....
-
-„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel
-vertellen....”
-
-„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte
-een der jongelieden, die Verstork vergezelden, op.
-
-De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen
-hij merkte, dat de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden,
-haastte hij zich het onderwerp van het gesprek te veranderen.
-
-„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren,
-met drieën in draf!” En een oogenblik later:
-
-„In galop.... arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud
-kavallerie-officier.
-
-De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven
-vooruit, zonder de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich
-voor hun oog uitstrekte en eene zachte rijbaan opleverde, daar zij met
-een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn gras bekleed was.
-
-„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je
-de goede zorgen van den controleur bespeuren.”
-
-Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het
-hoofd.
-
-„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,”
-verkondigde hij machtspreukig.
-
-„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken [84],” merkte er een van
-het gezelschap met schamperen glimlach op.
-
-Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de etiquette
-aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier
-moedige paardjes van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink
-volgden en in geen gang iets toegaven.
-
-Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij
-de gelegenheid te baat om met de jongelieden, die den controleur
-Verstork vergezelden, kennis te maken.
-
-August van Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke,
-gezonde jongen van ongeveer twintig jaren oud, wiens fijne stroogele
-haren, die hij krullend droeg en uitermate verzorgde, met zijn wel
-krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst
-duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te
-Santjoemeh gevestigd.
-
-Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het
-kadastraal kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede
-wiskundige studiën gemaakt, en steeds in de geodesische en
-geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur presteerde hij
-uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel
-grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring
-heerschte, vooral wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het
-zakelijk recht, aan die eigendommen verbonden, te berde werden
-gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht en
-billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht
-de zijde van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij
-ingebracht werden. Hij was ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een
-sierlijken blonden krullebol en een aangenaam gelaat, dat van veel
-vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom hij
-in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was.
-
-Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als
-Limburger ontleende hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien
-landaard, aan den meerderen omgang met de naburige Belgen toe te
-schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, waar
-jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het
-Athenaeum te Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om
-daar op de hoogeschool in de rechten te studeeren; maar was deerlijk
-mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, waar hij zich bevlijtigde,
-om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, dat hij op de
-Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur,
-die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde.
-
-Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een
-scherp kontrast vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde
-de betrekking van commies bij de controle-afdeeling van de in- en
-uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij had in zijne jeugd
-slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, nog zeer jong
-zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de
-rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden.
-Dat gebrek aan opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het
-ooit verder op de maatschappelijke ladder te brengen dan tot controleur
-bij het financiewezen in het moederland. Door dat denkbeeld beheerscht,
-had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, indertijd
-door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen
-in de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in
-Nederlandsch-Indië noodzakelijk geworden, gehoor gegeven, en was als
-financiëel ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen
-[85] naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met
-zijnen buigzamen geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke
-tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig zijne aspiratiën te
-kunnen scheppen.
-
-Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van
-Financiën geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid
-zijner denkbeelden geleverd, en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh
-overgeplaatst in de betrekking, die hij thans bekleedde, en
-waarschijnlijk zijn bâton de maréchal zoude zijn. Hij was de fiscale
-ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis van het woord, en
-had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming
-gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard.
-Schrapen was zijn eenige wellust in dit ondermaansche, en alle
-middelen, zelfs leugen en bedrog, werden door hem gebezigd om dien
-hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart
-volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer
-betrekking op de te innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne
-bekrompen denkbeelden in plagerijen van de belastingschuldigen. Een
-half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer
-beschermde hij de belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel,
-van zijne medewerking kon het Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer
-zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige handelingen geld
-afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter.
-Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door
-kastanjebruin haar, hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien,
-gom-adragant, stijfsel, vischlijm of eenig ander kleefmiddel langs de
-slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig en scherphoekig, en had
-die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, wanneer
-hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal
-en scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen
-mond een profiel, dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en
-van een vos, in ieder geval op de geaardheid van een knaagdier duidde.
-Misschien was het daarom, dat zijne makkers hem gewoonlijk Muizenkop
-heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of van haar te
-ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden.
-
-Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat
-was eenvoudig: Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen
-geïncarneerd; en daar de controleur bij het innen van belastingen in
-zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige
-muggenzifterijen der financiëele ambtenaren te doen wilde hebben, zoo
-had hij dien man in den arm genomen, die hem op het gebied van
-accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde van
-onhebbelijke aanmerkingen.
-
-Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen
-kreeg, had de ruiterstoet den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en
-Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, en was op het punt
-laatstgenoemde plaats binnen te rijden.
-
-Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden
-heuvelachtig terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht
-wordende gasten haar feestkleed aangetrokken. Allerwegen verschenen de
-bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in hunne beste kleederen, die
-zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. [86] Aan den vlaggestok,
-die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een
-spiksplinter nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de
-andere hoofden, ja zelfs de „mantri tjatjar” (vaccinateur) der
-afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden dat voorbeeld gevolgd,
-en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook de
-driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene
-kooi met „perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te
-ontrollen. Allerwegen klonk de gamelan en verleende aan de feestelijke
-stemming der bewoners, die allen op de been waren en de heeren
-vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel.
-
-„Drommels,” herhaalde Eduard van Rheijn, „rameh besar! De controleur
-doet de zaken goed! Dat belooft!”
-
-„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de
-bevolking is blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen
-verlossen, die ontzettend hare velden verwoesten. Gij zult eens zien
-met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, om ons bij de
-klopjacht behulpzaam te zijn.”
-
-De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en
-steeg af.
-
-„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van Rheijn. „Ik heet
-u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een
-oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te
-gaan.”
-
-„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten.
-
-„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner
-zal mogen heeten, dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te
-paard stijgen om den Djoerang Pringapoes te verkennen, en voor
-zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, en waar wij
-positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.”
-
-„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van Rheijn. „Ik meen
-zelfs, dat wij volle maan hebben.”
-
-„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de
-controleur. „Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen.
-Dan zullen wij vroeg naar bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten
-wij bij het aanbreken van den dag bij den djoerang zijn, om onze
-stelling in te nemen en de jacht te beginnen.”
-
-En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de
-blanken tot op het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij:
-
-„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang,
-niet waar?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord.
-
-„Welnu, blijft dan met ons eten.”
-
-Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te
-huis nog iets te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd
-present zijn. Wat zij niet zeiden, maar toch dachten, was, dat zij
-beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch zoude voorgediend
-worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks,
-afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn.
-
-
-
-De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen
-tot den Djoerang Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der
-schutters op de verschillende punten met den wedono en de beide
-loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden was,
-besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den
-djoerang, daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar
-rotsbed van vak tot vak afdalende, eene reeks van watervalletjes en
-stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van het reeds zoo schoone
-landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh
-maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in
-de sawahvlakte uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten,
-die den avondhemel bij het ondergaan der zon nuanceerden, in de
-sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met hare
-klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen,
-waartusschen de gele omwandingen der hutten schier niet ontwaard
-werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel
-verdubbelde, en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht
-niet verzadigen konden. Alleen het verbleeken dier tinten bij het
-intreden van den nacht, en bij het verschijnen van de maan boven de
-kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken.
-
-Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien
-aanbevolen te hebben, den volgenden ochtend met zijn volk op de
-afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en had men reeds de paarden
-gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, toen
-plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil
-vernomen werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig.
-Dat gegil hield aan, en duidelijk werd te midden van het verwarde
-geschreeuw van vrouwen en kinderen het schrikkelijk klinkende „amokh!
-amokh!” (moord! moord!) gehoord.
-
-„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het
-dèsahoofd, dat nog bij de heeren stond.
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan
-hooren?”
-
-„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!”
-
-En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel [87]
-aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de
-richting van den Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep
-aangekomen was, hurkte hij in der haast voor den controleur neder, en
-bracht den sembah.
-
-„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa
-gemaakt. Reeds is een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas
-deerlijk verwond!”
-
-„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork.
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten
-gillend en huilend; toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport
-te komen brengen. Maar bij het heenijlen hoorde ik roepen, dat
-Setrosmito de amokhmaker zoude zijn.”
-
-„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk,
-nietwaar, loerah?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd,
-
-„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven
-hij is niet aan het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?”
-
-„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord.
-
-Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de
-avondschemering, menschen in de grootste verwarring binnen den dèsarand
-heen en weer ijlen.
-
-„Kom, heeren,” sprak de controleur. „Mijne aanwezigheid is op de plaats
-des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken galop zijn wij er
-in weinige oogenblikken.”
-
-„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na.
-
-„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen.
-
-Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het
-voorbeeld van Verstork hunne paarden in galop gezet, en ijlden den
-landweg af, die naar Kaligaweh voerde. Mokesuep was evenwel te
-bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen
-kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat
-te doen. Maar daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht,
-terwijl de tontong’s als bezetenen weerklonken. Dat gaf den doorslag.
-Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde in razenden ren naar
-Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh.
-
-„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht
-hij. „Straks zullen de anderen mij wel volgen.”
-
-Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde
-hen Verstork.
-
-„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op
-zijne hoede te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden,
-daar deze het gevaar nog vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!”
-
-De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand
-doorjoegen, ontwaarden zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die
-hunne kinderen in hunne armen sloten, als wilden zij ze beschermen;
-maar de mannen stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom
-eene hut geschaard, die gesloten was, en niets merkwaardigs aanbood.
-Wel weerklonk de kreet:
-
-„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!”
-
-„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong,
-de teugels aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad.
-
-„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord.
-
-„Toch Setrosmito?...” mompelde de ambtenaar onhoorbaar.
-
-Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven,
-of de deur der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel
-verscheen.
-
-Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en
-woest om het hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren
-te hebben. Zijn baatje was geheel gescheurd, zoodat slechts een vod
-daarvan door een der armen opgehouden werd. Aangezicht, borst en handen
-waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk uitzag.
-
-„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!”
-
-Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed.
-
-„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe.
-„Maar nadert mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij
-aanraakt, steek ik neer!”
-
-En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de
-rechterhand had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur,
-die een oogenblik achteraf gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar
-nauwelijks had de ongelukkige den blanke in het oog gekregen:
-
-„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen
-van zich afslingerde, en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte.
-„Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde hij daar.
-
-Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der
-omringenden niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met
-bloed bevlekte man naar den controleur ijlde, meenden velen, dat deze
-in gevaar verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver
-in de hand vooruit. Ook de Javanen wilden toespringen en den thans
-weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork voorkwam hen, drong de
-voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met het bevel:
-
-„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!”
-
-En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden
-toon herhaalde:
-
-„Ampon, Kandjeng toean!”
-
-„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij.
-
-„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar”
-(onwelvoegelijk) met mijn kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb
-ook een oppas verwond, die hem daarbij hielp. Wie zou mijn kind
-beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand anders
-verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.”
-
-Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar
-ademloos, geen woord van protest werd vernomen.
-
-„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg
-de controleur ernstig.
-
-„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den
-steeds hurkenden Javaan.
-
-„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het
-districtshoofd.
-
-„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon,
-ik heb slechts mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.”
-
-„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!”
-sprak de controleur hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid
-der blanken zal de zaak onderzoeken, en is uw kind mishandeld, dan zal
-dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe straf lichter maken.”
-
-Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der
-blanken gerechtigheid, wanneer het opiumzaken gold. Een bittere
-glimlach zweefde op aller gelaat. Menige verwensching jegens het
-onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, werd
-gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in
-blinde en woeste drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind
-tegen de snoodste mishandelingen beschermde, te doen had, nu had de
-geheele bevolking deernis met den ongelukkige. Een gebiedende blik van
-den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder
-gemompel tot zwijgen te brengen.
-
-„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah
-staat mij borg voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij
-zult zorgen, dat hij morgen ochtend vroeg onder een geleide van
-gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.”
-
-„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne
-dorpsgenooten gekneveld werd.
-
-„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets
-anders doen dan mijn plicht opvolgen.”
-
-
-
-
-
-
-
-XIV.
-
-EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN.
-
-
-Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden,
-dat zagen de jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het
-instellen van een voorloopig onderzoek omtrent den manslag en de
-verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat nauwgezet als altijd,
-en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek:
-
-Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo,
-de spion van den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan,
-zich in de dèsa Kaligaweh vertoond had. Beide personen hadden eerst een
-bezoek aan de opiumkit gebracht, om daar van de gedelegeerden van den
-pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna hadden zij zich
-naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat
-dorpshoofd, die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit
-opgeroepen was, zich tot een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten
-einde den bijstand der politieagenten te erlangen.
-
-Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion
-naar de woning van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen,
-den wensch te kennen het huis van den Javaan te doorzoeken.
-
-„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt
-er nimmer opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen,
-dat gij u van sluikopium voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten
-nauwkeurigste te doorzoeken.”
-
-„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen
-opium bij mij vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord
-van den trouwhartigen landbouwer.
-
-De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden.
-
-„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht
-worden.”
-
-En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van
-de politieagenten en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren:
-
-„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers
-te onderzoeken.”
-
-Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening, [88] onderwierp zich
-aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid
-geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren.
-
-Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht
-genoemd worden van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats
-gehad. Maar, had Setrosmito bij de opiumjagers geen heulsap gevonden,
-evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren kon gelijken, hoe dikwerf
-zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid
-doorzochten.
-
-„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en
-wanhopig, dat niets te vinden was.
-
-„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen
-passen.”
-
-De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen
-hij vernam, dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren
-helaas! slechts weinige bewoners van Kaligaweh, die welvarende dèsa van
-weleer, welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde
-met de politiedienaren naar buiten, om zich naar Singomengolo te
-begeven, ten einde dien van den stand van zaken mededeeling te doen.
-
-Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over
-zijne onhandigheid.
-
-„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij
-hem te gemoet. „Jij zult nimmer sluikopium vinden.”
-
-„Maar jij ook niet, waar hij niet is.”
-
-„Wel, „Keh” [89], voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?”
-
-„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb
-tot de bamboestijlen der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.”
-
-„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?”
-
-„Ja.”
-
-„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?”
-
-„Ja.”
-
-„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s” (kussens)
-onderzocht?”
-
-„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk.
-
-„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom
-maar meê,” ging Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den
-gestaarten natuurgenoot naar het hoofd geslingerd te hebben. „Kom maar
-mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets vondt, ik wel wat zal
-opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.”
-
-De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had.
-Maar, zoo gaat het meer in de wereld.
-
-Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito
-terug, om het onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op
-nieuw wilde onderzoeken, weigerde Singomengolo botweg.
-
-„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen
-hond!” zei hij barsch.
-
-Setrosmito protesteerde.
-
-„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik
-ken die streken! Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het
-dèsa-bestuur, die onder de menigte voor het huis stond toe te kijken.
-„Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier gebeurt!”
-
-Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in
-aanraking te komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de
-voeten. Lachende trad Singomengolo met zijne acolyten de hut binnen.
-Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee jongetjes en een
-meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd
-waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis
-hunner ouders verzameld zagen.
-
-De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste
-jeugdige Javaantjes hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks
-kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk werd, wat schoonheidsgevoel
-aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren hoofdjes,
-waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was
-gebleven, en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor
-droeg. Hunnen landaard getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige
-ledematen, slanke lendenen en een uiterst dun middeltje, dat
-voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, op
-dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de
-voetenkels droegen.
-
-Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst
-gezichtje, hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig
-uitkwam. Het kind had bloote armen, maar de borst was bedekt met een
-van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” (slabbertje); terwijl om de
-heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren plaatje
-bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken.
-
-Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten
-en potten en pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito
-nauwlettend op de handen gekeken werd. Dat verdroot den aterling, die
-daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd werd. Hij gaf een teeken
-aan den Chinees, die met zijne scheefstaande oogen de kinderen akelig
-gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het detailleeren
-van de vormen der kleine Kembang (bloem).
-
-Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder
-voorwendsel van ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte
-hij hen achtereenvolgens het naakte lichaam, zocht op de walgelijkste
-wijze onder de oksels en overal waar een madat-balletje kon verborgen
-zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen schurk
-te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het
-toezicht, dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon
-afleiden.
-
-Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst
-scheurde, gilde het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los,
-en verborg het naakte lichaampje aan de borst harer moeder, die haar
-omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. De Chinees naderde
-met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen
-gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het
-meisje uit de armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen.
-
-„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine
-kat heeft tijd gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!”
-
-En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was,
-daar de Chinees zich tegenover een schepseltje der teedere kunne
-bevond, en zich alles meende te kunnen en mogen veroorloven.
-
-„Alah! tobat!” kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel.
-
-Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op.
-
-Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe
-scherp op de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten
-hand onder een pandan-matje, dat op de baleh-baleh lag, en reeds
-driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat opgetild was geweest,
-en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat hij met
-gemaaktheid vertoonde.
-
-„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium)
-in het huis aanwezig was.”
-
-Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij de bestaande
-rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te
-wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed.
-
-„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij
-onwillens de hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner
-vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding boven de baleh-baleh
-uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!”
-
-Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af
-was, met een vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof.
-Brullend van woede rukte deze den kris uit de schreede. En juist in dit
-oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden gil uit, die
-Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen
-hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat
-van den Chinees zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne
-lieve aanminnige Kembang veroorloofde, steeg hem het bloed
-onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting.
-Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen.
-
-„Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!” (help! help! pijn! pijn!) gilde het
-kind.
-
-Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen
-kris in de hand naar den kant van den onverlaat.
-
-„Amokh! Amokh!” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het
-zien van den gevlamden kris in de vuist van den waanzinnig vertoornden
-vader.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat
-er gaande was.
-
-Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het weldra van alle kanten.
-
-De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het
-gold.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalden de „kedjinemans” [90] en stormden naar de
-„gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig
-lieten weerklinken.
-
-De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene
-poging willen aanwenden om zijn sabel te trekken. Het lem was evenwel
-zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen niet te ontblooten was.
-De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den verdoolde
-bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede
-over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet
-gevaarlijke vleeschwonde, maar eene aanmerkelijke verbloeding
-veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, dat de
-gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos
-op het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad.
-
-Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds
-het meisje omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden
-omtrent zijne onkuische bedoelingen geen twijfel overlieten.
-
-„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader
-bekschuimend.
-
-Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in
-zijne overspanning de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij
-voldeed niet aan dat uiterste bevel des vaders. Hij stond daar met zijn
-fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht getuigende, toch een
-wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden
-integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen
-het naakte meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het in het rond.
-
-„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een
-dommen lach beantwoord werd.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong dreigend.
-
-„Laat los!.... Niet?.... Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige
-vader.
-
-En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens
-de Chinees tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te
-bukken, hem het gevlamde lem door de keel.
-
-„Adoe! Matti saja!” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest
-rollende oogen. Het waren zijne laatste woorden. Met krampachtige hand
-trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan zijn hals te sluiten. Te
-vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes als zoo vele
-fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. Een akelige hoest
-overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte,
-overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en
-zich steeds met de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de
-doodelijk verwonde overeind te blijven staan. Vergeefsche poging! Hij
-wankelde, alsof hij beschonken was, en viel eindelijk stervend neer.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het rondom de hut.
-
-„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong.
-
-Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij
-veegde zich met de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot
-besef te komen. Eindelijk kreeg hij inzicht in den toestand.
-
-„Amokh! Amokh!” klonk het dreigend.
-
-Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken,
-maar bewoog zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar
-oogenblik, met de bliksemsnelheid der gedachten geschied. Het vertrek
-was overigens leeg, want gelijktijdig met den politieoppasser had ook
-Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, die
-eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den
-dreigenden kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht
-heengeijld, en had haar naakt dochtertje met zich meegesleurd.
-
-„Amokh! Amokh!”
-
-Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning
-kwam, als eene bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er
-maar al te goed de schrikkelijke beteekenis van. Hij wist, dat wanneer
-dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te wapen vliegt, en zonder
-onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar te
-lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of
-zooals hier, als beschermer zijner kinderen op te treden.
-
-Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen
-vooruit.
-
-„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik
-neer, zooals ik dezen keh gedaan heb.”
-
-Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten
-kring, waarin druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt
-geen ijver aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te
-dringen.
-
-Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam,
-en de moordzaak met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde.
-
-Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die
-hij zeide in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te
-hebben. Het was eene kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen
-wordende, bleek schier vijftig mata’s, dus ongeveer achttien
-milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige massa,
-die in een klein koperen doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de
-hand geborgen kon worden. De controleur nam dat doosje in beslag en
-verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den opiumjager.
-
-„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het
-matje op de baleh-baleh gevonden hebt?”
-
-„Ja, zeker, de Chinees....”
-
-„Die dood is? Anders niemand?”
-
-„Ja, en de beide oppassers?”
-
-„Die eerst geen opium gevonden hebben?”
-
-„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik,
-Kandjèng toean, ik, beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is
-genoeg. De getuigenis dier twee oppassers is overbodig.”
-
-De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen
-er zich echter niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een
-huichelend nederigen groet gebracht en gepreveld te hebben:
-
-„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den
-assistent-resident van politie.”
-
-Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs
-den grooten weg naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel
-blijken zal, waarheen hij zijne schreden wendde, en wat hij daar te
-verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, na de dèsa verlaten te
-hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars door het
-heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats
-aanbood. Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en
-middernacht was nog niet voorbij, toen hij een eenzaam staand hutje
-bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap
-verder naar Santjoemeh zond.
-
-Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem
-beiden bij dat lastige onderzoek in die netelige zaak ijverig
-bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde terugkeerde, was
-het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar
-vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden.
-
-„Drommels!” pruttelde August van Beneden, ontstemd als hij was, nu hij,
-na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak de meest overdreven
-voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar gebracht
-zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur
-gruwelijk verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!”
-
-„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter.
-Daarenboven, wat ik heden avond afdoen kan, heb ik morgen niet te
-verrichten.”
-
-„Morgen?”
-
-„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar
-Banjoe Pahit terug te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou
-dat morgen toch moeten geschieden, en dan was onze geheele jachtpartij
-naar de maan.”
-
-„Morgen?” vroeg Eduard van Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet
-tijd genoeg zijn?”
-
-Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits
-antwoord gereed; maar hij weerhield het en antwoordde bedaard:
-
-„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te laat. Het is eene
-moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg
-kosten om de zaak tot helderheid te brengen.”
-
-„En zijt gij nu gereed.”
-
-„Ja”
-
-„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?...”
-
-„Niets.”
-
-„En de jacht aanvoeren kunt?”
-
-„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.”
-
-„Een paar brieven?”
-
-„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging aan den djaksa
-(Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het
-lijk te schouwen, en het visum repertum op te maken. Is ’t niet zoo Van
-Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken ambtenaar, „dat
-moet immers zoo?”
-
-„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het
-voorhoofd wrijvende.
-
-In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd
-herhaald en bevestigend beantwoord.
-
-„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar
-Banjoe Pahit,” merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het
-vroeg dag zijn, nietwaar?”
-
-„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe
-Pahit te denken,” sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu
-reeds negen. Hoe helder de maan ook schijnt, zal het toch niet wel
-mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; zoodat wij niet vóór het
-middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen zullen.
-Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven,
-die dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal
-naar Banjoe Pahit terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te
-bezorgen. Hij zal de klopjagers daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk
-besproken en behoeft geene wijziging, nu wij van slaapplaats wisselen,
-nietwaar?”
-
-„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August van Beneden
-bezorgd.
-
-„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: à la guerre comme à
-la guerre! Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan”
-(passantenhuis) voorzien van eene eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen
-den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.”
-
-„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen
-oord een meubelmagazijn?”
-
-„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten
-antwoord, „zoo’n inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de
-noodige hoofdkussens en een paar bultzakken machtig kunnen worden, dan
-zal het wel zijn.”..
-
-„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak
-Van Beneden, die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was.
-
-„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur.
-„Ik prefereer de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en
-overheerlijk ook. De overigen kunnen er om loten. Maar....”
-
-„Maar wat?” vroeg Eduard van Rheijn.
-
-„Er werd gesproken van ons zevenen?... Ik tel er maar zes.... Wie
-mankeert er?.... Te drommel, waar is Mokesuep?”
-
-„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen.
-
-„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,”
-antwoordde Van Rheijn.
-
-„Zijn hielen gelicht?”
-
-„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags
-naar Banjoe Pahit terugreed.”
-
-„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op.
-
-„Is voorzichtig wel het ware woord?” vroeg er een.
-
-„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een
-ander op. „Verstork, hoe kom je toch aan dien gluipert.”
-
-„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij
-doorkneed; ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?”
-
-„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.”
-
-„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep
-laten wekken?”
-
-„Engèh Kandjeng toean!”
-
-„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den
-loerah, die het u zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?”
-
-„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze.
-
-Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan
-genomen, en zat de controleur in het voorgalerijtje van de
-tjariks-woning ijverig te schrijven.
-
-
-
-
-
-
-
-XV.
-
-ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT.
-
-
-Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte
-den loerah niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en
-zelfs zes rolkussens bijeen te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij
-het armoedige licht van het lampje, hetwelk in het midden van het
-vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven
-overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is
-waar kreupel en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een
-weelde-artikel in eene dèsa als Kaligaweh aangemerkt moesten worden.
-
-Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De
-opgewektheid van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die
-amokhzaak teweeggebracht, liet zich nog te veel gevoelen, dan dat aan
-slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, bracht die op de
-aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam nu,
-na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het
-verkrijgen van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog
-minder van een grogje, hetzij van jenever of van brandy. Zoo iets treft
-men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, als er tenminste geen
-Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater
-gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer
-hij afkomstig was van eene jonge noot, waarvan het vruchtvleesch zich
-nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden van den
-harden bast afgezet heeft.
-
-Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom [91] gevormd,
-welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene
-kruin vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij
-ruime aloon-aloon overdekte en schaduw verleende, wanneer de zon of de
-maan in het zenith stond, en zoo den omvang van die kruin op den bodem
-nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal
-uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens
-als een vinger, dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als
-een dun touw, die evenwel, bij het aanraken van den bodem, daarin
-doordrongen, om hulpstammen te vormen, die den reus zijnen last hielpen
-torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, die rondom den
-hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene
-zekere mate van betoovering bijzetten.
-
-Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren
-fonkelden aan den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk
-deed, en haren glans aanmerkelijk verbleekte.
-
-Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische
-gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een
-zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden
-vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen
-werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door
-onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd
-koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in
-de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken
-beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen
-verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle
-borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en
-daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom
-onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren
-doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen,
-enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar
-„kalongs”, [92] die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of
-anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het
-ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie” [93]
-plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als
-solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal
-heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In
-dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook
-wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk
-liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan,
-dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar
-briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken
-ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten
-vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor
-te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret
-oetan,” [94] eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere
-grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken
-Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in
-letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten.
-
-Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij
-gehoor verleenden aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer
-levendigheid schenken, dan aan het middaguur, wanneer de zon in het
-toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig doet zwijgen? Of zij oog
-hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, met
-zijnen schitterenden sterrenhemel, met zijn fraai en zacht maanlicht,
-dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? Het is te
-betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene
-verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van
-maatschappelijke ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te
-aangrijpend geweest, om nu reeds verdrongen te worden. Die moordzaak
-werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men het verhaal van het
-gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven,
-medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot.
-
-„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit
-overigens zoo gezegende eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich
-van schaamte het aangezicht te moeten sluieren, dat onder de inkomsten
-van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen wordt?”
-
-„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de
-opiumpacht niet waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene
-verbruiksbelasting op een weelde-artikel.”
-
-„Accoord,” zei Grashuis, „maar wie leerde den bewoners van den
-Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?”
-
-„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken
-drank. Van waar is dat distillatieproduct afkomstig? Wie vond het uit?
-Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord te geven is.
-Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium
-niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.”
-
-„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als
-bewijs van goed gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk.
-
-„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het
-dan ook onschuldig aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten
-is, van met den invoer van de opium begonnen te zijn, en...”
-
-„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den
-toets van het onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende
-Proeve [95] ter hand. dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als
-Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s al reeds sedert vele, zeer vele
-eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is dus aannemelijk,
-dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de
-gewoonte om opium te schuiven reeds vonden...”
-
-„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud,
-dien ik evenals gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te
-hebben kunnen ontdekken, wanneer het gebruik van opium in
-Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis in
-den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne
-geschiedenis kunnen staven, dat het gebruik van de opium bij de komst
-der Nederlanders in Indië reeds ongeveer verbreid was, geloof dan vrij,
-dat hij die wichtige bizonderheid voor de eer onzer natie niet zou
-verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne Proeve
-tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVIde eeuw
-in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts
-in de Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den
-Indischen Archipel kan aangenomen worden, dat dit verbruik zich
-bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid ten dienste van vreemde
-oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd hadden.”
-
-„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te
-beschouwen?” vroeg Van Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij
-zich tot Van Nerekool wendende. „Baud was toch een tegenstander van het
-opiumgebruik.”
-
-Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept
-als hij was, antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag
-wel gehoord had. Grenits haastte zich evenwel te antwoorden:
-
-„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!... Waaruit hebt gij dat
-gehaald? Toch niet uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke
-onpartijdigheid samengesteld. Hij behandelt slechts de nadeelige
-uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, en in zijn
-geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt
-om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s
-personeele opvatting?..... Maar die opvatting omtrent het verschijnen
-van de opium in Indië wordt geschraagd door de reisverhalen van eene
-menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de Itinerario’s
-ofte voyages b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van
-Wybrand, Van Warwijck, van den admiraal Matelief en van zooveel andere
-verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, dan zult gij
-bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.”
-
-„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?”
-vroeg Van Rheijn niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de
-gewapende vrede tusschen den koopmans- en den ambtenaarstand, die in
-Indië meer nog dan elders op die van kat en hond, welke genoodzaakt
-zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op den
-voorgrond.
-
-„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de
-voortbrengselen van den Archipel, maar ook van de artikelen, die
-voordeelige uitkomsten beloven,” antwoordde Theodoor.
-
-„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat
-artikel wel in zijne handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig.
-
-„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,”
-antwoordde de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen
-voordeel willen hebben, en ik ben er zeker van, dat vele, zeer vele
-vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. Het bewijs, dunkt
-me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend is,
-nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.”
-
-„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat
-hoonend.
-
-„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der
-Oost-Indische Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als
-het ware geïdentifiëerd met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier
-zij is in de kruideniersaffaire, aan te merken. Het opiummonopolie
-wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de „Companie ketjil”
-[96] als opiumpachter optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit
-Europeesch handelslichaam, die eervolle betrekking behield. Volgens
-Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, zoodat
-zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op
-voordeel, dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden
-brengen. Van een anderen kant, wanneer ik de namen der Nederlandsche
-geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de bestuurders en leden van
-de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik de gedachte
-niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen
-ondervonden hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen
-verstopt werd.”
-
-„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn
-korzelig in. „Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever?
-Verkoopt uwe firma dien drank niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het
-hoofd van een huis zult staan, iederen handel in sterken drank laten
-varen?”
-
-„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het
-jenever-verbruik gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die
-dat hier te lande en daar ginds in Nederland verkondigen, doen veel
-meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel er verscheidene onder
-zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, en
-bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een
-doel najagen, waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de
-anderen slechts praten, om hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want
-o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche ooren, wanneer
-menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met
-zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad
-niet. De mensch heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de
-heer Schaepman, die het toch wel goed met zijne schaapjens zal meenen,
-misgunt den man een paar borrels jenever niet. Laten wij dat
-geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet
-misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen
-zich de ooren, die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan
-volgt menig beamende hoofdknik; want.... men acht zich dan van de
-verplichting ontheven, om een einde te maken aan een zoo smerige bron
-van inkomsten als het opium-monopolie is.”
-
-„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de
-lieden, die niet alleen die stelling met een beamenden hoofdknik
-bevestigen, maar haar ook luide verkondigen durven. Ik houd staande,
-dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen op
-gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene
-wellicht niet in zoo’n hoogen graad dan het andere.”
-
-Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek
-zegevierend rond en riep uit:
-
-„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!”
-„Zeker is ook het gebruik van jenever nadeelig te noemen....”
-
-„Pas op, dat de leden der Witte sociëteit in den Haag dat niet hooren!”
-viel Grashuis lachend in.
-
-„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort
-uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het
-bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk
-geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father
-Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere
-afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te
-zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening
-aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne
-lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de
-hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche
-mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele
-anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een
-middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in
-zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van
-het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij
-slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die
-bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel
-volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is,
-[97] schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de
-opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho
-Maclay [98] schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te
-Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik
-uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En
-wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse, [99] en
-zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als
-Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden,
-in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad,
-van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting,
-dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de
-gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig
-heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.”
-
-„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van
-Beneden. „Ik zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.”
-
-„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen
-zijn.”
-
-„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te
-verkrijgen voor ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan
-schuiven tot spot van het volk.”
-
-„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den
-opiumpachter. Die zal mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.”
-
-„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn
-de grootste smokkelaars.”
-
-„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden.
-Zoodra ik die dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen
-wij ten mijnen huize. Wij zullen hartenazen, wie zich aan de proef zal
-onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, zal schuiven, terwijl
-de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat
-afgesproken?”
-
-„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds
-afgetrokken als hij was, niet instemde.
-
-„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn
-voort, „kan ik niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne
-stelling uitstekend verdedigd heeft. Waarlijk, ik had zoo veel
-zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman
-verwacht....”
-
-Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit
-het ambtenaarskorps was voor hem niets ongewoons.
-
-„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer
-overtuigen, dat de opium meer onheilen sticht, meer rampen over het
-volk uitstort, dan sterke drank zou doen.”
-
-Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de
-autoriteiten te Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen
-nabij getreden en had zoowel de tirade van Grenits omtrent het
-heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste bewering van Van
-Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat.
-
-„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen
-Grenits beweert, is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij
-bevinden ons in een der meest rampzalige dèsa’s, in een der meest
-waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is nog zoo lang
-niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen
-kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.... kijkt rondom u;
-alles is even vervallen en verwaarloosd. De hutten storten schier in;
-de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen gelijk; van de
-sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger
-omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur,
-de kit is nog open [100]; daarenboven de bewoners, door die moordzaak
-opgewekt, door de tegenwoordigheid van zooveel blanken in hunne dèsa
-verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de oogen den kost
-geven, en onze weetgierigheid bevredigen.”
-
-Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van
-Nerekool bleef met het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten.
-
-„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den
-schouder legde.
-
-De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op.
-
-„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met
-zijn brein elders gedwaald had.
-
-„Kom, naar de opiumkit.”
-
-„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge
-wilt toch niet....”
-
-„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling.
-„Neen, wij gaan maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke
-gezichten; want ik geloof, dat het bezoek aan de kit heden nacht
-talrijk is. Maar.... wacht, willen wij volledige kennis betreffende
-land- en volkenkunde opdoen, dan....”
-
-En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van
-den ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur verwijlden:
-
-„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit
-hier. Maar dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.”
-
-„Engèh Kandjeng toean!”
-
-„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante
-schouwspel voor onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten
-boek wezen.”
-
-Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen
-ijlings aangeloopen, door den politie-agent tot spoed aangezet, met een
-ijverig:
-
-„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de
-verheven heer roept).”
-
-Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de
-controleur tot zijn gezelschap:
-
-„Laat ons nu gaan.”
-
-„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen
-brutaal, toen hij zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde.
-
-„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken.
-Wees ons geleide.”
-
-„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan...”
-
-„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden
-toon.
-
-De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen
-woord, en volgden de blanke heeren.
-
-De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de
-aloon aloon bevond; zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen
-af te leggen hadden, om die philantropische inrichting der
-Nederlandsche overheerschers te bereiken.
-
-Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke
-zuigers te zijn, waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te
-worden, trotsch en fier zich verhief!
-
-Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der
-toevoerbuizen was van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en
-perspomp, die millioenen en nog eens millioenen in de Nederlandsche
-schatkist doet stroomen.
-
-Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig
-bamboegebouwtje, meer aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de
-omwanding bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige
-muffe lucht van in verderf verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het
-atappen-dak zichtbaar onder den last der jaren doorboog, en op het
-hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke beantwoordde
-volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de
-binnenruimte tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak
-uiterst bedompt; terwijl daarenboven de vochtige atmospheer, die er
-heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë zoete lucht, die
-verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte
-bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in
-Javaansche huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier
-en daar met zwart-glimmende bulten bezaaid, die onder den naakten voet
-der Javaansche, of onder het hardlederen schoeisel der Chineesche
-bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. Hier en daar was bij het
-zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige plek,
-soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van
-zeer verdachte herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de
-gezichts- èn de reukorganen uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het
-binnentreden door de lage deur wilde een der Chineezen iets uitroepen;
-maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij den arm en
-fluisterde hem dreigend toe:
-
-„Diam, (stil) babah!”
-
-Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit,
-die begrensd werd door een wand, waarin twee deuren en eene
-loketopening op te merken waren.
-
-„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een
-vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die
-loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan
-de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen
-kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere
-hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig
-is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.”
-
-„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op.
-
-„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt
-mij.”
-
-Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren
-draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout
-gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest
-zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van
-ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der
-bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was
-hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was
-hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid
-noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen
-modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het
-gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder
-twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De
-onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer
-anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere
-te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den
-gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap.
-
-„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand
-daartoe uitstak.
-
-„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die
-de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep.
-
-„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga
-buiten den gang!”
-
-En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd
-had, vervolgde hij:
-
-„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de
-deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te
-slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n
-opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden.
-Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der
-narcotische bedwelming.”
-
-En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder
-hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn
-hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het
-walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd,
-zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden,
-half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de
-opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun
-pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de
-linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de
-pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook
-van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den
-steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los
-liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen
-kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare
-poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de
-bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt
-scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van
-genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril
-contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat,
-waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen,
-had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een
-walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt.
-
-De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in
-den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de
-kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden
-die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de
-vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne
-armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine
-lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong
-niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als
-de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk
-uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in
-verrukking zouden hebben gebracht.
-
-Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had,
-liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten
-ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij
-zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn.
-
-Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren
-hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders
-onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig
-geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij
-haast de Europeanen tegen het lijf.
-
-„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in
-dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend
-vertrek binnen.
-
-Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude
-Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en
-uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer
-dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen
-zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur,
-zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach,
-waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd,
-en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op
-zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht,
-die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong
-losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken
-aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd.
-
-Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet
-hij haar toe:
-
-„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp
-klaar!”
-
-Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de
-baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam
-van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat
-uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een
-pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje
-plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne
-hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen
-opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die
-zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem
-de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den
-eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf,
-trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van
-koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare
-borst, met snuivende kussen. Hij....
-
-„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat
-ons weggaan!”
-
-„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is
-infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden!
-Anders valt het vuur des hemels op ons!”
-
-Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang
-getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar
-buiten en trok zijne vrienden met zich mede.
-
-„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits.
-
-„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde
-August gejaagd. „Kom, voort!”
-
-„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen,
-om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen
-hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?”
-
-„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet
-vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig
-verzette....”
-
-„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn.
-
-„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten!
-Kom, Verstork, gij, als controleur....”
-
-Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden
-dringen.
-
-„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,”
-sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als
-ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn
-chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de
-gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben
-dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over
-Gods dijk te laten loopen....”
-
-„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....”
-
-„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om
-andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al
-traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in
-de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar
-komt het kind reeds naar buiten....”
-
-En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten,
-en liep de Europeanen snikkende voorbij.
-
-„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken
-werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij
-zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in
-uitwerking aan den jenever gelijk is?”
-
-August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde
-verontwaardiging.
-
-„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier
-niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....”
-
-„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke
-tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede.
-
-„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met
-een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.”
-
-„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer
-onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot
-een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden,
-dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.”
-
-
-
-
-
-
-
-XVI.
-
-HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE.
-
-
-De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze
-Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen
-wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad
-voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na
-dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep
-natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene.
-
-„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak
-Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke
-gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als
-allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons
-onderzoek niet hebben doorgezet.”
-
-„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die
-hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder
-onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van
-beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter
-zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80
-huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130
-werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van
-de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij
-bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen
-opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van
-de uitgestrektheid van het opiumverbruik.”
-
-„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg
-Grashuis die van cijfers hield.
-
-„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n
-rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers
-der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.”
-
-„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo
-iets voor niets terugdeinzen!”
-
-„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge
-zoudt dien eens vuur zien vatten.”
-
-„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik
-durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van
-opium-verbruik zijn...”
-
-„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde,
-nog al met statistische cijfers solde.
-
-„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van
-den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal
-ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen
-werd.”
-
-„Is dat gelukt?” vroeg Grenits.
-
-„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito,
-den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen.
-De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij
-weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat
-ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium
-gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het
-noodlottige narcoticum machtig te worden. [102]
-
-„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van
-Beneden.
-
-„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele
-residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf
-beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie
-Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij
-honderden te tellen.”
-
-„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits.
-
-„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork.
-
-„En werkt die maatregel daar goed?”
-
-„Uitstekend.”
-
-„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den
-maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis.
-
-„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef
-als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent
-reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het
-opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de
-bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen
-overgeven. [104]
-
-„Nog al leuk,” meende Van Rheijn.
-
-„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de
-bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op.
-
-„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die
-bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de
-oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd
-en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het
-alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het
-is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!”
-
-„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van
-het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene
-veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der
-afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken
-drank. Maar....”
-
-„Maar wat?”
-
-„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op
-het Nederlandsche budget gedaan.”
-
-„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den
-Haag erg doof,” grinnikte Grenits.
-
-„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de
-millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.”
-
-„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij
-zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de
-bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de
-bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom
-vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest,
-om.... zijne maitresse te onderhouden?”
-
-„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!”
-
-„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork.
-„Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare
-veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient
-het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om
-naar den biertempel te gaan.”
-
-„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne
-duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan
-toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als
-eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te
-buiten gaat.”
-
-„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van
-Beneden als om te protesteeren.
-
-„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten
-met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren
-gelegd heeft?”
-
-„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden.
-
-„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat
-men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds
-zoo zwaar zijn, te verscherpen?”
-
-„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork.
-
-„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht,
-het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort.
-
-„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel.
-
-„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte
-niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg
-het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.”
-
-„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?”
-
-„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der
-Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de
-debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s
-lands kas behoorden te vloeien?”
-
-„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de
-beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie
-van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers,
-van de geheele natie ten top gestegen is.”
-
-„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel,
-die uit het water komt.
-
-„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het
-opiumverbruik....”
-
-„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...”
-viel Van Beneden in.
-
-„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult
-gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest
-is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid
-dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie
-millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880
-bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna
-negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming
-zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106]
-Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland
-geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat
-men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte
-uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.”
-
-„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene
-belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het
-opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt
-het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven
-door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de
-Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht
-worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den
-niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur
-zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot
-inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.”
-
-„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in.
-
-„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits
-onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit
-artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen;
-zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden
-veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de
-rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is
-zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel
-verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn,
-dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging
-zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun
-Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden,
-welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.”
-
-„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden
-in.
-
-„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium
-buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer
-hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij
-beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?”
-
-Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan,
-en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te
-betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden,
-ging voort.
-
-„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja
-wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de
-Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder
-het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!”
-
-„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn
-meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van
-ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen
-hier in Indië.”
-
-„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden
-van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair
-verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en
-nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met
-hetzelfde sop overgoten ben.”
-
-„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke
-stem.
-
-„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet
-alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken
-voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders
-hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen
-tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen
-tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!”
-
-„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen.
-
-„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze
-voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En
-welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou
-kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht
-te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is
-daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische
-onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne
-prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft;
-vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in
-den Staat!”
-
-„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit.
-
-„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar
-neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek
-afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór
-dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half
-menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie,
-enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij
-daarna nog dat ik overdrijf!”
-
-„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts
-één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur
-in het harnas te jagen.”
-
-„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die
-in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den
-toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de
-dankbaarheid van ons Nederlanders!”
-
-„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,”
-riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op
-de molen!”
-
-„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid
-gegeven, vriend Van Rheijn.”
-
-„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten
-zal zijn.”
-
-„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche
-pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden
-met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de
-afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...”
-ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme
-oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij
-God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in
-het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat
-zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa
-saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren;
-want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die
-daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond:
-
-
- „Ik ben mijn leven moe!
- Ik ga naar Atjeh toe!”
-
-
-„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden.
-
-„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij
-ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel
-gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen,
-dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover
-gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten
-heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond,
-dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den
-takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen,
-een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken,
-het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.”
-
-„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel
-weten te doen!”
-
-„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft
-de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij
-op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt
-heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in
-weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111]
-Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men
-herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak,
-met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden
-overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de
-Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste
-streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld
-werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u
-niet....”
-
-„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk.
-
-„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den
-vinger op den wonde leg?”
-
-„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het
-tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het
-bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten
-gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons
-eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij
-heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij
-wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!”
-
-Allen stonden op, behalve Van Nerekool.
-
-„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei
-Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe
-verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij
-een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar
-Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel
-heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113]
-
-Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders.
-
-„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen
-hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de
-anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden.
-
-De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en
-keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan.
-
-„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de
-hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij
-waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.”
-
-„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo
-ongelukkig!”
-
-„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed
-drukt slechts ten halve.”
-
-„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt
-kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van
-verleden Zaterdag te Santjoemeh?”
-
-„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te
-geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor
-Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?”
-
-„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht
-dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van
-Gulpendam mij niet genegen was?”
-
-Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op
-mededeeling van het gebeurde aan.
-
-„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij
-weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart.
-Komaan, vooruit!”
-
-„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...”
-
-„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements
-koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten
-doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle
-dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over,
-dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.”
-
-Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan
-mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te
-storten.
-
-En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man
-aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten
-residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het
-betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den
-zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij
-de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider
-lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden.
-
-
- „Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit,
- Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114]
-
-
-mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had,
-het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met
-een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag
-schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was.
-
-Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken,
-daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht,
-volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam
-het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij
-daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde
-om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke
-verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had.
-
-„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?”
-
-„O, neen,” antwoordde Van Nerekool.
-
-„Welnu, ga voort.”
-
-„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar
-het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te
-vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was
-niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de
-tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd.
-
-„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij
-het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje
-gauw van stapel, ik ben gehaast.”
-
-„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met
-juffrouw Anna, en...”
-
-„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het,
-ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets
-vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar,
-met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is
-mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn
-doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.”
-
-„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij
-verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de
-hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake
-zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene
-andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te
-verzoeken haar mij als gade te geven.”
-
-„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt
-gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?”
-
-„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik,
-verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen.
-Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.”
-
-„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij
-ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen
-enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken,
-scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke
-beslissing ik zal nemen?”
-
-„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin
-juffrouw Anna onuitsprekelijk!”
-
-„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd
-worden. Is uwe liefde u ernst?”
-
-„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk.
-
-„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek
-met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij.
-
-„„Ja, resident,” was mijn antwoord.
-
-„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?”
-was zijne tweede vraag.
-
-„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat
-hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?”
-
-„Waarom niet?” vroeg Verstork.
-
-„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds
-evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner
-echtgenoote niets te maken had.”
-
-De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging
-onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren.
-
-„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne
-gemoedsstemming onmogelijk kon verraden.
-
-„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw
-gedaan.”
-
-„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij
-verder.
-
-„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd.
-
-„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij
-verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat
-gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.”
-
-„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik
-deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik
-den grond, als het ware, onder mij wegzinken.
-
-„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw
-mij voorgesteld heeft?”
-
-„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en
-met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de
-opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad
-te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip
-tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand
-niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij
-ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u
-daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad
-practisch man zou zijn, weest dan gerust....”
-
-„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele
-roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig
-in de rede:
-
-„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident,
-ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de
-vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!”
-
-„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde
-hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?”
-
-„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van
-Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?”
-
-„„Och, kom?” zei hij spottend.
-
-„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te
-brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging
-ik voort.
-
-„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig.
-
-„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs
-uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs
-van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?”
-
-„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten
-toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te
-uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij
-hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij
-zegt lief te hebben!”
-
-„„Hoon en laster!” riep ik uit.
-
-„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat
-is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van
-een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert
-mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer
-onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die
-aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er
-is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan
-een huwelijk te denken.”
-
-„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik
-zijn hand greep.
-
-„Hij keek mij met een verbaasden blik aan.
-
-„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij
-ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten,
-alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan
-leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...”
-
-„Hier haperde hij.
-
-„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos.
-
-„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe
-bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf
-meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet
-anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!”
-
-„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.”
-
-Verstork keek zijn vriend met deelneming aan.
-
-„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei
-hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen
-opnam.”
-
-„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....”
-
-„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam
-kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen,
-wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.”
-
-„Maar Willem, Anna is....”
-
-„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan
-aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst
-bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft
-kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje
-zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou
-het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan
-hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens
-genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen
-nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig
-gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.”
-
-Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij
-zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog
-als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de
-bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de
-maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen.
-
-Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak
-hij:
-
-„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de
-hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid
-in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus
-vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen
-wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die
-heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen
-bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!”
-
-Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op
-en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds
-in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh
-uitstrekten.
-
-
-
-
-
-
-
-XVII.
-
-IN DEN DJOERANG PRINGAPOES.
-
-
-„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!”
-
-Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze
-vrienden te snurken lagen.
-
-Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel
-lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de
-baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen
-zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van
-Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een
-enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van:
-
-„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te
-worden!”
-
-Of wel van:
-
-„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën,
-buitengewoon onrustig van nacht!”
-
-„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!”
-
-„Of een boos geweten!”
-
-„Of een blauwe scheen!”
-
-Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts
-voor korten tijd.
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!”...
-
-Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s
-bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken,
-en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den
-voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke
-omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken
-uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap
-ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst
-op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken
-toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de
-gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de
-Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n
-verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar
-beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest.
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar
-langgerekte geroep vernemen.
-
-Maar Verstork hoorde niet.
-
-„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”...
-
-Geen woord.
-
-De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde
-hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt:
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!”...
-
-Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate
-onrustig.
-
-Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op,
-die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een
-kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij
-genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot
-had, begon hij diens grooten teen te kriewelen.
-
-„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer
-zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht
-voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den
-Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog
-verschrikt overeind.
-
-„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met
-een angst, alsof hij eene slang gevoeld had.
-
-En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt
-er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te
-vergissen.
-
-„Siapa itoe?” riep hij andermaal.
-
-„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst
-verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur.
-
-De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het
-bereik van den blanken man gesteld.
-
-„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid
-woedend.
-
-„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het
-is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op).
-
-„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne
-nachtrust wel wat kort vond.
-
-Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende
-verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast
-hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt
-geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident
-Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben.
-
-„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen
-van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof
-het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd.
-
-„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld.
-
-De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed.
-
-„Wat is er?... Wat is er?”
-
-„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren.
-Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!”
-
-De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat
-men uitgetogen was.
-
-In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen,
-gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de
-binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene
-passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig
-en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers
-behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode
-van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen
-Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden,
-door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de
-saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te
-verfrisschen.
-
-Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door
-Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n
-afkeer van omslag had.
-
-Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die
-verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken.
-
-Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke
-bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner
-zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat
-kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen
-hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop
-hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet
-ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige
-gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap
-uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De
-maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers
-wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die
-evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen
-hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en.
-
-„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd.
-
-„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen.
-
-„Zijn zij reeds afgedeeld?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean!”
-
-„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa
-omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den
-nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte
-het ravijn intrekt.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar)
-
-„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd
-opmerkende.
-
-„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang
-ontsnappen?”
-
-„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit
-dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken?
-Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard
-stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle
-varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten
-komen. Luister nu goed, loerah.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben,
-zullen wij een schot lossen.”
-
-„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?”
-
-„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu
-afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken,
-evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de
-djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel,
-dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den
-eerbiedvollen loerah.
-
-Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de
-ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen.
-
-Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen
-onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg
-aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was;
-zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding
-kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te
-ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel,
-dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand
-breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig
-op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het
-zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken.
-
-De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan
-Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men
-er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de
-ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door
-het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon
-men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen
-draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij
-bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden.
-
-Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar
-stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers
-van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook
-Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het
-was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw
-uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den
-dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken
-en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten,
-kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den
-Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de
-grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die
-in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen
-uitzien.
-
-Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het
-nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen
-plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd.
-
-„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de
-controleur.
-
-En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken
-bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in
-de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk
-was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet
-hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van
-Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde,
-en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het
-gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te
-schieten.
-
-„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders
-gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.”
-
-„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis.
-
-„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden.
-
-„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de
-controleur.
-
-Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil
-voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden
-slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare
-afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van
-trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te
-vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op
-den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of
-een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder
-struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en
-vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten.
-
-Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare
-schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de
-helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw
-omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit,
-terwijl zij statig en fier omhoog rezen.
-
-Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren
-de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was.
-De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier
-bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken
-torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden
-genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot,
-en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe
-Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen,
-in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en
-dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden.
-
-Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het
-spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer
-verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog
-vertoond.
-
-„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij
-dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs,
-als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?”
-
-„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal
-schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op
-kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en
-derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van
-Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten
-behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de
-benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de
-varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken
-zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.”
-
-„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel
-plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij
-hier tot den dag des oordeels staan wachten.”
-
-„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach,
-„wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den
-benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult
-ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het
-is of zij bezeten zijn!”
-
-En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en
-flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig
-wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept
-en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand
-heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op
-steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij
-zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette.
-En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor
-het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit
-te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht.
-
-„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen
-wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh,
-zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing
-van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts
-een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door
-loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om
-het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.”
-
-„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het
-schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.”
-
-En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande,
-torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok
-in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was,
-en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken,
-die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te
-noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden
-kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin
-[117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke
-knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119]
-staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden,
-door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de
-bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de
-moeielijkheden van dat terrein.
-
-„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal
-hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post
-vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar
-rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die
-afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt
-gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke
-goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele
-tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel
-eens naderen.”
-
-En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk.
-Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk
-naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren.
-
-Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker
-aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige
-aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken
-persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de
-hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het
-wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog,
-gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren,
-zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten;
-terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was,
-en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der
-dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren.
-
-Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang
-slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te
-kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild
-niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de
-ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij
-zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan
-een standbeeld gelijk.
-
-„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe,
-waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht.
-„Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben
-gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.”
-
-„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien
-het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen.
-
-Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die
-naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets
-mogelijk was?
-
-„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan...
-maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame
-antwoord van het districtshoofd.
-
-Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en
-meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige
-minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg
-was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de
-kloof genaderd zijn.
-
-Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers
-elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van
-geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid
-getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te
-roepen.
-
-„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten
-zullen, controleur!”
-
-„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet
-jij altijd hatelijkheden debiteeren?”
-
-„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te
-vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als
-er geene varkens zijn.”
-
-„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan
-Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?”
-
-„Het zou....”
-
-Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de
-hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van
-Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd
-waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen,
-hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden.
-Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het
-geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het
-vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had
-men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou
-daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst
-der jacht gemaakt zijn.
-
-Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste
-tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en
-neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk
-stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden
-en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den
-nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte
-verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al
-meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de
-voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der
-gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven
-en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste
-schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen,
-heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin
-schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van
-verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver
-of deden nog eenige passen, om elders neer te storten.
-
-De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij
-baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen,
-en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg
-versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner
-geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend
-de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds
-de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog
-onoverkomelijker.
-
-Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de
-achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die
-onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren
-handen noodlottig getroffen werden.
-
-„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van
-Nerekool aan Verstork.
-
-„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de
-instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets
-verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of
-door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een
-ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben
-volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt.
-Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij
-te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen
-te worden, bloot te staan.”
-
-Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur
-onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde
-de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te
-geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de
-verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste
-radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe
-offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren,
-en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling
-zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn
-weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten.
-
-
-
-
-
-
-
-XVIII.
-
-DE ONSCHULD TEN VAL.
-
-
-„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!”
-
-Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch
-gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een
-gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij
-toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen
-rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen
-hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels
-waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen;
-maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd.
-Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen
-evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de
-drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden.
-
-„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in
-de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.”
-
-„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van
-angst waren.
-
-„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom,
-vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons
-ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!”
-
-Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien
-afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het
-geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam
-achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend:
-„lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend
-gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog
-verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den
-schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde:
-
-„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd!
-Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok
-van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een
-slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon
-schieten!...”
-
-Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den
-boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim
-vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne
-bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het
-was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar
-niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen
-weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst
-over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks
-bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte,
-waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al
-meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke
-stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd
-gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van
-angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van
-„ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige
-streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het
-geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe
-was hij van te lafhartigen aard.
-
-Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij
-den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was,
-maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde,
-aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken
-der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in
-welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij
-zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit
-het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden
-slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te
-begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was
-buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog
-wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar
-inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan
-zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan.
-
-De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s,
-waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten
-afspiegelden.
-
-„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos
-uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene
-zeer aangename wandeling zijn.”
-
-Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want
-dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de
-sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde
-hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen,
-toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte.
-
-„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat
-komt die hier doen?”
-
-Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg
-stonden.
-
-Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te
-voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen
-hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar
-onopgemerkt bleef:
-
-„Dalima!”
-
-Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve
-kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik
-stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het
-ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat
-stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij
-met rappen voet voortmaken.
-
-„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?”
-
-„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd.
-
-„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe.
-
-„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl
-zij voortijlde.
-
-„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.”
-
-„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom
-heb ik zoo’n haast.”
-
-„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.”
-
-Het meisje stond eensklaps stil.
-
-„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?”
-
-„Neen... veel erger.”
-
-„Bij Allah! wat is er dan?”
-
-„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet
-uitschreeuwen kan.”
-
-Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen
-zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed,
-droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van
-licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een
-ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een
-der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh”
-(haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te
-midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat
-vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die,
-hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het
-zachte brons harer wangen paarde.
-
-Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den
-verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen
-wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze
-neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen
-aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen
-met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de
-tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich
-schuil te houden.
-
-Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal:
-
-„Wat is er dan?”
-
-„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen,
-waarom uw vader gevangen is genomen.”
-
-Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich,
-dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld
-mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en
-wilde heenvluchten.
-
-Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van
-hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij
-keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of
-Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep
-haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het
-meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte
-naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen
-omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde
-kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen.
-Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij
-had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste.
-
-Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie
-weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel
-van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja,
-waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten,
-even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook
-hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho
-ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te
-houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken.
-Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen
-zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima!
-Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar:
-„toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling,
-die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een
-cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die
-bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met
-welgevallen gedetailleerd werden.
-
-Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er
-aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te
-hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en
-zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in
-het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die
-reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel
-ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu,
-terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje
-binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!....
-toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de
-verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje
-die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest,
-hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp,
-wanneer die opdaagde, te laat zou komen.
-
-
-
-Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek?
-
-De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in
-de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut
-begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze
-laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een
-briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het
-residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader
-plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het
-laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op
-een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne
-stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen.
-Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah
-Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar
-ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige
-rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond,
-met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met
-een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het
-Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een
-stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en
-aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet
-alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de
-buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer
-kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben.
-Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op,
-greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die
-een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben:
-
-„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier
-zijn om zeven uur in den ochtend).
-
-De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den
-boodschapper welk weer het was.
-
-„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord.
-
-Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de
-aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te
-komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte.
-
-In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk
-zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne
-gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter
-des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en
-had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De
-boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der
-bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken.
-
-Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was.
-Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer
-meesteres, die gelukkig nog niet te bed was.
-
-„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen
-Anna de deur opengemaakt had.
-
-„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje,
-die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren.
-
-De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en
-haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne
-oudste dochter nogmaals te zien.
-
-„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan!
-
-„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?”
-
-En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond,
-vervolgde zij.
-
-„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo
-ver durven gaan?”
-
-„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad
-inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.”
-
-„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een
-tijger of een tjelleng tegenkomen.”
-
-„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van
-gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien
-niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij
-verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.”
-
-„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?”
-
-„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama
-vragen.”
-
-„Zij doet het toch niet.”
-
-„Waarom niet?”
-
-„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk
-zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?”
-
-„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat
-geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol
-„pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben
-ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u,
-vraag uwe mama!”
-
-„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.”
-
-Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt
-had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze
-gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes
-in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het
-lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok
-snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en
-bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong
-tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers
-nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het
-lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek
-in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou
-verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten
-afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de
-hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging.
-Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij
-zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op
-haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het
-allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond
-die woorden en glimlach verborgen.
-
-Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in
-de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer
-nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van
-dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het
-holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de
-noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was
-het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te
-aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te
-hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en
-verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij
-bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door
-de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel.
-Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit
-het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar
-brein kwelde, of haar hart verontrustte.
-
-Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de
-lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar
-vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere
-ramp trof,—vernomen had.
-
-„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en
-niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?”
-
-„Engèh, babah,” was het antwoord.
-
-„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan
-kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.”
-
-Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge.
-
-„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En
-overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal:
-
-„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?”
-
-Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij
-op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan
-een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en
-wipte in het zadel.
-
-„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan.
-
-En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende
-bedienden verdwenen.
-
-Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan
-het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door
-zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong
-op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar
-haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben,
-en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn
-paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die
-hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen.
-
-Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar
-Singomengolo hem wachtte.
-
-Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen
-moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van
-Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra
-zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in
-de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd,
-alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop
-hij naast den opiumjager gehurkt zat.
-
-„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld.
-
-„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe
-Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de
-dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.”
-
-„Hoe weet gij dat?”
-
-„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean
-controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor
-de jacht kwamen nemen.”
-
-„Te Kaligaweh?...”
-
-„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te
-betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach.
-
-„Dat’s waar ook.”
-
-Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke
-toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem
-geheel en al ontgaan was.
-
-„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder.
-
-„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!”
-
-„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de
-vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.”
-
-„O, langer als voor enkele weken!”
-
-„Langer? Is er dan iets gebeurd?”
-
-„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang
-neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik
-was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.”
-
-Lim Ho wreef zich de handen.
-
-„Zoodat....” vroeg hij.
-
-„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet
-opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld
-worden.”
-
-„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen
-wrijvende. „Maar... wat is dat?”
-
-Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was
-begonnen.
-
-„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op
-tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!”
-
-„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet
-ver hier van daan.”
-
-„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere
-beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de
-nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat
-ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de
-hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer
-gewapend.”
-
-Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te
-luisteren. De tijd vloog heen.
-
-„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig.
-
-„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen.
-Dat kan niemand anders zijn dan zij.”
-
-„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu
-is alles verloren!”
-
-Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden,
-toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak.
-
-Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat
-zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh
-gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en
-kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut
-voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima
-kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren
-zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!....
-
-„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala
-tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de
-baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.”
-
-Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van
-Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in
-„kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu
-herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne
-snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene
-geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees.
-
-Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde
-inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den
-blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht
-waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag
-het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent.
-
-Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op
-het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel
-door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel
-verstikt.
-
-Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de
-struiken en prevelde:
-
-„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar
-af te wijzen.”
-
-Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput
-als het arme meisje was, met hare krachten weg.
-
-„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet,
-die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam
-daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte.
-
-
-
-
-
-
-
-XIX.
-
-„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!”
-
-
-Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord
-geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen.
-
-Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de
-vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang,
-een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst
-bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit
-voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van
-donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig
-meters schier loodrecht verhieven.
-
-De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw
-der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de
-rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten,
-maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en
-onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden.
-Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van
-de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de
-achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en
-van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat
-onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring
-stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en
-gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden
-ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich
-ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het
-meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg
-geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren
-begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche
-draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het
-afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te
-jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de
-aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen.
-Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere
-was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich
-achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden
-der tjellengs bereiken konden.
-
-De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die
-den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte
-was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het
-was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental
-lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een
-kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun
-heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden
-[122].
-
-„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken
-goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen
-enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!”
-
-Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd.
-
-Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen
-achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een
-slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de
-insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier
-onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen
-geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn
-overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten
-in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de
-lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die
-de vervolging niet had moeten opgeven.
-
-Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers
-daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de
-doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op
-het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen.
-
-„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur.
-
-„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn.
-
-Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte
-gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven
-hadden.
-
-„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er
-gebeuren kan, en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting
-hebben die schoten weerklonken?”
-
-Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er
-handen genoeg geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos
-aangewezen zijn.
-
-„Daar!”
-
-„Neen, daar!”
-
-„Gij vergist u, het was daar!”
-
-„Mis! het was in die richting!”
-
-„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op
-gelet, dat ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij
-verrast. Wij zullen wat wachten; er zullen nog wel schoten vallen.”
-
-„Dat ’s juist goed,” antwoordde August van Beneden, „dan kunnen wij wat
-rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.”
-
-Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk
-andermaal een schot, dat een poos later door een tweede gevolgd werd.
-Dat geknal klonk verder verwijderd dan straks; maar de richting was
-thans behoorlijk waargenomen.
-
-„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer
-opnam.
-
-„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden.
-„Drommels, ik ben nog zoo moe!”
-
-„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een
-gladden Komessoe [123] wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden
-ontdekken.”
-
-Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk
-boven. Bij het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te
-werk. Hij omvatte den slanken boom met beide handen en steunde met de
-voeten tegen den stam. Zoo kon hij afwisselend handen en voeten
-verzetten, en was dan ook vlug in de kruin.
-
-„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork.
-
-„Nog niet, Kandjeng toean.... maar wacht!.... ja, daar ginds zijn ze.
-Zij klauteren langs de helling van het ravijn op en zetten eenige
-tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.”
-
-„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te
-halen!”
-
-Inderdaad, Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en
-vervolgden met het ontembaar vuur, hetwelk moedige jongelieden kan
-bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, een troepje wilde
-varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en vier
-biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als
-vervolgden over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in
-het riviertje, waarin de varkens onder de watervlakte verdwenen,
-krachtig voortzwommen, en te midden van het wielende schuim
-voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het
-gezicht, terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij
-vast te staan op den moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar,
-nog voor dat zij het geweer aan den schouder gebracht hadden, waren de
-tjellengs òf onder een overhangend woest daar heen geworpen
-rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de
-jagers de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden.
-
-Zoo ging het een poos voort, totdat de beer op zeker punt zijn gezin
-tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije
-veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden.
-Helaas, maar ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee
-vervolgers haar voordeel hernemen. Reeds dadelijk bij het bestijgen van
-de helling, waarbij het troepje een oogenblik op het korte gras voor
-het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een der
-biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de
-moeder te hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te
-krijgen, het was te vergeefs. Voort moest zij, wilde zij niet onder de
-wisse kogels vallen. Een oogenblik later stortte een ander biggetje,
-thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. Fluks was de
-moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, op
-de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk
-geweest te zien hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met
-hare snuit liefderijk maar toch krachtig voortstootte, terwijl zij
-daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen
-medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den
-hoofdgroep aangekomen, of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn
-moeder rolden de helling af naar beneden. Nog een zielsvol oog voor het
-jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen blik op
-de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te
-waarschuwen. Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de
-beide blanken te gemoet. De beer gromde vreeselijk, zette zich in
-postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken lippen, waardoor
-niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels
-uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk
-daarop, maar miste. Toen de kruitdamp opgetrokken was, waren beer en
-het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi voor het oog
-verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en
-voort ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de
-pogingen die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok vóór het wild
-te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met
-taaie voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, dat
-eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van
-een wild zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den
-geschoeiden voet van Europeanen.
-
-Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok
-van den steilen ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar
-ontwaarden van de vluchtelingen geen spoor. Die waren hen voorzeker
-voor geweest, en thans in het struikgewas van de onafzienbare vlakte
-verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos werk zijn.
-Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige
-struiken op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te
-bekomen; toen Grenits plotseling een schreeuw uitstiet. Hij zag zich
-aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, daar met zijn jong
-zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware thans
-bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne
-soortgenooten gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk
-nauwelijks den tijd, om met een sprong uit te wijken en zijn geweer,
-dat met den riem over den schouder hing, in tot verdediging gereede
-positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, dien hem
-Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat
-diens rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was,
-anders zou de jager deerlijk door de slagtanden van het woedende dier
-verwond zijn. Nu evenwel was de slag, welke het zwijn door middel van
-eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, toch nog zoo hevig
-dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot
-gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer
-zich op hem gestort en, weerloos als de jager was, hem met zijne
-machtige slagtanden den buik opengereten hebben. Grimmig en met bloed
-beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde
-reeds in zijn aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en
-wachtte met dichtgeknepen oogen den noodlottigen schok af; toen op
-eenmaal de tjelleng een gebrul van woede uitstiet en front naar een
-anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde toch in
-zijn werk was gegaan, zoo had Leendert Grashuis evenwel tijd gehad om
-snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven en zijne bajonet
-in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover de
-strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer
-kans zou gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De
-minuten, ja de seconden waren goud waard. Theodoor lag reeds op den
-grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping kon niet uitblijven.
-Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, die
-wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad
-afschampte. Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen
-aanvaller, wilde hem een slag met de vooruitstekende tanden toebrengen,
-maar die werd behendig op de bajonet opgevangen. Door den schok als
-eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot bij de
-geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert
-er aan, om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan
-inziende haalde hij snel den trekker over, zoodat het dier de
-losbrandende lading met den kogel door den kop kreeg. Het sprong met
-reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit de handen
-gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen
-stuiptrekkend neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd
-volstreden.
-
-Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen
-een oogenblik aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk
-gegaan, dat zij nog geen volkomen besef van het gebeurde en van de
-uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat er gebeurd was; en
-toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk.
-En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden
-was het gevaar groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest.
-
-Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke
-menschelijke natuur hare rechten. De vervolging van het wild, de
-beklimming van den steilen ravijnwand, het dadelijk daarop gevolgde
-gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden zoodanig
-uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op
-den bodem vielen, om tot verademing te komen. Zij konden zoo omstreeks
-een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits het laatst
-overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren.
-Zonder op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner
-achterlaadbuks, bracht het wapen aan den schouder en vuurde af in de
-richting, waar het varkentje onder de struiken verdwenen was. De echo
-weerkaatste statig den knal van het schot, dat door de nabijheid van
-het rotsachtige ravijn als de donder rolde.... Machtig als de geest des
-onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam,
-zachter vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte
-rommeling wegstierf. Nog was het geluid waarneembaar, toen Grashuis
-zich plotseling, als door eene machtige veer bewogen, op zijn ellebogen
-ophief.
-
-„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem
-kenmerkte.
-
-„Wat?... Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.”
-
-„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde
-roepen... Hoor!...”
-
-En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk:
-
-„Toeloeng!... Toeloeng, toean!”
-
-„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende.
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het weer.
-
-„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor...”
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!”
-
-„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg... en in
-het ravijn... En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder
-op.
-
-„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen
-omtrek opnam.
-
-„Ik ook niet, hoe ik al tuur.”
-
-„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water
-der sawahs doet mijne oogen zeer.”
-
-„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan
-niet anders dan van daar komen.”
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het.
-
-„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.”
-
-„Maar, welke heeren kan zij roepen?”
-
-„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben
-niet moê meer!”
-
-Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een
-blik terug in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd
-waren, en zagen toen, dat hunne makkers hen volgden, en gereed waren de
-helling van den ravijnwand op hunne beurt te beklimmen. Grenits schoot
-zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en toen aller oogen naar
-boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, terwijl hij
-den arm in de richting van het westen uitstrekte:
-
-„Daar! daar!”
-
-En daarop ijlden beiden voort.
-
-„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van
-Nerekool.
-
-„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er
-schijnt iets buitengewoons voorgevallen te zijn.”
-
-„Kom! laat ons voortspoeden.”
-
-En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo
-bezield als straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal
-meer tijd kostte. Toen zij boven op den nok waren, zagen zij Grenits en
-Grashuis, die te midden van de sawahvelden voortspoedden.
-Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers
-ontwaarde, om voort te maken.
-
-„Toeloeng! toeloeng, toean!” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak,
-dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar was. Toch waren de
-beide Europeanen de hut meer nabij gekomen.
-
-„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende.
-
-„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg
-Grashuis. „Mij dunkt, dat wij ons van het geluid verwijderen.”
-
-Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene
-vrouwengedaante de hut uit, en ijlde op hen toe.
-
-„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” kreet zij, terwijl zij aan hunne
-voeten nederstortte.
-
-Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd,
-hetwelk met loshangende haren, spiernaakt en geheel bebloed aan hunne
-voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat met beide handen
-bedekte.
-
-„Toeloeng, toean toean! Toeloeng!” kreunde zij.
-
-Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de
-twee jagers het meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te
-doen. Grenits geërgerd, een menschelijk wezen aan zijn voeten te zien,
-vatte het meisje bij den arm en poogde haar overeind te helpen, maar
-schuchter weerde zij hem af:
-
-„Maloe saja!” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare
-loszwierende haren over haren boezem schikte, en zich verder daarin
-zocht te dekken.
-
-Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op
-het meisje toe. Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar
-overeind te sleuren.
-
-„Adoe! (O wee!)” riep zij uit.
-
-En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los.
-
-„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” smeekte zij zich tot de beide
-Europeanen wendende.
-
-„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig.
-
-„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij
-herkende.
-
-„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, a. s. [124]
-voort!”
-
-„Kassian, toean toean!” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het
-rampzalige meisje.
-
-„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende.
-
-„Die vrouw loslaten, of... ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits,
-zijn geweer bij den loop opnemende.
-
-Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem
-achteruit.
-
-„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den
-heeren berouwen, mij gedreigd of aangeraakt te hebben!”
-
-En tot het vrouwelijk wezen:
-
-„Kom, voort!” sprak hij.
-
-„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem.
-
-En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het
-hoofd van den ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm
-gegrepen gevoelde, en eene stem hoorde fluisteren:
-
-„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den
-opiumpachter aan te leggen.”
-
-Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak.
-
-„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?”
-
-„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar... anders komt ge in
-ongelegenheid.”
-
-„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager
-noodzaken, die vrouw los te laten.”
-
-Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch
-en oploopend van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den
-blanke met een dolkstoot beantwoord hebben, ten minste, wanneer een
-eerste kolfslag hem niet buiten gevecht had gesteld. Een oogenblik keek
-hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide blanken op. Toch
-liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de
-sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de
-controleur van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district
-bevond. Als het kon, zou zijn bruin gelaat verbleekt zijn op dat
-gezicht.
-
-„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was.
-
-„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde
-Singomengolo.
-
-„Die vrouw?...”
-
-„Maar,... dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit.
-
-„Dalima?...”
-
-„Ja, Dalima, de baboe van den resident!”
-
-„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s!
-Misschien ook wel zuigflesschen!”
-
-Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de
-dochter van den resident.
-
-Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg.
-
-„Ja,... het is Dalima!... En, die zou opium gesmokkeld hebben?” vroeg
-hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono
-gegeven te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp,
-waarin zij zich wikkelde.
-
-„Soengoe mattie!” (voorzeker) [125] antwoordde de bandoelan. „Ik heb
-haar gevisiteerd...”
-
-„En haar de kleêren van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur
-streng.
-
-„Zij wilde het niet toelaten...”
-
-„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork.
-
-„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette
-zich. En... zie, dat heb ik gevonden.”
-
-Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst
-had met datgene, hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den
-controleur overgegeven was. Als deze het zelf niet verzegeld en naar
-Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen gelooven, dat het
-hetzelfde was.
-
-„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met
-nadruk.
-
-„Ja!”
-
-„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond
-gehurkt. „Ik ben in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de
-gemeenste wijze mishandeld geworden...”
-
-„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork.
-
-„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het
-residentiehuis komen berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb
-ik èn van de njonja èn van nonna Anna verlof gekregen om naar den zieke
-te mogen gaan....”
-
-„Verlof van de njonja en?...”
-
-„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!”
-
-„Die kunnen dat dus getuigen?”
-
-„Ja, Kandjeng toean!”
-
-„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij
-zich had.”
-
-„Wie zijn dat?”
-
-Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de
-hut binnentreden. Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich
-achteraf te houden, en op het geschikte oogenblik de hut binnen te
-sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde de lippen
-van den Javaan.
-
-„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer)
-hier.”
-
-„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid
-zou ik je betaald zetten!” zei de controleur vertoornd.
-
-„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in.
-
-„Muizenkop?... Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!... Waar
-kwam die van daan?”
-
-„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.”
-
-„Maar, waar is hij nu?”
-
-„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.”
-
-„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende:
-
-„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?”
-
-„Lim Ho,” was het antwoord.
-
-„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit.
-„En, Dalima... in dien toestand?... O, nu begrijp ik alles!”
-
-„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en...” snikte het meisje, maar
-kon niet meer voort.
-
-Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere
-uitdrukking dan „mishandeld”, die evenwel niet weer te geven is. Toch
-aarzelde zij om voort te gaan.
-
-„En?” vroeg de controleur.
-
-„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.”
-
-„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij
-Singomengolo met zijne vuist dreigde.
-
-„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!”
-antwoordde deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken.
-Die gemeene meid liegt!”
-
-„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima.
-„Overigens verraadt mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld
-heeft.”
-
-Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op,
-waarbij zij hare handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid
-van al die mannen te dekken. Van Nerekool hielp haar daarbij, en
-verzocht een tweede slendang om het meisje in te wikkelen.
-
-„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den
-controleur. „Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.”
-
-Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond
-men Mokesuep, die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te
-rooken. Het oor van dezen laatsten was verbonden.
-
-„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te
-keuren.
-
-„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald,
-totdat ik deze hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats
-tegen de zonnestralen gezocht heb. Foei, wat is het heet in die
-sawah’s!”
-
-Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten
-volzin blies de aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm
-gehad had.
-
-„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?”
-
-„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.”
-
-„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.”
-
-„Waarbij?”
-
-„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging
-Verstork voort.
-
-„Eene misdaad?” vroeg Mokesuep verwonderd. „Ik weet van niets.”
-
-„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch
-verstond, maar Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van
-opium, nietwaar babah?”
-
-De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren binnengekomen waren,
-wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond:
-
-„Niets anders, Kandjeng toean.”
-
-„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den
-Chinees. En zich tot Mokesuep wendende, vervolgde hij:
-
-„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene
-vreeselijke misdaad.”
-
-Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die
-bizonderheid vernam. De baboe van den resident! Als die machtige zich
-eens partij voor zijne dienstbare stelde. Waarlijk, hij aarzelde...
-
-„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar
-ongeduldig.
-
-De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne
-sigaar stond te rooken.
-
-„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij.
-
-„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei
-Singomengolo sarrend. „Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah
-en dat heeft de toean gezien.”
-
-„Is dat waar?” vroeg de controleur.
-
-De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde
-hij toch het meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten.
-Maar Singomengolo deed een schier onmerkbaar teeken.
-
-„Het is waar!” antwoordde Lim Ho.
-
-„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep.
-
-„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord.
-
-„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden
-heeft?”
-
-De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in
-ontvangst genomen had.
-
-„Ja!” antwoordde de aterling.
-
-Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van
-verachting niet onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het
-meisje overtuigd.
-
-„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon.
-
-Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar
-van minachting vergezeld ging.
-
-Dat was te veel voor Grenits.
-
-„Daar!... daar!...” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl
-hij den onmensch een, twee klappen om de ooren gaf.
-
-„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u.
-Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.”
-
-
-
-
-
-
-
-XX.
-
-AAN DE RIJSTTAFEL.
-
-
-Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de
-pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit.
-
-De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd!
-
-Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te
-mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat
-individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene
-tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar
-Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat,
-in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder
-gewenscht was.
-
-„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger
-zou moeten zijn, die het veld ruimde.”
-
-„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige
-koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen,
-zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat
-gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik,
-dat dit jonge meisje mishandeld is...”
-
-„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in.
-
-„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij
-hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep.
-Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u,
-die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal
-het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben,
-dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te
-werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.”
-
-„Mijnheer Verstork!...”
-
-„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten
-onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u.
-Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits
-mij dan niet voor zal zijn.
-
-„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen
-moogt!” sprak deze hoogst ernstig.
-
-„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening
-weten te verschaffen!”
-
-„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork.
-
-„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den
-resident verschaffen.”
-
-„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de
-controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.”
-
-Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met
-den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim
-Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien,
-maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van
-Santjoemeh, met den uitroep:
-
-„O! ik zal mij wreken!”
-
-Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is,
-zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de
-controleur van Banjoe Pahit.
-
-Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij
-die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare
-meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid
-tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene
-kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het
-smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En,
-inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met
-jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon
-verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden,
-waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog
-bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele
-pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der
-keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de
-uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des
-ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet
-hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne
-tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee
-dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te
-vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid
-alleen bleef?
-
-Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen
-stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd
-zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn
-bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van
-korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en
-schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s,
-atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek,
-[129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak,
-sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh,
-sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek,
-[132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi,
-met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel,
-[134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met
-ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang,
-[137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene
-volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om
-ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der
-Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij
-voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel
-gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit,
-op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken.
-Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der
-eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door
-een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de
-hoofdrol op den jagersdisch te vervullen.
-
-Ieder der gasten weerde zich goed.
-
-Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte
-der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen
-indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer
-zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren.
-
-„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit
-mijn humeur gebracht hebben!”
-
-„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn.
-„Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.”
-
-„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng”
-(varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden.
-
-„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij
-wel neêrgelegd hebben?”
-
-„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork.
-
-„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze
-jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te
-vernemen?”
-
-„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork.
-
-„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten
-te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.”
-
-„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.”
-
-„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?”
-
-„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang
-Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht
-komen mededeelen.”
-
-Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen
-een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde.
-
-„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel.
-
-„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze
-rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte
-een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van
-het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de
-rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een
-kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter:
-
-„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch
-eten.”
-
-„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat
-rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.”
-
-„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde
-keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat
-verbiedt onze godsdienst.”
-
-„Het spijt mij, wedono.”
-
-„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.”
-
-„Welnu, wedono?”
-
-„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De
-Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de
-bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.”
-
-„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.”
-
-„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat
-gedwongen glimlach.
-
-„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende
-uitgeroeid zijn?”
-
-„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking
-heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het
-overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het
-district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer
-van die verwoestende dieren zullen hebben.”
-
-„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht
-volkomen gelukt! een glas daarop!”
-
-Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono
-fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep
-hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe
-Pahit, welke van die lastige gasten verlost was.
-
-„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono.
-„Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.”
-
-„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote
-„tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange
-slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.”
-
-„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce
-piquante zou lekker zijn!”
-
-„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende:
-„En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak
-van Dalima te beginnen.”
-
-„Saja, Kandjeng toean!”
-
-„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.”
-
-„Saja, Kandjeng toean!”
-
-„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden:
-
-
- Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”
-
-
-Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in.
-Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork:
-
-„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen,
-en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono
-voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh;
-want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken....
-Hebt gij mij verstaan, wedono?”
-
-„Saja, Kandjeng toean!”
-
-„Welnu, laat ik u niet weerhouden.”
-
-Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid.
-
-Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had
-de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het
-gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het
-ware verstijfde.
-
-„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de
-vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld
-hebben?”
-
-„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene
-smokkelaarster uit?”
-
-„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten
-leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?”
-
-Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig
-eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik
-van bedenking, antwoordde hij evenwel:
-
-„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.”
-
-„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!”
-
-„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn
-op.
-
-„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een.
-
-„Maar de getuigenis van Muizenkop?”
-
-„Van dien ellendeling?....”
-
-„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork.
-
-„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna
-invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te
-krijgen.”
-
-Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel
-niets.
-
-„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak
-betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben,
-dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...”
-
-„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede,
-„dat de rechterlijke macht....”
-
-„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst
-rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de
-opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet
-men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar,
-Karel?”
-
-Deze knikte bevestigend.
-
-„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend.
-„Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk
-maakt.”
-
-„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig.
-
-„Maar, Theodoor!....”
-
-„Maar, Eduard!....”
-
-„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat
-moet ge toch toegeven?”
-
-„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat
-wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n
-vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is
-gemakkelijker aan te toonen.”
-
-„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan,
-dat is achterwege gebleven.”
-
-„En de geschiedenis dan?”
-
-„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de
-persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de
-blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer
-anders.”
-
-„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik,
-Eduard?”
-
-„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?”
-
-„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de
-opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der
-Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere
-opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.”
-
-„Ja, maar, is dat alles waar?
-
-„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?”
-
-„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed
-ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?”
-
-„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen
-worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve
-dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van
-de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad
-vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som
-geraamd....”
-
-„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.”
-
-„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden
-losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld
-is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd,
-om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet
-uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer
-opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig
-op zoo’n borst!”
-
-„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo
-verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen
-wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar
-voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is
-die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden
-bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van
-een of meer bittertjes.”
-
-„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als
-degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten
-spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke
-ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141]
-
-„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb:
-
-„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal
-een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en
-verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een
-slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of
-aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten
-vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen,
-behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen.
-Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde
-nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch
-ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld
-is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En
-juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten
-lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende
-voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is
-er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere
-graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend
-gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak
-een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en
-vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een
-kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop
-komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die
-van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig
-vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden?
-
-„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij
-weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer
-weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich
-verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t
-algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden,
-en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig
-werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe
-veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de
-meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds
-belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat
-juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel
-bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt?
-
-„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik
-dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en
-zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het
-geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid
-zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen
-in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of
-gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan
-ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst
-overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene
-kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar
-of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen
-laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te
-Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal
-van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid
-te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen.
-
-„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie
-bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog,
-hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste
-toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook
-spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t
-voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke
-schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun
-gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden
-nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan
-de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel
-tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere
-verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het
-lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige
-droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige
-kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht
-(reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de
-telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de
-kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar
-gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker.
-
-„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed,
-dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die
-bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer
-lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen
-vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen
-arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en
-dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al
-zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een
-jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms
-de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar
-voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen,
-moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te
-verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn
-pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen
-te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan
-van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen
-en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn
-lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen,
-schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt
-gehaald!
-
-„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die
-de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt,
-terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn
-tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde
-generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?!
-
-„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine
-verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog
-altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel
-spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover,
-dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen
-naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes
-vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de
-huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog
-bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of
-ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te
-werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat
-is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank.
-
-„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu
-door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en
-nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter
-zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de
-rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan
-de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de
-middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te
-bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te
-maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles
-aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en
-nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen
-ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang
-te brengen!”
-
-Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij
-behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven.
-Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog
-volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen,
-want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die
-daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook
-waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot
-hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald
-te hebben, aldus:
-
-„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh
-doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van
-de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en
-te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die
-residentie spreken. Luistert:
-
-„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels
-zijn de menschen arm.
-
-„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling
-van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den
-pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen
-als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om
-dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan
-te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige
-opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer.
-
-„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve
-nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente,
-bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men
-moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft.
-
-„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt.
-Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van
-bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt
-wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt
-er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de
-kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als
-lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de
-karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat
-naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de
-rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen,
-rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij
-particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur
-moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de
-helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in
-diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje,
-waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje.
-
-„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den
-Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan
-geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten
-tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals
-gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet
-wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten
-voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat
-eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid,
-en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan?
-Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want
-ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken
-toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te
-gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven.
-
-„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen
-vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den
-moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog
-niet genoeg voor het geheele jaar...”
-
-„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt
-hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in
-Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt.
-Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren
-naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort
-wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever,
-en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht.
-
-„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering
-verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich
-heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit
-dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn,
-en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard
-burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en
-een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt.
-Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever
-gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele
-bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde
-arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals
-die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit
-eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.”
-
-Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de
-waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste
-gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed.
-
-Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep
-zijne hand en drukte die hartelijk.
-
-„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij
-in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog
-slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in
-eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen
-over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer
-veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de
-aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch
-bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller
-tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde
-ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!”
-
-„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke
-oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een
-dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....”
-
-„Laat hooren!” riepen allen.
-
-„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh
-plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen
-hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet
-ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij
-de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide
-gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo
-even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw
-aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden,
-laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar
-vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat
-gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide
-beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen
-met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne
-maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem
-zijn......”
-
-„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De
-vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid
-tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!”
-
-„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede
-werk hebben; nietwaar?”
-
-„Ja! ja!” riepen allen.
-
-„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake
-zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou
-hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n
-proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij
-allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern!
-Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te
-maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die
-twee gedingen met alle klem gevoerd worden!”
-
-„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August!
-aan den gang!”
-
-„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte
-ik onzen gastheer eene vraag te doen.”
-
-„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork.
-
-„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143]
-In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....”
-
-„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je
-langdradig met je warenkennis!”
-
-„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van
-geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om
-ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat
-geheimmiddelen?”
-
-„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend.
-
-„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn
-het dan?”
-
-„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand
-gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en
-wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium
-en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den
-eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst
-zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen
-zijn.”
-
-„En.... kunt gij genezingen constateeren?”
-
-„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een
-twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de
-gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het
-middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing
-constateeren.”
-
-„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van
-u?” vroeg Grenits.
-
-„Ga je gang.”
-
-„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig
-is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te
-zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er
-zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen
-de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die
-veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!”
-[145].
-
-Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid
-erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare
-wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne
-rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of
-ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene
-lastige gedachte wilde wegvegen:
-
-„Zoo erg is het niet,” sprak hij.
-
-„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,”
-lachte Theodoor.
-
-„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que
-pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!”
-
-En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd
-was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag
-gelegd,—vervolgde hij:
-
-„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van
-gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh
-doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u
-uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is,
-vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene
-aangename middagrust!”
-
-Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur
-joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op.
-
-
-
-
-
-
-
-XXI.
-
-OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT.
-
-
-Verstork kwam veel te laat.
-
-Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang
-Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware
-het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd
-samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al
-ras ondervinden.
-
-„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van
-Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang
-geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van
-het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef
-toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er
-gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke
-rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen!
-Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan
-alles gebeuren, dan zien zij niets....”
-
-„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen.
-
-„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat
-vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het
-ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.”
-
-Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en
-ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede.
-
-„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer
-Verstork, om mij op de hoogte te stellen...”
-
-„Resident, ik...”
-
-„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een
-toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp.
-
-„Mij dunkt toch, resident, dat...”
-
-„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!”
-
-„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport
-maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork
-steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort.
-
-„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...”
-
-De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd;
-maar hij hervatte:
-
-„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.”
-
-„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman
-van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat,
-wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den
-directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den
-Gouverneur-Generaal zal beklagen.”
-
-Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was
-gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij
-als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne
-luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig:
-
-„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van
-gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het
-gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten.
-Ik zal dat rapport even doorloopen.”
-
-De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn
-schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het
-geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de
-voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige
-woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was
-alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident
-evenwel weer op.
-
-„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...”
-
-Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen.
-
-„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij
-gewaarschuwd waart?”
-
-Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den
-controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was.
-
-„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij
-moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te
-ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel
-zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt;
-maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht
-zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...”
-
-„Mijn rapport te wijzigen, resident?”
-
-„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te
-doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche
-deern zoude voltrokken zijn.”
-
-„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is,
-die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst
-ernstig.
-
-„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw
-oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een
-geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen
-roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts
-buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een
-opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond
-die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig
-bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf
-heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat
-zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn
-erf te laten wegjagen!”
-
-„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg
-om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij
-geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles
-duidde op...”
-
-„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij
-haar onderzocht?”
-
-„Neen, maar....”
-
-„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de
-resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb,
-houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid
-voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.”
-
-Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan,
-die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen
-handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij
-den controleur verrichtte.
-
-„Zoo, Verstork! Gij hier?”
-
-Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident
-in:
-
-„Ga zitten, overste!... En wel?...”
-
-„Geen kwestie, resident!”
-
-„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?”
-
-„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...”
-
-„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?”
-
-„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum
-repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.”
-
-„Overste, ik dank u!”
-
-„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen.
-Dag, resident, dag, Verstork!”
-
-„Geen excuses, overste; ik groet u!”
-
-Toen was de geneeskundige verdwenen.
-
-„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?”
-
-„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het
-wankelen.”
-
-„Niet?”
-
-„Neen, resident!”
-
-„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om
-bakzeil te halen, om bij te draaien.”
-
-„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep.
-
-„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik
-geef u in beraad dit rapport terug te nemen.”
-
-„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die
-raad?”
-
-„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te
-eenzijdig voorgesteld zijn...”
-
-„Resident!”
-
-„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar
-voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge
-Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:”
-
-Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las
-vervolgens:
-
-„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in
-mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren
-begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der
-wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan,
-met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft
-politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne
-satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der
-bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde
-oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft
-worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van
-het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die
-bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het
-meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de
-andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder
-zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die
-lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest
-onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het
-gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig
-bewijs.””
-
-De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte
-met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet
-neersloeg.
-
-„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij
-bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel
-ik of het bij u daar wel goed in orde is...”
-
-„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...”
-
-„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in
-uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg
-noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even
-goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van
-gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in
-herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te
-Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne
-dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling
-Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij
-die meening door uwe onbesuisde taal....”
-
-„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel
-heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan
-geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude
-tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot
-een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te
-doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van
-1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om
-die te verwaarloozen....”
-
-„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam
-invallen.
-
-„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij.
-Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de
-afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude
-wezen....”
-
-„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik
-aanhaalde?”
-
-„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen
-beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan
-de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer
-onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in
-het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt
-het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed
-als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun
-voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van
-aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen
-zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een
-brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als
-eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd
-worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld
-werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek
-als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te
-Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem
-Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de
-overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet
-gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren
-gevisiteerd geworden.”
-
-„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig
-voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om
-evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat
-over stag, en neem dit rapport terug!””
-
-Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen,
-als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als
-een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne
-zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden
-ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het
-gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging
-weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen
-den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel
-aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk
-rechtsgevoel zijne opperheerschappij.
-
-„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw
-oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat
-rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne
-eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....”
-
-„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit.
-
-„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking?
-Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw
-geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te
-dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij
-kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat
-vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!”
-
-De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de
-woorden van den controleur waren.
-
-„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon.
-„Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende
-jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal
-aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige
-rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn,
-misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is
-zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming
-hebt gij uw rapport geschreven....”
-
-„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk
-bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat
-ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?”
-
-„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde
-Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van
-eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of
-niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het
-gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe
-beslissing afhangt.”
-
-Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook
-handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op
-de baan, die hij voor het rechte pad hield.
-
-„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet
-terug,” sprak hij bedaard maar beslist.
-
-„Is dat uw laatste woord?”
-
-„Ja, resident!”
-
-„Bedenk u wel! Uw laatste woord?”
-
-„Ja, resident!”
-
-„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.”
-
-„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!”
-
-„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge
-beslissen!”
-
-Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud
-geëindigd was.
-
-„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik
-heb nog een andere logrol af te laten loopen.”
-
-„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur.
-
-„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten.
-Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd,
-en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der
-waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe
-tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om
-dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...”
-
-„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat
-toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd,
-kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident,
-wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden.
-Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter
-voorkomen hebben, dat verzeker ik u.”
-
-„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen
-gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat
-die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige
-jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan
-gebeurd was...”
-
-„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de
-opgewondenheid, die gij te kennen geeft.”
-
-„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware
-die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de
-gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of
-uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar
-zal zijn.”
-
-„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?”
-
-„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik
-heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden
-wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles
-hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.”
-
-„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet
-verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat
-luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn
-loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.”
-
-De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet.
-
-Verstork stond op.
-
-„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende.
-
-„Niets meer, mijnheer Verstork.”
-
-„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!”
-
-Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn
-schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het
-oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het
-residentiehuis af.
-
-„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij.
-
-„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor
-gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is,
-zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen
-te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven
-wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de
-kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen
-zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus
-nobilitat” te verwerven!”
-
-
-
-Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen
-thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens
-dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen
-eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de
-vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident
-gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel
-hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde,
-hem op te beuren en moed in te spreken.
-
-„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt
-mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de
-gevolgde gedragslijn.”
-
-„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met
-eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde
-wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!”
-
-„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?”
-
-„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik
-overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...”
-
-„Welnu?”
-
-„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten
-eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag:
-waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal
-bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk
-van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor
-mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.”
-
-„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval
-zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen
-voorspellen.”
-
-„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten
-staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens
-eenvoudig ontslagen werd!”
-
-„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre
-van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder
-eerlijk man gewaardeerd worden!”
-
-„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!”
-
-Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds
-ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam.
-
-„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is
-zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?”
-
-„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.”
-
-„Hebt gij ook kennissen te Batavia?”
-
-„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...”
-
-„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt
-gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig
-verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael,
-terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal
-schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd
-aanvaard!”
-
-Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard
-van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op
-de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een
-eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit.
-
-„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?”
-
-„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.”
-
-„Is er iets bizonders aan de hand?”
-
-„Bizonders niet. Maar veel drukte!”
-
-„Waarmede?”
-
-„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat
-zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.”
-
-Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op
-Willem Verstork geworpen.
-
-
-
-
-
-
-
-XXII.
-
-EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN.
-
-
-Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal
-jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de
-voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh.
-
-Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel
-Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het
-voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij
-nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar
-omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker
-gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds
-hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore
-gebracht werd, te genieten.
-
-In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren,
-de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te
-spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan
-daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet
-rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag.
-
-„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.”
-
-„En daar rijdt de nog lievere Hermance.”
-
-„Ho, ho!”
-
-„Wat een keurig span Persianen!”
-
-„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of
-het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel
-iets voor die meening aan te voeren.”
-
-Allen lachten.
-
-„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!”
-
-„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk
-eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen
-behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.”
-
-„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...”
-
-„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd
-Eduard wel.”
-
-„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van
-hare dochter.”
-
-„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.”
-
-„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den
-assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.”
-
-„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de
-buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?”
-
-„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in
-afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de
-buurt hebben.”
-
-„De verplaatsing van Van Nerekool?...”
-
-In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het
-sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij.
-
-„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman
-was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de
-Santjoemehsche courant in de hand loopt?”
-
-„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en
-daaruit voorlas:
-
-„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij
-wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen
-heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed
-onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche
-meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels,
-consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande
-lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten,
-waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten,
-goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene
-fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene
-Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote
-partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden,
-kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een
-goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span
-wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met
-commissiën belasten zich: Gladbach & Co.—
-
-„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot
-half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe
-Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den
-overtocht heen en terug gratis.”
-
-Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan.
-
-„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een.
-
-„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt
-tot zijn rijpaard!”
-
-„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het
-geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard
-noodig.”
-
-„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is
-geene vacature voor Verstork.”
-
-„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld
-heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die
-advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot
-vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.”
-
-„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap.
-
-„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog.
-
-„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?”
-vroeg er een.
-
-Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet.
-
-„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die
-mooie baboe Dalima met Lim Ho.”
-
-„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de
-doekoen-majoor verklaart.”
-
-„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.”
-
-„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop
-gedaan?”
-
-„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits.
-
-„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?”
-
-„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te
-verschijnen.”
-
-„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je.
-Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar,
-heeren?”
-
-„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord.
-
-„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik
-veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie!
-Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!”
-
-„Steeds geschäftsman, die Grenits!”
-
-„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen
-heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven
-waarnemen,” sprak Theodoor ernstig.
-
-„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen
-present zijn, nietwaar, makkers?”
-
-„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!”
-
-„Dat is dus afgesproken!”
-
-
-
-„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig
-relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed
-overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij
-wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen
-gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot
-antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden.
-
-De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den
-Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning
-van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar
-hoogst zelden gebeurde.
-
-„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging
-gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident
-van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook
-is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat
-met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is
-daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident
-van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande
-uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het
-zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel
-eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen,
-steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar
-mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die
-zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de
-hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel
-beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het
-verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter
-van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen.
-Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden
-onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren
-ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk
-heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek,
-waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou
-brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de
-aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit
-zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar
-hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing,
-als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de
-voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn
-rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de
-aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling
-van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de
-tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de
-tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag
-ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade
-in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen
-van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg
-besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een
-uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen
-portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik
-benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn:
-de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de
-opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij
-uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te
-verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand
-boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident,
-een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....”
-
-De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen
-vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen
-van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij
-den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel.
-
-„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met
-vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in
-dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om
-de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te
-brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij
-een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware
-vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet
-wezen. Nietwaar, mijne heeren?”
-
-De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare
-verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller
-lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon
-hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier
-slaperig:
-
-„Ja, Excellentie!”
-
-De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen
-had laten gaan, sprak toen met een zucht:
-
-„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren
-voor hun advies!”
-
-Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het
-Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de
-manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des
-Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het
-bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een
-grooten dienst bewezen te hebben.
-
-En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner
-overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur
-van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd:
-„dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling
-het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te
-Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der
-bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen
-met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de
-gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in
-gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer
-te rekenen hebben.”
-
-„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool.
-
-„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering
-trillende stem.
-
-„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst
-naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch
-Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is
-dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is
-rot, ja geheel rot!”
-
-„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een
-deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele
-kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht,
-wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te
-breidelen.”
-
-Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem
-Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld
-gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen
-rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich
-daarmede wel in zijne plaats belasten.
-
-
-
-Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was,
-verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer.
-
-Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen
-op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid
-de Inlandsche bevolking, rondom zich.
-
-In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags
-te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand
-te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht
-zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast
-anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht
-gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne
-vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het
-meest verlokt.
-
-Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het
-viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die
-vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal
-smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen.
-
-„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet
-meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te
-bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!”
-
-De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd.
-
-Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit
-een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe.
-Na de gebruikelijke buiging:
-
-„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het
-verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?”
-
-„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik
-heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach.
-
-„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin
-broeang!” [151] (gij kunt beeren maken).
-
-Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep,
-maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede
-rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co.
-met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe.
-
-„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor.
-
-„Wat is er?”
-
-„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op
-uwe vendutie te koopen.”
-
-„Van wien?”
-
-„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend.
-
-Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen,
-wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst
-verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork
-zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep
-voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet
-door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan
-zijne dierbaren daar ginds, die....
-
-Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans
-volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens,
-milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren),
-stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden
-hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook
-wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den
-oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om
-de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te
-noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der
-Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd.
-Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en
-indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren,
-assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten,
-rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz.
-enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was.
-Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel
-huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident
-Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone
-standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar
-Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat
-bericht, maar innerlijk met verbeten woede.
-
-De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te
-laten weerklinken.
-
-Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de
-ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en
-schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat
-uitstapje kunnen bekomen.
-
-Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene
-bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam
-minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning
-van een blanken.
-
-Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk.
-
-Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en
-plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen.
-Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te
-zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met
-wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken
-had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en
-Grenits naar Santjoemeh rijden.
-
-Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en
-Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een
-zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng
-zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken
-volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een
-tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een
-aanvang.
-
-Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie
-bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der
-galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn.
-
-„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager,
-terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen
-te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”.
-
-„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem.
-
-„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met
-langgerekte en eentonige stem.
-
-„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem.
-
-„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager.
-
-„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!”
-(twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de
-opbiedingen achtereenvolgens.
-
-„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde
-de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te
-hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende.
-
-„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze.
-
-„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di
-tawar!”
-
-Dat opende weer het vuur.
-
-„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een.
-
-„Delaapaan roepiaah, staali!”
-
-„Delapan stenga!” (acht en een half).
-
-„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart).
-
-„Sembilan roepiah!” (negen gulden).
-
-„Sembiiilaan roepiaah!”
-
-„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf,
-dertien).
-
-„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!”
-
-„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!”
-klonk eene stem.
-
-„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!”
-(eenmaal).
-
-„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander.
-
-„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal).
-
-„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen.
-
-„Liimaablaas roepiaah, di tawar!”
-
-„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed
-verstommen.
-
-„Een mooi bod,” mompelde Grenits.
-
-„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!...
-Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!...
-tiga kali...”
-
-Boem! daar viel de hamer.
-
-„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver.
-
-„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig
-uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was.
-
-„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte.
-
-„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.”
-
-„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester.
-
-„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie
-maanden crediet.”
-
-„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement
-nebben.”
-
-„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie
-beveelt dat?”
-
-„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de
-vendumeester.
-
-„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!”
-
-„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan
-dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten
-andermaal geveild worden.”
-
-De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood
-geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging.
-
-„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit.
-
-De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier
-dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar
-waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar
-gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras
-raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid
-stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een
-breedgeschouderde heer uit:
-
-„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder
-weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te
-verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de
-termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg
-aan!”
-
-„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet.
-
-„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?”
-
-Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen?
-
-Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht
-reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is
-waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen:
-
-„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de
-Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op?
-Ik zet ze in voor zestig gulden!”
-
-Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig
-gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt
-waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen
-handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken
-hadde.
-
-Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten,
-spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge
-prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der
-aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag
-daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de
-prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs
-bereikbaar waren.
-
-In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt.
-
-„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager.
-
-Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het
-stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren.
-
-„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager.
-
-„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik
-bij ondervinding!”
-
-„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat
-drankzetje staat eene karaf met bitter!”
-
-Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig.
-
-„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem.
-
-„Welk bitter is het?”
-
-„Maagdbitter!” riep een sienjo.
-
-„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153]
-
-„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten.
-
-„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je
-gezondheid met je pahit prawan!”
-
-„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt
-twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de
-venduafslager.
-
-„Een ringgiet!” riep Grenits.
-
-„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!”
-
-„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk
-het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den
-venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met
-het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien.
-
-„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen.
-
-„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht).
-
-„Een tientje!” riep Grenits.
-
-„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm.
-Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien.
-
-„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de
-heeren niet hooger).
-
-„Me dunkt!” prevelde er een.
-
-„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali....
-Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!”
-
-Boem!
-
-„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden.
-Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!”
-
-„Vooral pahit prawan!”
-
-„Schenk dan nog eens in!”
-
-Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde
-klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te
-storten, bracht vijf en twintig gulden op.
-
-De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later,
-de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de
-controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar
-dak opging.
-
-„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd;
-toen hij daarvan mededeeling kreeg.
-
-„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!”
-
-En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits
-de hand.
-
-„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het
-oor.
-
-Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan
-boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats
-moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de
-getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden.
-
-„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe.
-
-Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig
-mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer
-groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet
-roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen
-gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner
-maandelijksche toelage zou moeten verminderen.
-
-Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem
-van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na.
-
-„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en
-wischte zich een traan uit het oog.
-
-
-
-
-
-
-
-XXIII.
-
-EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING.
-
-
-Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon
-[154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats
-van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang
-na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een
-rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij
-talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw
-bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het
-perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende.
-
-Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen
-was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte,
-welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen.
-Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den
-rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo
-gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s
-der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de
-Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij
-daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd,
-dus als beschuldigde, misdadiger of getuige.
-
-Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en
-allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden.
-
-„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn
-bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo
-ontmoette.
-
-Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd
-op.
-
-„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die
-menigte hier te zamen brengen?”
-
-„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de
-substituut niet zonder aarzeling.
-
-„Wat afloopen?”
-
-„Wel, de terechtzitting, mijnheer.”
-
-„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?”
-
-De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak.
-
-„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met
-haperende stem.
-
-„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?”
-
-De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal
-waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat.
-
-„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem.
-
-„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den
-resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit.
-
-„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief?
-Spreek dan toch!”
-
-„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den
-landraad.”
-
-„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd,
-mijnheer Thomasz?”
-
-„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een
-pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is
-ook....”
-
-„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...”
-
-„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den
-hoofddjaksa verstrekt; zoodat...”
-
-„Zoodat?”
-
-„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.”
-
-„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge
-wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede
-dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en
-naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten!
-Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!”
-
-„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn
-onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut.
-
-„Goed! Haast u dan.”
-
-Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo
-opgewonden op en neer.
-
-„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en
-mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch
-had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden
-die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige
-gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel
-inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken
-willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de
-schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer
-bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar
-Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke
-wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren
-berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische
-rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te
-maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide
-aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde
-ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om
-op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen.
-Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die
-vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke
-rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen,
-te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg
-hij zich af.
-
-En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op
-de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst
-voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter:
-
-„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm
-volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie
-mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden
-stellen!”
-
-„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in
-het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van
-Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!”
-
-„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd....
-Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa
-bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.”
-
-„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en..
-ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof,
-dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak:
-
-„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de
-verloofde van baboe Dalima.”
-
-En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende
-op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde
-tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den
-wijsvinger aan het voorhoofd.
-
-„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog
-zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar
-Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben!
-Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!”
-
-Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde.
-Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben.
-
-Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen
-de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden
-van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden
-van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de
-hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de
-hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan
-Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had,
-om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng
-toean rakker hen opgeroepen had.
-
-„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke
-ambtenaar.
-
-De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet.
-Radhen Ngahebi evenwel zeide:
-
-„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam
-toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland
-verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te
-zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.”
-
-Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de
-Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den
-vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort
-zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na
-de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede
-met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel”
-[157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter
-zitting verschenen.
-
-Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan
-den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben,
-mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was
-geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van
-den landraad niet bij te wonen.
-
-„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u,
-mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo
-eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog.
-
-„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te
-geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij
-zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben
-stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil
-ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.”
-
-Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen
-hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de
-achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in
-de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl,
-omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen
-residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende
-in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te
-verwaardigen, begon de secretaris:
-
-„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi
-Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay
-en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij
-den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van
-den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om
-deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident
-gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo
-grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet
-opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den
-Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de
-plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan
-Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning
-van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat
-de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten
-te wikken en te wegen.”
-
-Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr.
-Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren
-om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden
-wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe
-gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne
-ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen
-zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die
-onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne
-Inlandsche ondergeschikten.
-
-Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed
-der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren
-peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had,
-die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen.
-Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook
-waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met
-volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te
-wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille
-van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos
-rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te
-verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris
-ongeduldig nog gevraagd had:
-
-„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord,
-dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.”
-
-„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche
-rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te
-Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken,
-dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend
-pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die
-leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de
-bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele
-verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer
-secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en
-verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te
-vertragen.”
-
-„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer
-om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen
-hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den
-resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.”
-
-„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat
-met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident
-antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn
-plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u
-verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij
-zijne werkzaamheden kunne beginnen.”
-
-„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des
-secretaris mond.
-
-„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris.
-Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158]
-
-
-
-De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die
-boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij
-van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een
-hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden.
-
-„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die
-hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad
-zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de
-rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets
-in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een
-troep meeuwen uit elkander laten jagen!”
-
-Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke
-Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter
-strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem
-te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n
-stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele
-dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er
-onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden
-heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in
-die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de
-schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige
-bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren
-zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare
-onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in,
-met den uitroep:
-
-„Wat is er? Wat is er?”
-
-Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had
-kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de
-treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende
-bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende
-bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig:
-
-„Wat is er, mijnheer Thomasz?”
-
-„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is,
-en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.”
-
-„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?...
-Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!”
-
-„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd
-zitting te nemen.”
-
-„Niet?... Wat is er dan gebeurd?”
-
-„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden
-sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek
-het, dat de deurwaarder verdwenen was.”
-
-„De deurwaarder verdwenen?”
-
-„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.”
-
-Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen.
-
-„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij.
-
-„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de
-secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn
-en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.”
-
-„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam.
-
-„Keurt u hem af, resident?”
-
-„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?”
-
-„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de
-secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem
-opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.”
-
-„En toen?” vroeg de resident.
-
-„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.”
-
-„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder
-gebeurde?”
-
-„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier,
-„stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen
-werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen.
-Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den
-hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te
-brengen....”
-
-„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam
-nieuwsgierig.
-
-„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude
-vrouw.”
-
-„En verder?”
-
-„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote
-oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op
-eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt
-verdwenen.”~
-
-„Verdwenen?”
-
-De heer Van Gulpendam schaterde het uit.
-
-„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij.
-„Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar
-verder? Laat vieren je loglijn!”
-
-„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der
-hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te
-voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een
-te ontmoeten.”
-
-„Dus werd er toch een gepraaid?”
-
-„Ja, resident.”
-
-„Hoe jammer!”
-
-Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks.
-
-„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk.
-
-„Hoe dat zoo? Vertel op.”
-
-„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats
-moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige
-gepreste zoo’n aanval van buikpijn...”
-
-„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk!
-Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?”
-
-„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en
-zich in allerlei bochten wrong.”
-
-„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!”
-
-„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën
-gebogen, op een drafje wegliep.”
-
-„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!”
-
-„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus
-toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden
-buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.”
-
-„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij
-in katzjammer vallen van het lachen.”
-
-De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne
-ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende
-aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan.
-
-„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.”
-
-„Niet? Nu loop dan van stapel.”
-
-„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn.
-Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en
-met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den
-neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga
-er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem
-zijne barret in den nek stond.”
-
-„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een
-kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.”
-
-De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment.
-
-„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar.
-
-„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen
-deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den
-raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke
-vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te
-zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te
-laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb
-ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.”
-
-„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten
-goeden tijd uwe toewijding herinneren.”
-
-En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den
-secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen
-aangehoord had:
-
-„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat
-alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad
-presideeren.”
-
-„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking
-veroorlooven?”
-
-„Laat vieren je schoot, secretaris.”
-
-„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.”
-
-„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te
-branden?”
-
-„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer
-Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden
-onmogelijk gemaakt heeft...”
-
-„Verder; loop van stapel.”
-
-„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten
-hebben, niet waar?”
-
-„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.”
-
-De secretaris krabde zich achter het oor.
-
-„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?”
-
-„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?”
-
-„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij
-aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten,
-voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het
-rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159]
-
-„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?”
-
-„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin,
-en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te
-komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat
-zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.”
-
-„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen
-verzetten zich daartegen.” [160]
-
-„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a
-des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....”
-
-„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift.
-
-„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo
-iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de
-eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar
-aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden
-afstond....”
-
-De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach:
-
-„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema
-niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd
-verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.”
-
-„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt;
-maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou
-er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want
-in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der
-plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in
-beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar
-dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab,
-die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door
-de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde
-tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te
-zijn.”
-
-„Staat dit in dat proces-verbaal?”
-
-„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de
-schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is,
-en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep
-van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.”
-
-„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst
-ernstig.
-
-„Ja, resident.”
-
-„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar
-meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat
-proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het
-residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der
-oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk
-bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van
-Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den
-Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.”
-
-Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma.
-
-Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van
-1874 op.
-
-„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!...
-Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de
-overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van
-het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan....
-ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het
-ware kielwater is....”
-
-Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de
-voorgalerij op en neder.
-
-„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij
-berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIV.
-
-OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT.
-
-
-Neen, Anna had niet gewild.
-
-Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek,
-tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool
-uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op
-den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam
-gegeven had.
-
-„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk.
-
-„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in
-deze zaak afhangt.”
-
-„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière
-trachten te bevorderen.”
-
-„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.”
-
-„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot
-niets.”
-
-En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij:
-
-„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne
-gedragslijn...”
-
-„Mijne vereeniging!...” kreet Anna.
-
-„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den
-man, dien zij geboeid heeft.”
-
-„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te
-plegen?”
-
-„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam.
-
-„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen,
-neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch,
-namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De
-zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten
-minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!”
-
-„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging,
-„waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen
-boezem wroeten?”
-
-„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en
-mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan
-eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...”
-
-„Als gij maar wildet.”
-
-„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne
-verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder
-gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn
-plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude
-plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.”
-
-„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader.
-
-„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet
-uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de
-herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet
-ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig,
-deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou
-ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten
-treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle
-stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen,
-ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!”
-
-Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn
-trilde.
-
-„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem.
-„Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?”
-
-„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven.
-
-„Gij bederft zijne carrière.”
-
-„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.”
-
-„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.”
-
-„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders
-daargesteld.”
-
-„Maar waarmede?” kreet Laurentia.
-
-„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke
-voorstellen deden!”
-
-„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan
-komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die
-ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die
-u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang
-Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken.
-Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald
-wordt.”
-
-„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak
-met die wijziging ingenomen zijn?”
-
-„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar
-Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer
-achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al
-aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé
-eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn.
-Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk
-telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal
-zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn
-postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal
-brengen.”
-
-Laurentia zuchtte.
-
-„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,”
-zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de
-„soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag.
-
-„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan
-mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.”
-
-„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia.
-
-„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als
-onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens
-omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.”
-
-Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de
-hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het
-gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in
-haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die
-zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst.
-
-„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar
-zijn kantoor te gaan.
-
-„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis
-verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die
-scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.”
-
-„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne
-trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten
-laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de
-resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter
-staan bleef.
-
-„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik
-neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet,
-hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige
-aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later
-doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen,
-zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure;
-nimmer zal ik u lastig vallen.”
-
-„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder
-één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die
-wereld?”
-
-„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten
-aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij
-nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik
-zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw
-naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in
-straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij
-terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...”
-
-„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke
-plannen geld verdienen hoofdzaak is.”
-
-„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik
-sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu
-evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren
-geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is?
-Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een
-briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd.
-In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en
-haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen,
-deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt
-had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die
-som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te
-spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen
-verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en
-deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren,
-die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten
-gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet
-weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien.
-Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal
-kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.”
-
-Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander
-gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind
-kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en
-vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis,
-welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden
-toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed
-ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een
-beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan
-glinsterde in haar oog.
-
-„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.”
-
-„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij
-bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij
-dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen?
-Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover
-mij geweest is.”
-
-Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde
-iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde
-meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat
-betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem
-ondragelijk.
-
-„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond
-verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te
-zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar
-Karang Anjer.”
-
-„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te
-brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde.
-
-„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen
-wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan.
-
-
-
-Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond
-een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het
-was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede
-de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog
-misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs
-moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer
-werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat
-valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst
-noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had
-haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige
-beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som,
-haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren
-afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene
-fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat
-koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts
-het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar
-wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in
-geslagen had.
-
-Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de
-voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud
-gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens
-niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den
-hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken
-zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde
-haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting
-van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den
-tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een
-weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die
-bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein
-opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of
-zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele
-beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare
-wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een
-struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de
-balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat
-aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde:
-
-„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap
-vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig
-ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde.
-
-Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig
-zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en
-ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in
-het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten
-over.
-
-Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het
-hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang
-verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van
-hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van
-het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had
-haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een
-rauwe kreet ontwrong zich hare borst:
-
-„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel
-gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?”
-
-Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst
-schrikkelijk zou beantwoord worden.
-
-Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s
-binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den
-posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen
-toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire
-tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was
-zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig
-gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde,
-hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te
-vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer
-borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare
-oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier
-droppelden.
-
-Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij
-schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij
-zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en
-alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het
-bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van
-eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare
-beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar
-veel, zeer veel inspanning kostte.
-
-„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u
-na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke
-pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij
-om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek
-te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader
-onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een
-laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een
-gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna,
-en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet
-gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn
-vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden
-onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen
-huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen
-deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of
-medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is
-meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even
-fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik
-met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor
-mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere
-oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren
-hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den
-beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van
-plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als
-welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met
-achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts
-een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien,
-ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven
-tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen.
-
-„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik
-verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar
-Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het
-genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu
-ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste
-stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen
-zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar
-Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een
-kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos
-verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij
-ondragelijk.
-
-„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer
-genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan
-nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan
-het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude
-hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk
-niet weggelegd was.
-
-„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren
-geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de
-oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die
-rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende
-opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet
-ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer
-het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt
-haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije
-voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige
-rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de
-Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn.
-
-„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik
-kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms
-eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar
-voornaam durft te onderteekenen:
-
-„ANNA.”
-
-Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem
-behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De
-post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden.
-
-Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de
-zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats
-bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een
-weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en
-viel gelukkig weldra in een vasten slaap.
-
-Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim
-36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer
-te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij
-tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst
-met ongeduld verbeid had.
-
-
-
-Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal
-onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de
-secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht:
-
-„O, als Anna toch gewild had!”
-
-Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en
-wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna
-verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur,
-tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden.
-
-„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien
-noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree
-brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van
-dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O
-ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.”
-
-En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien
-hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven
-zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos
-met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep:
-
-„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij
-dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn
-gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend
-gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden,
-waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke
-katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!...
-Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker
-moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....”
-
-„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer
-assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der
-oppassers, den heer Meidema aandienende.
-
-„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel.
-
-„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den
-heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.”
-
-„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen
-van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing
-aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling
-niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.”
-
-„Niet, resident?”
-
-„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden
-avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn
-ondergeschikten scherp aankeek.
-
-„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.”
-
-„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met
-getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent
-gij toen ook te beamen.”
-
-„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken
-meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te
-stellen.”
-
-„En?”
-
-„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij
-neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie
-afgegeven.”
-
-„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?”
-
-„Met uw permissie, resident? Dat....”
-
-„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?”
-
-De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag
-niet, althans hij vervolgde:
-
-„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.”
-
-„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne
-stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw
-onderzoek u geleid heeft!”
-
-„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond
-vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van
-de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord.
-
-„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u
-leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.”
-
-„En dat is, resident?”
-
-„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten
-worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn,
-dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.”
-
-„Resident! Die taal!”
-
-„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij
-uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...”
-
-„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar
-geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en
-weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.”
-
-„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak
-de resident smalend.
-
-„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij
-te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt,
-gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd
-verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat
-ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij
-de regeering aan te klagen.”
-
-„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een
-onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?”
-
-„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den
-beschuldigden Ardjan....”
-
-„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En
-vervolgens?”
-
-„Vervolgens baboe Dalima.”
-
-„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal
-daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben.
-Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij
-er nog meer?”
-
-„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te
-halen.”
-
-„En?... Kom, zeil zetten!”
-
-„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der
-politieoppassers.”
-
-„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo
-iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.”
-
-„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen
-mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing
-gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan
-wal zoude gebracht hebben.”
-
-„En gij vond niets?”
-
-„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de
-aangehaalde opium te kunnen bevatten.”
-
-„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab
-twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.”
-
-„Juist, resident.”
-
-„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?”
-
-„Ja, resident; maar ook niets meer.”
-
-„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was,
-mijnheer Meidema?”
-
-„Niet in die prauw, resident?”
-
-„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden
-hebben, nietwaar?”
-
-„Dat is zoo, maar het bewijs....”
-
-„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat
-baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig
-is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat
-getuigen.”
-
-„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema.
-
-„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!”
-
-„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te
-staan.”
-
-„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!”
-
-„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen,
-behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare
-gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare
-redding door Ardjan.”
-
-De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het
-was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet
-hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde:
-
-„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den
-kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten
-nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee
-personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten
-hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding
-genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in
-die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die
-prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium!
-Daarenboven....”
-
-„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde
-van den schok, die hem getroffen had.
-
-„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het
-wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik
-heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den
-gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident,
-mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan
-wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.”
-
-De resident zat nog een oogenblik na te denken.
-
-„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de
-hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten
-overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen
-constateeren?”
-
-„Ja, resident.”
-
-„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?”
-
-„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die
-prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen
-deponeeren, stukgehakt en verbrand.”
-
-Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde
-binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En
-overluid:
-
-„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?...
-Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer
-Meidema, mag ik u een goeden raad geven?”
-
-„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.”
-
-„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?”
-
-„Resident!”
-
-„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu,
-verstaat u met den pachter.”
-
-„Hoe moet ik dat begrijpen?”
-
-„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim
-Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op
-het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet
-zien.”
-
-„Resident!”
-
-„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in
-die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te
-over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel
-wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.”
-
-„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede.
-
-„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk
-huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!”
-
-„Nooit, nooit, resident!”
-
-„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u
-wel.”
-
-Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een
-oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij
-hartstochtelijk de tanden op elkander klemde:
-
-„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak
-gezet worden!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXV.
-
-EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG.
-
-
-Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de
-achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen
-van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren.
-
-„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,”
-pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer
-zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op
-het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw
-hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een
-winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het
-herstellen nog waard?”
-
-„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.”
-
-„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde
-Gesina.
-
-„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter
-vergoelijking bij.
-
-„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne
-kleeding verscheuren?”
-
-„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele
-manga tegengluurt? O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!”
-
-De moeder glimlachte over den uitval harer dochter.
-
-„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief
-gezicht opleveren! Het zou bepaald zijn: horre Kees!”
-
-Mevrouw Meidema bracht dat, „horre Kees” zoo grappig er uit, terwijl
-zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde
-krabde, dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het
-naaiwerk staken om uit te lachen.
-
-„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons
-niet door eene „toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?”
-
-„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig.
-
-„Ik vind het idée uitstekend,” kwam Mathilda hare zuster te hulp.
-
-„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.”
-
-„En Anna van Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda.
-
-„Ja, maar Anna van Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven
-de dochter van een resident.”
-
-„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een
-assistent-resident, mama?”
-
-„Dat zou ik denken. Hier, de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en
-papa slechts 500 gulden.”
-
-„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.”
-
-„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes,
-Thilda.”
-
-„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht.
-
-„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.”
-
-„Het is jammer.”
-
-„Wat is jammer?”
-
-„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.”
-
-„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze
-over het vele werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk
-aardig goedje,” lachte mama.
-
-„Nu ja, mama... U moogt zoo niet vitten... Een mensch mag wel eens
-pruttelen, vooral als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde
-Gesina, terwijl zij het hoofdje aan haar moeders borst vlijde.
-
-„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming
-van Mathilda, die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de
-bevallige beweging van Gesina met een streelend handgebaar door hare
-lokken beantwoordde.
-
-„Geld is toch nog niet alles!”
-
-Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het
-geconstateerde verschil van tractement tusschen den resident Van
-Gulpendam en haren vader.
-
-„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk
-eens, zijn wij niet gelukkig?”
-
-„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men
-in het residentiehuis gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan
-ik een zucht niet weerhouden. Arme, arme Anna!”
-
-„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat
-had.
-
-„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel
-mismoed, ja zooveel wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen
-regel tegen! Och, och, ik vrees het ergste. Met haar karakter uit een
-stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.”
-
-„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina.
-
-„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die
-zaken betreft. Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare
-ouders een huwelijk met Van Nerekool niet inwilligen.”
-
-„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze
-terug.”
-
-„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief
-is zoo akelig droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een
-afscheid, een vaarwel voor het leven ware. Zij verzoekt mij, als haar
-trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, wanneer hare
-wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld
-dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen,
-om die smart te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!”
-
-„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder, „het beste wat gij doen kunt,
-is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk op hare liefde voor
-Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar
-vertrouwelinge gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou
-zijn aan te raken, en waarbij uwe onhandige hand met het mes in de
-smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken zou. De tijd is een
-groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet missen.
-Ik ken eenigermate den gang der gebeurtenissen... wie weet, of zich
-alles nog niet ten goede keert.”
-
-„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij
-die. Gij weet, hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking
-heeft, boezemt mij belangstelling in.”
-
-„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken
-niet in haar geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te
-moeten houden. Zij heeft daar zeer goed aan gedaan...”
-
-„O, mama!....”
-
-„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van
-ongerechtigheden, die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje
-ongeschikt zijn, en haar hart dan ook hebben doen inkrimpen, en zich
-doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar voorbeeld volg... Maar... om
-tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo even: geld is
-niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene
-familie, wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere
-gegevens heeft als: gezondheid, aanzien, de eerste positie in onze
-maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en die toch het geluk mist.
-Neen, geld is niet alles.... En toch....”
-
-De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te
-werken zat, duidde genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet
-zoo onverschillig was, als dat „neen, geld is niet alles!” te verstaan
-kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, keken haar de beide
-meisjes aan.
-
-„En toch?...” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.”
-
-„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde
-mevrouw Meidema, „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op
-zoo groote lasten. Wij hebben zoo belangrijke betalingen te doen;
-en...”
-
-Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle
-daglicht beschutte, werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een
-verblindende zonnestraal naar binnen drong, die allen deed opzien.
-
-„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing
-vraagt om mijnheer te ontmoeten), sprak een der bedienden.
-
-„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde
-mevrouw Meidema. „Dat weet ge wel.”
-
-„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan.
-
-„Welnu?”
-
-„Hij wenscht de njonja te spreken.”
-
-Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de
-rijkste Chinees van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel
-Nederlandsch-Indië, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het
-gebeurde trouwens wel meer, dat hij zijne opwachting aan de dames kwam
-maken, bij welke gelegenheden hij steeds de eene of andere snuisterijen
-had te laten zien.
-
-„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw.
-
-In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter
-hand genomen. Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche
-familie zich zonder toekan minjahit moest behelpen.
-
-„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap...”
-
-Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te
-geven. Dat zou een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid,
-welke die landaard heeft om sommige medeklinkers uit te spreken,
-waardoor zij die door andere verwisselen, en hun spreken schier niet te
-volgen is.
-
-„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk.
-„Ik hoop, dat ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer
-assistent-resident te huis aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten
-deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting bij de dames te maken,
-eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, dan ook om
-haar eene groote tijding mede te deelen.”
-
-„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen
-nieuwsgierig. „Ga zitten, babah.”
-
-En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij
-gehurkt zat:
-
-„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.)
-
-De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met
-van nieuwsgierigheid schitterende oogen aan.
-
-„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig.
-
-„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van de dames ingelicht
-zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging.
-
-„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.”
-
-„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder
-hoogdravendheid, maar met honigzoeten glimlach om de lippen.
-
-„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig.
-
-„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge
-meisjes zullen pret hebben.”
-
-„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare
-zuster.
-
-„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees.
-
-„Een huwelijk?”
-
-„Een Chineesch huwelijk?”
-
-„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den
-nadruk, dien hij aan zijn woorden geven kon.
-
-„O, heerlijk!” kreten de meisjes.
-
-„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema.
-
-„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.”
-
-„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld.
-
-„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij
-heb.”
-
-„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd.
-
-„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke
-gelegenheden door de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden
-uitgedeeld worden. En daar de dames de huwelijksplechtigheid zullen
-bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, prachtige zijde, die ik
-van Nan Hioeng [163] heb laten komen. De dames moeten eens zien.”
-
-Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den
-inhoud voor den verrukten blik der vrouwen tentoonstelde.
-
-„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden weerschijn),” kreet
-Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!”
-
-„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw
-met dikke bouquetten. Als ik de keus had, dan....”
-
-„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder.
-
-Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar...
-aarzelde.
-
-„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met
-innemend gebaar.
-
-„Maar... babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken
-bij Chineesche huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.”
-
-„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken
-gegeven worden, [164] maar bij huwelijken worden alleen aan goede
-vrienden geschenken aangeboden. En ik noem den heer assistent-resident
-mijn „sobat baai.” [165]
-
-„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.”
-
-„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees
-ontsteld.
-
-„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik.
-
-„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te
-kiezen, wenschte ik den heer Meidema te raadplegen.”
-
-„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij.
-Mevrouw kan mij dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.”
-
-„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet
-wel, dat die voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.”
-
-De Chinees lachte fijntjes en antwoordde:
-
-„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot
-voorspraak van den bruidegom.”
-
-„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?”
-
-„Dat is nog een geheim, mevrouw... Maar ik zal het u maar zeggen. Dan
-ben ik van uwe voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.”
-
-„Zoo... zoo... En met wie treedt hij in het huwelijk?” was de kalme
-vraag van Mevrouw Meidema.
-
-„Met Ngow Ming Nio.”
-
-„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?... Een mooi en rijk meisje. Ik
-feliciteer u wel.”
-
-„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim
-Yang Bing.
-
-„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag.
-
-„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen.
-Als mevrouw een goed woord wilde doen.”
-
-„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer
-Meidema niets uit te staan, nietwaar?”
-
-„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen
-betrokken is.”
-
-„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit.
-„Daar, babah, steek die stalen maar weer bij u.”
-
-De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te
-zamen, en stak ze daarna in den zak.
-
-„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.”
-
-„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.”
-
-„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.”
-
-„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den
-gezichteinder zag verdwijnen. „Als pa den zoon van den pachter maar wil
-hooren.”
-
-Mevrouw Meidema aarzelde.
-
-„Als mijne voorspraak niets anders geldt..... Dat wil ik hem wel
-vragen,” sprak zij.
-
-„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht.
-
-„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel
-de Chinees in; terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die
-dankbaar drukte. „Ik zal die stalen....”
-
-„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit.
-
-„Och, ma!” mompelde Gesina.
-
-„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda.
-
-„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,”
-haastte Lim Yang Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel,
-te verzekeren. „Ik heb de eer u en uwe dochters, en natuurlijk ook
-mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid en de
-bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort
-tot onze goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid
-voor de ondervonden eer eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog
-minder in. Dat is onze adat. Wie wil daar nu kwaad in zien?.... Dat is
-dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, dan kunnen de dames
-op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident
-bespreken.”
-
-Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting
-meer. En al had die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd
-overgebleven zijn, om die te opperen. De Chinees lei met veel haast het
-pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde zijn tabeh met nog
-eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude komen
-om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween.
-
-Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan,
-Gesina met een glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige
-plooi om den mond.
-
-„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen. „Er zal voorzeker
-receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen
-eene partij geven, dan doen zij het goed.”
-
-„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte
-aan, hoewel de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag.
-
-Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij
-bij te wonen. Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie,
-maar dat was ook al.
-
-„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje
-voort, terwijl zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies
-die tahi boeroeng. En gij, Thilda?”
-
-„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een
-gevoel alsof dat pakje ongeluk over ons huis zal brengen.”
-
-„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij
-het pakje openrolde. „O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat
-zou wat voor u zijn! En die blauwe, dat is de keus van Thilda, die is
-ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de mooiste. Zie eens!...
-Maar.... wat is dat?...”
-
-Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke
-kleuren goed te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige
-bankbiljetten uit het pakje op den grond. De dames zaten een oogenblik
-als versteend; want met een oogopslag hadden zij papiertjes van vijf
-honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte ze op, en
-telde ze: een, twee, drie.... tot tien.
-
-„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat
-pakje komen? Dat ’s eene vergissing van den babah!”
-
-„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve.
-
-„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema,
-terwijl zij het pakje bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam.
-„Vijf duizend gulden!”
-
-Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste
-gedachte was om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug
-te geven, en hem met zijne stalen de deur te wijzen. Vijf duizend
-gulden!.... Maar, de Chinees was al zoo ver weg!....
-
-Vijf duizend gulden!... En moesten de bedienden met die zaak in
-wetenschap komen?... Neen, dat kon niet... Vijf duizend gulden!... Die
-vertegenwoordigden tien maanden traktement van haren echtgenoot! Zij
-streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren vinger... Vijf
-duizend gulden!... Van die som konden alle betalingen geschieden!....
-En, wat zou er moeten gebeuren?.... Vijf duizend gulden!... De beeren
-betaald, zoude nog wel een sommetje overschieten... Meidema kon dan
-eens verlof nemen naar de bovenlanden. Hij zag er in den laatsten tijd
-zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht zou hem goed
-doen... Vijf duizend gulden!... Ook de knapen zouden nieuwe kielen...
-
-Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf
-opreed.
-
-„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die
-bankbiljetten!”
-
-Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds
-opgerold, en was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede
-zij bij het binnenkomen van den Chinees onledig was geweest, te doen
-verdwijnen; toen hare moeder haar beiden afnam, en voor zich op tafel
-neerlegde.
-
-Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij
-der woning aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit
-den zwijmel van booze gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden
-mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, voor den man, aan wiens zijde zij
-gedurende een groot gedeelte van haar leven rein en onbesproken had
-voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, dien
-zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had
-ter zijde gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles
-blootleggen. Hij kon dan handelen, zooals hij zou meenen, dat goed was.
-Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne beslissing onderwerpen.
-
-Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave
-vrouw. Toen Meidema de achtergalerij binnentrad, was haar besluit
-onwrikbaar genomen.
-
-De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder
-naderde en verwelkomde haren echtvriend. Deze evenwel zag met een
-oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep haar met beide handen bij de
-schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone oogen.
-
-„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?”
-
-„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.”
-
-„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?”
-
-„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang
-zelfs, dat zij blijven.”
-
-„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk
-gevraagd? Niet? Ik zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht
-als zes weken westmousson te zetten.”
-
-„Maak nu geen gekheid.”—
-
-„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon
-gescheurd? Of de kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis!
-Maar, kom... dat alles komt terecht.”
-
-Alles terecht?....
-
-Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam
-hem voor den geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer,
-haalde eene sigaar uit zijn koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op.
-
-„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze.
-
-Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige
-trekken, waarbij zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de
-tabaks-rook haar in de neusgaten of oogen drong. Zij kuchte dan licht,
-boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels eenigszins op, en
-kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak zij ze
-haren vader in den mond, met de woorden:
-
-„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!”
-
-„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde
-aangestoken.”
-
-„Dat’s zuiniger, pa.”
-
-„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.”
-
-„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat
-ontsiert de lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar
-pa, let nu eens op ma!”
-
-„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.”
-
-„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.”
-
-„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.”
-
-„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog
-vriendelijker dan anders.”
-
-„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?”
-
-„Wat hij heeft komen doen?...” vroeg de heer Meidema, ietwat
-verwonderd. De naam van den pachter had reeds zijne aandacht gaande
-gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat er aan de hand was. „Wat zou
-hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.”
-
-„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?”
-
-„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken
-Chinees, nietwaar?”
-
-„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in.
-
-„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de
-meisjes komen verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de
-bruiloft tegenwoordig te zijn.”
-
-„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar
-deerns?” zei hij, terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde.
-„Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid is allerinteressants. Ziet ge
-daarom zoo ernstig?... O, ja!... vanwege de kleeding... Laatst met de
-partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan...
-Dat’s last...”
-
-„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons
-geschenken aan.”
-
-„Geschenken?”
-
-„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede
-bekenden geschenken uitdeelen.”
-
-„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?...”
-
-„Neen, geen snoeperijen, maar zijde, om japonnen van te maken.”
-
-„Zijde!... Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik
-ben toch al een tijd in Indië!”
-
-„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig!
-Prachtig mooi! Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.”
-
-„Eene voorwaarde?... En die is?”
-
-„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.”
-
-„Voor Lim Ho!!... Zoo! En wat hebt gij gezegd?”
-
-„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.”
-
-„En waar zijn die stalen?... Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!”
-
-„Zacht wat, Meidema!”
-
-„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u
-omkoopen!”
-
-„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens
-open!”
-
-De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne
-opgewondenheid.
-
-„Wat is er?... Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit.
-
-Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte
-hij ze op, telde ze, streek ze glad, keek zijne vrouw en kinderen met
-strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, in een woesten
-vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten
-tot een vormloozen klomp te zamen.
-
-„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van
-lusten!”
-
-En den bediende roepende;
-
-„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de
-paarden voor te spannen).
-
-Tien minuten later had hij het erf verlaten.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVI.
-
-AARDIG GEMANOEUVREERD!
-
-
-. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
-
-„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot
-omkooperij!”
-
-Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den
-heer Van Gulpendam besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis
-in geuren en kleuren had medegedeeld.
-
-„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.... Overijling is nadeelig
-voor welke zaak ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden
-daar in dat pakje gestopt zijn met het doel om u te willen omkoopen?”
-
-„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij
-mij tot voorspraak voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd
-van die poging tot omkooping!”
-
-„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man
-is, begaan is met uwe benarde financiëele omstandigheden?”
-
-Meidema brulde schier van woede.
-
-„Mijne benarde financiëele omstandigheden!... Wie verbreidt toch dat
-praatje? Zeker ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op
-zaken had als ik, dan zou...”
-
-„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de
-resident bijtijds.
-
-„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn
-financiëele omstandigheden te bemoeien, en zich te permitteeren aan
-mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden aan te
-bieden?”
-
-„Maar, is het wel een cadeau?”
-
-„Wat zou het anders zijn, resident?”
-
-„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig
-tusschen die stalen zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n
-Chinees met papieren geld omspringt. Soms hebben zij eene groote waarde
-los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat wanneer gij straks
-Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen.
-Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?”
-
-„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek
-mijne aanklacht niet in.”
-
-„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag.
-Laat mij het bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in
-den koers schromelijk vergist hebt.”
-
-Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te
-stijgen, en in vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de
-boodschap: dat deze terstond bij den Kandjèng toean resident moest
-komen.
-
-Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over
-onverschillige zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord,
-bespannen met het fraaiste span Perziaansche paarden, die maar te
-bedenken waren, het erf van het residentiehuis op. Een oogenblik later
-werd de opiumpachter aangediend.
-
-„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident.
-
-Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad
-Lim Yang Bing binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de
-heer assistent-resident bij den toean bezaar was. Dat was hem als een
-goed voorteeken voorgekomen. Hij meende nu dat die opium-smokkelzaak
-van een leien dakje zou loopen.
-
-Opgeruimd klonk dan ook zijn:
-
-„Tabeh Kandjèng toean toean!”...
-
-De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen
-had, vervolgde hij:
-
-„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te
-hebben.”
-
-„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij
-werkelijk.”
-
-De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond.
-
-„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij
-zoetsappig.
-
-Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd,
-en waarin ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig
-stukje mede helpen afspelen.
-
-„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd
-van de politie hebt willen omkoopen!”
-
-„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering.
-„Wanneer zou ik dat gedaan hebben?”
-
-„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.”
-
-„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem
-straks, maar had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo
-iets kunnen bedreven hebben?”
-
-„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?”
-
-„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen,
-zooals ik hier ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en
-den toean bezaar te verzoeken.”
-
-„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een
-japon?” vroeg de heer Meidema heftig.
-
-De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij
-begon te begrijpen, en keek den resident beteuterd aan. Maar deze,
-tegenover Meidema gezeten, die hem aankeek, vermocht hem geen teeken te
-geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen van den
-hoofdambtenaar te lezen.
-
-„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?”
-
-En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de
-schrijftafel van den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde.
-
-De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen.
-
-„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling
-te lezen!” sprak Meidema opgewonden.
-
-Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. Hij sprong op
-het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga,
-ampat,... sapoeloeh!”
-
-Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij:
-
-„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen
-omkoopen?”
-
-„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!”
-
-„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som
-terug?” vervolgde de Chinees met honigzoeten glimlach.
-
-„De geheele som?”
-
-„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang
-gemerkt, dat de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen
-is; maar het is toch te erg eene kleine som terug te brengen om mij ten
-verderve te brengen en de grootere te behouden.”
-
-Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem,
-maar op teemenden toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke
-het gelaat der Chineezen steeds kenmerkt, wanneer zij zich in
-tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden, waargenomen kon
-worden.
-
-„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!”
-
-„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de
-Chinees, die zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen
-onverstoorbaren valschen lach voort. „Hij wil het grootste gedeelte van
-het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar de boeten bijvoegen,
-die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig aan
-opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim,
-maar ik laat den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.”
-
-Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene
-vreeselijke gedachte woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën
-waren niet in den besten toestand! Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder
-zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde maar zelden een vroolijk
-uur! Ja... en... zou zijne echtgenoote onder den druk der
-omstandigheden zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid
-te zeggen? Had zij hem slechts een gedeelte van de gift genoemd, om te
-zien, hoe hij het opnam?... Ja, zoo zal het gebeurd zijn.... Zijne
-vrouw, zijne dochters, zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo
-verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans tegenover den resident,
-die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!... Hij
-sprong op.
-
-„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit.
-
-„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt,
-dan verzoek ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,”
-antwoordde de Chinees op denzelfden sleependen, zangerigen toon, met
-denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken.
-
-„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van
-Gulpendam op ernstigen toon.
-
-„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig.
-
-„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien
-van vijf honderd gulden aangeboden.”
-
-De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop.
-
-„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem.
-
-„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord.
-
-„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor
-van den resident uit.
-
-En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na.
-
-„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds
-prevelde hij:
-
-„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het
-invallen van die bui zal opzoeken.”
-
-„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim
-Yang Bing deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach.
-
-„Ja, babah.”
-
-En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees
-vertrokken was, tuurde hem de resident na en mompelde:
-
-„Een leepe vent, die pachter... Ja, die in de opium zit, moet met alle
-winden kunnen zeilen.”
-
-Brieschend kwam Meidema te huis.
-
-Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt
-had. Nauwelijks was hij het erf opgereden, of hij wierp het portier
-open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe:
-
-„Toengoe!” (wachten).
-
-Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij
-aangekomen, waar de dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog
-hij op zijne echtgenoote toe, die bij het bemerken van zijn ontsteld
-gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep haar bij de polsen, en
-met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen. Dat
-alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook
-opgevlogen waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde.
-
-„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu,
-geantwoord! Waar is het overige geld?”
-
-„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne
-ijzeren vuist in duizend bochten aan zijne voeten wringende.
-
-„De andere tien duizend gulden!” toornde de man.
-
-„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield.
-„Meidema laat me los; gij doet mij zeer!”
-
-„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien
-duizend gulden zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot.
-
-„Maar, welke tien duizend gulden?”
-
-„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!”
-
-„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de
-zaak is.”
-
-„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten,
-die hij steeds geknield voor zich hield.
-
-„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort.
-„Ik heb het geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster
-bewonderd. Toen waren er geen bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al
-wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak bij u niets weten
-wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later er in
-bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje
-op tafel en snelde heen...”
-
-„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig.
-
-„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik
-de stalen weer op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de
-eerste stalen niet, die wij bewonderd hadden. Daar lette ik evenwel
-toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al verrukking Ik lei
-een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen
-vijf duizend gulden uit dat pakje...”
-
-„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig,
-maar toch aandachtig geluisterd had.
-
-„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!”
-antwoordde het meisje met vaste, rustige stem.
-
-„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw
-uitvorschend in het gelaat.
-
-Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos,
-zoo open en trouwhartig te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich
-zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel onmogelijk was, toen alle
-drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts aan een rein
-geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden:
-
-„Ja, dat is waar!”
-
-Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield
-voor hem lag, overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst
-klemde:
-
-„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest
-liefheb op aarde, kunnen verdenken!”
-
-En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen
-slaande.
-
-„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?”
-
-Die vier personen vormden daar voor een oogenblik een groep, die een
-beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die dat
-heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou
-hebben doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een
-oogenblik te voren zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen.
-O, zij konden zich zeer goed in zijne plaats stellen, en zijne
-verbolgenheid begrijpen.
-
-„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje
-stalen mij ongeluk aanbrengend voorkwam?”
-
-„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot
-met een traan in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo
-gramstorig maakte?”
-
-„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij
-u geen vijf duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.”
-
-„O, God! Maar, dat is infaam!”
-
-„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te
-verwachten. Zoo’n wezen is tot alles in staat!”
-
-„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een
-weinig ervaring van het raderwerk in Nederlandsch-Indië had zij wel.
-
-„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te
-doen had, dan kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?... Ik zal evenwel
-trachten een schotje er voor te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik
-ga snel naar den resident!”
-
-
-
-„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.”
-
-Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam
-veroorloofde, toen de heer Meidema hem met al den gloed der
-verontwaardiging, die zijne borst doortintelde, het gebeurde
-medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met
-onverdeelde aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten
-luisteren, terwijl soms een zweem van ongeduld met een sarcastisch
-glimlachje op zijn gelaat om den voorrang streden. Dat uiterlijke
-ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig, dat
-toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen,
-hij niet zonder hartstocht antwoordde:
-
-„Eene malle geschiedenis!... Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen,
-resident!”
-
-„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!”
-
-„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?”
-
-„Jawel, jawel... maar, het is de vraag voor wien?”
-
-„Het is de vraag voor wien?... Resident, het schijnt, dat gij mij niet
-gelooft!”
-
-„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens...”
-
-„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet
-gelooft...”
-
-„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord
-laat!”
-
-Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid
-uitgesproken, zooals dat een resident in zijne volle waardigheid alleen
-kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder te weeg.
-Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten
-teeken, dat hij luisterde.
-
-„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en
-werkelijk, dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een
-eerlijk man zijt, mijnheer Meidema....”
-
-De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene
-beweging;... maar, hij was vast besloten bedaard te blijven en te
-luisteren. De resident vervolgde, alsof hij niets bemerkt had.
-
-„....Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit...
-Tegen u, of... tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van
-den resident, van mij, die onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken
-moet overzien; en zie dan eens op welke schaal der balans van
-onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen. Uw
-benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en
-schaden uw karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer.
-Het is zoo moeielijk aan te nemen, dat iemand, onder zulke
-omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar, onwrikbaar eerlijk
-kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot. Aan
-den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten
-te kiezen; aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder
-den druk van het kommerlijk bestaan kwijnen. De openbare meening is dus
-bepaald tegen u. In die omstandigheden verschijnt de opiumpachter ten
-uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden japonnen voor uwe
-echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm van
-geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan,
-zonder dat voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot
-zulke aanbiedingen aanmoedigden?
-
-„Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak
-uwer vrouw kwam inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die
-voorspraak te verwerven was, dat die voorspraak tot iets nuttig kon
-zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt gij van de
-bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste maal
-ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat
-als zeer waarschijnlijk aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is
-meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij aan de schuld van mevrouw Meidema
-een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks het verhaal van het
-betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft, en
-dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet
-afkeuren; maar wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk
-voorkomt; echter mij tevens eene vingerwijzing geweest is, dat gij, gij
-in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking verheven geacht
-hebt.”
-
-Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig
-brandende oogen op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja
-met eene zekere virtuositeit het mes in de wonde omkeerde. De
-rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken erger dan de resident,
-erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige is de stem
-des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne
-wederhelft, zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had
-gelijk! Maar, dat was helaas, niet het ergste, wat hem zijn geweten
-verweet. Die verdenking had hij niet voor zich gehouden! Die verdenking
-had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en trouwhartig,
-had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest
-krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij
-medegedeeld, om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren,
-tot welke handelingen van woest geweld hij zich in een oogenblik van
-onzinnige smart had laten vervoeren! En daar keerde zich het wapen om,
-niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar van wier onschuld
-hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne
-oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord
-waren. Zijn blik was niet meer strak, hij was aan dien van het
-levenlooze beeld gelijk, van het beeld, dat de kunstenaar, onbekwaam om
-den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels zonder iris
-begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd.
-Deze, onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig
-voort:
-
-„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat uwe echtgenoote,
-voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald
-heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien
-duizend gulden? Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach
-voort, „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen
-ware, dat aan die betreurenswaardige zaak dien glimp gegeven werd.
-Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk
-stellen....!”
-
-Daar vloog Meidema op.
-
-„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is
-onschuldig!”
-
-„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met
-teemende stem. „Laat ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander
-alternatief over, dan...”
-
-De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen
-had.
-
-„Geen ander alternatief dan?...” vroeg Meidema met schorre stem.
-
-„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!”
-
-„Resident!...”
-
-„Bedaar!... Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet:
-alweer op uwe financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering,
-die in uw proces-verbaal tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles
-aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen schijnen, en hoe alles
-vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan wijzen, dan
-geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken.
-Herinnert gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à
-propos niet. „Hij wil,” sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het
-cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden, en daarbij de boete voegen,
-die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als schuldig aan
-opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het
-opiumreglement in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds
-onder het oog bracht, dan zal ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij
-op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,”
-
-De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl
-zijn oogen slechts wezenloos op zijn chef gevestigd bleven.
-
-„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij
-zijt het! Misschien wel gij beiden! Er valt hier te kiezen... En dat
-spoedig!... Want heden nog wil ik naar de regeering telegrapheeren.”
-
-Telegrapheeren!... De ongelukkige hoorde alleen dat woord.
-Telegrapheeren! Ja, hij wist wat dat beteekende.
-
-Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd.
-Telegrapheeren!... Hij zag zich reeds ontslagen,... door een ieder als
-de pest geschuwd,... zijn gezin aan armoede, honger en ellende ten
-prooi... In die oogenblikken, als las hij in de gedachte van den
-rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende:
-
-„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.”
-
-„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos.
-
-„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met
-de stukken van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal
-presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,... hier is het,... doet er
-mede, wat gij wilt.”
-
-En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan,
-bekeek het met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene
-beweging, alsof hij het verscheuren wilde; maar, alvorens de
-noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet bewusteloos op
-den grond.
-
-Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer
-Meidema, op een stoel in het kantoor, door het geheele huisgezin van
-den resident omgeven, wezenloos zitten, terwijl de vloer rondom hem met
-stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer sprak van „febris
-cerebralis,” (hersenkoorts) en liet den patiënt naar het hospitaal
-vervoeren.
-
-„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste
-belangstelling.
-
-„Zeer gevaarlijk. Als de patiënt niet krankzinnig wordt, zal hij het
-hard te verantwoorden hebben.”
-
-De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag
-voor te bereiden, die haar trof.
-
-Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende:
-
-„Een treurig bericht. Naar wij vernemen is de assistent-resident voor
-de politie W. D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk liet de
-ziekte zich aanzien, alsof zij eene variëteit van hersenkoorts ware;
-maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen
-dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen,
-dat hij hier te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia
-attonita. De faculteit heeft uitspraak gedaan, dat slechts herstel te
-verwachten is van een eenigszins langdurig verblijf in een der
-krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek
-derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze
-resident reeds aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het
-te voorzien is, dat het besluit, waarbij verlof naar Nederland verleend
-zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is het aan de menschlievende
-voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt, passage aan
-boord van de Noach III, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt,
-voor de rampzalige familie te verkrijgen, en Mevrouw Van Gulpendam
-spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar beproefden
-met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en
-zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de
-hoogere ambtenaren zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen.
-
-„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen
-hem en zijn kroost.”
-
-De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet
-erkend worden. Op 14 Juli lichtte de Noach III het anker, en verliet
-onder den invloed van den oost-mousson, die met volle kracht doorstond,
-met welgevulde zeilen de reê van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de
-wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen. Toen de resident Van
-Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte, dien
-hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij
-zoo begaan was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de
-reede uitgeleide gedaan, en daar die familie met warmte de hand gedrukt
-had, de kleine stip aan den horizon had zien verdwijnen, ontsnapte hem
-een zucht van verlichting, terwijl hij binnensmonds prevelde:
-
-„Aardig gemanoeuvreerd!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXVII.
-
-SUMMUM JUS SUMMA INJURIA.—VADER EN ZOON VEROORDEELD.—SINGOMENGOLO
-VERMOORD.
-
-
-Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met
-een der booten van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij naar
-Batavia, om van daar per Emirne naar Singapore te reizen, en zich ter
-laatstgenoemde plaats aan boord van de Irouaddy van de Messageries
-maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren.
-
-De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om
-ter hoofdplaats van Nederlandsch-Indië het gebeurde bij de laatste
-landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten mede te
-deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te
-stellen, welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar... tusschen
-voornemen en uitvoeren is een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij
-ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud te Batavia; maar in dat
-tijdsverloop was de Gouverneur-Generaal niet te spreken. Wel was Mr.
-Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, dat Zijne
-Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er
-bleef niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig
-derwaarts te rijden. Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe
-teleurstelling. Hoewel hij daags te voren aan den adjudant van dienst
-getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen had, werd hem
-medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige koorts te bed lag, en
-niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen bij,
-en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den
-nanacht eerst ingetreden was.
-
-Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te
-betreuren, en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging
-had hij twee dagen zoek gemaakt. Restte hem dus nog maar een.
-
-Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur
-van Justitie, kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te
-gemoet.
-
-„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem
-met gekunstelde innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik
-had me zoo’n schrikbeeld van uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge
-zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, het wordt tijd, dat ge met
-verlof gaat...”
-
-Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had
-andere gedachten te verbergen.
-
-„Dat ik zieker was!... Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen
-mijner brieven schilderde ik den toestand ongunstiger dan hij is. En
-dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof ga?... Ik verzeker u, dat ik
-wel had willen blijven.”
-
-„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te
-doen gevoelen...”
-
-„De invloed van het klimaat?...”
-
-„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen
-doorbrengen, dan ontstaat er bij den een eene verslapping van
-zenuwgestel, soms gepaard met eene verweeking, eene verpapping der
-hersenen...”
-
-„Directeur!... die veronderstelling...”
-
-„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet
-uitspreken. Bij den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene
-zwaartillendheid....”
-
-„Directeur!... Is dat mijn geval?”
-
-„In den regel blijft de patiënt onkundig van zijn toestand, en is in de
-heilige overtuiging, dat hij niet anders handelt dan gewoonlijk.”
-
-„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag.
-
-„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl
-eene prikkelbaarheid, die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij
-dat toegeven, bij een rechterlijk ambtenaar niet gewenscht is.”
-
-„Maar, directeur!... Ik ben niet bewust.”
-
-„Quantum est, quod nescimus!” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!)
-
-„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!”
-
-„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde
-gemoedsstemming toch niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor
-het gevolg van innige en warme belangstelling in het rechterlijk
-karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later
-evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en
-gij weet, vooral bij ons geldt de spreuk: mens sana in corpore sano
-(eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig
-kunnen optreden.”
-
-Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel
-zijner meerderen, nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en
-nauwgezet in de doornachtige loopbaan van rechterlijk ambtenaar
-werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de kroon op het
-werk?
-
-„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen,
-waarin die overprikkelde gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?”
-
-„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen
-dienste!”
-
-„Ik vraag maar één, directeur.”
-
-„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.”
-
-„Welke landraadzaak?”
-
-„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.”
-
-„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr.
-Zuidhoorn kregelig. „Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en
-voorgezeten, dat de vraag, op welke gij doelt, mij gewettigd voorkomt.”
-
-„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam....”
-
-„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.”
-
-„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische rechterlijke
-organisatie uit het oog.... Maar, dat is toe te schrijven aan uw
-zielstoestand....”
-
-„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets
-te maken. Gij zegt artikel 92?”
-
-„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij
-het nuttig of noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn
-gewest gevestigde landraden op te treden.”
-
-„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt
-geen sprake, om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden
-in het leven te roepen. Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou
-het absurd zijn, dat de resident, een niet-rechtsgeleerde, den
-rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om zelf het
-bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat...”
-
-„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst
-verplicht eerbied voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge
-in ons oog betreurenswaardig zijn; zoolang zij kracht van wet heeft,
-moeten wij de hand er aan houden. En... vergeef mij de vraag: hebt gij
-dat in het onderhavige geval gedaan?”
-
-„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?”
-
-„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is
-over uwe houding in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het
-prestige van de rechterlijke ambtenaren te verguizen!”
-
-„Ook de Gouverneur-Generaal?...” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is
-dus de reden geweest, dat ik geen gehoor bij Zijne Excellentie heb
-kunnen verkrijgen?”
-
-„Hebt gij om gehoor verzocht?”
-
-„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.”
-
-„En...”
-
-„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie
-bedlegerig was.”
-
-„Ziet ge wel!”
-
-„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit
-gepleegd kunnen worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een
-arme Javaan...”
-
-„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld
-worden,” antwoordde de directeur van Justitie met cynischen glimlach.
-„Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. Er valt
-hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: summum
-jus summa injuria! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).”
-
-Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen
-blik voor zich te kijken.
-
-„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie
-op vriendelijken toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel
-denkt. Gij vertrekt morgen met de Emirne, nietwaar? Welnu, laat alle
-muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en onbekommerd
-nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug,
-naar ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad
-van onze rechterlijke macht kunnen optreden; want weinige juristen
-kunnen de vergelijking met u doorstaan. En... vergeef mij, gij zult
-begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en... maar nog eene aanbeveling,
-voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de
-opiumpachters te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn:
-imperium in imperio (een rijk in het rijk) en ik voeg er zelfs bij:
-malum malo proximum (het ongeluk grenst aan het kwaad). Doe er uw
-voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een spoedig
-herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!”
-
-
-
-De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich
-met de sluikopium, te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te
-Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan gevonden was, onledig te houden. De
-directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam niet ongevallig,
-toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke
-ambtenaren, er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature
-bij den landraad aan te vullen.
-
-Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks
-plaats hadden, en thans door den resident gepresideerd werden, zoo
-werden de bedoelde zaken toch van week tot week uitgesteld, waartoe de
-tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen meende te hebben.
-
-Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad had medegedeeld,
-dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de djaga
-monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van
-den schoenerbrik Kiem Ping Hin, op welker getuigenis de beschuldigde
-Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te sporen waren, meende Van
-Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken af te
-doen.
-
-Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met
-eene prahoe sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen
-was, dat daarbij door eene sloep van de Matamata jacht gemaakt, en op
-hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde opium,
-die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet
-door hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep
-hij zich op baboe Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden
-hebben; maar toen door den voorzitter de verzekering gegeven werd, dat
-de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis niet
-verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene
-leugenachtige verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen
-kon verzwakken; terwijl bovendien die Dalima thans zelve wegens
-opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te leggen getuigenis
-moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat alles
-aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren.
-
-Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de
-vader van den beschuldigde, ter zake van zijn eigen geding bekend had,
-dat de sluikopium, die ten zijnen huize door Singomengolo achterhaald
-was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld van den
-laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand.
-
-Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve
-pikol tjandoe, gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te
-smokkelen, en derhalve onder het bereik te vallen van artikel 23 van
-het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan ook tot drie jaren
-dwangarbeid buiten den ketting [166] en tot twee duizend gulden boete,
-bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke
-werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor
-elke honderd gulden.
-
-Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten
-arbeidstelling, hetgeen vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig
-veroordeelde knarste op de tanden, toen hij dat vonnis vernam. Of hij
-een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken verwacht had?
-
-Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan.
-
-Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon.
-
-De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door
-eene menigte listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe
-zwaar zijne getuigenis bij het geding zijns zoons zoude wegen, de
-bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig was van Ardjan, die hem
-daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij de sabel van
-een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede
-een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen
-tegenover zijn kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die
-verzachtende omstandigheden werd ternauwernood gelet. Zij was niet eens
-tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd de
-ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van
-sluikopium tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee katies, voor de
-eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde
-sluikwaar, tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost
-zonder loon voor den tijd van drie maanden, en ter zake van gewelddadig
-verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht
-bij de uitoefening zijner bediening gewond was geworden, waardoor
-blijkens visum repertum: onbekwaamheid tot het verrichten van
-persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen veroorzaakt was, tot
-tien jaren dwangarbeid in den ketting.
-
-Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht
-jaren, de ander, schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met
-eene geringe straf had geboet kunnen zijn, wanneer de zoo gewone
-walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen van opium aan den
-lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin niet
-tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren
-dwangarbeid zou moeten boeten.
-
-Zou moeten boeten?... Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd!
-
-Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te
-Santjoemeh ontvangen was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was,
-alwaar de veroordeelden hunne straf van dwangarbeid zouden moeten
-ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende een
-stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh
-ontlastte, en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen
-den omheiningsmuur der gevangenis waken moest, door de verblindende
-bliksemstralen en de ratelende donderslagen verschrikt, en ook door den
-regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats in zijn
-schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren
-vuist bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken,
-had hij een slag met een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem
-bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl ratelde de donder, en plaste
-de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, zooals dat in
-tropische streken slechts geschieden kan. Van die omstandigheid maakten
-de beide veroordeelden behendig gebruik. Lenig en sterk, als een goed
-Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader bij het beklimmen
-van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden man
-aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een
-ondeelbaar oogenblik naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den
-ringmuur waakten, lieten zich zien. Het weer was ook te bar, om buiten
-het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. De regen viel
-kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat,
-alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van
-verlichting geen spoor was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden,
-dat in een lantaarn, op een der hoeken van den ringmuur geplaatst, als
-een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen lichtcirkeltje
-vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist,
-toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een
-machtige bliksemstraal met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl
-schier tegelijkertijd een hevige donderslag vernomen werd, die met dat
-krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij dergelijken
-electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En,
-inderdaad, onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend
-geluid, en plofte een hemelhooge klapperboom, die midden door gespleten
-was, ter aarde. Van de duisternis, welke na dien schel schitterenden en
-verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de beide Javanen,
-ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar zij
-door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig
-gebruik, om het kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken,
-en den nabij zijnden dèsa-rand te bereiken.
-
-Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige
-dèsa-bewoners zou de misdaad willen begaan, slachtoffers van het
-opium-monopolie aan de gerechtigheid der blanken te verraden.
-
-Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij
-woedend. Op zijne aansporing werd een der schildwachten, die zich liet
-ontvallen, dat hij na het vallen van den boom eenig geplons in het
-water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord had, maar dat hij
-onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was,
-welke die gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad
-getrokken, en de kommandant bij de gevangeniswacht met veertien dagen
-provoost gestraft.
-
-Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te
-vergeefs. Hoewel al de politie-agenten, al de spionnen, en al de
-handlangers van den opiumpachter op het pad moesten, en hunne
-vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het district
-Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang
-nauwlettend gadegeslagen; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden
-angstvallig, maar sluw overal gevolgd, het gaf evenwel niets. Eindelijk
-kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, niet alleen niet naar
-Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh
-verlaten hadden.
-
-Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de
-herinnering uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het
-geheugen teruggeroepen werd, door een voorval, dat wel geschikt was om
-tot nadenken te stemmen.
-
-Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien
-medegedeeld, dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te
-zijn, dat hij uit vrees voor uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet
-wilde ontwikkelen; maar voor dien avond de hulp van een paar
-handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op een
-ontdekkingstocht moesten vergezellen.
-
-Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets
-meer te weten. De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen
-bereikt kon worden, door stipt geheim te houden, wat hij te weten was
-gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren zijne gegevens lang niet
-boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, dat hij op
-een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat
-het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was.
-
-Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem
-toegevoegd waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter
-raar te moede, toen hij zijn getrouwe den volgenden ochtend niet zag
-verschijnen. Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt
-iederen morgen rapport kwam uitbrengen over het verrichtte in de
-laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in het volgende
-etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem
-stellig verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen
-te vernemen. Hij wachtte, wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen
-werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij liet haastig zijn milord
-aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis.
-
-„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing
-haastig, en zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen
-landaard zoo eigen, het kantoor zag binnenkomen.
-
-„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.”
-
-En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie,
-waar Singomengolo op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet,
-nu de bandoelan nog niet terug was.
-
-De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren
-uit het district Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er
-ketjoepartijen [167] in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar
-dat bericht was zoo vaag, had zoo weinig steun; terwijl de nieuwe
-controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht in handen gesteld
-had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district
-heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van
-onrustbarende verschijnselen voordeed; dat, wel is waar, de landrente
-traag vloeide [168] maar dat integendeel de andere middelen van
-inkomsten een beter aanzien hadden, die op bestaanden welvaart wezen;
-zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, aangenomen
-kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor
-de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te
-voorzien was, dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis
-aanzienlijk zoude vermeerderen. [169]
-
-Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de
-grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den
-welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk
-was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem
-voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen,
-wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den
-bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen
-gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de
-aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van
-onrustbarende tijdingen had te onthouden.
-
-Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot,
-terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben
-kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want
-anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die
-ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad
-hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan
-ook:
-
-„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer
-voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal
-verlaatten.”
-
-„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo
-goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.”
-
-„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident.
-
-„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat
-de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.”
-
-„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?”
-
-„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng
-toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene
-hinderlaag gevallen is.”
-
-„Welnu, het zij zoo!”
-
-Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de
-omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren
-reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar
-Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat
-hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te
-bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van
-den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch,
-evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een
-zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig
-doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere
-Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke
-wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij
-dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies
-plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de
-bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen,
-prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte
-kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet
-eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer.
-
-
-
-
-
-
-
-XXVIII.
-
-CORRESPONDENTIE.
-
-
-Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij,
-na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de
-gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens
-jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid
-daaraan ontvallen was.
-
-Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd,
-hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het
-onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet
-alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de
-vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield
-hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de
-gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen
-min of meer eene rol bedeeld was.
-
-Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik
-van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot
-het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische
-ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn
-vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed
-op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit
-in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk
-verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde
-hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige
-landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere
-bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te
-verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en
-eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en
-de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters
-van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om
-aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren,
-werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig
-voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden,
-en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben.
-
-„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij
-weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te
-Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de
-nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord
-geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand
-van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het
-lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden
-gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars
-niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken
-geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden
-werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide
-doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes
-in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de
-opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul
-af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo
-geheel onverdeeld dacht.
-
-„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district
-verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een
-gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor
-de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders
-gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm
-van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den
-vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den
-vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het
-geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van
-speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en
-duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur
-verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen?
-Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer
-zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is
-geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in
-de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....”
-
-Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de
-incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe
-Dalima opgeworpen werden.
-
-„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van
-bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat
-in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom.
-Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden.
-Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij
-niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den
-raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne
-verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te
-getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en
-nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons
-onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen,
-geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden;
-maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet
-onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging,
-Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor
-mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te
-hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden
-geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een
-zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner
-cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen
-onpartijdig getuige in den zin der wet.
-
-„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en
-jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat
-grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in
-opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans,
-opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst
-allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de
-opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm
-van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op
-te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen
-in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan
-onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij
-opiumprocessen, ontbreekt nog veel!
-
-„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den
-landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank
-gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger
-optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij
-mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te
-Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren.
-Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem
-daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens
-tot dat besluit gekomen te zijn:
-
-„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in
-beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk
-meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier
-gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne
-verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd,
-zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu
-het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan
-geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede
-woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige
-licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd
-hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van
-zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van
-de dochter te bewijzen.
-
-„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig
-onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de
-afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat
-het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met
-onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij
-zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze
-zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna
-Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen
-getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van
-Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis.
-De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang
-Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren.
-Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de
-resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij
-daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf
-houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de
-vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van
-Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van
-Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles
-hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het
-minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het
-vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere
-luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt,
-waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap
-in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou
-vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand
-gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van
-die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die
-aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd,
-maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the
-arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te
-hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van
-Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar
-Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve
-meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel
-onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de
-hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds
-gedaan.
-
-„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht
-staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om
-die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne
-aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende
-omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho
-niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten
-zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die
-gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min
-mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten
-beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer
-zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars
-vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident
-Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare
-diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt
-tijd, komt raad....”
-
-Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting
-van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en
-schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in
-officiëele kringen verwekt had.
-
-„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook
-behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman,
-„blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen
-opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen
-van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare
-taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers
-vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in
-de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de
-pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik
-kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de
-twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De
-kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij
-zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis
-niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die
-dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens
-gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen.
-
-„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn.
-Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene
-gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze
-handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne
-onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde
-opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het
-geheele publiek dat weet.
-
-„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie
-behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie
-heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die
-bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den
-beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op
-raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen;
-ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring
-van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid
-gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk
-te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van
-de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens
-gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....”
-
-De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel
-hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van
-de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde
-het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop
-gevolgd was.
-
-„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef
-hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare
-ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst
-te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te
-ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te
-waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was.
-Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van
-haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam.
-
-„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van
-menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen
-tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht
-worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik
-gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking
-in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner
-ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de
-noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken,
-wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de
-gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat
-ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van
-plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als
-welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met
-achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts
-eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien;
-zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn
-weeromstuit op u niet missen.”
-
-„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt
-daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den
-gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der
-aarde.
-
-„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer
-ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat
-mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle
-licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een
-ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de
-samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele
-telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin
-zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor
-ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld
-der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn...
-
-„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde
-voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal
-dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet
-daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins
-soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn
-gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden.
-Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna
-ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals
-bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik
-durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van
-het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in
-mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach
-betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de
-vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote
-van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan
-inboezemen.
-
-„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele
-leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in
-mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij
-op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd,
-welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij
-maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn
-oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij
-zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil,
-dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets
-teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de
-hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige
-opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp,
-dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen.
-
-„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen
-geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar
-bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt,
-gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn
-aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in
-mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering
-ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel
-geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om
-onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene
-plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de
-woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar
-ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar
-Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil
-en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen
-leven.
-
-„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar,
-vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet
-ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan
-zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen,
-en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te
-vergissen, het was hare hand.
-
-„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste
-spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van
-Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne
-naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn,
-om Anna de toekomst minder somber te doen inzien.
-
-„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de
-enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En,
-werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den
-omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel
-een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden
-voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.””
-
-„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna
-heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij
-in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had
-die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een
-oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift
-was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was
-iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest
-het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had
-rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te
-komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend
-van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het
-verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet,
-en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet
-zijn.
-
-„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld.
-Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid
-onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer
-zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen,
-die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een
-eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn
-herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was,
-toen hij die uitspraak deed.
-
-„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo
-kalm mogelijk.
-
-„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.”
-
-„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig.
-
-„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?”
-
-„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl
-ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek
-verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.”
-
-„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik
-meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk
-zijn.”
-
-Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik
-in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij
-weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van
-Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de
-zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds
-reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen
-de reis begon.
-
-„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor
-mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok,
-mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet
-hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke
-vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo
-meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng
-Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende
-solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien
-verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat
-krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt;
-langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep
-ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste
-waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke
-hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten
-van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna
-tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te
-Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden,
-voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen,
-van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van
-woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van
-verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van
-schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere
-afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en
-theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna!
-en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.”
-
-„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was
-mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch
-al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige
-behendigheid hanteerde.
-
-„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog
-lang niet!
-
-„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den
-assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik
-behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest
-gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch
-zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang
-Anjer mocht en kon ondernemen.
-
-„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en
-gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen,
-bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te
-vermijden.
-
-„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over
-Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.”
-
-„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere
-gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde.
-
-„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort
-den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te
-leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het
-innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij
-hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat
-zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige
-kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de
-onmogelijkheden zou behooren.”
-
-„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat
-gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen
-niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van
-moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het
-ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het
-daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna
-andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een
-uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat
-terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg
-bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te
-zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al
-te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in
-stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven.
-
-„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van
-den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den
-loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de
-uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en
-kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan.
-
-„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne
-Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt
-mij de moed om voort te gaan.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXIX.
-
-VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK.
-
-
-Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te
-Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve,
-beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van
-haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet
-ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de
-rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw
-wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare
-lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die
-antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere.
-Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het
-meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar
-zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een
-genomen besluit.
-
-„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in
-dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin,
-hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles
-beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de
-oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden
-daarstellen.”
-
-„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.
-
-„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een
-huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij
-er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts
-een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk,
-wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een
-reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....”
-
-„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk
-in de rede.
-
-„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar
-persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te
-kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten
-zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat
-niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een,
-die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen
-hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude
-verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou
-wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude
-ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al
-ondenkbaar.”
-
-„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om
-naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om
-ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam
-Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en
-dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander
-gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een
-compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn
-mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen,
-hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te
-lief en zal ik haar immer te lief hebben.”
-
-„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar
-zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou
-moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare
-dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar
-geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling
-gedaan.”
-
-„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds
-mijne brieven ongeopend terug.”
-
-„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd
-lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om
-de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”
-
-„Mevrouw!...”
-
-„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar
-Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe
-zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs
-niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten
-maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en
-fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij
-dien brief niet gelezen heeft.”
-
-„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden
-toestand neêrlei?”
-
-„Wat bedoelt ge?”
-
-„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare
-familie, ten huwelijk begeerde?...”
-
-„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met
-hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen:
-met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed
-zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen,
-waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak
-zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen
-maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen
-persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de
-rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene
-vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken
-heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het
-ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint,
-in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom
-tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de
-vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens
-plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam
-leven zijn.”
-
-Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw
-Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden
-sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de
-hand.
-
-„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich
-bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij,
-waar zij is?”
-
-„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar
-vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden
-medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen
-gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou
-haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is?
-Dat kunt gij van mij niet verlangen.”
-
-„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”
-
-„Eenvoudig, om vergeten te leven.”
-
-„Wellicht om te hu....”
-
-„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat
-eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u
-afgewezen; zij zal nimmer huwen.”
-
-„Maar, wat wil zij dan?”
-
-„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij
-hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”
-
-„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.
-
-„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid
-van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”
-
-„Mevrouw, gij beangstigt mij.”
-
-„Ik deel u de waarheid mede.”
-
-„O, zeg mij, waar zij is?”
-
-„Nooit!”
-
-„Is zij op Java, is zij in Indië?”
-
-„Ik zeg niets.”
-
-„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede
-onzekerheid.”
-
-„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”
-
-„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”
-
-„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...”
-
-„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool
-in.
-
-„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging,
-dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”
-
-„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig,
-terwijl hij de woning uitstoof.
-
-Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij
-den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde
-dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna
-wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean
-bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken,
-zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij
-reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh
-teruggekeerd was.
-
-De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de
-loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den
-mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens
-ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de
-menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord,
-en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest
-waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat
-men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken
-was.
-
-Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten
-en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna
-menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord:
-„Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).
-
-In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde
-onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van
-Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port
-Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een
-reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende;
-anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats
-scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige
-gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt
-hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene
-vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar
-hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten
-door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid
-van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en
-zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.
-
-Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de
-assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische
-stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een
-vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In
-maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de
-booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië
-bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de
-Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen.
-Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna
-vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al
-als een verzinsel beschouwd worden.
-
-Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo
-terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen,
-dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk
-luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar
-hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door
-Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd.
-
-„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken
-welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?”
-
-Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het
-wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den
-gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.
-
-„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen
-spoor!”
-
-„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.
-
-„Gij ook niet?” vroeg Karel.
-
-„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië
-gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden
-de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de
-beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen
-vertrokken is.”
-
-„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel.
-
-„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet
-verlaten heeft.”
-
-„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.
-
-„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te
-nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is,
-zonder medeweten van vader en moeder.”
-
-„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te
-gekscheren,” zei Van Rheijn.
-
-„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot
-weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.
-
-En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de
-kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.
-
-„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo
-eindigde hij de mededeeling.
-
-„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende
-Van Beneden.
-
-„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een
-ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen
-geven. Alles, alles te vergeefs!”
-
-„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te
-laten,” sprak Grashuis.
-
-„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik
-gevoel mij diep ongelukkig.”
-
-„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De
-zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet
-verminderd.”
-
-„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die
-uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”
-
-„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet
-verschijnen,” zei Grenits.
-
-„Gij?”
-
-„Ja, in zake Mokesuep.”
-
-„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”
-
-„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat
-is zoo erg niet.”
-
-
-
-August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den
-raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25
-veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch
-ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan
-iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak,
-waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking
-genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan
-den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en
-waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in
-bescherming te nemen.
-
-Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd,
-uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit:
-terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware
-hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de
-gevonnisde de geschandvlekte niet.
-
-Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van
-baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende
-het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde
-zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.
-
-Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de
-getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep
-weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring
-afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den
-nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend
-naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene
-voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn,
-alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en
-bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat
-zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet
-had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast
-te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje
-gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige
-onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van
-eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon
-zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van
-gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en
-constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig
-bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de
-demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de
-getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr.
-Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien,
-van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima
-klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.
-
-Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben,
-over.
-
-Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig.
-Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den
-sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd
-kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur
-Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging
-en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s
-bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam)
-en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd
-werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het
-bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho
-vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met
-de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt
-had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te
-veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste
-deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de
-bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.
-
-Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet
-geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen
-fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om
-getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef,
-dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en
-trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische
-beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van
-walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren.
-De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt
-bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht
-moesten worden.
-
-De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was
-dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene
-straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor
-den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in
-overtreding bevonden [178].
-
-Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat
-het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook
-door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima,
-zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens
-vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die
-twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den
-koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in
-getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit
-punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in
-herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding
-schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het
-proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en
-verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het
-afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die
-slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren
-afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van
-den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de
-grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend
-verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden
-eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig
-van denzelfden pachter [180] aan te toonen.
-
-De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen.
-De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe
-Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar
-mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling
-met verwijzing van den lande in de kosten.
-
-Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo
-uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen
-aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en
-gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem
-begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was
-men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang
-Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke
-rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.
-
-Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo
-ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor
-het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap
-toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een
-anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een
-talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een
-ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van
-troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van
-Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het
-arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen
-gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste
-jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar
-te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen
-wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte
-den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare
-moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt
-natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder
-valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig
-bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon
-haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer
-vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.
-
-„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij
-nadenkend.
-
-Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna
-bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den
-goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer,
-en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden
-der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds
-was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.
-
-Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:
-
-„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef
-Champagne!)
-
-En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de
-hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.
-
-Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was,
-en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van
-teleurstelling niet bedwongen worden.
-
-„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten
-wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten
-gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den
-landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is
-van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft
-gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de
-onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in
-Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”
-
-„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits.
-„Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij
-hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat
-stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het
-bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima!
-Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden
-verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam
-niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”
-
-„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.
-
-„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals
-zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde
-meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland
-mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar
-mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van
-daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen
-hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger
-opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt
-zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen
-nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot
-eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter
-wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt,
-maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid
-kweekt?”
-
-Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.
-
-„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de
-regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181]
-antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar
-de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister
-over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er
-uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene
-natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het
-idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart;
-slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting
-alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de
-Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp
-niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en
-buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk
-vinden.” [182]
-
-Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de
-anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den
-jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de
-hand, en reikte die aan zijn meester over.
-
-„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.
-
-„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M.
-boeien te begeven!”
-
-Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.
-
-„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?”
-
-En het papier inziende:
-
-„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:
-
-„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming
-Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den
-heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio,
-dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende
-receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van
-den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”
-
-„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces
-van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”
-
-„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,”
-viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”
-
-„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis
-laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te
-reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.”
-
-„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn,
-zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te
-laten. Wie zal zoo iets opmerken?”
-
-„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende.
-„Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig,
-Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen
-ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde
-gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”
-
-Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van
-Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen
-was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te
-zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel
-levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere
-gedachten van zich te werpen.
-
-„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”
-
-„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien
-zal ik je zenden.” [183]
-
-„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan
-kun je naar hartelust tokkelen.”
-
-„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks
-mogelijk zal zijn.”
-
-„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”
-
-„En dan breng ik mijne viool mede.”
-
-„En ik mijn fluit.”
-
-„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés
-uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret.
-
-„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,”
-viel Van Beneden in.
-
-„Wat dan?” vroegen allen.
-
-„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de
-aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene
-proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan
-te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen,
-b. v. aanstaanden Zondag.”
-
-„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.
-
-„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg
-Grashuis.
-
-„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder
-zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”
-
-„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”
-
-Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de
-vergadering uit elkander.
-
-
-
-
-
-
-
-XXX.
-
-BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER.
-
-
-Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro
-doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en
-veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in
-sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en
-zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij
-een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en
-waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog
-opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort
-sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen.
-
-Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en
-haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter
-den rug had.
-
-Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver
-van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
-
-Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten
-inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres
-naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar
-oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van
-haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig
-begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen,
-zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte,
-dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en
-getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar...
-Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds
-niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe
-Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat
-schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen
-voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs
-brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185],
-langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s”
-(bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild
-gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want,
-wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit,
-dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven
-viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig
-bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had,
-en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had
-nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd.
-Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het
-arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de
-cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen.
-Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij
-dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig
-guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes)
-en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s”
-(guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien,
-hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken.
-
-Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een
-oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat
-toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling
-noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw)
-noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje
-zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen
-voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij
-had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo
-daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe
-gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà
-hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten;
-want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel
-zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog
-steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat
-geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de
-nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu
-het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand,
-waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen?
-Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche
-vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer
-noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een
-verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg
-gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog
-veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak
-niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben,
-of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de
-liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar
-toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan
-iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt
-was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou
-vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou
-bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al
-had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel
-gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen.
-
-Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van
-Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh
-opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor
-gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen
-opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan
-hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom
-van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker
-gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd
-had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging,
-welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en
-haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij
-zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was
-geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht
-kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele
-Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product
-eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor
-een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan?
-Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns
-vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken,
-zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het
-onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het
-met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot
-zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had
-kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der
-beschaving over!
-
-En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder,
-die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken,
-en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het
-einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
-
-Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den
-panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene
-zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het
-oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene
-of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd
-hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar
-integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en
-nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te
-verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel.
-Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen
-had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de
-nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een
-plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste
-gardoe, wat haar niet geweigerd werd.
-
-Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een
-dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte
-bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te
-houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het
-hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was,
-zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren
-fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij
-spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v.
-hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de
-nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook
-uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden
-maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!”
-hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de
-laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt
-was te verdwijnen, begroette.
-
-Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de
-wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van
-den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind
-nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom
-haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te
-dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een
-ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht
-die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de
-voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor
-beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken
-bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid.
-Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en
-een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich
-op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te
-dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden
-strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren,
-viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want
-dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te
-vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen
-zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk
-drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar
-dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op
-Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen
-hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den
-bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding
-onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren,
-bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de
-handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte
-veroorzaakt, te bestrijden.
-
-Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar
-geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent
-bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur
-niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel
-niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel
-ongedeerd laten liggen.
-
-Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht
-van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken
-gezichteinder eindelijk begon te tinten.
-
-Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had
-zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het
-doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te
-hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar
-zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist
-in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar
-voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan
-naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om
-voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een
-woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij
-zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de
-zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk
-licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne
-schuilhoeken te jagen.
-
-En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw,
-die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het
-avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was.
-
-Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de
-lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren
-van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht
-rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith
-optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het
-binnenste van het woud deed terugtrekken.
-
-O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd
-lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij
-draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond.
-
-Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij
-haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar
-boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk
-vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te
-verheerlijken.
-
-Wat kwam die toch langzaam!
-
-Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen,
-terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den
-weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het
-goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem
-door.
-
-Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot
-alles met haar verblindend licht.
-
-Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te
-verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben,
-en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met
-betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den
-bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere
-lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar
-katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar
-ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in
-de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en
-de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare
-katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde
-daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
-
-Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene
-gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij
-ontmoeten zou, Karang Anjer was.
-
-Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
-
-Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de
-eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde
-evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå
-poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had.
-Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en
-bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa.
-
-Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich
-daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste
-veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend,
-ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent
-het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij
-ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was
-het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
-
-„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het
-Javaansche meisje met tranen in hare stem.
-
-„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
-
-„Maar, waar is zij dan, njaa?”
-
-„Zij is vertrokken.”
-
-„Waarheen, njaa?”
-
-„Dat weet ik niet.”
-
-Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook
-haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit
-onverzettelijke antwoord.
-
-Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje
-vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat
-baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet
-onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het
-Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de
-genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook,
-dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen,
-dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh
-opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet
-minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat
-genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare
-handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem
-van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet
-aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging
-der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die
-gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar....
-
-„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
-
-„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw
-Steenvlak.
-
-„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje
-handenwringend.
-
-„Neen, zeg ik u, boe!”
-
-„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
-
-Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit
-het veld slaan.
-
-„Ja.... dat weet ik natuurlijk.”
-
-„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het
-oog.
-
-„Ik mag, ik kan niet, boe!”
-
-„Waarom niet, njaa?”
-
-„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....”
-
-Mevrouw Steenvlak aarzelde.
-
-„Wat njaaa?”
-
-„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.”
-
-„Maar aan mij wel, njaaa!”
-
-„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
-
-„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch?
-Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij
-is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje.
-
-„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak
-onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen,
-nietwaar?”
-
-Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve
-schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had,
-zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware
-geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar
-met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet
-te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude
-hebben.
-
-„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het
-snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te
-kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh
-terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
-
-Baboe Dalima knikte ontkennend.
-
-„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht,
-nietwaar.”
-
-En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje
-vier rijksdaalders toe.
-
-Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan,
-knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste
-de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was,
-prevelde zij:
-
-„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
-
-O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf,
-twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In
-plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in
-Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor
-haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen
-dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door.
-Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet
-had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op
-haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld,
-overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde
-elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot,
-of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte
-zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros
-„ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.”
-[197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens
-hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja,
-hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de
-smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je
-kindje, en neem nog een kop koffie.”
-
-Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te
-winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden
-aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen
-vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit
-zoo niet blijven zou.
-
-Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten
-Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij
-eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden
-geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198]
-gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel
-was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel
-spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier
-neerzette en een kop koffie vroeg.
-
-„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
-
-„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje
-gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen
-kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven
-genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij
-waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten
-gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå,
-geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan,
-dat zij een poetri ware.”
-
-„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
-
-„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199],
-zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.”
-
-„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200]
-
-„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
-
-„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
-
-„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
-
-„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
-
-„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik
-antwoordde twee palen.”
-
-„En verder?”
-
-„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is?
-Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij
-hier niet bekend.”
-
-„Hebt gij niets anders gehoord, ma?”
-
-„Neen.”
-
-„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
-
-„Zeker. Zou ik niet?”
-
-„En?”
-
-„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare
-handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene
-opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de
-nonna veel in de zon geloopen.”
-
-„En de haren, ma?”
-
-„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
-
-„Maar welke kleur, ma?”
-
-„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O,
-voorzeker is zij eene nonna.”
-
-„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij
-niets meer, ma?”
-
-„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
-
-Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg
-naar Sikaja.
-
-Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna
-verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen.
-Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw
-Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die
-kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was.
-Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
-
-„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak.
-„Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De
-tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe
-en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare
-eenzaamheid geweest zijn.”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXI.
-
-VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH.
-
-
-Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het
-aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek
-van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele
-rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door
-zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen
-tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den
-westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch
-verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier
-en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den
-invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was
-de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde
-nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar
-donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare
-slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson
-heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht
-overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de
-warmte, in de middaguren opgedaan.
-
-Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders
-als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was,
-alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de
-frissche lucht wilde hebben.
-
-Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche
-ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn
-in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene
-leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone
-Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers
-bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de
-meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren
-van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur,
-ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van
-het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende
-bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het
-nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne
-echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat
-bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd
-en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan
-dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de
-fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte.
-
-„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?”
-
-„Waar Leendert Grashuis?”
-
-„Waar August van Beneden?”
-
-Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen
-kruisten.
-
-„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?”
-
-„O, die zit in de nor.”
-
-„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan
-is het duidelijk, waar de anderen zitten!”
-
-„Die houden hem gezelschap.”
-
-„Dat ’s buiten kijf.”
-
-„Het is een troepje trouwe vrienden.”
-
-„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar...
-daar wandelt Mokesuep!”
-
-„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij
-zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.”
-
-„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!”
-
-„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...”
-
-„Shut!.... geen cancans!”
-
-„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?”
-
-„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?”
-
-„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename
-kermis zou te huis komen!”
-
-„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!”
-
-„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!”
-
-„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...”
-
-„Dan zal hij doen evenals de resident... en...
-
-„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....”
-
-„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...”
-
-„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!”
-
-„Stil nu, luistert!”
-
-Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene
-algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd
-was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de
-werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg.
-
-„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester
-heeft te diep in het glaasje gekeken!”
-
-Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten.
-
-Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad.
-Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de
-geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits
-gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen
-opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat
-zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog
-stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe
-vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele
-week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare
-belooning in zich zelve vond.
-
-Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had
-volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om
-aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote
-kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche
-steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen
-konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren.
-Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker
-architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel
-eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van
-hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures
-waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito
-vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier
-was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De
-galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie
-sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van
-veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd
-gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis
-uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren;
-zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant
-werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele
-zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene
-fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de
-koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos
-af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd
-groene roos toe.
-
-Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene
-nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen
-Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige
-medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het
-plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten
-rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest
-genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had
-laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek
-lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond,
-was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne
-gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding
-vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven.
-
-„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de
-eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet
-gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het
-achter het slot houdt.”
-
-„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn.
-
-„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.
-
-„Waar hier aan de overzij?”
-
-„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt
-gij wel anders spreken.”
-
-„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was.
-
-„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure
-geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar
-opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel
-gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets
-anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den
-vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te
-erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog
-vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het
-tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten.
-Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een
-paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt,
-zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de
-wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er
-streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog
-meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur
-platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer
-walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat
-ik u zoo’n bezoek afraad.”
-
-„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek,
-en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw
-jongen heeft straks een pakje gebracht.”
-
-„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het?
-
-„Daar, op de piano.”
-
-„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende.
-„Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos
-pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een
-partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.”
-
-„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar?
-Hoeveel tjandoe hebt ge?”
-
-„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.”
-
-„Dat is in Nederlandsch gewicht?”
-
-„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.”
-[204]
-
-„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis.
-
-„Te veel, Leendert.”
-
-„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij
-zijn merkwaardige proef.”
-
-„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven
-greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.”
-
-„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.”
-
-„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn.
-
-„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij
-elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.”
-
-„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen,
-welke uitwerking het opiumrooken heeft?...”
-
-„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.”
-
-„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere
-gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou
-ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij
-uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar
-te nemen.”
-
-„Ik ook niet,” sprak Van Beneden.
-
-„En ik ook niet,” zei Van Rheijn.
-
-„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar
-eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.”
-
-„Poeah! Poeah!” riepen de anderen.
-
-„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei
-Van Nerekool hoogst ernstig.
-
-„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,”
-sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.”
-
-„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,”
-meende Grashuis.
-
-„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den
-civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar
-niet de faculteit,” zei Van Beneden.
-
-„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn.
-
-„Komaan, biecht op!”
-
-„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.”
-
-„Murowsky, de Pool?”
-
-„Murowsky, de slangentemmer?”
-
-„Murowsky, de kapellenvanger?”
-
-„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een
-weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij
-is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en
-dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes
-zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te
-verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van
-opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke
-insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet,
-dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van
-geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de
-geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij
-ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de
-proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en
-minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de
-dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en...
-wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal
-uitkramen!”
-
-„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op.
-
-„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden.
-
-„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van
-Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de
-aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd)
-op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het
-plein zijn.”
-
-„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten
-ook!”
-
-„Ja, de Polen zijn niet dom.”
-
-„Maar, wanneer komt hij nu?”
-
-„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn.
-En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.”
-
-„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van
-August van Beneden.
-
-„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde
-wees.
-
-En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek
-gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij
-gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven
-gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten
-aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en
-vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers.
-
-„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de
-uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En,
-zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als
-deze.”
-
-Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van
-Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het
-hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard:
-
-„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting,
-dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork
-ontvangen heb.”
-
-„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl
-hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord
-op mijn schrijven.”
-
-„Ik ook niet,” zei Van Beneden.
-
-„En ik ook niet,” zei Grenits.
-
-„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het
-veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is
-thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.”
-
-„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand
-gebracht werd,” merkte Grashuis op.
-
-„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits.
-„Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als
-Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan
-die der kogels met de omringende ingezetenen.”
-
-„Kom, Theodoor, geen politiek!”
-
-„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar
-hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het
-water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en
-kolonie, die....”
-
-„Schei uit! Schei uit!”
-
-„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne
-gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten,
-geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp
-niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche
-bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk
-overvalt....”
-
-„Alweer?... Schei uit, Theodoor!”
-
-„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en
-voor de gamelle der marine te zorgen hebben?”
-
-„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn
-ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams
-wilde medespreken.”
-
-„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld.
-Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat
-schrijft hij?”
-
-„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te
-zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die
-in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en
-welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den
-toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt
-wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn.
-Luistert maar:
-
-„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de
-verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De
-akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de
-opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat
-alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en
-al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden
-toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort
-bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch
-voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen
-aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd
-gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan
-ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te
-gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande
-opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te
-Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog
-niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel
-dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen
-aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene
-bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak,
-vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde
-kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede
-en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij
-als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden
-was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het
-opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo
-voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van
-wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp
-te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik
-zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou
-verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het
-nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare
-familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld
-vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende
-verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude
-zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging.
-Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de
-aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te
-kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik
-toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben
-geen keer....
-
-„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te
-verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo,
-den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft.
-Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander
-gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal
-nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het
-zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??...
-nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een
-glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.”
-
-„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits
-sarcastisch.
-
-„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet
-gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne
-lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige
-voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij
-tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel
-zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer
-gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te
-beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt,
-lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat
-hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de
-bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen
-vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde,
-hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen
-verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de
-strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van
-Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden,
-die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik
-vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de
-toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de
-bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het
-benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te
-verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie
-nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere
-aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en
-dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om
-elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de
-geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de
-plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een
-bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste
-zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was
-nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter
-zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel,
-dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde,
-om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van
-gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van
-geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de
-dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen
-werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh
-192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die
-nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein
-niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde
-bate zou hebben.
-
-„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn,
-wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven
-Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle
-mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den
-kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude
-dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk
-16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken
-zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de
-pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen
-heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij
-leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig
-mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen
-minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden
-[206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas
-bezorgde?
-
-„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard:
-
-„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde
-alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge
-van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende
-toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van
-preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den
-opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en
-verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de
-gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het
-vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de
-verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest,
-zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en
-gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven?
-Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó
-gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede,
-die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van
-geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat
-van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet
-overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger
-bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een
-westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is.
-
-„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat,
-wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld
-wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne
-verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of
-het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke
-fictieve baten te hulp riepen.
-
-„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de
-verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur
-langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en
-landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te
-Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege
-aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten
-landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot
-ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking
-der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de
-onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen,
-door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te
-dichten?
-
-„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en
-zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En
-al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en
-verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd
-worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse
-teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene
-onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk
-een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen.
-
-„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota
-Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en
-om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen
-weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet
-weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te
-Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de
-meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen
-volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche
-hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn,
-veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen.
-
-„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet
-langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden.
-Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en
-bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen
-handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s
-kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een
-betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een
-enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte
-van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en
-er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift
-te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog
-niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de
-opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van
-het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben.
-Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met
-een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk
-en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel
-te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en
-andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de
-grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het
-uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van
-den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de
-zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs
-wettigen weg vergiftigd zal worden.
-
-„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal
-worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet
-behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar
-onmogelijk overeen gebracht worden....”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXII.
-
-EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT.
-
-
-„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de
-buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.
-
-„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde
-en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder
-weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen
-heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten
-blijken, betwijfel ik zeer, en....”
-
-De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.
-
-„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als
-gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn
-koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar,
-donnerwetter...”
-
-„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op
-de aloon-aloon?”
-
-De Pool bloosde tot achter zijn ooren.
-
-„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.
-
-„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar
-gewandeld, en dan....”
-
-„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”
-
-„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.
-
-„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”
-
-„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg
-Grashuis.
-
-„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna
-zitten,” zei Van Beneden.
-
-„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx,
-die mij te pakken had.”
-
-„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en
-andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar,
-pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!”
-
-„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,”
-verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem
-aan huis te komen.”
-
-„En?” vroegen allen.
-
-„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.
-
-„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
-
-„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden
-vragen.
-
-De Pool liet hem daartoe geen tijd.
-
-„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.
-
-„Uwe overplaatsing?”
-
-„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”
-
-„Maar, waarheen?”
-
-„Naar Gombong.”
-
-„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een
-allerliefst plaatsje.”
-
-„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van
-Rheijn.
-
-„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong?
-Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen
-slechts spaarzaam beoefend.”
-
-„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.
-
-„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar
-voort.
-
-„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met
-een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende.
-
-„Dus niet over zee?”
-
-„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan
-Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn
-hart verloren.”
-
-„Te Gombong?” vroeg Murowsky.
-
-„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna van
-Gulpendam wel?”
-
-„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind
-niet kennen?”
-
-„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het
-hart van onzen vriend medegenomen.”
-
-„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat
-Nederlandsche woord vergissende.
-
-„Vindt ge?” vroeg Grashuis.
-
-„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel van
-Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.
-
-„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het:
-experientia optima rerum magistra (de ervaring is de beste leermeester
-der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”
-
-„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”
-
-Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde
-barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl
-Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde.
-
-„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje
-geopend had.
-
-Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:
-
-„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de
-snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam
-is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw
-zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen,
-die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder
-deze is het product geheel waardeloos.”
-
-„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.
-
-„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.
-
-„Als ik maar niet meê behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet
-de waarnemingen verrichten.”
-
-„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.
-
-„Waarom gij eerder dan een ander?”
-
-„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes
-uit te slapen.”
-
-„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet
-morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”
-
-„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak
-van Setrosmito.”
-
-„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad
-zouden wij ongaarne missen.”
-
-„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.
-
-„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”
-
-„Welaan dan, ik ben gereed.”
-
-„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.
-
-„Ik ook nog niet,” voegde Eduard van Rheijn er bij.
-
-De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe
-te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij
-zorgvuldig in een zakboekje op.
-
-„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”
-
-„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.
-
-„Vijf en twintig mata’s!”
-
-„Mata’s? [210]... Oogen?” vroeg de Pool.
-
-Allen barstten in lachen uit.
-
-„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft
-het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies,
-het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat...”
-
-„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De
-zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”
-
-Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de
-maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.
-
-Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en
-heengegaan was, ging de Pool voort:
-
-„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.
-
-„Uitkleeden?” vroeg deze.
-
-„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het
-bovenrif kunnen zien.”
-
-Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een oogenblik daarna terug
-in het traditioneele nachttenue van Nederlandsch-Indië.
-
-De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den
-pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met
-den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die
-borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje
-uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij
-die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te
-kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten
-hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits
-kon een glimlach niet weerhouden.
-
-„Waartoe al die poespas?” mompelde August van Beneden Leendert Grashuis
-in het oor.
-
-„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?”
-vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”
-
-„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?” was de vraag van Grenits.
-
-„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne
-stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef
-begonnen worden.”
-
-Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit
-op.
-
-„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat....
-Wanneer hebt gij het laatst gegeten?”
-
-„Om half een, de gewone rijsttafel.”
-
-„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn
-horloge keek. „Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke
-dranken gedronken?”
-
-„Niets, als een enkel glas pale ale.”
-
-De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.
-
-Eduard van Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en
-twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de
-palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een
-stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten
-einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde
-pilletjes te kunnen rollen. Dat ging onzen aspirant-controleur vrij
-handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met
-genoegen onderricht gegeven.
-
-„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen
-ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen [211]?”
-
-Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te
-voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat
-drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene
-uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het
-gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis
-een klein aarden pijpenkopje aangebracht.
-
-„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik
-aangeschaft heb.”
-
-„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was,
-waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”
-
-„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp
-zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de
-pijpenkop met „tahi madat” [212] aangeslagen is, hoe heerlijker het
-schuiven moet zijn.”
-
-Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de
-bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een
-knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan
-uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende
-het hoofd op een niet te zacht kussen.
-
-„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis
-lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien
-hebben.”
-
-„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn
-krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.”
-
-Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in
-den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat
-op den bewusten avond de schuivers had zien doen.
-
-„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”
-
-Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut
-met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop
-aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af,
-maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72,
-ademhaling 24, temperatuur 37,5.
-
-„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”
-
-Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop
-naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich
-eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders
-aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.
-
-„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.
-
-Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe
-overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen,
-waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de
-onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.
-
-„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.
-
-„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.
-
-„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is
-een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”
-
-De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van
-Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje.
-
-„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat
-toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de
-neusgaten te doen uitkomen.”
-
-„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk
-zoet, die rook.”
-
-Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te
-slikken, hem een poos binnen te houden, waarna hij hem in fijne
-krulletjes langs den neus liet ontsnappen.
-
-Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25,
-temperatuur normaal.
-
-Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:
-
-„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren
-vervangen.”
-
-Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij
-eene lichte neiging tot slapen ondervond.
-
-Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond
-die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een
-poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn
-denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang
-overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij
-kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd
-door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky
-dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam,
-en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg.
-
-Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor
-vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de
-negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van
-den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong
-in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer
-andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen.
-De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de
-ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder
-hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden;
-want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer
-langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag
-met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik
-helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij
-verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij
-evenwel geene beschrijving wist te geven.
-
-„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”
-
-Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de
-variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den
-schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon,
-ieder accoord genoot, in zich opnam.
-
-„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer
-spelen, nog meer rooken!”
-
-Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het
-verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit,
-en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s
-vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde,
-dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene
-passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en
-vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een
-glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem
-gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te
-worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.
-
-Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken
-moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij
-geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken
-kunnen voortgezet worden. Dokter Murowsky constateerde, dat de
-polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel de conjunctiva
-(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden
-zwaar en de oogen zelven gesloten waren.
-
-Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door
-het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet
-meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht
-met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat
-er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.
-
-Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken
-scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden
-vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen
-opende was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.
-
-Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’
-bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke
-betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met
-zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich
-bevond, antwoordde hij:
-
-„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer
-voorheen ondervonden heb!”
-
-Terwijl de dokter opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols
-70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene
-verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort
-met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky,
-of hij niets verlangde, antwoordde hij:
-
-„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is
-eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!... Zoo moet de proef mislukken!”
-
-Een oogenblik daarna riep hij uit:
-
-„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is
-toch de pijp?”
-
-„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat
-bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”
-
-„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor
-in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der
-proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3° toegenomen
-is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst
-voor de wetenschap.”
-
-Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener.
-Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg
-te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden
-prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest
-dierlijken wellust getuigden.
-
-Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde
-hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde?
-
-„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”
-
-Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. Hij hield Grenits’
-pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak
-uitgestrekt lag op diens borst.
-
-„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.
-
-Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn
-handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het
-wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle
-omstanders hem met verwondering gadesloegen.
-
-„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die
-proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die
-heupbewegingen eens!”
-
-Maar de Pool had daar geen ooren naar.
-
-„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap
-moeten wij voort!”
-
-Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn
-wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg
-hij Theodoor’s bewegingen gade. Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en
-keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was
-wanhopig, dat de patiënt zoo weinig sprak.
-
-„Grenits! Grenits!” riep hij, „hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij
-den patiënt tegen den neus knipte.
-
-Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.
-
-„Hoort ge mij?... Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van
-ongeduld.
-
-Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.
-
-„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”
-
-„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.
-
-„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”
-
-Hij boog zich nog verder over den patiënt, en wendde het
-belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn
-hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in
-staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren.
-
-„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij
-voortging Theodoor tegen den neus te knippen.
-
-„Wat ik gevoel....” bromde deze.... „wat ik gevoel... O! het is nog
-heerlijker dan...........” [213]
-
-„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet
-een einde komen!”
-
-Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat,
-greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van
-Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit.
-
-„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan
-komen!”
-
-„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.
-
-Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand
-begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de
-ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot
-38,6. De patiënt was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze
-taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer
-opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de
-handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.
-
-„De pijp?... Waar is de pijp?.... Van Rheijn, waar is de pijp!”
-schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en
-onsamenhangende uitdrukkingen.
-
-Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den
-cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem
-het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd
-met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken,
-en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen.
-
-Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien
-drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon
-hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die
-hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon
-eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken
-zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij
-Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de
-lichaamswarmte 37,4° bedroeg.
-
-„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij
-hem doorbrengen.”
-
-De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen.
-Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich
-bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet
-medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel
-ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug
-en copieus genoeg laten bedienen.
-
-Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij
-had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn
-opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe
-te zenden.
-
-De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans
-onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als
-verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens
-verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was
-volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later
-op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming
-gezinspeeld werd.
-
-„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal
-aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor den geest staan.
-Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen
-woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met
-geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog à
-outrance aan de opium!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIII.
-
-IN DE REGENTS-PANDOPPO.
-
-
-Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de
-ingezetenen van Santjoemeh.
-
-De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien
-uitspraak doen in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet,
-van baboe Dalima,—die beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op
-een bandoelan in de uitoefening zijner functiën gepleegd, in de
-gevangenis zijn lot zat af te wachten.
-
-De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees
-met zijn kris gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij
-schuldig was aan opiumsmokkelarij.
-
-Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte;
-want men wist, dat August van Beneden pleiten zou. Wel was onze
-rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima als pleitbezorger
-opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, en
-zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren
-pleitrede als zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had
-hij in gezellige kringen en bij verschillende andere gelegenheden
-genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, om te doen
-veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude
-doorbrengen. Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding
-gevonden had in onbetamelijke handelingen, door den vermoorden
-bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar gepleegd. Het
-Santjoemehsche publiek was vrij wel op de hoogte van de
-afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie aan den
-lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat
-zeer pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de
-jeugdige rechtsgeleerde, die van ijver voor den dienst van Themis
-blaakte, de gelegenheid niet zoude laten voorbijgaan, zonder den vinger
-te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde voor de Javaansche
-maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers.
-
-De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats
-hadden, was dan ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs
-dames waren verschenen [214], en onder haar de schoone Laurentia van
-Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord
-zouden worden. Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek
-verwonderd op; want, dat was aan zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk
-toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen door zijne afwezigheid
-uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het aanbieden
-van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo
-eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is.
-
-Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo
-hingen, met heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige
-bijeenkomst kunnen gelooven, of beter nog aan een séance van een
-goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime hal bevond zich toch
-eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote tafel,
-met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei
-overtuigingsstukken, en omgeven met een aantal stoelen. Een
-politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding en gelaat af te leiden,
-het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die tafel, om de
-profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man
-opgedragen had zijn sabel te trekken, zou hij voorzeker het roestige
-stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den dag gehaald hebben.
-
-In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de
-menigte den tijd zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men
-lachte, men kortswijlde, men praatte, en gedroeg zich daar in dien
-tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende de pauze.
-
-„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting
-bijwonen?”
-
-Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de
-griffier zelf fungeerde, en amateur een kijkje kwam nemen, en dus van
-de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia zijne hulde aan
-te bieden.
-
-„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw,
-terwijl zij hem hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken.
-Ik heb nimmer eene landraadzitting bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig.
-Het zal wel interessant wezen, nietwaar?”
-
-„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer
-pikants opleverden.”
-
-„Dat kan ik denken. Maar... die afschuwelijke moordenaar zal zeker
-veroordeeld worden?”
-
-„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.”
-
-„Niet?”
-
-„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar
-sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de
-landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn, [215] speelt
-eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen,
-dat deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu....”
-
-„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem
-in de rede. „Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling
-zal gaan pleiten [216]. Het is ongehoord! Maar, wie betaalt dien
-advocaat, mijnheer Thomasz?”
-
-„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!”
-
-„Een geheim?... Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij
-weet. Voor de vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.”
-
-Thomasz glimlachte even.
-
-„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons
-hooren.”
-
-Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich,
-alsof zij de voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De
-politie-oppasser wachtte zich wel der njonja resident en den
-toean-kripier dat te beletten.
-
-„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien
-advocaat?”
-
-„Een kongsie, mevrouw.”
-
-„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig.
-
-„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier
-met eene buiging.
-
-„Eene kongsie van wie dan?”
-
-„Van Europeanen, mevrouw.”
-
-„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.”
-
-„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.... Zie,” sprak
-Thomasz overluid, „dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het
-bloed zit nog aan het gevlamde lem. Daar, die zwarte vlek.”
-
-Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen.
-
-„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht.
-
-„Ik weet maar een. Van Nerekool....”
-
-„Van Nerekool!.... Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw
-tusschen de tanden.
-
-En zich naar de pandoppo wendende:
-
-„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames.
-„Kijk, hier is de kris, waarmede de moord gepleegd werd.”
-
-De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de
-politie-oppasser een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de
-schoone Laurentia weerhield hem.
-
-„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte.
-
-„Ja,... Zie, zoo.... dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam,
-met het wapen een vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed
-achteruit stuiven.
-
-„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar
-jongelieden tegen elkander. „Kijk die houding eens, die buste, dat
-trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. Net Lady Macbeth!
-En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!....”
-
-„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat
-wij haar bewonderen.”
-
-„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het
-bloed van het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?”
-
-„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve
-mevrouw?”
-
-„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris
-kletterend op de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.”
-
-„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen,
-dat daarmede een mensch vermoord is....”
-
-„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend.
-
-„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?”
-
-„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia.
-
-„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de
-heer Thomasz op.
-
-„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw.
-
-„Dat zijn de opiumpachters!”
-
-„Dat zijn de millionairs!”
-
-Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar
-geslacht eigen beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam
-kittelde. Zij liet er evenwel niets van ontwaren.
-
-„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende.
-„Waar zijn die twee Chineezen? Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar
-is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; maar de opiumpachters zie ik
-niet.”
-
-„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!”
-antwoordde een der andere dames.
-
-„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de
-bruiloft, die eerstdaags zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam
-als ’t ware achteloos volgen.
-
-„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte,
-„welke Lim Ho beschuldigd heeft van....”
-
-„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan
-mag men in het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen.
-Maar.... mijnheer Thomasz, wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar
-op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat ook gebruikt? Er zit bloed aan.”
-
-„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de substituut-griffier.
-
-„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende.
-
-„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.””
-
-„De gollokh soempah?”
-
-„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de
-Chineezen den eed afleggen.”
-
-„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?”
-
-„Dikwijls, mevrouw.”
-
-„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?”
-
-„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den
-Chineezen tolk en vergezeld van een der leden van den landraad buiten
-gebracht bij een houtblok. Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld,
-waarmede hij een zwart kuiken op dat houtblok den kop afhouwt. Niets
-meer en niets minder. Het is eene handeling zonder beteekenis, die,
-wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer
-bespottelijk figuur maakt.”
-
-„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte.
-
-„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar,
-gij weet, dat het wit de rouwkleur der Chineezen is.”
-
-„Dat’s waar ook. Maar... eene zwarte kip?... Dus zou er toch eene
-beteekenis ten grondslag van de handeling liggen?” hernam Henriëtte
-nadenkend.
-
-„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, hoeveel
-navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld
-heb,” antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere
-Chineesche eedsaflegging, dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd
-wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.”
-
-„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der
-waarheid af te leggen?” vroeg Henriëtte schamper.
-
-„Zeker, mevrouw!”
-
-„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en
-het leven van een mensch kan afhangen?”
-
-„Zeker, mevrouw!”
-
-„Die ben ik wel benieuwd te hooren!”
-
-„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt
-bij de aanstelling der Chineesche officieren.” [217]
-
-„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach.
-
-„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele
-gedingen gevergd. [218]
-
-„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe,
-vertel ons iets van den eed.”
-
-„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij
-gebezigd, is ontleend aan den eed, dien men in China aan vorsten en
-hoofdbeambten bij hunne aanstelling oplegt, en bestaat daarin, dat de
-persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde op een rood papier
-schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid
-of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger
-brengt dit papier in gezelschap van een paar officieren zijner natie,
-en van een paar tolken naar de Pen-ta-King [219] (tempel), waar hij
-door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) en
-den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao
-kew”, (hoofdman) bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn
-gekleed in een soort van miskleed van roode zijde, niet ongelijk aan de
-koorkappen der Roomsche priesters bij sommige gelegenheden. Evenwel is
-daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische Eerste
-beginsel [220] in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel
-aangekomen, legt de eedsaflegger het beschreven roode papier op de
-„Hijeng Keng” [221] (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen,
-eenige flesschen wijn en wat gebak, die tot offerande bestemd zijn,
-voor den „Tao-peh-kong” [222] (afgodsbeeld) neder. De priesters
-schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, waarbij zij bij
-sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de
-eedsaflegger het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl
-alsdan vlijtig wierook gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier
-bij de vlam van een der kaarsen, en laat het op de offertafel tot asch
-verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De priesters schreeuwen
-nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de
-gecommitteerden en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen.
-Ziedaar dames, het weinige, wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat
-ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid medegedeeld heb.”
-
-„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl
-zij hem minzaam een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik
-over de verzamelde menigte in de pandoppo liet waren.
-
-„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de
-ruimte.
-
-„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien
-naar....”
-
-„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een
-politie-oppasser aan met eene stem, alsof een Fransche huissier het „la
-Cour, messieurs!” uitgegalmd had.
-
-De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben,
-bleef onuitgesproken.
-
-En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop
-men van uit de pandoppo tusschen de „kree’s” [223] door uitzicht had,
-verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden en
-een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar
-de pandoppo begaven, en op de estrade plaats namen.
-
-In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr.
-Zuidhoorn en voorzitter van den landraad, daarop volgden Radhen Mas
-Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent van Santjoemeh, Radhen Pandjie
-Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de majoor der
-Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam
-Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl
-de stoet besloten werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of
-priester.
-
-De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de
-griffier in zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den
-raad natuurlijk in hun nationaal kostuum: kort buisje met staanden en
-met goud geborduurden kraag, daaronder een met idem geborduurd vest,
-eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes voor den buik
-geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja”
-gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt
-dat met smalle gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was
-in het mandarijnen-pak gestoken, dat in vorm zooveel van een Roomsch
-miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den voor- als aan den
-achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op het
-lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort
-pet, ook van lichtblauw laken, die veel van eene barret had, maar
-stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje of
-kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen
-ontwaard werd.
-
-De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange
-jurk van donkere stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een
-vervaarlijken grooten tulband op het hoofd, die aanduiden moest, dat de
-man het graf des Profeets bezocht had, en dus „Hadjie”
-(bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet
-zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran.
-
-Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen
-ettelijke Javaansche jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het
-nationaal costuum gedost waren, evenwel geen kopja droegen. Dat waren
-de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke geboorte, die
-toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen
-treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en
-hadden hun schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere
-opmerkingen op te teekenen, welke aan de vergetelheid moesten ontrukt
-worden.
-
-Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel.
-Rechts van hem zat de regent, en links de griffier. Naast den regent
-zat de djaksa, die den panghoeloe aan zijne rechterzijde had. Naast den
-griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. Deze plaatsing
-was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren
-zoo gesteld zijn, bepaald.
-
-Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen,
-verscheen August van Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op
-aanwijzing van den voorzitter plaats aan het uiteinde van de tafel
-naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik [224], welke
-die pandoppo van de regentswoning thans opleverde.
-
-Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een
-achttal pilaren rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot
-tempering van het schelle licht en ook om de onbescheiden blikken van
-buiten te weren, waren de vakken tusschen de pilaren door groen
-geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden van
-den landraad nog een zeildoek gespannen was.
-
-Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast
-waren, met de dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand
-te houden, evenwel zoo, dat die emblamata van gezag achter hunne
-meesters goed zichtbaar waren.
-
-Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de
-rechtbanken voor de Inlanders op Java [225], vertoonde hij een
-wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het
-Nederlandsche bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht
-te behartigen. Vooreerst het Europeesche recht, vertegenwoordigd door
-den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten en gebruiken, die vergen,
-dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het kan, uit
-edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de
-priester de leden op de hoogte moet brengen.
-
-Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk
-groote ruimte gelaten, zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te
-bespeuren was. Ter weerszijde van die estrade stonden een paar
-politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne sabels op
-zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel
-met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke
-gelegenheden zooveel publiek te zien.
-
-Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had
-plaats genomen, verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als
-njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk achter haar hadden zich de
-voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden,
-gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die
-evenwel sedert dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met
-elkander sprak.
-
-Eduard van Rheijn, Karel van Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken
-natuurlijk niet, en hadden op de derde of vierde rij plaats genomen,
-vanwaar zij een goed overzicht hadden.
-
-„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,”
-merkte Van Rheijn op.
-
-„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis.
-
-„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,”
-prevelde een jongmensch, die achter onze vrienden gezeten was.
-
-„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander.
-
-„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn
-glimlachend. „Santjoemeh zonder chronique scandaleuse is ondenkbaar.”
-
-„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!”
-
-„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!”
-
-„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van
-eene vrouw geldt?” vroeg Eduard stekelig.
-
-„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok Karjå ingeroepen is.”
-
-„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan...”
-
-„Men?” vroeg Van Rheijn. „Wie is die „men”? herhaalde hij ongeduldig.”
-
-„Wel iedereen.”
-
-„Daar hoor ik toch niet bij!”
-
-„En ik ook niet! betuigde Grashuis.
-
-„Shut!.... Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn.
-„Zie haar eens de ooren spitsen!”
-
-„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert
-Grashuis hardop.
-
-„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een
-parapluie in zijn foudraal!”
-
-In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met
-een blik den groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij
-wijze van groet. Minzaam beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd
-met een innemenden glimlach begunstigd. Gold die zijne vergelijking van
-Van Beneden met een parapluie?
-
-„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en gaf hem een
-lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?”
-
-„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!”
-
-„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek
-een andere richting te geven.
-
-„Welke invitatie?”
-
-„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te
-wonen.”
-
-„Ja, die heb ik gekregen.”
-
-„Ik ook.”
-
-„En, ik ook.
-
-„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den
-bruigom te houden.”
-
-„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats
-heeft.”
-
-„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn
-lachende. „Het is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor
-rouwkleur, blauw voor halven rouw; hunne dames dragen pantalons en de
-mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken aan ons barbaren
-over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar
-binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne
-gedachten met een penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij
-meenen dat de nakomelingen de voorouders tot adellijken stempelen,
-zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; zij betalen
-hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij
-ziek zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom
-in stede van bij de bruid.”
-
-Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den
-aspirant-controleur, die niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van
-Gulpendam stemde met het gelach in, en knikte hem vriendelijk toe.
-
-„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?”
-
-„Shut... heeren. Daar komt de moordenaar!”
-
-„Zoo zonder boeien?”
-
-„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne
-rechters verschijne!”
-
-„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.”
-
-„Shut!....”
-
-Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan.
-
-„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid.
-
-Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich
-stilte te verkrijgen.
-
-„Shut!... Shut!... dames en heeren!... Shut!” schreeuwde hij, en maakte
-daarbij alleen meer leven dan het geheele gezelschap bij elkander.
-
-De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer.
-
-„Stilte!” werd er geroepen.
-
-„Stilte!... Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en
-smeekend de armen uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren
-wilde.
-
-Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te
-krijgen. Een der minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou
-zij zich ook als residentsvrouw te ontzien hebben? Die heeren van de
-rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.... Maar eindelijk hield
-ook haar gekakel op.
-
-„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij
-andermaal een slag met den hamer deed hooren.
-
-„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.”
-
-Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der
-estrade voor de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man
-zag er ellendig uit. Wie hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet
-herkend hebben. Die lange maanden, welke hij in de gevangenis
-doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. Hij was
-verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een
-fletsgrauw overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn
-hoofddoek uitkwamen, waren grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn
-voorwaarts treden schuchter rond, sloeg een smeekenden blik op August
-van Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten
-neder. Bij zijn verschijnen voor de estrade was een hartverscheurende
-gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, die een streng: „diam!”
-(stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden ettelijke
-Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting
-had willen bijwonen, vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke
-ieder hoofd had doen omwenden, geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in
-wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, had zien voortreden.
-Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een der
-bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot
-bedaren.
-
-„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,” [226] sprak hij. „Anders kunt gij hier
-niet blijven.”
-
-Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen.
-Allerwege werd gemompeld:
-
-„De vrouw van den moordenaar!..... Arme vrouw!”
-
-„Stilte!” brulde de deurwaarder.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIV.
-
-EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI.
-
-
-Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr.
-Greveland, zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor:
-
-„Hoe heet gij?” vroeg hij.
-
-De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227]
-
-„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover
-gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd.
-
-„Waar zijt gij geboren?”
-
-„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.”
-
-„Hoe oud zijt gij?”
-
-„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.”
-
-„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den
-griffier.
-
-Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het
-voorloopig verhoor.
-
-„Waar woont gij?”
-
-„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel.
-
-„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?”
-
-„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.”
-
-„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-„Zeg het ons dan.”
-
-„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,”
-antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik.
-
-Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen.
-
-„Stilte!” vermaande de voorzitter.
-
-„Stilte!” brulde de deurwaarder.
-
-„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland.
-
-De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk.
-Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op
-August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak:
-
-„Antwoord vrij uit, Setrosmito.”
-
-„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer
-gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich
-onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.”
-
-De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne
-hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door
-niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk
-maakte.
-
-„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u
-voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de
-getuigen verklaard hebben.”
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren
-zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de
-voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met
-zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die
-toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog
-het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde,
-eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen
-wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te
-gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo
-rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling
-iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield
-den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde
-met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van
-zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij
-begreep:
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden
-onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen
-blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel
-bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop
-praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar
-vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel
-afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen
-te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook
-slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats,
-alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde.
-
-„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van
-Gulpendam.
-
-„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer
-Thomasz.
-
-„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames.
-
-„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door
-zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.”
-
-„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet
-zoo aan het lachen brengen.”
-
-„Ik, mevrouw?”
-
-„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een
-droog komiek zijt.”
-
-„Is dat de meening van den resident, mevrouw?”
-
-„Staat het praedicaat u niet aan?”
-
-„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de
-substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen
-het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!”
-
-„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer
-Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!”
-
-„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste
-gedeelte der pandoppo.
-
-„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!”
-
-„Of een bittertje krijgen!” riep een ander.
-
-„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!”
-
-„En?...”
-
-„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer)
-kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als
-drie dagen west-mousson.”
-
-„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.”
-
-„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....”
-
-„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!”
-
-Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en...
-men verveelde zich doodelijk.
-
-Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag
-van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze
-zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog
-eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de
-stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd.
-
-Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als
-officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor
-te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien,
-die van de aanhangige zaak niets afwisten.
-
-Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den
-bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar
-Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend
-bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar
-onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje,
-waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter
-tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars
-hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten
-toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen
-geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht
-hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond
-door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de
-noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste
-staande middelen te breidelen.
-
-„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem
-uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks
-schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der
-blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn
-de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java
-ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar
-bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik
-van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en
-ongestoord in ’s lands kas vloeiden!”
-
-Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het
-woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek
-gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden.
-Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld
-waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen,
-hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud
-zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel
-werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige
-stem prevelde onhoorbaar zacht:
-
-„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!”
-
-Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet
-ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters
-geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten
-koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op,
-dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene
-andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst
-mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten
-aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de
-dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie!
-
-Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo
-had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid
-gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust
-onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den
-deurwaarder.
-
-De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte
-van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging,
-gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met
-de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte.
-
-Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij,
-zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich
-tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het
-noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had
-gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo
-verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort
-had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel
-gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed
-overstroomd werden.
-
-Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe
-sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een
-gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige
-opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp,
-om toch te zien, wat er gebeurd was.
-
-„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen.
-
-Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort
-met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die
-voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong
-er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter
-bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak
-niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch
-van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in
-slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen
-dwangarbeid in den ketting.
-
-Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men
-zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een
-menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe
-wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller
-monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot
-stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen
-ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te
-ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller
-borst, toen de voorzitter die stilte verbrak.
-
-„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de
-„toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?”
-
-De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar
-antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch
-voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had.
-Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne
-vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op
-August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen:
-
-„Engèh, Kandjeng toean.”
-
-„En hebt gij daar niets op aan te merken?”
-
-Een nieuwe blik op den advocaat.
-
-„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig.
-
-Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op.
-
-„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder.
-
-„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij
-zich kon doen verstaan.
-
-„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend.
-
-„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en
-zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon.
-
-Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te
-nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene
-duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk:
-
-„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort
-gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der
-aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar
-Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er
-moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die
-misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het
-land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs
-tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht
-van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere
-wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den
-ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te
-maken.
-
-„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar
-Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan
-den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar,
-neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die
-door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere
-meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de
-gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen
-voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene
-onverdeelde aandacht.
-
-„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige
-advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan
-den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man,
-van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik
-door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben.
-
-„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit
-was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak
-op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie
-ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te
-zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der
-bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der
-procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd.
-Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in
-onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te
-eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren
-tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den
-ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te
-constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en
-dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur
-van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk
-gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen.
-
-„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een
-sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het
-publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de
-edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren,
-ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr.
-Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh
-aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de
-onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne
-ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven;
-dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en
-zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen
-tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij
-is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie
-beweegt.”
-
-Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap,
-was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij
-aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten
-toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier
-waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed.
-
-„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een
-onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel
-vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte
-verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke
-betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen,
-daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!...
-Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.”
-
-„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte
-gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater
-te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar
-Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers:
-
-
- Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux,
- Un perfide assassin, un lâche meurtrier!
-
-
-„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig
-overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit,
-gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een
-onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer,
-een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen
-hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het
-zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk,
-dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb
-hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district
-Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa
-Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden
-dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik;
-maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige
-sawahbewerker niet lezen of schrijven kon.
-
-„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen
-te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar?
-
-„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen
-omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh
-gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort!
-Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die
-beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring
-van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die
-door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op
-niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij
-den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet
-geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen,
-afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen
-genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie
-diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude
-gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den
-bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de
-baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel,
-hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen,
-die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de
-geschriften van Verstork. Luistert:
-
-„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich
-aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem
-dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie
-hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het
-pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee
-politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de
-huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De
-laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild
-was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag,
-nauwkeurig doorzocht had.”
-
-„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van
-Verstork’s schriftuur vervolgen:
-
-„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich
-niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde
-Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden
-worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den
-kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.”
-
-„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de
-Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets
-gevonden had! Is dat duidelijk of niet?
-
-„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging
-ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in
-opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen
-aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer
-is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo
-gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet
-worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil.
-
-„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren
-toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de
-schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de
-ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet
-edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel
-verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet
-in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De
-millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te
-wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw
-mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê
-gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om
-ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik
-wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat
-zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke
-college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne
-onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het
-gegeven? Vraagt u dat af.”
-
-Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste
-woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen
-in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in
-die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den
-jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed
-van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de
-toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk
-monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met
-allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.”
-
-„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging
-August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken
-hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste
-deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer
-ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht
-werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft
-afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door
-de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet
-onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan
-dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft
-kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe
-komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u
-deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld?
-
-„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat
-onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald.
-Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij
-plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het
-voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het
-gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak,
-die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!”
-
-En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid,
-welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel
-Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij
-bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van
-Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat
-drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel
-wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te
-voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die
-rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe
-Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men
-woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste
-boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige
-handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men
-hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder,
-maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van
-Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik
-maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te
-brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den
-ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe
-die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord
-werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den
-ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik
-de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het
-zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond
-van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader
-onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der
-toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed.
-
-Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd
-door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven
-werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te
-gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf
-dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting
-vervulde.
-
-Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller
-harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij
-de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden
-opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het
-Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd
-steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich
-langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep
-doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien
-woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn
-geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige
-gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht
-tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen
-over zijne wangen biggelden.
-
-„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde
-hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de
-Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit.
-
-„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van
-Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar
-afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een
-mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een
-noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal
-dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen
-op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te
-vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een
-vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie,
-hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat
-iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die
-opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou
-ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling
-bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met
-voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!”
-
-Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg
-brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo
-overviel.
-
-„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar
-Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de
-huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de
-eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van,
-trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer
-gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus,
-uw oor niet zal kunnen bereiken!
-
-„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u
-eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij
-gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de
-aanbidders van den opium-afgod verpletteren!
-
-„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere
-stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te
-wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u
-in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten,
-toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u
-voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van
-doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan
-heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de
-onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen
-moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over
-eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader,
-die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult
-weergeven.”
-
-Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder.
-Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel.
-Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op
-de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had,
-welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te
-klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte,
-die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene
-toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die
-de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend
-was, tot bedaren te brengen.
-
-Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle
-instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de
-voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen!
-
-Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom
-medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had,
-poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die
-poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen
-indruk die verdaging zoude teweeg brengen.
-
-In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas
-Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij
-prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke
-omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de
-noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij
-stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij
-eenige oplettendheid verworven had.
-
-Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar
-recht tot antwoord gebruik wenschte te maken.
-
-Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting.
-
-„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou
-kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene
-door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de
-verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!”
-
-Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat
-het heilige boek voorschreef.
-
-„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man
-heeft gedood, die man moet sterven!”
-
-Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw
-gevallen,” mompelde men.
-
-De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange
-poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd
-vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes”
-eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd.
-
-Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van
-Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning.
-Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te
-stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt
-zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door
-den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik
-op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte,
-terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor
-August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik
-van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De
-gerechtigheid der blanken is groot!”
-
-Een oogenblik later was de menigte uit elkander.
-
-„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik
-ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij
-het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed
-te krijgen?”
-
-„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het
-Maleisch voorgelezen!” [229]
-
-„O, zoo! Nu, dat is leuk!”
-
-De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude
-regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd
-had:
-
-„Gij zijt een braaf mensch!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXV.
-
-TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE.
-
-
-Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa,
-welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan
-Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine
-dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den
-steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als
-in een terreinplooi verscholen lag.
-
-De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel
-is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil
-oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager
-stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was
-de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte
-rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke
-het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een
-vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles
-vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het
-schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en
-opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest
-eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het
-hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en
-slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid,
-vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een
-wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend
-en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden
-bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het
-plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele
-boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door
-meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om
-eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke
-klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat
-allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf.
-
-Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met
-hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig
-groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen
-begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met
-eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten.
-
-Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama,
-dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken.
-Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak
-eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds
-zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische
-zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige
-visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen,
-met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam
-stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn
-opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te
-bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het
-bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het
-afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik
-als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige
-krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene
-branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel
-opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook
-ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n
-golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein
-vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in
-zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.
-
-Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van
-die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap,
-vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein
-vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard
-was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de
-flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten
-verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld
-was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de
-onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden
-te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de
-gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel
-stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden;
-hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen,
-waarin.....
-
-Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die
-berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook
-voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar
-beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en
-droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche
-woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch
-toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch
-volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die
-groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen,
-Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden
-noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe
-nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe”
-[233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een
-erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door
-weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de
-sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje
-ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg
-omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een
-bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken
-ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo
-tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor
-vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij
-groot getal in den wind wapperden.
-
-In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen
-bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige
-struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch
-weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met
-kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met
-onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de
-ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel)
-met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als
-romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet
-vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken
-van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik,
-om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om
-haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig
-arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong”
-(haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog
-vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om
-dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt.
-
-Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is
-niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van
-lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond,
-duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der
-handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de
-haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh”
-(wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe
-zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht.
-Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in
-tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed
-Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes
-daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij
-bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen.
-
-„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op.
-
-Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar
-„tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch
-hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden,
-daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting
-van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche
-schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene
-beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen,
-en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan
-het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij
-bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk
-zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en....
-
-„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat
-aanschouwd?”
-
-Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen
-het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te
-hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de
-dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt
-scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering:
-
-„Dalima!”
-
-Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de
-voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor
-dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee
-aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander
-samensmelten:
-
-„Nana!”
-
-„Dalima!”
-
-Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna
-van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare
-nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren.
-
-„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het
-Javaansche meisje aan het hart drukte.
-
-„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks.
-
-„Hoe kwaamt gij daar?”
-
-„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.”
-
-„Maar... wat hadt gij daar te maken?”
-
-„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.”
-
-„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?”
-
-„Om Nana te zoeken!”
-
-„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen?
-Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?”
-
-Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar
-vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing
-toeliet.
-
-„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de
-gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang
-moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden
-blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen,
-„heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean
-Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik
-aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer
-was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen
-waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en
-ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk
-verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn
-toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te
-zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik
-vertrokken, en...”
-
-„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt.
-
-„Neen, Nana, volstrekt niet.”
-
-„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?”
-
-„Neen, Nana.”
-
-„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens
-mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u
-wel!”
-
-„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan
-mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.”
-
-„Waar?”
-
-„Wel, te Karang Anjer, Nana.”
-
-„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?”
-
-„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar
-gij waart.”
-
-„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?”
-
-„Ja, Nana.”
-
-„En?”
-
-„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij;
-maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.”
-
-Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld.
-
-„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij.
-
-„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb
-overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s
-der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord
-overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan
-aan....”
-
-„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd.
-
-„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene
-warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld
-werd....”
-
-Anna bekeek hare matgele handen.
-
-„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de
-scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236]
-(verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat
-gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.”
-
-„En verder?” vroeg Anna.
-
-„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring
-toetool verwijderd was, nietwaar?”
-
-„Dat is zoo.”
-
-„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.”
-
-„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei
-Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij
-ziet er dan ook wel vermagerd uit.”
-
-„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool
-kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik
-nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en
-vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai
-is....”
-
-Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met
-het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het
-Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh.
-
-Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op
-elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd.
-
-„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin
-zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.”
-
-Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan
-hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van
-het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in
-vollen gang.
-
-„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden
-slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben.
-Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.”
-
-„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg
-Anna.
-
-En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van
-Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed
-van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef.
-Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt
-noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg:
-
-„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet
-gezonden heeft, om mij op te sporen?”
-
-„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging
-in hare stem.
-
-„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult
-maken, dat gij mij gevonden hebt.”
-
-Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij.
-
-„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij
-niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen
-weet waarheen.”
-
-„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die
-zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet
-bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen
-verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te
-zenden....”
-
-Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare
-stem.
-
-„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet
-wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de
-belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten.
-Wilt gij?”
-
-Dalima wierp zich weenend in hare armen.
-
-„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij.
-
-„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.”
-
-„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe.
-
-„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den
-slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij
-opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens
-en vooral gezegd zijn!”
-
-Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort.
-
-„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna.
-
-„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima
-schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.”
-
-„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!”
-
-„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...”
-
-„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima...
-Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?”
-
-Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone
-oogen.
-
-„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana
-het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.”
-
-„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een
-smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij
-zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng
-mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?”
-
-„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de
-dochter van een Kandjeng toean resident?”
-
-„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam
-Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik
-eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene
-Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen
-daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het
-andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een
-half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid.
-En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij
-voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het
-zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het
-geval ware.”
-
-„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima,
-terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg.
-„Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!”
-
-„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten,
-Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain
-poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.”
-
-Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer
-gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig
-aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen.
-Dat duurde evenwel slechts kort.
-
-Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de
-tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en
-begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den
-dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide:
-
-„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij
-toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.”
-
-„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet
-zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen
-bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.”
-
-„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog
-een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks
-zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op
-dat gebied laten zien.”
-
-Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door,
-totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de
-grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek)
-noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana
-zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe
-rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide,
-waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de
-koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den
-sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en
-spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en
-roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes
-vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was.
-
-„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het
-tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.”
-
-„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben.
-Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de
-gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn
-mijn lepel en vork.”
-
-Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer
-in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie
-vingertjes zien. Dalima zuchtte diep.
-
-„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg
-zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?”
-
-„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,”
-antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij
-schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef
-en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet
-daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas
-mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog
-schriel misschien, uitzuinig.”
-
-„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen.
-
-„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom,
-terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.”
-
-Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene
-„gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren,
-die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een,
-waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst
-aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die
-teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het
-verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf
-aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming
-ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal
-stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode
-verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf)
-enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd
-waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden
-knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette
-dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel
-door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef
-van hare behendigheid te geven.
-
-„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal
-kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te
-gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie
-bloemen gij verkrijgen zult!”
-
-Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een
-onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge
-meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche
-bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten
-en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar
-schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij
-had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene
-vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken.
-
-Of dat lang zou duren?
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVI.
-
-LIM HO’S HUWELIJK.
-
-
-Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal
-speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het
-was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon
-van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de
-lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh,
-wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den
-schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven
-had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht,
-geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat.
-
-Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te
-Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de
-algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch
-huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die
-bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon
-gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een
-sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier
-verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had
-dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te
-worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah
-Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van
-mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes,
-vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat
-vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het
-bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een
-uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat
-eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer
-die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de
-meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen
-aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de
-eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij
-gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en
-dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve
-meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen
-berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk
-gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde
-kaart met menigen zoen betaald.
-
-Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van
-opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het
-gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde
-niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens
-werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging
-plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied,
-dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt
-aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees
-omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi!
-
-Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen.
-Integendeel!
-
-Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een
-optocht naar den Chineeschen tempel.
-
-Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen,
-[241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów
-Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden
-te laten afsmeeken.
-
-Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet
-gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke
-door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps
-Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd
-door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen,
-polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil
-van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het
-trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren.
-Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende,
-eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne
-valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste
-afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die
-alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het
-vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven.
-
-De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers,
-terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren
-lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood
-beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het
-geheel een echt Chineesch relief verleenden.
-
-De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see”
-genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort
-nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de
-bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij
-kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner
-hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine
-stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren,
-en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten.
-
-In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van
-Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op
-het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels,
-murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen,
-terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo
-omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder
-begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den
-heenmarsch te zaam gedrongen had.
-
-Maar den volgenden dag was de groote feestdag.
-
-Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om
-de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af
-te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van
-de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing
-vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf
-zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door
-jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht
-rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den
-ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar
-gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam.
-Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig
-grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk
-soms zoodanig, dat hooren en zien verging.
-
-Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die
-plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid
-werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde
-alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die
-gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken)
-afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan
-Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van
-Krakatoea kinderspel was geweest.
-
-Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de
-„Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot
-vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen.
-
-Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps
-muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd
-hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom
-voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen.
-
-Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als
-door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren
-luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen
-beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen
-voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen
-vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde,
-en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een
-ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames
-werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden.
-
-Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden
-bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in
-gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze
-plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als
-draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar
-verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het
-huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245]
-genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond,
-bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd.
-Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh
-Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van
-roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan
-prijkten.
-
-„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent
-toch dat gekrabbel op die roode lappen?”
-
-„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de
-Chinees galant.
-
-„Maar, wat beteekenen zij?”
-
-„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen
-over deze woning.”
-
-„En de anderen?”
-
-„Dat zijn de vijf zegeningen.”
-
-„En die zijn?”
-
-„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een
-einde, dat het leven kroont.”
-
-„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat
-zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele
-lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij
-hingen.
-
-Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven
-koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer
-fijn geslepen waren.
-
-„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van
-zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen
-raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?”
-
-„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?”
-
-De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om
-zijne lippen.
-
-„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze
-kunstwerken meer waardeerdet.”
-
-„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw.
-
-„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met
-de vracht en inkomende rechten...”
-
-„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende.
-
-„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien.
-Wil njonja....?”
-
-„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?”
-
-„Bijna vierhonderd gulden, njonja.”
-
-„En daar hangen er een dertigtal meen ik?”
-
-„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.”
-
-„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor
-tienduizend guldens aan lantaarns!”
-
-Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s
-genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der
-kostbaarheden, die hij uitstalde.
-
-„En zie eens die „how-iâ’s.””
-
-De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer,
-die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee
-hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten.
-
-„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn.
-Is het niet?”
-
-„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.”
-
-„Maar, babah.”
-
-„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien
-haan daar op het altaar?”
-
-„Ja, babah; die is prachtig gesneden.”
-
-„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd
-gulden.”
-
-„Maar, gij moet rijk zijn, babah.”
-
-„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn
-bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van
-heden avond kosten?”
-
-„Neen, babah, zeg op.”
-
-„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.”
-
-„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw.
-
-„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet,
-hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?”
-
-„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij,
-babah.”
-
-„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot.
-
-„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet
-ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!”
-
-„Toch niet zoo erg, njonja.”
-
-„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?”
-
-De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een
-weinig.
-
-„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?”
-
-Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn
-binnenste zijne praalzucht en snoeverij.
-
-„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone
-Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was.
-
-„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken.
-
-„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit
-loopende jaar, nietwaar?”
-
-„Ja, njonja.”
-
-„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand
-plaats hebben, is zoo niet?”
-
-„Ja, njonja.”
-
-„Zijt gij van plan mede te bieden?”
-
-„Ik denk het wel, njonja...”
-
-„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde
-Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat
-beteekenen die letters op die lollengs, babah?”
-
-Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar
-eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken.
-
-„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.”
-
-„En op die daar?”
-
-„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.””
-
-Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de
-vermeende luisteraars.
-
-„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt
-het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger
-zult hebben.”
-
-„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift.
-
-„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.”
-
-„Die!” mompelde de Chinees onthutst.
-
-„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam,
-terwijl zij hem strak aankeek.
-
-Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast
-de schoone vrouw voort.
-
-„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met
-iets schampers in hare stem op.
-
-„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij.
-
-„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht
-innen.”
-
-„Ho, ho!” grinnikte de Chinees.
-
-„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens
-twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het
-monopolie.”
-
-„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat
-zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is
-onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om
-zonder verlies te werken.”
-
-„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte
-Laurentia spottend op.
-
-„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet
-gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd...
-dan...”
-
-„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er
-thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?”
-
-De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en
-scheen in berekeningen verdiept te zijn.
-
-„Minstens tien,” antwoordde hij.
-
-„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract
-opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?”
-
-Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling
-daar nog iets bij te voegen.
-
-De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan
-den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan
-moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche
-muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie
-deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef
-stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was,
-dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was
-zelfs geen Shan Sao bestand.
-
-Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat
-en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose
-sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te
-verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige
-snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden.
-[247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand
-te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die
-tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep
-van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet
-ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig
-opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten
-blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het
-jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam”
-(oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens,
-die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan
-elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en
-toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige
-stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het
-huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van
-geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt.
-
-De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow
-Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal
-nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een
-rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken
-tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop
-van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet
-brak, en ledigden nu de bekers geheel en al.
-
-„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de
-huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te
-verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim
-Ho is dat niets; maar dat lieve kind....”
-
-„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg
-Grenits ondeugend.
-
-„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de
-nabijheid.
-
-„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner.
-
-„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene.
-
-„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?”
-
-De Chinees lachte schalks.
-
-„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend.
-
-De omstanders proestten het uit.
-
-„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de
-algemeene hilariteit deelde.
-
-„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten.
-
-De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone
-Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der
-bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen
-tegenover die toornige blikken.
-
-„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te
-zamen.
-
-Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der
-bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen
-elkander bogen.
-
-„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits.
-
-„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden
-knikkend.
-
-„Shut!” klonk het alweer.
-
-„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor
-fluisterend, maar uitdagend.
-
-Onze advocaat boog verlegen het hoofd.
-
-„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.”
-
-„Shut!”
-
-De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen.
-
-Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter
-dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd,
-gevuld waren.
-
-„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis.
-
-„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden.
-
-„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat
-„obat” (medicijn)?”
-
-„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den
-Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk
-beginsel der natuur...” [251]
-
-„Shut!” klonk het allerwegen.
-
-Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit
-balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander.
-Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede,
-in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de
-bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en
-de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het
-eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der
-plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn
-slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd?
-
-Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop
-twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van
-haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die
-daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle
-lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste
-familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche
-woorden.
-
-„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen
-berichtgever.
-
-„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king,
-uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.
-[252]”
-
-„Maar, wat beteekent die aanhaling?”
-
-„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De
-perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze
-jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare
-huiselijke zaken regelen.””
-
-Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had,
-negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de
-huwelijksplechtigheid afgeloopen.
-
-Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de
-kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen
-mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook
-verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes,
-daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten
-dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo
-een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen
-verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd.
-
-Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh
-Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen
-voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes
-in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met
-welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod,
-keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der
-aanwezigen te ontvangen.
-
-Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche
-huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de
-jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne
-vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten,
-en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te
-nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van
-vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te
-verdrijven.
-
-De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm,
-openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de
-saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al
-lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent”
-genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die
-plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te
-jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met
-twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon
-van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong
-zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar,
-om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden.
-
-Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te
-hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken.
-Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen,
-die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden;
-gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren
-echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog
-aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen
-een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem,
-zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover
-dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest
-beklemmen.
-
-Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch
-Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch
-Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de
-jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik
-gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het
-geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien
-hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de
-bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij
-voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het
-dan ook op bescheidener voet gevierd worden.
-
-Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de
-ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de
-champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid
-wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra
-stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een
-beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de
-luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s”
-(violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te
-voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de
-slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener
-vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat
-ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden.
-
-
-
-Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het
-menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt
-Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte
-Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare,
-Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255]
-Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz.
-
-De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken
-dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche
-officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen
-zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats
-gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord
-nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van
-toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing,
-die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij
-Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en
-den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en
-der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die
-edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien.
-
-Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat
-de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden
-ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het
-geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de
-voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en
-van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door
-het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige
-hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift
-werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet!
-
-Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh
-bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een
-prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders
-het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de
-Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij
-voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste
-paren het dansterrein.
-
-„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de
-resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis
-heeft gerookt!”
-
-„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach
-van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig
-geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden
-gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk,
-dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.”
-
-De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVII.
-
-EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT.
-
-
-Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen
-alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van
-Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken
-emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele
-millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de
-grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan.
-
-Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat
-niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne
-tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van
-Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne
-weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche
-huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te
-halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te
-wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche
-bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van
-Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool
-bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen.
-
-Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen
-rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote
-astraallamp over zijne schrijftafel gebogen.
-
-„Nog aan den arbeid?” vroeg de een.
-
-„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere.
-
-„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde.
-
-„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels)
-gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog
-op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens
-toeteren en spektakel maken.”
-
-En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der
-residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter
-der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het
-geschut vernomen.
-
-„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits
-verachtelijk glimlachende op.
-
-„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den
-dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan
-hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij
-den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig,
-toen gij zoo even binnentraadt...”
-
-„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo
-over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor.
-
-„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven
-ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.”
-
-„Van Willem Verstork?”
-
-„Hoe maakt hij het?”
-
-„Is hij welvarend?”
-
-„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?”
-
-Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig
-uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur
-een goed hart toe.
-
-„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich
-uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.”
-
-„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals
-hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet
-in zijne plaats te zijn.”
-
-„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden.
-
-„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van
-Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne
-particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna
-van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet
-kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is
-voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig,
-daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en
-meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat
-maar; och, dan was alles nog niet verloren.”
-
-Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den
-gastheer tot weemoed moest stemmen.
-
-„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid
-niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken.
-Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”...
-
-„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool.
-
-Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet
-direct op.
-
-„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij.
-
-Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat
-kan mij dat schelen?”
-
-„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur
-voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is
-volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....”
-
-„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....”
-
-„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.”
-
-„Niets?”
-
-„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.”
-
-Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken.
-
-„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte
-nacht!”
-
-Allen keken een poos bedrukt voor zich.
-
-„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg
-Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending
-wenschte te geven.
-
-„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon.
-„Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het
-meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets
-gezellig voor vriendenkout.”
-
-Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat
-inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot
-vertrouwelijkheid verlokte.
-
-„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio,
-geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En
-toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden:
-
-„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij.
-
-En op de toestemmende beweging zijner gasten:
-
-„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,”
-(Sabieio, geef haantjesbier met ijs).
-
-Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam
-Van Nerekool:
-
-„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert:
-
-„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht
-in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van
-pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en
-anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht
-over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in.
-Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij
-onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor
-u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de
-opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te
-zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn
-zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de
-Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die
-veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.”
-Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner
-familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden
-bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming,
-geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk
-over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits
-zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel
-aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg
-niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen
-niet verdienen.”
-
-„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat
-ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene
-mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen
-overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel
-daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die
-uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond
-wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo
-dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij
-ongeschikt tot iedere poging daartoe maken.
-
-„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch
-kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en
-hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op
-het geen volgen gaat.
-
-„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche
-Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen
-omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets
-wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken
-wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door
-tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een
-geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm
-eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is.
-Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om
-pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn.
-Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die
-pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen
-anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop,
-anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch
-Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers
-vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last
-der Regeering stipt de hand te doen houden.”
-
-„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch
-Bestuur.
-
-„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen
-aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze
-verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met
-een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen
-van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne
-ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de
-heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook
-met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op
-die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als
-zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een
-gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken.
-
-„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de
-regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele
-rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië
-rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was
-misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen
-beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel
-beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik
-de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de
-evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo
-ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de
-laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten
-slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van
-de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene
-uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken.
-
-„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van
-mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik
-gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare
-prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen.
-Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een
-tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als
-de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten
-wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt.
-
-„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op
-mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel,
-vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet
-te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den
-laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad
-in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te
-zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij
-toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om
-andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het
-opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds
-twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat
-gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met
-een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het
-opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van
-’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat
-gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op
-de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de
-regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de
-beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt,
-ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe
-familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als
-onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag
-hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen
-ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te
-rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding
-noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische
-opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid,
-gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...””
-
-„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield
-met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n
-edelaardig karakter als onze Willem.”
-
-„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij
-bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen,
-dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden
-kunnen aanbrengen!”
-
-„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden.
-
-„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te
-uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet
-waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen,
-inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...”
-
-„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe
-Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?”
-
-„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis
-er aan toe.
-
-„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij
-driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets
-te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een
-paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen
-onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet
-kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel
-verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te
-benadeelen?”
-
-„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend.
-
-„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een
-zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die
-pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen
-nemen....”
-
-„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die
-maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van
-het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!”
-
-„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent
-de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk
-genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en
-beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men
-blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken,
-die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot
-verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in
-den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden.
-Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak
-nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme
-Indië rust?”
-
-Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas,
-neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die
-overtuiging gevestigd.
-
-„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,...
-wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven,
-wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden
-zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares
-trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de
-feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron
-verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu
-zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet
-altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij
-zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer
-dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in
-handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich
-de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u
-die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op
-plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om
-de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het
-oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor
-den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden
-van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen
-daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven
-gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt
-denken.
-
-„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren
-geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij
-aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie
-zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de
-opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij
-Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel
-Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien
-wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen
-niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval
-was.
-
-„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer
-ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en
-omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig
-te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle
-krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het
-pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en
-telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal
-opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking
-van het geheele eiland bezit.”
-
-„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen.
-Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was,
-[261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld
-werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong
-Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene
-wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och,
-dat zult gijlieden wel kunnen gissen.”
-
-„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons
-als een klontje kandijsuiker!”
-
-„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om.
-Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich
-failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den
-gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich
-terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden.
-Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de
-pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op.
-
-„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal
-mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het
-strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en
-Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.
-
-„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende
-stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende
-oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....”
-
-„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet
-veel.”
-
-„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden.
-
-„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te
-Santjoemeh....”
-
-„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in
-de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.”
-
-„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool.
-
-„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en
-daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren;
-want hij was van zestig op tachtig gesprongen.
-
-„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?”
-
-„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk:
-
-„„Dan sareboe!” (nog één duizend)
-
-„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod
-zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden.
-
-„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien
-laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner
-volmacht bereikt. Hij mocht niet verder.
-
-„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot
-den aarzelende.
-
-„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die
-voor afslager dienst deed.
-
-„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde
-maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong
-Mo toegewezen.
-
-„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan
-pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er
-overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele
-te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?....
-
-„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot
-dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton
-ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar
-om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der
-oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.”
-
-„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij
-zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte,
-niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit
-te schieten.
-
-„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging
-August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner
-hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de
-Chineezen volstrekt niet gierig....”
-
-„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een
-kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis.
-
-„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen
-wij er van avond niet.”
-
-„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene
-opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.”
-
-„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits.
-
-„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren
-nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....”
-
-„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette
-perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.”
-
-„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August
-onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000
-’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een
-dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.”
-
-„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool.
-
-„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te
-krijgen.”
-
-„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging.
-
-„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een
-glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten
-noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet
-uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De
-smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali
-op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en
-binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium
-overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd,
-een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch
-trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met
-stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat
-op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de
-Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel,
-die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij
-de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën
-hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen
-hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten
-ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand
-van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen,
-onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed,
-zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was,
-het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt,
-daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van
-het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne
-onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands
-kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het
-wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne
-bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden
-achterlieten.
-
-„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de
-Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die
-door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters
-belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java
-geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had,
-den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang
-zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die
-gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van
-belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de
-haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze
-épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen
-zijn.”
-
-„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?”
-vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
-
-„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo
-binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn,
-blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den
-Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote
-gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij
-die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve
-de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk
-nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.”
-
-„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met
-alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden
-worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!”
-
-„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen
-langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van
-aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten.
-
-„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies
-op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene
-bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde
-er niets meer van weten....”
-
-„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis.
-
-„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij
-ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik
-verleent.”
-
-„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der
-Nederlanders!”
-
-„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke
-lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd
-opgevoerd worden!”
-
-
-
-
-
-
-
-XXXVIII.
-
-DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG.
-
-
-Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren
-harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken
-hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te
-redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi
-gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne
-manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een
-verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld
-geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich,
-hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en
-door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op
-het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel
-was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den
-resident Van Gulpendam.
-
-„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich
-aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van
-Van Beneden niet verdrongen waren.
-
-Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat
-evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van
-Rheijn het gesprek.
-
-„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio
-Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat
-die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie
-waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel
-degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet
-duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche
-opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is
-zwaar.”
-
-Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een
-paar seconden, alvorens hij antwoordde:
-
-„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde
-het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet
-ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche
-beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde
-beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik
-vooral de blanken op het oog had....”
-
-„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van
-Rheijn diepbewogen.
-
-„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal
-processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene
-nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een
-oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie
-hier, wat die nota ongeveer inhield:
-
-„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel
-in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun
-zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat
-zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe
-geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige
-individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen
-resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden
-achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt
-denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands
-geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium
-ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of
-onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar.
-Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke
-moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s
-noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen
-25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen
-kosten een.
-
-„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets!
-Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp
-vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in
-den regel bij den duivel te biecht.
-
-„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te
-houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per
-paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet
-verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de
-bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat
-hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent
-men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de
-ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat,
-zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te
-leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele
-inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders
-over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen
-volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer
-niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?”
-
-„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle
-opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de
-pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen,
-dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van
-individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de
-belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot.
-Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den
-sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota
-voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht
-ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als
-smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die
-pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het
-niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd
-dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was
-toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop
-hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters
-bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele
-verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...”
-
-„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare
-herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de
-vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik
-zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij
-hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren
-aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en
-ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.”
-
-„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat
-geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot
-tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen
-van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de
-kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo
-mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik
-mededeelde....”
-
-„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht
-geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten.
-Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te
-vertellen had?”
-
-„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.”
-
-„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te
-weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.”
-
-„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer
-uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.”
-
-„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn.
-
-„Van Murowsky, onzen dokter?”
-
-„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?”
-
-„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en
-hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in
-tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn
-geheel voorlezen.”
-
-„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.”
-
-„Komt er iets over kapellen in voor?”
-
-„Ja.”
-
-„En over kevers en slangen?”
-
-„Misschien ook.”
-
-„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig
-zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet),
-geen dekschild, geen...”
-
-„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen
-glimlachend. „Luistert maar:
-
-„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten
-brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande
-somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart
-toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep,
-wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne
-komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe
-omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne
-overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De
-enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte
-mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één
-beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en
-bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste
-vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan
-dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn
-insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de
-officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de
-pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik
-daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is
-wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje
-gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder
-handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....”
-
-„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit.
-„Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten,
-of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een
-plaatsje bezorgen.”
-
-„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard.
-„Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet
-erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.”
-
-„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of
-beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die
-afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters,
-in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen,
-in het Duitsch, in het Poolsch....”
-
-„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in.
-
-„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....”
-
-De vrienden schaterden het uit.
-
-„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?”
-
-„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide,
-„eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini
-Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar
-bakkesje wel zien.”
-
-„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die
-evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen
-had.
-
-„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik
-eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel
-spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten,
-stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de
-muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de
-officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke
-champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de
-Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie
-wilde aandoen, totaal genezen.”
-
-„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor
-je Karel!”
-
-„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de
-hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de
-coleoptera....”
-
-„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen,
-niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog
-door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt,
-is onvergeeflijk.”
-
-„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de
-crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste
-verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er
-geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van
-gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof
-bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel
-van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om
-mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook
-om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was.
-Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan
-den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het
-Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan
-den entomologischen hartstocht te mogen wijden.
-
-„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige
-kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk
-krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.”
-
-„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de
-weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op
-het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde.
-Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar
-Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik
-legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen
-over.
-
-„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou
-parelen voor de zwijnen geworpen zijn....”
-
-„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert
-niet door beleefdheidsvormen.”
-
-„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van
-straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u
-mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder
-meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos.
-Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met
-zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het
-vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij
-daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer
-aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft
-mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet
-ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden.
-Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne
-opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik
-onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen.
-
-„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche
-gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat
-middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of
-niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het
-opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een
-vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.”
-
-„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!”
-
-„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,”
-meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan
-onuitstaanbaar pedant zijn.”
-
-„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van
-wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat
-mij voortgaan:”
-
-„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een
-uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug
-daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met
-zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang
-Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene
-hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een
-breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den
-Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met
-hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen,
-om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan
-sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste
-gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders
-„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...”
-
-„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in,
-„daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen
-weet, wat ons nog te wachten staat!”
-
-„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen,
-maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort:
-
-„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale
-rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid,
-welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes
-bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun
-nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat
-droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over,
-dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan.
-Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval,
-dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe
-middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots
-gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa,
-die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure
-qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...”
-
-„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers
-zouden zij daaraan vinden?”
-
-„Laat mij voortgaan.”
-
-„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een
-délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid
-vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen
-kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en
-prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan.
-Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan
-die nestjes verleent....”
-
-„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche
-Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der
-vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er
-afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals
-men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te
-drijven.”
-
-„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen
-voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het
-laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint
-half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat”
-heeft in December plaats.
-
-„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes
-gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen
-der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand
-der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de
-Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart
-popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken.
-Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand
-bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik
-dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries
-heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan
-eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog
-verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren
-zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild
-tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in
-verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn
-oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots,
-waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n
-gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet
-uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen.
-
-„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan
-den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die
-als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den
-Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een
-machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der
-rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje
-tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende
-melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de
-zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat
-die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas
-hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is
-en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een
-hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten
-geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid
-voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen
-waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den
-aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n
-spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of
-zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale
-fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar
-dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte.
-
-„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden.
-Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te
-dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider
-halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s
-zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid
-bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen
-te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem
-vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen
-houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou
-aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der
-werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te
-vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam:
-
-„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages
-van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een
-dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne
-hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de
-wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt
-kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der
-grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak
-bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen.
-
-„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes
-een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte
-langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan
-in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij
-onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt
-het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen
-verbrijzeld worden of ellendig verdrinken.
-
-„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling
-bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is
-aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen
-woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang
-Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De
-kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden,
-hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de
-overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden,
-en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich
-de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter
-betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan
-hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen.
-Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken
-[272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin
-tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15,
-zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...”
-
-„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te
-vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes
-hebben.”
-
-„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De
-Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel
-vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een
-pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd
-gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept.
-Het is bij God schandelijk!”
-
-„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden.
-
-„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal
-dan ook beantwoord worden.”
-
-„Welnu, vervolg!”
-
-„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem
-meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....”
-
-„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God
-betere het!”
-
-„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig.
-
-„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som
-herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te
-verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het
-hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog
-altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het
-gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen
-zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen.
-Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden
-dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in
-handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en
-Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te
-werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de
-eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden
-bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men
-heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel,
-vrienden, is....de opium!
-
-„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het
-gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die
-vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe
-Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde
-staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen
-wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke
-hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die
-pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium
-verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan
-worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone
-dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder
-1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken
-van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die
-respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang-
-en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4
-voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs
-amfioen.
-
-„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en
-daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van
-elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van
-elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen
-worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere
-sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders,
-iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps,
-ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang
-amfioen.
-
-„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel
-verdere strekking. Vrienden, leest maar verder:
-
-„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen
-loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige
-feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb
-liggen, staat letterlijk: [275]
-
-„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen,
-hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der
-aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand,
-die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.”
-
-„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs
-amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8
-kedawangs verstrekt.”
-
-„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde
-brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt
-76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de
-overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde
-grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs.
-
-„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der
-ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de
-geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het
-product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het
-bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke
-heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het
-geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum
-zooveel mogelijk op te zweepen.
-
-„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is
-toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te
-vertellen...”
-
-„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis.
-
-„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn.
-
-„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”,
-meende Van Beneden.
-
-„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen
-kijken goed uit hun oogen.”
-
-„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun
-oogen.”
-
-„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen,
-Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.”
-
-„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het
-allerinteressantste komt eerst aan.”
-
-Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van
-Nerekool vergezeld.
-
-„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits.
-
-„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.”
-
-„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen).
-
-Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene
-nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en
-neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor.
-
-
-
-
-
-
-
-XXXIX.
-
-MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH.
-
-
-„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort.
-
-„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn
-garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het
-aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op
-weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te
-exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik
-niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een
-prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote
-beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met
-een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik
-was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van
-Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid
-gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken
-langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te
-hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den
-vorm eener ineengedrongene evoluta....
-
-„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor
-dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen
-het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette.
-Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en
-doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg
-kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte
-vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte.
-Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne
-voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al
-verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij
-slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op
-een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen
-uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de
-inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling,
-waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes,
-die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend
-zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een
-paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig
-en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren
-uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen
-trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen
-verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik
-afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een
-honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche
-woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon
-waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte
-en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht.
-Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog
-kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik
-eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der
-morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik
-een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel
-zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft,
-of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit
-bontkleurig katoen....”
-
-Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier
-te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op
-Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat
-het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders
-was.
-
-„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard.
-
-Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak.
-
-„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om
-Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke
-ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar,
-maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik,
-dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert
-maar.”
-
-Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne
-sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van
-Rheijn vervolgde:
-
-„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik
-daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in
-één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den
-hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam;
-maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar
-ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij
-den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon
-ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken
-den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort,
-thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan
-een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich
-daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter
-verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders
-aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is
-geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de
-aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik
-deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te
-volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana,
-eene godin, te bespieden.
-
-„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te
-maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk
-daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene
-groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik
-binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene
-groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en
-scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek
-te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk
-aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het
-ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd
-nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne
-nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en
-verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was
-mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende
-terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was,
-waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog
-had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots
-achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik
-sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot
-struik.....”
-
-Allen schreeuwden het uit van lachen.
-
-„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden
-toesluipen!” grinnikte Grenits.
-
-„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn.
-
-„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je
-wel, Karel?”
-
-„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast
-je maar.”
-
-„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk
-stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder
-doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den
-rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe
-trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door
-menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang
-en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien
-heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een
-kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo
-helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat
-alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij
-eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne
-aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne
-heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte,
-zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u
-beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van
-een uwer op zijne wangen te jagen...”
-
-Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan.
-
-„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te
-hebben.
-
-„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen
-gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen
-geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische
-schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot
-onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems
-kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral
-wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden.
-Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een
-verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de
-type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare
-ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging
-zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong,
-die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij
-duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende
-omstandigheden verkeerde....”
-
-Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel
-te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond
-te kijken.
-
-„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij.
-
-„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig
-fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het
-Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op
-eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin
-getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn
-geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch
-zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en
-haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de
-watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in
-het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere
-water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet;
-want ik meende dat gelaat te herkennen.
-
-„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige
-tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen,
-hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo
-iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een
-die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord,
-noodig zijn.
-
-„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte
-wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een
-onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de
-bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten
-elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere
-vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had
-om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de
-boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat
-de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken.
-
-„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee:
-
-„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis
-terugkeeren, baboe).
-
-„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?”
-vroeg Grashuis.
-
-„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik
-op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is
-nabij.
-
-„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen
-oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet
-hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met
-het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond,
-kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh
-op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug
-ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik
-meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het
-gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper
-toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog
-mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij
-geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder
-mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons
-vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde
-waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind
-geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen
-maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar
-de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan
-eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en....
-
-„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al
-gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug,
-de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt
-zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van
-dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op...
-Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat,
-hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij
-was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De
-verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden,
-waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een
-paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik
-kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen:
-
-„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar
-geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het
-losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of
-aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden
-beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van
-het huisje verdwijnen.
-
-„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook
-om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang
-mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het
-opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk,
-gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van
-het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het
-oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare
-bewoonsters onzichtbaar was.
-
-„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te
-schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal
-maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter
-beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....”
-
-„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij
-onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij
-opgewonden op en neer liep.
-
-„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden.
-
-„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...”
-
-„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis.
-
-„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?”
-
-„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De
-meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de
-meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht
-gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te
-verlaten.”
-
-„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste
-doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak
-overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt.
-In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou
-zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar
-mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats
-verwijderen.”
-
-„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag
-om verlof schrijven.”
-
-„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om
-te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne
-hand. Ik vergezel u bij dien tocht.”
-
-De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning,
-terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen
-werden.
-
-
-
-Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet
-verkrijgen.
-
-Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie
-aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof
-verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was
-verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie
-te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In
-afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den
-loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling
-vereischen.
-
-Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke
-Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren
-18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis
-voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen,
-waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van
-hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia
-als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal
-millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij
-en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar
-zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken,
-zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En
-zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken.
-
-Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere
-drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame
-inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door
-tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen
-verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter
-de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem
-waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche
-residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen.
-
-Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert
-maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de
-grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het
-toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging,
-verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en
-politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis
-en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij
-hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig
-gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen
-maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de
-detailprijzen van het vergift in evenredigheid.
-
-„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet
-altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht
-gesproken werd.
-
-Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had
-dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als
-onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk.
-
-Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij
-liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden,
-dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude
-worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige
-opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen.
-
-Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den
-vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe
-driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden
-was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de
-morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een
-korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken
-en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met
-gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken,
-waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der
-twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer
-drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen
-dag, dien zij beleefden, bewust waren.
-
-De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een
-paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige
-afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van
-Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden
-zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis.
-Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en
-eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren
-mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit
-cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den
-statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm.
-
-Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk
-zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen
-gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst,
-terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam
-behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden
-koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw
-waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was.
-
-Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen
-nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden,
-eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden
-aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho,
-die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen
-landaard met een uitvorschenden blik monsterden.
-
-Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de
-ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en
-handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding
-moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te
-duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn
-schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam,
-vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de
-voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd,
-ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen.
-
-Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten
-presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich
-in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw
-waardigheidsemblema prijkte.
-
-Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om
-hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den
-Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van
-Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is.
-
-Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te
-verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden
-bleven.
-
-Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden
-op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De
-lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij
-staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden,
-om zich te laven aan een verfrisschenden dronk.
-
-„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,”
-betuigde zij.
-
-De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen
-dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden
-de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden
-op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen,
-terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte
-champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt
-waren.
-
-„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een
-viertal bedienden.
-
-De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een
-schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de
-njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken,
-dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen
-zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere
-andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine
-teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen
-bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu
-anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met
-eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden.
-
-„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op.
-
-„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet.
-
-In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg.
-
-„Isi glas lagie!” beval zij.
-
-En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van
-Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met
-fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de
-champagneflesschen rondliepen om in te schenken.
-
-Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de
-voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten.
-
-„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,”
-vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons
-berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet;
-vindt ge niet?”
-
-Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten
-zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en
-gegalonneerde landsdienaren naar binnen.
-
-„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de
-bedienden:
-
-„Lakas, kassie glas sama toean toean!”
-
-Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet
-de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar
-woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende
-dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte
-te werpen.
-
-„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh
-saja takoet” (maar ik vrees).
-
-„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust.
-
-„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!”
-
-„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het
-pachtcontract opgenomen zijn.”
-
-„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...”
-
-Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den
-steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een
-der bedienden was aangereikt.
-
-„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een
-luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van
-de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen.
-
-„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van
-politie.
-
-„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar.
-
-Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid
-gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der
-babah’s wonderlijk zonderling te kijken.
-
-Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door
-de lucht.
-
-„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze
-pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de
-verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een
-paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal
-geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.”
-
-Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij
-in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren
-blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde
-plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van
-ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de
-tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing
-een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning
-Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide
-groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande.
-
-„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract
-voorlezen,” sprak de resident plechtig.
-
-Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier
-onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te
-kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor
-dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in
-naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle
-aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de
-secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald
-was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal
-opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract
-bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk
-voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen.
-
-Toen die lezing ten einde was, sprak de resident:
-
-„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf
-honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en
-dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?”
-
-„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem.
-
-„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere.
-
-„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek.
-
-„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen.
-
-Er had eene poos verademing plaats.
-
-„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam
-kalm en afgemeten.
-
-„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van
-de tafel hield.
-
-Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op.
-
-„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd
-mengende.
-
-„Vijftien honderd duizend!”
-
-Het gevecht was in vollen gang.
-
-„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter.
-
-Andermaal trad eene stilte in.
-
-„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem.
-
-De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne
-nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe
-met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde
-champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen
-toe. Het was toch ook zoo snikheet.
-
-„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident.
-
-In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der
-aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid
-naar binnen.
-
-„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij.
-
-„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter.
-
-Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken
-werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de
-bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene
-zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan,
-onafgebroken aangeboden of gevuld werden.
-
-„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam.
-
-„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent
-van Lim Yang Bing.
-
-„Achttien honderd duizend!” riep deze.
-
-Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot
-riposteeren aan te moedigen.
-
-„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit
-op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf.
-
-„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter.
-
-De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel
-met een schier onhoorbare stem uit te brengen:
-
-„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!”
-
-„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit.
-
-Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen
-hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De
-kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem
-achteruit en beletten hem te spreken.
-
-„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er
-op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal
-opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.”
-
-Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de
-glazen... Maar niets, niets meer hielp.
-
-„Twee millioen guldens... eenmaal!....”
-
-„Twee millioen guldens... tweemaal!....”
-
-„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen
-guldens... driemaal!”
-
-Boum! daar viel onherroepelijk de hamer.
-
-„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische
-Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan
-babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!”
-
-Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk
-bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting.
-Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem
-de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas
-champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een
-oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en
-opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd
-werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart
-zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden....
-Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het
-beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke
-wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig
-waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte.
-
-
-
-Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde
-met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten
-met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud:
-„Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van
-Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag.
-
-Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het
-telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met
-tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op
-Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig
-loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het
-noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en
-prevelde:
-
-„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!”
-
-Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend
-aan.
-
-„Gij nog hier?” vroeg hij.
-
-Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem
-met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder
-onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren
-zwoegenden boezem.
-
-„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!”
-
-„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen
-geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet
-ondankbaar zal wezen.”
-
-
-
-
-
-
-
-XL.
-
-HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM.
-
-
-Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren
-voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z.
-M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot
-ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van
-die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat
-onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der
-opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in
-buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van
-Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen
-had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de
-groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer
-andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden
-worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de
-gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds
-de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het
-zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals
-hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning
-vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de
-inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws
-verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de
-koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie
-gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij
-welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en
-ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en
-meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten
-vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne
-medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de
-voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de
-constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden.
-
-Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming,
-was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het
-heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en
-telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit
-Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam
-ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen
-gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van
-belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst
-toegeschreven worden.
-
-Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en
-dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke
-gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd
-daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de
-sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als
-slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een
-luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren,
-waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh
-tegenwoordig moest wezen, en ook was.
-
-Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden,
-gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en
-dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het
-„virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk
-schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen
-zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur
-strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van
-goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan
-niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten
-komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap
-lint.
-
-„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet
-hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten
-uitwaaien.”
-
-Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest.
-
-De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude
-onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden,
-dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij
-steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan
-hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van
-samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd,
-dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen
-van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen
-in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang
-sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht
-te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne
-rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De
-drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat
-de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was.
-
-Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam
-gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat
-de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen
-slechts onrustbarende praatjes bevat hadden.
-
-Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige
-tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles
-rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren,
-hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den
-Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching
-geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen
-was.
-
-Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook
-een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot
-spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan.
-
-Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen
-over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch
-ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens
-van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij
-vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms
-samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats
-vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te
-kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten
-niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest
-onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen.
-
-„En die namen?” had de resident smalend gevraagd.
-
-„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon
-zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige,
-doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de
-afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.”
-
-De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen.
-Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd
-parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen.
-
-Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig,
-en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer
-die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij:
-
-„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal
-gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied
-vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien,
-daaromtrent zijn mijne berichten stellig.”
-
-„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik
-hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der
-Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de
-Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek
-ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het
-gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht
-haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel
-op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal
-ze wel wapenen.”
-
-„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die
-zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij
-schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!”
-
-„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor
-uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet
-ongeloofwaardig voor.”
-
-„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch.
-
-„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze
-eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders
-spreken.”
-
-Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit
-de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij
-begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat
-zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid
-vernomen werd?
-
-„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit.
-„Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand
-is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op
-de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt
-gij aan?
-
-„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur.
-
-Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de
-hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen.
-
-„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh
-afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar
-vertrekken voor ons klaar.”
-
-„En gij brengt eenige oppassers mede?”
-
-„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten
-zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor
-niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?”
-
-Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was,
-drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean
-op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij
-opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij
-steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp
-toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend
-flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich
-een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene
-westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld
-hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten
-verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand).
-
-Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij
-allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende
-feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook
-besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen
-te gaan uitblazen.
-
-En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide
-echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone
-Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op
-den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest
-den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in
-het rijtuig zat.
-
-„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de
-pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot
-zijne wederhelft gezegd.
-
-Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits
-naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van
-Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen
-kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat,
-waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere,
-waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts.
-
-
-
-Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren,
-hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen
-badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen
-menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het
-water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit
-losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen
-toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna
-overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje
-te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl
-de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen
-onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van
-menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh
-had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele
-huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere
-meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of
-bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer
-geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en
-de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden
-zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg
-daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut
-heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig
-blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens
-een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van
-herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de
-jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook
-wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan
-pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en
-spottend:
-
-„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een
-Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit
-stuiven.”
-
-„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij
-weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene
-residentsdochter meer.”
-
-Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde,
-liet zij er met een glimlach op volgen:
-
-„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!”
-
-„Op wie anders, Nana?”
-
-„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te
-goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u,
-Dalima.”
-
-„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos.
-
-„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!”
-
-„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts
-oogen voor u.”
-
-„Neen, voor u, Dalima!”
-
-„Neen, voor u, Nana!”
-
-Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken,
-wie harer dan het laatste woord behield.
-
-„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna
-eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was.
-
-„Wat bedoelt ge, Nana?”
-
-„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.”
-
-„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani”
-(stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.”
-
-„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes,
-zou ik meenen.”
-
-„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft
-ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij
-het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden
-gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.”
-
-„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.”
-
-„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.”
-
-„Een blanke, Dalima?”
-
-„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger
-zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het
-gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en
-heeft daar bij den loerah overnacht.”
-
-„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld.
-
-„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen
-vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe”
-(kapellenvangen) Poeah. [280]”
-
-„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?”
-
-„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is
-hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke
-richting.”
-
-„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?”
-
-„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.”
-
-Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde,
-dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd:
-
-„Zijt gij boos op mij, Nana?”
-
-„Neen, Dalima.”
-
-„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?”
-
-„Ik zou wel willen verhuizen.”
-
-„Verhuizen?”
-
-„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de
-landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de
-vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen
-nemen.
-
-„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt.
-
-„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam
-Anna met een zucht.
-
-„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige
-kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.”
-
-„En Ardjan dan?”
-
-Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam.
-
-„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij
-zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,”
-(verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.”
-
-Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna
-gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een
-oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr:
-
-„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het
-spoor was...?”
-
-„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen
-vluchten!”
-
-„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang.
-
-„Zwijg, Dalima!”
-
-„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...?
-Nu?”
-
-„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem
-houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat
-geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem
-denk.”
-
-„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?”
-
-„Zwijg, Dalima!”
-
-„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?”
-
-„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander
-toebehooren!”
-
-Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk
-te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In
-hare oogen was te lezen:
-
-„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig
-maken zij zich het leven toch.”
-
-Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en
-opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij
-binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest,
-en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat
-gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht
-zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde
-toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij
-den loerah genomen hadden.
-
-„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit.
-
-„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij
-eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en
-de residentsdochter met den naam Nana aansprak.
-
-„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima.
-
-„Neen,” was het antwoord.
-
-„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?”
-
-„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een
-vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die
-zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich.
-Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij
-hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor
-welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds
-bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde
-vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.”
-
-„Hebt gij niets anders gehoord?”
-
-„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd.
-Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....”
-
-Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden
-kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij
-over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van
-Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in
-tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte
-voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn
-treden, en heênvluchten.
-
-„Daar is zij!” riep Murowsky.
-
-„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem.
-
-Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra
-achter de rotsen verdwenen.
-
-
-
-Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij
-verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen.
-
-Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van
-waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij
-hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven
-bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen.
-Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende,
-wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts
-een kreet in den mond:
-
-„Voort! Theodoor, voort!”
-
-Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den
-officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar
-zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire
-bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor
-vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den
-namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den
-flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden
-morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik
-gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te
-leggen.
-
-„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige
-krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en
-snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder
-gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de
-arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle
-succes.”
-
-Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te
-genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze
-greep het papier.
-
-„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega.
-
-„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,”
-antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt.
-Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.”
-
-Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening.
-
-„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep
-hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit.
-
-„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden.
-
-„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega,
-door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las
-de dokter voor.
-
-Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep
-koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich
-daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde.
-
-„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk.
-
-„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw
-des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken
-ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden.
-
-„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh
-tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den
-gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de
-feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel
-geschikt om ons te doen ontstellen.”
-
-De dame knikte toestemmend.
-
-„Het is ontzettend!” prevelde zij.
-
-„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal
-eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven
-omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever
-is Karang Anjer hier van daan, kapitein?”
-
-„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.”
-
-„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen
-bekomen?”
-
-„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?”
-
-„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu
-ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met
-het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks
-zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees
-gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.”
-
-„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de
-Steenvlaks vindt het een goeden stal.”
-
-En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven.
-
-„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de
-vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek
-van Van Nerekool naar Karang Anjer.
-
-„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw
-Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar
-treft, voorbereid worden.”
-
-Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te
-doen.
-
-„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In
-zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin
-veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?”
-
-Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand.
-
-Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags
-den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de
-gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De
-assistent-resident had ook een telegram ontvangen.
-
-
-
-
-
-
-
-XLI.
-
-DE KETJOE’S TE SOEKA MANIESAN.—EENE ONTZETTENDE TERECHTSTELLING.
-
-
-De noodlottige tijding was maar al te waar!
-
-Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de
-eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den
-laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij
-meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen
-zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel
-daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was
-gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de
-bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden.
-
-Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der
-afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook
-den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets
-onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de
-meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde,
-dat er wel armoede heerschte.
-
-„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de
-resident gevraagd.
-
-Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen
-vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord
-zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam:
-
-„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken
-behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?”
-
-„O, ja, Kandjeng toean.”
-
-„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan
-waarop gerekend werd?”
-
-„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de
-landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng”
-(schuur) kunnen binnenbrengen.”
-
-„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?”
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met
-een zucht.
-
-Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij
-was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den
-resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de
-oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren
-terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld
-geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te
-hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van
-Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar
-de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van
-die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche
-inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet
-openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de
-borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht:
-
-„Ik weet het niet, Kandjeng toean.”
-
-Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere
-kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich
-volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek.
-
-„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het
-hoofdgebouw zijn klaar.”
-
-„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik
-wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat
-ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.”
-
-Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad,
-hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen
-binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar
-van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen,
-dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in
-hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten
-de echtelingen een heerlijke rust.
-
-De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging
-van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche
-campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den
-namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het
-residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de
-ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon
-was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs
-toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij
-in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest
-hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest
-afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van
-schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied
-door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was
-niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van
-Gulpendam wel opgedaan te hebben.
-
-Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka
-maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen
-uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en
-ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich
-met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige
-gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de
-voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo
-werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele
-landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan
-stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht.
-Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die
-het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte,
-die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo
-genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk
-voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen,
-die de gasten huiswaarts moesten brengen.
-
-Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter
-ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek
-rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien
-sluipen.
-
-„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene
-niet ongewone gebeurtenis was.
-
-„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een
-geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een
-gebaar weigerde.
-
-Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten,
-terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd
-is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar
-bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt,
-strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan
-was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een
-paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan
-de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds
-naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden
-de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de
-ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen
-„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en
-bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde
-daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan
-was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn
-vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne
-betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de
-suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek
-tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den
-opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de
-verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende,
-dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere
-verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de
-teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de
-discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil
-weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart
-gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen,
-en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die
-plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij
-slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans
-den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op
-het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag
-had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in
-stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond
-geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht
-een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich
-achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van
-Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op
-het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote
-aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist
-drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe
-de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne
-knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij
-zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat
-door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen
-werd.
-
-Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien
-dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige
-arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden,
-deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben
-kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van
-Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te
-omzwachtelen, zeide:
-
-„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.”
-
-„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard.
-
-„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den
-spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op,
-of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond
-dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.”
-
-Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van
-Van Gulpendam gestoken.
-
-„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen.
-
-Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van
-zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd,
-die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen.
-
-„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald.
-
-Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en
-draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder
-die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al
-iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen.
-
-Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op
-een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was,
-werden de andere paarden bestegen en voort ging het.
-
-„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden.
-
-„Engèh! Engèh!” kreten de overigen.
-
-Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de
-overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra
-ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet
-mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte,
-begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek
-te weêrklinken.
-
-
-
-Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er
-op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag
-bekroond werd.
-
-Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag
-een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein
-alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche
-bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben
-kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo
-duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te
-vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich
-daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den
-zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was.
-
-Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer
-geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem
-spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis
-zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam
-gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van
-den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken
-daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste
-divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met
-kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van
-pornografische strekking, versierd waren. [287]
-
-In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s
-aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier
-gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim
-Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en
-ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt
-had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar
-Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet
-konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De
-babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het
-slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en
-de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart
-gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras
-getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen.
-Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen
-ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij
-zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn
-lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel
-gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en
-weggevoerd.
-
-Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles
-onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt;
-maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de
-ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar
-van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt
-niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de
-fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter
-vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet
-gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden
-moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om
-den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van
-Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht
-men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen
-hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote
-al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In
-allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen,
-wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de
-politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan
-den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht,
-het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar
-zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van
-Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden
-ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte,
-waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt,
-zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend
-hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat
-hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien
-springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en
-daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had
-doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De
-verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze
-zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een
-grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn
-te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht
-was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden.
-En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen
-waarnemen.
-
-Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie
-was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en
-vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd
-van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed,
-of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een
-visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen,
-buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in
-zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde
-dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van
-den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend
-hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben:
-
-„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!”
-
-Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en
-onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel
-gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden
-wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben.
-
-Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij
-ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den
-regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie,
-door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den
-draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den
-armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing
-kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn.
-
-Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was
-niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die
-deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard
-werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het
-blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was,
-hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp
-aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven.
-
-Wat was er met hem gebeurd?
-
-
-
-„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid.
-
-En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing,
-waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de
-ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s
-vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe
-geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen.
-Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen
-het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was.
-
-Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen
-werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten
-gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder,
-een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den
-prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal
-Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was
-van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik
-zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van
-trotsche hooghartigheid:
-
-„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?”
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die
-van gemaakte onderdanigheid getuigde.
-
-„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen
-van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne
-Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen
-residents-rok bengelde.
-
-„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah
-ten teeken van eerbied maakten.
-
-„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar
-op het hoofd gekrenkt wordt!”
-
-Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het
-gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren
-weer stom.
-
-„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan,
-„zult gij beiden dood zijn.”
-
-„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit.
-
-„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou
-vreeselijk gewroken worden!”
-
-„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard.
-„Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;...
-daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in
-handen krijgt.”
-
-„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop.
-
-„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had,
-dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het
-wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste
-mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde
-meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in
-uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar
-botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!”
-
-Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die
-woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich
-bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die
-dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet
-begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden
-durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te
-moeten spreken.
-
-„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het
-opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker
-alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik
-gedaan?”
-
-„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende
-stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt!
-Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten
-werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl
-gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van
-dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan
-de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig
-veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen
-bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen!
-Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar
-schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is
-reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang
-hebben!”
-
-„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne
-vrouw...?”
-
-„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de
-aanvoerder zich tot een van zijn gevolg.
-
-„Njonja mampoes!” was het korte antwoord.
-
-„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar
-genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt
-leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar
-bloed!”
-
-„Die gil, dien ik dus gehoord heb....”
-
-„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan,
-ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen
-omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel
-zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen
-aangedaan hebt!”
-
-„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij
-weten te wreken!”
-
-„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!”
-
-„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert
-gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie
-zijt gij?”
-
-„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld
-van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige
-ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!”
-
-In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan
-greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het
-gelaat af.
-
-„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte
-voor de beide gevangenen ophief.
-
-„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet.
-
-„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt.
-
-Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De
-te vereffenen rekening was verschrikkelijk.
-
-„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze
-nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen.
-
-„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden
-met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden
-met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima
-geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis
-opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van
-jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden
-met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk”
-(domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij
-doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij
-Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?”
-
-Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder
-scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een
-sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien
-stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en
-handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen
-biggelden:
-
-„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng
-Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal
-mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld
-worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling
-zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof
-mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....”
-
-„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den
-aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien
-ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!”
-
-Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die
-hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien
-geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome
-gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en
-zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug.
-
-„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in
-mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het
-vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig
-zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de
-galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine
-menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij
-beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die
-zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof
-wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn
-woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...”
-
-Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor.
-
-„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden!
-Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de
-„hoekoem madoe” [288] toegedacht...”
-
-Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden.
-
-„Ampoen! Ampoen!” huilde hij.
-
-„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm.
-„Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden,
-en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de
-„hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten
-toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed,
-die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat
-ik wreeder ben dan gij waart.”
-
-„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen.
-
-„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne
-makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar
-beneden!”
-
-In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van
-Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon,
-hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra
-vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde
-bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De
-handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen
-eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho,
-hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen
-Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van
-boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen
-gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde
-Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren.
-
-„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den
-boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was,
-wijzende.
-
-„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden.
-
-Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk
-het bevel:
-
-„En, nu er op los!”
-
-Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de
-vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op
-de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het
-lichaam van pijn weg.
-
-De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer
-hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de
-Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in
-gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen;
-daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne
-beulen verteederen.
-
-„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij.
-
-Op dat gehuil klonk tot antwoord:
-
-„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!”
-
-En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam.
-Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen:
-
-„Meidema! Meidema!”
-
-„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend.
-
-Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet
-verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het
-regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten
-slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren
-had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus
-aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust
-stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende
-blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste,
-zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke
-strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden,
-om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan
-op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een,
-om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne
-dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens
-opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen.
-Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen,
-die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen
-bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden
-had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan
-ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem
-aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!”
-
-De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch
-dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij
-iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp
-de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk
-weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot
-knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede,
-die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als
-levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de
-boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk
-gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan
-verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en
-verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden,
-waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders
-met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en
-links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen
-Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen
-kroonden, her- en derwaarts vlogen.
-
-Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden.
-Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en
-hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het
-lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest
-onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne
-makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los);
-terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger
-naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en
-ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam
-nog eens de oogen.
-
-„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!”
-
-De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier
-ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten
-stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook
-Lim Ho gaf geen teeken van leven meer.
-
-De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den
-stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige
-minuten de wateren der Java-zee toevoerde.
-
-En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de
-Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending
-getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top,
-voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust
-te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de
-kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen.
-
-
-
-
-
-
-
-XLII.
-
-NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT.
-
-
-„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen.
-
-In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij
-de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen
-verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar
-zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar
-niets meer te bespeuren.
-
-„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep.
-
-Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den
-kant, van waar zij kwamen.
-
-Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad
-slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich
-voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig
-hadden.
-
-„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal.
-
-Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen:
-Anna! Anna! scherp liet hooren.
-
-Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de
-ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed
-hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van
-eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen
-eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar
-naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms,
-ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee
-bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning
-te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat
-daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden,
-werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen
-op eene geduchte proef stelde.
-
-Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld
-van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie
-hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten
-zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de
-beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want
-het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of
-links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden.
-Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de
-vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt
-hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien
-konden.
-
-Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en
-stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar,
-hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te
-ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen
-rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en
-leverde geen uitgebreiden gezichtskring op.
-
-„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit!
-Vooruit!”
-
-Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes
-waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken
-voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met
-vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij
-gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid
-gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te
-snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen
-verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij
-het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in
-zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der
-branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden
-hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans
-duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen
-richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de
-machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden,
-waartegen hij brak, toebracht.
-
-„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend.
-
-„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek.
-
-„Maar, waarheen, Nana?”
-
-„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger
-zuidwaarts wees.
-
-„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima.
-
-„Ja, daar moeten wij zijn!”
-
-„Maar, wat wilt ge daar?”
-
-„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.”
-
-„Daar eene schuilplaats, Nana?”
-
-„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!”
-
-„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima
-voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de
-naakte rots?”
-
-„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd.
-
-„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht
-nemen?”
-
-Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een
-hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin
-ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook
-was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich
-bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel,
-en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen
-wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar
-naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten,
-hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk
-gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij
-voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te
-bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij.
-Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin,
-terwijl zij prevelde:
-
-„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit).
-
-Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten.
-
-Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een
-rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor
-haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200
-voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek
-zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene
-groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets
-te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of
-zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk
-haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking
-harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog
-achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik.
-Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die
-hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig
-op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin
-neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze
-de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet
-niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima
-kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig
-achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit
-naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden.
-
-„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de
-Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een
-toevlucht zoeken.”
-
-En andermaal noordwaarts kijkende.
-
-„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te
-ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op
-het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.”
-
-Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al
-verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het
-Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden,
-welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de
-Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch
-een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water
-elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij
-nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een
-eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de
-groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de
-verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware
-vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden,
-en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden.
-Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare
-hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken
-van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende
-beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de
-gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van
-den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich
-te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil,
-scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als
-een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van
-den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde,
-des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide
-hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene
-ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog
-slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet
-van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon
-voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog
-meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden
-sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende,
-met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den
-oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee
-deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend
-tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en
-niet verder!
-
-Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in
-woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te
-voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek
-maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver
-ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige
-eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand,
-van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de
-watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke
-zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur
-zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle,
-rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der
-zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof
-groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die
-gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij
-gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden
-en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke
-moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle
-vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.
-
-„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer
-ver!”
-
-En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar
-vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren
-geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig
-zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de
-„invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen
-gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt
-was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij
-daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het
-Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals
-zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den
-oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren,
-weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo
-en cornet à piston gebracht:
-
-
- „Un jour l’âme ravie,
- Je vous vis si jolie,
- Que je vous crus sortie
- Du céleste séjour.
- Etait-ce donc un ange, une femme,
- Qui venait d’embraser mon âme?
- Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour,
- Je sais que j’âime d’un pur amour!”
-
-
-Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem:
-
-„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder,
-mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
-
-Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende:
-
-„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet
-het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal
-dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld
-bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat
-mij zoo gelukkig maakt.”
-
-Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren
-in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar
-antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de
-ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij
-nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat
-niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een
-verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in
-ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen.
-
-„Een verwoest leven!” zuchtte zij.
-
-Een plotselinge kreet deed haar ontzetten.
-
-„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen).
-
-En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad
-Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden.
-Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar
-naar de zee afdaalde, naar beneden.
-
-„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat
-gij doen?”
-
-Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar
-alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit.
-Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk
-vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was,
-welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde,
-kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste
-sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien
-natuurlijken muur naar beneden voerde.
-
-„Nana!... Nana!...” kreet zij.
-
-Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij
-zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen.
-
-„Nana!... Nana!...”
-
-Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde
-zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden...
-
-„Nana!... Nana!...”
-
-Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist
-bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg!
-
-Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht
-het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte.
-Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om
-hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof.
-
-„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals.
-
-Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van
-Nerekool stond naast haar.
-
-„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar
-is nonna Anna!”
-
-„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met
-hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte.
-
-„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op
-zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen.
-
-Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de
-gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig
-voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig,
-dat die twee hem bij de beenen grepen.
-
-„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet.
-
-„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon.
-
-Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292]
-behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde
-die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee,
-en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de
-baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin
-het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat
-uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel
-onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat
-slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij
-op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar
-woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het
-meisje opspatte als naar eene wisse prooi.
-
-Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel.
-
-„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal.
-
-Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij
-was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk
-zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe
-lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder
-naar beneden.
-
-Van Nerekool sprong op.
-
-„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd.
-
-En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen
-verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den
-afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon
-hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en
-Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat
-daar beneden hen gebeurde.
-
-Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die
-beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden
-gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig
-ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te
-brengen.
-
-Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust
-gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde
-nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig
-te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah
-Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot,
-welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te
-dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon
-geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder
-water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom
-als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij
-eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen
-verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de
-rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar
-daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde
-steeds... daalde... daalde nog meer.
-
-„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar.
-
-Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die
-ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die
-poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de
-wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen
-bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar
-binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne
-inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die
-kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare
-voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder,
-die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht,
-dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de
-handen losliet en in de diepte neerstortte.
-
-„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val.
-
-Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende
-branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in
-een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren
-donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen
-werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor
-zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk
-verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste
-wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust
-komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met
-grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom,
-die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een
-lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot
-gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare
-kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van
-het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar
-aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep
-hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed
-veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der
-stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal
-geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd
-werd.
-
-Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten
-zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het
-binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met
-gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon
-hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen.
-vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem
-fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door
-het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en
-uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk
-wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen
-op hunne nesten.
-
-Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van
-Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen.
-
-„Wat nu?” riep de een.
-
-„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere.
-
-Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij
-dat vernomen had, riep zij:
-
-„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng,
-waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!”
-
-En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat
-vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen,
-af.
-
-
-
-En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had.
-
-De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee
-blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali
-Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met
-den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste
-brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat
-gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten
-opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten?
-
-„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de
-grot brengt!”
-
-De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek
-achter het oor.
-
-„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan.
-
-Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde
-angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze
-schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van
-geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen
-hen volgden.
-
-„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak
-Grenits aanmoedigend tot hen.
-
-„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs”
-(pagaaien) gerept!”
-
-De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig
-genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs
-Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om
-te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes
-schepbladen snel vooruit.
-
-Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De
-loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de
-wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden,
-rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der
-rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees
-ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet
-zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier
-vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij
-eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de
-oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes
-tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in
-omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig
-eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De
-djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de
-melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende
-opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt.
-Zij scheen op schuim te dansen.
-
-De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te
-turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er
-tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te
-verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen
-de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een
-zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de
-daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen,
-meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als
-eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de
-djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het
-vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien
-steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds,
-als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig
-genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een
-schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te
-zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde.
-
-„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der
-baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg.
-
-De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng
-spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij
-zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij
-opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging.
-
-„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij
-zelf zijn werktuig te water sloeg.
-
-Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk
-gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een
-onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare
-seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij
-gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en
-waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder
-voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend
-kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover,
-vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met
-donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen,
-en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend
-wit schuim.
-
-„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah.
-
-En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de
-wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij
-moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de
-achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle
-zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen
-de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een
-poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven....
-
-„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne
-inspanningen verdubbelde.
-
-Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op,
-die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de
-kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht
-zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot
-de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar.
-
-Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den
-ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer
-hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts
-eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen.
-
-
-
-Wat vond inmiddels daar binnen plaats?
-
-Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het
-halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij
-bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg
-uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar
-klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot
-slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte
-heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter.
-Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp
-uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al
-dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok,
-waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te
-ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij
-zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de
-bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem
-steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar
-vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de
-brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van
-haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een
-vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en
-tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het
-was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk
-was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd.
-Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van
-de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich
-van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats
-zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen
-schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek
-wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare
-weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een
-enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het
-bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar
-veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er
-aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de
-deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou
-het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot
-heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien
-tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen
-tot bij de opening en eenmaal op de ladder...
-
-„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het
-aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid
-beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen
-onbeproefd laten om ons te hulp te komen.”
-
-Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar
-doorleefde.
-
-Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op
-aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen,
-dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor
-oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne
-geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die
-zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare
-Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De
-slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der
-ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral
-de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en
-modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare
-lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen
-bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle
-bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar
-aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk
-waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen.
-
-Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld
-waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met
-een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding
-van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen.
-Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna
-daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig
-deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich
-baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke
-bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde
-verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden.
-
-Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde.
-
-Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de
-terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong,
-woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder
-hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren,
-alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te
-schrijden.
-
-„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn
-branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige
-omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In
-haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!”
-
-Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren
-bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te
-wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn
-zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover
-bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals
-in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de
-oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij
-draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat.
-Met een kreet voer zij op.
-
-„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten.
-
-Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst.
-
-„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog
-onstuimig.”
-
-„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...”
-
-En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen.
-
-„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve
-glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.”
-
-Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de
-worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve
-sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man
-bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was
-door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden.
-De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij
-sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder.
-
-„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring.
-
-Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat
-met honderden kussen.
-
-„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het
-paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!”
-
-„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende,
-beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk
-afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.”
-
-„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde.
-
-Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar.
-Althans met weemoedige stembuiging hernam zij:
-
-„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?...
-gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.”
-
-De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool
-besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit
-zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen
-hield.
-
-„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet
-kunnen worden?” vroeg hij met aandrang.
-
-„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen
-uitvoerig... Laat mij nu los!”
-
-Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter
-niet.
-
-„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij.
-
-„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende.
-
-„Nu uw vader en moeder d...”
-
-„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het
-laatste woord nog uitgesproken had.
-
-Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met
-beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in
-die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne
-hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja
-ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te
-zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend
-aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed
-woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing.
-
-„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed
-zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik
-gelooven?”
-
-„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw
-kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg,
-Anna?”
-
-Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu
-evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het
-was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld
-gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op
-haar gemaakt had.
-
-„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel
-mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van
-Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.”
-
-„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet,
-waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar
-herwaarts reisde....
-
-„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?”
-
-„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar
-Soeka maniesan?”
-
-„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij.
-
-„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie
-Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het
-overlijden, een telegram...”
-
-En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet
-veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was
-omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide,
-had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen.
-
-Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen,
-om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo
-teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem
-aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd
-geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de
-scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te
-zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen
-daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad,
-om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken,
-vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te
-gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het
-goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare
-macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het
-gebeurde ongedaan maken.
-
-Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand
-ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die
-aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog,
-pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de
-kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen
-gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen,
-zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de
-rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken.
-
-„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te
-breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen.
-„Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.”
-
-Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag,
-begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de
-vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af.
-
-„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij
-ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om
-doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar
-bengelt, spoedig bereikt.”
-
-Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden,
-laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om
-haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan.
-
-„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over
-liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten
-tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet
-meer te willen ontvluchten?”
-
-Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van
-droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar
-onmogelijk een woord te kunnen uiten.
-
-„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij
-zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene
-meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”....
-
-Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep
-die hand, hij drukte er een innigen kus op.
-
-„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord
-geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier
-weg!”
-
-Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen
-vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en
-Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene
-djoekoeng bij den ingang der grot verschenen.
-
-„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!”
-
-Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare
-natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij
-voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring
-nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en
-bood haar dat aan.
-
-De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden
-waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden
-springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal
-steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen.
-
-„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij
-overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was.
-
-De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en
-werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den
-djoekoeng glijden.
-
-Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar
-uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het
-huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die
-samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het
-zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en
-waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die
-twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met
-jachtgeweren gewapend waren.
-
-Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij
-zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude
-zijn.
-
-Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong
-terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid
-nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky.
-
-„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht
-geslaagd?”
-
-„Uitmuntend,” antwoordde Grenits.
-
-„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?”
-
-„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen
-een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293]
-gevangen.”
-
-„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het
-lijf.”
-
-Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan
-het kapelletje dat opgespoord was.
-
-
-
-Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool
-in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer
-door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van
-Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard
-van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der
-plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den
-resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst
-werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram
-de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van
-Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan
-den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig
-niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van
-laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat
-[294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van
-Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis
-vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar
-toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het
-koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit
-hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van
-dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de
-jonggetrouwden omgaf.
-
-Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van
-Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden
-reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar
-overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar
-Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne
-dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten.
-Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo
-namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte
-was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht!
-Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme
-bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan
-zoude het opiumverbruik wel verminderen.
-
-
-
-En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel
-van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima
-weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten
-van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind
-had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in
-weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had
-zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter
-worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten
-droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind
-hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen
-ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het
-wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een
-eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten,
-doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door
-een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te
-felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou
-vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van
-de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer
-wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op
-de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de
-heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was
-niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve
-opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de
-Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd
-hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht
-de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren
-laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd.
-Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de
-huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor
-ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen
-zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij
-door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat
-voornemen stipt getrouw zou blijven.
-
-
-
-
-
-
-
-AANTEEKENINGEN
-
-
-[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het
-jaar 1886.
-
-[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s
-noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R.
-Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata.
-
-[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische
-naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust
-wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes
-beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het
-meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus
-Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de
-Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon.
-In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang
-de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die
-microscopisch klein zijn.
-
-[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën
-behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage
-stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer
-fraai en uitmuntend timmerhout op.
-
-[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk
-van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden.
-
-[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel
-geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.”
-
-[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die
-naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren.
-Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van
-wege hunne kronkelingen genoemd.
-
-[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang
-uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt.
-
-[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij
-riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken
-bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij
-hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar
-kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet
-wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen
-gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het
-gevaar althans is dan verdwenen.
-
-[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet
-onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden.
-
-[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de
-bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga
-Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die
-vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw
-achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint.
-
-[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin
-uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als
-foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok
-uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot
-de dood er op volgt.
-
-[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die
-veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam
-is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten.
-
-[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord
-hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de
-plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen,
-tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken.
-
-[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild
-botermerk in Ned.-Indië.
-
-[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede
-te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G.
-
-[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe
-met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is.
-
-[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca
-edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen
-zeer gewild zijn.
-
-[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima
-beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn
-verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D.
-soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D.
-berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn.
-
-In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem
-gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die
-Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor
-model van haar romantisch zusje gediend.
-
-[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal
-Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer:
-„Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren
-naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van
-terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters
-bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.”
-
-[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor
-politie-agenten.
-
-[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de
-Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens
-de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig
-rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het
-bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt
-om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende
-geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje
-Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten
-te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz
-donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek
-uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De
-Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen.
-Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den
-hoogst mogelijken graad van woede opgezweept.
-
-[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de
-scherpte van de steenkalk.
-
-[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene
-slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot
-is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd.
-
-[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het
-hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen
-wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde
-plek van het huis.
-
-[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode
-boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een
-onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje
-doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa
-der geleerden.
-
-[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt
-bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de
-Platydactylus guttatus.
-
-[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige,
-gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca
-maakt.
-
-[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij
-het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die
-door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden.
-Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een
-volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke
-onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd
-heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die
-cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis.
-
-[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De
-Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens,
-kris, lans, enz. zijner voorouders.
-
-[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen
-toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den
-handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen
-minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land-
-en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman
-op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de
-waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme
-verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen
-kan.
-
-[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier
-bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk
-bladz. 267.
-
-[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de
-Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api
-grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het
-verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene
-echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is
-de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige
-groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie.
-
-[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het
-heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat
-een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning
-schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters
-aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag.
-
-Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij
-miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.:
-
-„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van
-sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters,
-een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de
-hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang
-het belang der pachters medebrengt het te behouden.”
-
-[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium
-bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van
-onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat
-alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van
-den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F.
-Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend
-scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C.
-Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt.
-
-[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een
-gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande
-te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst
-per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te
-worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven.
-
-[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche
-rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn
-gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan
-wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld
-uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur,
-en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa
-(Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van
-ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken
-daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen)
-toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of
-assistent-residenten als voorzitters der landraden op.
-
-[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden
-gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen
-wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof
-van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196.
-
-[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet
-daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een
-uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene
-bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele
-litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der
-Staten Generaal.
-
-[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te
-onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15,
-16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de
-Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van
-1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven.
-
-[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige
-zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer
-dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard
-vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge
-gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg
-besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele
-gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de
-wandelingen.
-
-[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de
-opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van
-de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis
-Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer
-ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten
-nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel
-schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium
-uitmaakt.
-
-[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met
-den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J.
-den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden
-en G. Kolff & Co., te Batavia.
-
-[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van
-al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels
-vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40
-hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een
-vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar
-ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel
-eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen
-opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi
-behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil
-daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft
-geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de
-borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er
-bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met
-fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden
-het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen,
-voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen
-een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon,
-daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen.
-De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie
-de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong
-lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche
-naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een
-soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend
-opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd.
-
-[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de
-geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een
-sterk werkend aphrodisiacon gehouden.
-
-[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94
-meter.
-
-[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste
-assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest
-verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten
-is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er
-bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera
-Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn
-vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die
-door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon
-assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de
-Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche
-vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de
-bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam =
-Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met
-machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de
-djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de
-djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de
-voornaamsten zijn.
-
-[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening,
-kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten.
-De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium
-oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis
-jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus
-rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima.
-
-[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata.
-
-[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door
-de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal,
-Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden.
-
-[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De
-Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die
-gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de
-Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken
-ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime
-circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand
-bestendigd werd.
-
-[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental
-vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen.
-Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was
-het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij
-eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind.
-Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en
-negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef
-de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel
-om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal
-der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden,
-„door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich
-meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van
-het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het
-doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.”
-
-Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov.
-1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de
-Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door
-verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan
-eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer
-ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste
-wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door
-haar zelve geschied is?
-
-[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die
-dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene
-teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij
-moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare
-maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te
-vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van
-ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz.
-
-[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal
-gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni
-plaats, in de bergstreken later.
-
-[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van
-den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van
-Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115.
-
-[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere
-instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam
-vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg
-overbodig is.
-
-[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen
-wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa,
-een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde
-staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden
-door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der
-blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche
-hoofden plaats.
-
-[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis,
-die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en
-bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest
-verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van
-insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de
-handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een
-jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar
-hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij
-Pteropus edulis geheeten.
-
-[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
-
-[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der
-kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er
-bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar
-ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige
-bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een
-paar kamertjes bespeeld worden.
-
-[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De
-gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort
-glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn.
-
-[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op
-Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het
-gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische
-legenden aanschouwelijk gemaakt.
-
-[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De
-ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de
-ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste
-soort.
-
-[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou
-kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit
-verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister
-eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting
-van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden,
-die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd
-waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten.
-„Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging
-zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer
-was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief
-gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten
-en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche
-moeite worden gemaakt.”
-
-Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst
-schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld
-wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer
-oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij
-uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel
-overdreven mag heeten.
-
-[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de
-Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een
-Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige
-bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag.
-Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in
-N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean
-Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt
-volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening
-No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s
-studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij
-inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de
-opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan
-worden.
-
-[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van
-een katie, of het 0,368 van een milligram.
-
-[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor
-1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154.
-
-[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed
-Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij
-één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid
-opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd
-gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch
-binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te
-gronde richtte.”
-
-[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas!
-toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische
-dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen.
-Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger
-voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in
-grachten, slooten, enz. gevonden.
-
-[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht
-Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald.
-
-[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche
-feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot.
-
-[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt
-men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend,
-omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in
-alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat
-overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier
-bevelen te zorgen heeft.”
-
-[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de
-geleerden Canarium commune geheeten.
-
-[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die
-eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren.
-Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend.
-
-[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager
-bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van
-den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en
-volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant
-l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door
-Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in
-de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem
-zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa
-heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de
-landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden.
-
-[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche
-grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn.
-
-[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De
-hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia.
-
-[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden.
-Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om
-zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in
-het haar gedragen worden.
-
-[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den
-geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de
-hoofdplaats Makassar.
-
-[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de
-Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche
-hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en
-Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn
-reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten
-vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek
-aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai
-inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn
-kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer
-volmaakt op dit gebied uit te denken is.
-
-[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde
-bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica.
-
-[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de
-geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede
-Acacia tomentosa.
-
-[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn
-allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd,
-de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de
-drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur.
-
-[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver
-niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden
-heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke
-overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht
-maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar
-welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven
-toestand van verwaarloozing verkeerden.
-
-[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk
-besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche
-landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij
-Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de
-comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen.
-De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden
-zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en
-Nederland plukt er de vruchten van.
-
-[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag,
-hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen.
-
-[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken
-uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming.
-
-[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode
-te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van
-de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het
-ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische
-Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen
-gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij
-den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke
-visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd,
-een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit
-werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld.
-
-[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een
-scheldnaam.
-
-[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende.
-
-[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren.
-
-[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen
-behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis
-beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers
-met graagte genuttigd.
-
-[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera
-foetida geheeten.
-
-[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten.
-
-[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de
-aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren.
-
-[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den
-Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij.
-
-[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij
-schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea.
-
-[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van
-N.-I. XXXVste Deel.
-
-[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie
-zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede
-Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning
-dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872.
-
-[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht
-op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o.
-a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop
-gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens.
-
-[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te
-worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat”
-geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die
-vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212
-aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet
-waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient
-bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte
-vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen.
-
-[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie
-daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78.
-
-[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te
-vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar.
-
-[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich
-aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz.
-reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz.
-162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De
-Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer
-van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor
-sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het
-amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie
-verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.”
-
-[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte
-niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de
-Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het
-Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd.
-
-[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen
-aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De
-opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22
-millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen.
-Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk
-riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt.
-In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog
-geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche
-Vertegenwoordiging!
-
-[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen
-artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het
-Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de
-Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik
-aanbevelen.
-
-[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om
-door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te
-verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister
-van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen
-dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei
-1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt,
-leert de noot op de vorige bladzijde.
-
-[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel
-verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk,
-aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd.
-September 1884 No. 1.
-
-[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van
-opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872
-(Ind. Stbl. No 170).
-
-[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij!
-Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen
-gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de
-Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel,
-maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in
-den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst
-aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt.
-
-[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong
-op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens
-gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in
-Noord-Oost-Celebes maakt.
-
-[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een
-der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden
-over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den
-Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen.
-
-[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft
-en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene
-verliest, wat hij reeds erlangd heeft.
-
-[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s
-binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen,
-wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin
-in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd.
-
-[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die
-op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden
-aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt
-Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn
-zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde
-genoemde Eclypta erecta.
-
-[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma.
-
-[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona
-Grandis.
-
-[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger
-wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis
-geheeten.
-
-[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren.
-
-[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De
-Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam.
-
-[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den
-regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten,
-die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk.
-
-[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond
-aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt
-daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt
-en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot
-de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera.
-
-[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren.
-
-[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de
-uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche
-uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te
-bevestigen.
-
-[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van
-bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang”
-genaamd, gaar wordt gestoomd.
-
-[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort
-bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel
-uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort
-bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten.
-Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer
-saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet
-vergeten is. Atjaran’s zijn zuren.
-
-[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch
-gekookt.
-
-[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of
-gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche
-peper.
-
-[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende
-bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd.
-
-[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s.
-peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout
-fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S.
-telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper
-met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen
-gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort,
-die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak
-beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte,
-die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum
-baccatum) verkregen wordt.
-
-[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met
-uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur.
-
-[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch,
-die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de
-zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan
-van hertenvleesch.
-
-[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch
-gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes
-geregen.
-
-[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste
-is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met
-kruiden ingewreven en met boter besmeerd is.
-
-[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke
-zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere
-behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep
-beteekent gerookt.
-
-[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten
-vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote
-menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de
-oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus.
-Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer
-dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is.
-
-[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859
-bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te
-Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van
-verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene
-Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek
-verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten
-verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op
-zijn beurt met het spek in aanraking was geweest.
-
-[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal
-ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige
-werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der
-aanteekeningen.
-
-[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong
-koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned.
-Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat
-regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de
-zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk:
-
-„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling
-van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder
-middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op
-te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt
-daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van
-opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer
-voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend,
-dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot
-dusverre geene onverschillige zaak is geweest.”
-
-Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat
-leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd
-met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En
-laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou
-duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting
-door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel
-gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen.
-
-[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders
-minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork
-zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden
-waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?....
-Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een
-man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche
-aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De
-geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is
-woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over
-opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het
-Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door
-dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn
-opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de
-toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij
-onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de
-inlassching in mijne romantische schets noodig was.
-
-[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische
-Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat
-niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring
-over te brengen.
-
-[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op
-Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een
-vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen
-aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en
-voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus
-geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard.
-
-[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned.
-Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in
-Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de
-voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden.
-
-[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr.
-Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de
-overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het
-middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan.
-
-[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te
-koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de
-opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch
-Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat.
-
-[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den
-controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen
-omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en
-Madoera opgedragen.
-
-[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te
-verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat
-binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s,
-receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten
-dan binnen.
-
-[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders.
-
-[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen
-wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken
-wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt.
-
-[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen.
-Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is,
-zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des
-ours gewaagde.
-
-[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium,
-de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C.
-Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd.
-
-[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië
-geboren zijn.
-
-[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het
-eerste deel.
-
-[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de
-Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd
-worden.
-
-[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd
-van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder.
-
-[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de
-Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen
-wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken,
-lakkel maken.
-
-[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de
-brochure:
-
-Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische
-rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste
-deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe
-stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik
-gaarne.
-
-[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura
-(Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als
-volgt:
-
-„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art.
-22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd
-en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden
-onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft
-bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl.
-regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de
-verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt:
-
-a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7​; b) aan den aanhaler of de
-aanhalers 2⁄7​; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en
-het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7​; blijvende... enz.”
-
-[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter.
-
-[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter.
-
-[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5
-(Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de
-aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van
-gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat
-hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als
-aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate
-van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No
-106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de
-assistent-residenten voor de politie.
-
-[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½
-graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op
-Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij
-uitnemendheid.
-
-[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van
-de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J.
-M. de Groot.
-
-[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van
-het Arabische sjachbat = vriend.
-
-[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt:
-
-„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop
-geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een
-duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie
-opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een
-honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de
-eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling
-voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren.
-
-„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot
-Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid
-buiten den ketting van gelijke duur.”
-
-Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf.
-
-Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij!
-Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige
-smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen
-veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver
-van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens
-welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot
-dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het
-recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook
-toegepast wordt.
-
-Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht!
-
-[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal
-gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts
-ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart
-gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en
-brandstichting daarbij niet zelden voorkomen.
-
-[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de
-vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante
-gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet
-vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is
-opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten,
-en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche
-inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de
-belangrijkheid van hunne perceptiën.
-
-[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op
-periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden
-verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de
-opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ
-3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend
-slechts ƒ 13,87 per katie.
-
-[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot
-onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van
-Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste
-alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document).
-
-[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de
-militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel
-opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der
-wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk
-mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien
-kommandant geopend worden.
-
-[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de
-residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en
-een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene
-zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het
-punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op
-1900 voet boven de oppervlakte der zee.
-
-[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte
-vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn
-hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de
-Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het
-Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene
-hoogte van 1252 voet.
-
-[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e
-deel.
-
-[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde
-afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst
-zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.
-
-[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de
-wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.
-
-[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst
-bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat
-gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen
-denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan,
-om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van
-de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de
-opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en
-opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild
-vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een
-denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt.
-Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De
-hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een
-behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij,
-die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No.
-863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident
-Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte.
-Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele
-veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage
-van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook
-aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te
-Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in
-staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze
-veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek
-door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”
-
-’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen
-uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande
-aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?
-
-[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke
-werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter
-zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig
-de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java
-en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd
-werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)
-
-[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan
-overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke
-streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op,
-bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar
-ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara,
-Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de
-Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27
-Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en
-dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd
-worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden
-handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat
-men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel
-veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit
-in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in
-het donker gepleegd?
-
-[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk
-gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een
-veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het
-opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet
-scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product
-opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door
-apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de
-meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen,
-dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde.
-Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het
-bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen
-volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te
-onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie,
-behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen
-bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring
-verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters
-was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.
-
-[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den
-December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis
-van den balk en den splinter!
-
-[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den
-heer Keuchenius niet geldt.
-
-[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan
-had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de
-oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in
-Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn
-voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:
-
-„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met
-den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf
-werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”
-
-Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door
-die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid,
-dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is.
-
-[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk
-geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van
-het Zuiden.
-
-[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam
-worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid.
-
-[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd
-heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge
-Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare
-verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich
-zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren
-echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne
-terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en
-toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was,
-terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld
-nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo
-zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der
-Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare
-Europeesche geslachtsgenooten.
-
-[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl.
-naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea
-Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den
-wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader
-behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam
-duidelijk zullen zijn.
-
-[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een
-vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat
-zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de
-koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van
-een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt
-katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier
-onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is,
-eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf
-overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is.
-
-[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds
-nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur.
-liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die
-bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te
-vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen.
-
-[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat =
-telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De
-telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen
-(Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van
-elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750
-M. of 1⅙ paal geschat kan worden.
-
-[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en
-vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s
-binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De
-koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het
-ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich
-laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes
-gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets
-ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent.
-
-[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij
-breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar
-vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden.
-
-[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283
-van het eerste deel.
-
-[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza
-glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene
-zeer gewilde lekkernij.
-
-[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga
-saccharifera.
-
-[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht.
-
-[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht
-maar met sterken geur.
-
-[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht
-bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het
-evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee
-dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer.
-
-[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open
-lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een
-sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee
-dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s
-hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank
-in de heldervolle a over.
-
-[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover
-niet oude getrouwde vrouwen bezigen.
-
-[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen
-onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit
-betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot
-degelijke werklieden gevormd kunnen worden.
-
-[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld.
-
-[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en
-stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een
-sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het
-speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de
-gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de
-Chavica bettle.
-
-[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te
-kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig
-mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot.
-
-[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van
-het eerste deel.
-
-[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen
-die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht
-overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening
-volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die
-aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden.
-
-Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men
-aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel
-Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000
-dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600
-katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het
-katie 708,000
-Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die
-hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en
-madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000
-In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No.
-229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883
-Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende
-jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den
-pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave
-vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000
- =========
-totaal uitgaven 2,604,000
-
-Transport uitgaven 2,604,000
-Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de
-Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren
-van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de
-rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts
-11800 katies tjandoe verkregen werden.
-Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de
-pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata
-of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200
- =========
-zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200
-
-Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De
-bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te
-voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te
-doen is.
-
-De quaestie verandert evenwel, wanneer de
-sluikhandel in het spel komt. Een der meest
-bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen
-D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600
-kisten opium, die hen van gouvernementswege
-verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat
-is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het
-onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde
-opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900
-katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en
-verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600
-tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87,
-die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777;
-waarbij te voegen om te zuiveren en te
-prepareeren 6,000; 169,777
- =========
-zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823
-
-En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift,
-toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van
-een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond
-te kijken.
-
-Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van
-ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs
-de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en
-een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt
-daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen,
-dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten
-worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het
-geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen
-langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van
-ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde.
-
-[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v.
-Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade
-opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel
-zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen.
-
-[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël
-heeft 100 mata’s.
-
-[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te
-Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het
-recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij
-Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:
-
-„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een
-vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen,
-om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.”
-
-Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen
-door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel
-zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof
-niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene
-overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de
-verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In
-verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47
-van het eerste deel.
-
-[210] Mata beteekent eigenlijk oog.
-
-[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed
-Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was
-iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank
-gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en
-had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na
-volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen
-bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over
-hand toe.
-
-[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78
-van het eerste deel.
-
-[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te
-vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het
-Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid,
-die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik
-mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om
-mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von
-Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke
-waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij
-door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het
-manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen,
-die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.
-
-Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke
-hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens
-geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel
-meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een
-grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel
-spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene
-Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor
-vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14
-cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn
-proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.
-
-[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames
-een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden
-in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat
-volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der
-beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of
-te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de
-laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche
-geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe!
-
-[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van
-de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie
-daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat
-er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich
-begrijpen.
-
-[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal
-pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden.
-Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant
-l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op
-bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil
-du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le
-M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du
-conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter
-serment.
-
-[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan
-militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben
-een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne
-hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij
-verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor,
-kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen
-worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een
-majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-,
-drie kapiteins- en tien luitenants-titulair.
-
-[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen
-gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening
-No. 2 aangehaald op bladz. 149.
-
-[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots.
-
-[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste
-beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de
-Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J.
-M. de Groot.
-
-[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande.
-
-[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de
-meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt.
-Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de
-kolonisten uit hun vaderland medegebracht.
-
-[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter
-afwering van het schelle daglicht.
-
-[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page,
-photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n
-landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de
-onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan
-hebben verrijkt.
-
-[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder
-de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83
-dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren
-voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand
-is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op
-Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden.
-
-[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de
-geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van
-pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van
-Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in
-die gewoonte?
-
-[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk
-nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie
-waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in
-zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A
-l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le
-ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le
-djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont
-répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà
-le débat oral devenu inutile.”
-
-[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent
-de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel.
-
-[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer
-gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste
-jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne
-van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen
-spreken, welke toch waarborgen van succes geven.
-
-[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de
-oppervlakte der zee.
-
-[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een
-natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel
-stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de
-zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt,
-totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en
-dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den
-waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den
-ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig
-zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de
-Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij
-springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan,
-de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de
-Zuidkust van Java.
-
-[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens
-professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten
-stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren.
-
-[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte
-doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank.
-
-[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza
-indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie
-heggen en heeft zeer welriekende bladeren.
-
-[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds
-aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is
-dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd
-ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders,
-waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras
-behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen.
-
-[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma
-officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt,
-om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het
-door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te
-verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder
-van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie
-bruine kleur oplevert.
-
-[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens
-geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een
-tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte
-goed gebracht werden.
-
-[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan;
-Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van
-de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa.
-
-[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door
-de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt
-door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der
-tinten zacht, minder scherp te maken.
-
-[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras.
-
-[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen.
-Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de
-Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot.
-
-[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is
-een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie
-in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den
-titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot
-vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg.
-van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald
-werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als
-godin der vruchtbaarheid in groot aanzien.
-
-[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij
-ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt
-vereischte.
-
-[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht
-ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit
-een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris
-mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo
-een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der
-feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken.
-Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der
-kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid
-veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde
-soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere
-en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen
-slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het
-geknetter van het geweervuur laat vernemen.
-
-[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur
-genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen
-in den echtelijken staat.
-
-[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij
-ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der
-Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede
-te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer
-en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien
-communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der
-eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der
-laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de
-mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd.
-Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir.
-
-„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang
-Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor
-Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000
-opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen,
-volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk.
-
-„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie
-jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt
-natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie
-en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten
-daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig
-bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.”
-
-[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een
-haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de
-Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De
-perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een
-schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der
-zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden.
-Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge
-onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de
-perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte
-veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te
-koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen
-van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de
-vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien.
-
-[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep,
-van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij
-het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te
-midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een
-hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en
-bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad.
-
-[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de
-Chineezen de eereplaats.
-
-[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds
-vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J.
-J. M. de Groot op bladz. 68.
-
-[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel
-en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens
-de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of
-het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en
-Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide
-regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal
-vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en
-regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met
-Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in
-één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die
-twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op
-bladz. 45.)
-
-[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.
-Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst
-bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus.
-
-[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van
-wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes
-worden op dunne stokjes bevestigd.
-
-[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook.
-
-[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren)
-geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van
-die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de
-Chineezen rattenooren verorberen.
-
-[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat
-gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De
-soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis
-genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen
-en veelvuldig in den handel gebracht.
-
-[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van
-de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië
-verworven heeft.
-
-[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege
-bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan
-de voet van de eerst aangehaalde bladz.
-
-[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn
-letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145.
-De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele
-litteratuur niet zielverheffend is.
-
-[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin,
-waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te
-vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158.
-
-[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting
-opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats
-van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden,
-waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en
-Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197),
-luidt:
-
-„De verpachting wordt gehouden:
-
-„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident
-van Batavia, ter hoofdplaats Batavia;
-
-„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en
-Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn
-gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang;
-
-„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van
-Gewestelijk Bestuur.”
-
-[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java
-zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking
-meer gewild dan de centen.
-
-[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd
-was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die
-nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer
-bladzijden voor zich liggen.
-
-[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus
-beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw
-Agatha van Bemmelen.
-
-[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera,
-crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve
-schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera
-vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als
-de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de
-torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben.
-
-[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en
-bereikt eene hoogte van 2580 voet.
-
-[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie
-Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog.
-
-[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah
-Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den
-grond uit.
-
-[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche
-Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols
-vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886
-geraamd op ƒ 174.000.
-
-[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie
-de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort,
-waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen
-der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt,
-dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft
-halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer
-twee duim middellijn hebben.
-
-[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang
-Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt,
-dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak.
-
-[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze
-streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong
-door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift
-voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het
-Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853,
-bladz. 304.
-
-[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname
-vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het
-Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden.
-Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden
-genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw,
-met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de
-handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een
-zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in
-een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma,
-welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie
-ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren.
-
-[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche
-te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft.
-Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een
-kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding,
-om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op
-te zweepen.
-
-[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie
-bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz.
-238.
-
-[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa
-eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik
-spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland
-met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine
-inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt
-tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″
-Oosterlengte van Greenwich.
-
-[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een
-strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het
-middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen
-doorgeslagen wordt.
-
-[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts
-uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag
-een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus
-drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig
-langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden
-gebruikt.
-
-[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam.
-
-[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang
-voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de
-fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen
-beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan;
-anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt
-wordt.
-
-[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta
-naar Tjifatjap was in aanleg.
-
-[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java
-aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den
-dood.
-
-[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel.
-
-[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning
-op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de
-logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel
-aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden,
-wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden.
-
-[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der
-binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een
-Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in
-haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert
-zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een
-boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten
-bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer.
-
-[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum
-officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de
-teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch
-riet genoemd en munt uit door suikergehalte.
-
-[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van
-wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren.
-Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van
-Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een
-klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren
-de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de
-hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten!
-
-[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele
-gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast
-wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel
-ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf
-met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die
-lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op
-het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid
-en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de
-beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel
-gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens
-de dood hem uit zijn lijden verlost.
-
-[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van
-het eerste deel.
-
-[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den
-Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng.
-
-[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op
-7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien
-heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet
-met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is.
-
-[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet
-lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt
-daarmede zeer weinig.
-
-[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel
-gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van
-Gulpendam.
-
-[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de
-grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene
-hoogte van 10.385 voet.
-
-[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste
-deel.
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/65832-0.zip b/old/65832-0.zip
deleted file mode 100644
index 576571f..0000000
--- a/old/65832-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65832-h.zip b/old/65832-h.zip
deleted file mode 100644
index b4c44c3..0000000
--- a/old/65832-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65832-h/65832-h.htm b/old/65832-h/65832-h.htm
deleted file mode 100644
index 9c57704..0000000
--- a/old/65832-h/65832-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,27435 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html
-PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
-<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-07-13T19:27:53Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
-<html lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8">
-<title>Baboe Dalima</title>
-<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
-<meta name="author" content="Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901)">
-<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg">
-<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
-<meta name="DC.Creator" content="Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901)">
-<meta name="DC.Title" content="Baboe Dalima">
-<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
-<meta name="DC.Format" content="text/html">
-<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
-<meta name="DC:Subject" content="Opium abuse -- Fiction">
-<meta name="DC:Subject" content="Java (Indonesia) -- History -- 19th century -- Fiction">
-<meta name="DC:Subject" content="Opium trade -- Indonesia -- Fiction">
-<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */
-html {
-line-height: 1.3;
-}
-body {
-margin: 0;
-}
-main {
-display: block;
-}
-h1 {
-font-size: 2em;
-margin: 0.67em 0;
-}
-hr {
-height: 0;
-overflow: visible;
-}
-pre {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-a {
-background-color: transparent;
-}
-abbr[title] {
-border-bottom: none;
-text-decoration: underline;
-text-decoration: underline dotted;
-}
-b, strong {
-font-weight: bolder;
-}
-code, kbd, samp {
-font-family: monospace, monospace;
-font-size: 1em;
-}
-small {
-font-size: 80%;
-}
-sub, sup {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-}
-sub {
-bottom: -0.25em;
-}
-sup {
-top: -0.5em;
-}
-img {
-border-style: none;
-}
-body {
-font-family: serif;
-font-size: 100%;
-text-align: left;
-margin-top: 2.4em;
-}
-div.front, div.body {
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-div.back {
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div0 {
-margin-top: 7.2em;
-margin-bottom: 7.2em;
-}
-.div1 {
-margin-top: 5.6em;
-margin-bottom: 5.6em;
-}
-.div2 {
-margin-top: 4.8em;
-margin-bottom: 4.8em;
-}
-.div3 {
-margin-top: 3.6em;
-margin-bottom: 3.6em;
-}
-.div4 {
-margin-top: 2.4em;
-margin-bottom: 2.4em;
-}
-.div5, .div6, .div7 {
-margin-top: 1.44em;
-margin-bottom: 1.44em;
-}
-.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
-.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
-margin-bottom: 0;
-}
-blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
-.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
-margin-top: 0;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
-clear: both;
-font-style: normal;
-text-transform: none;
-}
-h3, .h3 {
-font-size: 1.2em;
-}
-h3.label {
-font-size: 1em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h4, .h4 {
-font-size: 1em;
-}
-.alignleft {
-text-align: left;
-}
-.alignright {
-text-align: right;
-}
-.alignblock {
-text-align: justify;
-}
-p.tb, hr.tb, .par.tb {
-margin: 1.6em auto;
-text-align: center;
-}
-p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
-font-size: 0.9em;
-text-indent: 0;
-}
-p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
-margin: 1.58em 10%;
-}
-td.tocDivNum {
-vertical-align: top;
-}
-td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-.opener, .address {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-}
-.addrline {
-margin-top: 0;
-margin-bottom: 0;
-}
-.dateline {
-margin-top: 1.6em;
-margin-bottom: 1.6em;
-text-align: right;
-}
-.salute {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.signed {
-margin-top: 1.6em;
-margin-left: 3.58em;
-text-indent: -2em;
-}
-.epigraph {
-font-size: 0.9em;
-width: 60%;
-margin-left: auto;
-}
-.epigraph span.bibl {
-display: block;
-text-align: right;
-}
-.trailer {
-clear: both;
-margin-top: 3.6em;
-}
-span.abbr, abbr {
-white-space: nowrap;
-}
-span.parnum {
-font-weight: bold;
-}
-span.corr, span.gap {
-border-bottom: 1px dotted red;
-}
-span.num, span.trans, span.trans {
-border-bottom: 1px dotted gray;
-}
-span.measure {
-border-bottom: 1px dotted green;
-}
-.ex {
-letter-spacing: 0.2em;
-}
-.sc {
-font-variant: small-caps;
-}
-.asc {
-font-variant: small-caps;
-text-transform: lowercase;
-}
-.uc {
-text-transform: uppercase;
-}
-.tt {
-font-family: monospace;
-}
-.underline {
-text-decoration: underline;
-}
-.overline, .overtilde {
-text-decoration: overline;
-}
-.rm {
-font-style: normal;
-}
-.red {
-color: red;
-}
-hr {
-clear: both;
-border: none;
-border-bottom: 1px solid black;
-width: 45%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-margin-top: 1em;
-text-align: center;
-}
-hr.dotted {
-border-bottom: 2px dotted black;
-}
-hr.dashed {
-border-bottom: 2px dashed black;
-}
-.aligncenter {
-text-align: center;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-font-size: 1.44em;
-line-height: 1.5;
-}
-h1.label, h2.label {
-font-size: 1.2em;
-margin-bottom: 0;
-}
-h5, h6 {
-font-size: 1em;
-font-style: italic;
-}
-p, .par {
-text-indent: 0;
-}
-p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
-text-transform: uppercase;
-}
-.hangq {
-text-indent: -0.32em;
-}
-.hangqq {
-text-indent: -0.42em;
-}
-.hangqqq {
-text-indent: -0.84em;
-}
-p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
-float: left;
-clear: left;
-margin: 0 0.05em 0 0;
-padding: 0;
-line-height: 0.8;
-font-size: 420%;
-vertical-align: super;
-}
-blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
-font-size: 0.9em;
-margin: 1.58em 5%;
-}
-.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
-text-decoration: none;
-}
-.advertisement, .advertisements {
-background-color: #FFFEE0;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.footnotes .body, .footnotes .div1 {
-padding: 0;
-}
-.fnarrow {
-color: #AAAAAA;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-}
-.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
-color: #660000;
-}
-.fnreturn {
-color: #AAAAAA;
-font-size: 80%;
-font-weight: bold;
-text-decoration: none;
-vertical-align: 0.25em;
-}
-a {
-text-decoration: none;
-}
-a:hover {
-text-decoration: underline;
-background-color: #e9f5ff;
-}
-a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
-font-size: 67%;
-line-height: 0;
-position: relative;
-vertical-align: baseline;
-top: -0.5em;
-text-decoration: none;
-margin-left: 0.1em;
-}
-.displayfootnote {
-display: none;
-}
-div.footnotes {
-font-size: 80%;
-margin-top: 1em;
-padding: 0;
-}
-hr.fnsep {
-margin-left: 0;
-margin-right: 0;
-text-align: left;
-width: 25%;
-}
-p.footnote, .par.footnote {
-margin-bottom: 0.5em;
-margin-top: 0.5em;
-}
-p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
-float: left;
-min-width: 1.0em;
-margin-left: -0.1em;
-padding-top: 0.9em;
-padding-right: 0.4em;
-}
-.apparatusnote {
-text-decoration: none;
-}
-table.tocList {
-width: 100%;
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-border-width: 0;
-border-collapse: collapse;
-}
-td.tocPageNum, td.tocDivNum {
-text-align: right;
-min-width: 10%;
-border-width: 0;
-white-space: nowrap;
-}
-td.tocDivNum {
-padding-left: 0;
-padding-right: 0.5em;
-}
-td.tocPageNum {
-padding-left: 0.5em;
-padding-right: 0;
-}
-td.tocDivTitle {
-width: auto;
-}
-p.tocPart, .par.tocPart {
-margin: 1.58em 0;
-font-variant: small-caps;
-}
-p.tocChapter, .par.tocChapter {
-margin: 1.58em 0;
-}
-p.tocSection, .par.tocSection {
-margin: 0.7em 5%;
-}
-table.tocList td {
-vertical-align: top;
-}
-table.tocList td.tocPageNum {
-vertical-align: bottom;
-}
-table.inner {
-display: inline-table;
-border-collapse: collapse;
-width: 100%;
-}
-td.itemNum {
-text-align: right;
-min-width: 5%;
-padding-right: 0.8em;
-}
-td.innerContainer {
-padding: 0;
-margin: 0;
-}
-.index {
-font-size: 80%;
-}
-.index p {
-text-indent: -1em;
-margin-left: 1em;
-}
-.indexToc {
-text-align: center;
-}
-.transcriberNote {
-background-color: #DDE;
-border: black 1px dotted;
-color: #000;
-font-family: sans-serif;
-font-size: 80%;
-margin: 2em 5%;
-padding: 1em;
-}
-.missingTarget {
-text-decoration: line-through;
-color: red;
-}
-.correctionTable {
-width: 75%;
-}
-.width20 {
-width: 20%;
-}
-.width40 {
-width: 40%;
-}
-p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
-color: #666666;
-font-size: 80%;
-}
-span.musictime {
-vertical-align: middle;
-display: inline-block;
-text-align: center;
-}
-span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
-padding: 1px 0.5px;
-font-size: xx-small;
-font-weight: bold;
-line-height: 0.7em;
-}
-span.musictime span.bottom {
-display: block;
-}
-ul {
-list-style-type: none;
-}
-.splitListTable {
-margin-left: 0;
-}
-.numberedItem {
-text-indent: -3em;
-margin-left: 3em;
-}
-.numberedItem .itemNumber {
-float: left;
-position: relative;
-left: -3.5em;
-width: 3em;
-display: inline-block;
-text-align: right;
-}
-.itemGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.itemGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.itemGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-.titlePage {
-border: #DDDDDD 2px solid;
-margin: 3em 0 7em 0;
-padding: 5em 10% 6em 10%;
-text-align: center;
-}
-.titlePage .docTitle {
-line-height: 1.7;
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .docTitle .mainTitle {
-font-size: 1.8em;
-}
-.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle,
-.titlePage .docTitle .volumeTitle {
-font-size: 1.44em;
-}
-.titlePage .byline {
-margin: 2em 0 2em 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .byline .docAuthor {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-.titlePage .figure {
-margin: 2em auto;
-}
-.titlePage .docImprint {
-margin: 4em 0 0 0;
-font-size: 1.2em;
-line-height: 1.5;
-}
-.titlePage .docImprint .docDate {
-font-size: 1.2em;
-font-weight: bold;
-}
-div.figure {
-text-align: center;
-}
-.figure {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.floatLeft {
-float: left;
-margin: 10px 10px 10px 0;
-}
-.floatRight {
-float: right;
-margin: 10px 0 10px 10px;
-}
-p.figureHead, .par.figureHead {
-font-size: 100%;
-text-align: center;
-}
-.figAnnotation {
-font-size: 80%;
-position: relative;
-margin: 0 auto;
-}
-.figTopLeft, .figBottomLeft {
-float: left;
-}
-.figTopRight, .figBottomRight {
-float: right;
-}
-.figure p, .figure .par {
-font-size: 80%;
-margin-top: 0;
-text-align: center;
-}
-img {
-border-width: 0;
-}
-td.galleryFigure {
-text-align: center;
-vertical-align: middle;
-}
-td.galleryCaption {
-text-align: center;
-vertical-align: top;
-}
-tr, td, th {
-vertical-align: top;
-}
-tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
-vertical-align: bottom;
-}
-td.label, tr.label td {
-font-weight: bold;
-}
-td.unit, tr.unit td {
-font-style: italic;
-}
-td.leftbrace, td.rightbrace {
-vertical-align: middle;
-}
-span.sum {
-padding-top: 2px;
-border-top: solid black 1px;
-}
-table.inlinetable {
-display: inline-table;
-}
-table.borderOutside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderOutside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-}
-table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.verticalBorderInside td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border-left: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft {
-border-left: 0 solid black;
-}
-table.borderAll {
-border-collapse: collapse;
-}
-table.borderAll td {
-padding-left: 4px;
-padding-right: 4px;
-border: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop {
-border-top: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellHeadBottom {
-border-bottom: 1px solid black;
-}
-table.borderAll .cellBottom {
-border-bottom: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft {
-border-left: 2px solid black;
-}
-table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight {
-border-right: 2px solid black;
-}
-tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
-border-top: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
-border-right: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
-border-top: 1px solid black !important;
-border-bottom: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
-border-right: 1px solid black !important;
-border-left: 1px solid black !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
-border: 1px solid black !important;
-}
-tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
-border-top: none !important;
-}
-tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
-border-right: none !important;
-}
-tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
-border-left: none !important;
-}
-tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
-border-top: none !important;
-border-bottom: none !important;
-}
-tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
-border-right: none !important;
-border-left: none !important;
-}
-tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
-border: none !important;
-}
-.cellDoubleUp {
-border: 0 solid black !important;
-width: 1em;
-}
-td.alignDecimalIntegerPart {
-text-align: right;
-border-right: none !important;
-padding-right: 0 !important;
-margin-right: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalFractionPart {
-text-align: left;
-border-left: none !important;
-padding-left: 0 !important;
-margin-left: 0 !important;
-}
-td.alignDecimalNotNumber {
-text-align: center;
-}
-.lgouter {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-display: table;
-}
-.lg {
-text-align: left;
-padding: .5em 0 .5em 0;
-}
-.lg h4, .lgouter h4 {
-font-weight: normal;
-}
-.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum {
-color: #777;
-font-size: 90%;
-left: 16%;
-margin: 0;
-position: absolute;
-text-align: center;
-text-indent: 0;
-top: auto;
-width: 1.75em;
-}
-p.line, .par.line {
-margin: 0 0 0 0;
-}
-span.hemistich {
-visibility: hidden;
-}
-.verseNum {
-font-weight: bold;
-}
-.speaker {
-font-weight: bold;
-margin-bottom: 0.4em;
-}
-.sp .line {
-margin: 0 10%;
-text-align: left;
-}
-.castlist, .castitem {
-list-style-type: none;
-}
-.castGroupTable {
-border-collapse: collapse;
-margin-left: 0;
-}
-.castGroupTable td {
-padding: 0;
-margin: 0;
-vertical-align: middle;
-}
-.castGroupBrace {
-padding: 0 0.5em !important;
-}
-body {
-padding: 1.58em 16%;
-}
-.pageNum {
-display: inline;
-font-size: 70%;
-font-style: normal;
-margin: 0;
-padding: 0;
-position: absolute;
-right: 1%;
-text-align: right;
-}
-.marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-left: 1%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-}
-.right-marginnote {
-font-size: 0.8em;
-height: 0;
-right: 3%;
-position: absolute;
-text-indent: 0;
-text-align: right;
-width: 11%
-}
-.cut-in-left-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: left;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: left;
-padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
-}
-.cut-in-right-note {
-font-size: 0.8em;
-left: 1%;
-float: right;
-text-indent: 0;
-width: 14%;
-text-align: right;
-padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
-}
-span.tocPageNum, span.flushright {
-position: absolute;
-right: 16%;
-top: auto;
-text-indent: 0;
-}
-.pglink::after {
-content: "\0000A0\01F4D8";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.catlink::after {
-content: "\0000A0\01F4C7";
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
-content: "\0000A0\002197\00FE0F";
-color: blue;
-font-size: 80%;
-font-style: normal;
-font-weight: normal;
-}
-.pglink:hover {
-background-color: #DCFFDC;
-}
-.catlink:hover {
-background-color: #FFFFDC;
-}
-.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover {
-background-color: #FFDCDC;
-}
-body {
-background: #FFFFFF;
-font-family: serif;
-}
-body, a.hidden {
-color: black;
-}
-h1, h2, .h1, .h2 {
-text-align: center;
-font-variant: small-caps;
-font-weight: normal;
-}
-p.byline {
-text-align: center;
-font-style: italic;
-margin-bottom: 2em;
-}
-.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
-text-align: left;
-}
-.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
-color: #660000;
-}
-.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
-color: #AAAAAA;
-}
-a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
-color: red;
-}
-h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
-font-weight: normal;
-}
-table {
-margin-left: auto;
-margin-right: auto;
-}
-.tablecaption {
-text-align: center;
-}
-.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
-.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
-.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
-.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
-.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
-/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
-.xd30e10192 {
-text-align:right;
-}
-.cover-imagewidth {
-width:480px;
-}
-.french {
-text-align:center;
-}
-.xd30e102 {
-font-size:large;
-}
-.xd30e104 {
-font-size:x-large;
-}
-.logowidth {
-width:198px;
-}
-.titlepage-imagewidth {
-width:427px;
-}
-.xd30e3813 {
-text-indent:4em;
-}
-.xd30e3819 {
-text-indent:6em;
-}
-.xd30e3821 {
-text-indent:2em;
-}
-@media handheld {
-}
-/* ]]> */ </style>
-</head>
-<body>
-
-<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Baboe Dalima, by Michaël Théophile Hubert Perelaer</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Baboe Dalima</p>
-
-<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Michaël Théophile Hubert Perelaer</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: July 13, 2021 [eBook #65832]</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div>
-
-<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div>
-
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***</div>
-<div class="front">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 frenchtitle french"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first xd30e102">VERZAMELDE
-</p>
-<p class="xd30e104">Romantische Werken
-</p>
-<p>VAN
-</p>
-<p class="xd30e102">M.&nbsp;T.&nbsp;H. PERELAER
-</p>
-<p><i><abbr title="Gepensioneerd">Gep.</abbr> Hoofdofficier van het <abbr title="Nederlandsch-Indisch">Nederl.-Ind.</abbr> Leger</i>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure logowidth"><img src="images/logo.png" alt="Uitgerverslogo: Uitgeversmaatschappij Elsevier." width="198" height="222"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<p class="first"></p>
-<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="427" height="720"></div><p>
-</p>
-</div>
-</div>
-<div class="titlePage">
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">VERZAMELDE<br>
-Romantische Werken</div>
-</div>
-<div class="byline">VAN
-<br>
-<span class="docAuthor">M. T. H. PERELAER</span>
-<br>
-<i><abbr title="Gepensioneerd">Gep.</abbr> Hoofdofficier van het <abbr title="Nederlandsch-Indisch">Nederl.-Ind.</abbr> Leger</i>
-<br>
-EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER</div>
-<div class="docTitle">
-<div class="seriesTitle">VIII–IX</div>
-<div class="mainTitle">BABOE DALIMA</div>
-</div>
-<div class="docImprint">AMSTERDAM <br>
-UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”</div>
-</div>
-<p><span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span></p>
-<div id="voorwoord" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e604">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first"><i>In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene
-buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden
-over</i> »<span class="sc">de opium in Ned. Indië</span>.”<a class="noteRef" id="xd30e172src" href="#xd30e172">1</a> <i>Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen,
-dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling,
-zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden,
-wat z. i. jammer was.</i>
-</p>
-<p><i>Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel
-daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.</i>
-</p>
-<p><i>»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne
-meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een
-gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren,
-was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die
-jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen,
-waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches,
-uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden
-aan den arbeid iets boekerigs, iets</i> je ne sais quoi, <i>waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou
-ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door
-den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden
-en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En … toch
-ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen,
-van duizenden bereikten … Ware het niet mogelijk …?”</i>
-</p>
-<p><i>Ja, ware het niet mogelijk …? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus
-mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en … Ja,
-ware het niet mogelijk?… Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl
-de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; … en nog
-stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld
-zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij
-aangeboden wordt.</i>
-</p>
-<p><i>Ben ik geslaagd in mijne poging?… Die poging was, om hetgeen op het gebied van het
-opium-monopolie in <span class="corr" id="xd30e193" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> voorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed
-te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de
-moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen
-in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier
-gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant <span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span>voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel
-niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner
-vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig
-behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van
-de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe
-te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw
-ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van</i>: <span class="sc">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog</span> à <span class="sc"><span lang="fr">outrance</span> aan den opiumpacht</span>!
-</p>
-<p><i>In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben,
-op den omslag het dicton</i>: <span lang="fr">la mère en interdira la lecture à sa fille</span> <i>te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren
-in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur
-is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens
-meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen,
-omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het
-bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat
-bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver,
-maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer
-zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies
-of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden
-in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp
-laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.</i>
-</p>
-<p><i>En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus
-dat eerbiedigen zal.</i>
-</p>
-<p><i>Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief.
-Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.… enz. Of evenwel
-geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als
-de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of
-zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype
-nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis
-bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden
-van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle
-geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?</i>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>En nu,.… mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring,
-zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde</i>:
-</p>
-<p><span class="sc">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog</span> à <span class="sc"><span lang="fr">outrance</span> aan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders</span>!
-</p>
-<p class="dateline">Den Haag, Mei 1886.
-</p>
-<p class="signed">DE SCHRIJVER.
-<span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e172">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e172src">1</a></span> Opgenomen in het <i>Jaarboekje der Indologische Vereeniging</i> voor het jaar 1886.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e172src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="voorwoord2" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e610">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first"><i>Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn
-boek deed: »Ben ik geslaagd?”.… En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!</i>
-</p>
-<p><i>Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering
-noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde
-er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd</i>;
-</p>
-<p>.…. <i>waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat
-boek stond, onwaar was</i>;
-</p>
-<p>.…. <i>maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door
-een</i> <span class="sc" lang="en">Reverend</span> <i>vertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in
-het Fransch is men begonnen</i>;
-</p>
-<p>.…. <i>maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland
-den tweeden druk</i>;
-</p>
-<p>.…. <i>maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening
-durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf</i>;
-</p>
-<p>.…. <i>maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als
-Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, <span class="corr" id="xd30e274" title="Bron: Slruyck">Struyck</span>, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven,
-voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie
-behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt
-ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!</i>
-</p>
-<p><i>Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?</i>
-</p>
-<p><i>Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan
-die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen,
-dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de
-menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten
-der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen
-weinig toegang hebben.</i>
-</p>
-<p><i>Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen,
-zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het
-verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat
-zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven,
-euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.</i>
-</p>
-<p><i>En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den
-arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet</i>:
-</p>
-<p><span class="sc">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog</span> à <span class="sc"><span lang="fr">outrance</span> aan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat</span>!
-</p>
-<p class="dateline">Den Haag, November 1889.
-</p>
-<p class="signed">DE SCHRIJVER.
-<span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="voorwoord3" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e616">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">VOORWOORD</h2>
-<h2 class="sub">VOOR DEN DERDEN DRUK.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first"><i>In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman</i> „<span class="ex">Baboe Dalima</span>” <i>schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan
-die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch
-Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen
-nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?</i>
-</p>
-<p><i>Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste
-gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie
-gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: de</i> <span class="ex">Opiumvloek</span>, <i>waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd</i>.
-</p>
-<p><i>Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel
-in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als de <abbr title="Heeren">H.H.</abbr></i> <span class="sc">Groeneveldt</span>, <span class="sc">Bosscher</span>, <span class="sc">Van Dedem</span>, <span class="sc"><span class="ex">Van</span> den Berg</span>, <span class="sc">Van Kesteren</span>, <span class="sc">Elout van Soeterwoude</span>, <span class="sc">de Waal</span>, <span class="sc">Brooshooft</span>, <span class="sc">Be-Ik-Sam</span>, <span class="sc">Jansz</span>, <span class="sc">Zegers</span>, <span class="sc">Groneman</span>, <span class="sc">Hora Siccama</span>, <span class="sc">Sandick</span>, <span class="sc">Kielstra</span>, <span class="sc">Sprenger van Eyck</span>, <span class="sc">Bool</span>, <i>enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten.
-En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende <span class="pageNum" id="pb.ix">[<a href="#pb.ix">IX</a>]</span>zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel
-verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel,
-namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.</i>
-</p>
-<p><i>Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium
-in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt
-de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren
-van de Chineesche Opiumpachters.</i>
-</p>
-<p><i>Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.</i>
-</p>
-<p><i>Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen
-mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de
-Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er
-geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide
-Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische
-Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene
-andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in
-te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.</i>
-</p>
-<p><i>Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken,
-had <abbr title="Zijne Excellentie">Z. Exc.</abbr> de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische
-Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera
-is <b>geslaagd</b>.</i>
-</p>
-<p><i>Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met
-evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst
-langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden,
-vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn <span class="pageNum" id="pb.x">[<a href="#pb.x">X</a>]</span>niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding
-te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn
-nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid
-wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid
-is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd
-werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote
-winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau
-Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen.
-En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen
-bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt
-tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking
-van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is
-gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des
-te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.</i>
-</p>
-<p><i>Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal
-voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen
-prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse,
-die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed
-uit te oefenen.</i>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende
-ter neder te stellen.</i> In het Kroningsnummer van <span class="ex">Sociale Stemmen</span>, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde <i>liet ik onder den titel van</i>: <span class="ex">Eene stem uit de oude Garde</span> <i>een opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige</i> Koningin <i>gelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze <span class="pageNum" id="pb.xi">[<a href="#pb.xi">XI</a>]</span>Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal
-het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden
-te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter,
-bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich
-uit dertig millioen keelen opgaan, die nu</i>: heil onzer Koningin! <i>roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen</i>: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!” <i>Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent
-mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, in</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span> <i>verkondigd, hadde gebroken</i>!
-</p>
-<p><i>„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt,
-gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou
-mogen genoemd worden!”</i>
-</p>
-<p><i>„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den
-mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”</i>
-</p>
-<p><i>„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik.…”</i>
-</p>
-<p><i>„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd
-overschreeuwd met</i>:
-</p>
-<p><i>„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”</i>
-</p>
-<p><i>„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het
-Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals
-zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats
-den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het
-grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te <span class="pageNum" id="pb.xii">[<a href="#pb.xii">XII</a>]</span>drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn
-bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen
-worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat
-de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds
-een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft,
-wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van
-mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen
-ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik
-zal in mij nimmer een verdediger vinden.”</i>
-</p>
-<p><i>Of ik mijn auditorium overtuigd had?</i>
-</p>
-<p><i>Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor
-de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn,
-nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet
-zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen
-te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer
-zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien
-maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het
-kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen
-zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de
-gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd,
-zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze
-Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar, <span lang="fr">courir au plus pressé</span>; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt,
-dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik
-langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om <span class="pageNum" id="pb.xiii">[<a href="#pb.xiii">XIII</a>]</span>op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan het opium-verbruik!</i>
-</p>
-<p><i>Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen
-met het doel om mijn karakter aan te tasten.</i>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-roman</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span>. <i>Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend
-is geworden door H.H. <span class="corr" id="xd30e508" title="Bron: Kritici">Critici</span>. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren,
-zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid
-te kort deden. De heer</i> <span class="sc">J.&nbsp;L. Zegers</span>, <i>zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd
-te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk
-(Nijmegen, P.&nbsp;J. Milborn, 1890) met de woorden</i>: <span class="sc">Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden
-de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen,
-den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten.</span> <i>Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik
-was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging.
-Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon
-de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje
-voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt.
-Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat
-ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan
-de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.</i>
-</p>
-<p><i>Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat <span class="pageNum" id="pb.xiv">[<a href="#pb.xiv">XIV</a>]</span>afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert.
-In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst
-hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de
-pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span> <i>gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd
-had</i>.
-</p>
-<p><i>Ik hernam lachende</i>:
-</p>
-<p>„<i>Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie
-meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.</i>”
-</p>
-<p><i>„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman,
-en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”</i>
-</p>
-<p><i>Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd
-op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem
-gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid
-ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.</i>
-</p>
-<p><i>Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit</i>:
-</p>
-<p>„<i>Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale
-de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij,
-met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel
-opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad,
-gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende
-kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het
-geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon
-fraai, nietwaar? Maar.… hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien
-schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden, <span class="pageNum" id="pb.xv">[<a href="#pb.xv">XV</a>]</span>welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd
-werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan
-hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd
-hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen
-bedekte.</i>”
-</p>
-<p><i>Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.</i>
-</p>
-<p><i>Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft
-mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht
-en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span> <i>door mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is</i>.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten
-en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik
-u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet</i>:
-</p>
-<p><span class="ex">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!</span>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p><i>Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen
-nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd
-zijn.</i>
-</p>
-<p class="signed"><span class="sc">De Schrijver.</span>
-</p>
-<p class="dateline"><span class="ex">Nijmegen</span>, October 1898.
-<span class="pageNum" id="pb.xvi">[<a href="#pb.xvi">XVI</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="main">INHOUD.</h2>
-<table class="tocList">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7">
-</td>
-<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord" id="xd30e604">Voorwoord Eerste druk</a> </td>
-<td class="tocPageNum">V</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord2" id="xd30e610">Voorwoord Tweede druk</a> </td>
-<td class="tocPageNum">VII</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord3" id="xd30e616">Voorwoord Derde druk</a> </td>
-<td class="tocPageNum">VIII</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd30e625">By Moeara Tjatjing</a> </td>
-<td class="tocPageNum">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd30e634">In de djaga monjet</a> </td>
-<td class="tocPageNum">15</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd30e643">De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam</a> </td>
-<td class="tocPageNum">29</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd30e652">De draden verwikkelen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">45</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd30e661">In de voor- en binnengalerij</a> </td>
-<td class="tocPageNum">60</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd30e670">Een echtpaar</a> </td>
-<td class="tocPageNum">72</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd30e679">Een verraderlijk dèsa-genoot</a> </td>
-<td class="tocPageNum">88</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd30e689">Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie</a> </td>
-<td class="tocPageNum">104</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd30e698">Kuiperijen.—Een vrienden-drietal</a> </td>
-<td class="tocPageNum">118</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd30e707" lang="fr">Une invitation à la chasse et une invitation à la valse</a> </td>
-<td class="tocPageNum">132</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd30e716">In den residentstuin</a> </td>
-<td class="tocPageNum">146</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd30e725">Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter</a> </td>
-<td class="tocPageNum">161</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd30e734">Op den weg naar het jachtterrein</a> </td>
-<td class="tocPageNum">176</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd30e743">Een huiszoeking met hare gevolgen</a> </td>
-<td class="tocPageNum">191</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd30e752">Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit</a> </td>
-<td class="tocPageNum">203</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd30e761">Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje</a> </td>
-<td class="tocPageNum">221</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd30e770">In den Djoerang Pringapoes</a> </td>
-<td class="tocPageNum">239</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd30e779">De onschuld ten val</a> </td>
-<td class="tocPageNum">252</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd30e789" lang="ms">Toeloeng! Toeloeng, toean!</a> </td>
-<td class="tocPageNum">265</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd30e798">Aan de rijsttafel</a> </td>
-<td class="tocPageNum">280</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd30e807">Op het kantoor van den resident</a> </td>
-<td class="tocPageNum">300</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd30e816">Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden</a> <span class="pageNum" id="pb2.v">[<a href="#pb2.v">V</a>]</span></td>
-<td class="tocPageNum">312</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd30e826">Eene verhinderde landraadzitting</a> </td>
-<td class="tocPageNum">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch24" id="xd30e835">Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">15</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch25" id="xd30e844">Eva’s dochteren en de slang</a> </td>
-<td class="tocPageNum">31</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch26" id="xd30e853">Aardig gemanoeuvreerd!</a> </td>
-<td class="tocPageNum">45</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch27" id="xd30e862"><span lang="la">Summum jus summa injuria</span>.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord</a> </td>
-<td class="tocPageNum">58</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch28" id="xd30e873">Correspondentie</a> </td>
-<td class="tocPageNum">71</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch29" id="xd30e882">Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak</a> </td>
-<td class="tocPageNum">85</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch30" id="xd30e892">Baboe Dalima naar Karang Anjer</a> </td>
-<td class="tocPageNum">102</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch31" id="xd30e901">Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh</a> </td>
-<td class="tocPageNum">116</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch32" id="xd30e910">Eene wetenschappelijke opiumkit</a> </td>
-<td class="tocPageNum">133</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch33" id="xd30e919">In de regents-pandoppo</a> </td>
-<td class="tocPageNum">147</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch34" id="xd30e928">Eene <span class="corr" id="xd30e930" title="Bron: landraadszitting">landraadzitting</span>.—Van Beneden’s pleidooi</a> </td>
-<td class="tocPageNum">162</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXV.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch35" id="xd30e940">Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche</a> </td>
-<td class="tocPageNum">179</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch36" id="xd30e949">Lim Ho’s huwelijk</a> </td>
-<td class="tocPageNum">193</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch37" id="xd30e958">Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht</a> </td>
-<td class="tocPageNum">211</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch38" id="xd30e967">De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong</a> </td>
-<td class="tocPageNum">226</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIX.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch39" id="xd30e976">Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh</a> </td>
-<td class="tocPageNum">243</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XL.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch40" id="xd30e985">Het »<span lang="la">virtus nobilitat</span>”.—Anna en Dalima.—Een telegram</a> </td>
-<td class="tocPageNum">261</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLI.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch41" id="xd30e998">De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling</a> </td>
-<td class="tocPageNum">275</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLII.</td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch42" id="xd30e1007">Naar en in de Goewah Temon.—Besluit</a> </td>
-<td class="tocPageNum">293</td>
-</tr>
-</table>
-<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="body">
-<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e625">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">I.</h2>
-<h2 class="main">Bij Moeara Tjatjing.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*.
-</p>
-<p>De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, joeg, tierde,
-gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in allerijl voortstuivende zwarte
-zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij deed de verbolgen wateren der Java-zee in
-huizenhooge baren opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en
-woest te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig bleek
-phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare onmiddellijke omgeving
-verlichtten, dadelijk daarop in een fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene
-duisternis achter te laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte.
-</p>
-<p>Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen Java-wal. Zij braken
-in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met haar zwak lichtend schuim langs de
-flauwe helling op, om achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart
-zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze, in haar aandrang
-vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts ijlende eene dwarrelende massa van
-water en schuim, welke tot eene donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk
-te zamen in een lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere
-gedeelte te overstroomen.
-</p>
-<p>Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier verhaald worden, een
-aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van Java’s noordkust, een uitgestrekt
-<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>moeras, dat, uit vet kleislib bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen,
-met zoo een rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor gevormde
-wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de zwak glooiende strandvlakte
-met Tandjang-soorten<a class="noteRef" id="xd30e1025src" href="#xd30e1025">1</a> overdekt, die steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen
-de keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige palissadeering doen
-gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn.
-</p>
-<p>Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog duizende en nog
-eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die in elkander smeltende, zich
-op ongeveer dertig voeten boven den grond verhieven op korte stammen, die zelf den
-bodem niet bereikten, maar gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels.
-Deze splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere boom met
-een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of beenen met die zijner
-naburen in en door elkander groeiden en vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden
-van wortelstengels en wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken
-van wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die stronken als
-met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de boomkruinen verborgen.
-</p>
-<p>Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund zijn, waar
-tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een uitgestrekten doolhof vormden,
-een gewriemel van levende wezens plaats had, dat den opmerker met een gevoel van walging
-had moeten vervullen. Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen
-hare prooi te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit,
-bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige „kapiting’s” bij duizenden,
-en „oedang’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd30e1033src" href="#xd30e1033">2</a> in alle grootten, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>van den omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar te
-nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk beperkten gezichtskring,
-in den afzichtelijken modder, die door immer en immer aangevoerden plantendetritus,
-van dat vreemdsoortige woud afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die
-zich tusschen de tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder
-gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel bijdroeg, wentelden
-en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet eendrachtelijk, dan toch in eene soort
-van gewapende overeenkomst, die hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene
-prooi te bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht.
-</p>
-<p>Maar.… halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al die gedrochten
-waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest, verscholen als zij zich hielden, nu
-de noordwester storm zijnen oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der
-zee in beroering was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den
-boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen stormgeweld
-der wateren rust kon verstoren.
-</p>
-<p>Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten alle tijde
-land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te midden van een groep Saoe-boomen<a class="noteRef" id="xd30e1046src" href="#xd30e1046">3</a> welke tusschen het Tandjang-bosch als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje,
-dat van de landzijde, door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur
-omgeven, niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een ruimen
-blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>het door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik van die zijde
-gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een wachthuisje en eigenaardig „djaga
-monjet” (apenwacht) geheeten, was hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand,
-met „atappen”<a class="noteRef" id="xd30e1052src" href="#xd30e1052">4</a> gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen gebouwd; zoodat de
-golven, die soms het strand schenen te willen verzwelgen, er onder door konden stroomen,
-waarbij zij met een onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop
-het gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van inkervingen voorzien,
-deed de dienst van trap of ladder, en verleende toegang tot het hutje, waarin dikke
-duisternis heerschte, hoewel het niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren
-zich verbeeldden fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den
-storm langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op gillen dan
-op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel kon plaats hebben, daar
-het niemand in de hersens kon komen in dat weer en op dat uur op deze plek te verschijnen.
-De meest ijverige kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd
-zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar behoorden klaarblijkelijk
-aan Chineezen, af te leiden uit de keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de
-omstandigheid, dat zij de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne
-uitspraak een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden tongval
-bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in het hutje in de omlijsting
-der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe zwart de nacht ook was, met loerenden
-blik het oog over de oppervlakte der zee lieten waren.
-</p>
-<p>„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te zien. Met dat
-weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien, dat de <i>Kiem Ping Hin</i> hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n storm niet verlaten heeft.”
-<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
-<p>„En toch luidden de bevelen van den „babah”<a class="noteRef" id="xd30e1066src" href="#xd30e1066">5</a> stellig”, antwoordde de andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de <i>Kiem Ping Hin</i> bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.”
-</p>
-<p>„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij niet ontgaan;
-maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor den wind huilen, de branding
-donderen; voel onze djaga monjet schudden! Zoudt gij thans op zee willen zijn?”
-</p>
-<p>„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld! Maar.… gij weet,
-de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die zich door geen noodweer …”
-</p>
-<p>„Wacht.… daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting. Kijk, daar.… daar
-krult een groote golf … Kijk, bij het schijnsel van het schuim.… Bij Kong!… eene „djoekoeng!”
-(uitgeholde boomstam) waarin twee.… weg is ze weer!”
-</p>
-<p>„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook gezien. Er zaten
-twee personen in, twee Javanen, een man en eene vrouw.”
-</p>
-<p>„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de handen voor de
-oogen.”
-</p>
-<p>„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de branding geraken.”
-</p>
-<p>„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing.<a class="noteRef" id="xd30e1079src" href="#xd30e1079">6</a> Als zij in die richting kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.”
-</p>
-<p>„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.”
-</p>
-<p>„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng evenwel was eene
-„prahoe sajab”<a class="noteRef" id="xd30e1087src" href="#xd30e1087">7</a> en ge weet, er moet veel gebeuren, eer zoo eene zinkt.”
-</p>
-<p>„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.”
-<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
-<p>„Kijk.… kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers naar de Moeara.
-Als het de „sero’s”<a class="noteRef" id="xd30e1098src" href="#xd30e1098">8</a> bereikt, dan is alle gevaar geweken.”
-</p>
-<p>„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar … maar.…”
-</p>
-<p>„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken in!”
-</p>
-<p>Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het laatstbedoelde vaartuig
-in de richting van de djoekoeng. Maar met welken uitslag? Dat was onmogelijk na te
-gaan. De beide vaartuigen waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene
-groote baar voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht
-met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te bespeuren viel,
-hoe scherp zij ook uitkeken.
-</p>
-<p>Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep:
-</p>
-<p>„Eene stoomboot!”
-</p>
-<p>En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het roode licht eener
-stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht in den mast.
-</p>
-<p>„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de <i>Matamata</i><a class="noteRef" id="xd30e1111src" href="#xd30e1111">9</a>. Als de <i>Kiem Ping Hin</i> werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare lichten wel gedoofd, en zich uit de
-voeten gemaakt hebben. Kom, wij kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal
-wel geen smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.”
-</p>
-<p>Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie lichten zichtbaar
-waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust aanhield, alsof zij op den wal wilde
-zetten. Dat duurde evenwel een korte poos, toen verdween het groene licht plotseling,
-wat een teeken <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode licht nog zichtbaar;
-maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht alleen zichtbaar bleef. Daar dit
-laatste niet van plaats scheen te veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van
-het Hemelsche rijk tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf
-bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind, zonder te
-deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden.
-</p>
-<p>„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten <i>Matamata</i> zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons gaan.”
-</p>
-<p>„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we daar iets van
-de djoekoeng vernemen.”
-</p>
-<p>Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en stapten, terwijl
-de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels van het Rhisophoren-woud huilde,
-langs een pad, dat zij op den tast in de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad
-werd bij wijlen door een golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door
-het zilte vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het pad
-zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog zwarter geweest, zij
-even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven het pad, dat zij door dat strandbosch
-af te leggen hadden, was niet lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier
-Tjatjing bereikt, die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de
-beide Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het, alvorens
-zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne schreden wilde terugkeeren.
-Daar ter plaatse weken de wortelboomen terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook
-ontwaren, die met kort gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt;
-maar, of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te bespeuren.
-</p>
-<p>„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten aangekomen zijn,”
-bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier
-alleen bevaarbaar is, en verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.”
-</p>
-<p>„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.”
-<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p>
-<p>En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht gekreun gehoord.
-Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden zich, stapten met zachte schreden
-in de richting van dat geluid voort en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter
-halverwege uit het water met zijn voorste gedeelte op het droge lag.
-</p>
-<p>„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan.
-</p>
-<p>Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden boomstam voort,
-welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld lagen, en ontdekten op een korten
-afstand een paar menschelijke wezens, die in het gras lagen.
-</p>
-<p>„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad.
-</p>
-<p>„Ik,” antwoordde een zwakke stem.
-</p>
-<p>„Wie is ik?”
-</p>
-<p>„Ik, Ardjan.”
-</p>
-<p>„Ardjan, van de <i>Kiem Ping Hin</i>?”
-</p>
-<p>Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der schipbreukelingen.
-</p>
-<p>„Diam!” (stil) fluisterde de andere.
-</p>
-<p>Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had. Iemand te herkennen,
-was bij de heerschende duisternis evenwel onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje
-uit den zak, streek een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den
-naastbijzijnde verkend had, riep hij uit:
-</p>
-<p>„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?”
-</p>
-<p>„Ik ben overboord gevallen.”
-</p>
-<p>„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon.
-</p>
-<p>„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.”
-</p>
-<p>„En die vrouw ook? Wie is zij?”
-</p>
-<p>„Dat is Moenah, mijne zuster.”
-</p>
-<p>„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner stem. „Is die
-ook over boord gevallen?”
-</p>
-<p>En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat van de beweerde
-zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de lieve gestalte van een bekoorlijke
-zestienjarige Javaansche maagd, welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp),
-die, evenals haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te verschuilen.
-<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p>
-<p>„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than Khan, haar
-den slendang van het gelaat trekkende.
-</p>
-<p>Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen.
-</p>
-<p>De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de naam van Lim
-Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in dit oogenblik gade kunnen
-slaan, dan voorzeker had men bij het hooren van dien naam de grootste ontsteltenis
-daarop kunnen lezen. Lim Ho was de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in
-lichten laaie van onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was.
-Hij had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter te vergeefs.
-Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit de dèsa Kaligaweh, nabij
-de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met even ongunstig gevolg. De aterling had
-gezworen, dat hij de lieve maagd zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene
-misdaad moeten bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde.
-</p>
-<p>Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien gehaten naam? Zij
-kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in wier macht zij zich bevond.
-</p>
-<p>Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten daarbij nog voorzichtigheidshalve
-de Chineesche taal, die geen der beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden.
-En, nog voor dat de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide Chineezen
-zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden met een dun „gemoetoe-touw,”<a class="noteRef" id="n9.1src" href="#n9.1">10</a> dat Liem King uit den diepen zak zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel
-zoodanig, dat de Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had
-de tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan onmogelijk
-geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij het ondernemen <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing bracht, had hem zelfs de gelegenheid
-ontbroken, om zijn „badeh” (kleine dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige
-pagaaien, om de djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen
-de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in ieder geval onbekwaam
-was eenige krachtsinspanning te kunnen uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden,
-had hij geslaakt bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen.
-</p>
-<p>Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de enkels bij
-elkander, en legden haar in het gras neder, haar aanbevelende onbewegelijk te blijven
-liggen, met bedreiging haar anders te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het
-gelaat van het meisje bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan
-had de minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en voorzeker
-had die hun ernstig te denken gegeven.
-</p>
-<p>Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe sajap, staken
-die onder de armen van Ardjan door, tilden dien draagstok, met den last daaraan hangende,
-op hunne schouders, en liepen op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik
-te voren afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij werd
-gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte zijns lichaams, die
-zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die ledematen werden daarenboven nog
-deerlijk gekneusd tengevolge van de zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok,
-door den sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de bovenarmen,
-waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten worden. Maar de twee Chineezen
-stoorden zich aan dat geschreeuw niet, en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte
-Ardjan hen, hem te willen dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte
-hij, toen dat niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen
-zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de aterlingen
-slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina” (chineesche hond), dat hen
-naar het hoofd geslingerd was, zette Than <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand toegebracht, die
-het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts vermeerderde.
-</p>
-<p>Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet aangekomen. Daar
-ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de touwen; maar lieten zijne armen
-gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten
-hem daarbij de punten hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand
-hem het leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder wanhopige
-opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee aan den last, en was in
-een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden, en, om iedere poging tot ontvluchting
-ijdel te maken, werd hem de bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening
-der elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug gestoken,
-zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden waren, de geringste beweging
-de meest ondragelijke pijnen aan zijne deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken.
-Toen ook zijne voeten gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt,
-en uit overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje vastgebonden.
-</p>
-<p>Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij met haar voor
-hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King stelde voor, om het bezit van
-het meisje tot prijs van eene dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig,
-rekende zijn makker voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer
-hem het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog niet tot
-verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij het meisje behoorlijk
-gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras in, dat verder twisten overbodig was;
-want die plek was ledig. Hoe zij ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden.
-Geen spoor? .… Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden,
-waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar mogelijk geweest,
-de handen bij den mond te brengen en was zij er in geslaagd te touwen met hare tanden
-door te knagen. Toen zij de handen vrij had gehad, was <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van de boeien te ontslaan.
-</p>
-<p>„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is voor ons verloren!”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje kwijt! Zij
-zou Lim Ho veel waard geweest zijn.”
-</p>
-<p>„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen reppen, denk ik.”
-</p>
-<p>„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk zijn.”
-</p>
-<p>„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar laten loopen.
-Hij moest eens over Dalima klappen.”
-</p>
-<p>„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er van door geweest
-is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.”<a class="noteRef" id="xd30e1191src" href="#xd30e1191">11</a>
-</p>
-<p>„Ik ben van meening hem te laten loopen.”
-</p>
-<p>„Hm!… Waarom?.… Hij moest aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> zijn … Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.… Geloof mij, daar zit iets achter.…
-Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.”
-</p>
-<p>„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan hebben,” zei Than
-Khan.
-</p>
-<p>„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden hebben, wanneer
-wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?”
-</p>
-<p>„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen. Waarheen?”
-</p>
-<p>„Ja, waarheen?.… Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de andere ook. En, er
-is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene goede vangst gemaakt hebben.”
-</p>
-<p>Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan er nog. Hij
-lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden. Hij had geen <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag terugkomen, verhelderde zijn
-oog.
-</p>
-<p>„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur.
-</p>
-<p>De Chineezen antwoordden niet.
-</p>
-<p>„Is zij ontvlucht?”
-</p>
-<p>Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der dievenlantaarn zoo droefgeestig,
-dat Ardjan aan de waarheid dier bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich
-gerust. O, dat hij toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte
-touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was alsof die gebroken
-waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar zou het lieve meisje thans zijn?
-O, daaromtrent bekommerde hij zich weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen.
-Daar woonden hare ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans
-nabij zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de residentsfamilie
-woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog een goed eind weg af te leggen
-hebben. De dag zou wel aangebroken zijn, alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar
-alles dadelijk vertelde … ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.….
-</p>
-<p>Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg, waar hij zoo
-in ’t holle van den nacht van daan kwam.
-</p>
-<p>„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van daar naar hare
-ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden wij zeewaarts gevoerd. Ik
-heb geroeid uit alle macht om de Moeara Tjatjing te bereiken.”
-</p>
-<p>„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je daar te verrichten?
-Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is het zoo niet?”
-</p>
-<p>Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard:
-</p>
-<p>„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven. Ik moest dus
-trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.”
-</p>
-<p>„Maar je <span class="corr" id="xd30e1223" title="Bron: werdt">werd</span> achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!”
-</p>
-<p>„Dat was de barkas van dien ellendigen <i>Matamata</i>, die mij voor een smokkelaar aanzag.”
-<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p>
-<p>„Had je geen sluikwaren bij je?”
-</p>
-<p>Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden gekend hadden,
-dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan.
-</p>
-<p>„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de <i>Kiem Ping Hin</i>; moest je niet aan boord zijn?”
-</p>
-<p>De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij:
-</p>
-<p>„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal door te brengen.”
-</p>
-<p>„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in vollen gang
-zijn?”
-</p>
-<p>„Het is toch zoo.”
-</p>
-<p>„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.”
-</p>
-<p>Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig stilzwijgen. De Chineezen
-wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten gedoken op den vloer, met het hoofd op
-de borst, op het punt van in eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst
-pijnlijk aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was donker
-in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille morgenlucht zooveel
-mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd rechts en links wendde, dan kon
-hij evenwel door de reten der „Niboeng”<a class="noteRef" id="xd30e1245src" href="#xd30e1245">12</a> latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. Een grauw licht
-toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar den walgelijken modder, waarin
-een menigte dieren als alen, moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds
-rondkrioelden, om op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde,
-te azen.
-</p>
-<p>Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte weerklonk, dat de beide
-Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een sein. Than Khan vloog naar de deur.
-Toen die geopend werd, was het buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen,
-en kleurde de oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht.
-<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1025">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1025src">1</a></span> <i>Tandjang-soorten</i> = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s noordkust zijn: Tandjang Bangoe of
-R. macronata, Kajoe Tinggi of R. Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1025src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1033">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1033src">2</a></span> <i>Boeaja’s, boeloes, kapitings</i> en <i>oedangs</i>. Boeaja is de maleische naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s
-noordkust wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes beteekent
-schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona <span class="pageNum" id="pb3n">[<a href="#pb3n">3</a>]</span>imbricata het meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus
-Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de Cancer Pagurus
-(zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon. In den Ind. Archipel worden
-garnalensoorten aangetroffen, die in omvang de grootste kreeften evenaren; maar er
-bestaan ook soorten, die microscopisch klein zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1033src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1046">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1046src">3</a></span> <i>Saoe-boomen.</i> Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën behoort. Hij ontwikkelt een zwaren
-stam, komt veelvuldig op de lage stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor
-en levert zeer fraai en uitmuntend timmerhout op.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1046src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1052">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1052src">4</a></span> <i>Katjangmatten</i> en <i>atappen</i>. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk van de breede bladeren van den Nipahpalm
-vervaardigd worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1052src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1066">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1066src">5</a></span> Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel geboren Chineezen, het
-best te vergelijken met „liplap.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1066src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1079">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1079src">6</a></span> <i lang="ms">Moeara Tjatjing.</i> Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die naam aan kleine inhammen gegeven,
-waarin riviertjes uitwateren. Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes
-worden aldus van wege hunne kronkelingen genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1079src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1087">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1087src">7</a></span> <i lang="ms">Prahoe sajab</i> is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang uitstekende bamboestaken in holle
-zee tegen omslaan beveiligd wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1087src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1098">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1098src">8</a></span> <i>Sero’s</i> zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij riviermondingen geplaatst
-worden. Met stevige staken worden die fuiken bevestigd. Meestal vormen die staken
-hechte staketsels, die bij hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen,
-zoodat haar kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet wordt.
-Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen gespaard zijn, treft
-een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het gevaar althans is dan verdwenen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1098src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1111">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1111src">9</a></span> <i>Matamata.</i> Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t <span class="corr" id="xd30e1114" title="Bron: is">Is</span> eene niet onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1111src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n9.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n9.1src">10</a></span> <i>Gemoetoe touw.</i> Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de bladsteelen en den stam van sommige
-palmsoorten, vooral van de Arengga Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd
-wordt. Van die vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw
-achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n9.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1191">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1191src">11</a></span> <i>Tombokken.</i> Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin uithollingen uitgespaard zijn om
-rijst in te stampen. Wordt ook wel als foltertuig gebezigd. De <span class="corr" id="xd30e1194" title="Bron: patient">patiënt</span> wordt dan op het tombokhblok uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt
-en gekneusd, tot de dood er op volgt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1191src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1245">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1245src">12</a></span> <i>Niboeng.</i> Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die veelvuldig op moerassige stranden
-voorkomt. Het buitenhout van den stam is uitermate hard, en laat zich in de lengte
-gemakkelijk splijten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1245src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e634">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">II.</h2>
-<h2 class="main">In de djaga monjet.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid geslagen waren. De
-pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer uitgezet, werd pijnlijk aangedaan
-door het schelle licht, en moest tijd hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien
-konden. Maar, toen zij zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken,
-ontwaarden zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel
-gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt hadden, gescheurd,
-gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren, en het blauwe azuur des hemels
-overal door lieten. In het oosten was de hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen
-luister boven den horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de
-golven op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren van de
-kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht hadden onze Chineezen
-geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met scherpen blik de oppervlakte der zee,
-niet om het wentelen der golven, of het breken der branding van den nog steeds verbolgen
-oceaan gade te slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud,
-getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te bespieden, wat op die
-oppervlakte voorviel, hetgeen hunne belangstelling meer gaande maakte.
-</p>
-<p>Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de aanrollende golven danste
-en stampte. Met het bloote oog was te zien, dat het een schoenerbrik was, die <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>onder klein zeil scherp bij den wind lag, en de kust niet scheen te willen naderen.
-Aan den voortop woei een seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden
-was. Liem King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de
-laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene bergplaats vond
-in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen en de latten, die deze laatsten
-droegen. Na een poos turens, waarbij hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot
-zijn makker:
-</p>
-<p>„Het zijn de letters T.&nbsp;F.&nbsp;N. W., die daar op een rooden achtergrond wapperen. Het
-is ongetwijfeld de <i>Kiem Ping Hin</i>, die gisteren avond had moeten aankomen en die.…”
-</p>
-<p>„Nu ten anker zal willen komen.”
-</p>
-<p>„Neen, die buiten den smokkel-rayon<a class="noteRef" id="xd30e1268src" href="#xd30e1268">1</a> wil blijven. Ziet ge, nu gaat zij over stag.… loopt meer uit den wal.… Thans bergt
-zij hare zeilen, gaat voor anker.…”
-</p>
-<p>„Dat’s brutaal! De <i>Matamata</i> was van nacht nog hier.”
-</p>
-<p>„Waar de <i>Kiem Ping Hin</i> thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets doen. Daarenboven van dien is niets
-meer te bespeuren. De schoener voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche
-vlag. Onder die is hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s”
-(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.”
-</p>
-<p>„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.”
-</p>
-<p>„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten spoeden.”
-</p>
-<p>„Gij!”
-</p>
-<p>„Neen, gij!”
-</p>
-<p>„Waarom niet beiden te zamen?”
-</p>
-<p>„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en onbewaakt te laten,”
-antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende.
-</p>
-<p>„Laat er ons dan om dobbelen.”
-</p>
-<p>„Mij goed.”
-<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
-<p>Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor den dag, waaronder
-ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere behendigheid op eene houten plank,
-die voor dat spel bestemd scheen. Na den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes
-in een groep bij elkander lagen. Daarop wierp Khan Than.
-</p>
-<p>„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij elkander. Gij teldet
-maar vijf.”
-</p>
-<p>„Nu, dan ga ik.”
-</p>
-<p>„Maar, mondje dicht over Dalima!”
-</p>
-<p>„Natuurlijk,” was het antwoord.
-</p>
-<p>Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling.
-</p>
-<p>Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo, dat, terwijl
-hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen enkele beweging van den
-Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte
-der zee voorviel. De djaga monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand
-der kleine baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets
-aan zijne waarneming ontsnappen kon<span class="corr" id="xd30e1302" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een vijftal Chineezen
-langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen; hij zag dat vaartuig afsteken,
-over de oppervlakte der deinende zee glijden, in de branding geraken, daarin stampen,
-slingeren en worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat moeielijke
-punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van hem, die het roer in de
-hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de golf gericht hield.
-</p>
-<p>„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij.
-</p>
-<p>Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam.
-</p>
-<p>„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar schiet de sloep
-de Moeara in.”
-</p>
-<p>Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog door het water,
-toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven gekomen was. Achter de sero’s
-en in de baai trof de sloep glad water aan; zij <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de aanlegplaats bereikt, waar
-Liem King het gezelschap wachtte, en het onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde.
-</p>
-<p>Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig verlaten, of
-de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van een hunner, om eenige blikken
-en vaatjes, die op den bodem der sloep opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in
-allerijl achter eenige struiken te verbergen.
-</p>
-<p>„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende, die er uitzagen,
-alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten hadden, en allen het cachet van
-Van der Leeuw<a class="noteRef" id="xd30e1317src" href="#xd30e1317">2</a> in groen lak vertoonden.
-</p>
-<p>„Ik wou, dat ik maar een paar taël<a class="noteRef" id="xd30e1323src" href="#xd30e1323">3</a> van die boter had,” antwoordde een ander lachend.
-</p>
-<p>„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling toe. Daar kunt
-ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw zuur verdiende gagie verlost
-zijn.”
-</p>
-<p>„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die …”
-</p>
-<p>„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.”
-</p>
-<p>Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog verborgen, waarna
-de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven.
-</p>
-<p>Daar vond intusschen een ander tafereel plaats.
-</p>
-<p>Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd onmiddellijk een
-aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die steeds zwaar gekneveld op den
-bodem uitgestrekt lag. Liem King had onder weg de bizonderheden van de gevangenneming
-van den Javaan verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op
-Dalima doelde.
-</p>
-<p>Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de aanvoerder der overigen,
-ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene geel <span class="corr" id="xd30e1338" title="Bron: fletste">fletse</span> gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande oogen, aandachtig toegeluisterd.
-Hij had een glimlach van tevredenheid <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi” Ardjan was, die
-gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was, vroeg hij op onverschilligen toon:
-</p>
-<p>„Was de Javaan alleen?”
-</p>
-<p>„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King.
-</p>
-<p>Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho.
-</p>
-<p>„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Ja, babah.”
-</p>
-<p>„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?”
-</p>
-<p>„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de djoekoeng vonden,
-lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof hij in het water gelegen had,
-en waren de bamboezen der sajab verbrijzeld.”
-</p>
-<p>„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam.
-</p>
-<p>Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem evenwel met een
-blik te verwaardigen:
-</p>
-<p>„Waarom ben je ontvlucht?”
-</p>
-<p>„Ik had „<span lang="ms">sakit hatie</span>” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij aan boord en wilde naar de dèsa terug.”
-</p>
-<p>„En daarom heb je Dalima meegenomen.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten.
-</p>
-<p>„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder.
-</p>
-<p>„Verdronken!…” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar verdronken?”
-</p>
-<p>„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van de <i>Kiem Ping Hin</i> ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat gebeurd? Misschien heeft Dalima
-zich nog kunnen redden.”
-</p>
-<p>„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet Ardjan. „Wij
-zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het noodweer, ik zeer vermoeid
-van het pagaaien.”
-</p>
-<p>„Maar, waar is zij dan gebleven?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.”
-</p>
-<p>Die twee stonden te bibberen van angst.
-<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p>
-<p>„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op antwoord!”
-</p>
-<p>„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan.
-</p>
-<p>„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King.
-</p>
-<p>„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan, terwijl hij van
-ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut dreunde en schudde.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima armen en beenen
-gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en zijn daarna het meisje gaan halen.
-Zij zijn evenwel zonder haar teruggekomen.”
-</p>
-<p>Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan.
-</p>
-<p>„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem King.
-</p>
-<p>„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan.
-</p>
-<p>Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid weerklonk.
-Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut aangekomen waren, trad binnen.
-</p>
-<p>„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel.
-</p>
-<p>In een oogwenk waren allen binnen.
-</p>
-<p>„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than Khan wees.
-</p>
-<p>Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die twee Chineezen
-mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De touwen werden zoo strak mogelijk
-aangehaald! De slachtoffers kermden. O, als het eens op Java tot eene uitbarsting
-mocht komen! Dan wee, de zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene
-andere natie ook niet in de klem zou geraken?
-</p>
-<p>Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho:
-</p>
-<p>„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht! Vijfhonderd „ringgiet’s”
-(rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind opspoort en mij uitlevert!”
-</p>
-<p>Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende naar buiten.
-</p>
-<p>Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>door een zijner volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan
-een langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak, met goudgeele
-haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige halen, waarbij hij den rook
-door de neusgaten uitblies. Hij zette zich toen neder op den eenigen stoel,—een lomp
-onbehouwen meubel, met de „gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig,
-terwijl de overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan.
-</p>
-<p>„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de <i>Kiem Ping Hin</i> ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje haakte?.… Maar,
-pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand, dat begrijp je!”
-</p>
-<p>Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden. Zooals hij
-gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij.
-</p>
-<p>„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daarna zal ik zien.”
-</p>
-<p>Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden Javaan van de bamboe
-te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen hield. Toen dat marteltuig verwijderd
-en Ardjan wat tot verademing gekomen was, beval de Chinees:
-</p>
-<p>„Komaan, spreek; ik luister.”
-</p>
-<p>„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe Kalajan niet ver van Santjoemeh
-ten anker, toen eene djoekoeng op zij schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten
-waren. Aanvankelijk dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den
-schoener behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen bij
-het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets kwamen halen, brachten
-zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den vorm had van een menschengedaante.
-Dat ging mij echter niet aan; zoo iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf
-dat pak in de hut van den kapitein brengen. Ik <span class="corr" id="xd30e1414" title="Bron: lachtte">lachte</span> en schertste zelfs met de twee Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein
-Awal Boep Said wachtte.
-</p>
-<p>„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat hem, zooals
-ik meende, genoegen <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>moest doen. Maar, in stede van naar zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en
-beval mij zorgvuldig uit te kijken, daar hij gasten verwachtte.
-</p>
-<p>„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar uwer vrienden
-aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet; want het was reeds nacht
-geworden, en de noordwester storm was in aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan
-boord, of hij brak los. Toen ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig
-dacht ik aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep Said
-op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje te nemen; maar de
-kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg, deed de brassen strak zetten, en
-een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek
-niet verlaten.
-</p>
-<p>„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank uitgestrekt,
-en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen en zwelgdet met blijkbaar
-genoegen den rook in. Naast u stond een uwer volgelingen, die bezig was een balletje
-„madat” klaar te maken en te kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe”<a class="noteRef" id="xd30e1424src" href="#xd30e1424">4</a> zich in uwe nabijheid in een doosje bevond.
-</p>
-<p>„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door overmatige prikkeling
-verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig. Een duifje was in uwe macht, gij
-moest uwe uitgeputte krachten opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke
-genietingen van uw slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium
-en weet er gebruik van te maken.
-</p>
-<p>„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een hadji heeft
-mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed is, en dat de gelukzaligen
-in den hemel slechts door dat middel hunne krachten schragen, en ten gevolge van dat
-middel zoo door de hoeri’s geliefd worden.
-</p>
-<p>„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot nieuwsgierigheid dwong.
-Sedert lang is Dalima <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>mij door hare ouders tot vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen,
-om de som bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen. Als
-ik die zal bezitten, dan is de <span class="corr" id="xd30e1437" title="Bron: huwlijksdag">huwelijksdag</span> daar. Maar, ik weet ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk
-schier dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje haakt;.…
-ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;.… ik weet, welke som gij haren
-vader voor hare onschuld geboden hebt.… Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten
-was. Toch had ik nog geen erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen.
-Haar vader had u met zijn kris gedreigd.… Hoe zou de baboe van den toean resident
-in uwe macht geraakt zijn?.… Dat was immers onmogelijk.…”
-</p>
-<p>„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door het verhaal
-van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!.… Vertel eens, Ong Kwat, hoe
-zij je in handen kwam.”
-</p>
-<p>„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de djoekoeng verhaald.
-Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van haren heer, in de Salak-laan<a class="noteRef" id="xd30e1443src" href="#xd30e1443">5</a> achter het residentiehuis. Het kind wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima
-bad een Chinees, die daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij
-voldeed aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, wierp
-hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind liep juichend den
-bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje toe, dat zonder erg het kind natuurde,
-stopte haar, voor dat zij een gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar
-een zak over het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene
-djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig stelde zich in
-beweging, en een uur later was zij aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i>.…”
-</p>
-<p>„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho.
-<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
-<p>De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en antwoordde:
-</p>
-<p>„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!”
-</p>
-<p>„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw je voor leugens!”
-</p>
-<p>„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho, waart geheel versuft
-van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog niet bereikt, dat de opium iemand in
-woestwilden hartstocht doet ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed,
-wijdde zijne geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u beiden
-was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het licht der lantaarn, die
-er brandde, herkende ik in een oogopslag Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong
-op haar toe, en sneed in een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met
-lichten tred uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die
-ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het voorschip achter
-een hoop zeilen geborgen, die daar lagen.
-</p>
-<p>„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien daaraan te danken,
-dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De kapitein Awal Boep Said liep met
-angstige schreden het achterdek op en neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer
-door de vingers glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar!
-(God is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere opvarenden
-schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen zeeziek in hunne kooien lagen.
-</p>
-<p>„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng, waarmeê Dalima aan
-boord was gebracht, en die op zij van het schip op de golven lag te dansen, naar mij
-toe. Het meisje gleed langs een touw er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai)
-en weldra dreven wij, door den wind voortgezweept, ver van de <i>Kiem Ping Hin</i>.
-</p>
-<p>„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het residentie-huis
-lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit kwam, grepen haar wind en stroom
-en dreven wij op Allah’s genade heen.
-</p>
-<p>„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>lagen. Die hebben belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in
-de branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle macht. Als wij
-die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het gelukte mij eindelijk die branding
-te doorworstelen. Nog een poging.… en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij
-geland waren, viel ik uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen,
-hadden Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd hierheen
-gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb haar niet meer terug
-gezien. Ziedaar, de volle waarheid.”
-</p>
-<p>Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim Ho nadacht en
-niemand durfde zijn gedachtengang storen.
-</p>
-<p>Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King wendde:
-</p>
-<p>„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?”
-</p>
-<p>Geen van beiden antwoordden.
-</p>
-<p>„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl hij zijne twee
-gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer uitgestrekt lagen, een schop
-met zijne harde sandalen in de zijde gaf.
-</p>
-<p>„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij hebben geen meisje
-gezien.”
-</p>
-<p>„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij bij hem aankwamen.”
-</p>
-<p>„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk. „Maar, ik lag
-uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet kunnen verdedigen. Babah,
-ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten, wat er van het meisje geworden is.”
-</p>
-<p>Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken, wat hem te doen
-stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der hut eenige stemmen. Het waren
-de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne
-pogingen vruchteloos geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden.
-</p>
-<p>Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van Ardjan.
-</p>
-<p>„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der roeiers, terwijl
-hij een bundel touwwerk <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>liet zien. „Dat heb ik bij een struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland
-is, gevonden.”
-</p>
-<p>„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de polsen en de enkels
-van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig en bedaard.
-</p>
-<p>Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat stomme bewijs hunner
-leugentaal snoerde hen den mond.
-</p>
-<p>Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn Liem King van
-angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel doof voor hunne kreten,
-verwaardigde hen ter nauwernood met een blik; terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen
-met koele woede een schop toebracht.
-</p>
-<p>In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de Javaansche roeiers
-met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner stoven naar buiten; terwijl de
-anderen de twee gebonden Chineezen, alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed
-maakten hen naar buiten te brengen.
-</p>
-<p>„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan.
-</p>
-<p>„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht.
-</p>
-<p>„Wij weten het niet.”
-</p>
-<p>„En gij?” was de vraag tot Ardjan.
-</p>
-<p>„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den toean resident
-teruggekeerd zijn.”
-</p>
-<p>„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt.
-</p>
-<p>„Geen medelijden met kerels als gij!”
-</p>
-<p>„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen.
-</p>
-<p>„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!” antwoordde
-Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste.
-</p>
-<p>„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan wendde. „Gij, die
-u vermeten hebt, dat meisje van boord te ontvoeren.…”
-</p>
-<p>„Zij is mijne bruid!” kreet deze.
-</p>
-<p>„Uwe bruid!… Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen hond zou kunnen
-zijn! Maar .… ge zijt gisteren avond van de <i>Kiem Ping Hin</i> ontvlucht. Is er in de djoekoeng?…”
-<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
-<p>Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich bij die half
-uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho.
-</p>
-<p>„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als de witte bloem,
-waarvan zij den naam draagt.<a class="noteRef" id="xd30e1506src" href="#xd30e1506">6</a> Daarenboven ik had in die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders
-te doen dan te minnekoozen.”
-</p>
-<p>„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt, dan was je
-den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist hebben! Nu zal ik je alleen
-maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik wil de geschiedenis met Dalima vergeten.…
-Maar,” ging hij met een grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers
-kennis van de oogmerken van de <i>Kiem Ping Hin</i> te geven.…”
-</p>
-<p>„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit.
-</p>
-<p>„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho voort, zonder op
-de ontkenning van den Javaan acht te slaan.
-</p>
-<p>„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben ontvlucht, om Dalima
-te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen verrader!”
-</p>
-<p>„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!<span class="corr" id="xd30e1522" title="Bron: ’">”</span> ging de Chinees onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze vereeniging,
-nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar krijgen; daarna zal ik je
-aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> laten brengen, niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet
-te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen terugkeeren, blijven zult,
-zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.”<a class="noteRef" id="xd30e1527src" href="#xd30e1527">7</a>
-<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p>
-<p>„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens de kongsie gepleegd.
-Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan waar Dalima woont!”
-</p>
-<p>Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren jegens den medeminnaar,
-die de genegenheid van het lieve meisje bezat, dat wist hij. Hij verwaardigde zich
-tot geen enkel antwoord; maar gaf een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden,
-en hen met slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden afklimmen;
-maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en zich dus niet grijpen
-konden, een voor een naar beneden ploften en liggen bleven, tot dat zij weer overeind
-geholpen werden.
-</p>
-<p>Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de pret, terwijl
-deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de roeiers nog meer aanzette,
-om hunne hardhandige geestigheden op de slachtoffers bot te vieren.
-<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1268">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1268src">1</a></span> <i>De smokkel-rayon<span class="corr" id="xd30e1271" title="Niet in bron">.</span></i> Het is allen vaartuigen, die opium aan boord hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië
-elders dan de plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen, tenzij
-noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1268src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1317">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1317src">2</a></span> <i>Het cachet Van der Leeuw in groen lak</i> was destijds een zeer gewild botermerk in Ned.-Indië.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1317src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1323">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1323src">3</a></span> <i>Taël</i> is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede te wegen. De taël weegt
-0,0386 <abbr title="kilogram">K.G.</abbr>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1323src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1424">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1424src">4</a></span> <i>Madat</i> en <i>tjandoe.</i> Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe met tabak vermengd, die tot balletjes
-gekneed en tot rooken gereed is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1424src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1443">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1443src">5</a></span> <i>Salak.</i> Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca edulis genoemd, draagt rinsch
-wrange vruchten, die evenwel door velen zeer gewild zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1443src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1506">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1506src">6</a></span> <i>Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.</i>—Dalima beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn verscheiden
-dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D. soesoen, de in den tekst
-bedoelde, met witte, D. koening met gele en D. berrem met dubbele bloem de voornaamste
-zijn.
-</p>
-<p class="footnote cont">In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem gegeven wordt.
-Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk
-betreft, heeft die wel ietwat voor model van haar romantisch zusje gediend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1506src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1527">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1527src">7</a></span> <i>Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.</i>—De oud-Gouverneur-Generaal <span class="pageNum" id="pb28n">[<a href="#pb28n">28</a>]</span>Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer: „Er waren Inlanders,
-die door de Chineesche pachters verbannen waren naar een aangewezen oord van Java,
-op straffe des doods in geval van terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis
-de pachters bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1527src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e643">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">III.</h2>
-<h2 class="main">Hoekoem Kamadoog.—De familie Van Gulpendam.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel, dat de menschen
-op dat plekje daar voorbereidden.
-</p>
-<p>De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene luwe bries overgegaan.
-Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de wortelboomen op het strand; met een
-harmonisch gemurmel kwamen de golven, die als het ware aan de branding, welke de kust
-met een zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen oploopen,
-om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik later weer te hervatten.
-Van de strandhut werd tusschen de beide kapen door, die de Moeara Tjatjing omzoomd
-hielden, een vergezicht op de volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht
-worden. Onder de schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder
-af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander nog na, alsof
-zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een golf met eene kuif van verblindend
-wit schuim, maar de geesel van den noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer
-begreep, dat wat hij daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem
-van Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de opening, door
-de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van groen gevat, de schoenerbrik
-<i>Kiem Ping Hin</i> zichtbaar, die daar op een kanonschots-afstand <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>van den wal voor anker lag, en op de aanrollende deining bevallig op en neer bewoog,
-terwijl de Engelsche vlag aan haren gaffel in sierlijke plooien wapperde.
-</p>
-<p>Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag, stond een
-groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een kaars, met hare bevallige
-kruinen van gevinde bladeren, die daar boven hoog in de lucht onder de zachte bries
-wuifden. Overigens sloot het Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte
-wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de hut, die slechts
-aan de zeezijde open was.
-</p>
-<p>Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf gerukt, en
-werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een dier palmen recht overeind,
-met het gelaat naar den boom gekeerd, gebonden. De touwen, die gediend hadden om de
-handen en voeten van Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan
-den boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden.
-</p>
-<p>Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun ontsteld oog bespeurde
-evenwel nog niet, wat zij zochten en toch vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende,
-hoewel de stralen der tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog
-boven het hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de kniegewrichten,
-die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden gepaard, gedoogde. Die touwen
-toch waren van gemoetoe geslagen en bijgevolg hard, ruw en stekelig.
-</p>
-<p>Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig rondkijken had
-hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren gewapend, zien naderen. Hij wist
-dus, dat het folteruur gekomen was.
-</p>
-<p>Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er voor het oog breed
-hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen bezaten, en wier beide oppervlakten
-zich wit donzig vertoonden, werden met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden,
-een drietal bossen gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden
-drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed hadden, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de zitvlakken, de dijen en
-de kuiten met die bladeren te slaan. Het was eigenlijk geen slaan, wat geschiedde;
-het was meer een wuiven, een streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van
-die naakte lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik toegebracht,
-alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde verlaten, verjaagd moest worden.
-Het was een zeldzaam schouwspel, dat daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen
-teekende onmiskenbaren angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen
-gadeslaan, geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen
-zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren frischheid toe te
-wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen van pijn te vertoonen. Waar de
-bladeren raakten, kromp het lichaam pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen,
-de spieren te werken en te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte
-slagen, ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al meer
-en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de beenen, den rug en
-den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden verwrongen, de oogen puilden
-uit hunne kassen. Toch gingen de beulen met hunne streeling voort. De ademhaling der
-ongelukkigen werd korter, werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond.
-Zij knarsten op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen
-ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten!
-</p>
-<p>„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond ontvlood.
-</p>
-<p>Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een teeken aan
-de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling door eene geregelde afranseling
-lieten volgen. Het regende toen slagen op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid
-weerklonk onder het gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen,
-die hen bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die slagen
-begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten hooren; het was een
-gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan hunne lippen ontwrongen; het was
-als het geluid <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van een wild dier, dat doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende
-krachten verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen niet
-meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen en beenen als slangen,
-die er zich om wriemelden; zij drukten zich tegen die stammen aan, alsof zij zich
-er indringen, in verbergen wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding,
-geene kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet, zag
-er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de onmenschelijke inspanning,
-door de pijn veroorzaakt, drongen de bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en
-verscheurden de weefsels onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het
-bloed in stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de beenen
-en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem.
-</p>
-<p>Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij de onduldbare
-pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht!
-</p>
-<p>Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd. Het waren nog
-maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad voorzien. De andere overblijfselen
-lagen verlept, verreten, vernietigd rondom de drie lijders op den grond verspreid,
-en nog dacht Lim Ho er niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij
-zijne slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een oogenblik
-halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen der ongelukkigen met water
-te doen besproeien, waardoor de reeds zoo onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden.
-De onmensch was op het punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling
-een alarmkreet vernomen werd.
-</p>
-<p>„Orang oppas! orang oppas!”<a class="noteRef" id="xd30e1568src" href="#xd30e1568">1</a> klonk het.
-</p>
-<p>Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de beide gemartelde
-Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de Niboeng-palmen gebonden hielden,
-en sleepten de halfbewustelooze rampzaligen, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden, langs het pad voort, dat naar
-de aanlegplaats der sloep voerde. Een paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook
-op Ardjan toetreden; maar de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten
-van de naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de sloep
-bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen, en was het vaartuig
-afgestoken, of een viertal agenten geleid door Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners,
-verschenen al schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet.
-</p>
-<p>„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog altijd aan den
-boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als eene levenlooze massa aan de
-touwen hing, die hem omknelden.
-</p>
-<p>„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch gedaan?”
-</p>
-<p>Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde hem op een matje,
-dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de rampzalige kon geen woord spreken.
-Hij brulde en raasde van de pijn en wentelde over den grond met kronkelingen als een
-worm, die vertreden was.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Allah!… Adoe!… Sakit, sakit!</span>” (O God … o wee!… Pijn, pijn!) kreet hij.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sakit apa?</span>” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast hem gehurkt zat.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sakit Kamadoog!</span>” brulde de lijder tusschen twee smartkreten.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sakit Kamadoog!</span>” riepen de omstanders ontzet.
-</p>
-<p>En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden bladeren op, die tot
-foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de menigte de vreeselijke brandnetel,
-die de meesten deed verbleeken.
-</p>
-<p>En inderdaad, de Kamadoog<a class="noteRef" id="n33.1src" href="#n33.1">2</a> is een vreeselijk gewas <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>in den volsten zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige branderige
-jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den lijder gedurende minstens
-zeven dagen ondragelijke pijnen en verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen,
-doet ondervinden.
-</p>
-<p>„Heeft ook iemand sirihkalk<a class="noteRef" id="xd30e1619src" href="#xd30e1619">3</a> bij zich?” vroeg Dalima smeekend.
-</p>
-<p>Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte sirihpruimpjes, die zij
-bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het sirihblad, waarin de pinangnoot<a class="noteRef" id="xd30e1625src" href="#xd30e1625">4</a>, de kalk en de tabak besloten was, waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk
-daarvan aan het meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali
-in te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den lijder, die in
-aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de vreeselijke netel, was zoo groot
-en de voorraad sirihkalk zoo klein, dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken
-niet met het beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden.
-</p>
-<p>Het meisje was wanhopig.
-</p>
-<p>De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende zonnestralen bevrijd
-te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als den koortsgloed, die hem naar het
-hoofd steeg, vermeerderden. Toen snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige
-kalk als wat olie te halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den
-avond hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de lijder
-vervoerd zoude kunnen worden.
-<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p>
-<p>Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga monjet voorbij
-en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de opvarenden toe, terug te keeren
-en den wal aan te doen. Niemand stoorde zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen
-vuurwapens bij de hand om die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren.
-Het antwoord was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw.
-</p>
-<p>Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend, welke bij
-hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen en weer, in en uit liep.
-Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich opwellen. Hij wilde naar den wal;.…
-maar voordat hij daartoe de noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het
-zou toch als krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de gegeven
-omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht van zijn geld mocht
-kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten aanschouwe van al die dèsabewoners
-zoude de omkooping der politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten
-woede de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra buiten
-de Moeara Tjatjing, en zette koers op de <i>Kiem Ping Hin</i>, waarop de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen vertrekken.
-</p>
-<p>Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem melden, dat
-de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien was.
-</p>
-<p>„Zeer waarschijnlijk is het de <i>Matamata</i>, die hier de kustwacht uitoefent,” zeide hij.
-</p>
-<p>„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de lippen. „Bij
-nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te voren hunne nadering. Bij dag
-jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is,
-en niemand onzer bedriegen kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl
-zij voor ons niet onopgemerkt bleven.”
-</p>
-<p>„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn uwe bevelen?”
-</p>
-<p>„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel, dadelijk onder zeil
-en koers naar het eiland Bali.”
-<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p>
-<p>Een kwartier later boog de <i>Kiem Ping Hin</i> bevallig stuurboord over onder den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven
-naar het oosten. Toen de <i>Matamata</i> ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler,
-de kim zeer nabij. Het vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw
-des hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige gelegenheid slechts
-zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon brengen, wanneer de vuren flink opgepookt
-en de veiligheidskleppen bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den
-ranken schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond, gemakkelijk
-elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide vaartuigen dan ook elkander
-uit het gezicht verloren.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om haren Ardjan
-van een gedwongen ballingschap te redden?
-</p>
-<p>Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld had, wat haar
-met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd gekost had, had zij zich
-beijverd, de banden te ontknoopen, die hare voeten omkneld hielden. Dat was ook snel
-geschied, en met een verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort.
-Een oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou naderen. Misschien
-zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar hoorde zij de stemmen van de beide
-Chineezen, die het pad afkwamen om haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het
-hart, en zonder te bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk
-maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren, zij zou die
-smeeken; ja, maar … zou die?… Dan zou zij zich tot den resident wenden om hulp, en
-die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel als eene gejaagde hinde ijlde zij voort.
-Als echt natuurkind was zij in dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den
-weg te kennen, en ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen.
-</p>
-<p>Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant binnentrad, was het zeer
-vroeg in den ochtend. <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>Het heerenhuis naderbij komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen
-in de groote „pandoppo”<a class="noteRef" id="xd30e1663src" href="#xd30e1663">5</a> met een boek in de hand op een „<span lang="ms">krossi gojang</span>” (wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare <span class="corr" id="xd30e1670" title="Bron: lektuur">lectuur</span> verdiept was. Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige beweging
-in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder, kruiste de beenen onder
-zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu met zacht schuivende bewegingen, waarbij
-zij zich met de linkerhand opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed)
-in bedwang hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog altijd
-onafgebroken op en neer ging.
-</p>
-<p>„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht hare lippen
-ontvlood.
-</p>
-<p>Het aangesproken meisje, in hare <span class="corr" id="xd30e1676" title="Bron: lektuur">lectuur</span> gestoord, vloog bij het hooren van haren naam verschrikt op. „<span lang="ms">Siapa ada?</span>” (Wie is daar?) kreet zij met een lichten gil.
-</p>
-<p>Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van haren stoel opgerezen
-was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde in de stralen der morgenzon, welke
-door de <span class="corr" id="xd30e1684" title="Bron: jaloesieramen">jaloezie-ramen</span> binnendrong, die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht
-in de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette met een
-matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere krullen; met prachtige bruine
-oogen, die met hunnen lieftalligen blik van eene zachtmoedige geaardheid getuigden;
-met frissche ronde wangen, waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde,
-dat een beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn gevormde
-lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en waaronder eene kleine afgeronde
-kin prijkte, die evenwel een kuiltje vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn
-teeder rozenrood den blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve
-kind was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>evenwel zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de bewering niet
-te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een der meest volmaakte meesterstukken
-van de schepping verscholen was. Zoo als zij daar stond, was een der slippen van de
-kabaja bij haar verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden
-sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend modelleerde,
-verder over het been afviel en een allerliefst blank rooskleurig voetje schalks zichtbaar
-liet, dat met de teentjes even in een geborduurd snoeperig slofje verscholen was.
-Hoewel het uiterlijk van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare
-zacht blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen, met haren
-zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat zij een Makart gerust
-tot model had kunnen strekken.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Siapa, ada?</span>” was haar verschrikte kreet geweest.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Saja, Nana</span>,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar.
-</p>
-<p>Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten te ontwerpen,
-heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden met het gebruikelijke „nonna”
-(juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima, die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare
-lieftalligheid, een schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot
-van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna, eindelijk tot
-Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana met de roman van Zola geen
-punt van overeenkomst heeft; ook niet met het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow
-in Engelsch Indië zoo’n treurige vermaardheid kreeg.
-</p>
-<p>Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij daar Dalima
-gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van haren schrik. Zij wilde
-het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding zitten bleef.
-</p>
-<p>„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van daan? O, mama
-is zoo boos op u.”
-</p>
-<p>„Nana, ik ben ontvoerd geworden.”
-</p>
-<p>„Door wien?”
-</p>
-<p>„Door lieden van Lim Ho.”
-<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p>
-<p>„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht geweest?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Den geheelen nacht?”
-</p>
-<p>„Neen; Allah heeft mij beschermd, en …”
-</p>
-<p>„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de meisjes schrikken
-deed.
-</p>
-<p>Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat de twee jonge
-meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de badkamer, zoo als haar rijke zwarte
-haardos bewees, die in prachtige golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt
-had, hoewel zij rug en schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij
-nu onder het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan eene
-„nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden onmiddellijk volgde,
-overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten drogen.
-</p>
-<p>Mevrouw Laurentia <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige matrone, van ruim zeven lustra, wier
-uiterlijk nog zeer bevallig was en niet te veel door het moederschap geleden had.
-Zij had maar een kind, de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken
-boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien verwelken, aan de
-zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo veel voorzorgen deed zich toch
-de invloed van den tijd gelden, en al moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast
-met eere torschte, zoo waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog
-andere toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje te
-„breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd veel met marinezaken
-had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der zeemanswereld bij alles, zoowel in
-zijne officiëele omgeving, als in de huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat
-te helpen, nog de frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele zilverdraad
-in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; wanneer <span class="corr" id="xd30e1720" title="Bron: nênèh">nènèh</span> Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat verraderlijke haar uit te trekken.
-De nog steeds fraai gevormde lippen begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen;
-ook de mondhoeken <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende beweging, die
-eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong toewa had ook voor het mondtoilet
-eene zuurachtige vloeistof, welke door eene soort van „<span lang="ms">semoet api</span>”<a class="noteRef" id="xd30e1728src" href="#xd30e1728">6</a> geleverd werd, en als <i lang="fr">vinaigre de toilette</i> dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje uit vet van „tjitjaks”
-en „gekko’s,”<a class="noteRef" id="n40.2src" href="#n40.2">7</a> waarin in gesmolten toestand ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood
-gestorven waren. Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen”<a class="noteRef" id="xd30e1741src" href="#xd30e1741">8</a> nog meer wondermiddelen ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia
-nog steeds haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen,
-dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten haar middel,
-hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed op eene dansreceptie verscheen,
-nog steeds afwijkende gedachten bij het mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij
-het vrouwelijke gedeelte van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den
-eereprijs toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, wanneer
-zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en opmerken kon, hoe gevierd
-en aangebeden deze werd.
-</p>
-<p>Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig meisje, toen
-zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen zeventien jaar oud—in het
-huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die destijds controleur bij het binnenlandsch
-bestuur en de rechterhand van haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar
-uit volbloed Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding hadden
-gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het onderwijs <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun kind voor een paar jaar
-naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven. Onder gewone omstandigheden zou zij
-dan ook tot eene uitstekende vrouw gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel
-ontbroken; omdat papa en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven,
-of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de zucht tot grooten
-sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel geld, zeer veel geld zelfs, en
-de middelen, die gebezigd werden, om dat aardsche slijk machtig te worden, konden
-niet altijd den toets van welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia
-gesprekken opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen bijgewoond,
-waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den voorrang twistten, en
-zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij kiemen van verderf in zich opgenomen,
-die de grootste verwoestingen zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen
-terecht gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar was
-het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar gebezigd als eene bron
-van financiëele inkomsten, die terdege geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover
-slechts een uiterlijk vernisje van goede manieren, <i lang="fr">un jargon de bon ton</i> moest aangebracht worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest.
-</p>
-<p>Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in geslaagd zijn,
-om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar deze, naar Indië gegaan om
-<i>carrière</i> te maken, en dan zoo spoedig, maar vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug
-te keeren, was zelf van geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool
-bij den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op beteren
-weg te brengen. Daar had hij den stelregel: <i lang="en">make money … but make money</i> als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone Laurentia had het hare
-bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen schieten.
-</p>
-<p>Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor zorgde steeds
-uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der residentie van zijn schoonvader
-te erlangen. Zoo was hij controleur te Brandowo <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen waar nagenoeg geen
-Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin
-had kunnen gadeslaan. Hoe <i>hij</i> daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den regent van wege de
-cultuurprocenten<a class="noteRef" id="xd30e1765src" href="#xd30e1765">9</a>, èn met den gedelegeerde van den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen
-van de Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe <i>zij</i> geld uitleende tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als
-juweelen, poesaka-wapens<a class="noteRef" id="xd30e1771src" href="#xd30e1771">10</a> enz. in onderpand aan te nemen, was een diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam
-niet verhinderd tot resident op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen
-gunstige uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de gedurige
-aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds voor hen bogen, was vooral
-het humeur van Laurentia onverdragelijk geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw
-verpersoonlijkt, en dat karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat
-zij, wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met vorstelijk
-voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus vertoonde, voor een uitmuntend
-beeld van Juno, die meest trotsche van alle godinnen, zou hebben kunnen dienen.
-</p>
-<p>Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van baboe Dalima gramstorig
-uitriep:
-</p>
-<p>„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je geweest? Zeker,
-jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan” (vrijer).<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik ben niet weggeloopen.”
-<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p>
-<p>„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?”
-</p>
-<p>„Ik werd ontvoerd.”
-</p>
-<p>„Door wien?”
-</p>
-<p>„Door vreemde Chineezen.”
-</p>
-<p>„Hoe heeft zich dat toegedragen?”
-</p>
-<p>Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds vernam. Alleen
-dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een kind van den broeder van
-den resident was, dat sedert geruimen tijd bij de familie logeerde, daar de vader,
-sedert jaren weduwnaar, zich op Billiton bevond.
-</p>
-<p>„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder aandoening in
-hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die schaking.
-</p>
-<p>„Aan boord van een groot schip.”
-</p>
-<p>„Van wie was dat schip?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”…
-</p>
-<p>„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang Bing, den
-opiumpachter?”
-</p>
-<p>„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna Anna gehurkt
-zat, bedeesd.
-</p>
-<p>Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare oogen een bizonder
-vuur vertoonden.
-</p>
-<p>„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie verlangt, en
-bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter.
-</p>
-<p>Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg Laurentia haastig
-en met hijgenden boezem:
-</p>
-<p>„En?”.…
-</p>
-<p>O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de wereld was.
-Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was.
-</p>
-<p>„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm.
-</p>
-<p>„Dat kan ik begrijpen,”<a class="noteRef" id="n43.1src" href="#n43.1">11</a> fluisterde de njonja meer dan <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>zij sprak, terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik
-begrijpen, alvorens.…”
-</p>
-<p>Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw van Gulpendam
-bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild glinsterende oogen, die vooruitdringende,
-licht trillende onderkaak, die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling
-sissend doorgang verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte
-kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op dat gelaat was
-alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam zich niet aan het opiumschuiven
-overgaf.
-</p>
-<p>„En,.… wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos aangestaard te hebben.
-</p>
-<p>„Niets,” was het rustige antwoord.
-</p>
-<p>„Niets!.… Je liegt, <span lang="ms">anak <abbr title="soendal">s.…..</abbr></span><a class="noteRef" id="n44.1src" href="#n44.1">12</a> Lim Ho zou je aan boord van een vaartuig gelokt hebben, om.…”
-</p>
-<p>„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het meisje snel in.
-</p>
-<p>„Gered!… Gered!… Door wien?”
-</p>
-<p>„Door Ardjan!”
-</p>
-<p>„Door Ardjan!??? Door Ardjan!… O, jou slecht schepsel!” kreet de njonja. „Nu begrijp
-ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten, om een slippertje te maken met
-jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim Ho verschuilen!… Wacht, ik zal jou!… Gulpendam!…
-Gulpendaaam!!…”
-</p>
-<p>Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en schril door
-de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in den waan dat er onraad
-was.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Pangil toean besar!</span>” (roep den grooten heer) klonk het bevel.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Ampon, njonja, ampooon!</span>” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het meisje op langgerekten toon.
-</p>
-<p>„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!”
-<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1568">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1568src">1</a></span> <i>Orang oppas</i> of oppasser is de benaming in <abbr title="Nederlandsch-Indië">Ned.-Indië</abbr> voor politie-agenten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1568src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n33.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n33.1src">2</a></span> <i>Kamadoog</i> is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de Duivelsnetel, de Urtica urentissima
-der geleerden. Schrijver heeft eens de toepassing van die bladeren op een blanke gezien,
-die hardnekkig rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om
-het bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt om voor
-den milit. dienst afgekeurd <span class="pageNum" id="pb34n">[<a href="#pb34n">34</a>]</span>te worden, toen de behandelende geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen
-met een bosje Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten
-te bevredigen. De simuleerende vloog onder een <i lang="de">Himmel kreuz donnerwetter, das ist ja Feuer!</i> overeind, van het bed af en het vertrek uit. Nimmer heeft die man later meer aan
-verlamming geleden. De Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen.
-Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den hoogst mogelijken
-graad van woede opgezweept.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n33.1src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1619">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1619src">3</a></span> <i>Sirihkalk</i> wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de scherpte van de steenkalk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1619src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1625">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1625src">4</a></span> <i>Sirihblad, waarin de pinangnoot.</i> Dat blad is afkomstig van eene slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd.
-De pinangnoot is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1625src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1663">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1663src">5</a></span> <i>Pandoppo</i> is eene ruime overdekte galerij, die achter het hoofdgebouw van iedere aanzienlijke
-woning in Ned. Indië aangetroffen wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is
-de meest geliefkoosde plek van het huis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1663src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1728">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1728src">6</a></span> <i lang="ms">Semoet api</i> letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode boschmier, die wanneer zij slechts
-over de huid loopt reeds een onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet
-van het diertje doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica
-rufa der geleerden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1728src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n40.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n40.2src">7</a></span> <i>Tjitjaks en Gekko’s</i> zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis;
-met de tweede de Platydactylus guttatus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n40.2src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1741">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1741src">8</a></span> <i>Doekoen</i> is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige, gewoonlijk eene oude tooverkol,
-die dan veel werk van aphrodisiaca maakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1741src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1765">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1765src">9</a></span> <i>Cultuurprocenten.</i> Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij het Binnenlandsche Bestuur op Java
-een tantum van de producten, die door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht
-moesten worden. Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een
-volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke onbillijkheden
-de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd heeft, is niet te beschrijven.
-Gelukkig behoort die cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1765src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e1771">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1771src">10</a></span> <i>Poesaka wapens.</i> Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De Javaan koestert grooten eerbied
-en aanhankelijkheid voor de wapens, kris, lans, enz. zijner voorouders.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1771src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n43.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n43.1src">11</a></span> <i>Dat kan ik begrijpen.</i> Aan de opium worden erotische uitwerkingen toegeschreven. Ziet daaromtrent de <i>Proeve van eene geschiedenis van den handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië</i> door <span class="sc">J.&nbsp;C. Baud</span>, gewezen minister van koloniën, voorkomende in de <i>Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde in Ned.-Indië</i>. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman op koloniaal gebied laat zich in <span class="pageNum" id="pb44n">[<a href="#pb44n">44</a>]</span>die verhandeling uit liefde voor de waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo
-een realisme verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen
-kan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n43.1src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n44.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n44.1src">12</a></span> <i lang="ms">Anak <abbr title="soendal">s.…</abbr></i> <span lang="ms">Anak</span> beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier bedoelde uitdrukking zie men <i>Max Havelaar</i> door <span class="sc">Multatuli</span> 5de druk bladz. 267.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n44.1src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e652">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">IV.</h2>
-<h2 class="main">De draden verwikkelen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep, dan, hoewel
-hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer resident) was, mocht hij de vlugheid
-in persoon geheeten worden. De booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen,
-minder rap te zijn.
-</p>
-<p>Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en kabaja gekleed,
-en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige residentiehuis gezeten, zijn
-kop koffie te slurpen en een sigaar te rooken, toen de stem van zijne vrouw door de
-geheele woning weerklonk.
-</p>
-<p>„Gulpendam!.… Gulpendaaam!”
-</p>
-<p>Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn wipstoel met zoo’n
-vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk, daarbij ontvangen, vier voeten achteruit
-vloog.
-</p>
-<p>„Oppas!.… Pajoeng!.… lakas!” (oppasser!.… de zonnescherm!.… Gauw!)
-</p>
-<p>Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak, namelijk steeds den
-pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in zijne nabijheid te willen hebben.
-In de voorgalerij stonden steeds een viertal van die zonneschermen in eene stelling
-naast den stoel, waarop de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een
-vlak naast den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke slaapkamer
-stond een ander <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de echtelijke bedkoets. Er mochten eens
-dieven des nachts komen, die zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen!
-De heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het teeken des
-gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar zij had er met hand en
-tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend
-de macht in handen wilde hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken,
-dan klonk het onveranderlijk: „Oppas!.… Pajoeng!” en dan volgden de zonnescherm, met
-den sigarenkoker en de „tali api”<a class="noteRef" id="xd30e1876src" href="#xd30e1876">1</a> (brandende lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge
-wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen, de residentspet
-met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een roomsch priester het sacrament
-zou gedragen hebben.
-</p>
-<p>Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in het oor:
-</p>
-<p>„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil hier!”
-</p>
-<p>En tot den oppasser klonk nog barscher:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Moendoer! lari! lakas!</span>” (Achteruit! weg! gauw!)
-</p>
-<p>Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed dezen verdwijnen.
-</p>
-<p>„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte schepsel geweest
-is.”
-</p>
-<p>„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten vallen.”
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In de dèsa!.… Het mocht wat!.… Zij is met haren Ardjan er van door geweest!”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Ampooon, njonjaaa!</span>” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch verstond, om geen woord te verliezen.
-</p>
-<p>„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” ging <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>mevrouw in een’ adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht
-aan boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!”
-</p>
-<p>Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de resident de
-ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de <i>Matamata</i> ontvangen, dat de <i>Kiem Ping Hin</i> op de kust gezien was. Die schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die
-aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap.<a class="noteRef" id="n47.1src" href="#n47.1">2</a>
-</p>
-<p>„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift.
-</p>
-<p>„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte meid.”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Ampooon, njonjaa!</span>” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat. „<span lang="ms">Ampooon, njaa!</span>”
-</p>
-<p>„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen toon.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Allah, toean!</span>” (O, God, mijnheer). <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Zij hebben Ardjan gevangen genomen! Kassian!” (heb medelijden).
-</p>
-<p>„Ardjan gevangen genomen?.… Maar, wie.…?”
-</p>
-<p>„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend.
-</p>
-<p>„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam binnensmonds en overluid.
-„Waar werd hij gevangen genomen?”
-</p>
-<p>„Bij de Moeara Tjatjing toean!”
-</p>
-<p>„Hoe kwam hij daar?”
-</p>
-<p>„Hij was met mij ontvlucht!”…
-</p>
-<p>„Hoort ge wel?” gilde mevrouw.
-</p>
-<p>„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan.
-<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p>
-<p>„Van het schip!… van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier uit het huis!
-Dat zal meer de waarheid zijn!”
-</p>
-<p>„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”, bromde de resident.
-En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst, hoe ge aan boord van dat schip
-gekomen zijt.”
-</p>
-<p>Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde thans hare lotgevallen,
-van af dat ze uit den tuin der residentswoning ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen
-doorgebeten en zich zelve bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van
-dat verhaal was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles aangehoord.
-</p>
-<p>„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de resident.
-</p>
-<p>„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan” (draagstok) wegdroegen.
-Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen
-van de touwen, die mij bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren
-zag schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest, dan zouden
-zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik dan niet ontkomen zijn.”
-</p>
-<p>„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk.
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en daarna mij naar
-de djaga monjet wilden brengen.”
-</p>
-<p>„Naar de djaga monjet?… Oppas!… Oppas!…” riep Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij schamper.
-</p>
-<p>„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te letten, aan den
-binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een paar van uwe makkers naar
-de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden
-tot assistentie mede, en tracht den Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima
-zal u tot gids verstrekken.”
-</p>
-<p>„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw.
-<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p>
-<p>„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot helderheid te brengen.”
-</p>
-<p>En zich tot den oppasser wendende:
-</p>
-<p>„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport. En nu ga,
-neem Dalima mede.”
-</p>
-<p>Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde hij tot zijne
-vrouw:
-</p>
-<p>„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van. Waar Lim Ho
-in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die het licht niet mag zien.
-En is mijne peiling juist.… dan zal de rijke pipa moeten over de brug komen.”
-</p>
-<p>Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten vinger der rechterhand
-eene beweging, die geldafschuiven moest beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte
-dat gebaar, door met een blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten.
-</p>
-<p>„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind meer. Op haren
-leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien. Langzamerhand zal zij ook moeten
-leeren begrijpen, van waar het geld komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?”
-ging hij voort, terwijl hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd
-zult zijn, zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge ook
-gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste rijtuigen, de fraaiste
-en de vurigste paarden hebben?”
-</p>
-<p>„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken glimlach … „hoewel”…
-ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en prachtige japonnen niet bizonder hecht …”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien leeftijd denken alle
-meisjes: <i lang="en">most adorned, when unadorned</i>. Dat verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een levenskwestie
-is, zich zoo schoon mogelijk te maken … En nu Anna, ga eens kijken of mijn ontbijt
-in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn
-secretaris, zal ze komen keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.”
-</p>
-<p>Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia:
-</p>
-<p>„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>Pryce te Batavia betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal
-niet eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed, och,
-dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer gelogd worden, en een
-sommetje overschieten. En dat kan te pas komen, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Maar, dat wegloopen van Dalima?.…”
-</p>
-<p>„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij verhaald heeft,
-dan.… Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net gevischt heeft. Maar.… dat zal hem
-nog meer zeil doen bijzetten.… En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden,
-dan zal ons die zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het bevredigen
-zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het zeil naar den wind brassen,
-en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef niet afsteekt.<span class="corr" id="xd30e1994" title="Bron: ’">”</span>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen de uitgezonden
-oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan op aanwijzing van Dalima gevonden
-had.
-</p>
-<p>Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het diner opgestaan,
-en zat met ega en dochter in de voorgalerij der prachtige residents-woning de vrienden
-en bekenden af te wachten, die den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van
-de gastvrije familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die
-gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de echtelieden aankleefden,
-verdienden zij die euphemistische waardeering ten volle. De zucht tot schitteren droeg,
-wel is waar, het hare daartoe bij, maar werd door <i lang="fr">le bon ton</i> van mevrouw en mijnheer zoodanig getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan
-benadeeld werd.
-</p>
-<p>Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het residentie-huis. Neen,
-de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal des weeks en wel op Woensdag plaats.
-Dan werden de kleine ambtenaren, de subalterne officieren, de leden van den handelsstand,
-de planters, de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde
-de resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit cachemiren
-pantalon gekleed, <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>in al den luister, dien een residentelijk ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan
-was de schoone Laurentia met al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw
-gelijk. Maar, dan was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid
-te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en hooghartigheid aan
-den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht,
-aan den anderen, schering en inslag van het samenzijn.
-</p>
-<p>Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de hooggeplaatsten, die door
-hunne traktementen of inkomsten den residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de
-Afdeelings-Kommandant, die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie,
-de Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de <span class="corr" id="xd30e2011" title="Bron: Sekretaris">Secretaris</span> der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel (Handelmaatschappij), enz.
-Die kwamen dan zonder omstand, zonder bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik
-met mevrouw en met de lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna
-zij aan de speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk maakte
-mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den regel niet de minst gelukkige,
-vooral wanneer in den naävond een fijntje tegen een gulden het fischje met een pot
-gespeeld werd. Het jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer
-voor de behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te sluipen, aan
-de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het hartje op te halen aan de
-melodieën van Chopin, van Beethoven, van Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier
-meesterstukken door het lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden.
-</p>
-<p>Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een andere dienst
-zou opgedragen worden.
-</p>
-<p>Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de kleinste bizonderheden
-medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in ijlende koorts verkeerde, naar het
-hospitaal ter behandeling gebracht had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar
-op.
-</p>
-<p>„Te drommel<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” prevelde hij tusschen de tanden. „Die <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>gekheid met die duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.”
-</p>
-<p>Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de aandoeningen, die
-zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten. Wat evenwel de goede luim van
-den resident ten top voerde, was dat de oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen
-door het dèsavolk, eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik
-struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten.
-</p>
-<p>„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident.
-</p>
-<p>„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer met gekruiste
-knieën zat.
-</p>
-<p>„Ook het dèsavolk?”
-</p>
-<p>„Engèh (ja) Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat genoeg leesbaar.
-</p>
-<p>„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen meegebracht?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> <span class="corr" id="xd30e2033" title="Bron: voeg">vroeg</span> hij verder.
-</p>
-<p>„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!<span id="xd30e2038"></span> Ik heb die vaatjes en die blikken bij den assistent-resident van politie afgegeven.”
-</p>
-<p>„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden.
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet begreep.
-</p>
-<p>Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij tot een Europeaan
-spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft, wanneer hij het hem toegevoegde niet
-begrijpt. Het moet niet zoozeer opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening,
-als wel als een beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van Gulpendam
-kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord verbaasd te zijn.
-</p>
-<p>„Ga naar den assistent-resident<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek dadelijk bij mij te komen<span class="corr" id="xd30e2050" title="Bron: ,">.</span>”
-</p>
-<p>De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen op, en ijlde
-heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was hij weg, of een paar der verwachte
-gasten kwamen opdagen. Een oogenblik later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen,
-het gesprek algemeen.
-<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p>
-<p>Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan. Dalima was terug,
-en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was afgeloopen. Zij had wel eenige woorden
-van haren vader met den oppasser opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt.
-</p>
-<p>Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche meisje daar gehurkt
-zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.
-</p>
-<p>„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.”
-</p>
-<p>„O Nana!… zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!”
-</p>
-<p>En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij den Javaan
-teruggevonden had.
-</p>
-<p>„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij.
-</p>
-<p>„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna.
-</p>
-<p>„Lim Ho,” antwoordde Dalima.
-</p>
-<p>„Lim Ho? Hoe kwam die daar?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de djaga monjet
-de Moeara Tjatjing uitvoer.”
-</p>
-<p>„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?”
-</p>
-<p>„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben zeker, dat
-hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook sprak Ardjan eenige woorden,
-die mij zekerheid verschaften.”
-</p>
-<p>„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?”
-</p>
-<p>„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien ook, omdat hij
-mij van de <i>Kiem Ping Hin</i>, ontvoerd en gered heeft. O, Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts
-wartaal.”
-</p>
-<p>„En waar is Ardjan nu?”
-</p>
-<p>„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij den assistent-resident
-van politie geweest zijn.”
-</p>
-<p>„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?”
-</p>
-<p>„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium afgegeven<span class="corr" id="xd30e2080" title="Bron: ?">,</span>” antwoordde Dalima.
-</p>
-<p>„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?”
-</p>
-<p>„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.”
-</p>
-<p>„In de nabijheid der .… Dus te gelijk met hem gevonden?”
-<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p>
-<p>„Ja, Na!”
-</p>
-<p>Het blanke meisje dacht een oogenblik na.
-</p>
-<p>„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij binnen’smonds.
-</p>
-<p>En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare gedachten te verzamelen,
-vroeg zij:
-</p>
-<p>„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip verliet?”
-</p>
-<p>„Ja, Nana!”
-</p>
-<p>„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.”
-</p>
-<p>„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs eene „tali” (touw)
-er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en waren blij van het schip zoo spoedig
-mogelijk verwijderd te geraken.”
-</p>
-<p>Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar hare kamer,
-die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer terug met hare schrijfcassette
-in de hand. Zij zette zich neder bij een der lampen, die de pandoppo verlichtten,
-en schreef ijverig een briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe:
-</p>
-<p>„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?”
-</p>
-<p>„Zeker, Nana!”
-</p>
-<p>„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?.…”
-</p>
-<p>„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is zoo ver. En
-het is reeds zoo laat.”
-</p>
-<p>„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos” (dos-à-dos), dan
-is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!”
-</p>
-<p>Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om de boodschap
-der nonna uit te voeren.
-</p>
-<p>Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten, die reeds aangekomen
-waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die zij ontwikkelen konden, ontvangen.
-</p>
-<p>„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje getrouw blijft,”
-sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw aangekomenen, die hoewel niet in uniform
-gekleed, toch door zijne houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt
-wit hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried.
-</p>
-<p>„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>avond niet getrouw gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier.
-</p>
-<p>„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh zijn, en dat
-vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten vertrekken. Nu dacht ik,
-dat bezigheden u soms zouden verhinderd hebben, om …”
-</p>
-<p>„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel moeten gebeuren,
-dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te leur te stellen. Neen, ik heb
-mijne bevelen gegeven, en voor de rest zorgt mijn chef van den staf.”
-</p>
-<p>„En gij, overste<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten. „Hadt gij het heden niet druk met
-die nare tijdingen. Er zal ook wel weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar?
-Ik heb ten minste als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te
-Batavia in dien zin eene mededeeling ontvangen.”
-</p>
-<p>„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde deze, die chef
-van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De voorzieningen voor de versterking
-naar Atjeh zijn allen getroffen, en heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden.
-Toch is het gevaar groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had
-kunnen nemen.”
-</p>
-<p>„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg mevrouw Van Gulpendam
-deelnemend.
-</p>
-<p>„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de geneesheer van
-de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een Inlander door politie-agenten binnen
-gebracht was, die ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen,
-en waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.”
-</p>
-<p>„Zijne … Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,” antwoordde de overste.
-„Maar dat is de leer van de herkenning der ziekten. Daar de lijder in het oog van
-den jeugdigen arts in extremis was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar
-het hospitaal te gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters
-zijn.”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel; maar ga voort.”
-<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p>
-<p>„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige artsen van de
-hedendaagsche school! Die man had den mond vol van absente diaeresis; van aanwezige
-efflorescentia en formicatie, gepaard aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met
-eene eenvoudige maar toch flink toegepaste urticatie te doen had.”
-</p>
-<p>„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw.
-</p>
-<p>„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink toegepaste geeseling
-met karbouwbladeren.”
-</p>
-<p>„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig werd. „Die
-worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?”
-</p>
-<p>„Juist, resident.”
-</p>
-<p>„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een tienmijls vaart!”
-</p>
-<p>„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets anders te doen,
-dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden, namelijk de pijnlijkste plekken
-met sirihkalk in te smeeren, en de overige met versche klapperolie. De man lag in
-een hevige ijlende koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor
-heeft die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.”
-</p>
-<p>„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt, overste?” vroeg
-de resident.
-</p>
-<p>„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd heeft. Het
-onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk, dat de ijlende koorts
-nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren. Daarna zal zij afnemen. Maar, het
-zal wel veertien dagen duren, alvorens die man weer op de been zal zijn.”
-</p>
-<p>„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.”
-</p>
-<p>„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?”
-</p>
-<p>„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.”
-</p>
-<p>„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?”
-</p>
-<p>„Neen, resident.”
-</p>
-<p>„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?”
-</p>
-<p>„Neen, volstrekt niet.… Maar, resident, die vragen.… Stelt gij belang in den lijder?”
-</p>
-<p>„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>Ik weet van het geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem
-Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.”
-</p>
-<p>Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de gewone plichtplegingen
-werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes genomen, terwijl de lieve Anna zich
-met de thee onledig hield. Maar nog waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de
-assistent-resident van politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des
-huizes gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak hij
-tot den huisheer:
-</p>
-<p>„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap dadelijk bij u
-te komen.”
-</p>
-<p>„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande, en tot zijne
-partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u drieën moeten spelen.…
-Kom, Meidema.”
-</p>
-<p>De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij.
-</p>
-<p>„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van het vertrek
-zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke opium-aanhaling gedaan, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien blikken. In
-de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z. er is een vaatje van tien
-kilo in een ander geplaatst, en met grof zout omgeven. De blikken bevatten ieder vijf
-kilo ongeveer. Zoodat de aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.”
-</p>
-<p>„Zoo, nog al aardig,” meende de resident.
-</p>
-<p>„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan.
-</p>
-<p>„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen dertig gulden
-het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens mij nog maar vier duizend
-vijf honderd gulden. Is ’t niet?”
-</p>
-<p>„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe opium, maar tjandoe.
-En gij weet wel, dat van een katie opium slechts 15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen
-wordt.”
-</p>
-<p>„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>blik op den assistent-resident. „Maar is het wel opium?”
-</p>
-<p>„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen. „Het is tjandoe,
-zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is zuiver Bengaalsch <span class="corr" id="xd30e2165" title="Bron: produkt">product</span>.”
-</p>
-<p>„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige stellen?”
-</p>
-<p>„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig is. Het is tjandoe,
-die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent morphium<a class="noteRef" id="xd30e2172src" href="#xd30e2172">3</a> bevat.”
-</p>
-<p>„Zoo!.… Ik meen maar.… Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is u in handen gesteld.…
-Gij kent de herkomst van die vaatjes en blikken, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij gerapporteerd, dat
-die opium afkomstig is van de <i>Kiem Ping Hin</i>, en gij weet wie.…”
-</p>
-<p>„Van de <i>Kiem Ping Hin</i>?.… Hoe komt gij er aan?”
-</p>
-<p>„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala oppas.”
-</p>
-<p>„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem.
-</p>
-<p>Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen.
-</p>
-<p>„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den assistent-resident.
-</p>
-<p>„Ja, resident.”
-</p>
-<p>„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen bediende met strakken
-blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean assistent bracht, is immers bij Ardjan
-gevonden?”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar).…”
-<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p>
-<p>„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op strengen toon.
-</p>
-<p>„Engèh Kandjèng toean!”
-</p>
-<p>„Hoort gij het, mijnheer Meidema?”
-</p>
-<p>„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat.
-</p>
-<p>„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.”
-</p>
-<p>„Maar, resident.…”
-</p>
-<p>„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te vervullen.”
-</p>
-<p>„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?”
-</p>
-<p>„Dank u.”
-</p>
-<p>Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en hief de schoone
-Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors zesde schoppen, met groot mariage
-klaveren en harten zeven in de hand.
-</p>
-<p>„Vole déclarée, schoppen!” riep zij.
-</p>
-<p>„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan het andere
-tafeltje zat. „Dat’s vroeg.”
-<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e1876">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1876src">1</a></span> <i>Tali api.</i> Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt,
-is het gebruik van tali api grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft
-het verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene echt Oostersche
-figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is de tali-api-jongen evenwel
-nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige groote hem niet willen missen; want die
-jongen behoort tot de staatsie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e1876src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n47.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n47.1src">2</a></span> <i>De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap.</i> Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat een Minister v. Kol.
-bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning schreef o. a.: <i>het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters aanleiding geeft tot ondermijning
-van het gezag</i>.
-</p>
-<p class="footnote cont">Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van <span class="corr" id="xd30e1920" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> schreef bij miss. dd. 3 October 1866 aan den <abbr title="Gouverneur-Generaal">Gouv.-Gen.</abbr>:
-</p>
-<p class="footnote cont">„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van sluikhandel,
-waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters, een net dat, om de ongehoorde
-voordeelen, die het oplevert, trots de hoogste boeten, trots de hoogste straffen,
-zal blijven bestaan, zoolang het belang der pachters medebrengt het te behouden.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n47.1src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2172">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2172src">3</a></span> <i>Vijf en twintig à dertig percent morphium.</i> De Levantsche opium bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe
-van onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat alkaloïd aangetroffen.
-Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van den Ind. Gids Meinummer 1885, waar
-het gevoelen van den heer <span class="sc">F. Hekmeijer</span>, 1e apotheker v. h. <span class="corr" id="xd30e2178" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> leger en bekend als uitstekend scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de
-bewering van <span class="sc">J.&nbsp;C. Baud</span>, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2172src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e661">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">V.</h2>
-<h2 class="main">In de voor- en binnen-galerij.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed juist een ander
-voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die toegang tot de voorgalerij
-verleenden, waarin de spelers gezeten waren.
-</p>
-<p>Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig, fijngevoelig,
-beschaafd meisje, als Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam was, een briefje aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman
-zoo dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet vergeten worden,
-dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef, geheel aan den aandrang van baboe
-Dalima gehoorzaamde, en om redding aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar
-hart gehoor gaf, zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten
-kon worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden wel geen
-liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking jegens elkander ontstaan
-was, geboren uit overeenkomstige gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne
-wederzijdsche aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen stempel,
-wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat waren, elkander van
-berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene genegenheid bestond tusschen hen, dat
-viel niet te miskennen. Maar voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen
-van hunnen stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid
-een meer <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat wellicht ontsluieren.
-</p>
-<p>„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid vernemen?”
-</p>
-<p>„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde de resident
-tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo aanminnig mogelijk antwoordde:
-</p>
-<p>„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen. Waarlijk, gij verwent
-ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.”
-</p>
-<p>„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam de pas aangekomene,
-„maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op
-zijn minst genomen, ik zou het haast noemen, <i lang="fr">fâcheux troisième</i>.”
-</p>
-<p>Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie hij zocht. Zich
-tot de heeren wendende:
-</p>
-<p>„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u, kolonel, en u, overste,
-evenmin. Gij allen zijt de gezondheid gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met
-het partijtje? Wel, heer secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere
-tafeltje.
-</p>
-<p>„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.”
-</p>
-<p>„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een oogenblik te
-laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld en gewonnen!”
-</p>
-<p>„Een vole, mevrouw?”
-</p>
-<p>„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de schoppen, groot
-mariage klaveren en harten zeven.”
-</p>
-<p>„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen waren de troeven
-er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen door met twee troeven …”
-</p>
-<p>„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had klaverenboer derde
-en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw, boer, aas, enz., enz., dat viel achter
-elkander. Op die troeven speelde mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens
-troef. Ja, ik had de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>niet gevallen. En.… waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en.…”
-</p>
-<p>„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?” brak eene lieftallige
-stem, die omberverhandeling af.
-</p>
-<p>De aangesprokene keerde zich met drift om.
-</p>
-<p>„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend. „Maar, waartoe
-dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken Devonshire-roos, zoo lieftallig,
-zoo.…”
-</p>
-<p>„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een schalkschen glimlach
-zweefde bij die komplimentjes.
-</p>
-<p>„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?”
-</p>
-<p>„Neen, de kokkie deed dat.”
-</p>
-<p>„En de thee?”
-</p>
-<p>„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.”
-</p>
-<p>„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?”
-</p>
-<p>„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger mannetjes-boonen gezet,”
-riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe.
-</p>
-<p>„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten van uwe kokkie,
-mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee prefereeren. Dat heeft nog zoo iets
-vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik u bidden mag, een kop thee.”
-</p>
-<p>„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje.
-</p>
-<p>„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?”
-</p>
-<p>„Dat gij straks de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>, gij weet wel die keurige quatre-mains van Ludovic met mij speelt …”
-</p>
-<p>Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht.
-</p>
-<p>„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat baat u ziet zooveel
-niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met den rose nagel van haar allerliefst
-gevormd duimpje een knappend geluid tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes
-veroorzaakte en een spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „<i lang="fr">les fleurs d’oranger!</i> of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de voorwaarde, die onmiddellijk
-de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar, kolonel?”
-</p>
-<p>„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>die geen woord van de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van
-een gewaagden <i lang="fr">sans-prendre</i>, dien hij ondernomen had.
-</p>
-<p>„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den oorlog durven
-verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden, speel ik den geheelen avond
-<i lang="fr">les fleurs d’oranger</i>. Kom, dadelijk!”
-</p>
-<p>„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,” spotte het meisje.
-„Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht overal en in alles steeds hetzelfde
-als in hun gerechtszaal, waar zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld,
-of slechts afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?”
-</p>
-<p>„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.… zoudt gij mij toestaan hier achter
-de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama te ontvangen?”
-</p>
-<p>„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen, vervolgens voor
-de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van Beethoven spelen.…”
-</p>
-<p>„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus 36, verzoeken?”
-</p>
-<p>„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken glimlach. „Nu
-goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas op, dan de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>! En,.… ga nu maar les nemen in het omberen.”
-</p>
-<p>Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar fijn en gesloten
-spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam en bedrijvig heen en weer trippelde,
-om toe te zien, dat de bedienden stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd
-lieten.
-</p>
-<p>Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en aandachtig in
-hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de uitstraling der prachtige
-en overdadige gaslampen, die de galerij met een zee van licht overstroomden, heerlijk
-af. <span class="corr" id="xd30e2302" title="Bron: Eduard">Karel</span> <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool was een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden
-in de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie te Santjoemeh
-geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van Batavia aankwam. Hij was een rijzig
-man, met blonde haren, die hij uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden
-<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>gelaat, waarvan de Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst
-werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht gevulden knevel
-ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was iets blonder dan het hoofdhaar,
-ja mocht op eene zekere mate van vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet
-misstond. Zijne beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne
-omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten volle verdiende.
-In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij was een <span class="ex">rechtsgeleerde</span> in de zuivere beteekenis van het woord. Een geleerde, een beoefenaar van het recht!
-Noch de studie der Pandecten, noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis
-in een woord, noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van
-het Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de casuïstiek eenige
-aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet om daaruit <span lang="la">casus positiones</span> of juridische subtiliteiten te smeden; neen, dan diende zij hem in tegendeel als
-gewetens-dialektiek, die hem voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht
-door zee, eerlijk als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen
-op hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke door een soort
-van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij daarbij steeds den stempel van
-man van opvoeding en beschaving bleef bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar
-het geringste te omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht
-verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik in de verdorvenheid
-der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan. Stipte rechtvaardigheidsbeginselen,
-rondborstigheid van uitdrukking, gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen
-faktoren om in de tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld
-vooruit te komen!
-</p>
-<p>Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als rechterlijk ambtenaar
-uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan hem en had dat dikwijls aan zijn
-chef, den voorzitter van den raad van Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde,
-te kennen gegeven.
-<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p>
-<p>„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool is nog een jeugdig
-borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben<a class="noteRef" id="xd30e2321src" href="#xd30e2321">1</a>, zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd zijn. Wie onzer had, bij het
-begin zijner loopbaan in zijne jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als
-hij?”
-</p>
-<p>De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch voelde zijn
-geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische denkbeelden gekoesterd te hebben,
-althans met zoodanige, als waarmede de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was.
-</p>
-<p>De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te turen.
-</p>
-<p>„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw
-met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter mij zijt komen zitten, heb ik geen
-spel meer in handen gekregen. Ga aan ginds tafeltje bij den resident eens kijken.”
-</p>
-<p>„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!”
-</p>
-<p>Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs.
-</p>
-<p>Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de woorden van
-den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de stem van de dochter des
-huizes weerklonk:
-</p>
-<p>„En mijn <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom, het is tijd.”
-</p>
-<p>„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog niets gehoord!”
-</p>
-<p>„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij omslaan.”
-</p>
-<p>„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij de twee jongelieden
-even natuurde, maar terstond weer naar haar spel keek. „Kijk, daar <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap heel andere kaarten op.”
-</p>
-<p>„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van Gulpendam van zijn
-kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch hier doen?”
-</p>
-<p>„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel.
-</p>
-<p>„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen zin.”
-</p>
-<p>„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad van Justitie,
-„en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen niet ver.”
-</p>
-<p>„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een afdoenden toon
-in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit aan de voorhand, welnu: <i lang="fr">sans prendre</i>. Harten!”
-</p>
-<p>De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet zoodra waren
-zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool begon:
-</p>
-<p>„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik dadelijk gekomen.”
-</p>
-<p>„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje<span class="corr" id="xd30e2360" title="Niet in bron">.</span> En hardop vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.”
-</p>
-<p>En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de sierlijk gesneden
-étagère, die naast de piano stond, haalden en bekeken, fluisterde het jonge meisje:
-</p>
-<p>„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd … Stil! onderbreek mij niet,
-anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier Lim Ho. Zij werd echter bevrijd
-door Ardjan, haren aanstaande. Die is evenwel op last van den Chinees vreeselijk met
-karbouwen-bladeren gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal …”
-</p>
-<p>„Zie, hier heb ik de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>, juffrouw Anna,” sprak van Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel
-had hooren opstaan, overluid.
-</p>
-<p>„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O, hier heb ik ze!
-Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op de piano, als ik u bidden mag.”
-</p>
-<p>„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach.
-<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p>
-<p>„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal kunnen spelen en
-tevens mijn verhaal voortzetten.”
-</p>
-<p>Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de bladen om te
-slaan.
-</p>
-<p>„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den prachtigen aanvang aansloeg
-van dat in alle zijne deelen op groote schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk,
-„dat Ardjan in het hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij
-ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat briefje te schrijven.”
-</p>
-<p>„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.”
-</p>
-<p>„Luister aandachtig.”
-</p>
-<p>En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste gewaarwordingen
-des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling
-lieten komen; terwijl zij al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen
-der jeugd, in den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen kunnen,
-tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen des toondichters,
-doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die den zonneschijn van zijn gemoed
-bedreigden, heerlijk lieten uitkomen, vertelde het lieve kind de ontvoering en de
-redding van Dalima, in welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden
-was; maar ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium ontdekt
-werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was.
-</p>
-<p>Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en zich geen enkelen
-keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo aandachtig toe, dat geen woord hem
-ontsnapte. Bij de laatste woorden betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas
-zeer goed opmerkte, vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin
-een verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die van alle
-kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste blijdschap op te wekken,
-tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers, in de voorgalerij, die onder den invloed
-van het kunstvaardige spel een oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne
-toejuichingen liet hooren.
-<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p>
-<p>„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool, terwijl de bravo’s
-voor nog weerklonken, fluisterend.
-</p>
-<p>„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op gedempten toon.
-</p>
-<p>„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?”
-</p>
-<p>„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van dien aard.”
-</p>
-<p>„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?”
-</p>
-<p>„Dat wist Dalima niet … En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>!”
-</p>
-<p>„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal worden, die opium
-aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe bestaat niet de minste aanleiding;
-tenzij.…”
-</p>
-<p>„Sjtt.… straks!”
-</p>
-<p>En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne sprankelende noten,
-die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in ware trossen, in ware bouquetten
-van melodiën naar buiten ruischten, en zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg
-van levenslustige opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm
-der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge meisje de laatste
-vraag van Van Nerekool:
-</p>
-<p>„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en.…”
-</p>
-<p>Het lieve kind aarzelde.
-</p>
-<p>„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles mededeelen.”
-</p>
-<p>„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.”
-</p>
-<p>„Een weinig geluisterd?”
-</p>
-<p>Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare oortjes.
-</p>
-<p>„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa den oppasser
-hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon de gedachte niet van mij
-zetten, dat dit in verband stond met Ardjan. Toen de assistent-resident kwam, sloop
-ik dan ook achter het schutsel, hetwelk de deur maskeert, en.…”
-</p>
-<p>„Nu, en …? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,”
-</p>
-<p>„En, toen heb ik alles gehoord.…!”
-<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p>
-<p>„Alles, wat?”
-</p>
-<p>„Wat zij verteld hebben.…”
-</p>
-<p>„Ja, maar, wat hebben zij verteld?”
-</p>
-<p>„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.”
-</p>
-<p>„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?”
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen.…”
-</p>
-<p>„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag u dat af.”
-</p>
-<p>„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.”
-</p>
-<p>„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat doen, als ik de
-toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er geen schijn van gevaar, dat Ardjan
-van smokkelarij beschuldigd zal worden. Wees openhartig met mij<span class="corr" id="xd30e2420" title="Bron: ,">.</span>”
-</p>
-<p>„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het is zoo moeielijk.”
-</p>
-<p>„Waarin bestaat die moeielijkheid?”
-</p>
-<p>„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar … komaan … gij hebt gelijk. Ik
-zal openhartig zijn en u alles vertellen.”
-</p>
-<p>En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide ambtenaren
-gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte waarde van de opiumpartij,
-noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema bekend gesteld, noch het verhoor van
-den kapala oppas. Toen zij mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den
-politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood hare wangen
-en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den gemoedstoestand van de lieve
-maagd, die zich voor de daden van haren vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte
-dat gesprek ter wille van het meisje te bekorten.
-</p>
-<p>„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had, waarvan die
-opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat schip genoemd?”
-</p>
-<p>„Ja, ik geloof de <i>Hing Kim Lin</i> of de <i>Lim King Him</i> of zoo iets dergelijks.”
-</p>
-<p>„Kan het ook de <i>Kiem Ping Hin</i> zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar met nadruk. „Bedenk u wel.”
-</p>
-<p>„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.”
-<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p>
-<p>Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht aan zijne lippen
-ontgleed.
-</p>
-<p>„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij.
-</p>
-<p>„Weet gij wien de <i>Kiem Ping Hin</i> toebehoort?”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Aan Lim Ho!”
-</p>
-<p>„Aan Lim Ho?.… den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij de handen voor
-het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen.
-</p>
-<p>„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg.
-</p>
-<p>Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare ouders, waarbij
-zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van schaamte ontsprongen hare oogleden,
-droppelden tusschen hare vingeren door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl
-zij angstig prevelde:
-</p>
-<p>„Ach God! Ach God!”
-</p>
-<p>„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen, „laat de hoop
-niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat in mijn vermogen is, om den
-onschuldige te redden. Dat beloof ik u.”
-</p>
-<p>„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle beweging hare
-oogen met haren zakdoek afdroogde.… „Maar mijn vader?”.…
-</p>
-<p>„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.”
-</p>
-<p>„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die zaak gecompromitteerd
-worden?”
-</p>
-<p>„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij ongemoeid blijft.
-Wees gerust.”
-</p>
-<p>„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn ontroering te
-verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.”
-</p>
-<p>„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap nemen.”
-</p>
-<p>Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de ombreurs. Die waren
-evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige oogenblikken later het kaartspel geëindigd
-was.
-</p>
-<p>„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel, terwijl hij met
-bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde.
-<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p>
-<p>Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam vertrokken, en stond
-de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na te turen.
-</p>
-<p>„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets te zeggen) klonk
-eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar.
-</p>
-<p>Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten.
-</p>
-<p>„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen.
-</p>
-<p>„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Vergist, waarmede?”
-</p>
-<p>„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij Ardjan gevonden
-was.”
-</p>
-<p>„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft in te trekken,
-dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran” (gevangenis) stoppen! Begrepen?!!”
-</p>
-<p>„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en onbegrijpelijk
-strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan zijn voorhoofd brengende, de
-„sembah” (groet) eerbiedig volbracht.
-<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e2321">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2321src">1</a></span> <i>Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben.</i> Een gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande te duiden.
-Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst per dag eet. Om dus tot
-een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te worden, werden <span class="sc">Van Nerekool</span> nog ongeveer 2¾ jaar gegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2321src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e670">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VI.</h2>
-<h2 class="main">Een echtpaar<span class="corr" id="xd30e2483" title="Niet in bron">.</span></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen zouden zij hem
-veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en daardoor nog zoo onervaren
-in de doolhoven van ongerechtigheden, die in Nederlandsch-Indië door de rechterlijke
-zoowel als door de administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking
-komen met zaken, welke het opiummonopolie gelden.
-</p>
-<p>Eenige weken na zijn onderhoud met Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, vernam hij van haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie
-herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de gevangenis overgebracht
-was. Hij won toen inlichtingen in bij den rechtsgeleerden voorzitter van den landraad<a class="noteRef" id="n72.1src" href="#n72.1">1</a> te Santjoemeh, die hem mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd
-was, en dat nog wel van eene vrij belangrijke partij.
-<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p>
-<p>„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid voor,” vervolgde
-Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de strekking niet begrijp.”
-</p>
-<p>„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool.
-</p>
-<p>„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij mij mededeeling
-doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt, dat de aanhangige overtredingszaken
-door den landraad zouden worden afgedaan.”
-</p>
-<p>„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch reglement, en
-met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke organisatie.”
-</p>
-<p>„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat lijstje komt
-de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?”
-</p>
-<p>„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben overtuigd, dat die
-Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de preventieve gevangenis zoodanig,
-dat wanneer eene vrijstelling volgt, de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening
-kan uitroepen: „hij heeft in allen gevalle voor <i>mijn</i> pleizier zoo vele maanden gezeten.””<a class="noteRef" id="n73.1src" href="#n73.1">2</a>
-</p>
-<p>Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met doordringenden blik aan.
-</p>
-<p>„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere meening voor.”
-</p>
-<p>„En die is?”
-</p>
-<p>„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid heb gevraagd?”
-</p>
-<p>„Ja. Maar, wat zou dat?”
-</p>
-<p>„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te berechten zijn, zou
-de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst over zes of acht weken ongeveer
-aan de beurt zijn.”
-</p>
-<p>„Welnu?”
-</p>
-<p>„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.”
-<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p>
-<p>„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een ander rechterlijk
-ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den landraad te presideeren.”
-</p>
-<p>Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn.
-</p>
-<p>„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het reizen niet vlug.
-Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr. Nellens van Makassar, dan gaan er
-minstens twee maanden voorbij, alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is.
-En inmiddels.…”
-</p>
-<p>„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de afdoening der landraadzaken
-belasten.”
-</p>
-<p>„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat krachtens de eerste
-alinea van artikel 93 van het reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid
-der Justitie in Ned.-Indië, de resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter
-van den landraad kan optreden.”
-</p>
-<p>„Welnu?”
-</p>
-<p>„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik weg zal zijn,
-berecht de resident de zaak Ardjan.”
-</p>
-<p>„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?”
-</p>
-<p>„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef<a class="noteRef" id="n74.1src" href="#n74.1">3</a>, dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de grootste opiumsmokkelaars zijn,
-stelselmatig omgekocht worden, en dat zoodoende het gezag der uitvoerders van het
-gezag der regeering ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van
-Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken dan gij, en
-als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van Ardjan te verdagen, dan kan
-ik de gedachte niet van mij zetten, dat hier eene poging aanwezig is, om die zaak
-aan de <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken.”<a class="noteRef" id="n75.1src" href="#n75.1">4</a>
-</p>
-<p>„Maar, dat is afschuwelijk!”
-</p>
-<p>„Zeker is het dat.”
-</p>
-<p>„En wat hebt gij gedaan?”
-</p>
-<p>„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die zaak te verdagen.
-Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien dagen voor komen.”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Dat zou zij niet.
-</p>
-<p>Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke ambtenaren plaats
-vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het onverwachts een bezoek.
-</p>
-<p>Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in den namiddag;
-twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op bezoeken gesteld is.
-</p>
-<p>Als populair man had de resident tegen half elf de „<span class="corr" id="xd30e2578" title="Bron: Societeit">Sociëteit</span>” bezocht, en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan
-zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had, dat, al had
-hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel een bal in de <span class="corr" id="xd30e2581" title="Bron: millieu">milieu</span> snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had. Hij was zoo omstreeks half één te
-huis gekomen, had met smaak gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den
-dag des Heeren verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai
-gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan snoepen. Hij had
-reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand, toen de kapala oppas hem naderde,
-zich op den grond liet glijden, den „sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde,
-dat babah Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht.
-</p>
-<p>„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de opiumpachter)
-vroeg hij.
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser.
-<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p>
-<p>„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond) luidde het bevel.
-</p>
-<p>„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?”
-</p>
-<p>„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja …”
-</p>
-<p>En een anderen oppasser wenkende:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Bowah bekakas pajoeng di sini</span><span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” (breng de pajoengstandaard hier) beval hij.
-</p>
-<p>De schoone Laurentia trok de schouders op:
-</p>
-<p>„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en kabaai, en de gouden
-pajoeng naast hem!”
-</p>
-<p>„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De wind is aan
-het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.”
-</p>
-<p>„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren innemendsten
-glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!”
-</p>
-<p>„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den beer aan John
-Pryce …”
-</p>
-<p>Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen influisteren,
-dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te spreken. <span class="corr" id="xd30e2606" title="Bron: M’bok">’Mbok</span> Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en nagenoeg even oud als deze, maar
-had nog andere koorden op haren boog dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw.
-Behalve doekoen, was zij o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen).
-</p>
-<p>„Die komt te pas en ook te onpas,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> prevelde mevrouw Van Gulpendam met een zweem van teleurstelling, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>maar wat er aan te doen?”
-</p>
-<p>Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te hebben de oude
-vrouw derwaarts te brengen.
-</p>
-<p>Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het Javaansche wijf.
-Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde een glimlach op de lippen van
-den babah. Voor ieder ander dan voor ’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke
-op het gele gelaat van iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid
-van machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach evenwel eene
-tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>bediende, trad zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja,
-terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel zat te wiegelen,
-waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den Grooten Heer met den stralenkrans
-van zijne meervoudige zonneschermen omgaf<a class="noteRef" id="xd30e2620src" href="#xd30e2620">5</a>.
-</p>
-<p>„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar een stoel
-gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag naar herwaarts?”
-</p>
-<p>De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met een knipoogje:
-„Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den Kandjeng toean te vernemen.”
-</p>
-<p>„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen doen.”
-</p>
-<p>„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het lichaam en
-de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder een goede plaats vindt …”
-</p>
-<p>„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident glimlachend.
-</p>
-<p>„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het residentiehuis insloop.”
-</p>
-<p>Van Gulpendam spitste de ooren.
-</p>
-<p>„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?”
-</p>
-<p>„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.”
-</p>
-<p>„Nu, laat hooren, babah.”
-</p>
-<p>Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische vertaling
-dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied zijn. Bij tijds bedacht
-hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch niet zou begrijpen.
-</p>
-<p>Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de partij opium
-bij de djaga monjet <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>in de Moeara Tjatjing, en trachtte den resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen
-daar gecalangeerd was, geen opium was.
-</p>
-<p>„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Niets anders dan „pretto”<a class="noteRef" id="n78.1src" href="#n78.1">6</a> vermengd met verschillende „gettahs” (verdikt plantensap).<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan bestaat er geen
-overtreding.”
-</p>
-<p>„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium is.”
-</p>
-<p>„Drommels!”
-</p>
-<p>„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet wetende, van waar
-of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben verklaard, dat het is uitmuntende
-tjandoe, „roepanja bahoenja dan rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter
-dan die door het Gouvernement aan de pachters verstrekt …”
-</p>
-<p>„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam verbaasd.
-</p>
-<p>„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster in handen gesteld
-van den apotheker.”
-</p>
-<p>„En wat heeft die beslist?”
-</p>
-<p>„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat het tjandoe
-is met een gehalte van 32 percent morphine.”
-</p>
-<p>„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de zaak haren loop
-hebben.”
-</p>
-<p>„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde.…”
-</p>
-<p>„Neen, babah, neen,…<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij aan iets anders dacht. „Neen, er is
-niets aan te doen.”
-</p>
-<p>„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de stereotype glimlach
-van zijn gelaat niet week.
-</p>
-<p>En met een soort tact het onderwerp van het gesprek <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>wijzigende, bleef hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den
-handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep:
-</p>
-<p>„Gisteren kwam de <i>Wijberton</i> van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren
-gekregen. Er is een kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die
-zijn zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens bezichtigen?”
-</p>
-<p>De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die wat vorm betrof,
-snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak een borduurwerkje vertoonde,
-hetwelk een lief frisch bouquet rozen voorstelde.
-</p>
-<p>De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf onberispelijk
-fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde dan ook door den heerlijken
-geur, die zich verspreidde, dat daar uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen
-was. En gedurende het gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den
-sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest. Blijkbaar waren
-zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den Chinees weer over met de woorden:
-</p>
-<p>„Zeer fraai, inderdaad.”
-</p>
-<p>„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?”
-</p>
-<p>„Wat, gij wilt?.…”
-</p>
-<p>„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene heerlijke sigaar rooken,
-dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot genoegen met dat luttele geschenk van
-mij aan te nemen.”
-</p>
-<p>Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet de resident
-geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje vallen, dat naast hem stond,
-en vervolgde, als ware er niets gebeurd, het gesprek van straks:
-</p>
-<p>„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den oever?”
-</p>
-<p>„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.”
-</p>
-<p>„Kunt gij die vertrouwen?”
-</p>
-<p>„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de Chinees met een
-valschen glimlach.
-<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p>
-<p>„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan gevonden werd?”
-</p>
-<p>„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.”
-</p>
-<p>„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen is, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Dan weet ik genoeg, babah.”
-</p>
-<p>De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te verwijderen.
-De resident wenkte hem om nog te blijven zitten.
-</p>
-<p>„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos.
-</p>
-<p>„Van welke?”
-</p>
-<p>„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.”
-</p>
-<p>„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,” betuigde de Chinees.
-</p>
-<p>„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal opgemaakt, dat
-zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees.…”
-</p>
-<p>„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean. Is er geen
-middel, om dat met dien toean dokter te schikken?”
-</p>
-<p>„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan.…”
-</p>
-<p>„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u.…”
-</p>
-<p>„Ik zal zien.… Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt zwaar, zeer zwaar
-gestraft!”
-</p>
-<p>De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den zak, en haalde
-een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te voorschijn.
-</p>
-<p>„Ik ontving ook met de <i>Wijberton</i> een stel prachtig zilverwerk uit Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van
-Kempen in Den Haag het zoo kunnen?”
-</p>
-<p>„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident bewonderend.
-</p>
-<p>„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar Europa verzonden,
-en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng
-toean.”
-</p>
-<p>De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens den blik er in
-vallen.
-</p>
-<p>„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>soort thee zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan” (leverancier).”
-</p>
-<p>„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te nemen?”
-</p>
-<p>„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk genoegen.”
-</p>
-<p>Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet in den stijgbeugel
-te hebben.
-</p>
-<p>„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal.…”
-</p>
-<p>„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat ik doen kan.”
-</p>
-<p>De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was. Plotseling bedacht
-hij zich:
-</p>
-<p>„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd heeft?”
-</p>
-<p>„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.”
-</p>
-<p>„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de kaars vliegen.”
-</p>
-<p>De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord.
-</p>
-<p>„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident achteloos.
-„Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.”
-</p>
-<p>Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en reikte hem ongedwongen
-de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik
-kwam Anna’s lieveling-hond, een fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en
-sprong kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot van
-den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van den babah.
-</p>
-<p>„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog Edele Heer)
-betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de lippen, terwijl hij hartelijk
-den hondenpoot schudde.
-</p>
-<p>Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „<span lang="ms">O! sama djoega, Kandjeng toean</span>”<a class="noteRef" id="xd30e2741src" href="#xd30e2741">7</a> van den Chinees begreep? <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>Toen hij zich alleen in de pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen
-blik, en schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas van
-verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van duizend gulden gewikkeld,
-echter zoo, dat de punteinden der sigaren onbekleed waren gebleven, en dus bij het
-openen van den sigarenkoker van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in
-de theedoos, en stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte
-papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende, borg hij de
-kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar zijn kantoor, waar hij
-den bekenden brief over de regeling der volgorde van de gedingen aan den voorzitter
-van den landraad van Santjoemeh schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne
-ega in de binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam.
-</p>
-<p>„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in het oor.
-</p>
-<p>Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede.
-</p>
-<p>„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde, door haren arm
-om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen aan te kijken.
-</p>
-<p>In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los te laten, de
-deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar verlevendigde nog meer, als
-het kon, de nieuwsgierigheid van haren blik. Met een bevallige beweging sloot zij
-zich nog inniger tegen hem aan, en drukte hem een kus op de lippen.
-</p>
-<p>Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den sigarenkoker en het
-theedoosje daarop leeg, en liet de schoone Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren,
-waaromtrent zich niet te vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige
-oppervlakten te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden vertegenwoordigde.
-</p>
-<p>Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone vrouw. Maar, dat
-was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die
-zag haar integendeel met verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel,
-de bankbiljetten, <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg verkreukeld waren, gladstrijken
-en om hare vingeren winden.
-</p>
-<p>„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig sommetje!.… Waarlijk,
-het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij wat ik heb.…”
-</p>
-<p>„Wat gij hebt?”
-</p>
-<p>„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.”
-</p>
-<p>„Maar, wat dan toch?.… Vertel.…”
-</p>
-<p>„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat.…”
-</p>
-<p>Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag, naast eene
-kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn geweest. Toen zij de pisangbladeren,
-dien de boengkoesan omsloten, opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje
-van gemeen aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer vies
-uitzag, ontwaard werd.
-</p>
-<p>„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen lepeltje eene
-hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene hazelnoot schepte, en hem dat
-voor den mond hield, alsof zij hem voeren wilde. „Eerst dat, Gulpie!”
-</p>
-<p>Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker. Zijn gelaat
-gaf walging te kennen.
-</p>
-<p>„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.”
-</p>
-<p>„O, dat is een geheel nieuwe<span class="corr" id="xd30e2783" title="Bron: „ "> „</span>obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,”
-„oendoek”, „oerat minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet”<a class="noteRef" id="xd30e2786src" href="#xd30e2786">8</a><span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>met „daoen gettal”<a class="noteRef" id="xd30e2800src" href="#xd30e2800">9</a>, tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.”
-</p>
-<p>„En wil je me dat laten slikken?”
-</p>
-<p>„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig schitterende oogen,
-terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor den mond hield, en met de andere
-den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens ondervinden, welke heerlijke uitwerking.… Toe.…
-kom, slik! daarna zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als
-gij … Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig.…”
-</p>
-<p>Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of wel de toezegging
-van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten? Genoeg zij het, dat hij de oogen
-sloot, den mond opende; terwijl zij hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en
-den vaal groenachtigen inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde,
-zoo een gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende beweging
-volvoerde.
-</p>
-<p>„Slikken!… Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem zachtkens met de mollige
-vlakke hand op den rug. „Slikken!… Toe, slikken!… Zoo!… zoo is het goed! En nu aflikken!
-Toe, het goedje is te kostbaar!”
-</p>
-<p>En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje van het vieze
-goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te likken en in te zwelgen, totdat
-hij eindelijk <span class="corr" id="xd30e2810" title="Bron: daarmêe">daarmeê</span> klaar was.
-</p>
-<p>„En nu het verhaal?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je alles vertellen.”
-<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p>
-<p>Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare nabijheid op den
-divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats, en sloeg de beenen kruiselings
-onder haar lijf, waarbij de bovenopening der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om
-een blik te gunnen aan een boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en
-nog wel geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te zetten.
-</p>
-<p>En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim medegedeeld had, dat
-Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe Dalima en,—alsof zij dat niet reeds
-wist, voegde zij er met een vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor
-over had, om het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst
-was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten, dat hij toen
-zijn doel niet bereikt had.
-</p>
-<p>Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen, de schoone
-Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd behoorlijk waar, en wist de noodige
-nuanceering aan te brengen, hier en daar van eenige schuchtere terughouding te doen
-blijken, dan weer eene vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke,
-ja het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot van het
-verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken Chinees tegenover
-de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een vuurwerkbouquet eindigde, op het
-verbeide oogenblik plaats had.
-</p>
-<p>Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk gekleurde verhaal
-had hem geboeid. Maar,… was ’t het mixtum compositum, hetwelk hij geslikt had, dat
-begon te werken? Of was het de fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening
-der schoone Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of waren
-andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken op haar kompas. Bij
-haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in hetgeen zij uitsprak; wel meestal
-in hetgeen zij behendig weerhield, in hetgeen zij met een schier niet waar te nemen
-gebaar te kennen gaf, in het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van
-eene pruilende beweging <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die dien der engelen in naïeviteit
-kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten
-of aan den invloed van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd
-en hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij het te weten,
-dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te hebben, zichtbaar onrustig werd;
-dat hij zachtkens naar zijne levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk
-genaderd was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam, leunde
-met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare weelderige donkere
-krullen, snoof met kracht en met wellust den bloemengeur, waarmede zij doortrokken
-waren, daaruit op, en sloeg zijn arm om de aanvallige leest, die hem als het ware
-daartoe uitnoodigde. In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in
-lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden:
-</p>
-<p>„’Mbok <span class="corr" id="xd30e2826" title="Bron: Karja">Karjå</span>,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor haren beschermeling, voor
-den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft mij verzocht te pogen Dalima gunstig
-voor haren aanbidder te stemmen. Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik
-zou maken, heeft zij mij dit aangeboden.”
-</p>
-<p>En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit een fraai
-bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van edelgesteente tot sluitstuk had.
-</p>
-<p>„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden waard.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De prachtig roode koralen, met
-haren rooskleurigen weerschijn, deden inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in
-hare bedwelmende vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde
-in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het briljante sluitstuk
-tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja daalde, waar het zijne naaste omgeving
-met zijne schitterende lichtstralen overtoog.
-</p>
-<p>Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte het middel zijner
-echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde haar onstuimig aan de borst,
-overdekte hare wangen, haar voorhoofd, hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding
-met kussen, <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>met brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit:
-</p>
-<p>„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!”
-</p>
-<p>„De obat!… De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met hare schoone oogen
-diep in de zijne staarde, en hem als het ware verslond. „Zie je wel! De obat!… Ditmaal
-heeft ’Mbok Karjå, zich zelve overtroffen!… Zie je wel, Gulpie!… Zie je wel …”
-</p>
-<p>„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!… Ik voel het. Ik steven
-met volle zeilen! Klaar bij het anker!… Betoel, betoel! (inderdaad) Hari ontong!”
-<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="n72.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n72.1src">1</a></span> <i>Landraad.</i> De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche rechtbanken voor Inlanders en met
-dezen gelijkgestelden. Zij zijn gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van
-afdeelingen, aan wier hoofd een <span class="corr" id="xd30e2493" title="Bron: adsistent-resident">assistent-resident</span> geplaatst is, en zijn samengesteld uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den
-panghoeloe tot adviseur, en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De
-djaksa (Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van ambtenaar
-van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken daarenboven nog een griffier
-en een deurwaarder (beiden Europeanen) toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden
-de residenten of assistent-residenten als voorzitters der landraden op.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n72.1src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n73.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n73.1src">2</a></span> <i>Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden gezeten.</i> Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen wil, zie <i>Macht tegen recht</i> door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof van Ned. Indië Mr. <span class="sc">M.&nbsp;C. Piepers</span>, Eerste gedeelte bladz. 196.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n73.1src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n74.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n74.1src">3</a></span> <i>Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef.</i> Ziet daaromtrent de aanteekening <a href="#n47.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 47 hiervoren. Een uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz.
-25 van <i>Eene bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.</i>—<i>De officiëele litteratuur</i> door Mr. <span class="sc">W.&nbsp;K. Baron Van Dedem</span>, <i>Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal</i>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n74.1src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n75.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n75.1src">4</a></span> <i>Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken.</i> Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15, 16, 17, 18 en 19 van de
-brochure <i>Iets over de afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren</i>, in de laatste helft van 1880 bij J.&nbsp;H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n75.1src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2620">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2620src">5</a></span> <i>Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf.</i> Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer dan een pajoeng op na houden.
-In den regel staan in zoo’n standaard vier van die hoogwaardigheids emblemata, b.
-v.: een voor hooge gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg
-besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele gelegenheden, als
-het afleggen van bezoeken, enz<span class="corr" id="xd30e2623" title="Niet in bron">.</span> en eene voor de wandelingen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2620src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n78.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n78.1src">6</a></span> <i>Pretto</i> ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de opiumpijp. Dat residu wordt
-vermengd met het verdikte sap, vooral van de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en
-van de Gandja, de Canabis Indica. Zoo wordt de opium in <span class="corr" id="xd30e2648" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> op groote schaal vervalscht, zeer ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist,
-maar vooral ten nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog
-veel schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium uitmaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n78.1src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2741">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2741src">7</a></span> <i lang="ms">O! sama djoega, Kandjeng toean.</i> Dat tafereel van den resident met den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening
-gebracht door <span class="sc">J. den Beer</span> in zijne <i>Tjampoer-Adoek</i>, uitgave van <span class="sc">Gualth</span>. <span class="sc">Kolff</span> te Leiden en <span class="sc">G. Kolff &amp; Co.</span>, te Batavia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2741src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2786">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2786src">8</a></span> <i>Gekko’s <span class="corr" id="xd30e2789" title="Bron: ondoek">oendoek</span>, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet</i>, Van al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels vervaardigd.
-Zie omtrent de gekko de aanteekening <a href="#n40.2">No. 2</a> op bladz. 40 hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een vischje
-dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar ook hier en daar op Java
-aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel eenige overeenkomst met dien van een
-paard heeft. Ik heb niet kunnen opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet
-tot de Hypocampi behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil
-daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft geheel en al het
-lichaam van een visch, maar kan zich met de borstvinnen zeer vlug over drooggevallen
-modder voortbewegen. Er bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel,
-die met fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden het meest
-geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen, <span class="pageNum" id="pb84n">[<a href="#pb84n">84</a>]</span>voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen een belangrijken
-handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon, daarvan gekookt, als een uitstekend
-aphrodisiacon hebben leeren kennen. De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote
-groengoudvlieg, wie de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden.
-Sarong lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche naam
-van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een soort slijm bouwt.
-Ook die nestjes worden als uitstekend opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2786src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2800">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2800src">9</a></span> Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de geleerden Mucuna
-prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een sterk werkend aphrodisiacon gehouden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2800src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e679">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VII.</h2>
-<h2 class="main">Een verraderlijk dèsa-genoot.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op een twaalftal palen<a class="noteRef" id="xd30e2850src" href="#xd30e2850">1</a> afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh, lag in een schilderachtig, heuvelachtig
-terrein, hetwelk veelvuldige, maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood,
-de dèsa Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een breeden
-smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke van eene nabij gelegen
-hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen vormden, die zich, onder den invloed
-der zachte bries, als van grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde.
-</p>
-<p>Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want zij zelve lag
-verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de heerlijkste „manga’s,” de
-lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste „assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de
-geurigste „djeroek’s” en de meest verfrisschende „djamboe’s”<a class="noteRef" id="xd30e2856src" href="#xd30e2856">2</a> en nog zooveel andere gaven <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>van de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd waren. Hier
-en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de ruimten tusschen de hutten
-en de boomen en vervulden de „katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,”
-de „poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra kombala”<a class="noteRef" id="n89.1src" href="#n89.1">3</a> en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare liefelijke geuren, of streelden
-het oog met hare schitterende, maar aangename verscheidenheid van kleuren.
-</p>
-<p>De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen, van die dikke
-en lange bamboe-betong-<a class="noteRef" id="xd30e2876src" href="#xd30e2876">4</a> soort, die zoo kostbaar bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar
-als afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die als het
-ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht der loofpluim, welke
-zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo een heerlijk beschaduwd terrein
-leveren.
-</p>
-<p>Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest schilderachtige wanorde
-in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de eigenlijke kom der gemeente. De bewoners
-hielden zich voornamelijk bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend
-leenden, en vruchtbare <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs langs die heuvelhellingen vormden. In het
-lagere gedeelte dier gronden, werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,”
-„djampal’s”, „batak’s” „gaboes”<a class="noteRef" id="xd30e2884src" href="#xd30e2884">5</a> en meer anderen vischsoorten opleverden, <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer gewild waren, en derhalve goede
-prijzen opbrachten. De bewoners van Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen
-zijn, richtte een hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht
-was de opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar ook de
-gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het verderfelijke heulsap hadden overgegeven.
-Helaas, het moest erkend worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren.
-En toch velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen enkele
-bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans!
-</p>
-<p>Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in zijne jeugd uitgeweken
-was, om elders een bestaan te vinden, te Kaligaweh teruggekeerd was.
-</p>
-<p>Met dien man, die <span class="corr" id="xd30e2893" title="Bron: Singomongolo">Singomengolo</span> heette, maar in de wandeling Singo genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger
-zoo gelukkige dèsa losgebroken.
-</p>
-<p>Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen.<a class="noteRef" id="xd30e2898src" href="#xd30e2898">6</a> Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik te maken, door
-hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te wijden, was het die zielenverkoopers
-gelukt van een dommelend oogenblik misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te
-laten verbinden. Het handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig
-mogelijk in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten afhandig
-te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat.
-</p>
-<p>Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel geen onwaardig
-figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij een controleur van het binnenlandsch
-bestuur in een der binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een
-zeker talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam van
-zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>hij de aandacht van den gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de
-pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem eene aanstelling
-als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van gewestelijk bestuur te Santjoemeh te
-bezorgen. In die betrekking legde hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den
-dag, dat hij niet alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij
-andere voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing weldra in
-blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook bij voorkeur in die gevallen,
-waarin zijne sluwste acolijten te kort schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten,
-door bij die personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg stonden,
-steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer heulsap gezien.
-</p>
-<p>In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht van geld, dat
-het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh met een tiental vermeerderd
-werd.<a class="noteRef" id="xd30e2913src" href="#xd30e2913">7</a> Onder de rampzalige dèsa’s, die door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd
-<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>werden, behoorde ook Kaligaweh. Maar … tusschen het oprichten van zoo’n opiumhol en
-dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene wijde kloof, die noodzakelijk
-aangevuld moest worden. Althans zoo begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo
-smerig mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel prijkte
-boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met duidelijke witte letters: <i>opiumverkoopplaats</i> te lezen stond, welk Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch,
-met de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden de twee
-Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met hunne innemendste glimlachjes,
-waarbij hunne gelaatstrekken met de schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid
-daarstelden; maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken
-zelfs van een eerste bezoek.
-</p>
-<p>Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk was. Het was
-toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, maar het geheele onderdistrict,
-waartoe die dèsa behoorde, in vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden.
-Ook het gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de flinke
-gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de bevallige ronding van heupen
-en schouders bij de vrouwen, hare welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam
-baan brak door de lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe
-troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders aangetroffen werden.
-Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen opiumpachter niet ontging, waren de
-rijke rijstvelden, die het geheele district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s
-met haar donkergroen loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van
-zacht getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de frissche
-halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid bijzetten; of die dèsa’s
-als in goud omklonken hielden, wanneer de gulden aren, gerijpt door de keerkringszon,
-in den oogsttijd het zware hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje
-<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>golfden, en met hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining
-gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog treffender maakte.
-</p>
-<p>In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook naderde, steeds
-getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel bij de diepgrondbewerking
-van de velden als bij het onderhoud en het doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s”
-(dijkjes)<a class="noteRef" id="xd30e2936src" href="#xd30e2936">8</a>. De gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die scherp afstak
-bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken gesleten werd.
-</p>
-<p>Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart wegens het voorbeeld
-een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; maar met het hebzuchtig karakter
-zijnen landaard eigen, wenschte hij zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige
-bewoners toe te eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon”
-(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest anders worden!
-</p>
-<p>Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd<a class="noteRef" id="xd30e2943src" href="#xd30e2943">9</a>—keerde de bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen van
-den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani (snoeimesjes) gehanteerd
-hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te snijden, en de mannen vlijtig bezig
-geweest waren met het overnemen der „potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die
-tot „gedeng’s” (grootere bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid
-te lezen; want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) hadden
-het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols <span class="corr" id="xd30e2947" title="Bron: produkt">product</span> konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de helpers rijkelijk mocht
-genoemd <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>worden. Dat was reeds eene verklaarbare reden van vreugde en opgewondenheid, welke
-dien voor de Javanen zoo feestvollen dag kenmerkte.
-</p>
-<p>„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt nationale feestdag
-voor de landbouwende bevolking van het schoone Java, een dag van vreugde, van meerder
-beteekenis voor die primitieve gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen.
-Het is dan voor haar eene ware kermis.<a class="noteRef" id="xd30e2954src" href="#xd30e2954">10</a> In bonte massa’s komen de vrouwen en de meisjes op het veld; menig hart begint daar
-voor het eerst van minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand,
-menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte graanvelden
-leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel minnespel. En.… valt het niet
-te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat;
-wordt ook al een offer op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet
-verzwegen worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den „panghoeloe”
-(priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat de gevolgen nimmer tot zoo
-huiveringwekkende misdaden voert, als in meer verfijnde maatschappijen voorvallen.
-</p>
-<p>Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde, klonken haar
-de opwekkende tonen van de „gamelan”<a class="noteRef" id="xd30e2968src" href="#xd30e2968">11</a> tegen. Men keek elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist
-uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had.
-</p>
-<p>Maar op de „aloon aloon”<a class="noteRef" id="n94.3src" href="#n94.3">12</a> aangekomen, zag men <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>daar onder de prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk
-beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche vlaggen getooid
-waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten was. In de andere evenwel
-waren op den achtergrond de muzikanten met gekruiste beenen op den grond bij hunne
-instrumenten gezeten, en deden hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond
-der loods was ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk
-gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het gezicht daarvan
-onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij op meer genot dan op een eenvoudig
-concert vergast zouden worden.
-</p>
-<p>Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar Kaligaweh afgevaardigd
-was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen een der bamboestijlen, die het dak
-der loods torsten, geleund, en knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het
-meerendeel tot zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet verwelkomden.
-</p>
-<p>De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten dienen, de rijstbossen
-zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de „toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke
-hoofdbedekking gediend hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s;
-en weldra vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte stoeiend
-en dartelend op het mollige grastapeet neder.
-</p>
-<p>Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele sterren flonkerden
-hoog boven in de <span class="corr" id="xd30e2984" title="Bron: donker blauwe">donkerblauwe</span> lucht met zachten glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol
-boven den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der Wariengiens
-door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte wierp. Rondom de loofkruinen
-beschreven ontelbare „kamprits” een doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en
-stieten daarbij hunnen scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven
-ettelijke „kalongs”<a class="noteRef" id="xd30e2987src" href="#xd30e2987">13</a> al krijschende in geheimzinnige <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>kringen rondvlogen, als zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks
-in dien rijk voorzienen gaard zouden neervallen.
-</p>
-<p>Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, en daar weerklonk
-de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met hare welluidende tonen.
-</p>
-<p>„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers.
-</p>
-<p>En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon het best met
-eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de instrumenten, waaruit het
-Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en oorverdoovend klonken soms de bekkens,
-maar gingen bij wijlen in solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar
-waren de muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller aandacht
-te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die onder de jolige menigte
-heerschte.
-</p>
-<p>Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de bekkens zwegen,
-een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking der toehoorders moest beduiden
-en voor handgeklap, bij Oosterlingen ongebruikelijk, moest gelden.
-</p>
-<p>Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide Chineezen, houders
-der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s” (sigaren in bladeren gewikkeld) aan,
-terwijl bij de vrouwelijke voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk
-en gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden eenige „warong’s”
-(kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren snoeplust kon voldoen. Een daverend
-gejuich ging op, toen de belusten van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen
-kosteloos te verkrijgen <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had, die zoo zijn terugkeer in
-zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des milden gevers hand werd allerwege hartelijk
-gedrukt. De verlokker verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s
-gerold waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de „sedap
-malam”<a class="noteRef" id="xd30e3004src" href="#xd30e3004">14</a> gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere lekkernijen. Een ieder liet zich
-de versnaperingen goed smaken, en had een woord van dank voor den milden Singomengolo.
-</p>
-<p>Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder hernam zijne
-plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste muziektonen begroet.
-</p>
-<p>„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond.
-</p>
-<p>Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder dèsa-bewoner
-het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten klankrijk borduurden, luisterde
-men toch in menigen groep gaarne naar den een of anderen oude van dagen, die de legende
-verhaalde, welke daar door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek
-toch is de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare sprookjes,
-verhalen en legenden in die streken. Zij is er een integreerend deel van, zooals de
-toonbuiging der stem en de gebaren dat bij <span class="corr" id="xd30e3018" title="Bron: rederijkrs-voordrachten">rederijkers-voordrachten</span> zijn. De legende van Taroe Polo was een der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt
-om de gemoederen voor liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar
-toch verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen:
-</p>
-<p>Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het dichte tropische
-woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk verblijf), welks bestaan niemand
-zelfs vermoedde, vond. In weerwil van de dichte wildernis, die den bouwval omgaf,
-drong hij er in door, en vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en
-zeer goed onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van jeugdige
-vrouwelijke bedienden <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>omgeven was, die wel niet met hare gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar
-toch als toonbeelden van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene
-koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder geplaatst was,
-omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen bejaarden, maar machtigen vorst,
-dien zij zelve voor hare dochter uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde
-bij den eersten aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen.
-Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, hoe de kleine
-„pernakh-an gedang” en de „gambang”<a class="noteRef" id="n98.1src" href="#n98.1">15</a> met hare zachte zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister,
-hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl de jongeling
-voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt niet ongevoelig voor die uitingen
-van genegenheid, van liefde. Haar boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt
-de „soelieng” (fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel
-in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer moeder, deze
-innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts stokkend, met kort afgebroken woorden,
-ja met enkele lettergrepen uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende
-harp) duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare gezelschapsdames
-voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt was, barstte een concert van
-hartstochtelijke juichtonen van de beide verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,”<a class="noteRef" id="xd30e3029src" href="#xd30e3029">16</a> de soelieng en de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens
-betuigd <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er aan het vermurwen der
-heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet te denken viel, dat de omgeving der
-vorstin onomkoopbaar was, en dat niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten.
-</p>
-<p>De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor dien uitersten
-stap terugdeinzen<span class="corr" id="xd30e3040" title="Niet in bron">.</span> Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu eens smachtend als het suizend windje, dat
-door de Wariengien-kruinen ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne
-boeien slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. Haar
-eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en behaalde eene volledige
-overwinning op hare besluiteloosheid, maar het was vooral de vrees, dat hare moeder
-van hare liefde voor Taroe Polo kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden,
-neergeslagen blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren
-minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, te gemoet.
-</p>
-<p>Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en duidt met bekkenslag
-in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van het jeugdige paar aan; om ten slotte
-met eene zachte maar toch genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen
-uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning geslaakt, te
-eindigen.
-</p>
-<p>Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, terwijl de laatste
-klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte wegstierven.
-</p>
-<p>De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne bloedroode kleur
-verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door de Wariengien-kruinen op die
-landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot.
-</p>
-<p>Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar een groep mannen,
-op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten hanteeren.
-</p>
-<p>De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste hartstocht, ja
-de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk voor hem zouden zijn, wanneer
-die eerste niet opgewekt werd.
-</p>
-<p>Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>verleidelijke spel deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan
-en van de topeng,<a class="noteRef" id="xd30e3052src" href="#xd30e3052">17</a> die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan Singo en diens handlangers andermaal
-van die rôkô’s vroegen, die hen zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren
-erg belust op de lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan,
-dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn. Maar.…, daar wachtten
-hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang Bing. Met een innemenden glimlach werd
-beduid, dat de voorraad, die tot geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens
-te kennen werd gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen
-zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij werd nu kontant
-geld gevorderd; en.… al waren de bewoners van Kaligaweh welvarend te noemen, van het
-slijk der aarde was onder hen niet veel te vinden.
-</p>
-<p>Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig gebaar naar het
-geopende speelhol.
-</p>
-<p>„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” (kwartjes), „roepiah’s”
-en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor de gelukkigen te krijgen,” grinnikte
-hij.
-</p>
-<p>Dat was olie in het vuur geworpen.
-</p>
-<p>„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der omstanders.
-</p>
-<p>„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen duivelen-lach.
-</p>
-<p>Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen vergeten!
-</p>
-<p>„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de verleider. „En”, liet
-hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari ontong is, kunt gij daar zien. Kijk
-Kromomidjo eens de ringgiets laten klinken!”
-</p>
-<p>En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en te springen
-van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden handholten drie rijksdaalders liet
-rinkelen.
-<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p>
-<p>Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand arbeidens!
-En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde maar wat stoutmoedigheid
-toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo verzekerde althans de rampzalige, die in
-de loos gespannen netten verstrikt was.
-</p>
-<p>Maar.… was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel bossen paddi
-vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.… daar maakten èn Kaseran en Wongsowidjojo
-èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo.
-Ook zij tandakten en gilden van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners,
-de eene twee, de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij
-in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave vriend, die
-zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te leeren, gauw en gemakkelijk geld
-te verdienen!
-</p>
-<p>Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele <span class="corr" id="xd30e3072" title="Bron: spelloods">speelloods</span> vol, en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl buiten de
-gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s”<a class="noteRef" id="xd30e3075src" href="#xd30e3075">18</a> vernomen werden.
-</p>
-<p>Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de bevolking
-van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, slechts een zeer klein
-gedeelte van den oogst was in hunne handen overgegaan; want, sloeg men de gelukkige
-en opgewekte gezichten der spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel
-verliezers onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het slechts
-dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de <i>croupiers</i> maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor zorgden, nu de indruk
-gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon was; zoodat de rijksdaalders tot guldens,
-en de guldens tot kwartjes in de handen der spelers bij het op en neergaan van het
-geluk geslonken waren. <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd te zijn.
-</p>
-<p>Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het dèsa-hoofd
-op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden de spelbazen, dat zij
-wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht)
-was. En werkelijk de kaarten werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen.
-</p>
-<p>Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd de zucht voor
-de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de waronghouders goede zaken,
-en daar die ook al weer acolijten van babah Lim Yang Bing waren, keerden de bij het
-spel prijsgegeven gelden gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering
-niet te groot was.
-</p>
-<p>Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al niet te groot
-genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne handlangers met eenen onbeschrijfelijken
-gemeenen grijnslach de belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel
-lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op de „baleh-baleh’s”
-(rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden met bevallige vingeren de balletjes
-madat, en wierpen vurig verlokkende blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar
-tot de arme slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden
-te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden.
-</p>
-<p>Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het gift, dat reeds
-met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de uitnoodiging tot wellust van die
-schoone jeugdige vrouwen, bezweek al ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien
-eersten avond niet alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen,
-die haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid.<a class="noteRef" id="xd30e3090src" href="#xd30e3090">19</a>
-<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p>
-<p>Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien uitslag vernam:
-</p>
-<p>„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet houden!”
-<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e2850">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2850src">1</a></span> <i>Een paal</i> is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94 meter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2850src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2856">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2856src">2</a></span> <i>De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste assam’s, de saprijkste
-bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest verfrisschende djamboe’s.</i> De manga-boom met zijne niervormige vruchten is een gewas, dat 40 voet hoog wordt,
-en eene dichte kruin vormt. Er bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan
-de Mangifera Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn vleezig
-behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die door de plantenkundigen
-Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon assam is de zoo fraaie tamarindeboom
-met zijn fijn gevind loof, de Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige
-frissche vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de <span class="corr" id="xd30e2859" title="Bron: biembieng">bliembieng</span> manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam = Averrhoa <span class="pageNum" id="pb89n">[<a href="#pb89n">89</a>]</span>bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met machtige kruin. Er bestaan
-wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe
-bol of J. domestica<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> de djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de voornaamsten zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2856src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n89.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n89.1src">3</a></span> <i lang="ms">Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening, kembang spatoe,
-patra kombala.</i> Allen bloemstruiken, ware sierplanten. De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de
-kembang mentega = Nerium oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat =
-Mirabilis jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus rosa
-sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n89.1src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2876">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2876src">4</a></span> <i>Bamboe betong</i> = Bambusa nigra ciliata.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2876src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2884">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2884src">5</a></span> <i>Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes</i> zijn vischsoorten, die door de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius
-djambal, Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2884src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2898">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2898src">6</a></span> <i>Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen.</i> De Gouv.-Gen. <span class="sc">Duymaer van Twist</span> meende de ergerlijke praktijken, die gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen
-en dobbelspel de Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken
-ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene <i>geheime</i> circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand bestendigd
-werd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2898src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2913">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2913src">7</a></span> <i>Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental vermeerderd werd.</i> De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. Bij art. 8 van de opium ordonnantie
-(Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang
-op 42 bepaald. Bij eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind.
-Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en negen jaren
-later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef de Min. van Kol. Rochussen,
-op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel om het opiumverbruik tegen te gaan, kan
-worden aangewend, dan het getal der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren
-zijne woorden, „door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich
-meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van het verderfelijk
-heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het doel, dat er mede beoogd moet
-worden, zich van lieverlede verwijdert.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, <abbr title="de dato">d.d.</abbr> 4 Nov. 1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „<i>dat de Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door verbodsbepalingen
-en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan eene inkrimping van het aantal
-kitten</i>” enz. Die circulaire is nimmer ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg
-mij: kon die vaste wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan
-door haar zelve geschied is?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2913src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2936">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2936src">8</a></span> <i>Galangan’s</i> zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die dijkjes moeten goed onderhouden
-worden, wil de landbouwer geene teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s
-ondervinden. Zij moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare
-maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te vermengen; ook om te
-beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van ongedierte als slangen, yoeyoe’s
-(krabbesoort) enz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2936src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2943">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2943src">9</a></span> <i>In den vollen oogsttijd.</i> De rijstoogst valt op Java niet overal gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft
-hij gewoonlijk einde Juni plaats, in de bergstreken later.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2943src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2954">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2954src">10</a></span> <i>Het is dan voor haar eene ware kermis.</i> Dat is ook het gevoelen van den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. <span class="corr" id="xd30e2957" title="Bron: Indie">Indië</span> K.&nbsp;W. van <span class="sc">Gorkom</span>. Zie zijne <i>Oost-Indische Cultures</i> 1e deel bladz. 115.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2954src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2968">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2968src">11</a></span> <i>Gamelan</i> is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere instrumenten bestaande.
-Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam vertrouwt de schrijver, dat voor het
-lezend publiek een verdere uitleg overbodig is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2968src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n94.3">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n94.3src">12</a></span> <i>Aloon aloon</i> is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen wordt. Gewoonlijk wordt het
-door Wariengienboomen, de Ficus religiosa, een der prachtigste keerkringsgewassen
-overschaduwd. Aan de westzijde staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl
-de andere zijden door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der
-blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche hoofden plaats.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n94.3src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e2987">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2987src">13</a></span> <i>Kamprits en kalongs.</i> De kamprit is eene kleine soort vledermuis, die in verbazende menigte onder de daken
-der dèsa-woningen <span class="pageNum" id="pb96n">[<a href="#pb96n">96</a>]</span>huizen, en bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest verspreide
-soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van insecten leeft. De kalong
-behoort even als de voorgaande tot de handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt
-de grootte van een jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners,
-daar hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij Pteropus
-edulis geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e2987src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3004">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3004src">14</a></span> <i>Sedap malam.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n78.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 78.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3004src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n98.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n98.1src">15</a></span> <i>De Pernakh-an gedang en de gambang.</i> De eerstgenoemde is een der kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer
-hoogen toon. Er bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting,
-maar ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige bak, op
-welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een paar kamertjes bespeeld
-worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n98.1src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3029">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3029src">16</a></span> De <i>rebab</i> en de <i>gender</i>. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De gender is even als de gambang een schuitvormige
-bak, een soort glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3029src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3052">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3052src">17</a></span> <i>Topeng</i> is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op Java, die door ettelijke
-acteurs en actrices met begeleiding van het gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal
-worden daarbij historische legenden aanschouwelijk gemaakt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3052src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3075">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3075src">18</a></span> <i>Ronggeng</i> zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De ronggeng kan bij de topeng
-niet ontbeerd worden. In den regel zijn de ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens
-lichtekooien van de ergste soort.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3075src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3090">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3090src">19</a></span> <i>Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid.</i> De lezer zou kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit verleidingstafereel
-overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister eens, wat de Min. van Kol. Hasselman,
-bij de behandeling der begrooting van <abbr title="Nederlandsch-Indië">N.-Indië</abbr> in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden, die hem destijds als resident
-door een <span class="pageNum" id="pb103n">[<a href="#pb103n">103</a>]</span>opiumpachter ingefluisterd waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal
-opium-kitten. „Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging
-zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer was, als eene
-kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief gemaakt, werd ingetrokken.
-Men moest om de bevolking te lokken, feesten en danspartijen geven, en dit mocht toch
-niet tot eene vergeefsche moeite worden gemaakt.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst schroomvallig,
-vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld wordt, zulke mededeelingen
-weerklonken hebben, dan kan de lezer oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat,
-en dan moge hij uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel
-overdreven mag heeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3090src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e689">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">VIII.</h2>
-<h2 class="main">Eene dèsa in verval, Pak Ardjan’s arrestatie.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig voortgezet, en
-avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh,
-en herhaalden zich de geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing
-in den beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen. Het
-duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk de dobbelaars te
-laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar een enkele maal, om de hoop op
-winst niet verloren te doen gaan. Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer
-te verliezen, en de eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen
-over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het <span class="corr" id="xd30e3113" title="Bron: produkt">product</span> zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen.
-</p>
-<p>Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie losgebroken, het opiumverbruik
-nam ten gevolge van het menschonteerende verleidingsstelsel hand over hand toe, en
-zes maanden waren ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat
-een zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan. De pachters
-toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen,<a class="noteRef" id="xd30e3118src" href="#xd30e3118">1</a><span id="xd30e3151"></span> die al zeer spoedig <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>den invloed bespeurden, welke het amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en
-zij waren het, die de rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden,
-daarop voortstuwden.
-</p>
-<p>Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar te nemen.
-Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst langzaam, maar zeker. O,
-in den beginne was het verbruik van opium zoo gering. Een paar „mata’s”<a class="noteRef" id="xd30e3157src" href="#xd30e3157">2</a> daags, nog niet eens die hoeveelheid, waren voor die oorspronkelijke lieden, aan
-de werking van het gift niet gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap
-met zijne betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de Profeet
-Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel aantal mata’s verschafte
-de grootste opgewektheid, de hoogst opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat
-genot was bij den opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata<a class="noteRef" id="xd30e3167src" href="#xd30e3167">3</a>. Waarlijk, het was te geefs!
-</p>
-<p>Maar … maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe hoeveelheid, die toch
-reeds eene bres in zijn bescheiden budget veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld
-wederkeerde; langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die
-hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te erlangen.
-Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu en dan, bijvoorbeeld eens
-in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand nam, helaas, naarmate de zenuwen aan
-den prikkel gewenden, werd de behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen
-<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>aan te wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had, loom, naargeestig,
-zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve hoogst ongelukkig gevoelden. Geen
-ander middel bestond daartegen dan om de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel
-andermaal in te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den
-eenen zwijmel in den anderen overgingen<a class="noteRef" id="xd30e3177src" href="#xd30e3177">4</a>.
-</p>
-<p>Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te gronde ging,
-wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de zoo verleidelijke opiumballetjes
-overschreden reeds de draagkracht van menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften
-eischten bevrediging, en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven
-was de lust tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja vernietigd.
-Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig, vadzig, lui, slaperig wezen;
-geheel onbekwaam tot de geringste inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen
-kon worden door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel.
-</p>
-<p>Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van Kaligaweh dermate
-geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten in het oog vallen. Werd de dèsa
-toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde
-die, wanneer zij die streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk
-der bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal handelt,
-mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne meewarigheid wel gaande moesten
-maken.
-</p>
-<p>O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van den opium-hartstocht
-voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de Oostersche bronstint niet meer te
-herkennen was; die saamgeschrompelde <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te verschroeien aan
-eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die hoekige gelaatstrekken, welke
-het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel deden gelijken; die fletse blikken van de
-diep ingezonken oogen met donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken
-borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke veroorloofde
-de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid deed opwellen, want de specimina,
-die ontwaard werden, hadden ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk)
-om de lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat vreeselijk kuchen,
-hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte klinkende van eene beklemde borst en van
-aangetaste longen sprak, en het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die
-spillebeentjes, zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te
-dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde pronkstuk der
-schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot onwraakbare getuige van het
-langdurig lijden, van de onafzienbare ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor
-die lichamen gesloopt werden.
-</p>
-<p>Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar waar hij als
-dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten achtergelaten had, later terugzag,
-mochten zijne lippen zich waarlijk bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach
-omkrullen. Al wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen
-om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het geheel niet onderhouden
-galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die slecht bewerkte velden, die weinige
-buffels, welker vermagerd en ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken,
-dat alles was zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het <span class="corr" id="xd30e3192" title="Bron: produkt">product</span> schamel en schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor
-dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de schuld, dat
-kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen verpand werden, en in de
-kolk van den volksramp verdwenen.
-</p>
-<p>Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>vrienden Ong Sing Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis
-te Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke tusschenkomst
-voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans in vergelijking met vroeger,
-toen die drie middelen, zoo als de Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen,
-in die dèsa weinig of niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten.
-Vroolijk en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen en
-fier en trotsch <span class="corr" id="xd30e3199" title="Bron: zou-het">zou het</span> Nederlandsche wapen met het virile „<span lang="la">Je Maintiendrai</span>” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat pandjeshol, boven dat speelhol,
-welke als aangebedene Drievuldigheid, tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte
-uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is kunnen worden!
-</p>
-<p>Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen gegraven, behoorde
-Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie van den schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i>, die vroeger een gegoed Javaansch landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s”
-(buffels) mocht heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven, verdobbeld
-en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste ellende gedompeld had.
-</p>
-<p>Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding van plat uitgespreide
-bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van „nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje
-waarin Pak Ardjan vroeger, met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet,
-en de toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag?
-</p>
-<p>Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag, bedompt en
-hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij bestond, heerschte eene onaangename
-muffe lucht, die door in bederf overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een
-blik op de schamele omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half
-vergaan en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het dak,
-hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog en overigens in
-stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het eenige meubel aanwezig, liet
-geen twijfel <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>over van waar die bedompte lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger
-bodem bedekten, krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de
-vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen werden, en door
-het langdurig gebruik het lichaam aan flarden verlieten, op den bodem gehurkt, met
-verglaasden en dom uitzienden blik dat schouwspel aanstaarden.
-</p>
-<p>Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten worden. Want
-de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins geen besef meer! De ontzettende
-zelfzucht, die door het opiumverbruik ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende
-onverschilligheid omtrent zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen
-toe, de hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid, van
-elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht, waardoor hij ten
-laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de voldoening van zijn hoofdhartstocht
-en de nevenlusten daarvan, waaraan alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde
-zijn oog, en maakte hem aan den rand van den afgrond stekeblind.
-</p>
-<p>Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken voortgebracht,
-dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde en droomde hij, en bouwde voor
-zich alleen een paradijs op, waarin slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten.
-Had hij de opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin bereikt,
-dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde hij zijne vrouw, die
-hem alsdan als eene hoeri van het paradijs verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden;
-dan hadden er in die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en
-handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden moeten gesluierd
-worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk, onbekwaam om zijne hartstochten
-te kunnen breidelen.
-</p>
-<p>Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te bedaren, dan
-verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die voor hem, maar nog meer voor
-zijne geheele omgeving een kelk van lijden <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel zenuwstel in beroering,
-dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem door het hoofd, dan was hij ongedurig
-en angstig, dan voelde hij pijn door het geheele lichaam, dan was hij het sterven
-nabij, zoo verzekerde hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts
-één middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was andermaal de opiumpijp
-ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift te bestrijden.
-</p>
-<p>En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld vandaan haalde,
-moest zij maar weten.
-</p>
-<p>En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de lamp verzorgen,
-bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een ander sterke koffie zetten,
-meestal afkomstig van diefstal uit de gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd
-door armoede mogelijk was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet
-vlug genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met kermen en klagen,
-met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen radeloos en diep neerslachtig maakte.
-</p>
-<p>In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo verdorven als zijn
-vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo ontvangbare tijdperk der jeugd
-indrukken opgedaan, die het mogelijk maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig
-getreden was, en dat hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie,
-die hem bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij in de
-djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van Lim Yang Bing, den
-opiumpachter van Santjoemeh verkondigde.
-</p>
-<p>Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was dat gezin
-in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze evenwel, na eerst een
-korten tijd als matroos aan boord van een gouvernementskruisboot gediend te hebben,
-eene plaats aan boord van den schoener <i>Kiem Ping Hin</i> verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen Ardjan, door zijn van nature helder
-verstand geholpen, tot djoeroemoedi opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid,
-om in aanraking met <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>de lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was geene groote
-hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote waarde weg te kunnen moffelen;
-terwijl zijne opvattingen omtrent het mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten.
-Het ontvreemde heulsap leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht
-ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het overige gedeelte
-nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het huisgezin ten goede te komen,
-in de grootste ongebondenheid werd verteerd.
-</p>
-<p>Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den opiumpachter den wenk
-gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar bij de politie aangeteekend stond.
-</p>
-<p>Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd van gewestelijk
-bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de opiumpolitie den onverlaat op het
-spoor, zonder hem te kunnen snappen. Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> diende, was daar nimmer een ernstige poging toe gedaan.
-</p>
-<p>Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had, dat Pak Ardjan,
-onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen was, van de door de politie
-aangehaalde opium aan wal gebracht te hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke
-mishandeling, die de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan,
-uit deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde, nog minder
-uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben om den euveldader zijne
-verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing,
-had Ardjan bij zijn vader eenige katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde,
-zou hij zich om de mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die
-slonk, begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het verblijf in
-het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn versuft brein had hij gedacht
-de invrijheidstelling van Ardjan te kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim
-Ho in te dienen. Die raad was hem door een pleitbezorger <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>gegeven, die in een geding met den rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene
-goudader meende ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en
-de voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend.
-</p>
-<p>Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door Mr. Zuidhoorn
-opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan de eischen van zijn rechtsgevoel
-te voldoen, en den onverlaat, die zich zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den
-wrekenden arm der justitie over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de
-schoone dochter van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om
-den verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en meende haar
-tot een goed einde te kunnen brengen.
-</p>
-<p>Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak Ardjan zijn voorraad
-smokkelopium, die hij in een blikken trommel verstopt, in een eenzaam naburig ravijn
-diep in den grond, onder een dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en
-bevonden dat helaas! hoogstens nog maar een paar <span class="corr" id="xd30e3243" title="Bron: thaël">taël</span> over waren. Hij nam die mede naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers
-gedaan, waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden.
-</p>
-<p>Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat Singomengolo in
-de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd had. Hoewel die verschijning,
-en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar
-gevoel van onrust, dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware
-hij in normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt was,
-omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij begon zich loom te
-gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn denkvermogen raakte in de war; in
-één woord, hij was het stadium nabij, dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze
-narcoticum noodig had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad
-voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een nipahblad wikkelde,
-en het tusschen de atappen van de dakbedekking <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>der schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was, begon het lieve
-leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht
-ter wille te zijn.
-</p>
-<p>Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood aan zijne derde
-pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den invloed van het <span class="corr" id="xd30e3252" title="Bron: papaverprodukt">papaverproduct</span> verkeerde, verscheen Singomengolo, vergezeld van een viertal politieoppassers en
-van de Chineezen van de opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk,
-wat er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene zekere behendigheid
-de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op de baleh-baleh onmisbaar behoorde,
-geborgen had, en twee zijner kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank
-verstopt had, en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete
-lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel het allerminst
-een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des pachters was, misleiden.
-</p>
-<p>„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne handlangers het
-huis binnendrong.
-</p>
-<p>„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk, terwijl zijne vrouw
-met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen in een hoek van het vertrek samenschoolden.
-</p>
-<p>„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie.
-</p>
-<p>En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij:
-</p>
-<p>„Hier is opium gerookt!”
-</p>
-<p>„Neen, waarachtig niet!”
-</p>
-<p>„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het <span lang="la">corpus delicti</span> van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is de pijp; zij is nog warm.”
-</p>
-<p>Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel vernietigd.
-</p>
-<p>„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch.
-</p>
-<p>Geen antwoord.
-</p>
-<p>„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de lippen voort.
-</p>
-<p>Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>politiedienaren, welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon,
-door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd worden,—waarvan
-het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats
-vindt.<a class="noteRef" id="xd30e3275src" href="#xd30e3275">5</a>
-</p>
-<p>Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd gezocht; in den
-bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet; onder de „dapoer” en in de asch
-van dat primitieve kooktoestel werd getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters
-werden opengesneden, en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en
-„kapèk” (sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen, die zij
-bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het armoedige huisraad, de weinige
-potten en pannen, de rijstketel, het tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot
-de sirihdoos toe, werden doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden.
-</p>
-<p>Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve. Eerst werd
-Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem onder het toedienen van een
-groot aantal vuistslagen, de smerige vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd,
-en weldra stond hij daar met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin.
-Onder den aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene blijft
-beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor zijne kinderen te
-dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de kinderen, waaronder meisjes van 7
-tot 14 jaren. Met de grootste zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden
-de gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk gevoel
-ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen weerhouden; zij zochten
-en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne lippen nog met beestachtigen kortswijl
-de magerheid der „prawan’s” (maagden) bespotten. <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder het oog der politie geschiedde,
-ja met hare medewerking volvoerd werd; want èn de bandoelans èn de politieoppassers
-wedijverden met de Chineezen in ontuchtige handelingen.
-</p>
-<p>De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder die behandeling;
-maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog losbandiger gebaar, door een der
-politieagenten gepleegd, waarbij de oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van
-veertien jaren, haar sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak
-Ardjan woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem den sabel
-uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te deelen, die dezen noodzaakten,
-onder het uiten vaneen akelig jammerend gehuil, het tooneel zijner heldendaden te
-verlaten.
-</p>
-<p>Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem blind voor
-hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens uitgeteerde arm geene inspanning
-van eenigen duur kon verleenen, was dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder
-nog ter verdediging van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld.
-Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander gebonden, waarbij
-men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen doorreeg, hetgeen bij iedere
-beweging van den ongelukkige afgrijselijke smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk
-te maken, werden hem de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig
-van barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde polsen slechts
-gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen aangevuld, die in der haast
-van een paar stukjes brandhout gesneden, en tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven
-werden, hetgeen den ongelukkigen zulke onduldbare pijnen <span class="corr" id="xd30e3287" title="Bron: verooroorzaakte">veroorzaakte</span>, dat hij in een klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier
-weg had.
-</p>
-<p>Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden!
-</p>
-<p>Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig.
-</p>
-<p>Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.… <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>om dien lachte hij. Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten
-onthouden.
-</p>
-<p>Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet verdenken?
-</p>
-<p>En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen! En dat zouden
-die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen twijfel te koesteren. En,
-als dan de „toean toean rakkers” (de heeren rechters) kennis van de zaak namen! Ja,
-dat kon reeds niet anders. Pak Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen
-de politie, en nog wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen
-kon blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar gestraft
-werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan, en daarbij niets gevonden
-had! Dan zou wellicht nog meer te berde komen! Men was toch „terlaloe korang adjar”
-(te gemeen) met de meisjes omgesprongen … En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig!
-Die zouden dat wel te weten komen!
-</p>
-<p>O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen maar goed genomen
-had!… Dan …
-</p>
-<p>„En toch<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de schamele hut doorzochten,
-„de inlichtingen waren zoo nauwkeurig mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan
-van de „Djoerang-Tjatjing” (het wormen-ravijn) terugkeerde, dan … Maar, het ware misschien
-verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?… Maar … neen, neen; dan zou
-hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden had. En die heeren rechters
-zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om straf op te leggen … Neen, neen … die opium
-moest bij Pak Ardjan aan huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs
-van schuld aanwezig!… Maar, dat is zij niet, niets gevonden … Eh, èh … wat is dat?”…
-</p>
-<p>En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek, waar hij eene
-doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog kort geleden een weinig verschoven
-waren; en eene minder donker getinte streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de
-nipahblâren daar niet onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek
-aan een schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden bloot
-gestaan. De bandoelan bracht <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>de hand tusschen de atappen, tastte en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes
-te voorschijn te brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het
-was de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had.
-</p>
-<p>„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den rampzaligen Javaan
-toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor de tanden sloeg, dat het bloed
-uit de lippen van den mishandelde parelde.
-</p>
-<p>Maar deze sprak geen woord.
-</p>
-<p>Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was, werd de betrapte
-overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel) geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners,
-tot dien dienst geprest, gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt,
-naar de gevangenis van Santjoemeh overgebracht.
-</p>
-<p>Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam bij den landraad
-te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die beschuldigd was van opiumsmokkelarij,
-en van gewapend verzet tegen de politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening
-van zijn plicht ernstig gewond was.
-</p>
-<p>Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las, kon hij een
-bitteren glimlach niet verbergen.
-</p>
-<p>„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij.
-<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3118">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3118src">1</a></span> <i>Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen.</i> In de <i lang="nl">Itinerario, Voijage ofte Schipvaert</i> van <span class="sc">Jan Huygen van Linschoten</span>, <span class="pageNum" id="pb105n">[<a href="#pb105n">105</a>]</span>een Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige bizonderheden aangetroffen,
-die een romanschrijver niet bezigen mag. Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken
-aan, waarom de vrouwen in <abbr title="Nederlandsch-Indië">N.-I.</abbr> op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. <span class="sc">Jean Chrétien Baud</span>, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt volkomen het bestaan dier
-oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening <a href="#n43.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook <span class="sc">Van Dedem’s</span> studie in de aanteekening <a href="#n74.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij inzien van die aangehaalde werken zal de lezer
-ook ervaren, waarom de opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld
-kan worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3118src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3157">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3157src">2</a></span> <i>Mata’s.</i> Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van een <span class="corr" id="xd30e3160" title="Bron: kati">katie</span>, of het 0,368 van een <span class="corr" id="xd30e3163" title="Bron: miligram">milligram</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3157src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3167">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3167src">3</a></span> <i>Tegen slechts veertien cent per mata.</i> Zie <i>Koloniale Verslag voor 1884</i>, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3167src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3177">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3177src">4</a></span> <i>Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen.</i> Een volbloed Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de <i lang="en">Times</i>: „Wijs mij één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid
-opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd gevallen toonen,
-waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch binnen tien jaren het gebruik zoo
-toenam, dat het de schuivers te gronde richtte.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3177src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3275">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3275src">5</a></span> <i>Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats
-vindt.</i> Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen
-mede te deelen. Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger
-voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in grachten, slooten,
-enz. gevonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3275src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e698">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">IX.</h2>
-<h2 class="main">Kuiperijen.—Een vrienden-drietal.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van Pak Ardjan,
-zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den landraad, en de omstandigheden,
-waaronder zij plaats gevonden had, vernam, grinnikte hij van genoegen.
-</p>
-<p>„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins verstandige
-behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet waarheen gezonden, alvorens
-de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke
-getuige is dan weg.”
-</p>
-<p>Hij verviel in diep gepeins.
-</p>
-<p>Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van den resident
-laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de ijle toezegging gekregen,
-dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor hem te stemmen.
-</p>
-<p>„Betoel, njonja mahal!”<a class="noteRef" id="xd30e3327src" href="#xd30e3327">1</a> (Waarachtig, het is eene dure mevrouw) grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke
-hulp wel kosten, wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga!
-dat zal naar geld ruiken!”
-</p>
-<p>Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen zekeren loop.
-<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p>
-<p>„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat mij te zeer!
-Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij
-is lief, dat’s waar; maar daar zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.…
-Dat is flauwe, bekende kost!.… Die weerspannige deern voor mijn wil te doen bukken;.…
-haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen overdekken;.… in de armen van haar,
-die mij veracht, de hoogste wellust te genieten;.… om haar daarna, naar lichaam en
-ziel verlept en verflenst, te kunnen wegtrappen,.… ziet.… dat is de „sambal”, (gepeperde
-<span class="corr" id="xd30e3345" title="Bron: toepijs">toespijs</span>) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij Kong! Aan dat verlangen zal ik
-bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet. Met list of met geweld? Om het even; als het
-noodig zal zijn, met beiden tegelijk!”
-</p>
-<p>Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai bewerkte rottanbank
-in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange Chineesche pijp in den mond, waaruit
-hij de heerlijkste tabak, die het Hemelsche Rijk oplevert, rookte.
-</p>
-<p>„Met list?”.… zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij zich zelven voort.
-„Met list?.… Wat staat mij het meest in den weg? De wil van het jonge meisje. Ja,
-maar die zal wel te buigen zijn, wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.… Dat zal
-desnoods de taak van het geweld zijn. Maar,.… wie staat mij nog meer in den weg? De
-njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb ik, als het
-er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik.…”
-</p>
-<p>En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der Chineezen, wanneer zij
-geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met ieder gebaar het eene hoopje muntstukken,
-<span class="corr" id="xd30e3353" title="Bron: goudged">goudgeld</span>, guldens of rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets
-minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken, zonder ooit eene
-enkele munt te veel of te weinig neer te leggen.
-</p>
-<p>„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?.…” ging hij voort. „Ardjan, haar
-verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in de stadsboeien, en is beschuldigd
-van een paar pikols opium binnen gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen
-is, en hij <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan moet Dalima de
-mijne geweest zijn! Daarna?.… Och, dan.… dan denk ik niet meer aan haar. De vraag
-zal dan zijn, welk lief bekje mij verder boeien zal? Dus.… Ardjan is ook niet te vreezen.
-En wanneer die uit de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.… Blijft
-nog over Setrosmito, Dalima’s vader.… O, die ellendige Javaan heeft mij met zijn kris
-gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de onschuld zijner dochter bood.…
-Dat moet ik hem nog betaald zetten! Maar hoe?.… O, een denkbeeld!.… Die gevangenneming
-van Pak Ardjan is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val
-kon raken; al ware het maar voor weinige weken.…”
-</p>
-<p>En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op een fraai voetstuk
-van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen en krokodillen en relief voorzien,
-bij een pilaar stond, greep daar een ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop,
-dat zinnebeeld van Ngoh, den Watergod,<a class="noteRef" id="xd30e3362src" href="#xd30e3362">2</a> gesneden, en deed daarmede een paar slagen op het klankrijke metalen instrument.
-Onmiddellijk daarop trad een zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot
-bij de rustbank naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd
-bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht.
-</p>
-<p>„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho.
-</p>
-<p>„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl hij zijn sembah
-herhaalde.
-</p>
-<p>„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der opiumkit zwerven.
-Ik moet hem dadelijk spreken.”
-</p>
-<p>„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al hurkende achteruitschoof,
-toen opstond en steeds front naar den Chinees makende, achteruitstapte, en zoo door
-de fraai gebeeldhouwde deur van het vertrek verdween.
-<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p>
-<p>„Slechts voor weinige weken.…” zoo ging Lim Ho met zijnen gedachtengang voort. „En
-in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden worden, om de lieve Dalima te lokken.…
-O!… daarbij zou de njonja resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur
-worden!… Om het even, geld is er genoeg!”
-</p>
-<p>En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken. Toen een ander
-Javaan verscheen, vroeg hij:
-</p>
-<p>„Is Drono al weg?”
-</p>
-<p>„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te vertrekken.”
-</p>
-<p>„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel.
-</p>
-<p>Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem.
-</p>
-<p>„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå, en zeg haar,
-dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.”
-</p>
-<p>„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken sembah.
-</p>
-<p>„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig.
-</p>
-<p>„Saja, babah.”
-</p>
-<p>’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de „njonja besar”
-(de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde terstond; want het was in
-de ochtenduren, en de schoone Laurentia had haar „spen” (dispens) reeds verzorgd,
-en de benoodigdheden aan „kokkie” (kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig
-met na die bezigheden haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte
-entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen” (kwakzalfster) had
-zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds, wanneer het mogelijk was, op ieder
-uur van den dag.
-</p>
-<p>„Tabeh, <span class="corr" id="xd30e3391" title="Bron: njoonja">njonja</span>;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der Javaansche onderdanigheid zoo eigen,
-terwijl zij aan de voeten der Europeesche dame nederhurkte.
-</p>
-<p>„Tabeh nènèh<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” antwoordde Laurentia.
-</p>
-<p>„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het gesprek te
-beginnen.
-</p>
-<p>„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.”
-</p>
-<p>„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>zijn zoo moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.”
-</p>
-<p>De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de oude een paar
-rijksdaalders in de hand.
-</p>
-<p>„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.”
-</p>
-<p>Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een smerigen zakdoek,
-waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde dat de njonja tevreden zou zijn.
-</p>
-<p>Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde, dan keek iedereen
-het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de een of ander ook wel een blik
-toe aan de baboe, die het jongetje vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat
-baboe Dalima schoon, zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten
-gaan wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de onschuld
-te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo jammer zijn, wanneer die
-lieve meid in verkeerde handen viel. Er was zooveel geld met haar te verdienen!”
-</p>
-<p>Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten, dat de hartstocht
-van Lim Ho voor het schoone meisje steeds aanwakkerde, en dat hij al meer en meer
-genegen was, groote opofferingen voor haar bezit te doen.
-</p>
-<p>De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå zag met sluwen
-blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar toch met den loerenden blik
-op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een poos, en scheen daarbij al de aandacht
-harer toehoorster te boeien; want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde
-malen het schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare
-mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet dadelijk, maar dacht,
-zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij:
-</p>
-<p>„Boleh; tapeh.… mentega sama ikan!”
-</p>
-<p>Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar” beteekent, was er
-eene glinstering in het fletsche oog van het oude wijf verschenen. Bij het overige
-gedeelte <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>van de uitdrukking der njonja teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche
-uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het Maleisch vertaald,
-gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip.
-</p>
-<p>„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend.
-</p>
-<p>„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in het Maleisch.
-„Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met beloften laat ik mij niet
-afschepen!”
-</p>
-<p>„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien van den band
-te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude verwelkte lendenen gesloten hield,
-en het de njonja aanbood.
-</p>
-<p>Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van Chineesch maaksel,
-die van diamanten fonkelden.
-</p>
-<p>„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden glimlach.
-</p>
-<p>„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf.
-</p>
-<p>Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft gezegd, dat hij
-de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen betuigen, wanneer de zaak gelukt
-was.”
-</p>
-<p>Laurentia lachte hoonend.
-</p>
-<p>„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!.… Neen, ik wil den
-babah niet zien.”
-</p>
-<p>„Maar, njonja.…”
-</p>
-<p>„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.”
-</p>
-<p>„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå.
-</p>
-<p>„Wat ge wilt, nèh!”
-</p>
-<p>„Maar, njonja.…”
-</p>
-<p>„Geen woord meer daarover, ’Mbok.<span id="xd30e3437"></span> Zorg nu maar, dat ge me eene flinke provisie van die obat brengt.”
-</p>
-<p>„Tobat!.…” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s, „tjientjing’s” (ringen).”
-</p>
-<p>„Neen … neen … nèh …; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden) weet?”
-<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p>
-<p>„Gelang’s, njonja?… Welke?”
-</p>
-<p>„Gouden, natuurlijk, nèh … Ik heb er laatst gezien, de dochter van den Majoor-Chinees
-had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van „maas toewa” (oud goud), die
-zich drie of vier malen om den pols wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl
-zij in den mond een rosé-achtigen diamant hadden … kijk, zoo dik!”
-</p>
-<p>En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink.
-</p>
-<p>De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde.
-</p>
-<p>„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor die zou ik
-nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen zijn.”
-</p>
-<p>Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de oude vrouw
-met een enkelen blik als doorboorde.
-</p>
-<p>„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Tabeh njonja!”
-</p>
-<p>„Tabeh nèh!”
-</p>
-<p>Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en herhaalde de uitdrukking
-van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen.
-Hij overhandigde den volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte
-gelang’s aan ’Mbok Karjå.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal de lezer een
-nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens
-hulp door Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam voor Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het
-verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te werpen.
-</p>
-<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman van ongeveer acht en
-twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat wel wat ernstig door een paar hel
-blonde bakkenbaarden omlijst werd, terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren
-krullendos prijkte. Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche
-Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina <span lang="la">cum laude</span> had afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid erkennen, <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had getrokken, welke met eenig recht
-er van verwacht hadden kunnen worden. Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had,
-als op de hoogeschool had hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner
-studiën, die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel sprong,
-om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke reeds bij het kind
-en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt. Hij hield dol veel van alles,
-wat hem niet aanbevolen werd, en daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek,
-dan de teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om die afwijking
-van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar, wat nood? Dat hinderde hem
-minder. Hij kroop dan in een hoek van het schoollokaal en droomde. Destijds werd wel
-eens gemompeld, wanneer hij dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt
-hoofd naar boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim verloren:
-„arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die voorspelling werd geloochenstraft;
-met hem gebeurde het als met zoovele anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden
-der manbaarheid.
-</p>
-<p>Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige lieden,—van die, welke
-steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den dag leggen omtrent zaken, die hen niet
-raken,—beweerden dat die vader nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend
-was. Waarop zij dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam
-te pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren naam zoude
-zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling inboezemen, in een tijd, waarin
-Goddank, de mensch het recht van bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts
-waardeering geniet, wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een
-zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der wereld, namelijk
-die der weldenkende lieden.
-</p>
-<p>Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten. De studiën van
-den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs bekostigd, maar hij was ook in staat
-gesteld geweest, om aan de meest prettige partijen <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>der Leidsche studeerende jongelingschap deel te kunnen nemen, en geen hunner kon er
-zich op beroemen, het:
-</p>
-<div lang="la" class="lgouter">
-<p class="line">Io vivat! Nostrorum sanitas!</p>
-</div>
-<p class="first">met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht kwetsbare regelen
-der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden te hebben. Toen evenwel die
-moeder bij het eindigen van den studietijd plotseling kwam te overlijden, bleek het,
-dat het vermogen, welk zij bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te
-gelde gemaakt had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die
-zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man den raad in
-dienst van de rechterlijke macht in <span class="corr" id="xd30e3485" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> over te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking gesteld van den Gouverneur-Generaal.
-Te Batavia aangekomen, werd hij gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om
-de leden van het Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte,
-alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk waren, in het
-bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de uitdrukking luidde, behulpzaam
-te zijn.
-</p>
-<p>Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak ten opzichte
-der Inlanders betreffende; want de behandeling der facultatieve revisiën van de vonnissen
-in zake van misdrijf door de landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn
-deel geworden. Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd
-geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen.
-</p>
-<p>Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad in de hoofdplaats
-der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke gids, die de heerlijke eigenschappen
-van den jongen rechtsgeleerde tot ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden
-van vuurvaste beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der
-vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia.
-</p>
-<p>Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>gemaakt met twee jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een
-vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork, controleur, en Eduard
-<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, aspirant-controleur, beiden behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur
-in de residentie Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de
-hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook het <span class="corr" id="xd30e3501" title="Bron: distrikt">district</span> Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats ten residentie-bureele zich
-voor zijn aanstaande betrekking moest bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge
-mannen, die, met een onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee
-trachtten te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden.
-In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de heer Verstork
-was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in Indië en zijne daardoor meerder
-opgedane ondervinding, meer buigzaam van karakter en, ofschoon zelf niet in staat
-om iets ongeoorloofds te bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere
-verrichtingen zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en bepalingen
-uitvielen, of ook wel tegen de <span class="corr" id="xd30e3507" title="Bron: stipste">stiptste</span> opvattingen der eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij
-zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten gevolge van dien
-karaktertrek in botsing met de overige jongelieden, maar verontschuldigde zich steeds
-door op zijne bizondere omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden.
-Ook hij had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van Nerekool,
-als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin achtergebleven. En hoewel
-zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in haar levensonderhoud en dat harer kinderen
-trachtte te voorzien, zoo reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange
-na niet toe, om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat,
-toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van Willem in Europa
-waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën dier jongelieden konden, zonder
-hunne toekomst totaal te verwoesten, niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het,
-dat onze controleur <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>onder zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij eigenlijk
-de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan, die hij zoude betreden.
-</p>
-<p>Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als tegenwicht kon
-gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als lauw mocht aangemerkt zijn, of
-wanneer hij in de noodzakelijkheid meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen
-verzachtende omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en wandel
-streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer hij de gevolgen der
-zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht kon optreden.
-</p>
-<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet onder zijne gebreken.
-Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan,
-als die welke bij Verstork zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen,
-dat hij bij den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op
-eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk Indisch ambtenaar
-gevormd te worden.
-</p>
-<p>De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en lieten geen enkel
-oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te genieten, wanneer de gelegenheid zich
-daartoe aanbood. Voor Karel en Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg,
-daar zij beiden te Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen.
-Anders was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats, was
-ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd, zoodat van een dagelijksch
-verkeer met zijne vrienden geen sprake kon zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag
-namiddag, wanneer zijn arbeid beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed
-dan spoorslags naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan
-bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> door, waar de zoo verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder
-bracht hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken chef,
-den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat de dag aan den hemel
-was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te hebben, stipt tegen negen uur op zijn
-kantoor te kunnen verschijnen.
-<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p>
-<p>Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een paar glazen
-ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was hij meestal te zamen met
-zijne twee onafscheidelijken, die hem dan zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren
-vooral de Zondag avonden, die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden
-onderling gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij bij
-Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit die vriendenharten
-ontsproten, hunnen gang.
-</p>
-<p>Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een zijner bezoeken
-bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben met diens dochter Anna, die
-kennismaking op de daarop gevolgde danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den
-militairen kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had,
-en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het beschaafdste meisje der
-geheele wereld vond.
-</p>
-<p>„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het eenvoudige
-genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het liefde, die zich in mijn
-hart begint te nestelen? Bij de geringe ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb,
-onthoud ik mij van eene afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat
-ik mij uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid bevind.”
-</p>
-<p>„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroeg Eduard met ondeugenden glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon
-uithuizig. Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan
-is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek brengen, of wel hij
-gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of niet. Ik verdenk hem er zelfs
-van, aan de residentelijke ombertafel plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen
-het residentiehuis langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij,
-door bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog zich omtrent
-mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.”
-</p>
-<p>Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd.
-</p>
-<p>„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool.
-<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p>
-<p>„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel.…”
-</p>
-<p>„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede.
-</p>
-<p>„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet uitspreken.”
-</p>
-<p>„Welnu dan, ga voort.”
-</p>
-<p>Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde aangetrokken; maar ook,
-dat nog geen enkel woord aan zijn lippen ontglipt was, hetgeen den toestand zijns
-harten had kunnen verraden. Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel
-is waar, hem het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden, maar
-toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot complimentjes en vernuftige
-steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt,
-en die hun licht niet onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn
-verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog geheel onbewust
-was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond evenwel, het was reeds laat, had
-een Javaansche bediende een briefje gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had,
-ten spoedigste bij haar op het residentiehuis te komen.
-</p>
-<p>Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen evenwel de ernstige
-plooi van zijn gelaat niet wegnam.
-</p>
-<p>„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat ook vreemde
-gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van alle aangenomen vormen,
-nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan een jeugdig man deed. Voor het minst
-moest ik het voor eene onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig
-werd ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het lieve
-kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon was, dat ik met haar
-piano speelde, kon het niemands aandacht wekken, dat wij ook toen in de hel verlichte
-binnengalerij bij het klavier plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna
-mij had laten roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den
-verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.”
-</p>
-<p>En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>van de mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die te
-<span class="corr" id="xd30e3550" title="Bron: Moera">Moeara</span> Tjatjing aangehaald was, verhaald had.
-</p>
-<p>Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon:
-</p>
-<p>„Dat is zeer treurig.”
-</p>
-<p>„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming vergiste. „Maar, ik
-hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.”
-</p>
-<p>„En uwe.… genegenheid voor het lieve meisje is.… wel groot?” vroeg „Willem aarzelend.
-</p>
-<p>„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u verhaalde, de lieve
-Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer bij den militairen kommandant, dan
-weer bij hare ouders aan huis te ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak
-te wisselen, en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van.…”
-</p>
-<p>„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn ietwat spottend.
-</p>
-<p>„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel, van het eenvoudige
-en degelijke van haar karakter, en.… waardste vrienden, de bekentenis moet er uit:
-ik ben geheel en al onder haren betooverenden invloed.”
-</p>
-<p>„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig.
-</p>
-<p>„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig.
-</p>
-<p>„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst voor.”
-</p>
-<p>„Maar, waarmede dan?”
-</p>
-<p>„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te beantwoorden.”
-</p>
-<p>„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van Nerekool neerslachtig.
-„Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch.…”
-</p>
-<p>„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen … en, vertrouw op mijn woord, dan
-zal ik u antwoorden.”
-</p>
-<p>Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den geheimzinnigen
-controleur te halen. Karel moest zich met de gedane toezegging vergenoegen.
-<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3327">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3327src">1</a></span> <i lang="ms">Njonja mahal.</i> Zie daaromtrent bladz. 160 van <i>Macht tegen recht</i> <span class="sc">Piepers</span>, bij de aanteekening hiervoren op <a href="#n73.1">bladz. 73</a>, reeds aangehaald.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3327src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3362">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3362src">2</a></span> <i>Ngoh, de Watergod.</i> Zie daaromtrent bladz. 299 van <i>de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen</i> door Dr. <span class="sc">J.&nbsp;J.&nbsp;M. de Groot</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3362src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e707">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">X.</h2>
-<h2 lang="fr" class="main">Une invitation à la chasse, en une invitation à la valse.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden; evenwel niet op
-de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch van meening geweest den volgenden
-Zaterdag als naar gewoonte naar Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te
-blijven. Dat zou geheel anders toegaan.
-</p>
-<p>Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool en Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen.
-</p>
-<p>„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het vriendentweetal. „Ik
-ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta, om ook eens als gastheer op te
-treden.… Als gastheer?.… Ik geloof, dat mijne pen mij daar parten speelt.… Ja, parten!
-Want.… om als gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats gastvrijheid.….
-neen, neen.… gastvrijheid dat is het niet, wat ik meen,… moet gastmildheid bewezen
-worden en, hoewel gijlieden mijn nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor
-lief zoudt nemen, zoo is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder
-dak zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi” (rijst) met
-„sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout) zult machtig worden. Een mooie
-invitatie! hoor ik u beiden pruttelen. Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen
-zult. Luistert:
-</p>
-<p>„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>van de bewoners mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd.
-Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het tooneel hunner nachtelijke
-verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van die geduchte stroopers eene schuilplaats
-te vinden in de wildernissen, die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang,
-eene woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en zijn de
-dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden daarvan, evenwel op een afstand
-van ongeveer vijf palen van elkander, de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte,
-die naar zee voert, gelegen.
-</p>
-<p>„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk gedierte te zuiveren,
-door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene klopjacht te houden. Andere dagen kan ik
-niet; mijne werkzaamheden verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij,
-en die zult gij gewis niet afslaan.
-</p>
-<p>„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono” (Inl. districtshoofd)
-voor mijne vrienden, die de jacht zullen bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken
-er op, dat gij beiden zoo tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen,
-dat gij een uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te
-steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige terrein en te midden
-van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat gij tegen drie uren te paard kunt
-zitten. Als gij nu de vurige dieren den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen
-zij hunne zes palen wel in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent.
-Is dat afgesproken?.…”
-</p>
-<p>„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof zij den briefschrijver
-te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten hooren.
-</p>
-<p>„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn, „en het zal
-niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te nemen.…”
-</p>
-<p>„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe vuurwapens,
-dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de tjellengs zijn, wanneer zij
-in hun leger opgespoord worden, volstrekt geene te verachten vijanden. Behalve uwe
-geweren, zijn revolvers of <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>ten minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd kan worden,
-onontbeerlijk.…”
-</p>
-<p>„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik een jachtgeweer,
-maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes)
-of musschen te schieten. En revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar
-aankomen.”
-</p>
-<p>„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo heeft eene fraaie
-repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih” (plaatsvervangend regent),<a class="noteRef" id="xd30e3607src" href="#xd30e3607">1</a> Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s
-met centrale ontsteking. Gaarne zullen zij u die wapens leenen.”
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd30e3614" title="Bron: ik">Ik</span> zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten” (regentswoning) te brengen.”
-</p>
-<p>„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche hoofdambtenaren
-zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij komt er zeker ook, nietwaar?”
-vroeg Eduard leuk.
-</p>
-<p>„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou ik.…”
-</p>
-<p>„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten voorbijgaan,” viel
-hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die wapens vragen. Dat bespaart u eene
-vervelende visite bij die Javaansche grooten. Maar.…”
-</p>
-<p>„Wat, maar?”
-</p>
-<p>„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?”
-</p>
-<p>„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle schietoefeningen
-deel, en had den naam van een goed schutter te zijn. Wees gerust.”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht. Zoowel in de
-ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo, alsook in de zijvertrekken
-van de statige woning, schitterden rijke kronen, die met <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>hare talrijke <span class="corr" id="xd30e3630" title="Bron: glasvlammen">gasvlammen</span>, door matte ballons getemperd, die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden,
-en hare stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den bloemenhof,
-die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen, een wedstrijd aangingen,
-die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin
-overgoot alles met haar getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en
-bladeren, liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het halfdonker
-iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld.
-De gasverlichting daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin
-wel alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen vinger
-aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte, waarmede de natuur-verlichting
-alles overgoot. Die rosse kring verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid
-van den stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te vervalschen;
-de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de overwinning, hoe verder het oog waarde,
-totdat zij onverdeeld heerschte en alles omhulde.
-</p>
-<p>Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van Kanarie-boomen<a class="noteRef" id="xd30e3635src" href="#xd30e3635">2</a> uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh voerde. In dit uur, van uit de
-voorgalerij gezien, vertoonden zich de gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten,
-als groote vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen
-en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den breeden, goed
-onderhouden grintweg de meest grillige licht- en schaduwbeelden vormden, als het ware
-krijgertje speelden.
-</p>
-<p>In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene, blauwe, gele,
-bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat waren de rijtuigen van hen,
-die de dansreceptie zouden bijwonen, en met hunne lantaarns met verschillend gekleurde
-glazen hunne nadering te kennen gaven.
-</p>
-<p>De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>huizes stond een oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te overzien.
-</p>
-<p>„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich zelve, „is het
-rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat rijdt voorop. En dat blauwe, dat
-van den heer Zuidhoorn, en dat violette van.… Ah! daar heel in de verte, dat groene.…
-Ik moet weg.… Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.… Ik ben evenwel blij, dat
-Van Nerekool komt.… Hij mag mij evenwel hier niet op den uitkijk zien staan.”
-</p>
-<p>En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing van den kapala
-oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte naderden, de binnengalerij ingetreden
-waren, en nam aan de zijde harer moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende
-gasten te ontvangen en te beantwoorden.
-</p>
-<p>De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was eenvoudig
-in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering gekleed, hoewel de pajoeng-standaard
-opzichtelijk genoeg aan het uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de
-balustrade om een blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale
-trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden, drentelden een
-paar „pradjoerits”<a class="noteRef" id="xd30e3649src" href="#xd30e3649">3</a>, in groot tenu gekleed, op en neer, met het geweer over den schouder, en regelden
-hun heen en weêr wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij ontmoetten,
-daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne bajonetlemmen tegen elkander
-tikten, welk geklikklak den resident blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk.
-Hij liet althans een welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl
-hij met een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging voor
-zijn persoon betuigen moest:
-</p>
-<p>„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!”
-</p>
-<p>Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel tijdelijk opgeslagen.
-Ook daaraan wijdde <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>hij een blik. De muzikanten der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu
-gekleed, waren reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen
-op de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een genadige hoofdknik
-tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van den gewestelijken bestuurder te
-kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en dochter terug.
-</p>
-<p>„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t zicht.”
-</p>
-<p>De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid gelijk, voor een
-sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe voor een kostbaar Japansch
-schutsel geplaatst, met in de eene hand een sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen,
-terwijl aan den pols van de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde,
-waarmede zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed in
-een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden harer welgevulde
-vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een minder dan bescheiden omvang was
-teruggebracht, hetgeen in de beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen,
-en achter op den rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet
-ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit albast gemodelleerde
-schouders en haren boezem ontwaren, die Venus Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen
-maken. Nog een streepje lager, dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben
-kunnen bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten. Hare
-donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het fraaie hoofd, door
-middel van een prachtigen diadeem van schitterende diamanten opgehouden; terwijl eene
-menigte bevallige krulletjes over het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo
-fonkelende donkere oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten.
-De hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk, hetwelk haar
-’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten dergelijke armbanden, in den
-vorm van fijn geschubde slangen van oud goud, met diamanten in den mond en met diamanten
-oogen, als zij zoozeer bij <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den uitroep van „betoel,
-njonja mahal!” afgeperst had.
-</p>
-<p>Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel van hare moeder
-onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest, zich gedecolleteerd te vertoonen,
-welke machtspreuken Laurentia daartoe aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar
-japon van rooskleurige zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding
-niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin besloten, die volgens
-de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid gemodelleerd werden. Van juweelen
-had het lieve kind een afkeer. Eene eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide
-in de donkere haargolven, die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid
-niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst ontluikend knopje
-eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele tint den blik verlokte en de
-gedachten verstrooide, waar die, bij zoo eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk
-afgeronde buste, een te wilde vlucht namen.
-</p>
-<p>„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene partij verschijnt,”
-sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij het toilet harer dochter met sarcastisch
-oog monsterde. „Uwe gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor
-de dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.”
-</p>
-<p>Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in zooverre waar, dat
-de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne, geheel en al den smaak van mevrouw
-Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor
-een wit voetje bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend
-daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan had. Wat ook
-van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat het mademoiselle Hélène
-Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd,
-te bezoedelen, als haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder
-zou Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>Daar weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een paar <span class="corr" id="xd30e3670" title="Bron: sekonden">seconden</span> later, vertoonden zich een aantal jongelieden van verschillend ras, met blanke en
-met bruine wangen, met blonde lokken en met zwarten haardos, zwaar geolied, en in
-stijfheid met pijpestelen wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde
-halzen, en den gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest,
-zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak moesten bijzetten,
-maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn bij de gaffel in de hand klaar te
-staan, waardoor hij in zijne eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle
-markten thuis moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het
-residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer onverhoopt
-dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden zij, om hun compliment bij
-de residentsfamilie af te steken, waarbij zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar
-verwierven, en een vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen
-met eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot feestcommissarissen
-ridderde:
-</p>
-<p>„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia met aanmoedigende
-stem en innemenden glimlach.
-</p>
-<p>„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident.
-</p>
-<p>Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige aanbeveling, toen
-Laurentia plotseling uitriep:
-</p>
-<p>„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!”
-</p>
-<p>En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte zwerm stoven
-de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal hunner weer de binnengalerij
-in, terwijl zij den arm geboden hadden aan de gade van den assistent-resident van
-politie en hare twee dochters, lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren
-oud.
-</p>
-<p>„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone Laurentia met
-hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw aangekomene greep, haar naar
-zich toe trok, en een kus op het voorhoofd drukte.
-<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p>
-<p>Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst.
-</p>
-<p>„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik had niet durven
-hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn vertelde mij toch heden ochtend, dat
-een uwer jongere kinderen ziek was.”
-</p>
-<p>„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw Meidema. „Een lichte
-verkoudheid anders niets.”
-</p>
-<p>De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog voor de vrouw
-en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk met zijn chef.
-</p>
-<p>Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam in het oor gefluisterd:
-</p>
-<p>„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.”
-</p>
-<p>„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd.
-</p>
-<p>Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk. Want na de familie
-Meidema verschenen anderen, die zich om de residents-familie verdrongen, ten einde
-die hare hulde aan te bieden. Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke
-macht, de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het garnizoen,
-de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de residentie, en allen vergezeld
-van de vrouwelijke leden van hun gezin, die de jaren bereikt hadden, om aan den dans
-deel te kunnen nemen. Daar verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng
-Pringgoe Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de hoofd-„djaksa”<a class="noteRef" id="xd30e3695src" href="#xd30e3695">4</a> Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en allen met hunne radhen ajoe’s.<a class="noteRef" id="n140.2src" href="#n140.2">5</a> Daar verschenen de <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>majoor der Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat Kong,
-en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing, de opiumpachter te
-Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die allen wemelden om het drietal der
-residents-familie, hetwelk voor de reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen
-en geknikt en geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen gesproken;
-inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die uitingen, die welwillendheid
-moesten te kennen geven, inderdaad het uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens
-waren, dan zou Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de
-schutterijmuziek de ouverture van <i lang="fr">La Dame blanche</i> ten gehoore gebracht, hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar
-niemand er naar geluisterd had.
-</p>
-<p>Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid, bewierookt en becomplimenteerd
-had, gaf de resident een teeken, dat door een der gedienstige geesten in de voorgallerij
-herhaald werd, waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle
-aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij bewogen. Het was
-een deftige optocht, die veel van een defileermarsch had, waarbij de critische oogen
-der dames elkanders toiletten vinnig monsterden. De resident had zich aan het hoofd
-van den stoet gesteld, gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk
-op hen volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl de
-chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde. Dit was onze Van
-Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de polonaise de zoo opwekkende
-<i lang="fr">invitation à la valse</i> weerklonk, en de oude geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde
-terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden Anna en Karel
-door de <span class="corr" id="xd30e3724" title="Bron: binnengallerij">binnengalerij</span>. Het was een lust om het jonge paar te zien, het genot straalde beiden de oogen uit.
-</p>
-<p>„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de wals, „nieuws
-omtrent Ardjan.”
-</p>
-<p>„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld.
-<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p>
-<p>Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den jeugdigen rechtsgeleerde
-ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend gelaat te lezen.
-</p>
-<p>„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat nu al vergeten?
-O, die mannen!”
-</p>
-<p>„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van Gulpendam?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool.…”
-</p>
-<p>„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool.…”
-</p>
-<p>„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam.…” snapte het jonge meisje.
-</p>
-<p>„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of nog korter:
-Anna, lieve dierbare Anna?”
-</p>
-<p>Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen woord, maar
-hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk zijn. Een lichte druk, die
-onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den overgelukkige opgevangen. Hij hield haar
-leest met de rechterhand omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn
-blik op het aanminnige gelaat gevestigd was.
-</p>
-<p>Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort.
-</p>
-<p>„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?”
-</p>
-<p>Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds ontwelde aan
-hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een bedwongen zuchtje, dat haar
-ontsnapte, maar den dienst van sluier moest verrichten, door hare schuchterheid aan
-het onuitgesproken antwoord verleend. Ja, maar,… het kon ook eene beklemde ademhaling
-geweest zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de onhandigheid,
-verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in laatstbedoelde beteekenis op.
-</p>
-<p>„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats brengen?”
-</p>
-<p>„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet vermoeid. Laten
-wij voortdansen.”
-</p>
-<p>Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk.
-</p>
-<p>„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den maalstroom van dansers
-en danseressen meetroonde.
-<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p>
-<p>„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?…”
-</p>
-<p>Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op.
-</p>
-<p>„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!”
-</p>
-<p>Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder.
-</p>
-<p>„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij <span class="corr" id="xd30e3756" title="Bron: harstochtelijk">hartstochtelijk</span> voort, „ik bemin u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel
-mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal wezen, wanneer
-ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde
-kunnen rekenen?”
-</p>
-<p>Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik; maar het gold
-hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te eerlijk en openhartig gemoed om,
-wanneer het hare beginselen gold, hare gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar
-toch volkomen hoorbaar voor hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!”
-</p>
-<p>Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij voort op de
-maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte, waarin zij, als in elkander
-opgegaan, zich eenzaam bevonden als een eiland te midden van de woelige golven van
-den grooten oceaan. Maar zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was
-er geweest, alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van
-zijn schat had willen nemen.
-</p>
-<p>„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij van oneindige
-beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen
-formeel aanzoek doe om uwe hand bij uwe ouders?”
-</p>
-<p>Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde zij:
-</p>
-<p>„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne.…..”
-</p>
-<p>„Karel heet ik, lieve Anna.”
-</p>
-<p>„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa niet van u
-houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.”
-</p>
-<p>„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?”
-<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p>
-<p>„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie. Hij noemt u
-een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het niet ver in de wereld zal
-brengen.”
-</p>
-<p>„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?”
-</p>
-<p>De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach.
-</p>
-<p>„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het goede, met het
-schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben ik! Maar, zou het waar zijn,
-dat ik een onpractisch mensch, een droomer ben, die het niet ver in de wereld brengen
-zal? Mij dunkt, dat ik in dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht
-te bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij naar het
-hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken; maar ook, dat ik bewijzen
-lever, ik, wel verre van te droomen, behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij
-niet, lieve?”
-</p>
-<p>Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te verdragen had
-gehad, was het <span class="corr" id="xd30e3776" title="Bron: ant-antwoord">antwoord</span> op dat beroep.
-</p>
-<p>„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader zoo afkeerig
-te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in weerwil dat hij zou zien, dat
-uw geluk daarmede gegrondvest werd?”
-</p>
-<p>„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden, hinderpalen zullen
-ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.”
-</p>
-<p>„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe liefde, op uwe standvastigheid.
-Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge, niets ter wereld zal aan mijne liefde voor
-u afbreuk kunnen doen! Zelfs de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog
-verhoogen.…”
-</p>
-<p>De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet Anna’s middel
-los, en bood haar den arm aan.
-</p>
-<p>„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus morgen een bezoek
-aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren belet laten vragen. Dit is afgesproken,
-nietwaar?”
-<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p>
-<p>Zij knikte met een bevalligen glimlach.
-</p>
-<p>Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden zij zich op een
-gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot de almede rijk verlichte pandoppo
-verleenden. Verscheidene paren, groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door,
-om zich naar den prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis uitstrekte,
-om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte te genieten. Anna en Karel
-volgden die beweging, en weldra bevonden zij zich te midden van de sierlijkste planten
-en struiken, die de keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in
-den bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol als een
-kunstenaarsgedachte slingerden.
-</p>
-<p>„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen opgemerkt te
-hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te deelen.…. Ik ben weer dadelijk
-bij u.”
-</p>
-<p>Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn met den geliefde
-des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming
-toegefluisterd had? Of wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om
-de geheime mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die deelgenoot
-te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen, ongeduldig als het ware
-om het voor het volle licht te laten treden? Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van
-Nerekool weerhield haar met zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte,
-tegen zijn hart drukte.
-</p>
-<p>„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,” sprak hij fluisterend,
-alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne woorden mocht verstaan, „om te vernemen
-wat Mathilde te vertellen heeft. Dit uur behoort mij.”
-<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3607">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3607src">1</a></span> Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt men op bladz. 153
-van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend, omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken
-regent is een <i>patih</i> toegevoegd, in alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat
-overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier bevelen te zorgen
-heeft.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3607src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3635">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3635src">2</a></span> <i>Kanarie-boomen</i>, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de geleerden Canarium commune geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3635src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3649">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3649src">3</a></span> <i>Pradjoerits</i> zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die eigenlijk tot niets anders dienen,
-dan tot geur der civiele ambtenaren. Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire
-waarde toegekend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3649src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3695">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3695src">4</a></span> <i>Hoofd-djaksa</i> is de officier van justitie en de openbare aanklager bij de Inlandsche rechtbanken
-in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van den <span class="corr" id="xd30e3698" title="Bron: Regeerings Almanak">Regeerings-Almanak</span> voor <span class="corr" id="xd30e3701" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> van 1881; ook de bladzn. 305 en volgenden tot 311 van de <i lang="fr">Essai sur les principes régissant l’administration de la justice aux Indes Orientales
-<span class="corr" id="xd30e3706" title="Bron: Neêrlandaises">hollandaises</span></i>, door Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in de hoofdplaatsen
-der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem zijn een of meer helpers toegevoegd,
-die officieel adjunct hoofd-djaksa heeten, maar in den regel evenals de officieren
-van justitie bij de landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3695src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n140.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n140.2src">5</a></span> <i>Radhen ajoe.</i> Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche grooten genoemd, die als Mahomedanen
-de veelwijverij toegedaan zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n140.2src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e716">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XI.</h2>
-<h2 class="main">In den residents-tuin.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de kruinen van het
-hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig uitgeknipte schaduwbeelden, die,
-onder den invloed van de zachte bries, die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele
-paden of op de liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden
-de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een groep Tjemårå’s,<a class="noteRef" id="xd30e3800src" href="#xd30e3800">1</a> sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst met de westersche lorkenboomen hebben,
-maar fijnere naalden dragen. Die stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een
-uiterst fijn kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het
-ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij dichterlijke zielen
-van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou gezegd hebben, dat op die plekken,
-waar dat gezeefde licht ontwaard werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend
-om straalbreking of schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering
-van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving.
-</p>
-<p>In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden allerwege paartjes
-ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde
-heeren, die allen de frissche avondlucht <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het heerschen van het windje, dat zacht
-ruischend door de naalden der Tjemårå’s voer.
-</p>
-<p>Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de <i>Traviata</i> ten gehoor. Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste bedrijf
-voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de erkenning van de gevoelens,
-die hen doortintelen, komen, toen de vertolking der woorden:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line xd30e3813">„Un jour, l’âme ravie,
-</p>
-<p class="line xd30e3813">Je vous vis si jolie,
-</p>
-<p class="line xd30e3813">Que je vous crus sortie
-</p>
-<p class="line xd30e3819">Du céleste séjour.
-</p>
-<p class="line xd30e3821">Était-ce donc un ange, une femme,
-</p>
-<p class="line xd30e3821">Qui venait d’embraser mon âme?</p>
-<p class="line">Las! je ne sais encor.… mais depuis ce beau jour,</p>
-<p class="line">Je sais que j’aime d’un pur amour!”</p>
-</div>
-<p class="first">zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest van zijne Anna,
-terwijl zij een boschje van <span lang="ms">Pandan rampeh gedeh</span><a class="noteRef" id="xd30e3831src" href="#xd30e3831">2</a>, dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring daarstelde,
-omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een oogenblik ongezien te vertoeven.
-</p>
-<p>„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die ik straks
-sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller oog op ons gevestigd
-was.”
-</p>
-<p>Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm.
-</p>
-<p>„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster,
-anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
-</p>
-<p>Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan zijne mannelijke
-borst.
-</p>
-<p>„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn, steeds dezelfde
-lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de hoogste zaligheid wezen! O, mijne
-Anna, laat ik u mijne liefde, mijne onverdeelde liefde betuigen.”
-<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p>
-<p>Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij zij bekoorlijk
-het hoofdje op zijn schouder liet rusten.
-</p>
-<p>„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo lief hebt? Zeg,
-bemint gij mij, dierbare?.… O, ik weet het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord
-gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar
-wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van
-God, o, herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!”
-</p>
-<p>Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar ontsnapte, terwijl
-zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof het tot het wonderlijk akkoord van
-de bries in de Tjemårå-naalden behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond.
-</p>
-<p>Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover.
-</p>
-<p>„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die liefdesbetuiging,
-die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.”
-</p>
-<p>En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten twee paar lippen
-op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een knoop, waarbij twee harten en
-zielen voor dit kortstondige leven aan elkander verbonden zouden worden.
-</p>
-<p>Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en in elkanders
-blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl hoog boven hen de breede
-Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl
-de bries door de naburige Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en
-terwijl daar ginds de cornet à piston herhaalde:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">„… Mais depuis ce beau jour,
-</p>
-<p class="line">Je sais que j’aime d’un pur amour!”</p>
-</div>
-<p class="first">Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke bladzijde
-uit hun levensboek! De schoonste wellicht!… Helaas! het ontwaken was nabij.
-</p>
-<p>„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn kind?”
-<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p>
-<p>Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden verschrikt deed
-opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke vrouw het geheele tooneel overzien.
-Met innemende stem ging zij voort:
-</p>
-<p>„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze laan volgt,
-zult gij haar voorzeker ontmoeten.”
-</p>
-<p>En toen hare dochter aarzelde:
-</p>
-<p>„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn arm aanbieden,
-zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven. Ga gerust.”
-</p>
-<p>Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige vriendelijkheid uitgesproken,
-ontzetten het meisje diep, en deden haar met een angstig voorgevoel heenijlen.
-</p>
-<p>„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van Gulpendam
-tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij uwen arm aan te bieden.”
-</p>
-<p>Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het hart zat hem
-evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had<span class="corr" id="xd30e3867" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer verlicht en minder
-geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden
-niet zult te vertellen hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette.
-Foei, mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u …”
-</p>
-<p>Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo kalme, welluidende
-stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij waren van achter de Pandanstruiken
-te voorschijn getreden, zoodat het volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts
-door een tullen kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke
-volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de jonge man gedurende
-een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer opende, ontwaardde hij den diepen,
-donkeren blik van de schoone Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te
-raden, welke het gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige
-en voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was aanmoedigend.
-<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p>
-<p>„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene onwelkome gedachte
-verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat ik met mejuffrouw Anna eenigszins
-afgezonderd in den tuin wandelde …”
-</p>
-<p>„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan.
-</p>
-<p>„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij mocht meenen, dat
-wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden, dan …”
-</p>
-<p>Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan.
-</p>
-<p>„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach.
-</p>
-<p>„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.”
-</p>
-<p>„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij met iets sarcastisch
-in hare stem.
-</p>
-<p>„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij, vóór dat oogenblik,
-of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij nooit een woord van liefde gewisseld …”
-</p>
-<p>„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem met een spottenden
-glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede aanneembaar, dat twee jongelieden
-van beiderlei kunne elkander in een verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden
-van toegenegenheid, of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel
-is?”…
-</p>
-<p>„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer onwaarheid,” viel
-Karel op zijne beurt met eenige drift in.
-</p>
-<p>„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest … O,” ging de behaagzuchtige vrouw met
-zacht dwepende stem voort bij die herinnering aan die jeugd, waarvan zij noode afstand
-deed. „O, toen ik negentien jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij
-eene schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had ik een
-even speelschen geest …”
-</p>
-<p>Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter.
-</p>
-<p>„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,” ging zij met
-eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met meer kracht dan noodig
-was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht
-noodig om te bespeuren, dat Anna mij geheel gelijken zal …<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p>
-<p>Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar vervoerde.
-</p>
-<p>„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van het gelaat der
-schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte liet glijden, „het is te voorzien,
-dat juffrouw Anna in volmaaktheden en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen …”
-</p>
-<p>„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,” meesmuilde zij
-met gekunstelde lieftalligheid.
-</p>
-<p>„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te beduiden heeft?
-Ik vat niet …”
-</p>
-<p>Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over de schouders
-daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep haar niet. Dat was duidelijk.
-Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een
-zucht.
-</p>
-<p>„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde ademhaling min of meer
-onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar constateeren, dat ik ook jong geweest ben.…”
-</p>
-<p>„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant.
-</p>
-<p>„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia met een glimlach
-van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar dat gebeurde in het volle licht,
-in het bijzijn mijner ouders, en niet in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.”
-</p>
-<p>„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool heel ernstig.
-„Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts enkele malen, daarna drukker
-en drukker. De reden daarvan kan u als schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had
-uwe dochter leeren kennen en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde,
-hoe dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste bezoek
-getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde weldra, dat mijn
-geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar.… boezemde ik ook al juffrouw Anna
-geen antipathie in, meende ik ook op uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen,
-zoo bemerkte ik toch alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet
-verworven had, ja dat ik hem letterlijk <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>tegenstond. Dat gevoel was hij, in weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen,
-niet altijd in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet
-over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij eenigermate af. Van
-eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat mijn inkomen nog niet groot genoeg
-is, om een huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel
-onkundig liet van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde
-ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen woord ontviel.…”
-</p>
-<p>„Maar, mijnheer Van Nerekool.…”
-</p>
-<p>„Laat mij uitspreken, mevrouw.… Mij daaromtrent geen woord ontviel, tot heden avond,
-toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat ik zoo lang, zoo trouw en zoo
-zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis
-mijner liefde geene afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder
-van uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen hier in den
-tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het betooverende van de stille
-natuur in deze heerlijke omgeving, door het verleidelijke van de hartstochtelijke
-muziek, die weerklonk en een echo in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen,
-den reinen engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons liefdeverbond,
-dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden, met een kus zoo rein, als
-de engelen in den hemel slechts wisselen kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos,
-het goddelijke nabij!”
-</p>
-<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat was de taal niet der conventioneele
-gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek
-onzer dagen gekweekt, als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het
-samenzijn een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit Georges
-Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden kwamen uit het onverdorven
-hart voort, en misten hunne uitwerking niet op de schoone begeleidster, die hij nog
-steeds aan den arm had. De gevoelige Laurentia sloot onder den <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>invloed, dien zij ondervond, de oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel
-heerlijkheid. „Had Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar
-gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en door.… En.…
-Maar, zij?.… zij?.…” ging zij in haren gedachtengang voort. „Was zij van die euvels
-vrij, die haar nu als gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?”
-Een oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik nam het
-betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts; want daarna bekroop
-haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht jegens hare dochter. Een zweem van afgunst
-doortintelde haar, dat hare Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou
-kunnen worden, die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als
-uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk gelooven. Hare
-geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te zijn, dat iedere liefde, iedere
-genegenheid van twee personen van verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken
-hartstocht, de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en liefde
-waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip van had, slechts als
-eene prikkeling te meer der zinnelijkheid beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd
-werden. Onder den aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de sarcastische
-woorden:
-</p>
-<p>„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat Pandan-boschje! Wil ik
-u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk, mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts
-is de uiting van den aandrang naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale
-beteekenis kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?”
-</p>
-<p>„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in zijne stem,
-„maar ik ben nog jong en onbedreven.…”
-</p>
-<p>„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord.
-</p>
-<p>„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen met woordspelingen.
-Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het. Ik heb geen verstand van die verschillende
-genegenheden, die in de <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als de stalen van
-een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene genegenheid voor het hart, eene
-voor het hoofd, eene voor de zinnen. Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend;
-maar vooral is die liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij!
-Ik had gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder van
-haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn geheele wezen, en
-gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van min edele bedoelingen geheel
-vrij is.”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die vooropgestelde beginselen
-van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo iemand geen lichtzinnig spel te spelen
-was.
-</p>
-<p>„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij vergetende,
-dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden, en dat zij het gesprek
-op het terrein gebracht had, dat haar thans onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl
-gij Anna op eene eenzame plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de
-lippen druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde denken? Is
-hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen? Komt zoo’n gedrag te pas,
-wanneer de ouders van het meisje van die genegenheid niets afweten?”
-</p>
-<p>„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns ondanks ons
-verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik slechts betreuren, dat
-gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk van mijn karakter hebt. Maar, dàt
-mag mij nu niet meer weerhouden. Ik sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen
-belet bij u en den resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter
-te vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het verzoek, hetwelk
-ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe welwillende tusschenkomst bij
-den heer Van Gulpendam te willen verleenen.”
-</p>
-<p>Bij dat aanzoek was Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool blijven stilstaan, had den arm van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich
-verder naar haar gewend, en haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik
-aangekeken. <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening te werk ging;
-maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden van eene ijle schaduwplek,
-door een groepje Tjemårå’s geworpen, en verleende deze, terwijl zij den omtrek van
-den bodem als met eene uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige
-aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde krullen, welke
-zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige gestalte ten gunstigste deed
-uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als ware kenster van mannelijke volkomenheid,
-eene bewonderenden blik op den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij
-dien had kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen. Gelukkig
-dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de realistische vrouw werd afgeleid
-door de nadering van een paar zonen van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig
-loopende laan voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en zwaarwichtig
-plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing Gwan, de majoor der Chineezen
-te Santjoemeh, en de opiumpachter babah Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje
-in den tuin kwamen scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en
-welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest vonden.
-</p>
-<p>„Alleen de naakte armen, schouders, enz<span class="corr" id="xd30e3934" title="Niet in bron">.</span>, van die „njonja njonja en nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak
-de pachter met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met zoo’n
-vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die schepsels welgemaakt zijn.
-Maar, wat streken van de echtgenooten en vaders van die wezens, om met die dingen
-te pronken, en wat schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich
-zoo in het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei).
-</p>
-<p>„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange grijze knevels,
-welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend, haast eerbiedwaardig uitzag,
-met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters
-zoo gekleed of beter ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.”
-<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p>
-<p>„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die …”
-</p>
-<p>„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met den toean „rakker
-njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij met dien te verhandelen mocht
-hebben?”
-</p>
-<p>Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van zijn zoon Lim
-Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn gesprek met den resident.
-Van Nerekool behoorde toch tot de rechterlijke macht.
-</p>
-<p>Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak gehoord; evenwel
-het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van den opiumpachter, dat eene herinnering
-aan Lim Ho en aan hare afspraken met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel
-bij haar zegevieren, en alle andere hartstochten zwijgen.
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is niet zoo erg
-tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is alleen op practische menschen
-gesteld.… Laat mij uitspreken en val mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te
-lang.… De wereld mocht eens meenen.… maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?.…”
-</p>
-<p>Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar met iets vreemds
-in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen.
-</p>
-<p>„De resident is op practische menschen gesteld en.… vergeef mij,” ging zij na eene
-lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische menschen niet!.… Neen,.… kijk
-mij zoo niet aan.… Gij beweegt u nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven
-ver verwijderd is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit
-die droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij nimmer
-carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot loopbaan verkozen hebt.
-Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er bestaan kan, en die het meest van
-droomerijen afkeerig is.”
-</p>
-<p>Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene zekere onrust voelde
-opkomen, die hij ternauwernood vermocht te bedwingen.
-</p>
-<p>„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia met innemenden
-glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare woorden met een nadruk <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe
-zaak bij den resident bepleiten, en … wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van
-zijn, dat Anna de uwe zal worden.…”
-</p>
-<p>„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij de hand op
-zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde bedwingen.
-</p>
-<p>Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart gedrukt, en haar met
-kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield; want wie weet, welke verandering
-van inzichten zulk een onbezonnen daad bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht.
-</p>
-<p>„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat enthousiasme. „Ik ben
-gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij eene belofte doen.…”
-</p>
-<p>„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles.…”
-</p>
-<p>„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te vertrekken, nietwaar?
-Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig die ik gaarne tot een gewenscht
-einde gebracht zag.”
-</p>
-<p>„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den landraad niets
-te maken.”
-</p>
-<p>„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het voorzitterschap
-van den landraad bekleed worden, tot de komst van den vervanger van den heer Zuidhoorn.
-Dat zal eene onderscheiding zijn, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!”
-</p>
-<p>„En … wie weet?… Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan, Ardjan genaamd, die
-opium gesmokkeld heeft.…”
-</p>
-<p>Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O, voorzeker wenschte
-de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te hulp te komen. Hij meende dan ook
-in haren geest te spreken.
-</p>
-<p>„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij haar met zijn
-eerlijk gemoed in de rede.
-</p>
-<p>„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.”
-</p>
-<p>De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep volstrekt niet.
-</p>
-<p>„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>smokkelaarsfamilie,” ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden
-nog betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke menschen
-moeten streng gestraft worden, hoort ge?”
-</p>
-<p>„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de smokkelarij betreft,
-is.…”
-</p>
-<p>„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool? Diefstal van ’s
-lands penningen, diefstal uit den zak der belastingschuldigen!”
-</p>
-<p>„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel behoorlijk bewezen?”
-</p>
-<p>„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat er een soort
-komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, in verdenking
-te brengen. Den zoon van den opiumpachter! die met zijn vader het grootste belang
-er bij heeft, dat de smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!… Het is eenvoudig
-bespottelijk!.… Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene aanklacht bij den
-landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan Ardjan met karbouwenbladeren hebben
-laten geeselen. Maar, nietwaar, mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen
-en bedrog weten te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche
-aanklagers onschadelijk maken!…”
-</p>
-<p>„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk voorzitter van
-den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet zal volvoeren. Wie recht
-heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf heeft verdiend, zal haar niet ontgaan.
-Ik ben eenigszins op de hoogte van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde
-verzet van Ardjan’s vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee
-Javanen, vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen.…”
-</p>
-<p>„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de resident heeft
-gelijk; gij zijt geen practisch man.”
-</p>
-<p>„Mevrouw.…”
-</p>
-<p>„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u bereikbaar.
-Bedenk u wel!”
-<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p>
-<p>„Maar, wat eischt gij van mij?”
-</p>
-<p>„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er minder op aan.
-Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste oord ware wellicht het meest
-verkieslijke.”
-</p>
-<p>„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.”
-</p>
-<p>„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,… of geen voorzitterschap van den landraad!
-Doen wat ik wil,… of geene Anna!.…”
-</p>
-<p>Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn geheele gemoed
-kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone verleidster los, en, zonder zich te
-bedenken, siste hij eer dan hij sprak, gejaagd:
-</p>
-<p>„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen dien prijs, tegen
-den prijs van mijn geweten, dat nooit!”
-</p>
-<p>„Nooit?”
-</p>
-<p>„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam. Maar, het is
-geen ernst, nietwaar mevrouw?”
-</p>
-<p>„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?”
-</p>
-<p>„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij boven alles
-dierbaar. Vaarwel, mevrouw!”
-</p>
-<p>En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den tuin in, naar
-de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste opgewondenheid rondgedoold
-te hebben, trad hij de binnengalerij weer binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar
-riep.
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het navolgende te
-vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt, Ardjan’s zaak reddeloos verloren
-is. Al de getuigen zijn verdwenen of omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.”
-</p>
-<p>„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?”
-</p>
-<p>„Van mij, mijnheer Van Nerekool.”
-</p>
-<p>„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?”
-</p>
-<p>„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort zoo bij het
-vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het eenige, wat ik er bijvoegen
-kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb, is: doe er uw voordeel mede.”
-<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p>
-<p>Daarop boog zij en ijlde heen.
-</p>
-<p>Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn gesprek met mevrouw
-Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog naar Anna rond, die echter als
-dochter des huizes aan tal van vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel
-het gelaat van het lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel
-een glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te lezen vermocht,
-duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat <span class="corr" id="xd30e4005" title="Bron: ge-gezicht">gezicht</span> had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral, daar hij het niet meer
-wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook zijn hoed op, nam afscheid van den
-resident en zijn echtgenoote, en was weinige minuten later buiten.
-</p>
-<p>„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone Laurentia, terwijl
-hij voor haar boog.
-<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e3800">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3800src">1</a></span> <i>Tjemårå’s.</i> Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De hier bedoelde is de Casuarina
-equisetifolia.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3800src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e3831">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3831src">2</a></span> <i lang="ms">Pandan rampeh gedeh.</i> Dit is de Pandanus latifolius der geleerden. Wordt veel op Java aangekweekt om zijne
-sierlijkheid, maar vooral om zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden
-door de vrouwen in het haar gedragen worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e3831src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e725">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XII.</h2>
-<h2 class="main">Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen het echtpaar
-Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel zat. Wel was de resident volgens
-gewoonte vroeg op geweest; de dames evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen
-eindelijk Laurentia verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen
-ambtsrok met <span class="corr" id="xd30e4018" title="Bron: zilvren">zilveren</span> knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte, met een papier in de hand aan tafel
-gezeten, en overigens vrij nurksch gestemd.
-</p>
-<p>„Eindelijk!” riep hij.
-</p>
-<p>„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!”
-</p>
-<p>„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te ontbijten? Ge weet,
-dat ik zeer vele bezigheden heb.”
-</p>
-<p>„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?”
-</p>
-<p>„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend, dat ik ongaarne
-alleen aan tafel zit.”
-</p>
-<p>„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen gehad hebben.”
-</p>
-<p>Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den tijd niet
-genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij had het ook als gastvrouw
-zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest.
-</p>
-<p>„Anna!… Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun jullie vrouwen dan
-nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden dag in katzjammer te liggen?
-Maar,.… wat is er met Anna? Welk nieuws zou die mij te vertellen hebben?”
-</p>
-<p>„Och, dat zij dat zelf maar doet.… Anna!… Pangil nonna!” (roep de juffrouw) wendde
-Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo binnengetreden was.
-</p>
-<p>„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw) antwoordde
-de baboe.
-</p>
-<p>„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond in den tuin
-door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever, welk papier gij daar in
-de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte
-genoeg, en daarenboven volkomen verlof om op het kantoor te blijven.”
-</p>
-<p>Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel aangehoord, zoo
-koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde. Daarom had zij ook eene afleiding
-gezocht, en bezigde daartoe dat onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig:
-</p>
-<p>„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer ontstemt.”
-</p>
-<p>„Een telegram?”
-</p>
-<p>„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden ochtend om
-acht uur reeds hier.”
-</p>
-<p>„Ge drukt zoo op dat <i>reeds</i>, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog den brief van Amy, toen wij haar met
-haar engagement gefeliciteerd hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op
-het telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij dienzelfden
-ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s vlug, ja vlugger dan vlug,
-dunkt me.”
-</p>
-<p>„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het lengteverschil gelegen
-is.”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel! De zon draait.… neen, de aarde draait zoo, en.… jawel, dat weet ik.
-Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram nog vroeger te ontvangen <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst die telegram uit den Haag, die u zoo
-ontstemt.”
-</p>
-<p>„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?”
-</p>
-<p>„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?”
-</p>
-<p>„Van mijn broeder Gerrit.”
-</p>
-<p>„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet galant.”
-</p>
-<p>Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant.
-</p>
-<p>„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen. Tenzij.…”
-</p>
-<p>„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De begrooting van
-den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in den smaak. Men rekent op een
-paar millioenen meer van dat middel.”
-</p>
-<p>„Men?… Men?… Wie is die men?”
-</p>
-<p>„Wel.… <span lang="ms">Sidin toeroen lajer</span>,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de resident voorzichtig. „De zon hindert zoo
-door die jaloezielatten. Wie die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede
-Kamer.”
-</p>
-<p>„Is het niet anders?”
-</p>
-<p>„Niet anders?.… Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan twaalf ton jaarlijks
-aan pachtschat betaalt?”
-</p>
-<p>„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor achttien ton inschrijven!”
-</p>
-<p>„Gij spreekt er gemakkelijk over.”
-</p>
-<p>„Wanneer is die verpachting?”
-</p>
-<p>„In de maand September van dit jaar.”
-</p>
-<p>„Laat dat nu maar aan mij over.”
-</p>
-<p>„Ja, maar.…”
-</p>
-<p>„Geen muizenissen.… De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar wat meer opium
-rooken, en.… gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe heet gij het?”
-</p>
-<p>„<span lang="la">Virtus nobilitat</span>.”
-</p>
-<p>„En gij zult het <span lang="la">virtus nobilitat</span> op de borst dragen; maar ik zal het verdiend hebben.”
-</p>
-<p>„Hoe?”
-</p>
-<p>„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes ton meer. Dus
-geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets anders spreken. Hoe komt het,
-dat gij het gebeurde met Anna en Van Nerekool zoo kalm opneemt?”
-<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p>
-<p>„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen tijd.”
-</p>
-<p>„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te antwoorden, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Dat niet,” knikte Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Kassi koppie! nènèh!</span>” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare lijfmeid Wong toewa.
-</p>
-<p>Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner zich een sneedje
-brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden „dageng assep minjagan” (gerookt
-hertenvleesch) bekleed had, vroeg de nieuwsgierige vrouw:
-</p>
-<p>„Welnu, Gulpie?”
-</p>
-<p>„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te doen rijzen,
-slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van Nerekool noodig hebben.”
-</p>
-<p>„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen glimlach, alsof
-zij niets begreep.
-</p>
-<p>„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld worden, dan zal noodzakelijk
-zijn vader Lim Yang Bing van de mededinging uitgesloten moeten worden.”
-</p>
-<p>„Waarom dat?”
-</p>
-<p>„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke keel zouden die
-opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan opiumsmokkelarij en aan mishandeling
-de pacht gegund werd! Het zou nog sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil,
-als het anker gehieuwd wordt!”
-</p>
-<p>„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?”
-</p>
-<p>„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over hebben, men zal schouderophalend
-met <span class="corr" id="xd30e4109" title="Bron: Preault">Préault</span> prevelen: „dagbladen zijn de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit
-een gevoel van zelfdekkerij een onderzoek gelasten.”
-</p>
-<p>„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare schreeuwzuster in zou gaan
-stemmen!”
-</p>
-<p>„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede, wanneer zij
-daartoe genoodzaakt is.”
-</p>
-<p>„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat, ook niet welke
-intrigues in het <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>spel kunnen komen. Als Lim Ho veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn,
-dat zijn vader zich van de pacht onthield.”
-</p>
-<p>„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.”
-</p>
-<p>„Dat weet ik wel.”
-</p>
-<p>„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.”
-</p>
-<p>„Zeker.”
-</p>
-<p>„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!”
-</p>
-<p>„Juist!”
-</p>
-<p>„Maar,.… dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei Laurentia met een
-sluwen glimlach.
-</p>
-<p>„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die onze schoonzoon
-werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan werd, dan.… Ik heb u reeds verteld,
-dat ik van plan ben, om hem bij het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk
-te laten presideeren.”
-</p>
-<p>„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.”
-</p>
-<p>„Wil hij daarvan niets weten?”
-</p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Hoe weet ge dat?”
-</p>
-<p>„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste, zond ik Anna
-heen, en toen.…”
-</p>
-<p>„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning.
-</p>
-<p>„Toen heb ik hem gepolst.”
-</p>
-<p>„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!”
-</p>
-<p>„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.”
-</p>
-<p>En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het <span class="corr" id="xd30e4140" title="Bron: geprek">gesprek</span>, dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met een losbol te doen had
-gehad, zij in de verleiding ware gekomen de mededingster harer dochter te worden.
-Toen dat verhaal geëindigd was, en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam
-met een zucht:
-</p>
-<p>„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk gegaan. Hier had
-gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De gelegenheid was wellicht gunstig,
-een echte zuid-oost passaat; maar gij hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt
-met volle zeilen <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>op het doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.”
-</p>
-<p>„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je zeilen en je ankerplaats!
-en laat mij met rust!” zei de schoone Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo
-weinig gewaardeerd werden.
-</p>
-<p>„Maar de zaak is nu bedorven.”
-</p>
-<p>„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te vangen!”
-</p>
-<p>Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden sprak. Als
-haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die woorden vergezelde, had kunnen
-opvangen.… Maar—zou het waar zijn, wat de Fransche realistische school leert: dat
-er geen verblinder wezens dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter
-begreep dien lach niet.
-</p>
-<p>„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.… Luister Laurtje. Het is na dat gesprek
-te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht nog of morgen, bij mij aanzoek
-om de hand van onze Anna zal komen doen.”
-</p>
-<p>„Welnu?”
-</p>
-<p>„Dan zal ik zien, welk land <i>ik</i> bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven
-binnen te loopen.”
-</p>
-<p>„Ik hoop het! maar.… ik twijfel aan het welslagen.”
-</p>
-<p>„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van Nerekool haar nog
-zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te loopen. Als dat gebeurde, zou dat
-niet anders dan gunstig kunnen werken.… gij begrijpt mij;.… want Anna moet onze krachtigste
-bondgenoote zijn.”
-</p>
-<p>„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen lummel willen
-geven?”
-</p>
-<p>„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit. Als maar eerst
-het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal er wel gelegenheid gevonden
-worden, om Anna over stag te doen gaan.…”
-</p>
-<p>Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind!
-</p>
-<p>„En,” ging de resident met <span class="corr" id="xd30e4168" title="Bron: cynism">cynisme</span> voort, „het verliefd uilskuiken als onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!..
-daar komt zij … Goeden morgen, Anna! Hebt gij <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>goed geslapen na die dansreceptie?… He, wat heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep
-dat korvetje van stapel! Geen dans overgeslagen!”
-</p>
-<p>Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want na het gebeurde
-in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten te zullen ontwaren. Daarin
-zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden
-was haar vader haar liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad
-om de wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren reeds
-lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En toch.… Zij beantwoordde
-de lieftalligheid van papa met een hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan,
-toen de heer Van Gulpendam zeide:
-</p>
-<p>„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu aan den arbeid,
-die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna, luister goed naar uwe mama. Alles,
-wat zij u zeggen zal, is alsof het van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.”
-</p>
-<p>En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den secretaris
-der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien eene sigaar aan, nam er
-zelf eene, die hij aan de tali api ontstak, door een oppasser eerbiedig aangereikt.
-Toen de sigaar goed rond brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die
-de bewerking met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide ambtenaren
-de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de nieuwtjes van den dag en
-de te verrichten dienstaangelegenheden bespraken.
-</p>
-<p>Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder gewisseld, had daarna
-naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl baboe Dalima haar van een kopje koffie,
-dat zij op de aanrechttafel ingeschonken had, voorzag.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Ennakh, Nana!</span> (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige
-meesteres.
-</p>
-<p>Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met wellust en
-met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen het tipje harer tong
-over de fraaie lippen liet glijden, om als het ware tot <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was, gaf zij het aan de baboe
-over.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Minta lagi</span>, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Engèh Nana</span>,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de aanrechttafel ijlende.
-</p>
-<p>Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo opmerkzaam,
-dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest bezighield, en zij zich niet haastte
-het gesprek met hare moeder aan te vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg
-haar met onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de frissche
-huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot gedeelte van den nacht gedanst,
-en het overige gedeelte waarschijnlijk slapeloos doorgebracht had, er even helder
-als altijd uitzag; zij bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter,
-die onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en … berekende, in hoeverre die
-bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool genoegzaam zouden kunnen boeien,
-om hem het hoofd te doen bukken onder het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook
-al het oog der moeder trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog
-van die heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder die
-bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”</p>
-</div>
-<p class="first">Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan de edele gestalte
-van Karel dacht, die haar zoo <span class="corr" id="xd30e4202" title="Bron: onbegrijelijk">onbegrijpelijk</span> koel bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare netten te
-verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand zou moeten afzien?… Maar,
-weg met die beelden, weg met die gedachten! De woorden van haren echtgenoot kwamen
-haar voor den geest. Zij moest helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden,
-wilde zij de borst van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien.
-</p>
-<p>Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene durfde niet spreken
-en trachtte hare <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>verlegenheid achter haren eetlust te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten
-te verzamelen, alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia goedhartig:
-</p>
-<p>„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van Nerekool in den
-tuin te gaan wandelen?”
-</p>
-<p>„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd.
-</p>
-<p>„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is. Maar, dat verklaart
-mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik meen toch recht te hebben, Anna,
-op uw vertrouwen, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel onverklaarbaar.”
-</p>
-<p>„Maar, Anna?”
-</p>
-<p>„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.”
-</p>
-<p>„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de gewaarwording,
-die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is, hetwelk de vrouw doet neerbuigen
-voor den man?”
-</p>
-<p>„Ja, mama!”
-</p>
-<p>„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal zijn, die gij
-den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid heeft?”
-</p>
-<p>„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele hoedanigheden,
-die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral zijn eerlijk hart, dat mij
-getroffen heeft.”
-</p>
-<p>„Dat alles is wel wuft, Anna.”
-</p>
-<p>„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor ijdele praal, niet
-voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke hoedanigheden, voor vastheid van
-karakter, voor eerlijkheid van grondbeginselen?”
-</p>
-<p>„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.”
-</p>
-<p>„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?”
-</p>
-<p>„Afkeuren?.… Ik niet.”
-</p>
-<p>„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op.
-</p>
-<p>„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij.
-</p>
-<p>„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.”
-</p>
-<p>„Och kom.”
-<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p>
-<p>„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.”
-</p>
-<p>„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?”
-</p>
-<p>„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam nietwaar?
-</p>
-<p>„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.”
-</p>
-<p>„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart gij met uw
-partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer vriendinnen een toiletartikel of
-de geheimen van een plumpudding te bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw,
-als de gade van de hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals,
-kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz. bezighouden, en hadt
-bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om uwe aandacht, aan uwe dochter te
-wijden.…”
-</p>
-<p>„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!.…”
-</p>
-<p>„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid mijn hart binnen
-geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij hebt daar recht op, want gij
-zijt mijne moeder.… Dan bevond ik mij zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid,
-waarin zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den boventoon
-voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die gesprekken, die mij niet boeiden,
-en van die personen, die mij tegenstonden.…”
-</p>
-<p>„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.”
-</p>
-<p>„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk voorkomt? Gebeurt
-u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.”
-</p>
-<p>Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare dochter met
-hare oogen.
-</p>
-<p>„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem.
-</p>
-<p>„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te hebben, mij aan
-die menigte te kunnen onttrekken; dan.…”
-</p>
-<p>„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn, in Mozart,
-in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en verwaarloosde de wereld.…”
-<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p>
-<p>„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het rijk der tonen,
-dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!”
-</p>
-<p>„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het oog; want de
-zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de geestdrift harer dochter.
-„Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.”
-</p>
-<p>„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die zich aan het
-verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een redetwist over gedwongen arbeid
-in heerendienst, of aan een beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken,
-om.…”
-</p>
-<p>„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van Gulpendam met
-goedhartigen glimlach in.
-</p>
-<p>„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn van zoogenaamde
-lieden van de <i lang="fr">beau monde</i> kenmerken. Onder die weinigen behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de
-eenigste. Want, waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano
-schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder den persoon van
-de vertolkster.…”
-</p>
-<p>„He, he, hoe nederig, Anna!”
-</p>
-<p>„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van den vader, de
-beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te omringen; maar, die men in den steek
-liet, wanneer het „invallen” klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag
-of uit de Java-courant vernomen werd.… Dan bevond ik mij met Karel alleen, en vond
-in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo bevonden wij ons meestal
-te midden eener groote menigte geïsoleerd, en, zoo vonden onze gevoelens vertolking
-in de heerlijke tonen, die onze vingeren ontlokten.… Neen, mama, glimlach niet; bij
-die gelegenheden is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon
-doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden; want ik ben overtuigd,
-dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde dacht, en wij ons onbewust tot elkander
-aangetrokken gevoelden. Maar gisteren avond.… gedurende <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>de <i lang="fr">invitation à la valse</i> is ons ons geheim ontsnapt, en.… mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus,
-die tusschen ons gewisseld werd.…”
-</p>
-<p>Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd aan de borst
-van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals sloeg, en in de verrukkelijk
-schoone oogen staarde.
-</p>
-<p>„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan de inspraak
-van haar hart gehoor gaf?”
-</p>
-<p>„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat ik u vergeven
-kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt, er zouden omstandigheden
-zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze goedkeuren kon.”
-</p>
-<p>Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder.
-</p>
-<p>„Mijne keuze goedkeuren!.… Mama.… gij maakt mij overgelukkig!”
-</p>
-<p>En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken schoot, terwijl
-onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden schokken. Hare moeder, aan zoo veel
-hartstochtelijkheid niet gewoon, beurde haar op.
-</p>
-<p>„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk, nietwaar?
-Waarom daarover zoo te ontroeren?… Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik uw geluk niet
-zou willen bevorderen?”
-</p>
-<p>„Mijn geluk!… Ja, mijn geluk!… lieve, beste mama!… Ja zeker, mijn geluk!” kreet het
-opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer moeder met kussen overdekte.
-</p>
-<p>„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid harer dochter
-te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals straks, dan kunnen wij hand
-in hand, en uw oog op het mijne gevestigd, die teedere zaak verder behandelen. Kom
-hier, en ga zitten. Hier aan mijn hart!”
-</p>
-<p>En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.… Het was evenwel het tegenovergestelde
-beeld van den landman met de slang.…
-</p>
-<p>„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de handen te zamen
-vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde.
-</p>
-<p>„Ik denk ja.”
-</p>
-<p>„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot zijn?”
-<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p>
-<p>„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te veroveren zijn.
-Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!”
-</p>
-<p>„Verrast?… Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?”
-</p>
-<p>„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de gedane vraag
-te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren, waardoor Van Nerekool zijne
-geheele genegenheid won.”
-</p>
-<p>„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal doen om mijne
-hand te verwerven.”
-</p>
-<p>„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.… Alles? Schept gij u geen droombeelden?”
-</p>
-<p>„Droombeelden?”
-</p>
-<p>„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat die Karel zoo
-verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.”
-</p>
-<p>„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder.
-</p>
-<p>„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van Nerekool in den tuin
-achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner liefde aangehoord te hebben.….”
-</p>
-<p>„Mama!.… de bekentenis zijner liefde!.…” kreet het jonge meisje schier ademloos.
-</p>
-<p>„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de bekentenis zijner
-liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op het verwerven der toestemming
-van papa.….”
-</p>
-<p>„O, mama!… wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de veranderlijkheid
-van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij voortging het gelaat harer
-moeder met kussen te overdekken.
-</p>
-<p>„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet alleen dat vooruitzicht,
-maar ook dat van eene verbetering van positie, waardoor een huwelijk met een meisje
-zooals gij meer mogelijk zou worden.”
-</p>
-<p>„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als andere meisjes,
-om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?”
-</p>
-<p>„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde opgevoed, en het
-zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die weelde, hoe weinig ook maar, afstand
-zoudt moeten doen.”
-<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p>
-<p>„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle opofferingen in
-staat!”
-</p>
-<p>„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid evenwel niet getoetst
-kan worden. In die werkelijkheid is het integendeel maar al te waar, dat, wanneer
-gebrek of schaarschte de deur inkomt, de liefde het raam uitvliegt.”
-</p>
-<p>„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!”
-</p>
-<p>„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de toekomst van ons
-kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw verder levensgeluk zullen toevertrouwen,
-in staat zij, u eene onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van
-Nerekool daartoe de hand te kunnen reiken; maar.….”
-</p>
-<p>„Wat antwoordde hij toch?”
-</p>
-<p>„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was: „nooit!”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Nooit!.… Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor mij bekend, en,
-toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht steldet, heeft hij geantwoord:
-„nooit!” Hoe kan dat?”
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik stelde hem eene voorwaarde.”
-</p>
-<p>„Eene voorwaarde?”
-</p>
-<p>„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.”
-</p>
-<p>„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik begrijp minder
-dan ooit.”
-</p>
-<p>„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest doen, daar die
-hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen effenen en Van Nerekool zelven
-tot aanzien zou brengen.”
-</p>
-<p>„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel mensch, en
-het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem aangetrokken gevoel. Nog
-niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den aanstaande mijner baboe te redden,
-en hij zou.…”
-</p>
-<p>„Den aanstaande uwer baboe.…” kreet mevrouw Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?”
-</p>
-<p>„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval.…”
-</p>
-<p>„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts een misverstand,
-wat wel te recht <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>zal komen. Zeg mij, wat gij Van Nerekool voorgeslagen hebt?”
-</p>
-<p>„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen. Bedenk, dat het
-de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw huwelijk geldt.”
-</p>
-<p>En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren echtgenoot, voor
-Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen Leeuw verlangde; dat dit echter
-niet verkregen kon worden dan door de opvoering van de opium-inkomsten in de residentie
-Santjoemeh. Het <span lang="la">virtus nobilitat</span> zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s schatkist.
-</p>
-<p>„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia voort, „is
-het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat kan niet, wanneer zijn zoon
-Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede gepaard gaande mishandeling veroordeeld
-wordt. Eene wreede noodzakelijkheid is het dus.…”
-</p>
-<p>Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een strakken blik, op
-de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof zij haar de woorden uit den mond
-wilde kijken. Nu vloog zij op en wild en woest viel zij Laurentia in de rede.
-</p>
-<p>„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den Nederlandschen leeuw
-te bezorgen!.… Dat kan, dat mag niet gebeuren! Hoort ge, moeder?”
-</p>
-<p>„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.”
-</p>
-<p>„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.… Ja? O, dan ben ik wel ongelukkig!”
-</p>
-<p>„Maar, Anna, luister dan toch!”
-</p>
-<p>„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal hij de echtgenoot
-van de dochter van zulke ouders worden!”
-</p>
-<p>En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare kamer op.
-<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e734">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIII.</h2>
-<h2 class="main">Op weg naar het jachtterrein.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?”
-</p>
-<p>Met die vraag stormde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van Nerekool de kamer binnen.
-</p>
-<p>„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar zijn de paarden er reeds?”
-</p>
-<p>„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen geest voor
-een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten trappelend voor de deur.”
-</p>
-<p>En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met elkander te drinken
-en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie rijpaarden verschenen, echte Makassaren,<a class="noteRef" id="xd30e4362src" href="#xd30e4362">1</a> niet zoo bizonder fraai van bouw als Kedoeërs, of als <span class="corr" id="xd30e4369" title="Bron: Battakkers">Batakkers</span><a class="noteRef" id="xd30e4371src" href="#xd30e4371">2</a>, maar voorzien van een breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>aanduidden, voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar
-daarbij sterk en lenig waren.
-</p>
-<p>In een oogwenk zaten de jongelieden te paard.
-</p>
-<p>„En uwe buks?” vroeg Eduard.
-</p>
-<p>„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van Nerekool.
-</p>
-<p>De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh den rechterlijken
-ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het met den cordonriem over den
-schouder, stak een paar revolvers in de pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd
-waren; zoodat hij in bewapening nagenoeg met Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn gelijk stond. Weldra hadden de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden
-in stevigen draf in oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van
-hunnen rit was.
-</p>
-<p>Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu en dan een
-woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot een levendig gesprek.
-Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door Tamarinde-<a class="noteRef" id="xd30e4392src" href="#xd30e4392">3</a> en <span class="corr" id="xd30e4396" title="Bron: Kanari-boomen">Kanarie-boomen</span> <span class="corr" id="xd30e4399" title="Bron: boschaduwd">beschaduwd</span> was, liet zich de tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen,
-wanneer de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den namiddag,
-de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal harer dagelijksche reis.
-</p>
-<p>De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig voort; in flinken
-draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer zij steeg. Zelden behoefden de
-edele dieren in stap gebracht te worden, en waren dan nog in dien gang niet te houden.
-Daarbij het landschap, hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin
-des woords verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s, die
-met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering
-vormden te midden van het groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna
-volgden klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant, hoog in
-de lucht hunne wuivende <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>bladertakken, waaruit hare kruinen bestonden, verhieven en een zonderling grillige
-schaduw op de groene graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de schaakvormige
-vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een terreinplooi op, lieten
-de galangan’s, die haar omgaven met haar groen kleed van gras of beschaduwd door „toeri”-
-of „klampies”-<a class="noteRef" id="xd30e4406src" href="#xd30e4406">4</a>struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit jaargetij als ontelbare
-waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in dit <span class="corr" id="xd30e4410" title="Bron: seisoen">seizoen</span> na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan vierkanten vloeibaar zilver,
-met eene groene omlijsting omgeven, gelijk waren. Achter dat sawahveld verhief zich
-het gebergte, dat met zijne vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch
-overdekt, een donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel
-langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de gezichtseinder
-zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging, hetgeen tegen het meer lichte
-azuur des hemels scherp maar bekoorlijk afstak. Op sommige punten konden de ruiters,
-wanneer de paarden eene heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing
-genieten moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar bij
-den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te schitteren, waarop
-de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes voordeden, of als tegenstelling
-de zwarte rook van een stoomschip, die zich in dikke krullen somber over het watervlak
-omboog, ontwaard werd.
-</p>
-<p>Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende der hitte
-te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd, die hen zoo vatbaar maakte
-voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de elkander opvolgende landschappen, die
-zich links en rechts van hen uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke
-gemoederen te boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene
-kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk gevolg, allen <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>te paard, in de verte in het oog kregen, die hen spoorslags tegemoet reden.
-</p>
-<p>„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Kijk, die daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den ruitergroep
-houdt.”
-</p>
-<p>„Wie is bij hem?” vroeg Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool. „Zie ik goed … dan zijn het August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij God!… ook Frits Mokesuep!”
-</p>
-<p>„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „<span class="corr" id="xd30e4432" title="Bron: djoeroetoelies">djoeroetoelis</span>,” den „loerah,” den „<span class="corr" id="xd30e4435" title="Bron: kebajan">kabajan</span>,” den „kamitoewa,” den „tjarik,”<a class="noteRef" id="xd30e4438src" href="#xd30e4438">5</a> in één woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe Pahit
-met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in groot gala op hunne
-kleine paardjes gezeten, die met geel galon geboorde chabrakken van tijgervel versierd
-zijn, en waarop de goed gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel
-rusten! Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> riep Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn opgewonden uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden
-toewuifde.
-</p>
-<p>„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en weldra had
-die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken de begroetingen en verwelkomingen
-allerwegen.
-</p>
-<p>„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl hij Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet ongesteld?”.…
-</p>
-<p>„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel vertellen.…”
-</p>
-<p>„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte een der jongelieden,
-die Verstork vergezelden, op.
-</p>
-<p>De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen hij merkte, dat
-de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden, haastte hij zich het onderwerp
-van het gesprek te veranderen.
-<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p>
-<p>„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren, met drieën
-in draf!” En een oogenblik later:
-</p>
-<p>„In galop.… arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud kavallerie-officier.
-</p>
-<p>De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven vooruit, zonder
-de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich voor hun oog uitstrekte en eene
-zachte rijbaan opleverde, daar zij met een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn
-gras bekleed was.
-</p>
-<p>„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je de goede zorgen
-van den controleur bespeuren.”
-</p>
-<p>Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het hoofd.
-</p>
-<p>„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,” verkondigde hij
-machtspreukig.
-</p>
-<p>„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken<a class="noteRef" id="xd30e4468src" href="#xd30e4468">6</a>,” merkte er een van het gezelschap met schamperen glimlach op.
-</p>
-<p>Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de <span class="corr" id="xd30e4474" title="Bron: etikette">etiquette</span> aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier moedige paardjes
-van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink volgden en in geen gang iets toegaven.
-</p>
-<p>Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij de gelegenheid
-te baat om met de jongelieden, die den controleur Verstork vergezelden, kennis te
-maken.
-</p>
-<p>August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke, gezonde jongen van ongeveer
-twintig jaren oud, wiens fijne stroogele haren, die hij krullend droeg en uitermate
-verzorgde, met zijn wel krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst
-<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te Santjoemeh gevestigd.
-</p>
-<p>Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het kadastraal
-kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede wiskundige studiën gemaakt, en
-steeds in de geodesische en geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur
-presteerde hij uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel
-grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring heerschte, vooral
-wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het zakelijk recht, aan die eigendommen
-verbonden, te berde werden gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht
-en billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht de zijde
-van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij ingebracht werden. Hij was
-ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een sierlijken blonden krullebol en een aangenaam
-gelaat, dat van veel vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom
-hij in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was.
-</p>
-<p>Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als Limburger ontleende
-hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien landaard, aan den meerderen omgang
-met de naburige Belgen toe te schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen,
-waar jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het Athenaeum te
-Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om daar op de hoogeschool in
-de rechten te studeeren; maar was deerlijk mislukt. Nu was hij op een handelskantoor,
-waar hij zich bevlijtigde, om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen,
-dat hij op de Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur,
-die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde.
-</p>
-<p>Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een scherp kontrast
-vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde de betrekking van commies bij
-de controle-afdeeling van de in- en uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij
-had in zijne jeugd slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>nog zeer jong zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de
-rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden. Dat gebrek aan
-opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het ooit verder op de maatschappelijke
-ladder te brengen dan tot controleur bij het financiewezen in het moederland. Door
-dat denkbeeld beheerscht, had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten,
-indertijd door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen in
-de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in Nederlandsch-Indië noodzakelijk
-geworden, gehoor gegeven, en was als <span class="corr" id="xd30e4492" title="Bron: financieel">financiëel</span> ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen<a class="noteRef" id="xd30e4495src" href="#xd30e4495">7</a> naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met zijnen buigzamen
-geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig
-zijne aspiratiën te kunnen scheppen.
-</p>
-<p>Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van Financiën
-geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid zijner denkbeelden geleverd,
-en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh overgeplaatst in de betrekking, die hij
-thans bekleedde, en waarschijnlijk zijn <i lang="fr">bâton de maréchal</i> zoude zijn. Hij was de fiscale ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis
-van het woord, en had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming
-gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard. Schrapen was zijn
-eenige wellust in dit ondermaansche, en alle middelen, zelfs leugen en bedrog, werden
-door hem gebezigd om dien hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart
-volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer betrekking op de te
-innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne bekrompen denkbeelden in plagerijen
-van de belastingschuldigen. Een <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer beschermde hij de
-belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel, van zijne medewerking kon het
-Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige
-handelingen geld afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter.
-Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door kastanjebruin haar,
-hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien, gom-adragant, stijfsel, vischlijm
-of eenig ander kleefmiddel langs de slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig
-en scherphoekig, en had die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt,
-wanneer hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal en
-scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen mond een profiel,
-dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en van een vos, in ieder geval
-op de geaardheid van een knaagdier duidde. Misschien was het daarom, dat zijne makkers
-hem gewoonlijk Muizenkop heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of
-van haar te ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden.
-</p>
-<p>Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat was eenvoudig:
-Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen geïncarneerd; en daar de controleur
-bij het innen van belastingen in zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige
-muggenzifterijen der <span class="corr" id="xd30e4514" title="Bron: financïeele">financiëele</span> ambtenaren te doen wilde hebben, zoo had hij dien man in den arm genomen, die hem
-op het gebied van accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde
-van onhebbelijke aanmerkingen.
-</p>
-<p>Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen kreeg, had de ruiterstoet
-den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd,
-en was op het punt laatstgenoemde plaats binnen te rijden.
-</p>
-<p>Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden heuvelachtig
-terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht wordende gasten haar feestkleed
-aangetrokken. Allerwegen verschenen de bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in
-hunne beste <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>kleederen, die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden.<a class="noteRef" id="xd30e4522src" href="#xd30e4522">8</a> Aan den vlaggestok, die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een spiksplinter
-nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de andere hoofden, ja zelfs de
-„mantri tjatjar” (vaccinateur) der afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden
-dat voorbeeld gevolgd, en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook
-de driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene kooi met
-„perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te ontrollen. Allerwegen klonk de
-gamelan en verleende aan de feestelijke stemming der bewoners, die allen op de been
-waren en de heeren vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel.
-</p>
-<p>„Drommels,” herhaalde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> <span class="corr" id="xd30e4531" title="Bron: Rheyn">Rheijn</span>, „rameh besar! De controleur doet de zaken goed! Dat belooft!”
-</p>
-<p>„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de bevolking is
-blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen verlossen, die ontzettend hare velden
-verwoesten. Gij zult eens zien met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken,
-om ons bij de klopjacht behulpzaam te zijn.”
-</p>
-<p>De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en steeg af.
-</p>
-<p>„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van <span class="corr" id="xd30e4538" title="Bron: Rheyn">Rheijn</span>. „Ik heet u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een
-oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te gaan.”
-</p>
-<p>„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten.
-</p>
-<p>„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner zal mogen heeten,
-dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te paard stijgen om den Djoerang Pringapoes
-te verkennen, en voor zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen,
-en waar wij positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.”
-</p>
-<p>„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van <span class="corr" id="xd30e4546" title="Bron: Rheyn">Rheijn</span>. „Ik meen zelfs, dat wij volle maan hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p>
-<p>„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de controleur.
-„Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen. Dan zullen wij vroeg naar
-bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten wij bij het aanbreken van den dag bij
-den djoerang zijn, om onze stelling in te nemen en de jacht te beginnen.”
-</p>
-<p>En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de blanken tot op
-het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij:
-</p>
-<p>„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang, niet waar?”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord.
-</p>
-<p>„Welnu, blijft dan met ons eten.”
-</p>
-<p>Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te huis nog iets
-te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd present zijn. Wat zij niet
-zeiden, maar toch dachten, was, dat zij beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch
-zoude voorgediend worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks,
-afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen tot den Djoerang
-Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der schutters op de verschillende punten
-met den wedono en de beide loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden
-was, besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den djoerang,
-daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar rotsbed van vak tot vak afdalende,
-eene reeks van watervalletjes en stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van
-het reeds zoo schoone landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh
-maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in de sawahvlakte
-uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten, die den avondhemel bij het ondergaan
-der zon nuanceerden, in de sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met
-hare klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen, waartusschen
-de gele omwandingen der hutten schier <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>niet ontwaard werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel verdubbelde,
-en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht niet verzadigen konden.
-Alleen het verbleeken dier tinten bij het intreden van den nacht, en bij het verschijnen
-van de maan boven de kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken.
-</p>
-<p>Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien aanbevolen te hebben,
-den volgenden ochtend met zijn volk op de afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en
-had men reeds de paarden gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren,
-toen plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil vernomen
-werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig. Dat gegil hield aan,
-en duidelijk werd te midden van het verwarde geschreeuw van vrouwen en kinderen het
-schrikkelijk klinkende „amokh! amokh!” (moord! moord!) gehoord.
-</p>
-<p>„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het dèsahoofd, dat nog
-bij de heeren stond.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan hooren?”
-</p>
-<p>„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!”
-</p>
-<p>En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel<a class="noteRef" id="xd30e4570src" href="#xd30e4570">9</a> aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de richting van den
-Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep aangekomen was, hurkte hij in der
-haast voor den controleur neder, en bracht den sembah.
-</p>
-<p>„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa gemaakt. Reeds is
-een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas deerlijk verwond!”
-</p>
-<p>„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten gillend en huilend;
-toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport te komen brengen. Maar bij het
-heenijlen hoorde ik roepen, dat Setrosmito de <span class="corr" id="xd30e4578" title="Bron: amohkmaker">amokhmaker</span> zoude zijn.”
-<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p>
-<p>„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk, nietwaar, loerah?”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd,
-</p>
-<p>„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven hij is niet aan
-het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?”
-</p>
-<p>„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord.
-</p>
-<p>Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de avondschemering, menschen
-in de grootste verwarring binnen den dèsarand heen en weer ijlen.
-</p>
-<p>„Kom, heeren,” sprak de controleur. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Mijne aanwezigheid is op de plaats des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken
-galop zijn wij er in weinige oogenblikken.”
-</p>
-<p>„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na.
-</p>
-<p>„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen.
-</p>
-<p>Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het voorbeeld van Verstork
-hunne paarden in galop gezet, en ijlden den landweg af, die naar Kaligaweh voerde.
-Mokesuep was evenwel te bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen
-kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat te doen. Maar
-daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht, terwijl de tontong’s als bezetenen
-weerklonken. Dat gaf den doorslag. Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde
-in razenden ren naar Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh.
-</p>
-<p>„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht hij. „Straks
-zullen de anderen mij wel volgen.”
-</p>
-<p>Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde hen Verstork.
-</p>
-<p>„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op zijne hoede
-te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden, daar deze het gevaar nog
-vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!”
-</p>
-<p>De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand doorjoegen, ontwaarden
-zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die hunne kinderen in hunne armen sloten,
-als wilden zij ze beschermen; maar de mannen <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom eene hut geschaard, die gesloten
-was, en niets merkwaardigs aanbood. Wel weerklonk de kreet:
-</p>
-<p>„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!”
-</p>
-<p>„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong, de teugels
-aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad.
-</p>
-<p>„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord.
-</p>
-<p>„Toch Setrosmito?…” mompelde de ambtenaar onhoorbaar.
-</p>
-<p>Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven, of de deur
-der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel verscheen.
-</p>
-<p>Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en woest om het
-hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren te hebben. Zijn baatje was
-geheel gescheurd, zoodat slechts een vod daarvan door een der armen opgehouden werd.
-Aangezicht, borst en handen waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk
-uitzag.
-</p>
-<p>„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!”
-</p>
-<p>Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed.
-</p>
-<p>„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe. „Maar nadert
-mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij aanraakt, steek ik neer!”
-</p>
-<p>En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de rechterhand
-had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur, die een oogenblik achteraf
-gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar nauwelijks had de ongelukkige den blanke
-in het oog gekregen:
-</p>
-<p>„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen van zich afslingerde,
-en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte. „Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde
-hij daar.
-</p>
-<p>Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der omringenden
-niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met bloed bevlekte man naar
-den controleur ijlde, meenden velen, dat deze in gevaar <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver in de hand vooruit. Ook
-de Javanen wilden toespringen en den thans weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork
-voorkwam hen, drong de voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met
-het bevel:
-</p>
-<p>„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!”
-</p>
-<p>En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden toon herhaalde:
-</p>
-<p>„Ampon, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar” (onwelvoegelijk) met mijn
-kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb ook een oppas verwond, die hem daarbij
-hielp. Wie zou mijn kind beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand
-anders verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.”
-</p>
-<p>Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar ademloos, geen woord
-van protest werd vernomen.
-</p>
-<p>„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg de controleur
-ernstig.
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den steeds hurkenden
-Javaan.
-</p>
-<p>„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het districtshoofd.
-</p>
-<p>„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon, ik heb slechts
-mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.”
-</p>
-<p>„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!” sprak de controleur
-hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid der blanken zal de zaak onderzoeken,
-en is uw kind mishandeld, dan zal dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe
-straf lichter maken.”
-</p>
-<p>Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der blanken gerechtigheid,
-wanneer het opiumzaken gold. Een bittere glimlach zweefde op aller gelaat. Menige
-verwensching jegens het onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt,
-werd gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in blinde en woeste
-drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind tegen de snoodste mishandelingen
-beschermde, te doen had, nu had de geheele bevolking deernis met den ongelukkige.
-Een gebiedende blik van <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder gemompel tot
-zwijgen te brengen.
-</p>
-<p>„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah staat mij borg
-voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij zult zorgen, dat hij morgen ochtend
-vroeg onder een geleide van gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.”
-</p>
-<p>„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne dorpsgenooten gekneveld
-werd.
-</p>
-<p>„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets anders doen
-dan mijn plicht opvolgen.”
-<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4362">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4362src">1</a></span> <i><span class="corr" id="xd30e4364" title="Bron: Makkassaren">Makassaren</span>.</i> De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den geheelen Archipel beroemd. Zij
-worden Makassaren genoemd naar de hoofdplaats Makassar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4362src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4371">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4371src">2</a></span> <i>Kedoeërs en <span class="corr" id="xd30e4374" title="Bron: Battakkers">Batakkers</span>.</i> In den tijd, lang geleden, toen de Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden,
-werden Friesche hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en Preanger-Regentschappen
-stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen
-van die Friesche hengsten vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel
-door gebrek aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai inheemsch
-paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn kleine paarden, maar van
-zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer volmaakt op dit gebied uit te denken is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4371src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4392">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4392src">3</a></span> <i>Tamarinde-boom</i> is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde bladeren. Bij de geleerden heet
-hij Tamarindus indica.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4392src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4406">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4406src">4</a></span> <i>Toeri- of klampiesstruikjes</i> zijn sierlijke gewassen, die door de geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora,
-de tweede Acacia tomentosa.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4406src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4438">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4438src">5</a></span> <i>Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik</i> zijn allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd, de djoeroetoelis
-is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de drie vorigen zijn leden van het
-dèsabestuur<span class="corr" id="xd30e4441" title="Niet in bron">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4438src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4468">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4468src">6</a></span> <i>Als de bevolking er gebruik van mag maken.</i> De tijd ligt zoo ver niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden
-heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke overheerschers aan
-te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht maken, maar zich vergenoegen moest
-met de zoogenaamde karrewegen, naar welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in
-een niet te beschrijven toestand van verwaarloozing verkeerden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4468src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4495">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4495src">7</a></span> <i>Met dispensatie van het afleggen van eenig examen.</i> Bij koninklijk besluit dd. 21 Januari 1879 N<sup>o</sup>. 28 werd aan tien Nederlandsche landsdienaren dispensatie verleend van het examen,
-bedoeld bij Staatsblad N<sup>o</sup>. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de comptabiliteits-wet, die dreigde
-te stranden, in vlot water te brengen. De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen
-naar Ned. Indië gezonden zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën
-en Nederland plukt er de vruchten van.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4495src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4522">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4522src">8</a></span> <i>Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden.</i> De Vrijdag, hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4522src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4570">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4570src">9</a></span> <i>Kanarievogel.</i> De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke
-benaming.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4570src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e743">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIV.</h2>
-<h2 class="main">Eene huiszoeking met hare gevolgen.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden, dat zagen de
-jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het instellen van een voorloopig
-onderzoek omtrent den manslag en de verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat
-nauwgezet als altijd, en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek:
-</p>
-<p>Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo, de spion van
-den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan, zich in de dèsa Kaligaweh
-vertoond had. Beide personen hadden eerst een bezoek aan de opiumkit gebracht, om
-daar van de gedelegeerden van den pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna
-hadden zij zich naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat dorpshoofd,
-die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit opgeroepen was, zich tot
-een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten einde den bijstand der politieagenten
-te erlangen.
-</p>
-<p>Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion naar de woning
-van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen, den wensch te kennen het
-huis van den Javaan te doorzoeken.
-</p>
-<p>„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt er nimmer
-opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen, dat gij u van sluikopium
-voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten nauwkeurigste te doorzoeken.”
-<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p>
-<p>„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen opium bij mij
-vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord van den trouwhartigen landbouwer.
-</p>
-<p>De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden.
-</p>
-<p>„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht worden.”
-</p>
-<p>En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van de politieagenten
-en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren:
-</p>
-<p>„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers te onderzoeken.”
-</p>
-<p>Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening,<a class="noteRef" id="n192.1src" href="#n192.1">1</a> onderwierp zich aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid
-geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren.
-</p>
-<p>Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht genoemd worden
-van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats gehad. Maar, had Setrosmito
-bij de opiumjagers geen heulsap gevonden, evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren
-kon gelijken, hoe dikwerf zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid
-doorzochten.
-</p>
-<p>„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en wanhopig, dat niets
-te vinden was.
-</p>
-<p>„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen passen.”
-</p>
-<p>De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen hij vernam,
-dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren helaas! slechts weinige bewoners
-van Kaligaweh, die welvarende dèsa van weleer, <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde met de politiedienaren
-naar buiten, om zich naar Singomengolo te begeven, ten einde dien van den stand van
-zaken mededeeling te doen.
-</p>
-<p>Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over zijne onhandigheid.
-</p>
-<p>„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij hem te gemoet.
-„Jij zult nimmer sluikopium vinden.”
-</p>
-<p>„Maar jij ook niet, waar hij niet is.”
-</p>
-<p>„Wel, „Keh”<a class="noteRef" id="xd30e4683src" href="#xd30e4683">2</a>, voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?”
-</p>
-<p>„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb tot de bamboestijlen
-der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.”
-</p>
-<p>„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> (kussens) onderzocht?”
-</p>
-<p>„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk.
-</p>
-<p>„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom maar meê,” ging
-Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den gestaarten natuurgenoot naar het hoofd
-geslingerd te hebben. „Kom maar mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets
-vondt, ik wel wat zal opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.”
-</p>
-<p>De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had. Maar, zoo gaat
-het meer in de wereld.
-</p>
-<p>Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito terug, om het
-onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op nieuw wilde onderzoeken,
-weigerde Singomengolo botweg.
-</p>
-<p>„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen hond!” zei hij
-barsch.
-<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p>
-<p>Setrosmito protesteerde.
-</p>
-<p>„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik ken die streken!
-Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het dèsa-bestuur, die onder de menigte
-voor het huis stond toe te kijken. „Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier
-gebeurt!”
-</p>
-<p>Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in aanraking te
-komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de voeten. Lachende trad Singomengolo
-met zijne acolyten de hut binnen. Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee
-jongetjes en een meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd
-waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis hunner ouders
-verzameld zagen.
-</p>
-<p>De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste jeugdige Javaantjes
-hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk
-werd, wat schoonheidsgevoel aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren
-hoofdjes, waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was gebleven,
-en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor droeg. Hunnen landaard
-getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige ledematen, slanke lendenen en een uiterst
-dun middeltje, dat voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs,
-op dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de voetenkels
-droegen.
-</p>
-<p>Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst gezichtje,
-hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig uitkwam. Het kind had bloote
-armen, maar de borst was bedekt met een van veelkleurige lappen vervaardigde „otto”
-(slabbertje); terwijl om de heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren
-plaatje bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken.
-</p>
-<p>Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten en potten en
-pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito nauwlettend op de handen gekeken
-werd. Dat verdroot den aterling, die daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd
-werd. Hij gaf een teeken aan den Chinees, die met zijne scheefstaande <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>oogen de kinderen akelig gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het
-detailleeren van de vormen der kleine Kembang (bloem).
-</p>
-<p>Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder voorwendsel van
-ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte hij hen achtereenvolgens het
-naakte lichaam, zocht op de walgelijkste wijze onder de oksels en overal waar een
-madat-balletje kon verborgen zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen
-schurk te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het toezicht,
-dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon afleiden.
-</p>
-<p>Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst scheurde, gilde
-het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los, en verborg het naakte lichaampje
-aan de borst harer moeder, die haar omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs.
-De Chinees naderde met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen
-gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het meisje uit de
-armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen.
-</p>
-<p>„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine kat heeft tijd
-gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!”
-</p>
-<p>En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was, daar de Chinees
-zich tegenover een schepseltje der teedere kunne bevond, en zich alles meende te kunnen
-en mogen veroorloven.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Alah! tobat!</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel.
-</p>
-<p>Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op.
-</p>
-<p>Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe scherp op
-de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten hand onder een pandan-matje,
-dat op de baleh-baleh lag, en reeds driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat
-opgetild was geweest, en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat
-hij met gemaaktheid vertoonde.
-</p>
-<p>„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium) in het huis
-aanwezig was.”
-</p>
-<p>Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>de bestaande rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te
-wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed.
-</p>
-<p>„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij onwillens de
-hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding
-boven de baleh-baleh uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!”
-</p>
-<p>Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af was, met een
-vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof. Brullend van woede rukte deze den
-kris uit de schreede. En juist in dit oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden
-gil uit, die Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen
-hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat van den Chinees
-zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne lieve aanminnige Kembang veroorloofde,
-steeg hem het bloed onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting.
-Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!</span>” (help! help! pijn! pijn!) gilde het kind.
-</p>
-<p>Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen kris in de hand
-naar den kant van den onverlaat.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het zien van den gevlamden kris
-in de vuist van den waanzinnig vertoornden vader.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat er gaande was.
-</p>
-<p>Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> klonk het weldra van alle kanten.
-</p>
-<p>De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het gold.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” herhaalden de „kedjinemans”<a class="noteRef" id="xd30e4764src" href="#xd30e4764">3</a> en stormden naar de „gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig
-lieten weerklinken.
-</p>
-<p>De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene poging willen
-aanwenden om zijn <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>sabel te trekken. Het lem was evenwel zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen
-niet te ontblooten was. De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den
-verdoolde bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede
-over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet gevaarlijke vleeschwonde,
-maar eene aanmerkelijke verbloeding veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht,
-dat de gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos op
-het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad.
-</p>
-<p>Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds het meisje
-omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden omtrent zijne onkuische bedoelingen
-geen twijfel overlieten.
-</p>
-<p>„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader bekschuimend.
-</p>
-<p>Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in zijne overspanning
-de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij voldeed niet aan dat uiterste
-bevel des vaders. Hij stond daar met zijn fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht
-getuigende, toch een wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden
-integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen het naakte
-meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” klonk het in het rond.
-</p>
-<p>„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een dommen lach beantwoord
-werd.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” herhaalde de tongtong dreigend.
-</p>
-<p>„Laat los!.… Niet?.… Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige vader.
-</p>
-<p>En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens de Chinees
-tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te bukken, hem het gevlamde
-lem door de keel.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Adoe! Matti saja!</span>” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest rollende oogen. Het waren zijne
-laatste woorden. Met krampachtige hand trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan
-zijn hals te sluiten. Te vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes
-als zoo vele fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>Een akelige hoest overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte,
-overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en zich steeds met
-de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de doodelijk verwonde overeind te
-blijven staan. Vergeefsche poging! Hij wankelde, alsof hij beschonken was, en viel
-eindelijk stervend neer.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” klonk het rondom de hut.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” herhaalde de tongtong.
-</p>
-<p>Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij veegde zich met
-de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot besef te komen. Eindelijk kreeg
-hij inzicht in den toestand.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” klonk het dreigend.
-</p>
-<p>Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken, maar bewoog
-zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik, met de bliksemsnelheid
-der gedachten geschied. Het vertrek was overigens leeg, want gelijktijdig met den
-politieoppasser had ook Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito,
-die eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den dreigenden
-kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht heengeijld, en had haar naakt
-dochtertje met zich meegesleurd.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>”
-</p>
-<p>Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning kwam, als eene
-bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er maar al te goed de schrikkelijke
-beteekenis van. Hij wist, dat wanneer dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te
-wapen vliegt, en zonder onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar
-te lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of zooals hier,
-als beschermer zijner kinderen op te treden.
-</p>
-<p>Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen vooruit.
-</p>
-<p>„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik neer, zooals ik
-dezen keh gedaan heb.”
-</p>
-<p>Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten kring, waarin
-druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt geen ijver <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te dringen.
-</p>
-<p>Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam, en de moordzaak
-met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde.
-</p>
-<p>Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die hij zeide
-in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te hebben. Het was eene
-kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen wordende, bleek schier vijftig mata’s,
-dus ongeveer achttien milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige
-massa, die in een klein koperen<span id="xd30e4829"></span> doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de hand geborgen kon worden. De controleur
-nam dat doosje in beslag en verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den
-opiumjager.
-</p>
-<p>„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het matje op de
-baleh-baleh gevonden hebt?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker, de Chinees.…”
-</p>
-<p>„Die dood is? Anders niemand?”
-</p>
-<p>„Ja, en de beide oppassers?”
-</p>
-<p>„Die eerst geen opium gevonden hebben?”
-</p>
-<p>„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik, Kandjèng toean, ik,
-beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is genoeg. De getuigenis dier twee
-oppassers is overbodig.”
-</p>
-<p>De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen er zich echter
-niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een huichelend nederigen groet gebracht
-en gepreveld te hebben:
-</p>
-<p>„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den assistent-resident van politie.”
-</p>
-<p>Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs den grooten weg
-naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel blijken zal, waarheen hij zijne
-schreden wendde, en wat hij daar te verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk,
-na de dèsa verlaten te hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars
-door het heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats aanbood.
-Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en middernacht was nog niet voorbij,
-toen hij een eenzaam staand hutje <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap verder naar
-Santjoemeh zond.
-</p>
-<p>Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem beiden bij dat lastige
-onderzoek in die netelige zaak ijverig bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde
-terugkeerde, was het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar
-vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden.
-</p>
-<p>„Drommels!” pruttelde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, ontstemd als hij was, nu hij, na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak
-de meest overdreven voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar
-gebracht zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur gruwelijk
-verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!”
-</p>
-<p>„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter. Daarenboven, wat ik heden
-avond afdoen kan, heb ik morgen niet te verrichten.”
-</p>
-<p>„Morgen?”
-</p>
-<p>„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar Banjoe Pahit terug
-te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou dat morgen toch moeten geschieden,
-en dan was onze geheele jachtpartij naar de maan.”
-</p>
-<p>„Morgen?” vroeg Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet tijd genoeg zijn?”
-</p>
-<p>Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits antwoord gereed;
-maar hij weerhield het en antwoordde bedaard:
-</p>
-<p>„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te<span id="xd30e4861"></span> laat. Het is eene moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg
-kosten om de zaak tot helderheid te brengen.”
-</p>
-<p>„En zijt gij nu gereed.”
-</p>
-<p>„Ja”
-</p>
-<p>„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?…”
-</p>
-<p>„Niets.”
-</p>
-<p>„En de jacht aanvoeren kunt?”
-</p>
-<p>„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.”
-</p>
-<p>„Een paar brieven?”
-</p>
-<p>„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>aan den djaksa (Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het
-lijk te schouwen, en het <span lang="la">visum repertum</span> op te maken. Is ’t niet zoo Van Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken
-ambtenaar, „dat moet immers zoo?”
-</p>
-<p>„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het voorhoofd wrijvende.
-</p>
-<p>In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd herhaald en bevestigend
-beantwoord.
-</p>
-<p>„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar Banjoe Pahit,”
-merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het vroeg dag zijn, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe Pahit te denken,”
-sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu reeds negen. Hoe helder de maan
-ook schijnt, zal het toch niet wel mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden;
-zoodat wij niet vóór het middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen
-zullen. Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven, die
-dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal naar Banjoe Pahit
-terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te bezorgen. Hij zal de klopjagers
-daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk besproken en behoeft geene wijziging, nu wij
-van slaapplaats wisselen, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden bezorgd.
-</p>
-<p>„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: <span class="ex" lang="fr">à la guerre comme à la guerre!</span> Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan” (passantenhuis) voorzien van eene
-eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.”
-</p>
-<p>„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen oord een meubelmagazijn?”
-</p>
-<p>„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten antwoord, „zoo’n
-inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de noodige hoofdkussens en een paar
-bultzakken machtig kunnen worden, dan zal het wel zijn.”..
-</p>
-<p>„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak Van Beneden,
-die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was.
-<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p>
-<p>„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur. „Ik prefereer
-de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en overheerlijk ook. De overigen kunnen
-er om loten. Maar.…”
-</p>
-<p>„Maar wat?” vroeg Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn.
-</p>
-<p>„Er werd gesproken van ons zevenen?… Ik tel er maar zes.… Wie mankeert er?.… Te drommel,
-waar is Mokesuep?”
-</p>
-<p>„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen.
-</p>
-<p>„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,” antwoordde Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Zijn hielen gelicht?”
-</p>
-<p>„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags naar Banjoe Pahit
-terugreed.”
-</p>
-<p>„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op.
-</p>
-<p>„Is voorzichtig wel het ware woord?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroeg er een.
-</p>
-<p>„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een ander op. „Verstork,
-hoe kom je toch aan dien gluipert.”
-</p>
-<p>„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij doorkneed;
-ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?”
-</p>
-<p>„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.”
-</p>
-<p>„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep laten wekken?”
-</p>
-<p>„Engèh Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den loerah, die het u
-zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?”
-</p>
-<p>„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze.
-</p>
-<p>Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan genomen, en zat de
-controleur in het voorgalerijtje van de tjariks-woning ijverig te schrijven.
-<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="n192.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n192.1src">1</a></span> <i>Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening.</i> Voor hen, wien deze episode te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige
-inzage van de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het
-ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in <i>het Indische Vaderland</i> van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „<span class="asc">OPIUMZAKEN</span>. Toen gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij den
-Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste <i>bij de gebruikelijke visitatie aan den lijve</i>, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd, een klein doosje met klandestiene
-tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit werd op denzelfden dag ook door het dagblad
-<i>de Locomotief</i> medegedeeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n192.1src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4683">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4683src">2</a></span> Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een scheldnaam.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4683src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4764">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4764src">3</a></span> <i>Kedjineman</i> hier in de beteekenis van wachthebbende.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4764src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e752">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XV.</h2>
-<h2 class="main">Onder den Wariengienboom.—In de opium-kit.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte den loerah
-niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en zelfs zes rolkussens bijeen
-te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij het armoedige licht van het lampje, hetwelk
-in het midden van het vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven
-overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is waar kreupel
-en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een weelde-artikel in eene dèsa als
-Kaligaweh aangemerkt moesten worden.
-</p>
-<p>Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De opgewektheid
-van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die amokhzaak teweeggebracht, liet zich
-nog te veel gevoelen, dan dat aan slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen,
-bracht die op de aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam
-nu, na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het verkrijgen
-van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog minder van een grogje, hetzij
-van jenever of van brandy. Zoo iets treft men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden,
-als er tenminste geen Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater
-gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer hij afkomstig
-was van eene jonge noot, waarvan <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>het vruchtvleesch zich nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden
-van den harden bast afgezet heeft.
-</p>
-<p>Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom<a class="noteRef" id="xd30e4936src" href="#xd30e4936">1</a> gevormd, welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene kruin
-vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij ruime aloon-aloon overdekte
-en schaduw verleende, wanneer de zon of de maan in het zenith stond, en zoo den omvang
-van die kruin op den bodem nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal
-uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens als een vinger,
-dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als een dun touw, die evenwel,
-bij het aanraken van den bodem, daarin doordrongen, om hulpstammen te vormen, die
-den reus zijnen last hielpen torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren,
-die rondom den hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene
-zekere mate van betoovering bijzetten.
-</p>
-<p>Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren fonkelden aan
-den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk deed, en haren glans aanmerkelijk
-verbleekte.
-</p>
-<p>Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische gewesten doorgebracht,
-was het volstrekt niet stil in de natuur. Een zacht windje deed toch de millioenen
-bladeren van den kolossalen wilden vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige
-geluiden, die vernomen werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door
-onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd koerde in weerwil
-van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in de onmetelijke kruin van den
-Wariengien, en werd door haar gaaiken beantwoord; nu en dan liet zich een haan door
-de heldere maanstralen verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit
-volle borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en daar
-weerklonk het scherpe gepiep van de vele <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>vleermuizen, die rondom onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten,
-een waren doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen, enz.
-beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar „kalongs”,<a class="noteRef" id="xd30e4951src" href="#xd30e4951">2</a> die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of anderen vruchtboom van de dèsa
-waren neergestreken, en daar om het ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of
-„kwennie”<a class="noteRef" id="xd30e4955src" href="#xd30e4955">3</a> plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als solopartijen
-beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal heerschte, hoewel de uitvoerders
-daarvan niet te bespeuren waren. In dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen,
-waarheen men het oor ook wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens
-<span class="corr" id="xd30e4960" title="Bron: zóo">zóó</span> sterk liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan, dan weer
-zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar briesje langs een graanveld,
-soms plotseling als op een gegeven teeken ophield, alsof het ’t zacht lispelen der
-Wariengienbladeren wilde laten vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde
-kracht in koor te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „<span lang="ms">tongeret oetan</span>,”<a class="noteRef" id="xd30e4967src" href="#xd30e4967">4</a> eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere grasspriet van de aloon-aloon,
-op iedere bladpunt van den onmetelijken Wariengienboom gezeten, dat schril concert
-ten gehoore, en in letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten.
-</p>
-<p>Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij gehoor verleenden
-aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer levendigheid schenken, dan aan
-het middaguur, wanneer de zon in het toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig
-doet zwijgen? Of zij oog hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje,
-met zijnen schitterenden sterrenhemel, <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>met zijn fraai en zacht maanlicht, dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde?
-Het is te betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene
-verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van maatschappelijke
-ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te aangrijpend geweest, om nu reeds
-verdrongen te worden. Die moordzaak werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men
-het verhaal van het gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven,
-medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot.
-</p>
-<p>„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit overigens zoo gezegende
-eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich van schaamte het aangezicht te moeten
-sluieren, dat onder de inkomsten van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen
-wordt?”
-</p>
-<p>„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de opiumpacht niet
-waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene verbruiksbelasting op een weelde-artikel.”
-</p>
-<p>„Accoord,” zei Grashuis<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „maar wie leerde den bewoners van den Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?”
-</p>
-<p>„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken drank. Van
-waar is dat <span class="corr" id="xd30e4985" title="Bron: distillatieprodukt">distillatieproduct</span> afkomstig? Wie vond het uit? Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord
-te geven is. Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium
-niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.”
-</p>
-<p>„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als bewijs van goed
-gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk.
-</p>
-<p>„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het dan ook onschuldig
-aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten is, van met den invoer van de
-opium begonnen te zijn, en …”
-</p>
-<p>„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den toets van het
-onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende Proeve<a class="noteRef" id="xd30e4992src" href="#xd30e4992">5</a> ter hand. <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s
-al reeds sedert vele, zeer vele eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is
-dus aannemelijk, dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de
-gewoonte om opium te schuiven reeds vonden …”
-</p>
-<p>„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud, dien ik evenals
-gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te hebben kunnen ontdekken, wanneer
-het gebruik van opium in Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis
-in den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne geschiedenis kunnen
-staven, dat het gebruik van de opium bij de komst der Nederlanders in Indië reeds
-ongeveer verbreid was, geloof dan vrij, dat hij die wichtige bizonderheid voor de
-eer onzer natie niet zou verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne
-Proeve tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVI<sup>de</sup> eeuw in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts in de
-Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den Indischen Archipel kan
-aangenomen worden, dat dit verbruik zich bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid
-ten dienste van vreemde oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd
-hadden.”
-</p>
-<p>„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te beschouwen?” vroeg Van
-Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij zich tot Van Nerekool wendende.<span class="corr" id="xd30e5008" title="Bron: ” "> „</span>Baud was toch een tegenstander van het opiumgebruik.”
-</p>
-<p>Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept als hij was,
-antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag wel gehoord had. Grenits
-haastte zich evenwel te antwoorden:
-</p>
-<p>„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!… Waaruit hebt gij dat gehaald? Toch niet
-uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke onpartijdigheid samengesteld. Hij
-behandelt slechts de nadeelige uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid,
-en in zijn geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt
-om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s personeele opvatting?.….
-Maar <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>die opvatting omtrent het verschijnen van de opium in Indië wordt geschraagd door
-de reisverhalen van eene menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de
-<span lang="nl">Itinerario’s ofte voyages</span> b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van Wybrand, Van Warwijck, van den
-admiraal Matelief en van zooveel andere verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak,
-dan zult gij bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.”
-</p>
-<p>„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?” vroeg Van Rheijn
-niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de gewapende vrede tusschen den
-koopmans- en den ambtenaarstand, die in Indië meer nog dan elders op die van kat en
-hond, welke genoodzaakt zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op
-den voorgrond.
-</p>
-<p>„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de voortbrengselen
-van den Archipel, maar ook van de artikelen, die voordeelige uitkomsten beloven,”
-antwoordde Theodoor.
-</p>
-<p>„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat artikel wel in zijne
-handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig.
-</p>
-<p>„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,” antwoordde
-de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen voordeel willen hebben, en ik
-ben er zeker van, dat vele, zeer vele vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken.
-Het bewijs, dunkt me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend
-is, nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.”
-</p>
-<p>„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat hoonend.
-</p>
-<p>„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der Oost-Indische
-Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als het ware geïdentifiëerd
-met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier zij is in de kruideniersaffaire, aan
-te merken. Het opiummonopolie wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de
-„Companie ketjil”<a class="noteRef" id="xd30e5027src" href="#xd30e5027">6</a> als opiumpachter <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit Europeesch handelslichaam, die eervolle
-betrekking behield. Volgens Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting,
-zoodat zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op voordeel,
-dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden brengen. Van een anderen kant,
-wanneer ik de namen der Nederlandsche geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de
-bestuurders en leden van de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik
-de gedachte niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen ondervonden
-hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen verstopt werd.”
-</p>
-<p>„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn korzelig in.
-„Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever? Verkoopt uwe firma dien drank
-niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het hoofd van een huis zult staan, iederen handel
-in sterken drank laten varen?”
-</p>
-<p>„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het jenever-verbruik
-gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die dat hier te lande en daar ginds
-in Nederland verkondigen, doen veel meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel
-er verscheidene onder zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken,
-en bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een doel najagen,
-waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de anderen slechts praten, om
-hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche
-ooren, wanneer menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met
-zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad niet. De mensch
-heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de heer Schaepman, die het toch
-wel goed met zijne schaapjens zal meenen, misgunt den man een paar borrels jenever
-niet. Laten wij dat geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet
-misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen zich de ooren,
-die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan volgt menig beamende hoofdknik;
-want.… men acht zich dan van de verplichting ontheven, <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>om een einde te maken aan een zoo smerige bron van inkomsten als het opium-monopolie
-is.”
-</p>
-<p>„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de lieden, die niet
-alleen die stelling met een beamenden hoofdknik bevestigen, maar haar ook luide verkondigen
-durven. Ik houd staande, dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen
-op gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene wellicht niet in
-zoo’n hoogen graad dan het andere.”
-</p>
-<p>Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek zegevierend
-rond en riep uit:
-</p>
-<p>„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!” „Zeker is ook
-het gebruik van jenever nadeelig te noemen.…”
-</p>
-<p>„Pas op, dat de leden der Witte <span class="corr" id="xd30e5043" title="Bron: societeit">sociëteit</span> in den Haag dat niet hooren!” viel Grashuis lachend in.
-</p>
-<p>„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „dat gebruik vloeit voort uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil,
-die het bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk geluk
-en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father Mathews, den Ierschen
-matigheids-apostel en van andere afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat
-over het hoofd te zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening
-aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne lijn stelt, gij
-niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de hoogte der koloniale litteratuur
-in zake opium zijt. Vaderlandsche mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud,
-Van Dedem en zoo vele anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker
-als een middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in zijne reisbeschrijving
-openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van het opiumverbruik mede, die van zoo’n
-aard zijn, dat, hoewel wij slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins
-die bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel volkomen. Een
-beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is,<a class="noteRef" id="xd30e5050src" href="#xd30e5050">7</a> schreef reeds in de XVI<sup>de</sup> eeuw, <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>dat het gemeene volk in China de opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde
-Von Miclucho <span class="corr" id="xd30e5059" title="Bron: Macclay">Maclay</span><a class="noteRef" id="n211.1src" href="#n211.1">8</a> schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te <span class="corr" id="xd30e5078" title="Bron: Honkong">Hongkong</span> genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik uwe ooren besparen wil.
-Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon,
-Hasselman, Van Bosse,<a class="noteRef" id="xd30e5081src" href="#xd30e5081">9</a> en zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als Minister van
-Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden, in de volle Vertegenwoordiging,
-van de opium spraken als van een kwaad, van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging,
-van eene verpesting, dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking
-en de gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig heilloozer
-zijn, dan die van het alcohol-verbruik.”
-</p>
-<p>„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van Beneden. „Ik
-zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.”
-</p>
-<p>„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen zijn.”
-</p>
-<p>„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te verkrijgen voor
-ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan schuiven tot spot van het volk.”
-</p>
-<p>„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den opiumpachter. Die zal
-mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.”
-</p>
-<p>„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn de grootste
-smokkelaars.”
-</p>
-<p>„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden. Zoodra ik die
-dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen wij ten mijnen huize. Wij zullen
-hartenazen, wie zich aan de proef zal onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt,
-zal <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>schuiven, terwijl de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat afgesproken?”
-</p>
-<p>„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds afgetrokken als hij
-was, niet instemde.
-</p>
-<p>„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn voort, „kan ik
-niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne stelling uitstekend verdedigd heeft.
-Waarlijk, ik had zoo veel zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman
-verwacht.…”
-</p>
-<p>Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit het ambtenaarskorps
-was voor hem niets ongewoons.
-</p>
-<p>„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer overtuigen, dat de
-opium meer onheilen sticht, meer rampen over het volk uitstort, dan sterke drank zou
-doen.”
-</p>
-<p>Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de autoriteiten te
-Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen nabij getreden en had zoowel
-de tirade van Grenits omtrent het heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste
-bewering van Van Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat.
-</p>
-<p>„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen Grenits beweert,
-is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij bevinden ons in een der meest rampzalige
-dèsa’s, in een der meest waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is
-nog zoo lang niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen
-kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.… kijkt rondom u; alles is even vervallen
-en verwaarloosd. De hutten storten schier in; de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen
-gelijk; van de sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger
-omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur, de kit is nog
-open<a class="noteRef" id="n212.1src" href="#n212.1">10</a>; daarenboven de bewoners, door die moordzaak opgewekt, door de tegenwoordigheid van
-<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>zooveel blanken in hunne dèsa verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de
-oogen den kost geven, en onze weetgierigheid bevredigen.”
-</p>
-<p>Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van Nerekool bleef met
-het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten.
-</p>
-<p>„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den schouder legde.
-</p>
-<p>De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op.
-</p>
-<p>„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met zijn brein
-elders gedwaald had.
-</p>
-<p>„Kom, naar de opiumkit.”
-</p>
-<p>„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge wilt toch niet.…”
-</p>
-<p>„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling. „Neen, wij gaan
-maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke gezichten; want ik geloof, dat het
-bezoek aan de kit heden nacht talrijk is. Maar.… wacht, willen wij volledige kennis
-betreffende land- en volkenkunde opdoen, dan.…”
-</p>
-<p>En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van den ambtenaar
-van Binnenlandsch Bestuur verwijlden:
-</p>
-<p>„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit hier. Maar
-dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.”
-</p>
-<p>„Engèh Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante schouwspel voor
-onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten boek wezen.”
-</p>
-<p>Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen ijlings aangeloopen,
-door den politie-agent tot spoed aangezet, met een ijverig:
-</p>
-<p>„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de verheven heer roept).<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de controleur tot
-zijn gezelschap:
-</p>
-<p>„Laat ons nu gaan.”
-</p>
-<p>„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen brutaal, toen hij
-zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde.
-<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p>
-<p>„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken. Wees ons geleide.”
-</p>
-<p>„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan …”
-</p>
-<p>„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden toon.
-</p>
-<p>De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen woord, en volgden
-de blanke heeren.
-</p>
-<p>De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de aloon aloon bevond;
-zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen af te leggen hadden, om die philantropische
-inrichting der Nederlandsche overheerschers te bereiken.
-</p>
-<p>Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke zuigers te zijn,
-waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te worden, trotsch en fier zich verhief!
-</p>
-<p>Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der toevoerbuizen was
-van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en perspomp, die millioenen en nog
-eens millioenen in de Nederlandsche schatkist doet stroomen.
-</p>
-<p>Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig bamboegebouwtje, meer
-aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de <span class="corr" id="xd30e5155" title="Bron: omwandling">omwanding</span> bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige muffe lucht van in verderf
-verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het atappen-dak zichtbaar onder den last der
-jaren doorboog, en op het hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke
-beantwoordde volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de binnenruimte
-tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak uiterst bedompt; terwijl daarenboven
-de vochtige atmospheer, die er heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë
-zoete lucht, die verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte
-bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in Javaansche
-huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier en daar met zwart-glimmende
-bulten bezaaid, die onder den naakten voet der Javaansche, of onder het hardlederen
-schoeisel der Chineesche bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>Hier en daar was bij het zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige
-plek, soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van zeer verdachte
-herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de gezichts- èn de <span class="corr" id="xd30e5160" title="Bron: reukorgannen">reukorganen</span> uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het binnentreden door de lage deur wilde een
-der Chineezen iets uitroepen; maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij
-den arm en fluisterde hem dreigend toe:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Diam</span>, (stil) babah!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit, die begrensd
-werd door een wand, waarin twee deuren en eene loketopening op te merken waren.
-</p>
-<p>„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een vertrekje, waarin
-een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die loketopening roode papiertjes, overdekt
-met Chineesche karakters, aan de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet
-zich daar tegen kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere
-hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig is. Met dat
-papiertje verdwijnt hij door die deur.”
-</p>
-<p>„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op.
-</p>
-<p>„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt mij.”
-</p>
-<p>Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren draaide, maar
-krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout gleed. Men trad nu een gang
-binnen, die volkomen donker zou geweest zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door
-de zwakke stralen van ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der bamboeomwanding
-drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was hier nog bedompter, de akelige
-geur der madat nog weeër. De vloer was hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig,
-dat er veel behoedzaamheid noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den
-zeeperigen modder uit te <span class="corr" id="xd30e5176" title="Bron: strekden">strekken</span>. Die gang maakte het middengedeelte van het gebouw uit, en strekte zich langs twee
-rijen vierkante hokjes, ieder twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet
-afgedeeld was. De onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer
-anderhalven meter <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere te zien was. Door middel van
-bamboedeuren hadden die hokjes met den gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap.
-</p>
-<p>„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand daartoe uitstak.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Tida bolèh, toean!</span>” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die de beweging bespeurde en daardoor
-de vraag begreep.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Diam loe!</span>” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga buiten den gang!”
-</p>
-<p>En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd had, vervolgde
-hij:
-</p>
-<p>„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de deuren en
-van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te slaan. De bespieding
-zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n opiumkit omgaat, meer bevorderlijk
-zijn dan een openlijk binnentreden. Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste
-stadium der narcotische bedwelming.”
-</p>
-<p>En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder hokje der
-opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn hoofddoek had hij afgesmeten,
-zoodat zijn lange haren over het walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank
-aangetroffen werd, zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden,
-half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de opiumpijp aan de
-vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun pitje voorzien, flikkerde, waarbij
-het hoofd, eenigermate door de linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel
-van de pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook van de
-verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den steun der linkerhand
-varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los liet, op den rug, waarbij het hoofd,
-achterover gebogen op het kussen kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel,
-en deed zichtbare poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de
-bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt scheen, bleef hij
-rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van genieten <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril contrast met het overige
-uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat, waarop het zetelde. Alvorens toch op
-de baleh-baleh plaats te nemen, had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts
-met zijn sarong, een walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt.
-</p>
-<p>De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in den Danse Macabre
-kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de kleine palita waren zijne ribben
-gemakkelijk te tellen, en vertoonden die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren
-lieten, hoe diep de vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne
-armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine lederhuid overtrokken
-zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong niets te bespeuren; maar dat zij even
-dun en even vleeschloos waren als de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder
-dat kleedingstuk uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige
-in verrukking zouden hebben gebracht.
-</p>
-<p>Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had, liet hij hem
-in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten ontsnappen, hetgeen een
-zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij zich op zijde, en scheen in een diepen
-slaap gedompeld te zijn.
-</p>
-<p>Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren hoek van het hokje
-neergehurkt had gezeten en door onze bespieders onopgemerkt was gebleven, naar buiten.
-De ongelukkige was daar aanwezig geweest om.… Bij haren spoed om het vertrekje te
-verlaten, liep zij haast de Europeanen tegen het lijf.
-</p>
-<p>„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in dien donkeren
-gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend vertrek binnen.
-</p>
-<p>Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude Javaan lag daar
-ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en uitgeteerd was hij als de eerste,
-die gadegeslagen werd. Hij had meer dan één balletje madat verrookt, en bevond zich
-dan ook in een anderen zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon
-vuur, zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach, waardoor
-de onderkaak <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd, en er den stempel van de onedele natuurdrift,
-die hem beheerschte, op zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den
-hartstocht, die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong losgeworpen,
-en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken aartsvader Noach door zijn zonen
-aangetroffen werd.
-</p>
-<p>Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet hij haar toe:
-</p>
-<p>„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp klaar!”
-</p>
-<p>Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de baleh-baleh toe,
-nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam van de palita eenigszins week
-worden, vermengde het daarna met wat uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen
-hare vingeren een pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje
-plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne hartstochtelijke
-opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen opengerukt, en zich aan de meest
-onkiesche betastingen overgegeven, die zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij
-zich voorover boog, om hem de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar
-middel met den eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf,
-trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van koortsachtigen hartstocht
-uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare borst, met snuivende kussen. Hij.…
-</p>
-<p>„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat ons weggaan!”
-</p>
-<p>„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is infaam! Gebeurt zoo
-iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden! Anders valt het vuur des hemels op
-ons!”
-</p>
-<p>Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang getreden was,
-en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar buiten en trok zijne vrienden
-met zich mede.
-</p>
-<p>„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits.
-</p>
-<p>„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde August gejaagd.
-„Kom, voort!”
-</p>
-<p>„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>„wij zijn gekomen, om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten
-kunnen hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?”
-</p>
-<p>„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.… Zoo iets laat zich niet vertellen. En het
-slachtoffer van.… was een kind.… dat zich hevig verzette.…”
-</p>
-<p>„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn.
-</p>
-<p>„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten! Kom, Verstork,
-gij, als controleur.…”
-</p>
-<p>Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden dringen.
-</p>
-<p>„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,” sprak deze
-hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als ongeschikt voor Binnenlandsch
-Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn chef den resident Van Gulpendam geen steun
-zou vinden, hoe groot de gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken
-zijn. Ik ben dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over
-Gods dijk te laten loopen.…”
-</p>
-<p>„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal.…”
-</p>
-<p>„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om andermaal de kit
-in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al traadt gij alleen binnen, gij zoudt
-niet verhinderen kunnen, dat ik in de zaak betrokken zou worden.… Ik bid u dus.… Daarenboven,
-daar komt het kind reeds naar buiten.…”
-</p>
-<p>En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten, en liep de
-Europeanen snikkende voorbij.
-</p>
-<p>„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken werkeloos te
-moeten blijven! Ik zou willen.… Maar.…” wendde hij zich tot Van Beneden, „zult gij
-nu nog blijven beweren, dat de opium in uitwerking aan den jenever gelijk is?”
-</p>
-<p>August antwoordde niet, maar zijn <span class="corr" id="xd30e5232" title="Bron: glaat">gelaat</span> teekende diep-gevoelde verontwaardiging.
-</p>
-<p>„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier niet blijven
-staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds.…”
-<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p>
-<p>„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke tooneelen gade
-te slaan,” viel hem Grenits in de rede.
-</p>
-<p>„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met een grijnslach
-aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.”
-</p>
-<p>„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer onder den
-Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot een der politiedienaren
-in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden, dat zij naar huis moeten gaan, het is
-tijd om te gaan slapen.”
-<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e4936">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4936src">1</a></span> <i>Wariengienboom.</i> Zie de aanteekening <a href="#n94.3">N<sup>o</sup>. 3</a> op bladz. 94 hiervoren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4936src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4951">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4951src">2</a></span> <i>Kalong.</i> Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen behoort. Hij wordt door
-de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier
-wordt door ettelijke jagers met graagte genuttigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4951src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4955">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4955src">3</a></span> <i lang="ms">Kwenni.</i> Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera foetida geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4955src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4967">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4967src">4</a></span> <i lang="ms">Tongeret oetan</i> wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4967src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e4992">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4992src">5</a></span> <i>Baud’s bekende Proeve.</i> Zie omtrent den titel dier verhandeling de aanteekening <a href="#n43.1">Nr. 1</a> op bladz. 43 hiervoren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e4992src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5027">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5027src">6</a></span> <i>Companie ketjil</i> = de kleine kompagnie is de benaming bij den Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5027src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5050">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5050src">7</a></span> <i>Wiens naam mij ontschoten is.</i> Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche
-pharmacopoea.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5050src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n211.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n211.1src">8</a></span> <i>Von Miclucho <span class="corr" id="xd30e5064" title="Bron: Macclay">Maclay</span>.</i> Zie daaromtrent <i>Natuurkundig Tijdschrift van <span class="corr" id="xd30e5070" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> XXXV<sup>ste</sup></i> Deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n211.1src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5081">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5081src">9</a></span> <i>Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse.</i> <span class="sc">Rochussen</span>: zie zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858<span class="corr" id="xd30e5087" title="Niet in bron">;</span> <span class="sc">Loudon</span>: zie Tweede Kamerzitting December 1861; <span class="sc">Hasselman</span>: zie zijn brief aan den Koning dd. 16 April 1869; <span class="sc">Van Bosse</span>: zie Kamerzitting 11 Maart 1872.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5081src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n212.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n212.1src">10</a></span> <i>De kit is nog open.</i> Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept.
-1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o. a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten
-en de opiumverkoop gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n212.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e761">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVI.</h2>
-<h2 class="main">Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze Europeanen alleen
-onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen wilden vijgeboom. Maar, hadden
-zij een poos te voren geen oogen gehad voor de schoonheden van den keerkringsnacht,
-die hen omringde; thans na dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het
-gesprek liep natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene.
-</p>
-<p>„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak Grashuis, die
-als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke gesteldheid te overzien, „dus
-ook vier en twintig van die hokken. Als allen … Het is jammer, dat wij ons hebben
-laten afschrikken, en ons onderzoek niet hebben doorgezet.”
-</p>
-<p>„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die hokken waren onbezet,
-en de tafereelen die gij onder het oog bij verder onderzoek zoudt gekregen hebben,
-zouden slechts in verscheidenheid van beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik
-herhaal het, het is beter zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh
-ongeveer 80 huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130 werkbare
-mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van de vier en twintig uren,
-die het etmaal vormen, geopend is, en wij bovendien bij het binnentreden der schamele
-hutten, nog menigen opiumschuiver zouden aantreffen <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>dan kunt gij u een denkbeeld vormen van de uitgestrektheid van het opiumverbruik.”
-</p>
-<p>„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg Grashuis die
-van cijfers hield.
-</p>
-<p>„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n rekening niets
-anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers der <span class="corr" id="xd30e5256" title="Bron: statische">statistische</span> tabellen in <span class="ex" lang="fr">l’art de grouper les chiffres</span>.”
-</p>
-<p>„En … wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo iets voor niets
-terugdeinzen!”
-</p>
-<p>„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge zoudt dien
-eens vuur zien vatten.”
-</p>
-<p>„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik durven beweren,
-dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van opium-verbruik zijn …”
-</p>
-<p>„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde, nog al met
-statistische cijfers solde.
-</p>
-<p>„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van den loerah moest
-overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal ongeschikt was geworden, en
-ik er op stond dat een opiumvrije gekozen werd.”
-</p>
-<p>„Is dat gelukt?” vroeg Grenits.
-</p>
-<p>„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito, den armen drommel,
-die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen. De omstandigheid, dat hij niet
-lezen of schrijven kon, heeft mij weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek
-is mij gebleken, dat ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium
-gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben<a class="noteRef" id="xd30e5271src" href="#xd30e5271">1</a> om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden.<a class="noteRef" id="xd30e5282src" href="#xd30e5282">2</a>
-<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p>
-<p>„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van Beneden.
-</p>
-<p>„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele residentiën
-gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf beweren, dat de toestanden
-op opiumgebied daar aan die in de residentie Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s
-als Kaligaweh zijn er bij honderden te tellen.”
-</p>
-<p>„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits.
-</p>
-<p>„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork.
-</p>
-<p>„En werkt die maatregel daar goed?”
-</p>
-<p>„Uitstekend.”
-</p>
-<p>„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den maatregel op geheel
-Java in te voeren?” vroeg Grashuis.
-</p>
-<p>„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef als proef veel
-te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent reeds van 1824<a class="noteRef" id="xd30e5299src" href="#xd30e5299">3</a>; dan ook werd die maatregel niet genomen om het opiumverbruik tegen te gaan, maar
-wel, omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven
-te kunnen overgeven.<a class="noteRef" id="xd30e5303src" href="#xd30e5303">4</a>
-</p>
-<p>„Nog al leuk,” meende Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de bevolking demoraliseert?”
-stoof Grashuis op.
-</p>
-<p>„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wanneer gij die bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de
-oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd en door Van
-Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>het alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het is oneindig
-afschuwelijker, dat is mijne meening!”
-</p>
-<p>„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van het opiumschuiven
-te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene veel grootere daad van menschenmin
-gerekend worden, dan elke poging der afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking
-tot den sterken drank. Maar.…”
-</p>
-<p>„Maar wat?”
-</p>
-<p>„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op het Nederlandsche
-budget gedaan.”
-</p>
-<p>„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den Haag erg doof,”
-grinnikte Grenits.<span id="xd30e5329"></span>
-</p>
-<p>„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de millioentjes,
-die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.”
-</p>
-<p>„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij zeggen van den
-dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de bewering, dat hij het tientje hetwelk
-hij stal, noodig had om naar de bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde,
-dat hij zijn oom vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest,
-om.… zijne maitresse te onderhouden?”
-</p>
-<p>„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!”
-</p>
-<p>„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork. „Zoolang Nederland
-zich eene weelderige administratie als de hare veroorlooft en den opiumhandel, zooals
-hij bestaat, handhaaft, verdient het geen ander beeld dan dat van den man, die een
-tientje wegkaapt om naar den biertempel te gaan.”
-</p>
-<p>„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne duiten machtig
-te worden. Dat beeld is juister<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” voegde Grenits er aan toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië
-steeds als eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te
-buiten gaat.”
-</p>
-<p>„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van Beneden als om
-te protesteeren.
-</p>
-<p>„Overdrijf ik? Zeg?.… Gaat men niet alle palen en perken te buiten met de belastingen,
-die men op de <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>schouders van nijveren en handelaren gelegd heeft?”
-</p>
-<p>„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden.
-</p>
-<p>„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!… Gaat men niet alle
-palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds zoo zwaar zijn, te verscherpen?”
-</p>
-<p>„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork.
-</p>
-<p>„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht, het Indische
-leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort.
-</p>
-<p>„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel.
-</p>
-<p>„Met vrede te Atjeh te decreteeren,<a class="noteRef" id="xd30e5352src" href="#xd30e5352">5</a> die nog in de verste verte niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden
-gladweg het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.”
-</p>
-<p>„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?”
-</p>
-<p>„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der Billiton-maatschappij
-den buit te laten behouden, die, als gij de debatten daarover gelezen hebt, in de
-Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s lands kas behoorden te vloeien?”
-</p>
-<p>„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de beschuldiging schragen,
-die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie van Regeering, van Vertegenwoordiging,
-van kieskollegiën, van kiezers, van de geheele natie ten top gestegen is.”
-</p>
-<p>„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel, die uit het
-water komt.
-</p>
-<p>„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het opiumverbruik.…”
-</p>
-<p>„Opzweepen!… Dat gaat te ver!.… Die beschuldiging is onbillijk!…” viel Van Beneden
-in.
-</p>
-<p>„Zoo! Dunkt u dat?… Welnu, neem Baud’s Proeve <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>ter hand. Daarin zult gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op
-uit geweest is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid
-dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie millioen, in 1842
-bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880 bijna dertien millioen had opgebracht,
-werd voor 1885 op bijna negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die
-raming zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan.<a class="noteRef" id="n226.1src" href="#n226.1">6</a> Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland geteemd en
-geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat men de bestuurders volkomen
-de handen vrij, om volgens de geijkte uitdrukking: <i>er uit te halen, wat er uit te halen is</i>.”
-</p>
-<p>„Maar,.… vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene belasting zoo
-productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het opium-monopolie.
-Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt het verbruik aangemoedigd, worden
-de inlanders naar de kit gedreven door alle middelen, door de minst geoorloofde het
-liefste! Leest de Indische dagbladen maar geregeld,<a class="noteRef" id="xd30e5389src" href="#xd30e5389">7</a> dan zult ge voldoende gesticht worden over den gruwelijken last, die de Chineesche
-kithouders den niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur
-zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot inkeer gekomen,
-hun verbruik verminderen.”
-<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p>
-<p>„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in.
-</p>
-<p>„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits onverstoorbaar voort,
-„om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit artikel te stellen onder het bereik
-van het geringst aantal personen; zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling
-moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de
-rijzing van den pachtschat te verkrijgen.<a class="noteRef" id="xd30e5403src" href="#xd30e5403">8</a> Nu, kort geleden, is zij door een Minister van Koloniën tot een <span class="corr" id="xd30e5416" title="Bron: belastingheffingstelsel">belastingheffingsstelsel</span> verheven<a class="noteRef" id="xd30e5419src" href="#xd30e5419">9</a>. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn, dan moet het oordeel klinken;
-<i>onze Regeering en onze Vertegenwoordiging zijn overtuigd van het diep rampzalige van
-het opium-verbruik bij hun Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen
-van de gelden, welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden</i>.”
-</p>
-<p>„Tu, tu, tu.… Vergiftiging!.… Wat voor woord!…” viel Van Beneden in.
-</p>
-<p>„Vergiftiging, ja.… Wanneer bij een apotheker in Nederland opium buiten zijne vergiftkas
-bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer hij opium aflevert zonder recept van
-een geneesheer, dan wordt hij beboet,<a class="noteRef" id="xd30e5436src" href="#xd30e5436">10</a> nietwaar, vriend Van Nerekool?”
-</p>
-<p>Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan, en knikte
-ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te betwijfelen. Grenits echter,
-met dat toestemmend hoofdknikken tevreden, ging voort.
-</p>
-<p>„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>te koop, ja wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de
-Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder het medeweten,
-onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!”
-</p>
-<p>„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn meesmuilend.
-„Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van ontevredenheid overgoten als de
-overige handelaren en industriëelen hier in Indië.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden van het meerendeel
-hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair verbonden aan hen, waar het de dierbaarste
-belangen van handel en nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik
-met hetzelfde sop overgoten ben.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis <span class="corr" id="xd30e5460" title="Bron: men">met</span> leuke stem.
-</p>
-<p>„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet alleen gevild,
-maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken voorzeker de hand naar de wapens
-zou doen uitstrekken. De Nederlanders hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de
-Belgen bij den hunnen tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen
-tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!”
-</p>
-<p>„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen.
-</p>
-<p>„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de X<sup>de</sup> penning, die onze voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden.
-En welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als <span class="corr" id="xd30e5470" title="Bron: persifflage">persiflage</span> zou kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht te bezitten.
-Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is daarvan slechts een akelig masker;
-vooral wanneer het geldt fiscalische onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend
-dier op zijne prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft;
-vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in den Staat!”
-</p>
-<p>„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit.
-</p>
-<p>„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar neemt het gruwelijke
-boek: <i>Macht tegen Recht</i> ter hand, dat boek afkomstig van een lid van het <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat
-hof was, schier een half menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van
-Justitie, enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij daarna
-nog dat ik overdrijf!”
-</p>
-<p>„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts één doel stelt,
-de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur in het harnas te jagen.”
-</p>
-<p>„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die in mijn oog
-den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den toestand onbewimpeld onthuld
-te hebben. Dat is in den regel de dankbaarheid van ons Nederlanders!”
-</p>
-<p>„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,” riep Van Rheijn
-smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op de molen!”
-</p>
-<p>„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid gegeven, vriend Van
-Rheijn.”
-</p>
-<p>„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten zal zijn.”
-</p>
-<p>„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche pers gebruikt,
-toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden met wettige middelen tegen de
-daden van willekeur en tegen de afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme
-oproerlingen!…” ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme oproerlingen!…
-laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij God! bij een anderen staat van
-zaken zou men daar wel met de handen in het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen
-klaar te komen! Dat zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa saamgewield
-is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren; want de Hollandsche heldenaard
-gaf in onze steden den weinigen, die daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie
-refrein in den mond:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">„Ik ben mijn leven moe!
-</p>
-<p class="line">Ik ga naar Atjeh toe!”</p>
-</div>
-<p class="first">„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden.
-<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p>
-<p>„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij ondoordachte
-„tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel gegist kan worden; want
-men heeft er hier het bewijs door verkregen, dat men in den wettelijken kamp van recht
-en billijkheid tegenover gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten
-heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond, dat wanneer
-een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den takt paarde, om de onderling
-verdeelde ontevredenen om zich te scharen, een man, die van de radeloosheid daar ginds
-gebruik zou weten te maken, het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.”
-</p>
-<p>„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel weten te doen!”
-</p>
-<p>„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft de Regeering
-het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij op de meest hondsche wijze
-tegenover dat leger haren plicht verzaakt heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat
-het officierskorps, in weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen.<a class="noteRef" id="xd30e5497src" href="#xd30e5497">11</a> Maar.… kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men herwaarts bracht,
-en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak, met wapens en munitie overloopen,
-en dan bij geheele kompagniën zouden overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook
-verwachten van de Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste
-streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld werden? Zeg, zou
-dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u niet.…”
-</p>
-<p>„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk.
-<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p>
-<p>„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den vinger op den
-wonde leg?”
-</p>
-<p>„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het tijd is om
-de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het bloed warm, en.… Daarenboven,
-het is bijna middernacht. Wij moeten gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg
-dag, en dan wacht ons eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes,
-dien wij heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij wel
-bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!”
-</p>
-<p>Allen stonden op, behalve Van Nerekool.
-</p>
-<p>„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei Grashuis. „Drommels,
-morgen avond zou de resident het—wie weet hoe verfraaid en verrijkt—reeds vernemen.
-En dan, vriend Grenits, zoudt gij een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie
-weet of ze je niet naar Atapoepoe of de Tomini-baai<a class="noteRef" id="xd30e5518src" href="#xd30e5518">12</a> verbanden; wellicht zetten ze je wel heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den
-<span class="corr" id="xd30e5524" title="Bron: advokaat">advocaat</span> Winckel.”<a class="noteRef" id="xd30e5527src" href="#xd30e5527">13</a>
-</p>
-<p>Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders.
-</p>
-<p>„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen hij dien nog
-buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de anderen den passangrahan reeds
-waren binnengetreden.
-</p>
-<p>De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en keek zijn vriend
-met een verbijsterd oog aan.
-</p>
-<p>„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de hand op den
-schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij waart den geheelen dag
-zoo stil, zoo <span class="corr" id="xd30e5539" title="Bron: afgetrokkem">afgetrokken</span>.”
-<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p>
-<p>„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo ongelukkig!”
-</p>
-<p>„Ongelukkig?… Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed drukt slechts ten
-halve.”
-</p>
-<p>„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt kunnen torschen?
-Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van verleden Zaterdag te Santjoemeh?”
-</p>
-<p>„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te geven, waarom
-ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor Juffrouw Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht dagen is veel
-gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van Gulpendam mij niet genegen
-was?”
-</p>
-<p>Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op mededeeling van
-het gebeurde aan.
-</p>
-<p>„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij weet het: uw
-hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart. Komaan, vooruit!”
-</p>
-<p>„Maar, gij wildet gaan slapen?… En … dan, morgen die jacht?…”
-</p>
-<p>„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements koffietuinen overkomen,
-dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten doorbracht; terwijl mij toch den volgenden
-morgen een inspanningsvolle dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een
-vriend over, dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.”
-</p>
-<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan mededeelzaamheid, hij had behoefte
-zijn hart in dat eens vriends uit te storten.
-</p>
-<p>En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man aan zijne aangebedene
-bij gelegenheid van de dansreceptie ten residentiehuize. Met de levendigste kleuren
-schilderde hij het betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende
-den zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij de betuiging
-der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider lippen daar in den tuin
-elkander voor het eerst zochten en vonden.
-<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span></p>
-<div lang="la" class="lgouter">
-<p class="line">„Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit,
-</p>
-<p class="line">Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat”<a class="noteRef" id="xd30e5569src" href="#xd30e5569">14</a></p>
-</div>
-<p class="first">mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had, het tweeregelig
-vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met een glimlach. Maar, toen hij
-zijn vriend weemoedig het hoofd zag schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart
-gewond was.
-</p>
-<p>Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken, daar in den
-residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht, volgde dat der ontnuchtering.
-Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam het <i lang="fr">tête à tête</i> verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij daarop met de schoone Laurentia
-gehad had. Een bittere glimlach zweefde om den mond van den controleur, toen hij vernam,
-welke verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had.
-</p>
-<p>„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?”
-</p>
-<p>„O, neen,” antwoordde Van Nerekool.
-</p>
-<p>„Welnu, ga voort.”
-</p>
-<p>„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar het residentiehuis,
-om de hand van het lieve meisje aan haren vader te vragen. Het kostte mij veel moeite
-om gehoor te krijgen, en het was niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had,
-dat ik in de tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd.
-</p>
-<p>„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij het kantoor,
-waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje gauw van stapel, ik ben
-gehaast.”
-</p>
-<p>„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met juffrouw Anna,
-en …”
-</p>
-<p>„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het, ik heb geen
-tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets vernomen. Ik kan het niet
-kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar, met een jong meisje een geheim oppertje
-te zoeken. Recht door zee! is mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle
-<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>zeilen op zijn doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.”
-</p>
-<p>„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij verrast hebben.
-Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de hand uwer dochter te doen. Van
-geheimzinnigheid kan dus geen sprake zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer
-Van Gulpendam, geene andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden,
-en u te verzoeken haar mij als gade te geven.”
-</p>
-<p>„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt gij wel gissen,
-wat <i>ik</i> in het logboek zal invullen? Niet?”
-</p>
-<p>„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik, verbaasd over
-die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen. Ik heb de eer u om de hand
-van uwe dochter te verzoeken.”
-</p>
-<p>„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij ietwat geraakt.
-Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen enkele scheepsterm meer over zijn
-lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken, scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij
-gissen kunt, welke beslissing ik zal nemen?”
-</p>
-<p>„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin juffrouw Anna onuitsprekelijk!”
-</p>
-<p>„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd worden. Is uwe
-liefde u ernst?”
-</p>
-<p>„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk.
-</p>
-<p>„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek met mijne echtgenoote
-gehad?” vroeg hij mij.
-</p>
-<p>„„Ja, resident,” was mijn antwoord.
-</p>
-<p>„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?” was zijne tweede
-vraag.
-</p>
-<p>„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat hij en zijne
-vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?”
-</p>
-<p>„Waarom niet?” vroeg Verstork.
-</p>
-<p>„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds evenwel, dat
-hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner echtgenoote niets te maken had.”
-</p>
-<p>De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>overtoog, ging onder de dichte schaduw van den <span class="corr" id="xd30e5610" title="Bron: Waringienboom">Wariengienboom</span> voor Karel verloren.
-</p>
-<p>„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne gemoedsstemming
-onmogelijk kon verraden.
-</p>
-<p>„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw gedaan.”
-</p>
-<p>„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij verder.
-</p>
-<p>„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd.
-</p>
-<p>„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij verder. „En, dat
-gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat gij nog eenmaal een practisch
-mensch in onze maatschappij zult worden.”
-</p>
-<p>„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik deed, en waarvan
-mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik den grond, als het ware, onder
-mij wegzinken.
-</p>
-<p>„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw mij voorgesteld
-heeft?”
-</p>
-<p>„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en met ietwat spottende
-stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de opvolger te worden van den tegenwoordigen
-voorzitter van den landraad te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd
-tijdstip tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand niet
-geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij ziet, dat ik op de hoogte
-der gedane toezeggingen ben, en als gij u daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen
-de daad van een inderdaad practisch man zou zijn, weest dan gerust.…”
-</p>
-<p>„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele roerselen gingen
-toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig in de rede:
-</p>
-<p>„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident, ook was het niet,
-om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de vraag deed, of gij wist wat
-mevrouw mij voorgesteld heeft!”
-</p>
-<p>„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde hij koel. „Wat
-bedoeldet gij dan wel met die vraag?”
-</p>
-<p>„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>mevrouw Van Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?”
-</p>
-<p>„„Och, kom?” zei hij spottend.
-</p>
-<p>„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te brengen, om
-een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging ik voort.
-</p>
-<p>„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig.
-</p>
-<p>„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs uitzicht op de hand
-uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs van een menschenleven eer en bevordering
-werd aangeboden?”
-</p>
-<p>„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten toorn. „Ik verbied
-u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te uiten! Wat? Gij komt hier om de hand
-mijner dochter te vragen en gij hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van
-het meisje, dat gij zegt lief te hebben!”
-</p>
-<p>„„Hoon en laster!” riep ik uit.
-</p>
-<p>„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat is wellicht
-te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van een misverstand,” en met
-koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool.
-Het komt mij evenwel zeer onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om
-over die aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er is
-bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan een huwelijk
-te denken.”
-</p>
-<p>„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik zijn hand greep.
-</p>
-<p>„Hij keek mij met een verbaasden blik aan.
-</p>
-<p>„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij ontwijkend.
-„Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten, alvorens aan een verbintenis
-voor haar leven te denken. En die dan leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen …”
-</p>
-<p>„Hier haperde hij.
-</p>
-<p>„„Intusschen?…” vroeg ik schier ademloos.
-</p>
-<p>„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe bezoeken op het
-residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf meisje niet in opspraak <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet anders dan bij officiëele receptie’s
-ten mijnent te zien!”
-</p>
-<p>„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.”
-</p>
-<p>Verstork keek zijn vriend met deelneming aan.
-</p>
-<p>„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei hij. „Herinner
-u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen opnam.”
-</p>
-<p>„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom.…”
-</p>
-<p>„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam kunnen peilen,
-in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen, wanneer uw aanzoek ingewilligd
-ware geworden.”
-</p>
-<p>„Maar Willem, Anna is.…”
-</p>
-<p>„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan aangetroffen worden.
-Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke
-bloem in zoo’n midden heeft kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.… laat
-dat meisje zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou het
-toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan hare ouders, die
-de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens genoemd moeten worden, die in een
-fatsoenlijken kring plaats kunnen nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene
-omgeving rampzalig gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.”
-</p>
-<p>Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij zat daar met
-het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog als verdwaald hoog daarboven
-de openingen aanstaarde, die in de bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren
-waren, en waardoor de maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet
-schijnen.
-</p>
-<p>Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak hij:
-</p>
-<p>„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de hoogte gebracht
-van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid in den slaap zoeken. Gij hebt
-heden een voor u ongewonen en dus vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom
-zijn. Morgen wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>er op, dat ook die heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van
-morgen bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!”
-</p>
-<p>Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op en volgde zijn
-vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds in diepe rust vonden en zich
-dan ook naast hen op de baleh-baleh uitstrekten.
-<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e5271">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5271src">1</a></span> <i>De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum <span class="corr" id="xd30e5274" title="Bron: machttig">machtig</span> te worden.</i> De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat” geheeten wordt, op,
-om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die vervalsching wordt bij art. 13 van
-het bij de <a href="#n212.1">vorige noot</a> op bladz. 212 aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet
-waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient bij verteld
-te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte vergiftiging van het Staatsmonopolie
-zou benadeelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5271src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5282">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5282src">2</a></span> <i>Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n78.1">No. 1</a> op bladz. 78.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5282src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5299">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5299src">3</a></span> <i>Dagteekent reeds van 1824.</i> Dat besluit is van 3 December en te vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat
-jaar.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5299src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5303">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5303src">4</a></span> <i>Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich aan het amfioenschuiven
-te kunnen overgeven.</i> Zie <span class="sc">Baud’s</span> <i>Proeve</i> enz. reeds in de aanteek. <a href="#n43.1">No. 1</a> op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz. 162 van het daar vermelde deel der Bijdragen
-staat woordelijk: „De Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle
-invoer van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor sluikhandel
-in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het amfioenrooken, dan zouden zij, meende
-men, de Gouvernements-koffie verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5303src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5352">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5352src">5</a></span> <i>Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte niet te bespeuren is.</i> Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de Nederlandsche dagbladen: <i>Het Algemeen Handelsblad</i>, <i>De Amsterdammer</i>, <i>Het Vaderland</i> en zooveel anderen in de maand Juli 1885 <span class="corr" id="xd30e5361" title="Bron: geplubliceerd">gepubliceerd</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5352src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n226.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n226.1src">6</a></span> <i>En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen aan.</i> Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De opiumramingen van 1886
-en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22 millioen bedroegen, zijn evenzeer
-zonder blikken of blozen aangenomen. Nederland heeft geld noodig en dan komt het er
-niet op aan, uit welk riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald
-wordt. In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog geprezen voor
-zijn <span class="corr" id="xd30e5380" title="Bron: financieel">financiëel</span> beleid. Hoera, voor de Nederlandsche Vertegenwoordiging!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n226.1src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5389">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5389src">7</a></span> <i>Lees de Indische dagbladen maar geregeld.</i> Alle verschenen artikelen op te sommen, is niet doenlijk<span class="corr" id="xd30e5392" title="Niet in bron">.</span> Maar de lezing van b. v. <i>Het Indische Vaderland</i> van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de <i>Locomotief</i> van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik aanbevelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5389src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5403">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5403src">8</a></span> <i>Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd
-debiet de rijzing van den pachtschat te verkrijgen.</i> Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de <span class="corr" id="xd30e5406" title="Bron: Minisster">Minister</span> van Koloniën <span class="sc">Rochussen</span> verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen dezelfde stelling in zijne missive
-aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen
-is en wordt, leert de <a href="#n226.1">noot op de vorige bladzijde</a>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5403src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5419">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5419src">9</a></span> <i>Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel verheven is.</i> Zie de inlichtingen van den Min. v. K<span class="corr" id="xd30e5422" title="Niet in bron">.</span> <span class="sc">Sprenger van <span class="corr" id="xd30e5426" title="Bron: Eijk">Eyk</span></span>, aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd. September 1884 No.
-1.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5419src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5436">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5436src">10</a></span> <i>Dan wordt hij beboet.</i> Ziet ook over het bezit en verkoop van opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie
-dd. 8 October 1872 (Ind. Stbl. <span class="corr" id="xd30e5439" title="Bron: Ns.">N<sup>o</sup></span> 170).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5436src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5497">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5497src">11</a></span> <i>Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen.</i> Ja, dat zullen zij! Maar … hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen
-gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de Min v. Kol. <span class="sc">Sprenger van Eyk</span> zich de <span class="corr" id="xd30e5503" title="Bron: persifflage">persiflage</span>: „<i>zij pruttelen wel, maar dat is niet gevaarlijk</i>. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in den mond van die Excellentie pruttelen geheeten,
-en daaraan wordt eerst aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5497src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5518">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5518src">12</a></span> <i>Atapoepoe of de Tomini-baai.</i> Eerstgenoemde is een kleine kampong op de noordkust van het eiland Timor vlak bij
-de Portugeesche grens gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche
-zee in Noord-Oost-Celebes maakt<span id="xd30e5521"></span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5518src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5527">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5527src">13</a></span> <i><span class="corr" id="xd30e5529" title="Bron: Advokaat">Advocaat</span> Winckel.</i> Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een der Indische bladen, werd in 1873
-wegens eenige ondoordachte woorden over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking
-tot den Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5527src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5569" lang="nl">
-<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5569src">14</a></span> Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft en het overige niet
-weet te veroveren, is waard, dat hij datgene verliest, wat hij reeds erlangd heeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5569src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e770">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVII.</h2>
-<h2 class="main">In den Djoerang Pringapoes.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„<span lang="ms">Toeaan!… Toeaaan!… Toeaaaan!</span>”
-</p>
-<p>Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze vrienden te snurken
-lagen.
-</p>
-<p>Och, de slaap had zich ook over Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool erbarmd. Het had wel lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij
-zich op de baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen
-zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een enkele maal
-een toornige uitroep ontlokt was van:
-</p>
-<p>„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te worden!”
-</p>
-<p>Of wel van:
-</p>
-<p>„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën, buitengewoon onrustig
-van nacht!”
-</p>
-<p>„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!”
-</p>
-<p>„Of een boos geweten!”
-</p>
-<p>„Of een blauwe scheen!”
-</p>
-<p>Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts voor korten
-tijd.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!</span>”…
-</p>
-<p>Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s bediende, die
-zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken, en die thans op zijne beurt
-zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren
-Javaan in <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>dergelijke omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken uiterst
-nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap ontijdig opgewekt worden.
-Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst op een betamelijken afstand; want eene
-oorvijg van den slaapdronken toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder
-vlug met de gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de Inlandsche
-bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar … in zoo’n verbijsterden toestand is een
-klap gauw opgeloopen, en het was maar beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht
-de gedienstige geest.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!…</span>” liet zich andermaal het gedempte maar langgerekte geroep vernemen.
-</p>
-<p>Maar Verstork hoorde niet.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Kandjeng toeaaaan!</span>”…
-</p>
-<p>Geen woord.
-</p>
-<p>De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde hij evenwel
-thans nog meer gedempt en gerekt:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!</span>”…
-</p>
-<p>Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate onrustig.
-</p>
-<p>Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op, die zijn heer
-toedekte. Bij de vierbekkige palita,<a class="noteRef" id="xd30e5720src" href="#xd30e5720">1</a> die met een kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij
-genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot had, begon hij
-diens grooten teen te kriewelen.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!…</span>” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer zacht, alsof hij door de deemoedigheid
-van zijn stem vergeving verzocht voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking
-van den <span class="corr" id="xd30e5730" title="Bron: toon">teen</span> van den Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog verschrikt
-overeind.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Siapa itoe?</span>” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met een angst, alsof hij eene
-slang gevoeld had.
-<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p>
-<p>En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt er toe, om zich,
-vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te vergissen.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Siapa itoe?</span>” riep hij andermaal.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Saja, Kandjeng toean!</span>” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst verwijderden hoek van den passangrahan,
-vlak bij de deur.
-</p>
-<p>De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het bereik van den
-blanken man gesteld.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Maoe apa?</span>” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid woedend.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.</span>” (het is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op).
-</p>
-<p>„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne nachtrust wel
-wat kort vond.
-</p>
-<p>Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende verbijstering zou
-gegeven hebben; maar August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, die naast hem sliep, was door dat <span lang="ms">toeaaan! toeaaaan</span><span class="corr" id="xd30e5769" title="Bron: .">!</span> van den bediende ook gewekt geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”,
-zooals de resident Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben.
-</p>
-<p>„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen van de baleh-baleh
-afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof het door eene aardbeving heen en
-weer bewogen werd.
-</p>
-<p>„Wat is er?.… Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld.
-</p>
-<p>De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed.
-</p>
-<p>„Wat is er?… Wat is er?”
-</p>
-<p>„Wat er is?… Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren. Het dèsavolk staat
-reeds gereed voor de jacht!”
-</p>
-<p>De jacht!… Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat men uitgetogen
-was.
-</p>
-<p>In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen, gekamd, geschuierd.…
-zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de binnenlanden van Java plaats kan
-hebben, wanneer Europeanen in eene passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één
-waschtoestel aanwezig en daarvan was de kom niet meer <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>dan een scherf. Hoe zich de jagers behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren
-er die de methode van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen
-Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden, door een flinken
-teug water in den mond te nemen, dat in de saamgehouden handen te spuiten, en zich
-<span class="corr" id="xd30e5783" title="Bron: daarmêe">daarmeê</span> het aangezicht te verfrisschen.
-</p>
-<p>Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door Diogenes van Sinope,
-den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n afkeer van omslag had.
-</p>
-<p>Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die verstrooiing voor
-zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken.
-</p>
-<p>Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke bevolking op
-de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner zich tegen de morgenlucht met
-zijn sarong trachtte te dekken, door dat kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders
-heen te trekken. Allen hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken
-rechtop hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet ongelijk
-aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige gedeelten van het vaderland,
-voorheen de vreedzame bewoners den slaap uit de oogen dreven, onder voorwendsel over
-hunne rust te waken. De maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien
-de lezers wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die evenwel,
-zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen hadden, en aan Darwin’s stelling
-eigenaardig veel kracht bijzett’en.
-</p>
-<p>„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd.
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen.
-</p>
-<p>„Zijn zij reeds afgedeeld?”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa omtrekken. Het tweede
-gedeelte moet zich langs den westkant over den nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden,
-terwijl het derde gedeelte het ravijn intrekt.”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean!… tapeh …” (maar)
-</p>
-<p>„Tapeh wat?” vroeg de <span class="corr" id="xd30e5798" title="Bron: kontroleur">controleur</span> de aarzeling van het dèsahoofd opmerkende.
-<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p>
-<p>„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang ontsnappen?”
-</p>
-<p>„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit dien kant en ook
-nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken? Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen.
-Wij gaan dadelijk te paard stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten,
-waar alle varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten komen.
-Luister nu goed, loerah.”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben, zullen wij een
-schot lossen.”
-</p>
-<p>„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?”
-</p>
-<p>„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah<span class="corr" id="xd30e5809" title="Niet in bron">.</span> Weet ge wat? Wij zullen nu afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken,
-evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de djagoengvelden omgeven
-hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel, dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs
-vrij blijft.”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den eerbiedvollen loerah.
-</p>
-<p>Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de ruiters den weg
-naar Banjoe Pahit insloegen.
-</p>
-<p>Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen onder die omstandigheden
-te eerder geboden werd, daar de weg aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet
-zeer breed was; zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding
-kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te ontwikkelen, eerst
-schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel, dat bij den horizon waargenomen
-werd. Die streep werd langzamerhand breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna
-purper, eindelijk vurig op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren,
-die in het zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken.
-</p>
-<p>De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan Kaligaweh, dat eigenlijk
-tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men er op los; terwijl de dagende streep
-al breeder en breeder werd, en de ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden
-opmerken, die door het rijzende licht veroorzaakt <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>werden. Naarmate de dag vorderde, kon men de paarden den teugel meer vieren, die dan
-ook weldra in stevigen draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk
-zij bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden.
-</p>
-<p>Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar stegen zij
-van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers van Banjoe Pahit, die
-men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook Mokesuep aangesloten had, overgenomen en
-naar huis geleid werden. Het was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er
-nog donkerblauw uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van
-den dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken en boomen,
-die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten, kweelden en floten eene
-menigte vogels, die zoo hun lofgezang den Schepper brachten. De bladeren, de takken,
-de twijgen, de bloemen, de grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes
-overdekt, die in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen uitzien.
-</p>
-<p>Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het nog prachtiger
-van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk
-leven ontwaard werd.
-</p>
-<p>„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de controleur.
-</p>
-<p>En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken bamboe geklopt,
-werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in de natuur, die trouwens in
-dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst
-heel verwijderd zich liet hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat
-zelfs Van Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde,
-en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het gezelschap, die hun
-wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te schieten.
-</p>
-<p>„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders gebeuren er
-nog ongelukken met die vuurwapenen.”
-</p>
-<p>„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis.
-<span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span></p>
-<p>„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden.
-</p>
-<p>„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de controleur.
-</p>
-<p>Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil voetpad, dat te
-midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden slingerde, terwijl vlak naast dat
-pad, de beek Banjoe Pahit hare afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding
-begon, om van trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te
-vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op den bodem liet
-ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of een stortvloed te vormen,
-om elders tusschen rotsblokken en onder struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar
-ginds klaterend en <span class="corr" id="xd30e5832" title="Bron: vrolijk">vroolijk</span> weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten.
-</p>
-<p>Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare schilderachtigheid
-het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de helling afgedaald was, weken
-de rotswanden, die tot nu den ingang nauw omsloten en tot eene spleet vervormd hadden,
-trechtervormig achteruit, terwijl zij statig en fier omhoog rezen.
-</p>
-<p>Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren de sporen zichtbaar,
-dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was. De dooreen geworpen rotsblokken,
-de akelig verwrongen boomstammen, wier bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras
-en verdroogde takken torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden
-genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot, en de krachten
-van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe Pahit hier in woeste golven,
-in driftige stroomen en tegenstroomingen, in vreeselijke kolken hotste, klotste en
-woelde, huilde en loeide, en dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn
-te bevinden.
-</p>
-<p>Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het spektakel der
-drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer verwijderd mocht heeten. Geen enkel
-opgejaagd stuk wild had zich nog vertoond.
-</p>
-<p>„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „ik dacht, dat wij dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen
-ons de tjellengs, als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?”
-<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p>
-<p>„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal schier loodrechte
-wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op kunnen. Slechts op een paar plaatsen
-zijn die wanden minder steil en derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe
-Pahit en van Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten
-behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de benedenzijde drijven
-de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de varkens naar het ravijn toe, die
-er te eerder een toevlucht in zoeken zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats
-is.”
-</p>
-<p>„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel plaats om kiekeboe
-te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij hier tot den dag des oordeels staan
-wachten.”
-</p>
-<p>„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach, „wanneer de drijfjagers
-met hunne ratels het ravijn niet van den benedenkant binnendrongen, om het wild naar
-ons toe te jagen. Dat zult ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel
-maken! Het is of zij bezeten zijn!”
-</p>
-<p>En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en flegmatiek
-in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig wezen. Hij gilt, hij schreeuwt,
-hij fluit, hij sist, hij kraait, roept en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles,
-wat hij in de hand heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen,
-op steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij zou op
-den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette. En dat alles, om
-het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor het wild, dat zoo heel mak niet
-is, vrees aan te jagen, en den kant uit te drijven, werwaarts men wenscht, dat het
-vlucht.
-</p>
-<p>„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen wij aan den
-Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh, zich in de Banjoe Pahit stort,
-en waar die te zamen door een vernauwing van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde
-gedeelte, dat slechts een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en
-door loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om het <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.”
-</p>
-<p>„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het schijnt hier wel
-een voorspel van de verwoesting van het heelal.”
-</p>
-<p>En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande, torenden steil
-hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok in de helling was blijven liggen,
-waarop wat teelaarde neergekomen was, en zoo een groen eilandje in die steenenmassa
-schiep. De rotsblokken, die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig
-te noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden kerbo, en
-de Oering aring<a class="noteRef" id="xd30e5856src" href="#xd30e5856">2</a> en slingerplanten als de Oeweh lilin<a class="noteRef" id="xd30e5860src" href="#xd30e5860">3</a> met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke knoestige stammen
-van den Djatie doerie<a class="noteRef" id="xd30e5865src" href="#xd30e5865">4</a> en van den Siwallan<a class="noteRef" id="xd30e5870src" href="#xd30e5870">5</a> staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden, door dat zij
-tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de bergstroom bij bandjir
-er tegen en tusschen door gesleurd had, de moeielijkheden van dat terrein.
-</p>
-<p>„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal hier met Van
-Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post vatten. Gaat gij, Leendert met
-August, boven op die rots, die daar rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits,
-daar op die afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt
-gij den ingang met uw vuur bestrijken, en … zijt gij inderdaad zulke goede schutters,
-als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele tjelleng den dood ontkomen. Maar,
-haast u; want hoort het spektakel eens naderen.”
-</p>
-<p>En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>meer duidelijk. Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk
-naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren.
-</p>
-<p>Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker aangewezen
-was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige aanmerking over die samenkoppeling
-met dien hem niet sympathieken persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers
-zich naar de hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het
-wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog, gekozen waren.
-De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren, zoodat geen gevaar bestond,
-dat zij ongelukken konden aanrichten; terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé
-voor allen zichtbaar was, en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een
-aanval der dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren.
-</p>
-<p>Maar … men tuurde, tuurde … en, hoewel de zool van dien uitgang slechts met eenige
-dwergachtige struiken, te klein om een varken te kunnen maskeeren, en met nog korter
-gras bedekt was, werd van het wild niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden
-vrij lang voor de ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders
-bij zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan een standbeeld
-gelijk.
-</p>
-<p>„Ik zie niets komen!” riep August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden den controleur toe, waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond
-had gebracht. „Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben gemaakt,
-en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.”
-</p>
-<p>„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien het lange
-wachten nog onaangenamer viel dan de anderen.
-</p>
-<p>Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die naast hem met
-het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets mogelijk was?
-</p>
-<p>„Bolèh …, tapeh … brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan … maar … misschien is
-het zoo niet geschied.) was het bedachtzame antwoord van het <span class="corr" id="xd30e5890" title="Bron: distriktshoofd">districtshoofd</span>.
-</p>
-<p>Men wachtte … wachtte … Het geraas der drijfjagers naderde al meer en meer, en werd
-duidelijker en duidelijker. <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>Als dat nog zoo eenige minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar <span class="corr" id="xd30e5897" title="Bron: bijken">blijken</span>, dat het ravijn leeg was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot
-bij de kloof genaderd zijn.
-</p>
-<p>Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers elkander toeriepen,
-maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van geene onwelwillendheid getuigden. Alleen
-Mokesuep, zijne geaardheid getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige
-stem uit te roepen.
-</p>
-<p>„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten zullen, controleur!”
-</p>
-<p>„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet jij altijd
-hatelijkheden debiteeren?”
-</p>
-<p>„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te vervelen.… Men inviteert
-de menschen niet op eene varkensjacht, als er geene varkens zijn.”
-</p>
-<p>„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan Verstork het
-helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?”
-</p>
-<p>„Het zou.…”
-</p>
-<p>Pang!… pang!… pang! barstte het geweervuur los, en brak de hatelijkheden van den fiscalen
-ambtenaar af. Het waren Verstork, Van Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang
-der kloof geposteerd waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien
-naderen, hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden. Voor
-de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het geratel en het gegil
-der drijvers verdubbelde als het ware bij het vernemen der schoten, en overstemde
-ieder ander geluid. Zonder dat had men het geknor en het gegrom der aankomende bende
-moeten hooren, en zou daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de
-uitkomst der jacht gemaakt zijn.
-</p>
-<p>Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste tjellengs, drie mannetjes,
-waarvan een kolossaal groote, getroffen en neergestort. Dat deed <span class="corr" id="xd30e5910" title="Bron: d">de</span> geheele aanstormende bende feitelijk stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk
-schreeuwden, spartelden en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten,
-den nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>Dat was slechts eene korte verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend
-spectakel al meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven
-de voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der gevallenen voorwaarts.
-Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven en de geweren weer „vaardig” had,
-èn de rechts en links geplaatste schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog
-te krijgen, heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin
-schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van verwarring,
-dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver of deden nog eenige passen,
-om elders neer te storten.
-</p>
-<p>De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij baan te maken.
-Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen, en waren niet het minst verbitterd
-tegen de gevallenen, die den weg versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de
-verwoedheid hunner geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend
-de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds de voorsten
-en maakte den slagboom in de nauwe engte nog onoverkomelijker.
-</p>
-<p>Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de achter-opdringende tjellengs
-de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die onder de wisse schoten der uitmuntende
-vuurwapenen in niet onervaren handen noodlottig getroffen werden.
-</p>
-<p>„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van Nerekool aan Verstork.
-</p>
-<p>„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de instructies houden,
-die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets verder een elleboog, zoodat alle
-onze projectielen, die niet raken of door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan,
-in den rotswand een ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.… de drijvers
-hebben volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt. Die
-zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij te komen, en zoo
-aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen te worden, bloot te staan.”
-</p>
-<p>Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>het vuur onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde de
-grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te geraken, steeds
-velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de verwarring ten toppunt gevoerd.
-Eindelijk, na een poos in de grootste radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij
-het geweervuur nieuwe offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer
-waren, en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling zwijgen
-der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn weer in, waaruit zij getracht
-hadden te ontvluchten.
-<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e5720">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5720src">1</a></span> <i>Vierbekkige palita.</i> In het meerendeel der dèsa’s van Java’s binnenlanden, waar de petroleum-verlichting
-nog niet is doorgedrongen, wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de
-toeken, waarin in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5720src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5856">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5856src">2</a></span> <i>Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring</i> zijn heestergewassen, die op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen
-bodem werden aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt
-Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn zeer welriekend.
-De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde genoemde Eclypta erecta.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5856src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5860">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5860src">3</a></span> <i lang="ms">Oeweh lilin</i> is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5860src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5865">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5865src">4</a></span> <i lang="ms">Djatie doeri.</i> Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona Grandis.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5865src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e5870">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5870src">5</a></span> <i>Siwallan</i> is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger wordt dan 20 voet. Hij wordt
-door de geleerden Borassus flabelliformis geheeten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5870src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e779">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XVIII.</h2>
-<h2 class="main">De onschuld ten val.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!”
-</p>
-<p>Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch gevreesd, dat
-de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een gevecht met de sabelbajonet
-niet onmogelijk geweest. Angstig had hij toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen
-tegen den steilen rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen
-hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels waren zelfs
-over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen; maar hadden gelukkig niemand
-der daarachter opgestelde Javanen gedeerd. Het eigenaardig fluiten der projectielen
-uit zijne buks had dezen evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat
-te vroeg de drijfjacht en hun <span class="corr" id="xd30e5932" title="Bron: spektafel">spektakel</span> gestaakt hadden.
-</p>
-<p>„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in de wieg gelegd
-werdt om een Nimrod te worden.”
-</p>
-<p>„Het is beter zoo …” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van angst waren.
-</p>
-<p>„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom, vooruit! Zij vluchten,
-wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!”
-</p>
-<p>Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien afloop. Op den
-kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het geweer in de hand de kloof
-<span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam achter. Wel poogde de wedono hem <span class="corr" id="xd30e5942" title="Bron: mêe">meê</span> te troonen met het aanmoedigend: „lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte
-een afwijzend gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog verloren
-had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den schouder, en sloeg het pad
-naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde:
-</p>
-<p>„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd! Neen, ik wil
-zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok van Verstork kan krijgen.
-Een aardig bekje!… dat vrouwtje!… Een slimmert, die controleur!… Als ik hem eens onder
-zijn duiven kon schieten!…”
-</p>
-<p>Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den boveningang van
-den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim vergezicht over de terrasgewijs
-oploopende sawahvelden, die met hunne bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels
-in de zon glinsterden. Het was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom
-zich, maar niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen weinig
-gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst over de eenzaamheid,
-waarin hij zich na al het spektakel van straks bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw
-en gegil in de verte, waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde
-zich al meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke stilte,
-die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd gevoel van verlangen,
-om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van angst, dat hij Inlanders ontmoeten
-kon. Hij had toch zooveel van „ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden
-van sommige streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het geweer
-gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe was hij van te lafhartigen
-aard.
-</p>
-<p>Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij den voetrand
-eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was, maar zich nog bij het bergstelsel,
-dat den Djoerang Pringapoes vormde, aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut,
-die in de struiken der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag,
-en, in welker nabijheid een paar buffels langs <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>het pad liepen te grazen. Hij zag nog verder rondom zich, en ziet, daar … op het pad,
-hetwelk uit het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden slingerde,
-zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te begeven. Hij keek scherp uit.
-Het was een vrouwelijk wezen, dat was buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover
-eene vrouw, en dan nog wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij
-zou haar inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan zoo
-gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan.
-</p>
-<p>De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s, waarboven hare
-omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten afspiegelden.
-</p>
-<p>„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos uitgekeken te hebben.
-„Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene zeer aangename wandeling zijn.”
-</p>
-<p>Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want dat was het,—een
-zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de sawah-terrassen afdaalde en
-naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde hem teleur, en hij was op het punt om
-het lieve kind toe te roepen, toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje
-wenkte.
-</p>
-<p>„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat komt die hier
-doen?”
-</p>
-<p>Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg stonden.
-</p>
-<p>Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te voren Kaligaweh
-hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen hut te begeven. Nogmaals wenkte
-deze, en riep, toen dat gebaar onopgemerkt bleef:
-</p>
-<p>„Dalima!”
-</p>
-<p>Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve kleine baboe van
-de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik stil, hoewel hare wezenstrekken
-onverholen angst uitdrukten, bij het ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend
-was. Maar dat stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij
-met rappen voet voortmaken.
-</p>
-<p>„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?”
-<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p>
-<p>„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd.
-</p>
-<p>„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe.
-</p>
-<p>„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl zij voortijlde.
-</p>
-<p>„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.”
-</p>
-<p>„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom heb ik zoo’n
-haast.”
-</p>
-<p>„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.”
-</p>
-<p>Het meisje stond eensklaps stil.
-</p>
-<p>„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?”
-</p>
-<p>„Neen … veel erger.”
-</p>
-<p>„Bij Allah! wat is er dan?”
-</p>
-<p>„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet uitschreeuwen
-kan.”
-</p>
-<p>Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen zat, rakelings
-voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, droeg een gebloemde sarong om
-het middel, was verder met een baadje van licht rooskleurig katoen getooid, terwijl
-over haren schouder een ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels,
-aan een der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” (haarwrong)
-droeg zij een dubbelde melati-bloem,<a class="noteRef" id="xd30e5977src" href="#xd30e5977">1</a> die daar te midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat
-vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, hoewel niet koud,
-toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het zachte brons harer wangen paarde.
-</p>
-<p>Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den verscholen fiscalen
-ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen wel eenig gevoel voor het schoone;
-hoewel dat dan meestal booze neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige
-ontwerpen aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen met
-Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de tegenwoordigheid van Singomengolo
-voldoende, om hem te noodzaken zich schuil te houden.
-</p>
-<p>Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal:
-</p>
-<p>„Wat is er dan?”
-<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p>
-<p>„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen, waarom uw vader
-gevangen is genomen.”
-</p>
-<p>Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich, dat het uit wanhoop
-was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld mededeelde. Maar eensklaps draaide het
-Javaansche meisje zich om, en wilde heenvluchten.
-</p>
-<p>Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van hartstocht glinsterende
-oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij keerde om en ijlde heen; maar nog had
-zij geen tien passen afgelegd, of Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar
-ingehaald. Hij greep haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken.
-Het meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte naar haren
-belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen omkneld hielden. In één
-woord, zij stelde zich te weer als eene wilde kat, en was vast besloten, zich tot
-het uiterste te verdedigen. Inmiddels had zij hoop, dat haar <span class="corr" id="xd30e5994" title="Bron: hulpgeschreuw">hulpgeschreeuw</span> gehoord zou worden. Zij had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare
-kruiste.
-</p>
-<p>Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie weet, waartoe
-hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel van <span class="corr" id="xd30e5999" title="Bron: mêewarigheid">meêwarigheid</span> of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op … Ja, waarop? In het brein van zulke wezens
-ontkiemen de onedelste gedachten, even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen
-bodem. Maar,… ook hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim
-Ho ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te houden, om
-van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken. Lim Ho’s vader was toch
-onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen zoon gold, op geen papiertje van duizend
-gulden zien. Arme Dalima! Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk
-haar: „<span lang="ms">toeloeng! toeloeng!</span>” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling, die haar helpen kon, hield zich schuil,
-zag de worsteling met een cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer
-vormen, die bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met welgevallen
-gedetailleerd werden.
-<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span></p>
-<p>Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en <span class="corr" id="xd30e6008" title="Bron: Singo mengolo">Singomengolo</span> er aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te hulp. Deze
-kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en zoo verder dragen. Toen
-hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in het oor kreeg, werd de ellendeling
-woedend; hij greep haren kondeh, die reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt
-was, en zich nu geheel ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte
-nu, terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje binnen de
-hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „<span lang="ms">toeloeng!.… toeloeng, toean!</span>” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de verte klonken geweerschoten,
-evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje die ook in de hitte van den strijd vernomen,
-zij wel begrijpen moest, hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat
-de hulp, wanneer die opdaagde, te laat zou komen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek?
-</p>
-<p>De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in de dèsa Kaligaweh
-uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut begeven, en den bewoner daarvan
-naar Santjoemeh gezonden had. Deze laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij
-moest eerst een briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het
-residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader plotseling bedenkelijk
-ziek was geworden, en hij haar nog voor het laatst wenschte te zien. De boodschapper,
-een slimme kerel, steeg op een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden,
-die met hunne stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen.
-Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah Lim Yang Bing
-stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar ondervond hij geen oponthoud. Lim
-Ho lag behagelijk op eene weelderige rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche
-pijpenroer in den mond, met een kommetje „tjoe”<a class="noteRef" id="xd30e6019src" href="#xd30e6019">2</a> <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>op een knaapje bij zich, en luisterde met een soort verrukking naar een paar zijner
-bedienden, zonen van het Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen
-op een stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en aan
-dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet alleen een Vieuxtemps
-of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de buurt, die anders op het gebied van
-muzikalisch gevoel niet zeer kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven
-hebben. Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, greep
-het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die een ervaren telegraaf-correspondent
-alle eer zouden aangedaan hebben:
-</p>
-<p>„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier zijn om zeven
-uur in den ochtend).
-</p>
-<p>De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den boodschapper welk weer
-het was.
-</p>
-<p>„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord.
-</p>
-<p>Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de aanbeveling
-zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te komen berichten. Daarna
-deed hij zijn paard zadelen en wachtte.
-</p>
-<p>In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk zich van zijnen
-last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne gade met nog ettelijke gasten
-rondom de speeltafeltjes; maar de dochter des huizes, de lieve Anna, was reeds naar
-haar slaapvertrek gegaan, en had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten.
-De boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der bedienden,
-dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken.
-</p>
-<p>Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was. Zij vloog
-de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer meesteres, die gelukkig
-nog niet te bed was.
-</p>
-<p>„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen Anna de deur
-opengemaakt had.
-</p>
-<p>„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje, die de ontsteltenis
-van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren.
-</p>
-<p>De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>was aangekomen, en haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht
-zijne oudste dochter nogmaals te zien.
-</p>
-<p>„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan!
-</p>
-<p>„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?”
-</p>
-<p>En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond, vervolgde zij.
-</p>
-<p>„Bijna middernacht!… Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo ver durven gaan?”
-</p>
-<p>„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad inslaan. Daarop
-ontmoet ik geen mensch.”
-</p>
-<p>„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een tijger of een tjelleng
-tegenkomen.”
-</p>
-<p>„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van gehoord hebben.
-En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien niet aanvalt, gaat hij voor een
-mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.”
-</p>
-<p>„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?”
-</p>
-<p>„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama vragen.”
-</p>
-<p>„Zij doet het toch niet.”
-</p>
-<p>„Waarom niet?”
-</p>
-<p>„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk zal overkomen.
-Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?”
-</p>
-<p>„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat geeft mij moed.
-Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol „pontianaks,” (spoken) al ware er achter
-iederen boom een. En toch ben ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana,
-ik smeek u, vraag uwe mama!”
-</p>
-<p>„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.”
-</p>
-<p>Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt had, en waarop
-zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze gekruiste beenen plaats genomen
-had, en stak de reeds ontbloote voetjes in de snoeperige slofjes, die achteloos ter
-neer geworpen waren. Het lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even:
-zij trok snel een rijk gefestonneerden <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>peignoir aan, bond zich met vlugge en bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar
-in een dikken wrong tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de
-spelers nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het lieve kind
-willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek in; maar beval, dat baboe
-Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden
-dag zou moeten afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op
-de hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging. Zij vond het
-zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij zooveel van hare ouders hield.
-Een honigzoete glimlach teekende zich op haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak,
-en niemand, en wel het allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken
-afgrond die woorden en glimlach verborgen.
-</p>
-<p>Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in de goedheid
-haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer nachtrust, om de baboe bij haar
-naaiwerk te helpen. Met het stellen van dien eisch had de schoone Laurentia beoogd,
-dat Dalima niet in het holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de
-<span class="corr" id="xd30e6060" title="Bron: nootlottige">noodlottige</span> hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was het de baboe mogelijk om
-zoo omstreeks drie uren den tocht te aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige
-meesteres gewisseld te hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door,
-en verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij bevond zich
-toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door de sawahs naar Kaligaweh
-voerde. De maan stond helder aan den hemel. Moedig en vastberaden stapte zij voort,
-en had weldra Santjoemeh uit het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig
-gevaar haar brein kwelde, of haar hart verontrustte.
-</p>
-<p>Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de lieve baboe
-de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar vader zou verkeeren,—de
-lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere ramp trof,—vernomen had.
-</p>
-<p>„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „gij zult wel <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>moede zijn en niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?”
-</p>
-<p>„Engèh, babah,” was het antwoord<span class="corr" id="xd30e6072" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan kunt ge uitrusten.
-Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.”
-</p>
-<p>Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge.
-</p>
-<p>„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En overluid vroeg
-hij natuurlijk in zijn landtaal:
-</p>
-<p>„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?”
-</p>
-<p>Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij op, zette een
-soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan een Schotsch hoofddeksel
-was, greep eene karwats, trad naar buiten, en wipte in het zadel.
-</p>
-<p>„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan.
-</p>
-<p>En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende bedienden verdwenen.
-</p>
-<p>Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan het voetpad,
-hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door zoo vroeg te vertrekken,
-zou hij reeds dadelijk een grooten <span class="corr" id="xd30e6085" title="Bron: voorspong">voorsprong</span> op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar haren vader
-te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben, en meende integendeel, dat
-zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn paard, een bastaard-Perziaan was echter een
-uitmuntende klepper, die hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen.
-</p>
-<p>Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar <span class="corr" id="xd30e6090" title="Bron: Singomengelo">Singomengolo</span> hem wachtte.
-</p>
-<p>Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen moest, waarbij
-Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van Dalima. Onder dat gekout
-brak eindelijk de dag aan, en was weldra zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij
-was, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep
-vernomen werd, alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop
-hij naast den opiumjager gehurkt zat.
-<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p>
-<p>„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld.
-</p>
-<p>„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe Pahit heeft
-eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de dèsalieden van die plaats en van
-Kaligaweh de drijfjacht.”
-</p>
-<p>„Hoe weet gij dat?”
-</p>
-<p>„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean controleur met zijn
-gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor de jacht kwamen nemen.”
-</p>
-<p>„Te Kaligaweh?…”
-</p>
-<p>„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te betrappen,”
-antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach.
-</p>
-<p>„Dat’s waar ook.”
-</p>
-<p>Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke toch den vader
-van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem geheel en al ontgaan was.
-</p>
-<p>„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder.
-</p>
-<p>„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!”
-</p>
-<p>„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de vader van Dalima
-is voor ettelijke weken goed verzorgd.”
-</p>
-<p>„O, langer als voor enkele weken!”
-</p>
-<p>„Langer? Is er dan iets gebeurd?”
-</p>
-<p>„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang neêrgestooten,
-en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik was er ook om koud. Maar
-ik poetste hem bij tijds.”
-</p>
-<p>Lim Ho wreef zich de handen.
-</p>
-<p>„Zoodat.…” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet opgehangen wordt,
-wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld worden.”
-</p>
-<p>„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen wrijvende. „Maar … wat
-is dat?”
-</p>
-<p>Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was begonnen.
-</p>
-<p>„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op tjellengs schieten.
-Dat Allah hunne jacht zegene!”
-</p>
-<p>„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet ver hier van
-daan.”
-</p>
-<p>„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>dat zij aan andere beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar
-in de nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat ze op
-hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de hand is meer te vreezen,
-en ook gevaarlijker dan met een geweer gewapend.”
-</p>
-<p>Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te luisteren. De tijd
-vloog heen.
-</p>
-<p>„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig.
-</p>
-<p>„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen. Dat kan niemand
-anders zijn dan zij.”
-</p>
-<p>„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu is alles verloren!”
-</p>
-<p>Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden, toen hij zag,
-dat de Chinees waarheid sprak.
-</p>
-<p>Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat zijn kon. Dien
-toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh gezien. Het was toch een jager,
-want hij had een geweer in de hand, en kwam van den kant van het ravijn en volgde
-het pad, dat langs de hut voerde.… En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich
-met Dalima kruisen!… Het was om des duivels te worden!… Alle maatregelen waren zoo
-goed genomen!.… En.… nu.… door dien ellendige!.…
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar.….” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „<span lang="ms">toean kapala tikoes</span>”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de baboe maar roepen.
-Ik zal het wel met den blanke afmaken.”
-</p>
-<p>Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van Santjoemeh Muizenkop
-geheeten werd, welken naam door grappenmakers in „<span lang="ms">kapala tikoes</span>” (<span lang="ms">kapala</span> = hoofd en <span lang="ms">tikoes</span> = muis) vertaald was. Nu herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep
-dat hunne snoode plannen niet veel gevaar liepen. „<span lang="ms">Perkara oeang sadja</span>,” (eene geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees.
-</p>
-<p>Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde inslaan, trad
-de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den blanke zich ijlings achter
-de struiken verschuilen. Op dat gezicht waren de <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag het aanvankelijk verloop,
-dat de lezer kent.
-</p>
-<p>Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op het lieve meisje
-als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel door het verschijnen van Lim Ho
-op de plaats der worsteling geheel verstikt.
-</p>
-<p>Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de struiken en prevelde:
-</p>
-<p>„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar af te wijzen.”
-</p>
-<p>Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput als het arme
-meisje was, met hare krachten weg.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng!… Toeloeng, toean! toeloeng!</span>” was de laatste schelle kreet, die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander
-antwoord kwam daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte.
-<span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e5977">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5977src">1</a></span> <i>Melati bloem.</i> Zie de aanteekening <a href="#n89.1">No. 1</a> op bladz. 89 hiervoren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e5977src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6019">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6019src">2</a></span> <i>Tjoe</i> is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De Bataviasche tjoe heeft onder
-hen een zeer gunstigen naam.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6019src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e789">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XIX.</h2>
-<h2 class="main">„<span lang="ms">Toeloeng! Toeloeng, toean!</span>”</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord geworden. Te laat,
-helaas evenwel om redding aan te brengen.
-</p>
-<p>Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de vluchtende tjellengs
-in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang, een vijftienhonderd meters hoogstens.
-Hare zool echter was uiterst bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali
-Banjoe Pahit voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van donkergrauwen
-trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig meters schier loodrecht verhieven.
-</p>
-<p>De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw der wilde
-varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de rotsen buitelden en tuimelden,
-in het riviertje een toevlucht zochten, maar daarin door de woest voortschietende
-wateren medegevoerd en onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht
-werden. Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van de kloof
-het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de achterwaartsche beweging der tjellengs
-hun spektakel hervat hadden, en van den anderen kant het moorddadige geweervuur der
-Europeanen, dat onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring
-stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en gegil hen bij ondervinding
-minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden ettelijke der dèsabewoners, toen de drom
-in de nabijheid <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>kwam, zich ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het
-meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg geheel en al op
-de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische
-kogel van de hedendaagsche draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit
-bij het afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te jagen.
-In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de aanrennende zwijnenschaar
-als de nevel voor de morgenzon verdwenen. Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken
-geklommen; het andere was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had
-zich achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden der tjellengs
-bereiken konden.
-</p>
-<p>De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die den doorbraak
-der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte was in de kloof onder de
-kogels der Europeesche schutters gevallen. Het was eene ware slachting, die daar plaats
-gehad had. Een vijftiental lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs,
-die met een kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun
-heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden<a class="noteRef" id="xd30e6180src" href="#xd30e6180">1</a>.
-</p>
-<p>„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken goeden uitslag
-van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen enkele van dat schadelijk
-gedierte ontsnapt!”
-</p>
-<p>Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd.
-</p>
-<p>Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen achterna. Wel<span id="xd30e6188"></span> werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een slachtoffer viel; maar de varkens
-waren vlugger ter been, en nu de insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig
-in de schier onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen geworpen
-boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn overdekt was, uit het
-oog verdwenen. <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>De jagers spanden alle krachten in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid
-en de lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die de vervolging
-niet had moeten opgeven.
-</p>
-<p>Opgeven?… Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers daar met gescheurde
-kleedingstukken, met verwonde handen door de doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop,
-hijgende naar hun adem. Op het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand
-te zamen.
-</p>
-<p>„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur.
-</p>
-<p>„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn.
-</p>
-<p>Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte gaven te kennen,
-dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven hadden.
-</p>
-<p>„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er gebeuren kan,
-en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting hebben die schoten weerklonken?”
-</p>
-<p>Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er handen genoeg
-geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos aangewezen zijn.
-</p>
-<p>„Daar!”
-</p>
-<p>„Neen, daar!”
-</p>
-<p>„Gij vergist u, het was daar!”
-</p>
-<p>„Mis! het was in die richting!”
-</p>
-<p>„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op gelet, dat
-ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij verrast. Wij zullen wat
-wachten; er zullen nog wel schoten vallen.”
-</p>
-<p>„Dat ’s juist goed,” antwoordde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „dan kunnen wij wat rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.”
-</p>
-<p>Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk andermaal een schot,
-dat een poos later door een tweede gevolgd werd. Dat geknal klonk verder verwijderd
-dan straks; maar de richting was thans behoorlijk waargenomen.
-</p>
-<p>„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer opnam.
-</p>
-<p>„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden. „Drommels, ik ben nog
-zoo moe!”
-<span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span></p>
-<p>„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een gladden Komessoe<a class="noteRef" id="xd30e6217src" href="#xd30e6217">2</a> wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden ontdekken.”
-</p>
-<p>Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk boven. Bij
-het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te werk. Hij omvatte<span id="xd30e6226"></span> den slanken boom met beide handen en steunde met de voeten tegen den stam. Zoo kon
-hij afwisselend handen en voeten verzetten, en was dan ook vlug in de kruin.
-</p>
-<p>„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork.
-</p>
-<p>„Nog niet, Kandjeng toean.… maar wacht!.… ja, daar ginds zijn ze. Zij klauteren langs
-de helling van het ravijn op en zetten eenige tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.”
-</p>
-<p>„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te halen!”
-</p>
-<p>Inderdaad<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en vervolgden met het ontembaar
-vuur, hetwelk moedige jongelieden kan bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen,
-een troepje wilde varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en
-vier biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als vervolgden
-over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in het riviertje, waarin de
-varkens onder de watervlakte verdwenen, krachtig voortzwommen, en te midden van het
-wielende schuim voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het gezicht,
-terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij vast te staan op den
-moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar, nog voor dat zij het geweer aan
-den schouder gebracht hadden, waren de tjellengs òf onder een overhangend woest daar
-heen geworpen rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de jagers
-de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden.
-</p>
-<p>Zoo ging het een poos voort, <span class="corr" id="xd30e6237" title="Bron: tot dat">totdat</span> de beer op zeker <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>punt zijn gezin tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije
-veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden. Helaas, maar
-ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee vervolgers haar voordeel hernemen.
-Reeds dadelijk bij het bestijgen van de helling, waarbij het troepje een oogenblik
-op het korte gras voor het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een
-der biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de moeder te
-hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te krijgen, het was te vergeefs.
-Voort moest zij, wilde zij niet onder de wisse kogels vallen. Een oogenblik later
-stortte een ander biggetje, thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag.
-Fluks was de moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was,
-op de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk geweest
-te zien<span id="xd30e6242"></span> hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met hare snuit liefderijk maar toch
-krachtig <span class="corr" id="xd30e6244" title="Bron: voorstootte">voortstootte</span>, terwijl zij daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen
-medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den hoofdgroep aangekomen,
-of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn moeder rolden de helling af naar beneden.
-Nog een zielsvol oog voor het jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen
-blik op de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te waarschuwen.
-Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de beide blanken te gemoet. De
-beer gromde vreeselijk, zette zich in postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken
-lippen, waardoor niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels
-uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk daarop, maar
-miste. Toen de <span class="corr" id="xd30e6247" title="Bron: kruiddamp">kruitdamp</span> opgetrokken was, waren beer en het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi
-voor het oog verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en voort
-ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de pogingen<span id="xd30e6251"></span> die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok <span class="corr" id="xd30e6253" title="Bron: vòòr">vóór</span> het wild te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met taaie
-voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>dat eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van een wild
-zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den geschoeiden voet van Europeanen.
-</p>
-<p>Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok van den steilen
-ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar ontwaarden van de vluchtelingen
-geen spoor. Die waren hen voorzeker voor geweest, en thans in het struikgewas van
-de onafzienbare vlakte verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos
-werk zijn. Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige struiken
-op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te bekomen; toen Grenits plotseling
-een schreeuw uitstiet. Hij zag zich aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput,
-daar met zijn jong zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware
-thans bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne soortgenooten
-gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk nauwelijks den tijd, om met
-een sprong uit te wijken en zijn geweer, dat met den riem over den schouder hing,
-in tot verdediging gereede positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek,
-dien hem Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat diens
-rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was, anders zou de jager
-deerlijk door de slagtanden van het woedende dier verwond zijn. Nu evenwel was de
-slag, welke het zwijn door middel van eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht,
-toch nog zoo hevig dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot
-gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer zich op hem gestort
-en, weerloos als de jager was, hem met zijne machtige slagtanden den buik opengereten
-hebben. Grimmig en met <span class="corr" id="xd30e6260" title="Bron: blood">bloed</span> beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde reeds in zijn
-aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en wachtte met dichtgeknepen
-oogen den noodlottigen schok af; toen op eenmaal de tjelleng een gebrul van woede
-uitstiet en front naar een anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde
-toch in zijn werk was gegaan, zoo had Leendert <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>Grashuis evenwel tijd gehad om snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven
-en zijne bajonet in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover
-de strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer kans zou
-gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De minuten, ja de seconden waren
-goud waard. Theodoor lag reeds op den grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping
-kon niet uitblijven. Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe,
-die wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad afschampte.
-Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen aanvaller, wilde hem een
-slag met de vooruitstekende tanden toebrengen, maar die werd behendig op de bajonet
-opgevangen. Door den schok als eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot
-bij de geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert er aan,
-om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan inziende haalde hij
-snel den trekker over, zoodat het dier de losbrandende lading met den kogel door den
-kop kreeg. Het sprong met reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit
-de handen gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen stuiptrekkend
-neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd volstreden.
-</p>
-<p>Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen een oogenblik
-aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat zij nog geen volkomen
-besef van het gebeurde en van de uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat
-er gebeurd was; en toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk.
-En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden was het gevaar
-groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest.
-</p>
-<p>Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke menschelijke natuur
-hare rechten. De vervolging van het wild, de beklimming van den steilen ravijnwand,
-het dadelijk daarop gevolgde gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden
-zoodanig uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op den
-bodem vielen, om tot verademing <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>te komen. Zij konden zoo omstreeks een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits
-het laatst overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren. Zonder
-op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner achterlaadbuks, bracht
-het wapen aan den schouder en vuurde af in de richting, waar het varkentje onder de
-struiken verdwenen was. De echo weerkaatste statig den knal van het schot, dat door
-de nabijheid van het rotsachtige ravijn als de donder rolde.… Machtig als de geest
-des onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam, zachter
-vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte rommeling wegstierf. Nog
-was het geluid waarneembaar, toen Grashuis zich plotseling, als door eene machtige
-veer bewogen, op zijn ellebogen ophief.
-</p>
-<p>„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem kenmerkte.
-</p>
-<p>„Wat?… Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.”
-</p>
-<p>„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde roepen … Hoor!…”
-</p>
-<p>En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng!… Toeloeng, toean!</span>”
-</p>
-<p>„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span><span class="corr" id="xd30e6285" title="Bron: ’,">”</span> klonk het weer.
-</p>
-<p>„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor …<span id="xd30e6290"></span>”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span>”
-</p>
-<p>„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg … en in het ravijn …
-En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder op.
-</p>
-<p>„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen omtrek opnam.
-</p>
-<p>„Ik ook niet, hoe ik al tuur.”
-</p>
-<p>„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water der sawahs doet
-mijne oogen zeer.”
-</p>
-<p>„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan niet anders
-dan van daar komen.”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span>” klonk het.
-</p>
-<p>„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.”
-<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span></p>
-<p>„Maar, welke heeren kan zij roepen?”
-</p>
-<p>„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben niet moê meer!”
-</p>
-<p>Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een blik terug
-in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd waren, en zagen toen, dat
-hunne makkers hen volgden, en gereed waren de helling van den ravijnwand op hunne
-beurt te beklimmen. Grenits schoot zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en
-toen aller oogen naar boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon,
-terwijl hij den arm in de richting van het westen uitstrekte:
-</p>
-<p>„Daar! daar!”
-</p>
-<p>En daarop ijlden beiden voort.
-</p>
-<p>„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van Nerekool.
-</p>
-<p>„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er schijnt iets buitengewoons
-voorgevallen te zijn.”
-</p>
-<p>„Kom! laat ons voortspoeden.”
-</p>
-<p>En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo bezield als
-straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal meer tijd kostte. Toen zij
-boven op den nok waren, zagen zij Grenits en Grashuis, die te midden van de sawahvelden
-voortspoedden. Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers ontwaarde,
-om voort te maken.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span>” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak, dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar
-was. Toch waren de beide Europeanen de hut meer nabij gekomen.
-</p>
-<p>„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende.
-</p>
-<p>„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg Grashuis. „Mij dunkt,
-dat wij ons van het geluid verwijderen.”
-</p>
-<p>Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene vrouwengedaante de
-hut uit, en ijlde op hen toe.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng, toean toean! toeloeng!</span>” kreet zij, terwijl zij aan hunne voeten nederstortte.
-</p>
-<p>Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd, hetwelk met loshangende
-haren, <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>spiernaakt en geheel bebloed aan hunne voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat
-met beide handen bedekte.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng, toean toean! Toeloeng!</span>” kreunde zij.
-</p>
-<p>Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de twee jagers het
-meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te doen. Grenits geërgerd, een
-menschelijk wezen aan zijn voeten te zien, vatte het meisje bij den arm en poogde
-haar overeind te helpen, maar schuchter weerde zij hem af:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Maloe saja!</span>” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare loszwierende haren over haren
-boezem schikte, en zich verder daarin zocht te dekken.
-</p>
-<p>Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op het meisje toe.
-Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar overeind te sleuren.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Adoe!</span> (O wee!)” riep zij uit.
-</p>
-<p>En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toeloeng, toean toean! toeloeng!</span>” smeekte zij zich tot de beide Europeanen wendende.
-</p>
-<p>„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig.
-</p>
-<p>„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij herkende.
-</p>
-<p>„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, <abbr title="anak soendal">a. s.</abbr><a class="noteRef" id="xd30e6368src" href="#xd30e6368">3</a> voort!”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Kassian, toean toean!</span>” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het rampzalige meisje.
-</p>
-<p>„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende.
-</p>
-<p>„Die vrouw loslaten, of … ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits, zijn geweer bij
-den loop opnemende.
-</p>
-<p>Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem achteruit.
-</p>
-<p>„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den heeren berouwen,
-mij gedreigd of aangeraakt te hebben!”
-</p>
-<p>En tot het vrouwelijk wezen:
-<span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span></p>
-<p>„Kom, voort!” sprak hij.
-</p>
-<p>„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem.
-</p>
-<p>En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het hoofd van den
-ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm gegrepen gevoelde, en eene
-stem hoorde fluisteren:
-</p>
-<p>„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den opiumpachter aan te leggen.”
-</p>
-<p>Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak.
-</p>
-<p>„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?”
-</p>
-<p>„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar … anders komt ge in ongelegenheid.”
-</p>
-<p>„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager noodzaken,
-die vrouw los te laten.”
-</p>
-<p>Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch en oploopend
-van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den blanke met een dolkstoot
-beantwoord hebben, ten minste, wanneer een eerste kolfslag hem niet buiten gevecht
-had gesteld. Een oogenblik keek hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide
-blanken op. Toch liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de
-sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de controleur
-van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district bevond. Als het kon, zou zijn
-bruin gelaat verbleekt zijn op dat gezicht.
-</p>
-<p>„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was.
-</p>
-<p>„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde Singomengolo.
-</p>
-<p>„Die vrouw?…”
-</p>
-<p>„Maar,… dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit.
-</p>
-<p>„Dalima?…”
-</p>
-<p>„Ja, Dalima, de baboe van den resident!”
-</p>
-<p>„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s! Misschien
-ook wel zuigflesschen!”
-</p>
-<p>Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de dochter van den
-resident.
-</p>
-<p>Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg.
-</p>
-<p>„Ja,… het is Dalima!… En, die zou opium gesmokkeld <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>hebben?” vroeg hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono gegeven
-te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp, waarin zij zich wikkelde.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Soengoe mattie!</span>” (voorzeker)<a class="noteRef" id="xd30e6416src" href="#xd30e6416">4</a> antwoordde de bandoelan. „Ik heb haar gevisiteerd …”
-</p>
-<p>„En haar de <span class="corr" id="xd30e6429" title="Bron: klêeren">kleêren</span> van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur streng.
-</p>
-<p>„Zij wilde het niet toelaten …”
-</p>
-<p>„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork.
-</p>
-<p>„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette zich. En …
-zie, dat heb ik gevonden.”
-</p>
-<p>Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst had met datgene,
-hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den controleur overgegeven was. Als
-deze het zelf niet verzegeld en naar Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen
-gelooven, dat het hetzelfde was.
-</p>
-<p>„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met nadruk.
-</p>
-<p>„Ja!”
-</p>
-<p>„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond gehurkt. „Ik ben
-in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de gemeenste wijze mishandeld geworden …”
-</p>
-<p>„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork.
-</p>
-<p>„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het residentiehuis komen
-berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb ik èn van de njonja èn van nonna
-Anna verlof gekregen om naar den zieke te mogen gaan.…”
-</p>
-<p>„Verlof van de njonja en?…”
-</p>
-<p>„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Die kunnen dat dus getuigen?”
-</p>
-<p>„Ja, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij zich had.”
-<span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span></p>
-<p>„Wie zijn dat?”
-</p>
-<p>Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de hut binnentreden.
-Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich achteraf te houden, en op het geschikte
-oogenblik de hut binnen te sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde
-de lippen van den Javaan.
-</p>
-<p>„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer) hier.”
-</p>
-<p>„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid zou ik je
-betaald zetten!” zei de controleur vertoornd.
-</p>
-<p>„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in.
-</p>
-<p>„Muizenkop?… Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!… Waar kwam die van daan?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.”
-</p>
-<p>„Maar, waar is hij nu?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.”
-</p>
-<p>„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende:
-</p>
-<p>„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?”
-</p>
-<p>„Lim Ho,” was het antwoord.
-</p>
-<p>„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit. „En, Dalima …
-in dien toestand?… O, nu begrijp ik alles!”
-</p>
-<p>„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en …” snikte het meisje, maar kon niet meer
-voort.
-</p>
-<p>Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere uitdrukking dan „mishandeld”,
-die evenwel niet weer te geven is. Toch aarzelde zij om voort te gaan.
-</p>
-<p>„En?” vroeg de controleur.
-</p>
-<p>„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.”
-</p>
-<p>„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij Singomengolo met
-zijne vuist dreigde.
-</p>
-<p>„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!” antwoordde
-deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken. Die gemeene meid liegt!”
-</p>
-<p>„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima. „Overigens verraadt
-mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld heeft.”
-<span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span></p>
-<p>Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op, waarbij zij hare
-handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid van al die mannen te dekken.
-Van Nerekool hielp haar daarbij, en verzocht een tweede slendang om het meisje in
-te wikkelen.
-</p>
-<p>„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den controleur.
-„Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.”
-</p>
-<p>Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond men Mokesuep,
-die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te rooken. Het oor van dezen laatsten
-was verbonden.
-</p>
-<p>„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te keuren.
-</p>
-<p>„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald, totdat ik deze
-hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats tegen de zonnestralen gezocht
-heb. Foei, wat is het heet in die sawah’s!”
-</p>
-<p>Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten volzin blies de
-aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm gehad had.
-</p>
-<p>„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?”
-</p>
-<p>„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.”
-</p>
-<p>„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.”
-</p>
-<p>„Waarbij?”
-</p>
-<p>„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging Verstork voort.
-</p>
-<p>„Eene misdaad?” vroeg <span class="corr" id="xd30e6487" title="Bron: Mokeseup">Mokesuep</span> verwonderd. „Ik weet van niets.”
-</p>
-<p>„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch verstond, maar
-Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van opium, nietwaar babah?”
-</p>
-<p>De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren <span class="corr" id="xd30e6493" title="Bron: binnen-nengekomen">binnengekomen</span> waren, wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond:
-</p>
-<p>„Niets anders, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den Chinees. En zich
-tot Mokesuep wendende, vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene vreeselijke
-misdaad.”
-<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p>
-<p>Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die bizonderheid vernam.
-De baboe van den resident! Als die machtige zich eens partij voor zijne dienstbare
-stelde. Waarlijk, hij aarzelde …
-</p>
-<p>„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar ongeduldig.
-</p>
-<p>De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne sigaar stond te
-rooken.
-</p>
-<p>„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij.
-</p>
-<p>„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei Singomengolo sarrend.
-„Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah en dat heeft de toean gezien.”
-</p>
-<p>„Is dat waar?” vroeg de controleur.
-</p>
-<p>De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde hij toch het
-meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten. Maar Singomengolo deed een
-schier onmerkbaar teeken.
-</p>
-<p>„Het is waar!” antwoordde Lim Ho.
-</p>
-<p>„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep.
-</p>
-<p>„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord.
-</p>
-<p>„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden heeft?”
-</p>
-<p>De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in ontvangst genomen
-had.
-</p>
-<p>„Ja!” antwoordde de aterling.
-</p>
-<p>Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van verachting niet
-onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het meisje overtuigd.
-</p>
-<p>„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon.
-</p>
-<p>Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar van minachting
-vergezeld ging.
-</p>
-<p>Dat was te veel voor Grenits.
-</p>
-<p>„Daar!… daar!…” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl hij den onmensch
-een, twee klappen om de ooren gaf.
-</p>
-<p>„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u. Maak mij mijne
-taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.”
-<span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e6180">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6180src">1</a></span> <i>Maar den dood niet ontkomen zouden.</i> Een gewond wild sterft in den regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en
-andere insekten, die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6180src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6217">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6217src">2</a></span> <i>Komessoe</i> is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond aangetroffen wordt. In de
-Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt daar soms aangeplant, voor de was, die
-uit de vruchten getrokken wordt en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen
-den boom, die tot de Laurineeën behoort: Cylicodaphne <span class="corr" id="xd30e6220" title="Bron: sibifera">sebifera</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6217src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6368">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6368src">3</a></span> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n44.1">No. 1</a> op bladz. 44 hiervoren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6368src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6416">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6416src">4</a></span> <i lang="ms">Soengoe mattie.</i> <span lang="ms">Soengoe</span> beteekent: zeker en <span lang="ms">mattie</span>: dood. Dus de uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche
-uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te bevestigen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6416src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e798">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XX.</h2>
-<h2 class="main">Aan de rijsttafel.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de pandoppo van
-de controleurswoning te Banjoe Pahit.
-</p>
-<p>De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd!
-</p>
-<p>Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te mengen, had ditmaal
-den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat individu bij hem opwekte. Toen de arme
-Dalima verpleegd, en in eene tandoe onder begeleiding van een <span class="corr" id="xd30e6532" title="Bron: polietie-agent">politie-agent</span> als gevangene naar Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven,
-dat, in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder gewenscht
-was.
-</p>
-<p>„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger zou moeten zijn,
-die het veld ruimde.”
-</p>
-<p>„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige koelte voort;
-„maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen, zult gij mij afdoende ophelderingen
-te geven hebben, hoe het komt, dat gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt
-op het oogenblik, dat dit jonge meisje mishandeld is …”
-</p>
-<p>„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in.
-</p>
-<p>„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij hebben haar naakt
-en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep. Er heeft dus mishandeling plaats
-gehad in de tegenwoordigheid van u, die aanspraak <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal het: zoolang gij mij niet afdoende
-ophelderingen zult gegeven hebben, dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger
-van dat meisje op te werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.”
-</p>
-<p>„Mijnheer Verstork!…”
-</p>
-<p>„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten onrechte op u rust;
-niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u. Ik zal de eerste zijn, om u de hand
-te reiken, wanneer Theodoor Grenits mij dan niet voor zal zijn.
-</p>
-<p>„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen moogt!” sprak
-deze hoogst ernstig.
-</p>
-<p>„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening weten te verschaffen!”
-</p>
-<p>„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork.
-</p>
-<p>„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den resident verschaffen.”
-</p>
-<p>„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de controleur met
-eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.”
-</p>
-<p>Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met den riem over
-den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim Ho en van Singomengolo, die
-dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien, maar waarvan zij niet veel begrepen hadden,
-in de richting van Santjoemeh, met den uitroep:
-</p>
-<p>„O! ik zal mij wreken!”
-</p>
-<p>Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is, zaten zij eenige
-uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de controleur van Banjoe Pahit.
-</p>
-<p>Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij die van het
-residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare meerdere beknoptheid was zij des
-te gezelliger. Zij miste die holheid tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge
-dakwerk, dat aan eene kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe
-het smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En, inderdaad,
-zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met jaloezie-ramen naar alle windstreken
-toegang aan de buitenlucht <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>kon verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden, waardoor er
-steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog bevorderd werd door de aangename
-schaduw der boomen, die de geheele pandoppo als in een loofkring omsloten hielden
-en het schelle licht der keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork
-gedurende de uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des ochtends
-bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet hij; daar dineerde
-hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne tijdschriften te genieten, terwijl hij des
-namiddags zijn kopje thee dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich
-soms af te vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid alleen
-bleef?
-</p>
-<p>Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen stond, nu de gastheer
-zich door goede vrienden rondom den disch omringd zag! En die disch bracht het zijne
-aan het gezellige van het samenzijn bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst,
-hagelwit en droog van korrel in de „koekoesan”<a class="noteRef" id="xd30e6559src" href="#xd30e6559">1</a> gekookt; daarop stonden toch schalen en schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s,
-sambalan’s, atjaran’s<a class="noteRef" id="xd30e6563src" href="#xd30e6563">2</a> als: kerri ikan,<a class="noteRef" id="xd30e6569src" href="#xd30e6569">3</a> piendang ajam, piendang klowek,<a class="noteRef" id="xd30e6574src" href="#xd30e6574">4</a> rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado,<a class="noteRef" id="xd30e6578src" href="#xd30e6578">5</a> sambal oelak, sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh,
-sambal badjak,<a class="noteRef" id="xd30e6583src" href="#xd30e6583">6</a> atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek,<a class="noteRef" id="xd30e6589src" href="#xd30e6589">7</a> <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi, met dendeng minjangan,<a class="noteRef" id="xd30e6595src" href="#xd30e6595">8</a> met sasateh, met besengeh, met petjiel,<a class="noteRef" id="xd30e6599src" href="#xd30e6599">9</a> met ajam goreng, met ajam pangang,<a class="noteRef" id="xd30e6603src" href="#xd30e6603">10</a> met ikan goerami, met ikan bandeng assep,<a class="noteRef" id="xd30e6608src" href="#xd30e6608">11</a> met telor troeboek, met kroepoek oedang,<a class="noteRef" id="n283.6src" href="#n283.6">12</a> enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene volledige rijsttafel
-onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om ze heerlijk te doen smaken. Maar,
-wat vooral de aandacht der Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken
-had, en hen bij voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel
-gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit, op een grooten
-schotel, in het midden van den disch stond te prijken. Dat was een product van de
-jacht, een biggetje, hetwelk als een der eerste slachtoffers onder de kogels der blanken
-gevallen was, en door een <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de hoofdrol op den jagersdisch
-te vervullen.
-</p>
-<p>Ieder der gasten weerde zich goed.
-</p>
-<p>Maar … de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte der smulbroers
-lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen indommelen. Het gekout aan
-dien disch was dan ook levendig, en de lezer zal moeten erkennen, dat daartoe wel
-redenen voorhanden waren.
-</p>
-<p>„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit mijn humeur gebracht
-hebben!”
-</p>
-<p>„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.”
-</p>
-<p>„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng” (varkenstelg) lekker!”
-zei August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden.
-</p>
-<p>„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij wel neêrgelegd
-hebben?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork.
-</p>
-<p>„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze jacht het beoogde
-doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te vernemen?”
-</p>
-<p>„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork.
-</p>
-<p>„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten te komen? ik
-heb nog al ettelijke lijken zien liggen.”
-</p>
-<p>„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.”
-</p>
-<p>„De wedono?.… Wat bliksem! waar is die gebleven?”
-</p>
-<p>„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang Pringapoes te
-onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht komen mededeelen.”
-</p>
-<p>Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen een der oppassers
-de komst van het <span class="corr" id="xd30e6647" title="Bron: districtshooofd">districtshoofd</span> aankondigde.
-</p>
-<p>„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel.
-</p>
-<p>„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze rijsttafel deelen?
-Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte een gebaar van schrik. Hij deed
-een pas achterwaarts. Het gezicht van het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem
-ontzetting in. <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>Ware de rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een kruis
-geslagen! Nu prevelde hij schuchter:
-</p>
-<p>„Ampon, Kandjeng toean!<span id="xd30e6657"></span> Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch eten.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat rundvleesch, kip, eend,
-visch, al wat gij maar wilt.”
-</p>
-<p>„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde keuken klaar gemaakt<a class="noteRef" id="xd30e6664src" href="#xd30e6664">13</a>, als die andere spijzen. En<span class="corr" id="xd30e6671" title="Bron: ,">, </span>gij weet, dat verbiedt onze godsdienst.”
-</p>
-<p>„Het spijt mij, wedono.”
-</p>
-<p>„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.”
-</p>
-<p>„Welnu, wedono?”
-</p>
-<p>„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De Chineezen van Kaligaweh
-en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de bevolking opgekocht, en zijn bezig met
-het vervoer.”
-</p>
-<p>„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.”
-</p>
-<p>„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat gedwongen glimlach.
-</p>
-<p>„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende uitgeroeid zijn?”
-</p>
-<p>„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking heeft de overblijvenden
-nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het overschot heeft eene toevlucht in het hooge
-gebergte, hetwelk het district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen
-last meer van die verwoestende dieren zullen hebben.”
-</p>
-<p>„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht volkomen gelukt!
-een glas daarop!”
-</p>
-<p>Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>stopte den wedono fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep
-hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe Pahit, welke
-van die lastige gasten verlost was.
-</p>
-<p>„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono. „Anders wenschte
-ik wel mij te verwijderen.”
-</p>
-<p>„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote „tjelleng laki-laki”
-(beer) gevallen. Het is er een met zeer lange slagtanden. Diens hoofd wenschte ik
-wel te hebben.”
-</p>
-<p>„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „<i lang="fr">Une hure de sanglier à la sauce piquante</i> zou lekker zijn!”
-</p>
-<p>„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende: „En dan draag
-ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak van Dalima te beginnen.”
-</p>
-<p>„Saja, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.”
-</p>
-<p>„Saja, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.… Niet waar vrienden:
-</p>
-<div class="lgouter">
-<p class="line">Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”</p>
-</div>
-<p class="first">Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in. Toen het ietwat
-bedaarde, vervolgde Verstork:
-</p>
-<p>„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen, en daarna zult
-gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono voortzetten. Ik vertrek heden avond
-nog met ulieden naar Santjoemeh; want morgen ochtend wensch ik den resident al heel
-vroeg te spreken.… Hebt gij mij verstaan, wedono?”
-</p>
-<p>„Saja, Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Welnu, laat ik u niet weerhouden.”
-</p>
-<p>Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid.
-</p>
-<p>Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had de feestvreugde
-der jagers wel getemperd. De herinnering aan het gebeurde had iets kils teweeg gebracht,
-dat iedere vroolijkheid als het ware verstijfde.
-<span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span></p>
-<p>„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de vingeren, na
-een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld hebben?”
-</p>
-<p>„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene smokkelaarster
-uit?”
-</p>
-<p>„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten leiden,” zei Van
-Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?”
-</p>
-<p>Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig eene heerlijke
-moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik van bedenking, antwoordde
-hij evenwel:
-</p>
-<p>„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.”
-</p>
-<p>„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!”
-</p>
-<p>„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn op.
-</p>
-<p>„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een.
-</p>
-<p>„Maar de getuigenis van Muizenkop?”
-</p>
-<p>„Van dien ellendeling?.…”
-</p>
-<p>„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork.
-</p>
-<p>„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna invloed genoeg
-op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te krijgen.”
-</p>
-<p>Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel niets.
-</p>
-<p>„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak betrokken was,” sprak
-Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben, dan zou er een mouw aan te passen
-zijn, nu evenwel …”
-</p>
-<p>„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede, „dat de rechterlijke
-macht.…”
-</p>
-<p>„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst rechtsgeleerde
-hier in <span class="corr" id="xd30e6730" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> heeft ergens gezegd: „de opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal
-ontmoet men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!”<a class="noteRef" id="xd30e6733src" href="#xd30e6733">14</a> Nietwaar, Karel?”
-<span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span></p>
-<p>Deze knikte bevestigend.
-</p>
-<p>„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend. „Maar het ergste
-is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk maakt.”
-</p>
-<p>„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig.
-</p>
-<p>„Maar, Theodoor!.…”
-</p>
-<p>„Maar, Eduard!.…”
-</p>
-<p>„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat moet ge toch
-toegeven?”
-</p>
-<p>„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar <span class="corr" id="xd30e6751" title="Bron: tegen overstelde">tegenoverstelde</span>, dat wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n vlucht genomen
-zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is gemakkelijker aan te toonen.”
-</p>
-<p>„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan, dat is achterwege
-gebleven.”
-</p>
-<p>„En de geschiedenis dan?”
-</p>
-<p>„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de persoonlijke uiting van
-den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de blanken de opium in het land gebracht
-hebben, anderen beweren weer anders.”
-</p>
-<p>„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik, Eduard?”
-</p>
-<p>„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?”
-</p>
-<p>„Als ik mij wel herinner<a class="noteRef" id="xd30e6762src" href="#xd30e6762">15</a>, niets meer en minder, <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>dan dat de opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der Regeering
-heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere opbrengst van die pacht voeren
-kan, gretig werd ter hand genomen.”
-</p>
-<p>„Ja, maar, is dat alles waar?
-</p>
-<p>„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?”
-</p>
-<p>„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed ingelicht, toen hij
-dat advies ter neer stelde?”
-</p>
-<p>„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen worden betaald
-en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve dat advies, wat gij wantrouwt,
-waarborgt u de voortdurende stijging van de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat
-het advies van den Raad vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere
-som geraamd.…”
-</p>
-<p>„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.”
-</p>
-<p>„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden losgelaten, om het
-cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld is, en de minst kiesche middelen,
-ja, zelfs misdadige worden gebezigd, om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche
-Leeuwen zijn niet uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel
-meer opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” keurig op zoo’n borst!”
-</p>
-<p>„Maar,” vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo verderfelijk voor het lichaam, als beweerd
-wordt? Gisteren avond zagen wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig
-is. Maar voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is die
-beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden bij die vergiftiging
-oud kunnen worden, even als bij het gebruik van een of meer bittertjes.”
-</p>
-<p>„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als degelijke vertrouwbare
-mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten spreken. Ik kan dus zonder <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>achterdocht u een <span class="corr" id="xd30e6799" title="Bron: bilk">blik</span> gunnen in de rijke ervaring door mij op dat gebied opgedaan.<a class="noteRef" id="xd30e6802src" href="#xd30e6802">16</a>
-</p>
-<p>„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb:
-</p>
-<p>„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal een eigenaardig
-bederf van het bloed en van al de vochten, en verstoppingen in de vaten en wegen,
-waaruit op den duur ontstaat een slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke
-dysenterie of aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten
-vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen, behalve de verdoovende
-in grootere giften,—tenzij met deze te zamen. Die toestand dringt tot het palliatief
-van steeds vermeerderde nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch
-ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld is, zoolang
-hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En juist door de zoo lang
-volgehouden verkwisting is dit den meesten lijders op verre na niet mogelijk. Waar
-nog goede en versterkende voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven;
-en menigeen is er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere
-graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend gebruik van het
-verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak een anders licht verloopend
-toeval door het voorhanden bloed- en vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin
-en dergelijke, een kwaadaardige hoedanigheid aannemen, <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>en tot een doodelijken afloop komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere
-kwalen, die van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig vertoonen,
-door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden?
-</p>
-<p>„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij weten echter al
-te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer weinigen op de massa der Inlanders
-in dat voorrecht op den duur zich verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe
-schraal over ’t algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden,
-en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig werk maakt
-van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe veel of hoe weinig deugdelijks
-die bevat, moet zij niet bij verre de meesten al minder en minder worden, waar een
-belangrijk, en steeds belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt,
-zoodat juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel bij te
-bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt?
-</p>
-<p>„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik dan ook wegens
-hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en zij ondervinden er te minder
-nadeel van. Niet bij allen is dit het geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens
-hunne welgesteldheid zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen
-in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of gedwongen onthouding
-zijn moeten komen, en de ellende daarvan ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de
-ondervinding bewijst overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan
-eene kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar of daarboven
-reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen laboreerden, meest aan dysenterie.
-Ik zelf heb te Berbek, te <span class="corr" id="xd30e6824" title="Bron: Trengalek">Trenggalek</span>, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal van zulke lijders met
-geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid te over, om mij omtrent alle bizonderheden
-te vergewissen.
-</p>
-<p>„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie bittertjes daags
-drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog, hoeveel verderfelijker de <span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span>opium werkt dan de sterke drank. De eerste toch is veel meer bedwelmend en bovendien
-verdoovend, en daardoor ook spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij
-’t voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke schuivers
-verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun gewoonte, bij elken maaltijd
-niet meer dan eenige greepjes rijst konden nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp
-van een middel, dat ik hun aan de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd
-hadden, ze wel tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere
-verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het lichaam veroorzaakt,
-en <span class="corr" id="xd30e6831" title="Bron: waarmêe">waarmeê</span> zij ook den geest tot wellustige droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel
-van aanwezige kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht (reeds
-zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de telkens herhaalde verdooving,
-waardoor de patiënt te zekerder in de kluisters van den hartstocht gevangen blijft,
-ook al staat hij nog maar gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker.
-</p>
-<p>„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed, dan moeten
-hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die bij den opiumrooker in ontzettende
-mate toenemen; de steeds meer lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving,
-tot eigen vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen arbeid,
-van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en dag aan niets anders
-denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al zijn nevenlusten, waar alles rondom
-hem aan moet ten dienste staan. Een jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen
-dienst, dan dat soms de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen;
-maar voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen, moet alles
-in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te verschaffen, de ander om
-zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn pijpjes te stoppen, een vierde om zijn
-koffie en andere versnaperingen te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder
-en stiller dan van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen
-en smarten zich weêr laten <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn lust ter wille is, dan vervult hij huis
-en hof met kermen, en klagen, schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de
-keel wordt gehaald!
-</p>
-<p>„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die de aan opium
-verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt, terwijl meerderen hunner
-reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn tot geslachtsvoortplanting. Wat zal
-alzoo van de tweede of derde generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?!
-</p>
-<p>„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine verademing voort: „Hoe
-ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog altijd door dat ziel en lichaam verdervend
-gif verslonden! Al heel spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover,
-dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen naar aangenaam
-prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes vergezelt, doet daar ook nog het
-zijne aan toe. Ze zijn legio, de huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet
-winnen, soms nog bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak
-of ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te werken, daar
-is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat is veel, zeer veel algemeener
-dan in Europa door den sterken drank.
-</p>
-<p>„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu door de opium
-worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en nijverheid. Wanneer die allen
-daarvoor besteed werden, hoeveel grooter zouden de welvaart en het vertier zijn! En
-zou niet ook de rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan
-de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de middelen,
-de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te bearbeiden of te leeren
-bewerken, of om in handwerk vorderingen te maken of het voor kwijning te behoeden;
-omdat ze nu eenmaal dat alles aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn
-niet landbouw en nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met
-allen ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang te brengen!”
-</p>
-<p>Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>tirade had hij behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven.
-Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog volgen zou. Onmiskenbaar
-maakte het gesprokene grooten indruk op hen<span class="corr" id="xd30e6846" title="Bron: .">,</span> want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die daar klonk,
-en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook waren, die taal maakte hunne
-belangstelling gaande, en vond ingang tot hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur,
-na nog eens adem gehaald te hebben, aldus:
-</p>
-<p>„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh doorgebracht
-heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van de residentie Kediri, als
-controleur tweede klasse was ik te Berbek en te Trenggalek. Ik kan dus met kennis
-van zaken ook omtrent die residentie spreken. Luistert:
-</p>
-<p>„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen<a class="noteRef" id="xd30e6852src" href="#xd30e6852">17</a>; meerendeels zijn de menschen arm.
-</p>
-<p>„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling van de verstrekte
-opium, en de administratiekosten en de winst van den pachter, dan mag het cijfer van
-2½ millioen gerust worden aangenomen als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks
-vrijwillig betaalt, om dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig
-bestaan te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige opium;
-dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer.
-</p>
-<p>„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve nog cultuur-
-en heerendiensten, winst op het zout, landrente, bedrijfsbelasting, invoerrechten,
-enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft.
-</p>
-<p>„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt. Huisraad vindt men
-er niet; een mat, uitgespreid op een bank van bamboe, en een klein kussen van kapok,
-dienen om op te slapen. Gekookt wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen,
-gegeten <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>wordt er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de kleederen
-worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als lompen van het lijf vallen;
-de kinderen loopen naakt, en groeien met de karbouwen in de modder op. ’s Morgens
-om 5 uur staat men op, en gaat naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij
-in de rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen, rietvelden,
-enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij particulieren op een dagloon
-van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt
-er wat gegeten, en de helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder
-al in diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje, waarin
-wat stinkende olie en een katoenen pitje.
-</p>
-<p>„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den Javaan-opiumschuiver. Niets,
-niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan geven aan den dagelijkschen sleur, altijd
-maar werken, en den meesten tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En
-dan nog zooals gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het
-niet wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten voor hunnen
-medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat eindelijk eens een einde kwam
-aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid, en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid
-van den Javaan? Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want
-ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken toestand. Ieder
-Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te gewillige Javaan op zoodanige
-brutale wijze zal geëxploiteerd blijven.
-</p>
-<p>„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen vrijen tijd,
-moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den moloch, genaamd ’s lands
-kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog niet genoeg voor het geheele jaar …”
-</p>
-<p>„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt hij troost
-en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in Nederland onder dergelijke ellende
-het volk naar de flesch grijpt. Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende
-doet hunkeren naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken <span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span>ellende; er behoort wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en
-jenever, en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht.
-</p>
-<p>„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering verwacht worden,
-de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich heen; doch de Overheid moet
-die arme schepsels met krachtige hand uit dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen
-zij het uit van de pijn, en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder
-welgeaard burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en een
-ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt. Zoo Nederland en
-Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever gezegd hunne huishouding dekken,
-<span class="corr" id="xd30e6876" title="Bron: zon-">zonder</span> revenuën uit zulke immoreele bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen
-onbetaalde arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals
-die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit eerlijk verkregen
-middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.”
-</p>
-<p>Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de waarheid, de
-volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste gevolgtrekking hunne Nederlandsche
-harten pijnlijk aandeed.
-</p>
-<p>Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep zijne hand en drukte
-die hartelijk.
-</p>
-<p>„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>voor het inzicht, dat gij mij in de zoo noodlottige werking van de opium verleend
-hebt. Ik ben nog slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om
-in eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen over de
-opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer veel gisteren avond bij
-ons samenkomst onder den <span class="corr" id="xd30e6886" title="Bron: Wariengien-boom">Wariengienboom</span> op de aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch bezielende
-taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller tegenwoordigheid beloof ik plechtig,
-dat ik van de ons medegedeelde ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!”
-</p>
-<p>„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke oratie een
-daadwerkelijk en.… een dadelijk nut hebben. Ja, een dadelijk!… Vrienden, ik heb een
-voorstel te doen.…”
-<span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span></p>
-<p>„Laat hooren!” riepen allen.
-</p>
-<p>„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh plaats had.
-Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen hadden de snoodste misdaad
-te aanschouwen gekregen. Ik wil niet ontleden, wat in ons aller hart omging bij die
-twee tafereelen, waarbij de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd;
-maar beide gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo
-even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw aller naam zeg
-ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden, laten wij in edelmoedigheid niet
-bij hem achterstaan! Dalima en haar vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig
-bij het geding, dat gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide beschuldigden
-zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen met warmte zal ter harte
-nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne maidenspeech bij de verdediging van …?
-te hooren! Dat zal subliem zijn.…..<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De vrienden zullen
-geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid tot het verleenen van hulp
-gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!”
-</p>
-<p>„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede werk hebben; nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja! ja!” riepen allen.
-</p>
-<p>„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake zijn van het toewijzen
-van eenig honorarium aan onzen <span class="corr" id="xd30e6902" title="Bron: advokaat">advocaat</span>. Dat zou hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n proces
-komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij allen weet, vrouwe Justitia
-is in Indië een dure, zeer dure deern! Welnu, laten wij de handen in elkander slaan,
-en August voor al te maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen
-die twee gedingen met alle klem gevoerd worden!”
-</p>
-<p>„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August! aan den gang!”
-</p>
-<p>„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte ik onzen gastheer
-eene vraag te doen.”
-</p>
-<p>„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork.
-<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p>
-<p>„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap.<a class="noteRef" id="xd30e6913src" href="#xd30e6913">18</a> In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig.…”
-</p>
-<p>„Ter zake<span class="corr" id="xd30e6919" title="Bron: .">,</span> ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je langdradig met je warenkennis!”
-</p>
-<p>„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van geneesmiddelen
-gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om ongelukkigen van het opiumverbruik te
-genezen. Zijn dat geheimmiddelen?”
-</p>
-<p>„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend.
-</p>
-<p>„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn het dan?”
-</p>
-<p>„Het zijn pilletjes,<a class="noteRef" id="n298.2src" href="#n298.2">19</a> die mij door een zendeling aan de hand gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix
-rheï of rhabarberwortel, en wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie
-grein opium en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den eersten
-keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst zelden wordt die derde
-dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen zijn.”
-</p>
-<p>„En.… kunt gij genezingen constateeren?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een twaalftal bedoedans,
-die mij door de gebruikers gebracht zijn met de gelofte nimmermeer de opiumpijp aan
-te raken. De zendeling, die mij het middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen
-van genezing constateeren.”
-</p>
-<p>„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van u?” vroeg Grenits.
-</p>
-<p>„Ga je gang.”
-<span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span></p>
-<p>„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig is de opiumkosten
-door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding
-van het Gouden Kalf zien. En er zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd,
-er zijn menschen de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden,
-die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!”<a class="noteRef" id="xd30e6940src" href="#xd30e6940">20</a>.
-</p>
-<p>Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid erkende. Een
-oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare wezens, die zijnen steun nog zoo
-noodig hadden. Of hij zijne rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren
-of ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene lastige gedachte
-wilde wegvegen:
-</p>
-<p>„Zoo erg is het niet,” sprak hij.
-</p>
-<p>„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,” lachte Theodoor.
-</p>
-<p>„Om het even,” vervolgde de controleur. „<i lang="fr">Fais ce que dois, advienne que pourra!</i> Ik zal er geen pil minder om uitreiken!”
-</p>
-<p>En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd was,—allen hadden
-toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag gelegd,—vervolgde hij:
-</p>
-<p>„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van gisteren en heden,
-en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh doorgebracht hebben, naar rust verlangen.
-Hier, de bedienden zullen u uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken
-is, vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene aangename
-middagrust!”
-</p>
-<p>Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur joeg het vijftal
-jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op.
-<span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e6559">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6559src">1</a></span> <i>Koekoesan</i> is een spits toeloopende kegelvormige mand van bamboevlechtwerk, waarin de rijst
-in den stoom van een ketel „dandang” genaamd, gaar wordt gestoomd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6559src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6563">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6563src">2</a></span> <i>Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s.</i> Kerri is eene soort bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel
-uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort bouillon gekookt,
-sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten.<span id="xd30e6566"></span> Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer saus-bereidingen, waarin
-de sambal of lombokh (spaansche peper) niet vergeten is. Atjaran’s zijn zuren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6563src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6569">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6569src">3</a></span> <i lang="ms">Kerri ikan.</i> Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch gekookt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6569src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6574">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6574src">4</a></span> <i>Piendang ajam en piendang klowek</i> zijn lichte bouillons van kip of gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met
-zeer veel spaansche peper.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6574src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6578">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6578src">5</a></span> <i>Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado</i> zijn verschillende bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6578src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6583">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6583src">6</a></span> <i>Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s. peteh, s. badjak.</i> S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout fijngewreven. <span class="pageNum" id="pb283n">[<a href="#pb283n">283</a>]</span>S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S. telor is sp. peper met eieren
-toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper met makassaarsche roode vischjes. S. peteh
-is sp. peper met petehboonen gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote
-accaciasoort, die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak beteekent
-letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte, die door het aanwenden
-van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum baccatum) verkregen wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6583src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6589">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6589src">7</a></span> <i>Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek</i> beteekent: zuur met uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6589src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6595">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6595src">8</a></span> <i>Dendeng ragi, d. minjangan.</i> Dendeng zijn dunne lapjes vleesch, die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven
-te zijn, in de zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan
-van hertenvleesch.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6595src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6599">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6599src">9</a></span> <i>Sasateh, besengeh en petjiel</i> zijn kleine stukjes vleesch gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan
-zeer dunne stokjes geregen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6599src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6603">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6603src">10</a></span> <i>Ajam goreng en a. pangang</i> is gebraden en gepofte kip. De laatste is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor
-het poffen behoorlijk met kruiden ingewreven en met boter besmeerd is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6603src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6608">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6608src">11</a></span> <i>Ikan goerami en i. bandeng <span class="corr" id="xd30e6611" title="Bron: asep">assep</span>.</i> Ikan goerami is een heerlijke zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax
-geheeten. De andere behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep
-beteekent gerookt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6608src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n283.6">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n283.6src">12</a></span> <i>Telor troeboek, kroepoek oedang.</i> Telor troeboek is gezouten vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort,
-die in groote menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de
-oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus. Kroepoek oedang
-is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer dunne koeken gesneden, zeer krap
-gebakken is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n283.6src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6664">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6664src">13</a></span> <i>In dezelfde keuken klaargemaakt.</i> De schrijver heeft het in 1859 bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie
-soldaten te Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van verzet
-kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene Europeesche kompagnie,
-aan welke laatste op gezette tijden spek <span class="corr" id="xd30e6667" title="Bron: versterkt">verstrekt</span> werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten verontreinigd werd door de aanraking
-met het keukengereedschap, dat op zijn beurt met het spek in aanraking was geweest.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6664src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6733src">14</a></span> <i>De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet men haren
-stempel. Helaas ook bij de justitie.</i> Zie het lijvige werk <i>Macht tegen recht</i> door Mr. <span class="sc">M.&nbsp;C. Piepers</span>, 1ste deel, bladz. 81 der aanteekeningen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6733src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6762">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6762src">15</a></span> <i>Als ik mij wel herinner.</i> Het is niet te verwonderen, dat een jong koopman als Grenits de verslagen van de
-zittingen van den Raad van Ned. Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies
-van dat regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de zitting
-van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk:
-</p>
-<p class="footnote cont">„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling van de regeering
-dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en <i>ieder middel</i>, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd met
-gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt daarvan, want de in 1832 aangenomen
-en sedert gevolgde wijze van opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst
-meer voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend, dat het
-gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot dusverre geene onverschillige
-zaak is geweest.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Hoort ge, Nederlanders? <i>Ieder middel</i>—ik cursiveerde die woorden—dat leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht
-op te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke!
-En laat u nu niet misleiden, dat die volzin <span class="pageNum" id="pb289n">[<a href="#pb289n">289</a>]</span>op het verledene, op 1871 zou duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium
-op de begrooting door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een
-bevel gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6762src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6802">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6802src">16</a></span> <i>De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan</i>, Nederlanders minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork
-zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden waren! Maar, wiens
-waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?.… Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger,
-van een man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche aangelegenheden,
-die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De geheele volgende tirade, voorkomende
-op bladz. 290 en <abbr title="volgende">volgd.</abbr>, is woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: <i>nog een woord over opium</i>, geschreven door den zendeling-leeraar <span class="sc">P. Jansz</span>, in het Maart-nummer van de <i>Indische Gids</i> van 1882. Dat plagiaat zij mij door dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet
-van mij verkrijgen, zijn opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde,
-en de toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij onmogelijk was,
-daaraan iets meer te veranderen, dan voor de inlassching in mijne romantische schets
-noodig was.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6802src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6852">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6852src">17</a></span> <i>Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen.</i> Zie <i>Indische Gids</i><span class="corr" id="xd30e6856" title="Bron: .">,</span> 1882 het artikel: <i>Eene stem uit Indië</i>. Ik verheel dat plagiaat niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in
-breeder kring over te brengen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6852src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6913">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6913src">18</a></span> <i>Nieuwsgierig als een neusaap.</i> Neusapen behooren voornamelijk op Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter
-gemelde plaats een vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen
-aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en voornaam uiterlijk.
-Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus geheeten en zijn zeer nieuwsgierig
-van aard.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6913src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n298.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n298.2src">19</a></span> <i>Het zijn pilletjes.</i> Zie deswege de Catalogus der afd. Ned. Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer
-Tentoonstelling in 1883 in Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende
-de voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n298.2src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e6940">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6940src">20</a></span> De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr. Keuchenius als minister
-van Koloniën geschreven werd. Ik heb de overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe
-den tijd late, hij het middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen
-te gaan.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e6940src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e807">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXI.</h2>
-<h2 class="main">Op het kantoor van den resident.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Verstork kwam veel te laat.
-</p>
-<p>Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang Pringapoes te paard
-moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware het wellicht mogelijk geweest
-het onweder, dat zich boven zijn hoofd samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten
-voorkomen, dat zou hij al ras ondervinden.
-</p>
-<p>„Zoo!… Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van Gulpendam op smalenden
-toon, toen de controleur na heel lang geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare
-malen de voorgalerij van het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn
-chef toegelaten werd. „Zoo!… is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er gisteren ochtend
-voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke rijsttafel voor mij, als zulke zaken
-in de residentie gebeuren kunnen! Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en
-dan … ja, dan kan alles gebeuren, dan zien zij niets.…”
-</p>
-<p>„Maar, resident!.…” waagde Verstork in het midden te brengen.
-</p>
-<p>„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat vragen zal,
-dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het ervaren, dat het antwoord zich
-dan zal laten wachten.”
-</p>
-<p>Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en ontdaan, met de
-lippen op elkaar geklemd van verbeten woede.
-<span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span></p>
-<p>„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer Verstork, om mij
-op de hoogte te stellen …”
-</p>
-<p>„Resident, ik …”
-</p>
-<p>„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een toornigen en minachtenden
-blik op zijn ondergeschikte wierp.
-</p>
-<p>„Mij dunkt toch, resident, dat …”
-</p>
-<p>„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!”
-</p>
-<p>„… Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport maaktet. En dan is
-het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork steeds doodsbleek, maar met onverschrokken
-moed voort.
-</p>
-<p>„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons …”
-</p>
-<p>De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd; maar hij hervatte:
-</p>
-<p>„… den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.”
-</p>
-<p>„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman van de wacht
-ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat, wanneer dat gesprek zoo voortgaat,
-ik mij over zoo’n bejegening bij den directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter
-nog, bij den Gouverneur-Generaal zal beklagen.”
-</p>
-<p>Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was gegaan. Hij was
-ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij als een zachtaardig mensch
-had leeren kennen, voor hem boog en zijne luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde
-zoetsappig:
-</p>
-<p>„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van gestel ben. Daarbij
-was ik ontstemd, dat mij de tijding van het gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren
-gewerd. Kom, ga zitten. Ik zal dat rapport even doorloopen.”
-</p>
-<p>De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn schrijflessenaar zich met
-den rug naar het licht wendde, ten einde het geschreven stuk in te zien. Buiten het
-kantoor drentelden in de voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij
-heftige woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was alles
-stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident evenwel weer op.
-</p>
-<p>„Jawel! Dacht ik het niet?… Ik was gewaarschuwd …”
-<span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span></p>
-<p>Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen.
-</p>
-<p>„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij gewaarschuwd waart?”
-</p>
-<p>Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den controleur aan,
-wiens gelaat in het volle licht gekeerd was.
-</p>
-<p>„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij moet die minder
-passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te ondervragen. Dat maakt, geloof
-mij, een fatalen indruk.… Ik wil u wel zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet
-omdat gij mij dat vraagt; maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt;
-wellicht zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen …”
-</p>
-<p>„Mijn rapport te wijzigen, resident?”
-</p>
-<p>„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te doen voorkomen,
-alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche deern zoude voltrokken zijn.”
-</p>
-<p>„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is, die de baboe,
-bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst ernstig.
-</p>
-<p>„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw oordeel. Maar,
-dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een geheelen nacht aan het passagieren
-geweest, en had toen een geheelen roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer
-was zij ’s nachts buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een
-opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond die amokhpartij
-heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig bericht zondt; zij is de verloofde
-van een opiumsmokkelaar, en zij zelf heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij
-zit nu in de boei, dat zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster
-van mijn erf te laten wegjagen!”
-</p>
-<p>„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg om adem te halen,
-„toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij geheel naakt, met bloed bevlekt,
-en had zij loshangende haren. Alles duidde op …”
-</p>
-<p>„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij haar onderzocht?”
-<span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span></p>
-<p>„Neen, maar.…”
-</p>
-<p>„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen … En ziet …” ging de resident voort,
-terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb, houdt daar het rijtuig van den
-dirigeerenden officier van gezondheid voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen,
-wat er van aan is.”
-</p>
-<p>Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan, die dan ook
-verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen handdruk wisselde, en diezelfde
-plichtpleging maar luchtiger ook bij den controleur verrichtte.
-</p>
-<p>„Zoo, Verstork! Gij hier?”
-</p>
-<p>Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident in:
-</p>
-<p>„Ga zitten, overste!… En wel?…”
-</p>
-<p>„Geen kwestie, resident!”
-</p>
-<p>„Zoo, dat zeide ik u immers reeds … Maar de deern was toch verwond?”
-</p>
-<p>„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op …”
-</p>
-<p>„Dus geen stu.., stu … Hoe noemdet gij het ook?”
-</p>
-<p>„<span lang="la">Stuprum violentum</span>… geen denken aan! Hier is overigens het <span lang="la">visum repertum</span>, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.”
-</p>
-<p>„Overste, ik dank u!”
-</p>
-<p>„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen. Dag, resident,
-dag, Verstork!”
-</p>
-<p>„Geen excuses, overste; ik groet u!”
-</p>
-<p>Toen was de geneeskundige verdwenen.
-</p>
-<p>„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?”
-</p>
-<p>„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het wankelen.”
-</p>
-<p>„Niet?”
-</p>
-<p>„Neen, resident!”
-</p>
-<p>„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>om bakzeil te halen, om bij te draaien.”
-</p>
-<p>„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep.
-</p>
-<p>„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik geef u in beraad
-dit rapport terug te nemen.”
-</p>
-<p>„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die raad?”
-<span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span></p>
-<p>„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te eenzijdig
-voorgesteld zijn …”
-</p>
-<p>„Resident!”
-</p>
-<p>„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar voort. „Dan komen
-er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge Regeering aangenaam kunnen stemmen.
-Bij voorbeeld deze:<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las vervolgens:
-</p>
-<p>„„Het zij mij door U.&nbsp;H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in mijne twaalfjarige
-loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren begrijpen, dat de opiumpacht is
-een Staat in den Staat; dat om der wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben
-of eerbiedigen kan, met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft
-politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne satellieten dringen
-de woningen binnen en schenden het huisrecht der bevolking; zijne spionnen en zijne,
-althans de door hem betaalde oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou
-streng gestraft worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel
-van het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die bevolking aandoet.
-Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het meisje. In de woningen, op den publieken
-weg houden ze den eenen en de andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote
-lijf, zonder zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die lieden
-uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen,
-of hun haat te koelen<a class="noteRef" id="xd30e7045src" href="#xd30e7045">1</a>. Het gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig bewijs.””
-</p>
-<p>De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte met doordringenden
-blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet neersloeg.
-</p>
-<p>„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij bracht de hooggeplaatste
-den wijsvinger <span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span>aan het voorhoofd,—„dan twijfel ik of het bij u daar wel goed in orde is …”
-</p>
-<p>„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!…”
-</p>
-<p>„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in uwe afdeeling
-die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg noodig zijn, om den smokkelhandel
-in opium tegen te gaan. Gij weet even goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene
-aanhalingen van gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in herinnering
-te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze
-<span class="corr" id="xd30e7059" title="Bron: nn">nu</span> weer bij Setrosmito en bij zijne dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening,
-dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt
-gij die meening door uwe onbesuisde taal.…”
-</p>
-<p>„Resident, hoeveel <span class="corr" id="xd30e7064" title="Bron: ontzach">ontzag</span> ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel heb, moet ik thans toch protest aanteekenen,
-wanneer gij te verstaan geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht
-zoude tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot een brandpunt
-van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te doordrongen van het voorgeschrevene
-bij Staatsblad N<sup>o</sup>. 136<a class="noteRef" id="xd30e7070src" href="#xd30e7070">2</a> van 1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om die te
-verwaarloozen.…”
-</p>
-<p>„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet.…” wilde Van Gulpendam invallen.
-</p>
-<p>„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij. Dat is mijn recht.
-Van eene andere zijde is het onwaar, dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van
-opiumsmokkelhandel zoude wezen.…”
-</p>
-<p>„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik aanhaalde?”
-</p>
-<p>„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen beter weten
-in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan de overal genaakbare oevers
-van de Javazee gelegen, en bij de zeer onvoldoende <span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span>middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in het werk gesteld, maar nog
-niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt het voor de hand, dat de smokkelaars,
-waartoe—en dat weet gij even goed als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren,
-daarmede hun voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van aangrenzende
-afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen zijn, dan valt er te constateeren,
-dat Banjoe Pahit, wel verre van een brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan
-aangehaald worden: als eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend
-mag genoemd worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld
-werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek als mijne gemoedelijke
-overtuiging uit, dat de partij opium die te Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig
-is van den schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i>, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de overige aanhalingen
-zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet gevonden zouden geworden zijn, wanneer
-de bandoelans vooraf waren gevisiteerd geworden.”
-</p>
-<p>„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig voor het oogenblik,”
-antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne
-welgemeende raadgeving: „gaat over stag, en neem dit rapport terug!”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen, als vreesde
-hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als een gloeiend ijzer voer hem
-de gedachte aan zijne moeder, aan zijne zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning
-niet konden ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het gehoorde.
-Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging weerklonken. Bedreiging in
-den mond van den machtigen meerderen tegen den machteloozen minderen! Een oogenblik,
-maar ook slechts een enkel aarzelde de gewetensvolle ambtenaar … toen hernam zijn
-natuurlijk rechtsgevoel zijne opperheerschappij.
-</p>
-<p>„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw oordeel over
-mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat rapport terugnam? <span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span>Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen.…”
-</p>
-<p>„Mijnheerrr!.…” riep de resident toornig uit.
-</p>
-<p>„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking? Zoudt gij niet
-minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw geweten u niet dwingen, mij
-tot ontslag uit ’s lands dienst voor te dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk
-nog vertrouwen in mij kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed,
-is dat vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!”
-</p>
-<p>De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de woorden van den
-controleur waren.
-</p>
-<p>„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon. „Hoor, hoe ik die
-zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende jacht gemaakt, en daarbij zal de
-veldflesch wel een enkele maal aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht,
-eene jolige rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn, misschien
-wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is zoo aannemelijk, zoo natuurlijk
-bij jongelieden. In die gemoedstemming hebt gij uw rapport geschreven.…”
-</p>
-<p>„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk bij u achtergelaten
-dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat ik bij het schrijven daarvan onder
-den invloed van drank was?”
-</p>
-<p>„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde Van Gulpendam.
-„Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van eene dwaasheid te weerhouden.
-Gij moet weten, of gij dat rapport al of niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene
-waarschuwing bij het gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van
-uwe beslissing afhangt.”
-</p>
-<p>Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook handelde, de toestand
-netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op de baan, die hij voor het rechte
-pad hield.
-</p>
-<p>„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet terug,” sprak
-hij bedaard maar beslist.
-</p>
-<p>„Is dat uw laatste woord?”
-</p>
-<p>„Ja, resident!”
-<span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span></p>
-<p>„Bedenk u wel! Uw laatste woord?”
-</p>
-<p>„Ja, resident!”
-</p>
-<p>„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.”
-</p>
-<p>„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!”
-</p>
-<p>„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge beslissen!”
-</p>
-<p>Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud geëindigd was.
-</p>
-<p>„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik heb nog een
-andere logrol af te laten loopen.”
-</p>
-<p>„Wat hebt gij, resident?…” vroeg de controleur.
-</p>
-<p>„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten. Gisteren ochtend
-zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd, en is hij mishandeld geworden;
-omdat hij op uwe vraag getuigenis der waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en
-die mishandeling is in uwe tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt
-hebt, om dat te keer te gaan, om dat te verhoeden …”
-</p>
-<p>„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat toegevoegd werd,
-werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd, kwam zoo onverwachts aan, dat
-niemand, zelfs gij niet, resident, wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt
-kunnen verhoeden. Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter
-voorkomen hebben, dat verzeker ik u.”
-</p>
-<p>„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen gevallen; terwijl
-gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat die zaak! Had ik er nu den glimp
-aan kunnen geven, dat de jeugdige jagers opgewonden waren, dat de handeling onder
-den invloed daarvan gebeurd was …”
-</p>
-<p>„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de opgewondenheid,
-die gij te kennen geeft.”
-</p>
-<p>„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware die zaak nog
-te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de gelegenheid, en ik meen, dat dit
-niet in uw belang is, en betwijfel of uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging,
-u daarvoor dankbaar zal zijn.”
-<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p>
-<p>„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?”
-</p>
-<p>„Wat die daarmede te maken heeft?… Dat zal hij genoeg bemerken. Ik heb hier een proces-verbaal
-voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden wilde; maar nu aan den officier van justitie
-moet doorzenden. Dat alles hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.”
-</p>
-<p>„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet verbeuzeld
-heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat luttele gebeurde vervolgd moet
-worden? Welnu, het recht hebbe zijn loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in
-die zaak op te treden.”
-</p>
-<p>De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet.
-</p>
-<p>Verstork stond op.
-</p>
-<p>„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende.
-</p>
-<p>„Niets meer, mijnheer Verstork.”
-</p>
-<p>„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!”
-</p>
-<p>Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn schrijflessenaar bleef
-zitten, was het antwoord op die begroeting. Het oogenblik daarna daalde Verstork de
-trappen van het perron van het residentiehuis af.
-</p>
-<p>„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij.
-</p>
-<p>„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor gemompeld. „Nu die ezelachtige
-lummel niet tot bijleggen te bewegen is, zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!…
-Maar … ik tel menschen te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige
-haven wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de kluisgaten deden
-verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen zullen zitten … Vooruit! Op
-het einde der baan is het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” te verwerven!”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen thuis bevond,—daar
-Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor,
-niet zou komen eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de
-vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident gebracht. De controleur
-scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel hijzelf geen zonneschijn in <span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span>het hart koesterde, zich genoopt gevoelde, hem op te beuren en moed in te spreken.
-</p>
-<p>„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt mij haast tot
-de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de gevolgde gedragslijn.”
-</p>
-<p>„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met eenige drift. „Als
-het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde wijze te werk gaan. Maar … o, mijne
-arme moeder! Mijne arme zusters!”
-</p>
-<p>„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?”
-</p>
-<p>„Te zwart!… Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik overgeplaatst, dat ik
-hier uit mijn werkkring weggerukt word …”
-</p>
-<p>„Welnu?”
-</p>
-<p>„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten eene overplaatsing
-hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag: waarheen ik verplaatst zal worden.
-Dat ik eene lucratieve controle zal bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen
-onder den druk van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk
-voor mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.”
-</p>
-<p>„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool. „In dat geval zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen
-voorspellen.”
-</p>
-<p>„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten staat. Ieder ander
-geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens eenvoudig ontslagen werd!”
-</p>
-<p>„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre van ontslag te
-verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder eerlijk man gewaardeerd worden!”
-</p>
-<p>„Eerlijk man?… Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!”
-</p>
-<p>Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds ervaren met wien
-zijn vriend in botsing kwam.
-</p>
-<p>„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is zelfs dat meest
-gunstige geval niet te ontloopen?”
-</p>
-<p>„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.”
-</p>
-<p>„Hebt gij ook kennissen te Batavia?”
-</p>
-<p>„Kennissen?… Een enkele. De heer Reijnael …”
-</p>
-<p>„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?… <span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span>Ja? Wel dan zijt gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig
-verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael, terwijl ik van
-mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal schrijven, die niet zonder invloed
-zijn. Kom, onverschrokken den strijd aanvaard!”
-</p>
-<p>Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op de post bezorgd,
-die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een eenvoudigen brief. De aspirant-controleur
-zag er somber uit.
-</p>
-<p>„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?”
-</p>
-<p>„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.”
-</p>
-<p>„Is er iets bizonders aan de hand?”
-</p>
-<p>„Bizonders niet. Maar veel drukte!”
-</p>
-<p>„Waarmede?”
-</p>
-<p>„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat zijn ambtsgeheimen.
-Die mag ik niet vertellen.”
-</p>
-<p>Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op Willem Verstork
-geworpen.
-<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e7045">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7045src">1</a></span> <i>Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te koelen.</i> Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de opiumpacht is een Staat in
-den Staat” is getrokken uit het <i>Indisch Vaderland</i> No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7045src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7070">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7070src">2</a></span> <i>Staatsblad N<sup>o</sup>. 136 van 1876.</i> Bij bedoeld Staatsblad is den controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen
-van overtredingen omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java
-en Madoera opgedragen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7070src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e816">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXII.</h2>
-<h2 class="main">Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden<span class="corr" id="xd30e7192" title="Bron: ,">.</span></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal jonge lieden
-om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de voorgalerij van „<i>de Eensgezindheid</i>,” de sociëteit van Santjoemeh.
-</p>
-<p>Zaterdag avond! Het was <span class="corr" id="xd30e7200" title="Bron: societeits-avond">sociëteits-avond</span>, en bij gevolg geheel Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de <span class="corr" id="xd30e7203" title="Bron: societeit">sociëteit</span> of op het voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende<a class="noteRef" id="xd30e7206src" href="#xd30e7206">1</a> hetzij nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar omdolende,
-om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker gemaakt werd door de lieve
-maan, die vol was, en tegen negen uur reeds hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke
-muziek, die ten gehoore gebracht werd, te genieten.
-</p>
-<p>In het <span class="corr" id="xd30e7212" title="Bron: societeits-gebouw">sociëteits-gebouw</span> zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren, de deftigen, de machtigen afgemeten
-en voornaam hun partijtje te spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten
-daarvan daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet rouwig
-over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag.
-<span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span></p>
-<p>„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.”
-</p>
-<p>„En daar rijdt de nog lievere Hermance.”
-</p>
-<p>„Ho, ho!”
-</p>
-<p>„Wat een keurig span Persianen!”
-</p>
-<p>„Wat bedoelt ge? De vier dames?… Ja dat is een keurig vierspan. Of het echter Persianen
-zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel iets voor die meening aan te voeren.”
-</p>
-<p>Allen lachten.
-</p>
-<p>„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!”
-</p>
-<p>„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk eens, hoe Van
-Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, en haar den arm
-te bieden.”
-</p>
-<p>„Ja, ja!… De njonja van den Kandjeng toean resident!…”
-</p>
-<p>„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd Eduard wel.”
-</p>
-<p>„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van hare dochter.”
-</p>
-<p>„He, ja!… Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.”
-</p>
-<p>„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den assistent-resident
-van Karang-Anjer logeeren.”
-</p>
-<p>„Karang-Anjer in Bagelen?… Drommels, dat is een eind uit de buurt!.… Maar, is er iets
-met dat lieve kind?”
-</p>
-<p>„Van <span class="corr" id="xd30e7233" title="Bron: Nerekeol">Nerekool</span> heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in afwachting van de verplaatsing
-van Karel, zijne dochter zoolang uit de buurt hebben.”
-</p>
-<p>„De verplaatsing van Van Nerekool?…”
-</p>
-<p>In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het <span class="corr" id="xd30e7239" title="Bron: societeits-gebouw">sociëteits-gebouw</span> geweest was, met een courant in de hand naderbij.
-</p>
-<p>„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman was bij allen
-gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de <i>Santjoemehsche courant</i> in de hand loopt?”
-</p>
-<p>„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en daaruit voorlas:
-</p>
-<p>„„<span class="sc">Vendutie wegens vertrek.</span>—Op Maandag den 24<sup>sten</sup> <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>dezer zullen wij wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen
-heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed onderhouden inboedel,
-bestaande uit: Bataviasche en Japarasche meubelen, waaronder: banken, gewone wip-
-en luiaardstoelen, tafels, consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang-
-en staande lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten,
-waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten, goedang-<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene fraaie collectie rozen,
-crotons en varens in potten en tobben; eene Bengaalsche koe met kalf, gevende drie
-flesschen melk; eene groote partij pluimgedierte, waaronder: beo’s<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> kalkoenen, ganzen, eenden, kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed
-als nieuw; een goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span
-wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte <span class="corr" id="xd30e7263" title="Bron: Battakkers">Batakkers</span>. Met commissiën belasten zich: Gladbach &amp; C<sup>o</sup>.—
-</p>
-<p>„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot half negen rijtuigen
-van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde
-vendutie genieten den overtocht heen en terug gratis.”
-</p>
-<p>Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan.
-</p>
-<p>„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een.
-</p>
-<p>„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt tot zijn rijpaard!”
-</p>
-<p>„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het geconcentreerd stelsel,
-dat aangenomen is, heeft hij geen paard noodig.”
-</p>
-<p>„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is geene vacature
-voor Verstork.”
-</p>
-<p>„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld heeft. Maar, heeren,
-om ieder misverstand te vermijden omtrent die advertentie, moet ik hier bijvoegen,
-dat Verstork van die rijtuigen tot vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.”
-</p>
-<p>„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap.
-</p>
-<p>„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog.
-<span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span></p>
-<p>„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?” vroeg er een.
-</p>
-<p>Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet.
-</p>
-<p>„Och, dat staat in verband met die geschiedenis … ge weet wel van die mooie baboe
-Dalima met Lim Ho.”
-</p>
-<p>„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de doekoen-majoor verklaart.”
-</p>
-<p>„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.”
-</p>
-<p>„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop gedaan?”
-</p>
-<p>„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits.
-</p>
-<p>„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?”
-</p>
-<p>„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te verschijnen.”
-</p>
-<p>„Ai … dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je. Wij zullen je
-van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar, heeren?”
-</p>
-<p>„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord.
-</p>
-<p>„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik veroordeeld, welnu,
-dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie! Ik noodig u allen om Maandag naar
-Banjoe Pahit te gaan!”
-</p>
-<p>„Steeds geschäftsman, die Grenits!”
-</p>
-<p>„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen heeft, in de
-mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven waarnemen,” sprak Theodoor ernstig.
-</p>
-<p>„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen present zijn, nietwaar,
-makkers?”
-</p>
-<p>„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op<span class="corr" id="xd30e7299" title="Bron: ¡">!</span>”
-</p>
-<p>„Dat is dus afgesproken!”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig relaas, aan
-Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed overschat? Of had deze
-gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij wist het niet. Ook het beroep, dat Van
-Nerekool op zijne kennissen gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende
-volzinnen tot antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden.
-<span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span></p>
-<p>De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den Raad van Indië,
-waren de leden verrast geworden door de verschijning van den Gouverneur-Generaal in
-persoon in hun midden, iets dat maar hoogst zelden gebeurde.
-</p>
-<p>„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging gezegd, „ik
-heb eene aanklacht van <span class="corr" id="xd30e7312" title="Bron: ergelijken">ergerlijken</span> aard van den resident van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1<sup>ste</sup> klasse. Ook is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat
-met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is daarom, dat ik het
-advies der heeren wensch in te winnen. De resident van Santjoemeh is een zeer ijverig
-staatsdienaar, die den lande uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken,
-vooral als het zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel
-eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, steeds ’s
-lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar mij voorkomt, ook thans
-weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die zaak eene zoodanige wending wenschen
-gegeven te zien, dat zonder dat de hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon
-gevoelen, evenwel beide <span class="corr" id="xd30e7318" title="Bron: partijën">partijen</span> tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het verschil tusschen den resident
-en den controleur raakt den opiumpachter van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict
-met dezen te doen vreezen. Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden
-onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren ingenomen, en
-dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk heeft; maar het zou niet <span class="corr" id="xd30e7321" title="Bron: onmolijk">onmogelijk</span> wezen, dat een nauwgezet onderzoek, waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel
-aan het licht zou brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de
-aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit zou wellicht
-uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar hierbij valt niet uit het oog
-verloren te worden, dat Lim Yang Bing, als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het
-hoofd staat van de voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed
-op zijn rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de aanstaande
-<span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span>opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling van den pachtschat zou
-veroorzaken. En,… dat in een tijd als de tegenwoordige!.… Ja, ik herhaal het, en dat
-in een tijd als de tegenwoordige!… Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag ontvangen,
-dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade in de oogen van de Vertegenwoordiging
-heeft gevonden, omdat de middelen van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven
-niet genoeg besnoeid is<a class="noteRef" id="xd30e7327src" href="#xd30e7327">2</a>. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een uwer, mijne heeren, geroepen zal
-worden, om de opengevallen portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn
-moge, ik benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: de
-inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de opiumpacht, wat
-men er ook over zeggen of denken moge, bij uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden
-minister niet te verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de
-hand boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, een verschil
-met den vorigen pachtschat van zes ton leveren.…”
-</p>
-<p>De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen vuur, bij het
-vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen van ’s lands kas vergat hij
-in zooverre de bestaande <span class="corr" id="xd30e7332" title="Bron: etikette">etiquette</span>, dat hij den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel.
-</p>
-<p>„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met vuur, „en ik
-meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in dat geval niet geaarzeld mag
-worden, om ieder middel aan te grijpen, om de financiën van den Staat in evenwicht
-met de eischen des tijds te brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom
-wezen bij een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware vaderlandsliefde,
-die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet wezen. Nietwaar, mijne heeren?”
-</p>
-<p>De <span class="corr" id="xd30e7339" title="Bron: brutaliteid">brutaliteit</span> van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare verregaandheid alle welslagen
-erlangde. Alle hoofden bogen, en aller lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden,
-wanneer de Oostersche zon hunne <span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span>geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier slaperig:
-</p>
-<p>„Ja, Excellentie!”
-</p>
-<p>De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen had laten gaan,
-sprak toen met een zucht:
-</p>
-<p>„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren voor hun advies!”
-</p>
-<p>Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het Groote Huis te Weltevreden
-den generaalmarsch, en presenteerden de manschappen kletterend de geweren voor den
-Vertegenwoordiger des Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein
-in het bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een grooten
-dienst bewezen te hebben.
-</p>
-<p>En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner overplaatsing
-naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur van Binnenlandsch Bestuur in
-handen, waarin de hoop uitgedrukt werd: „dat hij als controleur van zijne degelijke
-kennis van den inboorling het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen
-bevelhebber te Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der bevolking
-te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen met meer menschenkennis,
-maar vooral met meer deferentie voor de gevoelens van zijne superieuren mocht te werk
-gaan, zullende hij in gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid
-meer te rekenen hebben.”
-</p>
-<p>„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool.
-</p>
-<p>„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering trillende stem.
-</p>
-<p>„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.… Overgeplaatst naar Atjeh!
-Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur op Java en Madoera uitgestooten!
-Eene feitelijke degradatie! Is dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt?
-Onze maatschappij is rot, ja geheel rot!”
-</p>
-<p>„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een deel dier
-maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele kuiperijen van de gezachhebbenden.
-Dat deel heet de rechterlijke macht, wie het eindelijk gelukken zal het monster van
-willekeur en onrecht te breidelen.”
-<span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span></p>
-<p>Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem Verstork keek
-hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld gelaat gleed. Hij antwoordde
-evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De
-toekomst zou zich daarmede wel in zijne plaats belasten.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was, verkeerde op
-den gezegden morgen in rep en roer.
-</p>
-<p>Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen op de „brengbreng”<a class="noteRef" id="xd30e7363src" href="#xd30e7363">3</a> te ranselen en trok door dat ongewone geluid de Inlandsche bevolking, rondom zich<span class="corr" id="xd30e7369" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags te voren aangekomen
-waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand te leggen aan het uitstallen van
-het meubilair, dat straks verkocht zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt,
-daar eene kast anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht
-gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne vrienden uit, dat,
-na het adverteeren, de uitstalling de koopers het meest verlokt.
-</p>
-<p>Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het viertal de vertrekken
-door, en bewonderde hunne beschikkingen, die vooral in de achtergalerij, waar het
-tafelservies, glaswerk en kristal smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen.
-</p>
-<p>„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet meenen zou,
-zich te midden van het huishouden van een jonggezel te bevinden. Willem, ik voorspel
-je eene prachtige vendutie!”
-</p>
-<p>De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd.
-</p>
-<p>Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit een daarvan stapte
-de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe. Na de gebruikelijke buiging:
-<span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span></p>
-<p>„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het verschijnen van
-het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!</span>” (misschien, mijnheer; maar, ik heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen
-glimlach.
-</p>
-<p>„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „<span lang="ms">boleh bekin broeang!</span>”<a class="noteRef" id="xd30e7390src" href="#xd30e7390">4</a> (gij kunt beeren maken).
-</p>
-<p>Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep, maar antwoordde
-niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede rijtuig, een ruime tentwagen, was
-een lid van de firma Gladbach en C<sup>o</sup>. met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe.
-</p>
-<p>„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor.
-</p>
-<p>„Wat is er?”
-</p>
-<p>„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op uwe vendutie
-te koopen.”
-</p>
-<p>„Van wien?”
-</p>
-<p>„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend.
-</p>
-<p>Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen, wanneer zij den verkooper
-goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst verlevendigen. Hunne onthouding dreigde
-nu een ramp te worden. Verstork zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die
-nu gevaar liep voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet
-door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan zijne dierbaren
-daar ginds, die.…
-</p>
-<p>Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans volgden de
-rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens, milords, reiswagens, dos
-à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren), stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning
-op, en ontlaadden hunnen last op het perron der voorgalerij. <span class="corr" id="xd30e7415" title="Bron: Talijke">Talrijke</span> ruiters en ook wandelaars van de naburige landgoederen <span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span>verschenen, en het kostte den oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te
-doen blijven, om de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te noodigen
-naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der Europeesche samenleving in
-Indië waren daar vertegenwoordigd. Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters,
-suiker- en indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners<span class="corr" id="xd30e7420" title="Bron: .">,</span> handelaren, assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten, rechters,
-procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz. enz. Het was alsof geheel
-Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was. Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats.
-Zelfs was er geen enkel huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen
-de resident Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone
-standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar Banjoe Pahit
-gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat bericht, maar innerlijk met verbeten
-woede.
-</p>
-<p>De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te laten weerklinken.
-</p>
-<p>Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de ambtenaren van
-het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en schrijvers van het residentie-bureau.
-Die hadden geen verlof tot dat uitstapje kunnen bekomen.
-</p>
-<p>Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene bescheidenheid, de Javaansche
-bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje
-te nemen in de woning van een blanken.
-</p>
-<p>Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk.
-</p>
-<p>Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en plichtplegingen onder
-elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen. Het stuitte hem tegen de borst op zijne
-eigene vendutie tegenwoordig te zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche
-priester) met wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken
-had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en Grenits naar Santjoemeh
-rijden.
-</p>
-<p>Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en Co. den vendumeester
-eenige woorden <span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>toefluisterde, en deze aan een zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop
-liet de brengbreng zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken
-volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een tiental minuten,
-daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een aanvang.
-</p>
-<p>Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie bloemen in sierlijke
-potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der galerij. Die zouden het eerst aan de
-beurt zijn.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doewablas tampat kembang!</span> Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager, terwijl de venduschrijver zich gereed
-maakte de noodige aanteekeningen te maken. „<span lang="ms">Siapa taro oeang?</span> Wie biedt er geld op?”.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Satoe roepiah!</span>” (een gulden) riep eene stem.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Satoe roepiah!… Satoe roepiah!</span>” herhaalde de venduafslager met langgerekte en eentonige stem.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Satoe stengah!</span>” (een en een half) antwoordde eene andere stem.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Saatoe stengaah!</span>” herhaalde de afslager.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doea roepiah!… Tiga roepiah!… Ampat roepiah!… Lima roepiah!</span>” (twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de opbiedingen achtereenvolgens.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!</span>” (vijf gulden is geboden) dreunde de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar
-de bieders gewend te hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Delapan roepiah!</span>” (acht gulden) riep deze.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Delaapaan roepiaah!</span>” herhaalde de echo. „<span lang="ms">Delaapaan roepiaah, di tawar!</span>”
-</p>
-<p>Dat opende weer het vuur.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Dan stali!</span>” (en nog een kwartje) bood er een.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Delaapaan roepiaah, staali!</span>”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Delapan stenga!</span>” (acht en een half).
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Delapan tiga tali!</span>” (acht drie kwart).
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sembilan roepiah!</span>” (negen gulden).
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sembiiilaan roepiaah!</span>”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sapoeloeh!… Sablas!… Doeablas!… Tigablas!</span>” (Tien, elf, twaalf, dertien).
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!</span>”
-</p>
-<p>„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!” klonk eene
-stem.
-<span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span></p>
-<p>„<span lang="ms">Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!</span>” (eenmaal).
-</p>
-<p>„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Tiigablaas!… doea kali!</span> (tweemaal).
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Ampatblas!… Limablas!</span>” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Liimaablaas roepiaah, di tawar!</span>”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doeapoeloeh roepiah!</span>” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed verstommen.
-</p>
-<p>„Een mooi bod,” mompelde Grenits.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!… satoe kali!… Doeaapoeloeoeh roepiaah!…
-doea kali!… Doeaapoeoeloeh roepiaah!… tiga kali …</span>”
-</p>
-<p>Boem! daar viel de hamer.
-</p>
-<p>„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver.
-</p>
-<p>„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig uitzag, en dan ook
-oud eerste luitenant was.
-</p>
-<p>„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte.
-</p>
-<p>„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.”
-</p>
-<p>„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester.
-</p>
-<p>„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie maanden crediet.”
-</p>
-<p>„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement nebben.”
-</p>
-<p>„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie beveelt dat?”
-</p>
-<p>„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de vendumeester.
-</p>
-<p>„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!”
-</p>
-<p>„Betaalt gij comptant?… Niet?…” ging de vendumeester voort, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>dan dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten andermaal geveild
-worden.”
-</p>
-<p>De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood geworden bij die
-onverwachte en noodelooze beleediging.
-</p>
-<p>„<span class="corr" id="xd30e7583" title="Bron: Luitenand">Luitenant</span> Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit.
-</p>
-<p>De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier dan de eerste
-waren, bracht echter geen<span id="xd30e7588"></span> rijksdaalder op. Blijkbaar waren alle aanwezigen onder <span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span>den indruk van de schandelijkheid, die daar gepleegd werd<span class="corr" id="xd30e7592" title="Niet in bron">.</span> Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras raadpleegde hij Van Nerekool en
-eenige landheeren, die in de nabijheid stonden. Toen het derde dozijn bloempotten
-zou geveild worden, riep een breedgeschouderde heer uit:
-</p>
-<p>„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder weerga beproefd,
-die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te verijdelen. Voor ieder, die
-op deze vendutie wenscht te koopen en in de termen valt om borgtocht te moeten stellen,
-bieden wij ons tot borg aan!”
-</p>
-<p>„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet.
-</p>
-<p>„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?”
-</p>
-<p>Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen?
-</p>
-<p>Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht reeds tachtig
-gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is waar Grenits had bij het opveilen
-van die partij uitgeroepen:
-</p>
-<p>„Crotons! Prachtige mooie Crotons,<a class="noteRef" id="xd30e7601src" href="#xd30e7601">5</a> waaronder de <span lang="ms">Adal adal</span>, de Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op? Ik zet
-ze in voor zestig gulden!”
-</p>
-<p>Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig … tachtig … negentig gulden! Hooger!
-Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt waren. De gelukkige verwerver ontving
-een algemeen hoerah, en menigen handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij
-getrokken hadde.
-</p>
-<p>Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten, spiegels, schilderijen,
-enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge prijzen. Het was in waarheid een stormloop,
-waarbij ieder der aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men
-zag daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de prijzen zoo hoog
-liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs bereikbaar waren.
-</p>
-<p>In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt.
-<span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span></p>
-<p>„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager.
-</p>
-<p>Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het stuk, in Indië
-met een kwartje goed betaald waren.
-</p>
-<p>„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager.
-</p>
-<p>„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik bij ondervinding!”
-</p>
-<p>„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat drankzetje staat eene
-karaf met bitter!”
-</p>
-<p>Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig.
-</p>
-<p>„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem.
-</p>
-<p>„Welk bitter is het?”
-</p>
-<p>„Maagdbitter!” riep een sienjo.
-</p>
-<p>„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh.<a class="noteRef" id="xd30e7629src" href="#xd30e7629">6</a>
-</p>
-<p>„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten.
-</p>
-<p>„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je gezondheid met
-je pahit prawan!”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang?</span><span id="xd30e7643"></span> Die een koopt, koopt twaalf! <span lang="ms">Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!</span>” dreunde de venduafslager.
-</p>
-<p>„Een ringgiet!” riep Grenits.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!</span>”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Tiga!<span class="corr" id="xd30e7658" title="Bron: ..">…</span> Ampat!… Lima!… Anam!</span>” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk het achtereenvolgens met de grootste snelheid.
-Het was den venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met
-het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Aanaam roepiaah, di tawar!</span>” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Toedjoeh!… Delapan!…</span>” (zeven … acht).
-</p>
-<p>„Een tientje!” riep Grenits<span class="corr" id="xd30e7674" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Saapoeloeh roepiaah!</span>” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm. Hij had wel andere kunststukken
-op dat gebied in zijn leven gezien.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?</span>” (Bieden de heeren niet hooger).
-<span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span></p>
-<p>„Me dunkt!” prevelde er een.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali.… Saapoeoeloeh roepiaah! doea
-kali.… Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!</span>”
-</p>
-<p>Boem!
-</p>
-<p>„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden. Wat moet de
-pahit daaruit lekker smaken!”
-</p>
-<p>„Vooral pahit prawan!”
-</p>
-<p>„Schenk dan nog eens in!”
-</p>
-<p>Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde klapperdop,
-om zich water in de badkamer mede over het lichaam te storten, bracht vijf en twintig
-gulden op.
-</p>
-<p>De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later, de venduschrijver
-het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de controleurswoning gevaar in te storten
-door het gejuich, dat onder haar dak opging.
-</p>
-<p>„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd; toen hij daarvan
-mededeeling kreeg.
-</p>
-<p>„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!”
-</p>
-<p>En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits de hand.
-</p>
-<p>„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het oor.
-</p>
-<p>Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan boord van de <i>Tambora</i>, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol
-nam hij afscheid van de getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden.
-</p>
-<p>„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe.
-</p>
-<p>Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig mogelijk verzilverd,
-en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer groot gedeelte van die som aan
-zijne moeder af, met aanbeveling niet roekeloos met dat geld om te springen, daar
-het wel eens zou kunnen gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag
-zijner maandelijksche toelage zou moeten verminderen.
-</p>
-<p>Toen de <i>Tambora</i> de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem van uit een „tambangan” (sloep)
-op de reede van Santjoemeh na.
-</p>
-<p>„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en wischte zich
-een traan uit het oog.
-<span class="pageNum" id="pb2.1">[<a href="#pb2.1">1</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e7206">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7206src">1</a></span> <i>Nontonnende.</i> Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te verstaan gegeven wordt: buiten
-gade te slaan, te zien of te hooren, wat binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij
-concerten, opera’s, receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek
-buiten dan binnen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7206src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7327">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7327src">2</a></span> Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7327src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7363">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7363src">3</a></span> <i>Brengbreng</i> is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen<span id="xd30e7366"></span> wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken wordt bij
-oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7363src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7390">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7390src">4</a></span> <i lang="ms">Broeang</i> beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen. <span lang="ms">Bekin broeang</span>, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is, zou gelijk staan of een Hollander
-tegen een Franschman van <i lang="fr">faire des ours</i> gewaagde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7390src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7601">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7601src">5</a></span> <i>Crotons</i><span class="corr" id="xd30e7603" title="Niet in bron">.</span> De <span lang="ms">Adal adal</span> wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium, de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla:
-Rothlera tinctoria of C. Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7601src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7629">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7629src">6</a></span> <i>Tottokh</i> is de benaming van de blanken, die niet in <span class="corr" id="xd30e7632" title="Bron: Ned.-Indie">Ned.-Indië</span> geboren zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7629src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e826">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIII.</h2>
-<h2 class="main">Eene verhinderde landraadzitting.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon<a class="noteRef" id="xd30e7725src" href="#xd30e7725">1</a> te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats van het gewest
-de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang na al het gebeurde, wat in
-de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een rijtuig stil, en stapte een man er uit,
-die op het gezicht van de vrij talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het
-luchtige gebouw bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig
-het perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende.
-</p>
-<p>Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen was, om op den
-gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte, welke zich voor de pandoppo
-verzameld had, waren meerendeels Javanen. Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk
-de aandacht van den rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger
-zoo gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s<a class="noteRef" id="xd30e7733src" href="#xd30e7733">2</a> onder de Wariengien’s der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw
-om de Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij daar niet
-dan geboeid of door een paar politiedienaren <span class="pageNum" id="pb2.2">[<a href="#pb2.2">2</a>]</span>geëscorteerd, dus als beschuldigde, misdadiger of getuige.
-</p>
-<p>Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en allen wachtten
-in spanning de dingen, die komen zouden.
-</p>
-<p>„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn bij het binnenkomen
-aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo ontmoette.
-</p>
-<p>Deze, een Inlandsch kind,<a class="noteRef" id="xd30e7742src" href="#xd30e7742">3</a> keek bij die vraag eenigszins vreemd op.
-</p>
-<p>„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die menigte hier te
-zamen brengen?”
-</p>
-<p>„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de substituut niet
-zonder aarzeling.
-</p>
-<p>„Wat afloopen?”
-</p>
-<p>„Wel, de terechtzitting, mijnheer.”
-</p>
-<p>„De terechtzitting?… Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?”
-</p>
-<p>De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak.
-</p>
-<p>„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met haperende stem.
-</p>
-<p>„Wat er omgaat?… Wat gaat er dan om?”
-</p>
-<p>De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal waas verspreidde
-zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat.
-</p>
-<p>„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem.
-</p>
-<p>„De Inlandsche leden.… van den landraad … hebben een brief van den resident ontvangen,”
-kwam er hakkelend uit.
-</p>
-<p>„Een brief?… De Inlandsche leden?… Maar, wat behelst die brief? Spreek dan toch!”
-</p>
-<p>„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den landraad.”
-</p>
-<p>„Verbod, om met mij zitting te nemen!… Scheelt het u in het hoofd, mijnheer Thomasz?”
-</p>
-<p>„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een pijnlijken glimlach.
-„Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is ook.…”
-</p>
-<p>„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?…”
-<span class="pageNum" id="pb2.3">[<a href="#pb2.3">3</a>]</span></p>
-<p>„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den hoofddjaksa verstrekt;
-zoodat …”
-</p>
-<p>„Zoodat?”
-</p>
-<p>„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.”
-</p>
-<p>„Hoe is het mogelijk?…” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge wat, mijnheer Thomasz.
-Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede dadelijk naar die Inlandsche leden, ook
-naar de Chineesche adviseurs en naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat
-zij komen moeten! Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!”
-</p>
-<p>„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn onmiddellijke
-chef,” antwoordde de substituut.
-</p>
-<p>„Goed! Haast u dan.”
-</p>
-<p>Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo opgewonden
-op en neer.
-</p>
-<p>„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en mocht niet veronderstellen,
-dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die
-ik ben! Toen ik weken geleden die opdracht van den resident ontving, om de volgorde
-van de aanhangige gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg
-ik wel inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken willekeur
-zou durven overgaan.…. Zelfs toen ik acht dagen geleden de schriftelijke verklaring
-van den resident ontving, dat ik niet meer bevoegd was om den landraad voor te zitten,
-omdat mij een verlof naar Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke
-wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren berichtte,
-dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische rechterlijke organisatie verleende
-bevoegdheid wenschte gebruik te maken, om de eerste landraadzitting te presideeren.
-Beide aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde ze dus
-niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om op zoo ergerlijke wijze
-met de wettelijke bepalingen om te springen. Want, dwaas is het, een artikel van eene
-verouderde organisatie, die vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om
-afzonderlijke <span class="pageNum" id="pb2.4">[<a href="#pb2.4">4</a>]</span>rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen, te baat te willen
-nemen. Maar.…. wat is er toch aan de hand?” vroeg hij zich af.
-</p>
-<p>En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op de groene tafel
-had neergelegd, las hij op de agenda de eerst voorkomende gedingen, en mompelde zijne
-opmerkingen daarachter:
-</p>
-<p>„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!… Arm volk, dat gedwongen
-wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie mag drinken, en zich met het aftreksel
-van koffiebladeren moet tevreden stellen!”
-</p>
-<p>„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in het openbaar
-gedragen te hebben.… Bespottelijk, die ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur! zoo iets
-is heiligschennis in hun oogen!”
-</p>
-<p>„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd.… Beter dan het wicht
-in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa bij dergelijke ongevallen gewoonlijk
-gebeurt.”
-</p>
-<p>„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en.. ver..won..ding.. van..
-een.. po..li..tie.. op..pas..ser.…. Ik geloof, dat ik er ben! Daar gaat me een licht
-op … En die tweede zaak:
-</p>
-<p>„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.…. Ardjan!.. de verloofde van baboe
-Dalima.”
-</p>
-<p>En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende op zijn agenda,
-gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde tellen, daarna bleef hij in
-gedachten verzonken, en bracht den wijsvinger aan het voorhoofd.
-</p>
-<p>„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog zoo met me besproken
-heeft! En.… overmorgen vertrek ik naar Nederland.… Maar, neen, de terechtzitting zal
-heden plaats hebben! Het koste wat het wil!… Wij zullen zien!”
-</p>
-<p>Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde. Hij zou zien,
-dat de zitting niet plaats zou hebben.
-</p>
-<p>Zoover met zijne alleenspraak <span class="corr" id="xd30e7788" title="Bron: geokmen">gekomen</span>, ging de deur open, en verschenen de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste
-Javaansche hoofden van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden
-leden van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, <span class="pageNum" id="pb2.5">[<a href="#pb2.5">5</a>]</span>alsook de hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de hand.
-Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan Mr. Zuidhoorn medegedeeld,
-namelijk: dat de resident hen verboden had, om de zitting bij te wonen. Zij waren
-evenwel opgekomen, nu de Kandjeng toean rakker hen opgeroepen had.
-</p>
-<p>„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke ambtenaar.
-</p>
-<p>De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet. Radhen Ngahebi
-evenwel zeide:
-</p>
-<p>„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam toen van den
-Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland verkregen te hebben, het recht
-niet meer heeft, om den landraad voor te zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.”
-</p>
-<p>Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de Inlandsche hoofden
-geen woord, dat aan het prestige van den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag
-in de residentie te kort zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben;
-want na de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede met
-een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel”<a class="noteRef" id="xd30e7799src" href="#xd30e7799">4</a> betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter zitting verschenen.
-</p>
-<p>Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan den voorzitter
-en de leden van den landraad gebracht te hebben, mededeelde, dat hij heden ochtend
-bij den resident geroepen was geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had,
-de zitting van den landraad niet bij te wonen.
-</p>
-<p>„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u, mijnheer Zuidhoorn,
-ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo eindigde hij zijne betuiging, terwijl
-hij voor zijn chef diep boog.
-</p>
-<p>„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te geven. Gij
-bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij zelf moet weten, wat gij
-<span class="pageNum" id="pb2.6">[<a href="#pb2.6">6</a>]</span>te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben stellig van plan zitting te nemen, en daar
-nu de raad voltallig is, wil ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats
-te nemen.”
-</p>
-<p>Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen hamer reeds ter
-hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de achterdeur van de pandoppo openging,
-en de secretaris der residentie in de omlijsting daarvan verscheen. De man was in
-ambtsgewaad, terwijl, omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen
-residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende in naam van
-den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te verwaardigen, begon de secretaris:
-</p>
-<p>„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi Wirio Kesoemo<span class="corr" id="xd30e7811" title="Bron: .">,</span> en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay en Kwee Lie Liang, hebt
-als leden, als priester en als adviseurs bij den landraad te Santjoemeh gisteren een
-schriftelijk bevelschrift van den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent
-verbod om deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident
-gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo grooten misslag
-te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet opvolgen van de bevelen van
-hem, die de vertegenwoordiger is van den Kandjeng toean <span class="corr" id="xd30e7814" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span>, die op zijne beurt te Batavia de plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari
-Tanah Nederland dan Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning
-van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat de Kandjeng
-toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten te wikken en te wegen.”
-</p>
-<p>Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr. Zuidhoorn uit,
-alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren om adem te halen. Zij durfden
-elkander niet aan te kijken, en zouden wel in den grond hebben willen verdwijnen.
-Hoe waren zij er toch toe gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven?
-Hunne ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen zijn?
-Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die onafhankelijken, <span class="pageNum" id="pb2.7">[<a href="#pb2.7">7</a>]</span>die heetten recht te moeten spreken over hunne Inlandsche ondergeschikten.
-</p>
-<p>Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed der Javaansche
-grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren peilen, en hen somwijlen in zijne
-gedachte met den hond vergeleken had, die niet zelden de hand likt, welke hem afrost,
-had medelijden met hen. Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag
-legden, ook waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met
-volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te wijten, dan
-aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille van zijn uitzuigingsstelsel
-stelselmatig gekweekt had. Na een poos rondgekeken en afgewacht te hebben, of een
-der hoofden zich wenschte te verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de
-secretaris ongeduldig nog gevraagd had:
-</p>
-<p>„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord, dat ik den Kandjeng
-toean resident moet overbrengen.”
-</p>
-<p>„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche rechterlijke ambtenaar.
-„Ik, als voorzitter van den landraad te Santjoemeh, aan wien de leden, de priester,
-en de adviseurs in zaken, dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb
-heden ochtend pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen.
-Die leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de bevelen van hunnen
-onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele verantwoordelijkheid komt op mij
-neer. Wil zoo goed zijn, heer secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede
-te deelen, en verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet
-te vertragen.”
-</p>
-<p>„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer om den landraad
-voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen hetgeen hier gebeurt, en het
-voorzitterschap opeischen voor den resident, die het zelf en heden nog wenscht uit
-te oefenen.”
-</p>
-<p>„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat met u te treden
-over mijne rechten. Gij kunt aan den resident antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel
-niet afsta. Ik wensch mijn plicht tot het laatst <span class="pageNum" id="pb2.8">[<a href="#pb2.8">8</a>]</span>nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid
-te ontslaan, opdat hij zijne werkzaamheden kunne beginnen.”
-</p>
-<p>„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des secretaris
-mond.
-</p>
-<p>„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris. Deurwaarder, zorg
-dat de zitting ongestoord kan geopend worden!”<a class="noteRef" id="xd30e7833src" href="#xd30e7833">5</a>
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die boodschap kreeg. In
-de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij van het residentiehuis op en neer,
-waarbij hem de secretaris als een hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid
-niet bij kon houden<span class="corr" id="xd30e7850" title="Bron: ,">.</span>
-</p>
-<p>„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die hoon! Ik zal
-hem wreken! Maar—wat te doen?… Intusschen gaat de raad zijn gang, en volgt waarschijnlijk
-vrijspraak!… Die lui van de rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar
-valt mij iets in.… een kompagnie soldaten.… Ik zal ze met de bajonet als een troep
-meeuwen uit elkander laten jagen!”
-</p>
-<p>Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke Buonepartsche maatregelen
-niet erg met het Nederlandsche volkskarakter strooken,—om den militairen kommandant
-per briefje te verzoeken bij hem te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep
-hij met zoo’n stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de <span class="corr" id="xd30e7856" title="Bron: opoppassers">oppassers</span> en het geheele dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat
-er onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden heldhaftig
-hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in die krijgshaftige houding
-de dingen af, die komen zouden. Ook de schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar
-kokkie de geheimzinnige bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren
-zat, <span class="pageNum" id="pb2.9">[<a href="#pb2.9">9</a>]</span>was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare onbescheiden kabaja
-trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in, met den uitroep:
-</p>
-<p>„Wat is er? Wat is er?”
-</p>
-<p>Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had kunnen afgeven,
-beklom de substituut-griffier bij den landraad de treden der galerij. Op dat gezicht
-vloog Van Gulpendam, wel kunnende bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld
-niet kunnende bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig:
-</p>
-<p>„Wat is er, mijnheer Thomasz?”
-</p>
-<p>„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is, en zijne zitting
-tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.”
-</p>
-<p>„Wat?… uit elkander gegaan?… Na het gebeurde met den secretaris?… Hebben de leden
-geweigerd zitting te nemen?… O, die trouwe hoofden!”
-</p>
-<p>„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd zitting te nemen.”
-</p>
-<p>„Niet?… Wat is er dan gebeurd?”
-</p>
-<p>„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden sprak: „Deurwaarder,
-zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek het, dat de deurwaarder verdwenen was.”
-</p>
-<p>„De deurwaarder verdwenen?”
-</p>
-<p>„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.”
-</p>
-<p>Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen.
-</p>
-<p>„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de secretaris tusschenbeide,
-„een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn en de leden van den landraad te sommeeren,
-het lokaal te ruimen.”
-</p>
-<p>„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Keurt u hem af, resident?”
-</p>
-<p>„Ik!… Integendeel, maar wat gebeurde er verder?”
-</p>
-<p>„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de secretaris voort,
-„zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.”
-</p>
-<p>„En toen?” vroeg de resident.
-<span class="pageNum" id="pb2.10">[<a href="#pb2.10">10</a>]</span></p>
-<p>„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.”
-</p>
-<p>„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder gebeurde?”
-</p>
-<p>„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier, „stamelde hij
-eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn
-geen notitie meende te moeten nemen. Hij liet den hamer neervallen, om de zitting
-te openen, en verzocht den hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak
-in te brengen.…”
-</p>
-<p>„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude vrouw.”
-</p>
-<p>„En verder?”
-</p>
-<p>„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote oogen; want
-de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op eenigen afstand van den voorzitter
-gezeten was, was nu op zijne beurt verdwenen.”~
-</p>
-<p>„Verdwenen?”
-</p>
-<p>De heer Van Gulpendam schaterde het uit.
-</p>
-<p>„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij. „Mijnheer Thomasz,
-gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar verder? Laat vieren je loglijn!”
-</p>
-<p>„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der hulpdjaksa’s werd toen
-geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te voren allen in de pandoppo aanwezig waren,
-kostte het moeite om er een te ontmoeten.”
-</p>
-<p>„Dus werd er toch een gepraaid?”
-</p>
-<p>„Ja, resident.”
-</p>
-<p>„Hoe jammer!”
-</p>
-<p>Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks.
-</p>
-<p>„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk.
-</p>
-<p>„Hoe dat zoo? Vertel op.”
-</p>
-<p>„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats moest vervullen
-van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige gepreste zoo’n aanval van buikpijn …”
-</p>
-<p>„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident <span class="corr" id="xd30e7904" title="Bron: opgewonpen">opgewonden</span>. „Kostelijk! Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?”
-<span class="pageNum" id="pb2.11">[<a href="#pb2.11">11</a>]</span></p>
-<p>„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en zich in allerlei
-bochten wrong.”
-</p>
-<p>„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!”
-</p>
-<p>„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën gebogen, op
-een drafje wegliep.”
-</p>
-<p>„Met beide handen voor den buik!… Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!”
-</p>
-<p>„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus toeknepen. Zij meenden,
-dat de gevolgen van die plotseling ingetreden buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.”
-</p>
-<p>„Stop!… mijnheer Thomasz!… ha, ha, ha!… Ankeren!… Gij doet mij in katzjammer vallen
-van het lachen.”
-</p>
-<p>De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne ambtelijke loopbaan
-had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende aangemoedigd te worden en dus te moeten
-voortgaan.
-</p>
-<p>„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.”
-</p>
-<p>„Niet? Nu loop dan van stapel.”
-</p>
-<p>„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn. Dat hadt ge
-moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en met starren blik keek hij
-over zijn bril, dien hij heel laag op den neus had hangen, den vluchtenden djaksa
-na, terwijl hij in zijne toga er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal,
-en hem zijne barret in den nek stond.”
-</p>
-<p>„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een kostelijk verteller,
-mijnheer Thomasz.”
-</p>
-<p>De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment.
-</p>
-<p>„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar.
-</p>
-<p>„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen deurwaarder. De zitting
-kon geen voortgang hebben. De leden van den raad keken glimlachend op hunne horlogiën,
-wat eene duidelijke vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets
-te zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te laten vallen,
-en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb ik mij hierheen gespoed,
-om u bericht te brengen.”
-</p>
-<p>„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten goeden tijd uwe
-toewijding herinneren.”
-<span class="pageNum" id="pb2.12">[<a href="#pb2.12">12</a>]</span></p>
-<p>En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den secretaris, die
-het geheele gesprek met over elkander geslagen armen aangehoord had:
-</p>
-<p>„Het doel is dus bereikt!… Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat alle stukken bij
-tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad presideeren.”
-</p>
-<p>„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking veroorlooven?”
-</p>
-<p>„Laat vieren je schoot, secretaris.”
-</p>
-<p>„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.”
-</p>
-<p>„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te branden?”
-</p>
-<p>„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer Zuidhoorn uwe bevelen
-weerstreefd en zoo de zitting van heden onmogelijk gemaakt heeft …”
-</p>
-<p>„Verder; loop van stapel.”
-</p>
-<p>„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten hebben, niet
-waar?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.”
-</p>
-<p>De secretaris krabde zich achter het oor.
-</p>
-<p>„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?”
-</p>
-<p>„Van Meidema?<span class="corr" id="xd30e7942" title="Bron: ..">…</span> „Wat heeft die met de zaak te maken?”
-</p>
-<p>„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij aanzienlijk. Ik meen,
-dat hij eenigermate rekent op de emolumenten, voortspruitende uit de verbeurdverklaring,
-die noodwendig op het rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.”<a class="noteRef" id="xd30e7947src" href="#xd30e7947">6</a>
-<span class="pageNum" id="pb2.13">[<a href="#pb2.13">13</a>]</span></p>
-<p>„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?”
-</p>
-<p>„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin, en het is te
-Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te komen. Het zou mij zelfs
-niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat zoo’n buit zeer goed te stade zoude
-komen.”
-</p>
-<p>„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen verzetten zich daartegen.”<a class="noteRef" id="xd30e7964src" href="#xd30e7964">7</a>
-</p>
-<p>„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, <i lang="fr">il y a des accommodements avec le ciel</i>, en bijgevolg ook.…”
-</p>
-<p>„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift.
-</p>
-<p>„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo iets gezocht
-werd;.… bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de eigenlijke aanbrengster. Als
-die nu, om haren Ardjan te redden, haar aandeel, van welks waarde zij geen begrip
-heeft, aan een derden afstond.…”
-</p>
-<p>De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach:
-</p>
-<p>„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema niet zeker
-zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd verklaarde tjandoe hem
-lenig als zeilgaren moeten maken.”
-</p>
-<p>„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt; maar verlies
-artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou er op durven zweren, dat
-Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want in het proces-verbaal van aanhaling,
-door hem als hoofd der plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd,
-dat de in beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar dat
-de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab, die onmogelijk
-dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door de golven stuk geslagen werd;
-terwijl de verpakking van de aangehaalde tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht
-in aanraking geweest te zijn.”
-</p>
-<p>„Staat dit in dat proces-verbaal?”
-</p>
-<p>„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i> in den bewusten nacht op de kust gezien is, en dat vermeend wordt, <span class="pageNum" id="pb2.14">[<a href="#pb2.14">14</a>]</span>dat de barkas van de <i>Matamata</i> jacht op de sloep van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.”
-</p>
-<p>„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst ernstig.
-</p>
-<p>„Ja, resident.”
-</p>
-<p>„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar meer dan hij
-sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat proces-verbaal van den heer
-Meidema, zoodra het op het residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en
-verder een der oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk
-bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van Financiën
-met betrekking tot die gerezen kwestie met den Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.”
-</p>
-<p>Dat was een „gij kunt gaan” in <span class="corr" id="xd30e7992" title="Bron: optimâ">optima</span> forma.
-</p>
-<p>Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van 1874 op.
-</p>
-<p>„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij<span class="corr" id="xd30e7999" title="Bron: ,">.</span> „Laat zien.…. Oho!<span class="corr" id="xd30e8002" title="Bron: ..">…</span> Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de overtredingen.… En … als ik
-bedenk, hoezeer Meidema op den avond van het gebeurde, de waarde van den aangehaalden
-tjandoe uitmeette, dan.… ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris
-in het ware kielwater is.…”
-</p>
-<p>Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de voorgalerij op en neder.
-</p>
-<p>„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij berokkend door
-dien Van Nerekool!.… O! als Anna toch gewild had!”
-<span class="pageNum" id="pb2.15">[<a href="#pb2.15">15</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e7725">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7725src">1</a></span> Aloon-aloon. Zie daaromtrent de <a href="#n94.3">aanteekening</a> op bladz. 94 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7725src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7733">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7733src">2</a></span> Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de Inlandsche machthebbenden,
-die door de Nederlanders Regenten genoemd worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7733src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7742">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7742src">3</a></span> Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd van een Europeeschen
-vader en eene inlandsche moeder.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7742src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7799">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7799src">4</a></span> Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de Inlandsche verbastering
-van het woord rechter, waarvan de Chineezen wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden
-om de r uit te spreken, lakkel maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7799src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7833">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7833src">5</a></span> Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de brochure:
-</p>
-<p class="footnote cont"><i>Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de <span class="corr" id="xd30e7838" title="Bron: Nederlandsch Indische">Nederlandsch-Indische</span> rechterlijke ambtenaren</i> in de <a href="#n75.1">aanteekening</a> op bladz. 75 van het 1ste deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen,
-hoe stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik gaarne.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7833src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7947">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7947src">6</a></span> Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura (Ordonnantie dd.
-25 September 1874 Stbl. v. <span class="corr" id="xd30e7950" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> N<sup>o</sup>. 228) luidt als volgt:
-</p>
-<p class="footnote cont">„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art. 22 uit ’s
-lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd en voldaan ter zake van
-overtredingen van dit reglement, worden onverwijld, nadat de veroordeeling kracht
-van gewijsde zaak heeft bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van
-het Inl. regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de verbeurd
-verklaring wordt berust, verdeeld als volgt:
-</p>
-<p class="footnote cont">a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7​; b) aan den aanhaler of de aanhalers 2⁄7​;
-c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en het doen der aanhaling hebben
-medegewerkt 1⁄7​; blijvende … enz.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7947src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e7964">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7964src">7</a></span> Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e7964src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e835">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIV.</h2>
-<h2 class="main">Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Neen, Anna had niet gewild.
-</p>
-<p>Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek, tot hunne <span class="corr" id="xd30e8016" title="Bron: zamenzwering">samenzwering</span> over te halen, en haren invloed op Van Nerekool uit te oefenen, antwoordde zij even
-beslist: „nooit!” als Karel dat op den bewusten partijavond in den residentstuin aan
-mevrouw Van Gulpendam gegeven had.
-</p>
-<p>„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk.
-</p>
-<p>„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in deze zaak afhangt.”
-</p>
-<p>„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière trachten te bevorderen.”
-</p>
-<p>„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.”
-</p>
-<p>„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot niets.”
-</p>
-<p>En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij:
-</p>
-<p>„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne gedragslijn …”
-</p>
-<p>„Mijne vereeniging!…” kreet Anna.
-</p>
-<p>„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den man, dien zij
-geboeid heeft.”
-</p>
-<p>„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te plegen?”
-</p>
-<p>„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog <span class="pageNum" id="pb2.16">[<a href="#pb2.16">16</a>]</span>wijder maken? Neen, neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch,
-namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De zijne kan
-ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten minste vlekkeloos zij als
-de herinnering aan een schoonen droom!”
-</p>
-<p>„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging, „waarom zou uw
-geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen boezem wroeten?”
-</p>
-<p>„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en mijn vader
-zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan eene vereeniging met Van
-Nerekool valt niet meer te denken …”
-</p>
-<p>„Als gij maar wildet.”
-</p>
-<p>„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne verlokkingen toegaf,
-dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder gevoel bij mij uitgedoofd zijn;
-want ik zou den man verachten, die zijn plicht ten offer bracht aan zijne liefde,
-die eene misdaad zoude plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.”
-</p>
-<p>„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader.
-</p>
-<p>„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet uitstorten, wat
-mij bezwaart, benauwt. Zooals <i>ik</i> wensch, dat de herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet
-ook <i>hij</i> verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig, deugdzaam en strikt rechtvaardig
-man in mijn hart bewaard blijve. Zou ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren
-is, te gemoet moeten treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven
-alle stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen, ik wil
-Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn trilde.
-</p>
-<p>„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem. „Ge weigert dus,
-Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?”
-</p>
-<p>„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven.
-</p>
-<p>„Gij bederft zijne carrière.”
-</p>
-<p>„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.”
-<span class="pageNum" id="pb2.17">[<a href="#pb2.17">17</a>]</span></p>
-<p>„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.”
-</p>
-<p>„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders daargesteld.”
-</p>
-<p>„Maar waarmede?” kreet Laurentia.
-</p>
-<p>„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke voorstellen deden!”
-</p>
-<p>„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan komen! Een kind,
-dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die ouders onwaard. Ik had besloten,
-om aan die dwaze liefdeshistorie, die u compromitteert, een einde te maken, dat gij
-eenigen tijd te Karang Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt
-vertrekken. Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald
-wordt.”
-</p>
-<p>„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak met die wijziging
-ingenomen zijn?”
-</p>
-<p>„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar Batavia. Zijne echtgenoote
-en dochters zijn te Karang Anjer achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer
-des huizes nog al aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een
-logé eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn. Ik ga naar
-mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk telegrafeeren. Morgen ochtend
-vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal zij door een mijner kennissen afgehaald worden,
-die haar met zijn postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal
-brengen.”
-</p>
-<p>Laurentia zuchtte.
-</p>
-<p>„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,” zei zij, en
-toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de „soesah” (moeite) dan tegen
-de verwijdering harer dochter opzag.
-</p>
-<p>„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan mij over. Morgen
-ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.”
-</p>
-<p>„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia.
-</p>
-<p>„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als onderdanige
-dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens omtrent hare ouders te
-koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.”
-<span class="pageNum" id="pb2.18">[<a href="#pb2.18">18</a>]</span></p>
-<p>Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de hoop op haar
-gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het gelaat van Anna, dat wel bleek
-zag, liet niets bespeuren van wat in haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid,
-noch overmoed was op die zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst.
-</p>
-<p>„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar zijn kantoor
-te gaan.
-</p>
-<p>„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis verlaten, om
-daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die scheiding niet uitgesproken
-hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.”
-</p>
-<p>„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne trotsche dochter?
-Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten laste van de kombuis van de familie
-Steenvlak kan blijven?” vroeg de resident, terwijl hij in eene uitdagende houding
-voor zijne dochter staan bleef.
-</p>
-<p>„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik neem voorshands
-de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet, hoe innige vriendschap mij met
-de meisjes verbindt, welke innige aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder
-koester. Wat ik later doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen,
-zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure; nimmer zal ik
-u lastig vallen.”
-</p>
-<p>„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder één cent geld?
-Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die wereld?”
-</p>
-<p>„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten aanroeren. Gij hebt
-mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn
-onderhoud te kunnen voorzien. Ik zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in
-Indië niet, zonder uw naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat
-in straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij terugdeinzen.
-En toch … maar dat is van latere zorgen …”
-</p>
-<p>„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke plannen geld
-verdienen hoofdzaak is.”
-<span class="pageNum" id="pb2.19">[<a href="#pb2.19">19</a>]</span></p>
-<p>„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik sprak er nooit
-over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu evenwel de nood dringt, ben ik
-tot spreken gedwongen. Het is twee jaren geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam
-te Gouda overleden is? Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg
-ik een briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd. In
-dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en haar leedwezen betuigde,
-dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen, deelde zij mij mede, dat zij mij per testament
-40.000 gulden vermaakt had, en dat ik bij het intreden van mijn 20<sup>ste</sup> jaar mijn recht op die som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer
-met u te spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen verrassen.
-Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en deelde mij mede, dat die som
-tegen 3½ % belegd was in staatspapieren, die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene
-niet te gelde mochten gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij
-wel niet weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien. Aanstaande
-jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal kunnen beschikken. En
-die dan leeft, die dan zorgt.”
-</p>
-<p>Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander gezet, dat de
-beide ouders, het ernstige karakter van hun kind kennende, begrepen, dat zij hier
-met een vooraf overwogen en vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent
-die erfenis, welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden
-toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed ingelicht,
-dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een beter gevoel begon zich
-van de moeder meester te maken. Een traan glinsterde in haar oog.
-</p>
-<p>„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.”
-</p>
-<p>„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij bezwaarlijk nog
-te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij dierbaar op aarde was, verloren.
-Welke ramp zou mij nog kunnen treffen? Ik <span class="pageNum" id="pb2.20">[<a href="#pb2.20">20</a>]</span>tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover mij geweest is.”
-</p>
-<p>Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde iets rauws in
-zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde meester te worden. Heerschzuchtig
-als hij was, verdrong hij evenwel dat betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter
-was dan hij, was hem ondragelijk.
-</p>
-<p>„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond verstand in strijd
-zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te zeggen hadden. Ik blijf bij mijn
-besluit: gij vertrekt morgen naar Karang Anjer.”
-</p>
-<p>„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te brengen,” sprak
-het meisje met een diep besef van eigenwaarde.
-</p>
-<p>„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen wezen,” was
-zijn laatste woord bij het heengaan.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond een tentwagen
-voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het was een van die lichte voertuigen,
-met vier paarden bespannen, waarmede de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die
-streken, welke nog misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden
-langs moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer werd op
-de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat valiesje kon niet veel
-bevatten. Anna had niets dan het hoogst noodzakelijke uit haars vaders huis willen
-meênemen, en daartoe had haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat
-dit weinige beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som,
-haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren afgeworpen had.
-Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene fluweelen of zijden japonnen,
-geen kostbaar kantwerk bevatte dat koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis
-achtergelaten. Slechts het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje,
-ziedaar wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in geslagen
-had.
-</p>
-<p>Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna <span class="pageNum" id="pb2.21">[<a href="#pb2.21">21</a>]</span>verscheen in de voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud
-gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens niets in het oog
-loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den hals, en de manchetten om de
-polsen. Maar zelfs die witte strooken zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon
-bij. Niemand vergezelde haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige
-verlichting van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den tuin
-en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een weemoedigen blik rondom
-haar op die boomen, op die struiken, op die bladeren, op die bloemen, die zooveel
-herinneringen in haar brein opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik
-was het, of zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele beweging
-der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare wang biggelde. Zij wierp
-nog een blik rondom zich, sprong toen op een struik Devonshire rozen toe, die in een
-sierlijken pot tegen de <span class="corr" id="xd30e8104" title="Bron: ballustrade">balustrade</span> der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat aan den boezem, terwijl
-zij met een snik prevelde:
-</p>
-<p>„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap vergezellen!” en was in
-een ondeelbaar oogenblik het rijtuig ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde.
-</p>
-<p>Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig zwenkte het erf
-van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en ijlde met spoed Java’s bergland
-te gemoet. Anna leunde achterover in het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan
-hare droeve gedachten over.
-</p>
-<p>Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het hoofdgebouw der residentswoning,
-die tot de voorgalerij toegang verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die
-al de bewegingen van hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de
-oogen van het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had
-haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een rauwe kreet ontwrong
-zich hare borst:
-</p>
-<p>„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!… Waar zooveel gegevens waren om gelukkig
-te zijn!… Hoe zal dat alles nog eindigen?”
-<span class="pageNum" id="pb2.22">[<a href="#pb2.22">22</a>]</span></p>
-<p>Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst schrikkelijk zou
-beantwoord worden.
-</p>
-<p>Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s binnenlanden, waar
-verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den posthouder vergunning, om onder
-zijne bamboe-verandah een poos te mogen toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij
-eene kleine nécessaire tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik
-was zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig gelaat duidelijk
-aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde, hoogst ernstig was. Maar langzamerhand
-scheen dat onderwerp haar te vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de
-diepte harer borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare
-oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier droppelden.
-</p>
-<p>Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij schreef aan
-Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij zich bevond, dat schrijven
-het innigste van haar hart blootlegde, en alleen bestemd was, om hem onder het oog
-te komen, voor wien het bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken
-zelfs van eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare beweegredenen
-te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar veel, zeer veel inspanning
-kostte.
-</p>
-<p>„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” schreef zij, „u na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten,
-welke pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij om mijne
-hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek te doen. Deze daadzaken
-gaven u eenigermate het recht om op een nader onderhoud met mij aan te dringen, en
-nopen mij thans ook, om u een laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had,
-hebt gij een gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna, en.…
-o, vergeef mij … een kind mag de daden zijner ouders niet gispen;… maar dat gesprek
-maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn vader daarmede instemde, eene vereeniging
-tusschen ons beiden onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen
-huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke <span class="pageNum" id="pb2.23">[<a href="#pb2.23">23</a>]</span>voorstellen deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig
-mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik gevoel
-mij dan ook even onbezwaard, even fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag
-bezigen,—als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds
-voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken,
-wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de gedachte te meenen
-kunnen lezen in het brein van den beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen
-werd voor een daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij
-als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met achting en deferentie
-zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts een aalmoes, aan mijne kinderlijke
-liefde toegeworpen, te moeten zien, ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat
-zou mij het leven tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen.
-</p>
-<p>„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik verspannen wordt.
-Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar Karang Anjer bij de familie Steenvlak
-ga logeeren. Mijn vader heeft het genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal
-gekomen zijn. Welnu ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste
-stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen zal? Vriend,
-dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar Australië zal trachten
-te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen
-zal, spoorloos verdwijnen …; want zelfs.… de naam van Van Gulpendam is mij ondragelijk.
-</p>
-<p>„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer genoemd zal
-worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan nietwaar zult gij met uw edel
-karakter nog wel eene gedachte wijden aan het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich
-zoo gelukkig geacht zoude hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie
-dat geluk niet weggelegd was.
-</p>
-<p>„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren geheelen toestand.
-Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de oorzaken, dan gij. Maar, <span class="pageNum" id="pb2.24">[<a href="#pb2.24">24</a>]</span>nietwaar, ter wille van mij zult gij die rampzalige niet aan haar lot overlaten! O,
-voor die voorgewende opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat
-weet ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer het opiumzaken
-geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt haar de hand boven het hoofd.
-Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije voeten komt, in den poel van ellende verzinken,
-waarin hare rampzalige rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig
-met de Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn.
-</p>
-<p>„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik kan u niet verzoeken
-mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms eene gedachte over te hebben, voor
-haar, die zich slechts met haar voornaam durft te onderteekenen:
-</p>
-<p class="signed">„ANNA.”
-</p>
-<p>Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem behoorlijk
-verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De post in die streken werd
-slechts tweemalen per week verzonden.
-</p>
-<p>Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de zon toch reeds
-ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats bereikte. Anna nam haren intrek
-in het eenige hotel aldaar, en na een weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid
-als zij was, rusten en viel gelukkig weldra in een vasten slaap.
-</p>
-<p>Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim 36 palen<a class="noteRef" id="xd30e8136src" href="#xd30e8136">1</a> dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer te bereiken. De weg was
-evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij tegen het middaguur te midden der lieve
-familie zat, die hare aankomst met ongeduld verbeid had.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal onmisbaar, naar
-het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de secretaris vertrokken was, had de
-resident Van Gulpendam gezucht:
-<span class="pageNum" id="pb2.25">[<a href="#pb2.25">25</a>]</span></p>
-<p>„O, als Anna toch gewild had!”
-</p>
-<p>Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en wegende, wat had
-kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna verlokt, als gedwee volgeling van
-het hoofd van gewestelijk bestuur, tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd
-<span class="corr" id="xd30e8147" title="Bron: wordea">worden</span>.
-</p>
-<p>„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien noord-wester stoker
-wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree brengen! Maar … waarop doelde toch de
-secretaris met de aanhaling van dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde
-hij ook weer?… O ja … nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien hij tusschen
-eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven zijn schrijflessenaar teruggeplaatst
-had, bladerde hij daar een poos met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep:
-</p>
-<p>„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.… „Alle overtredingen der bij dit reglement
-gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft
-met eene boete van <i>een duizend</i> tot <i>tienduizend gulden</i> voor elke hoeveelheid van <i>honderd katies</i> opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd, en <i>een honderd gulden</i> voor <i>elke katie</i> meer.”.… Drommels!… Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!… Zoo, komt de stroom uit
-dien hoek?… Dan zullen wij nog een tuianker moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht …
-Maar.…”
-</p>
-<p>„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer assistent vraagt om
-den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der oppassers, den heer Meidema aandienende.
-</p>
-<p>„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel.
-</p>
-<p>„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den heer secretaris,
-die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.”
-</p>
-<p>„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten … Ik heb kennis bekomen van het proces-verbaal
-omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing aangehaald, maar tot mijne bevreemding
-zijn de daadzaken der aanhaling niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.”
-</p>
-<p>„Niet, resident?”
-<span class="pageNum" id="pb2.26">[<a href="#pb2.26">26</a>]</span></p>
-<p>„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden avond van de
-aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn ondergeschikten scherp aankeek.
-</p>
-<p>„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.”
-</p>
-<p>„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met getuigen, dat de opium
-bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent gij toen ook te beamen.”
-</p>
-<p>„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken meening te weerspreken.
-Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te stellen.”
-</p>
-<p>„En?”
-</p>
-<p>„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij neergelegd zijn in
-mijn proces-verbaal, als hoofd der politie afgegeven.”
-</p>
-<p>„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?”
-</p>
-<p>„Met uw permissie, resident? Dat.…”
-</p>
-<p>„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?”
-</p>
-<p>De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag niet, althans
-hij vervolgde:
-</p>
-<p>„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.”
-</p>
-<p>„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne stembuiging. „Maar ik
-vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw onderzoek u geleid heeft!”
-</p>
-<p>„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond vreemd. Ik heb
-dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van de waarheid,” was het rustig
-gegeven antwoord.
-</p>
-<p>„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u leidde dat onderzoek
-wellicht tot een andere slotsom.”
-</p>
-<p>„En dat is, resident?”
-</p>
-<p>„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten worden, gemakkelijker
-van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn, dan van den armen Javaan, bij wien
-niets te halen is.”
-</p>
-<p>„Resident! Die taal!”
-</p>
-<p>„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij uit iederen volzin
-van uw proces-verbaal tegenstraalt …”
-</p>
-<p>„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. <span class="pageNum" id="pb2.27">[<a href="#pb2.27">27</a>]</span>Ik sta daar geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen,<a class="noteRef" id="xd30e8199src" href="#xd30e8199">2</a> en weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.”
-</p>
-<p>„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak de resident
-smalend.
-</p>
-<p>„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij te wijzigen.
-Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt, gepermitteerd. Nimmer is een cent
-van de boeten of van de verbeurd verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij
-niet overtuigd, dat ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht
-mij bij de regeering aan te klagen.”
-</p>
-<p>„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een onderzoek gehouden,
-zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?”
-</p>
-<p>„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den beschuldigden Ardjan.…”
-</p>
-<p>„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En vervolgens?”
-</p>
-<p>„Vervolgens baboe Dalima.”
-</p>
-<p>„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal daarenboven haren „toenangan”
-(verloofde) wel schoon gewasschen hebben. Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema,
-dat moet ik zeggen. Hebt gij er nog meer?”
-</p>
-<p>„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te halen.”
-</p>
-<p>„En?… Kom, zeil zetten!”
-</p>
-<p>„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der politieoppassers.”
-</p>
-<p>„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo iets mag uw geweten
-als hoofd der politie niet bevangen.”
-</p>
-<p>„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook <span class="pageNum" id="pb2.28">[<a href="#pb2.28">28</a>]</span>niet gedaan. Toen mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing
-gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan wal zoude gebracht
-hebben.”
-</p>
-<p>„En gij vond niets?”
-</p>
-<p>„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de aangehaalde
-opium te kunnen bevatten.”
-</p>
-<p>„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab twee personen
-bevat hebben. Ardjan en Dalima.”
-</p>
-<p>„Juist, resident.”
-</p>
-<p>„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, resident; maar ook niets meer.”
-</p>
-<p>„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was, mijnheer Meidema?”
-</p>
-<p>„Niet in die prauw, resident?”
-</p>
-<p>„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden hebben, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Dat is zoo, maar het bewijs.…”
-</p>
-<p>„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat baboe Dalima
-dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig is geweest. En niet alleen
-ik, maar alle huisgenooten kunnen dat getuigen.”
-</p>
-<p>„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema.
-</p>
-<p>„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!”
-</p>
-<p>„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te staan.”
-</p>
-<p>„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!”
-</p>
-<p>„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen, behelzende het
-verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare gevangenhouding aan boord van
-den schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i>, van hare redding door Ardjan.”
-</p>
-<p>De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het was hem, alsof
-hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet hem geen tijd om tot verhaal
-te komen, maar vervolgde:
-<span class="pageNum" id="pb2.29">[<a href="#pb2.29">29</a>]</span></p>
-<p>„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den kustwachter
-<i>Matamata</i>, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten nacht met de barkas jacht maakten
-op eene prahoe sajab, waarin twee personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee
-opvarenden geschoten hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding
-genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in die woedende
-zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die prahoe sajab, resident, en er
-was dus geen plaats meer voor die opium! Daarenboven.…”
-</p>
-<p>„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde van den schok,
-die hem getroffen had.
-</p>
-<p>„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het wrak lag daar
-half door het water, half door den modder bedolven, en ik heb door getuigen laten
-constateeren, dat de verpakking van den gesloken opium niet met water in aanraking
-is geweest. Neen, resident, mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat
-vaartuigje aan wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.”
-</p>
-<p>De resident zat nog een oogenblik na te denken.
-</p>
-<p>„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de hoeveelheid, soort en
-hoedanigheid van de aangehaalde opium ten overstaan van den pachter, door eene <span class="corr" id="xd30e8263" title="Bron: commis-">commissie</span> van deskundigen doen constateeren?”
-</p>
-<p>„Ja, resident.”
-</p>
-<p>„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?”
-</p>
-<p>„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die prahoe door het
-wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen deponeeren, stukgehakt en verbrand.”
-</p>
-<p>Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde binnensmonds: „het
-lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En overluid:
-</p>
-<p>„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?… Maar om het even.
-Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer Meidema, mag ik u een goeden raad geven?”
-</p>
-<p>„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.”
-<span class="pageNum" id="pb2.30">[<a href="#pb2.30">30</a>]</span></p>
-<p>„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Resident!”
-</p>
-<p>„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu, verstaat u met den
-pachter.”
-</p>
-<p>„Hoe moet ik dat begrijpen?”
-</p>
-<p>„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim Yang Bing is
-rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op het punt een goed huwelijk
-te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet zien.”
-</p>
-<p>„Resident!”
-</p>
-<p>„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in die opiumzaak
-uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te over om uw proces-verbaal van
-voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel wat te eenzijdig is, om het onpartijdig
-te kunnen noemen, te wijzigen.”
-</p>
-<p>„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede.
-</p>
-<p>„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk huisgezin. Er
-zijn veel eters aan den bak!”
-</p>
-<p>„Nooit, nooit, resident!”
-</p>
-<p>„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u wel.”
-</p>
-<p>Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een oogenblik hem na te
-staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij hartstochtelijk de tanden op elkander
-klemde:
-</p>
-<p>„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak gezet worden!”
-<span class="pageNum" id="pb2.31">[<a href="#pb2.31">31</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e8136">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8136src">1</a></span> Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8136src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8199">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8199src">2</a></span> De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 N<sup>o</sup> 5 (Ind. Stbl. N<sup>o</sup> 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de aanbrengloonen nimmer kunnen genoten
-worden door hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen,
-doch dat hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als aanhaler
-of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate van den lande; en op
-het besluit 11 April 1874 N<sup>o</sup> 14 (Ind. Stsbl. N<sup>o</sup> 106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de assistent-residenten
-voor de politie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8199src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e844">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXV.</h2>
-<h2 class="main">Eva’s dochteren en de slang.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de achtergalerij
-harer woning, zich onledig te houden met het verstellen van de kleedingstukken der
-overige kinderen die erg toegetakeld waren.
-</p>
-<p>„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,” pruttelde Gesina,
-een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer zeer vluchtig kennis maakte,
-bij gelegenheid van de dans-receptie op het residentie-huis. „Kijk me dat ding er
-eens uitzien! De eene mouw hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont
-een winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het herstellen nog
-waard?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.”
-</p>
-<p>„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde Gesina.
-</p>
-<p>„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter vergoelijking
-bij.
-</p>
-<p>„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne kleeding verscheuren?”
-</p>
-<p>„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele manga tegengluurt?
-O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!”
-</p>
-<p>De moeder glimlachte over den uitval harer dochter.
-</p>
-<p>„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief gezicht opleveren!
-Het zou bepaald zijn: horre Kees!”
-</p>
-<p>Mevrouw Meidema bracht dat, „horre <span class="corr" id="xd30e8307" title="Bron: kees">Kees</span>” zoo grappig <span class="pageNum" id="pb2.32">[<a href="#pb2.32">32</a>]</span>er uit, terwijl zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde krabde,
-dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het naaiwerk staken om
-uit te lachen.
-</p>
-<p>„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons niet door eene
-„toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?”
-</p>
-<p>„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig.
-</p>
-<p>„Ik vind het idée uitstekend,” kwam <span class="corr" id="xd30e8316" title="Bron: Mahilda">Mathilda</span> hare zuster te hulp.
-</p>
-<p>„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.”
-</p>
-<p>„En Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda.
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ja, maar Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven de dochter van een resident.”
-</p>
-<p>„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een assistent-resident,
-mama?”
-</p>
-<p>„Dat zou ik denken. Hier<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en papa slechts 500 gulden.”
-</p>
-<p>„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.”
-</p>
-<p>„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes, Thilda.”
-</p>
-<p>„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht.
-</p>
-<p>„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.”
-</p>
-<p>„Het is jammer.”
-</p>
-<p>„Wat is jammer?”
-</p>
-<p>„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.”
-</p>
-<p>„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze over het vele
-werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk aardig goedje,” lachte mama.
-</p>
-<p>„Nu ja, mama … U moogt zoo niet vitten … Een mensch mag wel eens pruttelen, vooral
-als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde Gesina, terwijl zij het hoofdje aan
-haar moeders borst vlijde.
-</p>
-<p>„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming van Mathilda,
-die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de bevallige beweging van Gesina met
-een streelend handgebaar door hare lokken beantwoordde.
-<span class="pageNum" id="pb2.33">[<a href="#pb2.33">33</a>]</span></p>
-<p>„Geld is toch nog niet alles!”
-</p>
-<p>Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het geconstateerde verschil
-van tractement tusschen den resident Van Gulpendam en haren vader.
-</p>
-<p>„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk eens, zijn wij
-niet gelukkig?”
-</p>
-<p>„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men in het residentiehuis
-gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan ik een zucht niet weerhouden. Arme,
-arme Anna!”
-</p>
-<p>„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat had.
-</p>
-<p>„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel mismoed, ja zooveel
-wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen regel tegen! Och, och, ik vrees
-het ergste. Met haar karakter uit een stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.”
-</p>
-<p>„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina.
-</p>
-<p>„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die zaken betreft.
-Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare ouders een huwelijk met Van Nerekool
-niet inwilligen.”
-</p>
-<p>„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze terug.”
-</p>
-<p>„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief is zoo akelig
-droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een afscheid, een vaarwel voor het leven
-ware. Zij verzoekt mij, als haar trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen,
-wanneer hare wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld
-dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen, om die smart
-te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!”
-</p>
-<p>„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „het beste wat gij doen kunt, is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk
-op hare liefde voor Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar vertrouwelinge
-gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou zijn aan te raken, en waarbij
-uwe onhandige hand met het mes in de smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken
-zou. De tijd is een groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet
-missen. Ik ken <span class="pageNum" id="pb2.34">[<a href="#pb2.34">34</a>]</span>eenigermate den gang der gebeurtenissen … wie weet, of zich alles nog niet ten goede
-keert.”
-</p>
-<p>„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij die. Gij weet,
-hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking heeft, boezemt mij belangstelling
-in.”
-</p>
-<p>„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken niet in haar
-geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te moeten houden. Zij heeft
-daar zeer goed aan gedaan …”
-</p>
-<p>„O, mama!.…”
-</p>
-<p>„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van ongerechtigheden,
-die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje ongeschikt zijn, en haar hart
-dan ook hebben doen inkrimpen, en zich doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar
-voorbeeld volg … Maar … om tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo
-even: geld is niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene familie,
-wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere gegevens heeft als: gezondheid,
-aanzien, de eerste positie in onze maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en
-die toch het geluk mist. Neen, geld is niet alles.… En toch.…”
-</p>
-<p>De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te werken zat, duidde
-genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet zoo onverschillig was, als dat „neen,
-geld is niet alles!” te verstaan kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan,
-keken haar de beide meisjes aan.
-</p>
-<p>„En toch?…” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.”
-</p>
-<p>„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde mevrouw Meidema<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op zoo groote lasten. Wij hebben
-zoo belangrijke betalingen te doen; en …”
-</p>
-<p>Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle daglicht beschutte,
-werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een verblindende zonnestraal naar binnen
-drong, die allen deed opzien.
-</p>
-<p>„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing vraagt om mijnheer
-te ontmoeten), sprak een der bedienden.
-</p>
-<p>„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde mevrouw Meidema.
-„Dat weet ge wel.”
-<span class="pageNum" id="pb2.35">[<a href="#pb2.35">35</a>]</span></p>
-<p>„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan.
-</p>
-<p>„Welnu?”
-</p>
-<p>„Hij wenscht de njonja te spreken.”
-</p>
-<p>Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de rijkste Chinees
-van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel <span class="corr" id="xd30e8387" title="Bron: Nederlandsch-Indie">Nederlandsch-Indië</span>, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het gebeurde trouwens wel meer,
-dat hij zijne opwachting aan de dames kwam maken, bij welke gelegenheden hij steeds
-de eene of andere snuisterijen had te laten zien.
-</p>
-<p>„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw.
-</p>
-<p>In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter hand genomen.
-Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche familie zich zonder toekan minjahit
-moest behelpen.
-</p>
-<p>„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap …”
-</p>
-<p>Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te geven. Dat zou
-een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid, welke die landaard heeft
-om sommige medeklinkers uit te spreken, waardoor zij die door andere verwisselen,
-en hun spreken schier niet te volgen is.
-</p>
-<p>„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk. „Ik hoop, dat
-ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer assistent-resident te huis
-aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting
-bij de dames te maken, eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren,
-dan ook om haar eene groote tijding mede te deelen.”
-</p>
-<p>„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen nieuwsgierig. „Ga zitten,
-babah.”
-</p>
-<p>En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij gehurkt zat<span class="corr" id="xd30e8399" title="Bron: .">:</span>
-</p>
-<p>„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.)
-</p>
-<p>De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met van nieuwsgierigheid
-schitterende oogen aan.
-</p>
-<p>„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig.
-</p>
-<p>„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van <span class="pageNum" id="pb2.36">[<a href="#pb2.36">36</a>]</span>de dames ingelicht zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging.
-</p>
-<p>„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.”
-</p>
-<p>„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder hoogdravendheid, maar met
-honigzoeten glimlach om de lippen.
-</p>
-<p>„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig.
-</p>
-<p>„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge meisjes zullen pret
-hebben.”
-</p>
-<p>„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare zuster.
-</p>
-<p>„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees.
-</p>
-<p>„Een huwelijk?”
-</p>
-<p>„Een Chineesch huwelijk?”
-</p>
-<p>„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den nadruk, dien
-hij aan zijn woorden geven kon.
-</p>
-<p>„O, heerlijk!” kreten de meisjes.
-</p>
-<p>„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema.
-</p>
-<p>„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.”
-</p>
-<p>„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld.
-</p>
-<p>„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij heb.”
-</p>
-<p>„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd.
-</p>
-<p>„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke gelegenheden door
-de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden uitgedeeld worden. En daar de
-dames de huwelijksplechtigheid zullen bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O,
-prachtige zijde, die ik van Nan Hioeng<a class="noteRef" id="xd30e8428src" href="#xd30e8428">1</a> heb laten komen. De dames moeten eens zien.”
-</p>
-<p>Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den inhoud voor den
-verrukten blik der vrouwen tentoonstelde.
-</p>
-<p>„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden <span class="pageNum" id="pb2.37">[<a href="#pb2.37">37</a>]</span>weerschijn),” kreet Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!”
-</p>
-<p>„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw met dikke bouquetten.
-Als ik de keus had, dan.…”
-</p>
-<p>„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder.
-</p>
-<p>Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar … aarzelde.
-</p>
-<p>„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met innemend gebaar.
-</p>
-<p>„Maar … babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken bij Chineesche
-huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.”
-</p>
-<p>„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken gegeven worden,<a class="noteRef" id="xd30e8444src" href="#xd30e8444">2</a> maar bij huwelijken worden alleen aan goede vrienden geschenken aangeboden. En ik
-noem den heer assistent-resident mijn „sobat baai.”<a class="noteRef" id="xd30e8452src" href="#xd30e8452">3</a>
-</p>
-<p>„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.”
-</p>
-<p>„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees ontsteld.
-</p>
-<p>„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik.
-</p>
-<p>„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te kiezen, wenschte
-ik den heer Meidema te raadplegen.”
-</p>
-<p>„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij. Mevrouw kan mij
-dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.”
-</p>
-<p>„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet wel, dat die
-voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.”
-</p>
-<p>De Chinees lachte fijntjes en antwoordde:
-</p>
-<p>„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot voorspraak
-van den bruidegom.”
-</p>
-<p>„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?”
-<span class="pageNum" id="pb2.38">[<a href="#pb2.38">38</a>]</span></p>
-<p>„Dat is nog een geheim, mevrouw … Maar ik zal het u maar zeggen. Dan ben ik van uwe
-voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.”
-</p>
-<p>„Zoo … zoo … En met wie treedt hij in het huwelijk<span class="corr" id="xd30e8470" title="Bron: ,">?”</span> was de kalme vraag van Mevrouw Meidema.<span id="xd30e8473"></span>
-</p>
-<p>„Met Ngow Ming Nio.”
-</p>
-<p>„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?… Een mooi en rijk meisje. Ik feliciteer u wel.”
-</p>
-<p>„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim Yang Bing.
-</p>
-<p>„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag.
-</p>
-<p>„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen. Als mevrouw
-een goed woord wilde doen.”
-</p>
-<p>„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer Meidema niets uit
-te staan, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen betrokken is.”
-</p>
-<p>„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit. „Daar, babah,
-steek die stalen maar weer bij u.”
-</p>
-<p>De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te zamen, en stak
-ze daarna in den zak.
-</p>
-<p>„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.”
-</p>
-<p>„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.”
-</p>
-<p>„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.”
-</p>
-<p>„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den gezichteinder zag verdwijnen.
-„Als pa den zoon van den pachter maar wil hooren.”
-</p>
-<p>Mevrouw Meidema aarzelde.
-</p>
-<p>„Als mijne voorspraak niets anders geldt.…. Dat wil ik hem wel vragen,” sprak zij.
-</p>
-<p>„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht.
-</p>
-<p>„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel de Chinees in;
-terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die dankbaar drukte. „Ik zal die
-stalen.…”
-</p>
-<p>„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit.
-<span class="pageNum" id="pb2.39">[<a href="#pb2.39">39</a>]</span></p>
-<p>„Och, ma!” mompelde Gesina.
-</p>
-<p>„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda.
-</p>
-<p>„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,” haastte Lim Yang
-Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel, te verzekeren. „Ik heb de eer
-u en uwe dochters, en natuurlijk ook mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid
-en de bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort tot onze
-goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid voor de ondervonden eer
-eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog minder in. Dat is onze adat. Wie wil
-daar nu kwaad in zien?.… Dat is dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier,
-dan kunnen de dames op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident
-bespreken.”
-</p>
-<p>Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting meer. En al had
-die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd overgebleven zijn, om die te opperen.
-De Chinees lei met veel haast het pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde
-zijn tabeh met nog eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude
-komen om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween.
-</p>
-<p>Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan, Gesina met een
-glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige plooi om den mond.
-</p>
-<p>„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen<span class="corr" id="xd30e8504" title="Bron: ,">.</span> „Er zal voorzeker receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen
-eene partij geven, dan doen zij het goed.”
-</p>
-<p>„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte aan, hoewel
-de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag.
-</p>
-<p>Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij bij te wonen.
-Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie, maar dat was ook al.
-</p>
-<p>„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje voort, terwijl
-zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies die tahi boeroeng. En gij,
-Thilda<span class="corr" id="xd30e8511" title="Bron: .">?</span>”
-<span class="pageNum" id="pb2.40">[<a href="#pb2.40">40</a>]</span></p>
-<p>„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een gevoel alsof dat
-pakje ongeluk over ons huis zal brengen.”
-</p>
-<p>„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij het pakje openrolde.
-„O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat zou wat voor u zijn! En die blauwe,
-dat is de keus van Thilda, die is ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de
-mooiste. Zie eens!… Maar.… wat is dat?…”
-</p>
-<p>Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke kleuren goed
-te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige bankbiljetten uit het pakje
-op den grond. De dames zaten een oogenblik als versteend; want met een oogopslag hadden
-zij papiertjes van vijf honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte
-ze op, en telde ze: een, twee, drie.… tot tien.
-</p>
-<p>„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat pakje komen? Dat
-’s eene vergissing van den babah!”
-</p>
-<p>„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve.
-</p>
-<p>„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema, terwijl zij het pakje
-bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam. „Vijf duizend gulden!”
-</p>
-<p>Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste gedachte was
-om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug te geven, en hem met zijne
-stalen de deur te wijzen. Vijf duizend gulden!.… Maar, de Chinees was al zoo ver weg!.…
-</p>
-<p>Vijf duizend gulden!… En moesten de bedienden met die zaak in wetenschap komen?… Neen,
-dat kon niet … Vijf duizend gulden!… Die vertegenwoordigden tien maanden traktement
-van haren echtgenoot! Zij streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren
-vinger … Vijf duizend gulden!… Van die som konden alle betalingen geschieden!.… En,
-wat zou er moeten gebeuren?.… Vijf duizend gulden!… De beeren betaald, zoude nog wel
-een sommetje overschieten … Meidema kon dan eens verlof nemen naar de bovenlanden.
-Hij zag er in den laatsten tijd zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht
-zou hem goed doen … Vijf duizend gulden!… Ook de knapen zouden nieuwe kielen …<span id="xd30e8525"></span>
-<span class="pageNum" id="pb2.41">[<a href="#pb2.41">41</a>]</span></p>
-<p>Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf opreed.
-</p>
-<p>„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die bankbiljetten!”
-</p>
-<p>Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds opgerold, en
-was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede zij bij het binnenkomen van
-den Chinees onledig was geweest, te doen verdwijnen; toen hare moeder haar beiden
-afnam, en voor zich op tafel neerlegde.
-</p>
-<p>Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij der woning
-aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit den zwijmel van booze
-gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden mee te sleepen, opgeschrikt. Neen,
-voor den man, aan wiens zijde zij gedurende een groot gedeelte van haar leven rein
-en onbesproken had voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man,
-dien zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had ter zijde
-gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles blootleggen. Hij kon dan handelen,
-zooals hij zou meenen, dat goed was. Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne
-beslissing onderwerpen.
-</p>
-<p>Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave vrouw. Toen Meidema
-de achtergalerij binnentrad, was haar besluit onwrikbaar genomen.
-</p>
-<p>De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder naderde en verwelkomde
-haren echtvriend. Deze evenwel zag met een oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep
-haar met beide handen bij de schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone
-oogen.
-</p>
-<p>„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?”
-</p>
-<p>„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.”
-</p>
-<p>„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?”
-</p>
-<p>„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang zelfs, dat zij
-blijven.”
-</p>
-<p>„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk gevraagd? Niet? Ik
-zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht als zes weken westmousson te zetten.”
-<span class="pageNum" id="pb2.42">[<a href="#pb2.42">42</a>]</span></p>
-<p>„Maak nu geen gekheid.”—
-</p>
-<p>„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon gescheurd? Of de
-kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis! Maar, kom … dat alles komt terecht.”
-</p>
-<p>Alles terecht?.…
-</p>
-<p>Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam hem voor den
-geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer, haalde eene sigaar uit zijn
-koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op.
-</p>
-<p>„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze.
-</p>
-<p>Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige trekken, waarbij
-zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de tabaks-rook haar in de neusgaten
-of oogen drong. Zij kuchte dan licht, boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels
-eenigszins op, en kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak
-zij ze haren vader in den mond, met de woorden:
-</p>
-<p>„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!”
-</p>
-<p>„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde aangestoken.”
-</p>
-<p>„Dat’s zuiniger, pa.”
-</p>
-<p>„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.”
-</p>
-<p>„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat ontsiert de
-lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar pa, let nu eens op ma!”
-</p>
-<p>„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.”
-</p>
-<p>„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.”
-</p>
-<p>„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.”
-</p>
-<p>„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog vriendelijker dan
-anders<span class="corr" id="xd30e8559" title="Bron: ,">.</span>”
-</p>
-<p>„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?”
-</p>
-<p>„Wat hij heeft komen doen?…” vroeg de heer Meidema, ietwat verwonderd. De naam van
-den pachter had reeds zijne aandacht gaande gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat
-er aan de hand was. „Wat zou hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.”
-</p>
-<p>„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?”
-</p>
-<p>„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken Chinees, nietwaar?”
-<span class="pageNum" id="pb2.43">[<a href="#pb2.43">43</a>]</span></p>
-<p>„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in.
-</p>
-<p>„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de meisjes komen
-verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de bruiloft tegenwoordig te zijn.”
-</p>
-<p>„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar deerns?” zei hij,
-terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde. „Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid
-is allerinteressants. Ziet ge daarom zoo ernstig?… O, ja!… vanwege de kleeding … Laatst
-met de partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan … Dat’s
-last …”
-</p>
-<p>„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons geschenken aan.”
-</p>
-<p>„Geschenken?”
-</p>
-<p>„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede bekenden geschenken
-uitdeelen.”
-</p>
-<p>„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?…”
-</p>
-<p>„Neen, geen <span class="corr" id="xd30e8578" title="Bron: snoeperijën">snoeperijen</span>, maar zijde, om japonnen van te maken.”
-</p>
-<p>„Zijde!… Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik ben toch al een
-tijd in Indië!”
-</p>
-<p>„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig! Prachtig mooi!
-Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.”
-</p>
-<p>„Eene voorwaarde?… En die is?”
-</p>
-<p>„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.”
-</p>
-<p>„Voor Lim Ho!!… Zoo! En wat hebt gij gezegd?”
-</p>
-<p>„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.”
-</p>
-<p>„En waar zijn die stalen?… Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!”
-</p>
-<p>„Zacht wat, Meidema!”
-</p>
-<p>„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u omkoopen!”
-</p>
-<p>„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens open!”
-</p>
-<p>De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne opgewondenheid.
-</p>
-<p>„Wat is er?… Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit.
-</p>
-<p>Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte hij ze op,
-telde ze, streek ze glad, <span class="pageNum" id="pb2.44">[<a href="#pb2.44">44</a>]</span>keek zijne vrouw en kinderen met strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk,
-in een woesten vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten
-tot een vormloozen klomp te zamen.
-</p>
-<p>„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van lusten!”
-</p>
-<p>En den bediende roepende;
-</p>
-<p>„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de paarden voor te
-spannen).
-</p>
-<p>Tien minuten later had hij het erf verlaten.
-<span class="pageNum" id="pb2.45">[<a href="#pb2.45">45</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e8428">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8428src">1</a></span> Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½ graad nagenoeg ten
-noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op Java zijn de omstreken van die stad
-het zijde-district bij uitnemendheid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8428src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8444">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8444src">2</a></span> Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van de <i>Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen</i> door Dr. <span class="sc">J.&nbsp;M. de Groot</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8444src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e8452">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8452src">3</a></span> Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van het Arabische sjachbat
-= vriend.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8452src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e853">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXVI.</h2>
-<h2 class="main">Aardig gemanoeuvreerd!</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
-</p>
-<p>„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot omkooperij!”
-</p>
-<p>Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den heer Van Gulpendam
-besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis in geuren en kleuren had medegedeeld.
-</p>
-<p>„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.… Overijling is nadeelig voor welke zaak
-ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden daar in dat pakje gestopt zijn
-met het doel om u te willen omkoopen?”
-</p>
-<p>„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij mij tot voorspraak
-voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd van die poging tot omkooping!”
-</p>
-<p>„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man is, begaan is
-met uwe benarde financiëele <span class="corr" id="xd30e8616" title="Bron: onstandigheden">omstandigheden</span>?”
-</p>
-<p>Meidema brulde schier van woede.
-</p>
-<p>„Mijne benarde financiëele omstandigheden!… Wie verbreidt toch dat praatje? Zeker
-ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op zaken had als ik, dan zou …”
-</p>
-<p>„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de resident bijtijds.
-</p>
-<p>„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn financiëele omstandigheden
-te bemoeien, <span class="pageNum" id="pb2.46">[<a href="#pb2.46">46</a>]</span>en zich te permitteeren aan mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden
-aan te bieden?”
-</p>
-<p>„Maar, is het wel een cadeau?”
-</p>
-<p>„Wat zou het anders zijn, resident?”
-</p>
-<p>„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig tusschen die stalen
-zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n Chinees met papieren geld omspringt.
-Soms hebben zij eene groote waarde los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat
-wanneer gij straks Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen.
-Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?”
-</p>
-<p>„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek mijne aanklacht
-niet in.”
-</p>
-<p>„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag. Laat mij het
-bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in den koers schromelijk vergist
-hebt.”
-</p>
-<p>Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te stijgen, en in
-vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de boodschap: dat deze terstond bij
-den Kandjèng toean resident moest komen.
-</p>
-<p>Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over onverschillige
-zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord, bespannen met het fraaiste span
-Perziaansche paarden, die maar te bedenken waren, het erf van het residentiehuis op.
-Een oogenblik later werd de opiumpachter aangediend.
-</p>
-<p>„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident.
-</p>
-<p>Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad Lim Yang Bing
-binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de heer assistent-resident bij
-den toean bezaar was. Dat was hem als een goed voorteeken voorgekomen. Hij meende
-nu dat die opium-smokkelzaak van een leien dakje zou loopen.
-</p>
-<p>Opgeruimd klonk dan ook zijn:
-</p>
-<p>„Tabeh Kandjèng toean toean!”…
-</p>
-<p>De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen had, vervolgde
-hij:
-</p>
-<p>„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb2.47">[<a href="#pb2.47">47</a>]</span></p>
-<p>„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij werkelijk.”
-</p>
-<p>De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond.
-</p>
-<p>„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij zoetsappig.
-</p>
-<p>Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd, en waarin
-ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig stukje mede helpen afspelen.
-</p>
-<p>„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd van de politie
-hebt willen omkoopen!”
-</p>
-<p>„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering. „Wanneer zou ik
-dat gedaan hebben?”
-</p>
-<p>„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.”
-</p>
-<p>„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem straks, maar
-had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo iets kunnen bedreven hebben?”
-</p>
-<p>„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen, zooals ik hier
-ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en den toean bezaar te verzoeken.”
-</p>
-<p>„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een japon?” vroeg
-de heer Meidema heftig.
-</p>
-<p>De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij begon te begrijpen,
-en keek den resident beteuterd aan. Maar deze, tegenover Meidema gezeten, die hem
-aankeek, vermocht hem geen teeken te geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen
-van den hoofdambtenaar te lezen.
-</p>
-<p>„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?”
-</p>
-<p>En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de schrijftafel van
-den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde.
-</p>
-<p>De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen.
-</p>
-<p>„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling te lezen!”
-sprak <span class="corr" id="xd30e8661" title="Bron: Meidena">Meidema</span> opgewonden.
-</p>
-<p>Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. <span class="pageNum" id="pb2.48">[<a href="#pb2.48">48</a>]</span>Hij sprong op het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga,
-ampat,… sapoeloeh!”
-</p>
-<p>Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij:
-</p>
-<p>„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen omkoopen?”
-</p>
-<p>„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!”
-</p>
-<p>„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som terug?” vervolgde
-de Chinees met honigzoeten glimlach.
-</p>
-<p>„De geheele som?”
-</p>
-<p>„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang gemerkt, dat
-de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen is; maar het is toch te erg
-eene kleine som terug te brengen om mij ten verderve te brengen en de grootere te
-behouden.”
-</p>
-<p>Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem, maar op teemenden
-toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke het gelaat der Chineezen steeds
-kenmerkt, wanneer zij zich in tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden,
-waargenomen kon worden.
-</p>
-<p>„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!”
-</p>
-<p>„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de Chinees, die
-zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen onverstoorbaren valschen lach voort.
-„Hij wil het grootste gedeelte van het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar
-de boeten bijvoegen, die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig
-aan opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim, maar ik laat
-den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.”
-</p>
-<p>Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene vreeselijke gedachte
-woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën waren niet in den besten toestand!
-Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde
-maar zelden een vroolijk uur! Ja … en … zou zijne echtgenoote onder den druk der omstandigheden
-zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid te zeggen? Had zij hem slechts
-een gedeelte van de gift genoemd, om te <span class="pageNum" id="pb2.49">[<a href="#pb2.49">49</a>]</span>zien, hoe hij het opnam?… Ja, zoo zal het gebeurd zijn.… Zijne vrouw, zijne dochters,
-zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans
-tegenover den resident, die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!…
-Hij sprong op.
-</p>
-<p>„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit.
-</p>
-<p>„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt, dan verzoek
-ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,” antwoordde de Chinees op denzelfden
-sleependen, zangerigen toon, met denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken.
-</p>
-<p>„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van Gulpendam op
-ernstigen toon.
-</p>
-<p>„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig.
-</p>
-<p>„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien van vijf honderd
-gulden aangeboden.”
-</p>
-<p>De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop.
-</p>
-<p>„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem.
-</p>
-<p>„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord.
-</p>
-<p>„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor van den resident
-uit.
-</p>
-<p>En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na.
-</p>
-<p>„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds prevelde hij:
-</p>
-<p>„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het invallen van die bui
-zal opzoeken.”
-</p>
-<p>„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim Yang Bing
-deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach.
-</p>
-<p>„Ja, babah.”
-</p>
-<p>En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees vertrokken was,
-tuurde hem de resident na en mompelde:
-</p>
-<p>„Een leepe vent, die pachter … Ja, die in de opium zit, moet met alle winden kunnen
-zeilen.”
-</p>
-<p>Brieschend kwam Meidema te huis.
-</p>
-<p>Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt had. Nauwelijks
-was hij het erf opgereden, <span class="pageNum" id="pb2.50">[<a href="#pb2.50">50</a>]</span>of hij wierp het portier open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe:
-</p>
-<p>„Toengoe!” (wachten).
-</p>
-<p>Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij aangekomen, waar de
-dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog hij op zijne echtgenoote toe, die
-bij het bemerken van zijn ontsteld gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep
-haar bij de polsen, en met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen.
-Dat alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook opgevlogen
-waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde.
-</p>
-<p>„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu, geantwoord! Waar
-is het overige geld?”
-</p>
-<p>„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne ijzeren vuist in
-duizend bochten aan zijne voeten wringende.
-</p>
-<p>„De andere tien duizend gulden!” toornde de man.
-</p>
-<p>„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield. „Meidema laat me
-los; gij doet mij zeer!”
-</p>
-<p>„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien duizend gulden
-zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot.
-</p>
-<p>„Maar, welke tien duizend gulden?”
-</p>
-<p>„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!”
-</p>
-<p>„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de zaak is.”
-</p>
-<p>„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten, die hij steeds
-geknield voor zich hield.
-</p>
-<p>„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort. „Ik heb het
-geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster bewonderd. Toen waren er geen
-bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak
-bij u niets weten wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later
-er in bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje op tafel
-en snelde heen …”
-</p>
-<p>„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig.
-<span class="pageNum" id="pb2.51">[<a href="#pb2.51">51</a>]</span></p>
-<p>„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik de stalen weer
-op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de eerste stalen niet, die wij bewonderd
-hadden. Daar lette ik evenwel toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al
-verrukking Ik lei een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen
-vijf duizend gulden uit dat pakje …”
-</p>
-<p>„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig, maar toch aandachtig
-geluisterd had.
-</p>
-<p>„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!” antwoordde het meisje
-met vaste, rustige stem.
-</p>
-<p>„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw uitvorschend in
-het gelaat.
-</p>
-<p>Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos, zoo open en trouwhartig
-te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel
-onmogelijk was, toen alle drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts
-aan een rein geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden:
-</p>
-<p>„Ja, dat is waar!”
-</p>
-<p>Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield voor hem lag,
-overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst klemde:
-</p>
-<p>„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest liefheb op
-aarde, kunnen verdenken!”
-</p>
-<p>En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen slaande.
-</p>
-<p>„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?”
-</p>
-<p>Die vier personen vormden daar voor een <span class="corr" id="xd30e8734" title="Bron: oogenbiik">oogenblik</span> een groep, die een beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die
-dat heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou hebben
-doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een oogenblik te voren
-zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen. O, zij konden zich zeer goed in
-zijne plaats stellen, en zijne verbolgenheid begrijpen.
-</p>
-<p>„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje stalen mij ongeluk
-aanbrengend voorkwam?”
-</p>
-<p>„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot met een traan
-in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo gramstorig maakte?”
-<span class="pageNum" id="pb2.52">[<a href="#pb2.52">52</a>]</span></p>
-<p>„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij u geen vijf
-duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.”
-</p>
-<p>„O, God! Maar, dat is infaam!”
-</p>
-<p>„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te verwachten. Zoo’n
-wezen is tot alles in staat!”
-</p>
-<p>„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een weinig ervaring
-van het raderwerk in <span class="corr" id="xd30e8747" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> had zij wel.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te doen had, dan
-kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?… Ik zal evenwel trachten een schotje er voor
-te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik ga snel naar den resident!”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.”
-</p>
-<p>Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam veroorloofde, toen
-de heer Meidema hem met al den gloed der verontwaardiging, die zijne borst doortintelde,
-het gebeurde medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met onverdeelde
-aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten luisteren, terwijl soms
-een zweem van ongeduld met een sarcastisch glimlachje op zijn gelaat om den voorrang
-streden. Dat uiterlijke ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig,
-dat toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen, hij niet
-zonder hartstocht antwoordde:
-</p>
-<p>„Eene malle geschiedenis!… Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen, resident!”
-</p>
-<p>„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!”
-</p>
-<p>„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel … maar, het is de vraag voor wien?”
-</p>
-<p>„Het is de vraag voor wien?… Resident, het schijnt, dat gij mij niet gelooft!”
-</p>
-<p>„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens …”
-</p>
-<p>„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet gelooft …”
-</p>
-<p>„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord laat!”
-</p>
-<p>Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid uitgesproken, zooals
-dat een resident in <span class="pageNum" id="pb2.53">[<a href="#pb2.53">53</a>]</span>zijne volle waardigheid alleen kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder
-te weeg. Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten teeken,
-dat hij luisterde.
-</p>
-<p>„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en werkelijk,
-dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een eerlijk man zijt, mijnheer
-Meidema.…”
-</p>
-<p>De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene beweging;… maar, hij
-was vast besloten bedaard te blijven en te luisteren. De resident vervolgde, alsof
-hij niets bemerkt had.
-</p>
-<p>„.… Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit … Tegen u, of …
-tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van den resident, van mij, die
-onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken moet overzien; en zie dan eens op welke
-schaal der balans van onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen.
-Uw benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en schaden uw
-karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer. Het is zoo moeielijk aan
-te nemen, dat iemand, onder zulke omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar,
-onwrikbaar eerlijk kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot.
-Aan den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten te kiezen;
-aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder den druk van het kommerlijk
-bestaan kwijnen. De openbare meening is dus bepaald tegen u. In die omstandigheden
-verschijnt de opiumpachter ten uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden
-japonnen voor uwe echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm
-van geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan, zonder dat
-voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot zulke aanbiedingen aanmoedigden?
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak uwer vrouw kwam
-inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die voorspraak te verwerven was, dat
-die voorspraak tot iets nuttig kon zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt
-gij van de bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste <span class="pageNum" id="pb2.54">[<a href="#pb2.54">54</a>]</span>maal ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat als zeer
-<span class="corr" id="xd30e8777" title="Bron: waaarschijnlijk">waarschijnlijk</span> aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij
-aan de schuld van mevrouw Meidema een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks
-het verhaal van het betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft,
-en dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet afkeuren; maar
-wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk voorkomt; echter mij tevens eene
-vingerwijzing geweest is, dat gij, gij in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking
-verheven geacht hebt.”
-</p>
-<p>Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig brandende oogen
-op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja met eene zekere virtuositeit
-het mes in de wonde omkeerde. De rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken
-erger dan de resident, erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige
-is de stem des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne wederhelft,
-zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had gelijk! Maar, dat was helaas,
-niet het ergste, wat hem zijn geweten verweet. Die verdenking had hij niet voor zich
-gehouden! Die verdenking had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en
-trouwhartig, had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest
-krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij medegedeeld,
-om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren, tot welke handelingen van
-woest geweld hij zich in een oogenblik van onzinnige smart had laten vervoeren! En
-daar keerde zich het wapen om, niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar
-van wier onschuld hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne
-oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord waren. Zijn blik
-was niet meer strak, hij was aan dien van het levenlooze beeld gelijk, van het beeld,
-dat de kunstenaar, onbekwaam om den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels
-zonder iris begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd. Deze,
-onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig voort:
-</p>
-<p>„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat <span class="pageNum" id="pb2.55">[<a href="#pb2.55">55</a>]</span>uwe echtgenoote, voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald
-heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien duizend gulden?
-Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach voort<span class="corr" id="xd30e8785" title="Bron: .">,</span> „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen ware, dat aan die betreurenswaardige
-zaak dien glimp gegeven werd. Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk
-stellen.…!”
-</p>
-<p>Daar vloog Meidema op.
-</p>
-<p>„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is onschuldig!”
-</p>
-<p>„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met teemende stem. „Laat
-ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander alternatief over, dan …”
-</p>
-<p>De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen had.
-</p>
-<p>„Geen ander alternatief dan?…” vroeg Meidema met schorre stem.
-</p>
-<p>„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!”
-</p>
-<p>„Resident!…”
-</p>
-<p>„Bedaar!… Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet: alweer op uwe
-financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering, die in uw proces-verbaal
-tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen
-schijnen, en hoe alles vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan
-wijzen, dan geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken. Herinnert
-gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à propos niet. „Hij wil,”
-sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden,
-en daarbij de boete voegen, die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als
-schuldig aan opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het opiumreglement
-in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds onder het oog bracht, dan zal
-ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,”
-</p>
-<p>De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl zijn oogen slechts
-wezenloos op zijn chef gevestigd bleven.
-<span class="pageNum" id="pb2.56">[<a href="#pb2.56">56</a>]</span></p>
-<p>„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij zijt het! Misschien
-wel gij beiden! Er valt hier te kiezen … En dat spoedig!… Want heden nog wil ik naar
-de regeering telegrapheeren.”
-</p>
-<p>Telegrapheeren!… De ongelukkige hoorde alleen dat woord. Telegrapheeren! Ja, hij wist
-wat dat beteekende.
-</p>
-<p>Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd. Telegrapheeren!…
-Hij zag zich reeds ontslagen,… door een ieder als de pest geschuwd,… zijn gezin aan
-armoede, honger en ellende ten prooi … In die oogenblikken, als las hij in de gedachte
-van den rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende:
-</p>
-<p>„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.”
-</p>
-<p>„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos.
-</p>
-<p>„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met de stukken
-van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,…
-hier is het,… doet er mede, wat gij wilt.”
-</p>
-<p>En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan, bekeek het
-met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene beweging, alsof hij het verscheuren
-wilde; maar, alvorens de noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet
-bewusteloos op den grond.
-</p>
-<p>Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer Meidema, op een stoel
-in het kantoor, door het geheele huisgezin van den resident omgeven, wezenloos zitten,
-terwijl de vloer rondom hem met stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer
-sprak van „<span lang="la">febris cerebralis</span>,” (hersenkoorts) en liet den <span class="corr" id="xd30e8813" title="Bron: patient">patiënt</span> naar het hospitaal vervoeren.
-</p>
-<p>„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste belangstelling.
-</p>
-<p>„Zeer gevaarlijk. Als de <span class="corr" id="xd30e8819" title="Bron: patient">patiënt</span> niet krankzinnig wordt, zal hij het hard te verantwoorden hebben.”
-</p>
-<p>De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag voor te bereiden,
-die haar trof.
-</p>
-<p>Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende:
-</p>
-<p>„<span class="ex">Een treurig bericht.</span> Naar wij vernemen is <span class="pageNum" id="pb2.57">[<a href="#pb2.57">57</a>]</span>de assistent-resident voor de politie W.&nbsp;D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk
-liet de ziekte zich aanzien, alsof zij eene <span class="corr" id="xd30e8831" title="Bron: varïeteit">variëteit</span> van hersenkoorts ware; maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen
-dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen, dat hij hier
-te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia attonita. De faculteit heeft
-uitspraak gedaan, dat slechts herstel te verwachten is van een eenigszins langdurig
-verblijf in een der krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek
-derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze resident reeds
-aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het te voorzien is, dat het besluit,
-waarbij verlof naar Nederland verleend zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is
-het aan de menschlievende voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt,
-passage aan boord van de <i>Noach III</i>, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt, voor de rampzalige familie te verkrijgen,
-en Mevrouw Van Gulpendam spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar
-beproefden met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en
-zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de hoogere ambtenaren
-zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen.
-</p>
-<p>„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen hem en zijn
-kroost.”
-</p>
-<p>De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet erkend worden.
-Op 14 Juli lichtte de <i>Noach III</i> het anker, en verliet onder den invloed van den <span class="corr" id="xd30e8841" title="Bron: oost-mous-son">oost-mousson</span>, die met volle kracht doorstond, met welgevulde zeilen de <span class="corr" id="xd30e8844" title="Bron: rêe">reê</span> van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen.
-Toen de resident Van Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte,
-dien hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij zoo begaan
-was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de reede uitgeleide gedaan,
-en daar die familie met warmte de hand gedrukt had, de kleine stip aan den horizon
-had zien verdwijnen, ontsnapte hem een zucht van verlichting, terwijl hij <span class="corr" id="xd30e8847" title="Bron: binnensmond">binnensmonds</span> prevelde:
-</p>
-<p>„Aardig gemanoeuvreerd!”
-<span class="pageNum" id="pb2.58">[<a href="#pb2.58">58</a>]</span></p>
-</div>
-</div>
-<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e862">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXVII.</h2>
-<h2 class="main"><span lang="la">Summum jus summa injuria</span>.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met een der booten
-van de <span class="corr" id="xd30e8862" title="Bron: Nederlandsch Indische">Nederlandsch-Indische</span> Stoomvaartmaatschappij naar Batavia, om van daar per <i>Emirne</i> naar Singapore te reizen, en zich ter laatstgenoemde plaats aan boord van de <i>Irouaddy</i> van de Messageries maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren.
-</p>
-<p>De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om ter hoofdplaats
-van <span class="corr" id="xd30e8871" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> het gebeurde bij de laatste landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten
-mede te deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te stellen,
-welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar … tusschen voornemen en uitvoeren is
-een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud
-te Batavia; maar in dat tijdsverloop was de <span class="corr" id="xd30e8874" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span> niet te spreken. Wel was Mr. Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar,
-dat Zijne Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er bleef
-niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig derwaarts te rijden.
-Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe teleurstelling. Hoewel hij daags te
-<span class="pageNum" id="pb2.59">[<a href="#pb2.59">59</a>]</span>voren aan den adjudant van dienst getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen
-had, werd hem medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige <span class="corr" id="xd30e8879" title="Bron: koorst">koorts</span> te bed lag, en niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen
-bij, en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den nanacht
-eerst ingetreden was.
-</p>
-<p>Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te betreuren,
-en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging had hij twee dagen zoek
-gemaakt. Restte hem dus nog maar een.
-</p>
-<p>Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur van Justitie,
-kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te gemoet.
-</p>
-<p>„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem met gekunstelde
-innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik had me zoo’n schrikbeeld van
-uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar,
-het wordt tijd, dat ge met verlof gaat …”
-</p>
-<p>Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had andere gedachten
-te verbergen.
-</p>
-<p>„Dat ik zieker was!… Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen mijner brieven schilderde
-ik den toestand ongunstiger dan hij is. En dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof
-ga?… Ik verzeker u, dat ik wel had willen blijven.”
-</p>
-<p>„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te doen gevoelen …”
-</p>
-<p>„De invloed van het klimaat?…”
-</p>
-<p>„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen doorbrengen,
-dan ontstaat er bij den een eene verslapping van zenuwgestel, soms gepaard met eene
-verweeking, eene verpapping der hersenen …”
-</p>
-<p>„Directeur!… die veronderstelling …”
-</p>
-<p>„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet uitspreken. Bij
-den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene zwaartillendheid.…”
-</p>
-<p>„Directeur!… Is dat mijn geval?”
-</p>
-<p>„In den regel blijft de <span class="corr" id="xd30e8896" title="Bron: patient">patiënt</span> onkundig van zijn toestand, en is in de heilige overtuiging, dat hij niet anders
-handelt dan gewoonlijk.”
-<span class="pageNum" id="pb2.60">[<a href="#pb2.60">60</a>]</span></p>
-<p>„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag.
-</p>
-<p>„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl eene prikkelbaarheid,
-die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij dat toegeven, bij een rechterlijk
-ambtenaar niet gewenscht is.”
-</p>
-<p>„Maar, directeur!… Ik ben niet bewust.”
-</p>
-<p>„<span lang="la">Quantum est, quod nescimus!</span>” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!)
-</p>
-<p>„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!”
-</p>
-<p>„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde gemoedsstemming toch
-niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor het gevolg van innige en warme belangstelling
-in het rechterlijk karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later
-evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en gij weet, vooral
-bij ons geldt de spreuk: <span lang="la">mens sana in corpore sano</span> (eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig kunnen optreden.”
-</p>
-<p>Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel zijner meerderen,
-nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en nauwgezet in de doornachtige loopbaan
-van rechterlijk ambtenaar werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de
-kroon op het werk?
-</p>
-<p>„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen, waarin die overprikkelde
-gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?”
-</p>
-<p>„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen dienste!”
-</p>
-<p>„Ik vraag maar één, directeur.”
-</p>
-<p>„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.”
-</p>
-<p>„Welke landraadzaak?”
-</p>
-<p>„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.”
-</p>
-<p>„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr. Zuidhoorn kregelig.
-„Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en voorgezeten, dat de vraag, op welke gij
-doelt, mij gewettigd voorkomt.”
-</p>
-<p>„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam.…”
-</p>
-<p>„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.”
-</p>
-<p>„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische <span class="pageNum" id="pb2.61">[<a href="#pb2.61">61</a>]</span>rechterlijke organisatie uit het oog.… Maar, dat is toe te schrijven aan uw zielstoestand.…”
-</p>
-<p>„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets te maken. Gij
-zegt artikel 92?”
-</p>
-<p>„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij het nuttig of
-noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn gewest gevestigde landraden
-op te treden.”
-</p>
-<p>„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt geen sprake,
-om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden in het leven te roepen.
-Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou het absurd zijn, dat de resident, een
-niet-rechtsgeleerde, den rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om
-zelf het bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat …”
-</p>
-<p>„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst verplicht eerbied
-voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge in ons oog betreurenswaardig
-zijn; zoolang zij kracht van wet heeft, moeten wij de hand er aan houden. En … vergeef
-mij de vraag: hebt gij dat in het onderhavige geval gedaan?”
-</p>
-<p>„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?”
-</p>
-<p>„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is over uwe houding
-in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het prestige van de rechterlijke
-ambtenaren te verguizen!”
-</p>
-<p>„Ook de <span class="corr" id="xd30e8938" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span>?…” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is dus de reden geweest, dat ik geen gehoor
-bij Zijne Excellentie heb kunnen verkrijgen?”
-</p>
-<p>„Hebt gij om gehoor verzocht?”
-</p>
-<p>„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.”
-</p>
-<p>„En …”
-</p>
-<p>„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie bedlegerig was.”
-</p>
-<p>„Ziet ge wel!”
-</p>
-<p>„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit gepleegd kunnen
-worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een arme Javaan …”
-</p>
-<p>„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld worden,” antwoordde
-de directeur van Justitie <span class="pageNum" id="pb2.62">[<a href="#pb2.62">62</a>]</span>met cynischen glimlach. „Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven.
-Er valt hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: <span lang="la">summum jus summa injuria</span>! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).”
-</p>
-<p>Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen blik voor zich
-te kijken.
-</p>
-<p>„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie op vriendelijken
-toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel denkt. Gij vertrekt morgen
-met de <i>Emirne</i>, nietwaar? Welnu, laat alle muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en
-onbekommerd nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug, naar
-ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad van onze rechterlijke
-macht kunnen optreden; want weinige juristen kunnen de vergelijking met u doorstaan.
-En … vergeef mij, gij zult begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en … maar nog eene
-aanbeveling, voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de opiumpachters
-te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn: imperium in imperio (een rijk
-in het rijk) en ik voeg er zelfs bij: malum malo proximum (het ongeluk grenst aan
-het kwaad). Doe er uw voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een
-spoedig herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich met de sluikopium,
-te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan
-gevonden was, onledig te houden. De directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam
-niet ongevallig, toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke ambtenaren,
-er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature bij den landraad aan te
-vullen.
-</p>
-<p>Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks plaats hadden,
-en thans door den resident gepresideerd werden, zoo werden de bedoelde zaken toch
-van week tot week uitgesteld, waartoe de tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen
-meende te hebben.
-</p>
-<p>Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad <span class="pageNum" id="pb2.63">[<a href="#pb2.63">63</a>]</span>had medegedeeld, dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de
-djaga monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van den schoenerbrik
-<i>Kiem Ping Hin</i>, op welker getuigenis de beschuldigde Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te
-sporen waren, meende Van Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken
-af te doen.
-</p>
-<p>Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met eene prahoe
-sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen was, dat daarbij door eene
-sloep van de <i>Matamata</i> jacht gemaakt, en op hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde
-opium, die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet door
-hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep hij zich op baboe
-Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden hebben; maar toen door den voorzitter
-de verzekering gegeven werd, dat de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis
-niet verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene leugenachtige
-verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen kon verzwakken; terwijl bovendien
-die Dalima thans zelve wegens opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te
-leggen getuigenis moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat
-alles aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren.
-</p>
-<p>Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de vader van den beschuldigde,
-ter zake van zijn eigen geding bekend had, dat de sluikopium, die ten zijnen huize
-door Singomengolo achterhaald was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld
-van den laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand.
-</p>
-<p>Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve pikol tjandoe,
-gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te smokkelen, en derhalve onder het
-bereik te vallen van artikel 23 van het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan
-ook tot drie jaren dwangarbeid buiten den ketting<a class="noteRef" id="xd30e8977src" href="#xd30e8977">1</a> en tot twee duizend <span class="pageNum" id="pb2.64">[<a href="#pb2.64">64</a>]</span>gulden boete, bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke
-werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor elke honderd
-gulden.
-</p>
-<p>Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten arbeidstelling, hetgeen
-vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig veroordeelde knarste op de tanden, toen
-hij dat vonnis vernam. Of hij een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken
-verwacht had?
-</p>
-<p>Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan.
-</p>
-<p>Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon.
-</p>
-<p>De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door eene menigte
-listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe zwaar zijne getuigenis
-bij het geding zijns zoons zoude wegen, de bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig
-was van Ardjan, die hem daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij
-de sabel van een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede
-een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen tegenover zijn
-kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die verzachtende omstandigheden
-werd ternauwernood <span class="pageNum" id="pb2.65">[<a href="#pb2.65">65</a>]</span>gelet. Zij was niet eens tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd
-de ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van sluikopium
-tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee <span class="corr" id="xd30e9018" title="Bron: katti’s">katies</span>, voor de eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde sluikwaar,
-tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon voor den tijd
-van drie maanden, en ter zake van <span class="corr" id="xd30e9021" title="Bron: geweldadig">gewelddadig</span> verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht bij de uitoefening
-zijner bediening gewond was geworden, waardoor blijkens <span lang="la">visum repertum</span>: onbekwaamheid tot het verrichten van persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen
-veroorzaakt was, tot tien jaren dwangarbeid in den ketting.
-</p>
-<p>Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht jaren, de ander,
-schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met eene geringe straf had geboet
-kunnen zijn, wanneer de zoo gewone walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen
-van opium aan den lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin
-niet tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren dwangarbeid
-zou moeten boeten.
-</p>
-<p>Zou moeten boeten?… Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd!
-</p>
-<p>Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te Santjoemeh ontvangen
-was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was, alwaar de veroordeelden hunne straf
-van dwangarbeid zouden moeten ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende
-een stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh ontlastte,
-en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen den omheiningsmuur der
-gevangenis waken moest, door de verblindende bliksemstralen en de ratelende donderslagen
-verschrikt, en ook door den regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats
-in zijn schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren vuist
-bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken, had hij een slag met
-een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl
-ratelde de donder, en plaste de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort,
-zooals dat in tropische streken slechts <span class="pageNum" id="pb2.66">[<a href="#pb2.66">66</a>]</span>geschieden kan. Van die omstandigheid maakten de beide veroordeelden behendig gebruik.
-Lenig en sterk, als een goed Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader
-bij het beklimmen van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden
-man aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een ondeelbaar oogenblik
-naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den ringmuur waakten, lieten zich zien.
-Het weer was ook te bar, om buiten het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen.
-De regen viel kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat,
-alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van verlichting geen spoor
-was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden, dat in een lantaarn, op een der hoeken
-van den ringmuur geplaatst, als een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen
-lichtcirkeltje vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist,
-toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een machtige bliksemstraal
-met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl schier tegelijkertijd een hevige donderslag
-vernomen werd, die met dat krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij
-dergelijken electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En, inderdaad,
-onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend geluid, en plofte een hemelhooge
-klapperboom, die midden door gespleten was, ter aarde. Van de duisternis, welke na
-dien schel schitterenden en verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de
-beide Javanen, ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar
-zij door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig gebruik, om het
-kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken, en den nabij zijnden dèsa-rand
-te bereiken.
-</p>
-<p>Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige dèsa-bewoners zou
-de misdaad willen begaan, slachtoffers van het opium-monopolie aan de gerechtigheid
-der blanken te verraden.
-</p>
-<p>Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij woedend. Op zijne
-aansporing werd een der schildwachten, die zich liet ontvallen, dat hij na het vallen
-van den boom eenig geplons in het water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord
-had, maar dat <span class="pageNum" id="pb2.67">[<a href="#pb2.67">67</a>]</span>hij onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was, welke die
-gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad getrokken, en de kommandant
-bij de gevangeniswacht met veertien dagen provoost gestraft.
-</p>
-<p>Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te vergeefs. Hoewel
-al de politie-agenten, al de spionnen, en al de handlangers van den opiumpachter op
-het pad moesten, en hunne vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het
-district Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang nauwlettend
-<span class="corr" id="xd30e9040" title="Bron: gadeslagen">gadegeslagen</span>; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden angstvallig, maar sluw overal gevolgd,
-het gaf evenwel niets. Eindelijk kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden,
-niet alleen niet naar Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh
-verlaten hadden.
-</p>
-<p>Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de herinnering
-uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het geheugen teruggeroepen werd,
-door een voorval, dat wel geschikt was om tot nadenken te stemmen.
-</p>
-<p>Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien medegedeeld,
-dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te zijn, dat hij uit vrees voor
-uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet wilde ontwikkelen; maar voor dien avond
-de hulp van een paar handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op
-een ontdekkingstocht moesten vergezellen.
-</p>
-<p>Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets meer te weten.
-De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen bereikt kon worden, door stipt
-geheim te houden, wat hij te weten was gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren
-zijne gegevens lang niet boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn,
-dat hij op een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat
-het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was.
-</p>
-<p>Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem toegevoegd
-waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter raar te moede, toen hij zijn
-getrouwe den volgenden ochtend niet zag verschijnen. <span class="pageNum" id="pb2.68">[<a href="#pb2.68">68</a>]</span>Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt iederen morgen rapport kwam uitbrengen
-over het verrichtte in de laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in
-het volgende etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem stellig
-verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen te vernemen. Hij wachtte,
-wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij
-liet haastig zijn milord aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis.
-</p>
-<p>„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing haastig, en
-zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen landaard zoo eigen, het kantoor
-zag binnenkomen.
-</p>
-<p>„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.”
-</p>
-<p>En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie, waar Singomengolo
-op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet, nu de bandoelan nog niet terug
-was.
-</p>
-<p>De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren uit het district
-Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er ketjoepartijen<a class="noteRef" id="xd30e9056src" href="#xd30e9056">2</a> in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar dat bericht was zoo vaag, had zoo
-weinig steun; terwijl de nieuwe controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht
-in handen gesteld had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district
-heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van onrustbarende verschijnselen
-voordeed; dat, wel is waar, de landrente traag vloeide<a class="noteRef" id="xd30e9059src" href="#xd30e9059">3</a> <span class="pageNum" id="pb2.69">[<a href="#pb2.69">69</a>]</span>maar dat integendeel de andere middelen van inkomsten een beter aanzien hadden, die
-op bestaanden welvaart wezen; zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag,
-aangenomen kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor
-de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te voorzien was,
-dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis aanzienlijk zoude vermeerderen.<a class="noteRef" id="xd30e9064src" href="#xd30e9064">4</a>
-</p>
-<p>Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de grondslag, waaraan
-de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den welvaart en den geest van tevredenheid
-ontleende, zoo valsch mogelijk was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden,
-had het hem voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen, wanneer
-de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den bedoelden landheer was
-dan ook in heusche bewoordingen te kennen gegeven, dat hij door zijne berichtgevers
-misleid was; maar, werd de aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden
-van onrustbarende tijdingen had te onthouden.
-</p>
-<p>Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot, terwijl hij met
-Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben kunnen verklaren. Hoe zou ook
-de late terugkeer van Singomengolo,—want anders kon het nog niet genoemd worden,—in
-verband staan met die ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering
-gehad hadden? Dat was immers niet denkbaar … Hij antwoordde den Chinees dan ook:
-</p>
-<p>„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer voor moet komen,
-dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal verlaatten.”
-</p>
-<p>„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo goed getroffen,
-dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.”
-<span class="pageNum" id="pb2.70">[<a href="#pb2.70">70</a>]</span></p>
-<p>„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident.
-</p>
-<p>„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat de dèsa-bewoners
-de politie behulpzaam moeten zijn.”
-</p>
-<p>„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?”
-</p>
-<p>„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng toean; maar ik
-heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene hinderlaag gevallen is.”
-</p>
-<p>„Welnu, het zij zoo!”
-</p>
-<p>Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de omstreken van
-Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren reeds op het punt om uiteen
-te gaan, en de politie-oppassers om naar Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps
-een visscher mededeelde, dat hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken
-had meenen te bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van
-den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch, evenwel vlak bij
-den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een zijner Chineesche handlangers,
-beiden met krissteken zoodanig doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten
-volgen. De andere Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke
-wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij dadelijk hulp
-had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies plaats gehad, dat alle hoop
-moest opgegeven worden. Toen de bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog
-flauw de oogen, prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte
-kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet eindelijk
-een diepen zucht uit, en.… was niet meer.
-<span class="pageNum" id="pb2.71">[<a href="#pb2.71">71</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e8977">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8977src">1</a></span> Art. 23 van het opium-reglement luidt:
-</p>
-<p class="footnote cont">„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen <span class="pageNum" id="pb2.64n">[<a href="#pb2.64n">64</a>]</span>waarop geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van <i>een duizend</i> tot <i>tienduizend gulden</i> voor elke hoeveelheid van <i>honderd katie</i> opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en <i>een honderd gulden</i> voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de eerste maal voor den tijd van
-<i>een maand</i> tot <i>drie jaren</i> en bij herhaling voor den tijd van <i>drie maanden</i> tot <i>vijf jaren</i>.
-</p>
-<p class="footnote cont">„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot Inlanders en
-met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid buiten den ketting van
-gelijke duur.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf.
-</p>
-<p class="footnote cont">Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij! Verbeeld u,
-dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige smokkelgeschiedenis van gedistilleerd
-tot tuchthuisstraf zou kunnen veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling
-ver van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens welke de
-Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot dwangarbeid veroordeeld kunnen
-worden. En ziet het <i>Weekblad van het recht</i> maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook toegepast wordt.
-</p>
-<p class="footnote cont">Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e8977src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9056">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9056src">2</a></span> Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal gewapenderhand uitgevoerd worden.
-Gewoonlijk worden zij des nachts ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat
-meestal hebben zwart gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en brandstichting
-daarbij niet zelden voorkomen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9056src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9059">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9059src">3</a></span> De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de vorstenlanden Soerakarta
-en Djokjokarta, geheven van alle beplante gronden, waarop zakelijke rechten worden
-uitgeoefend, en die niet vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning
-daarvan is opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten, en
-aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche inkomsten genaamd, wien
-hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de belangrijkheid van hunne perceptiën.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9059src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9064">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9064src">4</a></span> Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op periodieke tijden door de
-Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden verpacht, terwijl de pachters, behalve
-dien bedongen pachtschat de opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ&nbsp;30
-het katie of ƒ&nbsp;3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend
-slechts ƒ&nbsp;13,87 per katie.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9064src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e873">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXVIII.</h2>
-<h2 class="main">Correspondentie.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij, na de varkensjacht
-in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de gezellige rijsttafel vereenigd gezien
-hebben, eerder in zijne gevoelens jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden,
-hoewel een lid daaraan ontvallen was.
-</p>
-<p>Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd, hij leefde
-in aller herinnering voort, en maakte meermalen het onderwerp der gesprekken uit.
-Evenwel, dáárdoor bleef de band niet alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie
-wakkerde de vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield
-hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de gebeurtenissen,
-die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen min of meer eene rol bedeeld
-was.
-</p>
-<p>Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik van weifeling
-ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot het vriendenclubje, maar die
-te bovengekomen was, toen hij de cynische ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam,
-Verstork omtrent zijn vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden
-invloed op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit in de
-vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk verwaarloosd, de teelt
-van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde hetzelfde lot. Contractbreuk met de in <span class="pageNum" id="pb2.72">[<a href="#pb2.72">72</a>]</span>het district aanwezige landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo
-nijvere bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te verrichten.
-In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en eene vreeselijke toekomst
-te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en de pandjeshuizen floreerden, en leverden
-groote baten aan de pachters van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche
-schatkist op. Om aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren,
-werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig voor; ja er
-werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden, en reeds een begin van
-uitvoering zouden erlangd hebben.
-</p>
-<p>„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij weet wel: de
-ellendeling, die in de zaak van de <span class="corr" id="xd30e9094" title="Bron: amokpartij">amokhpartij</span> te Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de nabijheid van Moeara
-Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord geworden. Ik heb alle redenen, om hierin
-iets meer te zien dan de hand van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel
-is; want op het lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden
-gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars niet was. Eene
-andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken geeft, is, dat bovendien bij
-Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt
-overeenkomen met de beide doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang
-Pringapoes in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de opiumpacht
-een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul af. Gij zult u nog wel
-herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo geheel onverdeeld dacht.
-</p>
-<p>„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district verlaten hebt!
-En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een gerucht, dat de landrente
-verhoogd<a class="noteRef" id="xd30e9099src" href="#xd30e9099">1</a> en de overige belastingen voor <span class="pageNum" id="pb2.73">[<a href="#pb2.73">73</a>]</span>de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders gelegd zullen worden.
-Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm van gedwongen cultures, onder den
-vorm van heerendiensten, onder den vorm van landrente, onder den vorm van belasting
-op het zout, onder den vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting
-op het geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van speelholen, onder
-den vorm van lombarden, onder den vorm van.… Hel en duivel! alles te zamen om den
-Inlander zijn laatste en zoo zuur verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem,
-waar moet dat heen? Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar
-zeer zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is geen op
-zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in de grondoorzaken, als
-type voor dien van geheel Java gelden.…”
-</p>
-<p>Zoo verhaalde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden den gemeenschappelijken vriend de incidenten, die bij de gedingen van den
-Javaan Setrosmito en van Baboe Dalima opgeworpen werden.
-</p>
-<p>„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van bestuurswege
-moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat in die twee gedingen toe
-te laten. En gij zult nooit raden waarom. Omdat ik als getuige in beide zaken zou
-kunnen moeten gehoord worden. Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken
-kunt; ik liet mij niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris
-uit den raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne verklaring:
-dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te getuigen had, en dat ik in
-beide zaken geheel belangeloos optrad, en nadat ik en de officier van Justitie verklaard
-hadden ons onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen, geconcludeerd:
-dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden; maar dat, wanneer mijne getuigenis
-onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let
-goed op die overweging, Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard
-heb voor mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te hebben,
-en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden geacht moet worden,
-<span class="pageNum" id="pb2.74">[<a href="#pb2.74">74</a>]</span>zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een zijdelingsch moreel belang te hebben
-bij het vrijspreken mijner cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in
-allen deelen onpartijdig getuige in den zin der wet.
-</p>
-<p>„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en jurist gesproken,
-in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat grondbeginsel eens consequent toepaste
-omtrent getuigen, vooral in opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans,
-opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst allooi, te wraken?
-Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de opiumpachters ontvangen, en daarenboven
-materieel belang onder den vorm van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen
-en op te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen in allen
-deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan onze rechtspleging,
-vooral ten opzichte van Inlanders bij opiumprocessen, ontbreekt nog veel!
-</p>
-<p>„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den landraad berecht worden.
-Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde
-zaak als verdediger optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer
-zij mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te Santjoemeh,
-en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren. Gij zult mij vragen: waarom
-die behandeling zoo? Luister, en neem daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te
-rade ben gegaan, alvorens tot dat besluit gekomen te zijn:
-</p>
-<p>„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in beide zaken, op
-geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk meende ik, dat die gebeurtenis
-een gunstigen invloed op den gang dier gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken,
-dat de bandoelan zijne verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft
-afgelegd, zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu het
-groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan geconfronteerd
-worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede woordenwisseling, die ik tusschen hen zou
-uitgelokt hebben, het noodige licht zou ontstoken, en mij de gegevens <span class="pageNum" id="pb2.75">[<a href="#pb2.75">75</a>]</span>in handen zoude geleverd hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden
-ter zake van zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van
-de dochter te bewijzen.
-</p>
-<p>„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig onderzoek voor
-den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de afwezigheid van baboe Dalima in
-den bewusten nacht niets afwist, zoodat het vast staat in het geding, dat het Javaansche
-meisje met onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij zult
-u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze zwijnenjacht er op beriep,
-dat zij verlof van de njonja en van nonna Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of
-die dat zouden kunnen getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw
-Van Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis. De residentsdochter
-is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang Anjer vertrokken, om bij de familie
-Steenvlak eenigen tijd te logeeren. Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou
-plaats <span class="corr" id="xd30e9128" title="Bron: bebben">hebben</span>, deelde de resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij daar
-bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf houden. Maar het gekste
-is, dat onder de passagiers van al de vertrokken schepen in de laatste maanden de
-naam van mejuffrouw Van Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê
-gemeente van Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles hoort,
-alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het minste resultaat;
-terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het vertrek van zijne dochter ter sprake
-brengt, zich met eene zekere luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal
-opdischt, waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap in
-gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou vertrokken zijn, om
-van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand gelooft er iets van, vooral niet,
-omdat de resident nimmer den naam van die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen
-geweest, die aan de firma Acraman Main en C<sup>ie</sup> te Adelaïde hebben getelegrafeerd, maar bericht hebben gekregen: <span class="corr" title="Niet in bron">„</span><span lang="en">Not to have heard anything of the arrival of <span class="corr" id="xd30e9137" title="Bron: tree">three</span> ladies from the <span class="pageNum" id="pb2.76">[<a href="#pb2.76">76</a>]</span>Dutch East-India,</span>” (niets vernomen te hebben omtrent de aankomst van drie dames van <span class="corr" id="xd30e9143" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span>). Van Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar Karang
-Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve meisje, dat hij steeds met
-hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel
-schrijven, en u op de hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds
-gedaan.
-</p>
-<p>„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht staan. Toch
-geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om die ongelukkigen te redden.
-Ik heb eene reden te meer, om er mijne aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe
-Dalima in belangwekkende omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad
-van Lim Ho niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten
-zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die gepleegde misdaad,
-zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min mogelijk aan te roeren: maar de
-weldenkenden zullen zich moeten beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand
-te reiken, wanneer zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling
-haars vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident Van
-Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare diensten als baboe
-of bediende aanvaard zullen worden. Maar … komt tijd, komt raad.…”
-</p>
-<p>Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting van Ardjan en
-Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en schilderde de niet geringe ontsteltenis,
-die deze gebeurtenis in officiëele kringen verwekt had.
-</p>
-<p>„Hoe <span class="corr" id="xd30e9150" title="Bron: onverschilig">onverschillig</span> de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook behandelt, wanneer zij ter sprake
-komt,” schreef de jeugdige koopman, „blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid
-de vluchtelingen opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen
-van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare taak te kort
-schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers vermoord, maar niet beroofd
-zijn geworden, heerscht werkelijk angst in de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld
-geworden, dat de <span class="pageNum" id="pb2.77">[<a href="#pb2.77">77</a>]</span>pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik kan dat evenwel
-pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de twee schildwachten voor het perron
-van den Grooten Heer op en neer. De kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele
-soldaten verzekerde mij zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis
-niet ontzegeld is.<a class="noteRef" id="xd30e9155src" href="#xd30e9155">2</a> Dat is gelukkig ook; want, wanneer die dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij
-mijns bedunkens gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen.
-</p>
-<p>„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn. Hoewel niet binnen
-de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene gruwelijke onbillijkheid verhoed.
-Want de vader werd door de zedelooze handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen
-tot zijne onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde opiumsmokkelarij
-geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het geheele publiek dat weet.
-</p>
-<p>„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie behandeld worden.
-Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie heb ik bekend, dien man twee
-klappen toegebracht te hebben. Die bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht
-van den beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op raad
-van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen; ten einde de arme
-Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring van den geneesheer, dat geene
-gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid gepleegd werd, is de mishandeling van het
-slachtoffer niet rechterlijk te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht
-bijwoonden, van de gepleegde misdaad overtuigd; maar.… maar, wanneer zal toch eens
-gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?.…”
-</p>
-<p>De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den <span class="pageNum" id="pb2.78">[<a href="#pb2.78">78</a>]</span>meesten indruk, hoewel hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen
-van de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde het verdwijnen
-van Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop gevolgd was.
-</p>
-<p>„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef hij, „alles is
-te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare ouders alle mogelijke maatregelen
-getroffen waren, om eene samenkomst te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig
-geweigerd mij te ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij
-te waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was. Zij is
-vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van haar.…. maar Willem, een
-brief, die mij alle hoop benam.
-</p>
-<p>„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van menschen, die
-u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen tegenwerpen, dat een kind niet schuldig
-of medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan
-dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking in
-mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was.
-Maar.… den man steeds voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden;
-in teedere oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben,
-de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat ik hem als
-prijs voorgeworpen werd voor eene daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met
-mijne ouders, die hij als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor
-mij met achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts eene
-aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien; zie, Karel, dat
-zou mij het leven tot eene hel maken en zijn weeromstuit op u niet missen.”
-</p>
-<p>„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt daarin tevens
-zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den gelukkigsten en tevens tot den
-rampzaligsten mensch heeft gemaakt der aarde.
-</p>
-<p>„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer ouders; maar juist
-daarom wordt zij <span class="pageNum" id="pb2.79">[<a href="#pb2.79">79</a>]</span>mij te meer dierbaar, als dat mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin
-in het volle licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een
-ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de samenkoppeling
-van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele telg gesproten is? Hoe komt
-het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is?
-Allemaal raadsels, die voor ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen,
-dat de schuld der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn …
-</p>
-<p>„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde voor het reine
-wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal dat alles leiden? Dat vraag
-ik mij veelmalen ernstig af; maar moet daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet
-gevonden heb. Ik deins soms voor mij zelven terug;… want ik begin veranderingen in
-mijn gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden. Worden die
-veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna ondervindt? Zouden die
-ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals bij zoovele mijner medemenschen, een
-ongestoord verloop had gehad? Ik durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat
-ik mij vroeger van het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans
-in mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach betrap, wanneer
-ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de vrouw meer een etherisch wezen
-gelijk was, dan wel eene natuurgenoote van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan
-zijn en hartstocht kan inboezemen.
-</p>
-<p>„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele leven. O, dat
-is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in mijn binnenste loeien. Bij tijden
-stijgen brandende verlangens in mij op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die
-zoo fiere maagd, welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor
-mij maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en … ik verheel het niet: er zijn oogenblikken,
-dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij zelven de belofte afleg,
-dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil, dat ik haar zal bezitten! En, dan is,
-helaas! in die uiting, niets teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is
-het de hartstocht, <span class="pageNum" id="pb2.80">[<a href="#pb2.80">80</a>]</span>die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige opwelling van den onbeteugelden
-natuurmensch, die zich op het voorwerp, dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig
-tracht te werpen.
-</p>
-<p>„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen geschreven. Ik heb
-haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar bezworen, haar hart niet voor mij
-te sluiten. Ik heb haar gesmeekt, gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden
-niet eeuwig mijn aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in
-mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering ontstaan, daar
-eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel geen aanzienlijk vermogen nagelaten
-had, maar toch groot genoeg, om onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik
-zou wel eene plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de woonplaats
-harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar ondragelijk zijn, welnu
-dan stelde ik haar voor, te zamen naar Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt
-kunnen treden, en stil en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn
-kunnen leven.
-</p>
-<p>„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar, vriend, ik bekwam
-geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte
-een vastgenomen besluit, waarvan zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven
-in hunne enveloppen, en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich
-niet te vergissen, het was hare hand.
-</p>
-<p>„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste spanning. En toch
-kon ik door de massa werk, waarmede de raad van Justitie overladen is, Santjoemeh
-niet verlaten. O, ik was zoo gaarne naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er
-in geslaagd zoude zijn, om Anna de toekomst minder somber te doen inzien.
-</p>
-<p>„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de enveloppe in handen
-had, overviel mij reeds een soort van angst. En, werkelijk, het adres was van eene
-andere hand. Haastig scheurde ik den omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende
-brief, waarbij evenwel een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden
-voorkwamen: „Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-<span class="pageNum" id="pb2.81">[<a href="#pb2.81">81</a>]</span></p>
-<p>„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna heeft Karang Anjer
-verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij in te lichten, waarheen het dierbare
-schepsel vertrokken is! Wie had die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag
-ik met een oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift was
-regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was iets zachts, iets
-teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest het schrift eener vrouw zijn! Maar,
-van wie? Dat moest ik weten. Ik had rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer.
-Maar, hoe weg te komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend
-van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het verkrijgen van
-verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet, en gelukkig ook; want voorzeker
-zoude dan later op mijne gangen gelet zijn.
-</p>
-<p>„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld. Congesties, gepaard
-met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig
-was, maakte mijn geneesheer zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen,
-die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een eenigszins
-voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn herstel noodzakelijk achtte.
-Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was, toen hij die uitspraak deed.
-</p>
-<p>„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo kalm mogelijk.
-</p>
-<p>„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.”
-</p>
-<p>„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig.
-</p>
-<p>„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?”
-</p>
-<p>„„De <span class="corr" id="xd30e9200" title="Bron: assistent resident">assistent-resident</span> aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl ik onder de beheerders der <span class="corr" id="xd30e9203" title="Bron: landbouwonder-ondernemingen">landbouwondernemingen</span> in den omtrek verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.”
-</p>
-<p>„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik meen op 2200
-voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk zijn.”
-</p>
-<p>Hij teekende het noodige bewijs, en.… reeds twee <span class="pageNum" id="pb2.82">[<a href="#pb2.82">82</a>]</span>dagen later zat ik in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem,
-gij weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van Karang Anjer.
-Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de zekerheid, dat ik licht
-in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds reactie in? Zoo veel is zeker, dat
-ik mij als herboren gevoelde, toen de reis begon.
-</p>
-<p>„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor mij uiterst
-belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok, mij hebben kunnen boeien.
-Ik trok toch over het ruim acht duizend voet hooge Prahoe-gebergte, daarna over het
-Diëng-plateau, dat klassieke vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker
-Frans Junghuhn zoo meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng
-Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende solfatara’s en ziedende
-heetwaterwellen; langs den Telerep, dien verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende
-uitbarstingen, wat krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt;
-langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep ingezonken en door
-hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste waterbekkens vormt der geheele aarde;
-en verder langs de westelijke hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten
-en regelmatigsten van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op
-bijna tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te Wonosobo
-aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden, voor al die natuurwonderen,
-die in den vorm van piramidale vuurbergen, van grillige bergruggen, van steile en
-hemelhooge rotswanden, van woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen,
-van verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van schilderachtige dalen,
-van schrikkelijke ravijnen, van donkere afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke
-koffie- en theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna!
-en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.”
-</p>
-<p>„„<span lang="ms">Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!</span>” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet
-tot den automédon, die toch al reeds zijn best deed, en <span class="pageNum" id="pb2.83">[<a href="#pb2.83">83</a>]</span>zijn lange zweep met onbarmhartige behendigheid hanteerde.
-</p>
-<p>„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog lang niet!
-</p>
-<p>„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den assistent-resident van
-Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik behoef dus daarover niet uit te weiden.
-De reis had ook den meest gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend;
-maar, toch zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang Anjer
-mocht en kon ondernemen.
-</p>
-<p>„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en gaf hem te kennen,
-dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen, bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s
-hoofdplaats, wenschte te vermijden.<span id="xd30e9223"></span>
-</p>
-<p>„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over Kaliwiro, Ngalian,
-Peniron en zoo naar Karang Anjer.”
-</p>
-<p>„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere gemakkelijkheid,
-waarvan hij sprak, daarop doelde.
-</p>
-<p>„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort den afstand
-ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te leggen. Het wegenstelsel
-hier is zeer goed te noemen; maar in het innerlijke der residentie is het slechts
-te paard te berijden. Daarbij hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander
-zoodanig, dat zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige
-kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de onmogelijkheden zou behooren.”
-</p>
-<p>„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat gunstige klimaat
-doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen niets meer te bespeuren was, ondernam
-ik den tocht, die niet van moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend;
-maar het ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het daarachter
-gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna andermaal te beginnen. Het paard,
-dat Kleinsma mij bezorgd had, was een uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk,
-in weerwil van dat terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg bergopwaarts,
-dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd <span class="pageNum" id="pb2.84">[<a href="#pb2.84">84</a>]</span>te zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al te steil,
-dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in stevigen stap, die den meest
-wakkeren voetganger deed achterblijven.
-</p>
-<p>„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van den assistent-resident
-zoo mogelijk een nog beter rijdier van den loerah dier plaats. Zoo trok ik over het
-Bessergebergte,<a class="noteRef" id="xd30e9235src" href="#xd30e9235">3</a> over de uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak-<a class="noteRef" id="xd30e9238src" href="#xd30e9238">4</a> gebergte, en kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan.
-</p>
-<p>„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne Anna niets vernemen.
-Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt mij de moed om voort te gaan.”
-<span class="pageNum" id="pb2.85">[<a href="#pb2.85">85</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e9099">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9099src">1</a></span> Zie daaromtrent o. a. <i>het voorloopig verslag van de commissie tot onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling
-der begrooting van Ned. Indië <span class="corr" id="xd30e9103" title="Bron: roor">voor</span> 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer</i>. (laatste alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document).&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9099src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9155">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9155src">2</a></span> In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de militaire garnizoenen scherpe
-patronen, die in eene blikken trommel opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld,
-en de kommandant der wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk
-mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien kommandant
-geopend worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9155src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9235">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9235src">3</a></span> Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de residentie Bagelen en meer
-bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en een verbindingsrug daarstelt tusschen het
-Midanganggebergte aan de eene zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere
-zijde. Het punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op 1900
-voet boven de oppervlakte der zee.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9235src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9238">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9238src">4</a></span> Het Midangang-, <span class="corr" id="xd30e9240" title="Bron: Paros-">Paras-</span> en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas
-en Bagelen. In zijn hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het <span class="corr" id="xd30e9243" title="Bron: Parosgebergte">Parasgebergte</span> ligt in de Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het Boetak-gebergte
-ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene hoogte van 1252 voet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9238src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e882">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXIX.</h2>
-<h2 class="main">Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer
-aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche
-vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar
-zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde,
-de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met
-hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den
-wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte,
-hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid
-aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een
-genomen besluit.
-</p>
-<p>„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben
-ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden.
-Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde
-voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden
-daarstellen.”
-</p>
-<p>„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.
-</p>
-<p>„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. <span class="pageNum" id="pb2.86">[<a href="#pb2.86">86</a>]</span>Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij
-er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk
-bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw
-bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen.…”
-</p>
-<p>„Maar, Mevrouw, Anna is rein<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.
-</p>
-<p>„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet
-in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven
-te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn.
-Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een,
-die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet
-zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte
-woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling
-zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”
-</p>
-<p>„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië,
-naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten
-verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor
-elkander kunnen leven en dan, dan … geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor
-elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis
-mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op
-gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en …
-vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”
-</p>
-<p>„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het
-betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging
-voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens
-weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige
-mededeeling gedaan.”
-<span class="pageNum" id="pb2.87">[<a href="#pb2.87">87</a>]</span></p>
-<p>„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven
-ongeopend terug.”
-</p>
-<p>„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard …
-Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te
-ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”
-</p>
-<p>„Mevrouw!…”
-</p>
-<p>„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan,
-om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben?
-Afzonderlijk?… Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis
-alleen te laten maken! Te zamen?… Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige
-ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”
-</p>
-<p>„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestand <span class="corr" id="xd30e9281" title="Bron: nêerlei">neêrlei</span>?”
-</p>
-<p>„Wat bedoelt ge?”
-</p>
-<p>„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk
-begeerde?…”
-</p>
-<p>„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst.
-„Ga niet voort! Trots hare familie,… dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden;
-met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting
-en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote
-aanspraak zoude hebben … Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken …
-Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken;
-maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap
-ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken
-heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld
-van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in
-weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste
-verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens
-plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”
-</p>
-<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool had zich bij die uiteenzetting <span class="pageNum" id="pb2.88">[<a href="#pb2.88">88</a>]</span>door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden
-sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.
-</p>
-<p>„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien
-slaag ik er in, om haar te verteederen.… Zeg mij, waar zij is?”
-</p>
-<p>„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen;
-dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft
-mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan
-ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken
-dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”
-</p>
-<p>„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”
-</p>
-<p>„Eenvoudig, om vergeten te leven.”
-</p>
-<p>„Wellicht om te hu.…”
-</p>
-<p>„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering.
-Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”
-</p>
-<p>„Maar, wat wil zij dan?”
-</p>
-<p>„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet
-lang uitblijven zal.”
-</p>
-<p>„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.
-</p>
-<p>„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong
-meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”
-</p>
-<p>„Mevrouw, gij beangstigt mij.”
-</p>
-<p>„Ik deel u de waarheid mede.”
-</p>
-<p>„O, zeg mij, waar zij is?”
-</p>
-<p>„Nooit!”
-</p>
-<p>„Is zij op Java, is zij in Indië?”
-</p>
-<p>„Ik zeg niets.”
-</p>
-<p>„Is zij naar Europa?… O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”
-</p>
-<p>„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”
-</p>
-<p>„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”
-</p>
-<p>„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven …”
-</p>
-<p>„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand.…” viel Van Nerekool in.
-<span class="pageNum" id="pb2.89">[<a href="#pb2.89">89</a>]</span></p>
-<p>„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te
-handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”
-</p>
-<p>„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning
-uitstoof.
-</p>
-<p>Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij
-wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar
-uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja
-van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe<a class="noteRef" id="xd30e9323src" href="#xd30e9323">1</a> afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld
-had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh
-teruggekeerd was.
-</p>
-<p>De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der
-omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van
-de paardenposterij<a class="noteRef" id="xd30e9331src" href="#xd30e9331">2</a>; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen.
-Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden
-niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij
-de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw
-logé) vertrokken was.
-</p>
-<p>Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s<a class="noteRef" id="xd30e9337src" href="#xd30e9337">3</a> aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang”
-vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).
-</p>
-<p>In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken,
-wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had,
-als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde <span class="pageNum" id="pb2.90">[<a href="#pb2.90">90</a>]</span>gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den
-rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen,
-die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne
-zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt
-hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met
-het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen
-slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil
-van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land-
-en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.
-</p>
-<p>Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch
-de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig
-ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar
-elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de
-booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten
-niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen
-Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide
-Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een
-verzinsel beschouwd worden.
-</p>
-<p>Eindelijk keerde Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien
-dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk
-luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door
-August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn ontvangen en verwelkomd werd.
-</p>
-<p>„En?.…” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van Karel
-<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool geconstateerd hadden. „En …?”
-</p>
-<p>Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen,
-het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor
-hen gebleven.
-<span class="pageNum" id="pb2.91">[<a href="#pb2.91">91</a>]</span></p>
-<p>„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”
-</p>
-<p>„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.
-</p>
-<p>„Gij ook niet?” vroeg Karel.
-</p>
-<p>„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van <span class="corr" id="xd30e9369" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten,
-dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf,
-voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”
-</p>
-<p>„Zoodat, volgens uw gevoelen?…” vroeg Karel.
-</p>
-<p>„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”
-</p>
-<p>„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.
-</p>
-<p>„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn,
-dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader
-en moeder.”
-</p>
-<p>„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om <span class="corr" id="xd30e9380" title="Bron: mêe">meê</span> te gekscheren,” zei Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna
-is,” antwoordde Van Nerekool.
-</p>
-<p>En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden
-aan zijne getrouwen.
-</p>
-<p>„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij
-de mededeeling.
-</p>
-<p>„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.
-</p>
-<p>„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd,
-dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”
-</p>
-<p>„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak
-Grashuis.
-</p>
-<p>„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij
-diep ongelukkig.”
-</p>
-<p>„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den
-raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”
-<span class="pageNum" id="pb2.92">[<a href="#pb2.92">92</a>]</span></p>
-<p>„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben,
-dien gij voorspelt, August.”
-</p>
-<p>„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei
-Grenits.
-</p>
-<p>„Gij?”
-</p>
-<p>„Ja, in zake Mokesuep.”
-</p>
-<p>„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”
-</p>
-<p>„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg
-niet.”
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien
-dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ&nbsp;25 veroordeeld, wegens het toebrengen van
-slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht
-waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij
-evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de
-onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie
-gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar
-in bescherming te nemen.
-</p>
-<p>Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was,
-staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep
-afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de
-openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.
-</p>
-<p>Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima,
-beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat
-opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar
-gezocht had.
-</p>
-<p>Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis
-van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde
-toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe
-geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden
-ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij <span class="pageNum" id="pb2.93">[<a href="#pb2.93">93</a>]</span>nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt
-moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer,
-dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar
-tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim
-Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij
-de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige
-onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling,
-als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook het <span lang="la">visum repertum</span> van den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het
-meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig
-bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed
-van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe
-landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt
-gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde,
-wegens gebrek aan bewijzen af te zien.
-</p>
-<p>Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.
-</p>
-<p>Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een
-doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot,
-tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen
-van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van
-weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide
-opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja
-ketjoet)<a class="noteRef" id="xd30e9421src" href="#xd30e9421">4</a> had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van <span class="pageNum" id="pb2.94">[<a href="#pb2.94">94</a>]</span>den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan
-Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde
-toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had,
-dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn
-oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje
-eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.
-</p>
-<p>Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe
-geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen
-die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij
-met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen,
-en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de
-bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een
-gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem
-aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig
-geacht moesten worden.
-<span class="pageNum" id="pb2.95">[<a href="#pb2.95">95</a>]</span></p>
-<p>De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring
-van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling
-aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter
-zake in overtreding bevonden<a class="noteRef" id="xd30e9459src" href="#xd30e9459">5</a>.
-</p>
-<p>Tegenover dat requisitoir wees August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat,
-hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima,
-zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording
-een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij
-legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan
-de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had,
-en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering
-te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren<a class="noteRef" id="xd30e9476src" href="#xd30e9476">6</a>. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige
-opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven
-<span class="pageNum" id="pb2.96">[<a href="#pb2.96">96</a>]</span>was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den
-reuk en op het gevoel van het <span class="corr" id="xd30e9497" title="Bron: produkt">product</span> waren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den
-opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars
-zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente
-scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels,
-afkomstig van denzelfden pachter<a class="noteRef" id="xd30e9500src" href="#xd30e9500">7</a> aan te toonen.
-</p>
-<p>De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad
-van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde
-feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare
-onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.
-</p>
-<p>Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in
-zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de
-zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel;
-terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed.
-Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang
-Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe
-de fiscale ambtenaar zich geleend had.
-<span class="pageNum" id="pb2.97">[<a href="#pb2.97">97</a>]</span></p>
-<p>Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche
-meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek
-naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim
-Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke
-menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch
-over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor
-haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich
-om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde;
-maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde
-Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan
-de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden.
-Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare
-moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak
-zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel
-de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas,
-Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer
-vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.
-</p>
-<p>„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.
-</p>
-<p>Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden,
-die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te
-drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen
-zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig
-tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.
-</p>
-<p>Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!</span>” (Sidin! gauw! geef Champagne!)
-</p>
-<p>En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende <span class="pageNum" id="pb2.98">[<a href="#pb2.98">98</a>]</span><span class="corr" id="xd30e9535" title="Bron: Venve">Veuve</span> Cliquot in de hand, en bracht August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.
-</p>
-<p>Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop
-van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.
-</p>
-<p>„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in
-zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen,
-zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer
-geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven,
-maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis
-te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den
-toestand hier?”
-</p>
-<p>„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de
-opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging
-van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig
-juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima!
-Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd:
-Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig
-was.”
-</p>
-<p>„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.
-</p>
-<p>„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere
-beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij
-vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel
-aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek
-van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd
-wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor
-regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf
-en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen,
-tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos
-schrapen, zulke toestanden niet alleen <span class="pageNum" id="pb2.99">[<a href="#pb2.99">99</a>]</span>gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”
-</p>
-<p>Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.
-</p>
-<p>„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet,
-die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!”<a class="noteRef" id="xd30e9553src" href="#xd30e9553">8</a> antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie
-ziet toe, en.… heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de
-meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is
-of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren
-heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts …
-<span class="corr" id="xd30e9558" title="Bron: éêne">ééne</span> gedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn
-succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordiging <i lang="fr">bons mots</i>, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor
-nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst
-leuk vinden.”<a class="noteRef" id="xd30e9564src" href="#xd30e9564">9</a>
-</p>
-<p>Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen
-vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan
-had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.
-</p>
-<p>„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z.&nbsp;M. boeien te begeven!”
-</p>
-<p>Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.
-</p>
-<p>„Eene gewone huwelijks-aankondiging!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> zei hij.… „Maar, van wien?”
-</p>
-<p>En het papier inziende:
-</p>
-<p>„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:
-</p>
-<p>„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer <span class="pageNum" id="pb2.100">[<a href="#pb2.100">100</a>]</span>en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk
-van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter
-van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben
-op den 3<sup>den</sup> September a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”
-</p>
-<p>„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima
-is ternauwernood uitgewezen.”
-</p>
-<p>„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn
-in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou
-mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke
-gelukwenschen aan te <span class="corr" id="xd30e9589" title="Bron: hieden">bieden</span>.”
-</p>
-<p>„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid
-wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”
-</p>
-<p>„Alweêr: <i lang="fr">des accommodements avec le ciel</i>”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.…
-Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen
-ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf
-gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”
-</p>
-<p>Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen,
-ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld,
-tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens
-enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten
-van zich te werpen.
-</p>
-<p>„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.”<a class="noteRef" id="xd30e9604src" href="#xd30e9604">10</a>
-<span class="pageNum" id="pb2.101">[<a href="#pb2.101">101</a>]</span></p>
-<p>„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar
-hartelust tokkelen.”
-</p>
-<p>„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”
-</p>
-<p>„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”
-</p>
-<p>„En dan breng ik mijne viool mede.”
-</p>
-<p>„En ik mijn fluit.”
-</p>
-<p>„En dan laten wij de geheele cipieran <i lang="fr">une sarabande de condamnés</i> uitvoeren<span class="corr" id="xd30e9638" title="Bron: .">,”</span> gilde Grenits bij voorbaat van de pret.
-</p>
-<p>„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden
-in.
-</p>
-<p>„Wat dan?” vroegen allen.
-</p>
-<p>„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon
-van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven,
-ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer
-kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”
-</p>
-<p>„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.
-</p>
-<p>„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen<span class="corr" id="xd30e9648" title="Bron: 7">?</span>” vroeg Grashuis.
-</p>
-<p>„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles
-zal gereed zijn.”
-</p>
-<p>„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”
-</p>
-<p>Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering
-uit elkander.
-<span class="pageNum" id="pb2.102">[<a href="#pb2.102">102</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e9323">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9323src">1</a></span> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n140.2">No. 2</a> op bladz. 140 van het 1e deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9323src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9331">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9331src">2</a></span> In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden
-gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen
-betaling verkrijgbaar zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9331src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9337">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9337src">3</a></span> Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen,
-die door dèsa-volk betrokken worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9337src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9421">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9421src">4</a></span> <i lang="ms">Roepanja kasar dan <span class="corr" id="xd30e9425" title="Bron: itam">hitam</span></i> en <i lang="ms">bahoenja ketjoet.</i> De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat
-gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben,
-en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde
-opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal
-weten, dat de <span class="pageNum" id="pb2.94n">[<a href="#pb2.94n">94</a>]</span>opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn,
-dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen,
-dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen
-gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven
-gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigd <span class="corr" id="xd30e9433" title="Bron: proces verbaal">proces-verbaal</span> van zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie het <i>Ind. Weekblad van het Recht</i> No. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr. <span class="sc">J.&nbsp;H. Abedanon</span>, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige
-behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht?
-De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig.
-Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder:
-„Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken
-aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek
-door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”
-</p>
-<p class="footnote cont">’k Voeg aan het woord der redactie v. h. <i>Weekbl. v. h. Recht</i> dezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot <span class="asc">DWANGARBEID</span>, gelijkstaande aan onze <span class="asc">TUCHTHUISSTRAF</span>! Nederlanders! hoort gij het!?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9421src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9459">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9459src">5</a></span> Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost
-zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die
-straf is geheel en al overeenkomstig de 6<sup>de</sup> alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn.
-25 Sept. 1874 Stbl. N<sup>o</sup>. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. N<sup>o</sup>. 262.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9459src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9476">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9476src">6</a></span> De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te
-doen verklaren (bladz. <a href="#pb115">115</a>). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla het <i>Indisch Weekblad van het Recht</i> op, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, N<sup>os</sup>. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden
-te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. <i>de Locomotief</i> van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, <i>het Ind. Vaderland</i> van 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke
-feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander
-ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke
-bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak,
-hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenover <span class="corr" id="xd30e9491" title="Bron: een">één</span> ontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent
-in het donker gepleegd?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9476src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9500">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9500src">7</a></span> Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard
-met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te
-verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen
-door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde <span class="corr" id="xd30e9502" title="Bron: produkt">product</span> opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen <span class="corr" id="xd30e9505" title="Bron: wordeg">worden</span> door apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke
-kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen
-met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien het <i>Ind. Weekbl. v. h. Recht</i> N<sup>o</sup>. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche
-deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden.
-De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij
-opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche
-Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de
-pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9500src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9553">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9553src">8</a></span> Die uitspraak, wierp <i>het Vaderland</i> in zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de
-oude geschiedenis van den balk en den splinter!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9553src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9564">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9564src">9</a></span> De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet
-geldt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9564src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9604">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9604src">10</a></span> Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding
-van de roman van <span class="sc">Ebers</span> laten doen <span class="pageNum" id="pb2.101n">[<a href="#pb2.101n">101</a>]</span>maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „<i>de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië</i>” door <span class="sc">J.&nbsp;A.&nbsp;B. Wiselius</span>. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:
-</p>
-<p class="footnote cont">„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest,
-die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede
-sluiten.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p class="footnote cont">Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring
-gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. het <span class="asc" lang="la">VIRTUS NOBILITAT</span> nog niet uitgereikt is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9604src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e892">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXX.</h2>
-<h2 class="main">Baboe Dalima naar Karang Anjer.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro doorslingert,
-stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en veerkrachtigen pas voorwaarts.
-Het Javaansche meisje was eenvoudig in sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare
-gewone netheid en zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg
-zij een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en waarschijnlijk
-eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog opmerking verdiende, was: dat
-zij niet blootvoets, maar met een soort sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg
-scheen te kunnen.
-</p>
-<p>Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en haar uiterlijk
-duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter den rug had.
-</p>
-<p>Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver van Kaligaweh
-verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis?
-</p>
-<p>Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten inwon omtrent nonna
-Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres naar Karang Anjer gegaan, en daarna
-spoorloos verdwenen was, werd haar oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij
-haar het plan, om van haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel
-weinig begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, zoo’n
-gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, <span class="pageNum" id="pb2.103">[<a href="#pb2.103">103</a>]</span>dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en getrouw liefderijk
-wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar … Karang Anjer lag zoo ver, zoo
-onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds niet ver van de groote zee, in de nabijheid
-van het gebied van Ratoe Lårå Kidoel<a class="noteRef" id="n2.103.1src" href="#n2.103.1">1</a>, hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat schrikte haar niet af. Zij zou moedig
-de reis aanvaarden, en koen voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd
-werd, langs brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>mer-api’s”<a class="noteRef" id="xd30e9674src" href="#xd30e9674">2</a>, langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” (bosschen).
-Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild gedierte niets te vreezen. En
-zij was niet bang voor slecht volk; want, wat zou bij haar vermoed kunnen worden?
-Zij zag er zoo armoedig uit, dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij
-haar wat te rooven viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig
-bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, en nu in het
-pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had nonna Anna haar toch eenig
-geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. Ook August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden en Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool hadden zich beijverd, het arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer
-zij haar in de cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen.
-Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij dacht aan de toekomst.
-En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig guldens, die zij, alvorens te vertrekken,
-tegen „katip’s” (dubbeltjes) en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen
-„roepiah’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> (guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, hetgeen wellicht
-begeerlijkheid zou kunnen opwekken.
-</p>
-<p>Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een oogenblik doen
-aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat toch bespaard om de onkosten
-<span class="pageNum" id="pb2.104">[<a href="#pb2.104">104</a>]</span>te bestrijden, die hare bevalling noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een
-„doekoen” (vroedvrouw) noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar
-kindje zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen voor de
-muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij had toch bij de familie
-Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo daarachter had liggen slapen. Zeker, haar
-kindje zou ook zoo’n klamboe gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> èn eenigen tijd nà hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten
-eten; want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel zorgen
-had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog steeds in de gevangenis
-zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat geld was zij gehecht; want zij begreep,
-hoe jeugdig zij ook was, dat de nood hoog zou kunnen stijgen … Maar, al die overwegingen
-verdwenen, nu het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar … de toestand,
-waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? Daaraan dacht
-zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche vrouw, dank zij hare onbekendheid
-met het noodlottige corset harer noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt
-beschouwd als een verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den
-weg gelegd heeft.<a class="noteRef" id="xd30e9692src" href="#xd30e9692">3</a> Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog veraf. Zij had nog ruim vier maanden
-voor zich. En zou dan hare taak niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet
-gevonden hebben, of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.… welnu, zij kende <span class="pageNum" id="pb2.105">[<a href="#pb2.105">105</a>]</span>de liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar toestand haar
-in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan iedereen gaan vertellen,
-op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt was. Zij wist, dat zij in dien grooten
-nood wel een beschermend dak zou vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame
-hand zou bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al had
-zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel gevonden hebben om
-haar plan ten uitvoer te leggen.
-</p>
-<p>Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van Gulpendam, misschien
-wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh opgezocht, en haar iets van „obat
-mentellang”<a class="noteRef" id="xd30e9700src" href="#xd30e9700">4</a> in het oor gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen
-opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan hare vroegere
-njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom van belangstelling in het
-lot van het Javaansche meisje, duidelijker gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk
-gebaar veroorloofd had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging,
-welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en haar gedreigd,
-dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij zich weer vertoonde. Neen,
-het kind, dat zij onder het hart droeg, was geen pand der liefde; het was geen afgebeden,
-zelfs geen gewenscht kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen.
-Hoevele Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product eener
-schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor een moord terugdeinzen,
-om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk
-geen schuld aan de misdaad zijns vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij
-zou het opkweeken, zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat
-het onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, <span class="pageNum" id="pb2.106">[<a href="#pb2.106">106</a>]</span>gunde zij het met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot
-zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had kunnen hebben
-van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der <span class="corr" id="xd30e9707" title="Bron: bescbaving">beschaving</span> over!
-</p>
-<p>En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, die haar geheele
-bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, en was nu, na een achttal dagen
-ijverig doorgestapt te hebben, het einddoel der lange reis meer nabij gekomen.
-</p>
-<p>Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den panghoeloe, den
-dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene zwerfster, die haren vader te
-Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het oog op haren zichtbaren toestand, verwees
-haar dan steeds naar de eene of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich
-niet altijd hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar integendeel
-hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en nog menige „katoepat”<a class="noteRef" id="xd30e9713src" href="#xd30e9713">5</a> aan haar pakje bond, om onderweg te verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die
-gastvrijheid ten deel. Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg
-ingewonnen had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de nacht
-inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een plaatsje op de „baleh-baleh”
-(ligplaats, brits) van de eerste de beste gardoe, wat haar niet geweigerd werd.
-</p>
-<p>Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een dicht bosch, de
-zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte bladerendak werd het donker, ja schier
-zwart. Het pad was nog alleen te houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle
-strook van het hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was,
-zich in de richting van den weg uitstrekte, <span class="pageNum" id="pb2.107">[<a href="#pb2.107">107</a>]</span>en <span class="corr" id="xd30e9720" title="Bron: waartusscheu">waartusschen</span> de sterren fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij spitste
-de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. hanengekraai of het rythmisch
-geluid van het rijsttombokken, dat van de nabijheid van menschen zou getuigen. Maar,
-niets, niets! Hoe zij ook uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe
-doemden maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” hooren
-eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de laatste schemering van
-het daglicht, hetwelk in het westen op het punt was te verdwijnen, begroette<span class="corr" id="xd30e9723" title="Bron: ,.">.</span>
-</p>
-<p>Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de wildernis alleen
-ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van den „harimao” (tijger) aangetroffen
-wordt.<a class="noteRef" id="xd30e9729src" href="#xd30e9729">6</a> Als echt natuurkind nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom
-haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te dikken boom,
-die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een ernstige hinderpaal voor die
-gymnastische oefening; maar zij volbracht die klautering bedaard, omvatte den boom
-met beide handen, steunde de voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar
-voor beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken bereikt
-had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid. Een „toetool” (panter)
-toch valt in den regel den mensch niet aan, en een harimao, dat wist zij, klimt niet
-in de boomen. Zij maakte het zich op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg
-waren, om haar te dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats
-konden strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren, viel
-haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want dan liep zij gevaar
-haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te vallen. Daarenboven, die takken, waarop
-zij zat, <span class="pageNum" id="pb2.108">[<a href="#pb2.108">108</a>]</span>en de stam, waartegen zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen
-pijnlijk drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar dat
-gaf slechts <span class="corr" id="xd30e9734" title="Bron: korstondig">kortstondig</span> verlichting. Zelfs beproefde zij op Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar
-zij had bij het klimmen hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe <span class="corr" id="xd30e9737" title="Bron: oneffenenheden">oneffenheden</span> van den bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding onverdragelijk
-maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren, bosch-muskieten, houtkevers,
-enz. haar kwelden, en zij niet altijd de handen vrij had om hevige jeukingen, door
-dat lastig gedierte veroorzaakt, te bestrijden.
-</p>
-<p>Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar geld, hare
-geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent bekommerde zij zich weinig. Menschelijke
-wezens zouden toch op dat uur niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden
-die nu wel niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel
-ongedeerd laten liggen.
-</p>
-<p>Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht van verlichting,
-het zwakke schijnsel, dat den oostelijken gezichteinder eindelijk begon te tinten.
-</p>
-<p>Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had zij zeer verdachte
-geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het doffe en angstverwekkende „hoeh!
-hoeh!” van een harimao gehoord te hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven,
-hoe onduldbaar zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist
-in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar voortsluipende, onrustig
-en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden
-dorst te lesschen, om voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan
-in een woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij zou, zij
-moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de zon boven den horizon
-gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk licht te beschijnen, en het verscheurend
-gedierte naar zijne schuilhoeken te jagen.
-</p>
-<p>En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, die den dageraad
-met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het avondrood gedaan had. Dalima begreep,
-dat de tijger niet ver was.
-<span class="pageNum" id="pb2.109">[<a href="#pb2.109">109</a>]</span></p>
-<p>Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de lichtstrook
-in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren van lieverlede verbleeken.
-Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al
-meer en meer naar het zenith optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef,
-en haar naar het binnenste van het woud deed terugtrekken.
-</p>
-<p>O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd lang! En geen wonder;
-want haar lijden was schier duldeloos. Zij draaide en wrong hare verstijfde ledematen.
-Zij keek ongeduldig rond.
-</p>
-<p>Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij haar pakje
-en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar boven haar heerschte
-reeds het volle licht, en jubelde een talrijk vogelenkoor in de bladerenkronen, om
-de komst van de dagvorstin te verheerlijken.
-</p>
-<p>Wat kwam die toch langzaam!
-</p>
-<p>Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, terwijl de horizon
-in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den weerschijn daarvan tooiden zich
-wolken, boomen, bladeren, takken in het goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam
-tot op den woudbodem door.
-</p>
-<p>Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot alles met haar
-verblindend licht.
-</p>
-<p>Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te verlaten. Zij deed
-dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, en betrachtte bij het omlaag klauteren
-dezelfde voorzichtigheid, met betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen.
-Toen zij den bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere
-lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar katoepats bengelden,
-reinigde die van den zwerm mieren, die haar ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen
-naar een beekje toe, dat zij in de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het
-gelaat, de handen en de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om
-hare katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde daarna, gesterkt
-en bemoedigd, haren tocht voort te zetten.
-<span class="pageNum" id="pb2.110">[<a href="#pb2.110">110</a>]</span></p>
-<p>Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene gardoe het heugelijke
-bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij ontmoeten zou, Karang Anjer was.
-</p>
-<p>Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot.
-</p>
-<p>Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de eenvoudige
-Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde evenwel na een poos nagedacht
-te hebben, dat zij ongeveer nog „limå poeloe pal kawat”<a class="noteRef" id="xd30e9760src" href="#xd30e9760">7</a> vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had. Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij
-met rappen voet voort, en bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa.
-</p>
-<p>Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich daar aan als
-de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste veel, zeer veel over haar gesproken
-had, werd zij uiterst welwillend, ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen.
-Maar, omtrent het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij
-ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was het eenige
-antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving.
-</p>
-<p>„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het Javaansche meisje met
-tranen in hare stem.
-</p>
-<p>„Ja, Dalima, dat heeft zij.”
-</p>
-<p>„Maar, waar is zij dan, njaa?”
-</p>
-<p>„Zij is vertrokken.”
-</p>
-<p>„Waarheen, njaa?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet.”
-</p>
-<p>Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook haar „njaa” smeekend
-lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit onverzettelijke antwoord.
-</p>
-<p>Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje vertrokken was?
-Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat baboe Dalima voor Van Nerekool
-werkzaam was? Dat kwam haar niet onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde,
-dat het <span class="pageNum" id="pb2.111">[<a href="#pb2.111">111</a>]</span>Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de genegenheid van de beide
-Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, dewijl Dalima zich geheel argeloos
-in het gesprek had laten ontvallen, dat Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh opgezocht, en haar geld gegeven
-had. Zij zou de baboe daarom niet minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag
-zeer goed, dat genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van
-hare handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem van dankbaarheid
-voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche
-gemoed in eene vereeniging der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden?
-Die gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar.…
-</p>
-<p>„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan.
-</p>
-<p>„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw Steenvlak.
-</p>
-<p>„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje handenwringend.
-</p>
-<p>„Neen, zeg ik u, boe!”
-</p>
-<p>„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?”
-</p>
-<p>Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit het veld slaan.
-</p>
-<p>„Ja.… dat weet ik natuurlijk.”
-</p>
-<p>„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het oog.
-</p>
-<p>„Ik mag, ik kan niet, boe!”
-</p>
-<p>„Waarom niet, njaa?”
-</p>
-<p>„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven.…”
-</p>
-<p>Mevrouw Steenvlak aarzelde.
-</p>
-<p>„Wat njaaa?”
-</p>
-<p>„Dat ik aan niemand—hoort ge aan <span class="corr" id="xd30e9797" title="Bron: niemend">niemand</span>, Dalima!—iets zeggen mocht.”
-</p>
-<p>„Maar aan mij wel, njaaa!”
-</p>
-<p>„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.”
-</p>
-<p>„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? Zij is zoo ongewoon
-voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar
-Nanna is!” kermde het jonge meisje.
-<span class="pageNum" id="pb2.112">[<a href="#pb2.112">112</a>]</span></p>
-<p>„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak<span id="xd30e9807"></span> onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, nietwaar?”
-</p>
-<p>Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve schepsel, dat
-evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, zoodat een verbitterd gemoed
-haar waarlijk wel te vergeven ware geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte
-gedaan had; maar met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop
-niet te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude hebben.
-</p>
-<p>„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het snikkende meisje
-aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh,
-of beter nog naar Kaligaweh terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?”
-</p>
-<p>Baboe Dalima knikte ontkennend.
-</p>
-<p>„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, nietwaar.”
-</p>
-<p>En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje vier rijksdaalders
-toe.
-</p>
-<p>Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, knoopte het in
-een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste de handen van mevrouw Steenvlak
-en verdween. Toen zij buiten was, prevelde zij:
-</p>
-<p>„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!”
-</p>
-<p>O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf, twintig of vijfentwintig
-centen voor hare voeding, dat was alles. In plaats van dan ook te vertrekken, doolde
-zij nog ettelijke dagen in Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen
-voor haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen dèsa’s. Overal
-vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door. Zij deed, wat Van Nerekool,
-als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen
-„warong,”<a class="noteRef" id="xd30e9819src" href="#xd30e9819">8</a> dien zij op haar <span class="pageNum" id="pb2.113">[<a href="#pb2.113">113</a>]</span>pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad<a class="noteRef" id="xd30e9826src" href="#xd30e9826">9</a> gevuld, overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh,<a class="noteRef" id="xd30e9830src" href="#xd30e9830">10</a> nuttigde elders wat „nassi ketan,”<a class="noteRef" id="xd30e9837src" href="#xd30e9837">11</a> overdekt met fijn geraspte klappernoot, of wel met siroop van „goela aren.”<a class="noteRef" id="xd30e9842src" href="#xd30e9842">12</a> Op eene andere plaats slurpte zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten,
-of een tros „ramboetan”<a class="noteRef" id="xd30e9846src" href="#xd30e9846">13</a> of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.”<a class="noteRef" id="xd30e9850src" href="#xd30e9850">14</a> Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens hare rekening; want
-zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja, hier en daar bekeek haar de waronghoudster
-en antwoordde, wanneer de smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar
-voor je kindje, en neem nog een kop koffie.”
-</p>
-<p>Maar,… zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te winnen, om te ondervragen.
-Maar, helaas, hare pogingen werden aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond.
-In de eerste dagen vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig,
-dat dit zoo niet blijven zou.
-</p>
-<p>Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten Zuidwesten van Karang
-Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij eenig licht. Zij vernam daar, dat op
-zekeren dag, meer dan twee maanden geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een
-„tandoe”<a class="noteRef" id="xd30e9857src" href="#xd30e9857">15</a> gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest <span class="pageNum" id="pb2.114">[<a href="#pb2.114">114</a>]</span>worden. Het draagtoestel was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe
-niet heel spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier neerzette
-en een kop koffie vroeg.
-</p>
-<p>„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?”
-</p>
-<p>„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje gekleed, met een
-zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen <span class="corr" id="xd30e9869" title="Bron: kabaia">kabaja</span>,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven genoegzaam te kennen,
-dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij waren blank en klein en niet uit
-elkander getreden, zooals onze voeten gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s”
-(princessen) te Sålå, geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel
-zijn kan, dat zij een poetri ware.”
-</p>
-<p>„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima.
-</p>
-<p>„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank<a class="noteRef" id="xd30e9876src" href="#xd30e9876">16</a>, zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.”
-</p>
-<p>„Hebt gij met haar gesproken, ma?”<a class="noteRef" id="xd30e9881src" href="#xd30e9881">17</a>
-</p>
-<p>„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.”
-</p>
-<p>„Maar, wat vroeg zij u, ma?”
-</p>
-<p>„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.”
-</p>
-<p>„Niets anders, ma? Herinner u goed.”
-</p>
-<p>„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik antwoordde twee
-palen.”
-</p>
-<p>„En verder?”
-</p>
-<p>„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? Daarop kon ik
-haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij hier niet bekend.”
-</p>
-<p>„Hebt gij niets <span class="corr" id="xd30e9894" title="Bron: naders">anders</span> gehoord, ma?”
-<span class="pageNum" id="pb2.115">[<a href="#pb2.115">115</a>]</span></p>
-<p>„Neen.”
-</p>
-<p>„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?”
-</p>
-<p>„Zeker. Zou ik niet?”
-</p>
-<p>„En?”
-</p>
-<p>„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare handen kwamen
-niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene opwellende gedachte, alsof dat gelaat
-geverfd was. Misschien had de nonna veel in de zon geloopen.”
-</p>
-<p>„En de haren, ma?”
-</p>
-<p>„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.”
-</p>
-<p>„Maar welke kleur, ma?”
-</p>
-<p>„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, voorzeker is zij
-eene nonna.”
-</p>
-<p>„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij niets meer, ma?”
-</p>
-<p>„Niets,” antwoordde de waronghoudster.
-</p>
-<p>Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg naar Sikaja.
-</p>
-<p>Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.… Daags daarna verscheen zij weer
-te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. Toen verdween zij, en werd niemand
-meer iets van haar gewaar. Mevrouw Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar
-informeeren. Maar die kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was.
-Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen.
-</p>
-<p>„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. „Heb ik goed
-gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De tijd zal het uitwijzen.…
-Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin
-voor haar in hare eenzaamheid geweest zijn.”
-<span class="pageNum" id="pb2.116">[<a href="#pb2.116">116</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="n2.103.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.103.1src">1</a></span> <i lang="ms">Ratoe Lårå Kidoel</i> is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk geslacht. De naam zou kunnen vertaald
-worden door: Koningin-Maagd van het Zuiden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n2.103.1src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9674">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9674src">2</a></span> Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam worden door de bevolking
-veelal nog werkende vulkanen aangeduid.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9674src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9692">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9692src">3</a></span> <i>Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft.</i> De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge Javaansche vrouw
-van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare verlossing, zich met haar kind
-c. ann. naar de rivier begaf, daar zich zelve en haar kind reinigde, de ann. in een
-pot deed, die door haren echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne
-terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en toen hare gewone
-werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was, terwijl een oude vrouw met de
-jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche
-kraamvrouwen zoo zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der Inlandsche
-vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare Europeesche geslachtsgenooten.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9692src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9700">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9700src">4</a></span> <i lang="ms">Obat mentellang.</i> Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl. naam van eene windende halfheester,
-door den geleerden Clitorea Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt.
-Aan den wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader behoeven
-aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam duidelijk zullen zijn.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9700src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9713">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9713src">5</a></span> Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een vlechtwerk gemaakt, dat den
-vorm heeft van een vierkant zakje. Dat zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en
-dan gekookt. Door de koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den
-vorm van een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt katoepat
-genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier onontbeerlijk, daar die
-rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is, eene deegachtige massa oplevert, die niet
-gauw verzuurt of tot bederf overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk
-is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9713src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9729">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9729src">6</a></span> Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds nabij is, heeft de
-schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur. liefhebbers van de jacht hooren
-verzekeren. Junghuhn vermeldt die bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn
-daarin te vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9729src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9760">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9760src">7</a></span> <i lang="ms">Kawat</i> beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat = telegram, pal kawat = telegraafpaal,
-bitjara kawat = telegrapheeren. De telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk
-uit kapokboomen (Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van
-elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750 M. of 1⅙ paal
-geschat kan worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9760src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9819">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9819src">8</a></span> Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en vruchten, verkocht worden.
-Zulke kraampjes worden in Java’s binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen.
-De koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het ligt in
-den aard der zaak, dat die warongs, waar <span class="pageNum" id="pb2.113n">[<a href="#pb2.113n">113</a>]</span>de voorbijgangers zich laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de
-nieuwtjes gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets ontgaat,
-al de menschen uit de geheele buurt kent.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9819src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9826">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9826src">9</a></span> <i>Pisangblad.</i> De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij breede bladeren, die door den
-Inlander tot velerlei doeleinden, maar vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord
-gebezigd worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9826src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9830">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9830src">10</a></span> <i>Sambal peteh.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n283.6">No. 6</a> op bladz. 283 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9830src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9837">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9837src">11</a></span> <i>Nassi ketan.</i> Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza glutinosa geheeten. Is met de
-in den tekst aangeduide toespijs eene zeer gewilde lekkernij.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9837src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9842">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9842src">12</a></span> <i>Goela aren</i> beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga saccharifera.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9842src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9846">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9846src">13</a></span> <i>Ramboetan</i> is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9846src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9850">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9850src">14</a></span> <i>Doerian</i> is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht maar met sterken geur.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9850src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9857">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9857src">15</a></span> <i lang="ms">Tandoe</i> is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een <span class="pageNum" id="pb2.114n">[<a href="#pb2.114n">114</a>]</span>licht bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het evenwel slechts
-een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee dragers benoodigd; bij zwaardere
-evenwel meer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9857src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9876">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9876src">16</a></span> De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open lettergrepen, die
-niet door andere met een gewijzigden klank of met een sluitmedeklinker gevolgd worden.
-Bewesten de lijn die bij de Javazee dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en
-niet ver van Bagelen’s hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die
-å klank in de heldervolle a over.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9876src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e9881">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9881src">17</a></span> <i>Ma</i> is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover niet oude getrouwde
-vrouwen bezigen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9881src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e901">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXI.</h2>
-<h2 class="main">Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het aloon-aloon-plein
-van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek van het aldaar in garnizoen zijnde
-bataillon infanterie hooren. Vele rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op
-dat plein, dat door zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer
-langen tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den westmoesson
-aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch verdroogd, en tot donkerbruin
-verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier en daar kloven en reten vertoonde, gespleten
-als zij was onder den invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den
-dag was de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde nog
-slechts achter de kruinen der <span class="corr" id="xd30e9922" title="Bron: Kanarieboomen">Kanarie-boomen</span>, die met haar donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare slagschaduwen
-over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson heerschte langs Java’s noordkust,
-ritselde in het gebladerte, bracht overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan,
-en temperde de warmte, in de middaguren opgedaan.
-</p>
-<p>Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders als Europeanen,
-zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was, alsof een ieder zijn deel van
-de vrij goede muziek, zijn deel van de frissche lucht wilde hebben.
-</p>
-<p>Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met <span class="pageNum" id="pb2.117">[<a href="#pb2.117">117</a>]</span>de Europeesche ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te
-zijn in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene leemte.
-Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone Laurentia, in een fraaien
-landauer met een paar prachtige Sydneyers bespannen, op de aloon-aloon verschenen,
-en knikten allerwegen met de meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden
-daar ambtenaren van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur,
-ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van het garnizoen,
-met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende bureaux, met de koryphaeën
-van den handelsstand, van het nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld
-van hunne echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat bij
-dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd en vroolijke geaardheid
-als het ware een cachet van opgewektheid aan dergelijke bijeenkomsten in de open lucht
-bijzette, en dan ook de fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes
-oogstte.
-</p>
-<p>„Waar zou Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn toch zitten?”
-</p>
-<p>„Waar Leendert Grashuis?”
-</p>
-<p>„Waar August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden?”
-</p>
-<p>Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen kruisten.
-</p>
-<p>„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?”
-</p>
-<p>„O, die zit in de nor.”
-</p>
-<p>„In de nor?… Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,… dan is het duidelijk,
-waar de anderen zitten!”
-</p>
-<p>„Die houden hem gezelschap.”
-</p>
-<p>„Dat ’s buiten kijf.”
-</p>
-<p>„Het is een troepje trouwe vrienden.”
-</p>
-<p>„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien … Maar … daar wandelt
-Mokesuep!”
-</p>
-<p>„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij zijn cilinder
-afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.”
-</p>
-<p>„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!”
-<span class="pageNum" id="pb2.118">[<a href="#pb2.118">118</a>]</span></p>
-<p>„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho …”
-</p>
-<p>„Shut!.… geen cancans!”
-</p>
-<p>„Zijn dat cancans, wat geheel <span class="corr" id="xd30e9958" title="Bron: Santjoemêh">Santjoemeh</span> weet?”
-</p>
-<p>„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?”
-</p>
-<p>„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename kermis zou te
-huis komen!”
-</p>
-<p>„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!”
-</p>
-<p>„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!”
-</p>
-<p>„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen …”
-</p>
-<p>„Dan zal hij doen evenals de resident … en …
-</p>
-<p>„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.….”
-</p>
-<p>„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: <i lang="fr">Le lever du soleil</i>…”
-</p>
-<p>„Van wien?.… Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!”
-</p>
-<p>„Stil nu, luistert!”
-</p>
-<p>Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene algemeene fuga
-het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd was, en de muziektonen in
-een plechtig koraal wegsmolten, dook de werkelijke zon achter de westelijke heuvelen
-van Santjoemeh weg.
-</p>
-<p>„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester heeft te diep
-in het glaasje gekeken!”
-</p>
-<p>Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten.
-</p>
-<p>Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad. Van Nerekool,
-Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de geestigen van Santjoemeh de
-drie jongelieden noemden—waren Grenits gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin
-hij sedert eenige dagen opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk
-nadat zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog stond,
-en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe vrienden hadden zij die
-wandeluren, de kostelijkste van eene geheele week, wel voor den armen gevangene over,
-eene opoffering, die hare belooning in zich zelve vond.
-<span class="pageNum" id="pb2.119">[<a href="#pb2.119">119</a>]</span></p>
-<p>Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had volstrekt geen naargeestig
-voorkomen, en was wel het minst geschikt, om aan een gevangenis te doen denken. Het
-was eene niet al te groote kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche
-steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen konden gesloten
-worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren. Voor die kamer strekte zich
-eene vrij breede galerij uit, welker architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat
-weelde niet waar?—wel eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel
-van hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures waren. Die
-galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito vertrekken, die een zelfde doeleinde
-hadden, als waarvoor Grenits hier was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid
-te berooven. De galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie
-sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van veelkleurige bloemen
-ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd gevormd door de verschillende gebouwen,
-die de eigenlijke gevangenis uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken
-waren; zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant werd
-ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele <span class="corr" id="xd30e9985" title="Bron: zuilenrei">zuilenrij</span> prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene fraaie collectie rozen,
-die de meest uiteenloopende variëteiten van de koningin der bloemen te zien gaf, van
-de dikke, dubbelde Persische roos af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos
-en de altijd groene roos toe.
-</p>
-<p>Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene nette tafel,
-eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen Japara-meubelen<a class="noteRef" id="xd30e9990src" href="#xd30e9990">1</a>—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige medaillon-portretten aan den wand,
-eene fraaie hanglamp aan het plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van
-fijn <span class="pageNum" id="pb2.120">[<a href="#pb2.120">120</a>]</span>gespleten rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest genoemd
-worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had laten brengen. De slaapkamer,
-die vlak naast het beschreven vertrek lag, en door middel <span class="corr" id="xd30e9996" title="Bron: vau">van</span> een binnendeur daarmede in verbinding stond, was even smaakvol gemeubeld, zoodat
-Theodoor Grenits zijne gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding
-vond, om <i lang="fr">„Mes Prisons”</i><a class="noteRef" id="xd30e10001src" href="#xd30e10001">2</a> of iets dergelijks te schrijven.
-</p>
-<p>„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de eerste maal,
-dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet <span class="corr" id="xd30e10006" title="Bron: gisssn">gissen</span>, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het achter het slot houdt.”
-</p>
-<p>„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.<span id="xd30e10012"></span>
-</p>
-<p>„Waar hier aan de overzij?”
-</p>
-<p>„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt gij wel anders
-spreken.”
-</p>
-<p>„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was.
-</p>
-<p>„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure geuren gauw verjaagd
-zoudt worden. Die menschen liggen daar opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel
-te klein voor zooveel gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is
-niets anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den vloer wedijvert,
-dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair
-wel te verstaan—des nachts nog vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers
-van het tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. Voegt
-daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een paar ronde en zwaar
-getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, zoodat het er uiterst bedompt en
-tamelijk schemerachtig is, dat de wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met
-bloedvlekken, die er streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander
-nog meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners <span class="pageNum" id="pb2.121">[<a href="#pb2.121">121</a>]</span>tegen den muur platgedrukt werden, met sirihspuw<a class="noteRef" id="xd30e10021src" href="#xd30e10021">3</a> en met andere nog meer walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar?
-dat ik u zoo’n bezoek afraad.”
-</p>
-<p>„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek, en walg er
-nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw jongen heeft straks een
-pakje gebracht.”
-</p>
-<p>„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het?
-</p>
-<p>„Daar, op de piano.”
-</p>
-<p>„Vrienden<span class="corr" id="xd30e10031" title="Bron: .">,</span>” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende. „Hier hebt gij een fonkelnieuwe
-bedoedan. <span id="xd30e10034"></span>Ziet een smetteloos pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een
-partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.”
-</p>
-<p>„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar? Hoeveel tjandoe hebt
-ge?”
-</p>
-<p>„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.”
-</p>
-<p>„Dat is in Nederlandsch gewicht?”
-</p>
-<p>„Drommels, laat zien.… Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.”<a class="noteRef" id="xd30e10041src" href="#xd30e10041">4</a>
-</p>
-<p>„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis.
-</p>
-<p>„Te veel, Leendert.”
-</p>
-<p>„Maar Von <span class="corr" id="xd30e10048" title="Bron: Micclucho">Miclucho</span> <span class="corr" id="xd30e10051" title="Bron: Macclay">Maclay</span><a class="noteRef" id="xd30e10053src" href="#xd30e10053">5</a> gebruikte honderd en zeven greinen bij zijn merkwaardige proef.”
-</p>
-<p>„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven greinen zijn
-nog maar achttien mata’s en eene breuk.”
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.”
-</p>
-<p>„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” <span class="corr" id="xd30e10066" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons <span class="pageNum" id="pb2.122">[<a href="#pb2.122">122</a>]</span>zoo gezellig bij elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.”
-</p>
-<p>„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen, welke uitwerking
-het opiumrooken heeft?…”
-</p>
-<p>„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.”
-</p>
-<p>„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere gedachte voorgezeten
-hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou ik deelnemen aan eene proef, alleen
-om.… ja, hoe zal ik mij uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden
-of waar te nemen.”
-</p>
-<p>„Ik ook niet,” sprak Van Beneden.
-</p>
-<p>„En ik ook niet,” zei Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar eens herinnert,
-wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.”
-</p>
-<p>„Poeah! Poeah!” riepen de anderen.
-</p>
-<p>„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei Van Nerekool
-hoogst ernstig.
-</p>
-<p>„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,” sprak Van Rheijn,
-„namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.”
-</p>
-<p>„Ja, maar.… wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,” meende Grashuis.
-</p>
-<p>„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den civiel ambtelijken
-dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar niet de faculteit,” zei Van Beneden.
-</p>
-<p>„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Komaan, biecht op!”
-</p>
-<p>„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.”
-</p>
-<p>„Murowsky, de Pool?”
-</p>
-<p>„Murowsky, de slangentemmer?”
-</p>
-<p>„Murowsky, de kapellenvanger?”
-</p>
-<p>„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een weinig eerbied
-voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij is de meest merkwaardige entomoloog,
-dien Indië ooit bezeten heeft, en dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche
-vorsten en vorstjes zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden
-te verleenen voor iedere compleete <span class="pageNum" id="pb2.123">[<a href="#pb2.123">123</a>]</span>of niet-compleete verzameling van opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal
-walgelijke insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet,
-dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van geleerdheid zal verleenen,
-waardoor ze tot de merkwaardigste van de geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze
-Pool was verrukt, toen hij ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik
-hem verzocht de proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en
-minimum thermometers <span class="corr" id="xd30e10095" title="Bron: mêebrengen">meêbrengen</span>, ook zijn stethoskoop. Hij zou de dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring
-waarnemen, en … wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij
-zal uitkramen!”
-</p>
-<p>„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op.
-</p>
-<p>„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden.
-</p>
-<p>„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van Rheijn. „En voor
-niets ter wereld zou hij de uitvoering op de aloon-aloon willen missen. Daarenboven
-hij is „<span lang="ms">sakit rindoe</span>” (verliefd) op Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het plein zijn.”
-</p>
-<p>„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.… duiten ook!”
-</p>
-<p>„Ja, de Polen zijn niet dom.”
-</p>
-<p>„Maar, wanneer komt hij nu?”
-</p>
-<p>„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn. En een zijner
-deugden is: dat hij stipt woord houdt.”
-</p>
-<p>„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden.
-</p>
-<p>„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde wees.
-</p>
-<p>En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek gemengd had, was
-opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij gedachteloos eenige accoorden aangeslagen,
-eenige motieven gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten
-aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk <i lang="fr">l’Absence</i> van Tal, en vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers.
-</p>
-<p>„Neen,” zeide Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, „geen muziek! Gij <span class="pageNum" id="pb2.124">[<a href="#pb2.124">124</a>]</span>ziet er de uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En, zoo
-iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als deze.”
-</p>
-<p>Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van Nerekool de
-handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het hoofd diep voorover boog,
-riep hem Eduard:
-</p>
-<p>„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting, dat <span class="corr" id="xd30e10135" title="Bron: Murowskij">Murowsky</span> komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork ontvangen heb.”
-</p>
-<p>„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl hij opstond
-en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord op mijn schrijven.”
-</p>
-<p>„Ik ook niet,” zei Van Beneden.
-</p>
-<p>„En ik ook niet,” zei Grenits.
-</p>
-<p>„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het veel te druk
-daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is thans de eenige civiele
-ambtenaar in die militaire wereld.”
-</p>
-<p>„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand gebracht werd,”
-merkte Grashuis op.
-</p>
-<p>„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits. „Het zal niet
-lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als Robinson Crusoë op zijn eiland,
-met geen andere aanrakingspunten dan die der kogels met de omringende ingezetenen.”
-</p>
-<p>„Kom, Theodoor, geen politiek!”
-</p>
-<p>„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar hebben wij
-Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het water. En toch geldt het
-daar het innigst belang van vaderland en kolonie, die.…”
-</p>
-<p>„Schei uit! Schei uit!”
-</p>
-<p>„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne gasten, die mij,
-armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten, geene conversatie opdringen, die
-hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen
-heeft. De Inlandsche bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk
-overvalt.…”
-</p>
-<p>„Alweer?<span class="corr" id="xd30e10151" title="Bron: ..">…</span> Schei uit, Theodoor!”
-</p>
-<p>„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging <span class="pageNum" id="pb2.125">[<a href="#pb2.125">125</a>]</span>Grenits voort, „en voor de gamelle der marine te zorgen hebben?”
-</p>
-<p>„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn ietwat spijtig.
-„Het is net, alsof ik over den handel in madapollams wilde medespreken.”
-</p>
-<p>„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld. Schoenmaker, houd je
-bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat schrijft hij?”
-</p>
-<p>„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te zeggen, dat ik hem
-een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die in zijn vroegere contrôle-afdeeling
-Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en welke invloed de <span class="corr" id="xd30e10162" title="Bron: mêegaandheid">meêgaandheid</span> van den tegenwoordigen controleur op den toestand der bevolking aldaar heeft. Hij
-antwoordt daarop, en gij kunt wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet
-rooskleurig zijn. Luistert maar:
-</p>
-<p>„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de verhoudingen te Banjoe
-Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken
-aan de orde van den dag, de opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och!
-och! Is dat alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en
-al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden toch niet in
-eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort bestek zoo verschillend voor,
-als gij die beschrijft, dan zijn er toch voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest,
-om tot zulke veranderingen aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik
-niet altijd gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan
-ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te gaan. Wel is waar,
-is het mij niet te wijten, dat de bestaande opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd.
-Zij bestond reeds, toen ik te Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen
-de afmetingen nog niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel dèsalieden
-in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen aantoonen, dat die kit geen reden
-van bestaan had, dat zij in geene bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds
-gedaan; maar zwak, vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde
-kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede <span class="pageNum" id="pb2.126">[<a href="#pb2.126">126</a>]</span>en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij als verzachtende
-omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden was als ambtenaar de rijks-inkomsten
-te vermeerderen; dat, door het opiumverbruik niet in den weg te staan, ik <span class="corr" id="xd30e10169" title="Bron: mêehielp">meêhielp</span> het nadeelige saldo voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral
-niet van wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp te
-verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik zou pogen paal
-en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou verbrijzeld geworden zijn, wanneer
-ik den vinger naar dien kurk van het nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben;
-dat mijne dierbare familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld
-vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende verwezen zouden
-zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude zijn; dat alles baat mij niets,
-geeft mijn geweten geene bevrediging. Want, onverbiddelijk als een streng geweten
-kan zijn, doet dat mij de aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar
-te kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik toch bij eede
-bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben geen keer.…
-</p>
-<p>„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te verheugen, dan zou
-ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo, den afschuwelijken bandoelan,
-die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft. Maar.… waartoe zich verheugen?… Voor hem
-zal weer een ander gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich
-zal nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het zijn moet,
-te scheppen, en het Gouvernement?… het Gouvernement??… nu ja,… dat steekt de op gruwelijke
-wijze verkregen penningen met een glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk
-applaudisseert.”
-</p>
-<p>„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits sarcastisch.
-</p>
-<p>„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet gedaan te hebben,”
-vervolgde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn onverstoorbaar zijne lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het
-stellige voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik <span class="pageNum" id="pb2.127">[<a href="#pb2.127">127</a>]</span>mij tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel zooveel mogelijk
-te beschermen. Maar … maar, die gelofte is gauwer gedaan geworden, dan wel volvoerd.
-Want, wie heb ik hier te Atjeh te beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier
-rondom mij krioelt, lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na,
-wat hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de bevolking
-stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen vooruitdrongen. Toen die opperofficier
-naar Nederland terugkeerde, hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen
-volkomen verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de strook
-tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van Marassa uitzonderen
-wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden, die zich evenwel volstrekt niet
-verslaafd aan het opiumgebruik vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel
-verbeterde de toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed
-de bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het benarde
-Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te verschaffen, en daarin ook meesterlijk
-slaagde, zoo werd zijne positie nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden
-geene andere aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en
-dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om elkander op het allervinnigst
-te bestoken.… Gij weet het, althans de geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het
-eerste, wat onder de plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is
-niet een bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste zegeningen
-van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was nog niemand aanwezig om
-opium te rooken, toch moest er een pachter zijn!… Waarom?… Zie Eduard, wanneer ik
-mij die vraag ernstig stel, dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks
-geschiedde, om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van gelduitgeven
-voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van geldverdienen ging aanbreken. Gij
-zult u nog herinneren, hoe de dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen
-in 1875 vernomen werd, dat het recht tot den verkoop <span class="pageNum" id="pb2.128">[<a href="#pb2.128">128</a>]</span>van opium in het klein te Atjeh 192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht
-had. Zij, die nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein
-niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde bate zou hebben.
-</p>
-<p>„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, wanneer slechts
-opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven Marassanen. Wanneer toch aangenomen
-zou kunnen worden, dat daarvan alle mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet
-waar is; onder den kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan
-zoude dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk 16,000 gulden
-’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken zij opium, in stede van
-dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de pachter ook nog de van Gouvernementswege
-verstrekte opium te betalen heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden,
-dat hij leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig mag
-aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen minstens voor drie
-malen die som aan opium is verkocht moeten worden<a class="noteRef" id="xd30e10185src" href="#xd30e10185">6</a> Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas bezorgde?
-<span class="pageNum" id="pb2.129">[<a href="#pb2.129">129</a>]</span></p>
-<p>„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard:
-</p>
-<p>„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde alhier, over wie
-ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge van de hoogst gebrekkige kampementen
-en bivouacs, onmogelijk voldoende toezicht te houden was; terwijl van repressieve
-en nog minder van preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers <span class="pageNum" id="pb2.130">[<a href="#pb2.130">130</a>]</span>van den opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en verwaardigden
-zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de gelegenheid er voor bestond,
-ook de kleeding van den verlokte tegen het vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij
-nu, waarde vriend, waarom de verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot
-zijn geweest, zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en
-gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven? Begrijpt gij nu,
-een der redenen, waarom het Indische leger zóó gedemoraliseerd is, dat,—rekent men
-de krijgsmacht te Atjeh niet mede, die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen
-van geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat van tegenweer
-te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet overdreven genoemd mag worden,
-de bewering te uiten, dat van dat leger bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer
-koloniën door een westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is.
-</p>
-<p>„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat, wanneer hij, afgericht
-en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte
-aan de uitgaven, welke zijne verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt
-u dan af, of het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke fictieve
-baten te hulp riepen.
-</p>
-<p>„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de verbruikers van het vergift,
-door het vaderlijke Nederlandsche bestuur langs wettigen weg beschikbaar gesteld.
-De Chineesche arbeiders en landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te
-Malakka, te Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege
-aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten landstreek te bevolken,
-leverden een ander contingent, en een groot ook, aan de opiumschuivers, en derhalve
-ook aan de vlottende bevolking der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie
-zal het wagen de onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen,
-door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te dichten?
-</p>
-<p>„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en zijn de bedienden
-van officieren, van <span class="pageNum" id="pb2.131">[<a href="#pb2.131">131</a>]</span>ambtenaren, van leveranciers. En al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten
-voor vervanging en verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd
-worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse teweeggebracht, te
-Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene onveiligheid voor have en goed heerscht,
-waarvan gij u op Java moeilijk een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt
-kunnen vormen.
-</p>
-<p>„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota Radja, waar te nemen
-is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en om de opiumkit, in en om het plekje,
-waar het vergift langs wettigen weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt,
-is eenvoudig niet weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te Kaligaweh,
-nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de meest bedorven verbeelding
-zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst,
-waartoe de Macaosche hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk
-zijn, veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen.
-</p>
-<p>„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet langs wettigen
-weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk
-land bevond zich destijds, en bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd<a class="noteRef" id="xd30e10311src" href="#xd30e10311">8</a>. Geen handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s kust
-naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een betrekkelijk gering toezicht
-voldoende om te beletten, dat ook maar een enkele taël<a class="noteRef" id="xd30e10314src" href="#xd30e10314">9</a> clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte van het Atjehsche rijk aan wal
-gebracht kwam, of komt. Er was toen, en er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite
-te nemen, om het vergift te weren<a class="noteRef" id="xd30e10318src" href="#xd30e10318">10</a>. Maar neen, <span class="pageNum" id="pb2.132">[<a href="#pb2.132">132</a>]</span>dat vooral wilde men niet, en wil men nog niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen
-genomen worden, om de opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking
-van het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. Ook moest
-der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met een bate, die te Atjeh
-werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk en op <span class="corr" id="xd30e10337" title="Bron: finantieel">financiëel</span> gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel te bereiken, is men er niet
-voor teruggedeinsd, de militaire macht en andere landsdienaren te vergiftigen, te
-démoraliseeren, ja aan de grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter
-wille van het uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek
-van den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de zegeningen
-van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs wettigen weg vergiftigd zal
-worden.
-</p>
-<p>„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal worden om mijnen
-plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet behoeven uiteen te zetten.
-Die plicht kan toch met dien van ambtenaar onmogelijk overeen gebracht worden.…”
-<span class="pageNum" id="pb2.133">[<a href="#pb2.133">133</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e9990">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9990src">1</a></span> <i>Japara-meubelen</i>: In de residentie Japara houden zich vele Javanen onledig met het vervaardigen van
-meubelen, die wat smaak en soliditeit betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op
-dat gebied met beleid tot degelijke werklieden gevormd kunnen worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e9990src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10001">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10001src">2</a></span> Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10001src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10021">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10021src">3</a></span> <i>Sirihspuw.</i> Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en stukjes pinangnoot en gambier bestaat,
-welke ingrediënten in een sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt
-het speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de gambier
-of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de Chavica bettle.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10021src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10041">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10041src">4</a></span> Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te kunnen rekenen. Een
-mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr.
-De vergissing is dus niet groot.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10041src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10053">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10053src">5</a></span> Zie omtrent dien geleerde de aanteekening <a href="#n211.1">No. 1</a> op bladz. 211 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10053src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10185">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10185src">6</a></span> <i>Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen die som aan opium
-is verkocht moeten worden.</i> Dat zal wellicht overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening
-volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die aan de officiëele
-bescheiden kan getoetst worden.
-</p>
-<p class="footnote cont"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men aangeteekend, dat de opiumpachter
-van het perceel Semarang aan pachtschat betaald heeft
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight cellTop">ƒ&nbsp;1,260,000</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600 katies ruwe opium uit ’s rijks
-magazijnen ad. ƒ&nbsp;30 het katie
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"> 708,000</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die hoeveelheid ruwe opium te maken
-tjandoe en madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"> 12,000</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. N<sup>o</sup>. 229 van 1814, 52 opiumkitten,<a class="noteRef" id="xd30e10214src" href="#xd30e10214">7</a> die gemiddeld eene uitgave vereischen van ƒ&nbsp;1000 ’s maands
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"> 624,000</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">totaal uitgaven
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"><span class="sum"> 2,604,000<span class="pageNum" id="pb2.129n">[<a href="#pb2.129n">129</a>]</span></span></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Transport uitgaven
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"> 2,604,000</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl.
-228, levert het zuiveren van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de rijksmagazijnen
-ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts 11800 katies tjandoe verkregen werden.
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de pachter zijn tjandoe verkocht
-heeft tegen ƒ&nbsp;0,14 per mata of tegen ƒ&nbsp;224 per katie
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"> 2,643,200
-</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">zoodat er eene netto winst gemaakt is van
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight cellBottom"> ƒ&nbsp;39,200</td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">Maar een opiumpachter in <span class="corr" id="xd30e10247" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> is in weinige jaren millionair. De bedoelde heeft minstens ƒ&nbsp;10,000 ’s maands noodig
-om zijn huishouden te voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ&nbsp;40,000 ’s
-jaars te doen is.
-</p>
-<p class="footnote cont"></p>
-<div class="table">
-<table>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellTop">De quaestie verandert evenwel, wanneer de sluikhandel in het spel komt. Een der meest
-bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen D. Castens, nam aan, dat de pachters
-bij de 1600 kisten opium, die hen van gouvernementswege verstrekt worden<span class="corr" id="xd30e10258" title="Bron: .">,</span> nog 800 kisten sluikten. Dat is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het onderhavige
-geval, dan debiteerde de bedoelde opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900
-katies tjandoe, tegen ƒ&nbsp;0,14 de mata, en verkreeg dus een ontvangst van
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellTop"> </td>
-<td class="xd30e10192 cellRight cellTop">1,121,600</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal
-</td>
-<td class="xd30e10192">ƒ&nbsp;13,87,
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">die hem de gesmokkelde opium maar kost </td>
-<td class="xd30e10192">163,777;
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight"></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft">waarbij te voegen om te zuiveren en te prepareeren
-</td>
-<td class="xd30e10192"> 6,000;
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellRight">169,777</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="cellLeft cellBottom">zoodat er overblijft eene winst van
-</td>
-<td class="xd30e10192 cellBottom"> </td>
-<td class="xd30e10192 cellRight cellBottom"><span class="sum"> ƒ&nbsp;951,823</span></td>
-</tr>
-</table>
-</div><p>
-</p>
-<p class="footnote cont">En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift, toelaat eene
-aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van een driejarigen pachttermijn
-als Chinees-millionair in de wereld rond te kijken.
-</p>
-<p class="footnote cont">Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van ƒ&nbsp;1000 voor iedere
-opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs de kleinste, behoeft minstens
-twee Chineesche beambten: een weger en een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig
-gespuis, enz. Voegt daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen,
-dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten worden tot
-omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het geven van tandakpartijen,
-tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen langs het strand en de wegen, enz. enz.
-enz., dan is de raming van ƒ&nbsp;1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10185src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10214">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10214src">7</a></span> Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883 Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende jaren
-op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den pachter nog ongunstiger.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10214src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10311">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10311src">8</a></span> De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v. Lansberghe in 1881
-den vrede op het papier decreteerden, de blokkade opgeheven en de havens onzer vredelievende
-vijanden voor den handel zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10311src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10314">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10314src">9</a></span> <i>Een taël</i> is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël heeft 100 mata’s.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10314src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10318">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10318src">10</a></span> Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium <span class="pageNum" id="pb2.132n">[<a href="#pb2.132n">132</a>]</span>te Atjeh te weren? Bij art. 1 van <i>het reglement voor de pacht van het recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh</i>, vastgesteld bij Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald:
-</p>
-<p class="footnote cont">„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een vaartuig aan
-boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, om te waken tegen ongeoorloofde
-lossing van opium.”
-</p>
-<p class="footnote cont">Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen door dien maatregel
-buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel zeer zeker de opiumpachter gebaat;
-maar ’s lands kas?<span class="corr" id="xd30e10328" title="Bron: ..,">…</span> Ik geloof niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene overstrooming
-van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de verstrekking van wettige opium tot
-een minimum zou kunnen brengen. In verband hiermede leze men nog eens de aanteekening
-<a href="#n47.1">No. 1</a> op bladz. 47 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10318src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e910">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXII.</h2>
-<h2 class="main">Eene wetenschappelijke opiumkit.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij
-een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak.
-</p>
-<p>„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den
-zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer.
-Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen
-buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en.…”
-</p>
-<p>De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur.
-</p>
-<p>„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet,
-en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel
-achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter …”
-</p>
-<p>„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?”
-</p>
-<p>De Pool bloosde tot achter zijn ooren.
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld.
-</p>
-<p>„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan.…”
-</p>
-<p>„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.”
-</p>
-<p>„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Gij wist toch, dat wij u wachtten.”
-</p>
-<p>„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis.
-</p>
-<p>„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van
-Beneden.
-</p>
-<p>„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. <span class="pageNum" id="pb2.134">[<a href="#pb2.134">134</a>]</span>„Een echte sfinx, die mij te pakken had.”
-</p>
-<p>„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden
-op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging
-geen steek houdt!”
-</p>
-<p>„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky,
-„en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.”
-</p>
-<p>„En?” vroegen allen.
-</p>
-<p>„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool.
-</p>
-<p>„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato.…” wilde Van Beneden vragen.
-</p>
-<p>De Pool liet hem daartoe geen tijd.
-</p>
-<p>„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij.
-</p>
-<p>„Uwe overplaatsing?”
-</p>
-<p>„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.”
-</p>
-<p>„Maar, waarheen?”
-</p>
-<p>„Naar Gombong.”
-</p>
-<p>„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.”
-</p>
-<p>„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij
-die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.”
-</p>
-<p>„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort.
-</p>
-<p>„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel
-van meerderheid in de gewilde richting wijzende.
-</p>
-<p>„Dus niet over zee?”
-</p>
-<p>„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool,
-die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.”
-</p>
-<p>„Te Gombong?” vroeg Murowsky.
-<span class="pageNum" id="pb2.135">[<a href="#pb2.135">135</a>]</span></p>
-<p>„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam wel?”
-</p>
-<p>„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?”
-</p>
-<p>„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen
-vriend medegenomen.”
-</p>
-<p>„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende.
-</p>
-<p>„Vindt ge?” vroeg Grashuis<span class="corr" id="xd30e10400" title="Niet in bron">.</span>
-</p>
-<p>„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde.
-</p>
-<p>„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het: <span lang="la">experientia optima rerum magistra</span> (de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.”
-</p>
-<p>Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een
-stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en
-een doosje met tjandoe voor den dag haalde.
-</p>
-<p>„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had.
-</p>
-<p>Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg:
-</p>
-<p>„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene
-bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar,
-daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig.
-De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine.
-Zonder deze is het product geheel waardeloos.”
-</p>
-<p>„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden.
-</p>
-<p>„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Als ik maar niet <span class="corr" id="xd30e10422" title="Bron: mêe">meê</span> behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.”
-</p>
-<p>„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits.
-</p>
-<p>„Waarom gij eerder dan een ander?”
-</p>
-<p>„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.”
-<span class="pageNum" id="pb2.136">[<a href="#pb2.136">136</a>]</span></p>
-<p>„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend
-op het residentie-kantoor aanwezig zijn.”
-</p>
-<p>„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.”
-</p>
-<p>„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne
-missen.”
-</p>
-<p>„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits.
-</p>
-<p>„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!”
-</p>
-<p>„Welaan dan, ik ben gereed.”
-</p>
-<p>„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky.
-</p>
-<p>„Ik ook nog niet,” voegde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn er bij.
-</p>
-<p>De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen,
-en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje
-op.
-</p>
-<p>„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.”
-</p>
-<p>„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky.
-</p>
-<p>„Vijf en twintig mata’s!”
-</p>
-<p>„Mata’s?<a class="noteRef" id="xd30e10450src" href="#xd30e10450">1</a>… Oogen?” vroeg de Pool.
-</p>
-<p>Allen barstten in lachen uit.
-</p>
-<p>„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement
-het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël
-= 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat …”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds
-onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.”
-</p>
-<p>Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus
-reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen.
-</p>
-<p>Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging
-de Pool voort:
-</p>
-<p>„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor.
-</p>
-<p>„Uitkleeden?” vroeg deze.
-</p>
-<p>„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen
-zien.”
-</p>
-<p>Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een <span class="pageNum" id="pb2.137">[<a href="#pb2.137">137</a>]</span>oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue van <span class="corr" id="xd30e10469" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span>.
-</p>
-<p>De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem
-de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas
-te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met
-een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden
-bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen
-geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende
-uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden.
-</p>
-<p>„Waartoe al die poespas?” mompelde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden Leendert Grashuis in het oor.
-</p>
-<p>„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze
-schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.”
-</p>
-<p>„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> was de vraag van Grenits.
-</p>
-<p>„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet
-ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.”
-</p>
-<p>Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op.
-</p>
-<p>„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.… Wanneer hebt gij
-het laatst gegeten?”
-</p>
-<p>„Om half een, de gewone rijsttafel.”
-</p>
-<p>„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek.
-<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?”
-</p>
-<p>„Niets, als een enkel glas pale ale.”
-</p>
-<p>De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels.
-</p>
-<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen
-afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe
-aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken,
-ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes
-te kunnen rollen. Dat ging <span class="pageNum" id="pb2.138">[<a href="#pb2.138">138</a>]</span>onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en
-deze had hem met genoegen onderricht gegeven.
-</p>
-<p>„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet
-eens smaak in de lekkernij zullen krijgen<a class="noteRef" id="xd30e10504src" href="#xd30e10504">2</a>?”
-</p>
-<p>Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn,
-die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai
-lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere
-open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as
-van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht.
-</p>
-<p>„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.”
-</p>
-<p>„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n
-oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!”
-</p>
-<p>„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „<span lang="de">feinschmeckers</span>” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de
-pijpenkop met „<span lang="ms">tahi madat</span>”<a class="noteRef" id="xd30e10518src" href="#xd30e10518">3</a> aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.”
-</p>
-<p>Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor
-over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer.
-Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot,
-rustende het hoofd op een niet te zacht kussen.
-</p>
-<p>„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij
-weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb2.139">[<a href="#pb2.139">139</a>]</span></p>
-<p>„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen.
-Neen, dit kussen is goed.”
-</p>
-<p>Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en
-wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de
-schuivers had zien doen.
-</p>
-<p>„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!”
-</p>
-<p>Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest
-deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig.
-Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje
-schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5.
-</p>
-<p>„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.”
-</p>
-<p>Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen.
-Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige
-lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken.
-</p>
-<p>„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits.
-</p>
-<p>Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor
-een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook
-in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde.
-</p>
-<p>„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit.
-</p>
-<p>„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky.
-</p>
-<p>„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige,
-zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.”
-</p>
-<p>De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde
-den pijpenkop met een tweede pilletje.
-</p>
-<p>„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan
-bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.”
-</p>
-<p>„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.”
-</p>
-<p>Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem
-een poos binnen te <span class="pageNum" id="pb2.140">[<a href="#pb2.140">140</a>]</span>houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen.
-</p>
-<p>Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur
-normaal.
-</p>
-<p>Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits:
-</p>
-<p>„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.”
-</p>
-<p>Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte
-neiging tot slapen ondervond.
-</p>
-<p>Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging
-evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet
-wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest
-namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op
-te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd
-door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op,
-en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf,
-terwijl de ademhaling tot 28 steeg.
-</p>
-<p>Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog
-op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker
-en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel
-had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer
-andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter
-greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na
-de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest
-bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde
-pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor
-lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder,
-hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst
-aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven.
-<span class="pageNum" id="pb2.141">[<a href="#pb2.141">141</a>]</span></p>
-<p>„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.”
-</p>
-<p>Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van
-Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking.
-Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam.
-</p>
-<p>„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer
-rooken!”
-</p>
-<p>Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen
-meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij
-iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij,
-terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool
-om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende
-pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat
-des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven
-begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen.
-</p>
-<p>Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden
-om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht
-had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden. <span class="corr" id="xd30e10565" title="Bron: Docter">Dokter</span> Murowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel
-de <span class="corr" id="xd30e10568" title="Bron: conjungtiva">conjunctiva</span> (bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de
-oogen zelven gesloten waren.
-</p>
-<p>Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen
-en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op
-den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat
-de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd.
-</p>
-<p>Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal
-in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van
-ongebondenheid. Als hij de oogen opende <span class="pageNum" id="pb2.142">[<a href="#pb2.142">142</a>]</span>was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde.
-</p>
-<p>Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren
-thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn
-mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag
-van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij:
-</p>
-<p>„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden
-heb!”
-</p>
-<p>Terwijl de <span class="corr" id="xd30e10580" title="Bron: docter">dokter</span> opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur
-37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt
-in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van
-Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij:
-</p>
-<p>„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe
-pijp? Die Eduard ook!… Zoo moet de proef mislukken!”
-</p>
-<p>Een oogenblik daarna riep hij uit:
-</p>
-<p>„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?”
-</p>
-<p>„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat
-van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.”
-</p>
-<p>„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols
-is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld;
-terwijl de temperatuur slechts 0,3<span class="corr" id="xd30e10589" title="Bron: .">°</span> toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor
-de wetenschap.”
-</p>
-<p>Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag
-hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn
-binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde,
-die van den meest dierlijken wellust getuigden.
-</p>
-<p>Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s
-vraag, hoe hij zich gevoelde?
-</p>
-<p>„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.”
-</p>
-<p>Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. <span class="pageNum" id="pb2.143">[<a href="#pb2.143">143</a>]</span>Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand
-vlak uitgestrekt lag op diens borst.
-</p>
-<p>„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang.
-</p>
-<p>Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten
-zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende
-zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen.
-</p>
-<p>„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen?
-Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!”
-</p>
-<p>Maar de Pool had daar geen ooren naar.
-</p>
-<p>„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!”
-</p>
-<p>Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een
-hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade<span class="corr" id="xd30e10607" title="Bron: ,">.</span> Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit
-den mond. Hij was wanhopig, dat de <span class="corr" id="xd30e10610" title="Bron: patient">patiënt</span> zoo weinig sprak.
-</p>
-<p>„Grenits! Grenits!” riep hij, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij den <span class="corr" id="xd30e10617" title="Bron: patient">patiënt</span> tegen den neus knipte.
-</p>
-<p>Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog.
-</p>
-<p>„Hoort ge mij?… Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld.
-</p>
-<p>Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen.
-</p>
-<p>„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?”
-</p>
-<p>„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit.
-</p>
-<p>„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.”
-</p>
-<p>Hij boog zich nog verder over den <span class="corr" id="xd30e10629" title="Bron: patient">patiënt</span>, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij
-zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie
-op zijn evenmensch uit te voeren.
-</p>
-<p>„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor
-tegen den neus te knippen.
-<span class="pageNum" id="pb2.144">[<a href="#pb2.144">144</a>]</span></p>
-<p>„Wat ik gevoel.…” bromde deze.… „wat ik gevoel … O! het is nog heerlijker dan<span class="corr" id="xd30e10637" title="Bron: ........,..">.….……</span>”<a class="noteRef" id="xd30e10640src" href="#xd30e10640">4</a>
-</p>
-<p>„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde
-komen!”
-</p>
-<p>Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje
-met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt,
-de deur uit.
-</p>
-<p>„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!”
-</p>
-<p>„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige.
-</p>
-<p>Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad
-bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen
-steeg de lichaamswarmte tot 38,6. De <span class="corr" id="xd30e10667" title="Bron: patient">patiënt</span> was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed
-beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel,
-toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken.
-</p>
-<p>„De pijp?… Waar is de pijp?.… Van Rheijn, waar is <span class="pageNum" id="pb2.145">[<a href="#pb2.145">145</a>]</span>de pijp!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen.
-</p>
-<p>Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds
-had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in
-den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd
-aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren
-te brengen.
-</p>
-<p>Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd
-te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang
-nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische
-tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken
-zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde,
-dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4<span class="corr" id="xd30e10679" title="Niet in bron">°</span> bedroeg.
-</p>
-<p>„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.”
-</p>
-<p>De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel
-drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig
-afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over.
-Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug
-en copieus genoeg laten bedienen.
-</p>
-<p>Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel
-voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke
-tijdschriften van Duitschland toe te zenden.
-</p>
-<p>De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd.
-Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was
-opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering
-bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer
-later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld
-werd.
-</p>
-<p>„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk
-mij de beelden nog voor <span class="pageNum" id="pb2.146">[<a href="#pb2.146">146</a>]</span>den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan
-geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift,
-„Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog <i lang="fr">à outrance</i> aan de opium!”
-<span class="pageNum" id="pb2.147">[<a href="#pb2.147">147</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e10450">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10450src">1</a></span> <i lang="ms">Mata</i> beteekent eigenlijk oog<span class="corr" id="xd30e10454" title="Bron: ,">.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10450src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10504">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10504src">2</a></span> De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich
-aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die
-evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij
-impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen.
-Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds
-verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10504src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10518">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10518src">3</a></span> <i lang="ms">Tahi madat.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n78.1">No. 1</a> op bladz. 78 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10518src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10640">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10640src">4</a></span> <i>O, het is nog heerlijker dan</i><span class="corr" id="xd30e10643" title="Bron: ..,">.…</span> Het restant van den volzin is te vinden op den 20<sup>sten</sup> regel van bladz. 246 van deel XXXV van <i>het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië</i>. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt,
-mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te
-deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von Miclucho <span class="corr" id="xd30e10651" title="Bron: Macclay">Maclay</span> gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid
-had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld
-werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij
-liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is.
-</p>
-<p class="footnote cont">Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium,
-als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren
-valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers
-met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig
-brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben
-mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten.
-De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho
-<span class="corr" id="xd30e10656" title="Bron: Macclay">Maclay</span> had bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10640src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e919">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXIII.</h2>
-<h2 class="main">In de regents-pandoppo.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de ingezetenen van
-Santjoemeh.
-</p>
-<p>De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien uitspraak doen
-in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet, van baboe Dalima,—die beschuldigd
-van opiumsmokkelarij en van moord op een bandoelan in de uitoefening zijner functiën
-gepleegd, in de gevangenis zijn lot zat af te wachten.
-</p>
-<p>De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees met zijn kris
-gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij schuldig was aan opiumsmokkelarij.
-</p>
-<p>Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte; want men wist,
-dat August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden pleiten zou. Wel was onze rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima
-als pleitbezorger opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald,
-en zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren pleitrede als
-zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had hij in gezellige kringen en
-bij verschillende andere gelegenheden genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven,
-om te doen veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude doorbrengen.
-Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding gevonden had in onbetamelijke
-handelingen, door den vermoorden bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar
-gepleegd. Het Santjoemehsche publiek was vrij <span class="pageNum" id="pb2.148">[<a href="#pb2.148">148</a>]</span>wel op de hoogte van de afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie
-aan den lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat zeer
-pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de jeugdige rechtsgeleerde,
-die van ijver voor den dienst van Themis blaakte, de gelegenheid niet zoude laten
-voorbijgaan, zonder den vinger te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde
-voor de Javaansche maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers.
-</p>
-<p>De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats hadden, was dan
-ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs dames waren verschenen<a class="noteRef" id="xd30e10709src" href="#xd30e10709">1</a>, en onder haar de schoone Laurentia <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord zouden worden.
-Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek verwonderd op; want, dat was aan
-zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen
-door zijne afwezigheid uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het
-aanbieden van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo
-eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is.
-</p>
-<p>Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo hingen, met
-heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige bijeenkomst kunnen gelooven,
-of beter nog aan een séance van een goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime
-hal bevond zich toch eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote
-tafel, met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei overtuigingsstukken<span class="corr" id="xd30e10721" title="Bron: .">,</span> en omgeven met een aantal stoelen. Een politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding
-en gelaat af te leiden, het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die
-tafel, om de profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man
-opgedragen had zijn sabel te trekken, <span class="pageNum" id="pb2.149">[<a href="#pb2.149">149</a>]</span>zou hij voorzeker het roestige stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den
-dag gehaald hebben.
-</p>
-<p>In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de menigte den tijd
-zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men lachte, men kortswijlde, men praatte,
-en gedroeg zich daar in dien tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende
-de pauze.
-</p>
-<p>„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting bijwonen?”
-</p>
-<p>Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de griffier zelf
-fungeerde, <i lang="fr">en amateur</i> een kijkje kwam nemen, en dus van de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia
-zijne hulde aan te bieden.
-</p>
-<p>„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw, terwijl zij hem
-hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken. Ik heb nimmer eene landraadzitting
-bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig. Het zal wel interessant wezen, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer pikants opleverden.”
-</p>
-<p>„Dat kan ik denken. Maar … die afschuwelijke moordenaar zal zeker veroordeeld worden?”
-</p>
-<p>„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.”
-</p>
-<p>„Niet?”
-</p>
-<p>„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar sedert de residenten
-en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door rechterlijke ambtenaren
-vervangen zijn,<a class="noteRef" id="xd30e10741src" href="#xd30e10741">2</a> speelt eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen, dat
-deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu.…”
-</p>
-<p>„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem in de rede.
-„Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal gaan pleiten<a class="noteRef" id="n2.149.2src" href="#n2.149.2">3</a>. Het <span class="pageNum" id="pb2.150">[<a href="#pb2.150">150</a>]</span>is ongehoord! Maar, wie <span class="corr" id="xd30e10776" title="Bron: betaald">betaalt</span> dien advocaat, mijnheer Thomasz?”
-</p>
-<p>„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!”
-</p>
-<p>„Een geheim?… Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij weet. Voor de
-vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.”
-</p>
-<p>Thomasz glimlachte even.
-</p>
-<p>„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons hooren.”
-</p>
-<p>Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich, alsof zij de
-voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De politie-oppasser wachtte zich wel der
-njonja resident en den toean-kripier dat te beletten.
-</p>
-<p>„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien advocaat?”
-</p>
-<p>„Een kongsie, mevrouw.”
-</p>
-<p>„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig.
-</p>
-<p>„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier met eene buiging.
-</p>
-<p>„Eene kongsie van wie dan?”
-</p>
-<p>„Van Europeanen, mevrouw.”
-</p>
-<p>„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.”
-</p>
-<p>„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.… Zie,” sprak Thomasz overluid,
-„dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het bloed zit nog aan het gevlamde
-lem. Daar, die zwarte vlek.”
-</p>
-<p>Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen.
-</p>
-<p>„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht.
-</p>
-<p>„Ik weet maar een. Van Nerekool.…”
-</p>
-<p>„Van Nerekool!.… Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw tusschen de tanden.
-</p>
-<p>En zich naar de pandoppo wendende:
-</p>
-<p>„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames. „Kijk, hier is
-de kris, waarmede de moord gepleegd werd.”
-<span class="pageNum" id="pb2.151">[<a href="#pb2.151">151</a>]</span></p>
-<p>De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de politie-oppasser
-een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de schoone Laurentia weerhield
-hem.
-</p>
-<p>„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte.
-</p>
-<p>„Ja,… Zie, zoo.… dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam, met het wapen een
-vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed achteruit stuiven.
-</p>
-<p>„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar jongelieden tegen elkander.
-„Kijk die houding eens, die buste, dat trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt.
-Net Lady Macbeth! En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!.…”
-</p>
-<p>„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat wij haar bewonderen.”
-</p>
-<p>„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het bloed van
-het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?”
-</p>
-<p>„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve mevrouw?”
-</p>
-<p>„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris kletterend op
-de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.”
-</p>
-<p>„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen, dat daarmede
-een mensch vermoord is.…”
-</p>
-<p>„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend.
-</p>
-<p>„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?”
-</p>
-<p>„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia.
-</p>
-<p>„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de heer Thomasz
-op.
-</p>
-<p>„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw.
-</p>
-<p>„Dat zijn de opiumpachters!”
-</p>
-<p>„Dat zijn de millionairs!”
-</p>
-<p>Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar geslacht eigen
-beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam kittelde. Zij liet er evenwel
-niets van ontwaren.
-</p>
-<p>„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende. „Waar zijn
-die twee Chineezen? <span class="pageNum" id="pb2.152">[<a href="#pb2.152">152</a>]</span>Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar;
-maar de opiumpachters zie ik niet.”
-</p>
-<p>„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!” antwoordde een
-der andere dames.
-</p>
-<p>„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de bruiloft, die eerstdaags
-zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam als ’t ware achteloos volgen.
-</p>
-<p>„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte, „welke Lim Ho
-beschuldigd heeft van.…”
-</p>
-<p>„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan mag men in
-het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen. Maar.… mijnheer Thomasz,
-wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat
-ook gebruikt? Er zit bloed aan.”
-</p>
-<p>„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de <span class="corr" id="xd30e10831" title="Bron: subsistuut-griffier">substituut-griffier</span>.
-</p>
-<p>„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende.
-</p>
-<p>„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.””
-</p>
-<p>„De gollokh soempah?”
-</p>
-<p>„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de Chineezen den eed
-afleggen.”
-</p>
-<p>„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?”
-</p>
-<p>„Dikwijls, mevrouw.”
-</p>
-<p>„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?”
-</p>
-<p>„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den Chineezen tolk
-en vergezeld van een der leden van den landraad buiten gebracht bij een houtblok.
-Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld, waarmede hij een zwart kuiken op dat
-houtblok den kop afhouwt. Niets meer en niets minder. Het is eene handeling zonder
-beteekenis, die, wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer bespottelijk
-figuur maakt.”
-</p>
-<p>„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar, gij weet, dat
-het wit de rouwkleur der Chineezen is.”
-</p>
-<p>„Dat’s waar ook. Maar … eene zwarte kip?… Dus zou er toch eene beteekenis ten grondslag
-van de handeling liggen?” hernam Henriëtte nadenkend.
-</p>
-<p>„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, <span class="pageNum" id="pb2.153">[<a href="#pb2.153">153</a>]</span>hoeveel navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld heb,”
-antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere Chineesche eedsaflegging,
-dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.”
-</p>
-<p>„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der waarheid af te
-leggen?” vroeg Henriëtte schamper.
-</p>
-<p>„Zeker, mevrouw!”
-</p>
-<p>„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en het leven van
-een mensch kan afhangen?”
-</p>
-<p>„Zeker, mevrouw!”
-</p>
-<p>„Die ben ik wel benieuwd te hooren!”
-</p>
-<p>„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt bij de aanstelling
-der Chineesche officieren.”<a class="noteRef" id="xd30e10858src" href="#xd30e10858">4</a>
-</p>
-<p>„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach.
-</p>
-<p>„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd.<a class="noteRef" id="xd30e10868src" href="#xd30e10868">5</a>
-</p>
-<p>„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe, vertel ons iets
-van den eed.”
-</p>
-<p>„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij gebezigd, is ontleend
-aan den eed, dien men in China aan vorsten en hoofdbeambten bij hunne aanstelling
-oplegt, en bestaat daarin, dat de persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde
-op een rood papier schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid
-of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger brengt dit papier
-in gezelschap van een paar officieren zijner natie, <span class="pageNum" id="pb2.154">[<a href="#pb2.154">154</a>]</span>en van een paar tolken naar de Pen-ta-King<a class="noteRef" id="xd30e10885src" href="#xd30e10885">6</a> (tempel), waar hij door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer)
-en den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao kew”, (hoofdman)
-bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn gekleed in een soort van miskleed
-van roode zijde, niet ongelijk aan de koorkappen der Roomsche priesters bij sommige
-gelegenheden. Evenwel is daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische
-Eerste beginsel<a class="noteRef" id="xd30e10889src" href="#xd30e10889">7</a> in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel aangekomen, legt de eedsaflegger het
-beschreven roode papier op de „Hijeng Keng”<a class="noteRef" id="xd30e10898src" href="#xd30e10898">8</a> (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen, eenige flesschen wijn en wat
-gebak, die tot <span class="corr" id="xd30e10902" title="Bron: offerhande">offerande</span> bestemd zijn, voor den „Tao-peh-kong”<a class="noteRef" id="xd30e10906src" href="#xd30e10906">9</a> (afgodsbeeld) neder. De priesters schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden,
-waarbij zij bij sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de eedsaflegger
-het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl alsdan vlijtig wierook
-gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier bij de vlam van een der kaarsen, en
-laat het op de offertafel tot asch verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De
-priesters schreeuwen nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de gecommitteerden
-en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen. Ziedaar dames, het weinige,
-wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid
-medegedeeld heb.”
-</p>
-<p>„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl zij hem minzaam
-een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik over de verzamelde menigte
-in de pandoppo liet waren.
-</p>
-<p>„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de ruimte.
-<span class="pageNum" id="pb2.155">[<a href="#pb2.155">155</a>]</span></p>
-<p>„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien naar.…”
-</p>
-<p>„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een politie-oppasser aan
-met eene stem, alsof een Fransche <i>huissier</i> het „<span lang="fr">la Cour, messieurs!</span>” uitgegalmd had.
-</p>
-<p>De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben, bleef onuitgesproken.
-</p>
-<p>En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop men van uit de
-pandoppo tusschen de „kree’s”<a class="noteRef" id="xd30e10925src" href="#xd30e10925">10</a> door uitzicht had, verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden
-en een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar de pandoppo
-begaven, en op de estrade plaats namen.
-</p>
-<p>In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr. Zuidhoorn en voorzitter
-van den landraad, daarop volgden Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent
-van Santjoemeh, Radhen Pandjie Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de
-majoor der Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam
-Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl de stoet besloten
-werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of priester.
-</p>
-<p>De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de griffier in
-zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den raad natuurlijk in hun
-nationaal kostuum: kort buisje met staanden en met goud geborduurden kraag, daaronder
-een met idem geborduurd vest, eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes
-voor den buik geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja”
-gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt dat met smalle
-gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was in het mandarijnen-pak gestoken,
-dat in vorm zooveel van een Roomsch miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den
-voor- als aan den achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op
-het lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort pet, ook van
-lichtblauw laken, die veel van <span class="pageNum" id="pb2.156">[<a href="#pb2.156">156</a>]</span>eene barret had, maar stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje
-of kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen ontwaard werd.
-</p>
-<p>De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange jurk van donkere
-stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een vervaarlijken grooten tulband
-op het hoofd, die aanduiden moest, dat de man het graf des Profeets bezocht had, en
-dus „Hadjie” (bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet
-zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran.
-</p>
-<p>Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen ettelijke Javaansche
-jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het nationaal costuum gedost waren, evenwel
-geen kopja droegen. Dat waren de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke
-geboorte, die toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen
-treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en hadden hun
-schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere opmerkingen op te teekenen,
-welke aan de vergetelheid moesten ontrukt worden.
-</p>
-<p>Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel. Rechts van hem
-zat de regent, en links de griffier. Naast den regent zat de djaksa, die den panghoeloe
-aan zijne rechterzijde had. Naast den griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees.
-Deze plaatsing was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren
-zoo gesteld zijn, bepaald.
-</p>
-<p>Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen, verscheen August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op aanwijzing van den voorzitter plaats aan
-het uiteinde van de tafel naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik<a class="noteRef" id="xd30e10943src" href="#xd30e10943">11</a>, welke die pandoppo van de regentswoning thans opleverde.
-</p>
-<p>Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een achttal pilaren
-rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot tempering van het schelle <span class="pageNum" id="pb2.157">[<a href="#pb2.157">157</a>]</span>licht en ook om de onbescheiden blikken van buiten te weren, waren de vakken tusschen
-de pilaren door groen geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden
-van den landraad nog een zeildoek gespannen was.
-</p>
-<p>Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast waren, met de
-dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand te houden, evenwel zoo, dat
-die emblamata van gezag achter hunne meesters goed zichtbaar waren.
-</p>
-<p>Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de rechtbanken voor
-de Inlanders op Java<a class="noteRef" id="xd30e10960src" href="#xd30e10960">12</a>, vertoonde hij een wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het Nederlandsche
-bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht te behartigen. Vooreerst
-het Europeesche recht, vertegenwoordigd door den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten
-en gebruiken, die vergen, dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het
-kan, uit edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de priester
-de leden op de hoogte moet brengen.
-</p>
-<p>Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk groote ruimte gelaten,
-zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te bespeuren was. Ter weerszijde van die
-estrade stonden een paar politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne
-sabels op zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel
-met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke gelegenheden zooveel
-publiek te zien.
-</p>
-<p>Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had plaats genomen,
-verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk
-achter haar hadden zich de voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden,
-gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die evenwel sedert
-dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met elkander sprak.
-<span class="pageNum" id="pb2.158">[<a href="#pb2.158">158</a>]</span></p>
-<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken natuurlijk niet, en hadden op de derde of
-vierde rij plaats genomen, vanwaar zij een goed overzicht hadden.
-</p>
-<p>„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,” merkte Van Rheijn
-op.
-</p>
-<p>„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis.
-</p>
-<p>„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,” prevelde een jongmensch,
-die achter onze vrienden gezeten was.
-</p>
-<p>„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander.
-</p>
-<p>„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn glimlachend. „Santjoemeh
-zonder <i lang="fr">chronique scandaleuse</i> is ondenkbaar.”
-</p>
-<p>„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!”
-</p>
-<p>„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!”
-</p>
-<p>„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van eene vrouw geldt?”
-vroeg Eduard stekelig.
-</p>
-<p>„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok <span class="corr" id="xd30e10991" title="Bron: Karjä">Karjå</span> ingeroepen is.”
-</p>
-<p>„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan …”
-</p>
-<p>„Men?” vroeg Van Rheijn. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wie is die „men”? <span id="xd30e11000"></span>herhaalde hij ongeduldig.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Wel iedereen.”
-</p>
-<p>„Daar hoor <i>ik</i> toch niet bij!”
-</p>
-<p>„En <i>ik</i> ook niet! betuigde Grashuis.
-</p>
-<p>„Shut!.… Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn. „Zie haar eens
-de ooren spitsen!”
-</p>
-<p>„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert Grashuis hardop.
-</p>
-<p>„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een parapluie
-in zijn foudraal!”
-</p>
-<p>In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met een blik den
-groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij wijze van groet. Minzaam
-beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd met een innemenden glimlach begunstigd.
-Gold die zijne vergelijking van Van Beneden met een parapluie?
-</p>
-<p>„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en <span class="pageNum" id="pb2.159">[<a href="#pb2.159">159</a>]</span>gaf hem een lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?”
-</p>
-<p>„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!”
-</p>
-<p>„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek een andere richting
-te geven.
-</p>
-<p>„Welke invitatie?”
-</p>
-<p>„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te wonen.”
-</p>
-<p>„Ja, die heb ik gekregen.”
-</p>
-<p>„Ik ook.”
-</p>
-<p>„En, ik ook.
-</p>
-<p>„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den bruigom te
-houden.”
-</p>
-<p>„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats heeft.”
-</p>
-<p>„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn lachende. „Het
-is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor rouwkleur, blauw voor halven rouw;
-hunne dames dragen pantalons en de mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken
-aan ons barbaren over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar
-binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne gedachten met een
-penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij meenen dat de nakomelingen de voorouders
-tot adellijken stempelen, zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden;
-zij betalen hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij ziek
-zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom in stede van bij
-de bruid.”
-</p>
-<p>Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den aspirant-controleur, die
-niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van Gulpendam stemde met het gelach in, en
-knikte hem vriendelijk toe.
-</p>
-<p>„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?”
-</p>
-<p>„Shut … heeren. Daar komt de moordenaar!”
-</p>
-<p>„Zoo zonder boeien?”
-</p>
-<p>„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne rechters verschijne!”
-</p>
-<p>„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.”
-<span class="pageNum" id="pb2.160">[<a href="#pb2.160">160</a>]</span></p>
-<p>„Shut!.…”
-</p>
-<p>Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan.
-</p>
-<p>„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid.
-</p>
-<p>Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich stilte te verkrijgen.
-</p>
-<p>„Shut!… Shut!… dames en heeren!… Shut!” schreeuwde hij, en maakte daarbij alleen meer
-leven dan het geheele gezelschap bij elkander.
-</p>
-<p>De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer.
-</p>
-<p>„Stilte!” werd er geroepen.
-</p>
-<p>„Stilte!… Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en smeekend de armen
-uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren wilde.
-</p>
-<p>Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te krijgen. Een der
-minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou zij zich ook als residentsvrouw
-te ontzien hebben? Die heeren van de rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.…
-Maar eindelijk hield ook haar gekakel op.
-</p>
-<p>„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij andermaal een slag
-met den hamer deed hooren.
-</p>
-<p>„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.”
-</p>
-<p>Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der estrade voor
-de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man zag er ellendig uit. Wie
-hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet herkend hebben. Die lange maanden, welke
-hij in de gevangenis doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist.
-Hij was verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een fletsgrauw
-overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn hoofddoek uitkwamen, waren
-grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn voorwaarts treden schuchter rond, sloeg
-een smeekenden blik op August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten neder. Bij zijn verschijnen
-voor de estrade was een hartverscheurende gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan,
-die een streng: „diam!” (stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden
-ettelijke Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting
-had willen bijwonen, <span class="pageNum" id="pb2.161">[<a href="#pb2.161">161</a>]</span>vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke ieder hoofd had doen omwenden,
-geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende,
-had zien voortreden. Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een
-der bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot bedaren.
-</p>
-<p>„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,”<a class="noteRef" id="xd30e11062src" href="#xd30e11062">13</a> sprak hij. „Anders kunt gij hier niet blijven.”
-</p>
-<p>Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen. Allerwege werd
-gemompeld:
-</p>
-<p>„De vrouw van den moordenaar!.…. Arme vrouw!”
-</p>
-<p>„Stilte!” brulde de deurwaarder.
-<span class="pageNum" id="pb2.162">[<a href="#pb2.162">162</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e10709">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10709src">1</a></span> <i>Zelfs dames waren verschenen.</i> Dit is ten opzichte der Ind. dames een <span lang="la">licentia poetica</span>, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden in Indië rechtsgedingen door schoonen
-bijgewoond. Zij laten dat volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten
-der beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of te ’s Hage
-bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de laatstbedoelden zien met diepe kleinachting
-op hare Indo-Europeesche geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10709src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10741">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10741src">2</a></span> <i>Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door
-rechterlijke ambtenaren vervangen zijn.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n72.1">N<sup>o</sup> 1</a>. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat er menschen zijn, die de vroegere toestanden
-betreuren, laat zich begrijpen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10741src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n2.149.2">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.149.2src">3</a></span> <i>Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal pleiten.</i> Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden. Ziehier, wat Mr. <span class="corr" id="xd30e10756" title="Bron: Winkel">Winckel</span> in zijn <i lang="fr">Essai sur les principes <span class="pageNum" id="pb2.150n">[<a href="#pb2.150n">150</a>]</span>rêgissant l’administration de la justice aux Indes Orientales <span class="corr" id="xd30e10763" title="Bron: Neêrlandaises">hollandaises</span></i> op bladz. 309 dienaangaande zegt: <span lang="fr">La procédure devant le C. d. P. (conseil du pays) est assez semblable à celle en tout
-pays civilisé, sauf que le M.&nbsp;P. (ministère public) assiste aux <span class="corr" id="xd30e10768" title="Bron: delibérations">délibérations</span> en chambre du conseil, <i>l’absence normale d’un défenseur</i> et la manière de prèter serment.</span>&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n2.149.2src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10858">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10858src">4</a></span> <i>Bij de aanstelling der Chineesche officieren.</i> Hier mag niet aan militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in <span class="corr" id="xd30e10861" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> hebben een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne hoofden
-door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij verkrijgen zij evenwel militaire
-titels—niets meer—als van majoor, kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair
-verleend kunnen worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een majoor-,
-vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-, drie kapiteins- en tien
-luitenants-titulair.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10858src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10868">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10868src">5</a></span> <i>Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd.</i> Zie daaromtrent <span class="corr" id="xd30e10871" title="Bron: Winkels">Winckels</span> <i>Essai</i>, hierboven in de aanteekening <a href="#n2.149.2">No. 2</a> aangehaald op bladz. 149.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10868src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10885">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10885src">6</a></span> <i>Pen-ta-King</i> letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10885src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10889">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10889src">7</a></span> <i>Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste beginsel.</i> Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de <i>Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen</i> door Dr. <span class="sc">J.&nbsp;J.&nbsp;M. de Groot</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10889src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10898">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10898src">8</a></span> <i>Hijeng-Keng</i> letterlijk: het aanbieden der offerande.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10898src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10906">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10906src">9</a></span> <i>Tao-peh-kong</i> letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de meeste Chineesche tempels en
-huizen op Java aangetroffen wordt. Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het
-graan door de kolonisten uit hun vaderland medegebracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10906src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10925">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10925src">10</a></span> <i>Kree’s.</i> Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter afwering van het schelle daglicht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10925src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10943">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10943src">11</a></span> <i>Het was een eigenaardige aanblik.</i> De heeren <span class="sc">Woodbury</span> en <span class="sc">Page</span>, photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n landraadzitting
-voorstellende, in den handel gebracht. Waren de onkosten niet te hoog, dan zou ik
-mijn werk met een copie daarvan hebben verrijkt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10943src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e10960">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10960src">12</a></span> <i>Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java.</i> Java, zonder de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83 dergelijke
-landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren voorgezeten werden, dus 30 door
-niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak
-voor 1889 op Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e10960src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11062">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11062src">13</a></span> <i>’Mbok Dalima.</i> Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de geboorte van hun oudste kind diens
-naam aannemen met voorvoeging van pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak
-Ardjan: vader van Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar,
-in die gewoonte?&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11062src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e928">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXIV.</h2>
-<h2 class="main">Eene <span class="corr" id="xd30e11077" title="Bron: landraadszitting">landraadzitting</span>.—Van Beneden’s pleidooi.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr. Greveland,
-zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor:
-</p>
-<p>„Hoe heet gij?” vroeg hij.
-</p>
-<p>De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch.<a class="noteRef" id="xd30e11084src" href="#xd30e11084">1</a>
-</p>
-<p>„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover gebogen hoofd en
-den blik op den vloer gevestigd.
-</p>
-<p>„Waar zijt gij geboren?”
-</p>
-<p>„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Hoe oud zijt gij?”
-</p>
-<p>„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den griffier.
-</p>
-<p>Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het voorloopig verhoor.
-</p>
-<p>„Waar woont gij?”
-<span class="pageNum" id="pb2.163">[<a href="#pb2.163">163</a>]</span></p>
-<p>„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel.
-</p>
-<p>„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?”
-</p>
-<p>„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Zeg het ons dan.”
-</p>
-<p>„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,” antwoordde
-de Javaan uiterst kalm en steeds met <span class="corr" id="xd30e11120" title="Bron: nêergeslagen">neêrgeslagen</span> blik.
-</p>
-<p>Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen.
-</p>
-<p>„Stilte!” vermaande de voorzitter.
-</p>
-<p>„Stilte!” brulde de deurwaarder.
-</p>
-<p>„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland.
-</p>
-<p>De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk. Het was alsof
-hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, die hem bemoedigend toesprak:
-</p>
-<p>„Antwoord vrij uit, Setrosmito.”
-</p>
-<p>„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer gebruik van de
-bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich onwelvoegelijke handelingen
-jegens mijn kind veroorloofde.”
-</p>
-<p>De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne hoofden. Hij
-bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door niemand in de pandoppo verstaan
-werd, zoodat zijn antwoord geen indruk maakte.
-</p>
-<p>„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u voorlezen, waarvan
-gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de getuigen verklaard hebben.”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren zoo eigen, de
-voorlezing van de verschillende verhooren bij de voorloopige instructie opgemaakt.
-Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo,
-zelfs de voorzitter, die toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde
-nog het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde, eene taal,
-die door een <span class="pageNum" id="pb2.164">[<a href="#pb2.164">164</a>]</span>eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer
-stil, om den djaksa tijd te gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen.
-Dit ging en zoo rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling
-iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield den blik onafgebroken
-op eene plek van den grond gevestigd, frommelde met beide handen als in de grootste
-verlegenheid aan de slippen van zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa
-hem vroeg of hij begreep:
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden onder elkander,
-en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen blik aan dat gefluister een einde
-maken. Onder de toehoorders evenwel bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel
-men nu wel niet hardop praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en
-daar vermengd met <span class="corr" id="xd30e11145" title="Bron: damesgegichel">damesgegiechel</span>, dat aan de waardigheid der Justitie wel afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder
-al de macht zijner longen te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het;
-maar ook slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats, alsof
-een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde.
-</p>
-<p>„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer Thomasz.
-</p>
-<p>„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames.
-</p>
-<p>„Shut!…” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door zijn voorgevel praat.
-Hij mocht zich eens willen verbeteren.”
-</p>
-<p>„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet zoo aan het
-lachen brengen.”
-</p>
-<p>„Ik, mevrouw?”
-</p>
-<p>„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een droog komiek
-zijt.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Is dat de meening van den resident, mevrouw?”
-</p>
-<p>„Staat het praedicaat u niet aan?”
-</p>
-<p>„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de substituut-griffier
-met een gezicht zoo <span class="pageNum" id="pb2.165">[<a href="#pb2.165">165</a>]</span>uiig ernstig, dat de schoonen het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!”
-</p>
-<p>„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer Greveland eens
-een ernstigen blik op u werpen!”
-</p>
-<p>„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste gedeelte der pandoppo.
-</p>
-<p>„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!”
-</p>
-<p>„Of een bittertje krijgen!” riep een ander.
-</p>
-<p>„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!”
-</p>
-<p>„En?…”
-</p>
-<p>„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer) kreeg ik ten antwoord
-van dien kanarievogel, die een gezicht zette als drie dagen west-mousson.”
-</p>
-<p>„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.”
-</p>
-<p>„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had.…”
-</p>
-<p>„Stilte!<span class="corr" id="xd30e11177" title="Bron: ’,">”</span> riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!”
-</p>
-<p>Eerbied voor de Justitie!… Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en … men verveelde
-zich doodelijk.
-</p>
-<p>Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag van den djaksa:
-<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze zijn eentonig klinkend: „engèh,
-Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo
-krachtig mogelijk door de stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd.
-</p>
-<p>Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als officier van het
-Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor te dragen. Deze, een merkwaardig
-stuk, kon evenwel slechts hen boeien, die van de aanhangige zaak niets afwisten.
-</p>
-<p>Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den bandoelan Singomengolo
-opgegeven waren. De officier van het Openbaar Ministerie nam de beschuldiging van
-opiumsmokkelarij als overtuigend bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats,
-waar de sluikwaar onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje,
-waarin zij vervat <span class="pageNum" id="pb2.166">[<a href="#pb2.166">166</a>]</span>was, lagen daar als stukken van overtuiging ter tafel! Hij ging in korte trekken na,
-tot welke listen de smokkelaars hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid
-ten toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen geven. Ernstig
-ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht hand over hand op Java toenam,
-hoe die hartstocht vooral voeding vond door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend,
-toen hij op de noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste staande
-middelen te breidelen.
-</p>
-<p>„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem uit, „hoeveel
-millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks schatkist ontsnappen, waardoor
-èn de welvaart van het groote rijk der blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke
-wereldzee gelegen, èn de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java
-ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar bij tientallen
-te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik van die schatten kon gemaakt
-worden, wanneer zij regelmatig en ongestoord in ’s lands kas vloeiden!”
-</p>
-<p>Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het woord tot de
-leden van den landraad richtte, zich naar het publiek gewend, overtuigd dat zijne
-woorden daar wel instemming zouden vinden. Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders,
-die daar verzameld waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen,
-hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud zouden zijn, liet
-hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel werd vernomen, vele knikken
-van goedkeuring werden ontwaard, en menige stem prevelde onhoorbaar zacht:
-</p>
-<p>„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!”
-</p>
-<p>Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet ontgaan waren,
-uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters geene gelegenheid zouden
-laten voorbijgaan om die slang, die zich ten koste van de volkswelvaart voedde, te
-verpletteren, en rekende er op, dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die
-zich nog aan eene andere veel grootere euveldaad schuldig <span class="pageNum" id="pb2.167">[<a href="#pb2.167">167</a>]</span>had gemaakt, de zwaarst mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten
-aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de dankbaarheid
-van de geheele Nederlandsche natie!
-</p>
-<p>Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo had met een daverend
-handgeklap een voorproef van die dankbaarheid gegeven. Een enkel bravo-geroep werd
-vernomen, maar onmiddellijk gesust onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte!
-stilte!” van den deurwaarder.
-</p>
-<p>De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte van de beschuldiging,
-waaronder Setrosmito gebukt ging, gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen
-bandoelan,—welke met de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte.
-</p>
-<p>Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij, zijn requisitoir
-vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich tegen de huiszoeking verzet
-had; hoe hij bij het vinden van het noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor
-„gemeenen hond” had gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo
-verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort had, en dien
-weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel gehaald had; terwijl moordenaar
-en vermoorde door een gulp bloed overstroomd werden.
-</p>
-<p>Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe sensatie onder
-de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een gil in onmacht, en moest naar
-buiten gedragen worden. Dat gaf eenige opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen
-blik achter zich wierp, om toch te zien, wat er gebeurd was.
-</p>
-<p>„Stilte!… Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen.
-</p>
-<p>Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort met op de toenemende
-stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die voor geen moord terugdeinsden, om hunne
-sluikwaar te redden. Hij drong er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude
-stellen, ter bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak
-niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch van de straffe
-des <span class="pageNum" id="pb2.168">[<a href="#pb2.168">168</a>]</span>doods door ophanging, of mocht de verdediging er in slagen verzachtende omstandigheden
-te bepleiten, tot twintigjarigen dwangarbeid in den ketting.
-</p>
-<p>Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men zou een speld
-hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een menschenleven maakt steeds een vreeselijken
-indruk op de menigte, hoe wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde
-aller monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot stilstand dwong.
-Die stilte duurde een korte poos, en was allen ondragelijk; terwijl niemand zich aan
-den invloed daarvan wist te ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan
-ook aan aller borst, toen de voorzitter die stilte verbrak.
-</p>
-<p>„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de „toean-pfiskal” (heer-fiskaal)
-gezegd heeft?”
-</p>
-<p>De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar antwoordde niet.
-Het geheele requisitoir was in het Maleisch voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner
-geen woord verstaan had. Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde
-zijne vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op August
-<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen:
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„En hebt gij daar niets op aan te merken?”
-</p>
-<p>Een nieuwe blik op den advocaat.
-</p>
-<p>„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig.
-</p>
-<p>Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op.
-</p>
-<p>„Stilte!<span class="corr" id="xd30e11222" title="Bron: ..">…</span> Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder.
-</p>
-<p>„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij zich kon doen
-verstaan.
-</p>
-<p>„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend.
-</p>
-<p>„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en zoo overluid,
-dat de advocaat haar hooren kon.
-</p>
-<p>Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te nemen, het zweet
-af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene duidelijke stem, die door de
-geheele pandoppo weerklonk:
-</p>
-<p>„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort gansch eigenaardig
-op Java te huis, <span class="pageNum" id="pb2.169">[<a href="#pb2.169">169</a>]</span>ja, zou op geen andere plek der aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch
-van het Openbaar Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood,
-er moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die misdaan heeft
-moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het land der vergeldingswet: Oog
-om oog, tand om tand! Maar, zelfs tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig,
-staat het recht van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere
-wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den ongelukkige, die voor
-u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te maken.
-</p>
-<p>„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar Ministerie zijn
-uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan den rampzaligen in de clementie
-van de rechtbank aan te bevelen. Maar, neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben
-met eene verdediging, die door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene
-andere meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de gronden
-te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen voeren, dan wij zoo
-even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene onverdeelde aandacht.
-</p>
-<p>„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige advocaat met
-sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan den ijver, aan de toewijding,
-aan het schrandere begrip van een man, van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid
-spreken kan, omdat ik door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben.
-</p>
-<p>„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit was, toen de
-feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak op zich, om naast de instructie,
-die van wege den officier van Justitie ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij
-begonnen had, voort te zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen
-der bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der procedure aangetroffen
-worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd. Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden
-aan te roeren hebben, in onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor
-te eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk <span class="pageNum" id="pb2.170">[<a href="#pb2.170">170</a>]</span>gedeelte van uwen kostbaren tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak
-van den ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te constateeren,
-dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en dat ik volkomen authentieke
-afschriften daarvan, door den Gouverneur van Atjeh en door den Directeur van Justitie
-te Batavia behoorlijk gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen.
-</p>
-<p>„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een sierlijke beweging
-zoowel naar de leden van den landraad als naar het publiek, „kent Willem Verstork,
-en zou ik kunnen heenglijden over de edele eigenschappen, welke het karakter van dien
-landsdienaar sieren, ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht
-Mr. Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh aankwam,
-op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de onkreukbaarste ambtenaar
-is, die de achting en liefde van al zijne ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet,
-heeft weten te verwerven; dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne
-moeder en zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen tegenspraak
-te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij is de rechtschapenste
-mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie beweegt.”
-</p>
-<p>Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap, was het antwoord
-van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij aan den eenen kant mevrouw
-Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten toorn op elkander deed klemmen, maakte
-zij den deurwaarder schier waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren
-deed.
-</p>
-<p>„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een onzer verdienstelijke
-ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn
-hamer de noodige stilte verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke
-betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen, daar ik anders
-verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!… Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken
-met uwe verdediging voort te gaan.”
-</p>
-<p>„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich <span class="pageNum" id="pb2.171">[<a href="#pb2.171">171</a>]</span>den tijd te nutte gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater
-te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar Kaligaweh.
-Hij herinnerde zich Racine’s vers:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux,
-</p>
-<p class="line">Un perfide assassin, un lâche meurtrier!</p>
-</div>
-<p class="first">„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig overtuigen. En allerwegen
-vernam hij, dat de man, die daar voor u zit, gebukt onder de zoo zware beschuldiging,
-welke wij gehoord hebben, een onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam
-landbouwer, een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen hier
-op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het zachtmoedigste der
-aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk, dat het met fiskalische wreedheid
-op de schouders is gelegd. Ik heb hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono
-van het district Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de
-dèsa Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden dan Setrosmito,
-vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik; maar dat hij toch die keuze moest
-ontraden, omdat de eenvoudige sawahbewerker niet lezen of schrijven kon.
-</p>
-<p>„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen te geven zijn,
-voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar?
-</p>
-<p>„Opiumsmokkelaar!… O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen omgaat. Gijlieden
-weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh gebeurt. Gij keert het hoofd af,
-wanneer gij dat woord hoort! Opiumsmokkelaar!… Waarop grondde het Openbaar Ministerie
-die beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring van een
-bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die door de publieke opinie,
-als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op niets anders dan op dat doosje, dat
-daar ligt, hetwelk Singomengolo bij den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,… het
-is nog zoo lang niet geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen,
-afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen genoopt <span class="pageNum" id="pb2.172">[<a href="#pb2.172">172</a>]</span>zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie diezelfde man volgens
-zijne verklaring een dergelijk doosje zoude gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt
-die verklaring van den bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van
-de baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel, hoort ge? Door
-geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen, die onweêrlegbaar blijken.
-Ik neem al weer mijn toevlucht tot de geschriften van Verstork. Luistert:
-</p>
-<p>„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich aan de hut
-van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem dat gereedelijk toegestaan,
-nadat die drie zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen.<a class="noteRef" id="xd30e11259src" href="#xd30e11259">2</a> Toen werd niets gevonden, ook niet onder het pandan-matje van de baleh-baleh. Dat
-hebben mij de twee politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de
-huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De laatsten betuigden
-zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild was geworden, en dat de Chinees
-het hoofdkussen, hetwelk daarop lag, nauwkeurig doorzocht had.”
-</p>
-<p>„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van Verstork’s schriftuur
-vervolgen:
-</p>
-<p>„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich niet aan de
-gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde Setrosmito en zeide: „dan
-zal er wel opium in mijn huis gevonden worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs
-van dat alles, door den kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.”
-</p>
-<p>„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de Chineesche bandoelan,
-toch een slimme vogel, tot twee keeren niets gevonden had! Is dat duidelijk of niet?
-</p>
-<p>„Opiumsmokkelaar!.… De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging ver, ver wegwerp,
-niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in opium-procedures worden soms
-de vreemdsoortigste bewijzen aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig
-en het slachtoffer <span class="pageNum" id="pb2.173">[<a href="#pb2.173">173</a>]</span>is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo gewoonlijk gebezigd
-worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet worden, of wanneer een ellendeling
-zich wreken wil.
-</p>
-<p>„Opiumsmokkelaar!… Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren toeleg gewezen
-op de millioenen, die door den sluikhandel voor de schatkist verloren gaan. Wiens
-hart heeft niet getrild bij de ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het
-dan ook van niet edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel verloren,
-maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet in doosjes, waarin slechts
-voor luttele waarde geborgen is. De millioenen, die gesloken worden … Och, heb ik
-wel noodig aan te wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden,
-uw mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê gemeente met
-hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om ongelukkigen, die hen hinderlijk
-zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik wel noodig die namen, die op aller lippen zweven,
-te herhalen? Och, wat zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke
-college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne onthullingen aan
-den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het gegeven? Vraagt u dat af.”
-</p>
-<p>Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste woorden, aan welke
-hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen in het brein zijner toehoorders
-te dringen. Het was stil, zeer stil in die ruimte, en schier ademloos zat de menigte
-daar, de woorden van den jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder
-den invloed van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de toestand,
-zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk monopoliestelsel in het leven geroepen
-is, zooals hij door haar met allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.”
-</p>
-<p>„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken hem ook van die aantijging
-te zuiveren, zooals ik dat van het eerste deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad
-is gepleegd. Het slachtoffer ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede <span class="pageNum" id="pb2.174">[<a href="#pb2.174">174</a>]</span>de daad volbracht werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft afgrijselijk
-plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door de keel van den verslagene
-gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet onduidelijk; toch heeft het de verdediging
-daarmede meer dienst gedaan dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht,
-nadeel heeft kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe komt
-een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u deed kennen, tot zoo
-eene daad van woest geweld?
-</p>
-<p>„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat onderzoek
-heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald. Laat mij u mededeelen,
-wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie
-heeft mij daarvan het voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen,
-die het gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak, die
-ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!”
-</p>
-<p>En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid, welks weêrga men
-nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij
-sprak niet alleen, hij bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw
-Van Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat drama, hetwelk
-hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel wervelbeentje het geheele geraamte van
-een <span class="corr" id="xd30e11286" title="Bron: antidiluviaansch">antediluviaansch</span> monster te voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die
-rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe Singomengolo weigerde
-zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men woonde het bij, hoe de aterlingen het
-schamele, huisraad het onderste boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden
-bij de losbandige handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen;
-men hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder, maar aanschouwde
-tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van Singomengolo had afgewend, en hoe
-deze van die verstrooiing gebruik maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar
-te voorschijn te brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den
-ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam <span class="pageNum" id="pb2.175">[<a href="#pb2.175">175</a>]</span>verleidde; hoe die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord
-werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den ongelukkigen de hand
-naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik de kreet van de kleine Kembang weerklonk,
-en den toestand van het zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi
-stond van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader onthulde;…
-dat alles ging voor de oogen der rechters, der toeschouwers voorbij, en maakte diepen
-indruk op aller gemoed.
-</p>
-<p>Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd door den advocaat
-met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven werd door hem, hoe de aterling
-in stede van aan dat bevel te gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop
-het „sterf dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting vervulde.
-</p>
-<p>Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller harten hingen
-aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij de geest van het treurige
-drama was, dien hij door zijn woorden opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele
-rede, die in het Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd
-steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich langzamerhand naar
-zijn verdediger gewend en zijn blik diep doordringend op den jongen man gevestigd.
-Neen, hij verstond dien woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar
-zijn geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige gebaar,
-dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht tintelende oogen knikte
-hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen over zijne wangen biggelden.
-</p>
-<p>„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde hij hoorbaar
-te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de Javaansche hoofden en strekte de
-armen smeekend uit.
-</p>
-<p>„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar afgebakend te hebben,
-de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een mensch doodde, maar niet anders deed,
-dan op te treden in een <span class="pageNum" id="pb2.176">[<a href="#pb2.176">176</a>]</span>noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Wat zal dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen op
-dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te vrijwaren van de snoodste
-mishandeling, die in het bijzijn van een vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.… het
-geldt de opiumpolitie, hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken,
-dat iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die opium-politie het
-schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou ik in volle wanhoop uitroepen:
-wee der natie, welke zoo’n aterling bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de
-rechtsbeginselen met voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!”
-</p>
-<p>Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg brachten. Het
-was of eene huivering allen daar in die pandoppo overviel.
-</p>
-<p>„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar Ministerie wendende
-met klimmende zeggingskracht voort, die de huivering tot rilling deed overgaan. „En
-nu, ga voort, gij! Stapelt de eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een
-voetstuk van, trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer
-gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus, uw oor niet
-zal kunnen bereiken!
-</p>
-<p>„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u eenmaal bereiken.
-Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij gebreke van den bliksem des Allerhoogsten,
-de euveldaders, de aanbidders van den opium-afgod verpletteren!
-</p>
-<p>„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere stem, maar toch
-met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te wederstaan was, tot de leden van
-den landraad. „Wat u betreft, stelt u in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen
-straks tranen vergoten, toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste.
-Stelt u voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van doodsangsten
-die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan heeft en in dezen stond ondergaat;
-dan zult gij eenigermate de onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen
-moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer <span class="pageNum" id="pb2.177">[<a href="#pb2.177">177</a>]</span>gij over eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader, die
-zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult weergeven.”
-</p>
-<p>Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder. Het was reeds
-laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel. Een benauwende warmte heerschte
-in de pandoppo, en drukte loodzwaar op de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering
-allen bevangen had, welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef
-te klemmen.… Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte, die door enkele
-snikken afgebroken werd.… Toen barstte eene algemeene toejuiching los, die het dakgebinte
-tot in den nok deed trillen, en die de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem
-ook was, onvermogend was, tot bedaren te brengen.
-</p>
-<p>Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle instemming met het
-gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de voorzitter andermaal dreigde het lokaal
-te zullen doen ontruimen!
-</p>
-<p>Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom medegesleept gevoelende,
-die de geheele beschuldiging verzwolgen had, poogde de djaksa te verwerven, dat de
-zitting verdaagd werd. Maar die poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken
-betreurenswaardigen indruk die verdaging zoude teweeg brengen.
-</p>
-<p>In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas Wirio Kesoemo niet
-anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij prevelde, zonder dat hem eenige aandacht
-geschonken werd, ettelijke omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van
-de noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij stotterde,
-draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij eenige oplettendheid verworven
-had.
-</p>
-<p>Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar recht tot
-antwoord gebruik wenschte te maken.
-</p>
-<p>Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting.
-</p>
-<p>„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou kunnen zeggen, zou
-slechts den indruk verzwakken van het gesprokene door het Openbaar Ministerie, wien
-de beklaagde nog meer dan aan de verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd
-zal zijn!”
-<span class="pageNum" id="pb2.178">[<a href="#pb2.178">178</a>]</span></p>
-<p>Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat het heilige
-boek voorschreef.
-</p>
-<p>„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit<span class="corr" id="xd30e11323" title="Bron: ,">.</span> „Die man heeft gedood, die man moet sterven!”
-</p>
-<p>Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw gevallen,” mompelde
-men.
-</p>
-<p>De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange poos verschenen
-zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd vonnis voor, waarin, na een ontelbaar
-„aangeziens” en „overwegendes” eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken
-werd.
-</p>
-<p>Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van Beneden toe, om hem
-geluk te wenschen met de behaalde overwinning. Zelfs de voorzitter, wel verre van
-thans die algemeene geestdrift te stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den
-steeds gehurkt zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat
-door den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik op den
-jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte, terwijl hij eenige
-onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor August voldoende. Daarin was
-zich niet te vergissen: dat was de blik van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo
-mompelde eene stem: „De gerechtigheid der blanken is groot!”
-</p>
-<p>Een oogenblik later was de menigte uit elkander.
-</p>
-<p>„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik ben nog onder
-de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij het aangelegd, om de Inlandsche
-leden van den raad onder uwen invloed te krijgen?”
-</p>
-<p>„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen!”<a class="noteRef" id="xd30e11334src" href="#xd30e11334">3</a>
-</p>
-<p>„O, zoo! Nu, dat is leuk!”
-</p>
-<p>De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude regent van Santjoemeh
-zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd had:
-</p>
-<p>„Gij zijt een braaf mensch!”
-<span class="pageNum" id="pb2.179">[<a href="#pb2.179">179</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e11084">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11084src">1</a></span> <i>De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch.</i> Ongeloofelijk nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie
-waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in zijne hiervoren
-reeds aangehaalde <i lang="fr">Essai sur les principes</i> schrijft: <span class="corr" title="Niet in bron">„</span><span lang="fr">A l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le <span class="corr" id="xd30e11093" title="Bron: ministèr">ministère</span> public sert <span class="corr" id="xd30e11096" title="Bron: d’intreprête">d’interprête</span>. Interrogé en Javanais par le djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement,
-comme ils ont répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà
-le débat oral devenu inutile.</span>”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11084src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11259">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11259src">2</a></span> <i>Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n192.1">No. 1</a> op bladz. 192 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11259src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11334">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11334src">3</a></span> <i>Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen.</i> Dat zoo iets meer gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste
-jonge <span class="corr" id="xd30e11337" title="Bron: advokaten">advocaten</span> kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne van hunne loopbaan met die
-sierlijkheid en die overtuiging te kunnen spreken, welke toch waarborgen van succes
-geven.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11334src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e940">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXV.</h2>
-<h2 class="main">Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng,<a class="noteRef" id="xd30e11352src" href="#xd30e11352">1</a> die bergmassa, welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte,
-aan Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine dèsa Ajo,
-een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den steilen bergwand voor
-het oog van de van noord en zuid naderenden, als in een terreinplooi verscholen lag.
-</p>
-<p>De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel is waar, werd
-aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil oploopend terrein, dat rotsachtig
-en derhalve slechts met een mager stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook
-ter weerszijden was de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte
-rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke het gebouwtje
-verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een vergezicht uit, dat in liefelijkheid
-en schoonheid uitmuntte, en alles vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden
-tekort kwam. Van het schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk,
-en opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest eischende verbeelding
-moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het <span class="pageNum" id="pb2.180">[<a href="#pb2.180">180</a>]</span>hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en slechts met bruin
-verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid, vertoonde, waartusschen een paadje grillig
-slingerde, als wilde het een wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje,
-dat kronkelend en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden
-bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het plantenrijk
-zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele boomen met krom verwrongen
-stammetjes en knoestige takken, later door meer opgaande vertegenwoordigers van het
-gebied van Silvanus, om eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven
-ettelijke klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat
-allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf.
-</p>
-<p>Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met hare bruine daken
-en goudgele omwandingen te midden van het levendig groen, en spiegelden zich in de
-Kali Djetis, die de dèsa ten westen begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht
-beschreef, om zich met eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten.
-</p>
-<p>Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, dat zich voor
-de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. Was toch de zee kalm, dan strekte
-zij zich met haar donkerblauw vlak eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder
-uit, die daar ginds zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische
-zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige visschersvaartuigen,
-die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, met hare blanke maar vreemdsoortige
-zeilen de watervlakte aangenaam stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door
-en werd die in zijn opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen
-zeil te bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het bereiken
-van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het afstroomende bergwater
-ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik als een blauwen muur voortrolden, om
-eindelijk zich in eene machtige krul over te buigen, in verblindend schuim te breken,
-en zoo eene branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel opleverde,
-welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, <span class="pageNum" id="pb2.181">[<a href="#pb2.181">181</a>]</span>maar ook ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n golf
-overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca”<a class="noteRef" id="xd30e11366src" href="#xd30e11366">2</a> in het klein vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in
-zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden.
-</p>
-<p>Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van die soort
-van de meest primitieve materialen, bamboe en atap, vervaardigd was. Het was eigenlijk
-slechts een omwand en overdekt klein vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde
-eene deur uitgespaard was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl
-in de flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten verrichten.
-Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld was, weten wij niet. De
-blik van den romanschrijver mag niet altijd de onbescheidenheid te ver drijven. Hij
-is gedwongen sommige gevoeligheden te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren,
-en hen al de gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel
-stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden; hij mag echter
-niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen, waarin.….
-</p>
-<p>Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die berghelling eenzaam en
-verlaten stond, hoe armoedig het zich ook voordeed, toch onderscheidde het zich van
-die hutten daar ginds, daar beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk
-proper, en droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche woning
-van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch toezicht daaraan ontbreekt.
-<span class="pageNum" id="pb2.182">[<a href="#pb2.182">182</a>]</span>De Javanen zijn en blijven een Oostersch volk, en hebben hunne punten van overeenkomst
-met andere takken van die groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren,
-Chineezen, Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden noemen.
-Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe nipah-bladeren,<a class="noteRef" id="xd30e11375src" href="#xd30e11375">3</a> met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe”<a class="noteRef" id="xd30e11382src" href="#xd30e11382">4</a> (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een erfje, tot tuintje
-ingericht, met goed onderhouden paden, door weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde.
-Ook de bloemperken en de sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het
-geheele erfje ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas”<a class="noteRef" id="xd30e11386src" href="#xd30e11386">5</a>-heg omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een bescheiden
-grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken ontwaard werden, die door
-lange touwen aan elkander verbonden, en zoo tot droogtoestellen ingericht waren voor
-lijnwaden, voornamelijk voor vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die
-er dan ook in vrij groot getal in den wind wapperden.
-</p>
-<p>In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen bloempot,—zeer zeldzaam
-in een Javaansche woning,—waarin een prachtige struik van Devonshire rozen in vollen
-bloei, een „tenoenan” (Inlandsch weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag
-bamboebankje met kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met
-onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de ketting op
-en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel) met behendige hand heen
-en weer te voeren. Van ons recht als romanschrijver gebruik makende, naderen wij,
-hoewel wij dat huisje niet vermochten binnen te dringen, steelsgewijze <span class="pageNum" id="pb2.183">[<a href="#pb2.183">183</a>]</span>die voorgalerij, en maken van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid
-gebruik, om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om haar,
-die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig arbeidt, is te zien,
-zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong” (haspelblok) van het weefgetouw gerold
-is, en wat zij heden nog vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar
-staat, om dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt.
-</p>
-<p>Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is niet te zien.
-Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde
-sarong met donkeren grond, duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele
-kleur der handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de haardos,
-die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh” (wrong) tegen het achterhoofd
-opgebonden werd. Maar … die kondeh, hoe zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt
-toch onze aandacht. Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in tegenstelling
-met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed Javaansche schoonen, bevallig
-om den wrong; terwijl de kortere haartjes daaronder sierlijke krulletjes vormen en
-den lichtbruinen nek, dien wij bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen.
-</p>
-<p>„Zou het eene nonna<a class="noteRef" id="xd30e11397src" href="#xd30e11397">6</a> zijn?” rijst er in onze gedachte op.
-</p>
-<p>Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar „tjenella’s”
-(slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch hoogst zeldzaam door Javaansche
-vrouwen en meisjes gedragen worden, daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend
-in afmeting van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche
-schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene beweging, waarbij
-een hagelwit <span class="pageNum" id="pb2.184">[<a href="#pb2.184">184</a>]</span>teentje onder den sarong uit komt turen, en door zijn verschil in tint met gelaat,
-hals en handen ons zelfs aan het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust
-dat zij bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk zich
-voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en.…
-</p>
-<p>„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat aanschouwd?”
-</p>
-<p>Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen het jonge meisje
-het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te hervatten, worden lichte voetstappen
-op het pad vernomen, dat van de dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op,
-tuurt, kijkt scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering:
-</p>
-<p>„Dalima!”
-</p>
-<p>Ja, het is Dalima, die daar met <span class="corr" id="xd30e11411" title="Bron: vluggeu">vluggen</span> tred het erf optreedt en de voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje
-op, en nog voor dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee
-aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander samensmelten:
-</p>
-<p>„Nana!”
-</p>
-<p>„Dalima!”
-</p>
-<p>Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare nasporingen tot Karang Anjer
-volgden, maar daar uit het oog verloren.
-</p>
-<p>„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het Javaansche meisje aan
-het hart drukte.
-</p>
-<p>„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks.
-</p>
-<p>„Hoe kwaamt gij daar?”
-</p>
-<p>„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.”
-</p>
-<p>„Maar … wat hadt gij daar te maken?”
-</p>
-<p>„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.”
-</p>
-<p>„Te Karang Anjer?.… Maar, wat hadt gij daar te doen?”
-</p>
-<p>„Om Nana te zoeken!”
-</p>
-<p>„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen? Hebt gij daarvoor
-die verre reis afgelegd en.… dat in uw toestand?”
-<span class="pageNum" id="pb2.185">[<a href="#pb2.185">185</a>]</span></p>
-<p>Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar vergezeld van
-een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing toeliet.
-</p>
-<p>„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de gevangenis
-verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang moeda”” (jongen heer rechter),
-vervolgde zij met een doordringenden blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het
-hoofd voelde opstijgen, „heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank
-zij toean Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik aan
-Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer was, dat zij van
-daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne
-lieve Nana zich verlaten en ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk
-verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn toestand,”—voegde
-zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te zoeken, ten einde haar mijne
-diensten te kunnen wijden. Toen ben ik vertrokken, en …”
-</p>
-<p>„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt.
-</p>
-<p>„Neen, Nana, volstrekt niet.”
-</p>
-<p>„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?”
-</p>
-<p>„Neen, Nana.”
-</p>
-<p>„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens mijnheer Van Nerekool,
-maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u wel!”
-</p>
-<p>„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan mijne moeder
-heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.”
-</p>
-<p>„Waar?”
-</p>
-<p>„Wel, te Karang Anjer, Nana.”
-</p>
-<p>„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?”
-</p>
-<p>„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar gij waart.”
-</p>
-<p>„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?”
-</p>
-<p>„Ja, Nana.”
-</p>
-<p>„En?”
-</p>
-<p>„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij; maar zij had u
-beloofd, het aan niemand bekend te maken.”
-<span class="pageNum" id="pb2.186">[<a href="#pb2.186">186</a>]</span></p>
-<p>Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld.
-</p>
-<p>„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij.
-</p>
-<p>„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb overal gevraagd:
-bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s der dèsa’s, bij de gardoe’s
-en warong’s langs den weg; in één woord overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende
-kwam ik in de dèsa Prembanan aan.…”
-</p>
-<p>„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd.
-</p>
-<p>„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene warong, terwijl
-een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld werd.…”
-</p>
-<p>Anna bekeek hare matgele handen.
-</p>
-<p>„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de scherpziende oogen
-van de waronghoudster konden door de „boreh”<a class="noteRef" id="xd30e11461src" href="#xd30e11461">7</a> (verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat gij eene
-blanke of eene Solosche poetri waart.”
-</p>
-<p>„En verder?” vroeg Anna.
-</p>
-<p>„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring toetool verwijderd
-was, nietwaar?”
-</p>
-<p>„Dat is zoo.”
-</p>
-<p>„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.”
-</p>
-<p>„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei Anna, terwijl
-zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij ziet er dan ook wel vermagerd
-uit.”
-</p>
-<p>„O, maar ik ben sterk, Nana.… Maak u niet ongerust. Te Pring toetool kreeg ik verdere
-tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik nog de tandoe, die u aangebracht
-had, op het erf van den loerah, en vernam <span class="pageNum" id="pb2.187">[<a href="#pb2.187">187</a>]</span>daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.… wat fraai is.…”
-</p>
-<p>Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met het gesprokene
-wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het Javaansche meisje toch die hut met
-het residentiepaleis te Santjoemeh.
-</p>
-<p>Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op elkander leunende,
-als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd.
-</p>
-<p>„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin zeer goed begreep;
-„gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.”
-</p>
-<p>Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan hare voeten
-op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van het blanke meisje. En weldra
-was het gesprek tusschen de deerns in vollen gang.
-</p>
-<p>„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden slechts van Ajo,
-waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben. Ik heb dus tijd genoeg gehad
-om uit te rusten.”
-</p>
-<p>„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg Anna.
-</p>
-<p>En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van Nerekool niet vergeten
-werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed van het Javaansche meisje gedoogde
-niet, dat die naam verzwegen bleef. Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare
-lippen kwam, als stipt noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg:
-</p>
-<p>„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet gezonden heeft,
-om mij op te sporen?”
-</p>
-<p>„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging in hare stem.
-</p>
-<p>„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult maken, dat gij
-mij gevonden hebt.”
-</p>
-<p>Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij.
-</p>
-<p>„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij niet bij mij
-blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen weet waarheen.”
-</p>
-<p>„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche <span class="pageNum" id="pb2.188">[<a href="#pb2.188">188</a>]</span>meisje. „Ik, die zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!… Niet
-bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen verlaten om
-bij u te zijn; en … nu spreekt gij er van mij heen te zenden.…”
-</p>
-<p>Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare stem.
-</p>
-<p>„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet wegzenden; integendeel,
-ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de belofte doen, aan niemand over mijne
-aanwezigheid hier te berichten. Wilt gij?”
-</p>
-<p>Dalima wierp zich weenend in hare armen.
-</p>
-<p>„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!…” snikte zij.
-</p>
-<p>„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.”
-</p>
-<p>„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe.
-</p>
-<p>„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den slagboom niet
-begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij opgeworpen is. Nimmer kan van
-een huwelijk iets komen! Laat u dat eens en vooral gezegd zijn!”
-</p>
-<p>Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort.
-</p>
-<p>„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna.
-</p>
-<p>„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima schier onhoorbaar,
-„door zijn geluk te bewerken.”
-</p>
-<p>„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!”
-</p>
-<p>„Zijn ongeluk?… Vereenigd met u?… O, Nana!…”
-</p>
-<p>„Nogmaals, geen woord meer daarover!… Geef mij nu de hand, Dalima … Zoo … En gij belooft
-mij, wat ik van u verg?”
-</p>
-<p>Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone oogen.
-</p>
-<p>„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana het zoo wil …
-dan mag ik niet ongehoorzaam zijn … Ik beloof het u.”
-</p>
-<p>„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een smartelijken glimlach.
-„Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij zult mij o, zoo veel kunnen helpen.
-Kijk eens wat fraai „kain polèng mas<a class="noteRef" id="xd30e11513src" href="#xd30e11513">8</a>” ik daar op de <span class="corr" id="xd30e11519" title="Bron: tenoennan">tenoenan</span> heb?”
-<span class="pageNum" id="pb2.189">[<a href="#pb2.189">189</a>]</span></p>
-<p>„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de dochter van een
-Kandjeng toean resident?”
-</p>
-<p>„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam Anna weemoedig.
-„Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik eene blanke ben. Men houdt mij,
-gij zeidet het reeds, voor eene Solosche prinses, die door haren vader verbannen is.
-O, er loopen daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het
-andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een half bovennatuurlijk
-wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid. En, zelfs de oude vrouw, die mijne
-geweefde goederen verkoopt, ziet mij voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin,
-maagd van het zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het geval
-ware.”
-</p>
-<p>„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima, terwijl zij hare
-handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg. „Gij, een „<span class="corr" id="xd30e11528" title="Bron: annak">anak</span>” (kind) van een Kandjeng toean!”
-</p>
-<p>„Die <span class="corr" id="xd30e11533" title="Bron: annak">anak</span> van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten, Dalima. Kom, laat mij
-voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain poleng mas is mij besteld, en moet
-ik zoo spoedig mogelijk afmaken.”
-</p>
-<p>Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer gaan, terwijl
-zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig aandrukte. Dalima keek haar aan,
-en tranen schoten haar in de oogen. Dat duurde evenwel slechts kort.
-</p>
-<p>Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de tenoenan, zoodanig
-dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en begon nu te spinnen. Zij legde
-daarbij zoo eene behendigheid aan den dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en
-zeide:
-</p>
-<p>„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij toch meer op,
-dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.”
-</p>
-<p>„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet zonder een zweem
-van trots. „Gij zult <span class="pageNum" id="pb2.190">[<a href="#pb2.190">190</a>]</span>eens zien, ik kan u ook aflossen bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.”
-</p>
-<p>„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog een beetje links,
-hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks zal ik u, alvorens wij voor het
-eten gaan zorgen, mijn kunststukken op dat gebied laten zien.”
-</p>
-<p>Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door, totdat het tijd
-werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de grootste schamelheid, en was
-geen verfijnd „<span lang="ms">kokki bitja</span>” (keukenboek) noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat
-Nana zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „<span lang="ms">bras</span>” (rauwe rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide, waschte
-de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de <span lang="ms">koekoesan</span> (mand) in de <span lang="ms">dandang</span> (waterketel) te vuur, bereidde den <span lang="ms">sambal oelak</span>, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en spaansche peper in pisangbladeren,
-om er „<span lang="ms">pèpèsan ikan</span>” van te maken en roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes
-vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was.
-</p>
-<p>„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het tafelgoed? Dat
-ik alles klaar zet.”
-</p>
-<p>„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben. Wil ik niet
-herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de gebruiken der dèsabewoners voegen.
-Daar is mijne tafel, en hier zijn mijn lepel en vork.”
-</p>
-<p>Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer in het middenvertrek
-harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie vingertjes zien. Dalima zuchtte
-diep.
-</p>
-<p>„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg zij. „Hebt
-gij dan in het geheel geen geld?”
-</p>
-<p>„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,” antwoordde het fiere
-meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij schuil houd, dat ik dat niet doen kan,
-wanneer ik als eene blanke leef en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk.
-Wie weet daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas mij
-het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog schriel misschien,
-uitzuinig.”
-<span class="pageNum" id="pb2.191">[<a href="#pb2.191">191</a>]</span></p>
-<p>„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen.
-</p>
-<p>„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom, terwijl de rijst
-gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.”
-</p>
-<p>Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene „gawangan’s” (ramen)
-stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren, die alle de stadiën van het batikken
-vertoonden. Hier was er een, waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening
-nog eerst aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die teekening
-reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het verven te beveiligen.
-Op een ander raam was reeds de grondverf aangebracht en was de teekening bij deelen
-van de wasbescherming ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal
-stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode verf),<a class="noteRef" id="xd30e11577src" href="#xd30e11577">9</a> met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf) enz., die gereed waren
-om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd waren, opgenomen te worden. Voor alles
-had Dalima een goedkeurenden knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was
-gevuld, zette dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel
-door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef van hare behendigheid
-te geven.
-</p>
-<p>„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal kunnen helpen!
-Ik zal u zelfs leeren de „<span lang="ms">aboe kesambi</span>”<a class="noteRef" id="xd30e11586src" href="#xd30e11586">10</a> te gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie bloemen
-gij verkrijgen zult!”
-</p>
-<p>Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een onderkomen gewaarborgd,
-een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid
-der Javaansche bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes <span class="pageNum" id="pb2.192">[<a href="#pb2.192">192</a>]</span>werkten en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar schamel
-huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij had in Dalima niet
-de aanwinst eener bediende, maar wel van eene vriendin gedaan. Zij zouden elkander
-tot steun strekken.
-</p>
-<p>Of dat lang zou duren?
-<span class="pageNum" id="pb2.193">[<a href="#pb2.193">193</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e11352">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11352src">1</a></span> De <i>Goenoeng Poleng</i> verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de oppervlakte der zee.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11352src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11366">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11366src">2</a></span> <i>Een „prororoca”</i> is de Spaansche benaming voor een natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding
-van snel stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de zoetwaterstroom
-den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt, totdat deze laatste in den strijd
-eindelijk de overhand verkrijgt en dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder
-tijd, den waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den ebstand
-doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig zijn. De meest merkwaardige
-„prororoca” wordt in de monding van de Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt
-het verschijnsel bij springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de
-Rokan, de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de Zuidkust
-van Java.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11366src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11375">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11375src">3</a></span> <i>Nipah-bladeren</i> zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens professor <span class="sc">W.&nbsp;R.&nbsp;A. Suringar</span> een zonderlinge dwergpalm met zeer korten stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet
-lange vederbladeren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11375src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11382">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11382src">4</a></span> <i>Poeloepoe.</i> Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte doorgespleten en platgeslagen.
-Zij vormt dan eene soort lenige plank.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11382src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11386">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11386src">5</a></span> <i>Loentas</i> is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza indica geheeten. Het leent
-zich bizonder tot het daarstellen van fraaie heggen en heeft zeer welriekende bladeren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11386src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11397">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11397src">6</a></span> <i>Nonna</i> beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds aan meisjes gegeven van
-blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is dat nonna evenwel in de beteekenis
-opgenomen van meisje van gemengd ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter
-van ouders, waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras
-behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11397src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11461">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11461src">7</a></span> <i>Boreh</i> is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma officinalis, hetwelk veelvuldig
-door Javaansche vrouwen gebruikt wordt, om zich de huid bij feestelijke gelegenheden
-te <span class="corr" id="xd30e11464" title="Bron: verwen">verven</span>. Hier werd het door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint
-te verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder van de Koenir
-poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie bruine kleur oplevert.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11461src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11513">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11513src">8</a></span> <i>Kain Poleng</i> is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens <span class="pageNum" id="pb2.189n">[<a href="#pb2.189n">189</a>]</span>geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een tegenhanger van de
-„kain batik”, waarbij de figuren later op het witte goed gebracht werden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11513src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11577">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11577src">9</a></span> <i>Njoganni</i> (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan; Mengkoedoe (bruine verf) wordt
-voornamelijk getrokken uit de bast van de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf)
-Curcuma longa.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11577src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11586">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11586src">10</a></span> <i lang="ms">Aboe kesambi.</i> <span lang="ms">Aboe</span> beteekent asch. <span lang="ms">Kesambi</span> is een boom, die door de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch
-wordt door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der tinten zacht,
-minder scherp te maken.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11586src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e949">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXVI.</h2>
-<h2 class="main">Lim Ho’s huwelijk.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal speelt, was geheel
-Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het was toch de vastgestelde huwelijksdag
-van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, den zoon van den millionair
-Lim Yang Bing, met de lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh,
-wellicht van geheel <span class="corr" id="xd30e11610" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span>, de eenige dochter van den schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles
-handel gedreven had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht,
-geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat.
-</p>
-<p>Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te Santjoemeh, en de
-samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de algemeene belangstelling opwekken.
-Daarenboven, een dergelijk Chineesch huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald
-werd van de pracht, die bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten
-toon gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een sprookje uit
-de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier verstaan moet worden als <i lang="fr">tout Paris</i> bij dergelijke gelegenheden, had dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart
-machtig te worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah
-Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van mevrouw Greenhoed,
-dames die over het algemeen <span class="pageNum" id="pb2.194">[<a href="#pb2.194">194</a>]</span>met hare glimlachjes, vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen,
-omdat vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het bediendepersoneel
-van Lim Yang Bing hadden, en zoo een uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er
-werd zelfs verhaald, dat eene nonna<a class="noteRef" id="xd30e11620src" href="#xd30e11620">1</a> een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer die hare ouders zoo’n kaart
-bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling
-niet willen aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de eindafrekening
-niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij gefluisterd, dat de onderhandelingen
-lang, zeer lang geduurd hadden, en dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen
-had, om het lieve meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen berichten,
-en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk gesteld had. Als het waar
-was, dan had die nonna de zoo innig verlangde kaart met menigen zoen betaald.
-</p>
-<p>Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van opgewondenheid.
-En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het gebeurde met Lim Ho en baboe
-Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde niet, en deed niemand te huis blijven. De
-meest kitteloorige gewetens werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene
-vervolging plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied, dan
-zal het wel zoo erg niet geweest zijn<span class="corr" id="xd30e11626" title="Niet in bron">.</span> Er waren er zelfs, die stipt aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden,
-en den Chinees omtrent zijn <i lang="fr">bonne fortune</i> benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi!
-</p>
-<p>Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen. Integendeel!
-</p>
-<p>Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een optocht naar
-den Chineeschen tempel.
-</p>
-<p>Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen,<a class="noteRef" id="xd30e11635src" href="#xd30e11635">2</a> had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má<span class="corr" id="xd30e11644" title="Bron: ’"> </span>Tsów Pô<a class="noteRef" id="xd30e11647src" href="#xd30e11647">3</a> die <span class="pageNum" id="pb2.195">[<a href="#pb2.195">195</a>]</span>beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden te laten afsmeeken.
-</p>
-<p>Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet gevormd voor het
-huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke door de stad trokken, voorafgegaan
-eerst door een talrijk korps Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten,
-geaccompagneerd door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen,
-polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil van de onwelluidendheid
-hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer
-die hen had kunnen hooren. Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne
-krassende, eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne valschklinkende
-en krijschende blaasinstrumenten met het eerste afwisseling hield, en een mengelmoes
-van tonen te berde bracht, die alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden,
-maar toch het vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven.
-</p>
-<p>De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers, terwijl hij ter weerszijden
-door een achttal „lolleng’s” (papieren lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai
-getemperd licht hoog op rood beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke
-vormen, aan het geheel een echt Chineesch relief verleenden.
-</p>
-<p>De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see” genoemd worden,
-wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort nangkin jasje, dat slechts
-tot aan den knie reikte, en waaronder de bloote beenen en voeten uitstaken.<a class="noteRef" id="xd30e11665src" href="#xd30e11665">4</a> Op het hoofd droegen zij kegelvormige hoeden met opliggende roode <span class="pageNum" id="pb2.196">[<a href="#pb2.196">196</a>]</span>franjes versierd. Ieder hunner hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring,
-waarin kleine stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren,
-en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten.
-</p>
-<p>In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van Má Tsów Pô,
-dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op het hoofd, als zinnebeeld
-van hare waardigheid van Koningin des Hemels, murmelden, zongen, en prevelden op de
-maat gebeden en bezweringen, terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen
-dat zoo omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder begeleiding
-van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den heenmarsch te zaam gedrongen
-had.
-</p>
-<p>Maar den volgenden dag was de groote feestdag.
-</p>
-<p>Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om de genoodigden
-uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af te halen. Toen het tien uren
-sloeg, was de élite van de ingezetenen van de residentie in de binnengalerij van de
-woning van Lim Yang Bing vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot
-tenue, òf zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door
-jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht rozenkleurige rozen.
-Naarmate de gasten verschenen, werden bij den ingang „mertjons”<a class="noteRef" id="xd30e11676src" href="#xd30e11676">5</a> afgestoken, en dat in grooter aantal naar gelang de binnentredende een hooger standpunt
-in de maatschappij innam. Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd
-een evenredig grooter aantal <span class="pageNum" id="pb2.197">[<a href="#pb2.197">197</a>]</span>rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk soms zoodanig, dat hooren en
-zien verging.
-</p>
-<p>Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die plechtstatig
-door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid werden; terwijl intusschen
-buiten een geknetter en gedonder weergalmde alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest
-springen. Bij die gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken) afgevuurd,
-en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan Lim Yang Bing verzekerden
-dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van Krakatoea kinderspel was geweest.
-</p>
-<p>Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de „Shan Sao” (booze
-geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot vreugdebewijs op dezen heugelijken
-dag te dienen.
-</p>
-<p>Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps muzikanten en
-door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd hadden, een lange stoet van
-vrienden en bekenden van den bruidegom voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders
-te gaan afhalen.
-</p>
-<p>Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als door den kapitein
-der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren luitenants dier natie heel galant
-als ceremoniemeesters dienden. Allen beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen
-te doen voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen vernomen
-te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde, en bruiste het heerlijke
-vocht, dat in groote zilveren kommen in een ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen
-kristallen kelken. Der dames werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden.
-</p>
-<p>Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden bewogen zich ongedwongen
-door de ruime binnengalerij, die reeds in gewone omstandigheden prachtig mocht heeten,
-maar thans voor deze plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken,
-als draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar verguld,
-en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het huiselijk leven in China voor.
-<span class="pageNum" id="pb2.198">[<a href="#pb2.198">198</a>]</span>De omwanding was zacht rozenrood<a class="noteRef" id="xd30e11690src" href="#xd30e11690">6</a> genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond, bedekt was
-met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd. Aan het uiteinde der galerij
-bevond zich het altaar van den Tao Peh Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl
-groote strooken van roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden
-daarvan prijkten.
-</p>
-<p>„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent toch dat gekrabbel
-op die roode lappen?”
-</p>
-<p>„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de Chinees galant.
-</p>
-<p>„Maar, wat beteekenen zij?”
-</p>
-<p>„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen over deze woning.”
-</p>
-<p>„En de anderen?”
-</p>
-<p>„Dat zijn de vijf zegeningen.”
-</p>
-<p>„En die zijn?”
-</p>
-<p>„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een einde, dat het
-leven kroont.”
-</p>
-<p>„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat zijn die mooi!”
-sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele lantaarns wees, die aan de zoldering
-en aan de balken der galerij hingen.
-</p>
-<p>Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven koper in Chineeschen
-stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer fijn geslepen waren.
-</p>
-<p>„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van zelfvoldoening.
-„Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?”
-</p>
-<p>„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?”
-</p>
-<p>De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om zijne lippen.
-</p>
-<p>„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze kunstwerken meer waardeerdet.”
-</p>
-<p>„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw.
-<span class="pageNum" id="pb2.199">[<a href="#pb2.199">199</a>]</span></p>
-<p>„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met de vracht en
-inkomende rechten …”
-</p>
-<p>„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende.
-</p>
-<p>„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien. Wil njonja.…?”
-</p>
-<p>„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?”
-</p>
-<p>„Bijna vierhonderd gulden, njonja.”
-</p>
-<p>„En daar hangen er een dertigtal meen ik?”
-</p>
-<p>„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.”
-</p>
-<p>„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor tienduizend
-guldens aan lantaarns!”
-</p>
-<p>Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s genoot hij dubbel,
-wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der kostbaarheden, die hij uitstalde.
-</p>
-<p>„En zie eens die „how-iâ’s.””
-</p>
-<p>De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer, die ineengedoken
-op een voetstuk van zwart marmer voor de twee hoofdpilaren der galerij voor het altaar
-zaten.
-</p>
-<p>„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn. Is het niet?”
-</p>
-<p>„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.”
-</p>
-<p>„Maar, babah.”
-</p>
-<p>„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien haan daar op
-het altaar?”
-</p>
-<p>„Ja, babah; die is prachtig gesneden.”
-</p>
-<p>„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd gulden.”
-</p>
-<p>„Maar, gij moet rijk zijn, babah.”
-</p>
-<p>„Och zoo,…” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn bescheidenheid. „Weet
-gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van heden avond kosten?”
-</p>
-<p>„Neen, babah, zeg op.”
-</p>
-<p>„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.”
-</p>
-<p>„Gij moet zeer rijk zijn, babah<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” vleide de residentsvrouw.
-</p>
-<p>„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet, hoeveel ik mijn
-zoon medegeef, njonja?”
-</p>
-<p>„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij, babah.”
-<span class="pageNum" id="pb2.200">[<a href="#pb2.200">200</a>]</span></p>
-<p>„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot.
-</p>
-<p>„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet ontzettend rijk
-zijn, babah Lim Yang Bing!”
-</p>
-<p>„Toch niet zoo erg, njonja.”
-</p>
-<p>„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?”
-</p>
-<p>De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een weinig.
-</p>
-<p>„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?”
-</p>
-<p>Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn binnenste zijne praalzucht
-en snoeverij.
-</p>
-<p>„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone Laurentia, die het
-ijzer smeedde, terwijl het heet was.
-</p>
-<p>„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken.
-</p>
-<p>„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit loopende jaar,
-nietwaar?”
-</p>
-<p>„Ja, njonja.”
-</p>
-<p>„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand plaats hebben,
-is zoo niet?”
-</p>
-<p>„Ja, njonja.”
-</p>
-<p>„Zijt gij van plan mede te bieden?”
-</p>
-<p>„Ik denk het wel, njonja …”
-</p>
-<p>„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja …” herhaalde Laurentia op kluchtigen
-toon. „Maar … shut! men beluistert ons.… Wat beteekenen die letters op die lollengs,
-babah?”
-</p>
-<p>Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar eigen, giegelenden,
-luchthartigen toon gesproken.
-</p>
-<p>„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.”
-</p>
-<p>„En op die daar?”
-</p>
-<p>„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de vermeende luisteraars.
-</p>
-<p>„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt het met die
-pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger zult hebben.”
-<span class="pageNum" id="pb2.201">[<a href="#pb2.201">201</a>]</span></p>
-<p>„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift.
-</p>
-<p>„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van <span class="corr" id="xd30e11776" title="Bron: So o">Solo</span>.”
-</p>
-<p>„Die!” mompelde de Chinees onthutst.
-</p>
-<p>„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij
-hem strak aankeek.
-</p>
-<p>Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast de schoone
-vrouw voort.
-</p>
-<p>„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met iets schampers
-in hare stem op.
-</p>
-<p>„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij.
-</p>
-<p>„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht innen.”
-</p>
-<p>„Ho, ho!” grinnikte de Chinees.
-</p>
-<p>„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens twintig ton
-moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het monopolie.”
-</p>
-<p>„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat zou ik wel
-eens willen zien!… Maar een verhoogde pachtschat is onmogelijk,” voegde hij er nadenkend
-bij.… „Thans kost het moeite, om zonder verlies te werken.”
-</p>
-<p>„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede<a class="noteRef" id="xd30e11791src" href="#xd30e11791">7</a>!” merkte Laurentia spottend op.
-<span class="pageNum" id="pb2.202">[<a href="#pb2.202">202</a>]</span></p>
-<p>„Ja,…” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet gehoord, „werd
-het aantal kitten in de residentie vermeerderd … dan …”
-</p>
-<p>„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er thans? Dat is
-mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?”
-</p>
-<p>De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en scheen in berekeningen
-verdiept te zijn.
-</p>
-<p>„Minstens tien,” antwoordde hij.
-</p>
-<p>„Dat is veel;… maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract opgenomen worden,
-zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?”
-</p>
-<p>Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling daar nog iets
-bij te voegen.
-</p>
-<p>De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan den ingang
-van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan moest, zooveel mertjons
-werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche muzikanten, die den stoet vergezelden,
-eene krijschende cacophonie deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte
-proef stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was, dan moest
-die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was zelfs geen Shan Sao
-bestand.
-</p>
-<p>Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat en zedig in
-haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose sjerpen om de slanke middels,
-te voorschijn getreden, om de bruid te verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems
-en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden.<a class="noteRef" id="xd30e11822src" href="#xd30e11822">8</a> Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de <span class="pageNum" id="pb2.203">[<a href="#pb2.203">203</a>]</span>lieve Ngow Ming Nio de hand te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden.
-Op die tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep van
-hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh”<a class="noteRef" id="xd30e11830src" href="#xd30e11830">9</a> niet ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig opengesneden,
-dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten blootlagen, als zinnebeeld van
-het groot aantal kinderen, dat men het jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een
-groot aantal „kaam” (oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des
-levens, die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan elkander
-gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en toch onverbreekbare
-eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige stekken van „koaka” (suikerriet),
-als zinnebeeld van het huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop,
-van geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt.
-</p>
-<p>De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow Ming Nio<a class="noteRef" id="xd30e11836src" href="#xd30e11836">10</a>. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal nedergezet. Beide bekers waren
-met wijn gevuld, en door middel van een rooden zijden draad aan elkander verbonden.
-Bruid en bruidegom dronken tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden
-daarop van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet brak, en
-ledigden nu de bekers geheel en al.
-</p>
-<p>„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de huwelijksplechtigheid
-bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal
-<span class="pageNum" id="pb2.204">[<a href="#pb2.204">204</a>]</span>anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim Ho is dat niets; maar dat lieve kind.…”
-</p>
-<p>„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg Grenits ondeugend.
-</p>
-<p>„Shut!…” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de nabijheid.
-</p>
-<p>„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner.
-</p>
-<p>„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene.
-</p>
-<p>„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?”
-</p>
-<p>De Chinees lachte schalks.
-</p>
-<p>„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend.
-</p>
-<p>De omstanders proestten het uit.
-</p>
-<p>„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,”<a class="noteRef" id="xd30e11855src" href="#xd30e11855">11</a> zei Grenits, die in de algemeene hilariteit deelde.
-</p>
-<p>„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten.
-</p>
-<p>De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone Laurentia was diep
-verontwaardigd over de stoornis der bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den
-grond willen kruipen tegenover die toornige blikken.
-</p>
-<p>„Shut!… Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te zamen.
-</p>
-<p>Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der bruid, hief die
-ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen elkander bogen.
-</p>
-<p>„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits.
-</p>
-<p>„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden knikkend.
-</p>
-<p>„Shut!” klonk het alweer.
-</p>
-<p>„Millioenen, die voortspruiten uit … Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor fluisterend, maar
-uitdagend.
-</p>
-<p>Onze advocaat boog verlegen het hoofd.
-</p>
-<p>„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.”
-</p>
-<p>„Shut!”
-</p>
-<p>De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen.
-<span class="pageNum" id="pb2.205">[<a href="#pb2.205">205</a>]</span></p>
-<p>Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter dikte van eene
-groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd, gevuld waren.
-</p>
-<p>„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis.
-</p>
-<p>„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden.
-</p>
-<p>„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat „obat” (medicijn)?”
-</p>
-<p>„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den Jang voor, het
-mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur …”<a class="noteRef" id="xd30e11892src" href="#xd30e11892">12</a>
-</p>
-<p>„Shut!” klonk het allerwegen.
-</p>
-<p>Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit balletje, lieten
-dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander. Daarna werden de schotels omgeruild
-en de ceremonie herhaald, waarmede, in verband met de beduiding daarvan op het dualisme
-der natuur, de bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken,
-en de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het eene stel millioenen
-aan het andere! Of er bij het voltrekken der plechtigheid door den bruidegom eene
-enkele gedachte aan zijn slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd?
-</p>
-<p>Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop twee balletjes,
-bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van haren echtgenoot, en noodigde
-hem met verlokkenden lonk tot eten. Die daad was de betuiging der jonge vrouw, dat
-zij gereed was om alle lasten van het innerlijke huishouden te torsen. <span class="pageNum" id="pb2.206">[<a href="#pb2.206">206</a>]</span>Een der oudste familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche
-woorden.
-</p>
-<p>„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen berichtgever.
-</p>
-<p>„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king, uit het Boek
-der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.<a class="noteRef" id="xd30e11911src" href="#xd30e11911">13</a><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Maar, wat beteekent die aanhaling?”
-</p>
-<p>„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De perzikboom is jong
-en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze jonge vrouw gaat naar haar toekomstig
-huis, en zal uitmuntend hare huiselijke zaken regelen.””
-</p>
-<p>Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had, negen beiden andermaal
-zeer diep voor elkander, en was de huwelijksplechtigheid afgeloopen.
-</p>
-<p>Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de kanonnetjes
-weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen mertjons, daar joedelde de kapel
-der Santjoemehsche schutterij, die ook verschenen was om het feest op te luisteren,
-hare vroolijkste deuntjes, daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst
-en veroorzaakten dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag
-zoo een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen verondersteld
-konden worden met buffelleder te zijn gevoerd.
-</p>
-<p>Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh Kong, staken
-eerst een paar geurige offerstokjes<a class="noteRef" id="xd30e11928src" href="#xd30e11928">14</a> aan, bogen toen voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes
-in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met welriekende
-asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod, keerden zich de jonggetrouwden
-om, ten einde de gelukwenschen der aanwezigen te ontvangen.
-<span class="pageNum" id="pb2.207">[<a href="#pb2.207">207</a>]</span></p>
-<p>Dit gedeelte van het <span class="corr" id="xd30e11935" title="Bron: ceremonieel">ceremoniëel</span> was niet nationaal. Bij Chineesche huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben,
-begeven de jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne vertrekken.
-Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten, en onthielden de Chineezen
-zich dan ook, aan die felicitatiën deel te nemen; maar beijverden de meeste hunner
-zich om eene verdubbeling van vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen
-te verdrijven.
-</p>
-<p>De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm, openden den optocht
-van Europeanen, die zich daar voor de saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want,
-al was de bruid ook al lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige
-vent” genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die plechtigheid bij
-te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te jonge dagteekening. Maar, nu
-twee millioenen van den eenen kant met twee millioenen van den anderen kant verbonden
-werden, nu het de zoon van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu
-verdrong zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar, om
-het hare oprechte heilwenschen aan te bieden.
-</p>
-<p>Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te hebben, hen met
-een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken. Gelukkig voor de jonggehuwden,
-dat zij de Hollandsche scheepstermen, die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen
-kon, niet verstonden; gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia
-haren echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog aanmaande.
-De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen een einde, en nu was het
-een handjes-drukken, een gefleem, een geteem, zoowel ten opzichte van de rijke ouders
-der jonggehuwden als tegenover dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van
-walging moest beklemmen.
-</p>
-<p>Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch Theodoor Grenits,
-noch August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, noch Leendert Grashuis, noch Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de jonggehuwden te wisselen. Zij
-hadden van het algemeen gedrang <span class="pageNum" id="pb2.208">[<a href="#pb2.208">208</a>]</span>gebruik gemaakt om naar buiten te treden. Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool was zelfs in het geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen
-overwinnen, dien hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de bizonderheden
-der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij voorkomende gelegenheid zoo’n
-ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het dan ook op bescheidener voet gevierd worden.
-</p>
-<p>Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de ommegang der
-feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de champagnekurken knalden,
-alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid wilden aangaan met de buiten steeds knetterende
-mertjons. Weldra stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met
-een beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de luidruchtige
-toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> (violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te voorschijn
-roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de slangstukjes en mertjons losbrandden,
-alsof het de bestorming eener vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden
-van dat ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het menu zorgvuldig
-door een Franschen <i lang="fr">maître d’hôtel</i> was opgemaakt Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte Chineesche
-gerechten voorgekomen waren, als <i lang="fr">Potage Kiemlo à la Tartare, Potage Printanier à l’ail</i>,<a class="noteRef" id="xd30e11968src" href="#xd30e11968">15</a> <i lang="fr">Croquettes aux oreilles de rats</i>,<a class="noteRef" id="xd30e11978src" href="#xd30e11978">16</a> <i lang="fr">Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang</i>,<a class="noteRef" id="xd30e11987src" href="#xd30e11987">17</a> enz., enz.
-</p>
-<p>De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een <span class="pageNum" id="pb2.209">[<a href="#pb2.209">209</a>]</span>luisterrijken dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche officieren,
-waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen zulke trouwe en nuttige
-onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk
-Bestuur drukte op dat woord <i>nuttig</i> en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van toejuichingen. Die laatste
-toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing, die een dronk aan mevrouw en den heer Van
-Gulpendam wijdde, daarbij Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar
-echtpaar en den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en
-der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die edelaardige menschen
-nog lang aan het hoofd der residentie te zien.
-</p>
-<p>Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat de muren en
-zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden ongevallen plaats gegrepen bij
-de daverende toejuichingen, die met het geweld van een orkaan losbarstten. De grond
-schudde letterlijk onder de voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van
-het geschut en van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte
-door het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige hand gelicht
-werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift werden de woorden van den
-rijken opiumpachter begroet!
-</p>
-<p>Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh bijgewoond werd.
-Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken,
-waarbij onze gestaarte broeders het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de
-pyrotechnie boven de Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij
-voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste paren het
-dansterrein.
-</p>
-<p>„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de resident een paar
-dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis heeft gerookt!”
-</p>
-<p>„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach van voldane
-ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig geld gekost. Er is alleen
-<span class="pageNum" id="pb2.210">[<a href="#pb2.210">210</a>]</span>aan champagne voor tweeduizend gulden gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd
-gulden. Het vuurwerk, dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.”
-</p>
-<p>De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling.
-<span class="pageNum" id="pb2.211">[<a href="#pb2.211">211</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e11620">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11620src">1</a></span> <i>Nonna</i> hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11620src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11635">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11635src">2</a></span> <i>De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen.</i> Zie deswege bladz. 586 van <i>de jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen</i>, door Dr. <span class="sc">J.&nbsp;J.&nbsp;M. de Groot</span>.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11635src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11647">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11647src">3</a></span> <i>Má Tsów Pô</i> kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. <span class="pageNum" id="pb2.195n">[<a href="#pb2.195n">195</a>]</span>Dat is een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie in de
-laatste helft der X<sup>de</sup> eeuw tot godin verheven werd, onder den titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid.
-Dr. <span class="sc">de Groot</span> vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg. van het hier
-in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald werk. Má Tsów Pô is de beschermster
-van jonge huwelijken en staat als godin der vruchtbaarheid in groot aanzien.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11647src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11665">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11665src">4</a></span> <i>Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken.</i> Daarom worden zij ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt
-vereischte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11665src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11676">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11676src">5</a></span> <i>Mertjons</i> zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht ineengerold papier, die met kruit
-zijn geladen. In ieder kokertje zit een lontje, dat met een lange algemeene lont is
-saamgevlochten. Een ris mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes.
-Zoo een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der feestvierenden opgehangen
-en het benedeneinde van de lont aangestoken. Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens
-de lontjes der kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid veroorzaakt,
-alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde soldaten vernomen wordt. Van
-afstand tot afstand worden soms grootere en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan
-ook een veel zwaarderen slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen
-het geknetter van het geweervuur laat vernemen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11676src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11690">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11690src">6</a></span> <i>Rozenrood.</i> Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur genuanceerd. De persikbloesem is
-het emblema van geluk bij de Chineezen in den echtelijken staat.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11690src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11791">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11791src">7</a></span> <i>En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede!</i> Het zij ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der Indische
-dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede te deelen: „<span class="sc">Cijfers en feiten</span>. Een paar weken geleden zonden „de Heer en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en
-Mevrouw” Liem Liong Kien communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den
-broeder der eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der laatstgenoemden,
-de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de mededeeling, dat de receptie zou
-plaats hebben ten huize van den WelEd. Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir.
-</p>
-<p class="footnote cont">„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang Nio—ach! thans
-geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft
-volgens de Chineesche kerk ƒ&nbsp;14000 opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom
-brengt <i>twee millioen</i>, volgens anderen <i>vier millioen</i> mee ten huwelijk.
-</p>
-<p class="footnote cont">„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie jaren tijd,
-zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt natuurlijk niet <i>hoe</i>. Men vraagt ook niet in <span class="pageNum" id="pb2.202n">[<a href="#pb2.202n">202</a>]</span>welk een poel van corruptie en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij
-trachtten daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig bewijsmiddel,
-waarschijnlijk slecht vergaan.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11791src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11822">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11822src">8</a></span> <i>Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout
-gesneden, aan te bieden.</i> De perzikboom is bij de Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid.
-De perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een schrikbeeld
-voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der zon en als zoodanig ook
-een afweerder van spoken en kwade invloeden. Het aanbieden van een krans van perzikbloesem
-op Java moge onwaarschijnlijk voorkomen, maar men <span class="pageNum" id="pb2.203n">[<a href="#pb2.203n">203</a>]</span>verlieze niet uit het oog, dat de perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche
-gebergte veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te koop
-aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen van den Merbaboe
-en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de vruchten op den passar van Salatiga
-te koop aangeboden gezien.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11822src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11830">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11830src">9</a></span> <i>Kiemlo en bahmieh.</i> Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep, van varkensspek gekookt. Bahmieh is
-ook een vet kostje, maar waarbij het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes
-gesneden, te midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een
-hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en bahmieh worden
-zelfs door Europeesche dames niet versmaad.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11830src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11836">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11836src">10</a></span> <i>Lim Ho links van Ngow Ming Nio.</i> De linksche kant is bij de Chineezen de eereplaats.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11836src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11855">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11855src">11</a></span> <i>Het huwelijk bewijnen.</i> Zie omtrent die plechtigheid de reeds vroeger aangehaalde <i>Jaarlijksche feesten en gebruiken enz<span class="corr" id="xd30e11860" title="Bron: ,">.</span></i> van Dr. <span class="sc">J.&nbsp;J.&nbsp;M. de Groot</span> op bladz. 68.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11855src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11892">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11892src">12</a></span> <i>De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel en de witte de Jin
-of het vrouwelijk beginsel der natuur voor.</i> Volgens de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of het
-Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en Jin of het mannelijk
-en het vrouwelijk principe geboren, die de beide regelaars der natuur genoemd worden.
-De Hemel, de vader van het Heelal vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die
-door hem met warmte en regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd
-met Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in één woord,
-alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die twee principes teruggebracht.
-(Zie <span class="sc">de Groot’s</span> <i>Feesten en gebruiken</i> op bladz. 45.)&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11892src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11911">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11911src">13</a></span> <i>Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.</i> Volgens Dr. <span class="sc">J.&nbsp;J.&nbsp;M. de Groot</span> dagteekent de ode, waarin de in den tekst bedoelde woorden voorkomen, van uit de
-XI<sup>de</sup> eeuw vóór Christus.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11911src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11928">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11928src">14</a></span> <i>Offerstokjes.</i> Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van wierook en asch van sandelhout
-vervaardigd. Die welriekende staafjes worden op dunne stokjes bevestigd.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11928src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11968">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11968src">15</a></span> <i lang="fr"><span class="corr" id="xd30e11970" title="Bron: A">À</span> l’ail.</i> De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11968src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11978">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11978src">16</a></span> <i lang="fr">Oreilles de rats.</i> In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren) geheeten. Dat is een soort champignon,
-die den vorm van de ooren van die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen,
-als zouden de Chineezen rattenooren verorberen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11978src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e11987">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11987src">17</a></span> <i>Tripang</i> is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat gedroogd en gerookt den
-Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De soort, die daartoe gewild is, wordt
-door de geleerden Holothuria edulis genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche
-eilanden gevangen en veelvuldig in den handel gebracht.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e11987src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e958">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXVII.</h2>
-<h2 class="main">Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen alledaagsche zaak,
-dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van Santjoemeh trouwde met de dochter
-van een niet minder rijken emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling
-van zoovele millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de grootste
-belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan.
-</p>
-<p>Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat niet allen behoefte
-gevoeld hadden de receptie met hunne tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden
-ook enkelen, zooals Van Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne
-weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche huwelijksplechtigheid
-te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te halen geweest bij het diner aan te zitten
-of de danspartij bij te wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de
-Europeesche bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van
-Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool bij elkander
-te komen, om gezellig dien avond door te brengen.
-</p>
-<p>Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen rechter nog
-in zijn studeervertrek onder de kap eener groote astraallamp over zijne schrijftafel
-gebogen.
-<span class="pageNum" id="pb2.212">[<a href="#pb2.212">212</a>]</span></p>
-<p>„Nog aan den arbeid?” vroeg de een.
-</p>
-<p>„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere.
-</p>
-<p>„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde.
-</p>
-<p>„In de ornithologie zou Karel onder de „<span lang="la">rari aves</span>” (zeldzame vogels) gesorteerd worden!” riep August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert?
-Hoort ze daar ginds eens toeteren en spektakel maken.”
-</p>
-<p>En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der residentie’s
-hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter der fanfares, het geknetter
-der mertjons en het gedonder van het geschut vernomen.
-</p>
-<p>„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits verachtelijk glimlachende
-op.
-</p>
-<p>„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den dag ijverig
-besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan hij wel meende, is het
-in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij den raad van Justitie; toch hield iets
-anders mijne aandacht bezig, toen gij zoo even binnentraadt …”
-</p>
-<p>„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo over zijne schrijftafel
-deed bukken?” vroeg Theodoor.
-</p>
-<p>„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven ontvangen had, en
-die mij de pen heeft doen neerleggen.”
-</p>
-<p>„Van Willem Verstork?”
-</p>
-<p>„Hoe maakt hij het?”
-</p>
-<p>„Is hij welvarend?”
-</p>
-<p>„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?”
-</p>
-<p>Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig uitgesproken. Een ieder
-van dat vijftal droeg den waardigen controleur een goed hart toe.
-</p>
-<p>„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich uitmuntend
-in die militaire wereld daar ginds te schikken.”
-</p>
-<p>„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals hij gewoonlijk
-de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet in zijne plaats te zijn.”
-</p>
-<p>„Wat schrijft hij, Karel?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden.
-<span class="pageNum" id="pb2.213">[<a href="#pb2.213">213</a>]</span></p>
-<p>„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van Nerekool. „Daarenboven
-is het grootste gedeelte gewijd aan mijne particuliere omstandigheden, en treedt hij
-omtrent de ouders van Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet kan mededeelen.
-Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is voorzeker welgemeend; toch
-maakt dat schrijven mij diep neerslachtig, daar mij de klove, die mij van het lieve
-meisje scheidt, al meer en meer onoverkomelijk aangrijnst.… Waar mag zij toch zijn?<span id="xd30e12054"></span> Wist ik dat maar; och, dan was alles nog niet verloren.”
-</p>
-<p>Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den gastheer tot
-weemoed moest stemmen.
-</p>
-<p>„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid niet toe.
-Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken. Daarenboven, wie weet wat de
-toekomst bereidt?”…
-</p>
-<p>„Maar, zij is weg … spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool.
-</p>
-<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet direct op.
-</p>
-<p>„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij.
-</p>
-<p>Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat kan mij dat
-schelen?”
-</p>
-<p>„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur voort, „en
-heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is volgens hem geruimen tijd
-geleden naar Karang Anjer gereisd.…”
-</p>
-<p>„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En wat?.…”
-</p>
-<p>„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.”
-</p>
-<p>„Niets?”
-</p>
-<p>„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.”
-</p>
-<p>Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken.
-</p>
-<p>„Een opflikkering der hoop,…” prevelde hij; „en daarna weer zwarte nacht!”
-</p>
-<p>Allen keken een poos bedrukt voor zich.
-</p>
-<p>„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg Van Beneden,
-die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending wenschte te geven.
-<span class="pageNum" id="pb2.214">[<a href="#pb2.214">214</a>]</span></p>
-<p>„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon. „Kom, laten
-wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het meest wetenswaardige van zijn
-brief mededeelen. Het is hier niets gezellig voor vriendenkout.”
-</p>
-<p>Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat inderdaad met zijne
-folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot vertrouwelijkheid verlokte.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!</span>” (Sabieio, geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En
-toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden:
-</p>
-<p>„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij.
-</p>
-<p>En op de toestemmende beweging zijner gasten:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Sabieio, kassi bier ajam</span>,”<a class="noteRef" id="xd30e12095src" href="#xd30e12095">1</a> vervolgde hij, „<span lang="ms">sama ajer batoe</span>,” (Sabieio, geef haantjesbier met ijs).
-</p>
-<p>Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam Van Nerekool:
-</p>
-<p>„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert:
-</p>
-<p>„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht in den djoerang
-Pringapoes mededeeling deed van een recept van pilletjes om de opium te bestrijden,<a class="noteRef" id="xd30e12107src" href="#xd30e12107">2</a> alsook welk succes ik en anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets
-gesticht over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. Zijne
-woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij onuitwischbaar in
-mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor u,” sprak hij waarschuwend. „De
-minister van Koloniën, die bezig is de opiuminkomsten door alle mogelijke middelen
-zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien.
-Er zijn zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën
-uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die <span class="corr" id="xd30e12117" title="Bron: vcel">veel</span> minder gedaan hadden, dan zulke <span class="pageNum" id="pb2.215">[<a href="#pb2.215">215</a>]</span>pillen aan den man gebracht.” Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst
-mijner <span class="corr" id="xd30e12122" title="Bron: familieden">familieleden</span> een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden bij eenig nadenken slechts
-opnam als eene zwartgallige ontboezeming, geuit ten gevolge van ons gesprek bij den
-maaltijd, dat hoofdzakelijk over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen
-had. Grenits zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel aanduidden;
-want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg niet loopen zou: „maar
-een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen.”
-</p>
-<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat ik deed, verrichtte
-ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene mogelijke belooning. Zulk streven
-heb ik steeds volgaarne aan anderen overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede,
-soms wel het tegendeel daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid
-met die uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond wordt.
-De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo dienstvaardige spierbundels
-in mijne lendenen te hebben, zou mij ongeschikt tot iedere poging daartoe maken.
-</p>
-<p>„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch kon hij noch
-ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en hoe doeltreffend zijne
-voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op het geen volgen gaat.
-</p>
-<p>„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche Secretarie gewerd.
-Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen omtrent sommige civiele kwestiën,
-b. v. inkomende rechten of zoo iets wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur
-niet bemoeielijken wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet
-door tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een geschreven
-stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm eener circulaire, die evenwel
-gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is. Dat document luidde:<a class="noteRef" id="xd30e12131src" href="#xd30e12131">3</a> „Te Batavia is eene <span class="pageNum" id="pb2.216">[<a href="#pb2.216">216</a>]</span>poging ontdekt om pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn.
-Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die pillen moeten worden
-beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen anders dan voor rekening van het
-gouvernement, alsmede de verkoop, anders dan door den pachter, verboden is, behoudens
-de bij Indisch Staatsblad 1872, N<sup>o</sup>. 170 ten behoeve der particuliere apothekers vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr.
-wordt verzocht aan dien last der Regeering stipt de hand te doen houden.”
-</p>
-<p>„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch Bestuur.
-</p>
-<p>„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen aangewend, om
-Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze verslaafdheid aan het heulsap af te
-brengen, en die pogingen waren met een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een
-paar honderdtallen van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne
-ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de heerlijke werking
-van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook met een zestal vermeerderd; en
-ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op die werktuigen van zedelijke verwoesting
-viel, die daar nu als zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen,
-ik een gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken.
-</p>
-<p>„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de regeering wars zoude
-zijn, het hare bij te brengen, om zoovele rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik
-in Indië rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was misleid,
-en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen beschikbaar bij de pachters
-stellen, moest het doel, met dat middel beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een
-uitvoerig stuk op, waarin ik de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook
-door de evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo ook door
-de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de laatstbedoelden legde ik authentieke
-verklaringen deswege over. Ten slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor,
-ten opzichte van de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap <span class="pageNum" id="pb2.217">[<a href="#pb2.217">217</a>]</span>vervaardigd, eene uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken.
-</p>
-<p>„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van mijn hart gevolgd.
-Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik gelooven kon, dat de regeering ook
-maar een klein beetje van hare prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel,
-zou laten varen. Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in
-een tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als de hoogste
-vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten wordt voor de <i>bas-fonds</i>, waarin geschraapt wordt.
-</p>
-<p>„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op mijn welgemeend
-pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, vervat in uw schrijven van den zooveelsten,
-verlangt de regeering niet te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet
-in den laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad in
-andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te zijn, om de schuivers
-het gebruik van opium af te leeren, dienen zij toch inderdaad om hun, die zich, hetzij
-wegens de hooge kosten of om andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen
-voorzien, het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen.<a class="noteRef" id="xd30e12152src" href="#xd30e12152">4</a> Bestond er reeds twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart,
-dat gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met een goed
-doel—de verordeningen der regeering omtrent het opium-monopolie te ontduiken, en zoo
-mede te werken tot benadeeling van ’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de
-meeste zekerheid, dat gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd
-hebt. Op de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de regeering
-onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de beweegredenen, die u genoopt hebben
-te handelen, zooals gij deedt, ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat
-uwe <span class="corr" id="xd30e12156" title="Bron: famillie-verhoudingen">familie-verhoudingen</span> mij hebben <span class="pageNum" id="pb2.218">[<a href="#pb2.218">218</a>]</span>doen terugdeinzen, zou ik u als onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur,
-voor ontslag hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen
-ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te rapporteeren. Gij
-moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding noodig heeft, dan het gehoor geven
-aan ziekelijke philantropische opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van
-ontevredenheid, gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt …”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-</p>
-<p>„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield met lezen.
-„En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n edelaardig karakter als onze
-Willem.”
-</p>
-<p>„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij bederft de beste
-sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen, dat men de middelen weert, die
-bij de bestaande toestanden heil zouden kunnen aanbrengen!”
-</p>
-<p>„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden.
-</p>
-<p>„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te uitsluitend in
-onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet waar kunnen zijn, dat onder
-het mom van genezing aan te brengen, inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd …”
-</p>
-<p>„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe Willem Verstork
-van sluikhandel te verdenken?”
-</p>
-<p>„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis er aan toe.
-</p>
-<p>„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, terwijl hij driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd.
-Zoo iets te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een paal
-boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen onkreukbaar eerlijk
-en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet kunnen aannemen, dat onverlaten, zich
-achter dat geneesmiddel verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist
-te benadeelen?”
-</p>
-<p>„Zoo iets kan wel,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> zei Grenits nadenkend.
-</p>
-<p>„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een zoodanigen
-clandestienen invoer <span class="pageNum" id="pb2.219">[<a href="#pb2.219">219</a>]</span>tegenga? Onder den dekmantel van die pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote
-vlucht kunnen nemen.…”
-</p>
-<p>„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die maar gestijfd
-wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van het opiumverbruik zoo afkeerig
-niet. Integendeel!”
-</p>
-<p>„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent de pillen
-van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk genoeg,” merkte Theodoor
-Grenits op. „Men kon het middel handhaven en beschermen, maar de vervalschingen daarop
-tegengaan.<span id="xd30e12186"></span> Maar, dat wil men blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken,
-die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot verbetering
-te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in den Haag gefemeld en geteemd
-wordt, ten ernstigste tegengegaan worden. Vrienden, gij herinnert u onze discussiën
-nog wel. Valt de uitspraak nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking
-op het arme Indië rust?”
-</p>
-<p>Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas, neen, tegen die
-uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die overtuiging gevestigd.
-</p>
-<p>„Ja, die opium!…” zei August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden met een zucht. „Vrienden,… wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp
-prijs te geven, wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden
-zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares trilt, en de grond
-dreunt door het gedonder van <span class="corr" id="xd30e12195" title="Bron: det">het</span> geschut bij de feestviering van de samenkoppeling <span class="corr" id="xd30e12198" title="Bron: her">der</span> millioenen, uit die bron verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche
-Rijk zijn nu zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet altijd
-zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij zij uiterst vinnig
-tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer dagen van eenige overjarige documenten,
-kwam mij een Kongsie-geschil in handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring
-gunde, waarin zich de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat
-mij u die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op plaatsnamen
-letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om de handelenden, die nog
-leven, te brandmerken, <span class="pageNum" id="pb2.220">[<a href="#pb2.220">220</a>]</span>en dat zult gij, met het oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken.
-Voor den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden van personen
-door N.&nbsp;N. of P.&nbsp;P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen daarenboven iets stuitends
-heeft, zoo zal ik mij veroorloven gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden
-daaraan maar wilt denken.
-</p>
-<p>„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren geleden,—bestond er in eene
-residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die
-wij Hok Bie zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de opiumpacht
-van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij Bengawan zullen heeten. Maar
-ter zelfder tijd had dat pachtperceel Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van
-een jeugdig Chinees,—dien wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de
-millioenen niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval
-was.<span id="xd30e12205"></span>
-</p>
-<p>„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wanneer ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en omkooperijen,
-die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig te worden. Laat het u genoeg
-zijn te weten, dat van weêrszijden alle krachten werden ingespannen, en niet zonder
-reden; want het pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java,
-en telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal opiumkitten, waar
-tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking van het geheele eiland bezit.”
-</p>
-<p>„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen. Zij verwierf
-toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was,<a class="noteRef" id="xd30e12213src" href="#xd30e12213">5</a> dat de soliditeit <span class="pageNum" id="pb2.221">[<a href="#pb2.221">221</a>]</span>der borgen van hare tegenpartij betwijfeld werd, waardoor deze buiten mededinging
-gehouden zoude worden. Tio Siong Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers
-met hunne eigene wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?… Och<span class="corr" id="xd30e12243" title="Bron: .">,</span> dat zult gijlieden wel kunnen gissen.”
-</p>
-<p>„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons als een klontje
-kandijsuiker!”
-</p>
-<p>„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om. Eerst poogde
-zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich failliet zouden verklaren.
-Toen dat niet opging, deed zij den gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen
-gouds, wanneer hij zich terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend
-worden. Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de pacht
-van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op.
-</p>
-<p>„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal mededingers
-geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers
-van de kongsie Hok Bie en Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.<span id="xd30e12250"></span>
-</p>
-<p>„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende stoutmoedigheid
-en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk
-ƒ&nbsp;80,000.…”
-</p>
-<p>„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.… „Maar, dat is niet veel.”
-</p>
-<p>„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden.
-</p>
-<p>„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te Santjoemeh.…”
-</p>
-<p>„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in de rede. „Laat
-u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.”
-</p>
-<p>„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool.
-</p>
-<p>„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en daarmede gemeend
-zijn tegenstander te <span class="pageNum" id="pb2.222">[<a href="#pb2.222">222</a>]</span>overbluffen en te verpletteren; want hij was van zestig op tachtig gesprongen.
-</p>
-<p>„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?”
-</p>
-<p>„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk:
-</p>
-<p>„„<span lang="ms">Dan sareboe!</span>” (nog één duizend)
-</p>
-<p>„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod zijner tegenpartij
-eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden.
-</p>
-<p>„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien laatsten sprong
-had hij de uiterste grens van de strekking zijner volmacht bereikt. Hij mocht niet
-verder.
-</p>
-<p>„„<span lang="ms">Delapan poeloe satoe reboe roepiah!</span>” zei de resident aanmoedigend tot den aarzelende.
-</p>
-<p>„„<span lang="ms">Delapan poeloe satoe reboe roepiah!</span>” herhaalde de secretaris, die voor afslager dienst deed.
-</p>
-<p>„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „<span lang="ms">tiga kali!</span>” (derde maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong Mo
-toegewezen.
-</p>
-<p>„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan pachtschat!<span id="xd30e12290"></span> Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er overtuigd van, dat uit
-het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele te kloppen was. Of hij niet buiten
-den waard rekende?.…
-</p>
-<p>„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot dan ook zich
-te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton ter beschikking, om Tio
-Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar om hem zelfs een plaatsje in ’s lands
-gevangenis te bezorgen. Twee der oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.”
-</p>
-<p>„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij zoo’n concurrentie
-als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte, niet ongelijk aan een jong, vurig
-paard, dat ongeduldig is om vooruit te schieten.
-</p>
-<p>„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner hartstochten of het botvieren hunner
-ijdelheid geldt, dan zijn de Chineezen volstrekt niet gierig.…”
-</p>
-<p>„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te <span class="pageNum" id="pb2.223">[<a href="#pb2.223">223</a>]</span>gooien om een kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis.
-</p>
-<p>„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Anders komen wij er van avond niet.”
-</p>
-<p>„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene opium-geschiedenis mee te deelen
-en nog wat meer.”
-</p>
-<p>„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits.
-</p>
-<p>„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren nog niet verpacht.
-De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op.…”
-</p>
-<p>„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette perceel Bengawan,
-een paar ietwat magerder, dat compenseert.”
-</p>
-<p>„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August onverstoorbaar voort,
-„en besteedde voor die beide perceelen ƒ&nbsp;40,000 ’s maands, hoewel er op de vingeren
-uit te rekenen was, dat bij een dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.”
-</p>
-<p>„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool.
-</p>
-<p>„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te krijgen.”
-</p>
-<p>„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging.
-</p>
-<p>„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden met een glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst
-ten noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet uit. De
-kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De smokkelvaartuigen voeren
-ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali op en neer; de smokkelwaar vond haren
-weg door hare pachtperceelen en binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met
-gesloken opium overstroomd, die tegen acht duiten<a class="noteRef" id="xd30e12321src" href="#xd30e12321">6</a> willig van de hand gezet werd, een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk
-slijten kon. Toch trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon
-met stipt aan <span class="pageNum" id="pb2.224">[<a href="#pb2.224">224</a>]</span>zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat op de gestelde datums
-in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de Europeesche ambtenaren hem steunen
-zouden, tegenover den sluikhandel, die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg
-zijne vertoogen bij de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën
-hadden?.… <i lang="de">Schwamm darüber.…</i> En, mocht hij ook van een enkelen hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de
-mindere opiumbeambten ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al
-op de hand van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, onbeloond
-liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, zoolang Tio Siong Mo geld
-had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, het was ook hier: waar steeds veel van
-afgaat en schier niets bijkomt, daar is het einde slechts een <span class="corr" id="xd30e12330" title="Bron: questie">quaestie</span> van tijd. In de tweede helft van het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij
-kon onmogelijk zijne onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s
-lands kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het wichtig oogenblik
-naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne bezittingen omgesprongen hadden,
-dat zij niets dan schulden achterlieten.
-</p>
-<p>„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de Directeur van
-<span class="corr" id="xd30e12335" title="Bron: Finaneiën">Financiën</span>, en liet uit naam van diezelfde regeering, die door doeltreffende maatregelen, zoowel
-in haar als in des pachters belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust
-van Java geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had, den
-armen Tio Siong <span class="corr" id="xd30e12338" title="Bron: Mio">Mo</span> in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang zuchtte, en waaruit hij eerst kort
-geleden, toen men zag, dat die gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op
-het gebied van belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de
-haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze épisode, dat zij
-die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen zijn.”
-</p>
-<p>„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?” vroeg Van Rheijn
-nieuwsgierig.
-</p>
-<p>„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo binnenstijds herverpacht
-worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn, blijkt niet uit de stukken; wel <span class="pageNum" id="pb2.225">[<a href="#pb2.225">225</a>]</span>uit eene teemende jeremiade van den Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters
-tot groote gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij die
-herverpachting slechts ƒ&nbsp;41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve de achterstallige
-tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk nadeel van veertigduizend gulden
-’s maands had.”
-</p>
-<p>„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met alle pachtperceelen
-gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden worden, om aan dat opiumverbruik een
-einde te maken!”
-</p>
-<p>„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen langs de noordkust?”
-vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van aspirant-controleur het naadje van de kous
-wilde weten.
-</p>
-<p>„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies op. Toen het
-doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene bevriende kongsie, natuurlijk
-tegen groot verlies over. Hok Bie wilde er niets meer van weten.…”
-</p>
-<p>„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis.
-</p>
-<p>„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij ook de opiumpacht
-bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik verleent.”
-</p>
-<p>„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der Nederlanders!”
-</p>
-<p>„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke lauwheid der
-natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd opgevoerd worden!”
-<span class="pageNum" id="pb2.226">[<a href="#pb2.226">226</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e12095">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12095src">1</a></span> <i>Bier ajam</i> beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van de firma Rendorp, dat te recht
-eene gunstige vermaardheid in Indië verworven heeft.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12095src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12107">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12107src">2</a></span> <i>Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden.</i> Zie des wege bladz. <a href="#pb298">298</a>–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking <a href="#n298.2">No. 2</a> aan de voet van de eerst aangehaalde bladz.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12107src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12131">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12131src">3</a></span> <i>Dat document luidde.</i> De twee volgende volzinnen in den tekst zijn letterlijk overgenomen uit het Koloniaal
-verslag van 1884, bladz. 145. De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied
-de officiëele litteratuur niet zielverheffend is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12131src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12152">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12152src">4</a></span> <i>Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen.</i> De volzin, waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te
-vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12152src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12213">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12213src">5</a></span> <i>Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was.</i> De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats van het betrokken pachtperceel
-plaats. Art. 4 van de <i>Voorwaarden, waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en Madura
-zal worden verpacht</i> (<i>Ordonn. dd. 7 Aug. 1883<span class="corr" id="xd30e12221" title="Bron: )">,</span> Stbl. No. 197</i>), luidt:
-</p>
-<p class="footnote cont">„De verpachting wordt gehouden:
-</p>
-<p class="footnote cont">„<i>a</i>) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident van Batavia, ter
-hoofdplaats Batavia;
-</p>
-<p class="footnote cont">„<i>b</i>) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen <span class="pageNum" id="pb2.221n">[<a href="#pb2.221n">221</a>]</span>en Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn gewest betreft,
-ter hoofdplaats Semarang;
-</p>
-<p class="footnote cont">„<i>c</i>) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van Gewestelijk
-Bestuur.”&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12213src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12321">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12321src">6</a></span> <i>Acht duiten</i> zijn gelijk aan ƒ&nbsp;0,0666. In de binnenlanden van Java zijn nog vele duiten in omloop
-en in vele gevallen door de bevolking meer gewild dan de centen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12321src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e967">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XXXVIII.</h2>
-<h2 class="main">De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren harde waarheden
-voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken hadden; maar het waren waarheden,
-die niet weg te cijferen of weg te redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar
-op hunne „karossi gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne manilla-sigaren
-ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een verdubbeld gebulder van het geschut
-vernomen werd, en een verdubbeld geknetter der mertjons, schier verdoofd door een
-uitbundig gejuich, hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde,
-en door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op het vuurwerk
-te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel was waarschijnlijk veroorzaakt
-door den toast van Lim Yang Bing op den resident Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich aan zijne zwaarmoedige
-gedachten ontwringende, die door het verhaal van Van Beneden niet verdrongen waren.
-</p>
-<p>Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat evenwel ook
-weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn het gesprek.
-</p>
-<p>„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio Siong Mo geene
-medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat die integendeel geheel <span class="pageNum" id="pb2.227">[<a href="#pb2.227">227</a>]</span>en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie waren. Die uitspraak zal u wel niet
-ontvallen zijn; maar zult gij wel degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel,
-het is mij niet duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche
-opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is zwaar.”
-</p>
-<p>Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een paar seconden,
-alvorens hij antwoordde:
-</p>
-<p>„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde het beste. En
-gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet ondoordacht uitsprak. Wien zij
-geldt? Inlandsche of Europeesche beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust
-in dezelfde beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik
-vooral de blanken op het oog had.…”
-</p>
-<p>„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van Rheijn diepbewogen.
-</p>
-<p>„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal processtukken,
-die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene nota aan van een hooggeplaatst
-ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook
-gevraagd was.<a class="noteRef" id="xd30e12376src" href="#xd30e12376">1</a> Zie hier, wat die nota ongeveer inhield:
-</p>
-<p>„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel in opium zijn
-uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun zeer moeielijk bedrijf ten
-dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat zeer weinig geschikte sujetten zich voor
-dat baantje aanbieden. Hoe geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden
-eenige individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen resident.
-Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden achter zich hebben, en
-van den opiumsluikhandel een zeer beperkt denkbeeld hebben, worden dan op een traktement
-van ƒ&nbsp;150 ’s maands geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene
-opium ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of <span class="pageNum" id="pb2.228">[<a href="#pb2.228">228</a>]</span>onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar. Hunne stations
-bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke moerassen, en de schier ondoordringbare
-wildernissen van Java’s noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige
-huren tegen 25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen kosten
-een.
-</p>
-<p>„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets! Daarvoor is geen
-geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp vragen, als er wat aan de hand
-is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in den regel bij den duivel te biecht.
-</p>
-<p>„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te houden, en genieten
-daarvoor aan fouragegelden ƒ&nbsp;10 ’s maands per paard. Fondsen tot het aanschaffen dier
-paarden worden eenvoudig niet verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te
-maken van de bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat
-hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent men nu de korting
-voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de ongelukkigen ƒ&nbsp;102 in handen,
-waarvan huishuur en bediendeloon afgaat, zoodat hun slechts 67 gulden overblijven
-om veelal met een gezin van te leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook
-maar eene schamele inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders
-over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen volgaarne als
-geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer niet opgedrongen: uit hun baantje
-te halen, wat er uit te halen is?”
-</p>
-<p>„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle opiumbeambten
-<span class="corr" id="xd30e12389" title="Bron: direkt">direct</span> of <span class="corr" id="xd30e12392" title="Bron: indirekt">indirect</span> onder de afhankelijkheid van de pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen
-daarvan liggen, dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van
-individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de belangen der pachters
-verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot. Anderen waren ledepoppen van de pachters
-en durfden zich niet tegen den sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie
-kwam in die nota voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht
-ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, <span class="pageNum" id="pb2.229">[<a href="#pb2.229">229</a>]</span>dat de pachters als smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve
-die pachters even ijverig controleerden. Maar.… Maar … dezen hielden het niet lang
-uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd dan door de residenten
-ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was toch eenmaal eene klacht ingediend,
-dan moest het recht zijn loop hebben, en … de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare
-pachters bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne <span class="corr" id="xd30e12397" title="Bron: financieele">financiëele</span> verplichtingen jegens de Staatskas vervullen …”
-</p>
-<p>„Maar … waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare herhaalde verzekering
-van den Minister van Koloniën in de vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig,
-„dat het opiumverbruik zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt,
-zooals wij hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren aan
-den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen
-het vreeselijke heulsap op.”
-</p>
-<p>„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat geen fatsoenlijk
-man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot tegengang van den sluikhandel, men
-moet dus de toevlucht tot personen van minder gehalte nemen. En … vandaar, beste vrienden,
-dat de kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo mogelijk
-waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik mededeelde.…”
-</p>
-<p>„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht geschapen,” zei Van
-Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten. Zeide Van Rheijn straks niet, dat
-ook hij een opiumgeschiedenis te vertellen had?”
-</p>
-<p>„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.”
-</p>
-<p>„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te weten, maar telkenmale
-openen zich nieuwe gezichtspunten.”
-</p>
-<p>„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer uitnoodigend. „Wij
-zijn geheel en al gehoor, Eduard.”
-</p>
-<p>„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Van Murowsky, onzen dokter?”
-</p>
-<p>„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?”
-<span class="pageNum" id="pb2.230">[<a href="#pb2.230">230</a>]</span></p>
-<p>„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en hij daarenboven
-aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in tegenstelling van de gedragslijn,
-door onzen gastheer gevolgd, in zijn geheel voorlezen.”
-</p>
-<p>„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.”
-</p>
-<p>„Komt er iets over kapellen in voor?”
-</p>
-<p>„Ja.”
-</p>
-<p>„En over kevers en slangen?”
-</p>
-<p>„Misschien ook.”
-</p>
-<p>„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig zijn; zij schenken
-je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet), geen dekschild, geen …”
-</p>
-<p>„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen glimlachend. „Luistert
-maar:
-</p>
-<p>„„Hoe ik het te Gombong uithoud?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroegt gij mij in uwen laatsten brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het
-er dienaangaande somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen een goed hart toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep,
-wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne komst hier, dacht
-ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe omgeving en vloekte den chef, die mij
-de poets gebakken had, mijne overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie
-geen sprake. De enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte
-mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één beeld, dat
-der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en bekoorlijke koonen, en vergat
-ik mij zoodanig, dat de fraaiste vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder
-dat ik er aan dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn
-insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de officieren, daar
-aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de pupillen-inrichting aangewezen,
-en hadden het druk genoeg. Ik daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel
-te Gombong is wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje
-gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder handen te krijgen,
-merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.….”
-<span class="pageNum" id="pb2.231">[<a href="#pb2.231">231</a>]</span></p>
-<p>„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit. „Bidden om
-eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten, of op zijn minst in het
-nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een plaatsje bezorgen.”
-</p>
-<p>„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard. „Verlangt
-hier onze August niet naar processen? En is een geding niet erger dan eene epidemie?
-Maar, laat mij voortgaan.”
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12433"></span>Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of beter ik wisselde
-het een met het ander af. Ik bezong haar, die afwezige, in alexandrijnen, in jamben,
-in pentameters, in hexameters, in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten,
-in stanzen, in het Duitsch, in het Poolsch.…”
-</p>
-<p>„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12438"></span>In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn.…”
-</p>
-<p>De vrienden schaterden het uit.
-</p>
-<p>„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?”
-</p>
-<p>„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide, „eene ode van haar
-aanbidder ontving, getiteld: „<span lang="la">Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus</span>.<a class="noteRef" id="xd30e12447src" href="#xd30e12447">2</a> Ik wou dan haar bakkesje wel zien.”
-</p>
-<p>„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die evenals de anderen
-hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen had.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12458"></span>… En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik eensklaps vernam,
-dat Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen geëngageerd was, en al heel spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne
-dichterlijke producten, stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp
-om de muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de officieren van
-het garnizoen bij elkander, gaf een flinke champagne-fuif, en was na een nacht, dien
-ik doorbracht, alsof ik de Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende
-<span class="corr" id="xd30e12463" title="Bron: concurentie">concurrentie</span> wilde aandoen, totaal genezen.”
-<span class="pageNum" id="pb2.232">[<a href="#pb2.232">232</a>]</span></p>
-<p>„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor je Karel!”
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12470"></span>Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de hemidiptera, de diptera,
-de hymenoptera, de lepitoptera, de coleoptera.…”
-</p>
-<p>„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen, niet overslaan?”
-vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog door; die weet niet beter.
-Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt, is onvergeeflijk.”
-</p>
-<p>„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.… de coleoptera, de crustaceeën<a class="noteRef" id="xd30e12476src" href="#xd30e12476">3</a> mijne beste vrienden waren, en mij de meeste verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof
-het gelukkig. Zieken waren er geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier
-van gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof bekomen
-had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel van eene beginnende
-miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om mij bij voorkomende ziektegevallen
-te kunnen vervangen, al ware het ook om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar
-ten prooi was. Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan
-den militairen <span class="corr" id="xd30e12493" title="Bron: commandant">kommandant</span> permissie, om mij gedurende acht dagen in het Karang Bollongsche gebergte, dat hier
-in de nabijheid gelegen is, aan den entomologischen hartstocht te mogen wijden.
-</p>
-<p>„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige kapitein. „Zorg
-echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk krijgt, en dat ge op uw tijd weer
-present zijt.”
-</p>
-<p>„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de weitasch om en de
-blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op het pad, terwijl mijn bediende
-mij met het overig benoodigde volgde. Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati,
-Ringodono naar Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het <span class="pageNum" id="pb2.233">[<a href="#pb2.233">233</a>]</span>woeste gebergte was. Ik legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim
-twee dagen over.
-</p>
-<p>„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou parelen voor de
-zwijnen geworpen zijn.…”
-</p>
-<p>„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert niet door beleefdheidsvormen.”
-</p>
-<p>„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van straks,” lachte Van
-Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u mededeelen, dat ik redenen te over
-heb tot tevredenheid. Ik heb onder meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en
-eenen schoonen Priamos. Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas,
-die met zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het vierkant
-beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij daaraan? Neen, ik heb een
-onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming
-met het opiumschuiven heeft mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog
-<span class="corr" id="xd30e12505" title="Bron: lan gniet">lang niet</span> ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden. Die hebben
-mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne opmerkingen te maken, waar
-mij bizonderheden van het opiumverbruik onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk
-goed terecht gekomen.
-</p>
-<p>„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche gebergte in aanraking
-met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat middel van inkomsten van den Nederlandschen
-Staat op de hoogte zijt of niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp:
-het opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een vluchtig
-overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.”
-</p>
-<p>„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!”
-</p>
-<p>„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,” meende Grashuis.
-„Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan onuitstaanbaar pedant zijn.”
-</p>
-<p>„Toch niet,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Ik voor mij heb tal van wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen.
-Maar, laat mij voortgaan:”
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12519"></span>Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel <span class="pageNum" id="pb2.234">[<a href="#pb2.234">234</a>]</span>weten zult, een uitlooper van den Goenoeng Djampong<a class="noteRef" id="xd30e12523src" href="#xd30e12523">4</a>, die een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng
-Batoer met zijne voortzettingen.<a class="noteRef" id="xd30e12527src" href="#xd30e12527">5</a> De hoofdmassa van het Karang Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken,
-die eene hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een breeden
-band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den Indischen Oceaan opstijgen.
-In dien rotsmuur heeft de wereldzee met hare machtige deininggolven, die ongehinderd
-van de Zuidpool aanrollen, om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld,
-waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen.<a class="noteRef" id="xd30e12531src" href="#xd30e12531">6</a> In het binnenste gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders
-„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten …”
-</p>
-<p>„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in, „daar begint de
-Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen weet, wat ons nog te wachten staat!”
-</p>
-<p>„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen, maak je maar
-niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort:
-</p>
-<p>„„.… Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale rotswanden. Die nesten
-bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid, welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen
-wordt. Die vogeltjes bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben
-om hun nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat droog
-en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over, dat eveneens drogen
-moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan. Zoo wordt voortgegaan, totdat het
-nestje voltooid is. Is dat het geval, dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje
-van geringe middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots
-gehecht zoude zijn. De nestjes <span class="pageNum" id="pb2.235">[<a href="#pb2.235">235</a>]</span>bestaan dus uit een geleiachtige massa, die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer
-zij van supérieure qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend …”
-</p>
-<p>„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers zouden zij daaraan
-vinden?”
-</p>
-<p>„Laat mij voortgaan.”
-</p>
-<p>„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een délicatesse.
-Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid vertegenwoordigt voor hen het
-fijnste, hetwelk het verhemelte strelen kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote
-geneeskracht aan toe, en prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon
-aan. Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan die nestjes
-verleent.…”
-</p>
-<p>„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement!”<a class="noteRef" id="xd30e12546src" href="#xd30e12546">7</a> riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der vogelnestjes uiterst beperkt is,
-anders zou men die Chineezen, welke er afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten
-op te dringen, zooals men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit
-te drijven.”
-</p>
-<p>„„.… De inzameling der nestjes,” ging Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn met lezen voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in
-het laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint half Augustus
-en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat” heeft in December plaats.
-</p>
-<p>„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes gun, welke zich
-daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen der grotten te bereiken, men
-middels ladders langs den loodrechten wand der rotsen naar beneden moet. De ladder,
-b. v. die naar de Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn
-hart popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken. Maar, als
-ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand bracht, terwijl een paar
-Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik dan die bengelende rottanladder <span class="pageNum" id="pb2.236">[<a href="#pb2.236">236</a>]</span>zag, die onder den invloed der bries heen en <span class="corr" id="xd30e12559" title="Bron: wêer">weêr</span> bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan eens buigende onder een inspringend
-gedeelte, en zich daar voor het oog verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder
-mij de lange deiningbaren zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een
-woest en wild tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in verblindend
-wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn oor den donder van die
-onmetelijke branding vernam, en ik de rots, waarop ik lag, onder mij voelde dreunen,
-vrienden dan bekroop mij zoo’n gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde,
-en de hand niet uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen.
-</p>
-<p>„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan den voet dier
-steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die als eene beweegbare heuvelreeks
-over het prachtig azuurblauw van den Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen
-van de baar in een machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet
-der rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje tooide; dat
-neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende melkzee veranderde, waarin
-iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de zonnestralen als een diamant fonkelde;
-dat fijn verdeeld waterstof, dat die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig
-zilverwaas hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is
-en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een hooge baar aangerold
-kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten geheel en al, en drong er met kracht
-in, om den uitspoelingsarbeid voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die
-holen verdwenen waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den aandrang
-der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n spelonk, spoot het water met
-een machtigen straal van vijf- of zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke
-horizontale fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar dwarrelende
-kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte.
-</p>
-<p>„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden. Toch ben ik
-besloten bij een volgenden <span class="pageNum" id="pb2.237">[<a href="#pb2.237">237</a>]</span>keer in zoo’n grot in te dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in
-het zuider halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s zuidkust
-verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid bestaat, de Goewah (grot)
-Temon met een niet diepgaand schuitje binnen te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft
-mij beloofd, wanneer ik hem vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid
-te zullen houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou aanschouwen,
-moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der werkzaamheden daarvan, welke mij
-door de hoofden medegedeeld werd, te vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam:
-</p>
-<p>„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages van rottantouwen
-langs de wanden met „tali doek”<a class="noteRef" id="xd30e12570src" href="#xd30e12570">8</a> vastgemaakt. Een dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met
-ééne hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de wanden worden
-afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt kunnen worden, en in het algemeen
-die, welke zich aan het plafond der grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan
-een ijzeren haak bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen.
-</p>
-<p>„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes een zeer gevaarlijke
-arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte langs die loodrechte rotsmassa’s
-boven die kokende zee afklimmen; dan in die holen dringen, waarin de oceaan zijne
-golven stuwt<a class="noteRef" id="xd30e12582src" href="#xd30e12582">9</a>. Bij onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt het wel,
-dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen verbrijzeld worden of
-ellendig verdrinken.
-<span class="pageNum" id="pb2.238">[<a href="#pb2.238">238</a>]</span></p>
-<p>„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling bezighouden, zult
-ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is aan zijn geboortegrond dan de Javaan.
-Zoo ook hier. Er bestaat geen woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek
-in het Karang Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen.
-De kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, hebben niets
-te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de overlevering steeds met
-de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat
-de Nederlandsche regeering zich de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter
-of slechter betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan
-hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. Ik heb eene
-opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken<a class="noteRef" id="n2.238.1src" href="#n2.238.1">10</a>, waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin tachtig nestjes gaan,
-in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, zegge in letters <span class="asc">VIJFTIEN CENTEN</span> erlangt …”
-</p>
-<p>„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te vervolgen, dienen
-wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes hebben.”
-</p>
-<p>„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De Chineezen
-geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel vogelnestjes, en daar honderd
-nestjes ongeveer één katie wegen, en een pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt
-ons gouvernement vierhonderd gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen
-afscheept. Het is bij God schandelijk!”
-</p>
-<p>„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden.
-</p>
-<p>„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Uwe vraag, August, zal dan ook beantwoord worden.”
-</p>
-<p>„Welnu, vervolg!”
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12617"></span>.… Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, <span class="pageNum" id="pb2.239">[<a href="#pb2.239">239</a>]</span>wanneer het hem <span class="corr" id="xd30e12621" title="Bron: mêeloopt">meêloopt</span>, twaalf zakken kan afleveren.…”
-</p>
-<p>„Dat is ƒ&nbsp;1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog <span class="corr" id="xd30e12626" title="Bron: mêeloopen">meêloopen</span>! God betere het!”
-</p>
-<p>„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12633"></span>.… Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som herhaaldelijk in
-doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te verwerven, moet de arme drommel zeer
-dikwijls naar beneden naar het hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk
-toch duurt nog altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het
-gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen zweven. Luistert:
-Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen. Gij kent de aanhankelijkheid van
-den inboorling voor hen. Deze worden dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider
-slechts ƒ&nbsp;1,80 in handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en
-Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te werken, maar
-om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de eerbied en de gehoorzaamheid van
-den Javaan voor zijne hoofden, zouden bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort
-geschoten zijn. Men heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel,
-vrienden, is.… de opium!
-</p>
-<p>„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het gouvernement niet alleen
-toelaat, maar betaalt, ter zake van die vogelnest-inzameling; alsook de afgodische
-eeredienst aan Njahi Ratoe Segårå Kidoel<a class="noteRef" id="xd30e12637src" href="#xd30e12637">11</a> gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde staatskas <span class="pageNum" id="pb2.240">[<a href="#pb2.240">240</a>]</span>bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen wordt, en waarvan wij de
-werking, bij eenigszins aanzienlijke hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan.
-Welnu, bij alles wat die pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium
-verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan worden vijf „bekels”
-(kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen
-de eersten daarvoor ieder 1 en de laatsten ieder ½ „kedawang”<a class="noteRef" id="xd30e12649src" href="#xd30e12649">12</a> amfioen. Voor het schoonmaken van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd,
-die respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang- en toppengspelers
-ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4 voor „sadjen” of offerande, en bij
-hun heengaan nog ieder 16 kedawangs amfioen.
-</p>
-<p>„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en daartoe sapies
-of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van elk dier worden 8 kedawangs
-amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van elken achterbout dier geslachte dieren,
-die ieder begeleid en gedragen worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder
-bekel 1 en iedere sekep ½ kedawang amfioen<span class="corr" id="xd30e12655" title="Niet in bron">.</span> Bij het naar de klippen brengen der ladders, iedere ladder begeleid en gedragen door
-twee bekels en twee sekeps, ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste
-½ kedawang amfioen.
-</p>
-<p>„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel verdere strekking.
-Vrienden, leest maar verder:
-</p>
-<p>„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen loerah en
-iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige feestvierenden ieder 1
-kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk:<a class="noteRef" id="xd30e12660src" href="#xd30e12660">13</a>
-<span class="pageNum" id="pb2.241">[<a href="#pb2.241">241</a>]</span></p>
-<p>„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen, hetwelk bij die
-feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der aanwezigen amfioen wordt verstrekt,
-laat het zich denken, dat niemand, die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal
-blijven.”
-</p>
-<p>„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs amfioen, en voor het
-vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8 kedawangs verstrekt.”
-</p>
-<p>„Gedurende de inzameling der nestjes”.… och, hoe zal ik dat ten einde brengen? Laat
-het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt 76, die van de Goewah Dahar
-64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De
-„toekan’s” van die genoemde grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs.
-</p>
-<p>„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der ladders belast
-zijn, worden in opium betaald; de personen, die de geplukte nestjes moeten bewaken,
-ontvangen opium. Het verzenden van het product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen
-der ladders, het bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke
-heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het geschiktste middel
-om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum zooveel mogelijk op te zweepen.
-</p>
-<p>„Maar,.… waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is toch al lang genoeg,
-en ik heb ulieden nog het een en ander te vertellen …”
-</p>
-<p>„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis.
-</p>
-<p>„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn.
-</p>
-<p>„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”, meende Van Beneden.
-</p>
-<p>„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen kijken goed
-uit hun oogen.”
-</p>
-<p>„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun oogen.”
-</p>
-<p>„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen, Frankrijk veel beter
-te kennen dan de Franschen zelven.”
-</p>
-<p>„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het allerinteressantste komt eerst
-aan.”
-<span class="pageNum" id="pb2.242">[<a href="#pb2.242">242</a>]</span></p>
-<p>Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool vergezeld.
-</p>
-<p>„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits.
-</p>
-<p>„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.”
-</p>
-<p>„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen).
-</p>
-<p>Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene nieuwe sigaar
-op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en neêr, en waren daarna, weêr
-geheel gehoor.
-<span class="pageNum" id="pb2.243">[<a href="#pb2.243">243</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e12376">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12376src">1</a></span> <i>Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te
-vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was.</i> Die nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer bladzijden
-voor zich liggen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12376src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12447">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12447src">2</a></span> <i lang="la">Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus</i> beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12447src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12476">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12476src">3</a></span> <i>Hemidiptera</i>, <i>diptera</i>, <i>hymenoptera</i>, <i>lepitoptera</i><span class="corr" id="xd30e12484" title="Bron: :">,</span> <i>coleoptera</i>, <i>crustaceeën</i>. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve schilden; diptera dubbelvleugelige
-insecten; hymenoptera vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten
-als de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de torren; crustaceeën
-zijn schaaldieren als de krabben.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12476src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12523">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12523src">4</a></span> <i>De Goenoeng Djampong</i> is in de residentie Banjoemas gelegen en bereikt eene hoogte van 2580 voet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12523src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12527">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12527src">5</a></span> <i>De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen</i>, ook in de residentie Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12527src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12531">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12531src">6</a></span> <i>Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen.</i> De Goewah Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den grond
-uit.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12531src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12546">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12546src">7</a></span> <i>En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement.</i> De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols vogelnestjes op. De geheele
-inkomsten van dat middel is voor 1886 geraamd op ƒ&nbsp;174.000.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12546src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12570">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12570src">8</a></span> <i>Tali doek.</i> Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie de aanteekening op <span class="corr" id="xd30e12573" title="Bron: bladb.">bladz.</span> <a href="#n9.1">9</a> van het eerste deel. De rottansoort, waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel
-tot het samenstellen der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken
-wordt, dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft halmen
-van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer twee duim middellijn
-hebben.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12570src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12582">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12582src">9</a></span> <i>In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt.</i> In het Karang Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt,
-dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12582src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="n2.238.1">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.238.1src">10</a></span> <i>Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken.</i> Zie de <i>Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong</i> door <span class="sc">C.&nbsp;J.&nbsp;P. Carlier</span>, <span class="corr" id="xd30e12597" title="Bron: assistent resident">assistent-resident</span> te Ambal in het <i>Tijdschrift voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde</i>, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang
-1853, bladz. 304.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#n2.238.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12637">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12637src">11</a></span> <i>Njahi Ratoe Segårå Kidoel.</i> Njahi is de titel van eene voorname vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå
-is zee, en Kidoel het Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het
-Zuiden. Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden genoemd.
-Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw, met de voeten staande
-op een overwonnen stier, met zeven armen, in de handen waarvan zij verschillende voorwerpen
-houdt, waaronder een zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz.
-Het is in een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, welke
-hier nog door de Javanen als Ratoe <span class="corr" id="xd30e12640" title="Bron: Larå">Lårå</span> Kidoel vereerd wordt. Zie ook de aanteekening <a href="#n2.103.1">No. 1</a> op bladz. 103 hiervoren.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12637src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12649">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12649src">12</a></span> <i>Kedawang</i> schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche te zijn voor een gewicht,
-dat de zwaarte van een vierde duit heeft. Eene niet al te afgesleten duit weegt drie
-milligram, zoodat een kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding,
-om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op te zweepen.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12649src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12660">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12660src">13</a></span> <i>In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk.</i> Zie bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de <a href="#n2.238.1">noot</a> op bladz. 238.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12660src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e976">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label"><span class="corr" id="xd30e12701" title="Bron: XLIX">XXXIX</span>.</h2>
-<h2 class="main">Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh<span class="corr" id="xd30e12706" title="Bron: ,">.</span></h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„.… Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12711"></span>Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn garnizoen te Gombong
-terug moest zijn, was ik des morgens, voor het aanbreken van den dageraad van de dèsa
-Ajo, waar ik overnacht had, op weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng
-Poleng te exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik
-niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een prachtigen en
-ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote beeldschoone kapel met groengouden
-vleugels, puntig uitloopende en met een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord.
-Eene zeldzaamheid! O, ik was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een
-dèsaman van Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid gekocht,
-dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken langs de Zuidkust van het
-eiland Noesa Kambangan<a class="noteRef" id="xd30e12713src" href="#xd30e12713">1</a> gevonden te hebben. Het is eene <span class="pageNum" id="pb2.244">[<a href="#pb2.244">244</a>]</span>prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den vorm eener ineengedrongene evoluta.…
-</p>
-<p>„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor dag en dauw
-op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen het morgenrood de geheele
-bergmassa van Karang Bollong in gloed zette. Mijn pad liep dwars over de ribben van
-den Goenoeng Poleng, en doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms
-erg kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte vervloot,
-welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte. Hoe hooger ik kwam, hoe
-fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche
-morgenuur geheel en al verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen,
-om mij slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op een
-wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen uitstrekte, en stond
-een oogenblik stil om uit te blazen van de inspanning, veroorzaakt door de beklimming
-van de zeer steile helling, waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden
-beekjes, die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend zeewaarts
-spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een paar zilveren linten voordeden,
-die kronkelend en wentelend, bevallig en als het ware achteloos, daar in de diepte
-door de morgenbries waren uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had,
-lagen trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen verspreid.
-Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik afdalen moest; maar tusschen
-die rotsen en de struiken werd ik, een honderd voeten beneden mij, het atappen dak
-gewaar eener Javaansche woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij
-kon waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte en op
-eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht. Zou het een menschenhater
-zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog kon door een geopend raam in een der
-vertrekken dringen, en meende ik eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder
-den invloed der morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende
-ik een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel <span class="pageNum" id="pb2.245">[<a href="#pb2.245">245</a>]</span>zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft, of gebruikt
-hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit bontkleurig katoen.…”
-</p>
-<p>Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier te genieten;
-maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op Van Nerekool, die in zijn
-wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat het voorkomen had, alsof hij niet hoorde,
-maar met zijn gedachte elders was.
-</p>
-<p>„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard.
-</p>
-<p>Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak.
-</p>
-<p>„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om Murowsky’s
-brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke ambtenaar te mijmeren,
-en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar, maar niet in de nabijheid van de dèsa
-Ajo. Wacht maar een oogenblik, dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt
-nu. Luistert maar.”
-</p>
-<p>Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne sigaar, zette zich
-rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van Rheijn vervolgde:
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12730"></span>.… Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik daar diep, zeer
-diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in één woord de zilvertonen van
-een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den hals uit en keek in de richting, vanwaar dat
-vriendelijk geluid kwam; maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde
-ik, dat daar ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij
-den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon ieder onbescheiden
-oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken den blik van terzijde afweerde.
-Intusschen ging het geginnegap voort, thans vermengd met geplons en geplas van water,
-waartusschen nu en dan een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes
-zich daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter verschooning
-mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders aanhalen, dan het hier te lande
-zoo algemeen gezegde: een mensch is geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde
-naar beneden naar de aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen
-ik deed, was ik <span class="pageNum" id="pb2.246">[<a href="#pb2.246">246</a>]</span>weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te volgen. Het is waar, dat ik er
-volstrekt niet op rekende, eene Diana, eene godin, te bespieden.
-</p>
-<p>„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te maken, ten
-einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk daalde het pad rechttoe
-rechtaan naar den Wariengien af, die eene groote oppervlakte overschaduwde. Als dat
-zoo voortging, dan zou ik binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar
-bij eene groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en scheen,
-den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek te voeren, alwaar de
-overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk aan den overkant het pad langs de
-tegenovergelegen helling van het ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne
-nieuwsgierigheid werd nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in
-mijne nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en verliet het
-pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was mij gunstig. Van af de bedoelde
-sperrots strekte zich eene hellende terreinstrook uit, die geheel en al met struiken
-begroeid was, waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog
-had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots achtergelaten, om meer ongedwongen
-in mijne bewegingen te zijn. Ik sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van
-struik tot struik.….”
-</p>
-<p>Allen schreeuwden het uit van lachen.
-</p>
-<p>„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden toesluipen!”
-grinnikte Grenits.
-</p>
-<p>„Met slechts een „ewah”<a class="noteRef" id="xd30e12740src" href="#xd30e12740">2</a><span class="corr" id="xd30e12744" title="Niet in bron">,”</span> schreeuwde Van Rheijn.
-</p>
-<p>„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je wel, Karel?”
-</p>
-<p>„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast je maar.”
-</p>
-<p>„.… Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk stond ik voor een
-soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder doordringen ondoenlijk <span class="pageNum" id="pb2.247">[<a href="#pb2.247">247</a>]</span>maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den rand van een waterbekken, dat bijna
-ovaalrond in de grauwe trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht
-door menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang en vijftien
-breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien heerlijk overschaduwd.
-Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een kleine komvormige baai uitmaakte,
-gevoed; het water was diep, maar zoo helder, dat men de kleinste steentjes op den
-bodem zien kon. Maar, dat alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden
-kwamen mij eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne aandacht.
-Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne heg verborgen, ter hoogte
-van een twintigtal voeten beheerschte, zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens.
-Hoe zal ik u beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van
-een uwer op zijne wangen te jagen<span class="corr" id="xd30e12752" title="Bron: ,..">…</span>”
-</p>
-<p>Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan.
-</p>
-<p>„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te hebben.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12759"></span>.… Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen gekleed, dat wil zeggen:
-zij hadden slechts den sarong om de lendenen geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch
-hoe kiesch de Indische schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij
-dat tot onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems kunnen
-vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral wanneer de sarong nat
-is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden. Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel
-in ieder harer een verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde
-de type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare ronde wangen
-en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging zij in een ondiepe plaats
-van het bekken staan, sloeg zich den sarong, die bij het zwemmen losgegaan was, vaster
-om de heupen, en was het mij duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke
-in gezegende omstandigheden verkeerde.…”
-</p>
-<p>Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel te werpen.
-Deze zat hijgende <span class="pageNum" id="pb2.248">[<a href="#pb2.248">248</a>]</span>van ongeduld, hem de woorden uit den mond te kijken.
-</p>
-<p>„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12769"></span>… De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig fraai onder den
-natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het Europeesche corset in aanraking
-was geweest. Haar gelaat duidde ook op eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware
-de huid ook niet bruin getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen
-zijn geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch zijdeachtig
-van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en haar bij het zwemmen in
-sierlijke en weelderige krullen op de watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende
-ik de Arabische type in het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere
-water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet; want ik meende
-dat gelaat te herkennen.
-</p>
-<p>„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige tafereel, dat zich
-daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen, hetwelk de werkelijkheid eenigszins
-nabij zou komen. De pen kan zoo iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden
-schilder, van een die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een
-woord, noodig zijn.
-</p>
-<p>„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte wildernis, ver
-van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een onbescheiden oog bespied werden, zwommen,
-dartelden, stoeiden de bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander,
-smeten elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere vocht
-onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had om te beletten, dat
-de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de boezemwelving losging. Dat spel duurde
-lang, zeer lang; het scheen dat de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet
-konden losrukken.
-</p>
-<p>„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee:
-</p>
-<p>„„<span lang="ms">Soedah! moesti poelang, boe!</span>”” (genoeg, wij moeten naar huis terugkeeren, baboe).
-</p>
-<p>„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?” vroeg Grashuis.
-</p>
-<p>„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, <span class="pageNum" id="pb2.249">[<a href="#pb2.249">249</a>]</span>andermaal een blik op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping
-is nabij.
-</p>
-<p>„<span id="xd30e12786"></span>… De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen oever zitten, waarbij
-zij hare lieve kleine voetjes in het water liet hangen, en begon haren weelderigen
-haardos uit te wringen. Zij zat met het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt,
-waar ik mij bevond, kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een
-kondeh op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug ontwaren.
-Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?… Maar ik meende, dat de huid van
-dien rug niet zoo donker getint was als wel het gelaat en de handen. Ten uiterste
-nieuwsgierig, wilde ik scherper toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende
-struiken en boog mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.… of beter: de hemel zij geprezen!
-Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder mijn voet los, rolde de
-helling af en viel met een geweldigen plons vlak naast en rechts van de schoone baadster
-in het water. Het scheelde waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou
-het lieve kind geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen maakte,
-stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar de linkerzijde, alsof
-zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan eenige oneffenheden vasthakende,
-losgleed, en.…
-</p>
-<p>„Bij alle Goden!… het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al gelaat, hals, schouders,
-armen, handen en voeten bruin getint, de rug, de rugholte, de dijen, in een woord
-alle deelen, die gewoonlijk bedekt zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden,
-waren lelieblank, van dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht
-op … Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was … Dat gelaat, hetwelk
-ik meende te herkennen.… O, ik kon mij niet vergissen, zij was het!… Nu herkende ik
-haar in weerwil van de bruine kleur … De verschrikte meisjes, die mij achter de dichte
-heg niet zien konden, waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen,
-en een paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik kon evenwel
-de kleine Javaansche nog hooren zeggen:
-</p>
-<p>„„<span lang="ms">Tida takoet, Nana, tida ada orang!</span>” (Wees niet <span class="pageNum" id="pb2.250">[<a href="#pb2.250">250</a>]</span>bang Nana, er is daar geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat
-zij het losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of aan het
-toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden beiden zich voort, en ik
-zag haar weldra onder het beschermend dak van het huisje verdwijnen.
-</p>
-<p>„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook om het kiesche
-gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang mogelijk in mijne schuilplaats.
-Toen ik berekenen kon, dat zij het opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik
-zoo langzaam mogelijk, gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte
-van het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het oog verloor,
-en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare bewoonsters onzichtbaar was.
-</p>
-<p>„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te schrijven. Ik weet,
-hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal maken. Raad vermag ik niet te geven.
-Ik stel mij evenwel ter beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen.…”
-</p>
-<p>„Anna!… Anna weêrgevonden!” kreet Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool, terwijl hij onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij
-opgewonden op en neer liep.
-</p>
-<p>„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden<span class="corr" id="xd30e12806" title="Bron: !">.</span>
-</p>
-<p>„Wat ik doen wil?… Ik vertrek morgen ochtend!… Ik zal …”
-</p>
-<p>„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis.
-</p>
-<p>„Geen overijling, zegt ge? … En als zij intusschen weêr verdwijnt?”
-</p>
-<p>„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De meisjes, van
-hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de meening verkeerd hebben, dat
-zij door een loos alarm op de vlucht gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben,
-die eenzame plek<span id="xd30e12814"></span> te verlaten.”
-</p>
-<p>„Vrienden,” sprak August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „ik geloof, dat wij het beste doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat.
-Laten wij de zaak overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen
-valt. In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou zoodoende zijne
-geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar <span class="pageNum" id="pb2.251">[<a href="#pb2.251">251</a>]</span>mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats verwijderen.”
-</p>
-<p>„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag om verlof
-schrijven.”
-</p>
-<p>„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om te overleggen.
-Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne hand. Ik vergezel u bij dien
-tocht.”
-</p>
-<p>De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning, terwijl de feesttonen
-der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen werden.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet verkrijgen.
-</p>
-<p>Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie aanhangig, daartoe
-genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong.
-De voorzitter was verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie
-te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In afwachting
-grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den loop van ons verhaal uitoefenen,
-en derhalve hare mededeeling vereischen.
-</p>
-<p>Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke Ngow Ming Nio
-moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren 18.., 18.. en 18.. plaats
-hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis voor de ambtenaars-wereld, die bij de
-bestaande fiscalische neigingen, waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan
-den dag legde, van hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te
-Batavia als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal millioenen
-als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij en met hem zijn mederegeerders
-zich vaster op het kussen gevoelen, daar zij meenden en niet ten onrechte, dat bij
-zoo’n behandeling van zaken, zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor
-zouden hebben. En zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken.
-</p>
-<p>Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere drijfveer,
-om de gegadigden <span class="pageNum" id="pb2.252">[<a href="#pb2.252">252</a>]</span>voor de opiumpacht tot eene zeldzame inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd.
-Door tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen verlokken,
-bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter de schermen en door tusschenkomst
-van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor
-de trotsche residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen.
-</p>
-<p>Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert maanden, voor
-dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de grootste activiteit aan den
-dag gelegd geworden. Allerwegen was het toezicht op den sluikhandel, die niet van
-den pachter uitging, verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans
-en politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis en aan den
-lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij hunne vervolgingen van
-hen, die geen opium of het heulsap slechts matig gebruikten. Het succes was volkomen.
-Onder den invloed van de genomen maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon
-en stegen de detailprijzen van het vergift in evenredigheid.
-</p>
-<p>„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet altijd zijn tong
-aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht gesproken werd.
-</p>
-<p>Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had dien uitslag
-wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als onder het beheer zijner kongsie
-stonden, was dat onmogelijk.
-</p>
-<p>Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij liet door zijne
-gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden, dat het aantal opiumkitten in
-de residentie belangrijk opgevoerd zoude worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand
-eene koortsachtige opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen.
-</p>
-<p>Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den vlaggestok,
-die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe driekleedsvlag,<a class="noteRef" id="xd30e12843src" href="#xd30e12843">3</a> de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden was geweest, <span class="pageNum" id="pb2.253">[<a href="#pb2.253">253</a>]</span>en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de morgenbries. De oppassers,
-die heden allen present waren en zeker een korps van een twintigtal uitmaakten, waren,
-in nieuwe pakjes gestoken en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken
-en met gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken, waren<span id="xd30e12854"></span> in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der twee schildwachten,
-die voor het perron der voorgalerij op en neer drentelden, onmiskenbaar te bespeuren,
-dat zij zich van den gewichtigen dag, dien zij beleefden, bewust waren.
-</p>
-<p>De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een paar assistent-residenten
-en een paar controleurs uit de naburige afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich
-de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden
-zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis. Allen waren
-in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en eikentakken, die emblemata
-van onkreukbare reinheid en fieren mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd,
-met de wit cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den
-statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm.
-</p>
-<p>Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk zindelijk wit baadje
-en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen gekleed, het hoofd zorgvuldig glad
-geschoren en glimmend gepoetst, terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst
-zorgzaam behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden koord,
-die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw waren, kunstvaardig, haast
-wiskunstig ineengestrengeld was.
-</p>
-<p>Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen nemen; weldra verschenen
-echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden, eindelijk de rijken, zij, die als ernstige
-mededingers konden aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en
-Lim Ho, die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen <span class="pageNum" id="pb2.254">[<a href="#pb2.254">254</a>]</span>van hunnen landaard met een uitvorschenden blik monsterden.
-</p>
-<p>Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de ambtenaren, en
-vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en handjesdrukken plaats hadden, die van
-de innigste verstandhouding moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht,
-om aan te duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn schilderhuis
-geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam, vergezeld van zijn secretaris,
-beiden ook in galacostuum, de voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van
-Rheijn gearmd, ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen.
-</p>
-<p>Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten presenteerden de
-schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich in één gelid naast den pajoengstandaard,
-waarin thans een fonkelnieuw waardigheidsemblema prijkte.
-</p>
-<p>Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om hulde te bewijzen
-aan den Vertegenwoordiger van den <span class="corr" id="xd30e12867" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span>, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van Neêrlands Koning in die verre Aziatische
-gewesten is.
-</p>
-<p>Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te verrichten; waarna
-de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden bleven.
-</p>
-<p>Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden op de schoone
-Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De lieftallige vrouw reikte ieder hunner
-en ook aan sommigen der naastbij staanden eene hand en noodigde al de babahs even
-naar binnen te treden, om zich te laven aan een verfrisschenden dronk.
-</p>
-<p>„Het was toch zoo ontzettend warm in dit <span class="corr" id="xd30e12874" title="Bron: saizoen">seizoen</span> te Santjoemeh,” betuigde zij.
-</p>
-<p>De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen dankbaar, wierpen
-elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden de schoone vrouw door de binnengalerij
-naar de pandoppo. Daar stonden op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met
-kelken beladen, terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte
-champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt waren.
-<span class="pageNum" id="pb2.255">[<a href="#pb2.255">255</a>]</span></p>
-<p>„<span lang="ms">Boeka anggoer poeff!</span>” (maak champagne open) beval Laurentia aan een viertal bedienden.
-</p>
-<p>De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een schuimend glas
-in de hand en stelde er eene eer in met de njonja-resident te mogen klinken. Als de
-Chineezen champagne drinken, dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over
-het algemeen zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere andere
-gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine teugjes gelept zouden
-hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen bij officiëele gelegenheden gezien
-hadden, gedroegen zij zich nu anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de
-eer genoten, met eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden.
-</p>
-<p>„De toean toean noemen dat <span lang="la">ad fundum</span>,” merkte de majoor-Chinees op.
-</p>
-<p>„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet.
-</p>
-<p>In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Isi glas lagie!</span>” beval <span class="corr" id="xd30e12899" title="Bron: zei">zij</span>.
-</p>
-<p>En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van Gulpendam, dat de glazen
-telkens <span class="corr" id="xd30e12904" title="Bron: gelêegd">geleêgd</span> werden; terwijl zij met fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig
-met de champagneflesschen rondliepen om in te schenken.
-</p>
-<p>Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in <span class="corr" id="xd30e12909" title="Niet in bron">de </span>voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten.
-</p>
-<p>„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,” vervolgde hij
-met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons berouwen zullen, wanneer wij hen
-gaan opzoeken. Het is ontzettend heet; vindt ge niet?”
-</p>
-<p>Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten zakdoek afveegde,
-stapte hij aan het hoofd der beborduurde en gegalonneerde landsdienaren naar binnen.
-</p>
-<p>„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de bedienden:
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Lakas, kassie glas sama toean toean!</span>”
-</p>
-<p>Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet de heeren der
-schepping met elkander. De resident fluisterde een paar woorden met Kwee Sioem <span class="pageNum" id="pb2.256">[<a href="#pb2.256">256</a>]</span>Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende dat korte gesprek eenen onderzoekenden
-blik op Lim Yang Bing trachtte te werpen.
-</p>
-<p>„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „<span lang="ms">tapeh saja takoet</span>” (maar ik vrees).
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Tida takoet!</span>” (vrees niet) stelde de resident hem gerust.
-</p>
-<p>„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!”
-</p>
-<p>„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het pachtcontract
-opgenomen zijn.”
-</p>
-<p>„Dat is zoo Kandjeng toean; maar …”
-</p>
-<p>Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den steek van het hoofd,
-hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een der bedienden was aangereikt.
-</p>
-<p>„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een luid gejuich aan
-de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van de Veuve Cliquot blijkbaar zijn
-invloed begon uit te oefenen.
-</p>
-<p>„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van politie.
-</p>
-<p>„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar.
-</p>
-<p>Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid gedaan. Waarachtig,
-hier en daar begonnen de scheef staande oogen der babah’s wonderlijk zonderling te
-kijken.
-</p>
-<p>Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door de lucht.
-</p>
-<p>„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze pacht niet slagen
-mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de verpachting van het opiummiddel
-voor het pachtperceel Bengawan en een paar dagen later voor het perceel eener andere
-residentie zal geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.”
-</p>
-<p>Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij in, en groepeerden
-zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren blad, waarop een massa paperassen
-uitgespreid lagen. Aan het boveneinde plaatste zich de resident, omgeven door zijn
-fonkelenden staf van ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door
-de <span class="pageNum" id="pb2.257">[<a href="#pb2.257">257</a>]</span>tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing een keurige schilderij,
-een borstbeeld in levensgrootte van Koning Willem III, die nu als het ware het middelpunt
-uitmaakte van de beide groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande.
-</p>
-<p>„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract voorlezen,”
-sprak de resident plechtig.
-</p>
-<p>Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier onverstaanbaar,
-de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te kennen. Het was ook maar eene
-bloote formaliteit. De gegadigden voor dat contract kenden den inhoud op hun duimpje.
-Alleen den aanhef: <i>in naam des Konings!</i> waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle aanwezigen het hoofd diep voor het
-borstbeeld bogen, sprak de secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij
-bepaald was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal opiumkitten
-meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract bepaald was, werd met verheffing
-van stem en met statigen nadruk voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden
-te treffen.
-</p>
-<p>Toen die lezing ten einde was, sprak de resident:
-</p>
-<p>„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf honderd twee en
-dertig duizend gulden!.… Twaalf honderd twee en dertig duizend gulden!.… Wie biedt
-hooger?”
-</p>
-<p>„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem.
-</p>
-<p>„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere.
-</p>
-<p>„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek.
-</p>
-<p>„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen.
-</p>
-<p>Er had eene poos verademing plaats.
-</p>
-<p>„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam kalm en afgemeten.
-</p>
-<p>„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van de tafel hield.
-</p>
-<p>Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op.
-</p>
-<p>„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd mengende.
-</p>
-<p>„Vijftien honderd duizend!”
-</p>
-<p>Het gevecht was in vollen gang.
-<span class="pageNum" id="pb2.258">[<a href="#pb2.258">258</a>]</span></p>
-<p>„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter.
-</p>
-<p>Andermaal trad eene stilte in.
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Panas ini hari</span>,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem.
-</p>
-<p>De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne nabijheid ophielden.
-Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe met hunne groote presenteerbladen,
-waarop de heerlijk afgekoelde champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten
-de Chineezen toe. Het was toch ook zoo snikheet.
-</p>
-<p>„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident.
-</p>
-<p>In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der aangeboden kelken
-en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid naar binnen.
-</p>
-<p>„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij.
-</p>
-<p>„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter.
-</p>
-<p>Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken werd, alsook
-door het getik der glazen, welke van nu af door de bedienden, hiertoe door de schoone
-Laurentia aangezet, die achter eene zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond
-gade te slaan, onafgebroken aangeboden of gevuld werden.
-</p>
-<p>„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam.
-</p>
-<p>„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent van Lim Yang
-Bing.
-</p>
-<p>„Achttien honderd duizend!” riep deze.
-</p>
-<p>Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot riposteeren
-aan te moedigen.
-</p>
-<p>„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit op een toon
-zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf.
-</p>
-<p>„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter.
-</p>
-<p>De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel met een schier
-onhoorbare stem uit te brengen:
-</p>
-<p>„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Doea millioen!</span>” riep Lim Yang Bing zegevierend uit.
-</p>
-<p>Doodsche stilte volgde op dat bod … Men zou eene speld hebben kunnen hooren vallen.
-Men voelde, dat de tegenstand <span class="pageNum" id="pb2.259">[<a href="#pb2.259">259</a>]</span>daarbij gebroken was. De kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten
-trokken hem achteruit en beletten hem te spreken.
-</p>
-<p>„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er op volgen:
-„ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal opiumkitten bij dit contract
-aanzienlijk vermeerderd is.”
-</p>
-<p>Maar het mocht niet baten … De bedienden vulden steeds ijverig de glazen … Maar niets,
-niets meer hielp.
-</p>
-<p>„Twee millioen guldens … eenmaal!.…”
-</p>
-<p>„Twee millioen guldens … tweemaal!.…”
-</p>
-<p>„Twee millioen guldens … Biedt niemand hooger?.… Twee millioen guldens … driemaal!”
-</p>
-<p>Boum! daar viel onherroepelijk de hamer.
-</p>
-<p>„Behoudens de nadere goedkeuring van de <span class="corr" id="xd30e13010" title="Bron: Nederlandsch Indische">Nederlandsch-Indische</span> Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan babah Lim Yang
-Bing de opiumpacht toegewezen!”
-</p>
-<p>Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk bestuur en wenschten
-hem geluk met den afloop der verpachting. Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen
-Lim Yang Bing, om hem de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste
-glas champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een oogenblik heerschte
-daar in die groepen veel geestdrift en opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte
-aan de bevolking gewijd werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren
-welvaart zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden.… Ja,
-toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het beeld van Neêrlands
-Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke wil was, dat zoo gehandeld werd?
-Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig waarde de blik van den Vorst op die joelende
-menigte.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde met stralend
-gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten met twee telegrammen in de
-hand, nagenoeg van denzelfden inhoud: „Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht
-twee millioen—Van Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den
-Haag.
-<span class="pageNum" id="pb2.260">[<a href="#pb2.260">260</a>]</span></p>
-<p>Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het <span class="corr" id="xd30e13023" title="Bron: telegrafbureau">telegraafbureau</span> te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom
-zich en toen zijn oog op Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich
-bevallig loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het noordwesten,
-naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en prevelde:
-</p>
-<p>„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!”
-</p>
-<p>Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend aan.
-</p>
-<p>„Gij nog hier?” vroeg hij.
-</p>
-<p>Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem met zacht geweld
-in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder onbescheiden oog verborgen, sloot zij
-hem met krachtigen arm aan haren zwoegenden boezem.
-</p>
-<p>„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!”
-</p>
-<p>„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen geloodst, al
-zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet ondankbaar zal wezen.”
-<span class="pageNum" id="pb2.261">[<a href="#pb2.261">261</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e12713">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12713src">1</a></span> <i>Eiland Noesa Kambangan</i> is een pleonasme, daar het woord Noesa eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel
-geijkt; nog nooit hoorde ik spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig
-eiland met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine inhammen
-aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt tusschen 7°41′50″ en
-7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″ Oosterlengte van Greenwich.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12713src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12740">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12740src">2</a></span> Een <i>ewah</i> is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een strook linnen, soms ook wel
-van geklopte boombast vervaardigd, die het middel omgeeft en om der eerbaarheidswille
-tusschen de beenen doorgeslagen wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12740src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e12843">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12843src">3</a></span> <i>Driekleedsvlag.</i> Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts uit de breedte van het gebezigde
-vlaggedoek bestaan, wordt <span class="pageNum" id="pb2.253n">[<a href="#pb2.253n">253</a>]</span>zoo’n vlag een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus drie
-breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig langer. <span class="corr" id="xd30e12848" title="Bron: Zoon’">Zoo’n</span> groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden gebruikt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e12843src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e985">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XL.</h2>
-<h2 class="main">Het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>”.—Anna en Dalima.—Een telegram.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren voorbijgesneld, of
-de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z.&nbsp;M. den Koning behaagd had, den
-resident Van Gulpendam te benoemen tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later
-de bizonderheden van die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men,
-dat onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der opiumverpachting
-te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in buitengewone vergadering samengekomen waren,
-waarin de Minister van Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid,
-gewezen had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de groote
-voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer andere residenten tot dergelijke
-plichtsbetrachting opgewekt konden worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat,
-nu de baten uit de gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans
-reeds de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het zaaks
-was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals hij zich dan ook
-beijverd had te doen, sedert hij door den Koning vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven
-voor de Koloniën met de inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets
-nieuws <span class="pageNum" id="pb2.262">[<a href="#pb2.262">262</a>]</span>verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de koffiecultuur, die,
-mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie gebracht, steeds ruime baten had
-kunnen blijven afwerpen, terwijl zij welvaart onder de bevolking verspreidde, thans
-door wanbeheer en ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds
-meer en meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten vloek
-van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne medebestuurders dan ook hunnen
-bijval te kennen en ondersteunden de voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde,
-waaraan helaas! de constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden.
-</p>
-<p>Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming, was toch schier
-geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het <span class="corr" id="xd30e13048" title="Bron: heuchelijke">heugelijke</span> telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en telegrammen van gelukwenschen
-stroomden van alle kanten, zoowel uit Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die
-de familie Van Gulpendam ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met
-het algemeen gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van belangstelling
-te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst toegeschreven worden.
-</p>
-<p>Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en dansrecepties werden allerwege
-georganiseerd, om de heugelijke gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende
-de rij en werd daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de <span class="corr" id="xd30e13053" title="Bron: societeit">sociëteit</span> <i>Eensgezindheid</i>, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als slotbouket van al die feestelijkheden had
-er ten residentiehuize een luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren,
-waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh tegenwoordig
-moest wezen, en ook was.
-</p>
-<p>Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden, gelegenheidsgedichten
-opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en dat alles om den man te verheerlijken,
-wiens borst zoo waardig met het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk schoonheidsgevoel gewild, dat haar
-Gulpie op al die feesten verschenen zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje,
-aan een miniatuur strikje van Nassausch <span class="pageNum" id="pb2.263">[<a href="#pb2.263">263</a>]</span>blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van goeden smaak getuigd zoude hebben.
-Maar Van Gulpendam had zich daaraan niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis
-van Batavia laten komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap
-lint.
-</p>
-<p>„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet hij ook op
-een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten uitwaaien.”
-</p>
-<p>Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest.
-</p>
-<p>De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude onvermengd geweest
-zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden, dat er aan de rust en de tevredenheid
-onder de bevolking, waarvan hij steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde,
-meer ontbrak dan hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van samenscholingen,
-van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd, dat meer aan staatkundige woelingen
-te denken viel, dan aan beramingen van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad
-van die bewegingen in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang
-sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht te zijn. Dat
-blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne rustige rust opgejaagd te
-hebben, werd op zijn vingeren getikt. De drukkerij werd gesloten, en de redacteur
-verbannen, om te bewijzen: dat de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was.
-</p>
-<p>Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam gegeven, dat hij
-alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat de toestand werkelijk bevredigend
-was, en de artikelen der dagbladen slechts onrustbarende praatjes bevat hadden.
-</p>
-<p>Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige tochten gemaakt
-naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles rustig bevonden. Onder den prikkel
-van de Europeesche ambtenaren, hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting
-bij den Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching geuit,
-ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen was.
-</p>
-<p>Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden <span class="pageNum" id="pb2.264">[<a href="#pb2.264">264</a>]</span>had hij dan ook een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om
-tot spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan.
-</p>
-<p>Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen over rust een
-kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch ingezetene, een industrieel,
-wiens suikerfabriek aan de uiterste grens van de residentie Santjoemeh gelegen was.
-Deze verzekerde, dat hij vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms
-samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats vonden, en hij
-beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te kennen. Overigens zeide hij, dat
-hij met het doeleinde der samenkomsten niet bekend was, maar dat zij hem verdacht
-en, zelfs bij de meest onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen.
-</p>
-<p>„En die namen?” had de resident smalend gevraagd.
-</p>
-<p>„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon zijn, Pak Ardjan
-en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige, doortastende vent zijn, en beiden
-zouden in de dèsa Kaligaweh van de afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.”
-</p>
-<p>De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen. Hij greep zijn
-zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd parelden, af te vegen, meer echter
-om zijne aandoening te verbergen.
-</p>
-<p>Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig, en, alsof hij
-er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer die opgemerkt mocht zijn,
-te vernietigen, hernam hij:
-</p>
-<p>„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal gevlucht. Die
-zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied vertoonen. Nog niet lang geleden
-zijn zij te Singapore gezien, daaromtrent zijn mijne berichten stellig.”
-</p>
-<p>„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik hier niet gerust.
-Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der Europeesche nederzettingen gewoonlijk
-het slachtoffer, en worden dan de Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord.
-Mijne fabriek ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het
-gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht haar bereiken
-kan. Ik <span class="pageNum" id="pb2.265">[<a href="#pb2.265">265</a>]</span>wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel op de onderneming te plaatsen, waarop
-ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal ze wel wapenen.”
-</p>
-<p>„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die zijne geheele
-zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij schept u herschenschimmige angsten.
-Het is al te dwaas!”
-</p>
-<p>„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor uit: de mij medegedeelde
-berichten komen mij volstrekt niet ongeloofwaardig voor.”
-</p>
-<p>„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch.
-</p>
-<p>„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze eenzame buurt,
-dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders spreken.”
-</p>
-<p>Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit de helden groeien,
-zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij begreep, dat het oogenblik gekomen
-was <i lang="fr">pour payer de sa personne</i>. Wat zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid vernomen werd?
-</p>
-<p>„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit. „Kom, om u te
-toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand is, noodig ik mij en mijne
-echtgenoote uit, om een veertiental dagen op de fabriek te komen logeeren. Ik weet,
-dat de kombuis goed is … Neemt gij aan?
-</p>
-<p>„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur.
-</p>
-<p>Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de hoede van een
-sterk korps politiedienaren zou stellen.
-</p>
-<p>„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh afgeloopen zijn,
-zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar vertrekken voor ons klaar.”
-</p>
-<p>„En gij brengt eenige oppassers mede?”
-</p>
-<p>„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten zien, dat ik
-ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor niets bevreesd ben. Dat is
-dus afgesproken, nietwaar?”
-</p>
-<p>Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was, drentelden een
-paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean op en neêr. Als iemand op een
-dier twee mannen gelet had, dan had hij opgemerkt, <span class="pageNum" id="pb2.266">[<a href="#pb2.266">266</a>]</span>dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij steeds in de nabijheid der
-pratenden bleef; ook dat hij scherp toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens
-woest en onheilspellend flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde
-zich een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene westersche klassieke
-opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld hebben: <span lang="la">Jupiter, quem vult perdere, prius dementat.</span> (Wien de goden ten verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand).
-</p>
-<p>Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij allerwegen, dat
-hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende feestvieren uitgeput waren, dat zij
-rust noodig hadden, en dan ook besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een
-veertiental dagen te gaan uitblazen.
-</p>
-<p>En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide echtgenooten, die zich
-slechts door de lijfmeid van de schoone Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden
-lieten vergezellen. Op den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats.
-Die moest den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in het
-rijtuig zat.
-</p>
-<p>„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de pajoeng voldoende
-om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot zijne wederhelft gezegd.
-</p>
-<p>Denzelfden dag vertrokken ook Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool en Theodoor Grenits naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky,
-Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen kruisten elkander
-bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat, waarboven de gouden pajoeng prijkte,
-sloeg oostwaarts in; het andere, waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren, hadden zij het
-niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen badplaats te gaan. Wel meenden
-zij verzekerd te zijn, dat geen menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die
-naast Anna in het water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit
-losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden <span class="pageNum" id="pb2.267">[<a href="#pb2.267">267</a>]</span>hadden, had hen toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna overreedde
-eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje te nemen. Die zou dan
-telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl de jonge meisjes in het frissche
-water zouden dartelen, tegen onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van
-de nadering van menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier
-nènèh had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele huiselijke
-werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere meisjes meer tijd zouden
-hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of bij hare verfkuip door te brengen.
-Hoe meer zij toch werkten, hoe meer geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s,
-die zij weefden, en de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel
-hadden zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg daarvan was,
-dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut heerschte, en.… was het daaraan
-te wijten, of kon niemand ongevoelig blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes;
-maar wanneer zij eens een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen
-vrees van herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de jongelingschap
-van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook wel eens een liefdevol woord
-toegefluisterd. De deerns hadden er dan pret in, en lachten er hartelijk om. Op een
-dag zei Dalima snaaksch en spottend:
-</p>
-<p>„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een Kandjeng toean
-voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit stuiven.”
-</p>
-<p>„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij weet, dat ik daarover
-niet wil hooren reppen. Ik ben geene residentsdochter meer.”
-</p>
-<p>Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde, liet zij er
-met een glimlach op volgen:
-</p>
-<p>„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!”
-</p>
-<p>„Op wie anders, Nana?”
-</p>
-<p>„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te goed. Al die
-lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u, Dalima.”
-<span class="pageNum" id="pb2.268">[<a href="#pb2.268">268</a>]</span></p>
-<p>„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos.
-</p>
-<p>„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!”
-</p>
-<p>„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså<a class="noteRef" id="xd30e13139src" href="#xd30e13139">1</a> gelet, Nana? Die heeft slechts oogen voor u.”
-</p>
-<p>„Neen, voor u, Dalima!”
-</p>
-<p>„Neen, voor u, Nana!”
-</p>
-<p>Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken, wie harer dan
-het laatste woord behield.
-</p>
-<p>„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had.…,” zei Anna eens, terwijl
-zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was.
-</p>
-<p>„Wat bedoelt ge, Nana?”
-</p>
-<p>„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.”
-</p>
-<p>„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani” (stoutmoedig)
-genoeg voor. En hij wel het minst.”
-</p>
-<p>„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes, zou ik meenen.”
-</p>
-<p>„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft ons bespied.
-Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij het pad rechts en links over
-eene groote uitgestrektheid konden gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.”
-</p>
-<p>„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.”
-</p>
-<p>„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.”
-</p>
-<p>„Een blanke, Dalima?”
-</p>
-<p>„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger zou ik u slechts
-noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het gebeurde met dien steen, is
-een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en heeft daar bij den loerah overnacht.”
-</p>
-<p>„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld.
-</p>
-<p>„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen vernemen, dan
-dat hij zich bezighield met „<span lang="ms">tangkap koepoe koepoe</span>” (kapellenvangen) Poeah.<a class="noteRef" id="xd30e13165src" href="#xd30e13165">2</a><span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-<span class="pageNum" id="pb2.269">[<a href="#pb2.269">269</a>]</span></p>
-<p>„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?”
-</p>
-<p>„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is hij gezien
-te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke richting.”
-</p>
-<p>„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?”
-</p>
-<p>„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.”
-</p>
-<p>Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde, dat Anna over
-haar ontevreden was, vroeg bedroefd:
-</p>
-<p>„Zijt gij boos op mij, Nana?”
-</p>
-<p>„Neen, Dalima.”
-</p>
-<p>„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?”
-</p>
-<p>„Ik zou wel willen verhuizen.”
-</p>
-<p>„Verhuizen?”
-</p>
-<p>„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de landstreek nog eenzamer,
-nog woester is, daar dicht bij de vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een
-dier grotten willen nemen.
-</p>
-<p>„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt.
-</p>
-<p>„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam Anna met een zucht.
-</p>
-<p>„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige kleinachting in
-haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.”
-</p>
-<p>„En Ardjan dan?”
-</p>
-<p>Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam.
-</p>
-<p>„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij zich ophoudt,
-en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,” (verloofde) niet meer. Voor
-hem ben ik slechts een gevallen meisje.”
-</p>
-<p>Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna gevoelde spijt,
-dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een oogenblik van stilzwijgen hernam
-Dalima weêr:
-</p>
-<p>„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het spoor was …?”
-</p>
-<p>„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen vluchten!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>
-<span class="pageNum" id="pb2.270">[<a href="#pb2.270">270</a>]</span></p>
-<p>„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang.
-</p>
-<p>„Zwijg, Dalima!”
-</p>
-<p>„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen …? Nu?”
-</p>
-<p>„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem houden?… O, als
-dat zoo ware!.… Uit mijn hart gebannen?<span class="corr" id="xd30e13205" title="Bron: ,..">…</span> Er gaat geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem denk.”
-</p>
-<p>„Maar, Nana<span class="corr" id="xd30e13210" title="Bron: ’">,</span>” hernam de argelooze Javaansche, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>waarom dan zoo wreed?”
-</p>
-<p>„Zwijg, Dalima!”
-</p>
-<p>„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?”
-</p>
-<p>„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander toebehooren!”
-</p>
-<p>Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk te raden. Op
-haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In hare oogen was te lezen:
-</p>
-<p>„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>! (grillen.) Hoe lastig maken zij zich het leven toch.”
-</p>
-<p>Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en opende daartoe
-reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden
-naar de dèsa geweest, en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen
-doen. Dat gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht zij
-groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde toch, dat drie blanken
-in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij den loerah genomen hadden.
-</p>
-<p>„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit.
-</p>
-<p>„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij eene rasgenoote
-voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en de residentsdochter met den
-naam Nana aansprak.
-</p>
-<p>„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima.
-</p>
-<p>„Neen,” was het antwoord.
-</p>
-<p>„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?”
-</p>
-<p>„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde <span class="pageNum" id="pb2.271">[<a href="#pb2.271">271</a>]</span>de nènèh. „De een vertelt, dat het „wong spor”<a class="noteRef" id="xd30e13234src" href="#xd30e13234">3</a> (lieden van den spoorweg) zijn, die zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben
-zij geweren bij zich. Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen
-zij hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor welang”<a class="noteRef" id="xd30e13238src" href="#xd30e13238">4</a> op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds bemerkte, anders had ik er op getrapt,
-en dan was ik dood. Een derde vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen
-bezichtigen.”
-</p>
-<p>„Hebt gij niets anders gehoord?”
-</p>
-<p>„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd. Die blanken doen
-niemand kwaad. Ziet … daar komen zij het pad op.…”
-</p>
-<p>Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden kreet. In de
-grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij over het hoofd sloeg, en, gevolgd
-door Dalima, die evenals zij Van Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde
-zij het pad op, dat in tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte
-voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn treden, en heênvluchten.
-</p>
-<p>„Daar is zij!” riep Murowsky.
-</p>
-<p>„Anna!… Anna!…” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem.
-</p>
-<p>Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra achter de
-rotsen verdwenen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij verplicht andermaal
-eene schrede achterwaarts te doen.
-</p>
-<p>Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van waar de twee vrienden
-den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij hadden geen tijd, geen oog <span class="pageNum" id="pb2.272">[<a href="#pb2.272">272</a>]</span>om de heerlijke landschappen, de verheven bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen
-of te bewonderen. Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende,
-wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts een kreet in
-den mond:
-</p>
-<p>„Voort! Theodoor, voort!”
-</p>
-<p>Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den officier van
-gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar zijn collega nog steeds te
-Gombong vertoefde, had de militaire bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal
-een verlof voor vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den namiddag
-aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den flinken rit; zoodat besloten
-moest worden den tocht eerst den volgenden morgen voort te zetten. Van dat gedwongen
-oponthoud werd gebruik gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky
-af te leggen.
-</p>
-<p>„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige krijgsman, terwijl hij
-hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en snuitkevers zich wel verdekt opstellen.
-Dan zal er eene slachting onder gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden
-genoeg, om de arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle
-succes.”
-</p>
-<p>Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te genieten, bracht
-een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze greep het papier.
-</p>
-<p>„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega.
-</p>
-<p>„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,” antwoordde de
-gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt. Als uwe kapellenvangst daarmede
-maar niet in gevaar wordt gebracht.”
-</p>
-<p>Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening.
-</p>
-<p>„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden … „God in den hemel!” riep hij vervolgens
-in de grootste ontsteltenis uit.
-</p>
-<p>„Wat is er? Wat is er?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> riepen alle aanwezenden.
-</p>
-<p>„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega, door eene bende
-ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las de dokter voor.
-<span class="pageNum" id="pb2.273">[<a href="#pb2.273">273</a>]</span></p>
-<p>Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep koortsachtig het
-telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich daarna de oogen, alsof hij die
-niet vertrouwde.
-</p>
-<p>„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk.
-</p>
-<p>„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw des huizes aan
-Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen
-zag verraden.
-</p>
-<p>„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh tegelijkertijd
-met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den gruwzamen moord op personen gepleegd,
-die wij gedurende de feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen,
-is wel geschikt om ons te doen ontstellen.”
-</p>
-<p>De dame knikte toestemmend.
-</p>
-<p>„Het is ontzettend!” prevelde zij.
-</p>
-<p>„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal eenige uren
-uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven omstandigheden moet ik noodzakelijk
-mevrouw Steenvlak spreken. Hoever is Karang Anjer hier van daan, kapitein?”
-</p>
-<p>„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.”
-</p>
-<p>„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen bekomen?”
-</p>
-<p>„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?”
-</p>
-<p>„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu ongeveer zeven
-uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met het krieken van den dag begeef
-ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong
-te vervolgen. Wees gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.”
-</p>
-<p>„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de Steenvlaks vindt
-het een goeden stal.”
-</p>
-<p>En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven.
-</p>
-<p>„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de vrouw des huizes,
-ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek van Van Nerekool naar Karang Anjer.
-<span class="pageNum" id="pb2.274">[<a href="#pb2.274">274</a>]</span></p>
-<p>„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw Steenvlak, waar dat
-jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar treft, voorbereid worden.”
-</p>
-<p>Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te doen.
-</p>
-<p>„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In zulke omstandigheden
-kan de raad van eene beproefde vriendin veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet
-goed?”
-</p>
-<p>Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand.
-</p>
-<p>Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags den weg naar
-Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de gruwzame gebeurtenis in
-de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De assistent-resident had ook een telegram
-ontvangen.
-<span class="pageNum" id="pb2.275">[<a href="#pb2.275">275</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e13139">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13139src">1</a></span> <i>Kjahi</i> is een titel, <i>Wångså</i> een naam.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13139src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13165">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13165src">2</a></span> <i lang="ms">Tangkap koepoe koepoe. Poeah!</i> In den regel is de Inlander bang voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames,
-op Java geboren, die de fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken.
-<span class="pageNum" id="pb2.269n">[<a href="#pb2.269n">269</a>]</span>Velen beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan; anderen
-zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt wordt.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13165src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13234">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13234src">3</a></span> <i>Wong spor.</i> Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta naar Tjifatjap was in aanleg.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13234src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13238">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13238src">4</a></span> <i>Oelor welang.</i> Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java aangetroffen worden. Haar beet
-veroorzaakt binnen weinige uren den dood.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13238src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e998">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XLI.</h2>
-<h2 class="main">De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">De noodlottige tijding was maar al te waar!
-</p>
-<p>Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de eigenaar dier suikerfabriek
-niet anders verklaren, dan dat in den laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken
-was; dat hij meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen
-zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel daar iemand ontmoet
-was geworden; zoodat hij tot de meening was gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht
-geweest, òf dat de bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden.
-</p>
-<p>Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der afdeeling stond,
-waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook den regent en de wedono’s in
-die afdeeling, maar vernam niets onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden,
-dat de streek de meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde,
-dat er wel armoede heerschte.
-</p>
-<p>„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih?<a class="noteRef" id="xd30e13307src" href="#xd30e13307">1</a><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> had de resident gevraagd.
-</p>
-<p><span id="xd30e13313"></span>Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen vrijgesteld zijn
-van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord zich wachten liet, vroeg Van
-Gulpendam:
-</p>
-<p>„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende <span class="pageNum" id="pb2.276">[<a href="#pb2.276">276</a>]</span>fabrieken behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?”
-</p>
-<p>„O, ja, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan waarop gerekend
-werd?”
-</p>
-<p>„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de landbouwers
-hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng” (schuur) kunnen binnenbrengen.”
-</p>
-<p>„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?”
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met een zucht.
-</p>
-<p>Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij was, dat hij,
-wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den resident zoude opwekken. Hij
-wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de oogst was overvloedig geweest; maar de
-paddie was niet in de schuren terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst
-was verkwanseld geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te
-hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van Chineesche opkoopers
-overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar de opiumkit, naar het speelhol,
-naar het pandjeshuis, naar de lade van die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag
-van de Nederlandsche inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet
-openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de borst van den
-resident prijkte, en herhaalde met een zucht:
-</p>
-<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean.”
-</p>
-<p>Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere kamers te willen
-betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich volgaarne vergenoegen met de gewone
-logeerkamers<a class="noteRef" id="xd30e13329src" href="#xd30e13329">2</a> van de fabriek.
-</p>
-<p>„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het hoofdgebouw zijn
-klaar.”
-<span class="pageNum" id="pb2.277">[<a href="#pb2.277">277</a>]</span></p>
-<p>„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik wil u bewijzen,
-dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat ik daar buiten even gerust
-zal slapen als in uw hoofdgebouw.”
-</p>
-<p>Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad, hij scheen gelijk
-te hebben. De berichten, die van allerwegen binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden
-aard, dat de eigenaar van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te
-hellen, dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in hare
-vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten de echtelingen
-een heerlijke rust.
-</p>
-<p>De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging van de suikerfabriek,
-die evenwel op het punt was hare jaarlijksche campagne te sluiten, daar de maaltijd
-op zijn eind liep. In den namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij
-het residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de ontmoet
-wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon was; het tegendeel kon
-beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs toen hij nog controleur was, stipt
-en streng geëischt, dat terwijl hij in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die
-hem ontmoette, moest hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat
-moest afwenden<a class="noteRef" id="xd30e13340src" href="#xd30e13340">3</a>. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van schuchterheid, dat die voor
-bewijzen van diep ontzag en van eerbied door het ijdele paar opgenomen werden. Neen,
-hier in deze streken was niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter
-meende Van Gulpendam wel opgedaan te hebben.
-</p>
-<p>Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka maniesan had eenige
-familiën van de rondom liggende ondernemingen uitgenoodigd, waaraan <span class="pageNum" id="pb2.278">[<a href="#pb2.278">278</a>]</span>allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en ook sommige dames maakten een gezellig
-partijtje; terwijl anderen zich met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al
-eenige onprettige gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de
-voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo werden die geheel
-verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele landschap, hetwelk zich daar
-voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan stond hoog aan den hemel, en overgoot alles
-met haar liefelijk licht. Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen,
-die het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte, die in een
-tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo genotrijk mogelijk te
-maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk voorbij, en sloeg het middernachtuur,
-alvorens de rijtuigen voorkwamen, die de gasten huiswaarts moesten brengen.
-</p>
-<p>Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter ruste wilden
-leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek rapporteeren, dat men eene
-gedaante achter de tuinomheining had zien sluipen.
-</p>
-<p>„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene niet ongewone
-gebeurtenis was.
-</p>
-<p>„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een geweer greep,
-en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een gebaar weigerde.
-</p>
-<p>Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, terwijl de
-dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd is, was het zacht en
-kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar bespeurden niets verdachts. Door
-de frissche nachtlucht verlokt, strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk
-hun plan was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een paar
-rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan de rietstekken gedeeltelijk
-geoogst waren. Het gekapte riet was reeds naar de fabriek vervoerd; maar over een
-groote uitgestrektheid stonden de stengels nog overeind en wachtten op de hand der
-arbeiders. Op de ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen
-„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en bestemd waren,
-om ook naar de fabriek <span class="pageNum" id="pb2.279">[<a href="#pb2.279">279</a>]</span>vervoerd te worden; ten einde daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van
-Soeka maniesan was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn
-vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne betrekking van ambtenaar
-bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de suikerindustrie op Java in aanraking
-geweest; zoodat het gesprek tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd
-door den opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de verschillende
-rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, dat de „teboe-njamploong”
-het meeste suikergehalte bevatte; de andere verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd
-had, dat zulks met de teboe-itam<a class="noteRef" id="xd30e13359src" href="#xd30e13359">4</a> het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de discussie daaromtrent werd
-vrij levendig; toen plotseling een gil weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels
-gewapend, en met zwart gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn
-sprongen, en recht op de wandelenden <span class="corr" id="xd30e13365" title="Bron: losprongen">lossprongen</span>. Het drietal, onthutst door die plotselinge verschijning, zette het op een loopen;
-maar nog hadden zij slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans
-den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op het hoofd deden
-neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag had kunnen brengen. Op het erf
-werd de resident ingehaald, maar in stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen,
-op den grond geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht
-een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich achter een hoop
-bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van Gulpendam gebonden werd, kon hij
-nog zien, hoe een twaalftal mannen op het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer
-van zijne echtgenoote aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige
-vuist drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe de aanvallers
-<span class="pageNum" id="pb2.280">[<a href="#pb2.280">280</a>]</span>de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne knodsen uit hare hengsels sloegen,
-toen zij haar gesloten vonden. Hij zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer
-steeg op, dat door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen
-werd.
-</p>
-<p>Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien dier slaapkamerdeur
-de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige arbeiders, die bij de stoomwerktuigen
-in de fabriek de wacht hadden, deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot
-redding zou hebben kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug,
-die Van Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te omzwachtelen,
-zeide:
-</p>
-<p>„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.”
-</p>
-<p>„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard.
-</p>
-<p>„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den spreker van wraakzucht
-trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op, of wij krijgen de werklieden der fabriek
-op het lijf. Ik zou dien hond dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.”
-</p>
-<p>Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van Van Gulpendam
-gestoken.
-</p>
-<p>„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen.
-</p>
-<p>Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van zijn gemompel
-was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd, die den prop nog dieper in
-de mondholte deed dringen.
-</p>
-<p>„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald.
-</p>
-<p>Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en draafden met hunnen
-last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder die behandeling; maar dat werd niet
-gehoord, en hoorde het ook al iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen.
-</p>
-<p>Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op een daarvan
-werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was, werden de andere paarden
-bestegen en voort ging het.
-</p>
-<p>„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden.
-</p>
-<p>„Engèh! Engèh!” kreten de overigen.
-<span class="pageNum" id="pb2.281">[<a href="#pb2.281">281</a>]</span></p>
-<p>Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de overige aanvallers
-het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra ten hemel en loeiden vreeselijk,
-waarbij zich het knappen van het riet mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna
-uit de voeten maakte, begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van
-de fabriek te weêrklinken.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er op hetzelfde
-oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag bekroond werd.
-</p>
-<p>Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag een vreemdsoortig
-gebouw in de plooien van het oploopend terrein alleraangenaamst verscholen. Ware het
-van Italiaansche of Zwitsersche bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een
-chalet hebben kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo
-duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te vergissen viel.
-Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich daar verhief, en eerst sedert
-weinige weken in eigendom op Lim Ho, den zoon van den opiumpachter van Santjoemeh
-overgegaan was.
-</p>
-<p>Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer geregelde levenswijze
-zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een
-bezoek aan bedoeld lusthuis zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn.
-Dat eenzaam gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van
-den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken daarvan waren
-weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste divans werden in alle kamers
-aangetroffen; terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige,
-zelfs van pornografische strekking, versierd waren.<a class="noteRef" id="xd30e13393src" href="#xd30e13393">5</a>
-<span class="pageNum" id="pb2.282">[<a href="#pb2.282">282</a>]</span></p>
-<p>In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s aangetast was, werd
-ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier gelukte de onderneming nog gemakkelijker
-dan bij de suikerfabriek. Lim Ho, die met <span class="corr" id="xd30e13400" title="Bron: mitsdadige">misdadige</span> oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en ongeduldig de prooi zat af te wachten,
-die zijne driften gaande gemaakt had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts
-van een paar Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet
-konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De babah, overspannen
-van het wachten, en, in de meening dat ’t het slachtoffer was, beval te openen. Toen
-het slot evenwel omgedraaid en de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar
-gewapende en zwart gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn
-ras getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen. Fluks keek
-hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen ontvluchten; maar toen hij
-de beide deuren van het vertrek, waarin hij zich bevond, door de aanvallers bezet
-zag, poogde hij in zijn lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd
-evenwel gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en weggevoerd.
-</p>
-<p>Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles onaangeroerd gelaten.
-Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt; maar zich bepaald tot den moord
-op mevrouw Van Gulpendam en de ontvoering van den resident en van den pachterszoon.
-Dat de eigenaar van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt
-niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de fabriekswerklieden
-hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter vervolging te stellen. Dat mocht niet!
-De slag was evenwel niet gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over
-den gepleegden moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok,
-om den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van Soeka maniesan
-even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht men, dat ook hij dood was,
-daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen hij evenwel binnen de woning gebracht was,
-bespeurde zijne echtgenoote al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van
-leven gaf. In allerijl <span class="pageNum" id="pb2.283">[<a href="#pb2.283">283</a>]</span>werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen, wat evenwel eerst laat
-slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de politie op Soeka maniesan verscheen.
-Er viel niets anders te doen, dan den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig
-werd onderzocht, het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar
-zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van Gulpendam.
-Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden ontdekt, maar dat gaf
-niets; want door de geheerscht hebbende droogte, waren die spoedig door den morgenwind
-met eene stoflaag overdekt, zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters
-zich gewend hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat hij
-eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien springen, dat hij
-had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en daarbij een slag op het hoofd
-had gekregen, die hem bewusteloos had doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist
-hij natuurlijk niet. De verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon.
-Deze zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een grooten hoop
-dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn te zijn gekropen, toen het
-rietveld in brand geraakte, en hij beducht was, dat zijne schuilplaats ook door de
-vlammen aangetast kon worden. En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets
-kunnen waarnemen.
-</p>
-<p>Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie was ten einde
-raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en vol afgrijzen bij de gedachte
-aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben.
-Maar, wat men ook deed, of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid,
-totdat een visscher, die, met zijne schuit de <span class="corr" id="xd30e13409" title="Bron: Moera">Moeara</span> Tjatjing willende instevenen, buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan
-aantrof, dat in zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde
-dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van den Kandjeng
-toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend hebben en tot zijne visschersgezellen
-gepreveld hebben:
-</p>
-<p>„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!”
-<span class="pageNum" id="pb2.284">[<a href="#pb2.284">284</a>]</span></p>
-<p>Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en onaangenaamheden hij voor
-zich zelven opende, dan zou hij zich wel gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De
-boeaja’s (kaaimannen) zouden wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben.
-</p>
-<p>Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij ontelbare
-malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den regent, door den controleur,
-door den assistent-resident van politie, door den rechter van instructie. Al die autoriteiten
-meenden in hem den draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden
-den armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing kapala” (ijlhoofdig)
-en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn.
-</p>
-<p>Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was niet geoorloofd
-geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die deelen van het lichaam evenwel,
-die door de zeemonsters gespaard werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken
-bevonden en was het blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven
-was, hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp aangewend was
-geworden, om hem van het leven te berooven.
-</p>
-<p>Wat was er met hem gebeurd?
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid.
-</p>
-<p>En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing, waarmede de lezer
-in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de ruiterbende in woesten ren heenijlde.
-Zorgvuldig werden de dèsa’s vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd
-ook eene gardoe geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen.
-Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen het wortelboombosch
-bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was.
-</p>
-<p>Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen werd, was Lim Ho
-daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten gebonden, op den vloer uitgestrekt.
-Op een teeken van den aanvoerder, een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden
-geslaakt, en den prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden <span class="pageNum" id="pb2.285">[<a href="#pb2.285">285</a>]</span>een twintigtal Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was
-van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik zijner ledematen
-gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van trotsche hooghartigheid:
-</p>
-<p>„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?”
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die van gemaakte
-onderdanigheid getuigde.
-</p>
-<p>„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen van de hoogste
-gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne Leeuwenorde wijzende, die nog in
-groot formaat op zijnen lichtblauwen residents-rok bengelde.
-</p>
-<p>„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah ten teeken van
-eerbied maakten.
-</p>
-<p>„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar op het hoofd
-gekrenkt wordt!”
-</p>
-<p>Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het gevest hunner
-krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren weer stom.
-</p>
-<p>„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan, „zult gij beiden
-dood zijn.”
-</p>
-<p>„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit.
-</p>
-<p>„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou vreeselijk gewroken
-worden!”
-</p>
-<p>„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard. „Dat vonnis,
-wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;… daarna kan men met ons doen wat
-men wil,… als men ons ten minste in handen krijgt.”
-</p>
-<p>„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop.
-</p>
-<p>„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had, dan dat hij
-zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het wellustige oog op geworpen hadt,
-hier bij deze hut, de folterendste mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt?
-Gij hebt datzelfde meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met
-list in uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar botgevierd
-hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!”
-</p>
-<p>Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die woorden vernam.
-Hij begon te begrijpen, <span class="pageNum" id="pb2.286">[<a href="#pb2.286">286</a>]</span>in wiens handen hij zich bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover
-die dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet begrijpen,
-dat die Javanen de hand aan hem<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> den Kandjeng toean<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> zouden durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te moeten
-spreken.
-</p>
-<p>„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het opperhoofd, „dan is
-Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker alles doen, om hem zijn straf te
-doen geworden; maar wat heb ik gedaan?”
-</p>
-<p>„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende stem, „gij
-hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt! Gij hebt den man, waarvan
-ik straks sprak, in de gevangenis laten werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke
-straf veroordeeld; terwijl gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel
-van dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan de hand
-gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig veroordeelde in de onmogelijkheid
-te stellen, zijn kind te verdedigen bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op
-haar te ondernemen! Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar
-schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is reeds gedeeltelijk
-voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang hebben!”
-</p>
-<p>„Wa … wat? gedeeltelijk voltrokken.…” kreet de resident. „Mijne vrouw …?”
-</p>
-<p>„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de aanvoerder
-zich tot een van zijn gevolg.
-</p>
-<p>„Njonja mampoes!” was het korte antwoord.
-</p>
-<p>„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar genadig geweest,
-een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt leven. Zie hier op deze kris,
-die vlekken werden veroorzaakt door haar bloed!”
-</p>
-<p>„Die gil, dien ik dus gehoord heb.…”
-</p>
-<p>„Was haar laatste geluid op deze aarde.… Maar …” ging de Javaan, ontembaar hartstochtelijk
-voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen omspringen. Met eene vrouw konden wij
-kassian hebben! Gij, gij evenwel zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen,
-die gij anderen aangedaan hebt!”
-<span class="pageNum" id="pb2.287">[<a href="#pb2.287">287</a>]</span></p>
-<p>„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij weten te wreken!”
-</p>
-<p>„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!”
-</p>
-<p>„Gerechtigheid uitoefenen!… Wie zijt gij dan, die beweert gerechtigheid te willen
-uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie zijt gij?”
-</p>
-<p>„Wie ik ben?… Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld van allen, die
-onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige ziel verschenen?… Wie ik
-ben?… Gij zult het weten!”
-</p>
-<p>In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan greep den gevulden
-klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het gelaat af.
-</p>
-<p>„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte voor de beide
-gevangenen ophief.
-</p>
-<p>„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet.
-</p>
-<p>„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt.
-</p>
-<p>Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De te vereffenen
-rekening was verschrikkelijk.
-</p>
-<p>„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze nederknielden en klappertandend
-het hoofd op den bodem bogen.
-</p>
-<p>„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden met Dalima
-en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!… Hebt gij medelijden met mij en mijn vader gehad?…
-Spreek dan toch!… Dalima geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis
-opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van jaren tot
-dwangarbeid veroordeeld te worden!… En ik zou medelijden met u hebben?… Ha! ha!… Dan
-was ik wel de grootste „bodohk” (domkop) der geheele wereld!… Daarenboven … zeg …
-wat zoudt gij doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij Kandjeng
-toean, wat zoudt gij doen?”
-</p>
-<p>Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder scheen na
-te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een sprankje hoop te ontwaren.
-Bibberend van angst klemde hij zich aan dien stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn
-wankelende knieën <span class="pageNum" id="pb2.288">[<a href="#pb2.288">288</a>]</span>overeind, en handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen biggelden:
-</p>
-<p>„O, vrees niets!… Ik zal alles vergeven … Ik zal Kandjeng Gouvernement smeeken ook
-zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal mij verhooren … Al het onrecht, dat
-gepleegd is, zal hersteld worden … Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling
-zult erlangen … Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof mij, al wat gebeurd
-is, zal gebeterd worden.…”
-</p>
-<p>„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den aanvoerder hooren.
-„De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien ons Javanen al voor zeer onnoozel
-aan!”
-</p>
-<p>Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die hem scheen overmeesterd
-te hebben en hem als het ware in boeien geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof
-hij eene onwelkome gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek
-los en zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug.
-</p>
-<p>„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in mijne macht zijt,
-kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het vreesachtigste dier. Hebt gij
-ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig zien handelen, al gold het ook zijn leven?
-Gij hebt er genoeg naar de galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken,
-de bruine menschen weten te sterven. Medelijden!… Ha, ha, ha!… Thans doet gij beloften,
-en … wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die zult kunnen verkrachten!
-Beloften van een blanke!… Ha, ha, ha! Alsof wij de waarde daarvan niet kennen … Wanneer
-heeft ooit een blanke zijn woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer …”
-</p>
-<p>Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor.
-</p>
-<p>„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden! Integendeel, een
-wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de „hoekoem madoe”<a class="noteRef" id="xd30e13485src" href="#xd30e13485">6</a> toegedacht …”
-<span class="pageNum" id="pb2.289">[<a href="#pb2.289">289</a>]</span></p>
-<p>Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden.
-</p>
-<p>„Ampoen! Ampoen!” huilde hij.
-</p>
-<p>„.… maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm. „Wij zouden, voor
-dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden, en dat zou jammer zijn. Neen,
-daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de „hoekoem Kamadoog”<a class="noteRef" id="xd30e13502src" href="#xd30e13502">7</a> ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten toepassen; toen ik niets misdaan had,
-en de Kandjeng toean vond goed, die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet
-kunnen zeggen, dat ik wreeder ben dan gij waart.”
-</p>
-<p>„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen.
-</p>
-<p>„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne makkers gevende,
-vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar beneden!”
-</p>
-<p>In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van Gulpendam met
-hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon, hemd, enz. volgden aan flarden.
-Het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” lag weldra vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde
-bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De handen werden hen
-op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen eenvoudig den trap afgesmeten werden.
-De aanvoerder herinnerde Lim Ho, hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den
-dag gelegd had, toen Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling
-van boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen gebonden,
-die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde Chineezen en Ardjan gekneveld
-geweest waren.
-</p>
-<p>„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den boom, waarmede
-hij in herinneringsvolle aanraking geweest was, wijzende.
-</p>
-<p>„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden.
-<span class="pageNum" id="pb2.290">[<a href="#pb2.290">290</a>]</span></p>
-<p>Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk het bevel:
-</p>
-<p>„En, nu er op los!”
-</p>
-<p>Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de vreeselijke netels
-gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op de huid van de twee misdadigers.
-Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam van pijn weg.
-</p>
-<p>De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer hooren. Aanvankelijk
-wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de Westerlingen bezitten de taaie zielskracht
-der Oosterlingen in gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te
-kermen; daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne beulen
-verteederen.
-</p>
-<p>„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij.
-</p>
-<p>Op dat gehuil klonk tot antwoord:
-</p>
-<p>„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!”
-</p>
-<p>En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam. Even schrikkelijk,
-misschien nog schrikkelijker dan de anderen:
-</p>
-<p>„Meidema! Meidema!”
-</p>
-<p>„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend.
-</p>
-<p>Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet verstaanbaar meer,
-en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het regende voortdurend slagen met
-de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder
-alle bewustzijn verloren had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen
-en dus aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust stralend
-gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende blikken aan te staren.
-Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste, zijne vuisten balden zich krampachtig,
-terwijl de vreeselijke strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich
-weêrhouden, om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan
-op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een, om hem dezelfde
-mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne dierbaarste genegenheid te krenken,
-beiden om hem wegens opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen.
-<span class="pageNum" id="pb2.291">[<a href="#pb2.291">291</a>]</span>Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen, die zijn geheele
-bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen bij de herinnering aan hetgeen
-hij onder diezelfde mishandeling geleden had. En, zou er nog plaats voor deernis in
-zijn ziel geweest zijn, dan ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter
-hem stond en hem aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!”
-</p>
-<p>De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch dacht Ardjan
-er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij iederen slag, bij iedere aanraking
-met de vreeselijke bladeren, kromp de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid,
-pijnlijk weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot knoesten
-en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede, die overigens op hunne
-beenen niet meer vermochten te staan, en als levenlooze voorwerpen, als zakken in
-de touwen hingen, die hen aan de boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo
-vreeselijk gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan verschenen
-die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en verrieden door de wezenloosheid
-van hunnen blik het ontzettende lijden, waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende
-sloegen beide lijders met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts
-en links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen Niboeng-stam
-bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen kroonden, her- en derwaarts
-vlogen.
-</p>
-<p>Maar!… aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden. Langzamerhand
-namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en hingen de lichamen roerloos
-in hunne banden. Het was, alsof de ziel het lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak
-Ardjan op den meest onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne
-makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los); terwijl hij daarbij
-zonder een woord verder te spreken, met den vinger naar de zee wees. In een ommezien
-waren de touwen doorgesneden, en ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val
-opende Van Gulpendam nog eens de oogen.
-</p>
-<p>„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!”
-<span class="pageNum" id="pb2.292">[<a href="#pb2.292">292</a>]</span></p>
-<p>De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier ongeluk hij veroorzaakt
-had, benauwde zijne ziel in dien uitersten stond. Met dien naam op de lippen blies
-hij den laatsten adem uit. Ook Lim Ho gaf geen teeken van leven meer.
-</p>
-<p>De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den stroomdraad
-der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige minuten de wateren der Java-zee
-toevoerde.
-</p>
-<p>En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de Chineesche schoenerbrik
-<i>Kiem Ping Hin</i> te bespeuren, die, hare zending getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche
-vlag in top, voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust
-te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de kongsie Lim Yang
-Bing aan wal te brengen.
-<span class="pageNum" id="pb2.293">[<a href="#pb2.293">293</a>]</span></p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e13307">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13307src">1</a></span> <i>Adipattih</i> is schier een vorstelijke titel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13307src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13329">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13329src">2</a></span> <i>Gewone logeerkamers.</i> Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning op Java behooren een paar blokken bijgebouwen,
-die onder meer ook de logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting
-wel aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden, wordt
-dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13329src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13340">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13340src">3</a></span> <i>Iedere vrouw het gelaat moest afwenden.</i> In zeer vele streken der binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet
-daar een Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in haren
-slendang, een blanke, een van het <span class="corr" id="xd30e13343" title="Bron: overheerende">overheersende</span> ras, dan keert zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een
-boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten bekennen, dat
-dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13340src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13359">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13359src">4</a></span> <i>Teboe-njamploong</i> en <i>Teboe-itam</i> zijn variëteiten van de Saccharum officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een
-lichtgele bast, de teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch
-riet genoemd en munt uit door suikergehalte.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13359src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13393">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13393src">5</a></span> <i>Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van
-pornografische strekking versierd waren.</i> Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van Tandjong Prioek
-gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een klappertuin verscholen. Het heette een
-badhuis; maar waar de eigenaren de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald
-hadden, weet de hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten!&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13393src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13485">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13485src">6</a></span> <i>Hoekoem madoe</i> is eene verschrikkelijke doodstraf<span class="corr" id="xd30e13488" title="Bron: .">,</span> die in enkele gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast
-wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel ontkleed en aan
-een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf met „madoe” (honing) besmeert.
-Het duurt <span class="pageNum" id="pb2.289n">[<a href="#pb2.289n">289</a>]</span>alsdan niet lang, of die lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst
-belust op het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid en
-het vleesch van den <span class="corr" id="xd30e13493" title="Bron: patient">patiënt</span> aan, zoodat binnen een zestal uren de beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen
-heeten. De lezer zal wel gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat,
-alvorens de dood hem uit zijn lijden verlost.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13485src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13502">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13502src">7</a></span> <i>Hoekoem Kamadoog.</i> Zie daaromtrent de <a href="#n33.1">aanteekening</a> bladz. 33 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13502src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e1007">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
-<h2 class="label">XLII.</h2>
-<h2 class="main">Naar en in de Goewah Temon.—Besluit.</h2>
-</div>
-<div class="divBody">
-<p class="first">„Anna!… Anna!…” had Van Nerekool geroepen.
-</p>
-<p>In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij de buiging
-van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen verdwenen. Toen Karel, Theodoor
-en Murowsky het punt bereikten, waar zij de lieve gestalten voor het laatst gezien
-hadden, was er van haar niets meer te bespeuren.
-</p>
-<p>„Anna!… Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep.
-</p>
-<p>Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den kant, van waar
-zij kwamen.
-</p>
-<p>Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad slingerde scherp
-omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich voortgespoed hadden, was het geen wonder,
-dat zij verademing noodig hadden.
-</p>
-<p>„Anna!… Anna!…” kreet Karel andermaal.
-</p>
-<p>Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen: Anna! Anna!
-scherp liet hooren.
-</p>
-<p>Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de ribben en wrongen,
-die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed hier een groote rots, week ginds
-voor een plotselinge kronkeling van eene woeste bergbeek uit, overwon elders door
-zijn zigzag-wendingen eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde
-blijkbaar naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms, ja
-veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee <span class="pageNum" id="pb2.294">[<a href="#pb2.294">294</a>]</span>bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning te verleenen,
-putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat daarbij de knieën op die steile
-hellingvlakten schier ontwricht werden, werd iedere afdaling door eene hoogere stijging
-gevolgd, die de longen op eene geduchte proef stelde.
-</p>
-<p>Maar.… voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld van Van Nerekool
-gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie hijgden, snakten naar adem of bliezen
-als noordkapers; maar getroostten zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne
-meening moesten zij de beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden,
-want het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of links uitwijken
-tot de onmogelijkheden gerekend konde worden. Intusschen van Anna en Dalima werd niets
-meer bespeurd, hoe de vervolgers <span class="corr" id="xd30e13565" title="Bron: den">dan</span> ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt hadden, en soms een uitgestrekt
-gedeelte van het te volgen pad overzien konden.
-</p>
-<p>Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en stonden een
-oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar, hoe zij ook uitkeken, van
-de beide lieve meisjes was geen spoor te ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom
-of daalde, slingerde tusschen rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig
-geboomte door, en leverde geen uitgebreiden gezichtskring op.
-</p>
-<p>„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit! Vooruit!”
-</p>
-<p>Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes waren veel voor.
-Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken voorsprong gehad, toen de vervolging
-begon. Dan hadden zij zich met vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend
-was, en dat zij gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid gelegenheid
-gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te snijden. Eindelijk had de angst
-van ingehaald te worden, Anna vleugelen verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest
-haar te volgen. Toen zij het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit
-in zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der branding,
-die zich, zoolang de meisjes zich <span class="pageNum" id="pb2.295">[<a href="#pb2.295">295</a>]</span>op de berghelling bevonden hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen,
-was thans duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen
-richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de machtige mokerslagen,
-die de oceaan aan de loodrechte rotswanden, waartegen hij brak, toebracht.
-</p>
-<p>„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend.
-</p>
-<p>„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek.
-</p>
-<p>„Maar, waarheen, Nana?”
-</p>
-<p>„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger zuidwaarts wees.
-</p>
-<p>„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima.
-</p>
-<p>„Ja, daar moeten wij zijn!”
-</p>
-<p>„Maar, wat wilt ge daar?”
-</p>
-<p>„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.”
-</p>
-<p>„Daar eene schuilplaats, Nana?”
-</p>
-<p>„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!”
-</p>
-<p>„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima voortstrompelend,
-echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de naakte rots?”
-</p>
-<p>„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd.
-</p>
-<p>„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht nemen?”
-</p>
-<p>Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een hinde voortijlende,
-was de residentsdochter hare Javaansche gezellin ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe
-sterk van gestel deze laatste ook was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand,
-waarin zij zich bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel,
-en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen wonder, dat de krachten
-haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar naar het hoofd te stijgen, hare slapen
-klopten, hare ooren suisten, hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen,
-een ondragelijk gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij
-voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te bezwijken.
-Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij. Maar hare geestkracht hield
-haar staande. Zij volgde hare gezellin, terwijl zij prevelde:
-<span class="pageNum" id="pb2.296">[<a href="#pb2.296">296</a>]</span></p>
-<p>„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit).
-</p>
-<p>Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten.
-</p>
-<p>Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een rotsgevaarte, dat
-het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor haar breidde zich de Indische
-Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200 voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid
-uit. Angstig keek zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over
-eene groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets te ontwaren.
-Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of zouden zij haar niet bespeurd
-hebben? Zij meende toch herhaaldelijk haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon
-evenwel eene uitwerking harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij
-het oog achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik. Maar, niets!
-niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die hijgend en kreunend bij haar
-aangekomen was, en zich schier onmachtig op den grond had laten vallen. Zij zette
-zich naast hare gezellin neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche
-wijze de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet niet na,
-haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima kalm zag. Toen dat doel
-bereikt was, keek zij nog eens angstig achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde,
-vastbesloten vooruit naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden.
-</p>
-<p>„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de Goewah Temon<a class="noteRef" id="xd30e13597src" href="#xd30e13597">1</a> hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een toevlucht zoeken.”
-</p>
-<p>En andermaal noordwaarts kijkende.
-</p>
-<p>„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te ondernemen …
-Ik zie niets,” zei ze met een zucht. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als Karel mij op het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.”
-</p>
-<p>Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al verborg zij
-zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het Westen, dat wil zeggen, <span class="pageNum" id="pb2.297">[<a href="#pb2.297">297</a>]</span>dat zij een open oog had voor de heerlijkheden, welke de natuur ter bewondering aanbood.
-Voor haar strekte zich de Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende,
-maar toch een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water elkander
-schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij nam de zee een donkerblauwe
-tint aan, die met het azuur des hemels een eigenaardige schakeering vormde, welke
-te merkbaarder werd door de groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen,
-en vaak de verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware vloeibare
-heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden, en nu met den spoed
-van een sneltrein naar den Java-wal losstormden. Die deiningbaren waren glad en effen,
-want geen windje rimpelde hare hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben
-kunnen vergelijken van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in
-golvende beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de gelederen
-van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van den gezichteinder zwakhellend,
-als ware de oceaan te amechtig om zich te verheffen. Maar naar den kant van den wal
-was die helling steil, scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich
-voor als een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van den
-deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde, des te meer steigerde
-die top op, des te scherper werd hij. De beide hellingen naderden elkander al meer
-en meer. Eindelijk was het geene ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was
-een nok, later nog slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den
-voet van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon voorover
-te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog meer kromde, ten slotte
-als het ware scheurde, en zich met een breeden sneeuwwitten rand, als met eene schitterend
-zilveren franje tooiende, met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte
-van den oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee deed
-veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend tegen den rotswand
-kwam <span class="pageNum" id="pb2.298">[<a href="#pb2.298">298</a>]</span>opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en niet verder!
-</p>
-<p>Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in woedende golven
-kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te voelen ontzinken, als het
-wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek maar liever daar ver, zeer ver aan den
-horizon. Daar nagenoeg zuiver ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie,
-heuvelachtige eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand,
-van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de watervlakte drijvende,
-vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke zich op den Tjimering-heuvel<a class="noteRef" id="xd30e13617src" href="#xd30e13617">2</a> verhief, en door zijne witte kleur zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij
-zich als een smalle, rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak
-der zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof groote,
-witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die gelijkenis wilde bekrachtigen,
-kwam er een zwerm steltloopers voorbij gevlogen, die als een mat-witten band op het
-azuur des hemels vormden en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de
-vischrijke moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle
-vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart.
-</p>
-<p>„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer ver!”
-</p>
-<p>En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar vervlogen leven.
-Het beeld van Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool verscheen voor haren geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie
-voor, hoe gelukkig zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich,
-de <span class="corr" title="Niet in bron">„</span><i lang="fr">invitation à la valse</i>,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen gestrengeld, gezweefd had, en hem
-de bekentenis zijner liefde ontsnapt was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke
-oogenblikken, die zij daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag
-het Pandanboschje, waarachter Karel haar staande <span class="pageNum" id="pb2.299">[<a href="#pb2.299">299</a>]</span>hield, om haar nogmaals zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van
-den oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren, weerklonk in
-hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo en cornet à piston gebracht:
-</p>
-<div lang="fr" class="lgouter">
-<p class="line">„Un jour <span class="corr" id="xd30e13635" title="Bron: l’ame">l’âme</span> ravie,
-</p>
-<p class="line">Je vous vis si jolie,
-</p>
-<p class="line">Que je vous crus sortie
-</p>
-<p class="line">Du céleste séjour.
-</p>
-<p class="line">Etait-ce donc un ange, une femme,
-</p>
-<p class="line">Qui venait d’embraser mon âme?
-</p>
-<p class="line">Las! Je ne sais encor … mais depuis ce beau jour,
-</p>
-<p class="line">Je sais que j’âime d’un pur amour!”</p>
-</div>
-<p class="first">Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem:
-</p>
-<p>„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster,
-anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!”
-</p>
-<p>Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende:
-</p>
-<p>„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet het, gij hebt
-mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier, waar wij ons
-alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God. O,
-herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt.”
-</p>
-<p>Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren in haar hart
-gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar antwoord was. Zij voelde;…
-maar evenals te Santjoemeh was de ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem
-harer moeder meende zij nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl … Neen …
-dat niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een verwijtenden blik
-ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in ramp verkeerd was. Het liefelijke
-droombeeld was reeds verdwenen.
-</p>
-<p>„Een verwoest leven!” zuchtte zij.
-</p>
-<p>Een plotselinge kreet deed haar ontzetten.
-</p>
-<p>„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen).
-</p>
-<p>En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging <span class="pageNum" id="pb2.300">[<a href="#pb2.300">300</a>]</span>van het pad Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden. Zonder
-zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar naar de zee afdaalde,
-naar beneden.
-</p>
-<p>„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat gij doen?”
-</p>
-<p>Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar alvorens zij opgestaan
-was, was Anna haar reeds ver vooruit. Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was,
-kon zij haar onmogelijk vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling
-gekomen was, welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde,
-kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste sporten eener
-rottanladder te zien grijpen, welke langs dien natuurlijken muur naar beneden voerde.
-</p>
-<p>„Nana!… Nana!…” kreet zij.
-</p>
-<p>Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;… zij zag haar lichaam
-trede voor trede verdwijnen.
-</p>
-<p>„Nana!… Nana!…”
-</p>
-<p>Nu kon zij het hoofd nog slechts zien … Dat dook ook weg. Nu ontwaarde zij slechts
-de handen, die de bovenste sport omklemden …
-</p>
-<p>„Nana!<span class="corr" id="xd30e13666" title="Bron: ..">…</span> Nana!…”
-</p>
-<p>Ook die handen lieten los;<span class="corr" id="xd30e13672" title="Bron: ..">…</span> eerst de eene … toen de andere … Juist bukte Dalima zich, om die laatste hand te
-grijpen … Weg!… weg!
-</p>
-<p>Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht het hoofd over
-den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte. Helaas! wat zij daar zag was
-ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden
-haar oog trof.
-</p>
-<p>„Nana!… Nana!<span class="corr" id="xd30e13678" title="Bron: .,.">…</span>” kreet zij nogmaals.
-</p>
-<p>Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van Nerekool stond naast
-haar.
-</p>
-<p>„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar is nonna Anna!”
-</p>
-<p>„<span lang="ms">Allah! tobat, toean!</span>” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met hartverscheurende stem uit, en
-wees met den vinger in de diepte.
-</p>
-<p>„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl <span class="pageNum" id="pb2.301">[<a href="#pb2.301">301</a>]</span>hij zich op zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen.
-</p>
-<p>Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de gevaarlijke
-stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig voorover buigen van het
-bovenlijf over den rotsrand, was het noodig, dat die twee hem bij de beenen grepen.
-</p>
-<p>„Karel!… Karel!…” riepen zij ontzet.
-</p>
-<p>„Anna!<span class="corr" id="xd30e13696" title="Bron: .,.">…</span> Anna!…” kreet hij op hartverscheurenden toon.
-</p>
-<p>Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder<a class="noteRef" id="xd30e13701src" href="#xd30e13701">3</a> behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde die ladder
-onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee, en werd door de verbolgen
-branding heen en weer geslingerd. Kwam de baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept,
-de grot in, waarin het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde
-dat uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel onstuimigheid
-spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat slingeren smakte Anna herhaalde
-malen tegen den rotswand, of hing zij op aanmerkelijken afstand van dien muur boven
-de zee, die onder haar woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar
-het meisje opspatte als naar eene wisse prooi.
-</p>
-<p>Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel.
-</p>
-<p>„Anna!… Anna!…” kreet hij andermaal.
-</p>
-<p>Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij was reeds
-twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk zij dadelijk herkende,
-zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe lucht zag afteekenen, stiet zij een
-gil uit, en haastte zich verder naar beneden.
-</p>
-<p>Van Nerekool sprong op.
-</p>
-<p>„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd.
-</p>
-<p>En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen verzetten, had
-hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den afgrond uitgestrekt, en op
-<span class="pageNum" id="pb2.302">[<a href="#pb2.302">302</a>]</span>een der eerste sporten geplaatst, en begon hij de schrikkelijke afdaling. Het was
-thans de beurt van Grenits en Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde
-gade te slaan, wat daar beneden hen gebeurde.
-</p>
-<p>Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die beweeglijke ladder
-boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden gevoelden zich benauwd, schier
-ademloos, en bovenal rampzalig ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp
-vermochten aan te brengen.
-</p>
-<p>Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust gehoor aan den
-aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde nog sneller naar beneden. Evenwel
-begon eene andere gedachte haar bezig te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa
-Ajo over de Goewah Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die
-grot, welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te dringen
-was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon geschieden, daar de zool
-der schacht ter hoogte van zes voeten onder water was. Daarvoor was zij evenwel niet
-teruggedeinsd; want zij zwom als eene meeuw. Maar … maar … dat was bij eb. Bij eb!…
-Ja, bij eb … wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen verwijderd
-blijft … En thans … thans beukten de golven tegen de rotswanden, de deining brak tegen
-hun voet.… Het was haar daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg … En zij
-daalde steeds … daalde … daalde nog meer.
-</p>
-<p>„Anna!… Anna!” kreet Karel boven haar.
-</p>
-<p>Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die ingang bij lagen
-waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die poortopening nu klein voor! O,
-een groot gedeelte was onder de wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen
-te kunnen bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar binnenste
-aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne inzameling ten dienst te zijn …
-Zij stak reeds de hand uit, om die kabels te grijpen … Daar krulde een onmetelijk
-hooge baar aan hare voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der
-ladder, die zonder steun voor de opening der grot slingerde, <span class="pageNum" id="pb2.303">[<a href="#pb2.303">303</a>]</span>met zoo’n kracht, dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor,
-de handen losliet en in de diepte neerstortte.
-</p>
-<p>„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val.
-</p>
-<p>Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende branding drijven.
-Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in een lijkwa rollen en wentelen.
-Een ondeelbare seconde zag hij haren donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen
-grond golven; toen werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij
-voor zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk verloren. Hij
-bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste wezen verzwolgen had en wist
-niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust komen, hij zag haar naar zee terugijlen,
-hij zag het water met grootsche kracht de grot uitstroomen; maar … in de helderblauwe
-kolom, die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een lijk of
-op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot gebleven was; hetzij zij
-zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare kleeding ergens aan was blijven haken.
-Snel daalde hij. Hij moest van het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een
-nieuwe baar aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep
-hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed veeleer naar beneden,
-en.… daar greep hij een der rottankabels der stelling, en had zijn voet de ladder
-verlaten, toen deze andermaal geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en
-weder geslingerd werd.
-</p>
-<p>Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten zich op evenwijdigen
-afstand van elkander langs den wand naar het binnenste der grot uit. Van afstand tot
-afstand waren zij met gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen
-kon hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen. vastklemmen<span class="corr" id="xd30e13727" title="Bron: ,">.</span> Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem fladderden de „lawets” (zeezwaluwen)
-met schellen kreet, en vlogen door het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde
-waterstof de grot in en uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat
-menschelijk wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen
-op hunne nesten.
-<span class="pageNum" id="pb2.304">[<a href="#pb2.304">304</a>]</span></p>
-<p>Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van Karel in de grot
-met de grootste ontsteltenis waargenomen.
-</p>
-<p>„Wat nu?” riep de een.
-</p>
-<p>„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere.
-</p>
-<p>Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij dat vernomen
-had, riep zij:
-</p>
-<p>„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng, waarmede hij
-wel eens de Goewah’s bezoekt!”
-</p>
-<p>En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat vermoeidheid, en ijlde
-reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen, af.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had.
-</p>
-<p>De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee blanken vernam.
-Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali Djeties. En, inderdaad, daar worstelde
-het afstroomende rivierwater met den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven
-in woeste brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat gezicht
-als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten opgeven, en Van Nerekool aan
-zijn lot overlaten?
-</p>
-<p>„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de grot brengt!”
-</p>
-<p>De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek achter het oor.
-</p>
-<p>„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan.
-</p>
-<p>Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde angstvallig eenige
-woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze schenen niet zoo zwaartillend. Zij
-antwoordden met een gebaar van geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin
-de beide Europeanen hen volgden.
-</p>
-<p>„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak Grenits aanmoedigend
-tot hen.
-</p>
-<p>„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs” (pagaaien)
-gerept!”
-</p>
-<p>De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig genomen, en voerde
-den stuurpagaai. Ook <span class="pageNum" id="pb2.305">[<a href="#pb2.305">305</a>]</span>de beide Europeanen en zelfs Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen
-naar vermogen om te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes schepbladen
-snel vooruit.
-</p>
-<p>Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De loerah stuurde
-naar het midden van den ingang der Moeara, om de wielingen en terugstroomingen des
-waters door den gekartelden, rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den
-stroomdraad der rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees
-ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet zich de aandrang
-van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier vertraagde toch langzamerhand,
-vertraagde nog meer, totdat zij eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen
-begon nu de oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes
-tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in omvang toe, zij
-sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig eene stampende beweging te geven.
-Men was de zone der brekers nabij. De djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich
-reeds te midden van de melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende
-opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt. Zij scheen
-op schuim te dansen.
-</p>
-<p>De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te turen, en
-hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er tegen beukten, hoezeer
-de wielingen hem in zijne hand poogden te verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen
-laten vooruitschieten? Toen de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam
-nog op een zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de
-daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen, meende hij, dat
-ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als eene onmetelijke plooi kwam
-zij aangerold. Voor hen, die in de djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een
-berg. Zij ijlde het vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf
-pagaaien steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds, als
-het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig genoeg <span class="pageNum" id="pb2.306">[<a href="#pb2.306">306</a>]</span>scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een schitterenden zilverrand,
-en scheen een aanrollenden blauwen muur te zijn, die, blinkend gepolijst, onder de
-zonnestralen schitterde.
-</p>
-<p>„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der baar en haren
-afstand zorgvuldig gadesloeg.
-</p>
-<p>De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng spoedig hare
-voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij zonder eenigen aandrang vooruitging
-de baar te gemoet. Het was of zij opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen
-ging.
-</p>
-<p>„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij zelf zijn werktuig
-te water sloeg.
-</p>
-<p>Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk gehoorzaamde en achteruitstoof;
-want, daar helde de baar in een onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts,
-een ondeelbare seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij
-gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en waardoor zij zich
-als een overgrooten in vorming zijnde cilinder voordeed, wiens wanden gedeeltelijk
-uit zachtblauw doorschijnend kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop
-voorover, vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met donderend
-geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen, en overtoog het geheele
-oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend wit schuim.
-</p>
-<p>„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah.
-</p>
-<p>En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de wielingen,
-de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij moest zich reppen. Zij moest
-die streek voorbij zijn, alvorens de achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben,
-zij moest in volle zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht
-sloegen de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een poos,
-nog eene inspanning.… Daar verhief zich de steven.…
-</p>
-<p>„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne inspanningen verdubbelde.
-</p>
-<p>Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de <span class="pageNum" id="pb2.307">[<a href="#pb2.307">307</a>]</span>helling der baar op, die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik
-op de kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht zweefden,
-en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot de andere helling vlug
-af, en.… was nu buiten gevaar.
-</p>
-<p>Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den ingang van
-de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer hoogte kwam, was de eb reeds
-ingetreden en had de stuurman slechts eenige voorzichtigheid te betrachten, om die
-grot binnen te loopen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Wat vond inmiddels daar binnen plaats?
-</p>
-<p>Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het halfduister, dat
-in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij bespeurde, dat dit onderaardsche
-gewelf zich zeer ver onder den berg uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool
-der grot onmerkbaar klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot
-slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte heerschte zij
-dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter. Aanvankelijk bespeurde hij
-niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk
-volbracht, en de grot al dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok,
-waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te ontwaren. Van
-de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij zich behendig naar beneden
-zakken, en was gelukkig genoeg de bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook
-deze verleende hem steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en
-daar vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de brokstukken
-van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van haar lichaam lag in het
-water; het hoofd rustte op haren arm, die een vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel
-omvatte Karel haar middel, en tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich
-haasten; want het was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk
-was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd. Na eene geweldige
-<span class="pageNum" id="pb2.308">[<a href="#pb2.308">308</a>]</span>inspanning gelukte het hem, <span class="corr" id="xd30e13779" title="Bron: haâr">haar</span> op het bovenvlak van de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed
-zich van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats zooveel
-mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen schoot, en in die houding
-liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek wischte hij haar het zeewater van het
-bleeke gelaat en spreidde hare weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te
-doen drogen. Een enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer
-het bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar veilig zaten.
-Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er aan geen terugtocht te denken
-viel, daarvoor was het geweld van de deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot.
-Met laag water zou het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der
-grot heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien tijd wel
-tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen tot bij de opening en
-eenmaal op de ladder …
-</p>
-<p>„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het aangebeden meisje,
-dat daar op zijne knieën lag, met teederheid beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky
-zullen wel geene pogingen onbeproefd laten om ons te hulp te komen.”
-</p>
-<p>Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar doorleefde.
-</p>
-<p>Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op aarde was, dat
-hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen, dat hem zijn slaap ontroofde,
-welks beeld hem immer en overal voor oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met
-al den gloed van zijne geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand,
-die zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare Javaansche
-kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De slendang, die haar hoofdje bedekt
-had, was zij bij het afdalen der ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding
-daarenboven, vooral de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat,
-en modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare lendenen, hare
-heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen bedekking mocht heeten, en rustte
-het meisje onbewust, in <span class="pageNum" id="pb2.309">[<a href="#pb2.309">309</a>]</span>hare volle bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar aanbad,
-maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk waarachtig een plaats
-in Dante’s hel had mogen erlangen.
-</p>
-<p>Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld waterstof,
-die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met een mystieken ether vulde,
-brachten het hunne bij, om aan de houding van het lieve kind, iets verhevens, iets
-bovenaardsch mede te deelen. Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde,
-lag Anna daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig deed
-op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich baan brak, eene onbescheiden
-gaping van de kabaja deed ontstaan, welke bekoorlijkheden liet ontwaren, die door
-den blik van den verliefde verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden.
-</p>
-<p>Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde.
-</p>
-<p>Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de terugtred der golven
-merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong, woelde, kookte, bruiste, schuimde
-als de voorafgaande, maar klom minder hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren
-zoo moeten duren, alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te
-schrijden.
-</p>
-<p>„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn branderige blik op
-het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige omtrekken van dat schoon gevormde lichaam
-strak bleef gevestigd. „In haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan
-in mij!”
-</p>
-<p>Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren bewusteloozen
-toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te wisschen, wilde hij haar helpen.
-Met zachte hand bewoog hij zijn zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij
-moeten voorover bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren
-hals in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de oogen op;.…
-maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij draaide het hoofd.… keek rond
-en eindelijk ook Karel in het gelaat. Met een kreet voer zij op.
-<span class="pageNum" id="pb2.310">[<a href="#pb2.310">310</a>]</span></p>
-<p>„Gij, gij hier?”<span id="xd30e13798"></span> riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten.
-</p>
-<p>Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst.
-</p>
-<p>„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog onstuimig.”
-</p>
-<p>„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil … ik zal …”
-</p>
-<p>En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen.
-</p>
-<p>„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve glibberig,” zei
-hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.”
-</p>
-<p>Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de worsteling wilde opgeven.
-Toen zij evenwel een blik op haar zelve sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich
-in de armen van een man bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar
-gelaat was door het zeewater van de verf, die het bedekt had, <span class="corr" id="xd30e13808" title="Bron: gegereinigd">gereinigd</span> geworden. De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij sloeg
-de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder.
-</p>
-<p>„Laat mij, Karel, laat mij”<span id="xd30e13813"></span> sprak zij in de uiterste verwarring.
-</p>
-<p>Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat met honderden
-kussen.
-</p>
-<p>„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden<span class="corr" id="xd30e13818" title="Bron: .">,</span>” kreet hij in het paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!”
-</p>
-<p>„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende, beschroomde
-stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk afweerde. „Ik kan en mag u
-nimmer toebehooren.”
-</p>
-<p>„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde.
-</p>
-<p>Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar. Althans met
-weemoedige stembuiging hernam zij:
-</p>
-<p>„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en … nietwaar?… gij hebt mij te
-lief, om mij anders te verlangen.”
-</p>
-<p>De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool besefte, hoezeer
-hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit zijne omklemming los, <span class="pageNum" id="pb2.311">[<a href="#pb2.311">311</a>]</span>hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen hield.
-</p>
-<p>„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet kunnen worden?”
-vroeg hij met aandrang.
-</p>
-<p>„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen uitvoerig …
-Laat mij nu los!”
-</p>
-<p>Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter niet.
-</p>
-<p>„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd …” hernam hij.
-</p>
-<p>„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende.
-</p>
-<p>„Nu uw vader en moeder d …”
-</p>
-<p>„Wat, mijn vader en moeder dood?”… riep zij uit, voordat hij het laatste woord nog
-uitgesproken had.
-</p>
-<p>Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met beide handen
-en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in die half duistere grot,
-die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne hemdsmouwen zat, en de andere met haar
-natte sarong en kabaja ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die
-rots te zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend aanstarend,
-en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed woelden en waarvan zijn
-levensgeluk afhing.
-</p>
-<p>„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed zijn zoo eene
-tijding te verzinnen! Karel!… Karel, wat moet ik gelooven?”
-</p>
-<p>„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw kinderlijk gevoel zou
-kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg, Anna?”
-</p>
-<p>Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu evenwel bood
-zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het was alsof zij, nu zij wees
-was, nu zij zich alleen op de wereld gevoelde, thans bescherming zocht bij den man,
-die zoozeer indruk op haar gemaakt had.
-</p>
-<p>„Beiden dood …” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel mij, hoe zich dat
-toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles
-weten.”
-<span class="pageNum" id="pb2.312">[<a href="#pb2.312">312</a>]</span></p>
-<p>„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet, waren uwe ouders
-springlevend<span class="corr" id="xd30e13846" title="Bron: ,">.</span> Dien morgen toen ik met Grenits naar herwaarts reisde.…
-</p>
-<p>„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?”
-</p>
-<p>„Ja, dierbare,.… toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar Soeka maniesan?”
-</p>
-<p>„Soeka maniesan?… Wat is dat?” vroeg zij.
-</p>
-<p>„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie Santjoemeh
-gelegen.… Eerst te Gombong kregen wij tijding van het overlijden, een telegram …”
-</p>
-<p>En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet veel was, namelijk,
-dat het paar door eene bende ketjoe’s was omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn
-hem bizonderheden toezeide, had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen.
-</p>
-<p>Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen, om van de
-ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo teêrgevoelige ziel moest gemaakt
-hebben. Het lieve kind zat, tegen hem aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter
-had hoegenaamd geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had
-de scheiding bewerkstelligd; zij was <span class="corr" id="xd30e13857" title="Bron: heêngegaan">heengegaan</span> om hen nimmer weer te zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen
-daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad, om het weerzien
-onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken, vloog hare ziel de wezens, waar
-zij het leven aan verschuldigd was, te gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde,
-om slechts aan het goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in
-hare macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het gebeurde
-ongedaan maken.
-</p>
-<p>Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand ingetreden, en trok het
-water zich terug. Bij iedere deininggolf, die aanrolde, drong minder water de grot
-binnen, spatte het minder hoog, pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort,
-totdat de kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen gelden.
-Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen, zich daar in de grot kringsgewijze
-<span class="pageNum" id="pb2.313">[<a href="#pb2.313">313</a>]</span>uitbreidden, en met zacht geklots de rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken.
-</p>
-<p>„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te breken, en
-aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen. „Wij zouden andermaal door
-den vloed verrast kunnen worden.”
-</p>
-<p>Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag, begreep ook zij,
-dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de vloed weer zou kunnen komen
-opzetten. Zij veegde hare tranen af.
-</p>
-<p>„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.… „Maar kunt gij zwemmen? Want gij ziet, het water
-dat in de grot blijft staan, is veel te diep om doorwaad te kunnen worden.… Ja … kunt
-ge? Dan is de ladder, die daar bengelt, spoedig bereikt.”
-</p>
-<p>Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden, laten afglijden.
-Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om haar middel, en drukte haar zacht
-tegen zich aan.
-</p>
-<p>„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over liefde te spreken,”
-hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten tijd zoo ontzettend ongelukkig
-gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet meer te willen ontvluchten?”
-</p>
-<p>Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van droefenis was
-over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar onmogelijk een woord te kunnen
-uiten.
-</p>
-<p>„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij zacht fluisterend
-aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene meesteres<span class="corr" id="xd30e13873" title="Bron: ,">.</span> <span id="xd30e13876"></span>Zeg, Anna, mag ik hopen?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>.…
-</p>
-<p>Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep die hand, hij
-drukte er een innigen kus op.
-</p>
-<p>„Dank!” zei hij<span class="corr" id="xd30e13883" title="Niet in bron">.</span> „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord geven … Nogmaals dank!… Maar,
-Anna nu te water. Wij moeten hier weg!”
-</p>
-<p>Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen vernomen werden.
-Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en Murowsky, vergezeld van een
-paar Javanen, die—wij weten het—in eene djoekoeng bij den ingang der grot verschenen.
-<span class="pageNum" id="pb2.314">[<a href="#pb2.314">314</a>]</span></p>
-<p>„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!”
-</p>
-<p>Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare natte kabaai en
-sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij voelde het oog van Karel op haar
-rusten, en dat maakte hare verwarring nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop
-zij gezeten had, en bood haar dat aan.
-</p>
-<p>De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden waren uitgelaten
-van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden springlevend terugvonden. De loerah
-van de dèsa Ajo had bij het van wal steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen.
-</p>
-<p>„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij overtuigd, dat een
-ongeluk gebeurd was.
-</p>
-<p>De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en werd daarbij door
-Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den djoekoeng glijden.
-</p>
-<p>Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar uren later waren
-Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het huisje op de helling van den
-Goenoeng Poleng vereenigd. In die samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor
-dat de zon het zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe,
-en waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die twee draagstoelen,
-die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met jachtgeweren gewapend waren.
-</p>
-<p>Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij zou daar blijven
-logeeren, totdat.… Ja, totdat de rouwtijd om zoude zijn.
-</p>
-<p>Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong terug. Theodoor
-en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid nemen en hem bedanken voor het
-verleende verlof aan Murowsky.
-</p>
-<p>„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht geslaagd?”
-</p>
-<p>„Uitmuntend,” antwoordde Grenits.
-</p>
-<p>„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?”
-</p>
-<p>„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen een fraai,
-een onvindbaar kapelletje, een <span lang="la">puella formosa</span><a class="noteRef" id="xd30e13904src" href="#xd30e13904">4</a> gevangen.”
-<span class="pageNum" id="pb2.315">[<a href="#pb2.315">315</a>]</span></p>
-<p>„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het lijf.”
-</p>
-<p>Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan het kapelletje
-dat opgespoord was.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer door
-en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der plechtigheid kwam
-ook Willem Verstork aan, die na den dood van den resident Van Gulpendam weer naar
-de residentie Santjoemeh overgeplaatst werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid,
-daar een telegram de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van
-Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan den grond geraakt
-was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig niet voorspoedig ging, was hij
-ontscheept, en had de reis van laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen
-van den Slamat<a class="noteRef" id="xd30e13928src" href="#xd30e13928">5</a> naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis vertraging, waardoor hij te
-laat aankwam voor de plechtigheid; maar toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken
-dag in te stemmen in het koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel.
-Als ooit hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van dien
-vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de jonggetrouwden omgaf.
-</p>
-<p>Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van Nerekool naar
-Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden reizen. De rechterlijke ambtenaar
-was bij den raad van Justitie aldaar overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne
-standplaats, <span class="pageNum" id="pb2.316">[<a href="#pb2.316">316</a>]</span>Murowsky naar Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne dagelijksche
-taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten. Allen werden evenwel door
-eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo namen zij zich voor—alle hunne daden zoude
-kenmerken. En die gedachte was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog <span lang="fr">á outrance</span> aan de opiumpacht! Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap
-der arme bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan zoude
-het opiumverbruik wel verminderen.
-</p>
-<p class="tb"></p><p>
-</p>
-<p>En nu<span class="corr" id="xd30e13947" title="Bron: .">,</span> om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel van dit boek strekt,
-zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima weinige maanden, nadat de beide geliefden
-elkander in een der grotten van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden,
-een dood kind had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in weerwil
-van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had zij een gevoel van moederweelde
-in zich voelen ontkiemen en grooter worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare
-lendenen omsloten droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind
-hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen ander moeder
-het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het wicht klaar, geene wieg, zooals
-wij Westerlingen die kennen, neen, een eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door
-haar zelve gevlochten, doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien,
-en door een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te felle
-lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou vormen, dat opgehangen
-met een paar stevige touwen aan de sparren van de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk
-zij bewonen zou, heen en weer wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde,
-zacht op de gambang<a class="noteRef" id="xd30e13950src" href="#xd30e13950">6</a> zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de heerlijke tonen te verrukken. En
-dat alles was nu weg! Hare vrucht was niet bestand geweest tegen de vermoeienissen,
-welke zij zich zelve opgelegd had, <span class="pageNum" id="pb2.317">[<a href="#pb2.317">317</a>]</span>tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de Goewah Temon, waar hare Nana
-zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest;
-maar … de tijd verzacht de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij
-zou tot haren laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd.
-Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de huwelijksweelde van het
-jonge paar zouden komen verrijken en, voor ieder, die met de innige genegenheid bekend
-is, waarmede de Javanen zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten,
-wanneer zij door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat
-voornemen stipt getrouw zou blijven.
-</p>
-</div>
-<div class="footnotes">
-<hr class="fnsep">
-<div class="footnote-body">
-<div id="xd30e13597">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13597src">1</a></span> <i>Goewah Temon.</i> Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den Watoe Boetak<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> een uitlooper van den Goenoeng Poleng.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13597src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13617">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13617src">2</a></span> De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op 7°46′30″ Z. Breedte
-en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien heuvel—525 voet hoog—verheft zich een
-vuurtoren ter hoogte van 80 voet met wit draailicht, dat op 6 D.&nbsp;G. Mijlen zichtbaar
-is.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13617src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13701">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13701src">3</a></span> <i>De lange ladder.</i> De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet lang, die van de Tenom-grot, waarop
-hier gedoeld wordt, verschilt daarmede zeer weinig.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13701src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13904">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13904src">4</a></span> <i lang="la">Puella formosa</i> beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel <span class="pageNum" id="pb2.315n">[<a href="#pb2.315n">315</a>]</span>gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van Gulpendam.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13904src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13928">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13928src">5</a></span> <i>De Slamat</i> is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de grenzen der residentiën Tegal
-en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene hoogte van 10.385 voet.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13928src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-<div id="xd30e13950">
-<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13950src">6</a></span> <i>De gambang.</i> Zie hieromtrent de <a href="#n98.1">noot</a> op bladz. 98 van het eerste deel.&nbsp;<a class="fnarrow" href="#xd30e13950src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div class="back">
-<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
-<div class="div1">
-<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
-<table summary="Inhoudsopgave">
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord">VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord">V</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord2">VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord2">VII</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord3">VOORWOORD VOOR DEN DERDEN DRUK.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord3">VIII</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum"></td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#toc">INHOUD.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">XVI</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">I. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Bij Moeara Tjatjing.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">II. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">In de djaga monjet.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">15</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">III. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Hoekoem Kamadoog.—De familie Van Gulpendam.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">29</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">De draden verwikkelen.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">45</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">V. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">In de voor- en binnen-galerij.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">60</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Een echtpaar.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">72</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Een verraderlijk dèsa-genoot.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">88</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">VIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Eene dèsa in verval, Pak Ardjan’s arrestatie.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">104</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">IX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">Kuiperijen.—Een vrienden-drietal.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">118</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">X. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">Une invitation à la chasse, en une invitation à la valse.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">132</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">In den residents-tuin.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">146</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">161</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Op weg naar het jachtterrein.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">176</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">Eene huiszoeking met hare gevolgen.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">191</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">Onder den Wariengienboom.—In de opium-kit.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">203</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">221</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">In den Djoerang Pringapoes.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">239</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">De onschuld ten val.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">252</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch19">„<span lang="ms">Toeloeng! Toeloeng, toean!</span>”</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">265</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch20">Aan de rijsttafel.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">280</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch21">Op het kantoor van den resident.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">300</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch22">Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">312</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch23">Eene verhinderde landraadzitting.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">1</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch24">Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">15</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch25">Eva’s dochteren en de slang.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">31</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch26">Aardig gemanoeuvreerd!</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch26">45</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch27"><span lang="la">Summum jus summa injuria</span>.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch27">58</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch28">Correspondentie.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch28">71</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch29">Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch29">85</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch30">Baboe Dalima naar Karang Anjer.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch30">102</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch31">Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">116</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch32">Eene wetenschappelijke opiumkit.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">133</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch33">In de regents-pandoppo.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">147</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch34">Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch34">162</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXV. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch35">Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch35">179</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch36">Lim Ho’s huwelijk.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">193</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch37">Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">211</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXVIII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch38">De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">226</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XXXIX. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch39">Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">243</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XL. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch40">Het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>”.—Anna en Dalima.—Een telegram.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch40">261</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLI. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch41">De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch41">275</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="tocDivNum">XLII. </td>
-<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch42">Naar en in de Goewah Temon.—Besluit.</a></td>
-<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch42">293</a></td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-<div class="transcriberNote">
-<h2 class="main">Colofon</h2>
-<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
-<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen
-van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden
-van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
-</p>
-<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.
-</p>
-<p>Een Engelse vertaling van dit boek is beschikbaar als <a class="pglink xd30e39" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/60751"><i lang="en">Baboe Dalima; or, The Opium Fiend</i></a>.
-</p>
-<h3 class="main">Metadata</h3>
-<table class="colophonMetadata" summary="Metadata">
-<tr>
-<td><b>Titel:</b></td>
-<td>Baboe Dalima</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Auteur:</b></td>
-<td>Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901)</td>
-<td><a href="https://viaf.org/viaf/63940690/" class="seclink">Info</a></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Taal:</b></td>
-<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td>
-<td>1898</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b>Trefwoorden:</b></td>
-<td>Java (Indonesia) -- History -- 19th century -- Fiction</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b></b></td>
-<td>Opium abuse -- Fiction</td>
-<td></td>
-</tr>
-<tr>
-<td><b></b></td>
-<td>Opium trade -- Indonesia -- Fiction</td>
-<td></td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Codering</h3>
-<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
-einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
-zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
-dit boek.</p>
-<p>De oorspronkelijke twee delen van dit werk zijn geïntegreerd tot één geheel. De titelpagina
-van het tweede deel is hierbij weggelaten, en de inhoudsopgave gecombineerd met die
-van het eerste deel.</p>
-<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
-<ul>
-<li>2021-07-10 Begonnen.
-</li>
-</ul>
-<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
-<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links
-voor u niet werken.</p>
-<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
-<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
-<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
-<tr>
-<th>Bladzijde</th>
-<th>Bron</th>
-<th>Verbetering</th>
-<th>Bewerkingsafstand</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e193">V</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3485">126</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6730">287</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8747">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8871">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9143">76</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9369">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10469">137</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11610">193</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nederlandsch Indië</td>
-<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indië</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e274">VII</a></td>
-<td class="width40 bottom">Slruyck</td>
-<td class="width40 bottom">Struyck</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e508">XIII</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kritici</td>
-<td class="width40 bottom">Critici</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e930">V</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11077">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">landraadszitting</td>
-<td class="width40 bottom">landraadzitting</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="49 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1114">6</a></td>
-<td class="width40 bottom">is</td>
-<td class="width40 bottom">Is</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1194">12</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8813">56</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8819">56</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8896">59</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10610">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10617">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10629">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10667">144</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13493">289</a></td>
-<td class="width40 bottom">patient</td>
-<td class="width40 bottom">patiënt</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1223">13</a></td>
-<td class="width40 bottom">werdt</td>
-<td class="width40 bottom">werd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1271">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2360">66</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2483">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2623">77</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3040">99</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3934">155</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4441">179</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5392">226</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5422">227</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5809">243</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7592">324</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7603">324</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7674">325</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10400">135</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11626">194</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12655">240</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13883">313</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1302">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2050">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2420">69</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3867">149</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6072">261</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7192">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7369">319</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7850">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7999">14</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8504">39</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8559">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10454">136</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10607">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11323">178</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11860">204</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12706">243</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13727">303</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13846">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13873">313</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1338">18</a></td>
-<td class="width40 bottom">fletste</td>
-<td class="width40 bottom">fletse</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="33 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1414">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">lachtte</td>
-<td class="width40 bottom">lachte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1437">23</a></td>
-<td class="width40 bottom">huwlijksdag</td>
-<td class="width40 bottom">huwelijksdag</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1522">27</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1994">50</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1670">37</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1676">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">lektuur</td>
-<td class="width40 bottom">lectuur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1684">37</a></td>
-<td class="width40 bottom">jaloesieramen</td>
-<td class="width40 bottom">jaloezie-ramen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="114 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">Van</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1720">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">nênèh</td>
-<td class="width40 bottom">nènèh</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><i title="26 gevallen">Passim.
-</i></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1920">47</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2178">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2648">78</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3701">140</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5070">211</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7950">12</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10247">129</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10861">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">N. I.</td>
-<td class="width40 bottom">N.-I.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2011">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">Sekretaris</td>
-<td class="width40 bottom">Secretaris</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2033">52</a></td>
-<td class="width40 bottom">voeg</td>
-<td class="width40 bottom">vroeg</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2038">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3437">123</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5329">224</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6657">285</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7643">325</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8473">38</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8525">40</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9223">83</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10012">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12054">213</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12186">219</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12205">220</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12250">221</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12290">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2080">53</a></td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2165">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2947">93</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3113">104</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3192">107</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9497">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9502">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">produkt</td>
-<td class="width40 bottom">product</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2302">63</a></td>
-<td class="width40 bottom">Eduard</td>
-<td class="width40 bottom">Karel</td>
-<td class="bottom">5</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2493">72</a></td>
-<td class="width40 bottom">adsistent-resident</td>
-<td class="width40 bottom">assistent-resident</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2578">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">Societeit</td>
-<td class="width40 bottom">Sociëteit</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2581">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">millieu</td>
-<td class="width40 bottom">milieu</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2606">76</a></td>
-<td class="width40 bottom">M’bok</td>
-<td class="width40 bottom">’Mbok</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2783">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">„ </td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2789">83</a></td>
-<td class="width40 bottom">ondoek</td>
-<td class="width40 bottom">oendoek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2810">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5783">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">daarmêe</td>
-<td class="width40 bottom">daarmeê</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2826">86</a></td>
-<td class="width40 bottom">Karja</td>
-<td class="width40 bottom">Karjå</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2859">88</a></td>
-<td class="width40 bottom">biembieng</td>
-<td class="width40 bottom">bliembieng</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2893">90</a></td>
-<td class="width40 bottom">Singomongolo</td>
-<td class="width40 bottom">Singomengolo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2957">94</a></td>
-<td class="width40 bottom">Indie</td>
-<td class="width40 bottom">Indië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2984">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">donker blauwe</td>
-<td class="width40 bottom">donkerblauwe</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3018">97</a></td>
-<td class="width40 bottom">rederijkrs-voordrachten</td>
-<td class="width40 bottom">rederijkers-voordrachten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3072">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">spelloods</td>
-<td class="width40 bottom">speelloods</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3151">105</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6188">266</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6226">268</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6242">269</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6251">269</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7588">323</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12854">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3160">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">kati</td>
-<td class="width40 bottom">katie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3163">105</a></td>
-<td class="width40 bottom">miligram</td>
-<td class="width40 bottom">milligram</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3199">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">zou-het</td>
-<td class="width40 bottom">zou het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3243">112</a></td>
-<td class="width40 bottom">thaël</td>
-<td class="width40 bottom">taël</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3252">113</a></td>
-<td class="width40 bottom">papaverprodukt</td>
-<td class="width40 bottom">papaverproduct</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3287">115</a></td>
-<td class="width40 bottom">verooroorzaakte</td>
-<td class="width40 bottom">veroorzaakte</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3345">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">toepijs</td>
-<td class="width40 bottom">toespijs</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3353">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">goudged</td>
-<td class="width40 bottom">goudgeld</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3391">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">njoonja</td>
-<td class="width40 bottom">njonja</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3501">127</a></td>
-<td class="width40 bottom">distrikt</td>
-<td class="width40 bottom">district</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3507">127</a></td>
-<td class="width40 bottom">stipste</td>
-<td class="width40 bottom">stiptste</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3550">131</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13409">283</a></td>
-<td class="width40 bottom">Moera</td>
-<td class="width40 bottom">Moeara</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3614">134</a></td>
-<td class="width40 bottom">ik</td>
-<td class="width40 bottom">Ik</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3630">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">glasvlammen</td>
-<td class="width40 bottom">gasvlammen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3670">139</a></td>
-<td class="width40 bottom">sekonden</td>
-<td class="width40 bottom">seconden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3698">140</a></td>
-<td class="width40 bottom">Regeerings Almanak</td>
-<td class="width40 bottom">Regeerings-Almanak</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3706">140</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10763">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">Neêrlandaises</td>
-<td class="width40 bottom">hollandaises</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3724">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">binnengallerij</td>
-<td class="width40 bottom">binnengalerij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3756">143</a></td>
-<td class="width40 bottom">harstochtelijk</td>
-<td class="width40 bottom">hartstochtelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3776">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">ant-antwoord</td>
-<td class="width40 bottom">antwoord</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4005">160</a></td>
-<td class="width40 bottom">ge-gezicht</td>
-<td class="width40 bottom">gezicht</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4018">161</a></td>
-<td class="width40 bottom">zilvren</td>
-<td class="width40 bottom">zilveren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4109">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">Preault</td>
-<td class="width40 bottom">Préault</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4140">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">geprek</td>
-<td class="width40 bottom">gesprek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4168">166</a></td>
-<td class="width40 bottom">cynism</td>
-<td class="width40 bottom">cynisme</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4202">168</a></td>
-<td class="width40 bottom">onbegrijelijk</td>
-<td class="width40 bottom">onbegrijpelijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4364">176</a></td>
-<td class="width40 bottom">Makkassaren</td>
-<td class="width40 bottom">Makassaren</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4369">176</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4374">176</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7263">314</a></td>
-<td class="width40 bottom">Battakkers</td>
-<td class="width40 bottom">Batakkers</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4396">177</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kanari-boomen</td>
-<td class="width40 bottom">Kanarie-boomen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4399">177</a></td>
-<td class="width40 bottom">boschaduwd</td>
-<td class="width40 bottom">beschaduwd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4410">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">seisoen</td>
-<td class="width40 bottom">seizoen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4432">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">djoeroetoelies</td>
-<td class="width40 bottom">djoeroetoelis</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4435">179</a></td>
-<td class="width40 bottom">kebajan</td>
-<td class="width40 bottom">kabajan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4474">180</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7332">317</a></td>
-<td class="width40 bottom">etikette</td>
-<td class="width40 bottom">etiquette</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4492">182</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5380">226</a></td>
-<td class="width40 bottom">financieel</td>
-<td class="width40 bottom">financiëel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4514">183</a></td>
-<td class="width40 bottom">financïeele</td>
-<td class="width40 bottom">financiëele</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4531">184</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4538">184</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4546">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">Rheyn</td>
-<td class="width40 bottom">Rheijn</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4578">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">amohkmaker</td>
-<td class="width40 bottom">amokhmaker</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4829">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4861">200</a></td>
-<td class="width40 bottom">-</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4960">205</a></td>
-<td class="width40 bottom">zóo</td>
-<td class="width40 bottom">zóó</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4985">206</a></td>
-<td class="width40 bottom">distillatieprodukt</td>
-<td class="width40 bottom">distillatieproduct</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5008">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">” </td>
-<td class="width40 bottom"> „</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5043">210</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7203">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13053">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">societeit</td>
-<td class="width40 bottom">sociëteit</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5059">211</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5064">211</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10051">121</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10651">144</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10656">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">Macclay</td>
-<td class="width40 bottom">Maclay</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5078">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">Honkong</td>
-<td class="width40 bottom">Hongkong</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5087">211</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5155">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">omwandling</td>
-<td class="width40 bottom">omwanding</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5160">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">reukorgannen</td>
-<td class="width40 bottom">reukorganen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5176">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">strekden</td>
-<td class="width40 bottom">strekken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5232">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">glaat</td>
-<td class="width40 bottom">gelaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5256">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">statische</td>
-<td class="width40 bottom">statistische</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5274">222</a></td>
-<td class="width40 bottom">machttig</td>
-<td class="width40 bottom">machtig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5361">225</a></td>
-<td class="width40 bottom">geplubliceerd</td>
-<td class="width40 bottom">gepubliceerd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5406">227</a></td>
-<td class="width40 bottom">Minisster</td>
-<td class="width40 bottom">Minister</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5416">227</a></td>
-<td class="width40 bottom">belastingheffingstelsel</td>
-<td class="width40 bottom">belastingheffingsstelsel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5426">227</a></td>
-<td class="width40 bottom">Eijk</td>
-<td class="width40 bottom">Eyk</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5439">227</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ns.</td>
-<td class="width40 bottom">N<sup>o</sup></td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5460">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">men</td>
-<td class="width40 bottom">met</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5470">228</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5503">230</a></td>
-<td class="width40 bottom">persifflage</td>
-<td class="width40 bottom">persiflage</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5521">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6566">282</a></td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5524">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6902">297</a></td>
-<td class="width40 bottom">advokaat</td>
-<td class="width40 bottom">advocaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5529">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">Advokaat</td>
-<td class="width40 bottom">Advocaat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5539">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">afgetrokkem</td>
-<td class="width40 bottom">afgetrokken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5610">235</a></td>
-<td class="width40 bottom">Waringienboom</td>
-<td class="width40 bottom">Wariengienboom</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5730">240</a></td>
-<td class="width40 bottom">toon</td>
-<td class="width40 bottom">teen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5769">241</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5798">242</a></td>
-<td class="width40 bottom">kontroleur</td>
-<td class="width40 bottom">controleur</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5832">245</a></td>
-<td class="width40 bottom">vrolijk</td>
-<td class="width40 bottom">vroolijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5890">248</a></td>
-<td class="width40 bottom">distriktshoofd</td>
-<td class="width40 bottom">districtshoofd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5897">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">bijken</td>
-<td class="width40 bottom">blijken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5910">249</a></td>
-<td class="width40 bottom">d</td>
-<td class="width40 bottom">de</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5932">252</a></td>
-<td class="width40 bottom">spektafel</td>
-<td class="width40 bottom">spektakel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5942">253</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9380">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10422">135</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêe</td>
-<td class="width40 bottom">meê</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5994">256</a></td>
-<td class="width40 bottom">hulpgeschreuw</td>
-<td class="width40 bottom">hulpgeschreeuw</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5999">256</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêewarigheid</td>
-<td class="width40 bottom">meêwarigheid</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6008">257</a></td>
-<td class="width40 bottom">Singo mengolo</td>
-<td class="width40 bottom">Singomengolo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6060">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">nootlottige</td>
-<td class="width40 bottom">noodlottige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6085">261</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorspong</td>
-<td class="width40 bottom">voorsprong</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6090">261</a></td>
-<td class="width40 bottom">Singomengelo</td>
-<td class="width40 bottom">Singomengolo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6220">268</a></td>
-<td class="width40 bottom">sibifera</td>
-<td class="width40 bottom">sebifera</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6237">268</a></td>
-<td class="width40 bottom">tot dat</td>
-<td class="width40 bottom">totdat</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6244">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">voorstootte</td>
-<td class="width40 bottom">voortstootte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6247">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">kruiddamp</td>
-<td class="width40 bottom">kruitdamp</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6253">269</a></td>
-<td class="width40 bottom">vòòr</td>
-<td class="width40 bottom">vóór</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6260">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">blood</td>
-<td class="width40 bottom">bloed</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6285">272</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11177">165</a></td>
-<td class="width40 bottom">’,</td>
-<td class="width40 bottom">”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6290">272</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13813">310</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6429">276</a></td>
-<td class="width40 bottom">klêeren</td>
-<td class="width40 bottom">kleêren</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6487">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mokeseup</td>
-<td class="width40 bottom">Mokesuep</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6493">278</a></td>
-<td class="width40 bottom">binnen-nengekomen</td>
-<td class="width40 bottom">binnengekomen</td>
-<td class="bottom">4</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6532">280</a></td>
-<td class="width40 bottom">polietie-agent</td>
-<td class="width40 bottom">politie-agent</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6611">283</a></td>
-<td class="width40 bottom">asep</td>
-<td class="width40 bottom">assep</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6647">284</a></td>
-<td class="width40 bottom">districtshooofd</td>
-<td class="width40 bottom">districtshoofd</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6667">285</a></td>
-<td class="width40 bottom">versterkt</td>
-<td class="width40 bottom">verstrekt</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6671">285</a></td>
-<td class="width40 bottom"> ,</td>
-<td class="width40 bottom">, </td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6751">288</a></td>
-<td class="width40 bottom">tegen overstelde</td>
-<td class="width40 bottom">tegenoverstelde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6799">290</a></td>
-<td class="width40 bottom">bilk</td>
-<td class="width40 bottom">blik</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6824">291</a></td>
-<td class="width40 bottom">Trengalek</td>
-<td class="width40 bottom">Trenggalek</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6831">292</a></td>
-<td class="width40 bottom">waarmêe</td>
-<td class="width40 bottom">waarmeê</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6846">294</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6856">294</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6919">298</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7420">321</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7811">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8785">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10031">121</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10258">129</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10721">148</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12243">221</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13488">288</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13818">310</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13947">316</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6876">296</a></td>
-<td class="width40 bottom">zon-</td>
-<td class="width40 bottom">zonder</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6886">296</a></td>
-<td class="width40 bottom">Wariengien-boom</td>
-<td class="width40 bottom">Wariengienboom</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7059">305</a></td>
-<td class="width40 bottom">nn</td>
-<td class="width40 bottom">nu</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7064">305</a></td>
-<td class="width40 bottom">ontzach</td>
-<td class="width40 bottom">ontzag</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7200">312</a></td>
-<td class="width40 bottom">societeits-avond</td>
-<td class="width40 bottom">sociëteits-avond</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7212">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7239">313</a></td>
-<td class="width40 bottom">societeits-gebouw</td>
-<td class="width40 bottom">sociëteits-gebouw</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7233">313</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nerekeol</td>
-<td class="width40 bottom">Nerekool</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7299">315</a></td>
-<td class="width40 bottom">¡</td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7312">316</a></td>
-<td class="width40 bottom">ergelijken</td>
-<td class="width40 bottom">ergerlijken</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7318">316</a></td>
-<td class="width40 bottom">partijën</td>
-<td class="width40 bottom">partijen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7321">316</a></td>
-<td class="width40 bottom">onmolijk</td>
-<td class="width40 bottom">onmogelijk</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7339">317</a></td>
-<td class="width40 bottom">brutaliteid</td>
-<td class="width40 bottom">brutaliteit</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7366">319</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9807">112</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13798">310</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7415">320</a></td>
-<td class="width40 bottom">Talijke</td>
-<td class="width40 bottom">Talrijke</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7583">323</a></td>
-<td class="width40 bottom">Luitenand</td>
-<td class="width40 bottom">Luitenant</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7632">325</a></td>
-<td class="width40 bottom">Ned.-Indie</td>
-<td class="width40 bottom">Ned.-Indië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7658">325</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7942">12</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8002">14</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10151">124</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11222">168</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13666">300</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13672">300</a></td>
-<td class="width40 bottom">..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7788">4</a></td>
-<td class="width40 bottom">geokmen</td>
-<td class="width40 bottom">gekomen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7814">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8874">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8938">61</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12867">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">Gouverneur Generaal</td>
-<td class="width40 bottom">Gouverneur-Generaal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7838">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8862">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13010">259</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nederlandsch Indische</td>
-<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indische</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7856">8</a></td>
-<td class="width40 bottom">opoppassers</td>
-<td class="width40 bottom">oppassers</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7904">10</a></td>
-<td class="width40 bottom">opgewonpen</td>
-<td class="width40 bottom">opgewonden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7992">14</a></td>
-<td class="width40 bottom">optimâ</td>
-<td class="width40 bottom">optima</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8016">15</a></td>
-<td class="width40 bottom">zamenzwering</td>
-<td class="width40 bottom">samenzwering</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8104">21</a></td>
-<td class="width40 bottom">ballustrade</td>
-<td class="width40 bottom">balustrade</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8147">25</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordea</td>
-<td class="width40 bottom">worden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8263">29</a></td>
-<td class="width40 bottom">commis-</td>
-<td class="width40 bottom">commissie</td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8307">31</a></td>
-<td class="width40 bottom">kees</td>
-<td class="width40 bottom">Kees</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8316">32</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mahilda</td>
-<td class="width40 bottom">Mathilda</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8387">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indie</td>
-<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indië</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8399">35</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8470">38</a></td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="width40 bottom">?”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8511">39</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8578">43</a></td>
-<td class="width40 bottom">snoeperijën</td>
-<td class="width40 bottom">snoeperijen</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8616">45</a></td>
-<td class="width40 bottom">onstandigheden</td>
-<td class="width40 bottom">omstandigheden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8661">47</a></td>
-<td class="width40 bottom">Meidena</td>
-<td class="width40 bottom">Meidema</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8734">51</a></td>
-<td class="width40 bottom">oogenbiik</td>
-<td class="width40 bottom">oogenblik</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8777">54</a></td>
-<td class="width40 bottom">waaarschijnlijk</td>
-<td class="width40 bottom">waarschijnlijk</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8831">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">varïeteit</td>
-<td class="width40 bottom">variëteit</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8841">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">oost-mous-son</td>
-<td class="width40 bottom">oost-mousson</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8844">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">rêe</td>
-<td class="width40 bottom">reê</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8847">57</a></td>
-<td class="width40 bottom">binnensmond</td>
-<td class="width40 bottom">binnensmonds</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8879">59</a></td>
-<td class="width40 bottom">koorst</td>
-<td class="width40 bottom">koorts</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9018">65</a></td>
-<td class="width40 bottom">katti’s</td>
-<td class="width40 bottom">katies</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9021">65</a></td>
-<td class="width40 bottom">geweldadig</td>
-<td class="width40 bottom">gewelddadig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9040">67</a></td>
-<td class="width40 bottom">gadeslagen</td>
-<td class="width40 bottom">gadegeslagen</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9094">72</a></td>
-<td class="width40 bottom">amokpartij</td>
-<td class="width40 bottom">amokhpartij</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9103">72</a></td>
-<td class="width40 bottom">roor</td>
-<td class="width40 bottom">voor</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9128">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">bebben</td>
-<td class="width40 bottom">hebben</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9137">75</a></td>
-<td class="width40 bottom">tree</td>
-<td class="width40 bottom">three</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9150">76</a></td>
-<td class="width40 bottom">onverschilig</td>
-<td class="width40 bottom">onverschillig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9200">81</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12597">238</a></td>
-<td class="width40 bottom">assistent resident</td>
-<td class="width40 bottom">assistent-resident</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9203">81</a></td>
-<td class="width40 bottom">landbouwonder-ondernemingen</td>
-<td class="width40 bottom">landbouwondernemingen</td>
-<td class="bottom">6</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9240">84</a></td>
-<td class="width40 bottom">Paros-</td>
-<td class="width40 bottom">Paras-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9243">84</a></td>
-<td class="width40 bottom">Parosgebergte</td>
-<td class="width40 bottom">Parasgebergte</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9281">87</a></td>
-<td class="width40 bottom">nêerlei</td>
-<td class="width40 bottom">neêrlei</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9425">93</a></td>
-<td class="width40 bottom">itam</td>
-<td class="width40 bottom">hitam</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9433">94</a></td>
-<td class="width40 bottom">proces verbaal</td>
-<td class="width40 bottom">proces-verbaal</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9491">95</a></td>
-<td class="width40 bottom">een</td>
-<td class="width40 bottom">één</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9505">96</a></td>
-<td class="width40 bottom">wordeg</td>
-<td class="width40 bottom">worden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9535">98</a></td>
-<td class="width40 bottom">Venve</td>
-<td class="width40 bottom">Veuve</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9558">99</a></td>
-<td class="width40 bottom">éêne</td>
-<td class="width40 bottom">ééne</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9589">100</a></td>
-<td class="width40 bottom">hieden</td>
-<td class="width40 bottom">bieden</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9638">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9648">101</a></td>
-<td class="width40 bottom">7</td>
-<td class="width40 bottom">?</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9707">106</a></td>
-<td class="width40 bottom">bescbaving</td>
-<td class="width40 bottom">beschaving</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9720">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">waartusscheu</td>
-<td class="width40 bottom">waartusschen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9723">107</a></td>
-<td class="width40 bottom">,.</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9734">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">korstondig</td>
-<td class="width40 bottom">kortstondig</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9737">108</a></td>
-<td class="width40 bottom">oneffenenheden</td>
-<td class="width40 bottom">oneffenheden</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9797">111</a></td>
-<td class="width40 bottom">niemend</td>
-<td class="width40 bottom">niemand</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9869">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">kabaia</td>
-<td class="width40 bottom">kabaja</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9894">114</a></td>
-<td class="width40 bottom">naders</td>
-<td class="width40 bottom">anders</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9922">116</a></td>
-<td class="width40 bottom">Kanarieboomen</td>
-<td class="width40 bottom">Kanarie-boomen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9958">118</a></td>
-<td class="width40 bottom">Santjoemêh</td>
-<td class="width40 bottom">Santjoemeh</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9985">119</a></td>
-<td class="width40 bottom">zuilenrei</td>
-<td class="width40 bottom">zuilenrij</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9996">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">vau</td>
-<td class="width40 bottom">van</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10006">120</a></td>
-<td class="width40 bottom">gisssn</td>
-<td class="width40 bottom">gissen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10034">121</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11000">158</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12433">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12438">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12458">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12470">232</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12519">233</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12617">238</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12633">239</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12711">243</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12730">245</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12759">247</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12769">248</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12786">249</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13313">275</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13876">313</a></td>
-<td class="width40 bottom">„</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10048">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">Micclucho</td>
-<td class="width40 bottom">Miclucho</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10066">121</a></td>
-<td class="width40 bottom">antwoorde</td>
-<td class="width40 bottom">antwoordde</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10095">123</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêebrengen</td>
-<td class="width40 bottom">meêbrengen</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10135">124</a></td>
-<td class="width40 bottom">Murowskij</td>
-<td class="width40 bottom">Murowsky</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10162">125</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêegaandheid</td>
-<td class="width40 bottom">meêgaandheid</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10169">126</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêehielp</td>
-<td class="width40 bottom">meêhielp</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10328">132</a></td>
-<td class="width40 bottom">..,</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10337">132</a></td>
-<td class="width40 bottom">finantieel</td>
-<td class="width40 bottom">financiëel</td>
-<td class="bottom">2 / 1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10565">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">Docter</td>
-<td class="width40 bottom">Dokter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10568">141</a></td>
-<td class="width40 bottom">conjungtiva</td>
-<td class="width40 bottom">conjunctiva</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10580">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">docter</td>
-<td class="width40 bottom">dokter</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10589">142</a></td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="width40 bottom">°</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10637">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">.….…,..</td>
-<td class="width40 bottom">.….……</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10643">144</a></td>
-<td class="width40 bottom">..,</td>
-<td class="width40 bottom">.…</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10679">145</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">°</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10756">149</a></td>
-<td class="width40 bottom">Winkel</td>
-<td class="width40 bottom">Winckel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10768">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">delibérations</td>
-<td class="width40 bottom">délibérations</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10776">150</a></td>
-<td class="width40 bottom">betaald</td>
-<td class="width40 bottom">betaalt</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10831">152</a></td>
-<td class="width40 bottom">subsistuut-griffier</td>
-<td class="width40 bottom">substituut-griffier</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10871">153</a></td>
-<td class="width40 bottom">Winkels</td>
-<td class="width40 bottom">Winckels</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10902">154</a></td>
-<td class="width40 bottom">offerhande</td>
-<td class="width40 bottom">offerande</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10991">158</a></td>
-<td class="width40 bottom">Karjä</td>
-<td class="width40 bottom">Karjå</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11093">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">ministèr</td>
-<td class="width40 bottom">ministère</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11096">162</a></td>
-<td class="width40 bottom">d’intreprête</td>
-<td class="width40 bottom">d’interprête</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11120">163</a></td>
-<td class="width40 bottom">nêergeslagen</td>
-<td class="width40 bottom">neêrgeslagen</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11145">164</a></td>
-<td class="width40 bottom">damesgegichel</td>
-<td class="width40 bottom">damesgegiechel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11286">174</a></td>
-<td class="width40 bottom">antidiluviaansch</td>
-<td class="width40 bottom">antediluviaansch</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11337">178</a></td>
-<td class="width40 bottom">advokaten</td>
-<td class="width40 bottom">advocaten</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11411">184</a></td>
-<td class="width40 bottom">vluggeu</td>
-<td class="width40 bottom">vluggen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11464">186</a></td>
-<td class="width40 bottom">verwen</td>
-<td class="width40 bottom">verven</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11519">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">tenoennan</td>
-<td class="width40 bottom">tenoenan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11528">189</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11533">189</a></td>
-<td class="width40 bottom">annak</td>
-<td class="width40 bottom">anak</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11644">194</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom"> </td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11776">201</a></td>
-<td class="width40 bottom">So o</td>
-<td class="width40 bottom">Solo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11935">207</a></td>
-<td class="width40 bottom">ceremonieel</td>
-<td class="width40 bottom">ceremoniëel</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11970">208</a></td>
-<td class="width40 bottom">A</td>
-<td class="width40 bottom">À</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12117">214</a></td>
-<td class="width40 bottom">vcel</td>
-<td class="width40 bottom">veel</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12122">215</a></td>
-<td class="width40 bottom">familieden</td>
-<td class="width40 bottom">familieleden</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12156">217</a></td>
-<td class="width40 bottom">famillie-verhoudingen</td>
-<td class="width40 bottom">familie-verhoudingen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12195">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">det</td>
-<td class="width40 bottom">het</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12198">219</a></td>
-<td class="width40 bottom">her</td>
-<td class="width40 bottom">der</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12221">220</a></td>
-<td class="width40 bottom">)</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12330">224</a></td>
-<td class="width40 bottom">questie</td>
-<td class="width40 bottom">quaestie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12335">224</a></td>
-<td class="width40 bottom">Finaneiën</td>
-<td class="width40 bottom">Financiën</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12338">224</a></td>
-<td class="width40 bottom">Mio</td>
-<td class="width40 bottom">Mo</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12389">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">direkt</td>
-<td class="width40 bottom">direct</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12392">228</a></td>
-<td class="width40 bottom">indirekt</td>
-<td class="width40 bottom">indirect</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12397">229</a></td>
-<td class="width40 bottom">financieele</td>
-<td class="width40 bottom">financiëele</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12463">231</a></td>
-<td class="width40 bottom">concurentie</td>
-<td class="width40 bottom">concurrentie</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12484">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">:</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12493">232</a></td>
-<td class="width40 bottom">commandant</td>
-<td class="width40 bottom">kommandant</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12505">233</a></td>
-<td class="width40 bottom">lan gniet</td>
-<td class="width40 bottom">lang niet</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12559">236</a></td>
-<td class="width40 bottom">wêer</td>
-<td class="width40 bottom">weêr</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12573">237</a></td>
-<td class="width40 bottom">bladb.</td>
-<td class="width40 bottom">bladz.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12621">239</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêeloopt</td>
-<td class="width40 bottom">meêloopt</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12626">239</a></td>
-<td class="width40 bottom">mêeloopen</td>
-<td class="width40 bottom">meêloopen</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12640">239</a></td>
-<td class="width40 bottom">Larå</td>
-<td class="width40 bottom">Lårå</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12701">243</a></td>
-<td class="width40 bottom">XLIX</td>
-<td class="width40 bottom">XXXIX</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12744">246</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">,”</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12752">247</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13205">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">,..</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12806">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">!</td>
-<td class="width40 bottom">.</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12814">250</a></td>
-<td class="width40 bottom">;</td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Verwijderd</i>]
-</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12848">253</a></td>
-<td class="width40 bottom">Zoon’</td>
-<td class="width40 bottom">Zoo’n</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12874">254</a></td>
-<td class="width40 bottom">saizoen</td>
-<td class="width40 bottom">seizoen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12899">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">zei</td>
-<td class="width40 bottom">zij</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12904">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">gelêegd</td>
-<td class="width40 bottom">geleêgd</td>
-<td class="bottom">2 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12909">255</a></td>
-<td class="width40 bottom">
-[<i>Niet in bron</i>]
-</td>
-<td class="width40 bottom">de </td>
-<td class="bottom">3</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13023">260</a></td>
-<td class="width40 bottom">telegrafbureau</td>
-<td class="width40 bottom">telegraafbureau</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13048">262</a></td>
-<td class="width40 bottom">heuchelijke</td>
-<td class="width40 bottom">heugelijke</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13210">270</a></td>
-<td class="width40 bottom">’</td>
-<td class="width40 bottom">,</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13343">277</a></td>
-<td class="width40 bottom">overheerende</td>
-<td class="width40 bottom">overheersende</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13365">279</a></td>
-<td class="width40 bottom">losprongen</td>
-<td class="width40 bottom">lossprongen</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13400">282</a></td>
-<td class="width40 bottom">mitsdadige</td>
-<td class="width40 bottom">misdadige</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13565">294</a></td>
-<td class="width40 bottom">den</td>
-<td class="width40 bottom">dan</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13635">299</a></td>
-<td class="width40 bottom">l’ame</td>
-<td class="width40 bottom">l’âme</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13678">300</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13696">301</a></td>
-<td class="width40 bottom">.,.</td>
-<td class="width40 bottom">…</td>
-<td class="bottom">1</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13779">308</a></td>
-<td class="width40 bottom">haâr</td>
-<td class="width40 bottom">haar</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13808">310</a></td>
-<td class="width40 bottom">gegereinigd</td>
-<td class="width40 bottom">gereinigd</td>
-<td class="bottom">2</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13857">312</a></td>
-<td class="width40 bottom">heêngegaan</td>
-<td class="width40 bottom">heengegaan</td>
-<td class="bottom">1 / 0</td>
-</tr>
-</table>
-<h3 class="main">Afkortingen</h3>
-<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p>
-<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen.">
-<tr>
-<th>Afkorting</th>
-<th>Uitgeschreven</th>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">a. s.</td>
-<td class="bottom">anak soendal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">d.d.</td>
-<td class="bottom">de dato</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">Gep.</td>
-<td class="bottom">Gepensioneerd</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">Gouv.-Gen.</td>
-<td class="bottom">Gouverneur-Generaal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">H.H.</td>
-<td class="bottom">Heeren</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">K.G.</td>
-<td class="bottom">kilogram</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">N.-I.</td>
-<td class="bottom">Nederlandsch-Indië</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">N.-Indië</td>
-<td class="bottom">Nederlandsch-Indië</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">Ned.-Indië</td>
-<td class="bottom">Nederlandsch-Indië</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">Nederl.-Ind.</td>
-<td class="bottom">Nederlandsch-Indisch</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">s.…</td>
-<td class="bottom">soendal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">s.…..</td>
-<td class="bottom">soendal</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">volgd.</td>
-<td class="bottom">volgende</td>
-</tr>
-<tr>
-<td class="bottom">Z. Exc.</td>
-<td class="bottom">Zijne Excellentie</td>
-</tr>
-</table>
-</div>
-</div>
-</div>
-</div>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br>
-<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br>
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &bull; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-
-</body>
-</html>
diff --git a/old/65832-h/images/logo.png b/old/65832-h/images/logo.png
deleted file mode 100644
index bf9c076..0000000
--- a/old/65832-h/images/logo.png
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65832-h/images/new-cover.jpg b/old/65832-h/images/new-cover.jpg
deleted file mode 100644
index 6437550..0000000
--- a/old/65832-h/images/new-cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/65832-h/images/titlepage.png b/old/65832-h/images/titlepage.png
deleted file mode 100644
index e96fdd9..0000000
--- a/old/65832-h/images/titlepage.png
+++ /dev/null
Binary files differ