diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 21:08:31 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-22 21:08:31 -0800 |
| commit | 56d47cdbd3feed2759051a0c52d8773477ad7a02 (patch) | |
| tree | f118eb1455c47fc077fb78a80f8443de7f1cfd52 | |
| parent | 61022804d76b3193ce0206673e27719ce2d8aaea (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65832-0.txt | 28248 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65832-0.zip | bin | 519429 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65832-h.zip | bin | 645653 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65832-h/65832-h.htm | 27435 | ||||
| -rw-r--r-- | old/65832-h/images/logo.png | bin | 12630 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65832-h/images/new-cover.jpg | bin | 47556 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/65832-h/images/titlepage.png | bin | 8584 -> 0 bytes |
10 files changed, 17 insertions, 55683 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..3a33ead --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #65832 (https://www.gutenberg.org/ebooks/65832) diff --git a/old/65832-0.txt b/old/65832-0.txt deleted file mode 100644 index 737b947..0000000 --- a/old/65832-0.txt +++ /dev/null @@ -1,28248 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Baboe Dalima, by Michaël Théophile Hubert -Perelaer - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Baboe Dalima - -Author: Michaël Théophile Hubert Perelaer - -Release Date: July 13, 2021 [eBook #65832] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book - was produced from scanned images of public domain material - from the Google Books project.) - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA *** - - - - VERZAMELDE - Romantische Werken - - VAN - - M. T. H. PERELAER - Gep. Hoofdofficier van het Nederl.-Ind. Leger - - EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, - BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER - - - VIII–IX - - BABOE DALIMA - - - AMSTERDAM - UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER” - - - - - - - -VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK. - - -In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer -bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische -Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over »de opium in Ned. -Indië.” [1] Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der -hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed -gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen -was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. -i. jammer was. - -Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, -wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd -behoeven te worden. - -»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien -blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die -verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar -vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. -onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die -jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke -bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de -fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., -die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets -boekerigs, iets je ne sais quoi, waartegen een Nederlandsch publiek -niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, -die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te -laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers -vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten -einde brengen. En... toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die -daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten... -Ware het niet mogelijk...?” - -Ja, ware het niet mogelijk...? Dat was de laatste galm, dien ik nog -opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in -een hoek van het coupé, en... Ja, ware het niet mogelijk?... Dat was de -gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het -sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; ... en nog -stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds -het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, -hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt. - -Ben ik geslaagd in mijne poging?... Die poging was, om hetgeen op het -gebied van het opium-monopolie in Nederlandsch-Indië voorvalt, onder -het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te -steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet -ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge -reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden -om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke -bestuursordonnantiën in een verhaaltrant voor te dragen, die tot lezen -zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver -verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke -mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn -onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal -voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- -en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die -uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik -den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van: -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan den opiumpacht! - -In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij -genoopt hebben, op den omslag het dicton: la mère en interdira la -lecture à sa fille te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door -onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht -geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen -vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens -meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de -pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens -zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. -Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling -van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, -maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat -evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te -onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag -hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze -Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn -onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen. - -En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, -dat de criticus dat eerbiedigen zal. - -Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele -verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen -van Nerekool, geen.... enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan -hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, -ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, -die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die -grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, -als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te -twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, -zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle -geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden? - - - -En nu,.... mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u -opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een -kreet door u ontlokt worde: - -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die -schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders! - - - Den Haag, Mei 1886. - - DE SCHRIJVER. - - - - - - - -VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK. - - -Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het -verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.... En volmondig -roep ik uit: ja! ja!! ja!!! - -Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer -stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies -boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met -knodsslagen verguisd; - -..... waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te -zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was; - -..... maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het -Engelsch werd het door een Reverend vertaald en had daar alle succes; -in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men -begonnen; - -..... maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle -verguizing in Nederland den tweeden druk; - -..... maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en -Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel -opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf; - -..... maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning -hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, Struyck, -Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude -artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen -vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn -boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook -voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah! - -Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben? - -Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die -beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht -ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat -door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, -gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der -maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde -verhandelingen weinig toegang hebben. - -Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders -beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met -hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium -omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid -ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, -euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend -helder licht. - -En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en -verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en -ontlok den kreet: - -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opiumpacht, die -schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat! - - - Den Haag, November 1889. - - DE SCHRIJVER. - - - - - - - -VOORWOORD - -VOOR DEN DERDEN DRUK. - - -In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman „Baboe -Dalima” schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te -meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds -(betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd -gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna -1899. Wat is er in dat klein decennium geschied? - -Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen -van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder -gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een -tijdschrift uit, getiteld: de Opiumvloek, waarin op merkwaardige wijze -de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd. - -Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het -Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich -mannen als de H.H. Groeneveldt, Bosscher, Van Dedem, Van den Berg, Van -Kesteren, Elout van Soeterwoude, de Waal, Brooshooft, Be-Ik-Sam, Jansz, -Zegers, Groneman, Hora Siccama, Sandick, Kielstra, Sprenger van Eyck, -Bool, enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de -Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met -elkander afwijkende zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich -voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de -Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, -namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven. - -Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het -debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten -doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en -al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche -Opiumpachters. - -Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera -begonnen. - -Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de -Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de -algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn -te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen -te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) -in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de -Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht -der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de -Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de -Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen. - -Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard -deed klinken, had Z. Exc. de Minister van Koloniën de voldoening in -zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te -kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera is -geslaagd. - -Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik -mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die -invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten -volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. -Maar, die zijn niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, -òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het -lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand -gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid -wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze -laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens -alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al -zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te -derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau -Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, -hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat -het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, -schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een -algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele -bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar -loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien -zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, -naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn. - -Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, -om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, -tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande -maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal -worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te -oefenen. - - - -Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die -vraag het ondervolgende ter neder te stellen. In het Kroningsnummer van -Sociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde liet ik onder den -titel van: Eene stem uit de oude Garde een opstel opnemen, waarin onder -anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige Koningin gelukken het -Opium-monopolie aan gewetenlooze Chineezen te ontrukken en in handen -eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de -gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te -doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens -den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het -voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: -heil onzer Koningin! roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen -prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel -weldeed!” Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik -daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het -vooropgestelde beginsel, in Baboe Dalima verkondigd, hadde gebroken! - -„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog à outrance aan het -Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind -hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die -geen monopolie zou mogen genoemd worden!” - -„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog à -outrance aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent -dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid -opmerk.” - -„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het -Opium-gebruik....” - -„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te -vergeefs; ik werd overschreeuwd met: - -„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ -Opium-roman.” - -„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. -„Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt -worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, -heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander -volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het -grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te -drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en -dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het -Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, -nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename -van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds -een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor -oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus -daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en -derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik -pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij -nimmer een verdediger vinden.” - -Of ik mijn auditorium overtuigd had? - -Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het -beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo -voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert -bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift -in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te -bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de -heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in -eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets -is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige -verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het -gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de -gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, -thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan -het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg -brengen. Maar, courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden -vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het -tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik -langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om op de -vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog à -outrance aan het opium-verbruik! - -Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te -blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te -tasten. - - - -Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn -Opium-roman Baboe Dalima. Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek -op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H. -Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel -hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de -feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heer J. -L. Zegers, zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen -Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die -bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk -(Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden: Wat mij echter in die -kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden -de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had -in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest -laten. Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten -zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen -Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel -op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de -onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger -dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te -voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging -van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de -hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid -verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was -gebleven. - -Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat afleid, nu -niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? -Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing -in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar -allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij -voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij Baboe Dalima -gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe -Dalima bespeurd had. - -Ik hernam lachende: - -„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk -op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve -kindermeisje geteekend heb.” - -„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar -uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.” - -Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem -antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en -verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons -gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het -weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten. - -Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit: - -„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van -Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid -doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon -is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol -bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade -te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in -wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de -facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente -voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? -Maar.... hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien -fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar -gestreden, welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen -den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de -Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland -doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder -den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de -inboorlingen bedekte.” - -Ziet, dat zou ik geantwoord hebben. - -Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring -openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te -verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van -de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman Baboe Dalima door mij -onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is. - - - -En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van -den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en -verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en -ontlok den kreet: - -Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de Opium-pacht, die -schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat! - - - -Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de -Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de -Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn. - - - De Schrijver. - - Nijmegen, October 1898. - - - - - - - -INHOUD. - - - Bladz. - Voorwoord Eerste druk V - Voorwoord Tweede druk VII - Voorwoord Derde druk VIII - I. By Moeara Tjatjing 4 - II. In de djaga monjet 15 - III. De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam 29 - IV. De draden verwikkelen 45 - V. In de voor- en binnengalerij 60 - VI. Een echtpaar 72 - VII. Een verraderlijk dèsa-genoot 88 - VIII. Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie 104 - IX. Kuiperijen.—Een vrienden-drietal 118 - X. Une invitation à la chasse et une invitation - à la valse 132 - XI. In den residentstuin 146 - XII. Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter 161 - XIII. Op den weg naar het jachtterrein 176 - XIV. Een huiszoeking met hare gevolgen 191 - XV. Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit 203 - XVI. Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje 221 - XVII. In den Djoerang Pringapoes 239 - XVIII. De onschuld ten val 252 - XIX. Toeloeng! Toeloeng, toean! 265 - XX. Aan de rijsttafel 280 - XXI. Op het kantoor van den resident 300 - XXII. Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden 312 - XXIII. Eene verhinderde landraadzitting 1 - XXIV. Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht 15 - XXV. Eva’s dochteren en de slang 31 - XXVI. Aardig gemanoeuvreerd! 45 - XXVII. Summum jus summa injuria.—Vader en zoon - veroordeeld.—Singomengolo vermoord 58 - XXVIII. Correspondentie 71 - XXIX. Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak 85 - XXX. Baboe Dalima naar Karang Anjer 102 - XXXI. Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh 116 - XXXII. Eene wetenschappelijke opiumkit 133 - XXXIII. In de regents-pandoppo 147 - XXXIV. Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi 162 - XXXV. Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche 179 - XXXVI. Lim Ho’s huwelijk 193 - XXXVII. Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s - in gevecht 211 - XXXVIII. De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te - Karang Bollong 226 - XXXIX. Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te - Santjoemeh 243 - XL. Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram 261 - XLI. De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende - terechtstelling 275 - XLII. Naar en in de Goewah Temon.—Besluit 293 - - - - - - - -I. - -BIJ MOEARA TJATJING. - - -Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*. - -De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, -joeg, tierde, gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in -allerijl voortstuivende zwarte zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij -deed de verbolgen wateren der Java-zee in huizenhooge baren -opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en woest -te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig -bleek phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare -onmiddellijke omgeving verlichtten, dadelijk daarop in een -fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene duisternis achter te -laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte. - -Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen -Java-wal. Zij braken in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met -haar zwak lichtend schuim langs de flauwe helling op, om -achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart -zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze, -in haar aandrang vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts -ijlende eene dwarrelende massa van water en schuim, welke tot eene -donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk te zamen in een -lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere -gedeelte te overstroomen. - -Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier -verhaald worden, een aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van -Java’s noordkust, een uitgestrekt moeras, dat, uit vet kleislib -bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, met zoo een -rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor -gevormde wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de -zwak glooiende strandvlakte met Tandjang-soorten [2] overdekt, die -steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen de -keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige -palissadeering doen gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn. - -Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog -duizende en nog eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die -in elkander smeltende, zich op ongeveer dertig voeten boven den grond -verhieven op korte stammen, die zelf den bodem niet bereikten, maar -gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. Deze -splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere -boom met een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of -beenen met die zijner naburen in en door elkander groeiden en -vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden van wortelstengels en -wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken van -wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die -stronken als met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de -boomkruinen verborgen. - -Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund -zijn, waar tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een -uitgestrekten doolhof vormden, een gewriemel van levende wezens plaats -had, dat den opmerker met een gevoel van walging had moeten vervullen. -Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen hare prooi -te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit, -bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige -„kapiting’s” bij duizenden, en „oedang’s” [3] in alle grootten, van den -omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar -te nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk -beperkten gezichtskring, in den afzichtelijken modder, die door immer -en immer aangevoerden plantendetritus, van dat vreemdsoortige woud -afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die zich tusschen de -tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder -gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel -bijdroeg, wentelden en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet -eendrachtelijk, dan toch in eene soort van gewapende overeenkomst, die -hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene prooi te -bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht. - -Maar.... halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al -die gedrochten waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest, -verscholen als zij zich hielden, nu de noordwester storm zijnen -oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der zee in beroering -was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den -boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen -stormgeweld der wateren rust kon verstoren. - -Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten -alle tijde land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te -midden van een groep Saoe-boomen [4] welke tusschen het Tandjang-bosch -als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, dat van de landzijde, -door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur omgeven, -niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een -ruimen blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat het -door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik -van die zijde gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een -wachthuisje en eigenaardig „djaga monjet” (apenwacht) geheeten, was -hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, met „atappen” [5] -gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen -gebouwd; zoodat de golven, die soms het strand schenen te willen -verzwelgen, er onder door konden stroomen, waarbij zij met een -onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop het -gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van -inkervingen voorzien, deed de dienst van trap of ladder, en verleende -toegang tot het hutje, waarin dikke duisternis heerschte, hoewel het -niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren zich verbeeldden -fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den storm -langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op -gillen dan op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel -kon plaats hebben, daar het niemand in de hersens kon komen in dat weer -en op dat uur op deze plek te verschijnen. De meest ijverige -kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd -zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar -behoorden klaarblijkelijk aan Chineezen, af te leiden uit de -keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de omstandigheid, dat zij -de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne uitspraak -een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden -tongval bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in -het hutje in de omlijsting der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe -zwart de nacht ook was, met loerenden blik het oog over de oppervlakte -der zee lieten waren. - -„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te -zien. Met dat weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien, -dat de Kiem Ping Hin hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n -storm niet verlaten heeft.” - -„En toch luidden de bevelen van den „babah” [6] stellig”, antwoordde de -andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de Kiem Ping Hin -bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.” - -„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij -niet ontgaan; maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor -den wind huilen, de branding donderen; voel onze djaga monjet schudden! -Zoudt gij thans op zee willen zijn?” - -„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld! -Maar.... gij weet, de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die -zich door geen noodweer...” - -„Wacht.... daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting. -Kijk, daar.... daar krult een groote golf... Kijk, bij het schijnsel -van het schuim.... Bij Kong!... eene „djoekoeng!” (uitgeholde boomstam) -waarin twee.... weg is ze weer!” - -„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook -gezien. Er zaten twee personen in, twee Javanen, een man en eene -vrouw.” - -„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de -handen voor de oogen.” - -„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de -branding geraken.” - -„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing. [7] Als zij in die richting -kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.” - -„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.” - -„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng -evenwel was eene „prahoe sajab” [8] en ge weet, er moet veel gebeuren, -eer zoo eene zinkt.” - -„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.” - -„Kijk.... kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers -naar de Moeara. Als het de „sero’s” [9] bereikt, dan is alle gevaar -geweken.” - -„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar... maar....” - -„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken -in!” - -Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het -laatstbedoelde vaartuig in de richting van de djoekoeng. Maar met -welken uitslag? Dat was onmogelijk na te gaan. De beide vaartuigen -waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene groote baar -voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht -met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te -bespeuren viel, hoe scherp zij ook uitkeken. - -Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep: - -„Eene stoomboot!” - -En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het -roode licht eener stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht -in den mast. - -„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de Matamata [10]. -Als de Kiem Ping Hin werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare -lichten wel gedoofd, en zich uit de voeten gemaakt hebben. Kom, wij -kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal wel geen -smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.” - -Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie -lichten zichtbaar waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust -aanhield, alsof zij op den wal wilde zetten. Dat duurde evenwel een -korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, wat een teeken -was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode -licht nog zichtbaar; maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht -alleen zichtbaar bleef. Daar dit laatste niet van plaats scheen te -veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van het Hemelsche rijk -tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf -bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind, -zonder te deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden. - -„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten -Matamata zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons -gaan.” - -„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we -daar iets van de djoekoeng vernemen.” - -Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en -stapten, terwijl de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels -van het Rhisophoren-woud huilde, langs een pad, dat zij op den tast in -de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad werd bij wijlen door een -golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door het zilte -vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het -pad zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog -zwarter geweest, zij even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven -het pad, dat zij door dat strandbosch af te leggen hadden, was niet -lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier Tjatjing bereikt, -die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de beide -Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het, -alvorens zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne -schreden wilde terugkeeren. Daar ter plaatse weken de wortelboomen -terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook ontwaren, die met kort -gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; maar, -of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te -bespeuren. - -„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten -aangekomen zijn,” bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder -stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier alleen bevaarbaar is, en -verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.” - -„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.” - -En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht -gekreun gehoord. Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden -zich, stapten met zachte schreden in de richting van dat geluid voort -en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter halverwege uit het water -met zijn voorste gedeelte op het droge lag. - -„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan. - -Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden -boomstam voort, welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld -lagen, en ontdekten op een korten afstand een paar menschelijke wezens, -die in het gras lagen. - -„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad. - -„Ik,” antwoordde een zwakke stem. - -„Wie is ik?” - -„Ik, Ardjan.” - -„Ardjan, van de Kiem Ping Hin?” - -Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der -schipbreukelingen. - -„Diam!” (stil) fluisterde de andere. - -Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had. -Iemand te herkennen, was bij de heerschende duisternis evenwel -onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje uit den zak, streek -een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den -naastbijzijnde verkend had, riep hij uit: - -„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?” - -„Ik ben overboord gevallen.” - -„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon. - -„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.” - -„En die vrouw ook? Wie is zij?” - -„Dat is Moenah, mijne zuster.” - -„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner -stem. „Is die ook over boord gevallen?” - -En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat -van de beweerde zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de -lieve gestalte van een bekoorlijke zestienjarige Javaansche maagd, -welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), die, evenals -haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te -verschuilen. - -„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than -Khan, haar den slendang van het gelaat trekkende. - -Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen. - -De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de -naam van Lim Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in -dit oogenblik gade kunnen slaan, dan voorzeker had men bij het hooren -van dien naam de grootste ontsteltenis daarop kunnen lezen. Lim Ho was -de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in lichten laaie van -onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. Hij -had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter -te vergeefs. Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit -de dèsa Kaligaweh, nabij de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met -even ongunstig gevolg. De aterling had gezworen, dat hij de lieve maagd -zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene misdaad moeten -bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde. - -Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien -gehaten naam? Zij kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in -wier macht zij zich bevond. - -Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten -daarbij nog voorzichtigheidshalve de Chineesche taal, die geen der -beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. En, nog voor dat -de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide -Chineezen zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden -met een dun „gemoetoe-touw,” [11] dat Liem King uit den diepen zak -zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel zoodanig, dat de -Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had de -tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan -onmogelijk geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij -het ondernemen toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing -bracht, had hem zelfs de gelegenheid ontbroken, om zijn „badeh” (kleine -dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige pagaaien, om de -djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen -de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in -ieder geval onbekwaam was eenige krachtsinspanning te kunnen -uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, had hij geslaakt -bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen. - -Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de -enkels bij elkander, en legden haar in het gras neder, haar -aanbevelende onbewegelijk te blijven liggen, met bedreiging haar anders -te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het gelaat van het meisje -bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan had de -minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en -voorzeker had die hun ernstig te denken gegeven. - -Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe -sajap, staken die onder de armen van Ardjan door, tilden dien -draagstok, met den last daaraan hangende, op hunne schouders, en liepen -op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik te voren -afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij -werd gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte -zijns lichaams, die zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die -ledematen werden daarenboven nog deerlijk gekneusd tengevolge van de -zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, door den -sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de -bovenarmen, waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten -worden. Maar de twee Chineezen stoorden zich aan dat geschreeuw niet, -en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte Ardjan hen, hem te willen -dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte hij, toen dat -niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen -zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de -aterlingen slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina” -(chineesche hond), dat hen naar het hoofd geslingerd was, zette Than -Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand -toegebracht, die het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts -vermeerderde. - -Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet -aangekomen. Daar ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de -touwen; maar lieten zijne armen gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten -zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten hem daarbij de punten -hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand hem het -leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder -wanhopige opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee -aan den last, en was in een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden, -en, om iedere poging tot ontvluchting ijdel te maken, werd hem de -bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening der -elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug -gestoken, zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden -waren, de geringste beweging de meest ondragelijke pijnen aan zijne -deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. Toen ook zijne voeten -gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, en uit -overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje -vastgebonden. - -Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij -met haar voor hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King -stelde voor, om het bezit van het meisje tot prijs van eene -dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, rekende zijn makker -voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer hem -het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog -niet tot verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij -het meisje behoorlijk gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras -in, dat verder twisten overbodig was; want die plek was ledig. Hoe zij -ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. Geen spoor? .... -Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden, -waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar -mogelijk geweest, de handen bij den mond te brengen en was zij er in -geslaagd te touwen met hare tanden door te knagen. Toen zij de handen -vrij had gehad, was het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van -de boeien te ontslaan. - -„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is -voor ons verloren!” - -„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje -kwijt! Zij zou Lim Ho veel waard geweest zijn.” - -„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen -reppen, denk ik.” - -„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk -zijn.” - -„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar -laten loopen. Hij moest eens over Dalima klappen.” - -„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er -van door geweest is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.” [12] - -„Ik ben van meening hem te laten loopen.” - -„Hm!... Waarom?.... Hij moest aan boord van de Kiem Ping Hin zijn... -Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.... Geloof mij, daar zit -iets achter.... Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.” - -„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan -hebben,” zei Than Khan. - -„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden -hebben, wanneer wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?” - -„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen. -Waarheen?” - -„Ja, waarheen?.... Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de -andere ook. En, er is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene -goede vangst gemaakt hebben.” - -Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan -er nog. Hij lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden. -Hij had geen lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag -terugkomen, verhelderde zijn oog. - -„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur. - -De Chineezen antwoordden niet. - -„Is zij ontvlucht?” - -Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der -dievenlantaarn zoo droefgeestig, dat Ardjan aan de waarheid dier -bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich gerust. O, dat hij -toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte -touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was -alsof die gebroken waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar -zou het lieve meisje thans zijn? O, daaromtrent bekommerde hij zich -weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. Daar woonden hare -ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans nabij -zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de -residentsfamilie woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog -een goed eind weg af te leggen hebben. De dag zou wel aangebroken zijn, -alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar alles dadelijk vertelde... -ja, dan was voor hem nog redding mogelijk..... - -Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg, -waar hij zoo in ’t holle van den nacht van daan kwam. - -„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van -daar naar hare ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden -wij zeewaarts gevoerd. Ik heb geroeid uit alle macht om de Moeara -Tjatjing te bereiken.” - -„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je -daar te verrichten? Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is -het zoo niet?” - -Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard: - -„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven. -Ik moest dus trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.” - -„Maar je werd achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!” - -„Dat was de barkas van dien ellendigen Matamata, die mij voor een -smokkelaar aanzag.” - -„Had je geen sluikwaren bij je?” - -Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden -gekend hadden, dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan. - -„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de Kiem Ping Hin; moest je -niet aan boord zijn?” - -De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij: - -„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal -door te brengen.” - -„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in -vollen gang zijn?” - -„Het is toch zoo.” - -„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.” - -Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig -stilzwijgen. De Chineezen wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten -gedoken op den vloer, met het hoofd op de borst, op het punt van in -eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst pijnlijk -aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was -donker in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille -morgenlucht zooveel mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd -rechts en links wendde, dan kon hij evenwel door de reten der „Niboeng” -[13] latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. -Een grauw licht toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar -den walgelijken modder, waarin een menigte dieren als alen, -moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds rondkrioelden, om -op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, te -azen. - -Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte -weerklonk, dat de beide Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een -sein. Than Khan vloog naar de deur. Toen die geopend werd, was het -buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, en kleurde de -oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht. - - - - - - - -II. - -IN DE DJAGA MONJET. - - -Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid -geslagen waren. De pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer -uitgezet, werd pijnlijk aangedaan door het schelle licht, en moest tijd -hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien konden. Maar, toen zij -zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, ontwaarden -zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel -gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt -hadden, gescheurd, gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren, -en het blauwe azuur des hemels overal door lieten. In het oosten was de -hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen luister boven den -horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de golven -op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren -van de kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht -hadden onze Chineezen geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met -scherpen blik de oppervlakte der zee, niet om het wentelen der golven, -of het breken der branding van den nog steeds verbolgen oceaan gade te -slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud, -getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te -bespieden, wat op die oppervlakte voorviel, hetgeen hunne -belangstelling meer gaande maakte. - -Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de -aanrollende golven danste en stampte. Met het bloote oog was te zien, -dat het een schoenerbrik was, die onder klein zeil scherp bij den wind -lag, en de kust niet scheen te willen naderen. Aan den voortop woei een -seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden was. Liem -King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de -laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene -bergplaats vond in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen -en de latten, die deze laatsten droegen. Na een poos turens, waarbij -hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot zijn makker: - -„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond -wapperen. Het is ongetwijfeld de Kiem Ping Hin, die gisteren avond had -moeten aankomen en die....” - -„Nu ten anker zal willen komen.” - -„Neen, die buiten den smokkel-rayon [14] wil blijven. Ziet ge, nu gaat -zij over stag.... loopt meer uit den wal.... Thans bergt zij hare -zeilen, gaat voor anker....” - -„Dat’s brutaal! De Matamata was van nacht nog hier.” - -„Waar de Kiem Ping Hin thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets -doen. Daarenboven van dien is niets meer te bespeuren. De schoener -voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche vlag. Onder die is -hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s” -(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.” - -„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.” - -„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten -spoeden.” - -„Gij!” - -„Neen, gij!” - -„Waarom niet beiden te zamen?” - -„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en -onbewaakt te laten,” antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende. - -„Laat er ons dan om dobbelen.” - -„Mij goed.” - -Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor -den dag, waaronder ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere -behendigheid op eene houten plank, die voor dat spel bestemd scheen. Na -den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes in een groep bij -elkander lagen. Daarop wierp Khan Than. - -„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij -elkander. Gij teldet maar vijf.” - -„Nu, dan ga ik.” - -„Maar, mondje dicht over Dalima!” - -„Natuurlijk,” was het antwoord. - -Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling. - -Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo, -dat, terwijl hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen -enkele beweging van den Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om -gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte der zee voorviel. De djaga -monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand der kleine -baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets -aan zijne waarneming ontsnappen kon. - -Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een -vijftal Chineezen langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen; -hij zag dat vaartuig afsteken, over de oppervlakte der deinende zee -glijden, in de branding geraken, daarin stampen, slingeren en -worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat -moeielijke punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van -hem, die het roer in de hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de -golf gericht hield. - -„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij. - -Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam. - -„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried. - -„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar -schiet de sloep de Moeara in.” - -Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog -door het water, toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven -gekomen was. Achter de sero’s en in de baai trof de sloep glad water -aan; zij schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de -aanlegplaats bereikt, waar Liem King het gezelschap wachtte, en het -onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde. - -Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig -verlaten, of de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van -een hunner, om eenige blikken en vaatjes, die op den bodem der sloep -opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in allerijl achter eenige -struiken te verbergen. - -„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende, -die er uitzagen, alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten -hadden, en allen het cachet van Van der Leeuw [15] in groen lak -vertoonden. - -„Ik wou, dat ik maar een paar taël [16] van die boter had,” antwoordde -een ander lachend. - -„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling -toe. Daar kunt ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw -zuur verdiende gagie verlost zijn.” - -„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die...” - -„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.” - -Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog -verborgen, waarna de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven. - -Daar vond intusschen een ander tafereel plaats. - -Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd -onmiddellijk een aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die -steeds zwaar gekneveld op den bodem uitgestrekt lag. Liem King had -onder weg de bizonderheden van de gevangenneming van den Javaan -verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op -Dalima doelde. - -Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de -aanvoerder der overigen, ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene -geel fletse gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande -oogen, aandachtig toegeluisterd. Hij had een glimlach van tevredenheid -niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi” -Ardjan was, die gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was, -vroeg hij op onverschilligen toon: - -„Was de Javaan alleen?” - -„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King. - -Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho. - -„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij. - -„Ja, babah.” - -„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?” - -„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de -djoekoeng vonden, lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof -hij in het water gelegen had, en waren de bamboezen der sajab -verbrijzeld.” - -„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam. - -Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem -evenwel met een blik te verwaardigen: - -„Waarom ben je ontvlucht?” - -„Ik had „sakit hatie” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij -aan boord en wilde naar de dèsa terug.” - -„En daarom heb je Dalima meegenomen.” - -Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten. - -„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder. - -„Verdronken!...” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar -verdronken?” - -„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van -de Kiem Ping Hin ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat -gebeurd? Misschien heeft Dalima zich nog kunnen redden.” - -„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet -Ardjan. „Wij zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het -noodweer, ik zeer vermoeid van het pagaaien.” - -„Maar, waar is zij dan gebleven?” - -„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.” - -Die twee stonden te bibberen van angst. - -„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op -antwoord!” - -„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan. - -„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King. - -„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan, -terwijl hij van ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut -dreunde en schudde. - -„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima -armen en beenen gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en -zijn daarna het meisje gaan halen. Zij zijn evenwel zonder haar -teruggekomen.” - -Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan. - -„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem -King. - -„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan. - -Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid -weerklonk. Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut -aangekomen waren, trad binnen. - -„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel. - -In een oogwenk waren allen binnen. - -„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than -Khan wees. - -Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die -twee Chineezen mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De -touwen werden zoo strak mogelijk aangehaald! De slachtoffers kermden. -O, als het eens op Java tot eene uitbarsting mocht komen! Dan wee, de -zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene andere -natie ook niet in de klem zou geraken? - -Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho: - -„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht! -Vijfhonderd „ringgiet’s” (rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind -opspoort en mij uitlevert!” - -Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende -naar buiten. - -Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich door een zijner -volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan een -langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak, -met goudgeele haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige -halen, waarbij hij den rook door de neusgaten uitblies. Hij zette zich -toen neder op den eenigen stoel,—een lomp onbehouwen meubel, met de -„gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, terwijl de -overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan. - -„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de Kiem Ping Hin -ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje -haakte?.... Maar, pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand, -dat begrijp je!” - -Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden. -Zooals hij gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij. - -„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. „Daarna zal ik zien.” - -Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden -Javaan van de bamboe te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen -hield. Toen dat marteltuig verwijderd en Ardjan wat tot verademing -gekomen was, beval de Chinees: - -„Komaan, spreek; ik luister.” - -„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de -Kiem Ping Hin ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe -Kalajan niet ver van Santjoemeh ten anker, toen eene djoekoeng op zij -schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten waren. Aanvankelijk -dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den schoener -behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen -bij het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets -kwamen halen, brachten zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den -vorm had van een menschengedaante. Dat ging mij echter niet aan; zoo -iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf dat pak in de hut van -den kapitein brengen. Ik lachte en schertste zelfs met de twee -Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein Awal Boep Said -wachtte. - -„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat -hem, zooals ik meende, genoegen moest doen. Maar, in stede van naar -zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en beval mij zorgvuldig uit -te kijken, daar hij gasten verwachtte. - -„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar -uwer vrienden aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet; -want het was reeds nacht geworden, en de noordwester storm was in -aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan boord, of hij brak los. Toen -ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig dacht ik -aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep -Said op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje -te nemen; maar de kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg, -deed de brassen strak zetten, en een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg -mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek niet verlaten. - -„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank -uitgestrekt, en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen -en zwelgdet met blijkbaar genoegen den rook in. Naast u stond een uwer -volgelingen, die bezig was een balletje „madat” klaar te maken en te -kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe” [17] zich in uwe -nabijheid in een doosje bevond. - -„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door -overmatige prikkeling verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig. -Een duifje was in uwe macht, gij moest uwe uitgeputte krachten -opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke genietingen van uw -slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium en -weet er gebruik van te maken. - -„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een -hadji heeft mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed -is, en dat de gelukzaligen in den hemel slechts door dat middel hunne -krachten schragen, en ten gevolge van dat middel zoo door de hoeri’s -geliefd worden. - -„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot -nieuwsgierigheid dwong. Sedert lang is Dalima mij door hare ouders tot -vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, om de som -bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen. -Als ik die zal bezitten, dan is de huwelijksdag daar. Maar, ik weet -ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk schier -dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje -haakt;.... ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;.... -ik weet, welke som gij haren vader voor hare onschuld geboden hebt.... -Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten was. Toch had ik nog geen -erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. Haar vader -had u met zijn kris gedreigd.... Hoe zou de baboe van den toean -resident in uwe macht geraakt zijn?.... Dat was immers onmogelijk....” - -„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door -het verhaal van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!.... -Vertel eens, Ong Kwat, hoe zij je in handen kwam.” - -„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de -djoekoeng verhaald. Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van -haren heer, in de Salak-laan [18] achter het residentiehuis. Het kind -wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima bad een Chinees, die -daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij voldeed -aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, -wierp hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind -liep juichend den bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje -toe, dat zonder erg het kind natuurde, stopte haar, voor dat zij een -gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar een zak over -het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene -djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig -stelde zich in beweging, en een uur later was zij aan boord van de Kiem -Ping Hin....” - -„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho. - -De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en -antwoordde: - -„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!” - -„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw -je voor leugens!” - -„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho, -waart geheel versuft van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog -niet bereikt, dat de opium iemand in woestwilden hartstocht doet -ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, wijdde zijne -geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u -beiden was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het -licht der lantaarn, die er brandde, herkende ik in een oogopslag -Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong op haar toe, en sneed in -een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met lichten tred -uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die -ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het -voorschip achter een hoop zeilen geborgen, die daar lagen. - -„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien -daaraan te danken, dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De -kapitein Awal Boep Said liep met angstige schreden het achterdek op en -neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer door de vingers -glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! (God -is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere -opvarenden schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen -zeeziek in hunne kooien lagen. - -„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng, -waarmeê Dalima aan boord was gebracht, en die op zij van het schip op -de golven lag te dansen, naar mij toe. Het meisje gleed langs een touw -er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) en weldra dreven wij, -door den wind voortgezweept, ver van de Kiem Ping Hin. - -„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het -residentie-huis lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit -kwam, grepen haar wind en stroom en dreven wij op Allah’s genade heen. - -„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig lagen. Die hebben -belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in de -branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle -macht. Als wij die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het -gelukte mij eindelijk die branding te doorworstelen. Nog een poging.... -en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij geland waren, viel ik -uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, hadden -Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd -hierheen gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb -haar niet meer terug gezien. Ziedaar, de volle waarheid.” - -Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim -Ho nadacht en niemand durfde zijn gedachtengang storen. - -Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King -wendde: - -„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?” - -Geen van beiden antwoordden. - -„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl -hij zijne twee gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer -uitgestrekt lagen, een schop met zijne harde sandalen in de zijde gaf. - -„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij -hebben geen meisje gezien.” - -„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij -bij hem aankwamen.” - -„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk. -„Maar, ik lag uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet -kunnen verdedigen. Babah, ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten, -wat er van het meisje geworden is.” - -Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken, -wat hem te doen stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der -hut eenige stemmen. Het waren de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt -hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne pogingen vruchteloos -geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden. - -Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van -Ardjan. - -„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der -roeiers, terwijl hij een bundel touwwerk liet zien. „Dat heb ik bij een -struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland is, gevonden.” - -„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de -polsen en de enkels van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig -en bedaard. - -Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat -stomme bewijs hunner leugentaal snoerde hen den mond. - -Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn -Liem King van angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel -doof voor hunne kreten, verwaardigde hen ter nauwernood met een blik; -terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen met koele woede een schop -toebracht. - -In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de -Javaansche roeiers met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner -stoven naar buiten; terwijl de anderen de twee gebonden Chineezen, -alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed maakten hen naar buiten -te brengen. - -„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan. - -„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht. - -„Wij weten het niet.” - -„En gij?” was de vraag tot Ardjan. - -„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den -toean resident teruggekeerd zijn.” - -„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt. - -„Geen medelijden met kerels als gij!” - -„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen. - -„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!” -antwoordde Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste. - -„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan -wendde. „Gij, die u vermeten hebt, dat meisje van boord te -ontvoeren....” - -„Zij is mijne bruid!” kreet deze. - -„Uwe bruid!... Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen -hond zou kunnen zijn! Maar .... ge zijt gisteren avond van de Kiem Ping -Hin ontvlucht. Is er in de djoekoeng?...” - -Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich -bij die half uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho. - -„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als -de witte bloem, waarvan zij den naam draagt. [19] Daarenboven ik had in -die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders te doen dan -te minnekoozen.” - -„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt, -dan was je den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist -hebben! Nu zal ik je alleen maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik -wil de geschiedenis met Dalima vergeten.... Maar,” ging hij met een -grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers kennis -van de oogmerken van de Kiem Ping Hin te geven....” - -„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit. - -„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho -voort, zonder op de ontkenning van den Javaan acht te slaan. - -„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben -ontvlucht, om Dalima te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen -verrader!” - -„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!” ging de Chinees -onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze -vereeniging, nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar -krijgen; daarna zal ik je aan boord van de Kiem Ping Hin laten brengen, -niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet -te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen -terugkeeren, blijven zult, zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.” -[20] - -„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens -de kongsie gepleegd. Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan -waar Dalima woont!” - -Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren -jegens den medeminnaar, die de genegenheid van het lieve meisje bezat, -dat wist hij. Hij verwaardigde zich tot geen enkel antwoord; maar gaf -een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, en hen met -slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden -afklimmen; maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en -zich dus niet grijpen konden, een voor een naar beneden ploften en -liggen bleven, tot dat zij weer overeind geholpen werden. - -Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de -pret, terwijl deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de -roeiers nog meer aanzette, om hunne hardhandige geestigheden op de -slachtoffers bot te vieren. - - - - - - - -III. - -HOEKOEM KAMADOOG.—DE FAMILIE VAN GULPENDAM. - - -Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel, -dat de menschen op dat plekje daar voorbereidden. - -De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene -luwe bries overgegaan. Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de -wortelboomen op het strand; met een harmonisch gemurmel kwamen de -golven, die als het ware aan de branding, welke de kust met een -zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen -oploopen, om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik -later weer te hervatten. Van de strandhut werd tusschen de beide kapen -door, die de Moeara Tjatjing omzoomd hielden, een vergezicht op de -volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht worden. Onder de -schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder -af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander -nog na, alsof zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een -golf met eene kuif van verblindend wit schuim, maar de geesel van den -noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer begreep, dat wat hij -daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem van -Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de -opening, door de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van -groen gevat, de schoenerbrik Kiem Ping Hin zichtbaar, die daar op een -kanonschots-afstand van den wal voor anker lag, en op de aanrollende -deining bevallig op en neer bewoog, terwijl de Engelsche vlag aan haren -gaffel in sierlijke plooien wapperde. - -Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag, -stond een groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een -kaars, met hare bevallige kruinen van gevinde bladeren, die daar boven -hoog in de lucht onder de zachte bries wuifden. Overigens sloot het -Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte -wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de -hut, die slechts aan de zeezijde open was. - -Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf -gerukt, en werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een -dier palmen recht overeind, met het gelaat naar den boom gekeerd, -gebonden. De touwen, die gediend hadden om de handen en voeten van -Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan den -boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden. - -Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun -ontsteld oog bespeurde evenwel nog niet, wat zij zochten en toch -vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, hoewel de stralen der -tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog boven het -hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de -kniegewrichten, die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden -gepaard, gedoogde. Die touwen toch waren van gemoetoe geslagen en -bijgevolg hard, ruw en stekelig. - -Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig -rondkijken had hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren -gewapend, zien naderen. Hij wist dus, dat het folteruur gekomen was. - -Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er -voor het oog breed hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen -bezaten, en wier beide oppervlakten zich wit donzig vertoonden, werden -met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, een drietal bossen -gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden -drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed -hadden, de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de -zitvlakken, de dijen en de kuiten met die bladeren te slaan. Het was -eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; het was meer een wuiven, een -streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van die naakte -lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik -toegebracht, alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde -verlaten, verjaagd moest worden. Het was een zeldzaam schouwspel, dat -daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen teekende onmiskenbaren -angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen gadeslaan, -geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen -zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren -frischheid toe te wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen -van pijn te vertoonen. Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam -pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, de spieren te werken en -te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte slagen, -ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al -meer en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de -beenen, den rug en den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden -verwrongen, de oogen puilden uit hunne kassen. Toch gingen de beulen -met hunne streeling voort. De ademhaling der ongelukkigen werd korter, -werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. Zij knarsten -op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen -ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten! - -„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond -ontvlood. - -Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een -teeken aan de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling -door eene geregelde afranseling lieten volgen. Het regende toen slagen -op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid weerklonk onder het -gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, die hen -bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die -slagen begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten -hooren; het was een gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan -hunne lippen ontwrongen; het was als het geluid van een wild dier, dat -doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende krachten -verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen -niet meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen -en beenen als slangen, die er zich om wriemelden; zij drukten zich -tegen die stammen aan, alsof zij zich er indringen, in verbergen -wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, geene -kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet, -zag er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de -onmenschelijke inspanning, door de pijn veroorzaakt, drongen de -bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en verscheurden de weefsels -onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het bloed in -stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de -beenen en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem. - -Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij -de onduldbare pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht! - -Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd. -Het waren nog maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad -voorzien. De andere overblijfselen lagen verlept, verreten, vernietigd -rondom de drie lijders op den grond verspreid, en nog dacht Lim Ho er -niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij zijne -slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een -oogenblik halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen -der ongelukkigen met water te doen besproeien, waardoor de reeds zoo -onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. De onmensch was op het -punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling een -alarmkreet vernomen werd. - -„Orang oppas! orang oppas!” [21] klonk het. - -Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de -beide gemartelde Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de -Niboeng-palmen gebonden hielden, en sleepten de halfbewustelooze -rampzaligen, die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden, -langs het pad voort, dat naar de aanlegplaats der sloep voerde. Een -paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook op Ardjan toetreden; maar -de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten van de -naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de -sloep bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen, -en was het vaartuig afgestoken, of een viertal agenten geleid door -Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, verschenen al -schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet. - -„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog -altijd aan den boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als -eene levenlooze massa aan de touwen hing, die hem omknelden. - -„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch -gedaan?” - -Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde -hem op een matje, dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de -rampzalige kon geen woord spreken. Hij brulde en raasde van de pijn en -wentelde over den grond met kronkelingen als een worm, die vertreden -was. - -„Allah!... Adoe!... Sakit, sakit!” (O God... o wee!... Pijn, pijn!) -kreet hij. - -„Sakit apa?” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast -hem gehurkt zat. - -„Sakit Kamadoog!” brulde de lijder tusschen twee smartkreten. - -„Sakit Kamadoog!” riepen de omstanders ontzet. - -En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden -bladeren op, die tot foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de -menigte de vreeselijke brandnetel, die de meesten deed verbleeken. - -En inderdaad, de Kamadoog [22] is een vreeselijk gewas in den volsten -zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige -branderige jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den -lijder gedurende minstens zeven dagen ondragelijke pijnen en -verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, doet -ondervinden. - -„Heeft ook iemand sirihkalk [23] bij zich?” vroeg Dalima smeekend. - -Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte -sirihpruimpjes, die zij bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het -sirihblad, waarin de pinangnoot [24], de kalk en de tabak besloten was, -waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk daarvan aan het -meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali in -te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den -lijder, die in aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de -vreeselijke netel, was zoo groot en de voorraad sirihkalk zoo klein, -dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken niet met het -beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden. - -Het meisje was wanhopig. - -De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende -zonnestralen bevrijd te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als -den koortsgloed, die hem naar het hoofd steeg, vermeerderden. Toen -snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige kalk als wat olie te -halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den avond -hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de -lijder vervoerd zoude kunnen worden. - -Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga -monjet voorbij en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de -opvarenden toe, terug te keeren en den wal aan te doen. Niemand stoorde -zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen vuurwapens bij de hand om -die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. Het antwoord -was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw. - -Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend, -welke bij hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen -en weer, in en uit liep. Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich -opwellen. Hij wilde naar den wal;.... maar voordat hij daartoe de -noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het zou toch als -krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de -gegeven omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht -van zijn geld mocht kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten -aanschouwe van al die dèsabewoners zoude de omkooping der -politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten woede -de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra -buiten de Moeara Tjatjing, en zette koers op de Kiem Ping Hin, waarop -de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen -vertrekken. - -Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem -melden, dat de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien -was. - -„Zeer waarschijnlijk is het de Matamata, die hier de kustwacht -uitoefent,” zeide hij. - -„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de -lippen. „Bij nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te -voren hunne nadering. Bij dag jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar -den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, en niemand onzer bedriegen -kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl zij voor ons -niet onopgemerkt bleven.” - -„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn -uwe bevelen?” - -„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel, -dadelijk onder zeil en koers naar het eiland Bali.” - -Een kwartier later boog de Kiem Ping Hin bevallig stuurboord over onder -den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven naar het oosten. -Toen de Matamata ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het -smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, de kim zeer nabij. Het -vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw des -hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige -gelegenheid slechts zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon -brengen, wanneer de vuren flink opgepookt en de veiligheidskleppen -bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den ranken -schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond, -gemakkelijk elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide -vaartuigen dan ook elkander uit het gezicht verloren. - - - -Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om -haren Ardjan van een gedwongen ballingschap te redden? - -Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld -had, wat haar met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd -gekost had, had zij zich beijverd, de banden te ontknoopen, die hare -voeten omkneld hielden. Dat was ook snel geschied, en met een -verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. Een -oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou -naderen. Misschien zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar -hoorde zij de stemmen van de beide Chineezen, die het pad afkwamen om -haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het hart, en zonder te -bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk -maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren, -zij zou die smeeken; ja, maar... zou die?... Dan zou zij zich tot den -resident wenden om hulp, en die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel -als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. Als echt natuurkind was zij in -dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den weg te kennen, en -ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen. - -Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant -binnentrad, was het zeer vroeg in den ochtend. Het heerenhuis naderbij -komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen in de -groote „pandoppo” [25] met een boek in de hand op een „krossi gojang” -(wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare lectuur verdiept was. -Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige -beweging in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder, -kruiste de beenen onder zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu -met zacht schuivende bewegingen, waarbij zij zich met de linkerhand -opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) in bedwang -hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog -altijd onafgebroken op en neer ging. - -„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht -hare lippen ontvlood. - -Het aangesproken meisje, in hare lectuur gestoord, vloog bij het hooren -van haren naam verschrikt op. „Siapa ada?” (Wie is daar?) kreet zij met -een lichten gil. - -Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van -haren stoel opgerezen was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde -in de stralen der morgenzon, welke door de jaloezie-ramen binnendrong, -die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht in -de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette -met een matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere -krullen; met prachtige bruine oogen, die met hunnen lieftalligen blik -van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; met frissche ronde wangen, -waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, dat een -beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn -gevormde lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en -waaronder eene kleine afgeronde kin prijkte, die evenwel een kuiltje -vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn teeder rozenrood den -blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve kind -was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die evenwel -zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de -bewering niet te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een -der meest volmaakte meesterstukken van de schepping verscholen was. Zoo -als zij daar stond, was een der slippen van de kabaja bij haar -verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden -sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend -modelleerde, verder over het been afviel en een allerliefst blank -rooskleurig voetje schalks zichtbaar liet, dat met de teentjes even in -een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. Hoewel het uiterlijk -van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare zacht -blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen, -met haren zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat -zij een Makart gerust tot model had kunnen strekken. - -„Siapa, ada?” was haar verschrikte kreet geweest. - -„Saja, Nana,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar. - -Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten -te ontwerpen, heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden -met het gebruikelijke „nonna” (juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima, -die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare lieftalligheid, een -schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot -van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna, -eindelijk tot Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana -met de roman van Zola geen punt van overeenkomst heeft; ook niet met -het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow in Engelsch Indië zoo’n -treurige vermaardheid kreeg. - -Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij -daar Dalima gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van -haren schrik. Zij wilde het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding -zitten bleef. - -„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van -daan? O, mama is zoo boos op u.” - -„Nana, ik ben ontvoerd geworden.” - -„Door wien?” - -„Door lieden van Lim Ho.” - -„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht -geweest?” - -„Ja.” - -„Den geheelen nacht?” - -„Neen; Allah heeft mij beschermd, en...” - -„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de -meisjes schrikken deed. - -Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat -de twee jonge meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de -badkamer, zoo als haar rijke zwarte haardos bewees, die in prachtige -golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt had, hoewel zij rug en -schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij nu onder -het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan -eene „nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden -onmiddellijk volgde, overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten -drogen. - -Mevrouw Laurentia van Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige -matrone, van ruim zeven lustra, wier uiterlijk nog zeer bevallig was en -niet te veel door het moederschap geleden had. Zij had maar een kind, -de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken -boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien -verwelken, aan de zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo -veel voorzorgen deed zich toch de invloed van den tijd gelden, en al -moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast met eere torschte, zoo -waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog andere -toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje -te „breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd -veel met marinezaken had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der -zeemanswereld bij alles, zoowel in zijne officiëele omgeving, als in de -huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat te helpen, nog de -frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele -zilverdraad in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; -wanneer nènèh Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat -verraderlijke haar uit te trekken. De nog steeds fraai gevormde lippen -begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; ook de mondhoeken -volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende -beweging, die eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong -toewa had ook voor het mondtoilet eene zuurachtige vloeistof, welke -door eene soort van „semoet api” [26] geleverd werd, en als vinaigre de -toilette dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje -uit vet van „tjitjaks” en „gekko’s,” [27] waarin in gesmolten toestand -ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood gestorven waren. -Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen” [28] nog meer wondermiddelen -ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia nog steeds -haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen, -dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten -haar middel, hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed -op eene dansreceptie verscheen, nog steeds afwijkende gedachten bij het -mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij het vrouwelijke gedeelte -van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den eereprijs -toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, -wanneer zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en -opmerken kon, hoe gevierd en aangebeden deze werd. - -Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig -meisje, toen zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen -zeventien jaar oud—in het huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die -destijds controleur bij het binnenlandsch bestuur en de rechterhand van -haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar uit volbloed -Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding -hadden gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het -onderwijs in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun -kind voor een paar jaar naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven. -Onder gewone omstandigheden zou zij dan ook tot eene uitstekende vrouw -gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel ontbroken; omdat papa -en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven, -of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de -zucht tot grooten sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel -geld, zeer veel geld zelfs, en de middelen, die gebezigd werden, om dat -aardsche slijk machtig te worden, konden niet altijd den toets van -welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia gesprekken -opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen -bijgewoond, waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den -voorrang twistten, en zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij -kiemen van verderf in zich opgenomen, die de grootste verwoestingen -zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen terecht -gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar -was het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar -gebezigd als eene bron van financiëele inkomsten, die terdege -geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover slechts een uiterlijk -vernisje van goede manieren, un jargon de bon ton moest aangebracht -worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest. - -Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in -geslaagd zijn, om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar -deze, naar Indië gegaan om carrière te maken, en dan zoo spoedig, maar -vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug te keeren, was zelf van -geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool bij -den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op -beteren weg te brengen. Daar had hij den stelregel: make money... but -make money als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone -Laurentia had het hare bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen -schieten. - -Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor -zorgde steeds uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der -residentie van zijn schoonvader te erlangen. Zoo was hij controleur te -Brandowo geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen -waar nagenoeg geen Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus -niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin had kunnen gadeslaan. -Hoe hij daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den -regent van wege de cultuurprocenten [29], èn met den gedelegeerde van -den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen van de -Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe zij geld uitleende -tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als -juweelen, poesaka-wapens [30] enz. in onderpand aan te nemen, was een -diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam niet verhinderd tot resident -op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen gunstige -uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de -gedurige aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds -voor hen bogen, was vooral het humeur van Laurentia onverdragelijk -geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw verpersoonlijkt, en dat -karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat zij, -wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met -vorstelijk voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus -vertoonde, voor een uitmuntend beeld van Juno, die meest trotsche van -alle godinnen, zou hebben kunnen dienen. - -Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van -baboe Dalima gramstorig uitriep: - -„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je -geweest? Zeker, jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan” -(vrijer).” - -„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik -ben niet weggeloopen.” - -„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?” - -„Ik werd ontvoerd.” - -„Door wien?” - -„Door vreemde Chineezen.” - -„Hoe heeft zich dat toegedragen?” - -Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds -vernam. Alleen dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een -kind van den broeder van den resident was, dat sedert geruimen tijd bij -de familie logeerde, daar de vader, sedert jaren weduwnaar, zich op -Billiton bevond. - -„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder -aandoening in hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die -schaking. - -„Aan boord van een groot schip.” - -„Van wie was dat schip?” - -„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”... - -„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang -Bing, den opiumpachter?” - -„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna -Anna gehurkt zat, bedeesd. - -Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare -oogen een bizonder vuur vertoonden. - -„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie -verlangt, en bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter. - -Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg -Laurentia haastig en met hijgenden boezem: - -„En?”.... - -O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de -wereld was. Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was. - -„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm. - -„Dat kan ik begrijpen,” [31] fluisterde de njonja meer dan zij sprak, -terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik -begrijpen, alvorens....” - -Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw -van Gulpendam bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild -glinsterende oogen, die vooruitdringende, licht trillende onderkaak, -die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling sissend doorgang -verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte -kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op -dat gelaat was alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam -zich niet aan het opiumschuiven overgaf. - -„En,.... wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos -aangestaard te hebben. - -„Niets,” was het rustige antwoord. - -„Niets!.... Je liegt, anak s...... [32] Lim Ho zou je aan boord van een -vaartuig gelokt hebben, om....” - -„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het -meisje snel in. - -„Gered!... Gered!... Door wien?” - -„Door Ardjan!” - -„Door Ardjan!??? Door Ardjan!... O, jou slecht schepsel!” kreet de -njonja. „Nu begrijp ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten, -om een slippertje te maken met jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim -Ho verschuilen!... Wacht, ik zal jou!... Gulpendam!... -Gulpendaaam!!...” - -Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en -schril door de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in -den waan dat er onraad was. - -„Pangil toean besar!” (roep den grooten heer) klonk het bevel. - -„Ampon, njonja, ampooon!” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het -meisje op langgerekten toon. - -„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!” - - - - - - - -IV. - -DE DRADEN VERWIKKELEN. - - -De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep, -dan, hoewel hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer -resident) was, mocht hij de vlugheid in persoon geheeten worden. De -booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, minder rap te -zijn. - -Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en -kabaja gekleed, en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige -residentiehuis gezeten, zijn kop koffie te slurpen en een sigaar te -rooken, toen de stem van zijne vrouw door de geheele woning weerklonk. - -„Gulpendam!.... Gulpendaaam!” - -Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn -wipstoel met zoo’n vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk, -daarbij ontvangen, vier voeten achteruit vloog. - -„Oppas!.... Pajoeng!.... lakas!” (oppasser!.... de zonnescherm!.... -Gauw!) - -Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak, -namelijk steeds den pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in -zijne nabijheid te willen hebben. In de voorgalerij stonden steeds een -viertal van die zonneschermen in eene stelling naast den stoel, waarop -de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een vlak naast -den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke -slaapkamer stond een ander recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de -echtelijke bedkoets. Er mochten eens dieven des nachts komen, die -zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! De -heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het -teeken des gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar -zij had er met hand en tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de -pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend de macht in handen wilde -hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, dan klonk -het onveranderlijk: „Oppas!.... Pajoeng!” en dan volgden de -zonnescherm, met den sigarenkoker en de „tali api” [33] (brandende -lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge -wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen, -de residentspet met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een -roomsch priester het sacrament zou gedragen hebben. - -Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in -het oor: - -„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil -hier!” - -En tot den oppasser klonk nog barscher: - -„Moendoer! lari! lakas!” (Achteruit! weg! gauw!) - -Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed -dezen verdwijnen. - -„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte -schepsel geweest is.” - -„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten -vallen.” - -„In de dèsa!.... Het mocht wat!.... Zij is met haren Ardjan er van door -geweest!” - -„Ampooon, njonjaaa!” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch -verstond, om geen woord te verliezen. - -„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen,” ging mevrouw in een’ -adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht aan -boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!” - -Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de -resident de ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de -Matamata ontvangen, dat de Kiem Ping Hin op de kust gezien was. Die -schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die aan het hoofd -stond der smokkelaars van het heulsap. [34] - -„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift. - -„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte -meid.” - -„Ampooon, njonjaa!” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat. -„Ampooon, njaa!” - -„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen -toon. - -„Allah, toean!” (O, God, mijnheer). „Zij hebben Ardjan gevangen -genomen! Kassian!” (heb medelijden). - -„Ardjan gevangen genomen?.... Maar, wie....?” - -„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend. - -„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam -binnensmonds en overluid. „Waar werd hij gevangen genomen?” - -„Bij de Moeara Tjatjing toean!” - -„Hoe kwam hij daar?” - -„Hij was met mij ontvlucht!”... - -„Hoort ge wel?” gilde mevrouw. - -„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan. - -„Van het schip!... van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier -uit het huis! Dat zal meer de waarheid zijn!” - -„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”, -bromde de resident. En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst, -hoe ge aan boord van dat schip gekomen zijt.” - -Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde -thans hare lotgevallen, van af dat ze uit den tuin der residentswoning -ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen doorgebeten en zich zelve -bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van dat verhaal -was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles -aangehoord. - -„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de -resident. - -„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan” -(draagstok) wegdroegen. Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want -ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen van de touwen, die mij -bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren zag -schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest, -dan zouden zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik -dan niet ontkomen zijn.” - -„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk. - -„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en -daarna mij naar de djaga monjet wilden brengen.” - -„Naar de djaga monjet?... Oppas!... Oppas!...” riep Van Gulpendam. - -„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij -schamper. - -„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te -letten, aan den binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een -paar van uwe makkers naar de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige -dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden tot assistentie mede, en tracht den -Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima zal u tot gids -verstrekken.” - -„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw. - -„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot -helderheid te brengen.” - -En zich tot den oppasser wendende: - -„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport. -En nu ga, neem Dalima mede.” - -Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde -hij tot zijne vrouw: - -„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van. -Waar Lim Ho in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die -het licht niet mag zien. En is mijne peiling juist.... dan zal de rijke -pipa moeten over de brug komen.” - -Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten -vinger der rechterhand eene beweging, die geldafschuiven moest -beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte dat gebaar, door met een -blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten. - -„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind -meer. Op haren leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien. -Langzamerhand zal zij ook moeten leeren begrijpen, van waar het geld -komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” ging hij voort, terwijl -hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd zult zijn, -zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge -ook gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste -rijtuigen, de fraaiste en de vurigste paarden hebben?” - -„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken -glimlach... „hoewel”... ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en -prachtige japonnen niet bizonder hecht...” - -„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien -leeftijd denken alle meisjes: most adorned, when unadorned. Dat -verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een -levenskwestie is, zich zoo schoon mogelijk te maken... En nu Anna, ga -eens kijken of mijn ontbijt in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg -voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn secretaris, zal ze komen -keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.” - -Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia: - -„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John Pryce te Batavia -betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal niet -eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed, -och, dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer -gelogd worden, en een sommetje overschieten. En dat kan te pas komen, -nietwaar?” - -„Maar, dat wegloopen van Dalima?....” - -„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij -verhaald heeft, dan.... Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net -gevischt heeft. Maar.... dat zal hem nog meer zeil doen bijzetten.... -En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, dan zal ons die -zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het -bevredigen zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het -zeil naar den wind brassen, en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef -niet afsteekt.” - - - -Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen -de uitgezonden oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan -op aanwijzing van Dalima gevonden had. - -Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het -diner opgestaan, en zat met ega en dochter in de voorgalerij der -prachtige residents-woning de vrienden en bekenden af te wachten, die -den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van de gastvrije -familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die -gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de -echtelieden aankleefden, verdienden zij die euphemistische waardeering -ten volle. De zucht tot schitteren droeg, wel is waar, het hare daartoe -bij, maar werd door le bon ton van mevrouw en mijnheer zoodanig -getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan benadeeld werd. - -Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het -residentie-huis. Neen, de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal -des weeks en wel op Woensdag plaats. Dan werden de kleine ambtenaren, -de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, de planters, -de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde de -resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit -cachemiren pantalon gekleed, in al den luister, dien een residentelijk -ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan was de schoone Laurentia met -al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw gelijk. Maar, dan -was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid -te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en -hooghartigheid aan den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms -vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, aan den anderen, schering -en inslag van het samenzijn. - -Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de -hooggeplaatsten, die door hunne traktementen of inkomsten den -residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de Afdeelings-Kommandant, -die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, de -Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de -Secretaris der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel -(Handelmaatschappij), enz. Die kwamen dan zonder omstand, zonder -bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik met mevrouw en met de -lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna zij aan de -speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk -maakte mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den -regel niet de minst gelukkige, vooral wanneer in den naävond een -fijntje tegen een gulden het fischje met een pot gespeeld werd. Het -jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer voor de -behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te -sluipen, aan de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het -hartje op te halen aan de melodieën van Chopin, van Beethoven, van -Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier meesterstukken door het -lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden. - -Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een -andere dienst zou opgedragen worden. - -Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de -kleinste bizonderheden medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in -ijlende koorts verkeerde, naar het hospitaal ter behandeling gebracht -had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar op. - -„Te drommel,” prevelde hij tusschen de tanden. „Die gekheid met die -duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.” - -Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de -aandoeningen, die zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten. -Wat evenwel de goede luim van den resident ten top voerde, was dat de -oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen door het dèsavolk, -eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik -struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten. - -„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident. - -„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer -met gekruiste knieën zat. - -„Ook het dèsavolk?” - -„Engèh (ja) Kandjeng toean.” - -Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat -genoeg leesbaar. - -„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen -meegebracht?” vroeg hij verder. - -„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean! Ik heb die vaatjes en die blikken -bij den assistent-resident van politie afgegeven.” - -„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden. - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet -begreep. - -Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij -tot een Europeaan spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft, -wanneer hij het hem toegevoegde niet begrijpt. Het moet niet zoozeer -opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, als wel als een -beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van -Gulpendam kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord -verbaasd te zijn. - -„Ga naar den assistent-resident,” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek -dadelijk bij mij te komen.” - -De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen -op, en ijlde heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was -hij weg, of een paar der verwachte gasten kwamen opdagen. Een oogenblik -later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, het gesprek -algemeen. - -Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan. -Dalima was terug, en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was -afgeloopen. Zij had wel eenige woorden van haren vader met den oppasser -opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt. - -Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche -meisje daar gehurkt zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen -stroomden. - -„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.” - -„O Nana!... zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!” - -En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij -den Javaan teruggevonden had. - -„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij. - -„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna. - -„Lim Ho,” antwoordde Dalima. - -„Lim Ho? Hoe kwam die daar?” - -„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de -djaga monjet de Moeara Tjatjing uitvoer.” - -„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?” - -„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben -zeker, dat hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook -sprak Ardjan eenige woorden, die mij zekerheid verschaften.” - -„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?” - -„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien -ook, omdat hij mij van de Kiem Ping Hin, ontvoerd en gered heeft. O, -Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts wartaal.” - -„En waar is Ardjan nu?” - -„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij -den assistent-resident van politie geweest zijn.” - -„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?” - -„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium -afgegeven,” antwoordde Dalima. - -„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?” - -„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.” - -„In de nabijheid der .... Dus te gelijk met hem gevonden?” - -„Ja, Na!” - -Het blanke meisje dacht een oogenblik na. - -„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij -binnen’smonds. - -En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare -gedachten te verzamelen, vroeg zij: - -„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip -verliet?” - -„Ja, Nana!” - -„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.” - -„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs -eene „tali” (touw) er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en -waren blij van het schip zoo spoedig mogelijk verwijderd te geraken.” - -Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar -hare kamer, die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer -terug met hare schrijfcassette in de hand. Zij zette zich neder bij een -der lampen, die de pandoppo verlichtten, en schreef ijverig een -briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe: - -„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?” - -„Zeker, Nana!” - -„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?....” - -„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is -zoo ver. En het is reeds zoo laat.” - -„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos” -(dos-à-dos), dan is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!” - -Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om -de boodschap der nonna uit te voeren. - -Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten, -die reeds aangekomen waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die -zij ontwikkelen konden, ontvangen. - -„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje -getrouw blijft,” sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw -aangekomenen, die hoewel niet in uniform gekleed, toch door zijne -houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt wit -hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried. - -„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden avond niet getrouw -gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier. - -„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh -zijn, en dat vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten -vertrekken. Nu dacht ik, dat bezigheden u soms zouden verhinderd -hebben, om...” - -„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel -moeten gebeuren, dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te -leur te stellen. Neen, ik heb mijne bevelen gegeven, en voor de rest -zorgt mijn chef van den staf.” - -„En gij, overste,” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten. -„Hadt gij het heden niet druk met die nare tijdingen. Er zal ook wel -weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? Ik heb ten minste -als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te Batavia -in dien zin eene mededeeling ontvangen.” - -„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde -deze, die chef van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De -voorzieningen voor de versterking naar Atjeh zijn allen getroffen, en -heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. Toch is het gevaar -groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had -kunnen nemen.” - -„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg -mevrouw Van Gulpendam deelnemend. - -„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de -geneesheer van de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een -Inlander door politie-agenten binnen gebracht was, die -ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, en -waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.” - -„Zijne... Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam. - -„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,” -antwoordde de overste. „Maar dat is de leer van de herkenning der -ziekten. Daar de lijder in het oog van den jeugdigen arts in extremis -was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar het hospitaal te -gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters -zijn.” - -„Jawel, jawel; maar ga voort.” - -„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige -artsen van de hedendaagsche school! Die man had den mond vol van -absente diaeresis; van aanwezige efflorescentia en formicatie, gepaard -aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met eene eenvoudige maar toch -flink toegepaste urticatie te doen had.” - -„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw. - -„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink -toegepaste geeseling met karbouwbladeren.” - -„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig -werd. „Die worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?” - -„Juist, resident.” - -„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een -tienmijls vaart!” - -„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets -anders te doen, dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden, -namelijk de pijnlijkste plekken met sirihkalk in te smeeren, en de -overige met versche klapperolie. De man lag in een hevige ijlende -koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor heeft -die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.” - -„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt, -overste?” vroeg de resident. - -„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd -heeft. Het onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk, -dat de ijlende koorts nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren. -Daarna zal zij afnemen. Maar, het zal wel veertien dagen duren, -alvorens die man weer op de been zal zijn.” - -„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam. - -„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.” - -„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?” - -„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.” - -„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?” - -„Neen, resident.” - -„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?” - -„Neen, volstrekt niet.... Maar, resident, die vragen.... Stelt gij -belang in den lijder?” - -„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. Ik weet van het -geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem -Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.” - -Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de -gewone plichtplegingen werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes -genomen, terwijl de lieve Anna zich met de thee onledig hield. Maar nog -waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de assistent-resident van -politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des huizes -gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak -hij tot den huisheer: - -„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap -dadelijk bij u te komen.” - -„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande, -en tot zijne partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u -drieën moeten spelen.... Kom, Meidema.” - -De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij. - -„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van -het vertrek zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke -opium-aanhaling gedaan, nietwaar?” - -„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien -blikken. In de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z. -er is een vaatje van tien kilo in een ander geplaatst, en met grof zout -omgeven. De blikken bevatten ieder vijf kilo ongeveer. Zoodat de -aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.” - -„Zoo, nog al aardig,” meende de resident. - -„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan. - -„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen -dertig gulden het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens -mij nog maar vier duizend vijf honderd gulden. Is ’t niet?” - -„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe -opium, maar tjandoe. En gij weet wel, dat van een katie opium slechts -15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen wordt.” - -„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden blik op den -assistent-resident. „Maar is het wel opium?” - -„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen. -„Het is tjandoe, zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is -zuiver Bengaalsch product.” - -„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige -stellen?” - -„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig -is. Het is tjandoe, die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent -morphium [35] bevat.” - -„Zoo!.... Ik meen maar.... Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is -u in handen gesteld.... Gij kent de herkomst van die vaatjes en -blikken, nietwaar?” - -„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij -gerapporteerd, dat die opium afkomstig is van de Kiem Ping Hin, en gij -weet wie....” - -„Van de Kiem Ping Hin?.... Hoe komt gij er aan?” - -„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala -oppas.” - -„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem. - -Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen. - -„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den -assistent-resident. - -„Ja, resident.” - -„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen -bediende met strakken blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean -assistent bracht, is immers bij Ardjan gevonden?” - -„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar)....” - -„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op -strengen toon. - -„Engèh Kandjèng toean!” - -„Hoort gij het, mijnheer Meidema?” - -„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat. - -„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.” - -„Maar, resident....” - -„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te -vervullen.” - -„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” - -„Dank u.” - -Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en -hief de schoone Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors -zesde schoppen, met groot mariage klaveren en harten zeven in de hand. - -„Vole déclarée, schoppen!” riep zij. - -„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan -het andere tafeltje zat. „Dat’s vroeg.” - - - - - - - -V. - -IN DE VOOR- EN BINNEN-GALERIJ. - - -Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed -juist een ander voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die -toegang tot de voorgalerij verleenden, waarin de spelers gezeten waren. - -Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig, -fijngevoelig, beschaafd meisje, als Anna van Gulpendam was, een briefje -aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman zoo -dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet -vergeten worden, dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef, -geheel aan den aandrang van baboe Dalima gehoorzaamde, en om redding -aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar hart gehoor gaf, -zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten kon -worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden -wel geen liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking -jegens elkander ontstaan was, geboren uit overeenkomstige -gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne wederzijdsche -aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen -stempel, wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat -waren, elkander van berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene -genegenheid bestond tusschen hen, dat viel niet te miskennen. Maar -voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen van hunnen -stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid -een meer teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat -wellicht ontsluieren. - -„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid -vernemen?” - -„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde -de resident tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo -aanminnig mogelijk antwoordde: - -„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen. -Waarlijk, gij verwent ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.” - -„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam -de pas aangekomene, „maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke -hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op zijn minst genomen, ik zou het -haast noemen, fâcheux troisième.” - -Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie -hij zocht. Zich tot de heeren wendende: - -„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u, -kolonel, en u, overste, evenmin. Gij allen zijt de gezondheid -gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met het partijtje? Wel, heer -secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere -tafeltje. - -„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.” - -„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een -oogenblik te laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld -en gewonnen!” - -„Een vole, mevrouw?” - -„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de -schoppen, groot mariage klaveren en harten zeven.” - -„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?” - -„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen -waren de troeven er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen -door met twee troeven...” - -„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had -klaverenboer derde en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw, -boer, aas, enz., enz., dat viel achter elkander. Op die troeven speelde -mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens troef. Ja, ik had -de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog niet gevallen. En.... -waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en....” - -„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?” -brak eene lieftallige stem, die omberverhandeling af. - -De aangesprokene keerde zich met drift om. - -„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend. -„Maar, waartoe dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken -Devonshire-roos, zoo lieftallig, zoo....” - -„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een -schalkschen glimlach zweefde bij die komplimentjes. - -„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?” - -„Neen, de kokkie deed dat.” - -„En de thee?” - -„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.” - -„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?” - -„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger -mannetjes-boonen gezet,” riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe. - -„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten -van uwe kokkie, mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee -prefereeren. Dat heeft nog zoo iets vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik -u bidden mag, een kop thee.” - -„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje. - -„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?” - -„Dat gij straks de fleurs d’oranger, gij weet wel die keurige -quatre-mains van Ludovic met mij speelt...” - -Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht. - -„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat -baat u ziet zooveel niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met -den rose nagel van haar allerliefst gevormd duimpje een knappend geluid -tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes veroorzaakte en een -spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „les fleurs -d’oranger! of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de -voorwaarde, die onmiddellijk de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar, -kolonel?” - -„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, die geen woord van -de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van een -gewaagden sans-prendre, dien hij ondernomen had. - -„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den -oorlog durven verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden, -speel ik den geheelen avond les fleurs d’oranger. Kom, dadelijk!” - -„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,” -spotte het meisje. „Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht -overal en in alles steeds hetzelfde als in hun gerechtszaal, waar -zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, of slechts -afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?” - -„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.... zoudt gij mij -toestaan hier achter de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama -te ontvangen?” - -„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen, -vervolgens voor de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van -Beethoven spelen....” - -„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus -36, verzoeken?” - -„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken -glimlach. „Nu goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas -op, dan de fleurs d’oranger! En,.... ga nu maar les nemen in het -omberen.” - -Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar -fijn en gesloten spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam -en bedrijvig heen en weer trippelde, om toe te zien, dat de bedienden -stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd lieten. - -Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en -aandachtig in hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de -uitstraling der prachtige en overdadige gaslampen, die de galerij met -een zee van licht overstroomden, heerlijk af. Karel van Nerekool was -een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden in -de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie -te Santjoemeh geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van -Batavia aankwam. Hij was een rijzig man, met blonde haren, die hij -uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden gelaat, waarvan de -Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst -werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht -gevulden knevel ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was -iets blonder dan het hoofdhaar, ja mocht op eene zekere mate van -vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet misstond. Zijne -beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne -omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten -volle verdiende. In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij -was een rechtsgeleerde in de zuivere beteekenis van het woord. Een -geleerde, een beoefenaar van het recht! Noch de studie der Pandecten, -noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis in een woord, -noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van het -Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de -casuïstiek eenige aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet -om daaruit casus positiones of juridische subtiliteiten te smeden; -neen, dan diende zij hem in tegendeel als gewetens-dialektiek, die hem -voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht door zee, eerlijk -als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen op -hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke -door een soort van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij -daarbij steeds den stempel van man van opvoeding en beschaving bleef -bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar het geringste te -omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht -verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik -in de verdorvenheid der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan. -Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, rondborstigheid van uitdrukking, -gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen faktoren om in de -tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld -vooruit te komen! - -Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als -rechterlijk ambtenaar uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan -hem en had dat dikwijls aan zijn chef, den voorzitter van den raad van -Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, te kennen -gegeven. - -„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool -is nog een jeugdig borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst -verorberd zal hebben [36], zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar -vervormd zijn. Wie onzer had, bij het begin zijner loopbaan in zijne -jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als hij?” - -De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch -voelde zijn geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische -denkbeelden gekoesterd te hebben, althans met zoodanige, als waarmede -de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was. - -De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te -turen. - -„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van -Nerekool,” zei mevrouw met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter -mij zijt komen zitten, heb ik geen spel meer in handen gekregen. Ga aan -ginds tafeltje bij den resident eens kijken.” - -„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!” - -Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs. - -Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de -woorden van den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de -stem van de dochter des huizes weerklonk: - -„En mijn fleurs d’oranger, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom, -het is tijd.” - -„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog -niets gehoord!” - -„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij -omslaan.” - -„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij -de twee jongelieden even natuurde, maar terstond weer naar haar spel -keek. „Kijk, daar hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap -heel andere kaarten op.” - -„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van -Gulpendam van zijn kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch -hier doen?” - -„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel. - -„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen -zin.” - -„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad -van Justitie, „en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen -niet ver.” - -„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een -afdoenden toon in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit -aan de voorhand, welnu: sans prendre. Harten!” - -De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet -zoodra waren zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool -begon: - -„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik -dadelijk gekomen.” - -„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje. En hardop -vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.” - -En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de -sierlijk gesneden étagère, die naast de piano stond, haalden en -bekeken, fluisterde het jonge meisje: - -„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd... Stil! -onderbreek mij niet, anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier -Lim Ho. Zij werd echter bevrijd door Ardjan, haren aanstaande. Die is -evenwel op last van den Chinees vreeselijk met karbouwen-bladeren -gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal...” - -„Zie, hier heb ik de fleurs d’oranger, juffrouw Anna,” sprak van -Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel had hooren -opstaan, overluid. - -„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O, -hier heb ik ze! Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op -de piano, als ik u bidden mag.” - -„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach. - -„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal -kunnen spelen en tevens mijn verhaal voortzetten.” - -Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de -bladen om te slaan. - -„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den -prachtigen aanvang aansloeg van dat in alle zijne deelen op groote -schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, „dat Ardjan in het -hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij -ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat -briefje te schrijven.” - -„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.” - -„Luister aandachtig.” - -En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste -gewaarwordingen des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn -kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling lieten komen; terwijl zij -al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen der jeugd, in -den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen -kunnen, tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen -des toondichters, doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die -den zonneschijn van zijn gemoed bedreigden, heerlijk lieten uitkomen, -vertelde het lieve kind de ontvoering en de redding van Dalima, in -welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden was; maar -ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium -ontdekt werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was. - -Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en -zich geen enkelen keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo -aandachtig toe, dat geen woord hem ontsnapte. Bij de laatste woorden -betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas zeer goed opmerkte, -vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin een -verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die -van alle kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste -blijdschap op te wekken, tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers, -in de voorgalerij, die onder den invloed van het kunstvaardige spel een -oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne toejuichingen liet -hooren. - -„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool, -terwijl de bravo’s voor nog weerklonken, fluisterend. - -„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op -gedempten toon. - -„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?” - -„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van -dien aard.” - -„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?” - -„Dat wist Dalima niet... En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu -de fleurs d’oranger!” - -„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal -worden, die opium aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe -bestaat niet de minste aanleiding; tenzij....” - -„Sjtt.... straks!” - -En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne -sprankelende noten, die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in -ware trossen, in ware bouquetten van melodiën naar buiten ruischten, en -zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg van levenslustige -opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm -der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge -meisje de laatste vraag van Van Nerekool: - -„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en....” - -Het lieve kind aarzelde. - -„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles -mededeelen.” - -„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.” - -„Een weinig geluisterd?” - -Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare -oortjes. - -„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa -den oppasser hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon -de gedachte niet van mij zetten, dat dit in verband stond met Ardjan. -Toen de assistent-resident kwam, sloop ik dan ook achter het schutsel, -hetwelk de deur maskeert, en....” - -„Nu, en...? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,” - -„En, toen heb ik alles gehoord....!” - -„Alles, wat?” - -„Wat zij verteld hebben....” - -„Ja, maar, wat hebben zij verteld?” - -„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.” - -„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?” - -„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen....” - -„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag -u dat af.” - -„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.” - -„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat -doen, als ik de toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er -geen schijn van gevaar, dat Ardjan van smokkelarij beschuldigd zal -worden. Wees openhartig met mij.” - -„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het -is zoo moeielijk.” - -„Waarin bestaat die moeielijkheid?” - -„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar... komaan... gij -hebt gelijk. Ik zal openhartig zijn en u alles vertellen.” - -En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide -ambtenaren gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte -waarde van de opiumpartij, noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema -bekend gesteld, noch het verhoor van den kapala oppas. Toen zij -mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den -politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood -hare wangen en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den -gemoedstoestand van de lieve maagd, die zich voor de daden van haren -vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte dat gesprek ter wille -van het meisje te bekorten. - -„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had, -waarvan die opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat -schip genoemd?” - -„Ja, ik geloof de Hing Kim Lin of de Lim King Him of zoo iets -dergelijks.” - -„Kan het ook de Kiem Ping Hin zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar -met nadruk. „Bedenk u wel.” - -„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.” - -Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht -aan zijne lippen ontgleed. - -„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij. - -„Weet gij wien de Kiem Ping Hin toebehoort?” - -„Neen.” - -„Aan Lim Ho!” - -„Aan Lim Ho?.... den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij -de handen voor het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen. - -„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg. - -Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare -ouders, waarbij zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van -schaamte ontsprongen hare oogleden, droppelden tusschen hare vingeren -door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl zij angstig -prevelde: - -„Ach God! Ach God!” - -„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen, -„laat de hoop niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat -in mijn vermogen is, om den onschuldige te redden. Dat beloof ik u.” - -„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle -beweging hare oogen met haren zakdoek afdroogde.... „Maar mijn -vader?”.... - -„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.” - -„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die -zaak gecompromitteerd worden?” - -„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij -ongemoeid blijft. Wees gerust.” - -„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn -ontroering te verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.” - -„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap -nemen.” - -Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de -ombreurs. Die waren evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige -oogenblikken later het kaartspel geëindigd was. - -„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel, -terwijl hij met bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde. - -Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam -vertrokken, en stond de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na -te turen. - -„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets -te zeggen) klonk eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar. - -Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten. - -„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen. - -„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.” - -„Vergist, waarmede?” - -„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij -Ardjan gevonden was.” - -„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft -in te trekken, dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran” -(gevangenis) stoppen! Begrepen?!!” - -„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en -onbegrijpelijk strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan -zijn voorhoofd brengende, de „sembah” (groet) eerbiedig volbracht. - - - - - - - -VI. - -EEN ECHTPAAR. - - -Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen -zouden zij hem veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en -daardoor nog zoo onervaren in de doolhoven van ongerechtigheden, die in -Nederlandsch-Indië door de rechterlijke zoowel als door de -administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking komen -met zaken, welke het opiummonopolie gelden. - -Eenige weken na zijn onderhoud met Anna van Gulpendam, vernam hij van -haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie -herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de -gevangenis overgebracht was. Hij won toen inlichtingen in bij den -rechtsgeleerden voorzitter van den landraad [37] te Santjoemeh, die hem -mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd was, en dat -nog wel van eene vrij belangrijke partij. - -„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid -voor,” vervolgde Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de -strekking niet begrijp.” - -„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool. - -„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij -mij mededeeling doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt, -dat de aanhangige overtredingszaken door den landraad zouden worden -afgedaan.” - -„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch -reglement, en met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke -organisatie.” - -„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat -lijstje komt de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?” - -„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben -overtuigd, dat die Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de -preventieve gevangenis zoodanig, dat wanneer eene vrijstelling volgt, -de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening kan uitroepen: „hij -heeft in allen gevalle voor mijn pleizier zoo vele maanden gezeten.”” -[38] - -Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met -doordringenden blik aan. - -„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere -meening voor.” - -„En die is?” - -„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid -heb gevraagd?” - -„Ja. Maar, wat zou dat?” - -„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te -berechten zijn, zou de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst -over zes of acht weken ongeveer aan de beurt zijn.” - -„Welnu?” - -„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.” - -„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een -ander rechterlijk ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den -landraad te presideeren.” - -Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn. - -„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het -reizen niet vlug. Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr. -Nellens van Makassar, dan gaan er minstens twee maanden voorbij, -alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. En inmiddels....” - -„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de -afdoening der landraadzaken belasten.” - -„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat -krachtens de eerste alinea van artikel 93 van het reglement op de -rechterlijke organisatie en het beleid der Justitie in Ned.-Indië, de -resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter van den -landraad kan optreden.” - -„Welnu?” - -„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik -weg zal zijn, berecht de resident de zaak Ardjan.” - -„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?” - -„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den -Koning schreef [39], dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de -grootste opiumsmokkelaars zijn, stelselmatig omgekocht worden, en dat -zoodoende het gezag der uitvoerders van het gezag der regeering -ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van -Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken -dan gij, en als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van -Ardjan te verdagen, dan kan ik de gedachte niet van mij zetten, dat -hier eene poging aanwezig is, om die zaak aan de behandeling van den -bevoegden rechter te onttrekken.” [40] - -„Maar, dat is afschuwelijk!” - -„Zeker is het dat.” - -„En wat hebt gij gedaan?” - -„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die -zaak te verdagen. Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien -dagen voor komen.” - - - -Dat zou zij niet. - -Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke -ambtenaren plaats vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het -onverwachts een bezoek. - -Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in -den namiddag; twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op -bezoeken gesteld is. - -Als populair man had de resident tegen half elf de „Sociëteit” bezocht, -en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan -zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had, -dat, al had hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel -een bal in de milieu snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had. -Hij was zoo omstreeks half één te huis gekomen, had met smaak -gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den dag des Heeren -verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai -gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan -snoepen. Hij had reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand, -toen de kapala oppas hem naderde, zich op den grond liet glijden, den -„sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, dat babah -Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht. - -„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de -opiumpachter) vroeg hij. - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser. - -„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond) -luidde het bevel. - -„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?” - -„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja...” - -En een anderen oppasser wenkende: - -„Bowah bekakas pajoeng di sini,” (breng de pajoengstandaard hier) beval -hij. - -De schoone Laurentia trok de schouders op: - -„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en -kabaai, en de gouden pajoeng naast hem!” - -„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De -wind is aan het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.” - -„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren -innemendsten glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!” - -„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den -beer aan John Pryce...” - -Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen -influisteren, dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te -spreken. ’Mbok Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en -nagenoeg even oud als deze, maar had nog andere koorden op haren boog -dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. Behalve doekoen, was zij -o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen). - -„Die komt te pas en ook te onpas,” prevelde mevrouw Van Gulpendam met -een zweem van teleurstelling, „maar wat er aan te doen?” - -Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te -hebben de oude vrouw derwaarts te brengen. - -Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het -Javaansche wijf. Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde -een glimlach op de lippen van den babah. Voor ieder ander dan voor -’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke op het gele gelaat van -iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid van -machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach -evenwel eene tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den bediende, trad -zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja, -terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel -zat te wiegelen, waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den -Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen -omgaf [41]. - -„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar -een stoel gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag -naar herwaarts?” - -De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met -een knipoogje: „Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den -Kandjeng toean te vernemen.” - -„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen -doen.” - -„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het -lichaam en de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder -een goede plaats vindt...” - -„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident -glimlachend. - -„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het -residentiehuis insloop.” - -Van Gulpendam spitste de ooren. - -„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?” - -„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.” - -„Nu, laat hooren, babah.” - -Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische -vertaling dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied -zijn. Bij tijds bedacht hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch -niet zou begrijpen. - -Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de -partij opium bij de djaga monjet in de Moeara Tjatjing, en trachtte den -resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen daar gecalangeerd -was, geen opium was. - -„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam. - -„Niets anders dan „pretto” [42] vermengd met verschillende „gettahs” -(verdikt plantensap).” - -„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan -bestaat er geen overtreding.” - -„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium -is.” - -„Drommels!” - -„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet -wetende, van waar of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben -verklaard, dat het is uitmuntende tjandoe, „roepanja bahoenja dan -rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter dan die door het -Gouvernement aan de pachters verstrekt...” - -„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam -verbaasd. - -„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster -in handen gesteld van den apotheker.” - -„En wat heeft die beslist?” - -„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat -het tjandoe is met een gehalte van 32 percent morphine.” - -„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de -zaak haren loop hebben.” - -„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde....” - -„Neen, babah, neen,...” sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij -aan iets anders dacht. „Neen, er is niets aan te doen.” - -„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de -stereotype glimlach van zijn gelaat niet week. - -En met een soort tact het onderwerp van het gesprek wijzigende, bleef -hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den -handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep: - -„Gisteren kwam de Wijberton van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik -heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren gekregen. Er is een -kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die zijn -zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens -bezichtigen?” - -De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die -wat vorm betrof, snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak -een borduurwerkje vertoonde, hetwelk een lief frisch bouquet rozen -voorstelde. - -De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf -onberispelijk fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde -dan ook door den heerlijken geur, die zich verspreidde, dat daar -uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen was. En gedurende het -gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den -sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest. -Blijkbaar waren zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den -Chinees weer over met de woorden: - -„Zeer fraai, inderdaad.” - -„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?” - -„Wat, gij wilt?....” - -„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene -heerlijke sigaar rooken, dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot -genoegen met dat luttele geschenk van mij aan te nemen.” - -Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet -de resident geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje -vallen, dat naast hem stond, en vervolgde, als ware er niets gebeurd, -het gesprek van straks: - -„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den -oever?” - -„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.” - -„Kunt gij die vertrouwen?” - -„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de -Chinees met een valschen glimlach. - -„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan -gevonden werd?” - -„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.” - -„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen -is, nietwaar?” - -„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.” - -„Dan weet ik genoeg, babah.” - -De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te -verwijderen. De resident wenkte hem om nog te blijven zitten. - -„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos. - -„Van welke?” - -„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.” - -„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,” -betuigde de Chinees. - -„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal -opgemaakt, dat zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees....” - -„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean. -Is er geen middel, om dat met dien toean dokter te schikken?” - -„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan....” - -„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u....” - -„Ik zal zien.... Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt -zwaar, zeer zwaar gestraft!” - -De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den -zak, en haalde een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te -voorschijn. - -„Ik ontving ook met de Wijberton een stel prachtig zilverwerk uit -Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van Kempen in Den Haag -het zoo kunnen?” - -„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident -bewonderend. - -„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar -Europa verzonden, en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken -wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng toean.” - -De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens -den blik er in vallen. - -„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die soort thee -zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan” -(leverancier).” - -„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te -nemen?” - -„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk -genoegen.” - -Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet -in den stijgbeugel te hebben. - -„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal....” - -„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat -ik doen kan.” - -De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was. -Plotseling bedacht hij zich: - -„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd -heeft?” - -„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.” - -„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de -kaars vliegen.” - -De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord. - -„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident -achteloos. „Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.” - -Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en -reikte hem ongedwongen de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht -wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik kwam Anna’s lieveling-hond, een -fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en sprong -kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot -van den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van -den babah. - -„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog -Edele Heer) betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de -lippen, terwijl hij hartelijk den hondenpoot schudde. - -Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „O! sama djoega, Kandjeng -toean” [43] van den Chinees begreep? Toen hij zich alleen in de -pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen blik, en -schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas -van verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van -duizend gulden gewikkeld, echter zoo, dat de punteinden der sigaren -onbekleed waren gebleven, en dus bij het openen van den sigarenkoker -van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in de theedoos, en -stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte -papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende, -borg hij de kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar -zijn kantoor, waar hij den bekenden brief over de regeling der volgorde -van de gedingen aan den voorzitter van den landraad van Santjoemeh -schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne ega in de -binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam. - -„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in -het oor. - -Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede. - -„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde, -door haren arm om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen -aan te kijken. - -In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los -te laten, de deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar -verlevendigde nog meer, als het kon, de nieuwsgierigheid van haren -blik. Met een bevallige beweging sloot zij zich nog inniger tegen hem -aan, en drukte hem een kus op de lippen. - -Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den -sigarenkoker en het theedoosje daarop leeg, en liet de schoone -Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, waaromtrent zich niet te -vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige oppervlakten -te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden -vertegenwoordigde. - -Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone -vrouw. Maar, dat was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al -onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die zag haar integendeel met -verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, de -bankbiljetten, die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg -verkreukeld waren, gladstrijken en om hare vingeren winden. - -„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig -sommetje!.... Waarlijk, het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij -wat ik heb....” - -„Wat gij hebt?” - -„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.” - -„Maar, wat dan toch?.... Vertel....” - -„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat....” - -Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag, -naast eene kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn -geweest. Toen zij de pisangbladeren, dien de boengkoesan omsloten, -opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje van gemeen -aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer -vies uitzag, ontwaard werd. - -„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen -lepeltje eene hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene -hazelnoot schepte, en hem dat voor den mond hield, alsof zij hem voeren -wilde. „Eerst dat, Gulpie!” - -Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker. -Zijn gelaat gaf walging te kennen. - -„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.” - -„O, dat is een geheel nieuwe „obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok -Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” „oendoek”, „oerat -minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet” [44]met „daoen gettal” -[45], tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.” - -„En wil je me dat laten slikken?” - -„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig -schitterende oogen, terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor -den mond hield, en met de andere den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens -ondervinden, welke heerlijke uitwerking.... Toe.... kom, slik! daarna -zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als gij... -Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig....” - -Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of -wel de toezegging van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten? -Genoeg zij het, dat hij de oogen sloot, den mond opende; terwijl zij -hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en den vaal groenachtigen -inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, zoo een -gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende -beweging volvoerde. - -„Slikken!... Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem -zachtkens met de mollige vlakke hand op den rug. „Slikken!... Toe, -slikken!... Zoo!... zoo is het goed! En nu aflikken! Toe, het goedje is -te kostbaar!” - -En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje -van het vieze goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te -likken en in te zwelgen, totdat hij eindelijk daarmeê klaar was. - -„En nu het verhaal?” vroeg hij. - -„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je -alles vertellen.” - -Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare -nabijheid op den divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats, -en sloeg de beenen kruiselings onder haar lijf, waarbij de bovenopening -der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om een blik te gunnen aan een -boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en nog wel -geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te -zetten. - -En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim -medegedeeld had, dat Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe -Dalima en,—alsof zij dat niet reeds wist, voegde zij er met een -vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor over had, om -het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst -was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten, -dat hij toen zijn doel niet bereikt had. - -Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen, -de schoone Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd -behoorlijk waar, en wist de noodige nuanceering aan te brengen, hier en -daar van eenige schuchtere terughouding te doen blijken, dan weer eene -vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, ja -het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot -van het verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken -Chinees tegenover de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een -vuurwerkbouquet eindigde, op het verbeide oogenblik plaats had. - -Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk -gekleurde verhaal had hem geboeid. Maar,... was ’t het mixtum -compositum, hetwelk hij geslikt had, dat begon te werken? Of was het de -fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening der schoone -Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of -waren andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken -op haar kompas. Bij haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in -hetgeen zij uitsprak; wel meestal in hetgeen zij behendig weerhield, in -hetgeen zij met een schier niet waar te nemen gebaar te kennen gaf, in -het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van eene -pruilende beweging der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die -dien der engelen in naïeviteit kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan -ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten of aan den invloed -van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd en -hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij -het te weten, dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te -hebben, zichtbaar onrustig werd; dat hij zachtkens naar zijne -levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk genaderd -was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam, -leunde met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare -weelderige donkere krullen, snoof met kracht en met wellust den -bloemengeur, waarmede zij doortrokken waren, daaruit op, en sloeg zijn -arm om de aanvallige leest, die hem als het ware daartoe uitnoodigde. -In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in -lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden: - -„’Mbok Karjå,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor -haren beschermeling, voor den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft -mij verzocht te pogen Dalima gunstig voor haren aanbidder te stemmen. -Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik zou maken, heeft zij -mij dit aangeboden.” - -En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit -een fraai bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van -edelgesteente tot sluitstuk had. - -„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden -waard.” Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De -prachtig roode koralen, met haren rooskleurigen weerschijn, deden -inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in hare bedwelmende -vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde -in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het -briljante sluitstuk tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja -daalde, waar het zijne naaste omgeving met zijne schitterende -lichtstralen overtoog. - -Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte -het middel zijner echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde -haar onstuimig aan de borst, overdekte hare wangen, haar voorhoofd, -hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding met kussen, met -brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit: - -„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!” - -„De obat!... De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met -hare schoone oogen diep in de zijne staarde, en hem als het ware -verslond. „Zie je wel! De obat!... Ditmaal heeft ’Mbok Karjå, zich -zelve overtroffen!... Zie je wel, Gulpie!... Zie je wel...” - -„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!... Ik voel -het. Ik steven met volle zeilen! Klaar bij het anker!... Betoel, -betoel! (inderdaad) Hari ontong!” - - - - - - - -VII. - -EEN VERRADERLIJK DÈSA-GENOOT. - - -Op een twaalftal palen [46] afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh, -lag in een schilderachtig, heuvelachtig terrein, hetwelk veelvuldige, -maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, de dèsa -Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een -breeden smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke -van eene nabij gelegen hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen -vormden, die zich, onder den invloed der zachte bries, als van -grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde. - -Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want -zij zelve lag verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de -heerlijkste „manga’s,” de lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste -„assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de geurigste „djeroek’s” en de -meest verfrisschende „djamboe’s” [47] en nog zooveel andere gaven van -de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd -waren. Hier en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de -ruimten tusschen de hutten en de boomen en vervulden de -„katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” de -„poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra -kombala” [48] en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare -liefelijke geuren, of streelden het oog met hare schitterende, maar -aangename verscheidenheid van kleuren. - -De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen, -van die dikke en lange bamboe-betong- [49] soort, die zoo kostbaar -bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar als -afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die -als het ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht -der loofpluim, welke zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo -een heerlijk beschaduwd terrein leveren. - -Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest -schilderachtige wanorde in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de -eigenlijke kom der gemeente. De bewoners hielden zich voornamelijk -bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend -leenden, en vruchtbare „sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs -langs die heuvelhellingen vormden. In het lagere gedeelte dier gronden, -werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,” -„djampal’s”, „batak’s” „gaboes” [50] en meer anderen vischsoorten -opleverden, die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer -gewild waren, en derhalve goede prijzen opbrachten. De bewoners van -Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen zijn, richtte een -hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht was de -opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar -ook de gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het -verderfelijke heulsap hadden overgegeven. Helaas, het moest erkend -worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. En toch -velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen -enkele bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans! - -Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in -zijne jeugd uitgeweken was, om elders een bestaan te vinden, te -Kaligaweh teruggekeerd was. - -Met dien man, die Singomengolo heette, maar in de wandeling Singo -genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger zoo gelukkige dèsa -losgebroken. - -Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. [51] -Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik -te maken, door hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te -wijden, was het die zielenverkoopers gelukt van een dommelend oogenblik -misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te laten verbinden. Het -handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig mogelijk -in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten -afhandig te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat. - -Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel -geen onwaardig figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij -een controleur van het binnenlandsch bestuur in een der -binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een zeker -talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam -van zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok hij de aandacht van den -gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de -pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem -eene aanstelling als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van -gewestelijk bestuur te Santjoemeh te bezorgen. In die betrekking legde -hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den dag, dat hij niet -alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij andere -voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing -weldra in blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook -bij voorkeur in die gevallen, waarin zijne sluwste acolijten te kort -schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, door bij die -personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg -stonden, steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer -heulsap gezien. - -In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht -van geld, dat het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh -met een tiental vermeerderd werd. [52] Onder de rampzalige dèsa’s, die -door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd werden, -behoorde ook Kaligaweh. Maar... tusschen het oprichten van zoo’n -opiumhol en dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene -wijde kloof, die noodzakelijk aangevuld moest worden. Althans zoo -begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo smerig -mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel -prijkte boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met -duidelijke witte letters: opiumverkoopplaats te lezen stond, welk -Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, met -de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden -de twee Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met -hunne innemendste glimlachjes, waarbij hunne gelaatstrekken met de -schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid daarstelden; -maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken -zelfs van een eerste bezoek. - -Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk -was. Het was toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, -maar het geheele onderdistrict, waartoe die dèsa behoorde, in -vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. Ook het -gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de -flinke gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de -bevallige ronding van heupen en schouders bij de vrouwen, hare -welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam baan brak door de -lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe -troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders -aangetroffen werden. Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen -opiumpachter niet ontging, waren de rijke rijstvelden, die het geheele -district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s met haar donkergroen -loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van zacht -getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de -frissche halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid -bijzetten; of die dèsa’s als in goud omklonken hielden, wanneer de -gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, in den oogsttijd het zware -hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje golfden, en met -hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining -gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog -treffender maakte. - -In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook -naderde, steeds getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel -bij de diepgrondbewerking van de velden als bij het onderhoud en het -doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” (dijkjes) [53]. De -gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die -scherp afstak bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken -gesleten werd. - -Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart -wegens het voorbeeld een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; -maar met het hebzuchtig karakter zijnen landaard eigen, wenschte hij -zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige bewoners toe te -eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon” -(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest -anders worden! - -Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd [54]—keerde de -bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen -van den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani -(snoeimesjes) gehanteerd hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te -snijden, en de mannen vlijtig bezig geweest waren met het overnemen der -„potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die tot „gedeng’s” (grootere -bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid te lezen; -want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) -hadden het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols -product konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de -helpers rijkelijk mocht genoemd worden. Dat was reeds eene verklaarbare -reden van vreugde en opgewondenheid, welke dien voor de Javanen zoo -feestvollen dag kenmerkte. - -„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt -nationale feestdag voor de landbouwende bevolking van het schoone Java, -een dag van vreugde, van meerder beteekenis voor die primitieve -gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. Het is dan -voor haar eene ware kermis. [55] In bonte massa’s komen de vrouwen en -de meisjes op het veld; menig hart begint daar voor het eerst van -minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand, -menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte -graanvelden leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel -minnespel. En.... valt het niet te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid -hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; wordt ook al een offer -op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet verzwegen -worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den -„panghoeloe” (priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat -de gevolgen nimmer tot zoo huiveringwekkende misdaden voert, als in -meer verfijnde maatschappijen voorvallen. - -Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde, -klonken haar de opwekkende tonen van de „gamelan” [56] tegen. Men keek -elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist -uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had. - -Maar op de „aloon aloon” [57] aangekomen, zag men daar onder de -prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk -beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche -vlaggen getooid waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten -was. In de andere evenwel waren op den achtergrond de muzikanten met -gekruiste beenen op den grond bij hunne instrumenten gezeten, en deden -hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond der loods was -ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk -gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het -gezicht daarvan onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij -op meer genot dan op een eenvoudig concert vergast zouden worden. - -Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar -Kaligaweh afgevaardigd was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen -een der bamboestijlen, die het dak der loods torsten, geleund, en -knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het meerendeel tot -zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet -verwelkomden. - -De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten -dienen, de rijstbossen zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de -„toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke hoofdbedekking gediend -hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; en weldra -vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte -stoeiend en dartelend op het mollige grastapeet neder. - -Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele -sterren flonkerden hoog boven in de donkerblauwe lucht met zachten -glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol boven -den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der -Wariengiens door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte -wierp. Rondom de loofkruinen beschreven ontelbare „kamprits” een -doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en stieten daarbij hunnen -scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven ettelijke -„kalongs” [58] al krijschende in geheimzinnige kringen rondvlogen, als -zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks in dien rijk -voorzienen gaard zouden neervallen. - -Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, -en daar weerklonk de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met -hare welluidende tonen. - -„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers. - -En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon -het best met eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de -instrumenten, waaruit het Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en -oorverdoovend klonken soms de bekkens, maar gingen bij wijlen in -solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar waren de -muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller -aandacht te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die -onder de jolige menigte heerschte. - -Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de -bekkens zwegen, een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking -der toehoorders moest beduiden en voor handgeklap, bij Oosterlingen -ongebruikelijk, moest gelden. - -Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide -Chineezen, houders der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s” -(sigaren in bladeren gewikkeld) aan, terwijl bij de vrouwelijke -voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk en -gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden -eenige „warong’s” (kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren -snoeplust kon voldoen. Een daverend gejuich ging op, toen de belusten -van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen kosteloos te -verkrijgen waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had, -die zoo zijn terugkeer in zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des -milden gevers hand werd allerwege hartelijk gedrukt. De verlokker -verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s gerold -waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de -„sedap malam” [59] gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere -lekkernijen. Een ieder liet zich de versnaperingen goed smaken, en had -een woord van dank voor den milden Singomengolo. - -Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder -hernam zijne plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste -muziektonen begroet. - -„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond. - -Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder -dèsa-bewoner het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten -klankrijk borduurden, luisterde men toch in menigen groep gaarne naar -den een of anderen oude van dagen, die de legende verhaalde, welke daar -door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek toch is -de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare -sprookjes, verhalen en legenden in die streken. Zij is er een -integreerend deel van, zooals de toonbuiging der stem en de gebaren dat -bij rederijkers-voordrachten zijn. De legende van Taroe Polo was een -der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt om de gemoederen voor -liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar toch -verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen: - -Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het -dichte tropische woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk -verblijf), welks bestaan niemand zelfs vermoedde, vond. In weerwil van -de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, drong hij er in door, en -vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en zeer goed -onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van -jeugdige vrouwelijke bedienden omgeven was, die wel niet met hare -gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar toch als toonbeelden -van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene -koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder -geplaatst was, omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen -bejaarden, maar machtigen vorst, dien zij zelve voor hare dochter -uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde bij den eersten -aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen. -Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, -hoe de kleine „pernakh-an gedang” en de „gambang” [60] met hare zachte -zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister, -hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl -de jongeling voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt -niet ongevoelig voor die uitingen van genegenheid, van liefde. Haar -boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt de „soelieng” -(fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel -in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer -moeder, deze innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts -stokkend, met kort afgebroken woorden, ja met enkele lettergrepen -uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende harp) -duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare -gezelschapsdames voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt -was, barstte een concert van hartstochtelijke juichtonen van de beide -verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,” [61] de soelieng en -de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens -betuigd te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er -aan het vermurwen der heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet -te denken viel, dat de omgeving der vorstin onomkoopbaar was, en dat -niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten. - -De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor -dien uitersten stap terugdeinzen. Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu -eens smachtend als het suizend windje, dat door de Wariengien-kruinen -ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne boeien -slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. -Haar eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en -behaalde eene volledige overwinning op hare besluiteloosheid, maar het -was vooral de vrees, dat hare moeder van hare liefde voor Taroe Polo -kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, neergeslagen -blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren -minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, -te gemoet. - -Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en -duidt met bekkenslag in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van -het jeugdige paar aan; om ten slotte met eene zachte maar toch -genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen -uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning -geslaakt, te eindigen. - -Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, -terwijl de laatste klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte -wegstierven. - -De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne -bloedroode kleur verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door -de Wariengien-kruinen op die landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, -die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot. - -Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar -een groep mannen, op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten -hanteeren. - -De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste -hartstocht, ja de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk -voor hem zouden zijn, wanneer die eerste niet opgewekt werd. - -Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het verleidelijke spel -deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan en van -de topeng, [62] die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan -Singo en diens handlangers andermaal van die rôkô’s vroegen, die hen -zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren erg belust op de -lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan, -dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn. -Maar...., daar wachtten hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang -Bing. Met een innemenden glimlach werd beduid, dat de voorraad, die tot -geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens te kennen werd -gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen -zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij -werd nu kontant geld gevorderd; en.... al waren de bewoners van -Kaligaweh welvarend te noemen, van het slijk der aarde was onder hen -niet veel te vinden. - -Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig -gebaar naar het geopende speelhol. - -„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” -(kwartjes), „roepiah’s” en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor -de gelukkigen te krijgen,” grinnikte hij. - -Dat was olie in het vuur geworpen. - -„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der -omstanders. - -„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen -duivelen-lach. - -Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen -vergeten! - -„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?” - -„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de -verleider. „En”, liet hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari -ontong is, kunt gij daar zien. Kijk Kromomidjo eens de ringgiets laten -klinken!” - -En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en -te springen van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden -handholten drie rijksdaalders liet rinkelen. - -Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand -arbeidens! En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde -maar wat stoutmoedigheid toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo -verzekerde althans de rampzalige, die in de loos gespannen netten -verstrikt was. - -Maar.... was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel -bossen paddi vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.... daar maakten -èn Kaseran en Wongsowidjojo èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen -dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. Ook zij tandakten en gilden -van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, de eene twee, -de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij -in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave -vriend, die zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te -leeren, gauw en gemakkelijk geld te verdienen! - -Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele speelloods vol, -en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl -buiten de gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s” -[63] vernomen werden. - -Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de -bevolking van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, -slechts een zeer klein gedeelte van den oogst was in hunne handen -overgegaan; want, sloeg men de gelukkige en opgewekte gezichten der -spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel verliezers -onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het -slechts dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de -croupiers maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor -zorgden, nu de indruk gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon -was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, en de guldens tot kwartjes in -de handen der spelers bij het op en neergaan van het geluk geslonken -waren. Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd -te zijn. - -Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het -dèsa-hoofd op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden -de spelbazen, dat zij wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene -ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) was. En werkelijk de kaarten -werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen. - -Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd -de zucht voor de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de -waronghouders goede zaken, en daar die ook al weer acolijten van babah -Lim Yang Bing waren, keerden de bij het spel prijsgegeven gelden -gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering niet te -groot was. - -Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al -niet te groot genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne -handlangers met eenen onbeschrijfelijken gemeenen grijnslach de -belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel -lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op -de „baleh-baleh’s” (rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden -met bevallige vingeren de balletjes madat, en wierpen vurig verlokkende -blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar tot de arme -slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden -te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden. - -Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het -gift, dat reeds met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de -uitnoodiging tot wellust van die schoone jeugdige vrouwen, bezweek al -ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien eersten avond niet -alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, die -haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid. [64] - -Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien -uitslag vernam: - -„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet -houden!” - - - - - - - -VIII. - -EENE DÈSA IN VERVAL, PAK ARDJAN’S ARRESTATIE. - - -Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig -voortgezet, en avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk -gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, en herhaalden zich de -geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing in den -beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen. -Het duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk -de dobbelaars te laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar -een enkele maal, om de hoop op winst niet verloren te doen gaan. -Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer te verliezen, en de -eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen -over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het -product zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen. - -Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie -losgebroken, het opiumverbruik nam ten gevolge van het menschonteerende -verleidingsstelsel hand over hand toe, en zes maanden waren -ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat een -zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan. -De pachters toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de -vrouwen, [65] die al zeer spoedig den invloed bespeurden, welke het -amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en zij waren het, die de -rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden, -daarop voortstuwden. - -Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar -te nemen. Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst -langzaam, maar zeker. O, in den beginne was het verbruik van opium zoo -gering. Een paar „mata’s” [66] daags, nog niet eens die hoeveelheid, -waren voor die oorspronkelijke lieden, aan de werking van het gift niet -gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap met zijne -betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de -Profeet Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel -aantal mata’s verschafte de grootste opgewektheid, de hoogst -opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat genot was bij den -opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata [67]. -Waarlijk, het was te geefs! - -Maar... maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe -hoeveelheid, die toch reeds eene bres in zijn bescheiden budget -veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld wederkeerde; -langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die -hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te -erlangen. Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu -en dan, bijvoorbeeld eens in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand -nam, helaas, naarmate de zenuwen aan den prikkel gewenden, werd de -behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen aan te -wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had, -loom, naargeestig, zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve -hoogst ongelukkig gevoelden. Geen ander middel bestond daartegen dan om -de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel andermaal in -te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den -eenen zwijmel in den anderen overgingen [68]. - -Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te -gronde ging, wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de -zoo verleidelijke opiumballetjes overschreden reeds de draagkracht van -menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften eischten bevrediging, -en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven was de lust -tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja -vernietigd. Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig, -vadzig, lui, slaperig wezen; geheel onbekwaam tot de geringste -inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen kon worden -door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel. - -Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van -Kaligaweh dermate geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten -in het oog vallen. Werd de dèsa toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam -geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde die, wanneer zij die -streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk der -bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal -handelt, mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne -meewarigheid wel gaande moesten maken. - -O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van -den opium-hartstocht voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de -Oostersche bronstint niet meer te herkennen was; die saamgeschrompelde -huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te -verschroeien aan eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die -hoekige gelaatstrekken, welke het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel -deden gelijken; die fletse blikken van de diep ingezonken oogen met -donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken -borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke -veroorloofde de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid -deed opwellen, want de specimina, die ontwaard werden, hadden -ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) om de -lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat -vreeselijk kuchen, hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte -klinkende van eene beklemde borst en van aangetaste longen sprak, en -het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die spillebeentjes, -zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te -dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde -pronkstuk der schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot -onwraakbare getuige van het langdurig lijden, van de onafzienbare -ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor die lichamen gesloopt -werden. - -Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar -waar hij als dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten -achtergelaten had, later terugzag, mochten zijne lippen zich waarlijk -bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach omkrullen. Al -wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen -om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het -geheel niet onderhouden galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die -slecht bewerkte velden, die weinige buffels, welker vermagerd en -ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, dat alles was -zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het product schamel en -schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor -dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de -schuld, dat kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen -verpand werden, en in de kolk van den volksramp verdwenen. - -Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne vrienden Ong Sing -Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis te -Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke -tusschenkomst voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans -in vergelijking met vroeger, toen die drie middelen, zoo als de -Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, in die dèsa weinig of -niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. Vroolijk -en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen -en fier en trotsch zou het Nederlandsche wapen met het virile „Je -Maintiendrai” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat -pandjeshol, boven dat speelhol, welke als aangebedene Drievuldigheid, -tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte -uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is -kunnen worden! - -Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen -gegraven, behoorde Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie -van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, die vroeger een gegoed Javaansch -landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” (buffels) mocht -heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven, -verdobbeld en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste -ellende gedompeld had. - -Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding -van plat uitgespreide bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van -„nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje waarin Pak Ardjan vroeger, -met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, en de -toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag? - -Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag, -bedompt en hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij -bestond, heerschte eene onaangename muffe lucht, die door in bederf -overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een blik op de schamele -omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half vergaan -en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het -dak, hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog -en overigens in stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het -eenige meubel aanwezig, liet geen twijfel over van waar die bedompte -lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger bodem bedekten, -krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de -vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen -werden, en door het langdurig gebruik het lichaam aan flarden -verlieten, op den bodem gehurkt, met verglaasden en dom uitzienden blik -dat schouwspel aanstaarden. - -Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten -worden. Want de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins -geen besef meer! De ontzettende zelfzucht, die door het opiumverbruik -ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende onverschilligheid omtrent -zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen toe, de -hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid, -van elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht, -waardoor hij ten laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de -voldoening van zijn hoofdhartstocht en de nevenlusten daarvan, waaraan -alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde zijn oog, en maakte -hem aan den rand van den afgrond stekeblind. - -Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken -voortgebracht, dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde -en droomde hij, en bouwde voor zich alleen een paradijs op, waarin -slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. Had hij de -opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin -bereikt, dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde -hij zijne vrouw, die hem alsdan als eene hoeri van het paradijs -verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; dan hadden er in -die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en -handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden -moeten gesluierd worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk, -onbekwaam om zijne hartstochten te kunnen breidelen. - -Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te -bedaren, dan verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die -voor hem, maar nog meer voor zijne geheele omgeving een kelk van lijden -was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel -zenuwstel in beroering, dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem -door het hoofd, dan was hij ongedurig en angstig, dan voelde hij pijn -door het geheele lichaam, dan was hij het sterven nabij, zoo verzekerde -hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts één -middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was -andermaal de opiumpijp ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift -te bestrijden. - -En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld -vandaan haalde, moest zij maar weten. - -En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de -lamp verzorgen, bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een -ander sterke koffie zetten, meestal afkomstig van diefstal uit de -gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd door armoede mogelijk -was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet vlug -genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met -kermen en klagen, met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen -radeloos en diep neerslachtig maakte. - -In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo -verdorven als zijn vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo -ontvangbare tijdperk der jeugd indrukken opgedaan, die het mogelijk -maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig getreden was, en dat -hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, die hem -bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij -in de djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van -Lim Yang Bing, den opiumpachter van Santjoemeh verkondigde. - -Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was -dat gezin in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze -evenwel, na eerst een korten tijd als matroos aan boord van een -gouvernementskruisboot gediend te hebben, eene plaats aan boord van den -schoener Kiem Ping Hin verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen -Ardjan, door zijn van nature helder verstand geholpen, tot djoeroemoedi -opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, om in aanraking met de -lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was -geene groote hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote -waarde weg te kunnen moffelen; terwijl zijne opvattingen omtrent het -mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. Het ontvreemde heulsap -leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht -ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het -overige gedeelte nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het -huisgezin ten goede te komen, in de grootste ongebondenheid werd -verteerd. - -Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den -opiumpachter den wenk gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar -bij de politie aangeteekend stond. - -Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd -van gewestelijk bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de -opiumpolitie den onverlaat op het spoor, zonder hem te kunnen snappen. -Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de Kiem Ping Hin diende, was daar -nimmer een ernstige poging toe gedaan. - -Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had, -dat Pak Ardjan, onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen -was, van de door de politie aangehaalde opium aan wal gebracht te -hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke mishandeling, die -de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, uit -deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde, -nog minder uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben -om den euveldader zijne verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor -zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, had Ardjan bij zijn vader eenige -katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, zou hij zich om de -mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die slonk, -begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het -verblijf in het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn -versuft brein had hij gedacht de invrijheidstelling van Ardjan te -kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim Ho in te dienen. Die raad -was hem door een pleitbezorger gegeven, die in een geding met den -rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene goudader meende -ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en de -voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend. - -Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door -Mr. Zuidhoorn opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan -de eischen van zijn rechtsgevoel te voldoen, en den onverlaat, die zich -zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den wrekenden arm der justitie -over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de schoone dochter -van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om den -verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en -meende haar tot een goed einde te kunnen brengen. - -Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak -Ardjan zijn voorraad smokkelopium, die hij in een blikken trommel -verstopt, in een eenzaam naburig ravijn diep in den grond, onder een -dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en bevonden dat -helaas! hoogstens nog maar een paar taël over waren. Hij nam die mede -naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers gedaan, -waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden. - -Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat -Singomengolo in de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd -had. Hoewel die verschijning, en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd -voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar gevoel van onrust, -dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware hij in -normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt -was, omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij -begon zich loom te gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn -denkvermogen raakte in de war; in één woord, hij was het stadium nabij, -dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze narcoticum noodig -had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad -voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een -nipahblad wikkelde, en het tusschen de atappen van de dakbedekking der -schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was, -begon het lieve leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om -hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht ter wille te zijn. - -Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood -aan zijne derde pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den -invloed van het papaverproduct verkeerde, verscheen Singomengolo, -vergezeld van een viertal politieoppassers en van de Chineezen van de -opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, wat -er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene -zekere behendigheid de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op -de baleh-baleh onmisbaar behoorde, geborgen had, en twee zijner -kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank verstopt had, -en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete -lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel -het allerminst een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des -pachters was, misleiden. - -„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne -handlangers het huis binnendrong. - -„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk, -terwijl zijne vrouw met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen -in een hoek van het vertrek samenschoolden. - -„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie. - -En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij: - -„Hier is opium gerookt!” - -„Neen, waarachtig niet!” - -„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het -corpus delicti van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is -de pijp; zij is nog warm.” - -Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel -vernietigd. - -„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch. - -Geen antwoord. - -„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de -lippen voort. - -Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de politiedienaren, -welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon, -door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd -worden,—waarvan het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die -helaas! toch zoo dikwerf plaats vindt. [69] - -Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd -gezocht; in den bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet; -onder de „dapoer” en in de asch van dat primitieve kooktoestel werd -getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters werden opengesneden, -en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en „kapèk” -(sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen, -die zij bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het -armoedige huisraad, de weinige potten en pannen, de rijstketel, het -tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot de sirihdoos toe, werden -doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden. - -Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve. -Eerst werd Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem -onder het toedienen van een groot aantal vuistslagen, de smerige -vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, en weldra stond hij daar -met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. Onder den -aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene -blijft beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor -zijne kinderen te dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de -kinderen, waaronder meisjes van 7 tot 14 jaren. Met de grootste -zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden de -gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk -gevoel ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen -weerhouden; zij zochten en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne -lippen nog met beestachtigen kortswijl de magerheid der „prawan’s” -(maagden) bespotten. Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder -het oog der politie geschiedde, ja met hare medewerking volvoerd werd; -want èn de bandoelans èn de politieoppassers wedijverden met de -Chineezen in ontuchtige handelingen. - -De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder -die behandeling; maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog -losbandiger gebaar, door een der politieagenten gepleegd, waarbij de -oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van veertien jaren, haar -sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak Ardjan -woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem -den sabel uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te -deelen, die dezen noodzaakten, onder het uiten vaneen akelig jammerend -gehuil, het tooneel zijner heldendaden te verlaten. - -Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem -blind voor hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens -uitgeteerde arm geene inspanning van eenigen duur kon verleenen, was -dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder nog ter verdediging -van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld. -Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander -gebonden, waarbij men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen -doorreeg, hetgeen bij iedere beweging van den ongelukkige afgrijselijke -smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk te maken, werden hem -de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig van -barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde -polsen slechts gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen -aangevuld, die in der haast van een paar stukjes brandhout gesneden, en -tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven werden, hetgeen den -ongelukkigen zulke onduldbare pijnen veroorzaakte, dat hij in een -klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier weg -had. - -Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden! - -Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig. - -Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.... om dien lachte hij. -Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten -onthouden. - -Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet -verdenken? - -En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen! -En dat zouden die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen -twijfel te koesteren. En, als dan de „toean toean rakkers” (de heeren -rechters) kennis van de zaak namen! Ja, dat kon reeds niet anders. Pak -Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen de politie, en nog -wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen kon -blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar -gestraft werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan, -en daarbij niets gevonden had! Dan zou wellicht nog meer te berde -komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” (te gemeen) met de meisjes -omgesprongen... En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! Die -zouden dat wel te weten komen! - -O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen -maar goed genomen had!... Dan... - -„En toch,” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de -schamele hut doorzochten, „de inlichtingen waren zoo nauwkeurig -mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan van de „Djoerang-Tjatjing” -(het wormen-ravijn) terugkeerde, dan... Maar, het ware misschien -verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?... Maar... neen, -neen; dan zou hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden -had. En die heeren rechters zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om -straf op te leggen... Neen, neen... die opium moest bij Pak Ardjan aan -huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs van -schuld aanwezig!... Maar, dat is zij niet, niets gevonden... Eh, èh... -wat is dat?”... - -En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek, -waar hij eene doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog -kort geleden een weinig verschoven waren; en eene minder donker getinte -streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de nipahblâren daar niet -onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek aan een -schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden -bloot gestaan. De bandoelan bracht de hand tusschen de atappen, tastte -en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes te voorschijn te -brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het was -de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had. - -„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den -rampzaligen Javaan toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor -de tanden sloeg, dat het bloed uit de lippen van den mishandelde -parelde. - -Maar deze sprak geen woord. - -Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was, -werd de betrapte overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel) -geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, tot dien dienst geprest, -gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, naar de -gevangenis van Santjoemeh overgebracht. - -Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam -bij den landraad te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die -beschuldigd was van opiumsmokkelarij, en van gewapend verzet tegen de -politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening van zijn plicht -ernstig gewond was. - -Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las, -kon hij een bitteren glimlach niet verbergen. - -„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij. - - - - - - - -IX. - -KUIPERIJEN.—EEN VRIENDEN-DRIETAL. - - -Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van -Pak Ardjan, zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den -landraad, en de omstandigheden, waaronder zij plaats gevonden had, -vernam, grinnikte hij van genoegen. - -„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins -verstandige behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet -waarheen gezonden, alvorens de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing -aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke getuige is dan weg.” - -Hij verviel in diep gepeins. - -Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van -den resident laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de -ijle toezegging gekregen, dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor -hem te stemmen. - -„Betoel, njonja mahal!” [70] (Waarachtig, het is eene dure mevrouw) -grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke hulp wel kosten, -wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga! -dat zal naar geld ruiken!” - -Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen -zekeren loop. - -„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat -mij te zeer! Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo -aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij is lief, dat’s waar; maar daar -zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.... Dat is flauwe, -bekende kost!.... Die weerspannige deern voor mijn wil te doen -bukken;.... haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen -overdekken;.... in de armen van haar, die mij veracht, de hoogste -wellust te genieten;.... om haar daarna, naar lichaam en ziel verlept -en verflenst, te kunnen wegtrappen,.... ziet.... dat is de „sambal”, -(gepeperde toespijs) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij -Kong! Aan dat verlangen zal ik bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet. -Met list of met geweld? Om het even; als het noodig zal zijn, met -beiden tegelijk!” - -Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai -bewerkte rottanbank in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange -Chineesche pijp in den mond, waaruit hij de heerlijkste tabak, die het -Hemelsche Rijk oplevert, rookte. - -„Met list?”.... zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij -zich zelven voort. „Met list?.... Wat staat mij het meest in den weg? -De wil van het jonge meisje. Ja, maar die zal wel te buigen zijn, -wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.... Dat zal desnoods de taak -van het geweld zijn. Maar,.... wie staat mij nog meer in den weg? De -njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb -ik, als het er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik....” - -En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der -Chineezen, wanneer zij geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met -ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, goudgeld, guldens of -rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets -minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken, -zonder ooit eene enkele munt te veel of te weinig neer te leggen. - -„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?....” ging hij voort. -„Ardjan, haar verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in -de stadsboeien, en is beschuldigd van een paar pikols opium binnen -gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen is, en hij -zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan -moet Dalima de mijne geweest zijn! Daarna?.... Och, dan.... dan denk ik -niet meer aan haar. De vraag zal dan zijn, welk lief bekje mij verder -boeien zal? Dus.... Ardjan is ook niet te vreezen. En wanneer die uit -de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.... Blijft nog -over Setrosmito, Dalima’s vader.... O, die ellendige Javaan heeft mij -met zijn kris gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de -onschuld zijner dochter bood.... Dat moet ik hem nog betaald zetten! -Maar hoe?.... O, een denkbeeld!.... Die gevangenneming van Pak Ardjan -is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val -kon raken; al ware het maar voor weinige weken....” - -En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op -een fraai voetstuk van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen -en krokodillen en relief voorzien, bij een pilaar stond, greep daar een -ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, dat zinnebeeld -van Ngoh, den Watergod, [71] gesneden, en deed daarmede een paar slagen -op het klankrijke metalen instrument. Onmiddellijk daarop trad een -zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot bij de rustbank -naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd -bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht. - -„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho. - -„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl -hij zijn sembah herhaalde. - -„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der -opiumkit zwerven. Ik moet hem dadelijk spreken.” - -„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al -hurkende achteruitschoof, toen opstond en steeds front naar den Chinees -makende, achteruitstapte, en zoo door de fraai gebeeldhouwde deur van -het vertrek verdween. - -„Slechts voor weinige weken....” zoo ging Lim Ho met zijnen -gedachtengang voort. „En in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden -worden, om de lieve Dalima te lokken.... O!... daarbij zou de njonja -resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur worden!... Om -het even, geld is er genoeg!” - -En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken. -Toen een ander Javaan verscheen, vroeg hij: - -„Is Drono al weg?” - -„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te -vertrekken.” - -„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel. - -Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem. - -„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå, -en zeg haar, dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.” - -„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken -sembah. - -„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig. - -„Saja, babah.” - -’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de -„njonja besar” (de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde -terstond; want het was in de ochtenduren, en de schoone Laurentia had -haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, en de benoodigdheden aan „kokkie” -(kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig met na die bezigheden -haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte -entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen” -(kwakzalfster) had zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds, -wanneer het mogelijk was, op ieder uur van den dag. - -„Tabeh, njonja;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der -Javaansche onderdanigheid zoo eigen, terwijl zij aan de voeten der -Europeesche dame nederhurkte. - -„Tabeh nènèh,” antwoordde Laurentia. - -„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het -gesprek te beginnen. - -„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.” - -„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten zijn zoo -moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.” - -De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de -oude een paar rijksdaalders in de hand. - -„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.” - -Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een -smerigen zakdoek, waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde -dat de njonja tevreden zou zijn. - -Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden, -„wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde, -dan keek iedereen het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de -een of ander ook wel een blik toe aan de baboe, die het jongetje -vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat baboe Dalima schoon, -zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten gaan -wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de -onschuld te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo -jammer zijn, wanneer die lieve meid in verkeerde handen viel. Er was -zooveel geld met haar te verdienen!” - -Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten, -dat de hartstocht van Lim Ho voor het schoone meisje steeds -aanwakkerde, en dat hij al meer en meer genegen was, groote -opofferingen voor haar bezit te doen. - -De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå -zag met sluwen blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar -toch met den loerenden blik op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een -poos, en scheen daarbij al de aandacht harer toehoorster te boeien; -want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde malen het -schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare -mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet -dadelijk, maar dacht, zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij: - -„Boleh; tapeh.... mentega sama ikan!” - -Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar” -beteekent, was er eene glinstering in het fletsche oog van het oude -wijf verschenen. Bij het overige gedeelte van de uitdrukking der njonja -teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche -uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het -Maleisch vertaald, gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip. - -„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend. - -„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in -het Maleisch. „Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met -beloften laat ik mij niet afschepen!” - -„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien -van den band te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude -verwelkte lendenen gesloten hield, en het de njonja aanbood. - -Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van -Chineesch maaksel, die van diamanten fonkelden. - -„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden -glimlach. - -„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf. - -Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft -gezegd, dat hij de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen -betuigen, wanneer de zaak gelukt was.” - -Laurentia lachte hoonend. - -„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!.... -Neen, ik wil den babah niet zien.” - -„Maar, njonja....” - -„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.” - -„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå. - -„Wat ge wilt, nèh!” - -„Maar, njonja....” - -„Geen woord meer daarover, ’Mbok. Zorg nu maar, dat ge me eene flinke -provisie van die obat brengt.” - -„Tobat!....” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?” - -„Neen.” - -„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s, -„tjientjing’s” (ringen).” - -„Neen... neen... nèh...; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden) -weet?” - -„Gelang’s, njonja?... Welke?” - -„Gouden, natuurlijk, nèh... Ik heb er laatst gezien, de dochter van den -Majoor-Chinees had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van -„maas toewa” (oud goud), die zich drie of vier malen om den pols -wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl zij in den mond een -rosé-achtigen diamant hadden... kijk, zoo dik!” - -En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink. - -De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde. - -„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor -die zou ik nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen -zijn.” - -Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de -oude vrouw met een enkelen blik als doorboorde. - -„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. „Tabeh -njonja!” - -„Tabeh nèh!” - -Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en -herhaalde de uitdrukking van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te -zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. Hij overhandigde den -volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte gelang’s -aan ’Mbok Karjå. - - - -Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal -de lezer een nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den -jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hulp door Anna van Gulpendam voor -Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het -verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te -werpen. - -Karel van Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman -van ongeveer acht en twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat -wel wat ernstig door een paar hel blonde bakkenbaarden omlijst werd, -terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren krullendos prijkte. -Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche -Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina cum laude had -afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid -erkennen, dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had -getrokken, welke met eenig recht er van verwacht hadden kunnen worden. -Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, als op de hoogeschool had -hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner studiën, -die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel -sprong, om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke -reeds bij het kind en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt. -Hij hield dol veel van alles, wat hem niet aanbevolen werd, en -daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, dan de -teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om -die afwijking van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar, -wat nood? Dat hinderde hem minder. Hij kroop dan in een hoek van het -schoollokaal en droomde. Destijds werd wel eens gemompeld, wanneer hij -dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt hoofd naar -boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim -verloren: „arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die -voorspelling werd geloochenstraft; met hem gebeurde het als met zoovele -anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden der manbaarheid. - -Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige -lieden,—van die, welke steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den -dag leggen omtrent zaken, die hen niet raken,—beweerden dat die vader -nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend was. Waarop zij -dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam te -pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren -naam zoude zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling -inboezemen, in een tijd, waarin Goddank, de mensch het recht van -bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts waardeering geniet, -wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een -zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der -wereld, namelijk die der weldenkende lieden. - -Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten. -De studiën van den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs -bekostigd, maar hij was ook in staat gesteld geweest, om aan de meest -prettige partijen der Leidsche studeerende jongelingschap deel te -kunnen nemen, en geen hunner kon er zich op beroemen, het: - - - Io vivat! Nostrorum sanitas! - - -met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht -kwetsbare regelen der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden -te hebben. Toen evenwel die moeder bij het eindigen van den studietijd -plotseling kwam te overlijden, bleek het, dat het vermogen, welk zij -bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te gelde gemaakt -had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die -zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man -den raad in dienst van de rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië over -te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd -Karel van Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking -gesteld van den Gouverneur-Generaal. Te Batavia aangekomen, werd hij -gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om de leden van het -Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte, -alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk -waren, in het bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de -uitdrukking luidde, behulpzaam te zijn. - -Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak -ten opzichte der Inlanders betreffende; want de behandeling der -facultatieve revisiën van de vonnissen in zake van misdrijf door de -landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn deel geworden. -Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd -geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen. - -Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad -in de hoofdplaats der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke -gids, die de heerlijke eigenschappen van den jongen rechtsgeleerde tot -ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden van vuurvaste -beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der -vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia. - -Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis gemaakt met twee -jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een -vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork, -controleur, en Eduard van Rheijn, aspirant-controleur, beiden -behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur in de residentie -Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de -hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook -het district Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats -ten residentie-bureele zich voor zijn aanstaande betrekking moest -bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge mannen, die, met een -onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee trachtten -te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden. -In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel van -Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de -heer Verstork was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in -Indië en zijne daardoor meerder opgedane ondervinding, meer buigzaam -van karakter en, ofschoon zelf niet in staat om iets ongeoorloofds te -bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere verrichtingen -zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en -bepalingen uitvielen, of ook wel tegen de stiptste opvattingen der -eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij -zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten -gevolge van dien karaktertrek in botsing met de overige jongelieden, -maar verontschuldigde zich steeds door op zijne bizondere -omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. Ook hij -had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van -Nerekool, als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin -achtergebleven. En hoewel zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in -haar levensonderhoud en dat harer kinderen trachtte te voorzien, zoo -reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange na niet toe, -om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat, -toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van -Willem in Europa waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën -dier jongelieden konden, zonder hunne toekomst totaal te verwoesten, -niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, dat onze controleur onder -zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij -eigenlijk de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan, -die hij zoude betreden. - -Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als -tegenwicht kon gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als -lauw mocht aangemerkt zijn, of wanneer hij in de noodzakelijkheid -meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen verzachtende -omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en -wandel streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer -hij de gevolgen der zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht -kon optreden. - -Eduard van Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet -onder zijne gebreken. Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds -zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, als die welke bij Verstork -zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, dat hij bij -den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op -eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk -Indisch ambtenaar gevormd te worden. - -De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en -lieten geen enkel oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te -genieten, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood. Voor Karel en -Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, daar zij beiden te -Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. Anders -was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats, -was ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd, -zoodat van een dagelijksch verkeer met zijne vrienden geen sprake kon -zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag namiddag, wanneer zijn arbeid -beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed dan spoorslags -naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan -bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie” door, waar de zoo -verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder bracht -hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken -chef, den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat -de dag aan den hemel was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te -hebben, stipt tegen negen uur op zijn kantoor te kunnen verschijnen. - -Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een -paar glazen ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was -hij meestal te zamen met zijne twee onafscheidelijken, die hem dan -zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren vooral de Zondag avonden, -die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden onderling -gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij -bij Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit -die vriendenharten ontsproten, hunnen gang. - -Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een -zijner bezoeken bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben -met diens dochter Anna, die kennismaking op de daarop gevolgde -danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den militairen -kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had, -en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het -beschaafdste meisje der geheele wereld vond. - -„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het -eenvoudige genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het -liefde, die zich in mijn hart begint te nestelen? Bij de geringe -ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, onthoud ik mij van eene -afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat ik mij -uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid -bevind.” - -„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?” vroeg Eduard met ondeugenden -glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon uithuizig. -Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan -is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek -brengen, of wel hij gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of -niet. Ik verdenk hem er zelfs van, aan de residentelijke ombertafel -plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen het residentiehuis -langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, door -bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog -zich omtrent mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.” - -Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd. - -„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel van -Nerekool. - -„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel....” - -„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede. - -„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet -uitspreken.” - -„Welnu dan, ga voort.” - -Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde -aangetrokken; maar ook, dat nog geen enkel woord aan zijn lippen -ontglipt was, hetgeen den toestand zijns harten had kunnen verraden. -Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel is waar, hem -het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden, -maar toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot -complimentjes en vernuftige steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer -jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, en die hun licht niet -onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn -verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog -geheel onbewust was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond -evenwel, het was reeds laat, had een Javaansche bediende een briefje -gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, ten spoedigste bij -haar op het residentiehuis te komen. - -Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen -evenwel de ernstige plooi van zijn gelaat niet wegnam. - -„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat -ook vreemde gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van -alle aangenomen vormen, nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan -een jeugdig man deed. Voor het minst moest ik het voor eene -onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig werd -ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het -lieve kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon -was, dat ik met haar piano speelde, kon het niemands aandacht wekken, -dat wij ook toen in de hel verlichte binnengalerij bij het klavier -plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna mij had laten -roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den -verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.” - -En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn van de -mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die -te Moeara Tjatjing aangehaald was, verhaald had. - -Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon: - -„Dat is zeer treurig.” - -„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming -vergiste. „Maar, ik hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.” - -„En uwe.... genegenheid voor het lieve meisje is.... wel groot?” vroeg -„Willem aarzelend. - -„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u -verhaalde, de lieve Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer -bij den militairen kommandant, dan weer bij hare ouders aan huis te -ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak te wisselen, -en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van....” - -„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard van Rheijn ietwat spottend. - -„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel, -van het eenvoudige en degelijke van haar karakter, en.... waardste -vrienden, de bekentenis moet er uit: ik ben geheel en al onder haren -betooverenden invloed.” - -„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig. - -„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig. - -„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst -voor.” - -„Maar, waarmede dan?” - -„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te -beantwoorden.” - -„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van -Nerekool neerslachtig. „Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch....” - -„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen... en, vertrouw op -mijn woord, dan zal ik u antwoorden.” - -Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den -geheimzinnigen controleur te halen. Karel moest zich met de gedane -toezegging vergenoegen. - - - - - - - -X. - -UNE INVITATION À LA CHASSE, EN UNE INVITATION À LA VALSE. - - -Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden; -evenwel niet op de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch -van meening geweest den volgenden Zaterdag als naar gewoonte naar -Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te blijven. Dat zou -geheel anders toegaan. - -Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel van Nerekool en Eduard van -Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen. - -„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het -vriendentweetal. „Ik ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta, -om ook eens als gastheer op te treden.... Als gastheer?.... Ik geloof, -dat mijne pen mij daar parten speelt.... Ja, parten! Want.... om als -gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats -gastvrijheid..... neen, neen.... gastvrijheid dat is het niet, wat ik -meen,... moet gastmildheid bewezen worden en, hoewel gijlieden mijn -nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor lief zoudt nemen, zoo -is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder dak -zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi” -(rijst) met „sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout) -zult machtig worden. Een mooie invitatie! hoor ik u beiden pruttelen. -Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen zult. Luistert: - -„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden van de bewoners -mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd. -Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het -tooneel hunner nachtelijke verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van -die geduchte stroopers eene schuilplaats te vinden in de wildernissen, -die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, eene -woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en -zijn de dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden -daarvan, evenwel op een afstand van ongeveer vijf palen van elkander, -de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, die naar zee -voert, gelegen. - -„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk -gedierte te zuiveren, door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene -klopjacht te houden. Andere dagen kan ik niet; mijne werkzaamheden -verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, en die -zult gij gewis niet afslaan. - -„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono” -(Inl. districtshoofd) voor mijne vrienden, die de jacht zullen -bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken er op, dat gij beiden zoo -tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, dat gij een -uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te -steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige -terrein en te midden van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat -gij tegen drie uren te paard kunt zitten. Als gij nu de vurige dieren -den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen zij hunne zes palen wel -in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. Is -dat afgesproken?....” - -„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof -zij den briefschrijver te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten -hooren. - -„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn, -„en het zal niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te -nemen....” - -„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe -vuurwapens, dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de -tjellengs zijn, wanneer zij in hun leger opgespoord worden, volstrekt -geene te verachten vijanden. Behalve uwe geweren, zijn revolvers of ten -minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd -kan worden, onontbeerlijk....” - -„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik -een jachtgeweer, maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat -is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) of musschen te schieten. En -revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar aankomen.” - -„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo -heeft eene fraaie repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih” -(plaatsvervangend regent), [72] Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een -paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s met centrale ontsteking. -Gaarne zullen zij u die wapens leenen.” - -„Ik zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten” -(regentswoning) te brengen.” - -„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche -hoofdambtenaren zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij -komt er zeker ook, nietwaar?” vroeg Eduard leuk. - -„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou -ik....” - -„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten -voorbijgaan,” viel hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die -wapens vragen. Dat bespaart u eene vervelende visite bij die Javaansche -grooten. Maar....” - -„Wat, maar?” - -„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?” - -„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle -schietoefeningen deel, en had den naam van een goed schutter te zijn. -Wees gerust.” - - - -Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht. -Zoowel in de ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo, -alsook in de zijvertrekken van de statige woning, schitterden rijke -kronen, die met hare talrijke gasvlammen, door matte ballons getemperd, -die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, en hare -stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den -bloemenhof, die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen, -een wedstrijd aangingen, die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen -vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin overgoot alles met haar -getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en bladeren, -liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het -halfdonker iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets -geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. De gasverlichting -daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin wel -alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen -vinger aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte, -waarmede de natuur-verlichting alles overgoot. Die rosse kring -verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid van den -stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te -vervalschen; de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de -overwinning, hoe verder het oog waarde, totdat zij onverdeeld heerschte -en alles omhulde. - -Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van -Kanarie-boomen [73] uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh -voerde. In dit uur, van uit de voorgalerij gezien, vertoonden zich de -gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, als groote -vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen -en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den -breeden, goed onderhouden grintweg de meest grillige licht- en -schaduwbeelden vormden, als het ware krijgertje speelden. - -In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene, -blauwe, gele, bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat -waren de rijtuigen van hen, die de dansreceptie zouden bijwonen, en met -hunne lantaarns met verschillend gekleurde glazen hunne nadering te -kennen gaven. - -De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des huizes stond een -oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te -overzien. - -„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich -zelve, „is het rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat -rijdt voorop. En dat blauwe, dat van den heer Zuidhoorn, en dat -violette van.... Ah! daar heel in de verte, dat groene.... Ik moet -weg.... Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.... Ik ben evenwel -blij, dat Van Nerekool komt.... Hij mag mij evenwel hier niet op den -uitkijk zien staan.” - -En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing -van den kapala oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte -naderden, de binnengalerij ingetreden waren, en nam aan de zijde harer -moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende gasten te -ontvangen en te beantwoorden. - -De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was -eenvoudig in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering -gekleed, hoewel de pajoeng-standaard opzichtelijk genoeg aan het -uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de balustrade om een -blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale -trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden, -drentelden een paar „pradjoerits” [74], in groot tenu gekleed, op en -neer, met het geweer over den schouder, en regelden hun heen en weêr -wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij -ontmoetten, daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne -bajonetlemmen tegen elkander tikten, welk geklikklak den resident -blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. Hij liet althans een -welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl hij met -een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging -voor zijn persoon betuigen moest: - -„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!” - -Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel -tijdelijk opgeslagen. Ook daaraan wijdde hij een blik. De muzikanten -der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu gekleed, waren -reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen op -de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een -genadige hoofdknik tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van -den gewestelijken bestuurder te kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en -dochter terug. - -„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t -zicht.” - -De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid -gelijk, voor een sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe -voor een kostbaar Japansch schutsel geplaatst, met in de eene hand een -sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, terwijl aan den pols van -de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, waarmede -zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed -in een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden -harer welgevulde vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een -minder dan bescheiden omvang was teruggebracht, hetgeen in de -beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, en achter op den -rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet -ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit -albast gemodelleerde schouders en haren boezem ontwaren, die Venus -Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen maken. Nog een streepje lager, -dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben kunnen -bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten. -Hare donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het -fraaie hoofd, door middel van een prachtigen diadeem van schitterende -diamanten opgehouden; terwijl eene menigte bevallige krulletjes over -het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo fonkelende donkere -oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. De -hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk, -hetwelk haar ’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten -dergelijke armbanden, in den vorm van fijn geschubde slangen van oud -goud, met diamanten in den mond en met diamanten oogen, als zij zoozeer -bij de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den -uitroep van „betoel, njonja mahal!” afgeperst had. - -Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel -van hare moeder onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest, -zich gedecolleteerd te vertoonen, welke machtspreuken Laurentia daartoe -aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar japon van rooskleurige -zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding -niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin -besloten, die volgens de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid -gemodelleerd werden. Van juweelen had het lieve kind een afkeer. Eene -eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide in de donkere haargolven, -die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid -niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst -ontluikend knopje eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele -tint den blik verlokte en de gedachten verstrooide, waar die, bij zoo -eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk afgeronde buste, een te -wilde vlucht namen. - -„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene -partij verschijnt,” sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij -het toilet harer dochter met sarcastisch oog monsterde. „Uwe -gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor de -dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.” - -Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in -zooverre waar, dat de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne, -geheel en al den smaak van mevrouw Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in -zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor een wit voetje -bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend -daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan -had. Wat ook van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker, -dat het mademoiselle Hélène Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van -het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, te bezoedelen, als -haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder zou -Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. Daar -weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een -paar seconden later, vertoonden zich een aantal jongelieden van -verschillend ras, met blanke en met bruine wangen, met blonde lokken en -met zwarten haardos, zwaar geolied, en in stijfheid met pijpestelen -wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde halzen, en den -gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest, -zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak -moesten bijzetten, maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn -bij de gaffel in de hand klaar te staan, waardoor hij in zijne -eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle markten thuis -moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het -residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer -onverhoopt dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden -zij, om hun compliment bij de residentsfamilie af te steken, waarbij -zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar verwierven, en een -vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen met -eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot -feestcommissarissen ridderde: - -„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia -met aanmoedigende stem en innemenden glimlach. - -„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident. - -Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige -aanbeveling, toen Laurentia plotseling uitriep: - -„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!” - -En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte -zwerm stoven de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal -hunner weer de binnengalerij in, terwijl zij den arm geboden hadden aan -de gade van den assistent-resident van politie en hare twee dochters, -lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren oud. - -„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone -Laurentia met hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw -aangekomene greep, haar naar zich toe trok, en een kus op het voorhoofd -drukte. - -Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst. - -„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik -had niet durven hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn -vertelde mij toch heden ochtend, dat een uwer jongere kinderen ziek -was.” - -„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw -Meidema. „Een lichte verkoudheid anders niets.” - -De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog -voor de vrouw en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk -met zijn chef. - -Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna -van Gulpendam in het oor gefluisterd: - -„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.” - -„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd. - -Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk. -Want na de familie Meidema verschenen anderen, die zich om de -residents-familie verdrongen, ten einde die hare hulde aan te bieden. -Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke macht, de -ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het -garnizoen, de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de -residentie, en allen vergezeld van de vrouwelijke leden van hun gezin, -die de jaren bereikt hadden, om aan den dans deel te kunnen nemen. Daar -verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe -Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de -hoofd-„djaksa” [75] Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en -allen met hunne radhen ajoe’s. [76] Daar verschenen de majoor der -Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat -Kong, en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing, -de opiumpachter te Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die -allen wemelden om het drietal der residents-familie, hetwelk voor de -reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen en geknikt en -geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen -gesproken; inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die -uitingen, die welwillendheid moesten te kennen geven, inderdaad het -uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens waren, dan zou -Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de -schutterijmuziek de ouverture van La Dame blanche ten gehoore gebracht, -hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar niemand er -naar geluisterd had. - -Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid, -bewierookt en becomplimenteerd had, gaf de resident een teeken, dat -door een der gedienstige geesten in de voorgallerij herhaald werd, -waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle -aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij -bewogen. Het was een deftige optocht, die veel van een defileermarsch -had, waarbij de critische oogen der dames elkanders toiletten vinnig -monsterden. De resident had zich aan het hoofd van den stoet gesteld, -gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk op hen -volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl -de chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde. -Dit was onze Van Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de -polonaise de zoo opwekkende invitation à la valse weerklonk, en de oude -geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde -terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden -Anna en Karel door de binnengalerij. Het was een lust om het jonge paar -te zien, het genot straalde beiden de oogen uit. - -„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de -wals, „nieuws omtrent Ardjan.” - -„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld. - -Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den -jeugdigen rechtsgeleerde ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend -gelaat te lezen. - -„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat -nu al vergeten? O, die mannen!” - -„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van -Gulpendam?” - -„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool....” - -„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool....” - -„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam....” snapte het jonge -meisje. - -„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of -nog korter: Anna, lieve dierbare Anna?” - -Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen -woord, maar hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk -zijn. Een lichte druk, die onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den -overgelukkige opgevangen. Hij hield haar leest met de rechterhand -omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn blik op het -aanminnige gelaat gevestigd was. - -Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort. - -„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?” - -Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds -ontwelde aan hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een -bedwongen zuchtje, dat haar ontsnapte, maar den dienst van sluier moest -verrichten, door hare schuchterheid aan het onuitgesproken antwoord -verleend. Ja, maar,... het kon ook eene beklemde ademhaling geweest -zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de -onhandigheid, verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in -laatstbedoelde beteekenis op. - -„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats -brengen?” - -„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet -vermoeid. Laten wij voortdansen.” - -Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk. - -„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den -maalstroom van dansers en danseressen meetroonde. - -„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?...” - -Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op. - -„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!” - -Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder. - -„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij hartstochtelijk voort, „ik bemin -u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel -mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal -wezen, wanneer ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve -dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde kunnen rekenen?” - -Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik; -maar het gold hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te -eerlijk en openhartig gemoed om, wanneer het hare beginselen gold, hare -gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar toch volkomen hoorbaar voor -hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!” - -Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij -voort op de maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte, -waarin zij, als in elkander opgegaan, zich eenzaam bevonden als een -eiland te midden van de woelige golven van den grooten oceaan. Maar -zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was er geweest, -alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van -zijn schat had willen nemen. - -„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij -van oneindige beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar -veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen formeel aanzoek doe om uwe hand -bij uwe ouders?” - -Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde -zij: - -„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne......” - -„Karel heet ik, lieve Anna.” - -„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa -niet van u houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.” - -„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?” - -„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie. -Hij noemt u een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het -niet ver in de wereld zal brengen.” - -„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?” - -De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach. - -„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het -goede, met het schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben -ik! Maar, zou het waar zijn, dat ik een onpractisch mensch, een droomer -ben, die het niet ver in de wereld brengen zal? Mij dunkt, dat ik in -dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht te -bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij -naar het hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken; -maar ook, dat ik bewijzen lever, ik, wel verre van te droomen, -behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij niet, lieve?” - -Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te -verdragen had gehad, was het antwoord op dat beroep. - -„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader -zoo afkeerig te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in -weerwil dat hij zou zien, dat uw geluk daarmede gegrondvest werd?” - -„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden, -hinderpalen zullen ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.” - -„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe -liefde, op uwe standvastigheid. Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge, -niets ter wereld zal aan mijne liefde voor u afbreuk kunnen doen! Zelfs -de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog verhoogen....” - -De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet -Anna’s middel los, en bood haar den arm aan. - -„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus -morgen een bezoek aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren -belet laten vragen. Dit is afgesproken, nietwaar?” - -Zij knikte met een bevalligen glimlach. - -Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden -zij zich op een gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot -de almede rijk verlichte pandoppo verleenden. Verscheidene paren, -groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, om zich naar den -prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis -uitstrekte, om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte -te genieten. Anna en Karel volgden die beweging, en weldra bevonden zij -zich te midden van de sierlijkste planten en struiken, die de -keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in den -bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol -als een kunstenaarsgedachte slingerden. - -„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen -opgemerkt te hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te -deelen..... Ik ben weer dadelijk bij u.” - -Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn -met den geliefde des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als -welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming toegefluisterd had? Of -wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om de geheime -mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die -deelgenoot te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen, -ongeduldig als het ware om het voor het volle licht te laten treden? -Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van Nerekool weerhield haar met -zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, tegen zijn -hart drukte. - -„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,” -sprak hij fluisterend, alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne -woorden mocht verstaan, „om te vernemen wat Mathilde te vertellen -heeft. Dit uur behoort mij.” - - - - - - - -XI. - -IN DEN RESIDENTS-TUIN. - - -De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de -kruinen van het hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig -uitgeknipte schaduwbeelden, die, onder den invloed van de zachte bries, -die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele paden of op de -liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden -de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een -groep Tjemårå’s, [77] sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst -met de westersche lorkenboomen hebben, maar fijnere naalden dragen. Die -stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een uiterst fijn -kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het -ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij -dichterlijke zielen van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou -gezegd hebben, dat op die plekken, waar dat gezeefde licht ontwaard -werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend om straalbreking of -schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering -van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving. - -In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden -allerwege paartjes ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge -mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde heeren, die allen de -frissche avondlucht opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het -heerschen van het windje, dat zacht ruischend door de naalden der -Tjemårå’s voer. - -Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de Traviata ten gehoor. -Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste -bedrijf voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de -erkenning van de gevoelens, die hen doortintelen, komen, toen de -vertolking der woorden: - - - „Un jour, l’âme ravie, - Je vous vis si jolie, - Que je vous crus sortie - Du céleste séjour. - Était-ce donc un ange, une femme, - Qui venait d’embraser mon âme? - Las! je ne sais encor.... mais depuis ce beau jour, - Je sais que j’aime d’un pur amour!” - - -zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest -van zijne Anna, terwijl zij een boschje van Pandan rampeh gedeh [78], -dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring -daarstelde, omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een -oogenblik ongezien te vertoeven. - -„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die -ik straks sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller -oog op ons gevestigd was.” - -Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm. - -„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, -mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!” - -Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan -zijne mannelijke borst. - -„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn, -steeds dezelfde lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de -hoogste zaligheid wezen! O, mijne Anna, laat ik u mijne liefde, mijne -onverdeelde liefde betuigen.” - -Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij -zij bekoorlijk het hoofdje op zijn schouder liet rusten. - -„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo -lief hebt? Zeg, bemint gij mij, dierbare?.... O, ik weet het, gij hebt -mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in -de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van -het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God, o, -herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!” - -Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar -ontsnapte, terwijl zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof -het tot het wonderlijk akkoord van de bries in de Tjemårå-naalden -behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond. - -Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover. - -„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die -liefdesbetuiging, die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.” - -En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten -twee paar lippen op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een -knoop, waarbij twee harten en zielen voor dit kortstondige leven aan -elkander verbonden zouden worden. - -Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en -in elkanders blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl -hoog boven hen de breede Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne -geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl de bries door de naburige -Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en terwijl daar -ginds de cornet à piston herhaalde: - - - „... Mais depuis ce beau jour, - Je sais que j’aime d’un pur amour!” - - -Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke -bladzijde uit hun levensboek! De schoonste wellicht!... Helaas! het -ontwaken was nabij. - -„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn -kind?” - -Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden -verschrikt deed opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke -vrouw het geheele tooneel overzien. Met innemende stem ging zij voort: - -„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze -laan volgt, zult gij haar voorzeker ontmoeten.” - -En toen hare dochter aarzelde: - -„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn -arm aanbieden, zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven. -Ga gerust.” - -Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige -vriendelijkheid uitgesproken, ontzetten het meisje diep, en deden haar -met een angstig voorgevoel heenijlen. - -„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van -Gulpendam tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij -uwen arm aan te bieden.” - -Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het -hart zat hem evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had. - -„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer -verlicht en minder geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het -is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden niet zult te vertellen -hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. Foei, -mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u...” - -Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo -kalme, welluidende stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij -waren van achter de Pandanstruiken te voorschijn getreden, zoodat het -volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts door een tullen -kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke -volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de -jonge man gedurende een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer -opende, ontwaardde hij den diepen, donkeren blik van de schoone -Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te raden, welke het -gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige en -voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was -aanmoedigend. - -„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene -onwelkome gedachte verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat -ik met mejuffrouw Anna eenigszins afgezonderd in den tuin wandelde...” - -„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan. - -„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij -mocht meenen, dat wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden, -dan...” - -Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan. - -„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach. - -„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.” - -„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij -met iets sarcastisch in hare stem. - -„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij, -vóór dat oogenblik, of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij -nooit een woord van liefde gewisseld...” - -„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem -met een spottenden glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede -aanneembaar, dat twee jongelieden van beiderlei kunne elkander in een -verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden van toegenegenheid, -of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel is?”... - -„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer -onwaarheid,” viel Karel op zijne beurt met eenige drift in. - -„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest... O,” ging de -behaagzuchtige vrouw met zacht dwepende stem voort bij die herinnering -aan die jeugd, waarvan zij noode afstand deed. „O, toen ik negentien -jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij eene -schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had -ik een even speelschen geest...” - -Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter. - -„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,” -ging zij met eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met -meer kracht dan noodig was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht -drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht noodig om te bespeuren, dat -Anna mij geheel gelijken zal...” - -Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar -vervoerde. - -„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van -het gelaat der schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte -liet glijden, „het is te voorzien, dat juffrouw Anna in volmaaktheden -en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen...” - -„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,” -meesmuilde zij met gekunstelde lieftalligheid. - -„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te -beduiden heeft? Ik vat niet...” - -Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over -de schouders daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep -haar niet. Dat was duidelijk. Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå -doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een zucht. - -„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde -ademhaling min of meer onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar -constateeren, dat ik ook jong geweest ben....” - -„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant. - -„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia -met een glimlach van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar -dat gebeurde in het volle licht, in het bijzijn mijner ouders, en niet -in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.” - -„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool -heel ernstig. „Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts -enkele malen, daarna drukker en drukker. De reden daarvan kan u als -schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had uwe dochter leeren kennen -en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, hoe -dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste -bezoek getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde -weldra, dat mijn geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar.... -boezemde ik ook al juffrouw Anna geen antipathie in, meende ik ook op -uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, zoo bemerkte ik toch -alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet verworven -had, ja dat ik hem letterlijk tegenstond. Dat gevoel was hij, in -weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, niet altijd -in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet -over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij -eenigermate af. Van eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat -mijn inkomen nog niet groot genoeg is, om een huishoudentje, hoe -bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel onkundig liet -van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde -ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen -woord ontviel....” - -„Maar, mijnheer Van Nerekool....” - -„Laat mij uitspreken, mevrouw.... Mij daaromtrent geen woord ontviel, -tot heden avond, toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat -ik zoo lang, zoo trouw en zoo zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was -dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis mijner liefde geene -afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder van -uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen -hier in den tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het -betooverende van de stille natuur in deze heerlijke omgeving, door het -verleidelijke van de hartstochtelijke muziek, die weerklonk en een echo -in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, den reinen -engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons -liefdeverbond, dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden, -met een kus zoo rein, als de engelen in den hemel slechts wisselen -kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, het goddelijke -nabij!” - -Karel van Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat -was de taal niet der conventioneele gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk -in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek onzer dagen gekweekt, -als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het samenzijn -een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit -Georges Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden -kwamen uit het onverdorven hart voort, en misten hunne uitwerking niet -op de schoone begeleidster, die hij nog steeds aan den arm had. De -gevoelige Laurentia sloot onder den invloed, dien zij ondervond, de -oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel heerlijkheid. „Had -Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar -gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en -door.... En.... Maar, zij?.... zij?....” ging zij in haren -gedachtengang voort. „Was zij van die euvels vrij, die haar nu als -gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” Een -oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik -nam het betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts; -want daarna bekroop haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht -jegens hare dochter. Een zweem van afgunst doortintelde haar, dat hare -Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou kunnen worden, -die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als -uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk -gelooven. Hare geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te -zijn, dat iedere liefde, iedere genegenheid van twee personen van -verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken hartstocht, -de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en -liefde waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip -van had, slechts als eene prikkeling te meer der zinnelijkheid -beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd werden. Onder den -aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de -sarcastische woorden: - -„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat -Pandan-boschje! Wil ik u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk, -mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts is de uiting van den aandrang -naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale beteekenis -kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?” - -„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in -zijne stem, „maar ik ben nog jong en onbedreven....” - -„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord. - -„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen -met woordspelingen. Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het. -Ik heb geen verstand van die verschillende genegenheden, die in de -wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als -de stalen van een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene -genegenheid voor het hart, eene voor het hoofd, eene voor de zinnen. -Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; maar vooral is die -liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! Ik had -gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder -van haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn -geheele wezen, en gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van -min edele bedoelingen geheel vrij is.” - -Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die -vooropgestelde beginselen van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo -iemand geen lichtzinnig spel te spelen was. - -„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij -vergetende, dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden, -en dat zij het gesprek op het terrein gebracht had, dat haar thans -onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl gij Anna op eene eenzame -plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de lippen -druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde -denken? Is hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen? -Komt zoo’n gedrag te pas, wanneer de ouders van het meisje van die -genegenheid niets afweten?” - -„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns -ondanks ons verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik -slechts betreuren, dat gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk -van mijn karakter hebt. Maar, dàt mag mij nu niet meer weerhouden. Ik -sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen belet bij u en den -resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter te -vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het -verzoek, hetwelk ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe -welwillende tusschenkomst bij den heer Van Gulpendam te willen -verleenen.” - -Bij dat aanzoek was Karel van Nerekool blijven stilstaan, had den arm -van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich verder naar haar gewend, en -haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik aangekeken. -Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening -te werk ging; maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden -van eene ijle schaduwplek, door een groepje Tjemårå’s geworpen, en -verleende deze, terwijl zij den omtrek van den bodem als met eene -uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige -aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde -krullen, welke zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige -gestalte ten gunstigste deed uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als -ware kenster van mannelijke volkomenheid, eene bewonderenden blik op -den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij dien had -kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen. -Gelukkig dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de -realistische vrouw werd afgeleid door de nadering van een paar zonen -van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig loopende laan -voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en -zwaarwichtig plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing -Gwan, de majoor der Chineezen te Santjoemeh, en de opiumpachter babah -Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje in den tuin kwamen -scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en -welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest -vonden. - -„Alleen de naakte armen, schouders, enz., van die „njonja njonja en -nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak de pachter -met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met -zoo’n vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die -schepsels welgemaakt zijn. Maar, wat streken van de echtgenooten en -vaders van die wezens, om met die dingen te pronken, en wat -schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich zoo in -het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei). - -„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange -grijze knevels, welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend, -haast eerbiedwaardig uitzag, met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou -nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters zoo gekleed of beter -ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.” - -„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die...” - -„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met -den toean „rakker njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij -met dien te verhandelen mocht hebben?” - -Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van -zijn zoon Lim Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn -gesprek met den resident. Van Nerekool behoorde toch tot de -rechterlijke macht. - -Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak -gehoord; evenwel het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van -den opiumpachter, dat eene herinnering aan Lim Ho en aan hare afspraken -met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel bij haar zegevieren, -en alle andere hartstochten zwijgen. - -„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is -niet zoo erg tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is -alleen op practische menschen gesteld.... Laat mij uitspreken en val -mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te lang.... De wereld mocht -eens meenen.... maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?....” - -Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar -met iets vreemds in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen. - -„De resident is op practische menschen gesteld en.... vergeef mij,” -ging zij na eene lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische -menschen niet!.... Neen,.... kijk mij zoo niet aan.... Gij beweegt u -nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven ver verwijderd -is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit die -droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij -nimmer carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot -loopbaan verkozen hebt. Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er -bestaan kan, en die het meest van droomerijen afkeerig is.” - -Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene -zekere onrust voelde opkomen, die hij ternauwernood vermocht te -bedwingen. - -„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia -met innemenden glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare -woorden met een nadruk uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik -wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe zaak bij den resident bepleiten, -en... wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van zijn, dat Anna de -uwe zal worden....” - -„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij -de hand op zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde -bedwingen. - -Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart -gedrukt, en haar met kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield; -want wie weet, welke verandering van inzichten zulk een onbezonnen daad -bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht. - -„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat -enthousiasme. „Ik ben gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij -eene belofte doen....” - -„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles....” - -„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te -vertrekken, nietwaar? Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig -die ik gaarne tot een gewenscht einde gebracht zag.” - -„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den -landraad niets te maken.” - -„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het -voorzitterschap van den landraad bekleed worden, tot de komst van den -vervanger van den heer Zuidhoorn. Dat zal eene onderscheiding zijn, -nietwaar?” - -„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!” - -„En... wie weet?... Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan, -Ardjan genaamd, die opium gesmokkeld heeft....” - -Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O, -voorzeker wenschte de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te -hulp te komen. Hij meende dan ook in haren geest te spreken. - -„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij -haar met zijn eerlijk gemoed in de rede. - -„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.” - -De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep -volstrekt niet. - -„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een smokkelaarsfamilie,” -ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden nog -betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke -menschen moeten streng gestraft worden, hoort ge?” - -„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de -smokkelarij betreft, is....” - -„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool? -Diefstal van ’s lands penningen, diefstal uit den zak der -belastingschuldigen!” - -„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel -behoorlijk bewezen?” - -„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat -er een soort komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den -opiumpachter, in verdenking te brengen. Den zoon van den opiumpachter! -die met zijn vader het grootste belang er bij heeft, dat de -smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!... Het is eenvoudig -bespottelijk!.... Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene -aanklacht bij den landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan -Ardjan met karbouwenbladeren hebben laten geeselen. Maar, nietwaar, -mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen en bedrog weten -te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche -aanklagers onschadelijk maken!...” - -„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk -voorzitter van den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet -zal volvoeren. Wie recht heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf -heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. Ik ben eenigszins op de hoogte -van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde verzet van Ardjan’s -vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee Javanen, -vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen....” - -„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van -Gulpendam. - -„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de -resident heeft gelijk; gij zijt geen practisch man.” - -„Mevrouw....” - -„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u -bereikbaar. Bedenk u wel!” - -„Maar, wat eischt gij van mij?” - -„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er -minder op aan. Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste -oord ware wellicht het meest verkieslijke.” - -„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.” - -„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,... of geen voorzitterschap -van den landraad! Doen wat ik wil,... of geene Anna!....” - -Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn -geheele gemoed kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone -verleidster los, en, zonder zich te bedenken, siste hij eer dan hij -sprak, gejaagd: - -„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen -dien prijs, tegen den prijs van mijn geweten, dat nooit!” - -„Nooit?” - -„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam. -Maar, het is geen ernst, nietwaar mevrouw?” - -„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?” - -„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij -boven alles dierbaar. Vaarwel, mevrouw!” - -En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den -tuin in, naar de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste -opgewondenheid rondgedoold te hebben, trad hij de binnengalerij weer -binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar riep. - -„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het -navolgende te vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt, -Ardjan’s zaak reddeloos verloren is. Al de getuigen zijn verdwenen of -omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.” - -„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?” - -„Van mij, mijnheer Van Nerekool.” - -„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?” - -„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort -zoo bij het vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het -eenige, wat ik er bijvoegen kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb, -is: doe er uw voordeel mede.” - -Daarop boog zij en ijlde heen. - -Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn -gesprek met mevrouw Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog -naar Anna rond, die echter als dochter des huizes aan tal van -vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel het gelaat van het -lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel een -glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te -lezen vermocht, duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat -gezicht had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral, -daar hij het niet meer wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook -zijn hoed op, nam afscheid van den resident en zijn echtgenoote, en was -weinige minuten later buiten. - -„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone -Laurentia, terwijl hij voor haar boog. - - - - - - - -XII. - -ECHTGENOOT EN GADE.—MOEDER EN DOCHTER. - - -Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen -het echtpaar Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel -zat. Wel was de resident volgens gewoonte vroeg op geweest; de dames -evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen eindelijk Laurentia -verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen -ambtsrok met zilveren knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte, -met een papier in de hand aan tafel gezeten, en overigens vrij nurksch -gestemd. - -„Eindelijk!” riep hij. - -„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!” - -„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te -ontbijten? Ge weet, dat ik zeer vele bezigheden heb.” - -„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?” - -„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend, -dat ik ongaarne alleen aan tafel zit.” - -„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen -gehad hebben.” - -Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den -tijd niet genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij -had het ook als gastvrouw zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans -overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest. - -„Anna!... Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun -jullie vrouwen dan nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden -dag in katzjammer te liggen? Maar,.... wat is er met Anna? Welk nieuws -zou die mij te vertellen hebben?” - -„Och, dat zij dat zelf maar doet.... Anna!... Pangil nonna!” (roep de -juffrouw) wendde Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo -binnengetreden was. - -„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw) -antwoordde de baboe. - -„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van -Gulpendam. - -„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond -in den tuin door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever, -welk papier gij daar in de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van -paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte genoeg, en daarenboven -volkomen verlof om op het kantoor te blijven.” - -Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel -aangehoord, zoo koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde. -Daarom had zij ook eene afleiding gezocht, en bezigde daartoe dat -onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig: - -„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer -ontstemt.” - -„Een telegram?” - -„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden -ochtend om acht uur reeds hier.” - -„Ge drukt zoo op dat reeds, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog -den brief van Amy, toen wij haar met haar engagement gefeliciteerd -hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op het -telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij -dienzelfden ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s -vlug, ja vlugger dan vlug, dunkt me.” - -„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het -lengteverschil gelegen is.” - -„Jawel, jawel! De zon draait.... neen, de aarde draait zoo, en.... -jawel, dat weet ik. Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram -nog vroeger te ontvangen dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst -die telegram uit den Haag, die u zoo ontstemt.” - -„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?” - -„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?” - -„Van mijn broeder Gerrit.” - -„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet -galant.” - -Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant. - -„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen. -Tenzij....” - -„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig. - -„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De -begrooting van den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in -den smaak. Men rekent op een paar millioenen meer van dat middel.” - -„Men?... Men?... Wie is die men?” - -„Wel.... Sidin toeroen lajer,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de -resident voorzichtig. „De zon hindert zoo door die jaloezielatten. Wie -die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede Kamer.” - -„Is het niet anders?” - -„Niet anders?.... Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan -twaalf ton jaarlijks aan pachtschat betaalt?” - -„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor -achttien ton inschrijven!” - -„Gij spreekt er gemakkelijk over.” - -„Wanneer is die verpachting?” - -„In de maand September van dit jaar.” - -„Laat dat nu maar aan mij over.” - -„Ja, maar....” - -„Geen muizenissen.... De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar -wat meer opium rooken, en.... gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe -heet gij het?” - -„Virtus nobilitat.” - -„En gij zult het virtus nobilitat op de borst dragen; maar ik zal het -verdiend hebben.” - -„Hoe?” - -„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes -ton meer. Dus geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets -anders spreken. Hoe komt het, dat gij het gebeurde met Anna en Van -Nerekool zoo kalm opneemt?” - -„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen -tijd.” - -„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te -antwoorden, nietwaar?” - -„Dat niet,” knikte Van Gulpendam. - -„Kassi koppie! nènèh!” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare -lijfmeid Wong toewa. - -Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner -zich een sneedje brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden -„dageng assep minjagan” (gerookt hertenvleesch) bekleed had, vroeg de -nieuwsgierige vrouw: - -„Welnu, Gulpie?” - -„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te -doen rijzen, slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van -Nerekool noodig hebben.” - -„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen -glimlach, alsof zij niets begreep. - -„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld -worden, dan zal noodzakelijk zijn vader Lim Yang Bing van de -mededinging uitgesloten moeten worden.” - -„Waarom dat?” - -„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke -keel zouden die opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan -opiumsmokkelarij en aan mishandeling de pacht gegund werd! Het zou nog -sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, als het anker -gehieuwd wordt!” - -„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?” - -„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over -hebben, men zal schouderophalend met Préault prevelen: „dagbladen zijn -de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit een gevoel van -zelfdekkerij een onderzoek gelasten.” - -„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?” - -„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare -schreeuwzuster in zou gaan stemmen!” - -„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede, -wanneer zij daartoe genoodzaakt is.” - -„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat, -ook niet welke intrigues in het spel kunnen komen. Als Lim Ho -veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, dat zijn vader -zich van de pacht onthield.” - -„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.” - -„Dat weet ik wel.” - -„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.” - -„Zeker.” - -„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!” - -„Juist!” - -„Maar,.... dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei -Laurentia met een sluwen glimlach. - -„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die -onze schoonzoon werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan -werd, dan.... Ik heb u reeds verteld, dat ik van plan ben, om hem bij -het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk te laten -presideeren.” - -„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.” - -„Wil hij daarvan niets weten?” - -„Neen.” - -„Hoe weet ge dat?” - -„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste, -zond ik Anna heen, en toen....” - -„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning. - -„Toen heb ik hem gepolst.” - -„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!” - -„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.” - -En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het gesprek, -dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met -Karel van Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met -een losbol te doen had gehad, zij in de verleiding ware gekomen de -mededingster harer dochter te worden. Toen dat verhaal geëindigd was, -en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam met een zucht: - -„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk -gegaan. Hier had gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De -gelegenheid was wellicht gunstig, een echte zuid-oost passaat; maar gij -hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt met volle zeilen op het -doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.” - -„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je -zeilen en je ankerplaats! en laat mij met rust!” zei de schoone -Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo weinig gewaardeerd werden. - -„Maar de zaak is nu bedorven.” - -„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te -vangen!” - -Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden -sprak. Als haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die -woorden vergezelde, had kunnen opvangen.... Maar—zou het waar zijn, wat -de Fransche realistische school leert: dat er geen verblinder wezens -dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter begreep dien -lach niet. - -„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.... Luister Laurtje. Het is -na dat gesprek te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht -nog of morgen, bij mij aanzoek om de hand van onze Anna zal komen -doen.” - -„Welnu?” - -„Dan zal ik zien, welk land ik bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot -andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven binnen te loopen.” - -„Ik hoop het! maar.... ik twijfel aan het welslagen.” - -„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van -Nerekool haar nog zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te -loopen. Als dat gebeurde, zou dat niet anders dan gunstig kunnen -werken.... gij begrijpt mij;.... want Anna moet onze krachtigste -bondgenoote zijn.” - -„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen -lummel willen geven?” - -„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit. -Als maar eerst het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal -er wel gelegenheid gevonden worden, om Anna over stag te doen gaan....” - -Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind! - -„En,” ging de resident met cynisme voort, „het verliefd uilskuiken als -onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!.. daar komt zij... Goeden -morgen, Anna! Hebt gij goed geslapen na die dansreceptie?... He, wat -heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep dat korvetje van stapel! Geen -dans overgeslagen!” - -Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want -na het gebeurde in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten -te zullen ontwaren. Daarin zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in -haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden was haar vader haar -liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad om de -wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren -reeds lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En -toch.... Zij beantwoordde de lieftalligheid van papa met een -hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan, toen de heer Van -Gulpendam zeide: - -„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu -aan den arbeid, die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna, -luister goed naar uwe mama. Alles, wat zij u zeggen zal, is alsof het -van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.” - -En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den -secretaris der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien -eene sigaar aan, nam er zelf eene, die hij aan de tali api ontstak, -door een oppasser eerbiedig aangereikt. Toen de sigaar goed rond -brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die de bewerking -met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide -ambtenaren de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de -nieuwtjes van den dag en de te verrichten dienstaangelegenheden -bespraken. - -Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder -gewisseld, had daarna naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl -baboe Dalima haar van een kopje koffie, dat zij op de aanrechttafel -ingeschonken had, voorzag. - -„Ennakh, Nana! (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een -bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige meesteres. - -Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met -wellust en met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen -het tipje harer tong over de fraaie lippen liet glijden, om als het -ware tot den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was, -gaf zij het aan de baboe over. - -„Minta lagi, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij. - -„Engèh Nana,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de -aanrechttafel ijlende. - -Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo -opmerkzaam, dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest -bezighield, en zij zich niet haastte het gesprek met hare moeder aan te -vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg haar met -onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de -frissche huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot -gedeelte van den nacht gedanst, en het overige gedeelte waarschijnlijk -slapeloos doorgebracht had, er even helder als altijd uitzag; zij -bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter, die -onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en... berekende, in -hoeverre die bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool -genoegzaam zouden kunnen boeien, om hem het hoofd te doen bukken onder -het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook al het oog der moeder -trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog van die -heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder -die bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden: - - - „Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!” - - -Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan -de edele gestalte van Karel dacht, die haar zoo onbegrijpelijk koel -bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare -netten te verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand -zou moeten afzien?... Maar, weg met die beelden, weg met die gedachten! -De woorden van haren echtgenoot kwamen haar voor den geest. Zij moest -helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden, wilde zij de borst -van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien. - -Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene -durfde niet spreken en trachtte hare verlegenheid achter haren eetlust -te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten te verzamelen, -alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia -goedhartig: - -„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van -Nerekool in den tuin te gaan wandelen?” - -„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd. - -„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is. -Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik -meen toch recht te hebben, Anna, op uw vertrouwen, nietwaar?” - -„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel -onverklaarbaar.” - -„Maar, Anna?” - -„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.” - -„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de -gewaarwording, die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is, -hetwelk de vrouw doet neerbuigen voor den man?” - -„Ja, mama!” - -„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal -zijn, die gij den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid -heeft?” - -„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele -hoedanigheden, die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral -zijn eerlijk hart, dat mij getroffen heeft.” - -„Dat alles is wel wuft, Anna.” - -„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor -ijdele praal, niet voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke -hoedanigheden, voor vastheid van karakter, voor eerlijkheid van -grondbeginselen?” - -„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.” - -„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?” - -„Afkeuren?.... Ik niet.” - -„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.” - -Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op. - -„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij. - -„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.” - -„Och kom.” - -„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.” - -„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?” - -„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam -nietwaar? - -„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.” - -„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart -gij met uw partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer -vriendinnen een toiletartikel of de geheimen van een plumpudding te -bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw, als de gade van de -hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals, -kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz. -bezighouden, en hadt bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om -uwe aandacht, aan uwe dochter te wijden....” - -„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!....” - -„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid -mijn hart binnen geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij -hebt daar recht op, want gij zijt mijne moeder.... Dan bevond ik mij -zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid, waarin -zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den -boventoon voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die -gesprekken, die mij niet boeiden, en van die personen, die mij -tegenstonden....” - -„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.” - -„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk -voorkomt? Gebeurt u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.” - -Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare -dochter met hare oogen. - -„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem. - -„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te -hebben, mij aan die menigte te kunnen onttrekken; dan....” - -„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn, -in Mozart, in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en -verwaarloosde de wereld....” - -„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het -rijk der tonen, dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!” - -„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het -oog; want de zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de -geestdrift harer dochter. „Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij -ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.” - -„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die -zich aan het verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een -redetwist over gedwongen arbeid in heerendienst, of aan een -beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken, om....” - -„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van -Gulpendam met goedhartigen glimlach in. - -„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn -van zoogenaamde lieden van de beau monde kenmerken. Onder die weinigen -behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de eenigste. Want, -waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano -schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder -den persoon van de vertolkster....” - -„He, he, hoe nederig, Anna!” - -„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van -den vader, de beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te -omringen; maar, die men in den steek liet, wanneer het „invallen” -klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag of uit de -Java-courant vernomen werd.... Dan bevond ik mij met Karel alleen, en -vond in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo -bevonden wij ons meestal te midden eener groote menigte geïsoleerd, en, -zoo vonden onze gevoelens vertolking in de heerlijke tonen, die onze -vingeren ontlokten.... Neen, mama, glimlach niet; bij die gelegenheden -is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon -doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden; -want ik ben overtuigd, dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde -dacht, en wij ons onbewust tot elkander aangetrokken gevoelden. Maar -gisteren avond.... gedurende de invitation à la valse is ons ons geheim -ontsnapt, en.... mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus, die -tusschen ons gewisseld werd....” - -Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd -aan de borst van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals -sloeg, en in de verrukkelijk schoone oogen staarde. - -„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan -de inspraak van haar hart gehoor gaf?” - -„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat -ik u vergeven kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt, -er zouden omstandigheden zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze -goedkeuren kon.” - -Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder. - -„Mijne keuze goedkeuren!.... Mama.... gij maakt mij overgelukkig!” - -En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken -schoot, terwijl onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden -schokken. Hare moeder, aan zoo veel hartstochtelijkheid niet gewoon, -beurde haar op. - -„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk, -nietwaar? Waarom daarover zoo te ontroeren?... Zoudt gij dan kunnen -denken, dat ik uw geluk niet zou willen bevorderen?” - -„Mijn geluk!... Ja, mijn geluk!... lieve, beste mama!... Ja zeker, mijn -geluk!” kreet het opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer -moeder met kussen overdekte. - -„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid -harer dochter te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals -straks, dan kunnen wij hand in hand, en uw oog op het mijne gevestigd, -die teedere zaak verder behandelen. Kom hier, en ga zitten. Hier aan -mijn hart!” - -En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.... Het was -evenwel het tegenovergestelde beeld van den landman met de slang.... - -„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de -handen te zamen vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde. - -„Ik denk ja.” - -„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot -zijn?” - -„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te -veroveren zijn. Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!” - -„Verrast?... Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?” - -„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de -gedane vraag te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren, -waardoor Van Nerekool zijne geheele genegenheid won.” - -„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal -doen om mijne hand te verwerven.” - -„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.... Alles? Schept gij u geen -droombeelden?” - -„Droombeelden?” - -„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat -die Karel zoo verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.” - -„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder. - -„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van -Nerekool in den tuin achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner -liefde aangehoord te hebben.....” - -„Mama!.... de bekentenis zijner liefde!....” kreet het jonge meisje -schier ademloos. - -„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de -bekentenis zijner liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op -het verwerven der toestemming van papa.....” - -„O, mama!... wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de -veranderlijkheid van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij -voortging het gelaat harer moeder met kussen te overdekken. - -„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet -alleen dat vooruitzicht, maar ook dat van eene verbetering van positie, -waardoor een huwelijk met een meisje zooals gij meer mogelijk zou -worden.” - -„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als -andere meisjes, om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?” - -„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde -opgevoed, en het zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die -weelde, hoe weinig ook maar, afstand zoudt moeten doen.” - -„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle -opofferingen in staat!” - -„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid -evenwel niet getoetst kan worden. In die werkelijkheid is het -integendeel maar al te waar, dat, wanneer gebrek of schaarschte de deur -inkomt, de liefde het raam uitvliegt.” - -„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!” - -„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de -toekomst van ons kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw -verder levensgeluk zullen toevertrouwen, in staat zij, u eene -onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van Nerekool -daartoe de hand te kunnen reiken; maar.....” - -„Wat antwoordde hij toch?” - -„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was: -„nooit!”” - -„Nooit!.... Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor -mij bekend, en, toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht -steldet, heeft hij geantwoord: „nooit!” Hoe kan dat?” - -„Ik stelde hem eene voorwaarde.” - -„Eene voorwaarde?” - -„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.” - -„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik -begrijp minder dan ooit.” - -„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest -doen, daar die hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen -effenen en Van Nerekool zelven tot aanzien zou brengen.” - -„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel -mensch, en het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem -aangetrokken gevoel. Nog niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den -aanstaande mijner baboe te redden, en hij zou....” - -„Den aanstaande uwer baboe....” kreet mevrouw Van Gulpendam. - -„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?” - -„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval....” - -„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts -een misverstand, wat wel te recht zal komen. Zeg mij, wat gij Van -Nerekool voorgeslagen hebt?” - -„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen. -Bedenk, dat het de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw -huwelijk geldt.” - -En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren -echtgenoot, voor Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen -Leeuw verlangde; dat dit echter niet verkregen kon worden dan door de -opvoering van de opium-inkomsten in de residentie Santjoemeh. Het -virtus nobilitat zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s -schatkist. - -„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia -voort, „is het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat -kan niet, wanneer zijn zoon Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede -gepaard gaande mishandeling veroordeeld wordt. Eene wreede -noodzakelijkheid is het dus....” - -Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een -strakken blik, op de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof -zij haar de woorden uit den mond wilde kijken. Nu vloog zij op en wild -en woest viel zij Laurentia in de rede. - -„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den -Nederlandschen leeuw te bezorgen!.... Dat kan, dat mag niet gebeuren! -Hoort ge, moeder?” - -„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.” - -„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.... Ja? O, dan ben ik -wel ongelukkig!” - -„Maar, Anna, luister dan toch!” - -„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal -hij de echtgenoot van de dochter van zulke ouders worden!” - -En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare -kamer op. - - - - - - - -XIII. - -OP WEG NAAR HET JACHTTERREIN. - - -„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?” - -Met die vraag stormde Eduard van Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van -Nerekool de kamer binnen. - -„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. „Maar zijn de paarden er -reeds?” - -„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen -geest voor een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten -trappelend voor de deur.” - -En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met -elkander te drinken en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie -rijpaarden verschenen, echte Makassaren, [79] niet zoo bizonder fraai -van bouw als Kedoeërs, of als Batakkers [80], maar voorzien van een -breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid aanduidden, -voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar -daarbij sterk en lenig waren. - -In een oogwenk zaten de jongelieden te paard. - -„En uwe buks?” vroeg Eduard. - -„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van -Nerekool. - -De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh -den rechterlijken ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het -met den cordonriem over den schouder, stak een paar revolvers in de -pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd waren; zoodat hij in -bewapening nagenoeg met Eduard van Rheijn gelijk stond. Weldra hadden -de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden in stevigen draf in -oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van hunnen -rit was. - -Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu -en dan een woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot -een levendig gesprek. Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door -Tamarinde- [81] en Kanarie-boomen beschaduwd was, liet zich de -tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, wanneer -de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den -namiddag, de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal -harer dagelijksche reis. - -De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig -voort; in flinken draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer -zij steeg. Zelden behoefden de edele dieren in stap gebracht te worden, -en waren dan nog in dien gang niet te houden. Daarbij het landschap, -hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin des woords -verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s, -die met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele -kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering vormden te midden van het -groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna volgden -klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant, -hoog in de lucht hunne wuivende bladertakken, waaruit hare kruinen -bestonden, verhieven en een zonderling grillige schaduw op de groene -graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de -schaakvormige vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een -terreinplooi op, lieten de galangan’s, die haar omgaven met haar groen -kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- of „klampies”- -[82]struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit -jaargetij als ontelbare waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in -dit seizoen na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan -vierkanten vloeibaar zilver, met eene groene omlijsting omgeven, gelijk -waren. Achter dat sawahveld verhief zich het gebergte, dat met zijne -vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch overdekt, een -donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel -langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de -gezichtseinder zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging, -hetgeen tegen het meer lichte azuur des hemels scherp maar bekoorlijk -afstak. Op sommige punten konden de ruiters, wanneer de paarden eene -heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing genieten -moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar -bij den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te -schitteren, waarop de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes -voordeden, of als tegenstelling de zwarte rook van een stoomschip, die -zich in dikke krullen somber over het watervlak omboog, ontwaard werd. - -Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende -der hitte te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd, -die hen zoo vatbaar maakte voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de -elkander opvolgende landschappen, die zich links en rechts van hen -uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke gemoederen te -boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene -kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk -gevolg, allen te paard, in de verte in het oog kregen, die hen -spoorslags tegemoet reden. - -„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard van Rheijn. „Kijk, die -daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den -ruitergroep houdt.” - -„Wie is bij hem?” vroeg Karel van Nerekool. „Zie ik goed... dan zijn -het August van Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij -God!... ook Frits Mokesuep!” - -„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „djoeroetoelis,” -den „loerah,” den „kabajan,” den „kamitoewa,” den „tjarik,” [83] in één -woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe -Pahit met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in -groot gala op hunne kleine paardjes gezeten, die met geel galon -geboorde chabrakken van tijgervel versierd zijn, en waarop de goed -gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel rusten! -Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)” riep Eduard van Rheijn opgewonden -uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden -toewuifde. - -„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en -weldra had die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken -de begroetingen en verwelkomingen allerwegen. - -„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl -hij Karel van Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet -ongesteld?”.... - -„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel -vertellen....” - -„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte -een der jongelieden, die Verstork vergezelden, op. - -De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen -hij merkte, dat de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden, -haastte hij zich het onderwerp van het gesprek te veranderen. - -„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren, -met drieën in draf!” En een oogenblik later: - -„In galop.... arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud -kavallerie-officier. - -De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven -vooruit, zonder de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich -voor hun oog uitstrekte en eene zachte rijbaan opleverde, daar zij met -een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn gras bekleed was. - -„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je -de goede zorgen van den controleur bespeuren.” - -Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het -hoofd. - -„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,” -verkondigde hij machtspreukig. - -„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken [84],” merkte er een van -het gezelschap met schamperen glimlach op. - -Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de etiquette -aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier -moedige paardjes van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink -volgden en in geen gang iets toegaven. - -Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij -de gelegenheid te baat om met de jongelieden, die den controleur -Verstork vergezelden, kennis te maken. - -August van Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke, -gezonde jongen van ongeveer twintig jaren oud, wiens fijne stroogele -haren, die hij krullend droeg en uitermate verzorgde, met zijn wel -krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst -duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te -Santjoemeh gevestigd. - -Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het -kadastraal kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede -wiskundige studiën gemaakt, en steeds in de geodesische en -geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur presteerde hij -uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel -grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring -heerschte, vooral wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het -zakelijk recht, aan die eigendommen verbonden, te berde werden -gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht en -billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht -de zijde van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij -ingebracht werden. Hij was ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een -sierlijken blonden krullebol en een aangenaam gelaat, dat van veel -vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom hij -in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was. - -Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als -Limburger ontleende hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien -landaard, aan den meerderen omgang met de naburige Belgen toe te -schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, waar -jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het -Athenaeum te Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om -daar op de hoogeschool in de rechten te studeeren; maar was deerlijk -mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, waar hij zich bevlijtigde, -om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, dat hij op de -Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur, -die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde. - -Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een -scherp kontrast vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde -de betrekking van commies bij de controle-afdeeling van de in- en -uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij had in zijne jeugd -slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, nog zeer jong -zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de -rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden. -Dat gebrek aan opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het -ooit verder op de maatschappelijke ladder te brengen dan tot controleur -bij het financiewezen in het moederland. Door dat denkbeeld beheerscht, -had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, indertijd -door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen -in de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in -Nederlandsch-Indië noodzakelijk geworden, gehoor gegeven, en was als -financiëel ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen -[85] naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met -zijnen buigzamen geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke -tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig zijne aspiratiën te -kunnen scheppen. - -Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van -Financiën geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid -zijner denkbeelden geleverd, en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh -overgeplaatst in de betrekking, die hij thans bekleedde, en -waarschijnlijk zijn bâton de maréchal zoude zijn. Hij was de fiscale -ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis van het woord, en -had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming -gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard. -Schrapen was zijn eenige wellust in dit ondermaansche, en alle -middelen, zelfs leugen en bedrog, werden door hem gebezigd om dien -hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart -volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer -betrekking op de te innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne -bekrompen denkbeelden in plagerijen van de belastingschuldigen. Een -half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer -beschermde hij de belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel, -van zijne medewerking kon het Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer -zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige handelingen geld -afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter. -Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door -kastanjebruin haar, hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien, -gom-adragant, stijfsel, vischlijm of eenig ander kleefmiddel langs de -slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig en scherphoekig, en had -die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, wanneer -hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal -en scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen -mond een profiel, dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en -van een vos, in ieder geval op de geaardheid van een knaagdier duidde. -Misschien was het daarom, dat zijne makkers hem gewoonlijk Muizenkop -heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of van haar te -ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden. - -Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat -was eenvoudig: Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen -geïncarneerd; en daar de controleur bij het innen van belastingen in -zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige -muggenzifterijen der financiëele ambtenaren te doen wilde hebben, zoo -had hij dien man in den arm genomen, die hem op het gebied van -accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde van -onhebbelijke aanmerkingen. - -Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen -kreeg, had de ruiterstoet den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en -Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, en was op het punt -laatstgenoemde plaats binnen te rijden. - -Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden -heuvelachtig terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht -wordende gasten haar feestkleed aangetrokken. Allerwegen verschenen de -bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in hunne beste kleederen, die -zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. [86] Aan den vlaggestok, -die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een -spiksplinter nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de -andere hoofden, ja zelfs de „mantri tjatjar” (vaccinateur) der -afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden dat voorbeeld gevolgd, -en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook de -driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene -kooi met „perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te -ontrollen. Allerwegen klonk de gamelan en verleende aan de feestelijke -stemming der bewoners, die allen op de been waren en de heeren -vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel. - -„Drommels,” herhaalde Eduard van Rheijn, „rameh besar! De controleur -doet de zaken goed! Dat belooft!” - -„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de -bevolking is blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen -verlossen, die ontzettend hare velden verwoesten. Gij zult eens zien -met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, om ons bij de -klopjacht behulpzaam te zijn.” - -De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en -steeg af. - -„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van Rheijn. „Ik heet -u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een -oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te -gaan.” - -„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten. - -„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner -zal mogen heeten, dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te -paard stijgen om den Djoerang Pringapoes te verkennen, en voor -zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, en waar wij -positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.” - -„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van Rheijn. „Ik meen -zelfs, dat wij volle maan hebben.” - -„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de -controleur. „Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen. -Dan zullen wij vroeg naar bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten -wij bij het aanbreken van den dag bij den djoerang zijn, om onze -stelling in te nemen en de jacht te beginnen.” - -En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de -blanken tot op het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij: - -„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang, -niet waar?” - -„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord. - -„Welnu, blijft dan met ons eten.” - -Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te -huis nog iets te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd -present zijn. Wat zij niet zeiden, maar toch dachten, was, dat zij -beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch zoude voorgediend -worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks, -afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn. - - - -De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen -tot den Djoerang Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der -schutters op de verschillende punten met den wedono en de beide -loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden was, -besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den -djoerang, daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar -rotsbed van vak tot vak afdalende, eene reeks van watervalletjes en -stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van het reeds zoo schoone -landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh -maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in -de sawahvlakte uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten, -die den avondhemel bij het ondergaan der zon nuanceerden, in de -sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met hare -klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen, -waartusschen de gele omwandingen der hutten schier niet ontwaard -werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel -verdubbelde, en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht -niet verzadigen konden. Alleen het verbleeken dier tinten bij het -intreden van den nacht, en bij het verschijnen van de maan boven de -kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken. - -Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien -aanbevolen te hebben, den volgenden ochtend met zijn volk op de -afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en had men reeds de paarden -gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, toen -plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil -vernomen werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig. -Dat gegil hield aan, en duidelijk werd te midden van het verwarde -geschreeuw van vrouwen en kinderen het schrikkelijk klinkende „amokh! -amokh!” (moord! moord!) gehoord. - -„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het -dèsahoofd, dat nog bij de heeren stond. - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan -hooren?” - -„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!” - -En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel [87] -aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de -richting van den Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep -aangekomen was, hurkte hij in der haast voor den controleur neder, en -bracht den sembah. - -„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa -gemaakt. Reeds is een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas -deerlijk verwond!” - -„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork. - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten -gillend en huilend; toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport -te komen brengen. Maar bij het heenijlen hoorde ik roepen, dat -Setrosmito de amokhmaker zoude zijn.” - -„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk, -nietwaar, loerah?” - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd, - -„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven -hij is niet aan het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?” - -„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord. - -Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de -avondschemering, menschen in de grootste verwarring binnen den dèsarand -heen en weer ijlen. - -„Kom, heeren,” sprak de controleur. „Mijne aanwezigheid is op de plaats -des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken galop zijn wij er -in weinige oogenblikken.” - -„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na. - -„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen. - -Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het -voorbeeld van Verstork hunne paarden in galop gezet, en ijlden den -landweg af, die naar Kaligaweh voerde. Mokesuep was evenwel te -bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen -kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat -te doen. Maar daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht, -terwijl de tontong’s als bezetenen weerklonken. Dat gaf den doorslag. -Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde in razenden ren naar -Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh. - -„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht -hij. „Straks zullen de anderen mij wel volgen.” - -Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde -hen Verstork. - -„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op -zijne hoede te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden, -daar deze het gevaar nog vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!” - -De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand -doorjoegen, ontwaarden zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die -hunne kinderen in hunne armen sloten, als wilden zij ze beschermen; -maar de mannen stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom -eene hut geschaard, die gesloten was, en niets merkwaardigs aanbood. -Wel weerklonk de kreet: - -„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!” - -„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong, -de teugels aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad. - -„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord. - -„Toch Setrosmito?...” mompelde de ambtenaar onhoorbaar. - -Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven, -of de deur der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel -verscheen. - -Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en -woest om het hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren -te hebben. Zijn baatje was geheel gescheurd, zoodat slechts een vod -daarvan door een der armen opgehouden werd. Aangezicht, borst en handen -waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk uitzag. - -„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!” - -Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed. - -„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe. -„Maar nadert mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij -aanraakt, steek ik neer!” - -En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de -rechterhand had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur, -die een oogenblik achteraf gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar -nauwelijks had de ongelukkige den blanke in het oog gekregen: - -„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen -van zich afslingerde, en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte. -„Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde hij daar. - -Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der -omringenden niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met -bloed bevlekte man naar den controleur ijlde, meenden velen, dat deze -in gevaar verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver -in de hand vooruit. Ook de Javanen wilden toespringen en den thans -weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork voorkwam hen, drong de -voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met het bevel: - -„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!” - -En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden -toon herhaalde: - -„Ampon, Kandjeng toean!” - -„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij. - -„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar” -(onwelvoegelijk) met mijn kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb -ook een oppas verwond, die hem daarbij hielp. Wie zou mijn kind -beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand anders -verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.” - -Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar -ademloos, geen woord van protest werd vernomen. - -„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg -de controleur ernstig. - -„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den -steeds hurkenden Javaan. - -„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het -districtshoofd. - -„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon, -ik heb slechts mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.” - -„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!” -sprak de controleur hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid -der blanken zal de zaak onderzoeken, en is uw kind mishandeld, dan zal -dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe straf lichter maken.” - -Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der -blanken gerechtigheid, wanneer het opiumzaken gold. Een bittere -glimlach zweefde op aller gelaat. Menige verwensching jegens het -onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, werd -gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in -blinde en woeste drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind -tegen de snoodste mishandelingen beschermde, te doen had, nu had de -geheele bevolking deernis met den ongelukkige. Een gebiedende blik van -den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder -gemompel tot zwijgen te brengen. - -„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah -staat mij borg voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij -zult zorgen, dat hij morgen ochtend vroeg onder een geleide van -gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.” - -„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne -dorpsgenooten gekneveld werd. - -„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets -anders doen dan mijn plicht opvolgen.” - - - - - - - -XIV. - -EENE HUISZOEKING MET HARE GEVOLGEN. - - -Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden, -dat zagen de jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het -instellen van een voorloopig onderzoek omtrent den manslag en de -verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat nauwgezet als altijd, -en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek: - -Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo, -de spion van den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan, -zich in de dèsa Kaligaweh vertoond had. Beide personen hadden eerst een -bezoek aan de opiumkit gebracht, om daar van de gedelegeerden van den -pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna hadden zij zich -naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat -dorpshoofd, die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit -opgeroepen was, zich tot een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten -einde den bijstand der politieagenten te erlangen. - -Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion -naar de woning van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen, -den wensch te kennen het huis van den Javaan te doorzoeken. - -„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt -er nimmer opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen, -dat gij u van sluikopium voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten -nauwkeurigste te doorzoeken.” - -„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen -opium bij mij vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord -van den trouwhartigen landbouwer. - -De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden. - -„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht -worden.” - -En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van -de politieagenten en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren: - -„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers -te onderzoeken.” - -Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening, [88] onderwierp zich -aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid -geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren. - -Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht -genoemd worden van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats -gehad. Maar, had Setrosmito bij de opiumjagers geen heulsap gevonden, -evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren kon gelijken, hoe dikwerf -zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid -doorzochten. - -„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en -wanhopig, dat niets te vinden was. - -„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen -passen.” - -De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen -hij vernam, dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren -helaas! slechts weinige bewoners van Kaligaweh, die welvarende dèsa van -weleer, welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde -met de politiedienaren naar buiten, om zich naar Singomengolo te -begeven, ten einde dien van den stand van zaken mededeeling te doen. - -Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over -zijne onhandigheid. - -„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij -hem te gemoet. „Jij zult nimmer sluikopium vinden.” - -„Maar jij ook niet, waar hij niet is.” - -„Wel, „Keh” [89], voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?” - -„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb -tot de bamboestijlen der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.” - -„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?” - -„Ja.” - -„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?” - -„Ja.” - -„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s” (kussens) -onderzocht?” - -„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk. - -„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom -maar meê,” ging Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den -gestaarten natuurgenoot naar het hoofd geslingerd te hebben. „Kom maar -mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets vondt, ik wel wat zal -opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.” - -De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had. -Maar, zoo gaat het meer in de wereld. - -Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito -terug, om het onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op -nieuw wilde onderzoeken, weigerde Singomengolo botweg. - -„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen -hond!” zei hij barsch. - -Setrosmito protesteerde. - -„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik -ken die streken! Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het -dèsa-bestuur, die onder de menigte voor het huis stond toe te kijken. -„Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier gebeurt!” - -Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in -aanraking te komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de -voeten. Lachende trad Singomengolo met zijne acolyten de hut binnen. -Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee jongetjes en een -meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd -waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis -hunner ouders verzameld zagen. - -De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste -jeugdige Javaantjes hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks -kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk werd, wat schoonheidsgevoel -aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren hoofdjes, -waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was -gebleven, en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor -droeg. Hunnen landaard getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige -ledematen, slanke lendenen en een uiterst dun middeltje, dat -voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, op -dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de -voetenkels droegen. - -Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst -gezichtje, hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig -uitkwam. Het kind had bloote armen, maar de borst was bedekt met een -van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” (slabbertje); terwijl om de -heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren plaatje -bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken. - -Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten -en potten en pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito -nauwlettend op de handen gekeken werd. Dat verdroot den aterling, die -daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd werd. Hij gaf een teeken -aan den Chinees, die met zijne scheefstaande oogen de kinderen akelig -gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het detailleeren -van de vormen der kleine Kembang (bloem). - -Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder -voorwendsel van ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte -hij hen achtereenvolgens het naakte lichaam, zocht op de walgelijkste -wijze onder de oksels en overal waar een madat-balletje kon verborgen -zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen schurk -te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het -toezicht, dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon -afleiden. - -Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst -scheurde, gilde het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los, -en verborg het naakte lichaampje aan de borst harer moeder, die haar -omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. De Chinees naderde -met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen -gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het -meisje uit de armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen. - -„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine -kat heeft tijd gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!” - -En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was, -daar de Chinees zich tegenover een schepseltje der teedere kunne -bevond, en zich alles meende te kunnen en mogen veroorloven. - -„Alah! tobat!” kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel. - -Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op. - -Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe -scherp op de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten -hand onder een pandan-matje, dat op de baleh-baleh lag, en reeds -driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat opgetild was geweest, -en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat hij met -gemaaktheid vertoonde. - -„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium) -in het huis aanwezig was.” - -Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij de bestaande -rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te -wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed. - -„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij -onwillens de hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner -vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding boven de baleh-baleh -uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!” - -Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af -was, met een vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof. -Brullend van woede rukte deze den kris uit de schreede. En juist in dit -oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden gil uit, die -Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen -hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat -van den Chinees zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne -lieve aanminnige Kembang veroorloofde, steeg hem het bloed -onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting. -Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen. - -„Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!” (help! help! pijn! pijn!) gilde het -kind. - -Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen -kris in de hand naar den kant van den onverlaat. - -„Amokh! Amokh!” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het -zien van den gevlamden kris in de vuist van den waanzinnig vertoornden -vader. - -„Amokh! Amokh!” herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat -er gaande was. - -Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg. - -„Amokh! Amokh!” klonk het weldra van alle kanten. - -De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het -gold. - -„Amokh! Amokh!” herhaalden de „kedjinemans” [90] en stormden naar de -„gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig -lieten weerklinken. - -De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene -poging willen aanwenden om zijn sabel te trekken. Het lem was evenwel -zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen niet te ontblooten was. -De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den verdoolde -bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede -over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet -gevaarlijke vleeschwonde, maar eene aanmerkelijke verbloeding -veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, dat de -gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos -op het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad. - -Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds -het meisje omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden -omtrent zijne onkuische bedoelingen geen twijfel overlieten. - -„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader -bekschuimend. - -Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in -zijne overspanning de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij -voldeed niet aan dat uiterste bevel des vaders. Hij stond daar met zijn -fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht getuigende, toch een -wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden -integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen -het naakte meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken. - -„Amokh! Amokh!” klonk het in het rond. - -„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een -dommen lach beantwoord werd. - -„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong dreigend. - -„Laat los!.... Niet?.... Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige -vader. - -En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens -de Chinees tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te -bukken, hem het gevlamde lem door de keel. - -„Adoe! Matti saja!” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest -rollende oogen. Het waren zijne laatste woorden. Met krampachtige hand -trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan zijn hals te sluiten. Te -vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes als zoo vele -fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. Een akelige hoest -overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte, -overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en -zich steeds met de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de -doodelijk verwonde overeind te blijven staan. Vergeefsche poging! Hij -wankelde, alsof hij beschonken was, en viel eindelijk stervend neer. - -„Amokh! Amokh!” klonk het rondom de hut. - -„Amokh! Amokh!” herhaalde de tongtong. - -Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij -veegde zich met de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot -besef te komen. Eindelijk kreeg hij inzicht in den toestand. - -„Amokh! Amokh!” klonk het dreigend. - -Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken, -maar bewoog zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar -oogenblik, met de bliksemsnelheid der gedachten geschied. Het vertrek -was overigens leeg, want gelijktijdig met den politieoppasser had ook -Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, die -eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den -dreigenden kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht -heengeijld, en had haar naakt dochtertje met zich meegesleurd. - -„Amokh! Amokh!” - -Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning -kwam, als eene bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er -maar al te goed de schrikkelijke beteekenis van. Hij wist, dat wanneer -dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te wapen vliegt, en zonder -onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar te -lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of -zooals hier, als beschermer zijner kinderen op te treden. - -Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen -vooruit. - -„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik -neer, zooals ik dezen keh gedaan heb.” - -Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten -kring, waarin druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt -geen ijver aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te -dringen. - -Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam, -en de moordzaak met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde. - -Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die -hij zeide in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te -hebben. Het was eene kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen -wordende, bleek schier vijftig mata’s, dus ongeveer achttien -milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige massa, -die in een klein koperen doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de -hand geborgen kon worden. De controleur nam dat doosje in beslag en -verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den opiumjager. - -„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het -matje op de baleh-baleh gevonden hebt?” - -„Ja, zeker, de Chinees....” - -„Die dood is? Anders niemand?” - -„Ja, en de beide oppassers?” - -„Die eerst geen opium gevonden hebben?” - -„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik, -Kandjèng toean, ik, beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is -genoeg. De getuigenis dier twee oppassers is overbodig.” - -De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen -er zich echter niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een -huichelend nederigen groet gebracht en gepreveld te hebben: - -„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den -assistent-resident van politie.” - -Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs -den grooten weg naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel -blijken zal, waarheen hij zijne schreden wendde, en wat hij daar te -verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, na de dèsa verlaten te -hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars door het -heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats -aanbood. Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en -middernacht was nog niet voorbij, toen hij een eenzaam staand hutje -bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap -verder naar Santjoemeh zond. - -Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem -beiden bij dat lastige onderzoek in die netelige zaak ijverig -bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde terugkeerde, was -het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar -vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden. - -„Drommels!” pruttelde August van Beneden, ontstemd als hij was, nu hij, -na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak de meest overdreven -voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar gebracht -zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur -gruwelijk verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!” - -„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter. -Daarenboven, wat ik heden avond afdoen kan, heb ik morgen niet te -verrichten.” - -„Morgen?” - -„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar -Banjoe Pahit terug te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou -dat morgen toch moeten geschieden, en dan was onze geheele jachtpartij -naar de maan.” - -„Morgen?” vroeg Eduard van Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet -tijd genoeg zijn?” - -Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits -antwoord gereed; maar hij weerhield het en antwoordde bedaard: - -„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te laat. Het is eene -moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg -kosten om de zaak tot helderheid te brengen.” - -„En zijt gij nu gereed.” - -„Ja” - -„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?...” - -„Niets.” - -„En de jacht aanvoeren kunt?” - -„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.” - -„Een paar brieven?” - -„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging aan den djaksa -(Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het -lijk te schouwen, en het visum repertum op te maken. Is ’t niet zoo Van -Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken ambtenaar, „dat -moet immers zoo?” - -„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het -voorhoofd wrijvende. - -In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd -herhaald en bevestigend beantwoord. - -„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar -Banjoe Pahit,” merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het -vroeg dag zijn, nietwaar?” - -„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe -Pahit te denken,” sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu -reeds negen. Hoe helder de maan ook schijnt, zal het toch niet wel -mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; zoodat wij niet vóór het -middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen zullen. -Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven, -die dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal -naar Banjoe Pahit terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te -bezorgen. Hij zal de klopjagers daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk -besproken en behoeft geene wijziging, nu wij van slaapplaats wisselen, -nietwaar?” - -„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August van Beneden -bezorgd. - -„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: à la guerre comme à -la guerre! Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan” -(passantenhuis) voorzien van eene eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen -den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.” - -„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen -oord een meubelmagazijn?” - -„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten -antwoord, „zoo’n inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de -noodige hoofdkussens en een paar bultzakken machtig kunnen worden, dan -zal het wel zijn.”.. - -„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak -Van Beneden, die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was. - -„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur. -„Ik prefereer de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en -overheerlijk ook. De overigen kunnen er om loten. Maar....” - -„Maar wat?” vroeg Eduard van Rheijn. - -„Er werd gesproken van ons zevenen?... Ik tel er maar zes.... Wie -mankeert er?.... Te drommel, waar is Mokesuep?” - -„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen. - -„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,” -antwoordde Van Rheijn. - -„Zijn hielen gelicht?” - -„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags -naar Banjoe Pahit terugreed.” - -„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op. - -„Is voorzichtig wel het ware woord?” vroeg er een. - -„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een -ander op. „Verstork, hoe kom je toch aan dien gluipert.” - -„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij -doorkneed; ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?” - -„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.” - -„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep -laten wekken?” - -„Engèh Kandjeng toean!” - -„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den -loerah, die het u zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?” - -„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze. - -Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan -genomen, en zat de controleur in het voorgalerijtje van de -tjariks-woning ijverig te schrijven. - - - - - - - -XV. - -ONDER DEN WARIENGIENBOOM.—IN DE OPIUM-KIT. - - -Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte -den loerah niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en -zelfs zes rolkussens bijeen te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij -het armoedige licht van het lampje, hetwelk in het midden van het -vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven -overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is -waar kreupel en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een -weelde-artikel in eene dèsa als Kaligaweh aangemerkt moesten worden. - -Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De -opgewektheid van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die -amokhzaak teweeggebracht, liet zich nog te veel gevoelen, dan dat aan -slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, bracht die op de -aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam nu, -na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het -verkrijgen van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog -minder van een grogje, hetzij van jenever of van brandy. Zoo iets treft -men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, als er tenminste geen -Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater -gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer -hij afkomstig was van eene jonge noot, waarvan het vruchtvleesch zich -nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden van den -harden bast afgezet heeft. - -Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom [91] gevormd, -welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene -kruin vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij -ruime aloon-aloon overdekte en schaduw verleende, wanneer de zon of de -maan in het zenith stond, en zoo den omvang van die kruin op den bodem -nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal -uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens -als een vinger, dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als -een dun touw, die evenwel, bij het aanraken van den bodem, daarin -doordrongen, om hulpstammen te vormen, die den reus zijnen last hielpen -torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, die rondom den -hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene -zekere mate van betoovering bijzetten. - -Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren -fonkelden aan den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk -deed, en haren glans aanmerkelijk verbleekte. - -Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische -gewesten doorgebracht, was het volstrekt niet stil in de natuur. Een -zacht windje deed toch de millioenen bladeren van den kolossalen wilden -vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige geluiden, die vernomen -werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door -onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd -koerde in weerwil van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in -de onmetelijke kruin van den Wariengien, en werd door haar gaaiken -beantwoord; nu en dan liet zich een haan door de heldere maanstralen -verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit volle -borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en -daar weerklonk het scherpe gepiep van de vele vleermuizen, die rondom -onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, een waren -doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen, -enz. beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar -„kalongs”, [92] die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of -anderen vruchtboom van de dèsa waren neergestreken, en daar om het -ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of „kwennie” [93] -plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als -solopartijen beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal -heerschte, hoewel de uitvoerders daarvan niet te bespeuren waren. In -dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, waarheen men het oor ook -wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens zóó sterk -liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan, -dan weer zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar -briesje langs een graanveld, soms plotseling als op een gegeven teeken -ophield, alsof het ’t zacht lispelen der Wariengienbladeren wilde laten -vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde kracht in koor -te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „tongeret -oetan,” [94] eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere -grasspriet van de aloon-aloon, op iedere bladpunt van den onmetelijken -Wariengienboom gezeten, dat schril concert ten gehoore, en in -letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten. - -Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij -gehoor verleenden aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer -levendigheid schenken, dan aan het middaguur, wanneer de zon in het -toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig doet zwijgen? Of zij oog -hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, met -zijnen schitterenden sterrenhemel, met zijn fraai en zacht maanlicht, -dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? Het is te -betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene -verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van -maatschappelijke ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te -aangrijpend geweest, om nu reeds verdrongen te worden. Die moordzaak -werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men het verhaal van het -gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven, -medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot. - -„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit -overigens zoo gezegende eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich -van schaamte het aangezicht te moeten sluieren, dat onder de inkomsten -van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen wordt?” - -„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de -opiumpacht niet waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene -verbruiksbelasting op een weelde-artikel.” - -„Accoord,” zei Grashuis, „maar wie leerde den bewoners van den -Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?” - -„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken -drank. Van waar is dat distillatieproduct afkomstig? Wie vond het uit? -Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord te geven is. -Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium -niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.” - -„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als -bewijs van goed gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk. - -„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het -dan ook onschuldig aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten -is, van met den invoer van de opium begonnen te zijn, en...” - -„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den -toets van het onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende -Proeve [95] ter hand. dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als -Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s al reeds sedert vele, zeer vele -eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is dus aannemelijk, -dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de -gewoonte om opium te schuiven reeds vonden...” - -„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud, -dien ik evenals gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te -hebben kunnen ontdekken, wanneer het gebruik van opium in -Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis in -den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne -geschiedenis kunnen staven, dat het gebruik van de opium bij de komst -der Nederlanders in Indië reeds ongeveer verbreid was, geloof dan vrij, -dat hij die wichtige bizonderheid voor de eer onzer natie niet zou -verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne Proeve -tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVIde eeuw -in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts -in de Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den -Indischen Archipel kan aangenomen worden, dat dit verbruik zich -bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid ten dienste van vreemde -oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd hadden.” - -„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te -beschouwen?” vroeg Van Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij -zich tot Van Nerekool wendende. „Baud was toch een tegenstander van het -opiumgebruik.” - -Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept -als hij was, antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag -wel gehoord had. Grenits haastte zich evenwel te antwoorden: - -„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!... Waaruit hebt gij dat -gehaald? Toch niet uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke -onpartijdigheid samengesteld. Hij behandelt slechts de nadeelige -uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, en in zijn -geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt -om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s -personeele opvatting?..... Maar die opvatting omtrent het verschijnen -van de opium in Indië wordt geschraagd door de reisverhalen van eene -menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de Itinerario’s -ofte voyages b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van -Wybrand, Van Warwijck, van den admiraal Matelief en van zooveel andere -verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, dan zult gij -bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.” - -„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?” -vroeg Van Rheijn niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de -gewapende vrede tusschen den koopmans- en den ambtenaarstand, die in -Indië meer nog dan elders op die van kat en hond, welke genoodzaakt -zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op den -voorgrond. - -„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de -voortbrengselen van den Archipel, maar ook van de artikelen, die -voordeelige uitkomsten beloven,” antwoordde Theodoor. - -„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat -artikel wel in zijne handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig. - -„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,” -antwoordde de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen -voordeel willen hebben, en ik ben er zeker van, dat vele, zeer vele -vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. Het bewijs, dunkt -me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend is, -nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.” - -„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat -hoonend. - -„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der -Oost-Indische Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als -het ware geïdentifiëerd met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier -zij is in de kruideniersaffaire, aan te merken. Het opiummonopolie -wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de „Companie ketjil” -[96] als opiumpachter optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit -Europeesch handelslichaam, die eervolle betrekking behield. Volgens -Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, zoodat -zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op -voordeel, dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden -brengen. Van een anderen kant, wanneer ik de namen der Nederlandsche -geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de bestuurders en leden van -de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik de gedachte -niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen -ondervonden hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen -verstopt werd.” - -„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn -korzelig in. „Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever? -Verkoopt uwe firma dien drank niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het -hoofd van een huis zult staan, iederen handel in sterken drank laten -varen?” - -„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het -jenever-verbruik gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die -dat hier te lande en daar ginds in Nederland verkondigen, doen veel -meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel er verscheidene onder -zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, en -bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een -doel najagen, waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de -anderen slechts praten, om hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want -o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche ooren, wanneer -menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met -zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad -niet. De mensch heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de -heer Schaepman, die het toch wel goed met zijne schaapjens zal meenen, -misgunt den man een paar borrels jenever niet. Laten wij dat -geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet -misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen -zich de ooren, die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan -volgt menig beamende hoofdknik; want.... men acht zich dan van de -verplichting ontheven, om een einde te maken aan een zoo smerige bron -van inkomsten als het opium-monopolie is.” - -„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de -lieden, die niet alleen die stelling met een beamenden hoofdknik -bevestigen, maar haar ook luide verkondigen durven. Ik houd staande, -dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen op -gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene -wellicht niet in zoo’n hoogen graad dan het andere.” - -Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek -zegevierend rond en riep uit: - -„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!” -„Zeker is ook het gebruik van jenever nadeelig te noemen....” - -„Pas op, dat de leden der Witte sociëteit in den Haag dat niet hooren!” -viel Grashuis lachend in. - -„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort, „dat gebruik vloeit voort -uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, die het -bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk -geluk en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father -Mathews, den Ierschen matigheids-apostel en van andere -afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat over het hoofd te -zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening -aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne -lijn stelt, gij niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de -hoogte der koloniale litteratuur in zake opium zijt. Vaderlandsche -mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, Van Dedem en zoo vele -anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker als een -middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in -zijne reisbeschrijving openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van -het opiumverbruik mede, die van zoo’n aard zijn, dat, hoewel wij -slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins die -bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel -volkomen. Een beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is, -[97] schreef reeds in de XVIde eeuw, dat het gemeene volk in China de -opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde Von Miclucho -Maclay [98] schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te -Hongkong genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik -uwe ooren besparen wil. Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En -wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse, [99] en -zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als -Minister van Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden, -in de volle Vertegenwoordiging, van de opium spraken als van een kwaad, -van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, van eene verpesting, -dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking en de -gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig -heilloozer zijn, dan die van het alcohol-verbruik.” - -„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van -Beneden. „Ik zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.” - -„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen -zijn.” - -„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te -verkrijgen voor ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan -schuiven tot spot van het volk.” - -„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den -opiumpachter. Die zal mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.” - -„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn -de grootste smokkelaars.” - -„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden. -Zoodra ik die dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen -wij ten mijnen huize. Wij zullen hartenazen, wie zich aan de proef zal -onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, zal schuiven, terwijl -de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat -afgesproken?” - -„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds -afgetrokken als hij was, niet instemde. - -„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn -voort, „kan ik niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne -stelling uitstekend verdedigd heeft. Waarlijk, ik had zoo veel -zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman -verwacht....” - -Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit -het ambtenaarskorps was voor hem niets ongewoons. - -„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer -overtuigen, dat de opium meer onheilen sticht, meer rampen over het -volk uitstort, dan sterke drank zou doen.” - -Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de -autoriteiten te Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen -nabij getreden en had zoowel de tirade van Grenits omtrent het -heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste bewering van Van -Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat. - -„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen -Grenits beweert, is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij -bevinden ons in een der meest rampzalige dèsa’s, in een der meest -waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is nog zoo lang -niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen -kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.... kijkt rondom u; -alles is even vervallen en verwaarloosd. De hutten storten schier in; -de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen gelijk; van de -sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger -omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur, -de kit is nog open [100]; daarenboven de bewoners, door die moordzaak -opgewekt, door de tegenwoordigheid van zooveel blanken in hunne dèsa -verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de oogen den kost -geven, en onze weetgierigheid bevredigen.” - -Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van -Nerekool bleef met het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten. - -„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den -schouder legde. - -De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op. - -„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met -zijn brein elders gedwaald had. - -„Kom, naar de opiumkit.” - -„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge -wilt toch niet....” - -„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling. -„Neen, wij gaan maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke -gezichten; want ik geloof, dat het bezoek aan de kit heden nacht -talrijk is. Maar.... wacht, willen wij volledige kennis betreffende -land- en volkenkunde opdoen, dan....” - -En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van -den ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur verwijlden: - -„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit -hier. Maar dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.” - -„Engèh Kandjeng toean!” - -„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante -schouwspel voor onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten -boek wezen.” - -Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen -ijlings aangeloopen, door den politie-agent tot spoed aangezet, met een -ijverig: - -„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de -verheven heer roept).” - -Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de -controleur tot zijn gezelschap: - -„Laat ons nu gaan.” - -„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen -brutaal, toen hij zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde. - -„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken. -Wees ons geleide.” - -„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan...” - -„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden -toon. - -De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen -woord, en volgden de blanke heeren. - -De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de -aloon aloon bevond; zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen -af te leggen hadden, om die philantropische inrichting der -Nederlandsche overheerschers te bereiken. - -Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke -zuigers te zijn, waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te -worden, trotsch en fier zich verhief! - -Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der -toevoerbuizen was van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en -perspomp, die millioenen en nog eens millioenen in de Nederlandsche -schatkist doet stroomen. - -Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig -bamboegebouwtje, meer aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de -omwanding bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige -muffe lucht van in verderf verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het -atappen-dak zichtbaar onder den last der jaren doorboog, en op het -hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke beantwoordde -volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de -binnenruimte tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak -uiterst bedompt; terwijl daarenboven de vochtige atmospheer, die er -heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë zoete lucht, die -verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte -bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in -Javaansche huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier -en daar met zwart-glimmende bulten bezaaid, die onder den naakten voet -der Javaansche, of onder het hardlederen schoeisel der Chineesche -bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. Hier en daar was bij het -zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige plek, -soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van -zeer verdachte herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de -gezichts- èn de reukorganen uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het -binnentreden door de lage deur wilde een der Chineezen iets uitroepen; -maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij den arm en -fluisterde hem dreigend toe: - -„Diam, (stil) babah!” - -Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit, -die begrensd werd door een wand, waarin twee deuren en eene -loketopening op te merken waren. - -„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een -vertrekje, waarin een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die -loketopening roode papiertjes, overdekt met Chineesche karakters, aan -de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet zich daar tegen -kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere -hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig -is. Met dat papiertje verdwijnt hij door die deur.” - -„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op. - -„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt -mij.” - -Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren -draaide, maar krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout -gleed. Men trad nu een gang binnen, die volkomen donker zou geweest -zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door de zwakke stralen van -ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der -bamboeomwanding drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was -hier nog bedompter, de akelige geur der madat nog weeër. De vloer was -hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, dat er veel behoedzaamheid -noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den zeeperigen -modder uit te strekken. Die gang maakte het middengedeelte van het -gebouw uit, en strekte zich langs twee rijen vierkante hokjes, ieder -twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet afgedeeld was. De -onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer -anderhalven meter opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere -te zien was. Door middel van bamboedeuren hadden die hokjes met den -gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap. - -„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand -daartoe uitstak. - -„Tida bolèh, toean!” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die -de beweging bespeurde en daardoor de vraag begreep. - -„Diam loe!” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga -buiten den gang!” - -En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd -had, vervolgde hij: - -„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de -deuren en van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te -slaan. De bespieding zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n -opiumkit omgaat, meer bevorderlijk zijn dan een openlijk binnentreden. -Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste stadium der -narcotische bedwelming.” - -En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder -hokje der opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn -hoofddoek had hij afgesmeten, zoodat zijn lange haren over het -walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank aangetroffen werd, -zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden, -half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de -opiumpijp aan de vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun -pitje voorzien, flikkerde, waarbij het hoofd, eenigermate door de -linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel van de -pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook -van de verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den -steun der linkerhand varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los -liet, op den rug, waarbij het hoofd, achterover gebogen op het kussen -kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, en deed zichtbare -poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de -bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt -scheen, bleef hij rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van -genieten zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril -contrast met het overige uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat, -waarop het zetelde. Alvorens toch op de baleh-baleh plaats te nemen, -had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts met zijn sarong, een -walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt. - -De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in -den Danse Macabre kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de -kleine palita waren zijne ribben gemakkelijk te tellen, en vertoonden -die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren lieten, hoe diep de -vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne -armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine -lederhuid overtrokken zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong -niets te bespeuren; maar dat zij even dun en even vleeschloos waren als -de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder dat kleedingstuk -uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige in -verrukking zouden hebben gebracht. - -Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had, -liet hij hem in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten -ontsnappen, hetgeen een zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij -zich op zijde, en scheen in een diepen slaap gedompeld te zijn. - -Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren -hoek van het hokje neergehurkt had gezeten en door onze bespieders -onopgemerkt was gebleven, naar buiten. De ongelukkige was daar aanwezig -geweest om.... Bij haren spoed om het vertrekje te verlaten, liep zij -haast de Europeanen tegen het lijf. - -„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in -dien donkeren gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend -vertrek binnen. - -Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude -Javaan lag daar ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en -uitgeteerd was hij als de eerste, die gadegeslagen werd. Hij had meer -dan één balletje madat verrookt, en bevond zich dan ook in een anderen -zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon vuur, -zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach, -waardoor de onderkaak ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd, -en er den stempel van de onedele natuurdrift, die hem beheerschte, op -zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den hartstocht, -die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong -losgeworpen, en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken -aartsvader Noach door zijn zonen aangetroffen werd. - -Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet -hij haar toe: - -„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp -klaar!” - -Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de -baleh-baleh toe, nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam -van de palita eenigszins week worden, vermengde het daarna met wat -uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen hare vingeren een -pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje -plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne -hartstochtelijke opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen -opengerukt, en zich aan de meest onkiesche betastingen overgegeven, die -zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij zich voorover boog, om hem -de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar middel met den -eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf, -trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van -koortsachtigen hartstocht uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare -borst, met snuivende kussen. Hij.... - -„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat -ons weggaan!” - -„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is -infaam! Gebeurt zoo iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden! -Anders valt het vuur des hemels op ons!” - -Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang -getreden was, en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar -buiten en trok zijne vrienden met zich mede. - -„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits. - -„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde -August gejaagd. „Kom, voort!” - -„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, „wij zijn gekomen, -om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten kunnen -hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?” - -„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.... Zoo iets laat zich niet -vertellen. En het slachtoffer van.... was een kind.... dat zich hevig -verzette....” - -„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn. - -„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten! -Kom, Verstork, gij, als controleur....” - -Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden -dringen. - -„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,” -sprak deze hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als -ongeschikt voor Binnenlandsch Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn -chef den resident Van Gulpendam geen steun zou vinden, hoe groot de -gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken zijn. Ik ben -dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over -Gods dijk te laten loopen....” - -„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal....” - -„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om -andermaal de kit in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al -traadt gij alleen binnen, gij zoudt niet verhinderen kunnen, dat ik in -de zaak betrokken zou worden.... Ik bid u dus.... Daarenboven, daar -komt het kind reeds naar buiten....” - -En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten, -en liep de Europeanen snikkende voorbij. - -„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken -werkeloos te moeten blijven! Ik zou willen.... Maar....” wendde hij -zich tot Van Beneden, „zult gij nu nog blijven beweren, dat de opium in -uitwerking aan den jenever gelijk is?” - -August antwoordde niet, maar zijn gelaat teekende diep-gevoelde -verontwaardiging. - -„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier -niet blijven staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds....” - -„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke -tooneelen gade te slaan,” viel hem Grenits in de rede. - -„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met -een grijnslach aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.” - -„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer -onder den Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot -een der politiedienaren in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden, -dat zij naar huis moeten gaan, het is tijd om te gaan slapen.” - - - - - - - -XVI. - -HET OPIUM-MONOPOLIE.—EEN VERTROUWELIJK UURTJE. - - -De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze -Europeanen alleen onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen -wilden vijgeboom. Maar, hadden zij een poos te voren geen oogen gehad -voor de schoonheden van den keerkringsnacht, die hen omringde; thans na -dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het gesprek liep -natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene. - -„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak -Grashuis, die als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke -gesteldheid te overzien, „dus ook vier en twintig van die hokken. Als -allen... Het is jammer, dat wij ons hebben laten afschrikken, en ons -onderzoek niet hebben doorgezet.” - -„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die -hokken waren onbezet, en de tafereelen die gij onder het oog bij verder -onderzoek zoudt gekregen hebben, zouden slechts in verscheidenheid van -beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik herhaal het, het is beter -zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh ongeveer 80 -huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130 -werkbare mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van -de vier en twintig uren, die het etmaal vormen, geopend is, en wij -bovendien bij het binnentreden der schamele hutten, nog menigen -opiumschuiver zouden aantreffen dan kunt gij u een denkbeeld vormen van -de uitgestrektheid van het opiumverbruik.” - -„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg -Grashuis die van cijfers hield. - -„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n -rekening niets anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers -der statistische tabellen in l’art de grouper les chiffres.” - -„En... wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo -iets voor niets terugdeinzen!” - -„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge -zoudt dien eens vuur zien vatten.” - -„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik -durven beweren, dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van -opium-verbruik zijn...” - -„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde, -nog al met statistische cijfers solde. - -„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van -den loerah moest overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal -ongeschikt was geworden, en ik er op stond dat een opiumvrije gekozen -werd.” - -„Is dat gelukt?” vroeg Grenits. - -„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito, -den armen drommel, die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen. -De omstandigheid, dat hij niet lezen of schrijven kon, heeft mij -weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek is mij gebleken, dat -ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium -gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben [101] om zoo het -noodlottige narcoticum machtig te worden. [102] - -„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van -Beneden. - -„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele -residentiën gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf -beweren, dat de toestanden op opiumgebied daar aan die in de residentie -Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s als Kaligaweh zijn er bij -honderden te tellen.” - -„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits. - -„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork. - -„En werkt die maatregel daar goed?” - -„Uitstekend.” - -„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den -maatregel op geheel Java in te voeren?” vroeg Grashuis. - -„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef -als proef veel te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent -reeds van 1824 [103]; dan ook werd die maatregel niet genomen om het -opiumverbruik tegen te gaan, maar wel, omdat men vreesde, dat de -bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven te kunnen -overgeven. [104] - -„Nog al leuk,” meende Van Rheijn. - -„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de -bevolking demoraliseert?” stoof Grashuis op. - -„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, „wanneer gij die -bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de -oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd -en door Van Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met het -alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het -is oneindig afschuwelijker, dat is mijne meening!” - -„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van -het opiumschuiven te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene -veel grootere daad van menschenmin gerekend worden, dan elke poging der -afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking tot den sterken -drank. Maar....” - -„Maar wat?” - -„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op -het Nederlandsche budget gedaan.” - -„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den -Haag erg doof,” grinnikte Grenits. - -„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de -millioentjes, die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.” - -„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij -zeggen van den dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de -bewering, dat hij het tientje hetwelk hij stal, noodig had om naar de -bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, dat hij zijn oom -vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest, -om.... zijne maitresse te onderhouden?” - -„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!” - -„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork. -„Zoolang Nederland zich eene weelderige administratie als de hare -veroorlooft en den opiumhandel, zooals hij bestaat, handhaaft, verdient -het geen ander beeld dan dat van den man, die een tientje wegkaapt om -naar den biertempel te gaan.” - -„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne -duiten machtig te worden. Dat beeld is juister,” voegde Grenits er aan -toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië steeds als -eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te -buiten gaat.” - -„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van -Beneden als om te protesteeren. - -„Overdrijf ik? Zeg?.... Gaat men niet alle palen en perken te buiten -met de belastingen, die men op de schouders van nijveren en handelaren -gelegd heeft?” - -„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden. - -„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!... Gaat -men niet alle palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds -zoo zwaar zijn, te verscherpen?” - -„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork. - -„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht, -het Indische leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort. - -„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel. - -„Met vrede te Atjeh te decreteeren, [105] die nog in de verste verte -niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden gladweg -het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.” - -„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?” - -„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der -Billiton-maatschappij den buit te laten behouden, die, als gij de -debatten daarover gelezen hebt, in de Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s -lands kas behoorden te vloeien?” - -„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn. - -„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de -beschuldiging schragen, die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie -van Regeering, van Vertegenwoordiging, van kieskollegiën, van kiezers, -van de geheele natie ten top gestegen is.” - -„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel, -die uit het water komt. - -„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het -opiumverbruik....” - -„Opzweepen!... Dat gaat te ver!.... Die beschuldiging is onbillijk!...” -viel Van Beneden in. - -„Zoo! Dunkt u dat?... Welnu, neem Baud’s Proeve ter hand. Daarin zult -gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op uit geweest -is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid -dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie -millioen, in 1842 bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880 -bijna dertien millioen had opgebracht, werd voor 1885 op bijna -negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die raming -zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan. [106] -Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland -geteemd en geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat -men de bestuurders volkomen de handen vrij, om volgens de geijkte -uitdrukking: er uit te halen, wat er uit te halen is.” - -„Maar,.... vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene -belasting zoo productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn. - -„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het -opium-monopolie. Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt -het verbruik aangemoedigd, worden de inlanders naar de kit gedreven -door alle middelen, door de minst geoorloofde het liefste! Leest de -Indische dagbladen maar geregeld, [107] dan zult ge voldoende gesticht -worden over den gruwelijken last, die de Chineesche kithouders den -niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur -zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot -inkeer gekomen, hun verbruik verminderen.” - -„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in. - -„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits -onverstoorbaar voort, „om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit -artikel te stellen onder het bereik van het geringst aantal personen; -zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling moet worden -veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de -rijzing van den pachtschat te verkrijgen. [108] Nu, kort geleden, is -zij door een Minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel -verheven [109]. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn, -dan moet het oordeel klinken; onze Regeering en onze Vertegenwoordiging -zijn overtuigd van het diep rampzalige van het opium-verbruik bij hun -Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen van de gelden, -welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden.” - -„Tu, tu, tu.... Vergiftiging!.... Wat voor woord!...” viel Van Beneden -in. - -„Vergiftiging, ja.... Wanneer bij een apotheker in Nederland opium -buiten zijne vergiftkas bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer -hij opium aflevert zonder recept van een geneesheer, dan wordt hij -beboet, [110] nietwaar, vriend Van Nerekool?” - -Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan, -en knikte ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te -betwijfelen. Grenits echter, met dat toestemmend hoofdknikken tevreden, -ging voort. - -„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle te koop, ja -wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de -Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder -het medeweten, onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!” - -„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn -meesmuilend. „Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van -ontevredenheid overgoten als de overige handelaren en industriëelen -hier in Indië.” - -„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden -van het meerendeel hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair -verbonden aan hen, waar het de dierbaarste belangen van handel en -nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik met -hetzelfde sop overgoten ben.” - -„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis met leuke -stem. - -„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet -alleen gevild, maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken -voorzeker de hand naar de wapens zou doen uitstrekken. De Nederlanders -hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de Belgen bij den hunnen -tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen -tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!” - -„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen. - -„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de Xde penning, die onze -voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. En -welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als persiflage zou -kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht -te bezitten. Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is -daarvan slechts een akelig masker; vooral wanneer het geldt fiscalische -onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend dier op zijne -prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft; -vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in -den Staat!” - -„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit. - -„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar -neemt het gruwelijke boek: Macht tegen Recht ter hand, dat boek -afkomstig van een lid van het Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór -dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat hof was, schier een half -menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van Justitie, -enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij -daarna nog dat ik overdrijf!” - -„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts -één doel stelt, de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur -in het harnas te jagen.” - -„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die -in mijn oog den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den -toestand onbewimpeld onthuld te hebben. Dat is in den regel de -dankbaarheid van ons Nederlanders!” - -„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,” -riep Van Rheijn smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op -de molen!” - -„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid -gegeven, vriend Van Rheijn.” - -„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten -zal zijn.” - -„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche -pers gebruikt, toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden -met wettige middelen tegen de daden van willekeur en tegen de -afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme oproerlingen!...” -ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme -oproerlingen!... laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij -God! bij een anderen staat van zaken zou men daar wel met de handen in -het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen klaar te komen! Dat -zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa -saamgewield is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren; -want de Hollandsche heldenaard gaf in onze steden den weinigen, die -daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie refrein in den mond: - - - „Ik ben mijn leven moe! - Ik ga naar Atjeh toe!” - - -„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden. - -„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij -ondoordachte „tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel -gegist kan worden; want men heeft er hier het bewijs door verkregen, -dat men in den wettelijken kamp van recht en billijkheid tegenover -gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten -heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond, -dat wanneer een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den -takt paarde, om de onderling verdeelde ontevredenen om zich te scharen, -een man, die van de radeloosheid daar ginds gebruik zou weten te maken, -het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.” - -„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel -weten te doen!” - -„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft -de Regeering het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij -op de meest hondsche wijze tegenover dat leger haren plicht verzaakt -heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat het officierskorps, in -weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen. [111] -Maar.... kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men -herwaarts bracht, en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak, -met wapens en munitie overloopen, en dan bij geheele kompagniën zouden -overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook verwachten van de -Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste -streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld -werden? Zeg, zou dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u -niet....” - -„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk. - -„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den -vinger op den wonde leg?” - -„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het -tijd is om de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het -bloed warm, en.... Daarenboven, het is bijna middernacht. Wij moeten -gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg dag, en dan wacht ons -eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, dien wij -heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij -wel bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!” - -Allen stonden op, behalve Van Nerekool. - -„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei -Grashuis. „Drommels, morgen avond zou de resident het—wie weet hoe -verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. En dan, vriend Grenits, zoudt gij -een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie weet of ze je niet naar -Atapoepoe of de Tomini-baai [112] verbanden; wellicht zetten ze je wel -heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den advocaat Winckel.” [113] - -Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders. - -„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen -hij dien nog buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de -anderen den passangrahan reeds waren binnengetreden. - -De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en -keek zijn vriend met een verbijsterd oog aan. - -„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de -hand op den schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij -waart den geheelen dag zoo stil, zoo afgetrokken.” - -„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo -ongelukkig!” - -„Ongelukkig?... Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed -drukt slechts ten halve.” - -„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt -kunnen torschen? Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van -verleden Zaterdag te Santjoemeh?” - -„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te -geven, waarom ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor -Juffrouw Anna van Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?” - -„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht -dagen is veel gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van -Gulpendam mij niet genegen was?” - -Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op -mededeeling van het gebeurde aan. - -„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij -weet het: uw hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart. -Komaan, vooruit!” - -„Maar, gij wildet gaan slapen?... En... dan, morgen die jacht?...” - -„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements -koffietuinen overkomen, dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten -doorbracht; terwijl mij toch den volgenden morgen een inspanningsvolle -dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een vriend over, -dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.” - -Karel van Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan -mededeelzaamheid, hij had behoefte zijn hart in dat eens vriends uit te -storten. - -En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man -aan zijne aangebedene bij gelegenheid van de dansreceptie ten -residentiehuize. Met de levendigste kleuren schilderde hij het -betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende den -zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij -de betuiging der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider -lippen daar in den tuin elkander voor het eerst zochten en vonden. - - - „Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit, - Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat” [114] - - -mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had, -het tweeregelig vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met -een glimlach. Maar, toen hij zijn vriend weemoedig het hoofd zag -schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart gewond was. - -Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken, -daar in den residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht, -volgde dat der ontnuchtering. Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam -het tête à tête verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij -daarop met de schoone Laurentia gehad had. Een bittere glimlach zweefde -om den mond van den controleur, toen hij vernam, welke -verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had. - -„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?” - -„O, neen,” antwoordde Van Nerekool. - -„Welnu, ga voort.” - -„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar -het residentiehuis, om de hand van het lieve meisje aan haren vader te -vragen. Het kostte mij veel moeite om gehoor te krijgen, en het was -niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, dat ik in de -tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd. - -„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij -het kantoor, waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje -gauw van stapel, ik ben gehaast.” - -„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met -juffrouw Anna, en...” - -„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het, -ik heb geen tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets -vernomen. Ik kan het niet kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar, -met een jong meisje een geheim oppertje te zoeken. Recht door zee! is -mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle zeilen op zijn -doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.” - -„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij -verrast hebben. Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de -hand uwer dochter te doen. Van geheimzinnigheid kan dus geen sprake -zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer Van Gulpendam, geene -andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, en u te -verzoeken haar mij als gade te geven.” - -„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt -gij wel gissen, wat ik in het logboek zal invullen? Niet?” - -„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik, -verbaasd over die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen. -Ik heb de eer u om de hand van uwe dochter te verzoeken.” - -„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij -ietwat geraakt. Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen -enkele scheepsterm meer over zijn lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken, -scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij gissen kunt, welke -beslissing ik zal nemen?” - -„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin -juffrouw Anna onuitsprekelijk!” - -„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd -worden. Is uwe liefde u ernst?” - -„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk. - -„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek -met mijne echtgenoote gehad?” vroeg hij mij. - -„„Ja, resident,” was mijn antwoord. - -„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?” -was zijne tweede vraag. - -„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat -hij en zijne vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?” - -„Waarom niet?” vroeg Verstork. - -„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds -evenwel, dat hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner -echtgenoote niets te maken had.” - -De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur overtoog, ging -onder de dichte schaduw van den Wariengienboom voor Karel verloren. - -„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne -gemoedsstemming onmogelijk kon verraden. - -„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw -gedaan.” - -„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij -verder. - -„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd. - -„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij -verder. „En, dat gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat -gij nog eenmaal een practisch mensch in onze maatschappij zult worden.” - -„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik -deed, en waarvan mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik -den grond, als het ware, onder mij wegzinken. - -„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw -mij voorgesteld heeft?” - -„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en -met ietwat spottende stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de -opvolger te worden van den tegenwoordigen voorzitter van den landraad -te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd tijdstip -tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand -niet geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij -ziet, dat ik op de hoogte der gedane toezeggingen ben, en als gij u -daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen de daad van een inderdaad -practisch man zou zijn, weest dan gerust....” - -„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele -roerselen gingen toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig -in de rede: - -„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident, -ook was het niet, om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de -vraag deed, of gij wist wat mevrouw mij voorgesteld heeft!” - -„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde -hij koel. „Wat bedoeldet gij dan wel met die vraag?” - -„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat mevrouw Van -Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?” - -„„Och, kom?” zei hij spottend. - -„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te -brengen, om een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging -ik voort. - -„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig. - -„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs -uitzicht op de hand uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs -van een menschenleven eer en bevordering werd aangeboden?” - -„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten -toorn. „Ik verbied u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te -uiten! Wat? Gij komt hier om de hand mijner dochter te vragen en gij -hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van het meisje, dat gij -zegt lief te hebben!” - -„„Hoon en laster!” riep ik uit. - -„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat -is wellicht te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van -een misverstand,” en met koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert -mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. Het komt mij evenwel zeer -onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om over die -aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er -is bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan -een huwelijk te denken.” - -„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik -zijn hand greep. - -„Hij keek mij met een verbaasden blik aan. - -„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij -ontwijkend. „Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten, -alvorens aan een verbintenis voor haar leven te denken. En die dan -leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen...” - -„Hier haperde hij. - -„„Intusschen?...” vroeg ik schier ademloos. - -„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe -bezoeken op het residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf -meisje niet in opspraak willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet -anders dan bij officiëele receptie’s ten mijnent te zien!” - -„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.” - -Verstork keek zijn vriend met deelneming aan. - -„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei -hij. „Herinner u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen -opnam.” - -„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom....” - -„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam -kunnen peilen, in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen, -wanneer uw aanzoek ingewilligd ware geworden.” - -„Maar Willem, Anna is....” - -„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan -aangetroffen worden. Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst -bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke bloem in zoo’n midden heeft -kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.... laat dat meisje -zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou -het toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan -hare ouders, die de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens -genoemd moeten worden, die in een fatsoenlijken kring plaats kunnen -nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene omgeving rampzalig -gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.” - -Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij -zat daar met het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog -als verdwaald hoog daarboven de openingen aanstaarde, die in de -bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren waren, en waardoor de -maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet schijnen. - -Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak -hij: - -„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de -hoogte gebracht van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid -in den slaap zoeken. Gij hebt heden een voor u ongewonen en dus -vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom zijn. Morgen -wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken er op, dat ook die -heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van morgen -bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!” - -Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op -en volgde zijn vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds -in diepe rust vonden en zich dan ook naast hen op de baleh-baleh -uitstrekten. - - - - - - - -XVII. - -IN DEN DJOERANG PRINGAPOES. - - -„Toeaan!... Toeaaan!... Toeaaaan!” - -Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze -vrienden te snurken lagen. - -Och, de slaap had zich ook over Karel van Nerekool erbarmd. Het had wel -lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij zich op de -baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen -zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August van -Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een -enkele maal een toornige uitroep ontlokt was van: - -„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te -worden!” - -Of wel van: - -„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën, -buitengewoon onrustig van nacht!” - -„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!” - -„Of een boos geweten!” - -„Of een blauwe scheen!” - -Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts -voor korten tijd. - -„Toeaaan!... Toeaaaan!”... - -Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s -bediende, die zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken, -en die thans op zijne beurt zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den -voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren Javaan in dergelijke -omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken -uiterst nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap -ontijdig opgewekt worden. Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst -op een betamelijken afstand; want eene oorvijg van den slaapdronken -toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder vlug met de -gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de -Inlandsche bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar... in zoo’n -verbijsterden toestand is een klap gauw opgeloopen, en het was maar -beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht de gedienstige geest. - -„Toeaaan!... Toeaaaan!...” liet zich andermaal het gedempte maar -langgerekte geroep vernemen. - -Maar Verstork hoorde niet. - -„Toeaaan!... Kandjeng toeaaaan!”... - -Geen woord. - -De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde -hij evenwel thans nog meer gedempt en gerekt: - -„Toeaaan!... Toeaaaan!”... - -Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate -onrustig. - -Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op, -die zijn heer toedekte. Bij de vierbekkige palita, [115] die met een -kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij -genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot -had, begon hij diens grooten teen te kriewelen. - -„Toeaaan!... Toeaaaan!...” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer -zacht, alsof hij door de deemoedigheid van zijn stem vergeving verzocht -voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking van den teen van den -Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog -verschrikt overeind. - -„Siapa itoe?” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met -een angst, alsof hij eene slang gevoeld had. - -En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt -er toe, om zich, vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te -vergissen. - -„Siapa itoe?” riep hij andermaal. - -„Saja, Kandjeng toean!” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst -verwijderden hoek van den passangrahan, vlak bij de deur. - -De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het -bereik van den blanken man gesteld. - -„Maoe apa?” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid -woedend. - -„Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.” (het -is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op). - -„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne -nachtrust wel wat kort vond. - -Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende -verbijstering zou gegeven hebben; maar August van Beneden, die naast -hem sliep, was door dat toeaaan! toeaaaan! van den bediende ook gewekt -geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, zooals de resident -Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben. - -„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen -van de baleh-baleh afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof -het door eene aardbeving heen en weer bewogen werd. - -„Wat is er?.... Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld. - -De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed. - -„Wat is er?... Wat is er?” - -„Wat er is?... Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren. -Het dèsavolk staat reeds gereed voor de jacht!” - -De jacht!... Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat -men uitgetogen was. - -In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen, -gekamd, geschuierd.... zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de -binnenlanden van Java plaats kan hebben, wanneer Europeanen in eene -passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één waschtoestel aanwezig -en daarvan was de kom niet meer dan een scherf. Hoe zich de jagers -behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren er die de methode -van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen -Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden, -door een flinken teug water in den mond te nemen, dat in de -saamgehouden handen te spuiten, en zich daarmeê het aangezicht te -verfrisschen. - -Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door -Diogenes van Sinope, den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n -afkeer van omslag had. - -Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die -verstrooiing voor zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken. - -Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke -bevolking op de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner -zich tegen de morgenlucht met zijn sarong trachtte te dekken, door dat -kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders heen te trekken. Allen -hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken rechtop -hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet -ongelijk aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige -gedeelten van het vaderland, voorheen de vreedzame bewoners den slaap -uit de oogen dreven, onder voorwendsel over hunne rust te waken. De -maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien de lezers -wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die -evenwel, zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen -hadden, en aan Darwin’s stelling eigenaardig veel kracht bijzett’en. - -„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd. - -„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen. - -„Zijn zij reeds afgedeeld?” - -„Engèh, Kandjeng toean!” - -„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa -omtrekken. Het tweede gedeelte moet zich langs den westkant over den -nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, terwijl het derde gedeelte -het ravijn intrekt.” - -„Engèh, Kandjeng toean!... tapeh...” (maar) - -„Tapeh wat?” vroeg de controleur de aarzeling van het dèsahoofd -opmerkende. - -„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang -ontsnappen?” - -„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit -dien kant en ook nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken? -Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. Wij gaan dadelijk te paard -stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, waar alle -varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten -komen. Luister nu goed, loerah.” - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben, -zullen wij een schot lossen.” - -„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?” - -„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah. Weet ge wat? Wij zullen nu -afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken, -evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de -djagoengvelden omgeven hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel, -dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs vrij blijft.” - -„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den -eerbiedvollen loerah. - -Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de -ruiters den weg naar Banjoe Pahit insloegen. - -Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen -onder die omstandigheden te eerder geboden werd, daar de weg -aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet zeer breed was; -zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding -kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te -ontwikkelen, eerst schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel, -dat bij den horizon waargenomen werd. Die streep werd langzamerhand -breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna purper, eindelijk vurig -op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, die in het -zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken. - -De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan -Kaligaweh, dat eigenlijk tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men -er op los; terwijl de dagende streep al breeder en breeder werd, en de -ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden opmerken, die door -het rijzende licht veroorzaakt werden. Naarmate de dag vorderde, kon -men de paarden den teugel meer vieren, die dan ook weldra in stevigen -draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk zij -bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden. - -Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar -stegen zij van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers -van Banjoe Pahit, die men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook -Mokesuep aangesloten had, overgenomen en naar huis geleid werden. Het -was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er nog donkerblauw -uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van den -dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken -en boomen, die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten, -kweelden en floten eene menigte vogels, die zoo hun lofgezang den -Schepper brachten. De bladeren, de takken, de twijgen, de bloemen, de -grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes overdekt, die -in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen -uitzien. - -Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het -nog prachtiger van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen -plotseling heel in de verte een vreeselijk leven ontwaard werd. - -„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de -controleur. - -En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken -bamboe geklopt, werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in -de natuur, die trouwens in dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk -was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst heel verwijderd zich liet -hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat zelfs Van -Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde, -en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het -gezelschap, die hun wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te -schieten. - -„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders -gebeuren er nog ongelukken met die vuurwapenen.” - -„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis. - -„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden. - -„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de -controleur. - -Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil -voetpad, dat te midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden -slingerde, terwijl vlak naast dat pad, de beek Banjoe Pahit hare -afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding begon, om van -trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te -vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op -den bodem liet ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of -een stortvloed te vormen, om elders tusschen rotsblokken en onder -struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar ginds klaterend en -vroolijk weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten. - -Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare -schilderachtigheid het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de -helling afgedaald was, weken de rotswanden, die tot nu den ingang nauw -omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, trechtervormig achteruit, -terwijl zij statig en fier omhoog rezen. - -Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren -de sporen zichtbaar, dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was. -De dooreen geworpen rotsblokken, de akelig verwrongen boomstammen, wier -bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras en verdroogde takken -torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden -genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot, -en de krachten van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe -Pahit hier in woeste golven, in driftige stroomen en tegenstroomingen, -in vreeselijke kolken hotste, klotste en woelde, huilde en loeide, en -dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn te bevinden. - -Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het -spektakel der drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer -verwijderd mocht heeten. Geen enkel opgejaagd stuk wild had zich nog -vertoond. - -„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August van Beneden, „ik dacht, dat wij -dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen ons de tjellengs, -als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?” - -„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal -schier loodrechte wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op -kunnen. Slechts op een paar plaatsen zijn die wanden minder steil en -derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe Pahit en van -Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten -behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de -benedenzijde drijven de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de -varkens naar het ravijn toe, die er te eerder een toevlucht in zoeken -zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats is.” - -„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel -plaats om kiekeboe te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij -hier tot den dag des oordeels staan wachten.” - -„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach, -„wanneer de drijfjagers met hunne ratels het ravijn niet van den -benedenkant binnendrongen, om het wild naar ons toe te jagen. Dat zult -ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel maken! Het -is of zij bezeten zijn!” - -En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en -flegmatiek in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig -wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, hij fluit, hij sist, hij kraait, roept -en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, wat hij in de hand -heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, op -steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij -zou op den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette. -En dat alles, om het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor -het wild, dat zoo heel mak niet is, vrees aan te jagen, en den kant uit -te drijven, werwaarts men wenscht, dat het vlucht. - -„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen -wij aan den Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh, -zich in de Banjoe Pahit stort, en waar die te zamen door een vernauwing -van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde gedeelte, dat slechts -een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en door -loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om -het bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.” - -„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het -schijnt hier wel een voorspel van de verwoesting van het heelal.” - -En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande, -torenden steil hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok -in de helling was blijven liggen, waarop wat teelaarde neergekomen was, -en zoo een groen eilandje in die steenenmassa schiep. De rotsblokken, -die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig te -noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden -kerbo, en de Oering aring [116] en slingerplanten als de Oeweh lilin -[117] met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke -knoestige stammen van den Djatie doerie [118] en van den Siwallan [119] -staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden, -door dat zij tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de -bergstroom bij bandjir er tegen en tusschen door gesleurd had, de -moeielijkheden van dat terrein. - -„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal -hier met Van Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post -vatten. Gaat gij, Leendert met August, boven op die rots, die daar -rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, daar op die -afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt -gij den ingang met uw vuur bestrijken, en... zijt gij inderdaad zulke -goede schutters, als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele -tjelleng den dood ontkomen. Maar, haast u; want hoort het spektakel -eens naderen.” - -En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en meer duidelijk. -Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk -naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren. - -Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker -aangewezen was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige -aanmerking over die samenkoppeling met dien hem niet sympathieken -persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers zich naar de -hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het -wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog, -gekozen waren. De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren, -zoodat geen gevaar bestond, dat zij ongelukken konden aanrichten; -terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé voor allen zichtbaar was, -en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een aanval der -dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren. - -Maar... men tuurde, tuurde... en, hoewel de zool van dien uitgang -slechts met eenige dwergachtige struiken, te klein om een varken te -kunnen maskeeren, en met nog korter gras bedekt was, werd van het wild -niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden vrij lang voor de -ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders bij -zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan -een standbeeld gelijk. - -„Ik zie niets komen!” riep August van Beneden den controleur toe, -waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond had gebracht. -„Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben -gemaakt, en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.” - -„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien -het lange wachten nog onaangenamer viel dan de anderen. - -Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die -naast hem met het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets -mogelijk was? - -„Bolèh..., tapeh... brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan... -maar... misschien is het zoo niet geschied.) was het bedachtzame -antwoord van het districtshoofd. - -Men wachtte... wachtte... Het geraas der drijfjagers naderde al meer en -meer, en werd duidelijker en duidelijker. Als dat nog zoo eenige -minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar blijken, dat het ravijn leeg -was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot bij de -kloof genaderd zijn. - -Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers -elkander toeriepen, maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van -geene onwelwillendheid getuigden. Alleen Mokesuep, zijne geaardheid -getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige stem uit te -roepen. - -„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten -zullen, controleur!” - -„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet -jij altijd hatelijkheden debiteeren?” - -„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te -vervelen.... Men inviteert de menschen niet op eene varkensjacht, als -er geene varkens zijn.” - -„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan -Verstork het helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?” - -„Het zou....” - -Pang!... pang!... pang! barstte het geweervuur los, en brak de -hatelijkheden van den fiscalen ambtenaar af. Het waren Verstork, Van -Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang der kloof geposteerd -waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien naderen, -hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden. -Voor de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het -geratel en het gegil der drijvers verdubbelde als het ware bij het -vernemen der schoten, en overstemde ieder ander geluid. Zonder dat had -men het geknor en het gegrom der aankomende bende moeten hooren, en zou -daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de uitkomst -der jacht gemaakt zijn. - -Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste -tjellengs, drie mannetjes, waarvan een kolossaal groote, getroffen en -neergestort. Dat deed de geheele aanstormende bende feitelijk -stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk schreeuwden, spartelden -en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, den -nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. Dat was slechts eene korte -verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend spectakel al -meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven de -voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der -gevallenen voorwaarts. Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven -en de geweren weer „vaardig” had, èn de rechts en links geplaatste -schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog te krijgen, -heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin -schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van -verwarring, dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver -of deden nog eenige passen, om elders neer te storten. - -De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij -baan te maken. Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen, -en waren niet het minst verbitterd tegen de gevallenen, die den weg -versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de verwoedheid hunner -geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend -de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds -de voorsten en maakte den slagboom in de nauwe engte nog -onoverkomelijker. - -Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de -achter-opdringende tjellengs de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die -onder de wisse schoten der uitmuntende vuurwapenen in niet onervaren -handen noodlottig getroffen werden. - -„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van -Nerekool aan Verstork. - -„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de -instructies houden, die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets -verder een elleboog, zoodat alle onze projectielen, die niet raken of -door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, in den rotswand een -ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.... de drijvers hebben -volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt. -Die zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij -te komen, en zoo aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen -te worden, bloot te staan.” - -Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was het vuur -onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde -de grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te -geraken, steeds velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de -verwarring ten toppunt gevoerd. Eindelijk, na een poos in de grootste -radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij het geweervuur nieuwe -offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer waren, -en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling -zwijgen der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn -weer in, waaruit zij getracht hadden te ontvluchten. - - - - - - - -XVIII. - -DE ONSCHULD TEN VAL. - - -„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!” - -Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch -gevreesd, dat de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een -gevecht met de sabelbajonet niet onmogelijk geweest. Angstig had hij -toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen tegen den steilen -rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen -hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels -waren zelfs over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen; -maar hadden gelukkig niemand der daarachter opgestelde Javanen gedeerd. -Het eigenaardig fluiten der projectielen uit zijne buks had dezen -evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat te vroeg de -drijfjacht en hun spektakel gestaakt hadden. - -„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in -de wieg gelegd werdt om een Nimrod te worden.” - -„Het is beter zoo...” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van -angst waren. - -„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom, -vooruit! Zij vluchten, wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons -ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!” - -Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien -afloop. Op den kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het -geweer in de hand de kloof in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam -achter. Wel poogde de wedono hem meê te troonen met het aanmoedigend: -„lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte een afwijzend -gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog -verloren had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den -schouder, en sloeg het pad naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde: - -„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd! -Neen, ik wil zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok -van Verstork kan krijgen. Een aardig bekje!... dat vrouwtje!... Een -slimmert, die controleur!... Als ik hem eens onder zijn duiven kon -schieten!...” - -Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den -boveningang van den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim -vergezicht over de terrasgewijs oploopende sawahvelden, die met hunne -bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels in de zon glinsterden. Het -was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom zich, maar -niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen -weinig gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst -over de eenzaamheid, waarin hij zich na al het spektakel van straks -bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw en gegil in de verte, -waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde zich al -meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke -stilte, die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd -gevoel van verlangen, om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van -angst, dat hij Inlanders ontmoeten kon. Hij had toch zooveel van -„ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden van sommige -streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het -geweer gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe -was hij van te lafhartigen aard. - -Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij -den voetrand eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was, -maar zich nog bij het bergstelsel, dat den Djoerang Pringapoes vormde, -aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, die in de struiken -der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, en, in -welker nabijheid een paar buffels langs het pad liepen te grazen. Hij -zag nog verder rondom zich, en ziet, daar... op het pad, hetwelk uit -het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden -slingerde, zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te -begeven. Hij keek scherp uit. Het was een vrouwelijk wezen, dat was -buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover eene vrouw, en dan nog -wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij zou haar -inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan -zoo gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan. - -De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s, -waarboven hare omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten -afspiegelden. - -„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos -uitgekeken te hebben. „Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene -zeer aangename wandeling zijn.” - -Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want -dat was het,—een zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de -sawah-terrassen afdaalde en naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde -hem teleur, en hij was op het punt om het lieve kind toe te roepen, -toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje wenkte. - -„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat -komt die hier doen?” - -Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg -stonden. - -Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te -voren Kaligaweh hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen -hut te begeven. Nogmaals wenkte deze, en riep, toen dat gebaar -onopgemerkt bleef: - -„Dalima!” - -Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve -kleine baboe van de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik -stil, hoewel hare wezenstrekken onverholen angst uitdrukten, bij het -ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend was. Maar dat -stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij -met rappen voet voortmaken. - -„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?” - -„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd. - -„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe. - -„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl -zij voortijlde. - -„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.” - -„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom -heb ik zoo’n haast.” - -„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.” - -Het meisje stond eensklaps stil. - -„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?” - -„Neen... veel erger.” - -„Bij Allah! wat is er dan?” - -„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet -uitschreeuwen kan.” - -Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen -zat, rakelings voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, -droeg een gebloemde sarong om het middel, was verder met een baadje van -licht rooskleurig katoen getooid, terwijl over haren schouder een -ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, aan een -der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” -(haarwrong) droeg zij een dubbelde melati-bloem, [120] die daar te -midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat -vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, -hoewel niet koud, toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het -zachte brons harer wangen paarde. - -Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den -verscholen fiscalen ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen -wel eenig gevoel voor het schoone; hoewel dat dan meestal booze -neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige ontwerpen -aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen -met Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de -tegenwoordigheid van Singomengolo voldoende, om hem te noodzaken zich -schuil te houden. - -Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal: - -„Wat is er dan?” - -„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen, -waarom uw vader gevangen is genomen.” - -Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich, -dat het uit wanhoop was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld -mededeelde. Maar eensklaps draaide het Javaansche meisje zich om, en -wilde heenvluchten. - -Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van -hartstocht glinsterende oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij -keerde om en ijlde heen; maar nog had zij geen tien passen afgelegd, of -Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar ingehaald. Hij greep -haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. Het -meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte -naar haren belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen -omkneld hielden. In één woord, zij stelde zich te weer als eene wilde -kat, en was vast besloten, zich tot het uiterste te verdedigen. -Inmiddels had zij hoop, dat haar hulpgeschreeuw gehoord zou worden. Zij -had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare kruiste. - -Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie -weet, waartoe hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel -van meêwarigheid of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op... Ja, -waarop? In het brein van zulke wezens ontkiemen de onedelste gedachten, -even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen bodem. Maar,... ook -hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim Ho -ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te -houden, om van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken. -Lim Ho’s vader was toch onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen -zoon gold, op geen papiertje van duizend gulden zien. Arme Dalima! -Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk haar: -„toeloeng! toeloeng!” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling, -die haar helpen kon, hield zich schuil, zag de worsteling met een -cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer vormen, die -bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met -welgevallen gedetailleerd werden. - -Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en Singomengolo er -aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te -hulp. Deze kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en -zoo verder dragen. Toen hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in -het oor kreeg, werd de ellendeling woedend; hij greep haren kondeh, die -reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt was, en zich nu geheel -ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte nu, -terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje -binnen de hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „toeloeng!.... -toeloeng, toean!” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de -verte klonken geweerschoten, evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje -die ook in de hitte van den strijd vernomen, zij wel begrijpen moest, -hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat de hulp, -wanneer die opdaagde, te laat zou komen. - - - -Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek? - -De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in -de dèsa Kaligaweh uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut -begeven, en den bewoner daarvan naar Santjoemeh gezonden had. Deze -laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij moest eerst een -briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het -residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader -plotseling bedenkelijk ziek was geworden, en hij haar nog voor het -laatst wenschte te zien. De boodschapper, een slimme kerel, steeg op -een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, die met hunne -stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen. -Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah -Lim Yang Bing stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar -ondervond hij geen oponthoud. Lim Ho lag behagelijk op eene weelderige -rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche pijpenroer in den mond, -met een kommetje „tjoe” [121] op een knaapje bij zich, en luisterde met -een soort verrukking naar een paar zijner bedienden, zonen van het -Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen op een -stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en -aan dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet -alleen een Vieuxtemps of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de -buurt, die anders op het gebied van muzikalisch gevoel niet zeer -kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven hebben. -Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, -greep het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die -een ervaren telegraaf-correspondent alle eer zouden aangedaan hebben: - -„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier -zijn om zeven uur in den ochtend). - -De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den -boodschapper welk weer het was. - -„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord. - -Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de -aanbeveling zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te -komen berichten. Daarna deed hij zijn paard zadelen en wachtte. - -In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk -zich van zijnen last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne -gade met nog ettelijke gasten rondom de speeltafeltjes; maar de dochter -des huizes, de lieve Anna, was reeds naar haar slaapvertrek gegaan, en -had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. De -boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der -bedienden, dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken. - -Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was. -Zij vloog de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer -meesteres, die gelukkig nog niet te bed was. - -„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen -Anna de deur opengemaakt had. - -„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje, -die de ontsteltenis van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren. - -De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh was aangekomen, en -haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht zijne -oudste dochter nogmaals te zien. - -„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan! - -„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?” - -En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond, -vervolgde zij. - -„Bijna middernacht!... Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo -ver durven gaan?” - -„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad -inslaan. Daarop ontmoet ik geen mensch.” - -„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een -tijger of een tjelleng tegenkomen.” - -„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van -gehoord hebben. En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien -niet aanvalt, gaat hij voor een mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij -verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.” - -„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?” - -„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama -vragen.” - -„Zij doet het toch niet.” - -„Waarom niet?” - -„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk -zal overkomen. Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?” - -„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat -geeft mij moed. Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol -„pontianaks,” (spoken) al ware er achter iederen boom een. En toch ben -ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, ik smeek u, -vraag uwe mama!” - -„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.” - -Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt -had, en waarop zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze -gekruiste beenen plaats genomen had, en stak de reeds ontbloote voetjes -in de snoeperige slofjes, die achteloos ter neer geworpen waren. Het -lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: zij trok -snel een rijk gefestonneerden peignoir aan, bond zich met vlugge en -bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar in een dikken wrong -tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de spelers -nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het -lieve kind willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek -in; maar beval, dat baboe Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou -verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden dag zou moeten -afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op de -hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging. -Zij vond het zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij -zooveel van hare ouders hield. Een honigzoete glimlach teekende zich op -haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, en niemand, en wel het -allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken afgrond -die woorden en glimlach verborgen. - -Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in -de goedheid haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer -nachtrust, om de baboe bij haar naaiwerk te helpen. Met het stellen van -dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, dat Dalima niet in het -holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de -noodlottige hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was -het de baboe mogelijk om zoo omstreeks drie uren den tocht te -aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige meesteres gewisseld te -hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, en -verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij -bevond zich toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door -de sawahs naar Kaligaweh voerde. De maan stond helder aan den hemel. -Moedig en vastberaden stapte zij voort, en had weldra Santjoemeh uit -het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig gevaar haar -brein kwelde, of haar hart verontrustte. - -Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de -lieve baboe de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar -vader zou verkeeren,—de lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere -ramp trof,—vernomen had. - -„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden, „gij zult wel moede zijn en -niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?” - -„Engèh, babah,” was het antwoord. - -„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan -kunt ge uitrusten. Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.” - -Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge. - -„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En -overluid vroeg hij natuurlijk in zijn landtaal: - -„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?” - -Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij -op, zette een soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan -een Schotsch hoofddeksel was, greep eene karwats, trad naar buiten, en -wipte in het zadel. - -„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan. - -En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende -bedienden verdwenen. - -Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan -het voetpad, hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door -zoo vroeg te vertrekken, zou hij reeds dadelijk een grooten voorsprong -op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar -haren vader te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben, -en meende integendeel, dat zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn -paard, een bastaard-Perziaan was echter een uitmuntende klepper, die -hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen. - -Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar -Singomengolo hem wachtte. - -Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen -moest, waarbij Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van -Dalima. Onder dat gekout brak eindelijk de dag aan, en was weldra -zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij was, toen plotseling heel in -de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep vernomen werd, -alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop -hij naast den opiumjager gehurkt zat. - -„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld. - -„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe -Pahit heeft eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de -dèsalieden van die plaats en van Kaligaweh de drijfjacht.” - -„Hoe weet gij dat?” - -„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean -controleur met zijn gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor -de jacht kwamen nemen.” - -„Te Kaligaweh?...” - -„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te -betrappen,” antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach. - -„Dat’s waar ook.” - -Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke -toch den vader van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem -geheel en al ontgaan was. - -„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder. - -„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!” - -„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de -vader van Dalima is voor ettelijke weken goed verzorgd.” - -„O, langer als voor enkele weken!” - -„Langer? Is er dan iets gebeurd?” - -„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang -neêrgestooten, en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik -was er ook om koud. Maar ik poetste hem bij tijds.” - -Lim Ho wreef zich de handen. - -„Zoodat....” vroeg hij. - -„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet -opgehangen wordt, wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld -worden.” - -„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen -wrijvende. „Maar... wat is dat?” - -Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was -begonnen. - -„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op -tjellengs schieten. Dat Allah hunne jacht zegene!” - -„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet -ver hier van daan.” - -„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan dat zij aan andere -beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar in de -nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat -ze op hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de -hand is meer te vreezen, en ook gevaarlijker dan met een geweer -gewapend.” - -Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te -luisteren. De tijd vloog heen. - -„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig. - -„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen. -Dat kan niemand anders zijn dan zij.” - -„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu -is alles verloren!” - -Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden, -toen hij zag, dat de Chinees waarheid sprak. - -Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat -zijn kon. Dien toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh -gezien. Het was toch een jager, want hij had een geweer in de hand, en -kwam van den kant van het ravijn en volgde het pad, dat langs de hut -voerde.... En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich met Dalima -kruisen!... Het was om des duivels te worden!... Alle maatregelen waren -zoo goed genomen!.... En.... nu.... door dien ellendige!.... - -„Maar.....” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „toean kapala -tikoes”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de -baboe maar roepen. Ik zal het wel met den blanke afmaken.” - -Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van -Santjoemeh Muizenkop geheeten werd, welken naam door grappenmakers in -„kapala tikoes” (kapala = hoofd en tikoes = muis) vertaald was. Nu -herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep dat hunne -snoode plannen niet veel gevaar liepen. „Perkara oeang sadja,” (eene -geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees. - -Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde -inslaan, trad de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den -blanke zich ijlings achter de struiken verschuilen. Op dat gezicht -waren de beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag -het aanvankelijk verloop, dat de lezer kent. - -Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op -het lieve meisje als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel -door het verschijnen van Lim Ho op de plaats der worsteling geheel -verstikt. - -Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de -struiken en prevelde: - -„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar -af te wijzen.” - -Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput -als het arme meisje was, met hare krachten weg. - -„Toeloeng!... Toeloeng, toean! toeloeng!” was de laatste schelle kreet, -die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander antwoord kwam -daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte. - - - - - - - -XIX. - -„TOELOENG! TOELOENG, TOEAN!” - - -Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord -geworden. Te laat, helaas evenwel om redding aan te brengen. - -Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de -vluchtende tjellengs in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang, -een vijftienhonderd meters hoogstens. Hare zool echter was uiterst -bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali Banjoe Pahit -voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van -donkergrauwen trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig -meters schier loodrecht verhieven. - -De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw -der wilde varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de -rotsen buitelden en tuimelden, in het riviertje een toevlucht zochten, -maar daarin door de woest voortschietende wateren medegevoerd en -onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht werden. -Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van -de kloof het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de -achterwaartsche beweging der tjellengs hun spektakel hervat hadden, en -van den anderen kant het moorddadige geweervuur der Europeanen, dat -onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring -stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en -gegil hen bij ondervinding minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden -ettelijke der dèsabewoners, toen de drom in de nabijheid kwam, zich -ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het -meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg -geheel en al op de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren -begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische kogel van de hedendaagsche -draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit bij het -afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te -jagen. In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de -aanrennende zwijnenschaar als de nevel voor de morgenzon verdwenen. -Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken geklommen; het andere -was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had zich -achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden -der tjellengs bereiken konden. - -De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die -den doorbraak der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte -was in de kloof onder de kogels der Europeesche schutters gevallen. Het -was eene ware slachting, die daar plaats gehad had. Een vijftiental -lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, die met een -kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun -heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden -[122]. - -„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken -goeden uitslag van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen -enkele van dat schadelijk gedierte ontsnapt!” - -Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd. - -Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen -achterna. Wel werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een -slachtoffer viel; maar de varkens waren vlugger ter been, en nu de -insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig in de schier -onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen -geworpen boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn -overdekt was, uit het oog verdwenen. De jagers spanden alle krachten -in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid en de -lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die -de vervolging niet had moeten opgeven. - -Opgeven?... Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers -daar met gescheurde kleedingstukken, met verwonde handen door de -doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, hijgende naar hun adem. Op -het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand te zamen. - -„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur. - -„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn. - -Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte -gaven te kennen, dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven -hadden. - -„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er -gebeuren kan, en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting -hebben die schoten weerklonken?” - -Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er -handen genoeg geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos -aangewezen zijn. - -„Daar!” - -„Neen, daar!” - -„Gij vergist u, het was daar!” - -„Mis! het was in die richting!” - -„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op -gelet, dat ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij -verrast. Wij zullen wat wachten; er zullen nog wel schoten vallen.” - -„Dat ’s juist goed,” antwoordde August van Beneden, „dan kunnen wij wat -rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.” - -Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk -andermaal een schot, dat een poos later door een tweede gevolgd werd. -Dat geknal klonk verder verwijderd dan straks; maar de richting was -thans behoorlijk waargenomen. - -„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer -opnam. - -„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden. -„Drommels, ik ben nog zoo moe!” - -„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een -gladden Komessoe [123] wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden -ontdekken.” - -Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk -boven. Bij het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te -werk. Hij omvatte den slanken boom met beide handen en steunde met de -voeten tegen den stam. Zoo kon hij afwisselend handen en voeten -verzetten, en was dan ook vlug in de kruin. - -„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork. - -„Nog niet, Kandjeng toean.... maar wacht!.... ja, daar ginds zijn ze. -Zij klauteren langs de helling van het ravijn op en zetten eenige -tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.” - -„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te -halen!” - -Inderdaad, Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en -vervolgden met het ontembaar vuur, hetwelk moedige jongelieden kan -bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, een troepje wilde -varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en vier -biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als -vervolgden over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in -het riviertje, waarin de varkens onder de watervlakte verdwenen, -krachtig voortzwommen, en te midden van het wielende schuim -voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het -gezicht, terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij -vast te staan op den moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar, -nog voor dat zij het geweer aan den schouder gebracht hadden, waren de -tjellengs òf onder een overhangend woest daar heen geworpen -rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de -jagers de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden. - -Zoo ging het een poos voort, totdat de beer op zeker punt zijn gezin -tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije -veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden. -Helaas, maar ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee -vervolgers haar voordeel hernemen. Reeds dadelijk bij het bestijgen van -de helling, waarbij het troepje een oogenblik op het korte gras voor -het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een der -biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de -moeder te hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te -krijgen, het was te vergeefs. Voort moest zij, wilde zij niet onder de -wisse kogels vallen. Een oogenblik later stortte een ander biggetje, -thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. Fluks was de -moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, op -de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk -geweest te zien hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met -hare snuit liefderijk maar toch krachtig voortstootte, terwijl zij -daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen -medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den -hoofdgroep aangekomen, of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn -moeder rolden de helling af naar beneden. Nog een zielsvol oog voor het -jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen blik op -de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te -waarschuwen. Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de -beide blanken te gemoet. De beer gromde vreeselijk, zette zich in -postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken lippen, waardoor -niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels -uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk -daarop, maar miste. Toen de kruitdamp opgetrokken was, waren beer en -het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi voor het oog -verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en -voort ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de -pogingen die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok vóór het wild -te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met -taaie voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, dat -eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van -een wild zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den -geschoeiden voet van Europeanen. - -Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok -van den steilen ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar -ontwaarden van de vluchtelingen geen spoor. Die waren hen voorzeker -voor geweest, en thans in het struikgewas van de onafzienbare vlakte -verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos werk zijn. -Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige -struiken op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te -bekomen; toen Grenits plotseling een schreeuw uitstiet. Hij zag zich -aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, daar met zijn jong -zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware thans -bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne -soortgenooten gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk -nauwelijks den tijd, om met een sprong uit te wijken en zijn geweer, -dat met den riem over den schouder hing, in tot verdediging gereede -positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, dien hem -Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat -diens rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was, -anders zou de jager deerlijk door de slagtanden van het woedende dier -verwond zijn. Nu evenwel was de slag, welke het zwijn door middel van -eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, toch nog zoo hevig -dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot -gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer -zich op hem gestort en, weerloos als de jager was, hem met zijne -machtige slagtanden den buik opengereten hebben. Grimmig en met bloed -beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde -reeds in zijn aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en -wachtte met dichtgeknepen oogen den noodlottigen schok af; toen op -eenmaal de tjelleng een gebrul van woede uitstiet en front naar een -anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde toch in -zijn werk was gegaan, zoo had Leendert Grashuis evenwel tijd gehad om -snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven en zijne bajonet -in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover de -strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer -kans zou gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De -minuten, ja de seconden waren goud waard. Theodoor lag reeds op den -grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping kon niet uitblijven. -Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, die -wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad -afschampte. Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen -aanvaller, wilde hem een slag met de vooruitstekende tanden toebrengen, -maar die werd behendig op de bajonet opgevangen. Door den schok als -eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot bij de -geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert -er aan, om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan -inziende haalde hij snel den trekker over, zoodat het dier de -losbrandende lading met den kogel door den kop kreeg. Het sprong met -reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit de handen -gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen -stuiptrekkend neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd -volstreden. - -Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen -een oogenblik aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk -gegaan, dat zij nog geen volkomen besef van het gebeurde en van de -uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat er gebeurd was; en -toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk. -En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden -was het gevaar groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest. - -Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke -menschelijke natuur hare rechten. De vervolging van het wild, de -beklimming van den steilen ravijnwand, het dadelijk daarop gevolgde -gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden zoodanig -uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op -den bodem vielen, om tot verademing te komen. Zij konden zoo omstreeks -een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits het laatst -overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren. -Zonder op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner -achterlaadbuks, bracht het wapen aan den schouder en vuurde af in de -richting, waar het varkentje onder de struiken verdwenen was. De echo -weerkaatste statig den knal van het schot, dat door de nabijheid van -het rotsachtige ravijn als de donder rolde.... Machtig als de geest des -onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam, -zachter vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte -rommeling wegstierf. Nog was het geluid waarneembaar, toen Grashuis -zich plotseling, als door eene machtige veer bewogen, op zijn ellebogen -ophief. - -„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem -kenmerkte. - -„Wat?... Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.” - -„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde -roepen... Hoor!...” - -En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk: - -„Toeloeng!... Toeloeng, toean!” - -„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende. - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het weer. - -„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor...” - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” - -„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg... en in -het ravijn... En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder -op. - -„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen -omtrek opnam. - -„Ik ook niet, hoe ik al tuur.” - -„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water -der sawahs doet mijne oogen zeer.” - -„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan -niet anders dan van daar komen.” - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” klonk het. - -„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.” - -„Maar, welke heeren kan zij roepen?” - -„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben -niet moê meer!” - -Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een -blik terug in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd -waren, en zagen toen, dat hunne makkers hen volgden, en gereed waren de -helling van den ravijnwand op hunne beurt te beklimmen. Grenits schoot -zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en toen aller oogen naar -boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, terwijl hij -den arm in de richting van het westen uitstrekte: - -„Daar! daar!” - -En daarop ijlden beiden voort. - -„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van -Nerekool. - -„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er -schijnt iets buitengewoons voorgevallen te zijn.” - -„Kom! laat ons voortspoeden.” - -En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo -bezield als straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal -meer tijd kostte. Toen zij boven op den nok waren, zagen zij Grenits en -Grashuis, die te midden van de sawahvelden voortspoedden. -Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers -ontwaarde, om voort te maken. - -„Toeloeng! toeloeng, toean!” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak, -dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar was. Toch waren de -beide Europeanen de hut meer nabij gekomen. - -„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende. - -„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg -Grashuis. „Mij dunkt, dat wij ons van het geluid verwijderen.” - -Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene -vrouwengedaante de hut uit, en ijlde op hen toe. - -„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” kreet zij, terwijl zij aan hunne -voeten nederstortte. - -Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd, -hetwelk met loshangende haren, spiernaakt en geheel bebloed aan hunne -voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat met beide handen -bedekte. - -„Toeloeng, toean toean! Toeloeng!” kreunde zij. - -Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de -twee jagers het meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te -doen. Grenits geërgerd, een menschelijk wezen aan zijn voeten te zien, -vatte het meisje bij den arm en poogde haar overeind te helpen, maar -schuchter weerde zij hem af: - -„Maloe saja!” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare -loszwierende haren over haren boezem schikte, en zich verder daarin -zocht te dekken. - -Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op -het meisje toe. Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar -overeind te sleuren. - -„Adoe! (O wee!)” riep zij uit. - -En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los. - -„Toeloeng, toean toean! toeloeng!” smeekte zij zich tot de beide -Europeanen wendende. - -„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig. - -„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij -herkende. - -„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, a. s. [124] -voort!” - -„Kassian, toean toean!” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het -rampzalige meisje. - -„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende. - -„Die vrouw loslaten, of... ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits, -zijn geweer bij den loop opnemende. - -Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem -achteruit. - -„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den -heeren berouwen, mij gedreigd of aangeraakt te hebben!” - -En tot het vrouwelijk wezen: - -„Kom, voort!” sprak hij. - -„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem. - -En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het -hoofd van den ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm -gegrepen gevoelde, en eene stem hoorde fluisteren: - -„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den -opiumpachter aan te leggen.” - -Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak. - -„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?” - -„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar... anders komt ge in -ongelegenheid.” - -„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager -noodzaken, die vrouw los te laten.” - -Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch -en oploopend van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den -blanke met een dolkstoot beantwoord hebben, ten minste, wanneer een -eerste kolfslag hem niet buiten gevecht had gesteld. Een oogenblik keek -hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide blanken op. Toch -liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de -sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de -controleur van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district -bevond. Als het kon, zou zijn bruin gelaat verbleekt zijn op dat -gezicht. - -„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was. - -„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde -Singomengolo. - -„Die vrouw?...” - -„Maar,... dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit. - -„Dalima?...” - -„Ja, Dalima, de baboe van den resident!” - -„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s! -Misschien ook wel zuigflesschen!” - -Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de -dochter van den resident. - -Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg. - -„Ja,... het is Dalima!... En, die zou opium gesmokkeld hebben?” vroeg -hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono -gegeven te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp, -waarin zij zich wikkelde. - -„Soengoe mattie!” (voorzeker) [125] antwoordde de bandoelan. „Ik heb -haar gevisiteerd...” - -„En haar de kleêren van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur -streng. - -„Zij wilde het niet toelaten...” - -„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork. - -„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette -zich. En... zie, dat heb ik gevonden.” - -Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst -had met datgene, hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den -controleur overgegeven was. Als deze het zelf niet verzegeld en naar -Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen gelooven, dat het -hetzelfde was. - -„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met -nadruk. - -„Ja!” - -„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond -gehurkt. „Ik ben in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de -gemeenste wijze mishandeld geworden...” - -„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork. - -„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het -residentiehuis komen berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb -ik èn van de njonja èn van nonna Anna verlof gekregen om naar den zieke -te mogen gaan....” - -„Verlof van de njonja en?...” - -„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!” - -„Die kunnen dat dus getuigen?” - -„Ja, Kandjeng toean!” - -„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij -zich had.” - -„Wie zijn dat?” - -Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de -hut binnentreden. Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich -achteraf te houden, en op het geschikte oogenblik de hut binnen te -sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde de lippen -van den Javaan. - -„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer) -hier.” - -„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid -zou ik je betaald zetten!” zei de controleur vertoornd. - -„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in. - -„Muizenkop?... Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!... Waar -kwam die van daan?” - -„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.” - -„Maar, waar is hij nu?” - -„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.” - -„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende: - -„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?” - -„Lim Ho,” was het antwoord. - -„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit. -„En, Dalima... in dien toestand?... O, nu begrijp ik alles!” - -„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en...” snikte het meisje, maar -kon niet meer voort. - -Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere -uitdrukking dan „mishandeld”, die evenwel niet weer te geven is. Toch -aarzelde zij om voort te gaan. - -„En?” vroeg de controleur. - -„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.” - -„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij -Singomengolo met zijne vuist dreigde. - -„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!” -antwoordde deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken. -Die gemeene meid liegt!” - -„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima. -„Overigens verraadt mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld -heeft.” - -Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op, -waarbij zij hare handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid -van al die mannen te dekken. Van Nerekool hielp haar daarbij, en -verzocht een tweede slendang om het meisje in te wikkelen. - -„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den -controleur. „Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.” - -Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond -men Mokesuep, die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te -rooken. Het oor van dezen laatsten was verbonden. - -„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te -keuren. - -„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald, -totdat ik deze hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats -tegen de zonnestralen gezocht heb. Foei, wat is het heet in die -sawah’s!” - -Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten -volzin blies de aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm -gehad had. - -„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?” - -„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.” - -„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.” - -„Waarbij?” - -„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging -Verstork voort. - -„Eene misdaad?” vroeg Mokesuep verwonderd. „Ik weet van niets.” - -„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch -verstond, maar Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van -opium, nietwaar babah?” - -De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren binnengekomen waren, -wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond: - -„Niets anders, Kandjeng toean.” - -„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den -Chinees. En zich tot Mokesuep wendende, vervolgde hij: - -„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene -vreeselijke misdaad.” - -Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die -bizonderheid vernam. De baboe van den resident! Als die machtige zich -eens partij voor zijne dienstbare stelde. Waarlijk, hij aarzelde... - -„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar -ongeduldig. - -De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne -sigaar stond te rooken. - -„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij. - -„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei -Singomengolo sarrend. „Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah -en dat heeft de toean gezien.” - -„Is dat waar?” vroeg de controleur. - -De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde -hij toch het meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten. -Maar Singomengolo deed een schier onmerkbaar teeken. - -„Het is waar!” antwoordde Lim Ho. - -„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep. - -„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord. - -„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden -heeft?” - -De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in -ontvangst genomen had. - -„Ja!” antwoordde de aterling. - -Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van -verachting niet onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het -meisje overtuigd. - -„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon. - -Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar -van minachting vergezeld ging. - -Dat was te veel voor Grenits. - -„Daar!... daar!...” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl -hij den onmensch een, twee klappen om de ooren gaf. - -„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u. -Maak mij mijne taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.” - - - - - - - -XX. - -AAN DE RIJSTTAFEL. - - -Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de -pandoppo van de controleurswoning te Banjoe Pahit. - -De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd! - -Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te -mengen, had ditmaal den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat -individu bij hem opwekte. Toen de arme Dalima verpleegd, en in eene -tandoe onder begeleiding van een politie-agent als gevangene naar -Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, dat, -in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder -gewenscht was. - -„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger -zou moeten zijn, die het veld ruimde.” - -„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige -koelte voort; „maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen, -zult gij mij afdoende ophelderingen te geven hebben, hoe het komt, dat -gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt op het oogenblik, -dat dit jonge meisje mishandeld is...” - -„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in. - -„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij -hebben haar naakt en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep. -Er heeft dus mishandeling plaats gehad in de tegenwoordigheid van u, -die aanspraak maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal -het: zoolang gij mij niet afdoende ophelderingen zult gegeven hebben, -dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger van dat meisje op te -werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.” - -„Mijnheer Verstork!...” - -„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten -onrechte op u rust; niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u. -Ik zal de eerste zijn, om u de hand te reiken, wanneer Theodoor Grenits -mij dan niet voor zal zijn. - -„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen -moogt!” sprak deze hoogst ernstig. - -„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening -weten te verschaffen!” - -„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork. - -„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den -resident verschaffen.” - -„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de -controleur met eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.” - -Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met -den riem over den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim -Ho en van Singomengolo, die dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien, -maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, in de richting van -Santjoemeh, met den uitroep: - -„O! ik zal mij wreken!” - -Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is, -zaten zij eenige uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de -controleur van Banjoe Pahit. - -Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij -die van het residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare -meerdere beknoptheid was zij des te gezelliger. Zij miste die holheid -tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge dakwerk, dat aan eene -kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe het -smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En, -inderdaad, zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met -jaloezie-ramen naar alle windstreken toegang aan de buitenlucht kon -verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden, -waardoor er steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog -bevorderd werd door de aangename schaduw der boomen, die de geheele -pandoppo als in een loofkring omsloten hielden en het schelle licht der -keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork gedurende de -uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des -ochtends bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet -hij; daar dineerde hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne -tijdschriften te genieten, terwijl hij des namiddags zijn kopje thee -dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich soms af te -vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid -alleen bleef? - -Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen -stond, nu de gastheer zich door goede vrienden rondom den disch omringd -zag! En die disch bracht het zijne aan het gezellige van het samenzijn -bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, hagelwit en droog van -korrel in de „koekoesan” [126] gekookt; daarop stonden toch schalen en -schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, sambalan’s, -atjaran’s [127] als: kerri ikan, [128] piendang ajam, piendang klowek, -[129] rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado, [130] sambal oelak, -sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh, -sambal badjak, [131] atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek, -[132] enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi, -met dendeng minjangan, [133] met sasateh, met besengeh, met petjiel, -[134] met ajam goreng, met ajam pangang, [135] met ikan goerami, met -ikan bandeng assep, [136] met telor troeboek, met kroepoek oedang, -[137] enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene -volledige rijsttafel onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om -ze heerlijk te doen smaken. Maar, wat vooral de aandacht der -Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken had, en hen bij -voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel -gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit, -op een grooten schotel, in het midden van den disch stond te prijken. -Dat was een product van de jacht, een biggetje, hetwelk als een der -eerste slachtoffers onder de kogels der blanken gevallen was, en door -een van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de -hoofdrol op den jagersdisch te vervullen. - -Ieder der gasten weerde zich goed. - -Maar... de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte -der smulbroers lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen -indommelen. Het gekout aan dien disch was dan ook levendig, en de lezer -zal moeten erkennen, dat daartoe wel redenen voorhanden waren. - -„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit -mijn humeur gebracht hebben!” - -„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard van Rheijn. -„Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.” - -„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng” -(varkenstelg) lekker!” zei August van Beneden. - -„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij -wel neêrgelegd hebben?” - -„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork. - -„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze -jacht het beoogde doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te -vernemen?” - -„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork. - -„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten -te komen? ik heb nog al ettelijke lijken zien liggen.” - -„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.” - -„De wedono?.... Wat bliksem! waar is die gebleven?” - -„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang -Pringapoes te onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht -komen mededeelen.” - -Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen -een der oppassers de komst van het districtshoofd aankondigde. - -„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel. - -„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze -rijsttafel deelen? Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte -een gebaar van schrik. Hij deed een pas achterwaarts. Het gezicht van -het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem ontzetting in. Ware de -rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een -kruis geslagen! Nu prevelde hij schuchter: - -„Ampon, Kandjeng toean! Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch -eten.” - -„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat -rundvleesch, kip, eend, visch, al wat gij maar wilt.” - -„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde -keuken klaar gemaakt [138], als die andere spijzen. En, gij weet, dat -verbiedt onze godsdienst.” - -„Het spijt mij, wedono.” - -„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.” - -„Welnu, wedono?” - -„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De -Chineezen van Kaligaweh en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de -bevolking opgekocht, en zijn bezig met het vervoer.” - -„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.” - -„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat -gedwongen glimlach. - -„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende -uitgeroeid zijn?” - -„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking -heeft de overblijvenden nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het -overschot heeft eene toevlucht in het hooge gebergte, hetwelk het -district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen last meer -van die verwoestende dieren zullen hebben.” - -„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht -volkomen gelukt! een glas daarop!” - -Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn stopte den wedono -fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep -hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe -Pahit, welke van die lastige gasten verlost was. - -„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono. -„Anders wenschte ik wel mij te verwijderen.” - -„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote -„tjelleng laki-laki” (beer) gevallen. Het is er een met zeer lange -slagtanden. Diens hoofd wenschte ik wel te hebben.” - -„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „Une hure de sanglier à la sauce -piquante zou lekker zijn!” - -„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende: -„En dan draag ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak -van Dalima te beginnen.” - -„Saja, Kandjeng toean!” - -„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.” - -„Saja, Kandjeng toean!” - -„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.... Niet waar vrienden: - - - Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!” - - -Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in. -Toen het ietwat bedaarde, vervolgde Verstork: - -„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen, -en daarna zult gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono -voortzetten. Ik vertrek heden avond nog met ulieden naar Santjoemeh; -want morgen ochtend wensch ik den resident al heel vroeg te spreken.... -Hebt gij mij verstaan, wedono?” - -„Saja, Kandjeng toean!” - -„Welnu, laat ik u niet weerhouden.” - -Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid. - -Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had -de feestvreugde der jagers wel getemperd. De herinnering aan het -gebeurde had iets kils teweeg gebracht, dat iedere vroolijkheid als het -ware verstijfde. - -„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de -vingeren, na een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld -hebben?” - -„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene -smokkelaarster uit?” - -„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten -leiden,” zei Van Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?” - -Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig -eene heerlijke moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik -van bedenking, antwoordde hij evenwel: - -„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.” - -„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!” - -„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn -op. - -„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een. - -„Maar de getuigenis van Muizenkop?” - -„Van dien ellendeling?....” - -„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork. - -„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna -invloed genoeg op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te -krijgen.” - -Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel -niets. - -„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak -betrokken was,” sprak Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben, -dan zou er een mouw aan te passen zijn, nu evenwel...” - -„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede, -„dat de rechterlijke macht....” - -„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst -rechtsgeleerde hier in Nederlandsch-Indië heeft ergens gezegd: „de -opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet -men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!” [139] Nietwaar, -Karel?” - -Deze knikte bevestigend. - -„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend. -„Maar het ergste is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk -maakt.” - -„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig. - -„Maar, Theodoor!....” - -„Maar, Eduard!....” - -„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat -moet ge toch toegeven?” - -„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar tegenoverstelde, dat -wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n -vlucht genomen zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is -gemakkelijker aan te toonen.” - -„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan, -dat is achterwege gebleven.” - -„En de geschiedenis dan?” - -„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de -persoonlijke uiting van den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de -blanken de opium in het land gebracht hebben, anderen beweren weer -anders.” - -„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik, -Eduard?” - -„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?” - -„Als ik mij wel herinner [140], niets meer en minder, dan dat de -opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der -Regeering heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere -opbrengst van die pacht voeren kan, gretig werd ter hand genomen.” - -„Ja, maar, is dat alles waar? - -„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?” - -„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed -ingelicht, toen hij dat advies ter neer stelde?” - -„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen -worden betaald en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve -dat advies, wat gij wantrouwt, waarborgt u de voortdurende stijging van -de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat het advies van den Raad -vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere som -geraamd....” - -„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.” - -„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden -losgelaten, om het cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld -is, en de minst kiesche middelen, ja, zelfs misdadige worden gebezigd, -om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche Leeuwen zijn niet -uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel meer -opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „virtus nobilitat” keurig -op zoo’n borst!” - -„Maar,” vroeg August van Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo -verderfelijk voor het lichaam, als beweerd wordt? Gisteren avond zagen -wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig is. Maar -voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is -die beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden -bij die vergiftiging oud kunnen worden, even als bij het gebruik van -een of meer bittertjes.” - -„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als -degelijke vertrouwbare mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten -spreken. Ik kan dus zonder achterdocht u een blik gunnen in de rijke -ervaring door mij op dat gebied opgedaan. [141] - -„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb: - -„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal -een eigenaardig bederf van het bloed en van al de vochten, en -verstoppingen in de vaten en wegen, waaruit op den duur ontstaat een -slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke dysenterie of -aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten -vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen, -behalve de verdoovende in grootere giften,—tenzij met deze te zamen. -Die toestand dringt tot het palliatief van steeds vermeerderde -nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch -ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld -is, zoolang hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En -juist door de zoo lang volgehouden verkwisting is dit den meesten -lijders op verre na niet mogelijk. Waar nog goede en versterkende -voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; en menigeen is -er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere -graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend -gebruik van het verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak -een anders licht verloopend toeval door het voorhanden bloed- en -vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin en dergelijke, een -kwaadaardige hoedanigheid aannemen, en tot een doodelijken afloop -komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere kwalen, die -van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig -vertoonen, door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden? - -„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij -weten echter al te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer -weinigen op de massa der Inlanders in dat voorrecht op den duur zich -verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe schraal over ’t -algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden, -en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig -werk maakt van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe -veel of hoe weinig deugdelijks die bevat, moet zij niet bij verre de -meesten al minder en minder worden, waar een belangrijk, en steeds -belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, zoodat -juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel -bij te bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt? - -„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik -dan ook wegens hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en -zij ondervinden er te minder nadeel van. Niet bij allen is dit het -geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens hunne welgesteldheid -zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen -in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of -gedwongen onthouding zijn moeten komen, en de ellende daarvan -ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de ondervinding bewijst -overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan eene -kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar -of daarboven reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen -laboreerden, meest aan dysenterie. Ik zelf heb te Berbek, te -Trenggalek, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal -van zulke lijders met geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid -te over, om mij omtrent alle bizonderheden te vergewissen. - -„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie -bittertjes daags drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog, -hoeveel verderfelijker de opium werkt dan de sterke drank. De eerste -toch is veel meer bedwelmend en bovendien verdoovend, en daardoor ook -spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij ’t -voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke -schuivers verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun -gewoonte, bij elken maaltijd niet meer dan eenige greepjes rijst konden -nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp van een middel, dat ik hun aan -de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd hadden, ze wel -tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere -verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het -lichaam veroorzaakt, en waarmeê zij ook den geest tot wellustige -droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel van aanwezige -kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht -(reeds zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de -telkens herhaalde verdooving, waardoor de patiënt te zekerder in de -kluisters van den hartstocht gevangen blijft, ook al staat hij nog maar -gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker. - -„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed, -dan moeten hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die -bij den opiumrooker in ontzettende mate toenemen; de steeds meer -lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, tot eigen -vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen -arbeid, van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en -dag aan niets anders denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al -zijn nevenlusten, waar alles rondom hem aan moet ten dienste staan. Een -jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen dienst, dan dat soms -de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; maar -voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen, -moet alles in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te -verschaffen, de ander om zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn -pijpjes te stoppen, een vierde om zijn koffie en andere versnaperingen -te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder en stiller dan -van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen -en smarten zich weêr laten voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn -lust ter wille is, dan vervult hij huis en hof met kermen, en klagen, -schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de keel wordt -gehaald! - -„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die -de aan opium verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt, -terwijl meerderen hunner reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn -tot geslachtsvoortplanting. Wat zal alzoo van de tweede of derde -generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?! - -„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine -verademing voort: „Hoe ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog -altijd door dat ziel en lichaam verdervend gif verslonden! Al heel -spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover, -dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen -naar aangenaam prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes -vergezelt, doet daar ook nog het zijne aan toe. Ze zijn legio, de -huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet winnen, soms nog -bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak of -ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te -werken, daar is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat -is veel, zeer veel algemeener dan in Europa door den sterken drank. - -„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu -door de opium worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en -nijverheid. Wanneer die allen daarvoor besteed werden, hoeveel grooter -zouden de welvaart en het vertier zijn! En zou niet ook de -rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan -de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de -middelen, de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te -bearbeiden of te leeren bewerken, of om in handwerk vorderingen te -maken of het voor kwijning te behoeden; omdat ze nu eenmaal dat alles -aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn niet landbouw en -nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met allen -ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang -te brengen!” - -Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange tirade had hij -behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven. -Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog -volgen zou. Onmiskenbaar maakte het gesprokene grooten indruk op hen, -want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die -daar klonk, en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook -waren, die taal maakte hunne belangstelling gaande, en vond ingang tot -hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, na nog eens adem gehaald -te hebben, aldus: - -„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh -doorgebracht heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van -de residentie Kediri, als controleur tweede klasse was ik te Berbek en -te Trenggalek. Ik kan dus met kennis van zaken ook omtrent die -residentie spreken. Luistert: - -„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen [142]; meerendeels -zijn de menschen arm. - -„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling -van de verstrekte opium, en de administratiekosten en de winst van den -pachter, dan mag het cijfer van 2½ millioen gerust worden aangenomen -als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks vrijwillig betaalt, om -dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig bestaan -te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige -opium; dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer. - -„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve -nog cultuur- en heerendiensten, winst op het zout, landrente, -bedrijfsbelasting, invoerrechten, enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men -moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft. - -„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt. -Huisraad vindt men er niet; een mat, uitgespreid op een bank van -bamboe, en een klein kussen van kapok, dienen om op te slapen. Gekookt -wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, gegeten wordt -er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de -kleederen worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als -lompen van het lijf vallen; de kinderen loopen naakt, en groeien met de -karbouwen in de modder op. ’s Morgens om 5 uur staat men op, en gaat -naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij in de -rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen, -rietvelden, enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij -particulieren op een dagloon van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur -moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt er wat gegeten, en de -helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder al in -diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje, -waarin wat stinkende olie en een katoenen pitje. - -„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den -Javaan-opiumschuiver. Niets, niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan -geven aan den dagelijkschen sleur, altijd maar werken, en den meesten -tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En dan nog zooals -gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het niet -wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten -voor hunnen medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat -eindelijk eens een einde kwam aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid, -en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid van den Javaan? -Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want -ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken -toestand. Ieder Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te -gewillige Javaan op zoodanige brutale wijze zal geëxploiteerd blijven. - -„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen -vrijen tijd, moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den -moloch, genaamd ’s lands kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog -niet genoeg voor het geheele jaar...” - -„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt -hij troost en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in -Nederland onder dergelijke ellende het volk naar de flesch grijpt. -Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende doet hunkeren -naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken ellende; er behoort -wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en jenever, -en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht. - -„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering -verwacht worden, de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich -heen; doch de Overheid moet die arme schepsels met krachtige hand uit -dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen zij het uit van de pijn, -en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder welgeaard -burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en -een ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt. -Zoo Nederland en Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever -gezegd hunne huishouding dekken, zonder revenuën uit zulke immoreele -bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen onbetaalde -arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals -die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit -eerlijk verkregen middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.” - -Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de -waarheid, de volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste -gevolgtrekking hunne Nederlandsche harten pijnlijk aandeed. - -Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep -zijne hand en drukte die hartelijk. - -„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, „voor het inzicht, dat gij mij -in de zoo noodlottige werking van de opium verleend hebt. Ik ben nog -slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om in -eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen -over de opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer -veel gisteren avond bij ons samenkomst onder den Wariengienboom op de -aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch -bezielende taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller -tegenwoordigheid beloof ik plechtig, dat ik van de ons medegedeelde -ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!” - -„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke -oratie een daadwerkelijk en.... een dadelijk nut hebben. Ja, een -dadelijk!... Vrienden, ik heb een voorstel te doen....” - -„Laat hooren!” riepen allen. - -„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh -plaats had. Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen -hadden de snoodste misdaad te aanschouwen gekregen. Ik wil niet -ontleden, wat in ons aller hart omging bij die twee tafereelen, waarbij -de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; maar beide -gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo -even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw -aller naam zeg ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden, -laten wij in edelmoedigheid niet bij hem achterstaan! Dalima en haar -vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig bij het geding, dat -gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide -beschuldigden zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen -met warmte zal ter harte nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne -maidenspeech bij de verdediging van...? te hooren! Dat zal subliem -zijn......” - -„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De -vrienden zullen geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid -tot het verleenen van hulp gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!” - -„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede -werk hebben; nietwaar?” - -„Ja! ja!” riepen allen. - -„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake -zijn van het toewijzen van eenig honorarium aan onzen advocaat. Dat zou -hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n -proces komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij -allen weet, vrouwe Justitia is in Indië een dure, zeer dure deern! -Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, en August voor al te -maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen die -twee gedingen met alle klem gevoerd worden!” - -„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August! -aan den gang!” - -„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte -ik onzen gastheer eene vraag te doen.” - -„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork. - -„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap. [143] -In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig....” - -„Ter zake, ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je -langdradig met je warenkennis!” - -„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van -geneesmiddelen gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om -ongelukkigen van het opiumverbruik te genezen. Zijn dat -geheimmiddelen?” - -„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend. - -„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn -het dan?” - -„Het zijn pilletjes, [144] die mij door een zendeling aan de hand -gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix rheï of rhabarberwortel, en -wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie grein opium -en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den -eersten keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst -zelden wordt die derde dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen -zijn.” - -„En.... kunt gij genezingen constateeren?” - -„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een -twaalftal bedoedans, die mij door de gebruikers gebracht zijn met de -gelofte nimmermeer de opiumpijp aan te raken. De zendeling, die mij het -middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen van genezing -constateeren.” - -„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van -u?” vroeg Grenits. - -„Ga je gang.” - -„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig -is de opiumkosten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te -zweepen, zou daarin eene aanranding van het Gouden Kalf zien. En er -zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, er zijn menschen -de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, die -veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!” -[145]. - -Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid -erkende. Een oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare -wezens, die zijnen steun nog zoo noodig hadden. Of hij zijne -rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren of -ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene -lastige gedachte wilde wegvegen: - -„Zoo erg is het niet,” sprak hij. - -„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,” -lachte Theodoor. - -„Om het even,” vervolgde de controleur. „Fais ce que dois, advienne que -pourra! Ik zal er geen pil minder om uitreiken!” - -En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd -was,—allen hadden toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag -gelegd,—vervolgde hij: - -„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van -gisteren en heden, en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh -doorgebracht hebben, naar rust verlangen. Hier, de bedienden zullen u -uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken is, -vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene -aangename middagrust!” - -Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur -joeg het vijftal jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op. - - - - - - - -XXI. - -OP HET KANTOOR VAN DEN RESIDENT. - - -Verstork kwam veel te laat. - -Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang -Pringapoes te paard moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware -het wellicht mogelijk geweest het onweder, dat zich boven zijn hoofd -samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten voorkomen, dat zou hij al -ras ondervinden. - -„Zoo!... Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van -Gulpendam op smalenden toon, toen de controleur na heel lang -geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare malen de voorgalerij van -het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn chef -toegelaten werd. „Zoo!... is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er -gisteren ochtend voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke -rijsttafel voor mij, als zulke zaken in de residentie gebeuren kunnen! -Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en dan... ja, dan kan -alles gebeuren, dan zien zij niets....” - -„Maar, resident!....” waagde Verstork in het midden te brengen. - -„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat -vragen zal, dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het -ervaren, dat het antwoord zich dan zal laten wachten.” - -Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en -ontdaan, met de lippen op elkaar geklemd van verbeten woede. - -„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer -Verstork, om mij op de hoogte te stellen...” - -„Resident, ik...” - -„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een -toornigen en minachtenden blik op zijn ondergeschikte wierp. - -„Mij dunkt toch, resident, dat...” - -„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!” - -„...Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport -maaktet. En dan is het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork -steeds doodsbleek, maar met onverschrokken moed voort. - -„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons...” - -De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd; -maar hij hervatte: - -„...den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.” - -„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman -van de wacht ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat, -wanneer dat gesprek zoo voortgaat, ik mij over zoo’n bejegening bij den -directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter nog, bij den -Gouverneur-Generaal zal beklagen.” - -Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was -gegaan. Hij was ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij -als een zachtaardig mensch had leeren kennen, voor hem boog en zijne -luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde zoetsappig: - -„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van -gestel ben. Daarbij was ik ontstemd, dat mij de tijding van het -gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren gewerd. Kom, ga zitten. -Ik zal dat rapport even doorloopen.” - -De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn -schrijflessenaar zich met den rug naar het licht wendde, ten einde het -geschreven stuk in te zien. Buiten het kantoor drentelden in de -voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij heftige -woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was -alles stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident -evenwel weer op. - -„Jawel! Dacht ik het niet?... Ik was gewaarschuwd...” - -Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen. - -„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij -gewaarschuwd waart?” - -Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den -controleur aan, wiens gelaat in het volle licht gekeerd was. - -„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij -moet die minder passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te -ondervragen. Dat maakt, geloof mij, een fatalen indruk.... Ik wil u wel -zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet omdat gij mij dat vraagt; -maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; wellicht -zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen...” - -„Mijn rapport te wijzigen, resident?” - -„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te -doen voorkomen, alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche -deern zoude voltrokken zijn.” - -„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is, -die de baboe, bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst -ernstig. - -„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw -oordeel. Maar, dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een -geheelen nacht aan het passagieren geweest, en had toen een geheelen -roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer was zij ’s nachts -buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een -opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond -die amokhpartij heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig -bericht zondt; zij is de verloofde van een opiumsmokkelaar, en zij zelf -heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij zit nu in de boei, dat -zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster van mijn -erf te laten wegjagen!” - -„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg -om adem te halen, „toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij -geheel naakt, met bloed bevlekt, en had zij loshangende haren. Alles -duidde op...” - -„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij -haar onderzocht?” - -„Neen, maar....” - -„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen... En ziet...” ging de -resident voort, terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb, -houdt daar het rijtuig van den dirigeerenden officier van gezondheid -voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, wat er van aan is.” - -Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan, -die dan ook verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen -handdruk wisselde, en diezelfde plichtpleging maar luchtiger ook bij -den controleur verrichtte. - -„Zoo, Verstork! Gij hier?” - -Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident -in: - -„Ga zitten, overste!... En wel?...” - -„Geen kwestie, resident!” - -„Zoo, dat zeide ik u immers reeds... Maar de deern was toch verwond?” - -„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op...” - -„Dus geen stu.., stu... Hoe noemdet gij het ook?” - -„Stuprum violentum... geen denken aan! Hier is overigens het visum -repertum, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.” - -„Overste, ik dank u!” - -„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen. -Dag, resident, dag, Verstork!” - -„Geen excuses, overste; ik groet u!” - -Toen was de geneeskundige verdwenen. - -„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?” - -„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het -wankelen.” - -„Niet?” - -„Neen, resident!” - -„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, „om -bakzeil te halen, om bij te draaien.” - -„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep. - -„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik -geef u in beraad dit rapport terug te nemen.” - -„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die -raad?” - -„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te -eenzijdig voorgesteld zijn...” - -„Resident!” - -„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar -voort. „Dan komen er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge -Regeering aangenaam kunnen stemmen. Bij voorbeeld deze:” - -Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las -vervolgens: - -„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in -mijne twaalfjarige loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren -begrijpen, dat de opiumpacht is een Staat in den Staat; dat om der -wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben of eerbiedigen kan, -met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft -politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne -satellieten dringen de woningen binnen en schenden het huisrecht der -bevolking; zijne spionnen en zijne, althans de door hem betaalde -oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou streng gestraft -worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel van -het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die -bevolking aandoet. Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het -meisje. In de woningen, op den publieken weg houden ze den eenen en de -andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote lijf, zonder -zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die -lieden uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest -onzedelijke lusten te voldoen, of hun haat te koelen [146]. Het -gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig -bewijs.”” - -De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte -met doordringenden blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet -neersloeg. - -„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij -bracht de hooggeplaatste den wijsvinger aan het voorhoofd,—„dan twijfel -ik of het bij u daar wel goed in orde is...” - -„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!...” - -„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in -uwe afdeeling die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg -noodig zijn, om den smokkelhandel in opium tegen te gaan. Gij weet even -goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene aanhalingen van -gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in -herinnering te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te -Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze nu weer bij Setrosmito en bij zijne -dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, dat de afdeeling -Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt gij -die meening door uwe onbesuisde taal....” - -„Resident, hoeveel ontzag ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel -heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, wanneer gij te verstaan -geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht zoude -tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot -een brandpunt van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te -doordrongen van het voorgeschrevene bij Staatsblad No. 136 [147] van -1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om -die te verwaarloozen....” - -„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet....” wilde Van Gulpendam -invallen. - -„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij. -Dat is mijn recht. Van eene andere zijde is het onwaar, dat de -afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel zoude -wezen....” - -„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik -aanhaalde?” - -„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen -beter weten in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan -de overal genaakbare oevers van de Javazee gelegen, en bij de zeer -onvoldoende middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in -het werk gesteld, maar nog niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt -het voor de hand, dat de smokkelaars, waartoe—en dat weet gij even goed -als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, daarmede hun -voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van -aangrenzende afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen -zijn, dan valt er te constateeren, dat Banjoe Pahit, wel verre van een -brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan aangehaald worden: als -eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend mag genoemd -worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld -werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek -als mijne gemoedelijke overtuiging uit, dat de partij opium die te -Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig is van den schoenerbrik Kiem -Ping Hin, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de -overige aanhalingen zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet -gevonden zouden geworden zijn, wanneer de bandoelans vooraf waren -gevisiteerd geworden.” - -„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig -voor het oogenblik,” antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om -evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne welgemeende raadgeving: „gaat -over stag, en neem dit rapport terug!”” - -Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen, -als vreesde hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als -een gloeiend ijzer voer hem de gedachte aan zijne moeder, aan zijne -zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning niet konden -ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het -gehoorde. Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging -weerklonken. Bedreiging in den mond van den machtigen meerderen tegen -den machteloozen minderen! Een oogenblik, maar ook slechts een enkel -aarzelde de gewetensvolle ambtenaar... toen hernam zijn natuurlijk -rechtsgevoel zijne opperheerschappij. - -„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw -oordeel over mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat -rapport terugnam? Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne -eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen....” - -„Mijnheerrr!....” riep de resident toornig uit. - -„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking? -Zoudt gij niet minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw -geweten u niet dwingen, mij tot ontslag uit ’s lands dienst voor te -dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk nog vertrouwen in mij -kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, is dat -vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!” - -De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de -woorden van den controleur waren. - -„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon. -„Hoor, hoe ik die zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende -jacht gemaakt, en daarbij zal de veldflesch wel een enkele maal -aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, eene jolige -rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn, -misschien wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is -zoo aannemelijk, zoo natuurlijk bij jongelieden. In die gemoedstemming -hebt gij uw rapport geschreven....” - -„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk -bij u achtergelaten dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat -ik bij het schrijven daarvan onder den invloed van drank was?” - -„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde -Van Gulpendam. „Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van -eene dwaasheid te weerhouden. Gij moet weten, of gij dat rapport al of -niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene waarschuwing bij het -gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van uwe -beslissing afhangt.” - -Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook -handelde, de toestand netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op -de baan, die hij voor het rechte pad hield. - -„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet -terug,” sprak hij bedaard maar beslist. - -„Is dat uw laatste woord?” - -„Ja, resident!” - -„Bedenk u wel! Uw laatste woord?” - -„Ja, resident!” - -„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.” - -„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!” - -„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge -beslissen!” - -Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud -geëindigd was. - -„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik -heb nog een andere logrol af te laten loopen.” - -„Wat hebt gij, resident?...” vroeg de controleur. - -„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten. -Gisteren ochtend zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd, -en is hij mishandeld geworden; omdat hij op uwe vraag getuigenis der -waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en die mishandeling is in uwe -tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt hebt, om -dat te keer te gaan, om dat te verhoeden...” - -„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat -toegevoegd werd, werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd, -kwam zoo onverwachts aan, dat niemand, zelfs gij niet, resident, -wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt kunnen verhoeden. -Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter -voorkomen hebben, dat verzeker ik u.” - -„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen -gevallen; terwijl gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat -die zaak! Had ik er nu den glimp aan kunnen geven, dat de jeugdige -jagers opgewonden waren, dat de handeling onder den invloed daarvan -gebeurd was...” - -„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de -opgewondenheid, die gij te kennen geeft.” - -„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware -die zaak nog te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de -gelegenheid, en ik meen, dat dit niet in uw belang is, en betwijfel of -uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, u daarvoor dankbaar -zal zijn.” - -„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?” - -„Wat die daarmede te maken heeft?... Dat zal hij genoeg bemerken. Ik -heb hier een proces-verbaal voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden -wilde; maar nu aan den officier van justitie moet doorzenden. Dat alles -hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.” - -„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet -verbeuzeld heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat -luttele gebeurde vervolgd moet worden? Welnu, het recht hebbe zijn -loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in die zaak op te treden.” - -De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet. - -Verstork stond op. - -„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende. - -„Niets meer, mijnheer Verstork.” - -„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!” - -Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn -schrijflessenaar bleef zitten, was het antwoord op die begroeting. Het -oogenblik daarna daalde Verstork de trappen van het perron van het -residentiehuis af. - -„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij. - -„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor -gemompeld. „Nu die ezelachtige lummel niet tot bijleggen te bewegen is, -zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!... Maar... ik tel menschen -te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige haven -wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de -kluisgaten deden verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen -zullen zitten... Vooruit! Op het einde der baan is het „virtus -nobilitat” te verwerven!” - - - -Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen -thuis bevond,—daar Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens -dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, niet zou komen -eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de -vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident -gebracht. De controleur scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel -hijzelf geen zonneschijn in het hart koesterde, zich genoopt gevoelde, -hem op te beuren en moed in te spreken. - -„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt -mij haast tot de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de -gevolgde gedragslijn.” - -„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met -eenige drift. „Als het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde -wijze te werk gaan. Maar... o, mijne arme moeder! Mijne arme zusters!” - -„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?” - -„Te zwart!... Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik -overgeplaatst, dat ik hier uit mijn werkkring weggerukt word...” - -„Welnu?” - -„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten -eene overplaatsing hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag: -waarheen ik verplaatst zal worden. Dat ik eene lucratieve controle zal -bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen onder den druk -van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk voor -mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.” - -„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel van Nerekool. „In dat geval -zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen -voorspellen.” - -„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten -staat. Ieder ander geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens -eenvoudig ontslagen werd!” - -„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre -van ontslag te verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder -eerlijk man gewaardeerd worden!” - -„Eerlijk man?... Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!” - -Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds -ervaren met wien zijn vriend in botsing kwam. - -„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is -zelfs dat meest gunstige geval niet te ontloopen?” - -„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.” - -„Hebt gij ook kennissen te Batavia?” - -„Kennissen?... Een enkele. De heer Reijnael...” - -„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?... Ja? Wel dan zijt -gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig -verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael, -terwijl ik van mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal -schrijven, die niet zonder invloed zijn. Kom, onverschrokken den strijd -aanvaard!” - -Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard -van Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op -de post bezorgd, die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een -eenvoudigen brief. De aspirant-controleur zag er somber uit. - -„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?” - -„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.” - -„Is er iets bizonders aan de hand?” - -„Bizonders niet. Maar veel drukte!” - -„Waarmede?” - -„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat -zijn ambtsgeheimen. Die mag ik niet vertellen.” - -Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op -Willem Verstork geworpen. - - - - - - - -XXII. - -EENE VENDUTIE WEGENS VERTREK IN JAVA’S BINNENLANDEN. - - -Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal -jonge lieden om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de -voorgalerij van „de Eensgezindheid,” de sociëteit van Santjoemeh. - -Zaterdag avond! Het was sociëteits-avond, en bij gevolg geheel -Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de sociëteit of op het -voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende [148] hetzij -nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar -omdolende, om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker -gemaakt werd door de lieve maan, die vol was, en tegen negen uur reeds -hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke muziek, die ten gehoore -gebracht werd, te genieten. - -In het sociëteits-gebouw zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren, -de deftigen, de machtigen afgemeten en voornaam hun partijtje te -spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten daarvan -daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet -rouwig over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag. - -„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.” - -„En daar rijdt de nog lievere Hermance.” - -„Ho, ho!” - -„Wat een keurig span Persianen!” - -„Wat bedoelt ge? De vier dames?... Ja dat is een keurig vierspan. Of -het echter Persianen zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel -iets voor die meening aan te voeren.” - -Allen lachten. - -„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!” - -„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk -eens, hoe Van Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen -behulpzaam te zijn, en haar den arm te bieden.” - -„Ja, ja!... De njonja van den Kandjeng toean resident!...” - -„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd -Eduard wel.” - -„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van -hare dochter.” - -„He, ja!... Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.” - -„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den -assistent-resident van Karang-Anjer logeeren.” - -„Karang-Anjer in Bagelen?... Drommels, dat is een eind uit de -buurt!.... Maar, is er iets met dat lieve kind?” - -„Van Nerekool heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in -afwachting van de verplaatsing van Karel, zijne dochter zoolang uit de -buurt hebben.” - -„De verplaatsing van Van Nerekool?...” - -In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het -sociëteits-gebouw geweest was, met een courant in de hand naderbij. - -„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman -was bij allen gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de -Santjoemehsche courant in de hand loopt?” - -„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en -daaruit voorlas: - -„„Vendutie wegens vertrek.—Op Maandag den 24sten dezer zullen wij -wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen -heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed -onderhouden inboedel, bestaande uit: Bataviasche en Japarasche -meubelen, waaronder: banken, gewone wip- en luiaardstoelen, tafels, -consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- en staande -lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten, -waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten, -goedang-, keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene -fraaie collectie rozen, crotons en varens in potten en tobben; eene -Bengaalsche koe met kalf, gevende drie flesschen melk; eene groote -partij pluimgedierte, waaronder: beo’s, kalkoenen, ganzen, eenden, -kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed als nieuw; een -goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span -wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte Batakkers. Met -commissiën belasten zich: Gladbach & Co.— - -„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot -half negen rijtuigen van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe -Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde vendutie genieten den -overtocht heen en terug gratis.” - -Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan. - -„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een. - -„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt -tot zijn rijpaard!” - -„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het -geconcentreerd stelsel, dat aangenomen is, heeft hij geen paard -noodig.” - -„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is -geene vacature voor Verstork.” - -„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld -heeft. Maar, heeren, om ieder misverstand te vermijden omtrent die -advertentie, moet ik hier bijvoegen, dat Verstork van die rijtuigen tot -vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.” - -„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap. - -„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog. - -„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?” -vroeg er een. - -Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet. - -„Och, dat staat in verband met die geschiedenis... ge weet wel van die -mooie baboe Dalima met Lim Ho.” - -„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de -doekoen-majoor verklaart.” - -„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.” - -„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop -gedaan?” - -„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits. - -„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?” - -„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te -verschijnen.” - -„Ai... dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je. -Wij zullen je van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar, -heeren?” - -„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord. - -„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik -veroordeeld, welnu, dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie! -Ik noodig u allen om Maandag naar Banjoe Pahit te gaan!” - -„Steeds geschäftsman, die Grenits!” - -„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen -heeft, in de mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven -waarnemen,” sprak Theodoor ernstig. - -„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen -present zijn, nietwaar, makkers?” - -„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op!” - -„Dat is dus afgesproken!” - - - -„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig -relaas, aan Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed -overschat? Of had deze gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij -wist het niet. Ook het beroep, dat Van Nerekool op zijne kennissen -gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende volzinnen tot -antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden. - -De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den -Raad van Indië, waren de leden verrast geworden door de verschijning -van den Gouverneur-Generaal in persoon in hun midden, iets dat maar -hoogst zelden gebeurde. - -„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging -gezegd, „ik heb eene aanklacht van ergerlijken aard van den resident -van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1ste klasse. Ook -is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat -met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is -daarom, dat ik het advies der heeren wensch in te winnen. De resident -van Santjoemeh is een zeer ijverig staatsdienaar, die den lande -uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, vooral als het -zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel -eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, -steeds ’s lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar -mij voorkomt, ook thans weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die -zaak eene zoodanige wending wenschen gegeven te zien, dat zonder dat de -hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon gevoelen, evenwel -beide partijen tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het -verschil tusschen den resident en den controleur raakt den opiumpachter -van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict met dezen te doen vreezen. -Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden -onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren -ingenomen, en dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk -heeft; maar het zou niet onmogelijk wezen, dat een nauwgezet onderzoek, -waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel aan het licht zou -brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de -aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit -zou wellicht uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar -hierbij valt niet uit het oog verloren te worden, dat Lim Yang Bing, -als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het hoofd staat van de -voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed op zijn -rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de -aanstaande opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling -van den pachtschat zou veroorzaken. En,... dat in een tijd als de -tegenwoordige!.... Ja, ik herhaal het, en dat in een tijd als de -tegenwoordige!... Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag -ontvangen, dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade -in de oogen van de Vertegenwoordiging heeft gevonden, omdat de middelen -van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven niet genoeg -besnoeid is [149]. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een -uwer, mijne heeren, geroepen zal worden, om de opengevallen -portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn moge, ik -benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: -de inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de -opiumpacht, wat men er ook over zeggen of denken moge, bij -uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden minister niet te -verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de hand -boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, -een verschil met den vorigen pachtschat van zes ton leveren....” - -De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen -vuur, bij het vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen -van ’s lands kas vergat hij in zooverre de bestaande etiquette, dat hij -den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel. - -„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met -vuur, „en ik meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in -dat geval niet geaarzeld mag worden, om ieder middel aan te grijpen, om -de financiën van den Staat in evenwicht met de eischen des tijds te -brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom wezen bij -een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware -vaderlandsliefde, die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet -wezen. Nietwaar, mijne heeren?” - -De brutaliteit van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare -verregaandheid alle welslagen erlangde. Alle hoofden bogen, en aller -lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, wanneer de Oostersche zon -hunne geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier -slaperig: - -„Ja, Excellentie!” - -De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen -had laten gaan, sprak toen met een zucht: - -„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren -voor hun advies!” - -Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het -Groote Huis te Weltevreden den generaalmarsch, en presenteerden de -manschappen kletterend de geweren voor den Vertegenwoordiger des -Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein in het -bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een -grooten dienst bewezen te hebben. - -En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner -overplaatsing naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur -van Binnenlandsch Bestuur in handen, waarin de hoop uitgedrukt werd: -„dat hij als controleur van zijne degelijke kennis van den inboorling -het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen bevelhebber te -Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der -bevolking te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen -met meer menschenkennis, maar vooral met meer deferentie voor de -gevoelens van zijne superieuren mocht te werk gaan, zullende hij in -gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid meer -te rekenen hebben.” - -„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool. - -„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering -trillende stem. - -„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.... Overgeplaatst -naar Atjeh! Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch -Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! Eene feitelijke degradatie! Is -dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? Onze maatschappij is -rot, ja geheel rot!” - -„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een -deel dier maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele -kuiperijen van de gezachhebbenden. Dat deel heet de rechterlijke macht, -wie het eindelijk gelukken zal het monster van willekeur en onrecht te -breidelen.” - -Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem -Verstork keek hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld -gelaat gleed. Hij antwoordde evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen -rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De toekomst zou zich -daarmede wel in zijne plaats belasten. - - - -Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was, -verkeerde op den gezegden morgen in rep en roer. - -Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen -op de „brengbreng” [150] te ranselen en trok door dat ongewone geluid -de Inlandsche bevolking, rondom zich. - -In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags -te voren aangekomen waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand -te leggen aan het uitstallen van het meubilair, dat straks verkocht -zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, daar eene kast -anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht -gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne -vrienden uit, dat, na het adverteeren, de uitstalling de koopers het -meest verlokt. - -Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het -viertal de vertrekken door, en bewonderde hunne beschikkingen, die -vooral in de achtergalerij, waar het tafelservies, glaswerk en kristal -smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen. - -„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet -meenen zou, zich te midden van het huishouden van een jonggezel te -bevinden. Willem, ik voorspel je eene prachtige vendutie!” - -De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd. - -Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit -een daarvan stapte de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe. -Na de gebruikelijke buiging: - -„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het -verschijnen van het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?” - -„Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!” (misschien, mijnheer; maar, ik -heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen glimlach. - -„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „boleh bekin -broeang!” [151] (gij kunt beeren maken). - -Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep, -maar antwoordde niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede -rijtuig, een ruime tentwagen, was een lid van de firma Gladbach en Co. -met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe. - -„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor. - -„Wat is er?” - -„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op -uwe vendutie te koopen.” - -„Van wien?” - -„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend. - -Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen, -wanneer zij den verkooper goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst -verlevendigen. Hunne onthouding dreigde nu een ramp te worden. Verstork -zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die nu gevaar liep -voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet -door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan -zijne dierbaren daar ginds, die.... - -Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans -volgden de rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens, -milords, reiswagens, dos à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren), -stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning op, en ontlaadden -hunnen last op het perron der voorgalerij. Talrijke ruiters en ook -wandelaars van de naburige landgoederen verschenen, en het kostte den -oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te doen blijven, om -de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te -noodigen naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der -Europeesche samenleving in Indië waren daar vertegenwoordigd. -Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, suiker- en -indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners, handelaren, -assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten, -rechters, procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz. -enz. Het was alsof geheel Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was. -Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. Zelfs was er geen enkel -huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen de resident -Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone -standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar -Banjoe Pahit gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat -bericht, maar innerlijk met verbeten woede. - -De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te -laten weerklinken. - -Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de -ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en -schrijvers van het residentie-bureau. Die hadden geen verlof tot dat -uitstapje kunnen bekomen. - -Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene -bescheidenheid, de Javaansche bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam -minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje te nemen in de woning -van een blanken. - -Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk. - -Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en -plichtplegingen onder elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen. -Het stuitte hem tegen de borst op zijne eigene vendutie tegenwoordig te -zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche priester) met -wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken -had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en -Grenits naar Santjoemeh rijden. - -Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en -Co. den vendumeester eenige woorden toefluisterde, en deze aan een -zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop liet de brengbreng -zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken -volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een -tiental minuten, daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een -aanvang. - -Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie -bloemen in sierlijke potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der -galerij. Die zouden het eerst aan de beurt zijn. - -„Doewablas tampat kembang! Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager, -terwijl de venduschrijver zich gereed maakte de noodige aanteekeningen -te maken. „Siapa taro oeang? Wie biedt er geld op?”. - -„Satoe roepiah!” (een gulden) riep eene stem. - -„Satoe roepiah!... Satoe roepiah!” herhaalde de venduafslager met -langgerekte en eentonige stem. - -„Satoe stengah!” (een en een half) antwoordde eene andere stem. - -„Saatoe stengaah!” herhaalde de afslager. - -„Doea roepiah!... Tiga roepiah!... Ampat roepiah!... Lima roepiah!” -(twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de -opbiedingen achtereenvolgens. - -„Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!” (vijf gulden is geboden) dreunde -de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar de bieders gewend te -hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende. - -„Delapan roepiah!” (acht gulden) riep deze. - -„Delaapaan roepiaah!” herhaalde de echo. „Delaapaan roepiaah, di -tawar!” - -Dat opende weer het vuur. - -„Dan stali!” (en nog een kwartje) bood er een. - -„Delaapaan roepiaah, staali!” - -„Delapan stenga!” (acht en een half). - -„Delapan tiga tali!” (acht drie kwart). - -„Sembilan roepiah!” (negen gulden). - -„Sembiiilaan roepiaah!” - -„Sapoeloeh!... Sablas!... Doeablas!... Tigablas!” (Tien, elf, twaalf, -dertien). - -„Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!” - -„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!” -klonk eene stem. - -„Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!” -(eenmaal). - -„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander. - -„Tiigablaas!... doea kali! (tweemaal). - -„Ampatblas!... Limablas!” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen. - -„Liimaablaas roepiaah, di tawar!” - -„Doeapoeloeh roepiah!” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed -verstommen. - -„Een mooi bod,” mompelde Grenits. - -„Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!... satoe kali!... -Doeaapoeloeoeh roepiaah!... doea kali!... Doeaapoeoeloeh roepiaah!... -tiga kali...” - -Boem! daar viel de hamer. - -„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver. - -„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig -uitzag, en dan ook oud eerste luitenant was. - -„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte. - -„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.” - -„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester. - -„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie -maanden crediet.” - -„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement -nebben.” - -„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie -beveelt dat?” - -„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de -vendumeester. - -„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!” - -„Betaalt gij comptant?... Niet?...” ging de vendumeester voort, „dan -dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten -andermaal geveild worden.” - -De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood -geworden bij die onverwachte en noodelooze beleediging. - -„Luitenant Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit. - -De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier -dan de eerste waren, bracht echter geen rijksdaalder op. Blijkbaar -waren alle aanwezigen onder den indruk van de schandelijkheid, die daar -gepleegd werd. Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras -raadpleegde hij Van Nerekool en eenige landheeren, die in de nabijheid -stonden. Toen het derde dozijn bloempotten zou geveild worden, riep een -breedgeschouderde heer uit: - -„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder -weerga beproefd, die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te -verijdelen. Voor ieder, die op deze vendutie wenscht te koopen en in de -termen valt om borgtocht te moeten stellen, bieden wij ons tot borg -aan!” - -„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet. - -„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?” - -Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen? - -Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht -reeds tachtig gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is -waar Grenits had bij het opveilen van die partij uitgeroepen: - -„Crotons! Prachtige mooie Crotons, [152] waaronder de Adal adal, de -Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op? -Ik zet ze in voor zestig gulden!” - -Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig... tachtig... negentig -gulden! Hooger! Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt -waren. De gelukkige verwerver ontving een algemeen hoerah, en menigen -handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij getrokken -hadde. - -Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten, -spiegels, schilderijen, enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge -prijzen. Het was in waarheid een stormloop, waarbij ieder der -aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men zag -daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de -prijzen zoo hoog liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs -bereikbaar waren. - -In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt. - -„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager. - -Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het -stuk, in Indië met een kwartje goed betaald waren. - -„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager. - -„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik -bij ondervinding!” - -„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat -drankzetje staat eene karaf met bitter!” - -Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig. - -„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem. - -„Welk bitter is het?” - -„Maagdbitter!” riep een sienjo. - -„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh. [153] - -„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten. - -„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je -gezondheid met je pahit prawan!” - -„Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang? Die een koopt, koopt -twaalf! Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!” dreunde de -venduafslager. - -„Een ringgiet!” riep Grenits. - -„Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!” - -„Tiga!... Ampat!... Lima!... Anam!” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk -het achtereenvolgens met de grootste snelheid. Het was den -venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met -het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien. - -„Aanaam roepiaah, di tawar!” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen. - -„Toedjoeh!... Delapan!...” (zeven... acht). - -„Een tientje!” riep Grenits. - -„Saapoeloeh roepiaah!” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm. -Hij had wel andere kunststukken op dat gebied in zijn leven gezien. - -„Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?” (Bieden de -heeren niet hooger). - -„Me dunkt!” prevelde er een. - -„Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali.... -Saapoeoeloeh roepiaah! doea kali.... Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!” - -Boem! - -„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden. -Wat moet de pahit daaruit lekker smaken!” - -„Vooral pahit prawan!” - -„Schenk dan nog eens in!” - -Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde -klapperdop, om zich water in de badkamer mede over het lichaam te -storten, bracht vijf en twintig gulden op. - -De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later, -de venduschrijver het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de -controleurswoning gevaar in te storten door het gejuich, dat onder haar -dak opging. - -„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd; -toen hij daarvan mededeeling kreeg. - -„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!” - -En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits -de hand. - -„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het -oor. - -Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan -boord van de Tambora, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats -moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol nam hij afscheid van de -getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden. - -„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe. - -Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig -mogelijk verzilverd, en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer -groot gedeelte van die som aan zijne moeder af, met aanbeveling niet -roekeloos met dat geld om te springen, daar het wel eens zou kunnen -gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag zijner -maandelijksche toelage zou moeten verminderen. - -Toen de Tambora de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem -van uit een „tambangan” (sloep) op de reede van Santjoemeh na. - -„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en -wischte zich een traan uit het oog. - - - - - - - -XXIII. - -EENE VERHINDERDE LANDRAADZITTING. - - -Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon -[154] te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats -van het gewest de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang -na al het gebeurde, wat in de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een -rijtuig stil, en stapte een man er uit, die op het gezicht van de vrij -talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het luchtige gebouw -bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig het -perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende. - -Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen -was, om op den gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte, -welke zich voor de pandoppo verzameld had, waren meerendeels Javanen. -Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk de aandacht van den -rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger zoo -gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s [155] onder de Wariengien’s -der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw om de -Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij -daar niet dan geboeid of door een paar politiedienaren geëscorteerd, -dus als beschuldigde, misdadiger of getuige. - -Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en -allen wachtten in spanning de dingen, die komen zouden. - -„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn -bij het binnenkomen aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo -ontmoette. - -Deze, een Inlandsch kind, [156] keek bij die vraag eenigszins vreemd -op. - -„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die -menigte hier te zamen brengen?” - -„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de -substituut niet zonder aarzeling. - -„Wat afloopen?” - -„Wel, de terechtzitting, mijnheer.” - -„De terechtzitting?... Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?” - -De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak. - -„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met -haperende stem. - -„Wat er omgaat?... Wat gaat er dan om?” - -De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal -waas verspreidde zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat. - -„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem. - -„De Inlandsche leden.... van den landraad... hebben een brief van den -resident ontvangen,” kwam er hakkelend uit. - -„Een brief?... De Inlandsche leden?... Maar, wat behelst die brief? -Spreek dan toch!” - -„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den -landraad.” - -„Verbod, om met mij zitting te nemen!... Scheelt het u in het hoofd, -mijnheer Thomasz?” - -„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een -pijnlijken glimlach. „Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is -ook....” - -„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?...” - -„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den -hoofddjaksa verstrekt; zoodat...” - -„Zoodat?” - -„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.” - -„Hoe is het mogelijk?...” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge -wat, mijnheer Thomasz. Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede -dadelijk naar die Inlandsche leden, ook naar de Chineesche adviseurs en -naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat zij komen moeten! -Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!” - -„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn -onmiddellijke chef,” antwoordde de substituut. - -„Goed! Haast u dan.” - -Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo -opgewonden op en neer. - -„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en -mocht niet veronderstellen, dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch -had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die ik ben! Toen ik weken geleden -die opdracht van den resident ontving, om de volgorde van de aanhangige -gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg ik wel -inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken -willekeur zou durven overgaan..... Zelfs toen ik acht dagen geleden de -schriftelijke verklaring van den resident ontving, dat ik niet meer -bevoegd was om den landraad voor te zitten, omdat mij een verlof naar -Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke -wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren -berichtte, dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische -rechterlijke organisatie verleende bevoegdheid wenschte gebruik te -maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. Beide -aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde -ze dus niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om -op zoo ergerlijke wijze met de wettelijke bepalingen om te springen. -Want, dwaas is het, een artikel van eene verouderde organisatie, die -vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om afzonderlijke -rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen, -te baat te willen nemen. Maar..... wat is er toch aan de hand?” vroeg -hij zich af. - -En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op -de groene tafel had neergelegd, las hij op de agenda de eerst -voorkomende gedingen, en mompelde zijne opmerkingen daarachter: - -„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!... Arm -volk, dat gedwongen wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie -mag drinken, en zich met het aftreksel van koffiebladeren moet tevreden -stellen!” - -„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in -het openbaar gedragen te hebben.... Bespottelijk, die ambtenaren van -Binnenlandsch Bestuur! zoo iets is heiligschennis in hun oogen!” - -„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd.... -Beter dan het wicht in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa -bij dergelijke ongevallen gewoonlijk gebeurt.” - -„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en.. -ver..won..ding.. van.. een.. po..li..tie.. op..pas..ser..... Ik geloof, -dat ik er ben! Daar gaat me een licht op... En die tweede zaak: - -„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel..... Ardjan!.. de -verloofde van baboe Dalima.” - -En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende -op zijn agenda, gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde -tellen, daarna bleef hij in gedachten verzonken, en bracht den -wijsvinger aan het voorhoofd. - -„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog -zoo met me besproken heeft! En.... overmorgen vertrek ik naar -Nederland.... Maar, neen, de terechtzitting zal heden plaats hebben! -Het koste wat het wil!... Wij zullen zien!” - -Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde. -Hij zou zien, dat de zitting niet plaats zou hebben. - -Zoover met zijne alleenspraak gekomen, ging de deur open, en verschenen -de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste Javaansche hoofden -van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden leden -van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, alsook de -hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de -hand. Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan -Mr. Zuidhoorn medegedeeld, namelijk: dat de resident hen verboden had, -om de zitting bij te wonen. Zij waren evenwel opgekomen, nu de Kandjeng -toean rakker hen opgeroepen had. - -„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke -ambtenaar. - -De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet. -Radhen Ngahebi evenwel zeide: - -„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam -toen van den Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland -verkregen te hebben, het recht niet meer heeft, om den landraad voor te -zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.” - -Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de -Inlandsche hoofden geen woord, dat aan het prestige van den -vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in de residentie te kort -zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; want na -de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede -met een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel” -[157] betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter -zitting verschenen. - -Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan -den voorzitter en de leden van den landraad gebracht te hebben, -mededeelde, dat hij heden ochtend bij den resident geroepen was -geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, de zitting van -den landraad niet bij te wonen. - -„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u, -mijnheer Zuidhoorn, ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo -eindigde hij zijne betuiging, terwijl hij voor zijn chef diep boog. - -„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te -geven. Gij bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij -zelf moet weten, wat gij te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben -stellig van plan zitting te nemen, en daar nu de raad voltallig is, wil -ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats te nemen.” - -Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen -hamer reeds ter hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de -achterdeur van de pandoppo openging, en de secretaris der residentie in -de omlijsting daarvan verscheen. De man was in ambtsgewaad, terwijl, -omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen -residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende -in naam van den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te -verwaardigen, begon de secretaris: - -„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi -Wirio Kesoemo, en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay -en Kwee Lie Liang, hebt als leden, als priester en als adviseurs bij -den landraad te Santjoemeh gisteren een schriftelijk bevelschrift van -den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent verbod om -deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident -gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo -grooten misslag te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet -opvolgen van de bevelen van hem, die de vertegenwoordiger is van den -Kandjeng toean Gouverneur-Generaal, die op zijne beurt te Batavia de -plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari Tanah Nederland dan -Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning -van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat -de Kandjeng toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten -te wikken en te wegen.” - -Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr. -Zuidhoorn uit, alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren -om adem te halen. Zij durfden elkander niet aan te kijken, en zouden -wel in den grond hebben willen verdwijnen. Hoe waren zij er toch toe -gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? Hunne -ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen -zijn? Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die -onafhankelijken, die heetten recht te moeten spreken over hunne -Inlandsche ondergeschikten. - -Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed -der Javaansche grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren -peilen, en hen somwijlen in zijne gedachte met den hond vergeleken had, -die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, had medelijden met hen. -Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag legden, ook -waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met -volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te -wijten, dan aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille -van zijn uitzuigingsstelsel stelselmatig gekweekt had. Na een poos -rondgekeken en afgewacht te hebben, of een der hoofden zich wenschte te -verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de secretaris -ongeduldig nog gevraagd had: - -„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord, -dat ik den Kandjeng toean resident moet overbrengen.” - -„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche -rechterlijke ambtenaar. „Ik, als voorzitter van den landraad te -Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, en de adviseurs in zaken, -dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb heden ochtend -pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. Die -leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de -bevelen van hunnen onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele -verantwoordelijkheid komt op mij neer. Wil zoo goed zijn, heer -secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede te deelen, en -verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet te -vertragen.” - -„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer -om den landraad voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen -hetgeen hier gebeurt, en het voorzitterschap opeischen voor den -resident, die het zelf en heden nog wenscht uit te oefenen.” - -„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat -met u te treden over mijne rechten. Gij kunt aan den resident -antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel niet afsta. Ik wensch mijn -plicht tot het laatst nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u -verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid te ontslaan, opdat hij -zijne werkzaamheden kunne beginnen.” - -„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des -secretaris mond. - -„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris. -Deurwaarder, zorg dat de zitting ongestoord kan geopend worden!” [158] - - - -De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die -boodschap kreeg. In de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij -van het residentiehuis op en neer, waarbij hem de secretaris als een -hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid niet bij kon houden. - -„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die -hoon! Ik zal hem wreken! Maar—wat te doen?... Intusschen gaat de raad -zijn gang, en volgt waarschijnlijk vrijspraak!... Die lui van de -rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar valt mij iets -in.... een kompagnie soldaten.... Ik zal ze met de bajonet als een -troep meeuwen uit elkander laten jagen!” - -Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke -Buonepartsche maatregelen niet erg met het Nederlandsche volkskarakter -strooken,—om den militairen kommandant per briefje te verzoeken bij hem -te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep hij met zoo’n -stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de oppassers en het geheele -dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat er -onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden -heldhaftig hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in -die krijgshaftige houding de dingen af, die komen zouden. Ook de -schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar kokkie de geheimzinnige -bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren -zat, was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare -onbescheiden kabaja trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in, -met den uitroep: - -„Wat is er? Wat is er?” - -Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had -kunnen afgeven, beklom de substituut-griffier bij den landraad de -treden der galerij. Op dat gezicht vloog Van Gulpendam, wel kunnende -bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld niet kunnende -bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig: - -„Wat is er, mijnheer Thomasz?” - -„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is, -en zijne zitting tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.” - -„Wat?... uit elkander gegaan?... Na het gebeurde met den secretaris?... -Hebben de leden geweigerd zitting te nemen?... O, die trouwe hoofden!” - -„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd -zitting te nemen.” - -„Niet?... Wat is er dan gebeurd?” - -„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden -sprak: „Deurwaarder, zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek -het, dat de deurwaarder verdwenen was.” - -„De deurwaarder verdwenen?” - -„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.” - -Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen. - -„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij. - -„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de -secretaris tusschenbeide, „een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn -en de leden van den landraad te sommeeren, het lokaal te ruimen.” - -„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam. - -„Keurt u hem af, resident?” - -„Ik!... Integendeel, maar wat gebeurde er verder?” - -„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de -secretaris voort, „zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem -opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.” - -„En toen?” vroeg de resident. - -„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.” - -„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder -gebeurde?” - -„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier, -„stamelde hij eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen -werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn geen notitie meende te moeten nemen. -Hij liet den hamer neervallen, om de zitting te openen, en verzocht den -hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak in te -brengen....” - -„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam -nieuwsgierig. - -„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude -vrouw.” - -„En verder?” - -„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote -oogen; want de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op -eenigen afstand van den voorzitter gezeten was, was nu op zijne beurt -verdwenen.”~ - -„Verdwenen?” - -De heer Van Gulpendam schaterde het uit. - -„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij. -„Mijnheer Thomasz, gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar -verder? Laat vieren je loglijn!” - -„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der -hulpdjaksa’s werd toen geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te -voren allen in de pandoppo aanwezig waren, kostte het moeite om er een -te ontmoeten.” - -„Dus werd er toch een gepraaid?” - -„Ja, resident.” - -„Hoe jammer!” - -Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks. - -„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk. - -„Hoe dat zoo? Vertel op.” - -„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats -moest vervullen van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige -gepreste zoo’n aanval van buikpijn...” - -„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident opgewonden. „Kostelijk! -Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?” - -„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en -zich in allerlei bochten wrong.” - -„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!” - -„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën -gebogen, op een drafje wegliep.” - -„Met beide handen voor den buik!... Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!” - -„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus -toeknepen. Zij meenden, dat de gevolgen van die plotseling ingetreden -buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.” - -„Stop!... mijnheer Thomasz!... ha, ha, ha!... Ankeren!... Gij doet mij -in katzjammer vallen van het lachen.” - -De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne -ambtelijke loopbaan had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende -aangemoedigd te worden en dus te moeten voortgaan. - -„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.” - -„Niet? Nu loop dan van stapel.” - -„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn. -Dat hadt ge moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en -met starren blik keek hij over zijn bril, dien hij heel laag op den -neus had hangen, den vluchtenden djaksa na, terwijl hij in zijne toga -er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, en hem -zijne barret in den nek stond.” - -„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een -kostelijk verteller, mijnheer Thomasz.” - -De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment. - -„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar. - -„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen -deurwaarder. De zitting kon geen voortgang hebben. De leden van den -raad keken glimlachend op hunne horlogiën, wat eene duidelijke -vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets te -zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te -laten vallen, en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb -ik mij hierheen gespoed, om u bericht te brengen.” - -„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten -goeden tijd uwe toewijding herinneren.” - -En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den -secretaris, die het geheele gesprek met over elkander geslagen armen -aangehoord had: - -„Het doel is dus bereikt!... Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat -alle stukken bij tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad -presideeren.” - -„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking -veroorlooven?” - -„Laat vieren je schoot, secretaris.” - -„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.” - -„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te -branden?” - -„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer -Zuidhoorn uwe bevelen weerstreefd en zoo de zitting van heden -onmogelijk gemaakt heeft...” - -„Verder; loop van stapel.” - -„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten -hebben, niet waar?” - -„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.” - -De secretaris krabde zich achter het oor. - -„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?” - -„Van Meidema?... „Wat heeft die met de zaak te maken?” - -„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij -aanzienlijk. Ik meen, dat hij eenigermate rekent op de emolumenten, -voortspruitende uit de verbeurdverklaring, die noodwendig op het -rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.” [159] - -„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?” - -„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin, -en het is te Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te -komen. Het zou mij zelfs niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat -zoo’n buit zeer goed te stade zoude komen.” - -„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen -verzetten zich daartegen.” [160] - -„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, il y a -des accommodements avec le ciel, en bijgevolg ook....” - -„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift. - -„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo -iets gezocht werd;.... bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de -eigenlijke aanbrengster. Als die nu, om haren Ardjan te redden, haar -aandeel, van welks waarde zij geen begrip heeft, aan een derden -afstond....” - -De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach: - -„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema -niet zeker zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd -verklaarde tjandoe hem lenig als zeilgaren moeten maken.” - -„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt; -maar verlies artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou -er op durven zweren, dat Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want -in het proces-verbaal van aanhaling, door hem als hoofd der -plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, dat de in -beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar -dat de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab, -die onmogelijk dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door -de golven stuk geslagen werd; terwijl de verpakking van de aangehaalde -tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht in aanraking geweest te -zijn.” - -„Staat dit in dat proces-verbaal?” - -„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de -schoenerbrik Kiem Ping Hin in den bewusten nacht op de kust gezien is, -en dat vermeend wordt, dat de barkas van de Matamata jacht op de sloep -van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.” - -„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst -ernstig. - -„Ja, resident.” - -„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar -meer dan hij sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat -proces-verbaal van den heer Meidema, zoodra het op het -residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en verder een der -oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk -bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van -Financiën met betrekking tot die gerezen kwestie met den -Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.” - -Dat was een „gij kunt gaan” in optima forma. - -Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van -1874 op. - -„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij. „Laat zien..... Oho!... -Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de -overtredingen.... En... als ik bedenk, hoezeer Meidema op den avond van -het gebeurde, de waarde van den aangehaalden tjandoe uitmeette, dan.... -ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris in het -ware kielwater is....” - -Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de -voorgalerij op en neder. - -„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij -berokkend door dien Van Nerekool!.... O! als Anna toch gewild had!” - - - - - - - -XXIV. - -OUDERS EN DOCHTER.—GEZAG TEGENOVER PLICHT. - - -Neen, Anna had niet gewild. - -Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek, -tot hunne samenzwering over te halen, en haren invloed op Van Nerekool -uit te oefenen, antwoordde zij even beslist: „nooit!” als Karel dat op -den bewusten partijavond in den residentstuin aan mevrouw Van Gulpendam -gegeven had. - -„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk. - -„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in -deze zaak afhangt.” - -„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière -trachten te bevorderen.” - -„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.” - -„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot -niets.” - -En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij: - -„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne -gedragslijn...” - -„Mijne vereeniging!...” kreet Anna. - -„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den -man, dien zij geboeid heeft.” - -„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te -plegen?” - -„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam. - -„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog wijder maken? Neen, -neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch, -namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De -zijne kan ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten -minste vlekkeloos zij als de herinnering aan een schoonen droom!” - -„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging, -„waarom zou uw geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen -boezem wroeten?” - -„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en -mijn vader zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan -eene vereeniging met Van Nerekool valt niet meer te denken...” - -„Als gij maar wildet.” - -„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne -verlokkingen toegaf, dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder -gevoel bij mij uitgedoofd zijn; want ik zou den man verachten, die zijn -plicht ten offer bracht aan zijne liefde, die eene misdaad zoude -plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.” - -„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader. - -„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet -uitstorten, wat mij bezwaart, benauwt. Zooals ik wensch, dat de -herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet -ook hij verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig, -deugdzaam en strikt rechtvaardig man in mijn hart bewaard blijve. Zou -ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren is, te gemoet moeten -treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven alle -stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen, -ik wil Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!” - -Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn -trilde. - -„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem. -„Ge weigert dus, Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?” - -„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven. - -„Gij bederft zijne carrière.” - -„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.” - -„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.” - -„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders -daargesteld.” - -„Maar waarmede?” kreet Laurentia. - -„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke -voorstellen deden!” - -„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan -komen! Een kind, dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die -ouders onwaard. Ik had besloten, om aan die dwaze liefdeshistorie, die -u compromitteert, een einde te maken, dat gij eenigen tijd te Karang -Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt vertrekken. -Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald -wordt.” - -„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak -met die wijziging ingenomen zijn?” - -„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar -Batavia. Zijne echtgenoote en dochters zijn te Karang Anjer -achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer des huizes nog al -aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een logé -eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn. -Ik ga naar mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk -telegrafeeren. Morgen ochtend vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal -zij door een mijner kennissen afgehaald worden, die haar met zijn -postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal -brengen.” - -Laurentia zuchtte. - -„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,” -zei zij, en toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de -„soesah” (moeite) dan tegen de verwijdering harer dochter opzag. - -„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan -mij over. Morgen ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.” - -„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia. - -„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als -onderdanige dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens -omtrent hare ouders te koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.” - -Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de -hoop op haar gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het -gelaat van Anna, dat wel bleek zag, liet niets bespeuren van wat in -haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, noch overmoed was op die -zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst. - -„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar -zijn kantoor te gaan. - -„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis -verlaten, om daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die -scheiding niet uitgesproken hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.” - -„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne -trotsche dochter? Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten -laste van de kombuis van de familie Steenvlak kan blijven?” vroeg de -resident, terwijl hij in eene uitdagende houding voor zijne dochter -staan bleef. - -„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik -neem voorshands de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet, -hoe innige vriendschap mij met de meisjes verbindt, welke innige -aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder koester. Wat ik later -doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen, -zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure; -nimmer zal ik u lastig vallen.” - -„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder -één cent geld? Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die -wereld?” - -„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten -aanroeren. Gij hebt mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij -nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn onderhoud te kunnen voorzien. Ik -zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in Indië niet, zonder uw -naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat in -straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij -terugdeinzen. En toch... maar dat is van latere zorgen...” - -„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke -plannen geld verdienen hoofdzaak is.” - -„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik -sprak er nooit over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu -evenwel de nood dringt, ben ik tot spreken gedwongen. Het is twee jaren -geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam te Gouda overleden is? -Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg ik een -briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd. -In dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en -haar leedwezen betuigde, dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen, -deelde zij mij mede, dat zij mij per testament 40.000 gulden vermaakt -had, en dat ik bij het intreden van mijn 20ste jaar mijn recht op die -som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer met u te -spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen -verrassen. Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en -deelde mij mede, dat die som tegen 3½ % belegd was in staatspapieren, -die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene niet te gelde mochten -gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij wel niet -weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien. -Aanstaande jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal -kunnen beschikken. En die dan leeft, die dan zorgt.” - -Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander -gezet, dat de beide ouders, het ernstige karakter van hun kind -kennende, begrepen, dat zij hier met een vooraf overwogen en -vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent die erfenis, -welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden -toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed -ingelicht, dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een -beter gevoel begon zich van de moeder meester te maken. Een traan -glinsterde in haar oog. - -„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.” - -„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij -bezwaarlijk nog te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij -dierbaar op aarde was, verloren. Welke ramp zou mij nog kunnen treffen? -Ik tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover -mij geweest is.” - -Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde -iets rauws in zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde -meester te worden. Heerschzuchtig als hij was, verdrong hij evenwel dat -betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter was dan hij, was hem -ondragelijk. - -„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond -verstand in strijd zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te -zeggen hadden. Ik blijf bij mijn besluit: gij vertrekt morgen naar -Karang Anjer.” - -„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te -brengen,” sprak het meisje met een diep besef van eigenwaarde. - -„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen -wezen,” was zijn laatste woord bij het heengaan. - - - -Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond -een tentwagen voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het -was een van die lichte voertuigen, met vier paarden bespannen, waarmede -de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die streken, welke nog -misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden langs -moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer -werd op de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat -valiesje kon niet veel bevatten. Anna had niets dan het hoogst -noodzakelijke uit haars vaders huis willen meênemen, en daartoe had -haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat dit weinige -beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som, -haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren -afgeworpen had. Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene -fluweelen of zijden japonnen, geen kostbaar kantwerk bevatte dat -koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis achtergelaten. Slechts -het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, ziedaar -wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in -geslagen had. - -Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna verscheen in de -voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud -gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens -niets in het oog loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den -hals, en de manchetten om de polsen. Maar zelfs die witte strooken -zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon bij. Niemand vergezelde -haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige verlichting -van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den -tuin en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een -weemoedigen blik rondom haar op die boomen, op die struiken, op die -bladeren, op die bloemen, die zooveel herinneringen in haar brein -opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik was het, of -zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele -beweging der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare -wang biggelde. Zij wierp nog een blik rondom zich, sprong toen op een -struik Devonshire rozen toe, die in een sierlijken pot tegen de -balustrade der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat -aan den boezem, terwijl zij met een snik prevelde: - -„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap -vergezellen!” en was in een ondeelbaar oogenblik het rijtuig -ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde. - -Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig -zwenkte het erf van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en -ijlde met spoed Java’s bergland te gemoet. Anna leunde achterover in -het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan hare droeve gedachten -over. - -Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het -hoofdgebouw der residentswoning, die tot de voorgalerij toegang -verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die al de bewegingen van -hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de oogen van -het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had -haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een -rauwe kreet ontwrong zich hare borst: - -„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!... Waar zooveel -gegevens waren om gelukkig te zijn!... Hoe zal dat alles nog eindigen?” - -Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst -schrikkelijk zou beantwoord worden. - -Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s -binnenlanden, waar verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den -posthouder vergunning, om onder zijne bamboe-verandah een poos te mogen -toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij eene kleine nécessaire -tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik was -zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig -gelaat duidelijk aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde, -hoogst ernstig was. Maar langzamerhand scheen dat onderwerp haar te -vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de diepte harer -borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare -oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier -droppelden. - -Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij -schreef aan Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij -zich bevond, dat schrijven het innigste van haar hart blootlegde, en -alleen bestemd was, om hem onder het oog te komen, voor wien het -bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken zelfs van -eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare -beweegredenen te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar -veel, zeer veel inspanning kostte. - -„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool,” schreef zij, „u -na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, welke -pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij -om mijne hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek -te doen. Deze daadzaken gaven u eenigermate het recht om op een nader -onderhoud met mij aan te dringen, en nopen mij thans ook, om u een -laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, hebt gij een -gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna, -en.... o, vergeef mij... een kind mag de daden zijner ouders niet -gispen;... maar dat gesprek maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn -vader daarmede instemde, eene vereeniging tusschen ons beiden -onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen -huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke voorstellen -deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of -medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is -meer waar dan dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even -fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag bezigen,—als toen ik -met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds voor -mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere -oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren -hebben, de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den -beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen werd voor een daad van -plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als -welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met -achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts -een aalmoes, aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien, -ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat zou mij het leven -tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen. - -„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik -verspannen wordt. Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar -Karang Anjer bij de familie Steenvlak ga logeeren. Mijn vader heeft het -genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal gekomen zijn. Welnu -ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste -stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen -zal? Vriend, dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar -Australië zal trachten te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een -kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen zal, spoorloos -verdwijnen...; want zelfs.... de naam van Van Gulpendam is mij -ondragelijk. - -„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer -genoemd zal worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan -nietwaar zult gij met uw edel karakter nog wel eene gedachte wijden aan -het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich zoo gelukkig geacht zoude -hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie dat geluk -niet weggelegd was. - -„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren -geheelen toestand. Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de -oorzaken, dan gij. Maar, nietwaar, ter wille van mij zult gij die -rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, voor die voorgewende -opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat weet -ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer -het opiumzaken geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt -haar de hand boven het hoofd. Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije -voeten komt, in den poel van ellende verzinken, waarin hare rampzalige -rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig met de -Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn. - -„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik -kan u niet verzoeken mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms -eene gedachte over te hebben, voor haar, die zich slechts met haar -voornaam durft te onderteekenen: - -„ANNA.” - -Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem -behoorlijk verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De -post in die streken werd slechts tweemalen per week verzonden. - -Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de -zon toch reeds ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats -bereikte. Anna nam haren intrek in het eenige hotel aldaar, en na een -weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid als zij was, rusten en -viel gelukkig weldra in een vasten slaap. - -Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim -36 palen [161] dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer -te bereiken. De weg was evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij -tegen het middaguur te midden der lieve familie zat, die hare aankomst -met ongeduld verbeid had. - - - -Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal -onmisbaar, naar het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de -secretaris vertrokken was, had de resident Van Gulpendam gezucht: - -„O, als Anna toch gewild had!” - -Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en -wegende, wat had kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna -verlokt, als gedwee volgeling van het hoofd van gewestelijk bestuur, -tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd worden. - -„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien -noord-wester stoker wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree -brengen! Maar... waarop doelde toch de secretaris met de aanhaling van -dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde hij ook weer?... O -ja... nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.” - -En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien -hij tusschen eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven -zijn schrijflessenaar teruggeplaatst had, bladerde hij daar een poos -met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep: - -„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.... „Alle overtredingen der bij -dit reglement gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn -gesteld, worden gestraft met eene boete van een duizend tot tienduizend -gulden voor elke hoeveelheid van honderd katies opium of daar beneden, -waarmede de overtreding is gepleegd, en een honderd gulden voor elke -katie meer.”.... Drommels!... Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!... -Zoo, komt de stroom uit dien hoek?... Dan zullen wij nog een tuianker -moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht... Maar....” - -„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer -assistent vraagt om den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der -oppassers, den heer Meidema aandienende. - -„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel. - -„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den -heer secretaris, die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.” - -„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten... Ik heb kennis bekomen -van het proces-verbaal omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing -aangehaald, maar tot mijne bevreemding zijn de daadzaken der aanhaling -niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.” - -„Niet, resident?” - -„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden -avond van de aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn -ondergeschikten scherp aankeek. - -„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.” - -„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met -getuigen, dat de opium bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent -gij toen ook te beamen.” - -„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken -meening te weerspreken. Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te -stellen.” - -„En?” - -„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij -neergelegd zijn in mijn proces-verbaal, als hoofd der politie -afgegeven.” - -„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?” - -„Met uw permissie, resident? Dat....” - -„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?” - -De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag -niet, althans hij vervolgde: - -„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.” - -„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne -stembuiging. „Maar ik vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw -onderzoek u geleid heeft!” - -„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond -vreemd. Ik heb dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van -de waarheid,” was het rustig gegeven antwoord. - -„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u -leidde dat onderzoek wellicht tot een andere slotsom.” - -„En dat is, resident?” - -„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten -worden, gemakkelijker van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn, -dan van den armen Javaan, bij wien niets te halen is.” - -„Resident! Die taal!” - -„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij -uit iederen volzin van uw proces-verbaal tegenstraalt...” - -„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. Ik sta daar -geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen, [162] en -weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.” - -„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak -de resident smalend. - -„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij -te wijzigen. Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt, -gepermitteerd. Nimmer is een cent van de boeten of van de verbeurd -verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij niet overtuigd, dat -ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht mij bij -de regeering aan te klagen.” - -„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een -onderzoek gehouden, zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?” - -„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den -beschuldigden Ardjan....” - -„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En -vervolgens?” - -„Vervolgens baboe Dalima.” - -„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal -daarenboven haren „toenangan” (verloofde) wel schoon gewasschen hebben. -Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, dat moet ik zeggen. Hebt gij -er nog meer?” - -„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te -halen.” - -„En?... Kom, zeil zetten!” - -„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der -politieoppassers.” - -„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo -iets mag uw geweten als hoofd der politie niet bevangen.” - -„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook niet gedaan. Toen -mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing -gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan -wal zoude gebracht hebben.” - -„En gij vond niets?” - -„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de -aangehaalde opium te kunnen bevatten.” - -„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab -twee personen bevat hebben. Ardjan en Dalima.” - -„Juist, resident.” - -„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?” - -„Ja, resident; maar ook niets meer.” - -„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was, -mijnheer Meidema?” - -„Niet in die prauw, resident?” - -„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden -hebben, nietwaar?” - -„Dat is zoo, maar het bewijs....” - -„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat -baboe Dalima dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig -is geweest. En niet alleen ik, maar alle huisgenooten kunnen dat -getuigen.” - -„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema. - -„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!” - -„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te -staan.” - -„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!” - -„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen, -behelzende het verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare -gevangenhouding aan boord van den schoenerbrik Kiem Ping Hin, van hare -redding door Ardjan.” - -De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het -was hem, alsof hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet -hem geen tijd om tot verhaal te komen, maar vervolgde: - -„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den -kustwachter Matamata, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten -nacht met de barkas jacht maakten op eene prahoe sajab, waarin twee -personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee opvarenden geschoten -hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding -genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in -die woedende zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die -prahoe sajab, resident, en er was dus geen plaats meer voor die opium! -Daarenboven....” - -„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde -van den schok, die hem getroffen had. - -„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het -wrak lag daar half door het water, half door den modder bedolven, en ik -heb door getuigen laten constateeren, dat de verpakking van den -gesloken opium niet met water in aanraking is geweest. Neen, resident, -mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat vaartuigje aan -wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.” - -De resident zat nog een oogenblik na te denken. - -„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de -hoeveelheid, soort en hoedanigheid van de aangehaalde opium ten -overstaan van den pachter, door eene commissie van deskundigen doen -constateeren?” - -„Ja, resident.” - -„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?” - -„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die -prahoe door het wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen -deponeeren, stukgehakt en verbrand.” - -Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde -binnensmonds: „het lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En -overluid: - -„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?... -Maar om het even. Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer -Meidema, mag ik u een goeden raad geven?” - -„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.” - -„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?” - -„Resident!” - -„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu, -verstaat u met den pachter.” - -„Hoe moet ik dat begrijpen?” - -„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim -Yang Bing is rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op -het punt een goed huwelijk te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet -zien.” - -„Resident!” - -„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in -die opiumzaak uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te -over om uw proces-verbaal van voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel -wat te eenzijdig is, om het onpartijdig te kunnen noemen, te wijzigen.” - -„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede. - -„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk -huisgezin. Er zijn veel eters aan den bak!” - -„Nooit, nooit, resident!” - -„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u -wel.” - -Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een -oogenblik hem na te staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij -hartstochtelijk de tanden op elkander klemde: - -„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak -gezet worden!” - - - - - - - -XXV. - -EVA’S DOCHTEREN EN DE SLANG. - - -Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de -achtergalerij harer woning, zich onledig te houden met het verstellen -van de kleedingstukken der overige kinderen die erg toegetakeld waren. - -„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,” -pruttelde Gesina, een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer -zeer vluchtig kennis maakte, bij gelegenheid van de dans-receptie op -het residentie-huis. „Kijk me dat ding er eens uitzien! De eene mouw -hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont een -winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het -herstellen nog waard?” - -„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.” - -„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde -Gesina. - -„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter -vergoelijking bij. - -„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne -kleeding verscheuren?” - -„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele -manga tegengluurt? O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!” - -De moeder glimlachte over den uitval harer dochter. - -„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief -gezicht opleveren! Het zou bepaald zijn: horre Kees!” - -Mevrouw Meidema bracht dat, „horre Kees” zoo grappig er uit, terwijl -zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde -krabde, dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het -naaiwerk staken om uit te lachen. - -„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons -niet door eene „toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?” - -„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig. - -„Ik vind het idée uitstekend,” kwam Mathilda hare zuster te hulp. - -„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.” - -„En Anna van Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda. - -„Ja, maar Anna van Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven -de dochter van een resident.” - -„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een -assistent-resident, mama?” - -„Dat zou ik denken. Hier, de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en -papa slechts 500 gulden.” - -„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.” - -„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes, -Thilda.” - -„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht. - -„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.” - -„Het is jammer.” - -„Wat is jammer?” - -„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.” - -„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze -over het vele werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk -aardig goedje,” lachte mama. - -„Nu ja, mama... U moogt zoo niet vitten... Een mensch mag wel eens -pruttelen, vooral als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde -Gesina, terwijl zij het hoofdje aan haar moeders borst vlijde. - -„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming -van Mathilda, die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de -bevallige beweging van Gesina met een streelend handgebaar door hare -lokken beantwoordde. - -„Geld is toch nog niet alles!” - -Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het -geconstateerde verschil van tractement tusschen den resident Van -Gulpendam en haren vader. - -„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk -eens, zijn wij niet gelukkig?” - -„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men -in het residentiehuis gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan -ik een zucht niet weerhouden. Arme, arme Anna!” - -„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat -had. - -„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel -mismoed, ja zooveel wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen -regel tegen! Och, och, ik vrees het ergste. Met haar karakter uit een -stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.” - -„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina. - -„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die -zaken betreft. Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare -ouders een huwelijk met Van Nerekool niet inwilligen.” - -„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze -terug.” - -„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief -is zoo akelig droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een -afscheid, een vaarwel voor het leven ware. Zij verzoekt mij, als haar -trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, wanneer hare -wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld -dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen, -om die smart te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!” - -„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder, „het beste wat gij doen kunt, -is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk op hare liefde voor -Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar -vertrouwelinge gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou -zijn aan te raken, en waarbij uwe onhandige hand met het mes in de -smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken zou. De tijd is een -groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet missen. -Ik ken eenigermate den gang der gebeurtenissen... wie weet, of zich -alles nog niet ten goede keert.” - -„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij -die. Gij weet, hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking -heeft, boezemt mij belangstelling in.” - -„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken -niet in haar geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te -moeten houden. Zij heeft daar zeer goed aan gedaan...” - -„O, mama!....” - -„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van -ongerechtigheden, die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje -ongeschikt zijn, en haar hart dan ook hebben doen inkrimpen, en zich -doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar voorbeeld volg... Maar... om -tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo even: geld is -niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene -familie, wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere -gegevens heeft als: gezondheid, aanzien, de eerste positie in onze -maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en die toch het geluk mist. -Neen, geld is niet alles.... En toch....” - -De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te -werken zat, duidde genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet -zoo onverschillig was, als dat „neen, geld is niet alles!” te verstaan -kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, keken haar de beide -meisjes aan. - -„En toch?...” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.” - -„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde -mevrouw Meidema, „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op -zoo groote lasten. Wij hebben zoo belangrijke betalingen te doen; -en...” - -Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle -daglicht beschutte, werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een -verblindende zonnestraal naar binnen drong, die allen deed opzien. - -„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing -vraagt om mijnheer te ontmoeten), sprak een der bedienden. - -„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde -mevrouw Meidema. „Dat weet ge wel.” - -„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan. - -„Welnu?” - -„Hij wenscht de njonja te spreken.” - -Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de -rijkste Chinees van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel -Nederlandsch-Indië, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het -gebeurde trouwens wel meer, dat hij zijne opwachting aan de dames kwam -maken, bij welke gelegenheden hij steeds de eene of andere snuisterijen -had te laten zien. - -„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw. - -In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter -hand genomen. Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche -familie zich zonder toekan minjahit moest behelpen. - -„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap...” - -Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te -geven. Dat zou een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid, -welke die landaard heeft om sommige medeklinkers uit te spreken, -waardoor zij die door andere verwisselen, en hun spreken schier niet te -volgen is. - -„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk. -„Ik hoop, dat ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer -assistent-resident te huis aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten -deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting bij de dames te maken, -eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, dan ook om -haar eene groote tijding mede te deelen.” - -„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen -nieuwsgierig. „Ga zitten, babah.” - -En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij -gehurkt zat: - -„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.) - -De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met -van nieuwsgierigheid schitterende oogen aan. - -„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig. - -„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van de dames ingelicht -zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging. - -„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.” - -„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder -hoogdravendheid, maar met honigzoeten glimlach om de lippen. - -„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig. - -„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge -meisjes zullen pret hebben.” - -„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare -zuster. - -„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees. - -„Een huwelijk?” - -„Een Chineesch huwelijk?” - -„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den -nadruk, dien hij aan zijn woorden geven kon. - -„O, heerlijk!” kreten de meisjes. - -„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema. - -„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.” - -„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld. - -„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij -heb.” - -„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd. - -„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke -gelegenheden door de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden -uitgedeeld worden. En daar de dames de huwelijksplechtigheid zullen -bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, prachtige zijde, die ik -van Nan Hioeng [163] heb laten komen. De dames moeten eens zien.” - -Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den -inhoud voor den verrukten blik der vrouwen tentoonstelde. - -„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden weerschijn),” kreet -Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!” - -„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw -met dikke bouquetten. Als ik de keus had, dan....” - -„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder. - -Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar... -aarzelde. - -„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met -innemend gebaar. - -„Maar... babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken -bij Chineesche huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.” - -„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken -gegeven worden, [164] maar bij huwelijken worden alleen aan goede -vrienden geschenken aangeboden. En ik noem den heer assistent-resident -mijn „sobat baai.” [165] - -„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.” - -„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees -ontsteld. - -„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik. - -„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te -kiezen, wenschte ik den heer Meidema te raadplegen.” - -„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij. -Mevrouw kan mij dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.” - -„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet -wel, dat die voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.” - -De Chinees lachte fijntjes en antwoordde: - -„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot -voorspraak van den bruidegom.” - -„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?” - -„Dat is nog een geheim, mevrouw... Maar ik zal het u maar zeggen. Dan -ben ik van uwe voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.” - -„Zoo... zoo... En met wie treedt hij in het huwelijk?” was de kalme -vraag van Mevrouw Meidema. - -„Met Ngow Ming Nio.” - -„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?... Een mooi en rijk meisje. Ik -feliciteer u wel.” - -„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim -Yang Bing. - -„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag. - -„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen. -Als mevrouw een goed woord wilde doen.” - -„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer -Meidema niets uit te staan, nietwaar?” - -„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen -betrokken is.” - -„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit. -„Daar, babah, steek die stalen maar weer bij u.” - -De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te -zamen, en stak ze daarna in den zak. - -„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.” - -„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.” - -„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.” - -„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den -gezichteinder zag verdwijnen. „Als pa den zoon van den pachter maar wil -hooren.” - -Mevrouw Meidema aarzelde. - -„Als mijne voorspraak niets anders geldt..... Dat wil ik hem wel -vragen,” sprak zij. - -„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht. - -„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel -de Chinees in; terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die -dankbaar drukte. „Ik zal die stalen....” - -„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit. - -„Och, ma!” mompelde Gesina. - -„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda. - -„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,” -haastte Lim Yang Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel, -te verzekeren. „Ik heb de eer u en uwe dochters, en natuurlijk ook -mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid en de -bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort -tot onze goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid -voor de ondervonden eer eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog -minder in. Dat is onze adat. Wie wil daar nu kwaad in zien?.... Dat is -dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, dan kunnen de dames -op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident -bespreken.” - -Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting -meer. En al had die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd -overgebleven zijn, om die te opperen. De Chinees lei met veel haast het -pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde zijn tabeh met nog -eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude komen -om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween. - -Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan, -Gesina met een glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige -plooi om den mond. - -„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen. „Er zal voorzeker -receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen -eene partij geven, dan doen zij het goed.” - -„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte -aan, hoewel de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag. - -Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij -bij te wonen. Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie, -maar dat was ook al. - -„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje -voort, terwijl zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies -die tahi boeroeng. En gij, Thilda?” - -„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een -gevoel alsof dat pakje ongeluk over ons huis zal brengen.” - -„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij -het pakje openrolde. „O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat -zou wat voor u zijn! En die blauwe, dat is de keus van Thilda, die is -ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de mooiste. Zie eens!... -Maar.... wat is dat?...” - -Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke -kleuren goed te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige -bankbiljetten uit het pakje op den grond. De dames zaten een oogenblik -als versteend; want met een oogopslag hadden zij papiertjes van vijf -honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte ze op, en -telde ze: een, twee, drie.... tot tien. - -„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat -pakje komen? Dat ’s eene vergissing van den babah!” - -„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve. - -„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema, -terwijl zij het pakje bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam. -„Vijf duizend gulden!” - -Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste -gedachte was om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug -te geven, en hem met zijne stalen de deur te wijzen. Vijf duizend -gulden!.... Maar, de Chinees was al zoo ver weg!.... - -Vijf duizend gulden!... En moesten de bedienden met die zaak in -wetenschap komen?... Neen, dat kon niet... Vijf duizend gulden!... Die -vertegenwoordigden tien maanden traktement van haren echtgenoot! Zij -streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren vinger... Vijf -duizend gulden!... Van die som konden alle betalingen geschieden!.... -En, wat zou er moeten gebeuren?.... Vijf duizend gulden!... De beeren -betaald, zoude nog wel een sommetje overschieten... Meidema kon dan -eens verlof nemen naar de bovenlanden. Hij zag er in den laatsten tijd -zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht zou hem goed -doen... Vijf duizend gulden!... Ook de knapen zouden nieuwe kielen... - -Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf -opreed. - -„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die -bankbiljetten!” - -Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds -opgerold, en was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede -zij bij het binnenkomen van den Chinees onledig was geweest, te doen -verdwijnen; toen hare moeder haar beiden afnam, en voor zich op tafel -neerlegde. - -Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij -der woning aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit -den zwijmel van booze gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden -mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, voor den man, aan wiens zijde zij -gedurende een groot gedeelte van haar leven rein en onbesproken had -voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, dien -zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had -ter zijde gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles -blootleggen. Hij kon dan handelen, zooals hij zou meenen, dat goed was. -Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne beslissing onderwerpen. - -Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave -vrouw. Toen Meidema de achtergalerij binnentrad, was haar besluit -onwrikbaar genomen. - -De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder -naderde en verwelkomde haren echtvriend. Deze evenwel zag met een -oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep haar met beide handen bij de -schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone oogen. - -„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?” - -„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.” - -„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?” - -„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang -zelfs, dat zij blijven.” - -„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk -gevraagd? Niet? Ik zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht -als zes weken westmousson te zetten.” - -„Maak nu geen gekheid.”— - -„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon -gescheurd? Of de kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis! -Maar, kom... dat alles komt terecht.” - -Alles terecht?.... - -Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam -hem voor den geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer, -haalde eene sigaar uit zijn koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op. - -„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze. - -Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige -trekken, waarbij zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de -tabaks-rook haar in de neusgaten of oogen drong. Zij kuchte dan licht, -boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels eenigszins op, en -kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak zij ze -haren vader in den mond, met de woorden: - -„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!” - -„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde -aangestoken.” - -„Dat’s zuiniger, pa.” - -„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.” - -„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat -ontsiert de lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar -pa, let nu eens op ma!” - -„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.” - -„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.” - -„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.” - -„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog -vriendelijker dan anders.” - -„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?” - -„Wat hij heeft komen doen?...” vroeg de heer Meidema, ietwat -verwonderd. De naam van den pachter had reeds zijne aandacht gaande -gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat er aan de hand was. „Wat zou -hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.” - -„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?” - -„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken -Chinees, nietwaar?” - -„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in. - -„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de -meisjes komen verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de -bruiloft tegenwoordig te zijn.” - -„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar -deerns?” zei hij, terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde. -„Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid is allerinteressants. Ziet ge -daarom zoo ernstig?... O, ja!... vanwege de kleeding... Laatst met de -partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan... -Dat’s last...” - -„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons -geschenken aan.” - -„Geschenken?” - -„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede -bekenden geschenken uitdeelen.” - -„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?...” - -„Neen, geen snoeperijen, maar zijde, om japonnen van te maken.” - -„Zijde!... Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik -ben toch al een tijd in Indië!” - -„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig! -Prachtig mooi! Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.” - -„Eene voorwaarde?... En die is?” - -„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.” - -„Voor Lim Ho!!... Zoo! En wat hebt gij gezegd?” - -„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.” - -„En waar zijn die stalen?... Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!” - -„Zacht wat, Meidema!” - -„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u -omkoopen!” - -„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens -open!” - -De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne -opgewondenheid. - -„Wat is er?... Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit. - -Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte -hij ze op, telde ze, streek ze glad, keek zijne vrouw en kinderen met -strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, in een woesten -vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten -tot een vormloozen klomp te zamen. - -„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van -lusten!” - -En den bediende roepende; - -„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de -paarden voor te spannen). - -Tien minuten later had hij het erf verlaten. - - - - - - - -XXVI. - -AARDIG GEMANOEUVREERD! - - -. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - -„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot -omkooperij!” - -Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den -heer Van Gulpendam besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis -in geuren en kleuren had medegedeeld. - -„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.... Overijling is nadeelig -voor welke zaak ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden -daar in dat pakje gestopt zijn met het doel om u te willen omkoopen?” - -„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij -mij tot voorspraak voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd -van die poging tot omkooping!” - -„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man -is, begaan is met uwe benarde financiëele omstandigheden?” - -Meidema brulde schier van woede. - -„Mijne benarde financiëele omstandigheden!... Wie verbreidt toch dat -praatje? Zeker ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op -zaken had als ik, dan zou...” - -„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de -resident bijtijds. - -„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn -financiëele omstandigheden te bemoeien, en zich te permitteeren aan -mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden aan te -bieden?” - -„Maar, is het wel een cadeau?” - -„Wat zou het anders zijn, resident?” - -„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig -tusschen die stalen zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n -Chinees met papieren geld omspringt. Soms hebben zij eene groote waarde -los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat wanneer gij straks -Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen. -Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?” - -„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek -mijne aanklacht niet in.” - -„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag. -Laat mij het bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in -den koers schromelijk vergist hebt.” - -Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te -stijgen, en in vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de -boodschap: dat deze terstond bij den Kandjèng toean resident moest -komen. - -Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over -onverschillige zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord, -bespannen met het fraaiste span Perziaansche paarden, die maar te -bedenken waren, het erf van het residentiehuis op. Een oogenblik later -werd de opiumpachter aangediend. - -„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident. - -Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad -Lim Yang Bing binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de -heer assistent-resident bij den toean bezaar was. Dat was hem als een -goed voorteeken voorgekomen. Hij meende nu dat die opium-smokkelzaak -van een leien dakje zou loopen. - -Opgeruimd klonk dan ook zijn: - -„Tabeh Kandjèng toean toean!”... - -De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen -had, vervolgde hij: - -„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te -hebben.” - -„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij -werkelijk.” - -De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond. - -„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij -zoetsappig. - -Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd, -en waarin ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig -stukje mede helpen afspelen. - -„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd -van de politie hebt willen omkoopen!” - -„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering. -„Wanneer zou ik dat gedaan hebben?” - -„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.” - -„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem -straks, maar had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo -iets kunnen bedreven hebben?” - -„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?” - -„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen, -zooals ik hier ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en -den toean bezaar te verzoeken.” - -„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een -japon?” vroeg de heer Meidema heftig. - -De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij -begon te begrijpen, en keek den resident beteuterd aan. Maar deze, -tegenover Meidema gezeten, die hem aankeek, vermocht hem geen teeken te -geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen van den -hoofdambtenaar te lezen. - -„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?” - -En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de -schrijftafel van den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde. - -De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen. - -„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling -te lezen!” sprak Meidema opgewonden. - -Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. Hij sprong op -het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga, -ampat,... sapoeloeh!” - -Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij: - -„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen -omkoopen?” - -„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!” - -„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som -terug?” vervolgde de Chinees met honigzoeten glimlach. - -„De geheele som?” - -„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang -gemerkt, dat de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen -is; maar het is toch te erg eene kleine som terug te brengen om mij ten -verderve te brengen en de grootere te behouden.” - -Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem, -maar op teemenden toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke -het gelaat der Chineezen steeds kenmerkt, wanneer zij zich in -tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden, waargenomen kon -worden. - -„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!” - -„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de -Chinees, die zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen -onverstoorbaren valschen lach voort. „Hij wil het grootste gedeelte van -het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar de boeten bijvoegen, -die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig aan -opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim, -maar ik laat den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.” - -Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene -vreeselijke gedachte woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën -waren niet in den besten toestand! Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder -zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde maar zelden een vroolijk -uur! Ja... en... zou zijne echtgenoote onder den druk der -omstandigheden zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid -te zeggen? Had zij hem slechts een gedeelte van de gift genoemd, om te -zien, hoe hij het opnam?... Ja, zoo zal het gebeurd zijn.... Zijne -vrouw, zijne dochters, zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo -verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans tegenover den resident, -die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!... Hij -sprong op. - -„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit. - -„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt, -dan verzoek ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,” -antwoordde de Chinees op denzelfden sleependen, zangerigen toon, met -denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken. - -„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van -Gulpendam op ernstigen toon. - -„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig. - -„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien -van vijf honderd gulden aangeboden.” - -De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop. - -„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem. - -„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord. - -„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor -van den resident uit. - -En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na. - -„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds -prevelde hij: - -„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het -invallen van die bui zal opzoeken.” - -„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim -Yang Bing deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach. - -„Ja, babah.” - -En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees -vertrokken was, tuurde hem de resident na en mompelde: - -„Een leepe vent, die pachter... Ja, die in de opium zit, moet met alle -winden kunnen zeilen.” - -Brieschend kwam Meidema te huis. - -Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt -had. Nauwelijks was hij het erf opgereden, of hij wierp het portier -open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe: - -„Toengoe!” (wachten). - -Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij -aangekomen, waar de dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog -hij op zijne echtgenoote toe, die bij het bemerken van zijn ontsteld -gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep haar bij de polsen, en -met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen. Dat -alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook -opgevlogen waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde. - -„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu, -geantwoord! Waar is het overige geld?” - -„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne -ijzeren vuist in duizend bochten aan zijne voeten wringende. - -„De andere tien duizend gulden!” toornde de man. - -„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield. -„Meidema laat me los; gij doet mij zeer!” - -„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien -duizend gulden zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot. - -„Maar, welke tien duizend gulden?” - -„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!” - -„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de -zaak is.” - -„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten, -die hij steeds geknield voor zich hield. - -„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort. -„Ik heb het geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster -bewonderd. Toen waren er geen bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al -wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak bij u niets weten -wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later er in -bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje -op tafel en snelde heen...” - -„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig. - -„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik -de stalen weer op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de -eerste stalen niet, die wij bewonderd hadden. Daar lette ik evenwel -toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al verrukking Ik lei -een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen -vijf duizend gulden uit dat pakje...” - -„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig, -maar toch aandachtig geluisterd had. - -„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!” -antwoordde het meisje met vaste, rustige stem. - -„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw -uitvorschend in het gelaat. - -Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos, -zoo open en trouwhartig te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich -zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel onmogelijk was, toen alle -drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts aan een rein -geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden: - -„Ja, dat is waar!” - -Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield -voor hem lag, overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst -klemde: - -„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest -liefheb op aarde, kunnen verdenken!” - -En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen -slaande. - -„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?” - -Die vier personen vormden daar voor een oogenblik een groep, die een -beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die dat -heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou -hebben doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een -oogenblik te voren zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen. -O, zij konden zich zeer goed in zijne plaats stellen, en zijne -verbolgenheid begrijpen. - -„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje -stalen mij ongeluk aanbrengend voorkwam?” - -„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot -met een traan in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo -gramstorig maakte?” - -„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij -u geen vijf duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.” - -„O, God! Maar, dat is infaam!” - -„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te -verwachten. Zoo’n wezen is tot alles in staat!” - -„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een -weinig ervaring van het raderwerk in Nederlandsch-Indië had zij wel. - -„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te -doen had, dan kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?... Ik zal evenwel -trachten een schotje er voor te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik -ga snel naar den resident!” - - - -„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.” - -Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam -veroorloofde, toen de heer Meidema hem met al den gloed der -verontwaardiging, die zijne borst doortintelde, het gebeurde -medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met -onverdeelde aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten -luisteren, terwijl soms een zweem van ongeduld met een sarcastisch -glimlachje op zijn gelaat om den voorrang streden. Dat uiterlijke -ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig, dat -toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen, -hij niet zonder hartstocht antwoordde: - -„Eene malle geschiedenis!... Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen, -resident!” - -„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!” - -„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?” - -„Jawel, jawel... maar, het is de vraag voor wien?” - -„Het is de vraag voor wien?... Resident, het schijnt, dat gij mij niet -gelooft!” - -„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens...” - -„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet -gelooft...” - -„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord -laat!” - -Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid -uitgesproken, zooals dat een resident in zijne volle waardigheid alleen -kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder te weeg. -Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten -teeken, dat hij luisterde. - -„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en -werkelijk, dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een -eerlijk man zijt, mijnheer Meidema....” - -De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene -beweging;... maar, hij was vast besloten bedaard te blijven en te -luisteren. De resident vervolgde, alsof hij niets bemerkt had. - -„....Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit... -Tegen u, of... tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van -den resident, van mij, die onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken -moet overzien; en zie dan eens op welke schaal der balans van -onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen. Uw -benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en -schaden uw karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer. -Het is zoo moeielijk aan te nemen, dat iemand, onder zulke -omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar, onwrikbaar eerlijk -kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot. Aan -den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten -te kiezen; aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder -den druk van het kommerlijk bestaan kwijnen. De openbare meening is dus -bepaald tegen u. In die omstandigheden verschijnt de opiumpachter ten -uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden japonnen voor uwe -echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm van -geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan, -zonder dat voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot -zulke aanbiedingen aanmoedigden? - -„Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak -uwer vrouw kwam inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die -voorspraak te verwerven was, dat die voorspraak tot iets nuttig kon -zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt gij van de -bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste maal -ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat -als zeer waarschijnlijk aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is -meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij aan de schuld van mevrouw Meidema -een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks het verhaal van het -betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft, en -dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet -afkeuren; maar wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk -voorkomt; echter mij tevens eene vingerwijzing geweest is, dat gij, gij -in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking verheven geacht -hebt.” - -Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig -brandende oogen op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja -met eene zekere virtuositeit het mes in de wonde omkeerde. De -rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken erger dan de resident, -erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige is de stem -des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne -wederhelft, zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had -gelijk! Maar, dat was helaas, niet het ergste, wat hem zijn geweten -verweet. Die verdenking had hij niet voor zich gehouden! Die verdenking -had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en trouwhartig, -had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest -krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij -medegedeeld, om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren, -tot welke handelingen van woest geweld hij zich in een oogenblik van -onzinnige smart had laten vervoeren! En daar keerde zich het wapen om, -niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar van wier onschuld -hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne -oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord -waren. Zijn blik was niet meer strak, hij was aan dien van het -levenlooze beeld gelijk, van het beeld, dat de kunstenaar, onbekwaam om -den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels zonder iris -begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd. -Deze, onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig -voort: - -„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat uwe echtgenoote, -voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald -heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien -duizend gulden? Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach -voort, „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen -ware, dat aan die betreurenswaardige zaak dien glimp gegeven werd. -Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk -stellen....!” - -Daar vloog Meidema op. - -„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is -onschuldig!” - -„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met -teemende stem. „Laat ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander -alternatief over, dan...” - -De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen -had. - -„Geen ander alternatief dan?...” vroeg Meidema met schorre stem. - -„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!” - -„Resident!...” - -„Bedaar!... Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet: -alweer op uwe financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering, -die in uw proces-verbaal tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles -aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen schijnen, en hoe alles -vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan wijzen, dan -geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken. -Herinnert gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à -propos niet. „Hij wil,” sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het -cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden, en daarbij de boete voegen, -die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als schuldig aan -opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het -opiumreglement in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds -onder het oog bracht, dan zal ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij -op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,” - -De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl -zijn oogen slechts wezenloos op zijn chef gevestigd bleven. - -„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij -zijt het! Misschien wel gij beiden! Er valt hier te kiezen... En dat -spoedig!... Want heden nog wil ik naar de regeering telegrapheeren.” - -Telegrapheeren!... De ongelukkige hoorde alleen dat woord. -Telegrapheeren! Ja, hij wist wat dat beteekende. - -Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd. -Telegrapheeren!... Hij zag zich reeds ontslagen,... door een ieder als -de pest geschuwd,... zijn gezin aan armoede, honger en ellende ten -prooi... In die oogenblikken, als las hij in de gedachte van den -rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende: - -„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.” - -„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos. - -„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met -de stukken van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal -presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,... hier is het,... doet er -mede, wat gij wilt.” - -En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan, -bekeek het met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene -beweging, alsof hij het verscheuren wilde; maar, alvorens de -noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet bewusteloos op -den grond. - -Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer -Meidema, op een stoel in het kantoor, door het geheele huisgezin van -den resident omgeven, wezenloos zitten, terwijl de vloer rondom hem met -stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer sprak van „febris -cerebralis,” (hersenkoorts) en liet den patiënt naar het hospitaal -vervoeren. - -„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste -belangstelling. - -„Zeer gevaarlijk. Als de patiënt niet krankzinnig wordt, zal hij het -hard te verantwoorden hebben.” - -De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag -voor te bereiden, die haar trof. - -Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende: - -„Een treurig bericht. Naar wij vernemen is de assistent-resident voor -de politie W. D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk liet de -ziekte zich aanzien, alsof zij eene variëteit van hersenkoorts ware; -maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen -dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen, -dat hij hier te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia -attonita. De faculteit heeft uitspraak gedaan, dat slechts herstel te -verwachten is van een eenigszins langdurig verblijf in een der -krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek -derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze -resident reeds aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het -te voorzien is, dat het besluit, waarbij verlof naar Nederland verleend -zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is het aan de menschlievende -voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt, passage aan -boord van de Noach III, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt, -voor de rampzalige familie te verkrijgen, en Mevrouw Van Gulpendam -spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar beproefden -met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en -zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de -hoogere ambtenaren zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen. - -„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen -hem en zijn kroost.” - -De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet -erkend worden. Op 14 Juli lichtte de Noach III het anker, en verliet -onder den invloed van den oost-mousson, die met volle kracht doorstond, -met welgevulde zeilen de reê van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de -wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen. Toen de resident Van -Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte, dien -hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij -zoo begaan was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de -reede uitgeleide gedaan, en daar die familie met warmte de hand gedrukt -had, de kleine stip aan den horizon had zien verdwijnen, ontsnapte hem -een zucht van verlichting, terwijl hij binnensmonds prevelde: - -„Aardig gemanoeuvreerd!” - - - - - - - -XXVII. - -SUMMUM JUS SUMMA INJURIA.—VADER EN ZOON VEROORDEELD.—SINGOMENGOLO -VERMOORD. - - -Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met -een der booten van de Nederlandsch-Indische Stoomvaartmaatschappij naar -Batavia, om van daar per Emirne naar Singapore te reizen, en zich ter -laatstgenoemde plaats aan boord van de Irouaddy van de Messageries -maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren. - -De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om -ter hoofdplaats van Nederlandsch-Indië het gebeurde bij de laatste -landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten mede te -deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te -stellen, welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar... tusschen -voornemen en uitvoeren is een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij -ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud te Batavia; maar in dat -tijdsverloop was de Gouverneur-Generaal niet te spreken. Wel was Mr. -Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, dat Zijne -Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er -bleef niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig -derwaarts te rijden. Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe -teleurstelling. Hoewel hij daags te voren aan den adjudant van dienst -getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen had, werd hem -medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige koorts te bed lag, en -niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen bij, -en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den -nanacht eerst ingetreden was. - -Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te -betreuren, en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging -had hij twee dagen zoek gemaakt. Restte hem dus nog maar een. - -Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur -van Justitie, kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te -gemoet. - -„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem -met gekunstelde innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik -had me zoo’n schrikbeeld van uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge -zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, het wordt tijd, dat ge met -verlof gaat...” - -Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had -andere gedachten te verbergen. - -„Dat ik zieker was!... Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen -mijner brieven schilderde ik den toestand ongunstiger dan hij is. En -dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof ga?... Ik verzeker u, dat ik -wel had willen blijven.” - -„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te -doen gevoelen...” - -„De invloed van het klimaat?...” - -„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen -doorbrengen, dan ontstaat er bij den een eene verslapping van -zenuwgestel, soms gepaard met eene verweeking, eene verpapping der -hersenen...” - -„Directeur!... die veronderstelling...” - -„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet -uitspreken. Bij den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene -zwaartillendheid....” - -„Directeur!... Is dat mijn geval?” - -„In den regel blijft de patiënt onkundig van zijn toestand, en is in de -heilige overtuiging, dat hij niet anders handelt dan gewoonlijk.” - -„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag. - -„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl -eene prikkelbaarheid, die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij -dat toegeven, bij een rechterlijk ambtenaar niet gewenscht is.” - -„Maar, directeur!... Ik ben niet bewust.” - -„Quantum est, quod nescimus!” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!) - -„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!” - -„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde -gemoedsstemming toch niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor -het gevolg van innige en warme belangstelling in het rechterlijk -karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later -evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en -gij weet, vooral bij ons geldt de spreuk: mens sana in corpore sano -(eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig -kunnen optreden.” - -Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel -zijner meerderen, nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en -nauwgezet in de doornachtige loopbaan van rechterlijk ambtenaar -werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de kroon op het -werk? - -„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen, -waarin die overprikkelde gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?” - -„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen -dienste!” - -„Ik vraag maar één, directeur.” - -„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.” - -„Welke landraadzaak?” - -„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.” - -„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr. -Zuidhoorn kregelig. „Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en -voorgezeten, dat de vraag, op welke gij doelt, mij gewettigd voorkomt.” - -„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam....” - -„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.” - -„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische rechterlijke -organisatie uit het oog.... Maar, dat is toe te schrijven aan uw -zielstoestand....” - -„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets -te maken. Gij zegt artikel 92?” - -„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij -het nuttig of noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn -gewest gevestigde landraden op te treden.” - -„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt -geen sprake, om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden -in het leven te roepen. Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou -het absurd zijn, dat de resident, een niet-rechtsgeleerde, den -rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om zelf het -bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat...” - -„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst -verplicht eerbied voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge -in ons oog betreurenswaardig zijn; zoolang zij kracht van wet heeft, -moeten wij de hand er aan houden. En... vergeef mij de vraag: hebt gij -dat in het onderhavige geval gedaan?” - -„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?” - -„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is -over uwe houding in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het -prestige van de rechterlijke ambtenaren te verguizen!” - -„Ook de Gouverneur-Generaal?...” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is -dus de reden geweest, dat ik geen gehoor bij Zijne Excellentie heb -kunnen verkrijgen?” - -„Hebt gij om gehoor verzocht?” - -„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.” - -„En...” - -„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie -bedlegerig was.” - -„Ziet ge wel!” - -„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit -gepleegd kunnen worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een -arme Javaan...” - -„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld -worden,” antwoordde de directeur van Justitie met cynischen glimlach. -„Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. Er valt -hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: summum -jus summa injuria! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).” - -Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen -blik voor zich te kijken. - -„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie -op vriendelijken toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel -denkt. Gij vertrekt morgen met de Emirne, nietwaar? Welnu, laat alle -muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en onbekommerd -nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug, -naar ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad -van onze rechterlijke macht kunnen optreden; want weinige juristen -kunnen de vergelijking met u doorstaan. En... vergeef mij, gij zult -begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en... maar nog eene aanbeveling, -voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de -opiumpachters te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn: -imperium in imperio (een rijk in het rijk) en ik voeg er zelfs bij: -malum malo proximum (het ongeluk grenst aan het kwaad). Doe er uw -voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een spoedig -herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!” - - - -De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich -met de sluikopium, te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te -Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan gevonden was, onledig te houden. De -directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam niet ongevallig, -toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke -ambtenaren, er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature -bij den landraad aan te vullen. - -Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks -plaats hadden, en thans door den resident gepresideerd werden, zoo -werden de bedoelde zaken toch van week tot week uitgesteld, waartoe de -tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen meende te hebben. - -Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad had medegedeeld, -dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de djaga -monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van -den schoenerbrik Kiem Ping Hin, op welker getuigenis de beschuldigde -Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te sporen waren, meende Van -Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken af te -doen. - -Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met -eene prahoe sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen -was, dat daarbij door eene sloep van de Matamata jacht gemaakt, en op -hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde opium, -die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet -door hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep -hij zich op baboe Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden -hebben; maar toen door den voorzitter de verzekering gegeven werd, dat -de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis niet -verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene -leugenachtige verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen -kon verzwakken; terwijl bovendien die Dalima thans zelve wegens -opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te leggen getuigenis -moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat alles -aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren. - -Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de -vader van den beschuldigde, ter zake van zijn eigen geding bekend had, -dat de sluikopium, die ten zijnen huize door Singomengolo achterhaald -was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld van den -laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand. - -Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve -pikol tjandoe, gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te -smokkelen, en derhalve onder het bereik te vallen van artikel 23 van -het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan ook tot drie jaren -dwangarbeid buiten den ketting [166] en tot twee duizend gulden boete, -bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke -werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor -elke honderd gulden. - -Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten -arbeidstelling, hetgeen vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig -veroordeelde knarste op de tanden, toen hij dat vonnis vernam. Of hij -een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken verwacht had? - -Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan. - -Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon. - -De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door -eene menigte listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe -zwaar zijne getuigenis bij het geding zijns zoons zoude wegen, de -bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig was van Ardjan, die hem -daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij de sabel van -een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede -een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen -tegenover zijn kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die -verzachtende omstandigheden werd ternauwernood gelet. Zij was niet eens -tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd de -ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van -sluikopium tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee katies, voor de -eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde -sluikwaar, tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost -zonder loon voor den tijd van drie maanden, en ter zake van gewelddadig -verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht -bij de uitoefening zijner bediening gewond was geworden, waardoor -blijkens visum repertum: onbekwaamheid tot het verrichten van -persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen veroorzaakt was, tot -tien jaren dwangarbeid in den ketting. - -Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht -jaren, de ander, schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met -eene geringe straf had geboet kunnen zijn, wanneer de zoo gewone -walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen van opium aan den -lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin niet -tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren -dwangarbeid zou moeten boeten. - -Zou moeten boeten?... Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd! - -Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te -Santjoemeh ontvangen was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was, -alwaar de veroordeelden hunne straf van dwangarbeid zouden moeten -ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende een -stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh -ontlastte, en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen -den omheiningsmuur der gevangenis waken moest, door de verblindende -bliksemstralen en de ratelende donderslagen verschrikt, en ook door den -regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats in zijn -schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren -vuist bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken, -had hij een slag met een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem -bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl ratelde de donder, en plaste -de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, zooals dat in -tropische streken slechts geschieden kan. Van die omstandigheid maakten -de beide veroordeelden behendig gebruik. Lenig en sterk, als een goed -Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader bij het beklimmen -van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden man -aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een -ondeelbaar oogenblik naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den -ringmuur waakten, lieten zich zien. Het weer was ook te bar, om buiten -het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. De regen viel -kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat, -alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van -verlichting geen spoor was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden, -dat in een lantaarn, op een der hoeken van den ringmuur geplaatst, als -een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen lichtcirkeltje -vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist, -toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een -machtige bliksemstraal met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl -schier tegelijkertijd een hevige donderslag vernomen werd, die met dat -krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij dergelijken -electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En, -inderdaad, onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend -geluid, en plofte een hemelhooge klapperboom, die midden door gespleten -was, ter aarde. Van de duisternis, welke na dien schel schitterenden en -verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de beide Javanen, -ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar zij -door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig -gebruik, om het kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken, -en den nabij zijnden dèsa-rand te bereiken. - -Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige -dèsa-bewoners zou de misdaad willen begaan, slachtoffers van het -opium-monopolie aan de gerechtigheid der blanken te verraden. - -Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij -woedend. Op zijne aansporing werd een der schildwachten, die zich liet -ontvallen, dat hij na het vallen van den boom eenig geplons in het -water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord had, maar dat hij -onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was, -welke die gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad -getrokken, en de kommandant bij de gevangeniswacht met veertien dagen -provoost gestraft. - -Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te -vergeefs. Hoewel al de politie-agenten, al de spionnen, en al de -handlangers van den opiumpachter op het pad moesten, en hunne -vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het district -Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang -nauwlettend gadegeslagen; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden -angstvallig, maar sluw overal gevolgd, het gaf evenwel niets. Eindelijk -kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, niet alleen niet naar -Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh -verlaten hadden. - -Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de -herinnering uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het -geheugen teruggeroepen werd, door een voorval, dat wel geschikt was om -tot nadenken te stemmen. - -Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien -medegedeeld, dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te -zijn, dat hij uit vrees voor uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet -wilde ontwikkelen; maar voor dien avond de hulp van een paar -handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op een -ontdekkingstocht moesten vergezellen. - -Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets -meer te weten. De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen -bereikt kon worden, door stipt geheim te houden, wat hij te weten was -gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren zijne gegevens lang niet -boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, dat hij op -een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat -het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was. - -Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem -toegevoegd waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter -raar te moede, toen hij zijn getrouwe den volgenden ochtend niet zag -verschijnen. Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt -iederen morgen rapport kwam uitbrengen over het verrichtte in de -laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in het volgende -etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem -stellig verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen -te vernemen. Hij wachtte, wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen -werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij liet haastig zijn milord -aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis. - -„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing -haastig, en zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen -landaard zoo eigen, het kantoor zag binnenkomen. - -„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.” - -En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie, -waar Singomengolo op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet, -nu de bandoelan nog niet terug was. - -De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren -uit het district Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er -ketjoepartijen [167] in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar -dat bericht was zoo vaag, had zoo weinig steun; terwijl de nieuwe -controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht in handen gesteld -had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district -heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van -onrustbarende verschijnselen voordeed; dat, wel is waar, de landrente -traag vloeide [168] maar dat integendeel de andere middelen van -inkomsten een beter aanzien hadden, die op bestaanden welvaart wezen; -zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, aangenomen -kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor -de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te -voorzien was, dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis -aanzienlijk zoude vermeerderen. [169] - -Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de -grondslag, waaraan de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den -welvaart en den geest van tevredenheid ontleende, zoo valsch mogelijk -was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, had het hem -voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen, -wanneer de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den -bedoelden landheer was dan ook in heusche bewoordingen te kennen -gegeven, dat hij door zijne berichtgevers misleid was; maar, werd de -aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden van -onrustbarende tijdingen had te onthouden. - -Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot, -terwijl hij met Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben -kunnen verklaren. Hoe zou ook de late terugkeer van Singomengolo,—want -anders kon het nog niet genoemd worden,—in verband staan met die -ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering gehad -hadden? Dat was immers niet denkbaar... Hij antwoordde den Chinees dan -ook: - -„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer -voor moet komen, dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal -verlaatten.” - -„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo -goed getroffen, dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.” - -„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident. - -„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat -de dèsa-bewoners de politie behulpzaam moeten zijn.” - -„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?” - -„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng -toean; maar ik heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene -hinderlaag gevallen is.” - -„Welnu, het zij zoo!” - -Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de -omstreken van Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren -reeds op het punt om uiteen te gaan, en de politie-oppassers om naar -Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps een visscher mededeelde, dat -hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken had meenen te -bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van -den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch, -evenwel vlak bij den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een -zijner Chineesche handlangers, beiden met krissteken zoodanig -doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten volgen. De andere -Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke -wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij -dadelijk hulp had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies -plaats gehad, dat alle hoop moest opgegeven worden. Toen de -bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog flauw de oogen, -prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte -kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet -eindelijk een diepen zucht uit, en.... was niet meer. - - - - - - - -XXVIII. - -CORRESPONDENTIE. - - -Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij, -na de varkensjacht in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de -gezellige rijsttafel vereenigd gezien hebben, eerder in zijne gevoelens -jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, hoewel een lid -daaraan ontvallen was. - -Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd, -hij leefde in aller herinnering voort, en maakte meermalen het -onderwerp der gesprekken uit. Evenwel, dáárdoor bleef de band niet -alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie wakkerde de -vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield -hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de -gebeurtenissen, die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen -min of meer eene rol bedeeld was. - -Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik -van weifeling ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot -het vriendenclubje, maar die te bovengekomen was, toen hij de cynische -ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, Verstork omtrent zijn -vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden invloed -op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit -in de vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk -verwaarloosd, de teelt van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde -hetzelfde lot. Contractbreuk met de in het district aanwezige -landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo nijvere -bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te -verrichten. In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en -eene vreeselijke toekomst te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en -de pandjeshuizen floreerden, en leverden groote baten aan de pachters -van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche schatkist op. Om -aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren, -werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig -voor; ja er werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden, -en reeds een begin van uitvoering zouden erlangd hebben. - -„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij -weet wel: de ellendeling, die in de zaak van de amokhpartij te -Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de -nabijheid van Moeara Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord -geworden. Ik heb alle redenen, om hierin iets meer te zien dan de hand -van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel is; want op het -lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden -gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars -niet was. Eene andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken -geeft, is, dat bovendien bij Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden -werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt overeenkomen met de beide -doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang Pringapoes -in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de -opiumpacht een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul -af. Gij zult u nog wel herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo -geheel onverdeeld dacht. - -„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district -verlaten hebt! En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een -gerucht, dat de landrente verhoogd [170] en de overige belastingen voor -de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders -gelegd zullen worden. Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm -van gedwongen cultures, onder den vorm van heerendiensten, onder den -vorm van landrente, onder den vorm van belasting op het zout, onder den -vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting op het -geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van -speelholen, onder den vorm van lombarden, onder den vorm van.... Hel en -duivel! alles te zamen om den Inlander zijn laatste en zoo zuur -verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, waar moet dat heen? -Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar zeer -zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is -geen op zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in -de grondoorzaken, als type voor dien van geheel Java gelden....” - -Zoo verhaalde August van Beneden den gemeenschappelijken vriend de -incidenten, die bij de gedingen van den Javaan Setrosmito en van Baboe -Dalima opgeworpen werden. - -„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van -bestuurswege moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat -in die twee gedingen toe te laten. En gij zult nooit raden waarom. -Omdat ik als getuige in beide zaken zou kunnen moeten gehoord worden. -Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken kunt; ik liet mij -niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris uit den -raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne -verklaring: dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te -getuigen had, en dat ik in beide zaken geheel belangeloos optrad, en -nadat ik en de officier van Justitie verklaard hadden ons -onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen, -geconcludeerd: dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden; -maar dat, wanneer mijne getuigenis onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet -onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let goed op die overweging, -Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard heb voor -mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te -hebben, en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden -geacht moet worden, zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een -zijdelingsch moreel belang te hebben bij het vrijspreken mijner -cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in allen deelen -onpartijdig getuige in den zin der wet. - -„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en -jurist gesproken, in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat -grondbeginsel eens consequent toepaste omtrent getuigen, vooral in -opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans, -opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst -allooi, te wraken? Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de -opiumpachters ontvangen, en daarenboven materieel belang onder den vorm -van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen en op -te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen -in allen deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan -onze rechtspleging, vooral ten opzichte van Inlanders bij -opiumprocessen, ontbreekt nog veel! - -„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den -landraad berecht worden. Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank -gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde zaak als verdediger -optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer zij -mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te -Santjoemeh, en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren. -Gij zult mij vragen: waarom die behandeling zoo? Luister, en neem -daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te rade ben gegaan, alvorens -tot dat besluit gekomen te zijn: - -„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in -beide zaken, op geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk -meende ik, dat die gebeurtenis een gunstigen invloed op den gang dier -gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, dat de bandoelan zijne -verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft afgelegd, -zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu -het groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan -geconfronteerd worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede -woordenwisseling, die ik tusschen hen zou uitgelokt hebben, het noodige -licht zou ontstoken, en mij de gegevens in handen zoude geleverd -hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden ter zake van -zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van -de dochter te bewijzen. - -„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig -onderzoek voor den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de -afwezigheid van baboe Dalima in den bewusten nacht niets afwist, zoodat -het vast staat in het geding, dat het Javaansche meisje met -onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij -zult u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze -zwijnenjacht er op beriep, dat zij verlof van de njonja en van nonna -Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of die dat zouden kunnen -getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw Van -Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis. -De residentsdochter is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang -Anjer vertrokken, om bij de familie Steenvlak eenigen tijd te logeeren. -Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou plaats hebben, deelde de -resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij -daar bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf -houden. Maar het gekste is, dat onder de passagiers van al de -vertrokken schepen in de laatste maanden de naam van mejuffrouw Van -Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê gemeente van -Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles -hoort, alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het -minste resultaat; terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het -vertrek van zijne dochter ter sprake brengt, zich met eene zekere -luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal opdischt, -waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap -in gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou -vertrokken zijn, om van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand -gelooft er iets van, vooral niet, omdat de resident nimmer den naam van -die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen geweest, die -aan de firma Acraman Main en Cie te Adelaïde hebben getelegrafeerd, -maar bericht hebben gekregen: „Not to have heard anything of the -arrival of three ladies from the Dutch East-India,” (niets vernomen te -hebben omtrent de aankomst van drie dames van Nederlandsch-Indië). Van -Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar -Karang Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve -meisje, dat hij steeds met hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel -onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel schrijven, en u op de -hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds -gedaan. - -„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht -staan. Toch geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om -die ongelukkigen te redden. Ik heb eene reden te meer, om er mijne -aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe Dalima in belangwekkende -omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad van Lim Ho -niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten -zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die -gepleegde misdaad, zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min -mogelijk aan te roeren: maar de weldenkenden zullen zich moeten -beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand te reiken, wanneer -zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling haars -vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident -Van Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare -diensten als baboe of bediende aanvaard zullen worden. Maar... komt -tijd, komt raad....” - -Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting -van Ardjan en Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en -schilderde de niet geringe ontsteltenis, die deze gebeurtenis in -officiëele kringen verwekt had. - -„Hoe onverschillig de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook -behandelt, wanneer zij ter sprake komt,” schreef de jeugdige koopman, -„blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid de vluchtelingen -opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen -van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare -taak te kort schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers -vermoord, maar niet beroofd zijn geworden, heerscht werkelijk angst in -de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld geworden, dat de -pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik -kan dat evenwel pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de -twee schildwachten voor het perron van den Grooten Heer op en neer. De -kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele soldaten verzekerde mij -zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis -niet ontzegeld is. [171] Dat is gelukkig ook; want, wanneer die -dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij mijns bedunkens -gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen. - -„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn. -Hoewel niet binnen de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene -gruwelijke onbillijkheid verhoed. Want de vader werd door de zedelooze -handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen tot zijne -onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde -opiumsmokkelarij geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het -geheele publiek dat weet. - -„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie -behandeld worden. Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie -heb ik bekend, dien man twee klappen toegebracht te hebben. Die -bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht van den -beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op -raad van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen; -ten einde de arme Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring -van den geneesheer, dat geene gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid -gepleegd werd, is de mishandeling van het slachtoffer niet rechterlijk -te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht bijwoonden, van -de gepleegde misdaad overtuigd; maar.... maar, wanneer zal toch eens -gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?....” - -De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den meesten indruk, hoewel -hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen van -de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde -het verdwijnen van Anna van Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop -gevolgd was. - -„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef -hij, „alles is te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare -ouders alle mogelijke maatregelen getroffen waren, om eene samenkomst -te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig geweigerd mij te -ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij te -waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was. -Zij is vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van -haar..... maar Willem, een brief, die mij alle hoop benam. - -„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van -menschen, die u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen -tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig mag geacht -worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik -gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking -in mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner -ouders onbekend was. Maar.... den man steeds voor mij te zien, wien de -noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, -wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de -gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat -ik hem als prijs voorgeworpen werd voor eene daad van -plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij als -welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor mij met -achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts -eene aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien; -zie, Karel, dat zou mij het leven tot eene hel maken en zijn -weeromstuit op u niet missen.” - -„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt -daarin tevens zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den -gelukkigsten en tevens tot den rampzaligsten mensch heeft gemaakt der -aarde. - -„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer -ouders; maar juist daarom wordt zij mij te meer dierbaar, als dat -mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin in het volle -licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een -ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de -samenkoppeling van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele -telg gesproten is? Hoe komt het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin -zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? Allemaal raadsels, die voor -ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, dat de schuld -der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn... - -„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde -voor het reine wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal -dat alles leiden? Dat vraag ik mij veelmalen ernstig af; maar moet -daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet gevonden heb. Ik deins -soms voor mij zelven terug;... want ik begin veranderingen in mijn -gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden. -Worden die veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna -ondervindt? Zouden die ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals -bij zoovele mijner medemenschen, een ongestoord verloop had gehad? Ik -durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat ik mij vroeger van -het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans in -mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach -betrap, wanneer ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de -vrouw meer een etherisch wezen gelijk was, dan wel eene natuurgenoote -van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan zijn en hartstocht kan -inboezemen. - -„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele -leven. O, dat is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in -mijn binnenste loeien. Bij tijden stijgen brandende verlangens in mij -op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die zoo fiere maagd, -welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor mij -maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en... ik verheel het niet: er zijn -oogenblikken, dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij -zelven de belofte afleg, dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil, -dat ik haar zal bezitten! En, dan is, helaas! in die uiting, niets -teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is het de -hartstocht, die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige -opwelling van den onbeteugelden natuurmensch, die zich op het voorwerp, -dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig tracht te werpen. - -„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen -geschreven. Ik heb haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar -bezworen, haar hart niet voor mij te sluiten. Ik heb haar gesmeekt, -gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden niet eeuwig mijn -aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in -mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering -ontstaan, daar eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel -geen aanzienlijk vermogen nagelaten had, maar toch groot genoeg, om -onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik zou wel eene -plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de -woonplaats harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar -ondragelijk zijn, welnu dan stelde ik haar voor, te zamen naar -Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt kunnen treden, en stil -en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn kunnen -leven. - -„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar, -vriend, ik bekwam geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet -ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte een vastgenomen besluit, waarvan -zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven in hunne enveloppen, -en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich niet te -vergissen, het was hare hand. - -„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste -spanning. En toch kon ik door de massa werk, waarmede de raad van -Justitie overladen is, Santjoemeh niet verlaten. O, ik was zoo gaarne -naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er in geslaagd zoude zijn, -om Anna de toekomst minder somber te doen inzien. - -„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de -enveloppe in handen had, overviel mij reeds een soort van angst. En, -werkelijk, het adres was van eene andere hand. Haastig scheurde ik den -omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende brief, waarbij evenwel -een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden -voorkwamen: „Anna van Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.”” - -„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna -heeft Karang Anjer verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij -in te lichten, waarheen het dierbare schepsel vertrokken is! Wie had -die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag ik met een -oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift -was regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was -iets zachts, iets teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest -het schrift eener vrouw zijn! Maar, van wie? Dat moest ik weten. Ik had -rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. Maar, hoe weg te -komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend -van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het -verkrijgen van verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet, -en gelukkig ook; want voorzeker zoude dan later op mijne gangen gelet -zijn. - -„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld. -Congesties, gepaard met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid -onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig was, maakte mijn geneesheer -zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen, -die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een -eenigszins voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn -herstel noodzakelijk achtte. Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was, -toen hij die uitspraak deed. - -„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo -kalm mogelijk. - -„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.” - -„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig. - -„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?” - -„„De assistent-resident aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl -ik onder de beheerders der landbouwondernemingen in den omtrek -verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.” - -„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik -meen op 2200 voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk -zijn.” - -Hij teekende het noodige bewijs, en.... reeds twee dagen later zat ik -in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, gij -weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van -Karang Anjer. Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de -zekerheid, dat ik licht in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds -reactie in? Zoo veel is zeker, dat ik mij als herboren gevoelde, toen -de reis begon. - -„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor -mij uiterst belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok, -mij hebben kunnen boeien. Ik trok toch over het ruim acht duizend voet -hooge Prahoe-gebergte, daarna over het Diëng-plateau, dat klassieke -vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker Frans Junghuhn zoo -meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng -Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende -solfatara’s en ziedende heetwaterwellen; langs den Telerep, dien -verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende uitbarstingen, wat -krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt; -langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep -ingezonken en door hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste -waterbekkens vormt der geheele aarde; en verder langs de westelijke -hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten en regelmatigsten -van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op bijna -tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te -Wonosobo aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden, -voor al die natuurwonderen, die in den vorm van piramidale vuurbergen, -van grillige bergruggen, van steile en hemelhooge rotswanden, van -woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, van -verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van -schilderachtige dalen, van schrikkelijke ravijnen, van donkere -afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke koffie- en -theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna! -en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.” - -„„Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was -mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet tot den automédon, die toch -al reeds zijn best deed, en zijn lange zweep met onbarmhartige -behendigheid hanteerde. - -„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog -lang niet! - -„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den -assistent-resident van Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik -behoef dus daarover niet uit te weiden. De reis had ook den meest -gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; maar, toch -zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang -Anjer mocht en kon ondernemen. - -„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en -gaf hem te kennen, dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen, -bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s hoofdplaats, wenschte te -vermijden. - -„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over -Kaliwiro, Ngalian, Peniron en zoo naar Karang Anjer.” - -„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere -gemakkelijkheid, waarvan hij sprak, daarop doelde. - -„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort -den afstand ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te -leggen. Het wegenstelsel hier is zeer goed te noemen; maar in het -innerlijke der residentie is het slechts te paard te berijden. Daarbij -hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander zoodanig, dat -zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige -kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de -onmogelijkheden zou behooren.” - -„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat -gunstige klimaat doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen -niets meer te bespeuren was, ondernam ik den tocht, die niet van -moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; maar het -ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het -daarachter gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna -andermaal te beginnen. Het paard, dat Kleinsma mij bezorgd had, was een -uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, in weerwil van dat -terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg -bergopwaarts, dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd te -zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al -te steil, dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in -stevigen stap, die den meest wakkeren voetganger deed achterblijven. - -„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van -den assistent-resident zoo mogelijk een nog beter rijdier van den -loerah dier plaats. Zoo trok ik over het Bessergebergte, [172] over de -uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak- [173] gebergte, en -kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan. - -„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne -Anna niets vernemen. Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt -mij de moed om voort te gaan.” - - - - - - - -XXIX. - -VAN NEREKOOL OP VERKENNING.—EENE VRIJSPRAAK. - - -Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te -Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, -beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van -haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet -ontvallen, omtrent hetgeen van Anna van Gulpendam geworden was. Hoe de -rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw -wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare -lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die -antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. -Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het -meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar -zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een -genomen besluit. - -„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in -dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, -hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles -beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de -oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden -daarstellen.” - -„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden. - -„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. Neen, van een -huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij -er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts -een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, -wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een -reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen....” - -„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk -in de rede. - -„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar -persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te -kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten -zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat -niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, -die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen -hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude -verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou -wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude -ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al -ondenkbaar.” - -„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om -naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om -ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam -Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en -dan, dan... geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander -gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een -compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn -mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, -hoezeer ik haar wonden zoude; en... vergeef mij, daartoe heb ik haar te -lief en zal ik haar immer te lief hebben.” - -„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar -zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou -moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare -dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar -geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling -gedaan.” - -„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds -mijne brieven ongeopend terug.” - -„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd -lijden bespaard... Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om -de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.” - -„Mevrouw!...” - -„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar -Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe -zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?... Gij hebt er zelfs -niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten -maken! Te zamen?... Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en -fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij -dien brief niet gelezen heeft.” - -„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden -toestand neêrlei?” - -„Wat bedoelt ge?” - -„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare -familie, ten huwelijk begeerde?...” - -„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met -hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,... dat wil zeggen: -met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed -zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, -waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak -zoude hebben... Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen -maken... Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen -persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de -rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene -vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken -heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het -ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, -in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom -tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de -vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens -plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam -leven zijn.” - -Karel van Nerekool had zich bij die uiteenzetting door mevrouw -Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden -sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de -hand. - -„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich -bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.... Zeg mij, -waar zij is?” - -„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar -vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden -medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen -gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou -haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? -Dat kunt gij van mij niet verlangen.” - -„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?” - -„Eenvoudig, om vergeten te leven.” - -„Wellicht om te hu....” - -„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat -eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u -afgewezen; zij zal nimmer huwen.” - -„Maar, wat wil zij dan?” - -„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij -hoopt, dat niet lang uitblijven zal.” - -„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt. - -„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid -van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.” - -„Mevrouw, gij beangstigt mij.” - -„Ik deel u de waarheid mede.” - -„O, zeg mij, waar zij is?” - -„Nooit!” - -„Is zij op Java, is zij in Indië?” - -„Ik zeg niets.” - -„Is zij naar Europa?... O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede -onzekerheid.” - -„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!” - -„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?” - -„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven...” - -„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand....” viel Van Nerekool -in. - -„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, -dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.” - -„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, -terwijl hij de woning uitstoof. - -Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij -den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde -dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna -wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean -bezoeken bij de radhen ajoe [174] afgelegd. Maar, zij was vertrokken, -zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij -reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh -teruggekeerd was. - -De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de -loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den -mandoor (opziener) van de paardenposterij [175]; maar nergens, nergens -ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de -menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, -en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest -waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat -men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken -was. - -Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s [176] aanzitten -en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna -menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: -„Botten, ndårå!” (neen, mijnheer). - -In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde -onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van -Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port -Adelaïde gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een -reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; -anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats -scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige -gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt -hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene -vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar -hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten -door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid -van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en -zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender. - -Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de -assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische -stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een -vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In -maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de -booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië -bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de -Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. -Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna -vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al -als een verzinsel beschouwd worden. - -Eindelijk keerde Karel van Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo -terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, -dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk -luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar -hij zoowel door August van Beneden en Leendert Grashuis, als door -Theodoor Grenits en Eduard van Rheijn ontvangen en verwelkomd werd. - -„En?....” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken -welstand van Karel van Nerekool geconstateerd hadden. „En...?” - -Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het -wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den -gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven. - -„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen -spoor!” - -„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits. - -„Gij ook niet?” vroeg Karel. - -„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van Nederlandsch-Indië -gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden -de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de -beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen -vertrokken is.” - -„Zoodat, volgens uw gevoelen?...” vroeg Karel. - -„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet -verlaten heeft.” - -„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn. - -„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool. - -„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te -nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, -zonder medeweten van vader en moeder.” - -„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om meê te -gekscheren,” zei Van Rheijn. - -„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot -weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool. - -En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de -kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen. - -„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo -eindigde hij de mededeeling. - -„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende -Van Beneden. - -„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een -ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen -geven. Alles, alles te vergeefs!” - -„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te -laten,” sprak Grashuis. - -„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik -gevoel mij diep ongelukkig.” - -„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De -zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet -verminderd.” - -„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die -uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.” - -„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet -verschijnen,” zei Grenits. - -„Gij?” - -„Ja, in zake Mokesuep.” - -„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.” - -„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat -is zoo erg niet.” - - - -August van Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den -raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 -veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch -ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan -iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, -waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking -genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan -den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en -waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in -bescherming te nemen. - -Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, -uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: -terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware -hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de -gevonnisde de geschandvlekte niet. - -Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van -baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende -het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde -zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had. - -Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de -getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep -weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring -afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den -nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend -naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij nog mededeelde, dat zij haar eene -voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, -alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en -bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat -zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet -had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast -te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje -gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige -onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van -eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon -zijn. Ook het visum repertum van den eerstaanwezenden officier van -gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en -constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig -bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de -demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de -getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. -Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, -van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima -klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien. - -Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, -over. - -Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. -Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den -sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd -kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur -Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging -en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s -bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) -en een zuren reuk (bahoenja ketjoet) [177] had, en derhalve beschouwd -werd, als niet afkomstig te zijn van den opiumpachter. Toen evenwel het -bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho -vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met -de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt -had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te -veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste -deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de -bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde. - -Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet -geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen -fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om -getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, -dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en -trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische -beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van -walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. -De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt -bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht -moesten worden. - -De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was -dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene -straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor -den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in -overtreding bevonden [178]. - -Tegenover dat requisitoir wees August van Beneden er evenwel op, dat -het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook -door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, -zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens -vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die -twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den -koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in -getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit -punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in -herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding -schuldig te doen verklaren [179]. Ten slotte viel hij het -proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en -verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het -afgegeven was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die -slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van het product waren -afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van -den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de -grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend -verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden -eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig -van denzelfden pachter [180] aan te toonen. - -De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. -De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe -Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar -mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling -met verwijzing van den lande in de kosten. - -Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo -uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen -aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en -gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem -begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was -men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang -Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke -rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had. - -Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo -ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor -het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap -toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een -anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een -talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een -ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van -troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van -Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het -arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen -gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste -jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar -te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen -wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte -den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare -moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt -natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder -valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig -bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, Karel van Nerekool kon -haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer -vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was. - -„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij -nadenkend. - -Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna -bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den -goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, -en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden -der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds -was de woning van den jeugdigen koopman bereikt. - -Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast: - -„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef -Champagne!) - -En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende Veuve Cliquot in de -hand, en bracht August van Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe. - -Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, -en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van -teleurstelling niet bedwongen worden. - -„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten -wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten -gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den -landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is -van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft -gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de -onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in -Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?” - -„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. -„Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij -hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat -stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het -bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! -Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden -verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam -niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.” - -„Die ellendeling!” bromde van Rheijn. - -„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals -zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde -meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland -mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar -mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van -daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen -hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger -opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt -zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen -nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot -eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter -wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen gedoogt, -maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid -kweekt?” - -Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid. - -„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de -regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn. - -„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!” [181] -antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar -de natie ziet toe, en.... heeft nog eene loftuiting voor den minister -over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er -uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene -natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het -idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; -slechts... ééne gedachte: de minister balanceert zijne begrooting -alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de -Vertegenwoordiging bons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp -niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en -buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk -vinden.” [182] - -Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de -anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den -jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de -hand, en reikte die aan zijn meester over. - -„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn. - -„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. -boeien te begeven!” - -Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open. - -„Eene gewone huwelijks-aankondiging!” zei hij.... „Maar, van wien?” - -En het papier inziende: - -„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert: - -„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer en mevrouw Ngow Ming -Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den -heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, -dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende -receptie zal plaats hebben op den 3den September a. s. ten huize van -den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.” - -„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces -van Dalima is ternauwernood uitgewezen.” - -„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” -viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?” - -„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis -laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te -reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan te bieden.” - -„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, -zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te -laten. Wie zal zoo iets opmerken?” - -„Alweêr: des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. -„Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.... Waarachtig, -Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen -ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde -gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.” - -Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van -Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen -was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te -zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel -levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere -gedachten van zich te werpen. - -„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?” - -„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien -zal ik je zenden.” [183] - -„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan -kun je naar hartelust tokkelen.” - -„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks -mogelijk zal zijn.” - -„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.” - -„En dan breng ik mijne viool mede.” - -„En ik mijn fluit.” - -„En dan laten wij de geheele cipieran une sarabande de condamnés -uitvoeren,” gilde Grenits bij voorbaat van de pret. - -„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” -viel Van Beneden in. - -„Wat dan?” vroegen allen. - -„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de -aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene -proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan -te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, -b. v. aanstaanden Zondag.” - -„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet. - -„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg -Grashuis. - -„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder -zorgen. Dat alles zal gereed zijn.” - -„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?” - -Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de -vergadering uit elkander. - - - - - - - -XXX. - -BABOE DALIMA NAAR KARANG ANJER. - - -Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro -doorslingert, stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en -veerkrachtigen pas voorwaarts. Het Javaansche meisje was eenvoudig in -sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare gewone netheid en -zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg zij -een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en -waarschijnlijk eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog -opmerking verdiende, was: dat zij niet blootvoets, maar met een soort -sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg scheen te kunnen. - -Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en -haar uiterlijk duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter -den rug had. - -Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver -van Kaligaweh verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis? - -Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten -inwon omtrent nonna Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres -naar Karang Anjer gegaan, en daarna spoorloos verdwenen was, werd haar -oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij haar het plan, om van -haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel weinig -begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, -zoo’n gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, -dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en -getrouw liefderijk wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar... -Karang Anjer lag zoo ver, zoo onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds -niet ver van de groote zee, in de nabijheid van het gebied van Ratoe -Lårå Kidoel [184], hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat -schrikte haar niet af. Zij zou moedig de reis aanvaarden, en koen -voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd werd, langs -brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende „mer-api’s” [185], -langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” -(bosschen). Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild -gedierte niets te vreezen. En zij was niet bang voor slecht volk; want, -wat zou bij haar vermoed kunnen worden? Zij zag er zoo armoedig uit, -dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij haar wat te rooven -viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig -bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, -en nu in het pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had -nonna Anna haar toch eenig geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. -Ook August van Beneden en Karel van Nerekool hadden zich beijverd, het -arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer zij haar in de -cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen. -Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij -dacht aan de toekomst. En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig -guldens, die zij, alvorens te vertrekken, tegen „katip’s” (dubbeltjes) -en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen „roepiah’s” -(guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, -hetgeen wellicht begeerlijkheid zou kunnen opwekken. - -Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een -oogenblik doen aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat -toch bespaard om de onkosten te bestrijden, die hare bevalling -noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een „doekoen” (vroedvrouw) -noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar kindje -zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen -voor de muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij -had toch bij de familie Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo -daarachter had liggen slapen. Zeker, haar kindje zou ook zoo’n klamboe -gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór, èn eenigen tijd nà -hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten eten; -want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel -zorgen had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog -steeds in de gevangenis zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat -geld was zij gehecht; want zij begreep, hoe jeugdig zij ook was, dat de -nood hoog zou kunnen stijgen... Maar, al die overwegingen verdwenen, nu -het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar... de toestand, -waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? -Daaraan dacht zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche -vrouw, dank zij hare onbekendheid met het noodlottige corset harer -noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt beschouwd als een -verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg -gelegd heeft. [186] Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog -veraf. Zij had nog ruim vier maanden voor zich. En zou dan hare taak -niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet gevonden hebben, -of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.... welnu, zij kende de -liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar -toestand haar in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan -iedereen gaan vertellen, op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt -was. Zij wist, dat zij in dien grooten nood wel een beschermend dak zou -vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame hand zou -bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al -had zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel -gevonden hebben om haar plan ten uitvoer te leggen. - -Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van -Gulpendam, misschien wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh -opgezocht, en haar iets van „obat mentellang” [187] in het oor -gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen -opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan -hare vroegere njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom -van belangstelling in het lot van het Javaansche meisje, duidelijker -gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk gebaar veroorloofd -had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging, -welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en -haar gedreigd, dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij -zich weer vertoonde. Neen, het kind, dat zij onder het hart droeg, was -geen pand der liefde; het was geen afgebeden, zelfs geen gewenscht -kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. Hoevele -Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product -eener schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor -een moord terugdeinzen, om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? -Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk geen schuld aan de misdaad zijns -vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij zou het opkweeken, -zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat het -onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, gunde zij het -met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot -zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had -kunnen hebben van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der -beschaving over! - -En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, -die haar geheele bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, -en was nu, na een achttal dagen ijverig doorgestapt te hebben, het -einddoel der lange reis meer nabij gekomen. - -Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den -panghoeloe, den dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene -zwerfster, die haren vader te Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het -oog op haren zichtbaren toestand, verwees haar dan steeds naar de eene -of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich niet altijd -hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar -integendeel hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en -nog menige „katoepat” [188] aan haar pakje bond, om onderweg te -verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die gastvrijheid ten deel. -Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg ingewonnen -had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de -nacht inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een -plaatsje op de „baleh-baleh” (ligplaats, brits) van de eerste de beste -gardoe, wat haar niet geweigerd werd. - -Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een -dicht bosch, de zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte -bladerendak werd het donker, ja schier zwart. Het pad was nog alleen te -houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle strook van het -hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was, -zich in de richting van den weg uitstrekte, en waartusschen de sterren -fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij -spitste de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. -hanengekraai of het rythmisch geluid van het rijsttombokken, dat van de -nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, niets, niets! Hoe zij ook -uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe doemden -maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” -hooren eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de -laatste schemering van het daglicht, hetwelk in het westen op het punt -was te verdwijnen, begroette. - -Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de -wildernis alleen ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van -den „harimao” (tijger) aangetroffen wordt. [189] Als echt natuurkind -nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom -haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te -dikken boom, die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een -ernstige hinderpaal voor die gymnastische oefening; maar zij volbracht -die klautering bedaard, omvatte den boom met beide handen, steunde de -voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar voor -beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken -bereikt had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid. -Een „toetool” (panter) toch valt in den regel den mensch niet aan, en -een harimao, dat wist zij, klimt niet in de boomen. Zij maakte het zich -op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg waren, om haar te -dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats konden -strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren, -viel haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want -dan liep zij gevaar haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te -vallen. Daarenboven, die takken, waarop zij zat, en de stam, waartegen -zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen pijnlijk -drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar -dat gaf slechts kortstondig verlichting. Zelfs beproefde zij op -Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar zij had bij het klimmen -hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe oneffenheden van den -bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding -onverdragelijk maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren, -bosch-muskieten, houtkevers, enz. haar kwelden, en zij niet altijd de -handen vrij had om hevige jeukingen, door dat lastig gedierte -veroorzaakt, te bestrijden. - -Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar -geld, hare geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent -bekommerde zij zich weinig. Menschelijke wezens zouden toch op dat uur -niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden die nu wel -niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel -ongedeerd laten liggen. - -Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht -van verlichting, het zwakke schijnsel, dat den oostelijken -gezichteinder eindelijk begon te tinten. - -Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had -zij zeer verdachte geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het -doffe en angstverwekkende „hoeh! hoeh!” van een harimao gehoord te -hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, hoe onduldbaar -zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist -in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar -voortsluipende, onrustig en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan -naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden dorst te lesschen, om -voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan in een -woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij -zou, zij moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de -zon boven den horizon gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk -licht te beschijnen, en het verscheurend gedierte naar zijne -schuilhoeken te jagen. - -En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, -die den dageraad met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het -avondrood gedaan had. Dalima begreep, dat de tijger niet ver was. - -Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de -lichtstrook in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren -van lieverlede verbleeken. Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht -rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al meer en meer naar het zenith -optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, en haar naar het -binnenste van het woud deed terugtrekken. - -O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd -lang! En geen wonder; want haar lijden was schier duldeloos. Zij -draaide en wrong hare verstijfde ledematen. Zij keek ongeduldig rond. - -Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij -haar pakje en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar -boven haar heerschte reeds het volle licht, en jubelde een talrijk -vogelenkoor in de bladerenkronen, om de komst van de dagvorstin te -verheerlijken. - -Wat kwam die toch langzaam! - -Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, -terwijl de horizon in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den -weerschijn daarvan tooiden zich wolken, boomen, bladeren, takken in het -goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam tot op den woudbodem -door. - -Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot -alles met haar verblindend licht. - -Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te -verlaten. Zij deed dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, -en betrachtte bij het omlaag klauteren dezelfde voorzichtigheid, met -betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. Toen zij den -bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere -lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar -katoepats bengelden, reinigde die van den zwerm mieren, die haar -ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen naar een beekje toe, dat zij in -de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het gelaat, de handen en -de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om hare -katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde -daarna, gesterkt en bemoedigd, haren tocht voort te zetten. - -Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene -gardoe het heugelijke bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij -ontmoeten zou, Karang Anjer was. - -Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot. - -Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de -eenvoudige Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde -evenwel na een poos nagedacht te hebben, dat zij ongeveer nog „limå -poeloe pal kawat” [190] vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had. -Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij met rappen voet voort, en -bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa. - -Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich -daar aan als de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste -veel, zeer veel over haar gesproken had, werd zij uiterst welwillend, -ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. Maar, omtrent -het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij -ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was -het eenige antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving. - -„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het -Javaansche meisje met tranen in hare stem. - -„Ja, Dalima, dat heeft zij.” - -„Maar, waar is zij dan, njaa?” - -„Zij is vertrokken.” - -„Waarheen, njaa?” - -„Dat weet ik niet.” - -Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook -haar „njaa” smeekend lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit -onverzettelijke antwoord. - -Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje -vertrokken was? Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat -baboe Dalima voor Van Nerekool werkzaam was? Dat kwam haar niet -onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, dat het -Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de -genegenheid van de beide Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, -dewijl Dalima zich geheel argeloos in het gesprek had laten ontvallen, -dat Karel van Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh -opgezocht, en haar geld gegeven had. Zij zou de baboe daarom niet -minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag zeer goed, dat -genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van hare -handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem -van dankbaarheid voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet -aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche gemoed in eene vereeniging -der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? Die -gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar.... - -„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan. - -„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw -Steenvlak. - -„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje -handenwringend. - -„Neen, zeg ik u, boe!” - -„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?” - -Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit -het veld slaan. - -„Ja.... dat weet ik natuurlijk.” - -„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het -oog. - -„Ik mag, ik kan niet, boe!” - -„Waarom niet, njaa?” - -„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven....” - -Mevrouw Steenvlak aarzelde. - -„Wat njaaa?” - -„Dat ik aan niemand—hoort ge aan niemand, Dalima!—iets zeggen mocht.” - -„Maar aan mij wel, njaaa!” - -„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.” - -„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? -Zij is zoo ongewoon voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij -is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar Nanna is!” kermde het jonge meisje. - -„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak -onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, -nietwaar?” - -Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve -schepsel, dat evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, -zoodat een verbitterd gemoed haar waarlijk wel te vergeven ware -geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte gedaan had; maar -met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop niet -te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude -hebben. - -„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het -snikkende meisje aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te -kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, of beter nog naar Kaligaweh -terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?” - -Baboe Dalima knikte ontkennend. - -„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, -nietwaar.” - -En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje -vier rijksdaalders toe. - -Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, -knoopte het in een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste -de handen van mevrouw Steenvlak en verdween. Toen zij buiten was, -prevelde zij: - -„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!” - -O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf, -twintig of vijfentwintig centen voor hare voeding, dat was alles. In -plaats van dan ook te vertrekken, doolde zij nog ettelijke dagen in -Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen voor -haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen -dèsa’s. Overal vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door. -Zij deed, wat Van Nerekool, als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet -had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen „warong,” [191] dien zij op -haar pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad [192] gevuld, -overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh, [193] nuttigde -elders wat „nassi ketan,” [194] overdekt met fijn geraspte klappernoot, -of wel met siroop van „goela aren.” [195] Op eene andere plaats slurpte -zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, of een tros -„ramboetan” [196] of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.” -[197] Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens -hare rekening; want zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja, -hier en daar bekeek haar de waronghoudster en antwoordde, wanneer de -smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar voor je -kindje, en neem nog een kop koffie.” - -Maar,... zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te -winnen, om te ondervragen. Maar, helaas, hare pogingen werden -aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. In de eerste dagen -vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, dat dit -zoo niet blijven zou. - -Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten -Zuidwesten van Karang Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij -eenig licht. Zij vernam daar, dat op zekeren dag, meer dan twee maanden -geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een „tandoe” [198] -gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest worden. Het draagtoestel -was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe niet heel -spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier -neerzette en een kop koffie vroeg. - -„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?” - -„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje -gekleed, met een zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen -kabaja,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven -genoegzaam te kennen, dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij -waren blank en klein en niet uit elkander getreden, zooals onze voeten -gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” (princessen) te Sålå, -geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel zijn kan, -dat zij een poetri ware.” - -„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima. - -„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank [199], -zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.” - -„Hebt gij met haar gesproken, ma?” [200] - -„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.” - -„Maar, wat vroeg zij u, ma?” - -„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.” - -„Niets anders, ma? Herinner u goed.” - -„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik -antwoordde twee palen.” - -„En verder?” - -„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? -Daarop kon ik haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij -hier niet bekend.” - -„Hebt gij niets anders gehoord, ma?” - -„Neen.” - -„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?” - -„Zeker. Zou ik niet?” - -„En?” - -„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare -handen kwamen niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene -opwellende gedachte, alsof dat gelaat geverfd was. Misschien had de -nonna veel in de zon geloopen.” - -„En de haren, ma?” - -„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.” - -„Maar welke kleur, ma?” - -„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, -voorzeker is zij eene nonna.” - -„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij -niets meer, ma?” - -„Niets,” antwoordde de waronghoudster. - -Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg -naar Sikaja. - -Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.... Daags daarna -verscheen zij weer te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. -Toen verdween zij, en werd niemand meer iets van haar gewaar. Mevrouw -Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar informeeren. Maar die -kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was. -Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen. - -„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. -„Heb ik goed gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De -tijd zal het uitwijzen.... Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe -en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin voor haar in hare -eenzaamheid geweest zijn.” - - - - - - - -XXXI. - -VRIENDENGEKEUVEL.—DE OPIUM TE ATJEH. - - -Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het -aloon-aloon-plein van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek -van het aldaar in garnizoen zijnde bataillon infanterie hooren. Vele -rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op dat plein, dat door -zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer langen -tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den -westmoesson aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch -verdroogd, en tot donkerbruin verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier -en daar kloven en reten vertoonde, gespleten als zij was onder den -invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den dag was -de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde -nog slechts achter de kruinen der Kanarie-boomen, die met haar -donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare -slagschaduwen over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson -heerschte langs Java’s noordkust, ritselde in het gebladerte, bracht -overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, en temperde de -warmte, in de middaguren opgedaan. - -Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders -als Europeanen, zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was, -alsof een ieder zijn deel van de vrij goede muziek, zijn deel van de -frissche lucht wilde hebben. - -Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met de Europeesche -ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te zijn -in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene -leemte. Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone -Laurentia, in een fraaien landauer met een paar prachtige Sydneyers -bespannen, op de aloon-aloon verschenen, en knikten allerwegen met de -meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden daar ambtenaren -van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, -ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van -het garnizoen, met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende -bureaux, met de koryphaeën van den handelsstand, van het -nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld van hunne -echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat -bij dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd -en vroolijke geaardheid als het ware een cachet van opgewektheid aan -dergelijke bijeenkomsten in de open lucht bijzette, en dan ook de -fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes oogstte. - -„Waar zou Eduard van Rheijn toch zitten?” - -„Waar Leendert Grashuis?” - -„Waar August van Beneden?” - -Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen -kruisten. - -„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?” - -„O, die zit in de nor.” - -„In de nor?... Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,... dan -is het duidelijk, waar de anderen zitten!” - -„Die houden hem gezelschap.” - -„Dat ’s buiten kijf.” - -„Het is een troepje trouwe vrienden.” - -„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien... Maar... -daar wandelt Mokesuep!” - -„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij -zijn cilinder afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.” - -„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!” - -„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho...” - -„Shut!.... geen cancans!” - -„Zijn dat cancans, wat geheel Santjoemeh weet?” - -„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?” - -„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename -kermis zou te huis komen!” - -„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!” - -„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!” - -„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen...” - -„Dan zal hij doen evenals de resident... en... - -„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.....” - -„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: Le lever du soleil...” - -„Van wien?.... Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!” - -„Stil nu, luistert!” - -Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene -algemeene fuga het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd -was, en de muziektonen in een plechtig koraal wegsmolten, dook de -werkelijke zon achter de westelijke heuvelen van Santjoemeh weg. - -„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester -heeft te diep in het glaasje gekeken!” - -Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten. - -Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad. -Van Nerekool, Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de -geestigen van Santjoemeh de drie jongelieden noemden—waren Grenits -gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin hij sedert eenige dagen -opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk nadat -zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog -stond, en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe -vrienden hadden zij die wandeluren, de kostelijkste van eene geheele -week, wel voor den armen gevangene over, eene opoffering, die hare -belooning in zich zelve vond. - -Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had -volstrekt geen naargeestig voorkomen, en was wel het minst geschikt, om -aan een gevangenis te doen denken. Het was eene niet al te groote -kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche -steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen -konden gesloten worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren. -Voor die kamer strekte zich eene vrij breede galerij uit, welker -architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat weelde niet waar?—wel -eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel van -hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures -waren. Die galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito -vertrekken, die een zelfde doeleinde hadden, als waarvoor Grenits hier -was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid te berooven. De -galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie -sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van -veelkleurige bloemen ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd -gevormd door de verschillende gebouwen, die de eigenlijke gevangenis -uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken waren; -zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant -werd ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele -zuilenrij prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene -fraaie collectie rozen, die de meest uiteenloopende variëteiten van de -koningin der bloemen te zien gaf, van de dikke, dubbelde Persische roos -af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos en de altijd -groene roos toe. - -Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene -nette tafel, eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen -Japara-meubelen [201]—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige -medaillon-portretten aan den wand, eene fraaie hanglamp aan het -plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van fijn gespleten -rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest -genoemd worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had -laten brengen. De slaapkamer, die vlak naast het beschreven vertrek -lag, en door middel van een binnendeur daarmede in verbinding stond, -was even smaakvol gemeubeld, zoodat Theodoor Grenits zijne -gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding -vond, om „Mes Prisons” [202] of iets dergelijks te schrijven. - -„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de -eerste maal, dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet -gissen, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het -achter het slot houdt.” - -„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn. - -„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden. - -„Waar hier aan de overzij?” - -„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt -gij wel anders spreken.” - -„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was. - -„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure -geuren gauw verjaagd zoudt worden. Die menschen liggen daar -opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel te klein voor zooveel -gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is niets -anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den -vloer wedijvert, dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te -erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair wel te verstaan—des nachts nog -vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers van het -tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. -Voegt daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een -paar ronde en zwaar getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, -zoodat het er uiterst bedompt en tamelijk schemerachtig is, dat de -wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met bloedvlekken, die er -streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander nog -meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners tegen den muur -platgedrukt werden, met sirihspuw [203] en met andere nog meer -walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? dat -ik u zoo’n bezoek afraad.” - -„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek, -en walg er nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw -jongen heeft straks een pakje gebracht.” - -„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het? - -„Daar, op de piano.” - -„Vrienden,” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende. -„Hier hebt gij een fonkelnieuwe bedoedan. Ziet een smetteloos -pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een -partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.” - -„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar? -Hoeveel tjandoe hebt ge?” - -„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.” - -„Dat is in Nederlandsch gewicht?” - -„Drommels, laat zien.... Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.” -[204] - -„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis. - -„Te veel, Leendert.” - -„Maar Von Miclucho Maclay [205] gebruikte honderd en zeven greinen bij -zijn merkwaardige proef.” - -„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven -greinen zijn nog maar achttien mata’s en eene breuk.” - -„Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.” - -„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” antwoordde Van Rheijn. - -„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons zoo gezellig bij -elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.” - -„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen, -welke uitwerking het opiumrooken heeft?...” - -„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.” - -„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere -gedachte voorgezeten hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou -ik deelnemen aan eene proef, alleen om.... ja, hoe zal ik mij -uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden of waar -te nemen.” - -„Ik ook niet,” sprak Van Beneden. - -„En ik ook niet,” zei Van Rheijn. - -„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar -eens herinnert, wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.” - -„Poeah! Poeah!” riepen de anderen. - -„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei -Van Nerekool hoogst ernstig. - -„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,” -sprak Van Rheijn, „namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.” - -„Ja, maar.... wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,” -meende Grashuis. - -„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den -civiel ambtelijken dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar -niet de faculteit,” zei Van Beneden. - -„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn. - -„Komaan, biecht op!” - -„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.” - -„Murowsky, de Pool?” - -„Murowsky, de slangentemmer?” - -„Murowsky, de kapellenvanger?” - -„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een -weinig eerbied voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij -is de meest merkwaardige entomoloog, dien Indië ooit bezeten heeft, en -dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche vorsten en vorstjes -zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden te -verleenen voor iedere compleete of niet-compleete verzameling van -opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal walgelijke -insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet, -dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van -geleerdheid zal verleenen, waardoor ze tot de merkwaardigste van de -geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze Pool was verrukt, toen hij -ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik hem verzocht de -proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en -minimum thermometers meêbrengen, ook zijn stethoskoop. Hij zou de -dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring waarnemen, en... -wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij zal -uitkramen!” - -„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op. - -„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden. - -„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van -Rheijn. „En voor niets ter wereld zou hij de uitvoering op de -aloon-aloon willen missen. Daarenboven hij is „sakit rindoe” (verliefd) -op Agatha van Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het -plein zijn.” - -„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.... duiten -ook!” - -„Ja, de Polen zijn niet dom.” - -„Maar, wanneer komt hij nu?” - -„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn. -En een zijner deugden is: dat hij stipt woord houdt.” - -„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van -August van Beneden. - -„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde -wees. - -En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek -gemengd had, was opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij -gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, eenige motieven -gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten -aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk l’Absence van Tal, en -vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers. - -„Neen,” zeide Eduard van Rheijn, „geen muziek! Gij ziet er de -uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En, -zoo iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als -deze.” - -Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van -Nerekool de handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het -hoofd diep voorover boog, riep hem Eduard: - -„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting, -dat Murowsky komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork -ontvangen heb.” - -„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl -hij opstond en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord -op mijn schrijven.” - -„Ik ook niet,” zei Van Beneden. - -„En ik ook niet,” zei Grenits. - -„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het -veel te druk daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is -thans de eenige civiele ambtenaar in die militaire wereld.” - -„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand -gebracht werd,” merkte Grashuis op. - -„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits. -„Het zal niet lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als -Robinson Crusoë op zijn eiland, met geen andere aanrakingspunten dan -die der kogels met de omringende ingezetenen.” - -„Kom, Theodoor, geen politiek!” - -„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar -hebben wij Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het -water. En toch geldt het daar het innigst belang van vaderland en -kolonie, die....” - -„Schei uit! Schei uit!” - -„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne -gasten, die mij, armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten, -geene conversatie opdringen, die hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp -niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen heeft. De Inlandsche -bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk -overvalt....” - -„Alweer?... Schei uit, Theodoor!” - -„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging Grenits voort, „en -voor de gamelle der marine te zorgen hebben?” - -„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn -ietwat spijtig. „Het is net, alsof ik over den handel in madapollams -wilde medespreken.” - -„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld. -Schoenmaker, houd je bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat -schrijft hij?” - -„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te -zeggen, dat ik hem een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die -in zijn vroegere contrôle-afdeeling Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en -welke invloed de meêgaandheid van den tegenwoordigen controleur op den -toestand der bevolking aldaar heeft. Hij antwoordt daarop, en gij kunt -wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet rooskleurig zijn. -Luistert maar: - -„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de -verhoudingen te Banjoe Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De -akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken aan de orde van den dag, de -opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! och! Is dat -alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en -al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden -toch niet in eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort -bestek zoo verschillend voor, als gij die beschrijft, dan zijn er toch -voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, om tot zulke veranderingen -aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik niet altijd -gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan -ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te -gaan. Wel is waar, is het mij niet te wijten, dat de bestaande -opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. Zij bestond reeds, toen ik te -Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen de afmetingen nog -niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel -dèsalieden in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen -aantoonen, dat die kit geen reden van bestaan had, dat zij in geene -bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds gedaan; maar zwak, -vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde -kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede -en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij -als verzachtende omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden -was als ambtenaar de rijks-inkomsten te vermeerderen; dat, door het -opiumverbruik niet in den weg te staan, ik meêhielp het nadeelige saldo -voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral niet van -wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp -te verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik -zou pogen paal en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou -verbrijzeld geworden zijn, wanneer ik den vinger naar dien kurk van het -nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; dat mijne dierbare -familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld -vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende -verwezen zouden zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude -zijn; dat alles baat mij niets, geeft mijn geweten geene bevrediging. -Want, onverbiddelijk als een streng geweten kan zijn, doet dat mij de -aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar te -kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik -toch bij eede bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben -geen keer.... - -„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te -verheugen, dan zou ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo, -den afschuwelijken bandoelan, die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft. -Maar.... waartoe zich verheugen?... Voor hem zal weer een ander -gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich zal -nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het -zijn moet, te scheppen, en het Gouvernement?... het Gouvernement??... -nu ja,... dat steekt de op gruwelijke wijze verkregen penningen met een -glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk applaudisseert.” - -„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits -sarcastisch. - -„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet -gedaan te hebben,” vervolgde Eduard van Rheijn onverstoorbaar zijne -lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het stellige -voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik mij -tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel -zooveel mogelijk te beschermen. Maar... maar, die gelofte is gauwer -gedaan geworden, dan wel volvoerd. Want, wie heb ik hier te Atjeh te -beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier rondom mij krioelt, -lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, wat -hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de -bevolking stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen -vooruitdrongen. Toen die opperofficier naar Nederland terugkeerde, -hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen volkomen -verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de -strook tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van -Marassa uitzonderen wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden, -die zich evenwel volstrekt niet verslaafd aan het opiumgebruik -vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel verbeterde de -toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed de -bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het -benarde Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te -verschaffen, en daarin ook meesterlijk slaagde, zoo werd zijne positie -nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden geene andere -aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en -dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om -elkander op het allervinnigst te bestoken.... Gij weet het, althans de -geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het eerste, wat onder de -plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is niet een -bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste -zegeningen van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was -nog niemand aanwezig om opium te rooken, toch moest er een pachter -zijn!... Waarom?... Zie Eduard, wanneer ik mij die vraag ernstig stel, -dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks geschiedde, -om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van -gelduitgeven voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van -geldverdienen ging aanbreken. Gij zult u nog herinneren, hoe de -dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen in 1875 vernomen -werd, dat het recht tot den verkoop van opium in het klein te Atjeh -192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht had. Zij, die -nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein -niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde -bate zou hebben. - -„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, -wanneer slechts opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven -Marassanen. Wanneer toch aangenomen zou kunnen worden, dat daarvan alle -mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet waar is; onder den -kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan zoude -dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk -16,000 gulden ’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken -zij opium, in stede van dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de -pachter ook nog de van Gouvernementswege verstrekte opium te betalen -heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, dat hij -leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig -mag aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen -minstens voor drie malen die som aan opium is verkocht moeten worden -[206] Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas -bezorgde? - -„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard: - -„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde -alhier, over wie ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge -van de hoogst gebrekkige kampementen en bivouacs, onmogelijk voldoende -toezicht te houden was; terwijl van repressieve en nog minder van -preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers van den -opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en -verwaardigden zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de -gelegenheid er voor bestond, ook de kleeding van den verlokte tegen het -vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij nu, waarde vriend, waarom de -verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot zijn geweest, -zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en -gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven? -Begrijpt gij nu, een der redenen, waarom het Indische leger zóó -gedemoraliseerd is, dat,—rekent men de krijgsmacht te Atjeh niet mede, -die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen van -geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat -van tegenweer te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet -overdreven genoemd mag worden, de bewering te uiten, dat van dat leger -bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer koloniën door een -westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is. - -„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat, -wanneer hij, afgericht en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld -wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte aan de uitgaven, welke zijne -verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt u dan af, of -het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke -fictieve baten te hulp riepen. - -„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de -verbruikers van het vergift, door het vaderlijke Nederlandsche bestuur -langs wettigen weg beschikbaar gesteld. De Chineesche arbeiders en -landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te Malakka, te -Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege -aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten -landstreek te bevolken, leverden een ander contingent, en een groot -ook, aan de opiumschuivers, en derhalve ook aan de vlottende bevolking -der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie zal het wagen de -onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen, -door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te -dichten? - -„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en -zijn de bedienden van officieren, van ambtenaren, van leveranciers. En -al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten voor vervanging en -verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd -worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse -teweeggebracht, te Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene -onveiligheid voor have en goed heerscht, waarvan gij u op Java moeilijk -een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt kunnen vormen. - -„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota -Radja, waar te nemen is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en -om de opiumkit, in en om het plekje, waar het vergift langs wettigen -weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, is eenvoudig niet -weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te -Kaligaweh, nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de -meest bedorven verbeelding zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen -volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, waartoe de Macaosche -hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk zijn, -veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen. - -„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet -langs wettigen weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. -Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk land bevond zich destijds, en -bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd [207]. Geen -handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s -kust naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een -betrekkelijk gering toezicht voldoende om te beletten, dat ook maar een -enkele taël [208] clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte -van het Atjehsche rijk aan wal gebracht kwam, of komt. Er was toen, en -er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite te nemen, om het vergift -te weren [209]. Maar neen, dat vooral wilde men niet, en wil men nog -niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen genomen worden, om de -opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking van -het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. -Ook moest der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met -een bate, die te Atjeh werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk -en op financiëel gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel -te bereiken, is men er niet voor teruggedeinsd, de militaire macht en -andere landsdienaren te vergiftigen, te démoraliseeren, ja aan de -grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter wille van het -uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek van -den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de -zegeningen van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs -wettigen weg vergiftigd zal worden. - -„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal -worden om mijnen plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet -behoeven uiteen te zetten. Die plicht kan toch met dien van ambtenaar -onmogelijk overeen gebracht worden....” - - - - - - - -XXXII. - -EENE WETENSCHAPPELIJKE OPIUMKIT. - - -„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de -buitengalerij een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak. - -„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde -en in den zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder -weinig belangrijks meer. Of het daarenboven voorzichtig zou mogen -heeten, om van dergelijke ontboezemingen buiten onzen kring te laten -blijken, betwijfel ik zeer, en....” - -De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur. - -„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als -gastheer begroet, en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn -koeterwaalsch, dat wij evenwel achterwege zullen laten. „Maar, -donnerwetter...” - -„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op -de aloon-aloon?” - -De Pool bloosde tot achter zijn ooren. - -„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld. - -„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar -gewandeld, en dan....” - -„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.” - -„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn. - -„Gij wist toch, dat wij u wachtten.” - -„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg -Grashuis. - -„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna -zitten,” zei Van Beneden. - -„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. „Een echte sfinx, -die mij te pakken had.” - -„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en -andere helden op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, -pas op, als uwe verontschuldiging geen steek houdt!” - -„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” -verhaalde Murowsky, „en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem -aan huis te komen.” - -„En?” vroegen allen. - -„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool. - -„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig. - -„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato....” wilde Van Beneden -vragen. - -De Pool liet hem daartoe geen tijd. - -„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij. - -„Uwe overplaatsing?” - -„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.” - -„Maar, waarheen?” - -„Naar Gombong.” - -„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een -allerliefst plaatsje.” - -„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van -Rheijn. - -„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? -Vergeef mij die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen -slechts spaarzaam beoefend.” - -„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn. - -„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar -voort. - -„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met -een gevoel van meerderheid in de gewilde richting wijzende. - -„Dus niet over zee?” - -„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan -Van Nerekool, die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn -hart verloren.” - -„Te Gombong?” vroeg Murowsky. - -„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna van -Gulpendam wel?” - -„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind -niet kennen?” - -„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het -hart van onzen vriend medegenomen.” - -„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat -Nederlandsche woord vergissende. - -„Vindt ge?” vroeg Grashuis. - -„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel van -Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde. - -„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het: -experientia optima rerum magistra (de ervaring is de beste leermeester -der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?” - -„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.” - -Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde -barometer, een stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl -Van Rheijn een bedoedan en een doosje met tjandoe voor den dag haalde. - -„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje -geopend had. - -Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg: - -„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de -snijdvlakken eene bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam -is die massa niet splijtbaar, daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw -zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. De hoofdbestanddeelen, -die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. Zonder -deze is het product geheel waardeloos.” - -„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden. - -„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn. - -„Als ik maar niet meê behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet -de waarnemingen verrichten.” - -„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits. - -„Waarom gij eerder dan een ander?” - -„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes -uit te slapen.” - -„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet -morgen ochtend op het residentie-kantoor aanwezig zijn.” - -„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak -van Setrosmito.” - -„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad -zouden wij ongaarne missen.” - -„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits. - -„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!” - -„Welaan dan, ik ben gereed.” - -„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky. - -„Ik ook nog niet,” voegde Eduard van Rheijn er bij. - -De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe -te wegen, en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij -zorgvuldig in een zakboekje op. - -„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.” - -„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky. - -„Vijf en twintig mata’s!” - -„Mata’s? [210]... Oogen?” vroeg de Pool. - -Allen barstten in lachen uit. - -„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft -het gouvernement het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, -het katie =16 taëls, de taël = 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat...” - -„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De -zon is reeds onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.” - -Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de -maand Augustus reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen. - -Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en -heengegaan was, ging de Pool voort: - -„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor. - -„Uitkleeden?” vroeg deze. - -„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het -bovenrif kunnen zien.” - -Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een oogenblik daarna terug -in het traditioneele nachttenue van Nederlandsch-Indië. - -De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den -pols, deed hem de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met -den stethoscoop zijn borstkas te beluisteren. Hij percuteerde die -borstkas met zijn plessometer, waarop hij met een coquet hamertje -uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden bij -die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te -kennen geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten -hare lachverwekkende uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits -kon een glimlach niet weerhouden. - -„Waartoe al die poespas?” mompelde August van Beneden Leendert Grashuis -in het oor. - -„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” -vroeg deze schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.” - -„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?” was de vraag van Grenits. - -„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne -stem. „Nu moet ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef -begonnen worden.” - -Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit -op. - -„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.... -Wanneer hebt gij het laatst gegeten?” - -„Om half een, de gewone rijsttafel.” - -„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn -horloge keek. „Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke -dranken gedronken?” - -„Niets, als een enkel glas pale ale.” - -De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels. - -Eduard van Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en -twintig nagenoeg gelijke deelen afgedeeld. Daarna ontstak hij de -palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe aan het einde van een -stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, ten -einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde -pilletjes te kunnen rollen. Dat ging onzen aspirant-controleur vrij -handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en deze had hem met -genoegen onderricht gegeven. - -„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen -ook nog niet eens smaak in de lekkernij zullen krijgen [211]?” - -Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te -voorschijn, die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat -drie decimeters lang, fraai lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene -uiteinde der buis gesloten en het andere open was. Dicht bij het -gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as van de buis -een klein aarden pijpenkopje aangebracht. - -„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik -aangeschaft heb.” - -„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, -waaraan zoo’n oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!” - -„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „feinschmeckers” een oude pijp -zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de -pijpenkop met „tahi madat” [212] aangeslagen is, hoe heerlijker het -schuiven moet zijn.” - -Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de -bedoedan aan Theodoor over, en plaatste de brandende palita op een -knaapje onder het bereik van den proefnemer. Deze lag op een divan -uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, rustende -het hoofd op een niet te zacht kussen. - -„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis -lachende. „Gij weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien -hebben.” - -„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn -krullebol niet leenen. Neen, dit kussen is goed.” - -Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in -den mond, en wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat -op den bewusten avond de schuivers had zien doen. - -„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!” - -Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut -met den meest deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop -aan, en luisterde aandachtig. Daarna nam hij de thermometers en las af, -maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje schreef hij op: pols 72, -ademhaling 24, temperatuur 37,5. - -„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.” - -Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop -naar binnen. Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich -eene onaangename, zoetachtige lucht door het vertrek, die de omstanders -aan lauw bloed en keukenstroop deed denken. - -„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits. - -Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe -overviel Theodoor een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, -waardoor de ingezwelgde rook in dikke spiralen ontsnapte, en de -onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde. - -„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit. - -„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky. - -„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is -een akelige, zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.” - -De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van -Rheijn laadde den pijpenkop met een tweede pilletje. - -„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat -toch meer gedaan bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de -neusgaten te doen uitkomen.” - -„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk -zoet, die rook.” - -Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te -slikken, hem een poos binnen te houden, waarna hij hem in fijne -krulletjes langs den neus liet ontsnappen. - -Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, -temperatuur normaal. - -Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits: - -„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren -vervangen.” - -Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij -eene lichte neiging tot slapen ondervond. - -Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond -die neiging evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een -poos op dat antwoord liet wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn -denkvermogen langzamer werkte. Hij moest namelijk iedere vraag lang -overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op te vinden. Hij -kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd -door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky -dat alles op, en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, -en dat de pols 70 slagen aangaf, terwijl de ademhaling tot 28 steeg. - -Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor -vermocht evenwel nog op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de -negende werd het spreken moeilijker en onduidelijker. Op aandringen van -den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel had, alsof zijne tong -in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer -andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. -De dokter greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de -ademhaling onveranderd. Na de elfde kon Grenits zich niet meer zonder -hulp van den divan oprichten, en moest bij het gaan ondersteund worden; -want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde pijp, die zeer -langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor lag -met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik -helder, hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij -verklaarde, dat hij een uiterst aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij -evenwel geene beschrijving wist te geven. - -„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.” - -Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de -variaties van Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den -schuiver teekende verrukking. Het was te zien, dat hij iederen toon, -ieder accoord genoot, in zich opnam. - -„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer -spelen, nog meer rooken!” - -Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het -verlangen te kennen meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, -en maakte bewegingen, alsof hij iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s -vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, terwijl hij het uitschaterde, -dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool om eene -passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en -vijftiende pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een -glimlach op het gelaat des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem -gestelde vragen antwoord. Daarenboven begon hij iets meer beweeglijk te -worden en lag niet meer zoo stil als voorheen. - -Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken -moest worden om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij -geen tweede bedoedan medegebracht had. Dan had de proef onafgebroken -kunnen voortgezet worden. Dokter Murowsky constateerde, dat de -polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel de conjunctiva -(bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden -zwaar en de oogen zelven gesloten waren. - -Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door -het vertrek heen en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet -meer opstaan. Hij moest op den divan teruggedragen worden. Hij verzocht -met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat de dokter verklaard had, dat -er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd. - -Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken -scheen, andermaal in te treden. De bewegingen des schuivers werden -vaker, en verkregen een aard van ongebondenheid. Als hij de oogen -opende was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde. - -Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ -bewegingen waren thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke -betastingen verrichtte. Zijn mond prevelde vrouwennamen, vermengd met -zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag van Murowsky, hoe hij zich -bevond, antwoordde hij: - -„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer -voorheen ondervonden heb!” - -Terwijl de dokter opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols -70, ademhaling 26, temperatuur 37,8, en daarop liet volgen: „algemeene -verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt in,” ging Theodoor voort -met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van Murowsky, -of hij niets verlangde, antwoordde hij: - -„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is -eene nieuwe pijp? Die Eduard ook!... Zoo moet de proef mislukken!” - -Een oogenblik daarna riep hij uit: - -„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is -toch de pijp?” - -„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat -bij dien staat van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.” - -„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor -in. De pols is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der -proef ietwat versneld; terwijl de temperatuur slechts 0,3° toegenomen -is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst -voor de wetenschap.” - -Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. -Meestal lag hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg -te ontwaren, wat in zijn binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden -prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, die van den meest -dierlijken wellust getuigden. - -Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde -hij op Murowsky’s vraag, hoe hij zich gevoelde? - -„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.” - -Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. Hij hield Grenits’ -pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand vlak -uitgestrekt lag op diens borst. - -„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang. - -Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn -handen strekten zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het -wilde omarmen. Zijn gelaat teekende zoo eene gelukzaligheid, dat alle -omstanders hem met verwondering gadesloegen. - -„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die -proef te eindigen? Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die -heupbewegingen eens!” - -Maar de Pool had daar geen ooren naar. - -„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap -moeten wij voort!” - -Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn -wetenschappelijk oog een hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg -hij Theodoor’s bewegingen gade. Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en -keek hem daarbij als het ware de woorden uit den mond. Hij was -wanhopig, dat de patiënt zoo weinig sprak. - -„Grenits! Grenits!” riep hij, „hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij -den patiënt tegen den neus knipte. - -Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog. - -„Hoort ge mij?... Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van -ongeduld. - -Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen. - -„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?” - -„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit. - -„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.” - -Hij boog zich nog verder over den patiënt, en wendde het -belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij zijn -hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in -staat is vivisectie op zijn evenmensch uit te voeren. - -„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij -voortging Theodoor tegen den neus te knippen. - -„Wat ik gevoel....” bromde deze.... „wat ik gevoel... O! het is nog -heerlijker dan...........” [213] - -„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet -een einde komen!” - -Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, -greep het doosje met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van -Rheijn reeds klaar had gemaakt, de deur uit. - -„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan -komen!” - -„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige. - -Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand -begon hem inderdaad bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de -ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen steeg de lichaamswarmte tot -38,6. De patiënt was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze -taal. Zijn oogen waren met bloed beloopen, en zijn aangezicht zeer -opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, toch waren de -handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken. - -„De pijp?... Waar is de pijp?.... Van Rheijn, waar is de pijp!” -schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en -onsamenhangende uitdrukkingen. - -Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den -cipier bijtijds had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem -het vocht met een lepel in den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd -met ijswater, liet hem van tijd tot tijd aan vluchtige alkali ruiken, -en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren te brengen. - -Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien -drank afgeweerd te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon -hij rustiger te worden. Lang nog evenwel behielden de volzinnen, die -hij uitte, een niet te miskennen erotische tint. Ook dat begon -eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken -zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij -Murowsky constateerde, dat de pols 70, de ademhaling 24 en de -lichaamswarmte 37,4° bedroeg. - -„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij -hem doorbrengen.” - -De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. -Grenits sliep evenwel drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich -bij het ontwaken vrij wel, een weinig afgematheid en hoofdpijn niet -medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. Toen evenwel -ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug -en copieus genoeg laten bedienen. - -Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij -had zich evenwel voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn -opstel aan een der wetenschappelijke tijdschriften van Duitschland toe -te zenden. - -De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans -onwrikbaar gevestigd. Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als -verdediger van het opiummonopolie was opgetreden, maar toch wel eens -verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering bepleit had, was -volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer later -op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming -gezinspeeld werd. - -„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal -aanraken, hoe verleidelijk mij de beelden nog voor den geest staan. -Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan geen -woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met -geestdrift, „Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog à -outrance aan de opium!” - - - - - - - -XXXIII. - -IN DE REGENTS-PANDOPPO. - - -Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de -ingezetenen van Santjoemeh. - -De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien -uitspraak doen in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet, -van baboe Dalima,—die beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op -een bandoelan in de uitoefening zijner functiën gepleegd, in de -gevangenis zijn lot zat af te wachten. - -De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees -met zijn kris gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij -schuldig was aan opiumsmokkelarij. - -Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte; -want men wist, dat August van Beneden pleiten zou. Wel was onze -rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima als pleitbezorger -opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, en -zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren -pleitrede als zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had -hij in gezellige kringen en bij verschillende andere gelegenheden -genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, om te doen -veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude -doorbrengen. Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding -gevonden had in onbetamelijke handelingen, door den vermoorden -bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar gepleegd. Het -Santjoemehsche publiek was vrij wel op de hoogte van de -afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie aan den -lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat -zeer pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de -jeugdige rechtsgeleerde, die van ijver voor den dienst van Themis -blaakte, de gelegenheid niet zoude laten voorbijgaan, zonder den vinger -te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde voor de Javaansche -maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers. - -De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats -hadden, was dan ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs -dames waren verschenen [214], en onder haar de schoone Laurentia van -Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord -zouden worden. Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek -verwonderd op; want, dat was aan zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk -toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen door zijne afwezigheid -uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het aanbieden -van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo -eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is. - -Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo -hingen, met heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige -bijeenkomst kunnen gelooven, of beter nog aan een séance van een -goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime hal bevond zich toch -eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote tafel, -met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei -overtuigingsstukken, en omgeven met een aantal stoelen. Een -politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding en gelaat af te leiden, -het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die tafel, om de -profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man -opgedragen had zijn sabel te trekken, zou hij voorzeker het roestige -stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den dag gehaald hebben. - -In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de -menigte den tijd zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men -lachte, men kortswijlde, men praatte, en gedroeg zich daar in dien -tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende de pauze. - -„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting -bijwonen?” - -Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de -griffier zelf fungeerde, en amateur een kijkje kwam nemen, en dus van -de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia zijne hulde aan -te bieden. - -„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw, -terwijl zij hem hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken. -Ik heb nimmer eene landraadzitting bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig. -Het zal wel interessant wezen, nietwaar?” - -„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer -pikants opleverden.” - -„Dat kan ik denken. Maar... die afschuwelijke moordenaar zal zeker -veroordeeld worden?” - -„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.” - -„Niet?” - -„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar -sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de -landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn, [215] speelt -eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen, -dat deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu....” - -„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem -in de rede. „Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling -zal gaan pleiten [216]. Het is ongehoord! Maar, wie betaalt dien -advocaat, mijnheer Thomasz?” - -„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!” - -„Een geheim?... Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij -weet. Voor de vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.” - -Thomasz glimlachte even. - -„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons -hooren.” - -Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich, -alsof zij de voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De -politie-oppasser wachtte zich wel der njonja resident en den -toean-kripier dat te beletten. - -„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien -advocaat?” - -„Een kongsie, mevrouw.” - -„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig. - -„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier -met eene buiging. - -„Eene kongsie van wie dan?” - -„Van Europeanen, mevrouw.” - -„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.” - -„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.... Zie,” sprak -Thomasz overluid, „dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het -bloed zit nog aan het gevlamde lem. Daar, die zwarte vlek.” - -Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen. - -„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht. - -„Ik weet maar een. Van Nerekool....” - -„Van Nerekool!.... Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw -tusschen de tanden. - -En zich naar de pandoppo wendende: - -„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames. -„Kijk, hier is de kris, waarmede de moord gepleegd werd.” - -De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de -politie-oppasser een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de -schoone Laurentia weerhield hem. - -„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte. - -„Ja,... Zie, zoo.... dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam, -met het wapen een vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed -achteruit stuiven. - -„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar -jongelieden tegen elkander. „Kijk die houding eens, die buste, dat -trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. Net Lady Macbeth! -En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!....” - -„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat -wij haar bewonderen.” - -„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het -bloed van het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?” - -„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve -mevrouw?” - -„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris -kletterend op de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.” - -„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen, -dat daarmede een mensch vermoord is....” - -„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend. - -„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?” - -„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia. - -„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de -heer Thomasz op. - -„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw. - -„Dat zijn de opiumpachters!” - -„Dat zijn de millionairs!” - -Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar -geslacht eigen beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam -kittelde. Zij liet er evenwel niets van ontwaren. - -„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende. -„Waar zijn die twee Chineezen? Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar -is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; maar de opiumpachters zie ik -niet.” - -„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!” -antwoordde een der andere dames. - -„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de -bruiloft, die eerstdaags zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam -als ’t ware achteloos volgen. - -„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte, -„welke Lim Ho beschuldigd heeft van....” - -„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan -mag men in het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen. -Maar.... mijnheer Thomasz, wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar -op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat ook gebruikt? Er zit bloed aan.” - -„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de substituut-griffier. - -„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende. - -„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.”” - -„De gollokh soempah?” - -„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de -Chineezen den eed afleggen.” - -„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?” - -„Dikwijls, mevrouw.” - -„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?” - -„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den -Chineezen tolk en vergezeld van een der leden van den landraad buiten -gebracht bij een houtblok. Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld, -waarmede hij een zwart kuiken op dat houtblok den kop afhouwt. Niets -meer en niets minder. Het is eene handeling zonder beteekenis, die, -wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer -bespottelijk figuur maakt.” - -„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte. - -„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar, -gij weet, dat het wit de rouwkleur der Chineezen is.” - -„Dat’s waar ook. Maar... eene zwarte kip?... Dus zou er toch eene -beteekenis ten grondslag van de handeling liggen?” hernam Henriëtte -nadenkend. - -„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, hoeveel -navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld -heb,” antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere -Chineesche eedsaflegging, dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd -wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.” - -„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der -waarheid af te leggen?” vroeg Henriëtte schamper. - -„Zeker, mevrouw!” - -„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en -het leven van een mensch kan afhangen?” - -„Zeker, mevrouw!” - -„Die ben ik wel benieuwd te hooren!” - -„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt -bij de aanstelling der Chineesche officieren.” [217] - -„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach. - -„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele -gedingen gevergd. [218] - -„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe, -vertel ons iets van den eed.” - -„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij -gebezigd, is ontleend aan den eed, dien men in China aan vorsten en -hoofdbeambten bij hunne aanstelling oplegt, en bestaat daarin, dat de -persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde op een rood papier -schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid -of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger -brengt dit papier in gezelschap van een paar officieren zijner natie, -en van een paar tolken naar de Pen-ta-King [219] (tempel), waar hij -door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) en -den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao -kew”, (hoofdman) bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn -gekleed in een soort van miskleed van roode zijde, niet ongelijk aan de -koorkappen der Roomsche priesters bij sommige gelegenheden. Evenwel is -daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische Eerste -beginsel [220] in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel -aangekomen, legt de eedsaflegger het beschreven roode papier op de -„Hijeng Keng” [221] (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen, -eenige flesschen wijn en wat gebak, die tot offerande bestemd zijn, -voor den „Tao-peh-kong” [222] (afgodsbeeld) neder. De priesters -schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, waarbij zij bij -sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de -eedsaflegger het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl -alsdan vlijtig wierook gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier -bij de vlam van een der kaarsen, en laat het op de offertafel tot asch -verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De priesters schreeuwen -nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de -gecommitteerden en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen. -Ziedaar dames, het weinige, wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat -ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid medegedeeld heb.” - -„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl -zij hem minzaam een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik -over de verzamelde menigte in de pandoppo liet waren. - -„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de -ruimte. - -„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien -naar....” - -„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een -politie-oppasser aan met eene stem, alsof een Fransche huissier het „la -Cour, messieurs!” uitgegalmd had. - -De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben, -bleef onuitgesproken. - -En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop -men van uit de pandoppo tusschen de „kree’s” [223] door uitzicht had, -verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden en -een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar -de pandoppo begaven, en op de estrade plaats namen. - -In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr. -Zuidhoorn en voorzitter van den landraad, daarop volgden Radhen Mas -Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent van Santjoemeh, Radhen Pandjie -Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de majoor der -Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam -Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl -de stoet besloten werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of -priester. - -De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de -griffier in zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den -raad natuurlijk in hun nationaal kostuum: kort buisje met staanden en -met goud geborduurden kraag, daaronder een met idem geborduurd vest, -eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes voor den buik -geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja” -gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt -dat met smalle gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was -in het mandarijnen-pak gestoken, dat in vorm zooveel van een Roomsch -miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den voor- als aan den -achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op het -lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort -pet, ook van lichtblauw laken, die veel van eene barret had, maar -stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje of -kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen -ontwaard werd. - -De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange -jurk van donkere stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een -vervaarlijken grooten tulband op het hoofd, die aanduiden moest, dat de -man het graf des Profeets bezocht had, en dus „Hadjie” -(bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet -zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran. - -Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen -ettelijke Javaansche jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het -nationaal costuum gedost waren, evenwel geen kopja droegen. Dat waren -de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke geboorte, die -toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen -treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en -hadden hun schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere -opmerkingen op te teekenen, welke aan de vergetelheid moesten ontrukt -worden. - -Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel. -Rechts van hem zat de regent, en links de griffier. Naast den regent -zat de djaksa, die den panghoeloe aan zijne rechterzijde had. Naast den -griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. Deze plaatsing -was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren -zoo gesteld zijn, bepaald. - -Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen, -verscheen August van Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op -aanwijzing van den voorzitter plaats aan het uiteinde van de tafel -naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik [224], welke -die pandoppo van de regentswoning thans opleverde. - -Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een -achttal pilaren rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot -tempering van het schelle licht en ook om de onbescheiden blikken van -buiten te weren, waren de vakken tusschen de pilaren door groen -geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden van -den landraad nog een zeildoek gespannen was. - -Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast -waren, met de dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand -te houden, evenwel zoo, dat die emblamata van gezag achter hunne -meesters goed zichtbaar waren. - -Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de -rechtbanken voor de Inlanders op Java [225], vertoonde hij een -wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het -Nederlandsche bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht -te behartigen. Vooreerst het Europeesche recht, vertegenwoordigd door -den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten en gebruiken, die vergen, -dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het kan, uit -edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de -priester de leden op de hoogte moet brengen. - -Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk -groote ruimte gelaten, zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te -bespeuren was. Ter weerszijde van die estrade stonden een paar -politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne sabels op -zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel -met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke -gelegenheden zooveel publiek te zien. - -Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had -plaats genomen, verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als -njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk achter haar hadden zich de -voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden, -gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die -evenwel sedert dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met -elkander sprak. - -Eduard van Rheijn, Karel van Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken -natuurlijk niet, en hadden op de derde of vierde rij plaats genomen, -vanwaar zij een goed overzicht hadden. - -„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,” -merkte Van Rheijn op. - -„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis. - -„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,” -prevelde een jongmensch, die achter onze vrienden gezeten was. - -„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander. - -„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn -glimlachend. „Santjoemeh zonder chronique scandaleuse is ondenkbaar.” - -„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!” - -„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!” - -„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van -eene vrouw geldt?” vroeg Eduard stekelig. - -„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok Karjå ingeroepen is.” - -„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan...” - -„Men?” vroeg Van Rheijn. „Wie is die „men”? herhaalde hij ongeduldig.” - -„Wel iedereen.” - -„Daar hoor ik toch niet bij!” - -„En ik ook niet! betuigde Grashuis. - -„Shut!.... Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn. -„Zie haar eens de ooren spitsen!” - -„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert -Grashuis hardop. - -„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een -parapluie in zijn foudraal!” - -In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met -een blik den groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij -wijze van groet. Minzaam beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd -met een innemenden glimlach begunstigd. Gold die zijne vergelijking van -Van Beneden met een parapluie? - -„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en gaf hem een -lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?” - -„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!” - -„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek -een andere richting te geven. - -„Welke invitatie?” - -„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te -wonen.” - -„Ja, die heb ik gekregen.” - -„Ik ook.” - -„En, ik ook. - -„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den -bruigom te houden.” - -„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats -heeft.” - -„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn -lachende. „Het is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor -rouwkleur, blauw voor halven rouw; hunne dames dragen pantalons en de -mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken aan ons barbaren -over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar -binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne -gedachten met een penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij -meenen dat de nakomelingen de voorouders tot adellijken stempelen, -zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; zij betalen -hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij -ziek zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom -in stede van bij de bruid.” - -Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den -aspirant-controleur, die niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van -Gulpendam stemde met het gelach in, en knikte hem vriendelijk toe. - -„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?” - -„Shut... heeren. Daar komt de moordenaar!” - -„Zoo zonder boeien?” - -„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne -rechters verschijne!” - -„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.” - -„Shut!....” - -Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan. - -„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid. - -Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich -stilte te verkrijgen. - -„Shut!... Shut!... dames en heeren!... Shut!” schreeuwde hij, en maakte -daarbij alleen meer leven dan het geheele gezelschap bij elkander. - -De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer. - -„Stilte!” werd er geroepen. - -„Stilte!... Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en -smeekend de armen uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren -wilde. - -Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te -krijgen. Een der minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou -zij zich ook als residentsvrouw te ontzien hebben? Die heeren van de -rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.... Maar eindelijk hield -ook haar gekakel op. - -„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij -andermaal een slag met den hamer deed hooren. - -„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.” - -Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der -estrade voor de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man -zag er ellendig uit. Wie hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet -herkend hebben. Die lange maanden, welke hij in de gevangenis -doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. Hij was -verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een -fletsgrauw overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn -hoofddoek uitkwamen, waren grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn -voorwaarts treden schuchter rond, sloeg een smeekenden blik op August -van Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten -neder. Bij zijn verschijnen voor de estrade was een hartverscheurende -gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, die een streng: „diam!” -(stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden ettelijke -Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting -had willen bijwonen, vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke -ieder hoofd had doen omwenden, geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in -wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, had zien voortreden. -Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een der -bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot -bedaren. - -„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,” [226] sprak hij. „Anders kunt gij hier -niet blijven.” - -Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen. -Allerwege werd gemompeld: - -„De vrouw van den moordenaar!..... Arme vrouw!” - -„Stilte!” brulde de deurwaarder. - - - - - - - -XXXIV. - -EENE LANDRAADZITTING.—VAN BENEDEN’S PLEIDOOI. - - -Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr. -Greveland, zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor: - -„Hoe heet gij?” vroeg hij. - -De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. [227] - -„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover -gebogen hoofd en den blik op den vloer gevestigd. - -„Waar zijt gij geboren?” - -„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.” - -„Hoe oud zijt gij?” - -„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.” - -„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den -griffier. - -Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het -voorloopig verhoor. - -„Waar woont gij?” - -„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel. - -„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?” - -„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.” - -„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.” - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -„Zeg het ons dan.” - -„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,” -antwoordde de Javaan uiterst kalm en steeds met neêrgeslagen blik. - -Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen. - -„Stilte!” vermaande de voorzitter. - -„Stilte!” brulde de deurwaarder. - -„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland. - -De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk. -Het was alsof hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op -August van Beneden, die hem bemoedigend toesprak: - -„Antwoord vrij uit, Setrosmito.” - -„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer -gebruik van de bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich -onwelvoegelijke handelingen jegens mijn kind veroorloofde.” - -De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne -hoofden. Hij bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door -niemand in de pandoppo verstaan werd, zoodat zijn antwoord geen indruk -maakte. - -„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u -voorlezen, waarvan gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de -getuigen verklaard hebben.” - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren -zoo eigen, de voorlezing van de verschillende verhooren bij de -voorloopige instructie opgemaakt. Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met -zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, zelfs de voorzitter, die -toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde nog -het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde, -eene taal, die door een eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen -wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer stil, om den djaksa tijd te -gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. Dit ging en zoo -rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling -iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield -den blik onafgebroken op eene plek van den grond gevestigd, frommelde -met beide handen als in de grootste verlegenheid aan de slippen van -zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa hem vroeg of hij -begreep: - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden -onder elkander, en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen -blik aan dat gefluister een einde maken. Onder de toehoorders evenwel -bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel men nu wel niet hardop -praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en daar -vermengd met damesgegiechel, dat aan de waardigheid der Justitie wel -afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder al de macht zijner longen -te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; maar ook -slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats, -alsof een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde. - -„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van -Gulpendam. - -„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer -Thomasz. - -„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames. - -„Shut!...” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door -zijn voorgevel praat. Hij mocht zich eens willen verbeteren.” - -„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet -zoo aan het lachen brengen.” - -„Ik, mevrouw?” - -„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een -droog komiek zijt.” - -„Is dat de meening van den resident, mevrouw?” - -„Staat het praedicaat u niet aan?” - -„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de -substituut-griffier met een gezicht zoo uiig ernstig, dat de schoonen -het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!” - -„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer -Greveland eens een ernstigen blik op u werpen!” - -„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste -gedeelte der pandoppo. - -„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!” - -„Of een bittertje krijgen!” riep een ander. - -„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!” - -„En?...” - -„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer) -kreeg ik ten antwoord van dien kanarievogel, die een gezicht zette als -drie dagen west-mousson.” - -„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.” - -„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had....” - -„Stilte!” riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!” - -Eerbied voor de Justitie!... Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en... -men verveelde zich doodelijk. - -Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag -van den djaksa: „hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze -zijn eentonig klinkend: „engèh, Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog -eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo krachtig mogelijk door de -stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd. - -Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als -officier van het Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor -te dragen. Deze, een merkwaardig stuk, kon evenwel slechts hen boeien, -die van de aanhangige zaak niets afwisten. - -Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den -bandoelan Singomengolo opgegeven waren. De officier van het Openbaar -Ministerie nam de beschuldiging van opiumsmokkelarij als overtuigend -bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, waar de sluikwaar -onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje, -waarin zij vervat was, lagen daar als stukken van overtuiging ter -tafel! Hij ging in korte trekken na, tot welke listen de smokkelaars -hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid ten -toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen -geven. Ernstig ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht -hand over hand op Java toenam, hoe die hartstocht vooral voeding vond -door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, toen hij op de -noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste -staande middelen te breidelen. - -„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem -uit, „hoeveel millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks -schatkist ontsnappen, waardoor èn de welvaart van het groote rijk der -blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke wereldzee gelegen, èn -de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java -ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar -bij tientallen te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik -van die schatten kon gemaakt worden, wanneer zij regelmatig en -ongestoord in ’s lands kas vloeiden!” - -Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het -woord tot de leden van den landraad richtte, zich naar het publiek -gewend, overtuigd dat zijne woorden daar wel instemming zouden vinden. -Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, die daar verzameld -waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen, -hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud -zouden zijn, liet hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel -werd vernomen, vele knikken van goedkeuring werden ontwaard, en menige -stem prevelde onhoorbaar zacht: - -„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!” - -Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet -ontgaan waren, uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters -geene gelegenheid zouden laten voorbijgaan om die slang, die zich ten -koste van de volkswelvaart voedde, te verpletteren, en rekende er op, -dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die zich nog aan eene -andere veel grootere euveldaad schuldig had gemaakt, de zwaarst -mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten -aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de -dankbaarheid van de geheele Nederlandsche natie! - -Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo -had met een daverend handgeklap een voorproef van die dankbaarheid -gegeven. Een enkel bravo-geroep werd vernomen, maar onmiddellijk gesust -onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! stilte!” van den -deurwaarder. - -De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte -van de beschuldiging, waaronder Setrosmito gebukt ging, -gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen bandoelan,—welke met -de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte. - -Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij, -zijn requisitoir vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich -tegen de huiszoeking verzet had; hoe hij bij het vinden van het -noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor „gemeenen hond” had -gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo -verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort -had, en dien weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel -gehaald had; terwijl moordenaar en vermoorde door een gulp bloed -overstroomd werden. - -Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe -sensatie onder de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een -gil in onmacht, en moest naar buiten gedragen worden. Dat gaf eenige -opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen blik achter zich wierp, -om toch te zien, wat er gebeurd was. - -„Stilte!... Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen. - -Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort -met op de toenemende stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die -voor geen moord terugdeinsden, om hunne sluikwaar te redden. Hij drong -er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude stellen, ter -bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak -niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch -van de straffe des doods door ophanging, of mocht de verdediging er in -slagen verzachtende omstandigheden te bepleiten, tot twintigjarigen -dwangarbeid in den ketting. - -Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men -zou een speld hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een -menschenleven maakt steeds een vreeselijken indruk op de menigte, hoe -wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde aller -monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot -stilstand dwong. Die stilte duurde een korte poos, en was allen -ondragelijk; terwijl niemand zich aan den invloed daarvan wist te -ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan ook aan aller -borst, toen de voorzitter die stilte verbrak. - -„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de -„toean-pfiskal” (heer-fiskaal) gezegd heeft?” - -De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar -antwoordde niet. Het geheele requisitoir was in het Maleisch -voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner geen woord verstaan had. -Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde zijne -vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op -August van Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen: - -„Engèh, Kandjeng toean.” - -„En hebt gij daar niets op aan te merken?” - -Een nieuwe blik op den advocaat. - -„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig. - -Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op. - -„Stilte!... Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder. - -„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij -zich kon doen verstaan. - -„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend. - -„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en -zoo overluid, dat de advocaat haar hooren kon. - -Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te -nemen, het zweet af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene -duidelijke stem, die door de geheele pandoppo weerklonk: - -„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort -gansch eigenaardig op Java te huis, ja, zou op geen andere plek der -aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch van het Openbaar -Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, er -moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die -misdaan heeft moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het -land der vergeldingswet: Oog om oog, tand om tand! Maar, zelfs -tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, staat het recht -van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere -wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den -ongelukkige, die voor u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te -maken. - -„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar -Ministerie zijn uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan -den rampzaligen in de clementie van de rechtbank aan te bevelen. Maar, -neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben met eene verdediging, die -door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene andere -meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de -gronden te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen -voeren, dan wij zoo even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene -onverdeelde aandacht. - -„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige -advocaat met sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan -den ijver, aan de toewijding, aan het schrandere begrip van een man, -van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid spreken kan, omdat ik -door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben. - -„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit -was, toen de feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak -op zich, om naast de instructie, die van wege den officier van Justitie -ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij begonnen had, voort te -zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen der -bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der -procedure aangetroffen worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd. -Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden aan te roeren hebben, in -onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor te -eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk gedeelte van uwen kostbaren -tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak van den -ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te -constateeren, dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en -dat ik volkomen authentieke afschriften daarvan, door den Gouverneur -van Atjeh en door den Directeur van Justitie te Batavia behoorlijk -gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen. - -„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een -sierlijke beweging zoowel naar de leden van den landraad als naar het -publiek, „kent Willem Verstork, en zou ik kunnen heenglijden over de -edele eigenschappen, welke het karakter van dien landsdienaar sieren, -ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht Mr. -Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh -aankwam, op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de -onkreukbaarste ambtenaar is, die de achting en liefde van al zijne -ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, heeft weten te verwerven; -dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne moeder en -zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen -tegenspraak te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij -is de rechtschapenste mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie -beweegt.” - -Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap, -was het antwoord van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij -aan den eenen kant mevrouw Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten -toorn op elkander deed klemmen, maakte zij den deurwaarder schier -waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren deed. - -„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een -onzer verdienstelijke ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel -vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn hamer de noodige stilte -verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke -betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen, -daar ik anders verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!... -Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken met uwe verdediging voort te gaan.” - -„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich den tijd te nutte -gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater -te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar -Kaligaweh. Hij herinnerde zich Racine’s vers: - - - Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux, - Un perfide assassin, un lâche meurtrier! - - -„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig -overtuigen. En allerwegen vernam hij, dat de man, die daar voor u zit, -gebukt onder de zoo zware beschuldiging, welke wij gehoord hebben, een -onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam landbouwer, -een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen -hier op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het -zachtmoedigste der aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk, -dat het met fiskalische wreedheid op de schouders is gelegd. Ik heb -hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono van het district -Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de dèsa -Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden -dan Setrosmito, vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik; -maar dat hij toch die keuze moest ontraden, omdat de eenvoudige -sawahbewerker niet lezen of schrijven kon. - -„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen -te geven zijn, voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar? - -„Opiumsmokkelaar!... O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen -omgaat. Gijlieden weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh -gebeurt. Gij keert het hoofd af, wanneer gij dat woord hoort! -Opiumsmokkelaar!... Waarop grondde het Openbaar Ministerie die -beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring -van een bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die -door de publieke opinie, als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op -niets anders dan op dat doosje, dat daar ligt, hetwelk Singomengolo bij -den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,... het is nog zoo lang niet -geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen, -afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen -genoopt zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie -diezelfde man volgens zijne verklaring een dergelijk doosje zoude -gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt die verklaring van den -bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van de -baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel, -hoort ge? Door geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen, -die onweêrlegbaar blijken. Ik neem al weer mijn toevlucht tot de -geschriften van Verstork. Luistert: - -„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich -aan de hut van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem -dat gereedelijk toegestaan, nadat die drie zich aan de gewone visitatie -hadden onderworpen. [228] Toen werd niets gevonden, ook niet onder het -pandan-matje van de baleh-baleh. Dat hebben mij de twee -politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de -huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De -laatsten betuigden zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild -was geworden, en dat de Chinees het hoofdkussen, hetwelk daarop lag, -nauwkeurig doorzocht had.” - -„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van -Verstork’s schriftuur vervolgen: - -„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich -niet aan de gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde -Setrosmito en zeide: „dan zal er wel opium in mijn huis gevonden -worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs van dat alles, door den -kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.” - -„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de -Chineesche bandoelan, toch een slimme vogel, tot twee keeren niets -gevonden had! Is dat duidelijk of niet? - -„Opiumsmokkelaar!.... De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging -ver, ver wegwerp, niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in -opium-procedures worden soms de vreemdsoortigste bewijzen -aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig en het slachtoffer -is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo -gewoonlijk gebezigd worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet -worden, of wanneer een ellendeling zich wreken wil. - -„Opiumsmokkelaar!... Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren -toeleg gewezen op de millioenen, die door den sluikhandel voor de -schatkist verloren gaan. Wiens hart heeft niet getrild bij de -ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het dan ook van niet -edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel -verloren, maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet -in doosjes, waarin slechts voor luttele waarde geborgen is. De -millioenen, die gesloken worden... Och, heb ik wel noodig aan te -wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, uw -mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê -gemeente met hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om -ongelukkigen, die hen hinderlijk zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik -wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, te herhalen? Och, wat -zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke -college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne -onthullingen aan den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het -gegeven? Vraagt u dat af.” - -Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste -woorden, aan welke hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen -in het brein zijner toehoorders te dringen. Het was stil, zeer stil in -die ruimte, en schier ademloos zat de menigte daar, de woorden van den -jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder den invloed -van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de -toestand, zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk -monopoliestelsel in het leven geroepen is, zooals hij door haar met -allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.” - -„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging -August van Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken -hem ook van die aantijging te zuiveren, zooals ik dat van het eerste -deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad is gepleegd. Het slachtoffer -ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede de daad volbracht -werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft -afgrijselijk plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door -de keel van den verslagene gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet -onduidelijk; toch heeft het de verdediging daarmede meer dienst gedaan -dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, nadeel heeft -kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe -komt een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u -deed kennen, tot zoo eene daad van woest geweld? - -„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat -onderzoek heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald. -Laat mij u mededeelen, wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij -plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie heeft mij daarvan het -voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, die het -gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak, -die ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!” - -En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid, -welks weêrga men nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel -Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij sprak niet alleen, hij -bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw Van -Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat -drama, hetwelk hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel -wervelbeentje het geheele geraamte van een antediluviaansch monster te -voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die -rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe -Singomengolo weigerde zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men -woonde het bij, hoe de aterlingen het schamele, huisraad het onderste -boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden bij de losbandige -handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; men -hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder, -maar aanschouwde tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van -Singomengolo had afgewend, en hoe deze van die verstrooiing gebruik -maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar te voorschijn te -brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den -ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam verleidde; hoe -die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord -werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den -ongelukkigen de hand naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik -de kreet van de kleine Kembang weerklonk, en den toestand van het -zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi stond -van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader -onthulde;... dat alles ging voor de oogen der rechters, der -toeschouwers voorbij, en maakte diepen indruk op aller gemoed. - -Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd -door den advocaat met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven -werd door hem, hoe de aterling in stede van aan dat bevel te -gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop het „sterf -dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting -vervulde. - -Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller -harten hingen aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij -de geest van het treurige drama was, dien hij door zijn woorden -opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele rede, die in het -Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd -steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich -langzamerhand naar zijn verdediger gewend en zijn blik diep -doordringend op den jongen man gevestigd. Neen, hij verstond dien -woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar zijn -geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige -gebaar, dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht -tintelende oogen knikte hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen -over zijne wangen biggelden. - -„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde -hij hoorbaar te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de -Javaansche hoofden en strekte de armen smeekend uit. - -„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August van -Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar -afgebakend te hebben, de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een -mensch doodde, maar niet anders deed, dan op te treden in een -noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?” Wat zal -dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen -op dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te -vrijwaren van de snoodste mishandeling, die in het bijzijn van een -vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.... het geldt de opiumpolitie, -hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, dat -iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die -opium-politie het schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou -ik in volle wanhoop uitroepen: wee der natie, welke zoo’n aterling -bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de rechtsbeginselen met -voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!” - -Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg -brachten. Het was of eene huivering allen daar in die pandoppo -overviel. - -„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar -Ministerie wendende met klimmende zeggingskracht voort, die de -huivering tot rilling deed overgaan. „En nu, ga voort, gij! Stapelt de -eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een voetstuk van, -trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer -gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus, -uw oor niet zal kunnen bereiken! - -„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u -eenmaal bereiken. Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij -gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, de euveldaders, de -aanbidders van den opium-afgod verpletteren! - -„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere -stem, maar toch met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te -wederstaan was, tot de leden van den landraad. „Wat u betreft, stelt u -in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen straks tranen vergoten, -toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. Stelt u -voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van -doodsangsten die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan -heeft en in dezen stond ondergaat; dan zult gij eenigermate de -onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen -moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer gij over -eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader, -die zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult -weergeven.” - -Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder. -Het was reeds laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel. -Een benauwende warmte heerschte in de pandoppo, en drukte loodzwaar op -de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering allen bevangen had, -welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef te -klemmen.... Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte, -die door enkele snikken afgebroken werd.... Toen barstte eene algemeene -toejuiching los, die het dakgebinte tot in den nok deed trillen, en die -de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem ook was, onvermogend -was, tot bedaren te brengen. - -Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle -instemming met het gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de -voorzitter andermaal dreigde het lokaal te zullen doen ontruimen! - -Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom -medegesleept gevoelende, die de geheele beschuldiging verzwolgen had, -poogde de djaksa te verwerven, dat de zitting verdaagd werd. Maar die -poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken betreurenswaardigen -indruk die verdaging zoude teweeg brengen. - -In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas -Wirio Kesoemo niet anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij -prevelde, zonder dat hem eenige aandacht geschonken werd, ettelijke -omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van de -noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij -stotterde, draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij -eenige oplettendheid verworven had. - -Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar -recht tot antwoord gebruik wenschte te maken. - -Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting. - -„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou -kunnen zeggen, zou slechts den indruk verzwakken van het gesprokene -door het Openbaar Ministerie, wien de beklaagde nog meer dan aan de -verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd zal zijn!” - -Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat -het heilige boek voorschreef. - -„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit. „Die man -heeft gedood, die man moet sterven!” - -Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw -gevallen,” mompelde men. - -De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange -poos verschenen zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd -vonnis voor, waarin, na een ontelbaar „aangeziens” en „overwegendes” -eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken werd. - -Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van -Beneden toe, om hem geluk te wenschen met de behaalde overwinning. -Zelfs de voorzitter, wel verre van thans die algemeene geestdrift te -stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den steeds gehurkt -zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat door -den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik -op den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte, -terwijl hij eenige onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor -August voldoende. Daarin was zich niet te vergissen: dat was de blik -van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo mompelde eene stem: „De -gerechtigheid der blanken is groot!” - -Een oogenblik later was de menigte uit elkander. - -„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik -ben nog onder de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij -het aangelegd, om de Inlandsche leden van den raad onder uwen invloed -te krijgen?” - -„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het -Maleisch voorgelezen!” [229] - -„O, zoo! Nu, dat is leuk!” - -De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude -regent van Santjoemeh zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd -had: - -„Gij zijt een braaf mensch!” - - - - - - - -XXXV. - -TWEE VRIENDINNEN IN HET KARANG BOLLONGSCHE. - - -Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng, [230] die bergmassa, -welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, aan -Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine -dèsa Ajo, een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den -steilen bergwand voor het oog van de van noord en zuid naderenden, als -in een terreinplooi verscholen lag. - -De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel -is waar, werd aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil -oploopend terrein, dat rotsachtig en derhalve slechts met een mager -stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook ter weerszijden was -de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte -rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke -het gebouwtje verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een -vergezicht uit, dat in liefelijkheid en schoonheid uitmuntte, en alles -vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden tekort kwam. Van het -schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, en -opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest -eischende verbeelding moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het -hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en -slechts met bruin verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid, -vertoonde, waartusschen een paadje grillig slingerde, als wilde het een -wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, dat kronkelend -en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden -bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het -plantenrijk zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele -boomen met krom verwrongen stammetjes en knoestige takken, later door -meer opgaande vertegenwoordigers van het gebied van Silvanus, om -eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven ettelijke -klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat -allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf. - -Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met -hare bruine daken en goudgele omwandingen te midden van het levendig -groen, en spiegelden zich in de Kali Djetis, die de dèsa ten westen -begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht beschreef, om zich met -eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten. - -Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, -dat zich voor de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. -Was toch de zee kalm, dan strekte zij zich met haar donkerblauw vlak -eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder uit, die daar ginds -zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische -zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige -visschersvaartuigen, die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, -met hare blanke maar vreemdsoortige zeilen de watervlakte aangenaam -stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door en werd die in zijn -opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen zeil te -bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het -bereiken van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het -afstroomende bergwater ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik -als een blauwen muur voortrolden, om eindelijk zich in eene machtige -krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, en zoo eene -branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel -opleverde, welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, maar ook -ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n -golf overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca” [231] in het klein -vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in -zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden. - -Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van -die soort van de meest primitieve materialen, bamboe en atap, -vervaardigd was. Het was eigenlijk slechts een omwand en overdekt klein -vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde eene deur uitgespaard -was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl in de -flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten -verrichten. Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld -was, weten wij niet. De blik van den romanschrijver mag niet altijd de -onbescheidenheid te ver drijven. Hij is gedwongen sommige gevoeligheden -te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, en hen al de -gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel -stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden; -hij mag echter niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen, -waarin..... - -Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die -berghelling eenzaam en verlaten stond, hoe armoedig het zich ook -voordeed, toch onderscheidde het zich van die hutten daar ginds, daar -beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk proper, en -droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche -woning van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch -toezicht daaraan ontbreekt. De Javanen zijn en blijven een Oostersch -volk, en hebben hunne punten van overeenkomst met andere takken van die -groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, Chineezen, -Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden -noemen. Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe -nipah-bladeren, [232] met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe” -[233] (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een -erfje, tot tuintje ingericht, met goed onderhouden paden, door -weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. Ook de bloemperken en de -sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het geheele erfje -ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas” [234]-heg -omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een -bescheiden grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken -ontwaard werden, die door lange touwen aan elkander verbonden, en zoo -tot droogtoestellen ingericht waren voor lijnwaden, voornamelijk voor -vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die er dan ook in vrij -groot getal in den wind wapperden. - -In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen -bloempot,—zeer zeldzaam in een Javaansche woning,—waarin een prachtige -struik van Devonshire rozen in vollen bloei, een „tenoenan” (Inlandsch -weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag bamboebankje met -kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met -onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de -ketting op en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel) -met behendige hand heen en weer te voeren. Van ons recht als -romanschrijver gebruik makende, naderen wij, hoewel wij dat huisje niet -vermochten binnen te dringen, steelsgewijze die voorgalerij, en maken -van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid gebruik, -om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om -haar, die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig -arbeidt, is te zien, zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong” -(haspelblok) van het weefgetouw gerold is, en wat zij heden nog -vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar staat, om -dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt. - -Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is -niet te zien. Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van -lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde sarong met donkeren grond, -duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele kleur der -handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de -haardos, die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh” -(wrong) tegen het achterhoofd opgebonden werd. Maar... die kondeh, hoe -zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt toch onze aandacht. -Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in -tegenstelling met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed -Javaansche schoonen, bevallig om den wrong; terwijl de kortere haartjes -daaronder sierlijke krulletjes vormen en den lichtbruinen nek, dien wij -bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen. - -„Zou het eene nonna [235] zijn?” rijst er in onze gedachte op. - -Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar -„tjenella’s” (slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch -hoogst zeldzaam door Javaansche vrouwen en meisjes gedragen worden, -daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend in afmeting -van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche -schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene -beweging, waarbij een hagelwit teentje onder den sarong uit komt turen, -en door zijn verschil in tint met gelaat, hals en handen ons zelfs aan -het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust dat zij -bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk -zich voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en.... - -„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat -aanschouwd?” - -Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen -het jonge meisje het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te -hervatten, worden lichte voetstappen op het pad vernomen, dat van de -dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, tuurt, kijkt -scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering: - -„Dalima!” - -Ja, het is Dalima, die daar met vluggen tred het erf optreedt en de -voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje op, en nog voor -dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee -aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander -samensmelten: - -„Nana!” - -„Dalima!” - -Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna -van Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare -nasporingen tot Karang Anjer volgden, maar daar uit het oog verloren. - -„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het -Javaansche meisje aan het hart drukte. - -„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks. - -„Hoe kwaamt gij daar?” - -„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.” - -„Maar... wat hadt gij daar te maken?” - -„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.” - -„Te Karang Anjer?.... Maar, wat hadt gij daar te doen?” - -„Om Nana te zoeken!” - -„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen? -Hebt gij daarvoor die verre reis afgelegd en.... dat in uw toestand?” - -Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar -vergezeld van een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing -toeliet. - -„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de -gevangenis verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang -moeda”” (jongen heer rechter), vervolgde zij met een doordringenden -blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het hoofd voelde opstijgen, -„heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank zij toean -Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik -aan Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer -was, dat zij van daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen -waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne lieve Nana zich verlaten en -ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk -verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn -toestand,”—voegde zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te -zoeken, ten einde haar mijne diensten te kunnen wijden. Toen ben ik -vertrokken, en...” - -„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt. - -„Neen, Nana, volstrekt niet.” - -„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?” - -„Neen, Nana.” - -„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens -mijnheer Van Nerekool, maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u -wel!” - -„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan -mijne moeder heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.” - -„Waar?” - -„Wel, te Karang Anjer, Nana.” - -„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?” - -„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar -gij waart.” - -„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?” - -„Ja, Nana.” - -„En?” - -„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij; -maar zij had u beloofd, het aan niemand bekend te maken.” - -Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld. - -„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij. - -„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb -overal gevraagd: bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s -der dèsa’s, bij de gardoe’s en warong’s langs den weg; in één woord -overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende kwam ik in de dèsa Prembanan -aan....” - -„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd. - -„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene -warong, terwijl een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld -werd....” - -Anna bekeek hare matgele handen. - -„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de -scherpziende oogen van de waronghoudster konden door de „boreh” [236] -(verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat -gij eene blanke of eene Solosche poetri waart.” - -„En verder?” vroeg Anna. - -„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring -toetool verwijderd was, nietwaar?” - -„Dat is zoo.” - -„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.” - -„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei -Anna, terwijl zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij -ziet er dan ook wel vermagerd uit.” - -„O, maar ik ben sterk, Nana.... Maak u niet ongerust. Te Pring toetool -kreeg ik verdere tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik -nog de tandoe, die u aangebracht had, op het erf van den loerah, en -vernam daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.... wat fraai -is....” - -Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met -het gesprokene wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het -Javaansche meisje toch die hut met het residentiepaleis te Santjoemeh. - -Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op -elkander leunende, als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd. - -„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin -zeer goed begreep; „gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.” - -Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan -hare voeten op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van -het blanke meisje. En weldra was het gesprek tusschen de deerns in -vollen gang. - -„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden -slechts van Ajo, waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben. -Ik heb dus tijd genoeg gehad om uit te rusten.” - -„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg -Anna. - -En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van -Nerekool niet vergeten werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed -van het Javaansche meisje gedoogde niet, dat die naam verzwegen bleef. -Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare lippen kwam, als stipt -noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg: - -„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet -gezonden heeft, om mij op te sporen?” - -„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging -in hare stem. - -„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult -maken, dat gij mij gevonden hebt.” - -Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij. - -„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij -niet bij mij blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen -weet waarheen.” - -„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche meisje. „Ik, die -zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!... Niet -bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen -verlaten om bij u te zijn; en... nu spreekt gij er van mij heen te -zenden....” - -Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare -stem. - -„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet -wegzenden; integendeel, ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de -belofte doen, aan niemand over mijne aanwezigheid hier te berichten. -Wilt gij?” - -Dalima wierp zich weenend in hare armen. - -„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!...” snikte zij. - -„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.” - -„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe. - -„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den -slagboom niet begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij -opgeworpen is. Nimmer kan van een huwelijk iets komen! Laat u dat eens -en vooral gezegd zijn!” - -Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort. - -„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna. - -„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima -schier onhoorbaar, „door zijn geluk te bewerken.” - -„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!” - -„Zijn ongeluk?... Vereenigd met u?... O, Nana!...” - -„Nogmaals, geen woord meer daarover!... Geef mij nu de hand, Dalima... -Zoo... En gij belooft mij, wat ik van u verg?” - -Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone -oogen. - -„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana -het zoo wil... dan mag ik niet ongehoorzaam zijn... Ik beloof het u.” - -„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een -smartelijken glimlach. „Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij -zult mij o, zoo veel kunnen helpen. Kijk eens wat fraai „kain polèng -mas [237]” ik daar op de tenoenan heb?” - -„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de -dochter van een Kandjeng toean resident?” - -„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam -Anna weemoedig. „Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik -eene blanke ben. Men houdt mij, gij zeidet het reeds, voor eene -Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. O, er loopen -daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het -andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een -half bovennatuurlijk wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid. -En, zelfs de oude vrouw, die mijne geweefde goederen verkoopt, ziet mij -voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, maagd van het -zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het -geval ware.” - -„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima, -terwijl zij hare handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg. -„Gij, een „anak” (kind) van een Kandjeng toean!” - -„Die anak van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten, -Dalima. Kom, laat mij voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain -poleng mas is mij besteld, en moet ik zoo spoedig mogelijk afmaken.” - -Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer -gaan, terwijl zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig -aandrukte. Dalima keek haar aan, en tranen schoten haar in de oogen. -Dat duurde evenwel slechts kort. - -Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de -tenoenan, zoodanig dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en -begon nu te spinnen. Zij legde daarbij zoo eene behendigheid aan den -dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en zeide: - -„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij -toch meer op, dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.” - -„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet -zonder een zweem van trots. „Gij zult eens zien, ik kan u ook aflossen -bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.” - -„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog -een beetje links, hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks -zal ik u, alvorens wij voor het eten gaan zorgen, mijn kunststukken op -dat gebied laten zien.” - -Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door, -totdat het tijd werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de -grootste schamelheid, en was geen verfijnd „kokki bitja” (keukenboek) -noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat Nana -zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „bras” (rauwe -rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide, -waschte de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de -koekoesan (mand) in de dandang (waterketel) te vuur, bereidde den -sambal oelak, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en -spaansche peper in pisangbladeren, om er „pèpèsan ikan” van te maken en -roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes -vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was. - -„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het -tafelgoed? Dat ik alles klaar zet.” - -„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben. -Wil ik niet herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de -gebruiken der dèsabewoners voegen. Daar is mijne tafel, en hier zijn -mijn lepel en vork.” - -Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer -in het middenvertrek harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie -vingertjes zien. Dalima zuchtte diep. - -„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg -zij. „Hebt gij dan in het geheel geen geld?” - -„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,” -antwoordde het fiere meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij -schuil houd, dat ik dat niet doen kan, wanneer ik als eene blanke leef -en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. Wie weet -daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas -mij het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog -schriel misschien, uitzuinig.” - -„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen. - -„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom, -terwijl de rijst gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.” - -Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene -„gawangan’s” (ramen) stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren, -die alle de stadiën van het batikken vertoonden. Hier was er een, -waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening nog eerst -aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die -teekening reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het -verven te beveiligen. Op een ander raam was reeds de grondverf -aangebracht en was de teekening bij deelen van de wasbescherming -ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal -stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode -verf), [238] met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf) -enz., die gereed waren om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd -waren, opgenomen te worden. Voor alles had Dalima een goedkeurenden -knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was gevuld, zette -dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel -door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef -van hare behendigheid te geven. - -„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal -kunnen helpen! Ik zal u zelfs leeren de „aboe kesambi” [239] te -gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie -bloemen gij verkrijgen zult!” - -Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een -onderkomen gewaarborgd, een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge -meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid der Javaansche -bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes werkten -en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar -schamel huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij -had in Dalima niet de aanwinst eener bediende, maar wel van eene -vriendin gedaan. Zij zouden elkander tot steun strekken. - -Of dat lang zou duren? - - - - - - - -XXXVI. - -LIM HO’S HUWELIJK. - - -Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal -speelt, was geheel Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het -was toch de vastgestelde huwelijksdag van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon -van den opiumpachter, den zoon van den millionair Lim Yang Bing, met de -lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh, -wellicht van geheel Nederlandsch-Indië, de eenige dochter van den -schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles handel gedreven -had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht, -geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat. - -Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te -Santjoemeh, en de samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de -algemeene belangstelling opwekken. Daarenboven, een dergelijk Chineesch -huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald werd van de pracht, die -bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten toon -gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een -sprookje uit de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier -verstaan moet worden als tout Paris bij dergelijke gelegenheden, had -dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart machtig te -worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah -Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van -mevrouw Greenhoed, dames die over het algemeen met hare glimlachjes, -vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, omdat -vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het -bediendepersoneel van Lim Yang Bing hadden, en zoo een -uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er werd zelfs verhaald, dat -eene nonna [240] een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer -die hare ouders zoo’n kaart bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de -meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling niet willen -aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de -eindafrekening niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij -gefluisterd, dat de onderhandelingen lang, zeer lang geduurd hadden, en -dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen had, om het lieve -meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen -berichten, en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk -gesteld had. Als het waar was, dan had die nonna de zoo innig verlangde -kaart met menigen zoen betaald. - -Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van -opgewondenheid. En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het -gebeurde met Lim Ho en baboe Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde -niet, en deed niemand te huis blijven. De meest kitteloorige gewetens -werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene vervolging -plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied, -dan zal het wel zoo erg niet geweest zijn. Er waren er zelfs, die stipt -aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, en den Chinees -omtrent zijn bonne fortune benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi! - -Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen. -Integendeel! - -Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een -optocht naar den Chineeschen tempel. - -Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen, -[241] had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má Tsów -Pô [242] die beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden -te laten afsmeeken. - -Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet -gevormd voor het huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke -door de stad trokken, voorafgegaan eerst door een talrijk korps -Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, geaccompagneerd -door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen, -polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil -van de onwelluidendheid hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het -trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer die hen had kunnen hooren. -Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne krassende, -eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne -valschklinkende en krijschende blaasinstrumenten met het eerste -afwisseling hield, en een mengelmoes van tonen te berde bracht, die -alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, maar toch het -vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven. - -De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers, -terwijl hij ter weerszijden door een achttal „lolleng’s” (papieren -lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai getemperd licht hoog op rood -beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke vormen, aan het -geheel een echt Chineesch relief verleenden. - -De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see” -genoemd worden, wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort -nangkin jasje, dat slechts tot aan den knie reikte, en waaronder de -bloote beenen en voeten uitstaken. [243] Op het hoofd droegen zij -kegelvormige hoeden met opliggende roode franjes versierd. Ieder hunner -hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, waarin kleine -stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren, -en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten. - -In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van -Má Tsów Pô, dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op -het hoofd, als zinnebeeld van hare waardigheid van Koningin des Hemels, -murmelden, zongen, en prevelden op de maat gebeden en bezweringen, -terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen dat zoo -omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder -begeleiding van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den -heenmarsch te zaam gedrongen had. - -Maar den volgenden dag was de groote feestdag. - -Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om -de genoodigden uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af -te halen. Toen het tien uren sloeg, was de élite van de ingezetenen van -de residentie in de binnengalerij van de woning van Lim Yang Bing -vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot tenue, òf -zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door -jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht -rozenkleurige rozen. Naarmate de gasten verschenen, werden bij den -ingang „mertjons” [244] afgestoken, en dat in grooter aantal naar -gelang de binnentredende een hooger standpunt in de maatschappij innam. -Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd een evenredig -grooter aantal rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk -soms zoodanig, dat hooren en zien verging. - -Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die -plechtstatig door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid -werden; terwijl intusschen buiten een geknetter en gedonder weergalmde -alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest springen. Bij die -gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken) -afgevuurd, en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan -Lim Yang Bing verzekerden dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van -Krakatoea kinderspel was geweest. - -Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de -„Shan Sao” (booze geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot -vreugdebewijs op dezen heugelijken dag te dienen. - -Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps -muzikanten en door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd -hadden, een lange stoet van vrienden en bekenden van den bruidegom -voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders te gaan afhalen. - -Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als -door den kapitein der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren -luitenants dier natie heel galant als ceremoniemeesters dienden. Allen -beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen te doen -voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen -vernomen te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde, -en bruiste het heerlijke vocht, dat in groote zilveren kommen in een -ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen kristallen kelken. Der dames -werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden. - -Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden -bewogen zich ongedwongen door de ruime binnengalerij, die reeds in -gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, maar thans voor deze -plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, als -draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar -verguld, en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het -huiselijk leven in China voor. De omwanding was zacht rozenrood [245] -genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond, -bedekt was met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd. -Aan het uiteinde der galerij bevond zich het altaar van den Tao Peh -Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl groote strooken van -roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden daarvan -prijkten. - -„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent -toch dat gekrabbel op die roode lappen?” - -„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de -Chinees galant. - -„Maar, wat beteekenen zij?” - -„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen -over deze woning.” - -„En de anderen?” - -„Dat zijn de vijf zegeningen.” - -„En die zijn?” - -„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een -einde, dat het leven kroont.” - -„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat -zijn die mooi!” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele -lantaarns wees, die aan de zoldering en aan de balken der galerij -hingen. - -Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven -koper in Chineeschen stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer -fijn geslepen waren. - -„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van -zelfvoldoening. „Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen -raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?” - -„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?” - -De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om -zijne lippen. - -„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze -kunstwerken meer waardeerdet.” - -„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw. - -„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met -de vracht en inkomende rechten...” - -„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende. - -„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien. -Wil njonja....?” - -„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?” - -„Bijna vierhonderd gulden, njonja.” - -„En daar hangen er een dertigtal meen ik?” - -„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.” - -„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor -tienduizend guldens aan lantaarns!” - -Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s -genoot hij dubbel, wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der -kostbaarheden, die hij uitstalde. - -„En zie eens die „how-iâ’s.”” - -De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer, -die ineengedoken op een voetstuk van zwart marmer voor de twee -hoofdpilaren der galerij voor het altaar zaten. - -„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn. -Is het niet?” - -„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.” - -„Maar, babah.” - -„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien -haan daar op het altaar?” - -„Ja, babah; die is prachtig gesneden.” - -„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd -gulden.” - -„Maar, gij moet rijk zijn, babah.” - -„Och zoo,...” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn -bescheidenheid. „Weet gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van -heden avond kosten?” - -„Neen, babah, zeg op.” - -„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.” - -„Gij moet zeer rijk zijn, babah,” vleide de residentsvrouw. - -„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet, -hoeveel ik mijn zoon medegeef, njonja?” - -„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij, -babah.” - -„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot. - -„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet -ontzettend rijk zijn, babah Lim Yang Bing!” - -„Toch niet zoo erg, njonja.” - -„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?” - -De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een -weinig. - -„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?” - -Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn -binnenste zijne praalzucht en snoeverij. - -„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone -Laurentia, die het ijzer smeedde, terwijl het heet was. - -„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken. - -„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit -loopende jaar, nietwaar?” - -„Ja, njonja.” - -„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand -plaats hebben, is zoo niet?” - -„Ja, njonja.” - -„Zijt gij van plan mede te bieden?” - -„Ik denk het wel, njonja...” - -„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja...” herhaalde -Laurentia op kluchtigen toon. „Maar... shut! men beluistert ons.... Wat -beteekenen die letters op die lollengs, babah?” - -Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar -eigen, giegelenden, luchthartigen toon gesproken. - -„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.” - -„En op die daar?” - -„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.”” - -Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de -vermeende luisteraars. - -„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt -het met die pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger -zult hebben.” - -„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift. - -„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van Solo.” - -„Die!” mompelde de Chinees onthutst. - -„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam, -terwijl zij hem strak aankeek. - -Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast -de schoone vrouw voort. - -„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met -iets schampers in hare stem op. - -„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij. - -„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht -innen.” - -„Ho, ho!” grinnikte de Chinees. - -„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens -twintig ton moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het -monopolie.” - -„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat -zou ik wel eens willen zien!... Maar een verhoogde pachtschat is -onmogelijk,” voegde hij er nadenkend bij.... „Thans kost het moeite, om -zonder verlies te werken.” - -„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede [246]!” merkte -Laurentia spottend op. - -„Ja,...” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet -gehoord, „werd het aantal kitten in de residentie vermeerderd... -dan...” - -„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er -thans? Dat is mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?” - -De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en -scheen in berekeningen verdiept te zijn. - -„Minstens tien,” antwoordde hij. - -„Dat is veel;... maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract -opgenomen worden, zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?” - -Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling -daar nog iets bij te voegen. - -De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan -den ingang van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan -moest, zooveel mertjons werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche -muzikanten, die den stoet vergezelden, eene krijschende cacophonie -deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte proef -stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was, -dan moest die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was -zelfs geen Shan Sao bestand. - -Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat -en zedig in haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose -sjerpen om de slanke middels, te voorschijn getreden, om de bruid te -verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems en eenige -snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. -[247] Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de lieve Ngow Ming Nio de hand -te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. Op die -tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep -van hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh” [248] niet -ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig -opengesneden, dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten -blootlagen, als zinnebeeld van het groot aantal kinderen, dat men het -jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een groot aantal „kaam” -(oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des levens, -die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan -elkander gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en -toch onverbreekbare eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige -stekken van „koaka” (suikerriet), als zinnebeeld van het -huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, van -geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt. - -De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow -Ming Nio [249]. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal -nedergezet. Beide bekers waren met wijn gevuld, en door middel van een -rooden zijden draad aan elkander verbonden. Bruid en bruidegom dronken -tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden daarop -van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet -brak, en ledigden nu de bekers geheel en al. - -„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de -huwelijksplechtigheid bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te -verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim -Ho is dat niets; maar dat lieve kind....” - -„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg -Grenits ondeugend. - -„Shut!...” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de -nabijheid. - -„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner. - -„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene. - -„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?” - -De Chinees lachte schalks. - -„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend. - -De omstanders proestten het uit. - -„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,” [250] zei Grenits, die in de -algemeene hilariteit deelde. - -„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten. - -De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone -Laurentia was diep verontwaardigd over de stoornis der -bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den grond willen kruipen -tegenover die toornige blikken. - -„Shut!... Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te -zamen. - -Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der -bruid, hief die ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen -elkander bogen. - -„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits. - -„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August van Beneden -knikkend. - -„Shut!” klonk het alweer. - -„Millioenen, die voortspruiten uit... Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor -fluisterend, maar uitdagend. - -Onze advocaat boog verlegen het hoofd. - -„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.” - -„Shut!” - -De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen. - -Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter -dikte van eene groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd, -gevuld waren. - -„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis. - -„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden. - -„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat -„obat” (medicijn)?” - -„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den -Jang voor, het mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk -beginsel der natuur...” [251] - -„Shut!” klonk het allerwegen. - -Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit -balletje, lieten dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander. -Daarna werden de schotels omgeruild en de ceremonie herhaald, waarmede, -in verband met de beduiding daarvan op het dualisme der natuur, de -bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, en -de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het -eene stel millioenen aan het andere! Of er bij het voltrekken der -plechtigheid door den bruidegom eene enkele gedachte aan zijn -slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd? - -Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop -twee balletjes, bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van -haren echtgenoot, en noodigde hem met verlokkenden lonk tot eten. Die -daad was de betuiging der jonge vrouw, dat zij gereed was om alle -lasten van het innerlijke huishouden te torsen. Een der oudste -familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche -woorden. - -„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen -berichtgever. - -„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king, -uit het Boek der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. -[252]” - -„Maar, wat beteekent die aanhaling?” - -„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De -perzikboom is jong en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze -jonge vrouw gaat naar haar toekomstig huis, en zal uitmuntend hare -huiselijke zaken regelen.”” - -Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had, -negen beiden andermaal zeer diep voor elkander, en was de -huwelijksplechtigheid afgeloopen. - -Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de -kanonnetjes weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen -mertjons, daar joedelde de kapel der Santjoemehsche schutterij, die ook -verschenen was om het feest op te luisteren, hare vroolijkste deuntjes, -daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst en veroorzaakten -dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag zoo -een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen -verondersteld konden worden met buffelleder te zijn gevoerd. - -Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh -Kong, staken eerst een paar geurige offerstokjes [253] aan, bogen toen -voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes -in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met -welriekende asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod, -keerden zich de jonggetrouwden om, ten einde de gelukwenschen der -aanwezigen te ontvangen. - -Dit gedeelte van het ceremoniëel was niet nationaal. Bij Chineesche -huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, begeven de -jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne -vertrekken. Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten, -en onthielden de Chineezen zich dan ook, aan die felicitatiën deel te -nemen; maar beijverden de meeste hunner zich om eene verdubbeling van -vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen te -verdrijven. - -De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm, -openden den optocht van Europeanen, die zich daar voor de -saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, al was de bruid ook al -lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige vent” -genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die -plechtigheid bij te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te -jonge dagteekening. Maar, nu twee millioenen van den eenen kant met -twee millioenen van den anderen kant verbonden werden, nu het de zoon -van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu verdrong -zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar, -om het hare oprechte heilwenschen aan te bieden. - -Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te -hebben, hen met een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken. -Gelukkig voor de jonggehuwden, dat zij de Hollandsche scheepstermen, -die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen kon, niet verstonden; -gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia haren -echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog -aanmaande. De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen -een einde, en nu was het een handjes-drukken, een gefleem, een geteem, -zoowel ten opzichte van de rijke ouders der jonggehuwden als tegenover -dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van walging moest -beklemmen. - -Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch -Theodoor Grenits, noch August van Beneden, noch Leendert Grashuis, noch -Eduard van Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de -jonggehuwden te wisselen. Zij hadden van het algemeen gedrang gebruik -gemaakt om naar buiten te treden. Karel van Nerekool was zelfs in het -geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen overwinnen, dien -hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de -bizonderheden der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij -voorkomende gelegenheid zoo’n ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het -dan ook op bescheidener voet gevierd worden. - -Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de -ommegang der feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de -champagnekurken knalden, alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid -wilden aangaan met de buiten steeds knetterende mertjons. Weldra -stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met een -beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de -luidruchtige toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s” -(violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te -voorschijn roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de -slangstukjes en mertjons losbrandden, alsof het de bestorming eener -vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden van dat -ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden. - - - -Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het -menu zorgvuldig door een Franschen maître d’hôtel was opgemaakt -Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte -Chineesche gerechten voorgekomen waren, als Potage Kiemlo à la Tartare, -Potage Printanier à l’ail, [254] Croquettes aux oreilles de rats, [255] -Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang, [256] enz., enz. - -De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een luisterrijken -dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche -officieren, waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen -zulke trouwe en nuttige onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats -gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk Bestuur drukte op dat woord -nuttig en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van -toejuichingen. Die laatste toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing, -die een dronk aan mevrouw en den heer Van Gulpendam wijdde, daarbij -Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar echtpaar en -den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en -der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die -edelaardige menschen nog lang aan het hoofd der residentie te zien. - -Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat -de muren en zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden -ongevallen plaats gegrepen bij de daverende toejuichingen, die met het -geweld van een orkaan losbarstten. De grond schudde letterlijk onder de -voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van het geschut en -van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte door -het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige -hand gelicht werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift -werden de woorden van den rijken opiumpachter begroet! - -Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh -bijgewoond werd. Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een -prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, waarbij onze gestaarte broeders -het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de pyrotechnie boven de -Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij -voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste -paren het dansterrein. - -„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de -resident een paar dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis -heeft gerookt!” - -„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach -van voldane ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig -geld gekost. Er is alleen aan champagne voor tweeduizend gulden -gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd gulden. Het vuurwerk, -dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.” - -De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling. - - - - - - - -XXXVII. - -EENE WALGELIJKE TEGENKANTING.—TWEE OPIUMKONGSIE’S IN GEVECHT. - - -Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen -alledaagsche zaak, dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van -Santjoemeh trouwde met de dochter van een niet minder rijken -emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling van zoovele -millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de -grootste belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan. - -Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat -niet allen behoefte gevoeld hadden de receptie met hunne -tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden ook enkelen, zooals Van -Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne -weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche -huwelijksplechtigheid te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te -halen geweest bij het diner aan te zitten of de danspartij bij te -wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de Europeesche -bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van -Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool -bij elkander te komen, om gezellig dien avond door te brengen. - -Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen -rechter nog in zijn studeervertrek onder de kap eener groote -astraallamp over zijne schrijftafel gebogen. - -„Nog aan den arbeid?” vroeg de een. - -„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere. - -„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde. - -„In de ornithologie zou Karel onder de „rari aves” (zeldzame vogels) -gesorteerd worden!” riep August van Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog -op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? Hoort ze daar ginds eens -toeteren en spektakel maken.” - -En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der -residentie’s hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter -der fanfares, het geknetter der mertjons en het gedonder van het -geschut vernomen. - -„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits -verachtelijk glimlachende op. - -„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den -dag ijverig besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan -hij wel meende, is het in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij -den raad van Justitie; toch hield iets anders mijne aandacht bezig, -toen gij zoo even binnentraadt...” - -„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo -over zijne schrijftafel deed bukken?” vroeg Theodoor. - -„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven -ontvangen had, en die mij de pen heeft doen neerleggen.” - -„Van Willem Verstork?” - -„Hoe maakt hij het?” - -„Is hij welvarend?” - -„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?” - -Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig -uitgesproken. Een ieder van dat vijftal droeg den waardigen controleur -een goed hart toe. - -„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich -uitmuntend in die militaire wereld daar ginds te schikken.” - -„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals -hij gewoonlijk de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet -in zijne plaats te zijn.” - -„Wat schrijft hij, Karel?” vroeg August van Beneden. - -„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van -Nerekool. „Daarenboven is het grootste gedeelte gewijd aan mijne -particuliere omstandigheden, en treedt hij omtrent de ouders van Anna -van Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet -kan mededeelen. Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is -voorzeker welgemeend; toch maakt dat schrijven mij diep neerslachtig, -daar mij de klove, die mij van het lieve meisje scheidt, al meer en -meer onoverkomelijk aangrijnst.... Waar mag zij toch zijn? Wist ik dat -maar; och, dan was alles nog niet verloren.” - -Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den -gastheer tot weemoed moest stemmen. - -„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid -niet toe. Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken. -Daarenboven, wie weet wat de toekomst bereidt?”... - -„Maar, zij is weg... spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool. - -Eduard van Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet -direct op. - -„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij. - -Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat -kan mij dat schelen?” - -„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur -voort, „en heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is -volgens hem geruimen tijd geleden naar Karang Anjer gereisd....” - -„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. „En wat?....” - -„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.” - -„Niets?” - -„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.” - -Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken. - -„Een opflikkering der hoop,...” prevelde hij; „en daarna weer zwarte -nacht!” - -Allen keken een poos bedrukt voor zich. - -„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg -Van Beneden, die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending -wenschte te geven. - -„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon. -„Kom, laten wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het -meest wetenswaardige van zijn brief mededeelen. Het is hier niets -gezellig voor vriendenkout.” - -Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat -inderdaad met zijne folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot -vertrouwelijkheid verlokte. - -„Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!” (Sabieio, -geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En -toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden: - -„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij. - -En op de toestemmende beweging zijner gasten: - -„Sabieio, kassi bier ajam,” [257] vervolgde hij, „sama ajer batoe,” -(Sabieio, geef haantjesbier met ijs). - -Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam -Van Nerekool: - -„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert: - -„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht -in den djoerang Pringapoes mededeeling deed van een recept van -pilletjes om de opium te bestrijden, [258] alsook welk succes ik en -anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets gesticht -over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. -Zijne woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij -onuitwischbaar in mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor -u,” sprak hij waarschuwend. „De minister van Koloniën, die bezig is de -opiuminkomsten door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te -zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. Er zijn -zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de -Koloniën uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die -veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht.” -Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst mijner -familieleden een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden -bij eenig nadenken slechts opnam als eene zwartgallige ontboezeming, -geuit ten gevolge van ons gesprek bij den maaltijd, dat hoofdzakelijk -over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen had. Grenits -zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel -aanduidden; want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg -niet loopen zou: „maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen -niet verdienen.” - -„Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat -ik deed, verrichtte ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene -mogelijke belooning. Zulk streven heb ik steeds volgaarne aan anderen -overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, soms wel het tegendeel -daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid met die -uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond -wordt. De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo -dienstvaardige spierbundels in mijne lendenen te hebben, zou mij -ongeschikt tot iedere poging daartoe maken. - -„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch -kon hij noch ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en -hoe doeltreffend zijne voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op -het geen volgen gaat. - -„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche -Secretarie gewerd. Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen -omtrent sommige civiele kwestiën, b. v. inkomende rechten of zoo iets -wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur niet bemoeielijken -wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet door -tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een -geschreven stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm -eener circulaire, die evenwel gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is. -Dat document luidde: [259] „Te Batavia is eene poging ontdekt om -pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn. -Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die -pillen moeten worden beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen -anders dan voor rekening van het gouvernement, alsmede de verkoop, -anders dan door den pachter, verboden is, behoudens de bij Indisch -Staatsblad 1872, No. 170 ten behoeve der particuliere apothekers -vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. wordt verzocht aan dien last -der Regeering stipt de hand te doen houden.” - -„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch -Bestuur. - -„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen -aangewend, om Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze -verslaafdheid aan het heulsap af te brengen, en die pogingen waren met -een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een paar honderdtallen -van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne -ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de -heerlijke werking van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook -met een zestal vermeerderd; en ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op -die werktuigen van zedelijke verwoesting viel, die daar nu als -zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, ik een -gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken. - -„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de -regeering wars zoude zijn, het hare bij te brengen, om zoovele -rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik in Indië -rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was -misleid, en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen -beschikbaar bij de pachters stellen, moest het doel, met dat middel -beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een uitvoerig stuk op, waarin ik -de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook door de -evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo -ook door de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de -laatstbedoelden legde ik authentieke verklaringen deswege over. Ten -slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, ten opzichte van -de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap vervaardigd, eene -uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken. - -„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van -mijn hart gevolgd. Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik -gelooven kon, dat de regeering ook maar een klein beetje van hare -prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, zou laten varen. -Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in een -tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als -de hoogste vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten -wordt voor de bas-fonds, waarin geschraapt wordt. - -„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op -mijn welgemeend pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, -vervat in uw schrijven van den zooveelsten, verlangt de regeering niet -te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet in den -laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad -in andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te -zijn, om de schuivers het gebruik van opium af te leeren, dienen zij -toch inderdaad om hun, die zich, hetzij wegens de hooge kosten of om -andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen voorzien, het -opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. [260] Bestond er reeds -twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, dat -gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met -een goed doel—de verordeningen der regeering omtrent het -opium-monopolie te ontduiken, en zoo mede te werken tot benadeeling van -’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de meeste zekerheid, dat -gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd hebt. Op -de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de -regeering onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de -beweegredenen, die u genoopt hebben te handelen, zooals gij deedt, -ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat uwe -familie-verhoudingen mij hebben doen terugdeinzen, zou ik u als -onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, voor ontslag -hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen -ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te -rapporteeren. Gij moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding -noodig heeft, dan het gehoor geven aan ziekelijke philantropische -opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van ontevredenheid, -gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt...”” - -„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield -met lezen. „En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n -edelaardig karakter als onze Willem.” - -„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij -bederft de beste sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen, -dat men de middelen weert, die bij de bestaande toestanden heil zouden -kunnen aanbrengen!” - -„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden. - -„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te -uitsluitend in onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet -waar kunnen zijn, dat onder het mom van genezing aan te brengen, -inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd...” - -„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe -Willem Verstork van sluikhandel te verdenken?” - -„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis -er aan toe. - -„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard van Rheijn, terwijl hij -driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. Zoo iets -te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een -paal boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen -onkreukbaar eerlijk en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet -kunnen aannemen, dat onverlaten, zich achter dat geneesmiddel -verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist te -benadeelen?” - -„Zoo iets kan wel,” zei Grenits nadenkend. - -„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een -zoodanigen clandestienen invoer tegenga? Onder den dekmantel van die -pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote vlucht kunnen -nemen....” - -„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die -maar gestijfd wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van -het opiumverbruik zoo afkeerig niet. Integendeel!” - -„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent -de pillen van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk -genoeg,” merkte Theodoor Grenits op. „Men kon het middel handhaven en -beschermen, maar de vervalschingen daarop tegengaan. Maar, dat wil men -blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken, -die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot -verbetering te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in -den Haag gefemeld en geteemd wordt, ten ernstigste tegengegaan worden. -Vrienden, gij herinnert u onze discussiën nog wel. Valt de uitspraak -nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking op het arme -Indië rust?” - -Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas, -neen, tegen die uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die -overtuiging gevestigd. - -„Ja, die opium!...” zei August van Beneden met een zucht. „Vrienden,... -wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp prijs te geven, -wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden -zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares -trilt, en de grond dreunt door het gedonder van het geschut bij de -feestviering van de samenkoppeling der millioenen, uit die bron -verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche Rijk zijn nu -zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet -altijd zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij -zij uiterst vinnig tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer -dagen van eenige overjarige documenten, kwam mij een Kongsie-geschil in -handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring gunde, waarin zich -de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat mij u -die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op -plaatsnamen letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om -de handelenden, die nog leven, te brandmerken, en dat zult gij, met het -oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. Voor -den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden -van personen door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen -daarenboven iets stuitends heeft, zoo zal ik mij veroorloven -gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden daaraan maar wilt -denken. - -„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren -geleden,—bestond er in eene residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij -aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die wij Hok Bie -zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de -opiumpacht van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij -Bengawan zullen heeten. Maar ter zelfder tijd had dat pachtperceel -Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van een jeugdig Chinees,—dien -wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de millioenen -niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval -was. - -„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, „wanneer -ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en -omkooperijen, die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig -te worden. Laat het u genoeg zijn te weten, dat van weêrszijden alle -krachten werden ingespannen, en niet zonder reden; want het -pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, en -telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal -opiumkitten, waar tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking -van het geheele eiland bezit.” - -„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen. -Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was, -[261] dat de soliditeit der borgen van hare tegenpartij betwijfeld -werd, waardoor deze buiten mededinging gehouden zoude worden. Tio Siong -Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers met hunne eigene -wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?... Och, -dat zult gijlieden wel kunnen gissen.” - -„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons -als een klontje kandijsuiker!” - -„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om. -Eerst poogde zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich -failliet zouden verklaren. Toen dat niet opging, deed zij den -gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen gouds, wanneer hij zich -terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend worden. -Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de -pacht van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op. - -„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal -mededingers geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het -strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers van de kongsie Hok Bie en -Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt. - -„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende -stoutmoedigheid en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende -oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk ƒ 80,000....” - -„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.... „Maar, dat is niet -veel.” - -„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden. - -„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te -Santjoemeh....” - -„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in -de rede. „Laat u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.” - -„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool. - -„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en -daarmede gemeend zijn tegenstander te overbluffen en te verpletteren; -want hij was van zestig op tachtig gesprongen. - -„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?” - -„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk: - -„„Dan sareboe!” (nog één duizend) - -„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod -zijner tegenpartij eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden. - -„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien -laatsten sprong had hij de uiterste grens van de strekking zijner -volmacht bereikt. Hij mocht niet verder. - -„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” zei de resident aanmoedigend tot -den aarzelende. - -„„Delapan poeloe satoe reboe roepiah!” herhaalde de secretaris, die -voor afslager dienst deed. - -„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „tiga kali!” (derde -maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong -Mo toegewezen. - -„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan -pachtschat! Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er -overtuigd van, dat uit het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele -te kloppen was. Of hij niet buiten den waard rekende?.... - -„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot -dan ook zich te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton -ter beschikking, om Tio Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar -om hem zelfs een plaatsje in ’s lands gevangenis te bezorgen. Twee der -oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.” - -„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij -zoo’n concurrentie als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte, -niet ongelijk aan een jong, vurig paard, dat ongeduldig is om vooruit -te schieten. - -„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging -August van Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner -hartstochten of het botvieren hunner ijdelheid geldt, dan zijn de -Chineezen volstrekt niet gierig....” - -„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te gooien om een -kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis. - -„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. „Anders komen -wij er van avond niet.” - -„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene -opium-geschiedenis mee te deelen en nog wat meer.” - -„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits. - -„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren -nog niet verpacht. De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op....” - -„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette -perceel Bengawan, een paar ietwat magerder, dat compenseert.” - -„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August -onverstoorbaar voort, „en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000 -’s maands, hoewel er op de vingeren uit te rekenen was, dat bij een -dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.” - -„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool. - -„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te -krijgen.” - -„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging. - -„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August van Beneden met een -glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst ten -noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet -uit. De kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De -smokkelvaartuigen voeren ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali -op en neer; de smokkelwaar vond haren weg door hare pachtperceelen en -binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met gesloken opium -overstroomd, die tegen acht duiten [262] willig van de hand gezet werd, -een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk slijten kon. Toch -trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon met -stipt aan zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat -op de gestelde datums in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de -Europeesche ambtenaren hem steunen zouden, tegenover den sluikhandel, -die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg zijne vertoogen bij -de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën -hadden?.... Schwamm darüber.... En, mocht hij ook van een enkelen -hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de mindere opiumbeambten -ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al op de hand -van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, -onbeloond liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, -zoolang Tio Siong Mo geld had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, -het was ook hier: waar steeds veel van afgaat en schier niets bijkomt, -daar is het einde slechts een quaestie van tijd. In de tweede helft van -het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij kon onmogelijk zijne -onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s lands -kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het -wichtig oogenblik naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne -bezittingen omgesprongen hadden, dat zij niets dan schulden -achterlieten. - -„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de -Directeur van Financiën, en liet uit naam van diezelfde regeering, die -door doeltreffende maatregelen, zoowel in haar als in des pachters -belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust van Java -geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had, -den armen Tio Siong Mo in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang -zuchtte, en waaruit hij eerst kort geleden, toen men zag, dat die -gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op het gebied van -belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de -haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze -épisode, dat zij die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen -zijn.” - -„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?” -vroeg Van Rheijn nieuwsgierig. - -„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo -binnenstijds herverpacht worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn, -blijkt niet uit de stukken; wel uit eene teemende jeremiade van den -Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters tot groote -gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij -die herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve -de achterstallige tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk -nadeel van veertigduizend gulden ’s maands had.” - -„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met -alle pachtperceelen gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden -worden, om aan dat opiumverbruik een einde te maken!” - -„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen -langs de noordkust?” vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van -aspirant-controleur het naadje van de kous wilde weten. - -„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies -op. Toen het doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene -bevriende kongsie, natuurlijk tegen groot verlies over. Hok Bie wilde -er niets meer van weten....” - -„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis. - -„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij -ook de opiumpacht bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik -verleent.” - -„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der -Nederlanders!” - -„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke -lauwheid der natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd -opgevoerd worden!” - - - - - - - -XXXVIII. - -DE AMBTENAREN EN DE OPIUM.—DE VOGELNESTPLUK TE KARANG BOLLONG. - - -Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren -harde waarheden voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken -hadden; maar het waren waarheden, die niet weg te cijferen of weg te -redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar op hunne „karossi -gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne -manilla-sigaren ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een -verdubbeld gebulder van het geschut vernomen werd, en een verdubbeld -geknetter der mertjons, schier verdoofd door een uitbundig gejuich, -hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, en -door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op -het vuurwerk te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel -was waarschijnlijk veroorzaakt door den toast van Lim Yang Bing op den -resident Van Gulpendam. - -„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich -aan zijne zwaarmoedige gedachten ontwringende, die door het verhaal van -Van Beneden niet verdrongen waren. - -Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat -evenwel ook weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard van -Rheijn het gesprek. - -„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio -Siong Mo geene medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat -die integendeel geheel en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie -waren. Die uitspraak zal u wel niet ontvallen zijn; maar zult gij wel -degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, het is mij niet -duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche -opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is -zwaar.” - -Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een -paar seconden, alvorens hij antwoordde: - -„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde -het beste. En gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet -ondoordacht uitsprak. Wien zij geldt? Inlandsche of Europeesche -beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust in dezelfde -beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik -vooral de blanken op het oog had....” - -„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van -Rheijn diepbewogen. - -„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal -processtukken, die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene -nota aan van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een -oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook gevraagd was. [263] Zie -hier, wat die nota ongeveer inhield: - -„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel -in opium zijn uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun -zeer moeielijk bedrijf ten dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat -zeer weinig geschikte sujetten zich voor dat baantje aanbieden. Hoe -geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden eenige -individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen -resident. Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden -achter zich hebben, en van den opiumsluikhandel een zeer beperkt -denkbeeld hebben, worden dan op een traktement van ƒ 150 ’s maands -geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene opium -ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of -onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar. -Hunne stations bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke -moerassen, en de schier ondoordringbare wildernissen van Java’s -noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige huren tegen -25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen -kosten een. - -„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets! -Daarvoor is geen geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp -vragen, als er wat aan de hand is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in -den regel bij den duivel te biecht. - -„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te -houden, en genieten daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per -paard. Fondsen tot het aanschaffen dier paarden worden eenvoudig niet -verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te maken van de -bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat -hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent -men nu de korting voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de -ongelukkigen ƒ 102 in handen, waarvan huishuur en bediendeloon afgaat, -zoodat hun slechts 67 gulden overblijven om veelal met een gezin van te -leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook maar eene schamele -inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders -over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen -volgaarne als geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer -niet opgedrongen: uit hun baantje te halen, wat er uit te halen is?” - -„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle -opiumbeambten direct of indirect onder de afhankelijkheid van de -pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen daarvan liggen, -dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van -individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de -belangen der pachters verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot. -Anderen waren ledepoppen van de pachters en durfden zich niet tegen den -sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie kwam in die nota -voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht -ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, dat de pachters als -smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve die -pachters even ijverig controleerden. Maar.... Maar... dezen hielden het -niet lang uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd -dan door de residenten ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was -toch eenmaal eene klacht ingediend, dan moest het recht zijn loop -hebben, en... de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare pachters -bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne financiëele -verplichtingen jegens de Staatskas vervullen...” - -„Maar... waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare -herhaalde verzekering van den Minister van Koloniën in de -vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, „dat het opiumverbruik -zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, zooals wij -hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren -aan den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en -ongeoorloofde middelen het vreeselijke heulsap op.” - -„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat -geen fatsoenlijk man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot -tegengang van den sluikhandel, men moet dus de toevlucht tot personen -van minder gehalte nemen. En... vandaar, beste vrienden, dat de -kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo -mogelijk waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik -mededeelde....” - -„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht -geschapen,” zei Van Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten. -Zeide Van Rheijn straks niet, dat ook hij een opiumgeschiedenis te -vertellen had?” - -„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.” - -„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te -weten, maar telkenmale openen zich nieuwe gezichtspunten.” - -„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer -uitnoodigend. „Wij zijn geheel en al gehoor, Eduard.” - -„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn. - -„Van Murowsky, onzen dokter?” - -„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?” - -„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en -hij daarenboven aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in -tegenstelling van de gedragslijn, door onzen gastheer gevolgd, in zijn -geheel voorlezen.” - -„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.” - -„Komt er iets over kapellen in voor?” - -„Ja.” - -„En over kevers en slangen?” - -„Misschien ook.” - -„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig -zijn; zij schenken je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet), -geen dekschild, geen...” - -„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen -glimlachend. „Luistert maar: - -„„Hoe ik het te Gombong uithoud?” vroegt gij mij in uwen laatsten -brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het er dienaangaande -somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha van Bemmelen een goed hart -toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep, -wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne -komst hier, dacht ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe -omgeving en vloekte den chef, die mij de poets gebakken had, mijne -overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie geen sprake. De -enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte -mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één -beeld, dat der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en -bekoorlijke koonen, en vergat ik mij zoodanig, dat de fraaiste -vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder dat ik er aan -dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn -insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de -officieren, daar aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de -pupillen-inrichting aangewezen, en hadden het druk genoeg. Ik -daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel te Gombong is -wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje -gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder -handen te krijgen, merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.....” - -„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit. -„Bidden om eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten, -of op zijn minst in het nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een -plaatsje bezorgen.” - -„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard. -„Verlangt hier onze August niet naar processen? En is een geding niet -erger dan eene epidemie? Maar, laat mij voortgaan.” - -„Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of -beter ik wisselde het een met het ander af. Ik bezong haar, die -afwezige, in alexandrijnen, in jamben, in pentameters, in hexameters, -in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, in stanzen, -in het Duitsch, in het Poolsch....” - -„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in. - -„In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn....” - -De vrienden schaterden het uit. - -„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?” - -„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide, -„eene ode van haar aanbidder ontving, getiteld: „Solus occasus, virgini -Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus. [264] Ik wou dan haar -bakkesje wel zien.” - -„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die -evenals de anderen hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen -had. - -„...En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik -eensklaps vernam, dat Agatha van Bemmelen geëngageerd was, en al heel -spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne dichterlijke producten, -stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp om de -muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de -officieren van het garnizoen bij elkander, gaf een flinke -champagne-fuif, en was na een nacht, dien ik doorbracht, alsof ik de -Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende concurrentie -wilde aandoen, totaal genezen.” - -„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor -je Karel!” - -„Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de -hemidiptera, de diptera, de hymenoptera, de lepitoptera, de -coleoptera....” - -„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen, -niet overslaan?” vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog -door; die weet niet beter. Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt, -is onvergeeflijk.” - -„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.... de coleoptera, de -crustaceeën [265] mijne beste vrienden waren, en mij de meeste -verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof het gelukkig. Zieken waren er -geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier van -gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof -bekomen had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel -van eene beginnende miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om -mij bij voorkomende ziektegevallen te kunnen vervangen, al ware het ook -om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar ten prooi was. -Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan -den militairen kommandant permissie, om mij gedurende acht dagen in het -Karang Bollongsche gebergte, dat hier in de nabijheid gelegen is, aan -den entomologischen hartstocht te mogen wijden. - -„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige -kapitein. „Zorg echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk -krijgt, en dat ge op uw tijd weer present zijt.” - -„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de -weitasch om en de blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op -het pad, terwijl mijn bediende mij met het overig benoodigde volgde. -Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, Ringodono naar -Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het woeste gebergte was. Ik -legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim twee dagen -over. - -„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou -parelen voor de zwijnen geworpen zijn....” - -„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert -niet door beleefdheidsvormen.” - -„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van -straks,” lachte Van Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u -mededeelen, dat ik redenen te over heb tot tevredenheid. Ik heb onder -meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en eenen schoonen Priamos. -Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, die met -zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het -vierkant beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij -daaraan? Neen, ik heb een onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer -aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming met het opiumschuiven heeft -mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog lang niet -ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden. -Die hebben mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne -opmerkingen te maken, waar mij bizonderheden van het opiumverbruik -onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk goed terecht gekomen. - -„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche -gebergte in aanraking met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat -middel van inkomsten van den Nederlandschen Staat op de hoogte zijt of -niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: het -opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een -vluchtig overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.” - -„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!” - -„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,” -meende Grashuis. „Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan -onuitstaanbaar pedant zijn.” - -„Toch niet,” antwoordde Eduard van Rheijn. „Ik voor mij heb tal van -wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. Maar, laat -mij voortgaan:” - -„Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel weten zult, een -uitlooper van den Goenoeng Djampong [266], die een verbindingsrug -daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng Batoer met -zijne voortzettingen. [267] De hoofdmassa van het Karang -Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, die eene -hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een -breeden band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den -Indischen Oceaan opstijgen. In dien rotsmuur heeft de wereldzee met -hare machtige deininggolven, die ongehinderd van de Zuidpool aanrollen, -om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, waarvan -sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. [268] In het binnenste -gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders -„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten...” - -„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in, -„daar begint de Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen -weet, wat ons nog te wachten staat!” - -„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen, -maak je maar niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort: - -„„....Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale -rotswanden. Die nesten bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid, -welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen wordt. Die vogeltjes -bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben om hun -nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat -droog en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over, -dat eveneens drogen moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan. -Zoo wordt voortgegaan, totdat het nestje voltooid is. Is dat het geval, -dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje van geringe -middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots -gehecht zoude zijn. De nestjes bestaan dus uit een geleiachtige massa, -die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer zij van supérieure -qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend...” - -„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers -zouden zij daaraan vinden?” - -„Laat mij voortgaan.” - -„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een -délicatesse. Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid -vertegenwoordigt voor hen het fijnste, hetwelk het verhemelte strelen -kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote geneeskracht aan toe, en -prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon aan. -Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan -die nestjes verleent....” - -„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche -Gouvernement!” [269] riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der -vogelnestjes uiterst beperkt is, anders zou men die Chineezen, welke er -afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten op te dringen, zooals -men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit te -drijven.” - -„„.... De inzameling der nestjes,” ging Eduard van Rheijn met lezen -voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in het -laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint -half Augustus en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat” -heeft in December plaats. - -„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes -gun, welke zich daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen -der grotten te bereiken, men middels ladders langs den loodrechten wand -der rotsen naar beneden moet. De ladder, b. v. die naar de -Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn hart -popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken. -Maar, als ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand -bracht, terwijl een paar Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik -dan die bengelende rottanladder zag, die onder den invloed der bries -heen en weêr bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan -eens buigende onder een inspringend gedeelte, en zich daar voor het oog -verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder mij de lange deiningbaren -zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een woest en wild -tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in -verblindend wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn -oor den donder van die onmetelijke branding vernam, en ik de rots, -waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, vrienden dan bekroop mij zoo’n -gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, en de hand niet -uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen. - -„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan -den voet dier steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die -als eene beweegbare heuvelreeks over het prachtig azuurblauw van den -Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen van de baar in een -machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet der -rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje -tooide; dat neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende -melkzee veranderde, waarin iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de -zonnestralen als een diamant fonkelde; dat fijn verdeeld waterstof, dat -die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig zilverwaas -hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is -en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een -hooge baar aangerold kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten -geheel en al, en drong er met kracht in, om den uitspoelingsarbeid -voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die holen verdwenen -waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den -aandrang der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n -spelonk, spoot het water met een machtigen straal van vijf- of -zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke horizontale -fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar -dwarrelende kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte. - -„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden. -Toch ben ik besloten bij een volgenden keer in zoo’n grot in te -dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in het zuider -halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s -zuidkust verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid -bestaat, de Goewah (grot) Temon met een niet diepgaand schuitje binnen -te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft mij beloofd, wanneer ik hem -vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid te zullen -houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou -aanschouwen, moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der -werkzaamheden daarvan, welke mij door de hoofden medegedeeld werd, te -vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam: - -„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages -van rottantouwen langs de wanden met „tali doek” [270] vastgemaakt. Een -dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met ééne -hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de -wanden worden afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt -kunnen worden, en in het algemeen die, welke zich aan het plafond der -grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan een ijzeren haak -bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen. - -„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes -een zeer gevaarlijke arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte -langs die loodrechte rotsmassa’s boven die kokende zee afklimmen; dan -in die holen dringen, waarin de oceaan zijne golven stuwt [271]. Bij -onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt -het wel, dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen -verbrijzeld worden of ellendig verdrinken. - -„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling -bezighouden, zult ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is -aan zijn geboortegrond dan de Javaan. Zoo ook hier. Er bestaat geen -woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek in het Karang -Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. De -kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, -hebben niets te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de -overlevering steeds met de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, -en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat de Nederlandsche regeering zich -de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter of slechter -betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan -hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. -Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken -[272], waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin -tachtig nestjes gaan, in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, -zegge in letters VIJFTIEN CENTEN erlangt...” - -„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te -vervolgen, dienen wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes -hebben.” - -„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De -Chineezen geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel -vogelnestjes, en daar honderd nestjes ongeveer één katie wegen, en een -pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt ons gouvernement vierhonderd -gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen afscheept. -Het is bij God schandelijk!” - -„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden. - -„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard van Rheijn. „Uwe vraag, August, zal -dan ook beantwoord worden.” - -„Welnu, vervolg!” - -„.... Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, wanneer het hem -meêloopt, twaalf zakken kan afleveren....” - -„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog meêloopen! God -betere het!” - -„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig. - -„.... Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som -herhaaldelijk in doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te -verwerven, moet de arme drommel zeer dikwijls naar beneden naar het -hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk toch duurt nog -altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het -gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen -zweven. Luistert: Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen. -Gij kent de aanhankelijkheid van den inboorling voor hen. Deze worden -dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider slechts ƒ 1,80 in -handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en -Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te -werken, maar om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de -eerbied en de gehoorzaamheid van den Javaan voor zijne hoofden, zouden -bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort geschoten zijn. Men -heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel, -vrienden, is....de opium! - -„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het -gouvernement niet alleen toelaat, maar betaalt, ter zake van die -vogelnest-inzameling; alsook de afgodische eeredienst aan Njahi Ratoe -Segårå Kidoel [273] gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde -staatskas bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen -wordt, en waarvan wij de werking, bij eenigszins aanzienlijke -hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. Welnu, bij alles wat die -pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium -verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan -worden vijf „bekels” (kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone -dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen de eersten daarvoor ieder -1 en de laatsten ieder ½ „kedawang” [274] amfioen. Voor het schoonmaken -van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, die -respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang- -en toppengspelers ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4 -voor „sadjen” of offerande, en bij hun heengaan nog ieder 16 kedawangs -amfioen. - -„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en -daartoe sapies of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van -elk dier worden 8 kedawangs amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van -elken achterbout dier geslachte dieren, die ieder begeleid en gedragen -worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder bekel 1 en iedere -sekep ½ kedawang amfioen. Bij het naar de klippen brengen der ladders, -iedere ladder begeleid en gedragen door twee bekels en twee sekeps, -ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste ½ kedawang -amfioen. - -„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel -verdere strekking. Vrienden, leest maar verder: - -„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen -loerah en iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige -feestvierenden ieder 1 kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb -liggen, staat letterlijk: [275] - -„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen, -hetwelk bij die feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der -aanwezigen amfioen wordt verstrekt, laat het zich denken, dat niemand, -die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal blijven.” - -„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs -amfioen, en voor het vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8 -kedawangs verstrekt.” - -„Gedurende de inzameling der nestjes”.... och, hoe zal ik dat ten einde -brengen? Laat het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt -76, die van de Goewah Dahar 64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de -overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De „toekan’s” van die genoemde -grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs. - -„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der -ladders belast zijn, worden in opium betaald; de personen, die de -geplukte nestjes moeten bewaken, ontvangen opium. Het verzenden van het -product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen der ladders, het -bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke -heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het -geschiktste middel om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum -zooveel mogelijk op te zweepen. - -„Maar,.... waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is -toch al lang genoeg, en ik heb ulieden nog het een en ander te -vertellen...” - -„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis. - -„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard van Rheijn. - -„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”, -meende Van Beneden. - -„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen -kijken goed uit hun oogen.” - -„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun -oogen.” - -„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen, -Frankrijk veel beter te kennen dan de Franschen zelven.” - -„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het -allerinteressantste komt eerst aan.” - -Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel van -Nerekool vergezeld. - -„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits. - -„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.” - -„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen). - -Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene -nieuwe sigaar op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en -neêr, en waren daarna, weêr geheel gehoor. - - - - - - - -XXXIX. - -MUROWSKY OP HET SPOOR.—EEN OPIUMVERPACHTING TE SANTJOEMEH. - - -„.... Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort. - -„Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn -garnizoen te Gombong terug moest zijn, was ik des morgens, voor het -aanbreken van den dageraad van de dèsa Ajo, waar ik overnacht had, op -weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng Poleng te -exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik -niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een -prachtigen en ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote -beeldschoone kapel met groengouden vleugels, puntig uitloopende en met -een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. Eene zeldzaamheid! O, ik -was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een dèsaman van -Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid -gekocht, dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken -langs de Zuidkust van het eiland Noesa Kambangan [276] gevonden te -hebben. Het is eene prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den -vorm eener ineengedrongene evoluta.... - -„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor -dag en dauw op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen -het morgenrood de geheele bergmassa van Karang Bollong in gloed zette. -Mijn pad liep dwars over de ribben van den Goenoeng Poleng, en -doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms erg -kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte -vervloot, welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte. -Hoe hooger ik kwam, hoe fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne -voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche morgenuur geheel en al -verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, om mij -slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op -een wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen -uitstrekte, en stond een oogenblik stil om uit te blazen van de -inspanning, veroorzaakt door de beklimming van de zeer steile helling, -waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden beekjes, -die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend -zeewaarts spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een -paar zilveren linten voordeden, die kronkelend en wentelend, bevallig -en als het ware achteloos, daar in de diepte door de morgenbries waren -uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, lagen -trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen -verspreid. Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik -afdalen moest; maar tusschen die rotsen en de struiken werd ik, een -honderd voeten beneden mij, het atappen dak gewaar eener Javaansche -woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij kon -waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte -en op eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht. -Zou het een menschenhater zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog -kon door een geopend raam in een der vertrekken dringen, en meende ik -eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder den invloed der -morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende ik -een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel -zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft, -of gebruikt hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit -bontkleurig katoen....” - -Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier -te genieten; maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op -Van Nerekool, die in zijn wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat -het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, maar met zijn gedachte elders -was. - -„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard. - -Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak. - -„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om -Murowsky’s brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke -ambtenaar te mijmeren, en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar, -maar niet in de nabijheid van de dèsa Ajo. Wacht maar een oogenblik, -dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt nu. Luistert -maar.” - -Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne -sigaar, zette zich rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van -Rheijn vervolgde: - -„.... Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik -daar diep, zeer diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in -één woord de zilvertonen van een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den -hals uit en keek in de richting, vanwaar dat vriendelijk geluid kwam; -maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde ik, dat daar -ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij -den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon -ieder onbescheiden oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken -den blik van terzijde afweerde. Intusschen ging het geginnegap voort, -thans vermengd met geplons en geplas van water, waartusschen nu en dan -een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes zich -daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter -verschooning mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders -aanhalen, dan het hier te lande zoo algemeen gezegde: een mensch is -geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde naar beneden naar de -aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen ik -deed, was ik weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te -volgen. Het is waar, dat ik er volstrekt niet op rekende, eene Diana, -eene godin, te bespieden. - -„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te -maken, ten einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk -daalde het pad rechttoe rechtaan naar den Wariengien af, die eene -groote oppervlakte overschaduwde. Als dat zoo voortging, dan zou ik -binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar bij eene -groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en -scheen, den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek -te voeren, alwaar de overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk -aan den overkant het pad langs de tegenovergelegen helling van het -ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne nieuwsgierigheid werd -nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in mijne -nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en -verliet het pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was -mij gunstig. Van af de bedoelde sperrots strekte zich eene hellende -terreinstrook uit, die geheel en al met struiken begroeid was, -waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog -had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots -achtergelaten, om meer ongedwongen in mijne bewegingen te zijn. Ik -sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van struik tot -struik.....” - -Allen schreeuwden het uit van lachen. - -„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden -toesluipen!” grinnikte Grenits. - -„Met slechts een „ewah” [277],” schreeuwde Van Rheijn. - -„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je -wel, Karel?” - -„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast -je maar.” - -„.... Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk -stond ik voor een soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder -doordringen ondoenlijk maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den -rand van een waterbekken, dat bijna ovaalrond in de grauwe -trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht door -menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang -en vijftien breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien -heerlijk overschaduwd. Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een -kleine komvormige baai uitmaakte, gevoed; het water was diep, maar zoo -helder, dat men de kleinste steentjes op den bodem zien kon. Maar, dat -alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden kwamen mij -eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne -aandacht. Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne -heg verborgen, ter hoogte van een twintigtal voeten beheerschte, -zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. Hoe zal ik u -beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van -een uwer op zijne wangen te jagen...” - -Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan. - -„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te -hebben. - -„.... Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen -gekleed, dat wil zeggen: zij hadden slechts den sarong om de lendenen -geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch hoe kiesch de Indische -schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij dat tot -onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems -kunnen vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral -wanneer de sarong nat is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden. -Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel in ieder harer een -verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde de -type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare -ronde wangen en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging -zij in een ondiepe plaats van het bekken staan, sloeg zich den sarong, -die bij het zwemmen losgegaan was, vaster om de heupen, en was het mij -duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke in gezegende -omstandigheden verkeerde....” - -Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel -te werpen. Deze zat hijgende van ongeduld, hem de woorden uit den mond -te kijken. - -„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij. - -„...De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig -fraai onder den natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het -Europeesche corset in aanraking was geweest. Haar gelaat duidde ook op -eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware de huid ook niet bruin -getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen zijn -geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch -zijdeachtig van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en -haar bij het zwemmen in sierlijke en weelderige krullen op de -watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende ik de Arabische type in -het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere -water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet; -want ik meende dat gelaat te herkennen. - -„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige -tafereel, dat zich daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen, -hetwelk de werkelijkheid eenigszins nabij zou komen. De pen kan zoo -iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden schilder, van een -die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een woord, -noodig zijn. - -„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte -wildernis, ver van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een -onbescheiden oog bespied werden, zwommen, dartelden, stoeiden de -bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, smeten -elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere -vocht onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had -om te beletten, dat de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de -boezemwelving losging. Dat spel duurde lang, zeer lang; het scheen dat -de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet konden losrukken. - -„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee: - -„„Soedah! moesti poelang, boe!”” (genoeg, wij moeten naar huis -terugkeeren, baboe). - -„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?” -vroeg Grashuis. - -„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, andermaal een blik -op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping is -nabij. - -„...De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen -oever zitten, waarbij zij hare lieve kleine voetjes in het water liet -hangen, en begon haren weelderigen haardos uit te wringen. Zij zat met -het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, waar ik mij bevond, -kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een kondeh -op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug -ontwaren. Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?... Maar ik -meende, dat de huid van dien rug niet zoo donker getint was als wel het -gelaat en de handen. Ten uiterste nieuwsgierig, wilde ik scherper -toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende struiken en boog -mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.... of beter: de hemel zij -geprezen! Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder -mijn voet los, rolde de helling af en viel met een geweldigen plons -vlak naast en rechts van de schoone baadster in het water. Het scheelde -waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou het lieve kind -geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen -maakte, stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar -de linkerzijde, alsof zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan -eenige oneffenheden vasthakende, losgleed, en.... - -„Bij alle Goden!... het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al -gelaat, hals, schouders, armen, handen en voeten bruin getint, de rug, -de rugholte, de dijen, in een woord alle deelen, die gewoonlijk bedekt -zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, waren lelieblank, van -dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht op... -Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was... Dat gelaat, -hetwelk ik meende te herkennen.... O, ik kon mij niet vergissen, zij -was het!... Nu herkende ik haar in weerwil van de bruine kleur... De -verschrikte meisjes, die mij achter de dichte heg niet zien konden, -waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, en een -paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik -kon evenwel de kleine Javaansche nog hooren zeggen: - -„„Tida takoet, Nana, tida ada orang!” (Wees niet bang Nana, er is daar -geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat zij het -losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of -aan het toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden -beiden zich voort, en ik zag haar weldra onder het beschermend dak van -het huisje verdwijnen. - -„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook -om het kiesche gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang -mogelijk in mijne schuilplaats. Toen ik berekenen kon, dat zij het -opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik zoo langzaam mogelijk, -gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte van -het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het -oog verloor, en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare -bewoonsters onzichtbaar was. - -„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te -schrijven. Ik weet, hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal -maken. Raad vermag ik niet te geven. Ik stel mij evenwel ter -beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen....” - -„Anna!... Anna weêrgevonden!” kreet Karel van Nerekool, terwijl hij -onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij -opgewonden op en neer liep. - -„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden. - -„Wat ik doen wil?... Ik vertrek morgen ochtend!... Ik zal...” - -„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis. - -„Geen overijling, zegt ge? ... En als zij intusschen weêr verdwijnt?” - -„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De -meisjes, van hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de -meening verkeerd hebben, dat zij door een loos alarm op de vlucht -gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, die eenzame plek te -verlaten.” - -„Vrienden,” sprak August van Beneden, „ik geloof, dat wij het beste -doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. Laten wij de zaak -overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen valt. -In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou -zoodoende zijne geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar -mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats -verwijderen.” - -„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag -om verlof schrijven.” - -„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om -te overleggen. Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne -hand. Ik vergezel u bij dien tocht.” - -De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning, -terwijl de feesttonen der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen -werden. - - - -Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet -verkrijgen. - -Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie -aanhangig, daartoe genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof -verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. De voorzitter was -verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie -te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In -afwachting grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den -loop van ons verhaal uitoefenen, en derhalve hare mededeeling -vereischen. - -Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke -Ngow Ming Nio moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren -18.., 18.. en 18.. plaats hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis -voor de ambtenaars-wereld, die bij de bestaande fiscalische neigingen, -waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan den dag legde, van -hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te Batavia -als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal -millioenen als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij -en met hem zijn mederegeerders zich vaster op het kussen gevoelen, daar -zij meenden en niet ten onrechte, dat bij zoo’n behandeling van zaken, -zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor zouden hebben. En -zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken. - -Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere -drijfveer, om de gegadigden voor de opiumpacht tot eene zeldzame -inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. Door -tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen -verlokken, bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter -de schermen en door tusschenkomst van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem -waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor de trotsche -residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen. - -Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert -maanden, voor dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de -grootste activiteit aan den dag gelegd geworden. Allerwegen was het -toezicht op den sluikhandel, die niet van den pachter uitging, -verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans en -politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis -en aan den lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij -hunne vervolgingen van hen, die geen opium of het heulsap slechts matig -gebruikten. Het succes was volkomen. Onder den invloed van de genomen -maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon en stegen de -detailprijzen van het vergift in evenredigheid. - -„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet -altijd zijn tong aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht -gesproken werd. - -Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had -dien uitslag wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als -onder het beheer zijner kongsie stonden, was dat onmogelijk. - -Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij -liet door zijne gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden, -dat het aantal opiumkitten in de residentie belangrijk opgevoerd zoude -worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand eene koortsachtige -opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen. - -Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den -vlaggestok, die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe -driekleedsvlag, [278] de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden -was geweest, en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de -morgenbries. De oppassers, die heden allen present waren en zeker een -korps van een twintigtal uitmaakten, waren, in nieuwe pakjes gestoken -en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken en met -gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken, -waren in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der -twee schildwachten, die voor het perron der voorgalerij op en neer -drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, dat zij zich van den gewichtigen -dag, dien zij beleefden, bewust waren. - -De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een -paar assistent-residenten en een paar controleurs uit de naburige -afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich de ambtenaren van -Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden -zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis. -Allen waren in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en -eikentakken, die emblemata van onkreukbare reinheid en fieren -mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, met de wit -cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den -statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm. - -Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk -zindelijk wit baadje en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen -gekleed, het hoofd zorgvuldig glad geschoren en glimmend gepoetst, -terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst zorgzaam -behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden -koord, die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw -waren, kunstvaardig, haast wiskunstig ineengestrengeld was. - -Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen -nemen; weldra verschenen echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden, -eindelijk de rijken, zij, die als ernstige mededingers konden -aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en Lim Ho, -die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen van hunnen -landaard met een uitvorschenden blik monsterden. - -Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de -ambtenaren, en vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en -handjesdrukken plaats hadden, die van de innigste verstandhouding -moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, om aan te -duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn -schilderhuis geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam, -vergezeld van zijn secretaris, beiden ook in galacostuum, de -voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van Rheijn gearmd, -ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen. - -Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten -presenteerden de schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich -in één gelid naast den pajoengstandaard, waarin thans een fonkelnieuw -waardigheidsemblema prijkte. - -Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om -hulde te bewijzen aan den Vertegenwoordiger van den -Gouverneur-Generaal, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van -Neêrlands Koning in die verre Aziatische gewesten is. - -Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te -verrichten; waarna de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden -bleven. - -Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden -op de schoone Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De -lieftallige vrouw reikte ieder hunner en ook aan sommigen der naastbij -staanden eene hand en noodigde al de babahs even naar binnen te treden, -om zich te laven aan een verfrisschenden dronk. - -„Het was toch zoo ontzettend warm in dit seizoen te Santjoemeh,” -betuigde zij. - -De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen -dankbaar, wierpen elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden -de schoone vrouw door de binnengalerij naar de pandoppo. Daar stonden -op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met kelken beladen, -terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte -champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt -waren. - -„Boeka anggoer poeff!” (maak champagne open) beval Laurentia aan een -viertal bedienden. - -De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een -schuimend glas in de hand en stelde er eene eer in met de -njonja-resident te mogen klinken. Als de Chineezen champagne drinken, -dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over het algemeen -zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere -andere gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine -teugjes gelept zouden hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen -bij officiëele gelegenheden gezien hadden, gedroegen zij zich nu -anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de eer genoten, met -eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden. - -„De toean toean noemen dat ad fundum,” merkte de majoor-Chinees op. - -„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet. - -In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg. - -„Isi glas lagie!” beval zij. - -En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van -Gulpendam, dat de glazen telkens geleêgd werden; terwijl zij met -fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig met de -champagneflesschen rondliepen om in te schenken. - -Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in de -voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten. - -„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,” -vervolgde hij met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons -berouwen zullen, wanneer wij hen gaan opzoeken. Het is ontzettend heet; -vindt ge niet?” - -Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten -zakdoek afveegde, stapte hij aan het hoofd der beborduurde en -gegalonneerde landsdienaren naar binnen. - -„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de -bedienden: - -„Lakas, kassie glas sama toean toean!” - -Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet -de heeren der schepping met elkander. De resident fluisterde een paar -woorden met Kwee Sioem Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende -dat korte gesprek eenen onderzoekenden blik op Lim Yang Bing trachtte -te werpen. - -„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „tapeh -saja takoet” (maar ik vrees). - -„Tida takoet!” (vrees niet) stelde de resident hem gerust. - -„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!” - -„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het -pachtcontract opgenomen zijn.” - -„Dat is zoo Kandjeng toean; maar...” - -Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den -steek van het hoofd, hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een -der bedienden was aangereikt. - -„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een -luid gejuich aan de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van -de Veuve Cliquot blijkbaar zijn invloed begon uit te oefenen. - -„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van -politie. - -„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar. - -Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid -gedaan. Waarachtig, hier en daar begonnen de scheef staande oogen der -babah’s wonderlijk zonderling te kijken. - -Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door -de lucht. - -„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze -pacht niet slagen mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de -verpachting van het opiummiddel voor het pachtperceel Bengawan en een -paar dagen later voor het perceel eener andere residentie zal -geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.” - -Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij -in, en groepeerden zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren -blad, waarop een massa paperassen uitgespreid lagen. Aan het boveneinde -plaatste zich de resident, omgeven door zijn fonkelenden staf van -ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door de -tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing -een keurige schilderij, een borstbeeld in levensgrootte van Koning -Willem III, die nu als het ware het middelpunt uitmaakte van de beide -groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande. - -„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract -voorlezen,” sprak de resident plechtig. - -Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier -onverstaanbaar, de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te -kennen. Het was ook maar eene bloote formaliteit. De gegadigden voor -dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. Alleen den aanhef: in -naam des Konings! waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle -aanwezigen het hoofd diep voor het borstbeeld bogen, sprak de -secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij bepaald -was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal -opiumkitten meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract -bepaald was, werd met verheffing van stem en met statigen nadruk -voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden te treffen. - -Toen die lezing ten einde was, sprak de resident: - -„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf -honderd twee en dertig duizend gulden!.... Twaalf honderd twee en -dertig duizend gulden!.... Wie biedt hooger?” - -„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem. - -„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere. - -„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek. - -„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen. - -Er had eene poos verademing plaats. - -„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam -kalm en afgemeten. - -„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van -de tafel hield. - -Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op. - -„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd -mengende. - -„Vijftien honderd duizend!” - -Het gevecht was in vollen gang. - -„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter. - -Andermaal trad eene stilte in. - -„Panas ini hari,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem. - -De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne -nabijheid ophielden. Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe -met hunne groote presenteerbladen, waarop de heerlijk afgekoelde -champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten de Chineezen -toe. Het was toch ook zoo snikheet. - -„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident. - -In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der -aangeboden kelken en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid -naar binnen. - -„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij. - -„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter. - -Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken -werd, alsook door het getik der glazen, welke van nu af door de -bedienden, hiertoe door de schoone Laurentia aangezet, die achter eene -zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond gade te slaan, -onafgebroken aangeboden of gevuld werden. - -„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam. - -„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent -van Lim Yang Bing. - -„Achttien honderd duizend!” riep deze. - -Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot -riposteeren aan te moedigen. - -„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit -op een toon zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf. - -„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter. - -De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel -met een schier onhoorbare stem uit te brengen: - -„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!” - -„Doea millioen!” riep Lim Yang Bing zegevierend uit. - -Doodsche stilte volgde op dat bod... Men zou eene speld hebben kunnen -hooren vallen. Men voelde, dat de tegenstand daarbij gebroken was. De -kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten trokken hem -achteruit en beletten hem te spreken. - -„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er -op volgen: „ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal -opiumkitten bij dit contract aanzienlijk vermeerderd is.” - -Maar het mocht niet baten... De bedienden vulden steeds ijverig de -glazen... Maar niets, niets meer hielp. - -„Twee millioen guldens... eenmaal!....” - -„Twee millioen guldens... tweemaal!....” - -„Twee millioen guldens... Biedt niemand hooger?.... Twee millioen -guldens... driemaal!” - -Boum! daar viel onherroepelijk de hamer. - -„Behoudens de nadere goedkeuring van de Nederlandsch-Indische -Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan -babah Lim Yang Bing de opiumpacht toegewezen!” - -Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk -bestuur en wenschten hem geluk met den afloop der verpachting. -Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen Lim Yang Bing, om hem -de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste glas -champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een -oogenblik heerschte daar in die groepen veel geestdrift en -opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte aan de bevolking gewijd -werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren welvaart -zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden.... -Ja, toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het -beeld van Neêrlands Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke -wil was, dat zoo gehandeld werd? Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig -waarde de blik van den Vorst op die joelende menigte. - - - -Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde -met stralend gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten -met twee telegrammen in de hand, nagenoeg van denzelfden inhoud: -„Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht twee millioen—Van -Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den Haag. - -Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het -telegraafbureau te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met -tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom zich en toen zijn oog op -Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich bevallig -loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het -noordwesten, naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en -prevelde: - -„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!” - -Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend -aan. - -„Gij nog hier?” vroeg hij. - -Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem -met zacht geweld in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder -onbescheiden oog verborgen, sloot zij hem met krachtigen arm aan haren -zwoegenden boezem. - -„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!” - -„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen -geloodst, al zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet -ondankbaar zal wezen.” - - - - - - - -XL. - -HET „VIRTUS NOBILITAT”.—ANNA EN DALIMA.—EEN TELEGRAM. - - -Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren -voorbijgesneld, of de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z. -M. den Koning behaagd had, den resident Van Gulpendam te benoemen tot -ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later de bizonderheden van -die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, dat -onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der -opiumverpachting te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in -buitengewone vergadering samengekomen waren, waarin de Minister van -Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, gewezen -had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de -groote voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer -andere residenten tot dergelijke plichtsbetrachting opgewekt konden -worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, nu de baten uit de -gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans reeds -de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het -zaaks was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals -hij zich dan ook beijverd had te doen, sedert hij door den Koning -vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven voor de Koloniën met de -inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets nieuws -verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de -koffiecultuur, die, mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie -gebracht, steeds ruime baten had kunnen blijven afwerpen, terwijl zij -welvaart onder de bevolking verspreidde, thans door wanbeheer en -ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds meer en -meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten -vloek van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne -medebestuurders dan ook hunnen bijval te kennen en ondersteunden de -voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, waaraan helaas! de -constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden. - -Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming, -was toch schier geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het -heugelijke telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en -telegrammen van gelukwenschen stroomden van alle kanten, zoowel uit -Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die de familie Van Gulpendam -ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met het algemeen -gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van -belangstelling te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst -toegeschreven worden. - -Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en -dansrecepties werden allerwege georganiseerd, om de heugelijke -gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende de rij en werd -daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de -sociëteit Eensgezindheid, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als -slotbouket van al die feestelijkheden had er ten residentiehuize een -luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren, -waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh -tegenwoordig moest wezen, en ook was. - -Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden, -gelegenheidsgedichten opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en -dat alles om den man te verheerlijken, wiens borst zoo waardig met het -„virtus nobilitat” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk -schoonheidsgevoel gewild, dat haar Gulpie op al die feesten verschenen -zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, aan een miniatuur -strikje van Nassausch blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van -goeden smaak getuigd zoude hebben. Maar Van Gulpendam had zich daaraan -niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis van Batavia laten -komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap -lint. - -„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet -hij ook op een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten -uitwaaien.” - -Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest. - -De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude -onvermengd geweest zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden, -dat er aan de rust en de tevredenheid onder de bevolking, waarvan hij -steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, meer ontbrak dan -hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van -samenscholingen, van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd, -dat meer aan staatkundige woelingen te denken viel, dan aan beramingen -van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad van die bewegingen -in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang -sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht -te zijn. Dat blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne -rustige rust opgejaagd te hebben, werd op zijn vingeren getikt. De -drukkerij werd gesloten, en de redacteur verbannen, om te bewijzen: dat -de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was. - -Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam -gegeven, dat hij alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat -de toestand werkelijk bevredigend was, en de artikelen der dagbladen -slechts onrustbarende praatjes bevat hadden. - -Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige -tochten gemaakt naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles -rustig bevonden. Onder den prikkel van de Europeesche ambtenaren, -hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting bij den -Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching -geuit, ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen -was. - -Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden had hij dan ook -een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om tot -spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan. - -Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen -over rust een kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch -ingezetene, een industrieel, wiens suikerfabriek aan de uiterste grens -van de residentie Santjoemeh gelegen was. Deze verzekerde, dat hij -vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms -samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats -vonden, en hij beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te -kennen. Overigens zeide hij, dat hij met het doeleinde der samenkomsten -niet bekend was, maar dat zij hem verdacht en, zelfs bij de meest -onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen. - -„En die namen?” had de resident smalend gevraagd. - -„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon -zijn, Pak Ardjan en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige, -doortastende vent zijn, en beiden zouden in de dèsa Kaligaweh van de -afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.” - -De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen. -Hij greep zijn zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd -parelden, af te vegen, meer echter om zijne aandoening te verbergen. - -Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig, -en, alsof hij er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer -die opgemerkt mocht zijn, te vernietigen, hernam hij: - -„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal -gevlucht. Die zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied -vertoonen. Nog niet lang geleden zijn zij te Singapore gezien, -daaromtrent zijn mijne berichten stellig.” - -„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik -hier niet gerust. Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der -Europeesche nederzettingen gewoonlijk het slachtoffer, en worden dan de -Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. Mijne fabriek -ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het -gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht -haar bereiken kan. Ik wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel -op de onderneming te plaatsen, waarop ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal -ze wel wapenen.” - -„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die -zijne geheele zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij -schept u herschenschimmige angsten. Het is al te dwaas!” - -„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor -uit: de mij medegedeelde berichten komen mij volstrekt niet -ongeloofwaardig voor.” - -„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch. - -„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze -eenzame buurt, dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders -spreken.” - -Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit -de helden groeien, zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij -begreep, dat het oogenblik gekomen was pour payer de sa personne. Wat -zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid -vernomen werd? - -„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit. -„Kom, om u te toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand -is, noodig ik mij en mijne echtgenoote uit, om een veertiental dagen op -de fabriek te komen logeeren. Ik weet, dat de kombuis goed is... Neemt -gij aan? - -„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur. - -Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de -hoede van een sterk korps politiedienaren zou stellen. - -„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh -afgeloopen zijn, zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar -vertrekken voor ons klaar.” - -„En gij brengt eenige oppassers mede?” - -„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten -zien, dat ik ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor -niets bevreesd ben. Dat is dus afgesproken, nietwaar?” - -Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was, -drentelden een paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean -op en neêr. Als iemand op een dier twee mannen gelet had, dan had hij -opgemerkt, dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij -steeds in de nabijheid der pratenden bleef; ook dat hij scherp -toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens woest en onheilspellend -flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde zich -een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene -westersche klassieke opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld -hebben: Jupiter, quem vult perdere, prius dementat. (Wien de goden ten -verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand). - -Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij -allerwegen, dat hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende -feestvieren uitgeput waren, dat zij rust noodig hadden, en dan ook -besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een veertiental dagen -te gaan uitblazen. - -En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide -echtgenooten, die zich slechts door de lijfmeid van de schoone -Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden lieten vergezellen. Op -den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. Die moest -den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in -het rijtuig zat. - -„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de -pajoeng voldoende om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot -zijne wederhelft gezegd. - -Denzelfden dag vertrokken ook Karel van Nerekool en Theodoor Grenits -naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, Anna van -Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen -kruisten elkander bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat, -waarboven de gouden pajoeng prijkte, sloeg oostwaarts in; het andere, -waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts. - - - -Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren, -hadden zij het niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen -badplaats te gaan. Wel meenden zij verzekerd te zijn, dat geen -menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die naast Anna in het -water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit -losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden hadden, had hen -toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna -overreedde eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje -te nemen. Die zou dan telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl -de jonge meisjes in het frissche water zouden dartelen, tegen -onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van de nadering van -menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier nènèh -had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele -huiselijke werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere -meisjes meer tijd zouden hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of -bij hare verfkuip door te brengen. Hoe meer zij toch werkten, hoe meer -geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, die zij weefden, en -de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel hadden -zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg -daarvan was, dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut -heerschte, en.... was het daaraan te wijten, of kon niemand ongevoelig -blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; maar wanneer zij eens -een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen vrees van -herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de -jongelingschap van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook -wel eens een liefdevol woord toegefluisterd. De deerns hadden er dan -pret in, en lachten er hartelijk om. Op een dag zei Dalima snaaksch en -spottend: - -„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een -Kandjeng toean voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit -stuiven.” - -„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij -weet, dat ik daarover niet wil hooren reppen. Ik ben geene -residentsdochter meer.” - -Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde, -liet zij er met een glimlach op volgen: - -„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!” - -„Op wie anders, Nana?” - -„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te -goed. Al die lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u, -Dalima.” - -„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos. - -„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!” - -„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså [279] gelet, Nana? Die heeft slechts -oogen voor u.” - -„Neen, voor u, Dalima!” - -„Neen, voor u, Nana!” - -Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken, -wie harer dan het laatste woord behield. - -„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had....,” zei Anna -eens, terwijl zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was. - -„Wat bedoelt ge, Nana?” - -„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.” - -„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani” -(stoutmoedig) genoeg voor. En hij wel het minst.” - -„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes, -zou ik meenen.” - -„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft -ons bespied. Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij -het pad rechts en links over eene groote uitgestrektheid konden -gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.” - -„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.” - -„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.” - -„Een blanke, Dalima?” - -„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger -zou ik u slechts noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het -gebeurde met dien steen, is een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en -heeft daar bij den loerah overnacht.” - -„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld. - -„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen -vernemen, dan dat hij zich bezighield met „tangkap koepoe koepoe” -(kapellenvangen) Poeah. [280]” - -„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?” - -„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is -hij gezien te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke -richting.” - -„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?” - -„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.” - -Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde, -dat Anna over haar ontevreden was, vroeg bedroefd: - -„Zijt gij boos op mij, Nana?” - -„Neen, Dalima.” - -„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?” - -„Ik zou wel willen verhuizen.” - -„Verhuizen?” - -„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de -landstreek nog eenzamer, nog woester is, daar dicht bij de -vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een dier grotten willen -nemen. - -„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt. - -„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam -Anna met een zucht. - -„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige -kleinachting in haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.” - -„En Ardjan dan?” - -Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam. - -„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij -zich ophoudt, en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,” -(verloofde) niet meer. Voor hem ben ik slechts een gevallen meisje.” - -Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna -gevoelde spijt, dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een -oogenblik van stilzwijgen hernam Dalima weêr: - -„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het -spoor was...?” - -„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen -vluchten!” - -„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang. - -„Zwijg, Dalima!” - -„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen...? -Nu?” - -„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem -houden?... O, als dat zoo ware!.... Uit mijn hart gebannen?... Er gaat -geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem -denk.” - -„Maar, Nana,” hernam de argelooze Javaansche, „waarom dan zoo wreed?” - -„Zwijg, Dalima!” - -„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?” - -„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander -toebehooren!” - -Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk -te raden. Op haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In -hare oogen was te lezen: - -„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s”! (grillen.) Hoe lastig -maken zij zich het leven toch.” - -Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en -opende daartoe reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij -binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden naar de dèsa geweest, -en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen doen. Dat -gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht -zij groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde -toch, dat drie blanken in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij -den loerah genomen hadden. - -„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit. - -„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij -eene rasgenoote voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en -de residentsdochter met den naam Nana aansprak. - -„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima. - -„Neen,” was het antwoord. - -„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?” - -„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde de nènèh. „De een -vertelt, dat het „wong spor” [281] (lieden van den spoorweg) zijn, die -zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben zij geweren bij zich. -Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen zij -hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor -welang” [282] op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds -bemerkte, anders had ik er op getrapt, en dan was ik dood. Een derde -vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen bezichtigen.” - -„Hebt gij niets anders gehoord?” - -„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd. -Die blanken doen niemand kwaad. Ziet... daar komen zij het pad op....” - -Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden -kreet. In de grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij -over het hoofd sloeg, en, gevolgd door Dalima, die evenals zij Van -Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde zij het pad op, dat in -tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte -voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn -treden, en heênvluchten. - -„Daar is zij!” riep Murowsky. - -„Anna!... Anna!...” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem. - -Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra -achter de rotsen verdwenen. - - - -Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij -verplicht andermaal eene schrede achterwaarts te doen. - -Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van -waar de twee vrienden den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij -hadden geen tijd, geen oog om de heerlijke landschappen, de verheven -bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen of te bewonderen. -Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende, -wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts -een kreet in den mond: - -„Voort! Theodoor, voort!” - -Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den -officier van gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar -zijn collega nog steeds te Gombong vertoefde, had de militaire -bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal een verlof voor -vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den -namiddag aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den -flinken rit; zoodat besloten moest worden den tocht eerst den volgenden -morgen voort te zetten. Van dat gedwongen oponthoud werd gebruik -gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky af te -leggen. - -„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige -krijgsman, terwijl hij hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en -snuitkevers zich wel verdekt opstellen. Dan zal er eene slachting onder -gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden genoeg, om de -arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle -succes.” - -Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te -genieten, bracht een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze -greep het papier. - -„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega. - -„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,” -antwoordde de gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt. -Als uwe kapellenvangst daarmede maar niet in gevaar wordt gebracht.” - -Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening. - -„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden... „God in den hemel!” riep -hij vervolgens in de grootste ontsteltenis uit. - -„Wat is er? Wat is er?” riepen alle aanwezenden. - -„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega, -door eene bende ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las -de dokter voor. - -Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep -koortsachtig het telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich -daarna de oogen, alsof hij die niet vertrouwde. - -„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk. - -„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw -des huizes aan Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken -ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen zag verraden. - -„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh -tegelijkertijd met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den -gruwzamen moord op personen gepleegd, die wij gedurende de -feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, is wel -geschikt om ons te doen ontstellen.” - -De dame knikte toestemmend. - -„Het is ontzettend!” prevelde zij. - -„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal -eenige uren uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven -omstandigheden moet ik noodzakelijk mevrouw Steenvlak spreken. Hoever -is Karang Anjer hier van daan, kapitein?” - -„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.” - -„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen -bekomen?” - -„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?” - -„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu -ongeveer zeven uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met -het krieken van den dag begeef ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks -zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong te vervolgen. Wees -gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.” - -„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de -Steenvlaks vindt het een goeden stal.” - -En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven. - -„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de -vrouw des huizes, ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek -van Van Nerekool naar Karang Anjer. - -„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw -Steenvlak, waar dat jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar -treft, voorbereid worden.” - -Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te -doen. - -„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In -zulke omstandigheden kan de raad van eene beproefde vriendin -veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet goed?” - -Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand. - -Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags -den weg naar Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de -gruwzame gebeurtenis in de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De -assistent-resident had ook een telegram ontvangen. - - - - - - - -XLI. - -DE KETJOE’S TE SOEKA MANIESAN.—EENE ONTZETTENDE TERECHTSTELLING. - - -De noodlottige tijding was maar al te waar! - -Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de -eigenaar dier suikerfabriek niet anders verklaren, dan dat in den -laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken was; dat hij -meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen -zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel -daar iemand ontmoet was geworden; zoodat hij tot de meening was -gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht geweest, òf dat de -bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden. - -Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der -afdeeling stond, waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook -den regent en de wedono’s in die afdeeling, maar vernam niets -onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, dat de streek de -meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde, -dat er wel armoede heerschte. - -„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih? [283]” had de -resident gevraagd. - -Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen -vrijgesteld zijn van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord -zich wachten liet, vroeg Van Gulpendam: - -„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende fabrieken -behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?” - -„O, ja, Kandjeng toean.” - -„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan -waarop gerekend werd?” - -„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de -landbouwers hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng” -(schuur) kunnen binnenbrengen.” - -„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?” - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met -een zucht. - -Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij -was, dat hij, wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den -resident zoude opwekken. Hij wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de -oogst was overvloedig geweest; maar de paddie was niet in de schuren -terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst was verkwanseld -geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te -hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van -Chineesche opkoopers overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar -de opiumkit, naar het speelhol, naar het pandjeshuis, naar de lade van -die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag van de Nederlandsche -inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet -openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de -borst van den resident prijkte, en herhaalde met een zucht: - -„Ik weet het niet, Kandjeng toean.” - -Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere -kamers te willen betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich -volgaarne vergenoegen met de gewone logeerkamers [284] van de fabriek. - -„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het -hoofdgebouw zijn klaar.” - -„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik -wil u bewijzen, dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat -ik daar buiten even gerust zal slapen als in uw hoofdgebouw.” - -Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad, -hij scheen gelijk te hebben. De berichten, die van allerwegen -binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden aard, dat de eigenaar -van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te hellen, -dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in -hare vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten -de echtelingen een heerlijke rust. - -De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging -van de suikerfabriek, die evenwel op het punt was hare jaarlijksche -campagne te sluiten, daar de maaltijd op zijn eind liep. In den -namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij het -residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de -ontmoet wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon -was; het tegendeel kon beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs -toen hij nog controleur was, stipt en streng geëischt, dat terwijl hij -in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die hem ontmoette, moest -hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat moest -afwenden [285]. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van -schuchterheid, dat die voor bewijzen van diep ontzag en van eerbied -door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, hier in deze streken was -niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter meende Van -Gulpendam wel opgedaan te hebben. - -Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka -maniesan had eenige familiën van de rondom liggende ondernemingen -uitgenoodigd, waaraan allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en -ook sommige dames maakten een gezellig partijtje; terwijl anderen zich -met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al eenige onprettige -gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de -voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo -werden die geheel verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele -landschap, hetwelk zich daar voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan -stond hoog aan den hemel, en overgoot alles met haar liefelijk licht. -Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, die -het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte, -die in een tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo -genotrijk mogelijk te maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk -voorbij, en sloeg het middernachtuur, alvorens de rijtuigen voorkwamen, -die de gasten huiswaarts moesten brengen. - -Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter -ruste wilden leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek -rapporteeren, dat men eene gedaante achter de tuinomheining had zien -sluipen. - -„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene -niet ongewone gebeurtenis was. - -„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een -geweer greep, en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een -gebaar weigerde. - -Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, -terwijl de dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd -is, was het zacht en kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar -bespeurden niets verdachts. Door de frissche nachtlucht verlokt, -strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk hun plan -was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een -paar rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan -de rietstekken gedeeltelijk geoogst waren. Het gekapte riet was reeds -naar de fabriek vervoerd; maar over een groote uitgestrektheid stonden -de stengels nog overeind en wachtten op de hand der arbeiders. Op de -ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen -„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en -bestemd waren, om ook naar de fabriek vervoerd te worden; ten einde -daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van Soeka maniesan -was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn -vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne -betrekking van ambtenaar bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de -suikerindustrie op Java in aanraking geweest; zoodat het gesprek -tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd door den -opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de -verschillende rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, -dat de „teboe-njamploong” het meeste suikergehalte bevatte; de andere -verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd had, dat zulks met de -teboe-itam [286] het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de -discussie daaromtrent werd vrij levendig; toen plotseling een gil -weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels gewapend, en met zwart -gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn sprongen, -en recht op de wandelenden lossprongen. Het drietal, onthutst door die -plotselinge verschijning, zette het op een loopen; maar nog hadden zij -slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans -den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op -het hoofd deden neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag -had kunnen brengen. Op het erf werd de resident ingehaald, maar in -stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, op den grond -geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht -een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich -achter een hoop bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van -Gulpendam gebonden werd, kon hij nog zien, hoe een twaalftal mannen op -het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer van zijne echtgenoote -aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige vuist -drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe -de aanvallers de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne -knodsen uit hare hengsels sloegen, toen zij haar gesloten vonden. Hij -zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer steeg op, dat -door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen -werd. - -Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien -dier slaapkamerdeur de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige -arbeiders, die bij de stoomwerktuigen in de fabriek de wacht hadden, -deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot redding zou hebben -kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, die Van -Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te -omzwachtelen, zeide: - -„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.” - -„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard. - -„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den -spreker van wraakzucht trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op, -of wij krijgen de werklieden der fabriek op het lijf. Ik zou dien hond -dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.” - -Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van -Van Gulpendam gestoken. - -„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen. - -Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van -zijn gemompel was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd, -die den prop nog dieper in de mondholte deed dringen. - -„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald. - -Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en -draafden met hunnen last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder -die behandeling; maar dat werd niet gehoord, en hoorde het ook al -iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen. - -Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op -een daarvan werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was, -werden de andere paarden bestegen en voort ging het. - -„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden. - -„Engèh! Engèh!” kreten de overigen. - -Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de -overige aanvallers het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra -ten hemel en loeiden vreeselijk, waarbij zich het knappen van het riet -mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna uit de voeten maakte, -begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van de fabriek -te weêrklinken. - - - -Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er -op hetzelfde oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag -bekroond werd. - -Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag -een vreemdsoortig gebouw in de plooien van het oploopend terrein -alleraangenaamst verscholen. Ware het van Italiaansche of Zwitsersche -bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een chalet hebben -kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo -duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te -vergissen viel. Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich -daar verhief, en eerst sedert weinige weken in eigendom op Lim Ho, den -zoon van den opiumpachter van Santjoemeh overgegaan was. - -Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer -geregelde levenswijze zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem -spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een bezoek aan bedoeld lusthuis -zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. Dat eenzaam -gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van -den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken -daarvan waren weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste -divans werden in alle kamers aangetroffen; terwijl de wanden met -kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van -pornografische strekking, versierd waren. [287] - -In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s -aangetast was, werd ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier -gelukte de onderneming nog gemakkelijker dan bij de suikerfabriek. Lim -Ho, die met misdadige oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en -ongeduldig de prooi zat af te wachten, die zijne driften gaande gemaakt -had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts van een paar -Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet -konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De -babah, overspannen van het wachten, en, in de meening dat ’t het -slachtoffer was, beval te openen. Toen het slot evenwel omgedraaid en -de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar gewapende en zwart -gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn ras -getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen. -Fluks keek hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen -ontvluchten; maar toen hij de beide deuren van het vertrek, waarin hij -zich bevond, door de aanvallers bezet zag, poogde hij in zijn -lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd evenwel -gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en -weggevoerd. - -Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles -onaangeroerd gelaten. Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt; -maar zich bepaald tot den moord op mevrouw Van Gulpendam en de -ontvoering van den resident en van den pachterszoon. Dat de eigenaar -van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt -niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de -fabriekswerklieden hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter -vervolging te stellen. Dat mocht niet! De slag was evenwel niet -gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over den gepleegden -moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, om -den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van -Soeka maniesan even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht -men, dat ook hij dood was, daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen -hij evenwel binnen de woning gebracht was, bespeurde zijne echtgenoote -al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van leven gaf. In -allerijl werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen, -wat evenwel eerst laat slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de -politie op Soeka maniesan verscheen. Er viel niets anders te doen, dan -den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig werd onderzocht, -het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar -zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van -Gulpendam. Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden -ontdekt, maar dat gaf niets; want door de geheerscht hebbende droogte, -waren die spoedig door den morgenwind met eene stoflaag overdekt, -zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters zich gewend -hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat -hij eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien -springen, dat hij had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en -daarbij een slag op het hoofd had gekregen, die hem bewusteloos had -doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist hij natuurlijk niet. De -verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. Deze -zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een -grooten hoop dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn -te zijn gekropen, toen het rietveld in brand geraakte, en hij beducht -was, dat zijne schuilplaats ook door de vlammen aangetast kon worden. -En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets kunnen -waarnemen. - -Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie -was ten einde raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en -vol afgrijzen bij de gedachte aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd -van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. Maar, wat men ook deed, -of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, totdat een -visscher, die, met zijne schuit de Moeara Tjatjing willende instevenen, -buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan aantrof, dat in -zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde -dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van -den Kandjeng toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend -hebben en tot zijne visschersgezellen gepreveld hebben: - -„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!” - -Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en -onaangenaamheden hij voor zich zelven opende, dan zou hij zich wel -gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De boeaja’s (kaaimannen) zouden -wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben. - -Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij -ontelbare malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den -regent, door den controleur, door den assistent-resident van politie, -door den rechter van instructie. Al die autoriteiten meenden in hem den -draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden den -armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing -kapala” (ijlhoofdig) en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn. - -Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was -niet geoorloofd geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die -deelen van het lichaam evenwel, die door de zeemonsters gespaard -werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken bevonden en was het -blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven was, -hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp -aangewend was geworden, om hem van het leven te berooven. - -Wat was er met hem gebeurd? - - - -„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid. - -En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing, -waarmede de lezer in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de -ruiterbende in woesten ren heenijlde. Zorgvuldig werden de dèsa’s -vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd ook eene gardoe -geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen. -Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen -het wortelboombosch bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was. - -Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen -werd, was Lim Ho daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten -gebonden, op den vloer uitgestrekt. Op een teeken van den aanvoerder, -een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden geslaakt, en den -prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden een twintigtal -Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was -van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik -zijner ledematen gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van -trotsche hooghartigheid: - -„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?” - -„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die -van gemaakte onderdanigheid getuigde. - -„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen -van de hoogste gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne -Leeuwenorde wijzende, die nog in groot formaat op zijnen lichtblauwen -residents-rok bengelde. - -„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah -ten teeken van eerbied maakten. - -„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar -op het hoofd gekrenkt wordt!” - -Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het -gevest hunner krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren -weer stom. - -„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan, -„zult gij beiden dood zijn.” - -„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit. - -„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou -vreeselijk gewroken worden!” - -„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard. -„Dat vonnis, wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;... -daarna kan men met ons doen wat men wil,... als men ons ten minste in -handen krijgt.” - -„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop. - -„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had, -dan dat hij zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het -wellustige oog op geworpen hadt, hier bij deze hut, de folterendste -mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? Gij hebt datzelfde -meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met list in -uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar -botgevierd hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!” - -Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die -woorden vernam. Hij begon te begrijpen, in wiens handen hij zich -bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover die -dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet -begrijpen, dat die Javanen de hand aan hem, den Kandjeng toean, zouden -durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te -moeten spreken. - -„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het -opperhoofd, „dan is Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker -alles doen, om hem zijn straf te doen geworden; maar wat heb ik -gedaan?” - -„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende -stem, „gij hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt! -Gij hebt den man, waarvan ik straks sprak, in de gevangenis laten -werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke straf veroordeeld; terwijl -gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel van -dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan -de hand gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig -veroordeelde in de onmogelijkheid te stellen, zijn kind te verdedigen -bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op haar te ondernemen! -Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar -schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is -reeds gedeeltelijk voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang -hebben!” - -„Wa... wat? gedeeltelijk voltrokken....” kreet de resident. „Mijne -vrouw...?” - -„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de -aanvoerder zich tot een van zijn gevolg. - -„Njonja mampoes!” was het korte antwoord. - -„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar -genadig geweest, een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt -leven. Zie hier op deze kris, die vlekken werden veroorzaakt door haar -bloed!” - -„Die gil, dien ik dus gehoord heb....” - -„Was haar laatste geluid op deze aarde.... Maar...” ging de Javaan, -ontembaar hartstochtelijk voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen -omspringen. Met eene vrouw konden wij kassian hebben! Gij, gij evenwel -zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, die gij anderen -aangedaan hebt!” - -„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij -weten te wreken!” - -„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!” - -„Gerechtigheid uitoefenen!... Wie zijt gij dan, die beweert -gerechtigheid te willen uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie -zijt gij?” - -„Wie ik ben?... Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld -van allen, die onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige -ziel verschenen?... Wie ik ben?... Gij zult het weten!” - -In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan -greep den gevulden klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het -gelaat af. - -„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte -voor de beide gevangenen ophief. - -„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet. - -„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt. - -Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De -te vereffenen rekening was verschrikkelijk. - -„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze -nederknielden en klappertandend het hoofd op den bodem bogen. - -„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden -met Dalima en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!... Hebt gij medelijden -met mij en mijn vader gehad?... Spreek dan toch!... Dalima -geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis -opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van -jaren tot dwangarbeid veroordeeld te worden!... En ik zou medelijden -met u hebben?... Ha! ha!... Dan was ik wel de grootste „bodohk” -(domkop) der geheele wereld!... Daarenboven... zeg... wat zoudt gij -doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij -Kandjeng toean, wat zoudt gij doen?” - -Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder -scheen na te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een -sprankje hoop te ontwaren. Bibberend van angst klemde hij zich aan dien -stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn wankelende knieën overeind, en -handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen -biggelden: - -„O, vrees niets!... Ik zal alles vergeven... Ik zal Kandjeng -Gouvernement smeeken ook zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal -mij verhooren... Al het onrecht, dat gepleegd is, zal hersteld -worden... Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling -zult erlangen... Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof -mij, al wat gebeurd is, zal gebeterd worden....” - -„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den -aanvoerder hooren. „De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien -ons Javanen al voor zeer onnoozel aan!” - -Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die -hem scheen overmeesterd te hebben en hem als het ware in boeien -geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof hij eene onwelkome -gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek los en -zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug. - -„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in -mijne macht zijt, kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het -vreesachtigste dier. Hebt gij ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig -zien handelen, al gold het ook zijn leven? Gij hebt er genoeg naar de -galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, de bruine -menschen weten te sterven. Medelijden!... Ha, ha, ha!... Thans doet gij -beloften, en... wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die -zult kunnen verkrachten! Beloften van een blanke!... Ha, ha, ha! Alsof -wij de waarde daarvan niet kennen... Wanneer heeft ooit een blanke zijn -woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer...” - -Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor. - -„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden! -Integendeel, een wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de -„hoekoem madoe” [288] toegedacht...” - -Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden. - -„Ampoen! Ampoen!” huilde hij. - -„....maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm. -„Wij zouden, voor dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden, -en dat zou jammer zijn. Neen, daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de -„hoekoem Kamadoog” [289] ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten -toepassen; toen ik niets misdaan had, en de Kandjeng toean vond goed, -die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet kunnen zeggen, dat -ik wreeder ben dan gij waart.” - -„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen. - -„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne -makkers gevende, vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar -beneden!” - -In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van -Gulpendam met hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon, -hemd, enz. volgden aan flarden. Het „virtus nobilitat” lag weldra -vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde -bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De -handen werden hen op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen -eenvoudig den trap afgesmeten werden. De aanvoerder herinnerde Lim Ho, -hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den dag gelegd had, toen -Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling van -boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen -gebonden, die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde -Chineezen en Ardjan gekneveld geweest waren. - -„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den -boom, waarmede hij in herinneringsvolle aanraking geweest was, -wijzende. - -„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden. - -Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk -het bevel: - -„En, nu er op los!” - -Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de -vreeselijke netels gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op -de huid van de twee misdadigers. Waar de bladeren raakten, kromp het -lichaam van pijn weg. - -De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer -hooren. Aanvankelijk wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de -Westerlingen bezitten de taaie zielskracht der Oosterlingen in -gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te kermen; -daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne -beulen verteederen. - -„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij. - -Op dat gehuil klonk tot antwoord: - -„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!” - -En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam. -Even schrikkelijk, misschien nog schrikkelijker dan de anderen: - -„Meidema! Meidema!” - -„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend. - -Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet -verstaanbaar meer, en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het -regende voortdurend slagen met de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten -slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder alle bewustzijn verloren -had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen en dus -aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust -stralend gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende -blikken aan te staren. Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste, -zijne vuisten balden zich krampachtig, terwijl de vreeselijke -strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich weêrhouden, -om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan -op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een, -om hem dezelfde mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne -dierbaarste genegenheid te krenken, beiden om hem wegens -opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen. -Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen, -die zijn geheele bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen -bij de herinnering aan hetgeen hij onder diezelfde mishandeling geleden -had. En, zou er nog plaats voor deernis in zijn ziel geweest zijn, dan -ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter hem stond en hem -aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!” - -De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch -dacht Ardjan er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij -iederen slag, bij iedere aanraking met de vreeselijke bladeren, kromp -de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, pijnlijk -weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot -knoesten en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede, -die overigens op hunne beenen niet meer vermochten te staan, en als -levenlooze voorwerpen, als zakken in de touwen hingen, die hen aan de -boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo vreeselijk -gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan -verschenen die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en -verrieden door de wezenloosheid van hunnen blik het ontzettende lijden, -waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende sloegen beide lijders -met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts en -links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen -Niboeng-stam bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen -kroonden, her- en derwaarts vlogen. - -Maar!... aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden. -Langzamerhand namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en -hingen de lichamen roerloos in hunne banden. Het was, alsof de ziel het -lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak Ardjan op den meest -onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne -makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los); -terwijl hij daarbij zonder een woord verder te spreken, met den vinger -naar de zee wees. In een ommezien waren de touwen doorgesneden, en -ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val opende Van Gulpendam -nog eens de oogen. - -„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!” - -De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier -ongeluk hij veroorzaakt had, benauwde zijne ziel in dien uitersten -stond. Met dien naam op de lippen blies hij den laatsten adem uit. Ook -Lim Ho gaf geen teeken van leven meer. - -De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den -stroomdraad der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige -minuten de wateren der Java-zee toevoerde. - -En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de -Chineesche schoenerbrik Kiem Ping Hin te bespeuren, die, hare zending -getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche vlag in top, -voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust -te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de -kongsie Lim Yang Bing aan wal te brengen. - - - - - - - -XLII. - -NAAR EN IN DE GOEWAH TEMON.—BESLUIT. - - -„Anna!... Anna!...” had Van Nerekool geroepen. - -In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij -de buiging van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen -verdwenen. Toen Karel, Theodoor en Murowsky het punt bereikten, waar -zij de lieve gestalten voor het laatst gezien hadden, was er van haar -niets meer te bespeuren. - -„Anna!... Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep. - -Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den -kant, van waar zij kwamen. - -Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad -slingerde scherp omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich -voortgespoed hadden, was het geen wonder, dat zij verademing noodig -hadden. - -„Anna!... Anna!...” kreet Karel andermaal. - -Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen: -Anna! Anna! scherp liet hooren. - -Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de -ribben en wrongen, die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed -hier een groote rots, week ginds voor een plotselinge kronkeling van -eene woeste bergbeek uit, overwon elders door zijn zigzag-wendingen -eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde blijkbaar -naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms, -ja veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee -bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning -te verleenen, putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat -daarbij de knieën op die steile hellingvlakten schier ontwricht werden, -werd iedere afdaling door eene hoogere stijging gevolgd, die de longen -op eene geduchte proef stelde. - -Maar.... voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld -van Van Nerekool gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie -hijgden, snakten naar adem of bliezen als noordkapers; maar getroostten -zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne meening moesten zij de -beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, want -het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of -links uitwijken tot de onmogelijkheden gerekend konde worden. -Intusschen van Anna en Dalima werd niets meer bespeurd, hoe de -vervolgers dan ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt -hadden, en soms een uitgestrekt gedeelte van het te volgen pad overzien -konden. - -Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en -stonden een oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar, -hoe zij ook uitkeken, van de beide lieve meisjes was geen spoor te -ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom of daalde, slingerde tusschen -rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig geboomte door, en -leverde geen uitgebreiden gezichtskring op. - -„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit! -Vooruit!” - -Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes -waren veel voor. Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken -voorsprong gehad, toen de vervolging begon. Dan hadden zij zich met -vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend was, en dat zij -gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid -gelegenheid gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te -snijden. Eindelijk had de angst van ingehaald te worden, Anna vleugelen -verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest haar te volgen. Toen zij -het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit in -zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der -branding, die zich, zoolang de meisjes zich op de berghelling bevonden -hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, was thans -duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen -richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de -machtige mokerslagen, die de oceaan aan de loodrechte rotswanden, -waartegen hij brak, toebracht. - -„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend. - -„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek. - -„Maar, waarheen, Nana?” - -„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger -zuidwaarts wees. - -„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima. - -„Ja, daar moeten wij zijn!” - -„Maar, wat wilt ge daar?” - -„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.” - -„Daar eene schuilplaats, Nana?” - -„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!” - -„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima -voortstrompelend, echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de -naakte rots?” - -„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd. - -„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht -nemen?” - -Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een -hinde voortijlende, was de residentsdochter hare Javaansche gezellin -ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe sterk van gestel deze laatste ook -was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, waarin zij zich -bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel, -en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen -wonder, dat de krachten haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar -naar het hoofd te stijgen, hare slapen klopten, hare ooren suisten, -hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, een ondragelijk -gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij -voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te -bezwijken. Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij. -Maar hare geestkracht hield haar staande. Zij volgde hare gezellin, -terwijl zij prevelde: - -„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit). - -Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten. - -Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een -rotsgevaarte, dat het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor -haar breidde zich de Indische Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200 -voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid uit. Angstig keek -zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over eene -groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets -te ontwaren. Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of -zouden zij haar niet bespeurd hebben? Zij meende toch herhaaldelijk -haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon evenwel eene uitwerking -harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij het oog -achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik. -Maar, niets! niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die -hijgend en kreunend bij haar aangekomen was, en zich schier onmachtig -op den grond had laten vallen. Zij zette zich naast hare gezellin -neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche wijze -de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet -niet na, haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima -kalm zag. Toen dat doel bereikt was, keek zij nog eens angstig -achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, vastbesloten vooruit -naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden. - -„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de -Goewah Temon [290] hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een -toevlucht zoeken.” - -En andermaal noordwaarts kijkende. - -„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te -ondernemen... Ik zie niets,” zei ze met een zucht. „Als Karel mij op -het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.” - -Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al -verborg zij zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het -Westen, dat wil zeggen, dat zij een open oog had voor de heerlijkheden, -welke de natuur ter bewondering aanbood. Voor haar strekte zich de -Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, maar toch -een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water -elkander schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij -nam de zee een donkerblauwe tint aan, die met het azuur des hemels een -eigenaardige schakeering vormde, welke te merkbaarder werd door de -groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, en vaak de -verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware -vloeibare heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden, -en nu met den spoed van een sneltrein naar den Java-wal losstormden. -Die deiningbaren waren glad en effen, want geen windje rimpelde hare -hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben kunnen vergelijken -van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in golvende -beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de -gelederen van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van -den gezichteinder zwakhellend, als ware de oceaan te amechtig om zich -te verheffen. Maar naar den kant van den wal was die helling steil, -scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich voor als -een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van -den deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde, -des te meer steigerde die top op, des te scherper werd hij. De beide -hellingen naderden elkander al meer en meer. Eindelijk was het geene -ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was een nok, later nog -slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den voet -van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon -voorover te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog -meer kromde, ten slotte als het ware scheurde, en zich met een breeden -sneeuwwitten rand, als met eene schitterend zilveren franje tooiende, -met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte van den -oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee -deed veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend -tegen den rotswand kwam opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en -niet verder! - -Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in -woedende golven kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te -voelen ontzinken, als het wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek -maar liever daar ver, zeer ver aan den horizon. Daar nagenoeg zuiver -ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, heuvelachtige -eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand, -van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de -watervlakte drijvende, vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke -zich op den Tjimering-heuvel [291] verhief, en door zijne witte kleur -zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij zich als een smalle, -rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak der -zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof -groote, witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die -gelijkenis wilde bekrachtigen, kwam er een zwerm steltloopers voorbij -gevlogen, die als een mat-witten band op het azuur des hemels vormden -en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de vischrijke -moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle -vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart. - -„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer -ver!” - -En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar -vervlogen leven. Het beeld van Karel van Nerekool verscheen voor haren -geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie voor, hoe gelukkig -zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, de -„invitation à la valse,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen -gestrengeld, gezweefd had, en hem de bekentenis zijner liefde ontsnapt -was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke oogenblikken, die zij -daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag het -Pandanboschje, waarachter Karel haar staande hield, om haar nogmaals -zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van den -oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren, -weerklonk in hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo -en cornet à piston gebracht: - - - „Un jour l’âme ravie, - Je vous vis si jolie, - Que je vous crus sortie - Du céleste séjour. - Etait-ce donc un ange, une femme, - Qui venait d’embraser mon âme? - Las! Je ne sais encor... mais depuis ce beau jour, - Je sais que j’âime d’un pur amour!” - - -Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem: - -„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, -mijne zuster, anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!” - -Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende: - -„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet -het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal -dat „ja” hier, waar wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld -bevinden, alleen onder het oog van God. O, herhaal dat woord, Anna, dat -mij zoo gelukkig maakt.” - -Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren -in haar hart gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar -antwoord was. Zij voelde;... maar evenals te Santjoemeh was de -ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem harer moeder meende zij -nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl... Neen... dat -niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een -verwijtenden blik ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in -ramp verkeerd was. Het liefelijke droombeeld was reeds verdwenen. - -„Een verwoest leven!” zuchtte zij. - -Een plotselinge kreet deed haar ontzetten. - -„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen). - -En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging van het pad -Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden. -Zonder zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar -naar de zee afdaalde, naar beneden. - -„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat -gij doen?” - -Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar -alvorens zij opgestaan was, was Anna haar reeds ver vooruit. -Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, kon zij haar onmogelijk -vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling gekomen was, -welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde, -kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste -sporten eener rottanladder te zien grijpen, welke langs dien -natuurlijken muur naar beneden voerde. - -„Nana!... Nana!...” kreet zij. - -Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;... zij -zag haar lichaam trede voor trede verdwijnen. - -„Nana!... Nana!...” - -Nu kon zij het hoofd nog slechts zien... Dat dook ook weg. Nu ontwaarde -zij slechts de handen, die de bovenste sport omklemden... - -„Nana!... Nana!...” - -Ook die handen lieten los;... eerst de eene... toen de andere... Juist -bukte Dalima zich, om die laatste hand te grijpen... Weg!... weg! - -Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht -het hoofd over den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte. -Helaas! wat zij daar zag was ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om -hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden haar oog trof. - -„Nana!... Nana!...” kreet zij nogmaals. - -Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van -Nerekool stond naast haar. - -„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar -is nonna Anna!” - -„Allah! tobat, toean!” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met -hartverscheurende stem uit, en wees met den vinger in de diepte. - -„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl hij zich op -zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen. - -Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de -gevaarlijke stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig -voorover buigen van het bovenlijf over den rotsrand, was het noodig, -dat die twee hem bij de beenen grepen. - -„Karel!... Karel!...” riepen zij ontzet. - -„Anna!... Anna!...” kreet hij op hartverscheurenden toon. - -Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder [292] -behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde -die ladder onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee, -en werd door de verbolgen branding heen en weer geslingerd. Kwam de -baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, de grot in, waarin -het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde dat -uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel -onstuimigheid spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat -slingeren smakte Anna herhaalde malen tegen den rotswand, of hing zij -op aanmerkelijken afstand van dien muur boven de zee, die onder haar -woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar het -meisje opspatte als naar eene wisse prooi. - -Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel. - -„Anna!... Anna!...” kreet hij andermaal. - -Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij -was reeds twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk -zij dadelijk herkende, zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe -lucht zag afteekenen, stiet zij een gil uit, en haastte zich verder -naar beneden. - -Van Nerekool sprong op. - -„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd. - -En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen -verzetten, had hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den -afgrond uitgestrekt, en op een der eerste sporten geplaatst, en begon -hij de schrikkelijke afdaling. Het was thans de beurt van Grenits en -Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde gade te slaan, wat -daar beneden hen gebeurde. - -Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die -beweeglijke ladder boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden -gevoelden zich benauwd, schier ademloos, en bovenal rampzalig -ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp vermochten aan te -brengen. - -Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust -gehoor aan den aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde -nog sneller naar beneden. Evenwel begon eene andere gedachte haar bezig -te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa Ajo over de Goewah -Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die grot, -welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te -dringen was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon -geschieden, daar de zool der schacht ter hoogte van zes voeten onder -water was. Daarvoor was zij evenwel niet teruggedeinsd; want zij zwom -als eene meeuw. Maar... maar... dat was bij eb. Bij eb!... Ja, bij -eb... wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen -verwijderd blijft... En thans... thans beukten de golven tegen de -rotswanden, de deining brak tegen hun voet.... Het was haar -daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg... En zij daalde -steeds... daalde... daalde nog meer. - -„Anna!... Anna!” kreet Karel boven haar. - -Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die -ingang bij lagen waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die -poortopening nu klein voor! O, een groot gedeelte was onder de -wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen te kunnen -bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar -binnenste aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne -inzameling ten dienst te zijn... Zij stak reeds de hand uit, om die -kabels te grijpen... Daar krulde een onmetelijk hooge baar aan hare -voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der ladder, -die zonder steun voor de opening der grot slingerde, met zoo’n kracht, -dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, de -handen losliet en in de diepte neerstortte. - -„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val. - -Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende -branding drijven. Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in -een lijkwa rollen en wentelen. Een ondeelbare seconde zag hij haren -donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen grond golven; toen -werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij voor -zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk -verloren. Hij bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste -wezen verzwolgen had en wist niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust -komen, hij zag haar naar zee terugijlen, hij zag het water met -grootsche kracht de grot uitstroomen; maar... in de helderblauwe kolom, -die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een -lijk of op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot -gebleven was; hetzij zij zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare -kleeding ergens aan was blijven haken. Snel daalde hij. Hij moest van -het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een nieuwe baar -aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep -hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed -veeleer naar beneden, en.... daar greep hij een der rottankabels der -stelling, en had zijn voet de ladder verlaten, toen deze andermaal -geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en weder geslingerd -werd. - -Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten -zich op evenwijdigen afstand van elkander langs den wand naar het -binnenste der grot uit. Van afstand tot afstand waren zij met -gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen kon -hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen. -vastklemmen. Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem -fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) met schellen kreet, en vlogen door -het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde waterstof de grot in en -uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat menschelijk -wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen -op hunne nesten. - -Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van -Karel in de grot met de grootste ontsteltenis waargenomen. - -„Wat nu?” riep de een. - -„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere. - -Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij -dat vernomen had, riep zij: - -„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng, -waarmede hij wel eens de Goewah’s bezoekt!” - -En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat -vermoeidheid, en ijlde reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen, -af. - - - -En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had. - -De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee -blanken vernam. Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali -Djeties. En, inderdaad, daar worstelde het afstroomende rivierwater met -den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven in woeste -brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat -gezicht als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten -opgeven, en Van Nerekool aan zijn lot overlaten? - -„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de -grot brengt!” - -De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek -achter het oor. - -„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan. - -Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde -angstvallig eenige woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze -schenen niet zoo zwaartillend. Zij antwoordden met een gebaar van -geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin de beide Europeanen -hen volgden. - -„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak -Grenits aanmoedigend tot hen. - -„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs” -(pagaaien) gerept!” - -De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig -genomen, en voerde den stuurpagaai. Ook de beide Europeanen en zelfs -Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen naar vermogen om -te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes -schepbladen snel vooruit. - -Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De -loerah stuurde naar het midden van den ingang der Moeara, om de -wielingen en terugstroomingen des waters door den gekartelden, -rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den stroomdraad der -rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees -ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet -zich de aandrang van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier -vertraagde toch langzamerhand, vertraagde nog meer, totdat zij -eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen begon nu de -oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes -tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in -omvang toe, zij sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig -eene stampende beweging te geven. Men was de zone der brekers nabij. De -djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich reeds te midden van de -melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende -opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt. -Zij scheen op schuim te dansen. - -De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te -turen, en hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er -tegen beukten, hoezeer de wielingen hem in zijne hand poogden te -verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen laten vooruitschieten? Toen -de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam nog op een -zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de -daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen, -meende hij, dat ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als -eene onmetelijke plooi kwam zij aangerold. Voor hen, die in de -djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een berg. Zij ijlde het -vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf pagaaien -steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds, -als het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig -genoeg scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een -schitterenden zilverrand, en scheen een aanrollenden blauwen muur te -zijn, die, blinkend gepolijst, onder de zonnestralen schitterde. - -„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der -baar en haren afstand zorgvuldig gadesloeg. - -De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng -spoedig hare voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij -zonder eenigen aandrang vooruitging de baar te gemoet. Het was of zij -opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen ging. - -„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij -zelf zijn werktuig te water sloeg. - -Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk -gehoorzaamde en achteruitstoof; want, daar helde de baar in een -onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, een ondeelbare -seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij -gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en -waardoor zij zich als een overgrooten in vorming zijnde cilinder -voordeed, wiens wanden gedeeltelijk uit zachtblauw doorschijnend -kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop voorover, -vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met -donderend geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen, -en overtoog het geheele oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend -wit schuim. - -„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah. - -En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de -wielingen, de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij -moest zich reppen. Zij moest die streek voorbij zijn, alvorens de -achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, zij moest in volle -zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht sloegen -de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een -poos, nog eene inspanning.... Daar verhief zich de steven.... - -„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne -inspanningen verdubbelde. - -Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de helling der baar op, -die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik op de -kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht -zweefden, en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot -de andere helling vlug af, en.... was nu buiten gevaar. - -Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den -ingang van de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer -hoogte kwam, was de eb reeds ingetreden en had de stuurman slechts -eenige voorzichtigheid te betrachten, om die grot binnen te loopen. - - - -Wat vond inmiddels daar binnen plaats? - -Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het -halfduister, dat in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij -bespeurde, dat dit onderaardsche gewelf zich zeer ver onder den berg -uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool der grot onmerkbaar -klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot -slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte -heerschte zij dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter. -Aanvankelijk bespeurde hij niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp -uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk volbracht, en de grot al -dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok, -waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te -ontwaren. Van de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij -zich behendig naar beneden zakken, en was gelukkig genoeg de -bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook deze verleende hem -steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en daar -vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de -brokstukken van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van -haar lichaam lag in het water; het hoofd rustte op haren arm, die een -vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel omvatte Karel haar middel, en -tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich haasten; want het -was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk -was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd. -Na eene geweldige inspanning gelukte het hem, haar op het bovenvlak van -de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed zich -van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats -zooveel mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen -schoot, en in die houding liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek -wischte hij haar het zeewater van het bleeke gelaat en spreidde hare -weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te doen drogen. Een -enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer het -bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar -veilig zaten. Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er -aan geen terugtocht te denken viel, daarvoor was het geweld van de -deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. Met laag water zou -het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der grot -heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien -tijd wel tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen -tot bij de opening en eenmaal op de ladder... - -„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het -aangebeden meisje, dat daar op zijne knieën lag, met teederheid -beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky zullen wel geene pogingen -onbeproefd laten om ons te hulp te komen.” - -Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar -doorleefde. - -Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op -aarde was, dat hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen, -dat hem zijn slaap ontroofde, welks beeld hem immer en overal voor -oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met al den gloed van zijne -geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, die -zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare -Javaansche kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De -slendang, die haar hoofdje bedekt had, was zij bij het afdalen der -ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding daarenboven, vooral -de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, en -modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare -lendenen, hare heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen -bedekking mocht heeten, en rustte het meisje onbewust, in hare volle -bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar -aanbad, maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk -waarachtig een plaats in Dante’s hel had mogen erlangen. - -Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld -waterstof, die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met -een mystieken ether vulde, brachten het hunne bij, om aan de houding -van het lieve kind, iets verhevens, iets bovenaardsch mede te deelen. -Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, lag Anna -daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig -deed op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich -baan brak, eene onbescheiden gaping van de kabaja deed ontstaan, welke -bekoorlijkheden liet ontwaren, die door den blik van den verliefde -verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden. - -Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde. - -Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de -terugtred der golven merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong, -woelde, kookte, bruiste, schuimde als de voorafgaande, maar klom minder -hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren zoo moeten duren, -alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te -schrijden. - -„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn -branderige blik op het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige -omtrekken van dat schoon gevormde lichaam strak bleef gevestigd. „In -haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan in mij!” - -Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren -bewusteloozen toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te -wisschen, wilde hij haar helpen. Met zachte hand bewoog hij zijn -zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij moeten voorover -bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren hals -in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de -oogen op;.... maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij -draaide het hoofd.... keek rond en eindelijk ook Karel in het gelaat. -Met een kreet voer zij op. - -„Gij, gij hier?” riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten. - -Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst. - -„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog -onstuimig.” - -„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil... ik zal...” - -En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen. - -„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve -glibberig,” zei hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.” - -Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de -worsteling wilde opgeven. Toen zij evenwel een blik op haar zelve -sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich in de armen van een man -bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar gelaat was -door het zeewater van de verf, die het bedekt had, gereinigd geworden. -De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij -sloeg de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder. - -„Laat mij, Karel, laat mij” sprak zij in de uiterste verwarring. - -Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat -met honderden kussen. - -„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden,” kreet hij in het -paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!” - -„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende, -beschroomde stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk -afweerde. „Ik kan en mag u nimmer toebehooren.” - -„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde. - -Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar. -Althans met weemoedige stembuiging hernam zij: - -„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en... nietwaar?... -gij hebt mij te lief, om mij anders te verlangen.” - -De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool -besefte, hoezeer hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit -zijne omklemming los, hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen -hield. - -„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet -kunnen worden?” vroeg hij met aandrang. - -„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen -uitvoerig... Laat mij nu los!” - -Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter -niet. - -„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd...” hernam hij. - -„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende. - -„Nu uw vader en moeder d...” - -„Wat, mijn vader en moeder dood?”... riep zij uit, voordat hij het -laatste woord nog uitgesproken had. - -Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met -beide handen en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in -die half duistere grot, die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne -hemdsmouwen zat, en de andere met haar natte sarong en kabaja -ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die rots te -zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend -aanstarend, en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed -woelden en waarvan zijn levensgeluk afhing. - -„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed -zijn zoo eene tijding te verzinnen! Karel!... Karel, wat moet ik -gelooven?” - -„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw -kinderlijk gevoel zou kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg, -Anna?” - -Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu -evenwel bood zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het -was alsof zij, nu zij wees was, nu zij zich alleen op de wereld -gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, die zoozeer indruk op -haar gemaakt had. - -„Beiden dood...” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel -mij, hoe zich dat toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van -Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles weten.” - -„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet, -waren uwe ouders springlevend. Dien morgen toen ik met Grenits naar -herwaarts reisde.... - -„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?” - -„Ja, dierbare,.... toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar -Soeka maniesan?” - -„Soeka maniesan?... Wat is dat?” vroeg zij. - -„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie -Santjoemeh gelegen.... Eerst te Gombong kregen wij tijding van het -overlijden, een telegram...” - -En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet -veel was, namelijk, dat het paar door eene bende ketjoe’s was -omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn hem bizonderheden toezeide, -had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen. - -Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen, -om van de ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo -teêrgevoelige ziel moest gemaakt hebben. Het lieve kind zat, tegen hem -aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter had hoegenaamd -geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had de -scheiding bewerkstelligd; zij was heengegaan om hen nimmer weer te -zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen -daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad, -om het weerzien onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken, -vloog hare ziel de wezens, waar zij het leven aan verschuldigd was, te -gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, om slechts aan het -goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in hare -macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het -gebeurde ongedaan maken. - -Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand -ingetreden, en trok het water zich terug. Bij iedere deininggolf, die -aanrolde, drong minder water de grot binnen, spatte het minder hoog, -pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, totdat de -kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen -gelden. Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen, -zich daar in de grot kringsgewijze uitbreidden, en met zacht geklots de -rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken. - -„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te -breken, en aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen. -„Wij zouden andermaal door den vloed verrast kunnen worden.” - -Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag, -begreep ook zij, dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de -vloed weer zou kunnen komen opzetten. Zij veegde hare tranen af. - -„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.... „Maar kunt gij zwemmen? Want gij -ziet, het water dat in de grot blijft staan, is veel te diep om -doorwaad te kunnen worden.... Ja... kunt ge? Dan is de ladder, die daar -bengelt, spoedig bereikt.” - -Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden, -laten afglijden. Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om -haar middel, en drukte haar zacht tegen zich aan. - -„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over -liefde te spreken,” hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten -tijd zoo ontzettend ongelukkig gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet -meer te willen ontvluchten?” - -Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van -droefenis was over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar -onmogelijk een woord te kunnen uiten. - -„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij -zacht fluisterend aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene -meesteres. Zeg, Anna, mag ik hopen?”.... - -Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep -die hand, hij drukte er een innigen kus op. - -„Dank!” zei hij. „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord -geven... Nogmaals dank!... Maar, Anna nu te water. Wij moeten hier -weg!” - -Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen -vernomen werden. Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en -Murowsky, vergezeld van een paar Javanen, die—wij weten het—in eene -djoekoeng bij den ingang der grot verschenen. - -„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!” - -Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare -natte kabaai en sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij -voelde het oog van Karel op haar rusten, en dat maakte hare verwarring -nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop zij gezeten had, en -bood haar dat aan. - -De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden -waren uitgelaten van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden -springlevend terugvonden. De loerah van de dèsa Ajo had bij het van wal -steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen. - -„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij -overtuigd, dat een ongeluk gebeurd was. - -De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en -werd daarbij door Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den -djoekoeng glijden. - -Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar -uren later waren Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het -huisje op de helling van den Goenoeng Poleng vereenigd. In die -samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor dat de zon het -zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, en -waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die -twee draagstoelen, die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met -jachtgeweren gewapend waren. - -Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij -zou daar blijven logeeren, totdat.... Ja, totdat de rouwtijd om zoude -zijn. - -Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong -terug. Theodoor en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid -nemen en hem bedanken voor het verleende verlof aan Murowsky. - -„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht -geslaagd?” - -„Uitmuntend,” antwoordde Grenits. - -„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?” - -„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen -een fraai, een onvindbaar kapelletje, een puella formosa [293] -gevangen.” - -„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het -lijf.” - -Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan -het kapelletje dat opgespoord was. - - - -Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel van Nerekool -in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer -door en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August van -Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard -van Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der -plechtigheid kwam ook Willem Verstork aan, die na den dood van den -resident Van Gulpendam weer naar de residentie Santjoemeh overgeplaatst -werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, daar een telegram -de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van -Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan -den grond geraakt was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig -niet voorspoedig ging, was hij ontscheept, en had de reis van -laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen van den Slamat -[294] naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van -Karel van Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis -vertraging, waardoor hij te laat aankwam voor de plechtigheid; maar -toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken dag in te stemmen in het -koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. Als ooit -hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van -dien vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de -jonggetrouwden omgaf. - -Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van -Nerekool naar Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden -reizen. De rechterlijke ambtenaar was bij den raad van Justitie aldaar -overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne standplaats, Murowsky naar -Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne -dagelijksche taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten. -Allen werden evenwel door eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo -namen zij zich voor—alle hunne daden zoude kenmerken. En die gedachte -was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog á outrance aan de opiumpacht! -Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap der arme -bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan -zoude het opiumverbruik wel verminderen. - - - -En nu, om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel -van dit boek strekt, zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima -weinige maanden, nadat de beide geliefden elkander in een der grotten -van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, een dood kind -had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in -weerwil van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had -zij een gevoel van moederweelde in zich voelen ontkiemen en grooter -worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare lendenen omsloten -droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind -hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen -ander moeder het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het -wicht klaar, geene wieg, zooals wij Westerlingen die kennen, neen, een -eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door haar zelve gevlochten, -doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, en door -een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te -felle lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou -vormen, dat opgehangen met een paar stevige touwen aan de sparren van -de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk zij bewonen zou, heen en weer -wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, zacht op -de gambang [295] zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de -heerlijke tonen te verrukken. En dat alles was nu weg! Hare vrucht was -niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, welke zij zich zelve -opgelegd had, tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de -Goewah Temon, waar hare Nana zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd -hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; maar... de tijd verzacht -de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij zou tot haren -laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd. -Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de -huwelijksweelde van het jonge paar zouden komen verrijken en, voor -ieder, die met de innige genegenheid bekend is, waarmede de Javanen -zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, wanneer zij -door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat -voornemen stipt getrouw zou blijven. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Opgenomen in het Jaarboekje der Indologische Vereeniging voor het -jaar 1886. - -[2] Tandjang-soorten = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s -noordkust zijn: Tandjang Bangoe of R. macronata, Kajoe Tinggi of R. -Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata. - -[3] Boeaja’s, boeloes, kapitings en oedangs. Boeaja is de maleische -naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s noordkust -wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes -beteekent schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona imbricata het -meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus -Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de -Cancer Pagurus (zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon. -In den Ind. Archipel worden garnalensoorten aangetroffen, die in omvang -de grootste kreeften evenaren; maar er bestaan ook soorten, die -microscopisch klein zijn. - -[4] Saoe-boomen. Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën -behoort. Hij ontwikkelt een zwaren stam, komt veelvuldig op de lage -stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor en levert zeer -fraai en uitmuntend timmerhout op. - -[5] Katjangmatten en atappen. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk -van de breede bladeren van den Nipahpalm vervaardigd worden. - -[6] Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel -geboren Chineezen, het best te vergelijken met „liplap.” - -[7] Moeara Tjatjing. Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die -naam aan kleine inhammen gegeven, waarin riviertjes uitwateren. -Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes worden aldus van -wege hunne kronkelingen genoemd. - -[8] Prahoe sajab is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang -uitstekende bamboestaken in holle zee tegen omslaan beveiligd wordt. - -[9] Sero’s zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij -riviermondingen geplaatst worden. Met stevige staken worden die fuiken -bevestigd. Meestal vormen die staken hechte staketsels, die bij -hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, zoodat haar -kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet -wordt. Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen -gespaard zijn, treft een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het -gevaar althans is dan verdwenen. - -[10] Matamata. Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t Is eene niet -onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden. - -[11] Gemoetoe touw. Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de -bladsteelen en den stam van sommige palmsoorten, vooral van de Arengga -Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd wordt. Van die -vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw -achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint. - -[12] Tombokken. Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin -uithollingen uitgespaard zijn om rijst in te stampen. Wordt ook wel als -foltertuig gebezigd. De patiënt wordt dan op het tombokhblok -uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt en gekneusd, tot -de dood er op volgt. - -[13] Niboeng. Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die -veelvuldig op moerassige stranden voorkomt. Het buitenhout van den stam -is uitermate hard, en laat zich in de lengte gemakkelijk splijten. - -[14] De smokkel-rayon. Het is allen vaartuigen, die opium aan boord -hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië elders dan de -plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen, -tenzij noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken. - -[15] Het cachet Van der Leeuw in groen lak was destijds een zeer gewild -botermerk in Ned.-Indië. - -[16] Taël is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede -te wegen. De taël weegt 0,0386 K.G. - -[17] Madat en tjandoe. Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe -met tabak vermengd, die tot balletjes gekneed en tot rooken gereed is. - -[18] Salak. Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca -edulis genoemd, draagt rinsch wrange vruchten, die evenwel door velen -zeer gewild zijn. - -[19] Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.—Dalima -beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn -verscheiden dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D. -soesoen, de in den tekst bedoelde, met witte, D. koening met gele en D. -berrem met dubbele bloem de voornaamste zijn. - -In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem -gegeven wordt. Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die -Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk betreft, heeft die wel ietwat voor -model van haar romantisch zusje gediend. - -[20] Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.—De oud-Gouverneur-Generaal -Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer: -„Er waren Inlanders, die door de Chineesche pachters verbannen waren -naar een aangewezen oord van Java, op straffe des doods in geval van -terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis de pachters -bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.” - -[21] Orang oppas of oppasser is de benaming in Ned.-Indië voor -politie-agenten. - -[22] Kamadoog is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de -Duivelsnetel, de Urtica urentissima der geleerden. Schrijver heeft eens -de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, die hardnekkig -rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om het -bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt -om voor den milit. dienst afgekeurd te worden, toen de behandelende -geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen met een bosje -Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten -te bevredigen. De simuleerende vloog onder een Himmel kreuz -donnerwetter, das ist ja Feuer! overeind, van het bed af en het vertrek -uit. Nimmer heeft die man later meer aan verlamming geleden. De -Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen. -Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den -hoogst mogelijken graad van woede opgezweept. - -[23] Sirihkalk wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de -scherpte van de steenkalk. - -[24] Sirihblad, waarin de pinangnoot. Dat blad is afkomstig van eene -slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. De pinangnoot -is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd. - -[25] Pandoppo is eene ruime overdekte galerij, die achter het -hoofdgebouw van iedere aanzienlijke woning in Ned. Indië aangetroffen -wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is de meest geliefkoosde -plek van het huis. - -[26] Semoet api letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode -boschmier, die wanneer zij slechts over de huid loopt reeds een -onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet van het diertje -doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica rufa -der geleerden. - -[27] Tjitjaks en Gekko’s zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt -bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; met de tweede de -Platydactylus guttatus. - -[28] Doekoen is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige, -gewoonlijk eene oude tooverkol, die dan veel werk van aphrodisiaca -maakt. - -[29] Cultuurprocenten. Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij -het Binnenlandsche Bestuur op Java een tantum van de producten, die -door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht moesten worden. -Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een -volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke -onbillijkheden de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd -heeft, is niet te beschrijven. Gelukkig behoort die -cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis. - -[30] Poesaka wapens. Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De -Javaan koestert grooten eerbied en aanhankelijkheid voor de wapens, -kris, lans, enz. zijner voorouders. - -[31] Dat kan ik begrijpen. Aan de opium worden erotische uitwerkingen -toegeschreven. Ziet daaromtrent de Proeve van eene geschiedenis van den -handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië door J. C. Baud, gewezen -minister van koloniën, voorkomende in de Bijdragen tot de Taal-, Land- -en Volkenkunde in Ned.-Indië. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman -op koloniaal gebied laat zich in die verhandeling uit liefde voor de -waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo een realisme -verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen -kan. - -[32] Anak s.... Anak beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier -bedoelde uitdrukking zie men Max Havelaar door Multatuli 5de druk -bladz. 267. - -[33] Tali api. Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de -Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, is het gebruik van tali api -grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft het -verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene -echt Oostersche figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is -de tali-api-jongen evenwel nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige -groote hem niet willen missen; want die jongen behoort tot de staatsie. - -[34] De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het -heulsap. Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat -een Minister v. Kol. bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning -schreef o. a.: het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters -aanleiding geeft tot ondermijning van het gezag. - -Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van N.-I. schreef bij -miss. dd. 3 October 1866 aan den Gouv.-Gen.: - -„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van -sluikhandel, waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters, -een net dat, om de ongehoorde voordeelen, die het oplevert, trots de -hoogste boeten, trots de hoogste straffen, zal blijven bestaan, zoolang -het belang der pachters medebrengt het te behouden.” - -[35] Vijf en twintig à dertig percent morphium. De Levantsche opium -bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe van -onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat -alkaloïd aangetroffen. Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van -den Ind. Gids Meinummer 1885, waar het gevoelen van den heer F. -Hekmeijer, 1e apotheker v. h. N.-I. leger en bekend als uitstekend -scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de bewering van J. C. -Baud, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt. - -[36] Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben. Een -gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande -te duiden. Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst -per dag eet. Om dus tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te -worden, werden Van Nerekool nog ongeveer 2¾ jaar gegeven. - -[37] Landraad. De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche -rechtbanken voor Inlanders en met dezen gelijkgestelden. Zij zijn -gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van afdeelingen, aan -wier hoofd een assistent-resident geplaatst is, en zijn samengesteld -uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den panghoeloe tot adviseur, -en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De djaksa -(Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van -ambtenaar van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken -daarenboven nog een griffier en een deurwaarder (beiden Europeanen) -toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden de residenten of -assistent-residenten als voorzitters der landraden op. - -[38] Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden -gezeten. Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen -wil, zie Macht tegen recht door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof -van Ned. Indië Mr. M. C. Piepers, Eerste gedeelte bladz. 196. - -[39] Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef. Ziet -daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 47 hiervoren. Een -uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. 25 van Eene -bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.—De officiëele -litteratuur door Mr. W. K. Baron Van Dedem, Lid van de Tweede Kamer der -Staten Generaal. - -[40] Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te -onttrekken. Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15, -16, 17, 18 en 19 van de brochure Iets over de afhankelijkheid van de -Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren, in de laatste helft van -1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven. - -[41] Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige -zonneschermen omgaf. Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer -dan een pajoeng op na houden. In den regel staan in zoo’n standaard -vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. v.: een voor hooge -gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg -besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele -gelegenheden, als het afleggen van bezoeken, enz. en eene voor de -wandelingen. - -[42] Pretto ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de -opiumpijp. Dat residu wordt vermengd met het verdikte sap, vooral van -de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en van de Gandja, de Canabis -Indica. Zoo wordt de opium in N.-I. op groote schaal vervalscht, zeer -ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, maar vooral ten -nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog veel -schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium -uitmaakt. - -[43] O! sama djoega, Kandjeng toean. Dat tafereel van den resident met -den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening gebracht door J. -den Beer in zijne Tjampoer-Adoek, uitgave van Gualth. Kolff te Leiden -en G. Kolff & Co., te Batavia. - -[44] Gekko’s oendoek, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet, Van -al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels -vervaardigd. Zie omtrent de gekko de aanteekening No. 2 op bladz. 40 -hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een -vischje dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar -ook hier en daar op Java aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel -eenige overeenkomst met dien van een paard heeft. Ik heb niet kunnen -opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet tot de Hypocampi -behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil -daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft -geheel en al het lichaam van een visch, maar kan zich met de -borstvinnen zeer vlug over drooggevallen modder voortbewegen. Er -bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, die met -fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden -het meest geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen, -voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen -een belangrijken handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon, -daarvan gekookt, als een uitstekend aphrodisiacon hebben leeren kennen. -De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote groengoudvlieg, wie -de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. Sarong -lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche -naam van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een -soort slijm bouwt. Ook die nestjes worden als uitstekend -opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd. - -[45] Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de -geleerden Mucuna prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een -sterk werkend aphrodisiacon gehouden. - -[46] Een paal is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94 -meter. - -[47] De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste -assam’s, de saprijkste bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest -verfrisschende djamboe’s. De manga-boom met zijne niervormige vruchten -is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, en eene dichte kruin vormt. Er -bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan de Mangifera -Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn -vleezig behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die -door de plantenkundigen Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon -assam is de zoo fraaie tamarindeboom met zijn fijn gevind loof, de -Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige frissche -vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de -bliembieng manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam = -Averrhoa bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met -machtige kruin. Er bestaan wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de -djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe bol of J. domestica, de -djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de -voornaamsten zijn. - -[48] Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening, -kembang spatoe, patra kombala. Allen bloemstruiken, ware sierplanten. -De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de kembang mentega = Nerium -oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = Mirabilis -jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus -rosa sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima. - -[49] Bamboe betong = Bambusa nigra ciliata. - -[50] Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes zijn vischsoorten, die door -de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius djambal, -Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden. - -[51] Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen. De -Gouv.-Gen. Duymaer van Twist meende de ergerlijke praktijken, die -gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen en dobbelspel de -Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken -ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene geheime -circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand -bestendigd werd. - -[52] Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental -vermeerderd werd. De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. -Bij art. 8 van de opium ordonnantie (Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was -het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang op 42 bepaald. Bij -eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind. -Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en -negen jaren later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef -de Min. van Kol. Rochussen, op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel -om het opiumverbruik tegen te gaan, kan worden aangewend, dan het getal -der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren zijne woorden, -„door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich -meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van -het verderfelijk heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het -doel, dat er mede beoogd moet worden, zich van lieverlede verwijdert.” - -Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, d.d. 4 Nov. -1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „dat de -Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door -verbodsbepalingen en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan -eene inkrimping van het aantal kitten” enz. Die circulaire is nimmer -ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg mij: kon die vaste -wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan door -haar zelve geschied is? - -[53] Galangan’s zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die -dijkjes moeten goed onderhouden worden, wil de landbouwer geene -teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s ondervinden. Zij -moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare -maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te -vermengen; ook om te beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van -ongedierte als slangen, yoeyoe’s (krabbesoort) enz. - -[54] In den vollen oogsttijd. De rijstoogst valt op Java niet overal -gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft hij gewoonlijk einde Juni -plaats, in de bergstreken later. - -[55] Het is dan voor haar eene ware kermis. Dat is ook het gevoelen van -den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. Indië K. W. van -Gorkom. Zie zijne Oost-Indische Cultures 1e deel bladz. 115. - -[56] Gamelan is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere -instrumenten bestaande. Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam -vertrouwt de schrijver, dat voor het lezend publiek een verdere uitleg -overbodig is. - -[57] Aloon aloon is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen -wordt. Gewoonlijk wordt het door Wariengienboomen, de Ficus religiosa, -een der prachtigste keerkringsgewassen overschaduwd. Aan de westzijde -staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl de andere zijden -door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der -blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche -hoofden plaats. - -[58] Kamprits en kalongs. De kamprit is eene kleine soort vledermuis, -die in verbazende menigte onder de daken der dèsa-woningen huizen, en -bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest -verspreide soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van -insecten leeft. De kalong behoort even als de voorgaande tot de -handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt de grootte van een -jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, daar -hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij -Pteropus edulis geheeten. - -[59] Sedap malam. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78. - -[60] De Pernakh-an gedang en de gambang. De eerstgenoemde is een der -kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer hoogen toon. Er -bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, maar -ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige -bak, op welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een -paar kamertjes bespeeld worden. - -[61] De rebab en de gender. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De -gender is even als de gambang een schuitvormige bak, een soort -glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn. - -[62] Topeng is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op -Java, die door ettelijke acteurs en actrices met begeleiding van het -gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal worden daarbij historische -legenden aanschouwelijk gemaakt. - -[63] Ronggeng zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De -ronggeng kan bij de topeng niet ontbeerd worden. In den regel zijn de -ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens lichtekooien van de ergste -soort. - -[64] Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid. De lezer zou -kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit -verleidingstafereel overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister -eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, bij de behandeling der begrooting -van N.-Indië in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden, -die hem destijds als resident door een opiumpachter ingefluisterd -waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal opium-kitten. -„Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging -zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer -was, als eene kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief -gemaakt, werd ingetrokken. Men moest om de bevolking te lokken, feesten -en danspartijen geven, en dit mocht toch niet tot eene vergeefsche -moeite worden gemaakt.” - -Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst -schroomvallig, vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld -wordt, zulke mededeelingen weerklonken hebben, dan kan de lezer -oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, en dan moge hij -uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel -overdreven mag heeten. - -[65] Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen. In de -Itinerario, Voijage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten, een -Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige -bizonderheden aangetroffen, die een romanschrijver niet bezigen mag. -Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken aan, waarom de vrouwen in -N.-I. op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. Jean -Chrétien Baud, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt -volkomen het bestaan dier oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening -No. 1 op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook Van Dedem’s -studie in de aanteekening No. 1 op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij -inzien van die aangehaalde werken zal de lezer ook ervaren, waarom de -opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld kan -worden. - -[66] Mata’s. Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van -een katie, of het 0,368 van een milligram. - -[67] Tegen slechts veertien cent per mata. Zie Koloniale Verslag voor -1884, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154. - -[68] Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen. Een volbloed -Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de Times: „Wijs mij -één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid -opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd -gevallen toonen, waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch -binnen tien jaren het gebruik zoo toenam, dat het de schuivers te -gronde richtte.” - -[69] Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas! -toch zoo dikwerf plaats vindt. Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische -dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen mede te deelen. -Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger -voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in -grachten, slooten, enz. gevonden. - -[70] Njonja mahal. Zie daaromtrent bladz. 160 van Macht tegen recht -Piepers, bij de aanteekening hiervoren op bladz. 73, reeds aangehaald. - -[71] Ngoh, de Watergod. Zie daaromtrent bladz. 299 van de Jaarlijksche -feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. J. M. de Groot. - -[72] Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt -men op bladz. 153 van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend, -omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken regent is een patih toegevoegd, in -alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat -overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier -bevelen te zorgen heeft.” - -[73] Kanarie-boomen, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de -geleerden Canarium commune geheeten. - -[74] Pradjoerits zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die -eigenlijk tot niets anders dienen, dan tot geur der civiele ambtenaren. -Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire waarde toegekend. - -[75] Hoofd-djaksa is de officier van justitie en de openbare aanklager -bij de Inlandsche rechtbanken in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van -den Regeerings-Almanak voor N.-I. van 1881; ook de bladzn. 305 en -volgenden tot 311 van de Essai sur les principes régissant -l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises, door -Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in -de hoofdplaatsen der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem -zijn een of meer helpers toegevoegd, die officieel adjunct hoofd-djaksa -heeten, maar in den regel evenals de officieren van justitie bij de -landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden. - -[76] Radhen ajoe. Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche -grooten genoemd, die als Mahomedanen de veelwijverij toegedaan zijn. - -[77] Tjemårå’s. Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De -hier bedoelde is de Casuarina equisetifolia. - -[78] Pandan rampeh gedeh. Dit is de Pandanus latifolius der geleerden. -Wordt veel op Java aangekweekt om zijne sierlijkheid, maar vooral om -zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden door de vrouwen in -het haar gedragen worden. - -[79] Makassaren. De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den -geheelen Archipel beroemd. Zij worden Makassaren genoemd naar de -hoofdplaats Makassar. - -[80] Kedoeërs en Batakkers. In den tijd, lang geleden, toen de -Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, werden Friesche -hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en -Preanger-Regentschappen stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn -reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen van die Friesche hengsten -vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel door gebrek -aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai -inheemsch paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn -kleine paarden, maar van zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer -volmaakt op dit gebied uit te denken is. - -[81] Tamarinde-boom is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde -bladeren. Bij de geleerden heet hij Tamarindus indica. - -[82] Toeri- of klampiesstruikjes zijn sierlijke gewassen, die door de -geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, de tweede -Acacia tomentosa. - -[83] Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik zijn -allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd, -de djoeroetoelis is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de -drie vorigen zijn leden van het dèsabestuur. - -[84] Als de bevolking er gebruik van mag maken. De tijd ligt zoo ver -niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden -heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke -overheerschers aan te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht -maken, maar zich vergenoegen moest met de zoogenaamde karrewegen, naar -welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in een niet te beschrijven -toestand van verwaarloozing verkeerden. - -[85] Met dispensatie van het afleggen van eenig examen. Bij koninklijk -besluit dd. 21 Januari 1879 No. 28 werd aan tien Nederlandsche -landsdienaren dispensatie verleend van het examen, bedoeld bij -Staatsblad No. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de -comptabiliteits-wet, die dreigde te stranden, in vlot water te brengen. -De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen naar Ned. Indië gezonden -zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën en -Nederland plukt er de vruchten van. - -[86] Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden. De Vrijdag, -hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen. - -[87] Kanarievogel. De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken -uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke benaming. - -[88] Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening. Voor hen, wien deze episode -te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige inzage van -de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het -ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in het Indische -Vaderland van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „OPIUMZAKEN. Toen -gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij -den Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste bij de gebruikelijke -visitatie aan den lijve, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd, -een klein doosje met klandestiene tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit -werd op denzelfden dag ook door het dagblad de Locomotief medegedeeld. - -[89] Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een -scheldnaam. - -[90] Kedjineman hier in de beteekenis van wachthebbende. - -[91] Wariengienboom. Zie de aanteekening No. 3 op bladz. 94 hiervoren. - -[92] Kalong. Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen -behoort. Hij wordt door de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis -beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier wordt door ettelijke jagers -met graagte genuttigd. - -[93] Kwenni. Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera -foetida geheeten. - -[94] Tongeret oetan wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten. - -[95] Baud’s bekende Proeve. Zie omtrent den titel dier verhandeling de -aanteekening Nr. 1 op bladz. 43 hiervoren. - -[96] Companie ketjil = de kleine kompagnie is de benaming bij den -Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij. - -[97] Wiens naam mij ontschoten is. Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij -schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche pharmacopoea. - -[98] Von Miclucho Maclay. Zie daaromtrent Natuurkundig Tijdschrift van -N.-I. XXXVste Deel. - -[99] Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse. Rochussen: zie -zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858; Loudon: zie Tweede -Kamerzitting December 1861; Hasselman: zie zijn brief aan den Koning -dd. 16 April 1869; Van Bosse: zie Kamerzitting 11 Maart 1872. - -[100] De kit is nog open. Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht -op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. 1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o. -a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten en de opiumverkoop -gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens. - -[101] De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum machtig te -worden. De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat” -geheeten wordt, op, om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die -vervalsching wordt bij art. 13 van het bij de vorige noot op bladz. 212 -aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet -waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient -bij verteld te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte -vergiftiging van het Staatsmonopolie zou benadeelen. - -[102] Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden. Zie -daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78. - -[103] Dagteekent reeds van 1824. Dat besluit is van 3 December en te -vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat jaar. - -[104] Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich -aan het amfioenschuiven te kunnen overgeven. Zie Baud’s Proeve enz. -reeds in de aanteek. No. 1 op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz. -162 van het daar vermelde deel der Bijdragen staat woordelijk: „De -Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle invoer -van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor -sluikhandel in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het -amfioenrooken, dan zouden zij, meende men, de Gouvernements-koffie -verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.” - -[105] Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte -niet te bespeuren is. Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de -Nederlandsche dagbladen: Het Algemeen Handelsblad, De Amsterdammer, Het -Vaderland en zooveel anderen in de maand Juli 1885 gepubliceerd. - -[106] En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen -aan. Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De -opiumramingen van 1886 en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22 -millioen bedroegen, zijn evenzeer zonder blikken of blozen aangenomen. -Nederland heeft geld noodig en dan komt het er niet op aan, uit welk -riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald wordt. -In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog -geprezen voor zijn financiëel beleid. Hoera, voor de Nederlandsche -Vertegenwoordiging! - -[107] Lees de Indische dagbladen maar geregeld. Alle verschenen -artikelen op te sommen, is niet doenlijk. Maar de lezing van b. v. Het -Indische Vaderland van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de -Locomotief van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik -aanbevelen. - -[108] Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om -door een vermeerderd debiet de rijzing van den pachtschat te -verkrijgen. Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de Minister -van Koloniën Rochussen verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen -dezelfde stelling in zijne missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei -1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen is en wordt, -leert de noot op de vorige bladzijde. - -[109] Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel -verheven is. Zie de inlichtingen van den Min. v. K. Sprenger van Eyk, -aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd. -September 1884 No. 1. - -[110] Dan wordt hij beboet. Ziet ook over het bezit en verkoop van -opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie dd. 8 October 1872 -(Ind. Stbl. No 170). - -[111] Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen. Ja, dat zullen zij! -Maar... hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen -gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de -Min v. Kol. Sprenger van Eyk zich de persiflage: „zij pruttelen wel, -maar dat is niet gevaarlijk. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in -den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, en daaraan wordt eerst -aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt. - -[112] Atapoepoe of de Tomini-baai. Eerstgenoemde is een kleine kampong -op de noordkust van het eiland Timor vlak bij de Portugeesche grens -gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche zee in -Noord-Oost-Celebes maakt. - -[113] Advocaat Winckel. Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een -der Indische bladen, werd in 1873 wegens eenige ondoordachte woorden -over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking tot den -Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen. - -[114] Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft -en het overige niet weet te veroveren, is waard, dat hij datgene -verliest, wat hij reeds erlangd heeft. - -[115] Vierbekkige palita. In het meerendeel der dèsa’s van Java’s -binnenlanden, waar de petroleum-verlichting nog niet is doorgedrongen, -wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de toeken, waarin -in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd. - -[116] Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring zijn heestergewassen, die -op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen bodem werden -aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt -Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn -zeer welriekend. De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde -genoemde Eclypta erecta. - -[117] Oeweh lilin is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma. - -[118] Djatie doeri. Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona -Grandis. - -[119] Siwallan is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger -wordt dan 20 voet. Hij wordt door de geleerden Borassus flabelliformis -geheeten. - -[120] Melati bloem. Zie de aanteekening No. 1 op bladz. 89 hiervoren. - -[121] Tjoe is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De -Bataviasche tjoe heeft onder hen een zeer gunstigen naam. - -[122] Maar den dood niet ontkomen zouden. Een gewond wild sterft in den -regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en andere insekten, -die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk. - -[123] Komessoe is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond -aangetroffen wordt. In de Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt -daar soms aangeplant, voor de was, die uit de vruchten getrokken wordt -en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen den boom, die tot -de Laurineeën behoort: Cylicodaphne sebifera. - -[124] Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 44 hiervoren. - -[125] Soengoe mattie. Soengoe beteekent: zeker en mattie: dood. Dus de -uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche -uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te -bevestigen. - -[126] Koekoesan is een spits toeloopende kegelvormige mand van -bamboevlechtwerk, waarin de rijst in den stoom van een ketel „dandang” -genaamd, gaar wordt gestoomd. - -[127] Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s. Kerri is eene soort -bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel -uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort -bouillon gekookt, sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten. -Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer -saus-bereidingen, waarin de sambal of lombokh (spaansche peper) niet -vergeten is. Atjaran’s zijn zuren. - -[128] Kerri ikan. Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch -gekookt. - -[129] Piendang ajam en piendang klowek zijn lichte bouillons van kip of -gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met zeer veel spaansche -peper. - -[130] Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado zijn verschillende -bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd. - -[131] Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s. -peteh, s. badjak. S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout -fijngewreven. S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S. -telor is sp. peper met eieren toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper -met makassaarsche roode vischjes. S. peteh is sp. peper met petehboonen -gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote accaciasoort, -die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak -beteekent letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte, -die door het aanwenden van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum -baccatum) verkregen wordt. - -[132] Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek beteekent: zuur met -uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur. - -[133] Dendeng ragi, d. minjangan. Dendeng zijn dunne lapjes vleesch, -die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven te zijn, in de -zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan -van hertenvleesch. - -[134] Sasateh, besengeh en petjiel zijn kleine stukjes vleesch -gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan zeer dunne stokjes -geregen. - -[135] Ajam goreng en a. pangang is gebraden en gepofte kip. De laatste -is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor het poffen behoorlijk met -kruiden ingewreven en met boter besmeerd is. - -[136] Ikan goerami en i. bandeng assep. Ikan goerami is een heerlijke -zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax geheeten. De andere -behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep -beteekent gerookt. - -[137] Telor troeboek, kroepoek oedang. Telor troeboek is gezouten -vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, die in groote -menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de -oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus. -Kroepoek oedang is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer -dunne koeken gesneden, zeer krap gebakken is. - -[138] In dezelfde keuken klaargemaakt. De schrijver heeft het in 1859 -bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie soldaten te -Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van -verzet kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene -Europeesche kompagnie, aan welke laatste op gezette tijden spek -verstrekt werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten -verontreinigd werd door de aanraking met het keukengereedschap, dat op -zijn beurt met het spek in aanraking was geweest. - -[139] De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal -ontmoet men haren stempel. Helaas ook bij de justitie. Zie het lijvige -werk Macht tegen recht door Mr. M. C. Piepers, 1ste deel, bladz. 81 der -aanteekeningen. - -[140] Als ik mij wel herinner. Het is niet te verwonderen, dat een jong -koopman als Grenits de verslagen van de zittingen van den Raad van Ned. -Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies van dat -regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de -zitting van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk: - -„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling -van de regeering dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en ieder -middel, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op -te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt -daarvan, want de in 1832 aangenomen en sedert gevolgde wijze van -opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst meer -voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend, -dat het gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot -dusverre geene onverschillige zaak is geweest.” - -Hoort ge, Nederlanders? Ieder middel—ik cursiveerde die woorden—dat -leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd -met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! En -laat u nu niet misleiden, dat die volzin op het verledene, op 1871 zou -duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium op de begrooting -door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een bevel -gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen. - -[141] De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan, Nederlanders -minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork -zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden -waren! Maar, wiens waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?.... -Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, van een -man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche -aangelegenheden, die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De -geheele volgende tirade, voorkomende op bladz. 290 en volgd., is -woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: nog een woord over -opium, geschreven door den zendeling-leeraar P. Jansz, in het -Maart-nummer van de Indische Gids van 1882. Dat plagiaat zij mij door -dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet van mij verkrijgen, zijn -opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, en de -toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij -onmogelijk was, daaraan iets meer te veranderen, dan voor de -inlassching in mijne romantische schets noodig was. - -[142] Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen. Zie Indische -Gids, 1882 het artikel: Eene stem uit Indië. Ik verheel dat plagiaat -niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in breeder kring -over te brengen. - -[143] Nieuwsgierig als een neusaap. Neusapen behooren voornamelijk op -Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter gemelde plaats een -vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen -aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en -voornaam uiterlijk. Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus -geheeten en zijn zeer nieuwsgierig van aard. - -[144] Het zijn pilletjes. Zie deswege de Catalogus der afd. Ned. -Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer Tentoonstelling in 1883 in -Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende de -voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden. - -[145] De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr. -Keuchenius als minister van Koloniën geschreven werd. Ik heb de -overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe den tijd late, hij het -middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen te gaan. - -[146] Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te -koelen. Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de -opiumpacht is een Staat in den Staat” is getrokken uit het Indisch -Vaderland No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat. - -[147] Staatsblad No. 136 van 1876. Bij bedoeld Staatsblad is den -controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen van overtredingen -omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java en -Madoera opgedragen. - -[148] Nontonnende. Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te -verstaan gegeven wordt: buiten gade te slaan, te zien of te hooren, wat -binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij concerten, opera’s, -receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek buiten -dan binnen. - -[149] Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders. - -[150] Brengbreng is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen -wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken -wordt bij oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt. - -[151] Broeang beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen. -Bekin broeang, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is, -zou gelijk staan of een Hollander tegen een Franschman van faire des -ours gewaagde. - -[152] Crotons. De Adal adal wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium, -de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: Rothlera tinctoria of C. -Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd. - -[153] Tottokh is de benaming van de blanken, die niet in Ned.-Indië -geboren zijn. - -[154] Aloon-aloon. Zie daaromtrent de aanteekening op bladz. 94 van het -eerste deel. - -[155] Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de -Inlandsche machthebbenden, die door de Nederlanders Regenten genoemd -worden. - -[156] Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd -van een Europeeschen vader en eene inlandsche moeder. - -[157] Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de -Inlandsche verbastering van het woord rechter, waarvan de Chineezen -wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden om de r uit te spreken, -lakkel maken. - -[158] Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de -brochure: - -Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische -rechterlijke ambtenaren in de aanteekening op bladz. 75 van het 1ste -deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, hoe -stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik -gaarne. - -[159] Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura -(Ordonnantie dd. 25 September 1874 Stbl. v. N.-I. No. 228) luidt als -volgt: - -„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art. -22 uit ’s lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd -en voldaan ter zake van overtredingen van dit reglement, worden -onverwijld, nadat de veroordeeling kracht van gewijsde zaak heeft -bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van het Inl. -regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de -verbeurd verklaring wordt berust, verdeeld als volgt: - -a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7; b) aan den aanhaler of de -aanhalers 2⁄7; c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en -het doen der aanhaling hebben medegewerkt 1⁄7; blijvende... enz.” - -[160] Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter. - -[161] Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter. - -[162] De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 No 5 -(Ind. Stbl. No 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de -aanbrengloonen nimmer kunnen genoten worden door hoofden van -gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, doch dat -hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als -aanhaler of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate -van den lande; en op het besluit 11 April 1874 No 14 (Ind. Stsbl. No -106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de -assistent-residenten voor de politie. - -[163] Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½ -graad nagenoeg ten noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op -Java zijn de omstreken van die stad het zijde-district bij -uitnemendheid. - -[164] Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van -de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen door Dr. J. -M. de Groot. - -[165] Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van -het Arabische sjachbat = vriend. - -[166] Art. 23 van het opium-reglement luidt: - -„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen waarop -geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van een -duizend tot tienduizend gulden voor elke hoeveelheid van honderd katie -opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en een -honderd gulden voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de -eerste maal voor den tijd van een maand tot drie jaren en bij herhaling -voor den tijd van drie maanden tot vijf jaren. - -„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot -Inlanders en met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid -buiten den ketting van gelijke duur.” - -Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf. - -Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij! -Verbeeld u, dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige -smokkelgeschiedenis van gedistilleerd tot tuchthuisstraf zou kunnen -veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling ver -van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens -welke de Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot -dwangarbeid veroordeeld kunnen worden. En ziet het Weekblad van het -recht maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook -toegepast wordt. - -Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht! - -[167] Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal -gewapenderhand uitgevoerd worden. Gewoonlijk worden zij des nachts -ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat meestal hebben zwart -gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en -brandstichting daarbij niet zelden voorkomen. - -[168] De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de -vorstenlanden Soerakarta en Djokjokarta, geheven van alle beplante -gronden, waarop zakelijke rechten worden uitgeoefend, en die niet -vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning daarvan is -opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten, -en aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche -inkomsten genaamd, wien hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de -belangrijkheid van hunne perceptiën. - -[169] Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op -periodieke tijden door de Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden -verpacht, terwijl de pachters, behalve dien bedongen pachtschat de -opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 het katie of ƒ -3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend -slechts ƒ 13,87 per katie. - -[170] Zie daaromtrent o. a. het voorloopig verslag van de commissie tot -onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling der begrooting van -Ned. Indië voor 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer. (laatste -alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document). - -[171] In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de -militaire garnizoenen scherpe patronen, die in eene blikken trommel -opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, en de kommandant der -wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk -mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien -kommandant geopend worden. - -[172] Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de -residentie Bagelen en meer bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en -een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte aan de eene -zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere zijde. Het -punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op -1900 voet boven de oppervlakte der zee. - -[173] Het Midangang-, Paras- en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte -vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas en Bagelen. In zijn -hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het Parasgebergte ligt in de -Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het -Boetak-gebergte ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene -hoogte van 1252 voet. - -[174] Zie daaromtrent de aanteekening No. 2 op bladz. 140 van het 1e -deel. - -[175] In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde -afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst -zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn. - -[176] Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de -wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden. - -[177] Roepanja kasar dan hitam en bahoenja ketjoet. De in den tekst -bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat -gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen -denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, -om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van -de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de -opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en -opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild -vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een -denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. -Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De -hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een -behoorlijk beëedigd proces-verbaal van zoogenaamde deskundigen. Hij, -die daaromtrent meer wil weten, zie het Ind. Weekblad van het Recht No. -863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident -Mr. J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. -Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele -veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage -van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook -aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te -Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in -staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze -veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek -door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.” - -’k Voeg aan het woord der redactie v. h. Weekbl. v. h. Recht dezen -uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot DWANGARBEID, gelijkstaande -aan onze TUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!? - -[178] Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke -werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter -zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig -de 6de alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java -en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd -werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.) - -[179] De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan -overtreding schuldig te doen verklaren (bladz. 115). Die omtrent zulke -streken gesticht wil zijn, sla het Indisch Weekblad van het Recht op, -bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar -ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, -Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. de -Locomotief van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, het Ind. Vaderland van 27 -Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en -dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd -worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden -handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat -men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel -veroordeelingen door de politierechters? Tegenover één ontmaskerd feit -in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in -het donker gepleegd? - -[180] Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk -gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een -veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het -opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet -scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde product -opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen worden door -apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de -meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, -dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. -Bovendien het Ind. Weekbl. v. h. Recht No. 955 van 1881 levert het -bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen -volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te -onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, -behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen -bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring -verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters -was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof. - -[181] Die uitspraak, wierp het Vaderland in zijn nummer van den 3den -December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis -van den balk en den splinter! - -[182] De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den -heer Keuchenius niet geldt. - -[183] Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan -had ik niet de aanbieding van de roman van Ebers laten doen maar van de -oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in -Nederlandsch en in Britsch-Indië” door J. A. B. Wiselius. In zijn -voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar: - -„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met -den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf -werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.” - -Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door -die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, -dat den Hr. W. het VIRTUS NOBILITAT nog niet uitgereikt is. - -[184] Ratoe Lårå Kidoel is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk -geslacht. De naam zou kunnen vertaald worden door: Koningin-Maagd van -het Zuiden. - -[185] Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam -worden door de bevolking veelal nog werkende vulkanen aangeduid. - -[186] Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd -heeft. De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge -Javaansche vrouw van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare -verlossing, zich met haar kind c. ann. naar de rivier begaf, daar zich -zelve en haar kind reinigde, de ann. in een pot deed, die door haren -echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne -terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en -toen hare gewone werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was, -terwijl een oude vrouw met de jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld -nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche kraamvrouwen zoo -zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der -Inlandsche vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare -Europeesche geslachtsgenooten. - -[187] Obat mentellang. Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl. -naam van eene windende halfheester, door den geleerden Clitorea -Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. Aan den -wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader -behoeven aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam -duidelijk zullen zijn. - -[188] Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een -vlechtwerk gemaakt, dat den vorm heeft van een vierkant zakje. Dat -zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en dan gekookt. Door de -koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den vorm van -een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt -katoepat genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier -onontbeerlijk, daar die rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is, -eene deegachtige massa oplevert, die niet gauw verzuurt of tot bederf -overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk is. - -[189] Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds -nabij is, heeft de schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur. -liefhebbers van de jacht hooren verzekeren. Junghuhn vermeldt die -bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn daarin te -vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen. - -[190] Kawat beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat = -telegram, pal kawat = telegraafpaal, bitjara kawat = telegrapheeren. De -telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk uit kapokboomen -(Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van -elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750 -M. of 1⅙ paal geschat kan worden. - -[191] Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en -vruchten, verkocht worden. Zulke kraampjes worden in Java’s -binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. De -koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het -ligt in den aard der zaak, dat die warongs, waar de voorbijgangers zich -laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de nieuwtjes -gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets -ontgaat, al de menschen uit de geheele buurt kent. - -[192] Pisangblad. De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij -breede bladeren, die door den Inlander tot velerlei doeleinden, maar -vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord gebezigd worden. - -[193] Sambal peteh. Zie daaromtrent de aanteekening No. 6 op bladz. 283 -van het eerste deel. - -[194] Nassi ketan. Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza -glutinosa geheeten. Is met de in den tekst aangeduide toespijs eene -zeer gewilde lekkernij. - -[195] Goela aren beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga -saccharifera. - -[196] Ramboetan is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht. - -[197] Doerian is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht -maar met sterken geur. - -[198] Tandoe is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een licht -bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het -evenwel slechts een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee -dragers benoodigd; bij zwaardere evenwel meer. - -[199] De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open -lettergrepen, die niet door andere met een gewijzigden klank of met een -sluitmedeklinker gevolgd worden. Bewesten de lijn die bij de Javazee -dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en niet ver van Bagelen’s -hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die å klank -in de heldervolle a over. - -[200] Ma is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover -niet oude getrouwde vrouwen bezigen. - -[201] Japara-meubelen: In de residentie Japara houden zich vele Javanen -onledig met het vervaardigen van meubelen, die wat smaak en soliditeit -betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op dat gebied met beleid tot -degelijke werklieden gevormd kunnen worden. - -[202] Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld. - -[203] Sirihspuw. Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en -stukjes pinangnoot en gambier bestaat, welke ingrediënten in een -sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt het -speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de -gambier of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de -Chavica bettle. - -[204] Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te -kunnen rekenen. Een mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig -mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. De vergissing is dus niet groot. - -[205] Zie omtrent dien geleerde de aanteekening No. 1 op bladz. 211 van -het eerste deel. - -[206] Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen -die som aan opium is verkocht moeten worden. Dat zal wellicht -overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening -volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die -aan de officiëele bescheiden kan getoetst worden. - -Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men -aangeteekend, dat de opiumpachter van het perceel -Semarang aan pachtschat betaald heeft ƒ 1,260,000 -dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600 -katies ruwe opium uit ’s rijks magazijnen ad. ƒ 30 het -katie 708,000 -Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die -hoeveelheid ruwe opium te maken tjandoe en -madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van 12,000 -In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. No. -229 van 1814, 52 opiumkitten, ((Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883 -Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende -jaren op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den -pachter nog ongunstiger.)) die gemiddeld eene uitgave -vereischen van ƒ 1000 ’s maands 624,000 - ========= -totaal uitgaven 2,604,000 - -Transport uitgaven 2,604,000 -Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de -Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. 228, levert het zuiveren -van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de -rijksmagazijnen ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts -11800 katies tjandoe verkregen werden. -Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de -pachter zijn tjandoe verkocht heeft tegen ƒ 0,14 per mata -of tegen ƒ 224 per katie 2,643,200 - ========= -zoodat er eene netto winst gemaakt is van ƒ 39,200 - -Maar een opiumpachter in N.-I. is in weinige jaren millionair. De -bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig om zijn huishouden te -voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s jaars te -doen is. - -De quaestie verandert evenwel, wanneer de -sluikhandel in het spel komt. Een der meest -bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen -D. Castens, nam aan, dat de pachters bij de 1600 -kisten opium, die hen van gouvernementswege -verstrekt worden, nog 800 kisten sluikten. Dat -is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het -onderhavige geval, dan debiteerde de bedoelde -opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900 -katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en -verkreeg dus een ontvangst van 1,121,600 -tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal ƒ 13,87, -die hem de gesmokkelde opium maar kost 163,777; -waarbij te voegen om te zuiveren en te -prepareeren 6,000; 169,777 - ========= -zoodat er overblijft eene winst van ƒ 951,823 - -En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift, -toelaat eene aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van -een driejarigen pachttermijn als Chinees-millionair in de wereld rond -te kijken. - -Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van -ƒ 1000 voor iedere opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs -de kleinste, behoeft minstens twee Chineesche beambten: een weger en -een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig gespuis, enz. Voegt -daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen, -dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten -worden tot omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het -geven van tandakpartijen, tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen -langs het strand en de wegen, enz. enz. enz., dan is de raming van -ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde. - -[207] De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v. -Lansberghe in 1881 den vrede op het papier decreteerden, de blokkade -opgeheven en de havens onzer vredelievende vijanden voor den handel -zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen. - -[208] Een taël is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël -heeft 100 mata’s. - -[209] Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium te -Atjeh te weren? Bij art. 1 van het reglement voor de pacht van het -recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh, vastgesteld bij -Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald: - -„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een -vaartuig aan boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, -om te waken tegen ongeoorloofde lossing van opium.” - -Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen -door dien maatregel buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel -zeer zeker de opiumpachter gebaat; maar ’s lands kas?... Ik geloof -niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene -overstrooming van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de -verstrekking van wettige opium tot een minimum zou kunnen brengen. In -verband hiermede leze men nog eens de aanteekening No. 1 op bladz. 47 -van het eerste deel. - -[210] Mata beteekent eigenlijk oog. - -[211] De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed -Europeaan, die zich aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was -iemand van aanzienlijke afkomst, die evenwel misbruik van sterken drank -gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij impotent geworden en -had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. Na -volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen -bestaan reeds verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over -hand toe. - -[212] Tahi madat. Zie daaromtrent de aanteekening No. 1 op bladz. 78 -van het eerste deel. - -[213] O, het is nog heerlijker dan.... Het restant van den volzin is te -vinden op den 20sten regel van bladz. 246 van deel XXXV van het -Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië. De openhartigheid, -die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, mag ik -mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om -mede te deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von -Miclucho Maclay gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke -waarnemingen, die ik gelegenheid had te doen, alsook met die, welke mij -door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld werden. Ik heb het -manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij liggen, -die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is. - -Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke -hoeveelheden opium, als bij die proef verbruikt werden, in eens -geschoven worden; hoewel te constateeren valt, dat er zijn, die veel -meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers met een -grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel -spoedig brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene -Javaansche hoofden hebben mij bekend, dat er schuivers waren, die voor -vijf gulden in eene keer gebruikten. De gemiddelde prijs der mata is 14 -cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho Maclay had bij zijn -proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt. - -[214] Zelfs dames waren verschenen. Dit is ten opzichte der Ind. dames -een licentia poetica, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden -in Indië rechtsgedingen door schoonen bijgewoond. Zij laten dat -volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten der -beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of -te ’s Hage bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de -laatstbedoelden zien met diepe kleinachting op hare Indo-Europeesche -geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe! - -[215] Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van -de landraden door rechterlijke ambtenaren vervangen zijn. Zie -daaromtrent de aanteekening No 1. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat -er menschen zijn, die de vroegere toestanden betreuren, laat zich -begrijpen. - -[216] Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal -pleiten. Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden. -Ziehier, wat Mr. Winckel in zijn Essai sur les principes rêgissant -l’administration de la justice aux Indes Orientales hollandaises op -bladz. 309 dienaangaande zegt: La procédure devant le C. d. P. (conseil -du pays) est assez semblable à celle en tout pays civilisé, sauf que le -M. P. (ministère public) assiste aux délibérations en chambre du -conseil, l’absence normale d’un défenseur et la manière de prèter -serment. - -[217] Bij de aanstelling der Chineesche officieren. Hier mag niet aan -militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in N.-I. hebben -een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne -hoofden door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij -verkrijgen zij evenwel militaire titels—niets meer—als van majoor, -kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair verleend kunnen -worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een -majoor-, vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-, -drie kapiteins- en tien luitenants-titulair. - -[218] Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen -gevergd. Zie daaromtrent Winckels Essai, hierboven in de aanteekening -No. 2 aangehaald op bladz. 149. - -[219] Pen-ta-King letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots. - -[220] Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste -beginsel. Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de -Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen door Dr. J. J. -M. de Groot. - -[221] Hijeng-Keng letterlijk: het aanbieden der offerande. - -[222] Tao-peh-kong letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de -meeste Chineesche tempels en huizen op Java aangetroffen wordt. -Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het graan door de -kolonisten uit hun vaderland medegebracht. - -[223] Kree’s. Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter -afwering van het schelle daglicht. - -[224] Het was een eigenaardige aanblik. De heeren Woodbury en Page, -photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n -landraadzitting voorstellende, in den handel gebracht. Waren de -onkosten niet te hoog, dan zou ik mijn werk met een copie daarvan -hebben verrijkt. - -[225] Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java. Java, zonder -de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83 -dergelijke landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren -voorgezeten werden, dus 30 door niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand -is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak voor 1889 op -Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden. - -[226] ’Mbok Dalima. Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de -geboorte van hun oudste kind diens naam aannemen met voorvoeging van -pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak Ardjan: vader van -Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, in -die gewoonte? - -[227] De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch. Ongeloofelijk -nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie -waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in -zijne hiervoren reeds aangehaalde Essai sur les principes schrijft: „A -l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le -ministère public sert d’interprête. Interrogé en Javanais par le -djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, comme ils ont -répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà -le débat oral devenu inutile.” - -[228] Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen. Zie daaromtrent -de aanteekening No. 1 op bladz. 192 van het eerste deel. - -[229] Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen. Dat zoo iets meer -gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste -jonge advocaten kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne -van hunne loopbaan met die sierlijkheid en die overtuiging te kunnen -spreken, welke toch waarborgen van succes geven. - -[230] De Goenoeng Poleng verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de -oppervlakte der zee. - -[231] Een „prororoca” is de Spaansche benaming voor een -natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding van snel -stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de -zoetwaterstroom den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt, -totdat deze laatste in den strijd eindelijk de overhand verkrijgt en -dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder tijd, den -waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den -ebstand doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig -zijn. De meest merkwaardige „prororoca” wordt in de monding van de -Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt het verschijnsel bij -springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de Rokan, -de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de -Zuidkust van Java. - -[232] Nipah-bladeren zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens -professor W. R. A. Suringar een zonderlinge dwergpalm met zeer korten -stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet lange vederbladeren. - -[233] Poeloepoe. Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte -doorgespleten en platgeslagen. Zij vormt dan eene soort lenige plank. - -[234] Loentas is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza -indica geheeten. Het leent zich bizonder tot het daarstellen van fraaie -heggen en heeft zeer welriekende bladeren. - -[235] Nonna beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds -aan meisjes gegeven van blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is -dat nonna evenwel in de beteekenis opgenomen van meisje van gemengd -ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter van ouders, -waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras -behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen. - -[236] Boreh is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma -officinalis, hetwelk veelvuldig door Javaansche vrouwen gebruikt wordt, -om zich de huid bij feestelijke gelegenheden te verven. Hier werd het -door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint te -verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder -van de Koenir poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie -bruine kleur oplevert. - -[237] Kain Poleng is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens -geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een -tegenhanger van de „kain batik”, waarbij de figuren later op het witte -goed gebracht werden. - -[238] Njoganni (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan; -Mengkoedoe (bruine verf) wordt voornamelijk getrokken uit de bast van -de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) Curcuma longa. - -[239] Aboe kesambi. Aboe beteekent asch. Kesambi is een boom, die door -de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch wordt -door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der -tinten zacht, minder scherp te maken. - -[240] Nonna hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras. - -[241] De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen. -Zie deswege bladz. 586 van de jaarlijksche feesten en gebruiken van de -Emoy-Chineezen, door Dr. J. J. M. de Groot. - -[242] Má Tsów Pô kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. Dat is -een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie -in de laatste helft der Xde eeuw tot godin verheven werd, onder den -titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. Dr. de Groot -vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg. -van het hier in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald -werk. Má Tsów Pô is de beschermster van jonge huwelijken en staat als -godin der vruchtbaarheid in groot aanzien. - -[243] Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken. Daarom worden zij -ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt -vereischte. - -[244] Mertjons zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht -ineengerold papier, die met kruit zijn geladen. In ieder kokertje zit -een lontje, dat met een lange algemeene lont is saamgevlochten. Een ris -mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. Zoo -een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der -feestvierenden opgehangen en het benedeneinde van de lont aangestoken. -Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens de lontjes der -kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid -veroorzaakt, alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde -soldaten vernomen wordt. Van afstand tot afstand worden soms grootere -en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan ook een veel zwaarderen -slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen het -geknetter van het geweervuur laat vernemen. - -[245] Rozenrood. Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur -genuanceerd. De persikbloesem is het emblema van geluk bij de Chineezen -in den echtelijken staat. - -[246] En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede! Het zij -ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der -Indische dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede -te deelen: „Cijfers en feiten. Een paar weken geleden zonden „de Heer -en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en Mevrouw” Liem Liong Kien -communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den broeder der -eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der -laatstgenoemden, de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de -mededeeling, dat de receptie zou plaats hebben ten huize van den WelEd. -Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir. - -„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang -Nio—ach! thans geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor -Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft volgens de Chineesche kerk ƒ 14000 -opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom brengt twee millioen, -volgens anderen vier millioen mee ten huwelijk. - -„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie -jaren tijd, zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt -natuurlijk niet hoe. Men vraagt ook niet in welk een poel van corruptie -en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij trachtten -daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig -bewijsmiddel, waarschijnlijk slecht vergaan.” - -[247] Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een -haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden. De perzikboom is bij de -Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. De -perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een -schrikbeeld voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der -zon en als zoodanig ook een afweerder van spoken en kwade invloeden. -Het aanbieden van een krans van perzikbloesem op Java moge -onwaarschijnlijk voorkomen, maar men verlieze niet uit het oog, dat de -perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche gebergte -veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te -koop aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen -van den Merbaboe en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de -vruchten op den passar van Salatiga te koop aangeboden gezien. - -[248] Kiemlo en bahmieh. Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep, -van varkensspek gekookt. Bahmieh is ook een vet kostje, maar waarbij -het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes gesneden, te -midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een -hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en -bahmieh worden zelfs door Europeesche dames niet versmaad. - -[249] Lim Ho links van Ngow Ming Nio. De linksche kant is bij de -Chineezen de eereplaats. - -[250] Het huwelijk bewijnen. Zie omtrent die plechtigheid de reeds -vroeger aangehaalde Jaarlijksche feesten en gebruiken enz. van Dr. J. -J. M. de Groot op bladz. 68. - -[251] De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel -en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur voor. Volgens -de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of -het Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en -Jin of het mannelijk en het vrouwelijk principe geboren, die de beide -regelaars der natuur genoemd worden. De Hemel, de vader van het Heelal -vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die door hem met warmte en -regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd met -Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in -één woord, alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die -twee principes teruggebracht. (Zie de Groot’s Feesten en gebruiken op -bladz. 45.) - -[252] Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd. -Volgens Dr. J. J. M. de Groot dagteekent de ode, waarin de in den tekst -bedoelde woorden voorkomen, van uit de XIde eeuw vóór Christus. - -[253] Offerstokjes. Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van -wierook en asch van sandelhout vervaardigd. Die welriekende staafjes -worden op dunne stokjes bevestigd. - -[254] À l’ail. De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook. - -[255] Oreilles de rats. In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren) -geheeten. Dat is een soort champignon, die den vorm van de ooren van -die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, als zouden de -Chineezen rattenooren verorberen. - -[256] Tripang is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat -gedroogd en gerookt den Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De -soort, die daartoe gewild is, wordt door de geleerden Holothuria edulis -genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche eilanden gevangen -en veelvuldig in den handel gebracht. - -[257] Bier ajam beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van -de firma Rendorp, dat te recht eene gunstige vermaardheid in Indië -verworven heeft. - -[258] Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden. Zie des wege -bladz. 298–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking No. 2 aan -de voet van de eerst aangehaalde bladz. - -[259] Dat document luidde. De twee volgende volzinnen in den tekst zijn -letterlijk overgenomen uit het Koloniaal verslag van 1884, bladz. 145. -De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied de officiëele -litteratuur niet zielverheffend is. - -[260] Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen. De volzin, -waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te -vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158. - -[261] Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting -opgedragen was. De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats -van het betrokken pachtperceel plaats. Art. 4 van de Voorwaarden, -waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en -Madura zal worden verpacht (Ordonn. dd. 7 Aug. 1883, Stbl. No. 197), -luidt: - -„De verpachting wordt gehouden: - -„a) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident -van Batavia, ter hoofdplaats Batavia; - -„b) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen en -Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn -gewest betreft, ter hoofdplaats Semarang; - -„c) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van -Gewestelijk Bestuur.” - -[262] Acht duiten zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java -zijn nog vele duiten in omloop en in vele gevallen door de bevolking -meer gewild dan de centen. - -[263] Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd -was een oordeel te vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was. Die -nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer -bladzijden voor zich liggen. - -[264] Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus -beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw -Agatha van Bemmelen. - -[265] Hemidiptera, diptera, hymenoptera, lepitoptera, coleoptera, -crustaceeën. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve -schilden; diptera dubbelvleugelige insecten; hymenoptera -vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten als -de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de -torren; crustaceeën zijn schaaldieren als de krabben. - -[266] De Goenoeng Djampong is in de residentie Banjoemas gelegen en -bereikt eene hoogte van 2580 voet. - -[267] De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen, ook in de residentie -Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog. - -[268] Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen. De Goewah -Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den -grond uit. - -[269] En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche -Gouvernement. De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols -vogelnestjes op. De geheele inkomsten van dat middel is voor 1886 -geraamd op ƒ 174.000. - -[270] Tali doek. Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie -de aanteekening op bladz. 9 van het eerste deel. De rottansoort, -waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel tot het samenstellen -der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken wordt, -dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft -halmen van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer -twee duim middellijn hebben. - -[271] In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt. In het Karang -Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt, -dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak. - -[272] Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze -streken. Zie de Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong -door C. J. P. Carlier, assistent-resident te Ambal in het Tijdschrift -voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, uitgegeven door het -Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang 1853, -bladz. 304. - -[273] Njahi Ratoe Segårå Kidoel. Njahi is de titel van eene voorname -vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå is zee, en Kidoel het -Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het Zuiden. -Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden -genoemd. Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw, -met de voeten staande op een overwonnen stier, met zeven armen, in de -handen waarvan zij verschillende voorwerpen houdt, waaronder een -zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. Het is in -een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, -welke hier nog door de Javanen als Ratoe Lårå Kidoel vereerd wordt. Zie -ook de aanteekening No. 1 op bladz. 103 hiervoren. - -[274] Kedawang schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche -te zijn voor een gewicht, dat de zwaarte van een vierde duit heeft. -Eene niet al te afgesleten duit weegt drie milligram, zoodat een -kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding, -om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op -te zweepen. - -[275] In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk. Zie -bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de noot op bladz. -238. - -[276] Eiland Noesa Kambangan is een pleonasme, daar het woord Noesa -eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel geijkt; nog nooit hoorde ik -spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig eiland -met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine -inhammen aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt -tusschen 7°41′50″ en 7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″ -Oosterlengte van Greenwich. - -[277] Een ewah is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een -strook linnen, soms ook wel van geklopte boombast vervaardigd, die het -middel omgeeft en om der eerbaarheidswille tusschen de beenen -doorgeslagen wordt. - -[278] Driekleedsvlag. Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts -uit de breedte van het gebezigde vlaggedoek bestaan, wordt zoo’n vlag -een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus -drie breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig -langer. Zoo’n groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden -gebruikt. - -[279] Kjahi is een titel, Wångså een naam. - -[280] Tangkap koepoe koepoe. Poeah! In den regel is de Inlander bang -voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, op Java geboren, die de -fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. Velen -beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan; -anderen zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt -wordt. - -[281] Wong spor. Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta -naar Tjifatjap was in aanleg. - -[282] Oelor welang. Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java -aangetroffen worden. Haar beet veroorzaakt binnen weinige uren den -dood. - -[283] Adipattih is schier een vorstelijke titel. - -[284] Gewone logeerkamers. Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning -op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, die onder meer ook de -logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting wel -aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden, -wordt dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden. - -[285] Iedere vrouw het gelaat moest afwenden. In zeer vele streken der -binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet daar een -Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in -haren slendang, een blanke, een van het overheersende ras, dan keert -zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een -boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten -bekennen, dat dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer. - -[286] Teboe-njamploong en Teboe-itam zijn variëteiten van de Saccharum -officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een lichtgele bast, de -teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch -riet genoemd en munt uit door suikergehalte. - -[287] Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van -wellustige, zelfs van pornografische strekking versierd waren. -Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van -Tandjong Prioek gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een -klappertuin verscholen. Het heette een badhuis; maar waar de eigenaren -de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald hadden, weet de -hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten! - -[288] Hoekoem madoe is eene verschrikkelijke doodstraf, die in enkele -gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast -wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel -ontkleed en aan een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf -met „madoe” (honing) besmeert. Het duurt alsdan niet lang, of die -lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst belust op -het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid -en het vleesch van den patiënt aan, zoodat binnen een zestal uren de -beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen heeten. De lezer zal wel -gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, alvorens -de dood hem uit zijn lijden verlost. - -[289] Hoekoem Kamadoog. Zie daaromtrent de aanteekening bladz. 33 van -het eerste deel. - -[290] Goewah Temon. Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den -Watoe Boetak, een uitlooper van den Goenoeng Poleng. - -[291] De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op -7°46′30″ Z. Breedte en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien -heuvel—525 voet hoog—verheft zich een vuurtoren ter hoogte van 80 voet -met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar is. - -[292] De lange ladder. De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet -lang, die van de Tenom-grot, waarop hier gedoeld wordt, verschilt -daarmede zeer weinig. - -[293] Puella formosa beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel -gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van -Gulpendam. - -[294] De Slamat is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de -grenzen der residentiën Tegal en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene -hoogte van 10.385 voet. - -[295] De gambang. Zie hieromtrent de noot op bladz. 98 van het eerste -deel. - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/65832-0.zip b/old/65832-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 576571f..0000000 --- a/old/65832-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/65832-h.zip b/old/65832-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index b4c44c3..0000000 --- a/old/65832-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/65832-h/65832-h.htm b/old/65832-h/65832-h.htm deleted file mode 100644 index 9c57704..0000000 --- a/old/65832-h/65832-h.htm +++ /dev/null @@ -1,27435 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html -PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> -<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2021-07-13T19:27:53Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> -<html lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=utf-8"> -<title>Baboe Dalima</title> -<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> -<meta name="author" content="Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901)"> -<link rel="coverpage" href="images/new-cover.jpg"> -<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> -<meta name="DC.Creator" content="Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901)"> -<meta name="DC.Title" content="Baboe Dalima"> -<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> -<meta name="DC.Format" content="text/html"> -<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> -<meta name="DC:Subject" content="Opium abuse -- Fiction"> -<meta name="DC:Subject" content="Java (Indonesia) -- History -- 19th century -- Fiction"> -<meta name="DC:Subject" content="Opium trade -- Indonesia -- Fiction"> -<style type="text/css"> /* <![CDATA[ */ -html { -line-height: 1.3; -} -body { -margin: 0; -} -main { -display: block; -} -h1 { -font-size: 2em; -margin: 0.67em 0; -} -hr { -height: 0; -overflow: visible; -} -pre { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -a { -background-color: transparent; -} -abbr[title] { -border-bottom: none; -text-decoration: underline; -text-decoration: underline dotted; -} -b, strong { -font-weight: bolder; -} -code, kbd, samp { -font-family: monospace, monospace; -font-size: 1em; -} -small { -font-size: 80%; -} -sub, sup { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -} -sub { -bottom: -0.25em; -} -sup { -top: -0.5em; -} -img { -border-style: none; -} -body { -font-family: serif; -font-size: 100%; -text-align: left; -margin-top: 2.4em; -} -div.front, div.body { -margin-bottom: 7.2em; -} -div.back { -margin-bottom: 2.4em; -} -.div0 { -margin-top: 7.2em; -margin-bottom: 7.2em; -} -.div1 { -margin-top: 5.6em; -margin-bottom: 5.6em; -} -.div2 { -margin-top: 4.8em; -margin-bottom: 4.8em; -} -.div3 { -margin-top: 3.6em; -margin-bottom: 3.6em; -} -.div4 { -margin-top: 2.4em; -margin-bottom: 2.4em; -} -.div5, .div6, .div7 { -margin-top: 1.44em; -margin-bottom: 1.44em; -} -.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, -.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { -margin-bottom: 0; -} -blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, -.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { -margin-top: 0; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { -clear: both; -font-style: normal; -text-transform: none; -} -h3, .h3 { -font-size: 1.2em; -} -h3.label { -font-size: 1em; -margin-bottom: 0; -} -h4, .h4 { -font-size: 1em; -} -.alignleft { -text-align: left; -} -.alignright { -text-align: right; -} -.alignblock { -text-align: justify; -} -p.tb, hr.tb, .par.tb { -margin: 1.6em auto; -text-align: center; -} -p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { -font-size: 0.9em; -text-indent: 0; -} -p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { -margin: 1.58em 10%; -} -td.tocDivNum { -vertical-align: top; -} -td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -.opener, .address { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -} -.addrline { -margin-top: 0; -margin-bottom: 0; -} -.dateline { -margin-top: 1.6em; -margin-bottom: 1.6em; -text-align: right; -} -.salute { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.signed { -margin-top: 1.6em; -margin-left: 3.58em; -text-indent: -2em; -} -.epigraph { -font-size: 0.9em; -width: 60%; -margin-left: auto; -} -.epigraph span.bibl { -display: block; -text-align: right; -} -.trailer { -clear: both; -margin-top: 3.6em; -} -span.abbr, abbr { -white-space: nowrap; -} -span.parnum { -font-weight: bold; -} -span.corr, span.gap { -border-bottom: 1px dotted red; -} -span.num, span.trans, span.trans { -border-bottom: 1px dotted gray; -} -span.measure { -border-bottom: 1px dotted green; -} -.ex { -letter-spacing: 0.2em; -} -.sc { -font-variant: small-caps; -} -.asc { -font-variant: small-caps; -text-transform: lowercase; -} -.uc { -text-transform: uppercase; -} -.tt { -font-family: monospace; -} -.underline { -text-decoration: underline; -} -.overline, .overtilde { -text-decoration: overline; -} -.rm { -font-style: normal; -} -.red { -color: red; -} -hr { -clear: both; -border: none; -border-bottom: 1px solid black; -width: 45%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -margin-top: 1em; -text-align: center; -} -hr.dotted { -border-bottom: 2px dotted black; -} -hr.dashed { -border-bottom: 2px dashed black; -} -.aligncenter { -text-align: center; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -font-size: 1.44em; -line-height: 1.5; -} -h1.label, h2.label { -font-size: 1.2em; -margin-bottom: 0; -} -h5, h6 { -font-size: 1em; -font-style: italic; -} -p, .par { -text-indent: 0; -} -p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { -text-transform: uppercase; -} -.hangq { -text-indent: -0.32em; -} -.hangqq { -text-indent: -0.42em; -} -.hangqqq { -text-indent: -0.84em; -} -p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { -float: left; -clear: left; -margin: 0 0.05em 0 0; -padding: 0; -line-height: 0.8; -font-size: 420%; -vertical-align: super; -} -blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { -font-size: 0.9em; -margin: 1.58em 5%; -} -.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { -text-decoration: none; -} -.advertisement, .advertisements { -background-color: #FFFEE0; -border: black 1px dotted; -color: #000; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.footnotes .body, .footnotes .div1 { -padding: 0; -} -.fnarrow { -color: #AAAAAA; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -} -.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { -color: #660000; -} -.fnreturn { -color: #AAAAAA; -font-size: 80%; -font-weight: bold; -text-decoration: none; -vertical-align: 0.25em; -} -a { -text-decoration: none; -} -a:hover { -text-decoration: underline; -background-color: #e9f5ff; -} -a.noteRef, a.pseudoNoteRef { -font-size: 67%; -line-height: 0; -position: relative; -vertical-align: baseline; -top: -0.5em; -text-decoration: none; -margin-left: 0.1em; -} -.displayfootnote { -display: none; -} -div.footnotes { -font-size: 80%; -margin-top: 1em; -padding: 0; -} -hr.fnsep { -margin-left: 0; -margin-right: 0; -text-align: left; -width: 25%; -} -p.footnote, .par.footnote { -margin-bottom: 0.5em; -margin-top: 0.5em; -} -p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { -float: left; -min-width: 1.0em; -margin-left: -0.1em; -padding-top: 0.9em; -padding-right: 0.4em; -} -.apparatusnote { -text-decoration: none; -} -table.tocList { -width: 100%; -margin-left: auto; -margin-right: auto; -border-width: 0; -border-collapse: collapse; -} -td.tocPageNum, td.tocDivNum { -text-align: right; -min-width: 10%; -border-width: 0; -white-space: nowrap; -} -td.tocDivNum { -padding-left: 0; -padding-right: 0.5em; -} -td.tocPageNum { -padding-left: 0.5em; -padding-right: 0; -} -td.tocDivTitle { -width: auto; -} -p.tocPart, .par.tocPart { -margin: 1.58em 0; -font-variant: small-caps; -} -p.tocChapter, .par.tocChapter { -margin: 1.58em 0; -} -p.tocSection, .par.tocSection { -margin: 0.7em 5%; -} -table.tocList td { -vertical-align: top; -} -table.tocList td.tocPageNum { -vertical-align: bottom; -} -table.inner { -display: inline-table; -border-collapse: collapse; -width: 100%; -} -td.itemNum { -text-align: right; -min-width: 5%; -padding-right: 0.8em; -} -td.innerContainer { -padding: 0; -margin: 0; -} -.index { -font-size: 80%; -} -.index p { -text-indent: -1em; -margin-left: 1em; -} -.indexToc { -text-align: center; -} -.transcriberNote { -background-color: #DDE; -border: black 1px dotted; -color: #000; -font-family: sans-serif; -font-size: 80%; -margin: 2em 5%; -padding: 1em; -} -.missingTarget { -text-decoration: line-through; -color: red; -} -.correctionTable { -width: 75%; -} -.width20 { -width: 20%; -} -.width40 { -width: 40%; -} -p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { -color: #666666; -font-size: 80%; -} -span.musictime { -vertical-align: middle; -display: inline-block; -text-align: center; -} -span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { -padding: 1px 0.5px; -font-size: xx-small; -font-weight: bold; -line-height: 0.7em; -} -span.musictime span.bottom { -display: block; -} -ul { -list-style-type: none; -} -.splitListTable { -margin-left: 0; -} -.numberedItem { -text-indent: -3em; -margin-left: 3em; -} -.numberedItem .itemNumber { -float: left; -position: relative; -left: -3.5em; -width: 3em; -display: inline-block; -text-align: right; -} -.itemGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.itemGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.itemGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -.titlePage { -border: #DDDDDD 2px solid; -margin: 3em 0 7em 0; -padding: 5em 10% 6em 10%; -text-align: center; -} -.titlePage .docTitle { -line-height: 1.7; -margin: 2em 0 2em 0; -font-weight: bold; -} -.titlePage .docTitle .mainTitle { -font-size: 1.8em; -} -.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, -.titlePage .docTitle .volumeTitle { -font-size: 1.44em; -} -.titlePage .byline { -margin: 2em 0 2em 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .byline .docAuthor { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -.titlePage .figure { -margin: 2em auto; -} -.titlePage .docImprint { -margin: 4em 0 0 0; -font-size: 1.2em; -line-height: 1.5; -} -.titlePage .docImprint .docDate { -font-size: 1.2em; -font-weight: bold; -} -div.figure { -text-align: center; -} -.figure { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.floatLeft { -float: left; -margin: 10px 10px 10px 0; -} -.floatRight { -float: right; -margin: 10px 0 10px 10px; -} -p.figureHead, .par.figureHead { -font-size: 100%; -text-align: center; -} -.figAnnotation { -font-size: 80%; -position: relative; -margin: 0 auto; -} -.figTopLeft, .figBottomLeft { -float: left; -} -.figTopRight, .figBottomRight { -float: right; -} -.figure p, .figure .par { -font-size: 80%; -margin-top: 0; -text-align: center; -} -img { -border-width: 0; -} -td.galleryFigure { -text-align: center; -vertical-align: middle; -} -td.galleryCaption { -text-align: center; -vertical-align: top; -} -tr, td, th { -vertical-align: top; -} -tr.bottom, td.bottom, th.bottom { -vertical-align: bottom; -} -td.label, tr.label td { -font-weight: bold; -} -td.unit, tr.unit td { -font-style: italic; -} -td.leftbrace, td.rightbrace { -vertical-align: middle; -} -span.sum { -padding-top: 2px; -border-top: solid black 1px; -} -table.inlinetable { -display: inline-table; -} -table.borderOutside { -border-collapse: collapse; -} -table.borderOutside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -} -table.borderOutside .cellHeadTop, table.borderOutside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderOutside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellLeft, table.borderOutside .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderOutside .cellRight, table.borderOutside .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside { -border-collapse: collapse; -} -table.verticalBorderInside td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border-left: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadTop, table.verticalBorderInside .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.verticalBorderInside .cellLeft, table.verticalBorderInside .cellHeadLeft { -border-left: 0 solid black; -} -table.borderAll { -border-collapse: collapse; -} -table.borderAll td { -padding-left: 4px; -padding-right: 4px; -border: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadTop, table.borderAll .cellTop { -border-top: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellHeadBottom { -border-bottom: 1px solid black; -} -table.borderAll .cellBottom { -border-bottom: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellLeft, table.borderAll .cellHeadLeft { -border-left: 2px solid black; -} -table.borderAll .cellRight, table.borderAll .cellHeadRight { -border-right: 2px solid black; -} -tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { -border-top: 1px solid black !important; -} -tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { -border-right: 1px solid black !important; -} -tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { -border-top: 1px solid black !important; -border-bottom: 1px solid black !important; -} -tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { -border-right: 1px solid black !important; -border-left: 1px solid black !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { -border: 1px solid black !important; -} -tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { -border-top: none !important; -} -tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { -border-right: none !important; -} -tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { -border-left: none !important; -} -tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { -border-top: none !important; -border-bottom: none !important; -} -tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { -border-right: none !important; -border-left: none !important; -} -tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { -border: none !important; -} -.cellDoubleUp { -border: 0 solid black !important; -width: 1em; -} -td.alignDecimalIntegerPart { -text-align: right; -border-right: none !important; -padding-right: 0 !important; -margin-right: 0 !important; -} -td.alignDecimalFractionPart { -text-align: left; -border-left: none !important; -padding-left: 0 !important; -margin-left: 0 !important; -} -td.alignDecimalNotNumber { -text-align: center; -} -.lgouter { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -display: table; -} -.lg { -text-align: left; -padding: .5em 0 .5em 0; -} -.lg h4, .lgouter h4 { -font-weight: normal; -} -.lg .lineNum, .sp .lineNum, .lgouter .lineNum { -color: #777; -font-size: 90%; -left: 16%; -margin: 0; -position: absolute; -text-align: center; -text-indent: 0; -top: auto; -width: 1.75em; -} -p.line, .par.line { -margin: 0 0 0 0; -} -span.hemistich { -visibility: hidden; -} -.verseNum { -font-weight: bold; -} -.speaker { -font-weight: bold; -margin-bottom: 0.4em; -} -.sp .line { -margin: 0 10%; -text-align: left; -} -.castlist, .castitem { -list-style-type: none; -} -.castGroupTable { -border-collapse: collapse; -margin-left: 0; -} -.castGroupTable td { -padding: 0; -margin: 0; -vertical-align: middle; -} -.castGroupBrace { -padding: 0 0.5em !important; -} -body { -padding: 1.58em 16%; -} -.pageNum { -display: inline; -font-size: 70%; -font-style: normal; -margin: 0; -padding: 0; -position: absolute; -right: 1%; -text-align: right; -} -.marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -left: 1%; -position: absolute; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -} -.right-marginnote { -font-size: 0.8em; -height: 0; -right: 3%; -position: absolute; -text-indent: 0; -text-align: right; -width: 11% -} -.cut-in-left-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: left; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: left; -padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; -} -.cut-in-right-note { -font-size: 0.8em; -left: 1%; -float: right; -text-indent: 0; -width: 14%; -text-align: right; -padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; -} -span.tocPageNum, span.flushright { -position: absolute; -right: 16%; -top: auto; -text-indent: 0; -} -.pglink::after { -content: "\0000A0\01F4D8"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.catlink::after { -content: "\0000A0\01F4C7"; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { -content: "\0000A0\002197\00FE0F"; -color: blue; -font-size: 80%; -font-style: normal; -font-weight: normal; -} -.pglink:hover { -background-color: #DCFFDC; -} -.catlink:hover { -background-color: #FFFFDC; -} -.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover { -background-color: #FFDCDC; -} -body { -background: #FFFFFF; -font-family: serif; -} -body, a.hidden { -color: black; -} -h1, h2, .h1, .h2 { -text-align: center; -font-variant: small-caps; -font-weight: normal; -} -p.byline { -text-align: center; -font-style: italic; -margin-bottom: 2em; -} -.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { -text-align: left; -} -.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { -color: #660000; -} -.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { -color: #AAAAAA; -} -a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { -color: red; -} -h1, h2, h3, h4, h5, h6 { -font-weight: normal; -} -table { -margin-left: auto; -margin-right: auto; -} -.tablecaption { -text-align: center; -} -.arab { font-family: Scheherazade, serif; } -.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } -.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } -.hebr { font-family: Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } -.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } -/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ -.xd30e10192 { -text-align:right; -} -.cover-imagewidth { -width:480px; -} -.french { -text-align:center; -} -.xd30e102 { -font-size:large; -} -.xd30e104 { -font-size:x-large; -} -.logowidth { -width:198px; -} -.titlepage-imagewidth { -width:427px; -} -.xd30e3813 { -text-indent:4em; -} -.xd30e3819 { -text-indent:6em; -} -.xd30e3821 { -text-indent:2em; -} -@media handheld { -} -/* ]]> */ </style> -</head> -<body> - -<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Baboe Dalima, by Michaël Théophile Hubert Perelaer</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Baboe Dalima</p> - -<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Michaël Théophile Hubert Perelaer</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: July 13, 2021 [eBook #65832]</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> - -<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)</div> - -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***</div> -<div class="front"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/new-cover.jpg" alt="Nieuw ontworpen voorkant." width="480" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 frenchtitle french"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first xd30e102">VERZAMELDE -</p> -<p class="xd30e104">Romantische Werken -</p> -<p>VAN -</p> -<p class="xd30e102">M. T. H. PERELAER -</p> -<p><i><abbr title="Gepensioneerd">Gep.</abbr> Hoofdofficier van het <abbr title="Nederlandsch-Indisch">Nederl.-Ind.</abbr> Leger</i> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure logowidth"><img src="images/logo.png" alt="Uitgerverslogo: Uitgeversmaatschappij Elsevier." width="198" height="222"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="div1 titlepage"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<p class="first"></p> -<div class="figure titlepage-imagewidth"><img src="images/titlepage.png" alt="Oorspronkelijke titelpagina." width="427" height="720"></div><p> -</p> -</div> -</div> -<div class="titlePage"> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">VERZAMELDE<br> -Romantische Werken</div> -</div> -<div class="byline">VAN -<br> -<span class="docAuthor">M. T. H. PERELAER</span> -<br> -<i><abbr title="Gepensioneerd">Gep.</abbr> Hoofdofficier van het <abbr title="Nederlandsch-Indisch">Nederl.-Ind.</abbr> Leger</i> -<br> -EERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER</div> -<div class="docTitle"> -<div class="seriesTitle">VIII–IX</div> -<div class="mainTitle">BABOE DALIMA</div> -</div> -<div class="docImprint">AMSTERDAM <br> -UITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”</div> -</div> -<p><span class="pageNum" id="pb.v">[<a href="#pb.v">V</a>]</span></p> -<div id="voorwoord" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e604">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><i>In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene -buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden -over</i> »<span class="sc">de opium in Ned. Indië</span>.”<a class="noteRef" id="xd30e172src" href="#xd30e172">1</a> <i>Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, -dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, -zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, -wat z. i. jammer was.</i> -</p> -<p><i>Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel -daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.</i> -</p> -<p><i>»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne -meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een -gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, -was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die -jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen, -waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches, -uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden -aan den arbeid iets boekerigs, iets</i> je ne sais quoi, <i>waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou -ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door -den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden -en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En … toch -ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen, -van duizenden bereikten … Ware het niet mogelijk …?”</i> -</p> -<p><i>Ja, ware het niet mogelijk …? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus -mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en … Ja, -ware het niet mogelijk?… Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl -de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; … en nog -stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld -zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij -aangeboden wordt.</i> -</p> -<p><i>Ben ik geslaagd in mijne poging?… Die poging was, om hetgeen op het gebied van het -opium-monopolie in <span class="corr" id="xd30e193" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> voorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed -te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de -moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen -in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier -gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant <span class="pageNum" id="pb.vi">[<a href="#pb.vi">VI</a>]</span>voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel -niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner -vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig -behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van -de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe -te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw -ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van</i>: <span class="sc">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog</span> à <span class="sc"><span lang="fr">outrance</span> aan den opiumpacht</span>! -</p> -<p><i>In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben, -op den omslag het dicton</i>: <span lang="fr">la mère en interdira la lecture à sa fille</span> <i>te plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren -in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur -is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens -meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen, -omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het -bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat -bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, -maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer -zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies -of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden -in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp -laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.</i> -</p> -<p><i>En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus -dat eerbiedigen zal.</i> -</p> -<p><i>Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief. -Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.… enz. Of evenwel -geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als -de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of -zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype -nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis -bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden -van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle -geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?</i> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p><i>En nu,.… mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring, -zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde</i>: -</p> -<p><span class="sc">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog</span> à <span class="sc"><span lang="fr">outrance</span> aan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders</span>! -</p> -<p class="dateline">Den Haag, Mei 1886. -</p> -<p class="signed">DE SCHRIJVER. -<span class="pageNum" id="pb.vii">[<a href="#pb.vii">VII</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e172"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e172src">1</a></span> Opgenomen in het <i>Jaarboekje der Indologische Vereeniging</i> voor het jaar 1886. <a class="fnarrow" href="#xd30e172src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="voorwoord2" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e610">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><i>Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn -boek deed: »Ben ik geslaagd?”.… En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!</i> -</p> -<p><i>Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering -noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde -er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd</i>; -</p> -<p>.…. <i>waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat -boek stond, onwaar was</i>; -</p> -<p>.…. <i>maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door -een</i> <span class="sc" lang="en">Reverend</span> <i>vertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in -het Fransch is men begonnen</i>; -</p> -<p>.…. <i>maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland -den tweeden druk</i>; -</p> -<p>.…. <i>maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening -durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf</i>; -</p> -<p>.…. <i>maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als -Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt, <span class="corr" id="xd30e274" title="Bron: Slruyck">Struyck</span>, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven, -voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie -behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt -ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!</i> -</p> -<p><i>Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?</i> -</p> -<p><i>Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan -die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen, -dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de -menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten -der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen -weinig toegang hebben.</i> -</p> -<p><i>Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen, -zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het -verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat -zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, -euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.</i> -</p> -<p><i>En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den -arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet</i>: -</p> -<p><span class="sc">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog</span> à <span class="sc"><span lang="fr">outrance</span> aan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat</span>! -</p> -<p class="dateline">Den Haag, November 1889. -</p> -<p class="signed">DE SCHRIJVER. -<span class="pageNum" id="pb.viii">[<a href="#pb.viii">VIII</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="voorwoord3" class="div1 preface"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e616">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">VOORWOORD</h2> -<h2 class="sub">VOOR DEN DERDEN DRUK.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first"><i>In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman</i> „<span class="ex">Baboe Dalima</span>” <i>schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan -die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch -Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen -nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?</i> -</p> -<p><i>Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste -gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie -gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: de</i> <span class="ex">Opiumvloek</span>, <i>waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd</i>. -</p> -<p><i>Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel -in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als de <abbr title="Heeren">H.H.</abbr></i> <span class="sc">Groeneveldt</span>, <span class="sc">Bosscher</span>, <span class="sc">Van Dedem</span>, <span class="sc"><span class="ex">Van</span> den Berg</span>, <span class="sc">Van Kesteren</span>, <span class="sc">Elout van Soeterwoude</span>, <span class="sc">de Waal</span>, <span class="sc">Brooshooft</span>, <span class="sc">Be-Ik-Sam</span>, <span class="sc">Jansz</span>, <span class="sc">Zegers</span>, <span class="sc">Groneman</span>, <span class="sc">Hora Siccama</span>, <span class="sc">Sandick</span>, <span class="sc">Kielstra</span>, <span class="sc">Sprenger van Eyck</span>, <span class="sc">Bool</span>, <i>enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten. -En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende <span class="pageNum" id="pb.ix">[<a href="#pb.ix">IX</a>]</span>zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel -verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, -namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.</i> -</p> -<p><i>Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium -in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt -de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren -van de Chineesche Opiumpachters.</i> -</p> -<p><i>Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.</i> -</p> -<p><i>Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen -mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de -Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er -geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide -Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische -Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene -andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in -te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.</i> -</p> -<p><i>Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken, -had <abbr title="Zijne Excellentie">Z. Exc.</abbr> de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische -Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera -is <b>geslaagd</b>.</i> -</p> -<p><i>Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met -evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst -langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden, -vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn <span class="pageNum" id="pb.x">[<a href="#pb.x">X</a>]</span>niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding -te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn -nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid -wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid -is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd -werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote -winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau -Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen. -En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen -bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt -tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking -van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is -gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des -te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.</i> -</p> -<p><i>Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal -voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen -prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse, -die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed -uit te oefenen.</i> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p><i>Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende -ter neder te stellen.</i> In het Kroningsnummer van <span class="ex">Sociale Stemmen</span>, Orgaan van den Oranje-Bond van Orde <i>liet ik onder den titel van</i>: <span class="ex">Eene stem uit de oude Garde</span> <i>een opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvallige</i> Koningin <i>gelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze <span class="pageNum" id="pb.xi">[<a href="#pb.xi">XI</a>]</span>Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal -het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden -te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter, -bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich -uit dertig millioen keelen opgaan, die nu</i>: heil onzer Koningin! <i>roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen</i>: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!” <i>Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent -mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, in</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span> <i>verkondigd, hadde gebroken</i>! -</p> -<p><i>„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt, -gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou -mogen genoemd worden!”</i> -</p> -<p><i>„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den -mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”</i> -</p> -<p><i>„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik.…”</i> -</p> -<p><i>„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd -overschreeuwd met</i>: -</p> -<p><i>„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”</i> -</p> -<p><i>„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het -Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals -zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats -den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het -grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te <span class="pageNum" id="pb.xii">[<a href="#pb.xii">XII</a>]</span>drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn -bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen -worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat -de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds -een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft, -wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van -mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen -ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik -zal in mij nimmer een verdediger vinden.”</i> -</p> -<p><i>Of ik mijn auditorium overtuigd had?</i> -</p> -<p><i>Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor -de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn, -nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet -zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen -te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer -zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien -maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het -kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen -zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de -gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd, -zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze -Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar, <span lang="fr">courir au plus pressé</span>; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, -dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik -langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om <span class="pageNum" id="pb.xiii">[<a href="#pb.xiii">XIII</a>]</span>op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan het opium-verbruik!</i> -</p> -<p><i>Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen -met het doel om mijn karakter aan te tasten.</i> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p><i>Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-roman</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span>. <i>Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend -is geworden door H.H. <span class="corr" id="xd30e508" title="Bron: Kritici">Critici</span>. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren, -zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid -te kort deden. De heer</i> <span class="sc">J. L. Zegers</span>, <i>zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd -te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk -(Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden</i>: <span class="sc">Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden -de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen, -den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten.</span> <i>Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik -was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. -Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon -de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje -voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt. -Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat -ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan -de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.</i> -</p> -<p><i>Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat <span class="pageNum" id="pb.xiv">[<a href="#pb.xiv">XIV</a>]</span>afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert. -In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst -hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de -pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hij</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span> <i>gelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd -had</i>. -</p> -<p><i>Ik hernam lachende</i>: -</p> -<p>„<i>Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie -meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.</i>” -</p> -<p><i>„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman, -en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”</i> -</p> -<p><i>Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd -op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem -gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid -ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.</i> -</p> -<p><i>Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit</i>: -</p> -<p>„<i>Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale -de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, -met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel -opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, -gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende -kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het -geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon -fraai, nietwaar? Maar.… hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien -schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden, <span class="pageNum" id="pb.xv">[<a href="#pb.xv">XV</a>]</span>welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd -werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan -hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd -hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen -bedekte.</i>” -</p> -<p><i>Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.</i> -</p> -<p><i>Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft -mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht -en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-roman</i> <span class="ex">Baboe Dalima</span> <i>door mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is</i>. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p><i>En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten -en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik -u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet</i>: -</p> -<p><span class="ex">Onverbiddelijke oorlog! Oorlog <span lang="fr">à outrance</span> aan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!</span> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p><i>Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen -nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd -zijn.</i> -</p> -<p class="signed"><span class="sc">De Schrijver.</span> -</p> -<p class="dateline"><span class="ex">Nijmegen</span>, October 1898. -<span class="pageNum" id="pb.xvi">[<a href="#pb.xvi">XVI</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="main">INHOUD.</h2> -<table class="tocList"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> -</td> -<td class="tocPageNum">Bladz.</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord" id="xd30e604">Voorwoord Eerste druk</a> </td> -<td class="tocPageNum">V</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord2" id="xd30e610">Voorwoord Tweede druk</a> </td> -<td class="tocPageNum">VII</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"><a href="#voorwoord3" id="xd30e616">Voorwoord Derde druk</a> </td> -<td class="tocPageNum">VIII</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch1" id="xd30e625">By Moeara Tjatjing</a> </td> -<td class="tocPageNum">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch2" id="xd30e634">In de djaga monjet</a> </td> -<td class="tocPageNum">15</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch3" id="xd30e643">De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam</a> </td> -<td class="tocPageNum">29</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch4" id="xd30e652">De draden verwikkelen</a> </td> -<td class="tocPageNum">45</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch5" id="xd30e661">In de voor- en binnengalerij</a> </td> -<td class="tocPageNum">60</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch6" id="xd30e670">Een echtpaar</a> </td> -<td class="tocPageNum">72</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch7" id="xd30e679">Een verraderlijk dèsa-genoot</a> </td> -<td class="tocPageNum">88</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch8" id="xd30e689">Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie</a> </td> -<td class="tocPageNum">104</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch9" id="xd30e698">Kuiperijen.—Een vrienden-drietal</a> </td> -<td class="tocPageNum">118</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch10" id="xd30e707" lang="fr">Une invitation à la chasse et une invitation à la valse</a> </td> -<td class="tocPageNum">132</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch11" id="xd30e716">In den residentstuin</a> </td> -<td class="tocPageNum">146</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch12" id="xd30e725">Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter</a> </td> -<td class="tocPageNum">161</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch13" id="xd30e734">Op den weg naar het jachtterrein</a> </td> -<td class="tocPageNum">176</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch14" id="xd30e743">Een huiszoeking met hare gevolgen</a> </td> -<td class="tocPageNum">191</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch15" id="xd30e752">Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit</a> </td> -<td class="tocPageNum">203</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch16" id="xd30e761">Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje</a> </td> -<td class="tocPageNum">221</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch17" id="xd30e770">In den Djoerang Pringapoes</a> </td> -<td class="tocPageNum">239</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch18" id="xd30e779">De onschuld ten val</a> </td> -<td class="tocPageNum">252</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch19" id="xd30e789" lang="ms">Toeloeng! Toeloeng, toean!</a> </td> -<td class="tocPageNum">265</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch20" id="xd30e798">Aan de rijsttafel</a> </td> -<td class="tocPageNum">280</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch21" id="xd30e807">Op het kantoor van den resident</a> </td> -<td class="tocPageNum">300</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch22" id="xd30e816">Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden</a> <span class="pageNum" id="pb2.v">[<a href="#pb2.v">V</a>]</span></td> -<td class="tocPageNum">312</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch23" id="xd30e826">Eene verhinderde landraadzitting</a> </td> -<td class="tocPageNum">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch24" id="xd30e835">Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht</a> </td> -<td class="tocPageNum">15</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch25" id="xd30e844">Eva’s dochteren en de slang</a> </td> -<td class="tocPageNum">31</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch26" id="xd30e853">Aardig gemanoeuvreerd!</a> </td> -<td class="tocPageNum">45</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch27" id="xd30e862"><span lang="la">Summum jus summa injuria</span>.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord</a> </td> -<td class="tocPageNum">58</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch28" id="xd30e873">Correspondentie</a> </td> -<td class="tocPageNum">71</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch29" id="xd30e882">Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak</a> </td> -<td class="tocPageNum">85</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch30" id="xd30e892">Baboe Dalima naar Karang Anjer</a> </td> -<td class="tocPageNum">102</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch31" id="xd30e901">Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh</a> </td> -<td class="tocPageNum">116</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch32" id="xd30e910">Eene wetenschappelijke opiumkit</a> </td> -<td class="tocPageNum">133</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch33" id="xd30e919">In de regents-pandoppo</a> </td> -<td class="tocPageNum">147</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch34" id="xd30e928">Eene <span class="corr" id="xd30e930" title="Bron: landraadszitting">landraadzitting</span>.—Van Beneden’s pleidooi</a> </td> -<td class="tocPageNum">162</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXV.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch35" id="xd30e940">Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche</a> </td> -<td class="tocPageNum">179</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch36" id="xd30e949">Lim Ho’s huwelijk</a> </td> -<td class="tocPageNum">193</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch37" id="xd30e958">Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht</a> </td> -<td class="tocPageNum">211</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVIII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch38" id="xd30e967">De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong</a> </td> -<td class="tocPageNum">226</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIX.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch39" id="xd30e976">Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh</a> </td> -<td class="tocPageNum">243</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XL.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch40" id="xd30e985">Het »<span lang="la">virtus nobilitat</span>”.—Anna en Dalima.—Een telegram</a> </td> -<td class="tocPageNum">261</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XLI.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch41" id="xd30e998">De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling</a> </td> -<td class="tocPageNum">275</td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XLII.</td> -<td class="tocDivTitle" colspan="7"> <a href="#ch42" id="xd30e1007">Naar en in de Goewah Temon.—Besluit</a> </td> -<td class="tocPageNum">293</td> -</tr> -</table> -<p><span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> -</div> -</div> -</div> -<div class="body"> -<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e625">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">I.</h2> -<h2 class="main">Bij Moeara Tjatjing.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was een sombere Februarinacht van het jaar 188*. -</p> -<p>De noordwesten wind spookte met volle kracht langs Java’s noordkust, joeg, tierde, -gilde en huilde, alsof een troep demonen in het in allerijl voortstuivende zwarte -zwerk hun helschen sabbath vierden. Hij deed de verbolgen wateren der Java-zee in -huizenhooge baren opsteigeren, welke zich kromden en krulden, om eindelijk wild en -woest te breken in machtige kuiven van wit schuim, die met hun raadselachtig bleek -phosphorisch geschemer gedurende een ondeelbaar oogenblik hare onmiddellijke omgeving -verlichtten, dadelijk daarop in een fantastischen vonkenregen uiteen spatten, om eene -duisternis achter te laten nog zwarter, als het kon, dan te voren heerschte. -</p> -<p>Met ontembare kracht zweepten de vertoornde golven den moerassigen Java-wal. Zij braken -in de nabijheid daarvan, liepen voor en na met haar zwak lichtend schuim langs de -flauwe helling op, om achtereenvolgens een oogenblik later weer met toomelooze vaart -zeewaarts te ijlen, en een nieuwe, aanrollende golf te ontmoeten. Deze, in haar aandrang -vertraagd, gebroken, vormde met de achterwaarts ijlende eene dwarrelende massa van -water en schuim, welke tot eene donderende branding opstoof en opkookte, om eindelijk -te zamen in een lange keergolf andermaal langs het strand op te loopen en het lagere -gedeelte te overstroomen. -</p> -<p>Dat strand vormde ter plaatse, waar de gebeurtenissen, die hier verhaald worden, een -aanvang nemen, als op zoovele andere plekken van Java’s noordkust, een uitgestrekt -<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span>moeras, dat, uit vet kleislib bestaande, onder den invloed der keerkrings-zonnestralen, -met zoo een rijkdom van bizonderen plantengroei getooid was, dat de daardoor gevormde -wildernis schier spookachtig mocht heeten. Allerwege was de zwak glooiende strandvlakte -met Tandjang-soorten<a class="noteRef" id="xd30e1025src" href="#xd30e1025">1</a> overdekt, die steltloopers uit het plantenrijk, welke de lage zeeoevers tusschen -de keerkringen, door haar omzoomd, in de verte op eene machtige palissadeering doen -gelijken, die met dicht loof gekroond zoude zijn. -</p> -<p>Ware het dag geweest bij het begin van dit verhaal, dan zou het oog duizende en nog -eens duizende boomkruinen hebben kunnen ontwaren, die in elkander smeltende, zich -op ongeveer dertig voeten boven den grond verhieven op korte stammen, die zelf den -bodem niet bereikten, maar gedragen werden door hoog boven den bodem reikende wortels. -Deze splitsten en vertakten zich herhaaldelijk en veelvuldig; zoodat iedere boom met -een veelvoetig wezen te vergelijken was, waarvan de dragers of beenen met die zijner -naburen in en door elkander groeiden en vergroeiden, en een onuitwarbaar net vormden -van wortelstengels en wortelgeledingen, hetwelk daarenboven doorweven was met de ranken -van wel is waar schaars voorkomende slingerplanten, welke evenwel die stronken als -met festoenen wonderlijk tooiden en hare uitloopers in de boomkruinen verborgen. -</p> -<p>Ware het dag geweest, dan zou den blik toegang onder die kruinen gegund zijn, waar -tusschen die duizende wortelstaken, welke als het ware een uitgestrekten doolhof vormden, -een gewriemel van levende wezens plaats had, dat den opmerker met een gevoel van walging -had moeten vervullen. Daar lagen toch veelal enkele „boeaja’s” met glurende oogen -hare prooi te bespieden; daar schoten eene menigte „boeloes” en „mimi’s” vooruit, -bij het najagen van hunnen buit; daar wemelden monsterachtige „kapiting’s” bij duizenden, -en „oedang’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span><a class="noteRef" id="xd30e1033src" href="#xd30e1033">2</a> in alle grootten, <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>van den omvang der Noorsche lobsters tot de onbeduidendheid der nauwelijks waar te -nemen zeespinnen, bij millioentallen binnen een betrekkelijk beperkten gezichtskring, -in den afzichtelijken modder, die door immer en immer aangevoerden plantendetritus, -van dat vreemdsoortige woud afkomstig, gevormd en gevoed werd. In dien modder, die -zich tusschen de tallooze wortelstengels ophoopte, daardoor weerhouden en zoo onder -gunstige omstandigheden tot voortgaande landaanwinning zeer veel bijdroeg, wentelden -en leefden gewoonlijk die zeedieren, zoo niet eendrachtelijk, dan toch in eene soort -van gewapende overeenkomst, die hen tot bondgenooten maakte, wanneer het gold eene -prooi te bemachtigen, welker kwaad gesternte haar op die kust aanbracht. -</p> -<p>Maar.… halt! Neen; al ware het ook dag geweest, dan nog zoude van al die gedrochten -waarschijnlijk niets te bespeuren zijn geweest, verscholen als zij zich hielden, nu -de noordwester storm zijnen oppermachtigen scepter zwaaide, nu de oppervlakte der -zee in beroering was, nu de golven met ongewoon geweld den oever zweepten, en den -boschbodem wild en woest overstroomden, in de diepte der zee, waar geen stormgeweld -der wateren rust kon verstoren. -</p> -<p>Dicht bij de smalle strook lands, waar niet alleen bij storm, maar ten alle tijde -land en water om het bezitrecht twistten, verscholen te midden van een groep Saoe-boomen<a class="noteRef" id="xd30e1046src" href="#xd30e1046">3</a> welke tusschen het Tandjang-bosch als bij uitzondering voorkwamen, stond een hutje, -dat van de landzijde, door het dichte gebladerte als door een ondoordringbaren muur -omgeven, niet te bespeuren was. Aan den anderen kant evenwel gunde het een ruimen -blik op de zee, hoewel het toch zoodanig geplaatst was, dat <span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span>het door de loofkruinen, die het omgaven, ook voor den onbescheiden blik van die zijde -gevrijwaard was. Dat hutje, niets anders dan een wachthuisje en eigenaardig „djaga -monjet” (apenwacht) geheeten, was hoogst oorspronkelijk met „katjang-matten” omwand, -met „atappen”<a class="noteRef" id="xd30e1052src" href="#xd30e1052">4</a> gedekt en op palen hoog boven den grond tusschen de boomkruinen gebouwd; zoodat de -golven, die soms het strand schenen te willen verzwelgen, er onder door konden stroomen, -waarbij zij met een onheilspellend, doch gevaarloos geraas tegen de hoofdjukken, waarop -het gebouwtje rustte, braken en zich verdeelden. Een boomstam, van inkervingen voorzien, -deed de dienst van trap of ladder, en verleende toegang tot het hutje, waarin dikke -duisternis heerschte, hoewel het niet ledig was. Een paar stemmen, wier eigenaren -zich verbeeldden fluisterend te spreken, hadden ten gevolge van het gehuil van den -storm langzamerhand zulk eene toonhoogte bereikt, dat het gesprek meer op gillen dan -op praten geleek, hetgeen evenwel zonder hinder of nadeel kon plaats hebben, daar -het niemand in de hersens kon komen in dat weer en op dat uur op deze plek te verschijnen. -De meest ijverige kustwachter zelfs zou voor zulk eene plichtsopvatting teruggedeinsd -zijn. De stemmen, die vernomen werden, spraken de maleische taal; maar behoorden klaarblijkelijk -aan Chineezen, af te leiden uit de keelgeluiden, die zij deden hooren, ook uit de -omstandigheid, dat zij de r door de letter l vervingen, hetgeen te zamen aan hunne -uitspraak een hoogst onaangenamen hollen maar tevens weekelijken, ja lispelenden tongval -bijzette. En inderdaad, het waren twee Chineezen, die daar in het hutje in de omlijsting -der deur op den vloer gedoken zaten, en, hoe zwart de nacht ook was, met loerenden -blik het oog over de oppervlakte der zee lieten waren. -</p> -<p>„Neen,” sprak de een, na een lang stilzwijgen, „neen, er is niets te zien. Met dat -weer zou het ook het noodlot tarten zijn. Gij zult zien, dat de <i>Kiem Ping Hin</i> hare ankerplaats bij Poeloe Karabab met zoo’n storm niet verlaten heeft.” -<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p> -<p>„En toch luidden de bevelen van den „babah”<a class="noteRef" id="xd30e1066src" href="#xd30e1066">5</a> stellig”, antwoordde de andere. „Wij zijn op onzen post, om de bemanning van de <i>Kiem Ping Hin</i> bij het aan wal brengen harer lading behulpzaam te zijn.” -</p> -<p>„Ongetwijfeld, Than Khan, dat zijn wij, en onze betaling zullen wij niet ontgaan; -maar tegen de onmogelijkheid valt niet te strijden. Hoor den wind huilen, de branding -donderen; voel onze djaga monjet schudden! Zoudt gij thans op zee willen zijn?” -</p> -<p>„Ik?” riep Than Khan verschrikt uit, „voor geen schatten der wereld! Maar.… gij weet, -de Arabier Awal Boep Said is een stout zeeman, die zich door geen noodweer …” -</p> -<p>„Wacht.… daar zie ik iets, Than Khan. Daar, daar in die richting. Kijk, daar.… daar -krult een groote golf … Kijk, bij het schijnsel van het schuim.… Bij Kong!… eene „djoekoeng!” -(uitgeholde boomstam) waarin twee.… weg is ze weer!” -</p> -<p>„Ja, Liem King,” antwoordde Than Khan, „ik heb het vaartuigje ook gezien. Er zaten -twee personen in, twee Javanen, een man en eene vrouw.” -</p> -<p>„De man pagaaide hard, de vrouw scheen bevreesd; want zij hield de handen voor de -oogen.” -</p> -<p>„De djoekoeng richtte zich naar den wal; maar zij zal nimmer door de branding geraken.” -</p> -<p>„Zij zette koers naar de Moeara Tjatjing.<a class="noteRef" id="xd30e1079src" href="#xd30e1079">6</a> Als zij in die richting kan blijven voortstevenen, dan is zij gered.” -</p> -<p>„Ja, maar in die woeste zee zal het vaartuig omkantelen.” -</p> -<p>„Dat zou eerst feest zijn voor de boeaja’s, Than Khan. De djoekoeng evenwel was eene -„prahoe sajab”<a class="noteRef" id="xd30e1087src" href="#xd30e1087">7</a> en ge weet, er moet veel gebeuren, eer zoo eene zinkt.” -</p> -<p>„Om het even, ik ben blij, dat ik niet in die prahoe sajab zit.” -<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> -<p>„Kijk.… kijk, daar is het vaartuig weer! Waarachtig het zet koers naar de Moeara. -Als het de „sero’s”<a class="noteRef" id="xd30e1098src" href="#xd30e1098">8</a> bereikt, dan is alle gevaar geweken.” -</p> -<p>„Ja, als het de sero’s bereikt. Maar … maar.…” -</p> -<p>„Een tweede prahoe!” riep Liem King. „Een barkas! Daar zijn blanken in!” -</p> -<p>Daar knalden eensklaps twee, drie, vier geweerschoten van uit het laatstbedoelde vaartuig -in de richting van de djoekoeng. Maar met welken uitslag? Dat was onmogelijk na te -gaan. De beide vaartuigen waren een oogenblik elk in het lichtende schuim van eene -groote baar voor het oog onzer beide verspieders verschenen, waarna de zwarte nacht -met volle heerschappij weer ingetreden was, zoodat er niets meer te bespeuren viel, -hoe scherp zij ook uitkeken. -</p> -<p>Zoo ging een kwartieruur voorbij, toen Than Khan plotseling uitriep: -</p> -<p>„Eene stoomboot!” -</p> -<p>En werkelijk, daar heel ver uit den wal schitterde het groene en het roode licht eener -stoomboot, en hoog boven die twee, haar wit toplicht in den mast. -</p> -<p>„Eene kustwachter,” sprak Liem King. „Waarschijnlijk de <i>Matamata</i><a class="noteRef" id="xd30e1111src" href="#xd30e1111">9</a>. Als de <i>Kiem Ping Hin</i> werkelijk zee gekozen heeft, dan zal zij hare lichten wel gedoofd, en zich uit de -voeten gemaakt hebben. Kom, wij kunnen wel naar de dèsa terugkeeren. Heden nacht zal -wel geen smokkelwaar aan wal gebracht kunnen worden.” -</p> -<p>Een poos keken de Chineezen naar het stoomschip uit. Dat de drie lichten zichtbaar -waren, was het bewijs dat de boot vlak op de kust aanhield, alsof zij op den wal wilde -zetten. Dat duurde evenwel een korte poos, toen verdween het groene licht plotseling, -wat een teeken <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>was, dat het vaartuig over stuurboord wendde. Een poos bleef het roode licht nog zichtbaar; -maar ook dat verdween, zoodat het witte toplicht alleen zichtbaar bleef. Daar dit -laatste niet van plaats scheen te veranderen, kwamen de beide gestaarte bewoners van -het Hemelsche rijk tot de gevolgtrekking, dat de boot òf ten anker gegaan was, òf -bijgedraaid lag, en langzaam vooruitstoomde om met den kop in den wind, zonder te -deinzen, den storm het hoofd te kunnen bieden. -</p> -<p>„Neen, ge hebt gelijk; door de tegenwoordigheid van dien vervloekten <i>Matamata</i> zal geene sluikwaar aan den wal te brengen zijn. Kom, laat ons gaan.” -</p> -<p>„Wij zullen eerst eens bij de Tjatjing gaan kijken. Wellicht dat we daar iets van -de djoekoeng vernemen.” -</p> -<p>Zij klommen langs den boomstam, die tot trap diende, naar beneden en stapten, terwijl -de wind in de boomtakken en tusschen de steltwortels van het Rhisophoren-woud huilde, -langs een pad, dat zij op den tast in de dikke duisternis vinden moesten. Dat pad -werd bij wijlen door een golf zeewater overstelpt, zoodat onze twee Chineezen, door -het zilte vocht moesten plassen. Maar dat schrikte hen niet af; zij kenden het pad -zoo goed, dat al ware het weer nog ruwer, al ware de nacht nog zwarter geweest, zij -even zeker voortgestapt zouden hebben. Daarenboven het pad, dat zij door dat strandbosch -af te leggen hadden, was niet lang. Na weinige minuten hadden zij de kleine rivier -Tjatjing bereikt, die daar in de nabijheid in de Java-zee uitmondde. Daar, waar de -beide Chineezen aankwamen, maakte dat riviertje een elleboog, alsof het, alvorens -zich in de zee te verliezen, zich bedacht, en op zijne schreden wilde terugkeeren. -Daar ter plaatse weken de wortelboomen terug, en lieten eene vrij breede oeverstrook -ontwaren, die met kort gras bedekt was. Van hier was de blik over de rivier onbeperkt; -maar, of de Chineezen al tuurden, er was in den zwarten nacht niets te bespeuren. -</p> -<p>„Als de djoekoeng de Moeara heeft bereikt, dan zoude zij hier moeten aangekomen zijn,” -bromde Than Khan, „zij kunnen niet verder stroomopwaarts, daar de Tjatjing tot hier -alleen bevaarbaar is, en verderop door de moerasplanten geheel en al versperd wordt.” -</p> -<p>„Stil!” maande Liem King aan. „Ik hoor stemmen.” -<span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span></p> -<p>En werkelijk, in weerwil van het gefluit van den wind werd een zacht gekreun gehoord. -Onze beide Chineezen spitsten de ooren, oriënteerden zich, stapten met zachte schreden -in de richting van dat geluid voort en stieten weldra tegen een vaartuig, dat ter -halverwege uit het water met zijn voorste gedeelte op het droge lag. -</p> -<p>„De djoekoeng!” fluisterde Than Khan. -</p> -<p>Zij schreden, steeds op het gekreun afgaande, langs den uitgeholden boomstam voort, -welks bamboevlerken er naast gedeeltelijk verbrijzeld lagen, en ontdekten op een korten -afstand een paar menschelijke wezens, die in het gras lagen. -</p> -<p>„Wie is daar?” riep Liem King, terwijl hij behoedzaam nader trad. -</p> -<p>„Ik,” antwoordde een zwakke stem. -</p> -<p>„Wie is ik?” -</p> -<p>„Ik, Ardjan.” -</p> -<p>„Ardjan, van de <i>Kiem Ping Hin</i>?” -</p> -<p>Een lichte kreet ontsnapte bij die vraag uit den mond der schipbreukelingen. -</p> -<p>„Diam!” (stil) fluisterde de andere. -</p> -<p>Beide Chineezen bukten zich over hem, die zich Ardjan genoemd had. Iemand te herkennen, -was bij de heerschende duisternis evenwel onmogelijk. Een hunner haalde een dievenlantaarntje -uit den zak, streek een lucifer aan en ontstak licht. Toen hij het gelaat van den -naastbijzijnde verkend had, riep hij uit: -</p> -<p>„Inderdaad, het is Ardjan! Hoe komt gij hier?” -</p> -<p>„Ik ben overboord gevallen.” -</p> -<p>„Met die djoekoeng?” vroeg Liem King op spottenden toon. -</p> -<p>„Die heb ik, terwijl ik rondzwom, in zee aangetroffen.” -</p> -<p>„En die vrouw ook? Wie is zij?” -</p> -<p>„Dat is Moenah, mijne zuster.” -</p> -<p>„Uwe zuster?” vroeg Than Khan met een gemeenen lach in den toon zijner stem. „Is die -ook over boord gevallen?” -</p> -<p>En te gelijker tijd liet hij het licht zijner lantaarn op het gelaat van de beweerde -zuster vallen. Onder dien straal vertoonde zich de lieve gestalte van een bekoorlijke -zestienjarige Javaansche maagd, welke schuchter haar hoofd in haren „slendang” (sjerp), -die, evenals haar geheele kleeding, kletsnat van zeewater was, poogde te verschuilen. -<span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span></p> -<p>„Maar, dat is Dalima, de kleine baboe van den toean resident,” zei Than Khan, haar -den slendang van het gelaat trekkende. -</p> -<p>Het meisje kromp bij die woorden van schrik ineen. -</p> -<p>De beide Chineezen fluisterden elkander wat in het oor, waartusschen de naam van Lim -Ho verstaanbaar klonk. Had men het gelaat van Dalima in dit oogenblik gade kunnen -slaan, dan voorzeker had men bij het hooren van dien naam de grootste ontsteltenis -daarop kunnen lezen. Lim Ho was de zoon van den opiumpachter te Santjoemeh, die in -lichten laaie van onkuisch minnevuur voor het lieve Javaansche meisje ontvlamd was. -Hij had haar groote sommen geld en rijke geschenken laten aanbieden, echter te vergeefs. -Hij had zich tot haren vader, een eenvoudig landbouwer uit de dèsa Kaligaweh, nabij -de hoofdplaats gelegen, gewend, evenwel met even ongunstig gevolg. De aterling had -gezworen, dat hij de lieve maagd zou bezitten, al zou hij ook voor dat bezit eene -misdaad moeten bedrijven. Hij was een booswicht, die voor niets terugdeinsde. -</p> -<p>Was het wonder, dat het meisje ontstelde bij het hooren van dien gehaten naam? Zij -kende dien persoon, en thans ook de Chineezen, in wier macht zij zich bevond. -</p> -<p>Andermaal fluisterden deze laatsten elkander wat toe, en gebruikten daarbij nog voorzichtigheidshalve -de Chineesche taal, die geen der beide Javanen, noch Ardjan, noch Dalima, verstonden. -En, nog voor dat de eerstbedoelde zich had kunnen te weer stellen, hadden beide Chineezen -zich op hem geworpen en hem de handen aan de voeten gebonden met een dun „gemoetoe-touw,”<a class="noteRef" id="n9.1src" href="#n9.1">10</a> dat Liem King uit den diepen zak zijner kolossaal wijde broek gehaald had, en wel -zoodanig, dat de Javaan als een hoepel krom gekneveld daar neder lag. Maar al had -de tijd, om zich te verdedigen, niet ontbroken, dan nog ware dat Ardjan onmogelijk -geweest. In de eerste plaats was hij geheel ontwapend. Bij het ondernemen <span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span>toch van het zeetochtje, dat hem in de Moeara Tjatjing bracht, had hem zelfs de gelegenheid -ontbroken, om zijn „badeh” (kleine dolk) mede te nemen. Dàn was hij door het krachtige -pagaaien, om de djoekoeng door de hevige branding te brengen, zoo vermoeid, dat, toen -de Chineezen hem aantroffen, hij daar schier ademloos nederlag, in ieder geval onbekwaam -was eenige krachtsinspanning te kunnen uitoefenen. Het gekreun, dat vernomen was geworden, -had hij geslaakt bij het zwoegen zijner borst om weer tot adem te komen. -</p> -<p>Toen hij gekneveld was, bonden de Chineezen ook Dalima de polsen en de enkels bij -elkander, en legden haar in het gras neder, haar aanbevelende onbewegelijk te blijven -liggen, met bedreiging haar anders te zullen vermoorden. Als de beide schavuiten het -gelaat van het meisje bij het hooren van die bedreiging hadden kunnen gadeslaan, dan -had de minachtende uitdrukking op de lieve trekken hen niet ontgaan, en voorzeker -had die hun ernstig te denken gegeven. -</p> -<p>Toen het meisje gebonden was, grepen zij een stuk bamboe van de prahoe sajap, staken -die onder de armen van Ardjan door, tilden dien draagstok, met den last daaraan hangende, -op hunne schouders, en liepen op een sukkeldrafje het pad op, dat zij een oogenblik -te voren afgekomen waren. De Javaan schreeuwde het uit bij die beweging. Hij werd -gefolterd door de pijn, welke veroorzaakt werd door de zwaarte zijns lichaams, die -zich geducht op zijne bovenarmen deed gevoelen. Die ledematen werden daarenboven nog -deerlijk gekneusd tengevolge van de zwiepende beweging van den veerkrachtigen draagstok, -door den sukkeldraf te weeg gebracht. Het was, of de beenderen van de bovenarmen, -waaraan het geheele lijf als een zak hing, gebroken moesten worden. Maar de twee Chineezen -stoorden zich aan dat geschreeuw niet, en sukkelden maar voort. Te vergeefs smeekte -Ardjan hen, hem te willen dooden, daar de pijn onduldbaar was; te vergeefs trachtte -hij, toen dat niet lukte, door beleedigende uitdrukkingen hen te vertoornen, om hen -zoo tot wraakoefening te verleiden. Maar, voor de smeekbeden hadden de aterlingen -slechts een spottenden schaterlach over; het „aso tjina” (chineesche hond), dat hen -naar het hoofd geslingerd was, zette Than <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>Khan betaald met een geduchten vuistslag, met de vrijgebleven hand toegebracht, die -het duldeloos lijden van den rampzaligen slechts vermeerderde. -</p> -<p>Eindelijk waren de beide dragers met hun vracht bij de djaga monjet aangekomen. Daar -ontdeden zij de voeten van den geknevelden van de touwen; maar lieten zijne armen -gedeeltelijk gebonden. Toen noodzaakten zij hem den boomtrap te beklimmen, en lieten -hem daarbij de punten hunner dolken voelen. Hij begreep, dat de geringste weerstand -hem het leven kon kosten. Nu dat pijnlijk dragen geëindigd was, had hij minder wanhopige -opvattingen omtrent het bestaan. Hij voldeed dan ook gedwee aan den last, en was in -een oogwenk boven. Daar werd hij weer gebonden, en, om iedere poging tot ontvluchting -ijdel te maken, werd hem de bamboe, die tot draagstok gediend had, door de opening -der elleboogsgewrichten, gevormd bij het buigen der armen, achter den rug gestoken, -zoodat hem, daar de handen stijf voor de borst gebonden waren, de geringste beweging -de meest ondragelijke pijnen aan zijne deerlijk gekneusde armen moest veroorzaken. -Toen ook zijne voeten gekneveld waren, werd hij lang uit op den grond uitgestrekt, -en uit overmaat van voorzorg aan een der hoofdstijlen van het gebouwtje vastgebonden. -</p> -<p>Toen ijlden de beide Chineezen heen, om ook Dalima te halen. Wat zij met haar voor -hadden, was henzelven nog niet duidelijk. Liem King stelde voor, om het bezit van -het meisje tot prijs van eene dobbelpartij te maken. Than Khan, meer geldzuchtig, -rekende zijn makker voor, wat er van den rijken pachterszoon te wachten was, wanneer -hem het duifje in handen gespeeld werd. Het verschil van gevoelen was nog niet tot -verevening gebracht, toen zij de Tjatjing bereikten, waar zij het meisje behoorlijk -gebonden achtergelaten hadden. Zij zagen alras in, dat verder twisten overbodig was; -want die plek was ledig. Hoe zij ook zochten, van Dalima was geen spoor te vinden. -Geen spoor? .… Jawel, achter een struik in de nabijheid werden de touwen gevonden, -waarmede het meisje gebonden was geweest. Klaarblijkelijk was het haar mogelijk geweest, -de handen bij den mond te brengen en was zij er in geslaagd te touwen met hare tanden -door te knagen. Toen zij de handen vrij had gehad, was <span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span>het verder kinderwerk geweest, om hare voeten van de boeien te ontslaan. -</p> -<p>„Drommels!” riep Liem King uit „Dat „moeka manies” (zoete bekje) is voor ons verloren!” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Than Khan met een zucht, „wij zijn een aardig sommetje kwijt! Zij -zou Lim Ho veel waard geweest zijn.” -</p> -<p>„Wij zullen bij de „kongsie” (vennootschap) niet over haar mogen reppen, denk ik.” -</p> -<p>„Zeker niet, van haar gewagen, nu zij ons ontsnapt is, zou gevaarlijk zijn.” -</p> -<p>„Maar, wat met Ardjan thans aan te vangen? Dien moesten wij ook maar laten loopen. -Hij moest eens over Dalima klappen.” -</p> -<p>„Dat durft hij niet. Als hij een woord kikte, dat hij met het meisje er van door geweest -is, dan zou Lim Ho hem laten „tombokken.”<a class="noteRef" id="xd30e1191src" href="#xd30e1191">11</a> -</p> -<p>„Ik ben van meening hem te laten loopen.” -</p> -<p>„Hm!… Waarom?.… Hij moest aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> zijn … Hoe komt hij hier thans met die djoekoeng?.… Geloof mij, daar zit iets achter.… -Wellicht heeft de kongsie er belang bij, dat te weten.” -</p> -<p>„Hadden wij Dalima maar zoo stevig gebonden, als wij hem gedaan hebben,” zei Than -Khan. -</p> -<p>„Och, die lieve polsen en die arme enkels, wat zouden die geleden hebben, wanneer -wij daar een touw zoo strak om gebonden hadden?” -</p> -<p>„Om het even, dan hadden wij haar nog. En, nu is zij gevlogen. Waarheen?” -</p> -<p>„Ja, waarheen?.… Kom, laat ons voortmaken, anders ontkomt ons de andere ook. En, er -is iets, hetwelk mij voorspelt, dat wij in hem eene goede vangst gemaakt hebben.” -</p> -<p>Toen de twee Chineezen bij de djaga monjet aangekomen waren, was Ardjan er nog. Hij -lag nog steeds gebonden, zooals zij hem verlaten hadden. Hij had geen <span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span>lid kunnen bewegen. Toen hij de Chineezen alleen zag terugkomen, verhelderde zijn -oog. -</p> -<p>„Waar is Dalima?” vroeg hij met vuur. -</p> -<p>De Chineezen antwoordden niet. -</p> -<p>„Is zij ontvlucht?” -</p> -<p>Than Khan knikte ja. Die knik scheen bij het schijnsel der dievenlantaarn zoo droefgeestig, -dat Ardjan aan de waarheid dier bevestiging niet twijfelen kon. Toen voelde hij zich -gerust. O, dat hij toch ook had kunnen ontvluchten! Hij had wel gepoogd die verwenschte -touwen los te maken; maar och, zijne armen deden hem zoo zeer, het was alsof die gebroken -waren. Hij had die poging wel moeten staken. Waar zou het lieve meisje thans zijn? -O, daaromtrent bekommerde hij zich weinig. Wellicht was zij naar Kaligaweh geloopen. -Daar woonden hare ouders, en dat was het dichtste bij. Die dèsa moest zij dan thans -nabij zijn. Misschien was zij den weg naar Santjoemeh ingeslagen, waar de residentsfamilie -woonde, waarbij zij als baboe diende. Dan zou zij nog een goed eind weg af te leggen -hebben. De dag zou wel aangebroken zijn, alvorens zij kon aankomen. Als zij dan maar -alles dadelijk vertelde … ja, dan was voor hem nog redding mogelijk.…. -</p> -<p>Hij werd in zijn overpeinzingen gestoord door Liem King, die hem vroeg, waar hij zoo -in ’t holle van den nacht van daan kwam. -</p> -<p>„Wel van Santjoemeh, ik wilde met Dalima naar Sepoetran varen, om van daar naar hare -ouders te Kaligaweh te gaan. Door den westen-wind werden wij zeewaarts gevoerd. Ik -heb geroeid uit alle macht om de Moeara Tjatjing te bereiken.” -</p> -<p>„Om de Moeara Tjatjing te bereiken?” grinnikte Than Khan. „Wat had je daar te verrichten? -Je wist zeker, dat je ons hier zoudt aantreffen? Is het zoo niet?” -</p> -<p>Ardjan huiverde. Hij antwoordde evenwel bedaard: -</p> -<p>„Ik kon Sepoetran niet meer bereiken, en werd naar volle zee gedreven. Ik moest dus -trachten de meest nabijzijnde plaats te halen.” -</p> -<p>„Maar je <span class="corr" id="xd30e1223" title="Bron: werdt">werd</span> achtervolgd? Er is zelfs op je geschoten!” -</p> -<p>„Dat was de barkas van dien ellendigen <i>Matamata</i>, die mij voor een smokkelaar aanzag.” -<span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span></p> -<p>„Had je geen sluikwaren bij je?” -</p> -<p>Ardjan antwoordde niet. Als de twee Chineezen zijne omstandigheden gekend hadden, -dan hadden zij voorzeker die vraag niet gedaan. -</p> -<p>„Maar, je bent „djoeroemoedi” (stuurman) op de <i>Kiem Ping Hin</i>; moest je niet aan boord zijn?” -</p> -<p>De Javaan aarzelde hier een oogenblik; daarna antwoordde hij: -</p> -<p>„Ik had verlof van kapitein Awal Boep Said om twee etmalen aan den wal door te brengen.” -</p> -<p>„Maak dat je „nènèh” (oude moeder) wijs! In dezen tijd? Nu de zaken in vollen gang -zijn?” -</p> -<p>„Het is toch zoo.” -</p> -<p>„Nu, dat zal de kongsie straks uitmaken.” -</p> -<p>Het drietal verviel na die woordenwisseling in een langdurig stilzwijgen. De Chineezen -wikkelden zich in eene soort sprei, en zaten gedoken op den vloer, met het hoofd op -de borst, op het punt van in eene sluimering te vervallen. Ardjan was nog altijd uiterst -pijnlijk aan de bamboe geregen, en op den rug uitgestrekt liggende. Het was donker -in de hut; de deur en de luiken waren toch gesloten om de kille morgenlucht zooveel -mogelijk buiten te sluiten. Als de Javaan het hoofd rechts en links wendde, dan kon -hij evenwel door de reten der „Niboeng”<a class="noteRef" id="xd30e1245src" href="#xd30e1245">12</a> latten, die den vloer uitmaakten, bespeuren, dat de dag aanbrak. Een grauw licht -toch schoot onder de ruimte der hut, en bescheen daar den walgelijken modder, waarin -een menigte dieren als alen, moerasslangen, leguanen, water-hagedissen, enz. reeds -rondkrioelden, om op de onreinheden van allerlei aard die zoo’n hut veelal opleverde, -te azen. -</p> -<p>Dat duurde zoo een poos, toen plotseling een schot in de verte weerklonk, dat de beide -Chineezen deed opschrikken. Dat schot was een sein. Than Khan vloog naar de deur. -Toen die geopend werd, was het buiten volle dag. De zon was op het punt op te komen, -en kleurde de oosterkim met onvergelijkelijke purperpracht. -<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1025"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1025src">1</a></span> <i>Tandjang-soorten</i> = Risophoren. De voornaamste soorten op Java’s noordkust zijn: Tandjang Bangoe of -R. macronata, Kajoe Tinggi of R. Roxburgh, en T. Lanan of R. conjugata. <a class="fnarrow" href="#xd30e1025src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1033"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1033src">2</a></span> <i>Boeaja’s, boeloes, kapitings</i> en <i>oedangs</i>. Boeaja is de maleische naam van den kaaiman. Op het modderige strand van Java’s -noordkust wordt voornamelijk de Crocidilus biporcatus aangetroffen. Boeloes beteekent -schildpad. Op bedoeld strand komt de Chelona <span class="pageNum" id="pb3n">[<a href="#pb3n">3</a>]</span>imbricata het meest voor. Mimi is de inlandsche naam van de degenkrab, de Limulus -Polyphemus. Kapiting beteekent krab. Hier wordt voornamelijk op de Cancer Pagurus -(zeekrab) gedoeld. Oedang beteekent garnaal of Crangon. In den Ind. Archipel worden -garnalensoorten aangetroffen, die in omvang de grootste kreeften evenaren; maar er -bestaan ook soorten, die microscopisch klein zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e1033src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1046"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1046src">3</a></span> <i>Saoe-boomen.</i> Mimusops kauki is een boom, die tot de Sapotaceeën behoort. Hij ontwikkelt een zwaren -stam, komt veelvuldig op de lage stranden langs en op de eilanden in de Javazee voor -en levert zeer fraai en uitmuntend timmerhout op. <a class="fnarrow" href="#xd30e1046src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1052"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1052src">4</a></span> <i>Katjangmatten</i> en <i>atappen</i>. Dit zijn bouwmaterialen, die gewoonlijk van de breede bladeren van den Nipahpalm -vervaardigd worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e1052src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1066"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1066src">5</a></span> Babah is de algemeene benaming van op Java of in den Archipel geboren Chineezen, het -best te vergelijken met „liplap.” <a class="fnarrow" href="#xd30e1066src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1079"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1079src">6</a></span> <i lang="ms">Moeara Tjatjing.</i> Moeara beteekent monding. Gewoonlijk wordt die naam aan kleine inhammen gegeven, -waarin riviertjes uitwateren. Tjatjing beteekent pier, aardworm. Sommige riviertjes -worden aldus van wege hunne kronkelingen genoemd. <a class="fnarrow" href="#xd30e1079src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1087"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1087src">7</a></span> <i lang="ms">Prahoe sajab</i> is eene vlerkprauw, die door een geraamte van lang uitstekende bamboestaken in holle -zee tegen omslaan beveiligd wordt. <a class="fnarrow" href="#xd30e1087src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1098"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1098src">8</a></span> <i>Sero’s</i> zijn vischfuiken, die aaneengeschakeld in zee, vooral bij riviermondingen geplaatst -worden. Met stevige staken worden die fuiken bevestigd. Meestal vormen die staken -hechte staketsels, die bij hooggaande zee de aanrollende baar in haren loop vertragen, -zoodat haar kam of nok de beweging niet vooruitijlt, waardoor het breken belet wordt. -Achter zoo’n staketsel, waarin gewoonlijk schaakvormig openingen gespaard zijn, treft -een vaartuig betrekkelijk kalm water aan; het gevaar althans is dan verdwenen. <a class="fnarrow" href="#xd30e1098src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1111"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1111src">9</a></span> <i>Matamata.</i> Mata beteekent oog; mata-mata oogen. ’t <span class="corr" id="xd30e1114" title="Bron: is">Is</span> eene niet onduidelijke uitdrukking om een spion aan te duiden. <a class="fnarrow" href="#xd30e1111src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n9.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n9.1src">10</a></span> <i>Gemoetoe touw.</i> Gemoetoe is eene zwarte vezelsoort, die tusschen de bladsteelen en den stam van sommige -palmsoorten, vooral van de Arengga Saccharifera, aangetroffen en ook Idjoek genoemd -wordt. Van die vezelstof wordt touw geslagen, dat in lenigheid bij het henneptouw -achterstaat, maar in lichtheid en duurzaamheid het van dit wint. <a class="fnarrow" href="#n9.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1191"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1191src">11</a></span> <i>Tombokken.</i> Tombokh is een vierkant bekapte boomstam, waarin uithollingen uitgespaard zijn om -rijst in te stampen. Wordt ook wel als foltertuig gebezigd. De <span class="corr" id="xd30e1194" title="Bron: patient">patiënt</span> wordt dan op het tombokhblok uitgestrekt, en met de zware stampers deerlijk gebeukt -en gekneusd, tot de dood er op volgt. <a class="fnarrow" href="#xd30e1191src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1245"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1245src">12</a></span> <i>Niboeng.</i> Is eene fraaie en slanke palmsoort. Areca Nibung, die veelvuldig op moerassige stranden -voorkomt. Het buitenhout van den stam is uitermate hard, en laat zich in de lengte -gemakkelijk splijten. <a class="fnarrow" href="#xd30e1245src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e634">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">II.</h2> -<h2 class="main">In de djaga monjet.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een oogenblik stonden de twee Chineezen alsof zij met blindheid geslagen waren. De -pupil hunner oogen, in het duister der hut zeer uitgezet, werd pijnlijk aangedaan -door het schelle licht, en moest tijd hebben om in te krimpen, alvorens zij iets zien -konden. Maar, toen zij zich een poos de oogen gewreven hadden en daarna uitkeken, -ontwaarden zij, dat de wind, die ’s nachts zoo akelig had aangegaan, bijna geheel -gevallen was, dat de dikke wolken, die de duisternis zoo zwart gemaakt hadden, gescheurd, -gereten, meerendeels verstrooid en verdwenen waren, en het blauwe azuur des hemels -overal door lieten. In het oosten was de hemel smetteloos rein; de zon steeg met vollen -luister boven den horizon en tooide alles, wat zij met hare stralen aanraakte: de -golven op de zee, de wortelstengels van het Rhisophoren-woud, of de bladeren van de -kruinen daarboven, met het zuiverste goud. Maar voor die pracht hadden onze Chineezen -geen oogen. Zij doorzochten daarentegen met scherpen blik de oppervlakte der zee, -niet om het wentelen der golven, of het breken der branding van den nog steeds verbolgen -oceaan gade te slaan, niet om de fraai gekuifde baren, die als van gesmolten goud, -getooid met zilver schuim, schenen, te bewonderen; maar om te bespieden, wat op die -oppervlakte voorviel, hetgeen hunne belangstelling meer gaande maakte. -</p> -<p>Ginds bij den horizon werd een vaartuig zichtbaar, dat op de aanrollende golven danste -en stampte. Met het bloote oog was te zien, dat het een schoenerbrik was, die <span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span>onder klein zeil scherp bij den wind lag, en de kust niet scheen te willen naderen. -Aan den voortop woei een seinvlag, die evenwel op dien afstand niet te onderscheiden -was. Liem King greep een scheepskijker, wiens oorspronkelijke koperkleur onder de -laag vuil, die hem bedekte, niet meer te herkennen was, en die eene bergplaats vond -in een hoekje van het dak der hut, tusschen de atappen en de latten, die deze laatsten -droegen. Na een poos turens, waarbij hij van veel oefening blijken gaf, zei hij tot -zijn makker: -</p> -<p>„Het zijn de letters T. F. N. W., die daar op een rooden achtergrond wapperen. Het -is ongetwijfeld de <i>Kiem Ping Hin</i>, die gisteren avond had moeten aankomen en die.…” -</p> -<p>„Nu ten anker zal willen komen.” -</p> -<p>„Neen, die buiten den smokkel-rayon<a class="noteRef" id="xd30e1268src" href="#xd30e1268">1</a> wil blijven. Ziet ge, nu gaat zij over stag.… loopt meer uit den wal.… Thans bergt -zij hare zeilen, gaat voor anker.…” -</p> -<p>„Dat’s brutaal! De <i>Matamata</i> was van nacht nog hier.” -</p> -<p>„Waar de <i>Kiem Ping Hin</i> thans geankerd ligt, kan de stoomer haar niets doen. Daarenboven van dien is niets -meer te bespeuren. De schoener voert bovendien voorzichtigheidshalve de Engelsche -vlag. Onder die is hij volkomen veilig, al lag hij ook dichter bij de kust. De „Blanda’s” -(Hollanders) zijn bang als de dood voor de Engelschen.” -</p> -<p>„Kijk, daar wordt eene boot uitgezet.” -</p> -<p>„Dan zal een van ons zich naar de aanlegplaats bij de Tjatjing moeten spoeden.” -</p> -<p>„Gij!” -</p> -<p>„Neen, gij!” -</p> -<p>„Waarom niet beiden te zamen?” -</p> -<p>„Omdat de voorzichtigheid ons gebiedt, dien kerel niet alleen en onbewaakt te laten,” -antwoordde Than Khan op Ardjan wijzende. -</p> -<p>„Laat er ons dan om dobbelen.” -</p> -<p>„Mij goed.” -<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> -<p>Liem King haalde een aantal witte steentjes ter grootte eener boon voor den dag, waaronder -ook ettelijke zwarten. Hij wierp die met eene zekere behendigheid op eene houten plank, -die voor dat spel bestemd scheen. Na den worp werd geteld, hoeveel zwarte steentjes -in een groep bij elkander lagen. Daarop wierp Khan Than. -</p> -<p>„Ik heb gewonnen,” riep deze. „Kijk, hier liggen zeven zwarten bij elkander. Gij teldet -maar vijf.” -</p> -<p>„Nu, dan ga ik.” -</p> -<p>„Maar, mondje dicht over Dalima!” -</p> -<p>„Natuurlijk,” was het antwoord. -</p> -<p>Ardjan glimlachte smadelijk bij het vernemen van die aanbeveling. -</p> -<p>Than Khan hurkte op den drempel van de deur der hut neder, evenwel zoo, dat, terwijl -hij het oog over de baai kon laten waren, hem echter geen enkele beweging van den -Javaan ontgaan kon. Hij scherpte den blik om gade te slaan, hetgeen op de oppervlakte -der zee voorviel. De djaga monjet stond ter zijde in eene ombuiging van het strand -der kleine baai, zoodat de Chinees het volle gezicht op hare monding had, en niets -aan zijne waarneming ontsnappen kon<span class="corr" id="xd30e1302" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>Hij zag de sloep van den schoenerbrik bemand worden; hij zag een vijftal Chineezen -langs de stormladder bij de valreep daarin afdalen; hij zag dat vaartuig afsteken, -over de oppervlakte der deinende zee glijden, in de branding geraken, daarin stampen, -slingeren en worstelen; hij nam de inspanningen waar van de roeiers, om dat moeielijke -punt door te stevenen; hij bewonderde de behendigheid van hem, die het roer in de -hand had en den kop der sloep onwrikbaar op de golf gericht hield. -</p> -<p>„Dat is Lim Ho zelf,” prevelde hij. -</p> -<p>Ardjan kromp ineen van schrik, bij het hooren van dien naam. -</p> -<p>„Lim Ho?” vroeg hij, terwijl zijne stem zielsangst verried. -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Than Khan. „Zij zullen gauw hier zijn. Kijk, daar schiet de sloep -de Moeara in.” -</p> -<p>Inderdaad, het vaartuig, door een achttal riemen voortgestuwd, vloog door het water, -toen het maar eenmaal die gevaarlijke branding te boven gekomen was. Achter de sero’s -en in de baai trof de sloep glad water aan; zij <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>schoot de monding der Kali Tjatjing in en had weldra de aanlegplaats bereikt, waar -Liem King het gezelschap wachtte, en het onmiddellijk naar het wachthuisje geleidde. -</p> -<p>Niet zoodra evenwel hadden de nieuw aangekomen Chineezen het vaartuig verlaten, of -de roeiers—allen Javanen—haastten zich, onder toezicht van een hunner, om eenige blikken -en vaatjes, die op den bodem der sloep opgestapeld lagen, aan wal te brengen, en in -allerijl achter eenige struiken te verbergen. -</p> -<p>„Lekker die zwarte boter!” grinnikte er een, op de vaatjes wijzende, die er uitzagen, -alsof zij pas eene Nederlandsche boerderij verlaten hadden, en allen het cachet van -Van der Leeuw<a class="noteRef" id="xd30e1317src" href="#xd30e1317">2</a> in groen lak vertoonden. -</p> -<p>„Ik wou, dat ik maar een paar taël<a class="noteRef" id="xd30e1323src" href="#xd30e1323">3</a> van die boter had,” antwoordde een ander lachend. -</p> -<p>„Straks maar naar de „pentjandon” (opiumkit) van babah Tjoa Tiong Ling toe. Daar kunt -ge van die zwarte boter krijgen en spoedig genoeg van uw zuur verdiende gagie verlost -zijn.” -</p> -<p>„Om het even, het is toch maar een lekker ding, die …” -</p> -<p>„Ja, vooral als wij er veel aan verdienen.” -</p> -<p>Blikken en vaatjes waren spoedig voor het meest scherpziend oog verborgen, waarna -de roeiers zich op weg naar de djaga monjet begaven. -</p> -<p>Daar vond intusschen een ander tafereel plaats. -</p> -<p>Toen de vijf Chineezen in het wachthuisje waren aangekomen, werd onmiddellijk een -aanvang gemaakt met de ondervraging van Ardjan, die steeds zwaar gekneveld op den -bodem uitgestrekt lag. Liem King had onder weg de bizonderheden van de gevangenneming -van den Javaan verhaald, zonder evenwel zich iets te hebben laten ontvallen, wat op -Dalima doelde. -</p> -<p>Gedurende die mededeeling had Lim Ho, een rijzige Chinees, de aanvoerder der overigen, -ongeveer vijf en twintig jaren oud, met eene geel <span class="corr" id="xd30e1338" title="Bron: fletste">fletse</span> gelaatskleur, harde trekken en gluipende schuinstaande oogen, aandachtig toegeluisterd. -Hij had een glimlach van tevredenheid <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>niet kunnen onderdrukken, toen hij vernam, dat het de „djoeroemoedi” Ardjan was, die -gevangen genomen werd. Zoodra het verhaal uit was, vroeg hij op onverschilligen toon: -</p> -<p>„Was de Javaan alleen?” -</p> -<p>„Ja, geheel alleen,” antwoordde Liem King. -</p> -<p>Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van Lim Ho. -</p> -<p>„Hij was gezeten in eene djoekoeng?” vroeg hij. -</p> -<p>„Ja, babah.” -</p> -<p>„Kan die djoenkoeng ook in zee omgeslagen zijn?” -</p> -<p>„Best mogelijk,” antwoordde de sluwe Chinees. „Toen Than Khan en ik de djoekoeng vonden, -lag Ardjan kletsnat en ademloos op het strand, alsof hij in het water gelegen had, -en waren de bamboezen der sajab verbrijzeld.” -</p> -<p>„Wij zullen dat straks wel vernemen,” sprak Lim Ho trotsch voornaam. -</p> -<p>Toen hij het hutje ingetreden was, vroeg hij aan Ardjan, zonder hem evenwel met een -blik te verwaardigen: -</p> -<p>„Waarom ben je ontvlucht?” -</p> -<p>„Ik had „<span lang="ms">sakit hatie</span>” (hartzeer), antwoordde deze. „Ik verveelde mij aan boord en wilde naar de dèsa terug.” -</p> -<p>„En daarom heb je Dalima meegenomen.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Ardjan antwoordde niet. Liem King en Than Khan verbleekten. -</p> -<p>„Waar is de „prawan” (maagd) verdronken?” vroeg Lim Ho verder. -</p> -<p>„Verdronken!…” riep Ardjan verschrikt uit. „Heeft men haar verdronken?” -</p> -<p>„Of men haar verdronken heeft? Is de djoekoeng, waarmede gij beide van de <i>Kiem Ping Hin</i> ontvlucht zijt, dan niet omgeslagen? Waar is dat gebeurd? Misschien heeft Dalima -zich nog kunnen redden.” -</p> -<p>„Zich nog kunnen redden!.. Maar de djoekoeng is niet omgeslagen!” kreet Ardjan. „Wij -zijn beiden aan land gekomen. Zij uiterst beangst door het noodweer, ik zeer vermoeid -van het pagaaien.” -</p> -<p>„Maar, waar is zij dan gebleven?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet. Vraag dat aan Liem King en Than Khan.” -</p> -<p>Die twee stonden te bibberen van angst. -<span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span></p> -<p>„Hebt gijlieden gehoord?” vroeg Lim Ho hooghartig. „Ik wacht op antwoord!” -</p> -<p>„Ik weet niet, wat er van het meisje geworden is!” stamelde Than Khan. -</p> -<p>„Zij kan wel door een kaaiman verslonden zijn,” prevelde Liem King. -</p> -<p>„Is zij meê aan wal gekomen, ja of neen?” vroeg Lim Ho aan Ardjan, terwijl hij van -ongeduld op den vloer stampte, zoodat de geheele hut dreunde en schudde. -</p> -<p>„Ja,” antwoordde de Javaan. „Die twee hebben mij eerst en daarna Dalima armen en beenen -gebonden. Toen hebben zij mij hierheen gedragen, en zijn daarna het meisje gaan halen. -Zij zijn evenwel zonder haar teruggekomen.” -</p> -<p>Lim Ho keek de beide Chineezen met doordringenden blik aan. -</p> -<p>„Waarschijnlijk is zij door een kaaiman verslonden,” herhaalde Liem King. -</p> -<p>„Of door een tijger weggehaald,” vulde Than Khan aan. -</p> -<p>Lim Ho stak een fluitje in den mond. Een oorverscheurend schril geluid weerklonk. -Een der Javaansche matrozen, die inmiddels bij de hut aangekomen waren, trad binnen. -</p> -<p>„Roep je sobats!” (makkers) klonk het bevel. -</p> -<p>In een oogwenk waren allen binnen. -</p> -<p>„Bindt die schavuiten!” beval Lim Ho; terwijl hij op Liem King en Than Khan wees. -</p> -<p>Dat was spoedig geschied. De Javanen haalden hun hart op, toen zij die twee Chineezen -mochten knevelen. Het ging ruw en hardhandig toe. De touwen werden zoo strak mogelijk -aangehaald! De slachtoffers kermden. O, als het eens op Java tot eene uitbarsting -mocht komen! Dan wee, de zonen van het Hemelsche rijk! Of bij zoo’n catastrophe eene -andere natie ook niet in de klem zou geraken? -</p> -<p>Toen de beide Chineezen gebonden waren, riep Lim Ho: -</p> -<p>„En nu op de jacht! Een meisje, de kleine Dalima, is ontvlucht! Vijfhonderd „ringgiet’s” -(rijksdaalders) voor hem, die dat lieve kind opspoort en mij uitlevert!” -</p> -<p>Een juichkreet ging op, en onder het slaken daarvan, stormde de bende naar buiten. -</p> -<p>Toen de Javanen verdwenen waren, liet Lim Ho zich <span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span>door een zijner volgelingen zijne pijp aanreiken, stopte het kleine kopje, dat aan -een langen steel van zeer fraai bamboe met uiterst korte geledingen stak, met goudgeele -haarfijne tabak, ontstak daarna die pijp, en deed eenige halen, waarbij hij den rook -door de neusgaten uitblies. Hij zette zich toen neder op den eenigen stoel,—een lomp -onbehouwen meubel, met de „gollokh” (kapmes) ruw bewerkt,—in het vertrek aanwezig, -terwijl de overige Chineezen neerhurkten, en richtte het woord tot Ardjan. -</p> -<p>„Vertel nu,” sprak hij, „hoe je met Dalima van de <i>Kiem Ping Hin</i> ontsnapt bent. Je wist toch, dat ik naar het bezit van dat meisje haakte?.… Maar, -pas op! niet liegen! want je leven is in mijn hand, dat begrijp je!” -</p> -<p>Ardjan kreunde. Hij verzocht, dat zijne banden geslaakt zouden worden. Zooals hij -gebonden was, was het niet uit te houden, beweerde hij. -</p> -<p>„Neen, eerst vertellen!” sprak Lim Ho. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Daarna zal ik zien.” -</p> -<p>Intusschen gaf hij toch met een enkel woord bevel, den gefolterden Javaan van de bamboe -te ontdoen, die hem de armen op den rug gewrongen hield. Toen dat marteltuig verwijderd -en Ardjan wat tot verademing gekomen was, beval de Chinees: -</p> -<p>„Komaan, spreek; ik luister.” -</p> -<p>„Gij weet,” zoo begon de Javaan, „dat ik djoeroemoedi aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> ben. Het vaartuig lag gisteren namiddag achter Poeloe Kalajan niet ver van Santjoemeh -ten anker, toen eene djoekoeng op zij schoot, waarin een paar uwer landslieden gezeten -waren. Aanvankelijk dacht ik, dat zij gesmokkelde opium, die tot de lading van den -schoener behoorde, kwamen afhalen. Ik wierp hen eene tali (touw) toe, en was hen bij -het aan boord klimmen behulpzaam. Maar, in stede dat zij iets kwamen halen, brachten -zij wat. Zij tilden een zak aan het dek, die den vorm had van een menschengedaante. -Dat ging mij echter niet aan; zoo iets had ik meer aan boord gezien. Ik hielp zelf -dat pak in de hut van den kapitein brengen. Ik <span class="corr" id="xd30e1414" title="Bron: lachtte">lachte</span> en schertste zelfs met de twee Chineezen over het genoegelijk uurtje, dat kapitein -Awal Boep Said wachtte. -</p> -<p>„Toen die aan boord kwam, gaf ik hem kennis van het buitenkansje, dat hem, zooals -ik meende, genoegen <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>moest doen. Maar, in stede van naar zijne hut te vliegen, bleef hij op het dek, en -beval mij zorgvuldig uit te kijken, daar hij gasten verwachtte. -</p> -<p>„En, inderdaad, weinige uren later kwaamt gij, Lim Ho, met een paar uwer vrienden -aan boord. Het was tijd, dat gij den schoener bereiktet; want het was reeds nacht -geworden, en de noordwester storm was in aantocht. Nauwelijks waart gij dan ook aan -boord, of hij brak los. Toen ik u zag, bekroop mij een onaangenaam gevoel, en onwillekeurig -dacht ik aan het pak, dat aan boord gebracht was, en in de hut van Awal Boep Said -op het bed lag. Ik wilde naar beneden sluipen, om eens een kijkje te nemen; maar de -kapitein, die het naderend slechte weer gadesloeg, deed de brassen strak zetten, en -een tweede anker uitbrengen. Ik kreeg mijn deel in de werkzaamheden, en kon het dek -niet verlaten. -</p> -<p>„Toen ik een uur later in de kajuit kwam, laagt gij op eene rustbank uitgestrekt, -en waart bezig met opiumrooken. Gij hadt de pijp in handen en zwelgdet met blijkbaar -genoegen den rook in. Naast u stond een uwer volgelingen, die bezig was een balletje -„madat” klaar te maken en te kneden, terwijl eene zekere hoeveelheid „tjandoe”<a class="noteRef" id="xd30e1424src" href="#xd30e1424">4</a> zich in uwe nabijheid in een doosje bevond. -</p> -<p>„O, ik wist, wat dat alles beteekende! Voor hem, wiens zinnen door overmatige prikkeling -verstompt en verdoofd zijn, is opwekking noodig. Een duifje was in uwe macht, gij -moest uwe uitgeputte krachten opwekken. Daarenboven, gij wildet de meest mogelijke -genietingen van uw slachtoffer erlangen; want ge kent de eigenschappen van de opium -en weet er gebruik van te maken. -</p> -<p>„Ik lachte er nog om. Och, zoo iets gebeurt zoo vaak in de wereld! Een hadji heeft -mij verteld, dat de opium een geschenk van Ngahebi Mohammed is, en dat de gelukzaligen -in den hemel slechts door dat middel hunne krachten schragen, en ten gevolge van dat -middel zoo door de hoeri’s geliefd worden. -</p> -<p>„Maar toch bekroop mij een beangstigend gevoel, dat mij tot nieuwsgierigheid dwong. -Sedert lang is Dalima <span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span>mij door hare ouders tot vrouw bestemd. Ik heb nog maar weinig ringgiets te verdienen, -om de som bij elkaar te hebben, die noodig is, om een span karbouwen te koopen. Als -ik die zal bezitten, dan is de <span class="corr" id="xd30e1437" title="Bron: huwlijksdag">huwelijksdag</span> daar. Maar, ik weet ook, Lim Ho;” en hierbij siste de stem van den Javaan en klonk -schier dreigend, „maar ik weet ook, dat gij naar het bezit van het meisje haakt;.… -ik weet, welke kostbaarheden gij haar hebt laten zien;.… ik weet, welke som gij haren -vader voor hare onschuld geboden hebt.… Ik wilde zien, wie daar in de hut opgesloten -was. Toch had ik nog geen erg op Dalima! Zij had uwe voorstellen smadelijk afgewezen. -Haar vader had u met zijn kris gedreigd.… Hoe zou de baboe van den toean resident -in uwe macht geraakt zijn?.… Dat was immers onmogelijk.…” -</p> -<p>„Ja, dat was onmogelijk!” grinnikte Lim Ho, wiens verdorven gemoed door het verhaal -van den Javaan gekitteld werd. „Ja, dat was onmogelijk!.… Vertel eens, Ong Kwat, hoe -zij je in handen kwam.” -</p> -<p>„Dat ’s onnoodig”, hervatte Ardjan. „Zij zelf heeft mij dat in de djoekoeng verhaald. -Gisteren wandelde zij met een kind, een neefje van haren heer, in de Salak-laan<a class="noteRef" id="xd30e1443src" href="#xd30e1443">5</a> achter het residentiehuis. Het kind wierp zijn bal in eene sloot langs den weg. Dalima -bad een Chinees, die daar bij toeval passeerde, om het speeltuig op te visschen. Hij -voldeed aan dat verzoek; maar in stede van den bal aan het kind terug te geven, wierp -hij hem met alle kracht en zoo ver hij kon, in den tuin. Het kind liep juichend den -bal na; onderwijl sprong de Chinees op het meisje toe, dat zonder erg het kind natuurde, -stopte haar, voor dat zij een gil had kunnen slaken, een prop in den mond, wierp haar -een zak over het hoofd en droeg haar tot aan het einde van de laan, waar zij in eene -djoekoeng gelegd werd, die daar in de sloot dobberde. Het vaartuig stelde zich in -beweging, en een uur later was zij aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i>.…” -</p> -<p>„Juist, zoo is het gebeurd, nietwaar, Ong Kwat?” vroeg Lim Ho. -<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> -<p>De aangesprokene bevestigde met een hoofdknik en een grijns, en antwoordde: -</p> -<p>„Ik had reeds vier dagen op dat hapje geloerd!” -</p> -<p>„Ga, nu maar voort, Ardjan,” maande de Chinees aan. „Maar, ik waarschuw je voor leugens!” -</p> -<p>„Bij mijn binnenkomen in de kajuit keek ik eens rond. Gij, Lim Ho, waart geheel versuft -van het opiumrooken, maar hadt het stadium nog niet bereikt, dat de opium iemand in -woestwilden hartstocht doet ontvlammen. Uw helper, misschien ook onder den invloed, -wijdde zijne geheele aandacht aan de madatballetjes, die hij kneedde. Buiten u beiden -was niemand in de kajuit. Ik sloop de hut binnen en bij het licht der lantaarn, die -er brandde, herkende ik in een oogopslag Dalima. Ik bedacht mij niet lang, maar sprong -op haar toe, en sneed in een oogwenk hare banden los, vloog de hut en de kajuit met -lichten tred uit, en was in een oogenblik weer terug, met eenige mannenkleeding, die -ik haar gaf. Zij trok die aan, en een poos later had ik haar op het voorschip achter -een hoop zeilen geborgen, die daar lagen. -</p> -<p>„De storm woedde intusschen met volle kracht en het was misschien daaraan te danken, -dat zij onbemerkt de hut had kunnen verlaten. De kapitein Awal Boep Said liep met -angstige schreden het achterdek op en neer, en liet als trouwe muselman zijn bidsnoer -door de vingers glijden, terwijl zijne lippen van tijd tot tijd een Allah ackhbar! -(God is groot) of een Bismilla! (de Heer zij gezegend) prevelden. De andere opvarenden -schuilden in het volks-logies; terwijl uwe metgezellen zeeziek in hunne kooien lagen. -</p> -<p>„Van die omstandigheid maakte ik gebruik. Ik haalde de djoekoeng, waarmeê Dalima aan -boord was gebracht, en die op zij van het schip op de golven lag te dansen, naar mij -toe. Het meisje gleed langs een touw er in; ik volgde haar, greep een dajong (pagaai) -en weldra dreven wij, door den wind voortgezweept, ver van de <i>Kiem Ping Hin</i>. -</p> -<p>„Ik had gehoopt de kust te kunnen bereiken, die het naast bij het residentie-huis -lag; maar toen de djoekoeng achter Poeloe Kelajan uit kwam, grepen haar wind en stroom -en dreven wij op Allah’s genade heen. -</p> -<p>„Ik zette spoedig de sajab’s uit, die in het vaartuig <span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span>lagen. Die hebben belet, dat wij verdronken zijn; want al heel spoedig waren wij in -de branding, die op den „Oedjoeng” (kaap) staat. Ik pagaaide uit alle macht. Als wij -die kaap voorbijdreven, dan waren wij verloren. Het gelukte mij eindelijk die branding -te doorworstelen. Nog een poging.… en wij waren de Moeara Tjatjing binnen. Toen wij -geland waren, viel ik uitgeput op den grond en, voor dat ik tot adem had kunnen komen, -hadden Than Khan en Liem King ons beiden, Dalima en mij, gebonden. Ik werd hierheen -gedragen. Wat van het meisje geworden is, weet ik niet. Ik heb haar niet meer terug -gezien. Ziedaar, de volle waarheid.” -</p> -<p>Er trad een stilte in, die eenige oogenblikken duurde. Het was of Lim Ho nadacht en -niemand durfde zijn gedachtengang storen. -</p> -<p>Eindelijk sprak hij, terwijl hij zich tot Than Khan en Liem King wendde: -</p> -<p>„Wat hebt ge op dat verhaal aan te merken?” -</p> -<p>Geen van beiden antwoordden. -</p> -<p>„Wilt ge spreken!” riep Lim Ho met kwalijk verbeten woede uit, terwijl hij zijne twee -gevangenen, die even als Ardjan, gebonden op den vloer uitgestrekt lagen, een schop -met zijne harde sandalen in de zijde gaf. -</p> -<p>„Die Javaan liegt!” riep Liem King, van de pijn krimpende uit. „Wij hebben geen meisje -gezien.” -</p> -<p>„Hij heeft haar waarschijnlijk het bosch in laten vluchten, voor wij bij hem aankwamen.” -</p> -<p>„Ik had mijn leven voor Dalima gegeven!” sprak Ardjan hartstochtelijk. „Maar, ik lag -uitgeput van vermoeidheid op den grond; ik heb haar niet kunnen verdedigen. Babah, -ik lieg niet! Die twee mannen moeten weten, wat er van het meisje geworden is.” -</p> -<p>Lim Ho prevelde eenige woorden binnensmonds, en scheen te overdenken, wat hem te doen -stond. Plotseling verhieven zich in de nabijheid der hut eenige stemmen. Het waren -de roeiers, die jacht op Dalima gemaakt hadden, en thans kwamen berichten, dat hunne -pogingen vruchteloos geweest waren. Zij hadden het meisje niet gevonden. -</p> -<p>Bij die tijding glom er iets tevredens, iets dankbaars in den blik van Ardjan. -</p> -<p>„Tenzij dit als een spoor van haar ware aan te merken,” sprak een der roeiers, terwijl -hij een bundel touwwerk <span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span>liet zien. „Dat heb ik bij een struik, dicht bij de plaats waar onze sloep geland -is, gevonden.” -</p> -<p>„Dat zijn de „talies” (touwen), waarmede Than Khan en Liem King de polsen en de enkels -van Dalima gebonden hebben,” sprak Ardjan ernstig en bedaard. -</p> -<p>Lim Ho vestigde den blik op de beide schavuiten. Deze zwegen. Dat stomme bewijs hunner -leugentaal snoerde hen den mond. -</p> -<p>Toen sprak de babah een paar woorden, waarop èn Ardjan èn Than Khan èn Liem King van -angst krompen en om genade smeekten. Lim Ho bleef evenwel doof voor hunne kreten, -verwaardigde hen ter nauwernood met een blik; terwijl hij de twee Chineezen bij wijlen -met koele woede een schop toebracht. -</p> -<p>In kort afgebroken bewoordingen gaf hij zijne bevelen, die door de Javaansche roeiers -met spoed werden ten uitvoer gelegd. Een paar hunner stoven naar buiten; terwijl de -anderen de twee gebonden Chineezen, alsook Ardjan overeind hielpen, en zich gereed -maakten hen naar buiten te brengen. -</p> -<p>„Heb medelijden met ons!” smeekte Than Khan. -</p> -<p>„Waar is Dalima?” was het antwoord op woesten toon uitgebracht. -</p> -<p>„Wij weten het niet.” -</p> -<p>„En gij?” was de vraag tot Ardjan. -</p> -<p>„Ik weet het ook niet. Zij zal waarschijnlijk naar het huis van den toean resident -teruggekeerd zijn.” -</p> -<p>„Heb medelijden!” gilde Liem King op zijne beurt. -</p> -<p>„Geen medelijden met kerels als gij!” -</p> -<p>„Maar, wat hebben wij toch gedaan?” vroegen de twee Chineezen. -</p> -<p>„Gij hebt Dalima in handen gehad, en gij hebt haar laten ontvluchten!” antwoordde -Lim Ho, terwijl hij met verbeten woede op de tanden knarste. -</p> -<p>„En gij, gij,” ging hij sissend voort, terwijl hij zich tot Ardjan wendde. „Gij, die -u vermeten hebt, dat meisje van boord te ontvoeren.…” -</p> -<p>„Zij is mijne bruid!” kreet deze. -</p> -<p>„Uwe bruid!… Alsof een zoo lief kind de prooi van zoo’n Javaanschen hond zou kunnen -zijn! Maar .… ge zijt gisteren avond van de <i>Kiem Ping Hin</i> ontvlucht. Is er in de djoekoeng?…” -<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> -<p>Een walgelijk gemeene grijns van teleurgestelden wellust teekende zich bij die half -uitgesproken vraag op het flets gele gelaat van Lim Ho. -</p> -<p>„Bij Allah! neen!” riep de Javaan onstuimig uit. „Dalima is rein, als de witte bloem, -waarvan zij den naam draagt.<a class="noteRef" id="xd30e1506src" href="#xd30e1506">6</a> Daarenboven ik had in die djoekoeng, bij den storm die heerschte, wel wat anders -te doen dan te minnekoozen.” -</p> -<p>„Dat is je geluk!” brulde Lim Ho. „Als je haar niet geëerbiedigd hadt, dan was je -den dood schuldig! Dan zou ik je met eigen hand gekrist hebben! Nu zal ik je alleen -maar straffen, omdat je ontvlucht bent. Ik wil de geschiedenis met Dalima vergeten.… -Maar,” ging hij met een grijnslach voort, „je bent ontvlucht, om aan de strandbewakers -kennis van de oogmerken van de <i>Kiem Ping Hin</i> te geven.…” -</p> -<p>„Dat’s onwaar!” riep Ardjan uit. -</p> -<p>„Je hebt dus verraad jegens de kongsie willen plegen.” ging Lim Ho voort, zonder op -de ontkenning van den Javaan acht te slaan. -</p> -<p>„Dat’s onwaar!” herhaalde de rampzalige in volle wanhoop. „Ik ben ontvlucht, om Dalima -te redden. Kris mij daarom; maar ik ben geen verrader!” -</p> -<p>„Je hebt verraad tegen de kongsie willen plegen!<span class="corr" id="xd30e1522" title="Bron: ’">”</span> ging de Chinees onverstoorbaar voort. „Je kent de „adat” (gebruiken) van onze vereeniging, -nietwaar? Je zult dezelfde tuchtiging als die twee daar krijgen; daarna zal ik je -aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> laten brengen, niet meer als djoeroemoedi, maar als slaaf, om op Poeloe Bali afgezet -te worden, waar je op straffe des doods als je zoudt willen terugkeeren, blijven zult, -zoo lang de kongsie dat goed zal vinden.”<a class="noteRef" id="xd30e1527src" href="#xd30e1527">7</a> -<span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span></p> -<p>„Dood mij liever!” sprak de Javaan woest. „Ik heb geen verraad jegens de kongsie gepleegd. -Ik kan en wil in geen andere negorij leven, dan waar Dalima woont!” -</p> -<p>Lim Ho’s gelaat teekende al den haat, die zijn ziel kon koesteren jegens den medeminnaar, -die de genegenheid van het lieve meisje bezat, dat wist hij. Hij verwaardigde zich -tot geen enkel antwoord; maar gaf een teeken aan de roeiers, die de gevangenen voortduwden, -en hen met slagen en stompen den ingekorven boom, die tot trap diende, deden afklimmen; -maar waarbij de ongelukkigen, wier handen gebonden waren, en zich dus niet grijpen -konden, een voor een naar beneden ploften en liggen bleven, tot dat zij weer overeind -geholpen werden. -</p> -<p>Lim Ho en zijne medestaartgenooten schaterden bij die buiteling van de pret, terwijl -deze vroolijkheid als aanmoedigend opgenomen werd, en de roeiers nog meer aanzette, -om hunne hardhandige geestigheden op de slachtoffers bot te vieren. -<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1268"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1268src">1</a></span> <i>De smokkel-rayon<span class="corr" id="xd30e1271" title="Niet in bron">.</span></i> Het is allen vaartuigen, die opium aan boord hebben, verboden om de kusten van Nederlandsch-Indië -elders dan de plaats van inklaring op korter afstand dan drie mijlen te naderen, tenzij -noodweer, averij of andere onheilen zulks noodzakelijk maken. <a class="fnarrow" href="#xd30e1268src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1317"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1317src">2</a></span> <i>Het cachet Van der Leeuw in groen lak</i> was destijds een zeer gewild botermerk in Ned.-Indië. <a class="fnarrow" href="#xd30e1317src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1323"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1323src">3</a></span> <i>Taël</i> is een gewicht om kostbare zaken als goud, opium, enz. mede te wegen. De taël weegt -0,0386 <abbr title="kilogram">K.G.</abbr> <a class="fnarrow" href="#xd30e1323src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1424"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1424src">4</a></span> <i>Madat</i> en <i>tjandoe.</i> Tjandoe is gezuiverde opium. Madat is tjandoe met tabak vermengd, die tot balletjes -gekneed en tot rooken gereed is. <a class="fnarrow" href="#xd30e1424src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1443"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1443src">5</a></span> <i>Salak.</i> Een stamlooze palmsoort, door de plantenkundigen Sacca edulis genoemd, draagt rinsch -wrange vruchten, die evenwel door velen zeer gewild zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e1443src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1506"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1506src">6</a></span> <i>Rein als de witte bloem, waarvan zij den naam draagt.</i>—Dalima beteekent granaat en heet bij de geleerden Punica granatum. Er zijn verscheiden -dalima-soorten op Java, waarvan D. meirah met vuurroode, D. soesoen, de in den tekst -bedoelde, met witte, D. koening met gele en D. berrem met dubbele bloem de voornaamste -zijn. -</p> -<p class="footnote cont">In Indië is het niet zeldzaam, dat aan meisjes de naam eener bloem gegeven wordt. -Schrijver heeft te Batavia een lieve baboe gekend, die Baboe Dalima heette. Wat uiterlijk -betreft, heeft die wel ietwat voor model van haar romantisch zusje gediend. <a class="fnarrow" href="#xd30e1506src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1527"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1527src">7</a></span> <i>Zoolang de kongsie dat goed zal vinden.</i>—De oud-Gouverneur-Generaal <span class="pageNum" id="pb28n">[<a href="#pb28n">28</a>]</span>Duymaer van Twist verklaarde op 25 Februari 1859 in de Tweede Kamer: „Er waren Inlanders, -die door de Chineesche pachters verbannen waren naar een aangewezen oord van Java, -op straffe des doods in geval van terugkeer; het waren de zoodanigen, voor wier getuigenis -de pachters bevreesd waren, wanneer hun smokkelhandel aan het licht mocht komen.” <a class="fnarrow" href="#xd30e1527src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e643">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">III.</h2> -<h2 class="main">Hoekoem Kamadoog.—De familie Van Gulpendam.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Buiten was de natuur zeer weinig in overeenstemming met het tooneel, dat de menschen -op dat plekje daar voorbereidden. -</p> -<p>De stormwind, die des nachts geheerscht had, was gevallen en in eene luwe bries overgegaan. -Zacht ritselden de bladeren der kruinen van de wortelboomen op het strand; met een -harmonisch gemurmel kwamen de golven, die als het ware aan de branding, welke de kust -met een zilveren franje omzoomde, ontsnapt waren, den oever lekken, daartegen oploopen, -om weer terug te ijlen, en het bevallig spel een oogenblik later weer te hervatten. -Van de strandhut werd tusschen de beide kapen door, die de Moeara Tjatjing omzoomd -hielden, een vergezicht op de volle zee genoten, dat schilderachtig genoemd mocht -worden. Onder de schitterende stralen der zon, stak het levendige blauw der zee helder -af. De oppervlakte van den oceaan deinde nog, de baren liepen elkander nog na, alsof -zij elkander vervolgden; hier en daar tooide zich nog een golf met eene kuif van verblindend -wit schuim, maar de geesel van den noordwesten wind ontbrak er aan. De toeschouwer -begreep, dat wat hij daar zag, het wegstervende op en neer gaan was van den boezem -van Amphitrite, nadat de hartstocht bekoeld was. En te midden van de opening, door -de beide kapen gevormd, werd, als in eene omlijsting van groen gevat, de schoenerbrik -<i>Kiem Ping Hin</i> zichtbaar, die daar op een kanonschots-afstand <span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span>van den wal voor anker lag, en op de aanrollende deining bevallig op en neer bewoog, -terwijl de Engelsche vlag aan haren gaffel in sierlijke plooien wapperde. -</p> -<p>Voor de hut en voor het boschje Saoe-boomen, waarin zij verscholen lag, stond een -groep Niboeng-palmen met hare gladde stammen recht als een kaars, met hare bevallige -kruinen van gevinde bladeren, die daar boven hoog in de lucht onder de zachte bries -wuifden. Overigens sloot het Rhisophoren-woud, met zijne duizende en duizende vertakte -wortelstammen, een dichten en voor het oog ondoordringbaren kring om de hut, die slechts -aan de zeezijde open was. -</p> -<p>Op een wenk van Lim Ho werden den gevangenen de kleederen van het lijf gerukt, en -werden de rampzaligen spiernaakt ieder aan den stam van een dier palmen recht overeind, -met het gelaat naar den boom gekeerd, gebonden. De touwen, die gediend hadden om de -handen en voeten van Dalima te knevelen, werden nu gebezigd om de twee Chineezen aan -den boom te binden, die voor hen een ware folterpaal zou worden. -</p> -<p>Met angstigen blik keken de slachtoffers bij dat binden rond. Hun ontsteld oog bespeurde -evenwel nog niet, wat zij zochten en toch vreesden te zien. Zij stonden daar bibberende, -hoewel de stralen der tropische zon hen op de ruggen brandden, met de handen hoog -boven het hoofd vastgemaakt, met een touwgordel om de lendenen en om de kniegewrichten, -die geen enkele beweging, dan met ontzettend lijden gepaard, gedoogde. Die touwen -toch waren van gemoetoe geslagen en bijgevolg hard, ruw en stekelig. -</p> -<p>Plotseling stootte Than Khan een lichten kreet uit. Bij zijn angstig rondkijken had -hij een paar matrozen, ieder met een pak bladeren gewapend, zien naderen. Hij wist -dus, dat het folteruur gekomen was. -</p> -<p>Van die bladeren, die nog aan de heesterachtige takken zaten, en er voor het oog breed -hartvormig uitzagen, grove zaagtandige randen bezaten, en wier beide oppervlakten -zich wit donzig vertoonden, werden met eenige voorzorg, die wel begrepen zal worden, -een drietal bossen gebonden. Toen die klaar waren, gaf Lim Ho een teeken. Daarop naderden -drie matrozen, die de ondertakken der bosjes met een lap of vod bekleed hadden, <span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span>de slachtoffers, en begonnen hen den rug, de lendenen, de zitvlakken, de dijen en -de kuiten met die bladeren te slaan. Het was eigenlijk geen slaan, wat geschiedde; -het was meer een wuiven, een streelen, alsof het doel bestond lastige vliegen van -die naakte lichamen te verwijderen. Nu en dan werd een ietwat hardere tik toegebracht, -alsof een weerspannig insekt, dat de plaats niet wilde verlaten, verjaagd moest worden. -Het was een zeldzaam schouwspel, dat daar vertoond werd. Het gelaat van de gevangenen -teekende onmiskenbaren angst, die voor den oningewijde, die dat tooneel had kunnen -gadeslaan, geen reden van bestaan had. Het was toch, alsof de handelende personen -zich slechts beijverden, de geknevelden met die bundels bladeren frischheid toe te -wuiven. Toch begonnen de slachtoffers reeds teekenen van pijn te vertoonen. Waar de -bladeren raakten, kromp het lichaam pijnlijk weg. De ledematen begonnen te trillen, -de spieren te werken en te spannen. Het gekittel, het gestreel, afgewisseld met lichte -slagen, ging voort. De lijders krompen, wrongen, verdraaiden hunne lichamen al meer -en meer. Hunne spieren zwollen op tot bundels, die de armen, de beenen, den rug en -den hals akelig misvormden. De gelaatstrekken werden verwrongen, de oogen puilden -uit hunne kassen. Toch gingen de beulen met hunne streeling voort. De ademhaling der -ongelukkigen werd korter, werd hijgend. Een zacht gekreun ontsnapte aan hunnen mond. -Zij knarsten op de tanden; zij trachtten de smart te verbijten, door hunne lippen -ten bloede te havenen. Niets, niets mocht baten! -</p> -<p>„Kassian, babah!” (heb medelijden, babah) was de kreet, die hunnen mond ontvlood. -</p> -<p>Maar deze, wel verre van deernis met de gefolterden te hebben, gaf een teeken aan -de beulen, die toen van taktiek veranderden, en de streeling door eene geregelde afranseling -lieten volgen. Het regende toen slagen op de lichamen der ongelukkigen; hunne huid -weerklonk onder het gekletter der bladeren, welke, minder gruwzaam dan de menschen, -die hen bezigden, begonnen te scheuren en hare stengels te verlaten. Toen die slagen -begonnen, was het geen gekreun meer, dat de gemartelden lieten hooren; het was een -gebrul, een gehuil, door de onduldbare smarten aan hunne lippen ontwrongen; het was -als het geluid <span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span>van een wild dier, dat doodelijk gekwetst, in een laatste geloei zijne wegstervende -krachten verzamelt. De ledematen der ongelukkigen wrongen niet meer, krompen niet -meer; neen, de ongelukkigen omgaven de boomstammen met hunne armen en beenen als slangen, -die er zich om wriemelden; zij drukten zich tegen die stammen aan, alsof zij zich -er indringen, in verbergen wilden. Neen, de bladeren-marteling bracht geene verwonding, -geene kneuzing, zelfs geene blauwe plekken te weeg. Maar de huid was opgezet, zag -er rood en vurig uit, alsof zij geblakerd was. Daarenboven bij de onmenschelijke inspanning, -door de pijn veroorzaakt, drongen de bindtouwen diep in het vleesch, schuurden en -verscheurden de weefsels onder de hevige bewegingen der lijders, en weldra vloot het -bloed in stralen langs de polsen en armen, langs de lendenen en dijen, langs de beenen -en voeten, en vormde roode plekken op den glibberigen bodem. -</p> -<p>Maar, wat was de smart door die touwen veroorzaakt, te vergelijken bij de onduldbare -pijn, door die duivelsbladeren teweeggebracht! -</p> -<p>Reeds waren de martelwerktuigen voor het grootste gedeelte ontbladerd. Het waren nog -maar takjes, hier en daar nog van een verscheurd blad voorzien. De andere overblijfselen -lagen verlept, verreten, vernietigd rondom de drie lijders op den grond verspreid, -en nog dacht Lim Ho er niet aan om de foltering te doen ophouden. Het was, alsof hij -zijne slachtoffers onder de marteling wilde doen bezwijken. Hij liet een oogenblik -halt houden, niet uit deernis, o neen, maar om de lichamen der ongelukkigen met water -te doen besproeien, waardoor de reeds zoo onuitstaanbare pijnen nog vermeerderd werden. -De onmensch was op het punt bevelen te geven om het slaan te hervatten, toen plotseling -een alarmkreet vernomen werd. -</p> -<p>„Orang oppas! orang oppas!”<a class="noteRef" id="xd30e1568src" href="#xd30e1568">1</a> klonk het. -</p> -<p>Met woesten spoed sprongen Lim Ho en ettelijken zijner accolyten op de beide gemartelde -Chineezen los, sneden de touwen door, die hen aan de Niboeng-palmen gebonden hielden, -en sleepten de halfbewustelooze rampzaligen, <span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span>die zich in duldelooze smarten kromden en kronkelden, langs het pad voort, dat naar -de aanlegplaats der sloep voerde. Een paar andere volgelingen van Lim Ho wilden ook -op Ardjan toetreden; maar de angst sloeg hen om het hart, toen zij de aanmoedigingskreten -van de naderenden hoorden. Zij sloegen op de vlucht. Het was tijd ook, dat de sloep -bereikt werd; want nauwelijks hadden allen daarin plaats genomen, en was het vaartuig -afgestoken, of een viertal agenten geleid door Dalima en gevolgd door een aantal dèsabewoners, -verschenen al schreeuwend en tierend in de nabijheid van de djaga monjet. -</p> -<p>„Allah!” kreet het jonge meisje, toen zij Ardjan bemerkte, die nog altijd aan den -boom gebonden was en van pijn kreunde, hoewel hij als eene levenlooze massa aan de -touwen hing, die hem omknelden. -</p> -<p>„Allah!” riep zij, terwijl zij op hem toetrad. „Wat hebben zij hem toch gedaan?” -</p> -<p>Men omringde den ongelukkige; men sneed zijne banden door; men legde hem op een matje, -dat fluks uit het wachthuisje gehaald was. Maar de rampzalige kon geen woord spreken. -Hij brulde en raasde van de pijn en wentelde over den grond met kronkelingen als een -worm, die vertreden was. -</p> -<p>„<span lang="ms">Allah!… Adoe!… Sakit, sakit!</span>” (O God … o wee!… Pijn, pijn!) kreet hij. -</p> -<p>„<span lang="ms">Sakit apa?</span>” (Waar is de pijn? Wat scheelt je?) vroeg Dalima, die naast hem gehurkt zat. -</p> -<p>„<span lang="ms">Sakit Kamadoog!</span>” brulde de lijder tusschen twee smartkreten. -</p> -<p>„<span lang="ms">Sakit Kamadoog!</span>” riepen de omstanders ontzet. -</p> -<p>En ja, daar raapte een der aanwezigen een der bossen geschonden bladeren op, die tot -foltertuig gediend hadden, en vertoonde aan de menigte de vreeselijke brandnetel, -die de meesten deed verbleeken. -</p> -<p>En inderdaad, de Kamadoog<a class="noteRef" id="n33.1src" href="#n33.1">2</a> is een vreeselijk gewas <span class="pageNum" id="pb34">[<a href="#pb34">34</a>]</span>in den volsten zin des woords, waarvan de lichtste aanraking reeds eene hevige branderige -jeuking doet ontstaan, en die als marteltuig gebezigd, den lijder gedurende minstens -zeven dagen ondragelijke pijnen en verstijving der ledematen, gepaard aan hevige koortsen, -doet ondervinden. -</p> -<p>„Heeft ook iemand sirihkalk<a class="noteRef" id="xd30e1619src" href="#xd30e1619">3</a> bij zich?” vroeg Dalima smeekend. -</p> -<p>Enkelen der aanwezigen haalden hunne reeds gereed gemaakte sirihpruimpjes, die zij -bij zich droegen, voor den dag, ontvouwden het sirihblad, waarin de pinangnoot<a class="noteRef" id="xd30e1625src" href="#xd30e1625">4</a>, de kalk en de tabak besloten was, waaruit eene lekkere pruim bestaat, gaven de kalk -daarvan aan het meisje over, dat zich haastte den lijder met het deegvormige alkali -in te smeeren. Maar, helaas! de oppervlakte van het lichaam van den lijder, die in -aanraking geweest was met de behaarde bladeren van de vreeselijke netel, was zoo groot -en de voorraad sirihkalk zoo klein, dat zelfs het derde gedeelte der branderige plekken -niet met het beweerde pijnstillend middel behandeld kon worden. -</p> -<p>Het meisje was wanhopig. -</p> -<p>De lijder werd binnen het hutje gebracht, om van de brandende zonnestralen bevrijd -te zijn, die zoowel de pijnlijkheid der huid als den koortsgloed, die hem naar het -hoofd steeg, vermeerderden. Toen snelden eenige lieden heen, om zoowel de noodige -kalk als wat olie te halen, die ook tot leniging der smart zoude dienen. Tegen den -avond hoopte men, dat de pijnen in zoo verre verminderd zouden zijn, dat de lijder -vervoerd zoude kunnen worden. -<span class="pageNum" id="pb35">[<a href="#pb35">35</a>]</span></p> -<p>Terwijl Ardjan zoo verzorgd werd, stevende de sloep van Lim Ho de djaga monjet voorbij -en de kleine baai uit. Wel riepen de politiedienaars de opvarenden toe, terug te keeren -en den wal aan te doen. Niemand stoorde zich evenwel aan dat bevel, en er waren geen -vuurwapens bij de hand om die lastgeving klem bij te zetten en te doen uitvoeren. -Het antwoord was dan ook slechts een uitdagend geschreeuw. -</p> -<p>Lim Ho had bij het voorbijvaren der strandhut duidelijk Dalima herkend, welke bij -hare bedrijvigheid, om den gemartelden Javaan te helpen, heen en weer, in en uit liep. -Hij voelde eene onuitsprekelijke woede in zich opwellen. Hij wilde naar den wal;.… -maar voordat hij daartoe de noodige bevelen had gegeven, kwam hij tot bezinning. Het -zou toch als krankzinnigenwerk moeten beschouwd worden, het meisje thans in de gegeven -omstandigheden te willen ontvoeren. Hoezeer hij ook op de macht van zijn geld mocht -kunnen rekenen, zoo in het licht der zon, zoo ten aanschouwe van al die dèsabewoners -zoude de omkooping der politie-agenten niet doenlijk zijn. Hij balde in kwalijk verbeten -woede de vuist tegen den wal, maar weerhield het bevel. De sloep was weldra buiten -de Moeara Tjatjing, en zette koers op de <i>Kiem Ping Hin</i>, waarop de matrozen de zeilen reeds los gooiden, om dadelijk te kunnen vertrekken. -</p> -<p>Juist toen Lim Ho aan boord stapte, kwam de kapitein Awal Boep Said hem melden, dat -de rook van een stoomschip even boven den horizon te zien was. -</p> -<p>„Zeer waarschijnlijk is het de <i>Matamata</i>, die hier de kustwacht uitoefent,” zeide hij. -</p> -<p>„Die blanke domkoppen!” zeide Lim Ho met een smadelijken glimlach op de lippen. „Bij -nacht verkondigen hunne gekleurde lichten uren van te voren hunne nadering. Bij dag -jagen zij eene pikzwarte rookzuil naar den hemel omhoog, die mijlen ver te zien is, -en niemand onzer bedriegen kan. Ik wed, dat zij ons nog niet bespeurd hebben, terwijl -zij voor ons niet onopgemerkt bleven.” -</p> -<p>„Dat ’s mogelijk, babah,” antwoordde de gezagvoerder; „maar wat zijn uwe bevelen?” -</p> -<p>„Met het rijzen der zon is ook de westenwind aangewakkerd. Wel, dadelijk onder zeil -en koers naar het eiland Bali.” -<span class="pageNum" id="pb36">[<a href="#pb36">36</a>]</span></p> -<p>Een kwartier later boog de <i>Kiem Ping Hin</i> bevallig stuurboord over onder den indruk van haar zeiltuig, en richtte den steven -naar het oosten. Toen de <i>Matamata</i> ter hoogte van de Moeara Tjatjing kwam, was het smokkelvaartuig, een uitmuntend zeiler, -de kim zeer nabij. Het vertoonde zich nog maar als eene flauwe witte stip op het blauw -des hemels. Het lompe douane-vaartuig, dat bij de meest gunstige gelegenheid slechts -zes mijlen in de wacht liep, en het tot acht kon brengen, wanneer de vuren flink opgepookt -en de veiligheidskleppen bezwaard werden, kon er niet aan denken een wedloop met den -ranken schoenerbrik te gaan houden, die met de bries, welke doorstond, gemakkelijk -elf mijlen aflegde. In minder dan een uur hadden de beide vaartuigen dan ook elkander -uit het gezicht verloren. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Wat was er inmiddels met Dalima gebeurd, dat deze zoo van pas kwam, om haren Ardjan -van een gedwongen ballingschap te redden? -</p> -<p>Zoodra zij het touw, dat hare handen gebonden hield, doorgeknabbeld had, wat haar -met hare fraaie witte, maar scherpe tanden niet veel tijd gekost had, had zij zich -beijverd, de banden te ontknoopen, die hare voeten omkneld hielden. Dat was ook snel -geschied, en met een verachtelijk gebaar wierp zij die touwen van zich en ijlde voort. -Een oogenblik bedacht zij zich, of zij niet eerst de djaga monjet zou naderen. Misschien -zou zij Ardjan te hulp kunnen komen. Maar, daar hoorde zij de stemmen van de beide -Chineezen, die het pad afkwamen om haar te halen. Toen sloeg haar de schrik om het -hart, en zonder te bedenken, dat deze omstandigheid eene nadering der hut niet onmogelijk -maakte, repte zij zich voort. Zij zou naar hare meesteres wederkeeren, zij zou die -smeeken; ja, maar … zou die?… Dan zou zij zich tot den resident wenden om hulp, en -die zou hare bede niet afwijzen. Pijlsnel als eene gejaagde hinde ijlde zij voort. -Als echt natuurkind was zij in dat woud niets ongerust. Daarenboven scheen zij den -weg te kennen, en ras was zij tusschen de ontelbare wortelstammen verdwenen. -</p> -<p>Toen zij het erf van de residentswoning langs den achterkant binnentrad, was het zeer -vroeg in den ochtend. <span class="pageNum" id="pb37">[<a href="#pb37">37</a>]</span>Het heerenhuis naderbij komende, bemerkte zij de dochter van den resident, die alleen -in de groote „pandoppo”<a class="noteRef" id="xd30e1663src" href="#xd30e1663">5</a> met een boek in de hand op een „<span lang="ms">krossi gojang</span>” (wipstoel) zat te wiegelen en geheel in hare <span class="corr" id="xd30e1670" title="Bron: lektuur">lectuur</span> verdiept was. Zacht sloop Dalima de pandoppo binnen, hurkte met eene bevallige beweging -in de nabijheid van het blanke meisje op den vloer neder, kruiste de beenen onder -zich, of beter voor haar lichaam, en naderde nu met zacht schuivende bewegingen, waarbij -zij zich met de linkerhand opgaf en met de andere zediglijk den „sarong” (onderkleed) -in bedwang hield, tot in de onmiddellijke nabijheid van den wipstoel, die nog altijd -onafgebroken op en neer ging. -</p> -<p>„Nana!” fluisterde zij met lispelende stem, alsof een zachte ademtocht hare lippen -ontvlood. -</p> -<p>Het aangesproken meisje, in hare <span class="corr" id="xd30e1676" title="Bron: lektuur">lectuur</span> gestoord, vloog bij het hooren van haren naam verschrikt op. „<span lang="ms">Siapa ada?</span>” (Wie is daar?) kreet zij met een lichten gil. -</p> -<p>Het was een schoon kind van ongeveer achttien lentes, dat daar van haren stoel opgerezen -was, en zich in hare volle bevalligheid vertoonde in de stralen der morgenzon, welke -door de <span class="corr" id="xd30e1684" title="Bron: jaloesieramen">jaloezie-ramen</span> binnendrong, die zoo breed mogelijk opgeslagen waren, om de frissche ochtendlucht -in de pandoppo toegang te verleenen. Het was eene lieve, rijzige brunette met een -matblank voorhoofd onder de fraaie, weelderige en donkere krullen; met prachtige bruine -oogen, die met hunnen lieftalligen blik van eene zachtmoedige geaardheid getuigden; -met frissche ronde wangen, waartusschen een allerliefst fijn besneden neusje zetelde, -dat een beeldhouwer tot eer zou verstrekt hebben; met allerbekoorlijkst fijn gevormde -lipjes, die aan eene pas ontloken roos deden denken, en waaronder eene kleine afgeronde -kin prijkte, die evenwel een kuiltje vertoonde, dat door zijne sierlijkheid en zijn -teeder rozenrood den blik verlokte en de bewondering afdwong. De buste van het lieve -kind was zedig verborgen door eene lief gefestonneerde kabaja, die <span class="pageNum" id="pb38">[<a href="#pb38">38</a>]</span>evenwel zooveel schoons en zulke welgevulde vormen te raden gaf, dat de bewering niet -te stout zoude klinken, dat onder dat fijn baptist een der meest volmaakte meesterstukken -van de schepping verscholen was. Zoo als zij daar stond, was een der slippen van de -kabaja bij haar verschrikt opvliegen opgeslagen, en vertoonde een smaakvol gebloemden -sarong, die evenwel de fraaie ronding der heup aan die zijde uitdagend modelleerde, -verder over het been afviel en een allerliefst blank rooskleurig voetje schalks zichtbaar -liet, dat met de teentjes even in een geborduurd snoeperig slofje verscholen was. -Hoewel het uiterlijk van het schoone meisje schrik aanduidde, stond zij daar met hare -zacht blozende wangen, met haar vragend oog, met hare half geopende lippen, met haren -zwoegenden boezem, zoo bevallig, zoo idealistisch schoon, dat zij een Makart gerust -tot model had kunnen strekken. -</p> -<p>„<span lang="ms">Siapa, ada?</span>” was haar verschrikte kreet geweest. -</p> -<p>„<span lang="ms">Saja, Nana</span>,” fluisterde Dalima schier onhoorbaar. -</p> -<p>Het lieve blanke meisje, waarvan wij hierboven een zwak beeld trachtten te ontwerpen, -heette Anna. In de wandeling werd zij door de bedienden met het gebruikelijke „nonna” -(juffrouw) aangesproken. Baboe Dalima, die, hetzij door hare jeugd, hetzij door hare -lieftalligheid, een schreefje voor had bij de dochter des huizes, ja haast een speelnoot -van haar was, noemde haar steeds Nonna Anna, dat eerst tot Nonanna, eindelijk tot -Nana ingekrompen was. De lezer ziet, dat die naam Nana met de roman van Zola geen -punt van overeenkomst heeft; ook niet met het monster, dat te Cawnpore en te Lucknow -in Engelsch Indië zoo’n treurige vermaardheid kreeg. -</p> -<p>Op dat „saja Nana” bukte het jonge meisje aan hare voeten, en toen zij daar Dalima -gehurkt zag zitten, herstelde zij schier onmiddellijk van haren schrik. Zij wilde -het meisje opbeuren, dat evenwel in die houding zitten bleef. -</p> -<p>„Gij, Dalima!” riep zij uit. „Waar zijt ge geweest? Waar komt gij van daan? O, mama -is zoo boos op u.” -</p> -<p>„Nana, ik ben ontvoerd geworden.” -</p> -<p>„Door wien?” -</p> -<p>„Door lieden van Lim Ho.” -<span class="pageNum" id="pb39">[<a href="#pb39">39</a>]</span></p> -<p>„Van Lim Ho?” riep Anna ontsteld uit. „Zijt gij in zijne macht geweest?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Den geheelen nacht?” -</p> -<p>„Neen; Allah heeft mij beschermd, en …” -</p> -<p>„Zoo, is die loopster terug?” viel haar eene stem in de rede, die de meisjes schrikken -deed. -</p> -<p>Het was Anna’s moeder, die de pandoppo binnengetreden was, zonder dat de twee jonge -meisjes haar hadden hooren naderen. Zij kwam uit de badkamer, zoo als haar rijke zwarte -haardos bewees, die in prachtige golvingen zwierde, en de kabaja kletsnat gemaakt -had, hoewel zij rug en schouders met een fijnen badhanddoek beschermd had, dien zij -nu onder het achteroverbuigen van het hoofd van onder de lokken uittrok, en aan eene -„nènèh” (oude Javaansche vrouw), die haar met de badbenoodigdheden onmiddellijk volgde, -overreikte, met aanbeveling hem dadelijk te laten drogen. -</p> -<p>Mevrouw Laurentia <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, geboren Termolen, was eene statige matrone, van ruim zeven lustra, wier -uiterlijk nog zeer bevallig was en niet te veel door het moederschap geleden had. -Zij had maar een kind, de lieve Anna, gebaard, dat zij nog, ten einde haren onberispelijken -boezem niet te schaden en hare schoonheidsmiddelen niet te zien verwelken, aan de -zorgen eener min toevertrouwd had. In weerwil van zoo veel voorzorgen deed zich toch -de invloed van den tijd gelden, en al moest ook erkend worden, dat zij den jarenlast -met eere torschte, zoo waren toch een laagje „bedak” (stuifmeel van rijst) en nog -andere toiletgeheimmiddelen noodig, om hier en daar een onbescheiden rimpeltje te -„breeuwen”,—volgens de uitdrukking van haren echtgenoot, die altijd veel met marinezaken -had op gehad, en het eigenaardige taaleigen der zeemanswereld bij alles, zoowel in -zijne officiëele omgeving, als in de huwelijkskoets te pas bracht,—of de teint wat -te helpen, nog de frischheid der jeugd te vertoonen. Hier en daar zou een enkele zilverdraad -in den rijken kastanjebruinen haardos even merkbaar worden; wanneer <span class="corr" id="xd30e1720" title="Bron: nênèh">nènèh</span> Wong toewa zich niet haastte bij de ontdekking, dat verraderlijke haar uit te trekken. -De nog steeds fraai gevormde lippen begonnen ook wat van hun inkarnaat te verliezen; -ook de mondhoeken <span class="pageNum" id="pb40">[<a href="#pb40">40</a>]</span>volvoerden voor de ingewijden eene bijna nog onmerkbare nederhangende beweging, die -eene onaangename plooi dreigde te vormen; maar nènèh Wong toewa had ook voor het mondtoilet -eene zuurachtige vloeistof, welke door eene soort van „<span lang="ms">semoet api</span>”<a class="noteRef" id="xd30e1728src" href="#xd30e1728">6</a> geleverd werd, en als <i lang="fr">vinaigre de toilette</i> dienst deed, en voor de rimpels der mondhoeken een smeerseltje uit vet van „tjitjaks” -en „gekko’s,”<a class="noteRef" id="n40.2src" href="#n40.2">7</a> waarin in gesmolten toestand ettelijke schorpioenen en duizendpooten den folterdood -gestorven waren. Nènèh Wong toewa had als ervaren „doekoen”<a class="noteRef" id="xd30e1741src" href="#xd30e1741">8</a> nog meer wondermiddelen ter harer beschikking. Want betooverde de statige Laurentia -nog steeds haren gemaal door hare bekoorlijkheden; moest de buitenwereld erkennen, -dat zij nog steeds eene schoone vrouw genoemd moest worden; verwekten haar middel, -hare schouders, haar boezem, wanneer zij in gala gekleed op eene dansreceptie verscheen, -nog steeds afwijkende gedachten bij het mannelijke, en ijverzuchtige opwellingen bij -het vrouwelijke gedeelte van het gezelschap, dan kwam nènèh Wong toewa daarvoor den -eereprijs toe, dien zij dan ook, achter een schutsel staande, ten volle genoot, wanneer -zij bij zoo’n gelegenheid hare „njonja” (mevrouw) bespieden en opmerken kon, hoe gevierd -en aangebeden deze werd. -</p> -<p>Laurentia Termolen was eene residentsdochter, en een zeer lieftallig meisje, toen -zij op nog zeer jeugdigen leeftijd—zij was toen nog geen zeventien jaar oud—in het -huwelijk trad met den heer Van Gulpendam, die destijds controleur bij het binnenlandsch -bestuur en de rechterhand van haren vader, den resident, was. Zij was in Indië, maar -uit volbloed Europeesche ouders geboren, die haar voorzeker eene goede opvoeding hadden -gegeven, wanneer het ten koste leggen van groote sommen voor het onderwijs <span class="pageNum" id="pb41">[<a href="#pb41">41</a>]</span>in talen, in muziek, in dansen, enz. ja, het zenden van hun kind voor een paar jaar -naar Nederland, daarop aanspraak kunnen geven. Onder gewone omstandigheden zou zij -dan ook tot eene uitstekende vrouw gevormd zijn. Die omstandigheden hadden evenwel -ontbroken; omdat papa en mama beiden uiterst heerschzuchtige wezens waren, die daarenboven, -of beter ten gevolge daarvan, eene hoofdhartstocht hadden, namelijk de zucht tot grooten -sier, tot groot vertoon. Maar dat kostte geld, veel geld, zeer veel geld zelfs, en -de middelen, die gebezigd werden, om dat aardsche slijk machtig te worden, konden -niet altijd den toets van welbegrepen eerlijkheid doorstaan. Als kind had Laurentia -gesprekken opgevangen, later had zij dingen zien gebeuren, had zij kibbelarijen bijgewoond, -waarin verkwistingszucht en oneerlijkheidsbeginselen om den voorrang twistten, en -zoo was haar hart vergiftigd en zoo had zij kiemen van verderf in zich opgenomen, -die de grootste verwoestingen zouden veroorzaken. Ware zij in Nederland in goede handen -terecht gekomen, dan zouden die vergiftigde kiemen verstikt zijn; maar met haar was -het als met zoo vele Indische kinderen gegaan. Men had haar gebezigd als eene bron -van financiëele inkomsten, die terdege geëxploiteerd moest worden, en waar tegenover -slechts een uiterlijk vernisje van goede manieren, <i lang="fr">un jargon de bon ton</i> moest aangebracht worden. Van hartsontwikkeling, van inborst was geen sprake geweest. -</p> -<p>Van Gulpendam zou misschien, als hij er de man naar geweest was, er in geslaagd zijn, -om nog een keer in dat gemoed te weeg te brengen. Maar deze, naar Indië gegaan om -<i>carrière</i> te maken, en dan zoo spoedig, maar vooral zoo rijk mogelijk, naar Nederland terug -te keeren, was zelf van geen allooi om anderen ten voorbeeld te strekken. Zijne leerschool -bij den resident Termolen daarenboven was niet geschikt geweest, om hem op beteren -weg te brengen. Daar had hij den stelregel: <i lang="en">make money … but make money</i> als het ware ingezogen, en zijne verbintenis met de schoone Laurentia had het hare -bijgedragen, om dien nog dieper wortel te doen schieten. -</p> -<p>Na haar huwelijk had zij haren echtgenoot moeten volgen, die er voor zorgde steeds -uiterst eenzame plaatsingen in de binnenlanden der residentie van zijn schoonvader -te erlangen. Zoo was hij controleur te Brandowo <span class="pageNum" id="pb42">[<a href="#pb42">42</a>]</span>geweest, daarna assistent-resident te Bandjar Oetara, plaatsen waar nagenoeg geen -Europeesch personeel aanwezig was, en waar dus niemand de handelingen van het ambtenaarsgezin -had kunnen gadeslaan. Hoe <i>hij</i> daar dan ook in uiterst goede relatiën gestaan had, èn met den regent van wege de -cultuurprocenten<a class="noteRef" id="xd30e1765src" href="#xd30e1765">9</a>, èn met den gedelegeerde van den opiumpachter, die beiden noodig hadden, dat de oogen -van de Nederlandsche autoriteit niet te veel zagen; ook hoe <i>zij</i> geld uitleende tegen twee percent ’s maands en zich niet ontzag kostbare zaken als -juweelen, poesaka-wapens<a class="noteRef" id="xd30e1771src" href="#xd30e1771">10</a> enz. in onderpand aan te nemen, was een diep geheim gebleven, en had Van Gulpendam -niet verhinderd tot resident op te klimmen. Zijne jarenlange afzondering had ook geen -gunstige uitwerking op zijn karakter, ook niet op dat zijner eega gehad. Door de gedurige -aanraking met niemand anders dan ondergeschikten, die steeds voor hen bogen, was vooral -het humeur van Laurentia onverdragelijk geworden. Zij was de heerschzuchtige vrouw -verpersoonlijkt, en dat karaktergebrek was zoo met haar uiterlijk samengeweven, dat -zij, wanneer zij zich in haar gevoel van eigenwaarde als residentsvrouw met vorstelijk -voorkomen bij officiëele gelegenheden aan het vulgus vertoonde, voor een uitmuntend -beeld van Juno, die meest trotsche van alle godinnen, zou hebben kunnen dienen. -</p> -<p>Dat was Anna’s mama, die de pandoppo binnentrad en bij het zien van baboe Dalima gramstorig -uitriep: -</p> -<p>„Zoo, is die loopster terug? Zeg, „anak monjet,” (apenkind) waar ben je geweest? Zeker, -jij „larie” (op den loop gegaan) met je „toenangan” (vrijer).<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Ampon, njonja,” (vergeving, mevrouw) kreet het Javaansche meisje, „ik ben niet weggeloopen.” -<span class="pageNum" id="pb43">[<a href="#pb43">43</a>]</span></p> -<p>„Heb je sienjo Leo niet in den steek gelaten in den tuin?” -</p> -<p>„Ik werd ontvoerd.” -</p> -<p>„Door wien?” -</p> -<p>„Door vreemde Chineezen.” -</p> -<p>„Hoe heeft zich dat toegedragen?” -</p> -<p>Het meisje verhaalde de ontvoering door Ong Kwat, die de lezer reeds vernam. Alleen -dient hier nog bijgevoegd te worden, dat Sienjo Leo, een kind van den broeder van -den resident was, dat sedert geruimen tijd bij de familie logeerde, daar de vader, -sedert jaren weduwnaar, zich op Billiton bevond. -</p> -<p>„En waarheen werdt je gebracht?” vroeg de njonja resident niet zonder aandoening in -hare stem, bij het zoo opwekkend verhaal van die schaking. -</p> -<p>„Aan boord van een groot schip.” -</p> -<p>„Van wie was dat schip?” -</p> -<p>„Ik weet het niet. Ik was er evenwel niet lang, toen kwam Lim Ho”… -</p> -<p>„Lim Ho?” riep mevrouw van Gulpendam uit. „Lim Ho, de zoon van Lim Yang Bing, den -opiumpachter?” -</p> -<p>„Dezelfde,” antwoordde Dalima, die nog steeds aan de voeten van nonna Anna gehurkt -zat, bedeesd. -</p> -<p>Om den mond van de njonja speelde een vreemde glimlach, terwijl hare oogen een bizonder -vuur vertoonden. -</p> -<p>„Anna ga eens aan pa in de voorgalerij vragen, of hij geen kop koffie verlangt, en -bezorg die dan,” sprak zij tot hare dochter. -</p> -<p>Toen het jonge meisje, dat den wenk begreep, verdwenen was, vroeg Laurentia haastig -en met hijgenden boezem: -</p> -<p>„En?”.… -</p> -<p>O, Dalima begreep dien blik zeer goed, hoe onervaren zij ook nog in de wereld was. -Zij begreep ook, waarom de nonna heengezonden was. -</p> -<p>„Lim Ho ging opium schuiven,” antwoordde zij kalm. -</p> -<p>„Dat kan ik begrijpen,”<a class="noteRef" id="n43.1src" href="#n43.1">11</a> fluisterde de njonja meer dan <span class="pageNum" id="pb44">[<a href="#pb44">44</a>]</span>zij sprak, terwijl zij een doordringenden blik op het meisje vestigde. „Dat kan ik -begrijpen, alvorens.…” -</p> -<p>Het is niet mogelijk een denkbeeld te geven van het gelaat van mevrouw van Gulpendam -bij het laten glippen van dat woord „alvorens”. Die wild glinsterende oogen, die vooruitdringende, -licht trillende onderkaak, die half geopende lippen, welke de hijgende ademhaling -sissend doorgang verleenden, daarbij die zwoegende boezem onder de dunne en half natte -kabaja, dat alles getuigde van hartstochten, die ongetemd loeiden. Op dat gelaat was -alles te lezen, zelfs het leedwezen, dat Van Gulpendam zich niet aan het opiumschuiven -overgaf. -</p> -<p>„En,.… wat gebeurde verder?” vroeg zij, na het meisje een poos aangestaard te hebben. -</p> -<p>„Niets,” was het rustige antwoord. -</p> -<p>„Niets!.… Je liegt, <span lang="ms">anak <abbr title="soendal">s.…..</abbr></span><a class="noteRef" id="n44.1src" href="#n44.1">12</a> Lim Ho zou je aan boord van een vaartuig gelokt hebben, om.…” -</p> -<p>„Alvorens hij met opiumschuiven klaar was, werd ik gered,” viel het meisje snel in. -</p> -<p>„Gered!… Gered!… Door wien?” -</p> -<p>„Door Ardjan!” -</p> -<p>„Door Ardjan!??? Door Ardjan!… O, jou slecht schepsel!” kreet de njonja. „Nu begrijp -ik alles! Je hebt sienjo Leo in den steek gelaten, om een slippertje te maken met -jou Ardjan, en nu wil je je achter Lim Ho verschuilen!… Wacht, ik zal jou!… Gulpendam!… -Gulpendaaam!!…” -</p> -<p>Hare stem weerklonk, terwijl zij haren echtgenoot riep, zoo scherp en schril door -de pandoppo, dat een paar bedienden kwamen aangevlogen, in den waan dat er onraad -was. -</p> -<p>„<span lang="ms">Pangil toean besar!</span>” (roep den grooten heer) klonk het bevel. -</p> -<p>„<span lang="ms">Ampon, njonja, ampooon!</span>” (vergeving, mevrouw vergeving), kreet het meisje op langgerekten toon. -</p> -<p>„Neen, geen vergeving voor zoo’n slecht schepsel als jij!” -<span class="pageNum" id="pb45">[<a href="#pb45">45</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1568"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1568src">1</a></span> <i>Orang oppas</i> of oppasser is de benaming in <abbr title="Nederlandsch-Indië">Ned.-Indië</abbr> voor politie-agenten. <a class="fnarrow" href="#xd30e1568src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n33.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n33.1src">2</a></span> <i>Kamadoog</i> is de Javaansche naam van het Karbouwenblad of de Duivelsnetel, de Urtica urentissima -der geleerden. Schrijver heeft eens de toepassing van die bladeren op een blanke gezien, -die hardnekkig rheumatische verlamming simuleerde en aan alle listen en lagen, om -het bewijs van zijn toeleg te erlangen, weerstand bood. Hij was op het punt om voor -den milit. dienst afgekeurd <span class="pageNum" id="pb34n">[<a href="#pb34n">34</a>]</span>te worden, toen de behandelende geneesheer een laatste proef nam. Een paar striemen -met een bosje Kamadoog-bladeren op den naakten rug waren voldoende om ieders geweten -te bevredigen. De simuleerende vloog onder een <i lang="de">Himmel kreuz donnerwetter, das ist ja Feuer!</i> overeind, van het bed af en het vertrek uit. Nimmer heeft die man later meer aan -verlamming geleden. De Kamadoog wordt ook gebezigd bij gevechten van tijgers met karbouwen. -Door de onduldbare branderige pijnen worden de arme dieren tot den hoogst mogelijken -graad van woede opgezweept. <a class="fnarrow" href="#n33.1src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1619"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1619src">3</a></span> <i>Sirihkalk</i> wordt van schelpen gebrand, is zeer zacht en mist de scherpte van de steenkalk. <a class="fnarrow" href="#xd30e1619src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1625"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1625src">4</a></span> <i>Sirihblad, waarin de pinangnoot.</i> Dat blad is afkomstig van eene slingerplant, door de geleerden Chavica bettle genoemd. -De pinangnoot is de vrucht van eene palmsoort Areca pinang genoemd. <a class="fnarrow" href="#xd30e1625src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1663"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1663src">5</a></span> <i>Pandoppo</i> is eene ruime overdekte galerij, die achter het hoofdgebouw van iedere aanzienlijke -woning in Ned. Indië aangetroffen wordt, en loodrecht daarop aangebracht is. ’t Is -de meest geliefkoosde plek van het huis. <a class="fnarrow" href="#xd30e1663src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1728"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1728src">6</a></span> <i lang="ms">Semoet api</i> letterlijk vertaald vuurmier. Dit is de roode boschmier, die wanneer zij slechts -over de huid loopt reeds een onaangenaam branderig gevoel te weeg brengt. Een beet -van het diertje doet zich als eene brandwond gevoelen. De semoet api is de Formica -rufa der geleerden. <a class="fnarrow" href="#xd30e1728src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n40.2"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n40.2src">7</a></span> <i>Tjitjaks en Gekko’s</i> zijn hagedissoorten. Met de eerste wordt bedoeld de muurhagedis, de Lacerta muralis; -met de tweede de Platydactylus guttatus. <a class="fnarrow" href="#n40.2src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1741"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1741src">8</a></span> <i>Doekoen</i> is een ongepromoveerde Inlandsche geneeskundige, gewoonlijk eene oude tooverkol, -die dan veel werk van aphrodisiaca maakt. <a class="fnarrow" href="#xd30e1741src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1765"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1765src">9</a></span> <i>Cultuurprocenten.</i> Destijds genoten de Nederlandsche ambtenaren bij het Binnenlandsche Bestuur op Java -een tantum van de producten, die door de bevolking voor de Europeesche markt opgebracht -moesten worden. Dat was wel het meest zedelooze middel om tot de exploitatie van een -volk aanleiding te geven, dat uitgedacht is kunnen worden. Tot welke onbillijkheden -de hebzucht, geprikkeld door zoo’n middel, gevoerd heeft, is niet te beschrijven. -Gelukkig behoort die cultuurprocenten-aera tot de geschiedenis. <a class="fnarrow" href="#xd30e1765src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e1771"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1771src">10</a></span> <i>Poesaka wapens.</i> Poesaka heeft hier de beteekenis van erfstuk. De Javaan koestert grooten eerbied -en aanhankelijkheid voor de wapens, kris, lans, enz. zijner voorouders. <a class="fnarrow" href="#xd30e1771src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n43.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n43.1src">11</a></span> <i>Dat kan ik begrijpen.</i> Aan de opium worden erotische uitwerkingen toegeschreven. Ziet daaromtrent de <i>Proeve van eene geschiedenis van den handel en het verbruik van opium in Ned.-Indië</i> door <span class="sc">J. C. Baud</span>, gewezen minister van koloniën, voorkomende in de <i>Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde in Ned.-Indië</i>. Eerste deel 1853. Die eminente staatsman op koloniaal gebied laat zich in <span class="pageNum" id="pb44n">[<a href="#pb44n">44</a>]</span>die verhandeling uit liefde voor de waarheid tot zoo eene openhartigheid, en tot zoo -een realisme verleiden, dat een romanschrijver hem onmogelijk op dat terrein volgen -kan. <a class="fnarrow" href="#n43.1src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n44.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n44.1src">12</a></span> <i lang="ms">Anak <abbr title="soendal">s.…</abbr></i> <span lang="ms">Anak</span> beteekent kind. Omtrent de beteekenis der hier bedoelde uitdrukking zie men <i>Max Havelaar</i> door <span class="sc">Multatuli</span> 5de druk bladz. 267. <a class="fnarrow" href="#n44.1src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e652">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IV.</h2> -<h2 class="main">De draden verwikkelen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De heer Van Gulpendam kwam aangevlogen. Als de schoone Laurentia riep, dan, hoewel -hij de Kandjeng toean residèn (de hoogmogende heer resident) was, mocht hij de vlugheid -in persoon geheeten worden. De booze wereld fluisterde, dat hij het niet mocht wagen, -minder rap te zijn. -</p> -<p>Ook hij was nog op voet van vrede, dat wil zeggen: in slaapbroek en kabaja gekleed, -en was juist bezig, in de voorgalerij van het prachtige residentiehuis gezeten, zijn -kop koffie te slurpen en een sigaar te rooken, toen de stem van zijne vrouw door de -geheele woning weerklonk. -</p> -<p>„Gulpendam!.… Gulpendaaam!” -</p> -<p>Bij het langgerekte van die laatste lettergreep vloog hij van zijn wipstoel met zoo’n -vaart op, dat die wiegelmachine, onder den druk, daarbij ontvangen, vier voeten achteruit -vloog. -</p> -<p>„Oppas!.… Pajoeng!.… lakas!” (oppasser!.… de zonnescherm!.… Gauw!) -</p> -<p>Behalve het gebruiken van zeemanstermen had de man nog een zwak, namelijk steeds den -pajoeng, dat emblema van gezag in het Oosten, in zijne nabijheid te willen hebben. -In de voorgalerij stonden steeds een viertal van die zonneschermen in eene stelling -naast den stoel, waarop de resident placht te zitten. In het kantoor stond er een -vlak naast den schrijflessenaar van den hoofdambtenaar. In de residentelijke slaapkamer -stond een ander <span class="pageNum" id="pb46">[<a href="#pb46">46</a>]</span>recht zichtbaar naast het hoofdeneind van de echtelijke bedkoets. Er mochten eens -dieven des nachts komen, die zouden vol ontzag voor het prestige van den pajoeng terugdeinzen! -De heerschzuchtige Laurentia was voor die machtspreuk gezwicht en had het teeken des -gezags van haren echtgenoot in haren troonzaal geduld. Maar zij had er met hand en -tand aan vastgehouden, dat geen pajoeng in de pandoppo, waar zij als huisvrouw uitsluitend -de macht in handen wilde hebben, verscheen. Wilde de resident eene wandeling maken, -dan klonk het onveranderlijk: „Oppas!.… Pajoeng!” en dan volgden de zonnescherm, met -den sigarenkoker en de „tali api”<a class="noteRef" id="xd30e1876src" href="#xd30e1876">1</a> (brandende lont) gedwee achter aan. Soms droeg de oppasser ook, wanneer de hooge -wandelaar zijn voorhoofd door het frissche windje wilde laten afkoelen, de residentspet -met breeden galon, eerbiedig in de hand, zooals een roomsch priester het sacrament -zou gedragen hebben. -</p> -<p>Toen Van Gulpendam in de pandoppo verscheen, klonk hem vrij barsch in het oor: -</p> -<p>„Wat moet die pajoeng hier? Gij weet, dat ik dat ding niet zien wil hier!” -</p> -<p>En tot den oppasser klonk nog barscher: -</p> -<p>„<span lang="ms">Moendoer! lari! lakas!</span>” (Achteruit! weg! gauw!) -</p> -<p>Een wenk van den resident aan zijnen onafscheidelijken oppasser deed dezen verdwijnen. -</p> -<p>„Hier; Dalima is terug,” begon mevrouw. „Raad eens, waar dat slechte schepsel geweest -is.” -</p> -<p>„Hoe kan ik dat raden? Zij zal in de dèsa haar anker hebben laten vallen.” -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>In de dèsa!.… Het mocht wat!.… Zij is met haren Ardjan er van door geweest!” -</p> -<p>„<span lang="ms">Ampooon, njonjaaa!</span>” kreet het arme meisje, dat genoeg Hollandsch verstond, om geen woord te verliezen. -</p> -<p>„En nu heeft ze een geheelen roman te vertellen<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” ging <span class="pageNum" id="pb47">[<a href="#pb47">47</a>]</span>mevrouw in een’ adem voort. „Ze zou door Lim Ho ontvoerd zijn; en zij zou den nacht -aan boord van een schip doorgebracht hebben! Denk eens aan!” -</p> -<p>Bij den naam van Lim Ho, en bij het gewagen van een schip, spitste de resident de -ooren. Hij had toch rapport van den gezagvoerder van de <i>Matamata</i> ontvangen, dat de <i>Kiem Ping Hin</i> op de kust gezien was. Die schoenerbrik was het eigendom van den opiumpachter, die -aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap.<a class="noteRef" id="n47.1src" href="#n47.1">2</a> -</p> -<p>„Welk schip?” vroeg hij met eenige drift. -</p> -<p>„Weet ik het?” was het antwoord van mevrouw. „Vraag het die slechte meid.” -</p> -<p>„<span lang="ms">Ampooon, njonjaa!</span>” kreet Dalima, die steeds op den grond gehurkt zat. „<span lang="ms">Ampooon, njaa!</span>” -</p> -<p>„Kom, vertel, wat er gebeurd is, Dalima,” vroeg de resident op goedigen toon. -</p> -<p>„<span lang="ms">Allah, toean!</span>” (O, God, mijnheer). <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Zij hebben Ardjan gevangen genomen! Kassian!” (heb medelijden). -</p> -<p>„Ardjan gevangen genomen?.… Maar, wie.…?” -</p> -<p>„Babah Than Khan en babah Liem King,” antwoordde het meisje weenend. -</p> -<p>„Een paar handlangers van den pachter,” prevelde Van Gulpendam binnensmonds en overluid. -„Waar werd hij gevangen genomen?” -</p> -<p>„Bij de Moeara Tjatjing toean!” -</p> -<p>„Hoe kwam hij daar?” -</p> -<p>„Hij was met mij ontvlucht!”… -</p> -<p>„Hoort ge wel?” gilde mevrouw. -</p> -<p>„Van het schip,” vulde Dalima snikkend aan. -<span class="pageNum" id="pb48">[<a href="#pb48">48</a>]</span></p> -<p>„Van het schip!… van het schip!” kreet Laurentia. „Ontvlucht van hier uit het huis! -Dat zal meer de waarheid zijn!” -</p> -<p>„Laat haar toch van wal steken, anders bezeilen wij nooit geen land”, bromde de resident. -En zich tot het meisje wendende. „Vertel nu eerst, hoe ge aan boord van dat schip -gekomen zijt.” -</p> -<p>Dalima, steeds met gekruiste beenen op den vloer zittende, verhaalde thans hare lotgevallen, -van af dat ze uit den tuin der residentswoning ontvoerd werd, totdat ze, na de touwen -doorgebeten en zich zelve bevrijd te hebben, ontvlucht was. Reeds bij het begin van -dat verhaal was nonna Anna de pandoppo weer binnengetreden en had daarvan alles aangehoord. -</p> -<p>„Ardjan is dus daar aan de Moeara Tjatjing achtergebleven?” vroeg de resident. -</p> -<p>„Hij was gebonden, toen hem de twee Chineezen aan een „pikolan” (draagstok) wegdroegen. -Ver hebben zij hem evenwel niet gebracht; want ik had ternauwernood mijne voeten ontslagen -van de touwen, die mij bonden, toen ik het licht hunner lantaarn tusschen de bladeren -zag schitteren, en ik hunne stemmen hoorde naderen. Ware het dag geweest, dan zouden -zij mij hebben moeten zien vluchten. Waarschijnlijk zou ik dan niet ontkomen zijn.” -</p> -<p>„Zou Ardjan daar nog zijn?” vroeg de resident met nadruk. -</p> -<p>„Dat weet ik niet, toean. Ik hoorde hen zeggen, dat zij eerst hem en daarna mij naar -de djaga monjet wilden brengen.” -</p> -<p>„Naar de djaga monjet?… Oppas!… Oppas!…” riep Van Gulpendam. -</p> -<p>„Ik zou den pajoeng maar weglaten!” sprak zijne echtgenoote vrij schamper. -</p> -<p>„Oppas,” beval de resident, zonder op die liefelijke aanmerking te letten, aan den -binnengetreden dienaar: „Oppas, ga onmiddellijk met een paar van uwe makkers naar -de Moeara Tjatjing. Roep volk van de naburige dèsa op. Neem dan genoegzaam lieden -tot assistentie mede, en tracht den Javaan Ardjan te arresteeren. Hier, baboe Dalima -zal u tot gids verstrekken.” -</p> -<p>„Gelooft ge dus het verhaal van die deern?” vroeg zijne vrouw. -<span class="pageNum" id="pb49">[<a href="#pb49">49</a>]</span></p> -<p>„Niet geheel en al. Ik heb er evenwel belang bij, die zaak tot helderheid te brengen.” -</p> -<p>En zich tot den oppasser wendende: -</p> -<p>„Voldoe stipt aan het bevel, en breng mij zoo spoedig mogelijk rapport. En nu ga, -neem Dalima mede.” -</p> -<p>Toen de oppasser met het Javaansche meisje vertrokken was, fluisterde hij tot zijne -vrouw: -</p> -<p>„In die geheele zaak ligt een opium-schandaal, weest er verzekerd van. Waar Lim Ho -in betrokken is, kan niet anders dan eene zaak zijn, die het licht niet mag zien. -En is mijne peiling juist.… dan zal de rijke pipa moeten over de brug komen.” -</p> -<p>Bij die laatste woorden maakte de resident met den duim en voorsten vinger der rechterhand -eene beweging, die geldafschuiven moest beteekenen. Mevrouw Van Gulpendam trachtte -dat gebaar, door met een blik op hare dochter Anna te wijzen, te stuiten. -</p> -<p>„Kom, kom,” sprak de heer gemaal ietwat hoonend, „zij is geen kind meer. Op haren -leeftijd hadt gij bij uwe ouders al veel meer gezien. Langzamerhand zal zij ook moeten -leeren begrijpen, van waar het geld komt, dat het huishouden kost. Niet waar Anna?” -ging hij voort, terwijl hij het meisje onder de kin streelde. „Als ge later getrouwd -zult zijn, zult ge ook wel gaarne in eene fraaie woning gehuisvest zijn, zult ge ook -gaarne veel juweelen, de prachtigste japonnen, de elegantste rijtuigen, de fraaiste -en de vurigste paarden hebben?” -</p> -<p>„Wie zou dàt niet?” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken glimlach … „hoewel”… -ging zij aarzelend voort, „ik aan juweelen en prachtige japonnen niet bizonder hecht …” -</p> -<p>„Jawel, jawel,” zei de resident lachend. „We kennen dat. Op dien leeftijd denken alle -meisjes: <i lang="en">most adorned, when unadorned</i>. Dat verandert evenwel later, en dan begrijpen alle vrouwen, dat het een levenskwestie -is, zich zoo schoon mogelijk te maken … En nu Anna, ga eens kijken of mijn ontbijt -in de voorgalerij gereed gezet is. Zorg voor kalkoeneitjes. De heer Van Nes, mijn -secretaris, zal ze komen keuren. Zorg voor de eer van de kombuis.” -</p> -<p>Toen het meisje weg was, ging hij voort tot Laurentia: -</p> -<p>„Over een paar dagen moet ik onzen beer aan John <span class="pageNum" id="pb50">[<a href="#pb50">50</a>]</span>Pryce te Batavia betalen. Dat zijn 20.000 gulden, waarvan ik het eerste duizendtal -niet eens bij elkander heb. Is mijn bestek omtrent die zaak van Lim Ho goed, och, -dan zeilt die duitenkwestie koers; ja dan zal nog wel wat meer gelogd worden, en een -sommetje overschieten. En dat kan te pas komen, nietwaar?” -</p> -<p>„Maar, dat wegloopen van Dalima?.…” -</p> -<p>„Niet te vlug van stapel! Is het anker te water gegaan, zoo als zij verhaald heeft, -dan.… Ja dan vrees ik, dat Lim Ho achter het net gevischt heeft. Maar.… dat zal hem -nog meer zeil doen bijzetten.… En goed beschouwd, als wij het roer onwrikbaar houden, -dan zal ons die zaak geen labberkoeltje zijn; want zoo’n Chinees heeft voor het bevredigen -zijner hartstochten veel, zeer veel over. Laat mij nu het zeil naar den wind brassen, -en zorgt gij alleen, dat gij mij de loef niet afsteekt.<span class="corr" id="xd30e1994" title="Bron: ’">”</span> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Het was zoo heel vroeg niet meer,—ongeveer half acht des avonds,—toen de uitgezonden -oppasser den resident rapporteeren kwam, dat hij Ardjan op aanwijzing van Dalima gevonden -had. -</p> -<p>Toen de heer Van Gulpendam die mededeeling ontving, was hij pas van het diner opgestaan, -en zat met ega en dochter in de voorgalerij der prachtige residents-woning de vrienden -en bekenden af te wachten, die den na-avond van dien dag in den gezelligen kring van -de gastvrije familie wenschten door te brengen. Ja, in den gezelligen kring van die -gastvrije familie! Want in weerwil van de gebreken, welke de echtelieden aankleefden, -verdienden zij die euphemistische waardeering ten volle. De zucht tot schitteren droeg, -wel is waar, het hare daartoe bij, maar werd door <i lang="fr">le bon ton</i> van mevrouw en mijnheer zoodanig getemperd, dat de gezelligheid eer bevorderd dan -benadeeld werd. -</p> -<p>Iedereen had evenwel op zulke avonden geen toegang tot het residentie-huis. Neen, -de algemeene receptiën hadden slechts eenmaal des weeks en wel op Woensdag plaats. -Dan werden de kleine ambtenaren, de subalterne officieren, de leden van den handelsstand, -de planters, de vreemden, de onverschilligen in één woord, ontvangen. Dan troonde -de resident, in zijn rok van lichtblauw laken met zilveren knoopen, en wit cachemiren -pantalon gekleed, <span class="pageNum" id="pb51">[<a href="#pb51">51</a>]</span>in al den luister, dien een residentelijk ambt aan een sterveling verleenen kan. Dan -was de schoone Laurentia met al hare juweelen getooid, aan eene schitterende pauw -gelijk. Maar, dan was ook tusschen de zuilen van die woning geen zweem van gezelligheid -te vinden. Dan waren trotschheid, verwaandheid, laatdunkenheid en hooghartigheid aan -den eenen kant, en deemoed en gedweeheid, soms vermengd met nauwelijks bedwongen spotzucht, -aan den anderen, schering en inslag van het samenzijn. -</p> -<p>Neen, de gewone avonden waren voor de intimes of voor de hooggeplaatsten, die door -hunne traktementen of inkomsten den residents-troon nabij kwamen. Dan verschenen de -Afdeelings-Kommandant, die minstens kolonel was, de President van den raad van Justitie, -de Chef van den geneeskundigen dienst, de Voorzitter van den landraad, de <span class="corr" id="xd30e2011" title="Bron: Sekretaris">Secretaris</span> der residentie, de Vertegenwoordiger der Kompanie ketjiel (Handelmaatschappij), enz. -Die kwamen dan zonder omstand, zonder bizondere plichtplegingen, koutten een oogenblik -met mevrouw en met de lieve Anna, behandelden dan de nieuwtjes van den dag, waarna -zij aan de speeltafeltjes plaats namen, om een ombertje te leggen. Gewoonlijk maakte -mevrouw Van Gulpendam haar partijtje dan mede, en was in den regel niet de minst gelukkige, -vooral wanneer in den naävond een fijntje tegen een gulden het fischje met een pot -gespeeld werd. Het jonge meisje maakte dan van die speelzucht gebruik om, wanneer -voor de behoorlijke bediening der spelenden gezorgd was, naar binnen te sluipen, aan -de piano in de binnengalerij plaats te nemen, en daar het hartje op te halen aan de -melodieën van Chopin, van Beethoven, van Mozart en van zooveel andere virtuozen, wier -meesterstukken door het lieve kind met eene ware geestverrukking beoefend werden. -</p> -<p>Zoo zou het heden avond ook geschieden, hoewel aan het pianospel een andere dienst -zou opgedragen worden. -</p> -<p>Toen toch de oppasser den resident het wedervaren van Ardjan tot in de kleinste bizonderheden -medegedeeld had, ook dat hij den Javaan, die in ijlende koorts verkeerde, naar het -hospitaal ter behandeling gebracht had, helderde het gelaat van den hoofd-ambtenaar -op. -</p> -<p>„Te drommel<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” prevelde hij tusschen de tanden. „Die <span class="pageNum" id="pb52">[<a href="#pb52">52</a>]</span>gekheid met die duivelsnetels kan den pipa van Lim Ho duur te staan komen.” -</p> -<p>Met de meeste aandacht volgde mevrouw Van Gulpendam van verre de aandoeningen, die -zich op het gelaat van haren echtgenoot weerkaatsten. Wat evenwel de goede luim van -den resident ten top voerde, was dat de oppasser rapporteerde, dat zijne lieden, geholpen -door het dèsavolk, eenige vaatjes en eenige blikken gevonden hadden, die onder dik -struikgewas ingegraven waren, en waarschijnlijk opium bevatten. -</p> -<p>„Wie hebben die vaatjes en blikken gevonden?” vroeg de resident. -</p> -<p>„Wij allen, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser, die voor zijn heer met gekruiste -knieën zat. -</p> -<p>„Ook het dèsavolk?” -</p> -<p>„Engèh (ja) Kandjeng toean.” -</p> -<p>Dat antwoord stond den resident niet erg aan, dat was op zijn gelaat genoeg leesbaar. -</p> -<p>„En waar hebt ge die vondst gelaten? Hebt ge haar hierheen meegebracht?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> <span class="corr" id="xd30e2033" title="Bron: voeg">vroeg</span> hij verder. -</p> -<p>„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!<span id="xd30e2038"></span> Ik heb die vaatjes en die blikken bij den assistent-resident van politie afgegeven.” -</p> -<p>„Ezel!” bromde de resident tusschen de tanden. -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” antwoordde de oppasser, die het epitheton niet begreep. -</p> -<p>Het woord „engèh” ligt den Javaan in den mond bestorven, wanneer hij tot een Europeaan -spreek. Het is het antwoord, wat hij ook geeft, wanneer hij het hem toegevoegde niet -begrijpt. Het moet niet zoozeer opgenomen worden als de uitdrukking van eigen meening, -als wel als een beleefd toegeven aan de meening van de boven hem gestelden. Van Gulpendam -kende het Javaansche karakter te goed, om over het antwoord verbaasd te zijn. -</p> -<p>„Ga naar den assistent-resident<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” zei hij, en „zeg, dat ik hem verzoek dadelijk bij mij te komen<span class="corr" id="xd30e2050" title="Bron: ,">.</span>” -</p> -<p>De oppasser schoof op zijn zitvlak eenige passen achteruit, stond toen op, en ijlde -heen om den ontvangen last te volvoeren. Nauwelijks was hij weg, of een paar der verwachte -gasten kwamen opdagen. Een oogenblik later was, na de gewone begroetingen, en plichtplegingen, -het gesprek algemeen. -<span class="pageNum" id="pb53">[<a href="#pb53">53</a>]</span></p> -<p>Anna maakte van die gelegenheid gebruik, om naar achteren te gaan. Dalima was terug, -en zij was nieuwsgierig, hoe het met Ardjan was afgeloopen. Zij had wel eenige woorden -van haren vader met den oppasser opgevangen; maar het rechte was haar toch ontsnapt. -</p> -<p>Toen zij achter in de pandoppo kwam, vond zij het lieve Javaansche meisje daar gehurkt -zitten, terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden. -</p> -<p>„Wat is er gebeurd, Dalima?” vroeg Anna. „Kom vertel mij.” -</p> -<p>„O Nana!… zij hebben mijn Ardjan zoo mishandeld!” -</p> -<p>En daarop verhaalde het meisje in welken deerniswaardigen toestand zij den Javaan -teruggevonden had. -</p> -<p>„O, had ik maar eerder kunnen aankomen!” kreet zij. -</p> -<p>„Maar, wie heeft hem zoo mishandeld?” vroeg Anna. -</p> -<p>„Lim Ho,” antwoordde Dalima. -</p> -<p>„Lim Ho? Hoe kwam die daar?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet; maar ik heb hem goed herkend, toen hij voorbij de djaga monjet -de Moeara Tjatjing uitvoer.” -</p> -<p>„Kunt ge u niet vergist hebben, Dalima?” -</p> -<p>„Neen, Nana; ik zag hem de vuist ballen, toen hij voorbij voer. Ik ben zeker, dat -hij teruggekeerd zou zijn, als hij maar gedurfd had. Ook sprak Ardjan eenige woorden, -die mij zekerheid verschaften.” -</p> -<p>„Maar, waarom heeft hij Ardjan zoo met de Kamadoog mishandeld?” -</p> -<p>„Weet ik het? Waarschijnlijk omdat hij mijn verloofde is; misschien ook, omdat hij -mij van de <i>Kiem Ping Hin</i>, ontvoerd en gered heeft. O, Nana, de arme Ardjan is waanzinnig. Hij spreekt slechts -wartaal.” -</p> -<p>„En waar is Ardjan nu?” -</p> -<p>„In het hospitaal, waar de oppassers hem gebracht hebben, nadat zij bij den assistent-resident -van politie geweest zijn.” -</p> -<p>„Bij den assistent-resident? Wat moesten zij daar doen?” -</p> -<p>„Daar hebben zij eenige vaatjes en ettelijke blikken met opium afgegeven<span class="corr" id="xd30e2080" title="Bron: ?">,</span>” antwoordde Dalima. -</p> -<p>„Opium?” vroeg Anna verschrikt. „Waar hebben ze die gevonden?” -</p> -<p>„In de nabijheid der hut, waar Ardjan gemarteld werd.” -</p> -<p>„In de nabijheid der .… Dus te gelijk met hem gevonden?” -<span class="pageNum" id="pb54">[<a href="#pb54">54</a>]</span></p> -<p>„Ja, Na!” -</p> -<p>Het blanke meisje dacht een oogenblik na. -</p> -<p>„Als dat maar niet noodlottig voor Ardjan zal zijn!” prevelde zij binnen’smonds. -</p> -<p>En na een oogenblik het stilzwijgen bewaard te hebben, als om hare gedachten te verzamelen, -vroeg zij: -</p> -<p>„Waart ge alleen met Ardjan, toen gij met de djoekoeng het schip verliet?” -</p> -<p>„Ja, Nana!” -</p> -<p>„Was niets in die djoekoeng? Herinner je goed.” -</p> -<p>„Neen, niets! Wat zou er in hebben kunnen zijn? Wij hebben ons langs eene „tali” (touw) -er in laten zakken, terwijl de storm bulderde, en waren blij van het schip zoo spoedig -mogelijk verwijderd te geraken.” -</p> -<p>Nonna Anna dacht nog een oogenblik na. Daarna sprong zij op, liep naar hare kamer, -die in de binnengalerij uitkwam, en was in een oogwenk weer terug met hare schrijfcassette -in de hand. Zij zette zich neder bij een der lampen, die de pandoppo verlichtten, -en schreef ijverig een briefje. Toen dat klaar was, zei ze tot de baboe: -</p> -<p>„Gij wilt het welzijn van Ardjan, nietwaar, Dalima?” -</p> -<p>„Zeker, Nana!” -</p> -<p>„Breng dan dat briefje bij den heer Van Nerekool, ge weet wel?.…” -</p> -<p>„Ja, die in Gang Aboe, dicht bij de Roomsche kerk woont. Maar, dat is zoo ver. En -het is reeds zoo laat.” -</p> -<p>„Zeg dat Sodikromo, de tuinjongen met je meegaat. Neem een „sâdos” (dos-à-dos), dan -is de boodschap spoedig volbracht. Spoedig, haast je!” -</p> -<p>Een oogenblik later waren Dalima en Sodikromo in zoo een voertuig, om de boodschap -der nonna uit te voeren. -</p> -<p>Middelerwijl hadden mevrouw en de resident Van Gulpendam hunne gasten, die reeds aangekomen -waren, met al de beleefdheid en minzaamheid, die zij ontwikkelen konden, ontvangen. -</p> -<p>„Wel, dat is lief van u, kolonel, dat gij heden avond ons partijtje getrouw blijft,” -sprak de schoone Laurentia tot een der nieuw aangekomenen, die hoewel niet in uniform -gekleed, toch door zijne houding, maar wel het allermeest door zijn borstelig geknipt -wit hoofdhaar en zijnen stekeligen grauwen knevel, den militair verried. -</p> -<p>„Wel, mevrouw, waarom zou ik ons partijtje heden <span class="pageNum" id="pb55">[<a href="#pb55">55</a>]</span>avond niet getrouw gebleven zijn?” was de vraag van den hoofdofficier. -</p> -<p>„Van Gulpendam heeft mij verteld, dat er weer nare tijdingen van Atjeh zijn, en dat -vele troepen uit deze militaire afdeeling derwaarts moeten vertrekken. Nu dacht ik, -dat bezigheden u soms zouden verhinderd hebben, om …” -</p> -<p>„Om mijn ombertje te leggen? Toch niet, mevrouw. Er zou al heel veel moeten gebeuren, -dat mij er toe brengen zou, zoo’n lief gezelschap te leur te stellen. Neen, ik heb -mijne bevelen gegeven, en voor de rest zorgt mijn chef van den staf.” -</p> -<p>„En gij, overste<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” wendde mevrouw zich tot een ander harer gasten. „Hadt gij het heden niet druk met -die nare tijdingen. Er zal ook wel weer eene belangrijke ambulance meê moeten, nietwaar? -Ik heb ten minste als gedelegeerde van het Roode Kruis van het Centraal Comité te -Batavia in dien zin eene mededeeling ontvangen.” -</p> -<p>„Och, neen, mevrouw, over drukte heb ik niet te klagen,” antwoordde deze, die chef -van den geneeskundigen dienst te Santjoemeh was. „De voorzieningen voor de versterking -naar Atjeh zijn allen getroffen, en heb ik daaraan mijne aandacht niet meer te wijden. -Toch is het gevaar groot geweest, dat ik heden avond geen deel aan ons partijtje had -kunnen nemen.” -</p> -<p>„Ei zoo! Toch geen gevaarlijke zieke onder onze kennissen?” vroeg mevrouw Van Gulpendam -deelnemend. -</p> -<p>„Gelukkig, neen. Maar, terwijl ik aan het dineeren was, kwam mij de geneesheer van -de wacht uit het hospitaal verwittigen, dat er een Inlander door politie-agenten binnen -gebracht was, die ziekteverschijnselen vertoonde, welke hem uiterst vreemd voorkwamen, -en waaromtrent zijne diagnostika hem in den steek liet.” -</p> -<p>„Zijne … Wat liet hem in den steek?” vroeg mevrouw Van Gulpendam. -</p> -<p>„Zijne diagnostika, mevrouw. Vergeef mij dat barbaarsche woord,” antwoordde de overste. -„Maar dat is de leer van de herkenning der ziekten. Daar de lijder in het oog van -den jeugdigen arts in extremis was, bleef mij niets anders over, dan met hem naar -het hospitaal te gaan. Gij weet de toewijding van een geneesheer moet die eens priesters -zijn.” -</p> -<p>„Jawel, jawel; maar ga voort.” -<span class="pageNum" id="pb56">[<a href="#pb56">56</a>]</span></p> -<p>„Ik kwam bij den lijder. En raadt eens wat het was? O, die jeugdige artsen van de -hedendaagsche school! Die man had den mond vol van absente diaeresis; van aanwezige -efflorescentia en formicatie, gepaard aan hemiantropie; maar zag niet, dat hij met -eene eenvoudige maar toch flink toegepaste urticatie te doen had.” -</p> -<p>„Met eene flink toegepaste wat?” vroeg de residentsvrouw. -</p> -<p>„Urticatie, mevrouw, of zooals dat hier genoemd wordt: met eene flink toegepaste geeseling -met karbouwbladeren.” -</p> -<p>„Met karbouwbladeren?” vroeg de resident, die bij dat woord aandachtig werd. „Die -worden immers in het Javaansch Kamadoog geheeten?” -</p> -<p>„Juist, resident.” -</p> -<p>„Nu, overste. Laat vieren je verhaal. Loop van stapel alsjeblieft. Een tienmijls vaart!” -</p> -<p>„Wel. Die oolijke arts had mij wel kunnen thuis laten. Er viel niets anders te doen, -dan wat de Javanen reeds voor den lijder gedaan hadden, namelijk de pijnlijkste plekken -met sirihkalk in te smeeren, en de overige met versche klapperolie. De man lag in -een hevige ijlende koorts; maar daarvoor had ik niet moeten geroepen zijn. Daarvoor -heeft die arts zijne antifebrilia en zijne antidinika.” -</p> -<p>„Hoelang duren de gevolgen van zoo’n urticatie, zoo als gij dat noemt, overste?” vroeg -de resident. -</p> -<p>„Ja, dat’s ongelijk, dat hangt er van af, hoelang de geeseling geduurd heeft. Het -onderhavige sujet heeft er duchtig van langs gehad. Ik denk, dat de ijlende koorts -nog wel twee maal vier en twintig uren zal duren. Daarna zal zij afnemen. Maar, het -zal wel veertien dagen duren, alvorens die man weer op de been zal zijn.” -</p> -<p>„Drommels, zoo lang?” vroeg Van Gulpendam. -</p> -<p>„Ja, en dat nog wel in het gunstigste geval, resident.” -</p> -<p>„En blijven geen nadeelige gevolgen later over?” -</p> -<p>„Als de lijder de koorts goed doorstaat, neen.” -</p> -<p>„Ook geen litteekenen, geen huidverkleuring?” -</p> -<p>„Neen, resident.” -</p> -<p>„Zoodat later na genezing, de mishandeling niet te constateeren is?” -</p> -<p>„Neen, volstrekt niet.… Maar, resident, die vragen.… Stelt gij belang in den lijder?” -</p> -<p>„Neen, hoe zou ik dat kunnen? Ik ken hem niet eens. <span class="pageNum" id="pb57">[<a href="#pb57">57</a>]</span>Ik weet van het geval niet eens af; maar ik heb wel eens van die eigenaardige Hoekoem -Kamadoog gehoord en was begeerig iets van hare gevolgen te vernemen.” -</p> -<p>Andere gasten verschenen, waardoor dat gesprek afgebroken werd. Na de gewone plichtplegingen -werd vier en vier plaats aan de speeltafeltjes genomen, terwijl de lieve Anna zich -met de thee onledig hield. Maar nog waren de omberpartijtjes niet begonnen, toen de -assistent-resident van politie verscheen. Na zijne eerbiedige hulde aan de dames des -huizes gebracht, en met de aanwezigen een handdruk gewisseld te hebben, sprak hij -tot den huisheer: -</p> -<p>„Vergeef mij, resident, dat ik u stoor; maar ik kreeg de boodschap dadelijk bij u -te komen.” -</p> -<p>„Juist, mijnheer Meidema,” antwoordde de heer Van Gulpendam opstaande, en tot zijne -partners: „Heeren,” zei hij, „gij zult een oogenblik met u drieën moeten spelen.… -Kom, Meidema.” -</p> -<p>De twee ambtenaren traden een zijvertrek in van de binnengalerij. -</p> -<p>„Mijnheer Meidema,” begon de resident dadelijk, nadat hij de deur van het vertrek -zorgvuldig gesloten had. „Er is heden eene belangrijke opium-aanhaling gedaan, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, resident. Er zijn bij mij afgegeven drie botervaatjes en vijftien blikken. In -de botervaatjes is de opium verpakt evenals boter, d. w. z. er is een vaatje van tien -kilo in een ander geplaatst, en met grof zout omgeven. De blikken bevatten ieder vijf -kilo ongeveer. Zoodat de aanhaling nagenoeg anderhalve pikol bedraagt.” -</p> -<p>„Zoo, nog al aardig,” meende de resident. -</p> -<p>„Die ongeveer negen duizend gulden waard is,” vulde Meidema aan. -</p> -<p>„He! he! mijnheer Meidema. De regeering verstrekt de ruwe opium tegen dertig gulden -het katie aan de pachters. Derhalve 150 × 30 is volgens mij nog maar vier duizend -vijf honderd gulden. Is ’t niet?” -</p> -<p>„Ja, resident, U hebt gelijk. Maar de aanhaling betreft geen ruwe opium, maar tjandoe. -En gij weet wel, dat van een katie opium slechts 15⁄32 tjandoe na zuivering gewonnen -wordt.” -</p> -<p>„Zoo?” sprak de heer Van Gulpendam met een doordringenden <span class="pageNum" id="pb58">[<a href="#pb58">58</a>]</span>blik op den assistent-resident. „Maar is het wel opium?” -</p> -<p>„Het is beter dan dat,” antwoordde deze zonder den wenk te begrijpen. „Het is tjandoe, -zooals ik zei. Zie, hier heb ik een monster. Het is zuiver Bengaalsch <span class="corr" id="xd30e2165" title="Bron: produkt">product</span>.” -</p> -<p>„Zouden we dat monster niet eens in handen van een scheikundige stellen?” -</p> -<p>„Zoo als ge wilt, resident. Maar, mij dunkt, dat het geheel overbodig is. Het is tjandoe, -die op zijn minst vijf en twintig à dertig percent morphium<a class="noteRef" id="xd30e2172src" href="#xd30e2172">3</a> bevat.” -</p> -<p>„Zoo!.… Ik meen maar.… Enfin, gij moet het weten. De smokkelwaar is u in handen gesteld.… -Gij kent de herkomst van die vaatjes en blikken, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, resident. Uw „kapala oppas” (hoofd der oppassers) heeft mij gerapporteerd, dat -die opium afkomstig is van de <i>Kiem Ping Hin</i>, en gij weet wie.…” -</p> -<p>„Van de <i>Kiem Ping Hin</i>?.… Hoe komt gij er aan?” -</p> -<p>„Hoe ik er aan kom, resident? Wel, ik zeide het u reeds. Van uw kapala oppas.” -</p> -<p>„Oppas! Oppas!!” riep de heer Van Gulpendam met uitgezette stem. -</p> -<p>Als een stormwind kwam zoo’n gedienstige geest aangevlogen. -</p> -<p>„Is dat de man, die bij u geweest is?” vroeg de hoofdambtenaar aan den assistent-resident. -</p> -<p>„Ja, resident.” -</p> -<p>„Oppas,” sprak de heer Van Gulpendam, terwijl hij den Javaanschen bediende met strakken -blik aankeek, „die opium, die gij bij den toean assistent bracht, is immers bij Ardjan -gevonden?” -</p> -<p>„Engèh, Kandjèng toean!” antwoordde de oppasser; „tapèh (maar).…” -<span class="pageNum" id="pb59">[<a href="#pb59">59</a>]</span></p> -<p>„Niets van tapèh! Eenvoudig, ja of neen!” hernam de resident op strengen toon. -</p> -<p>„Engèh Kandjèng toean!” -</p> -<p>„Hoort gij het, mijnheer Meidema?” -</p> -<p>„Ja, resident, ik hoor het,” antwoordde deze met strak gelaat. -</p> -<p>„Gij zult dus dienovereenkomstig de verbalen laten opmaken.” -</p> -<p>„Maar, resident.…” -</p> -<p>„Geen maren, mijnheer.. Ge hebt slechts stipt uwen plicht te vervullen.” -</p> -<p>„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” -</p> -<p>„Dank u.” -</p> -<p>Een oogenblik later waren de twee omberpartijtjes in vollen gang, en hief de schoone -Laurentia een juichkreet aan. Zij had vier matadors zesde schoppen, met groot mariage -klaveren en harten zeven in de hand. -</p> -<p>„Vole déclarée, schoppen!” riep zij. -</p> -<p>„Begint ze nu al met hare rafelbuien!” bromde haar echtgenoot, die aan het andere -tafeltje zat. „Dat’s vroeg.” -<span class="pageNum" id="pb60">[<a href="#pb60">60</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e1876"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e1876src">1</a></span> <i>Tali api.</i> Vuurtouw of lont. Sedert de verschijning van de Zweedsche tandstickors op de wereldmarkt, -is het gebruik van tali api grootendeels verdwenen. Dat ’s wel jammer; want dat heeft -het verdwijnen van den tali-api-jongen tengevolge gehad, en die was eene echt Oostersche -figuur in eene Oostersche omgeving. Geheel verdwenen is de tali-api-jongen evenwel -nog niet. In Java’s binnenlanden zou menige groote hem niet willen missen; want die -jongen behoort tot de staatsie. <a class="fnarrow" href="#xd30e1876src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n47.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n47.1src">2</a></span> <i>De opiumpachter, die aan het hoofd stond der smokkelaars van het heulsap.</i> Dat is geen laster. De Regeering is er zoo van overtuigd, dat een Minister v. Kol. -bij depêche van 16 April 1869 aan den Koning schreef o. a.: <i>het blijkt daaruit, dat de smokkelhandel der pachters aanleiding geeft tot ondermijning -van het gezag</i>. -</p> -<p class="footnote cont">Een Procureur-Generaal bij het Hoog Gerechtshof van <span class="corr" id="xd30e1920" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> schreef bij miss. dd. 3 October 1866 aan den <abbr title="Gouverneur-Generaal">Gouv.-Gen.</abbr>: -</p> -<p class="footnote cont">„Oost- en West-Java zijn overdekt met een goed georganiseerd net van sluikhandel, -waarvan de draden zich bevinden in handen van de pachters, een net dat, om de ongehoorde -voordeelen, die het oplevert, trots de hoogste boeten, trots de hoogste straffen, -zal blijven bestaan, zoolang het belang der pachters medebrengt het te behouden.” <a class="fnarrow" href="#n47.1src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2172"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2172src">3</a></span> <i>Vijf en twintig à dertig percent morphium.</i> De Levantsche opium bevat 7–15 %, de Bengaalsche iets meer morphium. Is de tjandoe -van onvervalschte opium verkregen, dan wordt gewoonlijk 25 % van dat alkaloïd aangetroffen. -Zie daaromtrent het voorkomende op bl. 692 van den Ind. Gids Meinummer 1885, waar -het gevoelen van den heer <span class="sc">F. Hekmeijer</span>, 1e apotheker v. h. <span class="corr" id="xd30e2178" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> leger en bekend als uitstekend scheikundige, medegedeeld wordt, in verband met de -bewering van <span class="sc">J. C. Baud</span>, dat uit onvervalschte opium slechts 15⁄32 tjandoe gewonnen wordt. <a class="fnarrow" href="#xd30e2172src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e661">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">V.</h2> -<h2 class="main">In de voor- en binnen-galerij.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen de heer Meidema het residents-erf met zijn milord verliet, reed juist een ander -voor en stapte de heer van Nerekool de trappen op, die toegang tot de voorgalerij -verleenden, waarin de spelers gezeten waren. -</p> -<p>Het zal den lezer wellicht vreemd voorgekomen zijn, dat een jeugdig, fijngevoelig, -beschaafd meisje, als Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam was, een briefje aan een jong mensch durfde te schrijven, ook dat die jonkman -zoo dadelijk aan die roepstem gehoor gaf. In de eerste plaats mag niet vergeten worden, -dat de lieve Anna, toen zij dat briefje schreef, geheel aan den aandrang van baboe -Dalima gehoorzaamde, en om redding aan te brengen, geheel aan de uitspraak van haar -hart gehoor gaf, zonder te bedenken, dat hare handeling minder welvoegelijk geheeten -kon worden. Dan ook moet verhaald worden, dat tusschen de twee jongelieden wel geen -liefdesverkeer bestond, maar toch eene soort aantrekking jegens elkander ontstaan -was, geboren uit overeenkomstige gewaarwordingen, die zich al heel spoedig bij hunne -wederzijdsche aanrakingen geopenbaard hadden. Beiden waren naturen van edelen stempel, -wier eigen hart en brein onbezoedeld en derhalve niet in staat waren, elkander van -berispenswaardige gedachten te verdenken. Eene genegenheid bestond tusschen hen, dat -viel niet te miskennen. Maar voorshands was dat nog niets dan de band, die twee naturen -van hunnen stempel in het goede en het edele aaneenstrengelde. Of die genegenheid -een meer <span class="pageNum" id="pb61">[<a href="#pb61">61</a>]</span>teederen vorm zou kunnen aannemen? De toekomst zal dat wellicht ontsluieren. -</p> -<p>„Goeden avond, mevrouw. Mag ik naar den staat uwer gezondheid vernemen?” -</p> -<p>„Is die lummel daar weer! Wat komt die kadrajer aan boord doen?” bromde de resident -tusschen de tanden, terwijl de schoone Laurentia zoo aanminnig mogelijk antwoordde: -</p> -<p>„Wel, dat is lief van u, mijnheer Van Nerekool, u te vertoonen. Waarlijk, gij verwent -ons niet. Uwe bezoeken zijn al zeer zeldzaam.” -</p> -<p>„Ik voel mij gelukkig, dat mevrouw Van Gulpendam zulks opmerkt,” hernam de pas aangekomene, -„maar gij weet, ik speel niet, en bij zulke hartstochtelijke liefhebbers, ben ik op -zijn minst genomen, ik zou het haast noemen, <i lang="fr">fâcheux troisième</i>.” -</p> -<p>Zijn blik waarde bliksemsnel door de galerij rond; maar vond niet wie hij zocht. Zich -tot de heeren wendende: -</p> -<p>„Wel resident, ik behoef naar uw welstand niet te vragen. En u, kolonel, en u, overste, -evenmin. Gij allen zijt de gezondheid gepersonifieerd. Hoe maken de heeren het met -het partijtje? Wel, heer secretaris,” ging hij voort, tot een der heeren aan het andere -tafeltje. -</p> -<p>„Het mocht beter,” pruttelde deze. „De avond is mooi begonnen.” -</p> -<p>„Ja, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw van Gulpendam. „Gij zijt een oogenblik te -laat gekomen. Ik heb zoo even een prachtige vole gespeeld en gewonnen!” -</p> -<p>„Een vole, mevrouw?” -</p> -<p>„Ja, en een gewaagde ook! Verbeeld u. Ik had vier matadors zesde in de schoppen, groot -mariage klaveren en harten zeven.” -</p> -<p>„En hebt ge dien gewonnen mevrouw?” -</p> -<p>„Ja, zeker, door mijn fijn spel. Ik speelde eerst drie matadors, toen waren de troeven -er uit. Daarop speelde ik klaverenheer en ging toen door met twee troeven …” -</p> -<p>„Jawel,” viel de secretaris in. „En ik liet mij verschalken. Ik had klaverenboer derde -en hartenheer. Ik zag het harten regenen: vrouw, boer, aas, enz., enz., dat viel achter -elkander. Op die troeven speelde mevrouw klaverenvrouw, daarop weer troef en nog eens -troef. Ja, ik had de klaveren zorgvuldig geteld; de zeven was nog <span class="pageNum" id="pb62">[<a href="#pb62">62</a>]</span>niet gevallen. En.… waarachtig! daar wierp ik mijn hartenheer weg, en.…” -</p> -<p>„Zal de heer Van Nerekool een kop thee of een kop koffie gebruiken?” brak eene lieftallige -stem, die omberverhandeling af. -</p> -<p>De aangesprokene keerde zich met drift om. -</p> -<p>„Dag juffrouw Anna! Hoe vaart gij?” vroeg hij innig belangstellend. „Maar, waartoe -dat te vragen? Gij ziet er uit als eene pas ontloken Devonshire-roos, zoo lieftallig, -zoo.…” -</p> -<p>„Zult gij thee of koffie gebruiken?” vroeg Anna, op wier lippen een schalkschen glimlach -zweefde bij die komplimentjes. -</p> -<p>„Hebt gij de koffie gezet, juffrouw Anna?” -</p> -<p>„Neen, de kokkie deed dat.” -</p> -<p>„En de thee?” -</p> -<p>„O, dat ’s mijn departement, mijnheer Van Nerekool.” -</p> -<p>„Mag ik dan om een kop thee verzoeken?” -</p> -<p>„De kokkie heeft anders lekkere koffie van echte Preanger mannetjes-boonen gezet,” -riep mevrouw Van Gulpendam den jongen man toe. -</p> -<p>„O, ik twijfel geen oogenblik aan het meesterschap in het koffiezetten van uwe kokkie, -mevrouw; maar vergeef mij, ik zal een kop thee prefereeren. Dat heeft nog zoo iets -vaderlandsch; juffrouw Anna, als ik u bidden mag, een kop thee.” -</p> -<p>„Ja, maar op eene voorwaarde,” snapte het jonge meisje. -</p> -<p>„Bij voorbaat aangenomen! Welke is die voorwaarde?” -</p> -<p>„Dat gij straks de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>, gij weet wel die keurige quatre-mains van Ludovic met mij speelt …” -</p> -<p>Van Nerekool trok een bedenkelijk gezicht. -</p> -<p>„Of gij nu ook al een gezicht zet als eene muffe rechtspleging, dat baat u ziet zooveel -niet,” ging het jonge meisje voort, terwijl zij met den rose nagel van haar allerliefst -gevormd duimpje een knappend geluid tegen hare hagelblanke en fraai geordende tandjes -veroorzaakte en een spotziek glimlachje dat gebaar iets pikants bijzette, „<i lang="fr">les fleurs d’oranger!</i> of geen thee! Dat ’s mijn ultimatum! Zoo noemt men immers de voorwaarde, die onmiddellijk -de oorlogsverklaring voorafgaat, nietwaar, kolonel?” -</p> -<p>„Ja, juffrouw Anna,” antwoordde de oude krijgsman, <span class="pageNum" id="pb63">[<a href="#pb63">63</a>]</span>die geen woord van de vraag gehoord had, verdiept als hij was in het netelige van -een gewaagden <i lang="fr">sans-prendre</i>, dien hij ondernomen had. -</p> -<p>„Een ultimatum! eene oorlogsverklaring! Juffrouw Anna, wie zou u den oorlog durven -verklaren? Neen, liever dan daarvan verdacht te worden, speel ik den geheelen avond -<i lang="fr">les fleurs d’oranger</i>. Kom, dadelijk!” -</p> -<p>„Dat is weer in een ander uiterste vervallen, mijnheer Van Nerekool,” spotte het meisje. -„Is het dan met de heeren van de rechterlijke macht overal en in alles steeds hetzelfde -als in hun gerechtszaal, waar zij,—zoo als papa beweert—slechts leliën van onschuld, -of slechts afgrijselijke booswichten gelieven te ontwaren?” -</p> -<p>„Zoo erg is het met ons niet, juffrouw Anna; maar.… zoudt gij mij toestaan hier achter -de kaarten een lesje in het omberen van uwe mama te ontvangen?” -</p> -<p>„Zeer zeker, sta ik dat toe. Ik ga onderwijl voor de thee zorgen, vervolgens voor -de andere „minoeman” (dranken). Daarna zal ik iets van Beethoven spelen.…” -</p> -<p>„Prachtig, juffrouw Anna. Mag ik dan de tweede sonate in D dur, opus 36, verzoeken?” -</p> -<p>„De heeren zijn tyrannen,” antwoordde het meisje met een bekoorlijken glimlach. „Nu -goed dan, gij zult die sonate hebben, maar daarna, pas op, dan de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>! En,.… ga nu maar les nemen in het omberen.” -</p> -<p>Een oogenblik later zat Van Nerekool achter mevrouw Van Gulpendam haar fijn en gesloten -spel te bewonderen; terwijl Anna de honneurs waarnam en bedrijvig heen en weer trippelde, -om toe te zien, dat de bedienden stipt hunnen plicht waarnamen en de gasten niet onverzorgd -lieten. -</p> -<p>Terwijl de jonge man daar achter de schoone Laurentia gezeten was en aandachtig in -hare kaarten tuurde, teekende zich zijn profiel, onder de uitstraling der prachtige -en overdadige gaslampen, die de galerij met een zee van licht overstroomden, heerlijk -af. <span class="corr" id="xd30e2302" title="Bron: Eduard">Karel</span> <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool was een jong mensch, van vijf of zes en twintig jaren oud, die te Leiden -in de rechten gestudeerd had en als jongste lid bij den raad van Justitie te Santjoemeh -geplaatst was, toen hij weinige maanden geleden van Batavia aankwam. Hij was een rijzig -man, met blonde haren, die hij uiterst kieskeurig verzorgde, met een fraai besneden -<span class="pageNum" id="pb64">[<a href="#pb64">64</a>]</span>gelaat, waarvan de Europeesche blos nog niet geweken was en dat rechts en links omlijst -werd door een krachtigen ringbaard, die vol en weelderig met den dicht gevulden knevel -ineen liep, maar de kin geheel vrij liet. Die baard was iets blonder dan het hoofdhaar, -ja mocht op eene zekere mate van vergulding bogen, die den jongen man evenwel niet -misstond. Zijne beschaving hield gelijken tred met zijn uiterlijk, zoodat hij in zijne -omgeving voor een uiterst aangenaam mensch gold, hetgeen hij ook ten volle verdiende. -In iets evenwel viel hij die omgeving uit de hand. Hij was een <span class="ex">rechtsgeleerde</span> in de zuivere beteekenis van het woord. Een geleerde, een beoefenaar van het recht! -Noch de studie der Pandecten, noch die der Instituten, noch die van het Jus civilis -in een woord, noch de studie van het Jus Justineanum, van het Jus Cesareum of van -het Moderne recht hadden zijn karakter kunnen bederven. En mocht de casuïstiek eenige -aantrekkelijkheid voor hem hebben, dan was het niet om daaruit <span lang="la">casus positiones</span> of juridische subtiliteiten te smeden; neen, dan diende zij hem in tegendeel als -gewetens-dialektiek, die hem voor kunstgrepen of sluwe vondsten beveiligde. Recht -door zee, eerlijk als goud en rein als diamant waren drie volksgezegden, die volkomen -op hem van toepassing waren. Dat hij zich met die eigenschappen, welke door een soort -van rondborstigen spreektrant, die hem, hoewel hij daarbij steeds den stempel van -man van opvoeding en beschaving bleef bewaren, niet gedoogde zijne meening ook maar -het geringste te omzwachtelen, nog meer uitkwamen, in geen groot getal vrienden mocht -verheugen, zal voor iederen denker duidelijk zijn, die een diepen blik in de verdorvenheid -der hedendaagsche maatschappij heeft leeren slaan. Stipte rechtvaardigheidsbeginselen, -rondborstigheid van uitdrukking, gepaard aan nauwgezette waarheidsliefde zijn geen -faktoren om in de tegenwoordige wereld, maar vooral in de Indische ambtenaars-wereld -vooruit te komen! -</p> -<p>Vooral de resident Van Gulpendam had, hoewel hij den jongen man als rechterlijk ambtenaar -uit zijn huis niet weren kon, een waren hekel aan hem en had dat dikwijls aan zijn -chef, den voorzitter van den raad van Justitie te Santjoemeh, een reeds bejaard rechtsgeleerde, -te kennen gegeven. -<span class="pageNum" id="pb65">[<a href="#pb65">65</a>]</span></p> -<p>„Och,” had deze met een sluw lachje geantwoord. „De heer Van Nerekool is nog een jeugdig -borstje. Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben<a class="noteRef" id="xd30e2321src" href="#xd30e2321">1</a>, zal hij wel tot een nuttig Indisch ambtenaar vervormd zijn. Wie onzer had, bij het -begin zijner loopbaan in zijne jeugd, ook niet zulke idealistische denkbeelden als -hij?” -</p> -<p>De heer Van Gulpendam had bij dat antwoord vreemd opgekeken. Hij toch voelde zijn -geweten onbezwaard met de schuld ooit idealistische denkbeelden gekoesterd te hebben, -althans met zoodanige, als waarmede de jeugdige rechterlijke ambtenaar besmet was. -</p> -<p>De jonkman zat trouw achter de kaarten van de schoone Laurentia te turen. -</p> -<p>„Ik kan niet zeggen, dat gij mij geluk aanbrengt, mijnheer Van Nerekool,” zei mevrouw -met een gedwongen glimlachje. „Sedert gij achter mij zijt komen zitten, heb ik geen -spel meer in handen gekregen. Ga aan ginds tafeltje bij den resident eens kijken.” -</p> -<p>„Dank je wel!” riep deze. „Ge wilt mij de déveine endosseeren!” -</p> -<p>Er zijn geen bijgelooviger menschen in de wereld dan fijne ombreurs. -</p> -<p>Van Nerekool was bij de bemerking van Laurentia opgestaan. Maar bij de woorden van -den resident verkeerde hij in twijfel wat te doen, toen de stem van de dochter des -huizes weerklonk: -</p> -<p>„En mijn <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>, mijnheer Van Nerekool? Waar blijft u? Kom, het is tijd.” -</p> -<p>„En de sonate in D dur, juffrouw Anna? Waar blijft die? Ik heb nog niets gehoord!” -</p> -<p>„Dat ’s waar ook. Die had ik vergeten. Kom dan de muziek voor mij omslaan.” -</p> -<p>„Ja, ga de muziek omslaan,” prevelde de schoone Laurentia, terwijl zij de twee jongelieden -even natuurde, maar terstond weer naar haar spel keek. „Kijk, daar <span class="pageNum" id="pb66">[<a href="#pb66">66</a>]</span>hebben we het al! Nauwelijks is hij weg, of ik raap heel andere kaarten op.” -</p> -<p>„Zoo’n uitkijk achter de kaart, kan ik niet velen,” pruttelde Van Gulpendam van zijn -kant. „Wat komt zoo’n lummel, die niet speelt, toch hier doen?” -</p> -<p>„Hm! misschien het omberen leeren,” antwoordde de kolonel. -</p> -<p>„Kom, dat leert hij nooit! Daartoe mist hij geheel en al praktischen zin.” -</p> -<p>„U hebt volkomen gelijk, resident,” beaamde de voorzitter van den raad van Justitie, -„en zonder praktischen zin brengt men het in het omberen niet ver.” -</p> -<p>„En ook niet in andere aangelegenheden!” vulde Van Gulpendam met een afdoenden toon -in zijne stem aan. „Kom, laat ons voortspelen. Ik zit aan de voorhand, welnu: <i lang="fr">sans prendre</i>. Harten!” -</p> -<p>De beide jongelieden waren de binnengalerij binnen getreden, en niet zoodra waren -zij uit het gezicht van de spelenden of Van Nerekool begon: -</p> -<p>„Ik heb uw briefje ontvangen, juffrouw Anna, en zooals gij ziet, ben ik dadelijk gekomen.” -</p> -<p>„In Gods naam, spreek zacht,” fluisterde het meisje<span class="corr" id="xd30e2360" title="Niet in bron">.</span> En hardop vervolgde zij: „Help mij even de muziek uitzoeken.” -</p> -<p>En terwijl zij met hun beiden de muziekbladen een voor een uit de sierlijk gesneden -étagère, die naast de piano stond, haalden en bekeken, fluisterde het jonge meisje: -</p> -<p>„Gisteren is onze baboe Dalima uit den tuin ontvoerd … Stil! onderbreek mij niet, -anders heb ik geen tijd. De hoofdschuldige is hier Lim Ho. Zij werd echter bevrijd -door Ardjan, haren aanstaande. Die is evenwel op last van den Chinees vreeselijk met -karbouwen-bladeren gegeeseld geworden, zoodat hij thans in het hospitaal …” -</p> -<p>„Zie, hier heb ik de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>, juffrouw Anna,” sprak van Nerekool, die iemand in de voorgalerij van zijn stoel -had hooren opstaan, overluid. -</p> -<p>„Maar, waar blijft de sonate?” vroeg het jonge meisje even luid. „O, hier heb ik ze! -Och, mijnheer Van Nerekool, leg dien zwaren bundel op de piano, als ik u bidden mag.” -</p> -<p>„Dus de sonate voor den wals?” vroeg hij met een glimlach. -<span class="pageNum" id="pb67">[<a href="#pb67">67</a>]</span></p> -<p>„Is dat niet het beste? Ik ken die sonate zoo grondig, dat ik zal kunnen spelen en -tevens mijn verhaal voortzetten.” -</p> -<p>Anna nam plaats voor het klavier. Hij stond naast haar, gereed om de bladen om te -slaan. -</p> -<p>„Ik vertelde u,” ging zij haar verhaal voort, terwijl zij den prachtigen aanvang aansloeg -van dat in alle zijne deelen op groote schaal opgezet en keurig uitgewerkt kunststuk, -„dat Ardjan in het hospitaal opgenomen moest worden wegens de mishandeling, die hij -ondergaan had. Maar het is dat niet, wat mij aanleiding gaf, om u dat briefje te schrijven.” -</p> -<p>„Wát dan, juffrouw Anna? Ik ben geheel gehoor.” -</p> -<p>„Luister aandachtig.” -</p> -<p>En terwijl de vlugge vingeren van het muzikale meisje de innigste gewaarwordingen -des harten, die de goddelijke Beethoven in zijn kunststuk heeft neergelegd, tot ontwikkeling -lieten komen; terwijl zij al de reine gevoelens, die den mensch in de zonnige dagen -der jeugd, in den heerlijken glans der liefde en der ontvonkte hoop doortintelen kunnen, -tot vertolking brachten; terwijl zij de zoo schoone droomerijen des toondichters, -doorweven met de lichte wolkjes van somberheid, die den zonneschijn van zijn gemoed -bedreigden, heerlijk lieten uitkomen, vertelde het lieve kind de ontvoering en de -redding van Dalima, in welken deerniswaardigen toestand de arme Javaan teruggevonden -was; maar ook dat in zijne nabijheid eene vrij aanzienlijke partij sluik-opium ontdekt -werd, die bij den assistent-resident van politie afgegeven was. -</p> -<p>Van Nerekool luisterde, hoewel hij geen oog van de muziek afwendde, en zich geen enkelen -keer bij het omslaan der bladeren vergiste, zoo aandachtig toe, dat geen woord hem -ontsnapte. Bij de laatste woorden betrok zijn gelaat. Het jonge meisje, die dat waas -zeer goed opmerkte, vervolgde evenwel haar spel, en bracht het slot der sonate, waarin -een verbazenden rijkdom neergelegd is van levenverwekkende gedachten, die van alle -kanten schijnen samen te stroomen om het gevoel der hoogste blijdschap op te wekken, -tot zoo’n schitterend einde, dat de spelers, in de voorgalerij, die onder den invloed -van het kunstvaardige spel een oogenblik hun partijtje gestaakt hadden, luide hunne -toejuichingen liet hooren. -<span class="pageNum" id="pb68">[<a href="#pb68">68</a>]</span></p> -<p>„Weet ge zeker, dat het opium is? juffrouw Anna?” vroeg Van Nerekool, terwijl de bravo’s -voor nog weerklonken, fluisterend. -</p> -<p>„Hoe wil ik dat weten?” antwoordde het jonge meisje, eveneens op gedempten toon. -</p> -<p>„Is die opium met Dalima en Ardjan aan den wal gekomen?” -</p> -<p>„Neen, in de djoekoeng, waarmede zij den wal bereikten, was niets van dien aard.” -</p> -<p>„Wie heeft dan die opium aan den wal gebracht?” -</p> -<p>„Dat wist Dalima niet … En nu,” ging zij met luider stem voort. „En nu de <i lang="fr">fleurs d’oranger</i>!” -</p> -<p>„Maar, hoe komt gij er toe te vreezen, dat Ardjan beschuldigd zal worden, die opium -aan den wal gebracht te hebben? Mij dunkt, daartoe bestaat niet de minste aanleiding; -tenzij.…” -</p> -<p>„Sjtt.… straks!” -</p> -<p>En daar weerklonk onder de vier handen die heerlijke wals met zijne sprankelende noten, -die de ruime hal der binnengalerij vervulden, in ware trossen, in ware bouquetten -van melodiën naar buiten ruischten, en zoo een heerlijk aanhangsel, schier een vervolg -van levenslustige opwekking vormden van Beethovens sonate van straks. Terwijl de nagalm -der laatste akkoorden nog waarneembaar was, beantwoordde het jonge meisje de laatste -vraag van Van Nerekool: -</p> -<p>„Straks is de heer Meidema bij papa geweest, en.…” -</p> -<p>Het lieve kind aarzelde. -</p> -<p>„En?” vroeg van Nerekool. „Kom, juffrouw Anna, gij moet mij alles mededeelen.” -</p> -<p>„Ik ving een gedeelte van hun gesprek op.” -</p> -<p>„Een weinig geluisterd?” -</p> -<p>Het meisje bloosde allerbekoorlijkst. Het inkarnaat overtoog tot hare oortjes. -</p> -<p>„Welnu, ja,” antwoordde zij met eenige vastberadenheid. „Ik had papa den oppasser -hooren gelasten, om mijnheer Meidema te roepen, en ik kon de gedachte niet van mij -zetten, dat dit in verband stond met Ardjan. Toen de assistent-resident kwam, sloop -ik dan ook achter het schutsel, hetwelk de deur maskeert, en.…” -</p> -<p>„Nu, en …? Juffrouw Anna, gij moet mij alles zeggen,” -</p> -<p>„En, toen heb ik alles gehoord.…!” -<span class="pageNum" id="pb69">[<a href="#pb69">69</a>]</span></p> -<p>„Alles, wat?” -</p> -<p>„Wat zij verteld hebben.…” -</p> -<p>„Ja, maar, wat hebben zij verteld?” -</p> -<p>„Dat kan ik zoo niet weergeven, mijnheer Van Nerekool.” -</p> -<p>„Ja, maar toch de quintessenz. Kom, juffrouw Anna?” -</p> -<p>„Mijnheer Van Nerekool, ik weet niet of ik u alles mag vertellen.…” -</p> -<p>„Maar, lieve juffrouw Anna, waarom hebt gij mij dan laten roepen? Vraag u dat af.” -</p> -<p>„Ik wilde zoo graag den aanstaande van Dalima redden.” -</p> -<p>„Juist; dat meen ik reeds begrepen te hebben. Maar, hoe kan ik dat doen, als ik de -toedracht der zaak niet weet? Volgens mij bestaat er geen schijn van gevaar, dat Ardjan -van smokkelarij beschuldigd zal worden. Wees openhartig met mij<span class="corr" id="xd30e2420" title="Bron: ,">.</span>” -</p> -<p>„O, ik zou zoo gaarne,” zuchtte het meisje schier onhoorbaar. „Maar het is zoo moeielijk.” -</p> -<p>„Waarin bestaat die moeielijkheid?” -</p> -<p>„O, dat gesprek van papa met mijnheer Meidema. Maar … komaan … gij hebt gelijk. Ik -zal openhartig zijn en u alles vertellen.” -</p> -<p>En daarop verhaalde het jonge meisje het geheele gesprek, dat de beide ambtenaren -gehouden hadden. Zij verzweeg niets, noch de geschatte waarde van de opiumpartij, -noch de vermoedelijke herkomst, door Meidema bekend gesteld, noch het verhoor van -den kapala oppas. Toen zij mededeelde, hoe haar vader de schuldigheid van Ardjan den -politiebediende als het ware opgedrongen had, overdekte het schaamrood hare wangen -en was zij zichtbaar verlegen. Van Nerekool begreep den gemoedstoestand van de lieve -maagd, die zich voor de daden van haren vader schaamde. Hij wist thans genoeg en wenschte -dat gesprek ter wille van het meisje te bekorten. -</p> -<p>„Gij zeidet zoo even, dat de heer Meidema van een schip gesproken had, waarvan die -opium afkomstig zoude zijn. Heeft hij ook den naam van dat schip genoemd?” -</p> -<p>„Ja, ik geloof de <i>Hing Kim Lin</i> of de <i>Lim King Him</i> of zoo iets dergelijks.” -</p> -<p>„Kan het ook de <i>Kiem Ping Hin</i> zijn?” vroeg de rechterlijke ambtenaar met nadruk. „Bedenk u wel.” -</p> -<p>„Ja, die naam is het, mijnheer Van Nerekool.” -<span class="pageNum" id="pb70">[<a href="#pb70">70</a>]</span></p> -<p>Deze sloeg een meewarigen blik op het jonge meisje, terwijl een zucht aan zijne lippen -ontgleed. -</p> -<p>„Waarom kijkt gij mij zoo droevig aan?” vroeg zij. -</p> -<p>„Weet gij wien de <i>Kiem Ping Hin</i> toebehoort?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Aan Lim Ho!” -</p> -<p>„Aan Lim Ho?.… den zoon van den opiumpachter!” kreet zij, terwijl zij de handen voor -het gelaat sloeg, alsof zij zich wenschte te verbergen. -</p> -<p>„Juist,” antwoordde Van Nerekool, die het meisje aandachtig gadesloeg. -</p> -<p>Deze herinnerde zich thans dat vreeselijke gesprek, tusschen hare ouders, waarbij -zij des morgens tegenwoordig was geweest. Tranen van schaamte ontsprongen hare oogleden, -droppelden tusschen hare vingeren door, en gleden over de fraai gevormde handen, terwijl -zij angstig prevelde: -</p> -<p>„Ach God! Ach God!” -</p> -<p>„Juffrouw Anna,” sprak Van Nerekool, met zooveel droefheid bewogen, „laat de hoop -niet varen, wat ik u bidden mag. Ik zal alles doen, wat in mijn vermogen is, om den -onschuldige te redden. Dat beloof ik u.” -</p> -<p>„Maar, mijn vader?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij met eene snelle beweging hare -oogen met haren zakdoek afdroogde.… „Maar mijn vader?”.… -</p> -<p>„Die mag natuurlijk niets van ons gesprek vernemen.” -</p> -<p>„Neen, dat bedoel ik niet, mijnheer Van Nerekool. Kan die ook bij die zaak gecompromitteerd -worden?” -</p> -<p>„Ik hoop van neen; ik zal alles zoo trachten te schikken, dat hij ongemoeid blijft. -Wees gerust.” -</p> -<p>„Kom, laat ons dit gesprek dan eindigen. Ik ga naar achteren, om mijn ontroering te -verbergen. Blijf gij nog wat bij het klavier.” -</p> -<p>„Ja, ik zal nog wat spelen, daarna zal ik afscheid van het gezelschap nemen.” -</p> -<p>Een kwartier later bevond zich Van Nerekool andermaal achter de ombreurs. Die waren -evenwel met „de laatste” bezig, zoodat weinige oogenblikken later het kaartspel geëindigd -was. -</p> -<p>„Mevrouw Van Gulpendam is een waar gelukskind,” betuigde de kolonel, terwijl hij met -bezorgden blik zijne overgeblevene fischjes telde. -<span class="pageNum" id="pb71">[<a href="#pb71">71</a>]</span></p> -<p>Niet lang daarna waren de gasten van de familie Van Gulpendam vertrokken, en stond -de resident nog een oogenblik de vertrekkenden na te turen. -</p> -<p>„Koela noewoen, Kandjeng toean” (ik vraag verlof groote heer, om iets te zeggen) klonk -eene stem zacht prevelend achter den hoofdambtenaar. -</p> -<p>Toen deze zich omkeerde, zag hij daar den kapala oppas gehurkt zitten. -</p> -<p>„Wat hebt ge mij te zeggen?” vroeg hij dezen. -</p> -<p>„Ik heb mij straks vergist, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Vergist, waarmede?” -</p> -<p>„Toen ik aan den assistent-resident verklaarde, dat die opium bij Ardjan gevonden -was.” -</p> -<p>„Bangsat! (gemeene kerel)” brulde de resident. „Als je je woorden durft in te trekken, -dan zal ik je wegjagen! Dan zal ik je in de „cipieran” (gevangenis) stoppen! Begrepen?!!” -</p> -<p>„Engèh. Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser met eentonige stem en onbegrijpelijk -strak gelaat, terwijl hij, de saamgevouwen handen, aan zijn voorhoofd brengende, de -„sembah” (groet) eerbiedig volbracht. -<span class="pageNum" id="pb72">[<a href="#pb72">72</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2321"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2321src">1</a></span> <i>Wanneer hij nog een tiental pikols rijst verorberd zal hebben.</i> Een gewoon gezegde in Ned. Indië, om op een langer verblijf daar te lande te duiden. -Er wordt gerekend, dat iemand een katie of 1⁄100 pikol rijst per dag eet. Om dus tot -een nuttig Indisch ambtenaar vervormd te worden, werden <span class="sc">Van Nerekool</span> nog ongeveer 2¾ jaar gegeven. <a class="fnarrow" href="#xd30e2321src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e670">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VI.</h2> -<h2 class="main">Een echtpaar<span class="corr" id="xd30e2483" title="Niet in bron">.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Van Nerekool’s bemoeiingen zouden weinig vruchten dragen; daarentegen zouden zij hem -veel verdriet berokkenen. Och, hij was nog zoo jong, en daardoor nog zoo onervaren -in de doolhoven van ongerechtigheden, die in Nederlandsch-Indië door de rechterlijke -zoowel als door de administratieve macht bewandeld worden, wanneer die in aanraking -komen met zaken, welke het opiummonopolie gelden. -</p> -<p>Eenige weken na zijn onderhoud met Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, vernam hij van haar, bij gelegenheid hij zijn bezoek bij de residents-familie -herhaalde, dat Ardjan het hospitaal verlaten had, maar naar de gevangenis overgebracht -was. Hij won toen inlichtingen in bij den rechtsgeleerden voorzitter van den landraad<a class="noteRef" id="n72.1src" href="#n72.1">1</a> te Santjoemeh, die hem mededeelde, dat de Javaan van opiumsmokkelarij beschuldigd -was, en dat nog wel van eene vrij belangrijke partij. -<span class="pageNum" id="pb73">[<a href="#pb73">73</a>]</span></p> -<p>„Er doet zich evenwel bij die zaak eene eigenaardige bizonderheid voor,” vervolgde -Mr. Zuidhoorn, de bedoelde voorzitter, „waarvan ik de strekking niet begrijp.” -</p> -<p>„En die is, waarde collega?” vroeg van Nerekool. -</p> -<p>„Ik heb verleden week een brief van den resident ontvangen, waarbij hij mij mededeeling -doet van de volgorde, en op welke data hij verlangt, dat de aanhangige overtredingszaken -door den landraad zouden worden afgedaan.” -</p> -<p>„Maar dat is geheel en al in strijd met artikel 337 van het Inlandsch reglement, en -met artikel 47 van het reglement op de rechterlijke organisatie.” -</p> -<p>„Juist. Ik heb dan ook gladweg geweigerd. Maar luister verder. Op dat lijstje komt -de zaak Ardjan het laatste voor. Begrijpt gij dat?” -</p> -<p>„Ik meen van ja. Bij die zaak ontbreken de bewijzen; ja, ik ben overtuigd, dat die -Javaan valschelijk beschuldigd wordt. Nu rekt men de preventieve gevangenis zoodanig, -dat wanneer eene vrijstelling volgt, de administratief gezaghebbende met zelfvoldoening -kan uitroepen: „hij heeft in allen gevalle voor <i>mijn</i> pleizier zoo vele maanden gezeten.””<a class="noteRef" id="n73.1src" href="#n73.1">2</a> -</p> -<p>Mr. Zuidhoorn keek bij die woorden zijn jongeren collega met doordringenden blik aan. -</p> -<p>„Het kan zijn,” zei hij na een poos. „Ik heb er evenwel eene andere meening voor.” -</p> -<p>„En die is?” -</p> -<p>„Gij weet, dat ik een verlof naar Nederland tot herstel van gezondheid heb gevraagd?” -</p> -<p>„Ja. Maar, wat zou dat?” -</p> -<p>„Wat dat zou? Wel, door het groot aantal overtredingen, die te berechten zijn, zou -de zaak Ardjan volgens de aangeduide volgorde eerst over zes of acht weken ongeveer -aan de beurt zijn.” -</p> -<p>„Welnu?” -</p> -<p>„Maar, dan ben ik waarschijnlijk reeds lang vertrokken.” -<span class="pageNum" id="pb74">[<a href="#pb74">74</a>]</span></p> -<p>„Dat is zoo; maar wat geeft dat? Ter uwer vervanging zal toch wel een ander rechterlijk -ambtenaar naar Santjoemeh gezonden worden, om den landraad te presideeren.” -</p> -<p>Een bittere glimlach zweefde om de lippen van Mr. Zuidhoorn. -</p> -<p>„Wie weet, waar die vervanger van daan moet komen. In Indië gaat het reizen niet vlug. -Moet b. v. Mr. Raabtoon van Padang komen, of Mr. Nellens van Makassar, dan gaan er -minstens twee maanden voorbij, alvorens een hunner hier behoorlijk geïnstalleerd is. -En inmiddels.…” -</p> -<p>„Kan men immers een ander rechterlijk ambtenaar voorloopig met de afdoening der landraadzaken -belasten.” -</p> -<p>„Dat zou men kunnen; maar dat zal men niet doen. Gij weet toch dat krachtens de eerste -alinea van artikel 93 van het reglement op de rechterlijke organisatie en het beleid -der Justitie in Ned.-Indië, de resident, bij ontstentenis van den titularis, als voorzitter -van den landraad kan optreden.” -</p> -<p>„Welnu?” -</p> -<p>„Welnu, de gevolgtrekking van dat alles is eenvoudig te maken. Als ik weg zal zijn, -berecht de resident de zaak Ardjan.” -</p> -<p>„Maar waarom zou hij zoo iets doen, collega?” -</p> -<p>„Weet ik het? Denk er om, dat een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef<a class="noteRef" id="n74.1src" href="#n74.1">3</a>, dat de ambtenaren door de opiumpachters, die de grootste opiumsmokkelaars zijn, -stelselmatig omgekocht worden, en dat zoodoende het gezag der uitvoerders van het -gezag der regeering ondermijnd wordt, omdat die in afhankelijkheid gebracht zijn van -Chineesche pachters en sluikers. Zie, ik ben meer ervaren in opiumzaken dan gij, en -als ik nu die opdracht beschouw, om de vervolging van Ardjan te verdagen, dan kan -ik de gedachte niet van mij zetten, dat hier eene poging aanwezig is, om die zaak -aan de <span class="pageNum" id="pb75">[<a href="#pb75">75</a>]</span>behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken.”<a class="noteRef" id="n75.1src" href="#n75.1">4</a> -</p> -<p>„Maar, dat is afschuwelijk!” -</p> -<p>„Zeker is het dat.” -</p> -<p>„En wat hebt gij gedaan?” -</p> -<p>„Mijn plicht. Ik heb u reeds gezegd, dat ik gladweg geweigerd heb die zaak te verdagen. -Zij zal nu op hare beurt a. s. dinsdag over veertien dagen voor komen.” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Dat zou zij niet. -</p> -<p>Weinige dagen voor dat dit gesprek tusschen de twee rechterlijke ambtenaren plaats -vond, kreeg de resident Van Gulpendam op het onverwachts een bezoek. -</p> -<p>Op het onverwachts, ja! Want het was zondag, en ongeveer twee uren in den namiddag; -twee tijdstippen waarop niemand in Nederlandsch-Indië op bezoeken gesteld is. -</p> -<p>Als populair man had de resident tegen half elf de „<span class="corr" id="xd30e2578" title="Bron: Societeit">Sociëteit</span>” bezocht, en had zich daar onledig gehouden met het biljardspel, waarbij hij aan -zijne jeugdige kadrajers—zoo noemde hij zijne ambtenaren—getoond had, dat, al had -hij niet te Delft of Leiden gezwabberd, hij toch nog wel een bal in de <span class="corr" id="xd30e2581" title="Bron: millieu">milieu</span> snijen kon, en het bandeffekt niet verleerd had. Hij was zoo omstreeks half één te -huis gekomen, had met smaak gerijsttafeld, waarna hij, in het zalig bewustzijn den -dag des Heeren verder ongestoord te kunnen genieten, zich in slaapbroek en kabaai -gekleed had, en gereed was om het traditioneele middagdutje te gaan snoepen. Hij had -reeds den deurknop van het slaapvertrek in de hand, toen de kapala oppas hem naderde, -zich op den grond liet glijden, den „sembah” maakte, en den Kandjeng toean zacht toefluisterde, -dat babah Lim Yang Bing een oogenblik gehoor verzocht. -</p> -<p>„Babah Lim Yang Bing!” riep de resident verrast uit. „Toekan pak?” (de opiumpachter) -vroeg hij. -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de oppasser. -<span class="pageNum" id="pb76">[<a href="#pb76">76</a>]</span></p> -<p>„Kassi massokh sini! lakas!” (laat hem hier binnenkomen, terstond) luidde het bevel. -</p> -<p>„Maar, Gulpendam?” zei mevrouw. „In dat tenue?” -</p> -<p>„Kan niet schelen! Zeilen als er wind waait, vrouwlief. Maar, o ja …” -</p> -<p>En een anderen oppasser wenkende: -</p> -<p>„<span lang="ms">Bowah bekakas pajoeng di sini</span><span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” (breng de pajoengstandaard hier) beval hij. -</p> -<p>De schoone Laurentia trok de schouders op: -</p> -<p>„Het is wat moois,” pruttelde zij, „de resident in slaapbroek en kabaai, en de gouden -pajoeng naast hem!” -</p> -<p>„Het prestige! vrouwlief! Ge zult me eens het bestek zien opmaken. De wind is aan -het ruimen! Gaat gij nu maar naar kooi.” -</p> -<p>„Het is gezellig, zoo alleen,” pruttelde de schoone Laurentia met haren innemendsten -glimlach. „Kom, jaag dien Chinees weg!” -</p> -<p>„Neen, dat kan niet. De kombuis moet rooken, nietwaar? Denk aan den beer aan John -Pryce …” -</p> -<p>Maar mevrouw was al weg. Een harer vrouwelijke bedienden had haar komen influisteren, -dat ’Mbok Karjå in de keuken zat, en haar wenschte te spreken. <span class="corr" id="xd30e2606" title="Bron: M’bok">’Mbok</span> Karjå was eene vriendin van nènèh Wong toewa, en nagenoeg even oud als deze, maar -had nog andere koorden op haren boog dan de vertrouwelinge van de residentsvrouw. -Behalve doekoen, was zij o. a. ook „bepårrå” (rondventster van juweelen). -</p> -<p>„Die komt te pas en ook te onpas,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> prevelde mevrouw Van Gulpendam met een zweem van teleurstelling, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>maar wat er aan te doen?” -</p> -<p>Zij was naar hare kamer geijld, na hare dienstbode den last gegeven te hebben de oude -vrouw derwaarts te brengen. -</p> -<p>Bij het binnenkomen van de pandoppo kruisten zich de Chinees met het Javaansche wijf. -Geen hunner scheen den andere te kennen. Toch zweefde een glimlach op de lippen van -den babah. Voor ieder ander dan voor ’Mbok Karjå was het de stereotype lach, welke -op het gele gelaat van iederen zoon van het Hemelsche Rijk zetelt, die in tegenwoordigheid -van machthebbenden toegelaten wordt. Voor het oude wijf was die glimlach evenwel eene -tevredenheidsbetuiging. Voorgegaan door den <span class="pageNum" id="pb77">[<a href="#pb77">77</a>]</span>bediende, trad zij de binnengalerij binnen en verdween in de slaapkamer van de njonja, -terwijl de Chinees den resident naderde, die behagelijk in een wipstoel zat te wiegelen, -waar vlak naast de pajoengstandaard stond, die den Grooten Heer met den stralenkrans -van zijne meervoudige zonneschermen omgaf<a class="noteRef" id="xd30e2620src" href="#xd30e2620">5</a>. -</p> -<p>„Wel babah,” begon de resident, na den Chinees met een enkel handgebaar een stoel -gewezen te hebben, „wat drijft u op dit warme uur van den dag naar herwaarts?” -</p> -<p>De Chinees had ongedwongen plaats genomen en antwoordde luchtig en met een knipoogje: -„Ik wenschte naar den staat van de gezondheid van den Kandjeng toean te vernemen.” -</p> -<p>„Drommels, babah, dat had ge even goed op een ander oogenblik kunnen doen.” -</p> -<p>„Toch niet, Kandjeng toean. Dit uur is het beste voor een gesprek. Het lichaam en -de geest zijn dan zoo rustig, dat een goed woord dan eerder een goede plaats vindt …” -</p> -<p>„O, zoo, babah heeft een goed woord te doen?” vroeg de resident glimlachend. -</p> -<p>„Ook wenschte ik, dat niemand mij zag, toen ik den tuin van het residentiehuis insloop.” -</p> -<p>Van Gulpendam spitste de ooren. -</p> -<p>„Zoo geheimzinnig, babah!” zeide hij. „Is er weer iets met de pacht?” -</p> -<p>„Ja, Kandjeng toean; maar toch ook nog wat anders.” -</p> -<p>„Nu, laat hooren, babah.” -</p> -<p>Bijkans had hij gezegd: „voorwaarts, halfwerk.” Als hij er de maleische vertaling -dadelijk van had kunnen uitgooien, zou het zeker geschied zijn. Bij tijds bedacht -hij zich, dat de Chinees de scheepstermen toch niet zou begrijpen. -</p> -<p>Babah Lim Yang Bing verhaalde nu op zijn manier, de aanhaling van de partij opium -bij de djaga monjet <span class="pageNum" id="pb78">[<a href="#pb78">78</a>]</span>in de Moeara Tjatjing, en trachtte den resident aan het verstand te brengen, dat hetgeen -daar gecalangeerd was, geen opium was. -</p> -<p>„Maar, wat is het dan?” vroeg Van Gulpendam. -</p> -<p>„Niets anders dan „pretto”<a class="noteRef" id="n78.1src" href="#n78.1">6</a> vermengd met verschillende „gettahs” (verdikt plantensap).<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Wel, dan is de zaak gezond, babah,” zei de resident spottend. „Dan bestaat er geen -overtreding.” -</p> -<p>„Ja, maar de assistent-resident van politie beweert, dat het wel opium is.” -</p> -<p>„Drommels!” -</p> -<p>„Hij heeft een paar Chineesche experten geraadpleegd en die, niet wetende, van waar -of van wien die aanhaling afkomstig was, hebben verklaard, dat het is uitmuntende -tjandoe, „roepanja bahoenja dan rasanja,” (naar reuk en smaak te oordeelen) beter -dan die door het Gouvernement aan de pachters verstrekt …” -</p> -<p>„Heeft de assistent-resident u dat gezegd, babah?” vroeg Van Gulpendam verbaasd. -</p> -<p>„Ja, Kandjeng toean. Hij heeft nog meer gedaan. Hij heeft een monster in handen gesteld -van den apotheker.” -</p> -<p>„En wat heeft die beslist?” -</p> -<p>„Die heeft een proces-verbaal opgemaakt, waarbij geconstateerd is, dat het tjandoe -is met een gehalte van 32 percent morphine.” -</p> -<p>„Dat ’s jammer, babah; dan kan ik er niets meer aan doen. Dan moet de zaak haren loop -hebben.” -</p> -<p>„Maar, als de Kandjeng toean toch wilde.…” -</p> -<p>„Neen, babah, neen,…<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> sprak hij verstrooid en op een toon, alsof hij aan iets anders dacht. „Neen, er is -niets aan te doen.” -</p> -<p>„Dat spijt mij,” sprak de Chinees als met een zucht, ofschoon de stereotype glimlach -van zijn gelaat niet week. -</p> -<p>En met een soort tact het onderwerp van het gesprek <span class="pageNum" id="pb79">[<a href="#pb79">79</a>]</span>wijzigende, bleef hij een oogenblik praten over de nieuwtjes van den dag, over den -handel, over de aangekomen schepen, enz., toen hij eindelijk uitriep: -</p> -<p>„Gisteren kwam de <i>Wijberton</i> van de Rotterdamsche Lloyd op de reede. Ik heb daarmede een fraaie factuur havanah-sigaren -gekregen. Er is een kleine partij bij, dozijns-gewijs in sigarenkokers verpakt. Die -zijn zeer fraai. Ik heb zoo’n koker bij mij. Wil de Kandjeng toean haar eens bezichtigen?” -</p> -<p>De Chinees haalde bij die woorden een sigarenkoker voor den dag, die wat vorm betrof, -snoeperig mocht heeten, terwijl zij op het bovenvlak een borduurwerkje vertoonde, -hetwelk een lief frisch bouquet rozen voorstelde. -</p> -<p>De resident bekeek en bewonderde den koker en opende hem daarna. Twaalf onberispelijk -fijne havanahpunten vertoonden hare goudkleur, en duidde dan ook door den heerlijken -geur, die zich verspreidde, dat daar uitstekend fabrikaat in dien koker verscholen -was. En gedurende het gewawel van den Chinees, èn gedurende de bezichtiging van den -sigarenkoker was de resident als afgetrokken, als verstrooid geweest. Blijkbaar waren -zijne gedachten elders. Hij reikte den koker aan den Chinees weer over met de woorden: -</p> -<p>„Zeer fraai, inderdaad.” -</p> -<p>„Mag ik dat den Kandjeng toean aanbieden?” -</p> -<p>„Wat, gij wilt?.…” -</p> -<p>„O, het is slechts eene kleinigheid. De Kandjeng toean zal eene heerlijke sigaar rooken, -dat verzeker ik hem, en hij doet mij een groot genoegen met dat luttele geschenk van -mij aan te nemen.” -</p> -<p>Zonder een woord te antwoorden, zonder een gebaar van toestemming liet de resident -geheel achteloos den sigarenkoker op het penanttafelje vallen, dat naast hem stond, -en vervolgde, als ware er niets gebeurd, het gesprek van straks: -</p> -<p>„Toen die opium aan wal gebracht werd, was er toen iemand aan den oever?” -</p> -<p>„Niemand dan mijne twee spionnen: Liem King en Than Khan.” -</p> -<p>„Kunt gij die vertrouwen?” -</p> -<p>„O, volkomen! Die zijn hoegenaamd niet te vreezen,” antwoordde de Chinees met een -valschen glimlach. -<span class="pageNum" id="pb80">[<a href="#pb80">80</a>]</span></p> -<p>„De opium werd aangetroffen in de nabijheid van de plek, waar Ardjan gevonden werd?” -</p> -<p>„Ja, geen twee honderd vademen er van daan.” -</p> -<p>„En daarbij werd eene djoekoeng gevonden, waarmede hij aan wal gekomen is, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, een prahoe sajab, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Dan weet ik genoeg, babah.” -</p> -<p>De sluwe Chinees begreep met een half woord. Hij stond op, om zich te verwijderen. -De resident wenkte hem om nog te blijven zitten. -</p> -<p>„Gij spreekt niet van de andere zaak, babah,” zei hij achteloos. -</p> -<p>„Van welke?” -</p> -<p>„Ardjan is vreeselijk mishandeld geworden door uw zoon Lim Ho.” -</p> -<p>„Men heeft slechts verdriet van zijne kinderen, Kandjeng toean,” betuigde de Chinees. -</p> -<p>„Er is door den chef van den geneeskundigen dienst een proces-verbaal opgemaakt, dat -zeer bezwarend is. Ik vrees, ik vrees.…” -</p> -<p>„Och, een mensch heeft op de wereld veel te doorstaan, Kandjeng toean. Is er geen -middel, om dat met dien toean dokter te schikken?” -</p> -<p>„Wie weet? Als ik die zaak te behandelen had, dan.…” -</p> -<p>„Astaga! (och) Kandjeng toean, help mij, ik bid u.…” -</p> -<p>„Ik zal zien.… Veel zal van u afhangen, babah. Mishandeling wordt zwaar, zeer zwaar -gestraft!” -</p> -<p>De Chinees begreep den niet te ingewikkelden wenk. Hij tastte in den zak, en haalde -een keurig theedoosje, fraai van zilver vervaardigd, te voorschijn. -</p> -<p>„Ik ontving ook met de <i>Wijberton</i> een stel prachtig zilverwerk uit Parijs. Zie mij dat ciseleerwerk eens aan. Zou Van -Kempen in Den Haag het zoo kunnen?” -</p> -<p>„Ja, het is fraai, zeer fraai zelfs,” antwoordde de resident bewonderend. -</p> -<p>„Ik heb die doos met zuivere Chousong laten vullen, zooals nooit naar Europa verzonden, -en zooals alleen aan het hof te Pekin gedronken wordt. Ruik dien inhoud eens, Kandjeng -toean.” -</p> -<p>De resident bracht de geopende doos aan den neus, maar liet alvorens den blik er in -vallen. -</p> -<p>„Heerlijk! heerlijk!” sprak hij. „Gij moet mij van die <span class="pageNum" id="pb81">[<a href="#pb81">81</a>]</span>soort thee zenden. De „njonja” (mevrouw) pruttelt altijd over haren „lengganan” (leverancier).” -</p> -<p>„O, mag ik den Kandjeng toean verzoeken, die doos voor de njonja aan te nemen?” -</p> -<p>„Ik dank u voor haar, babah; gij doet haar daarmede werkelijk genoegen.” -</p> -<p>Het gelaat van den Chinees glom van tevredenheid. Hij meende een voet in den stijgbeugel -te hebben. -</p> -<p>„Mag ik hopen, dat Kandjeng toean de zaak zal.…” -</p> -<p>„Ik beloof niets, babah,” antwoordde Van Gulpendam. „Ik zal zien, wat ik doen kan.” -</p> -<p>De resident stond op, om te toonen, dat de audientie geëindigd was. Plotseling bedacht -hij zich: -</p> -<p>„Gij weet, wie uw zoon Lim Ho wegens die mishandeling aangeklaagd heeft?” -</p> -<p>„Ja, Kandjeng toean. Dat is Pak Ardjan, de vader van den djoeroemoedi.” -</p> -<p>„Dat’s een erge opiumsmokkelaar, nietwaar? Die zal nog wel eens in de kaars vliegen.” -</p> -<p>De Chinees keek verrast op; maar hij begreep met een half woord. -</p> -<p>„Zoo staat hij ten minste bij de politie bekend,” vervolgde de resident achteloos. -„Nu, om het even, ik zal zien, wat ik doen kan.” -</p> -<p>Babah Lim Yang Bing trad op het hoofd van gewestelijk bestuur toe, en reikte hem ongedwongen -de hand. Maatje aan maatjes dief, och dat mocht wel, nietwaar? Maar in dat oogenblik -kwam Anna’s lieveling-hond, een fraaie kangoeroe, de pandoppo binnen gevlogen, en -sprong kwispelstaartend tegen den heer des huizes op. Deze greep den voorpoot van -den fraai getijgerden hond en legde hem in de uitgestoken hand van den babah. -</p> -<p>„O! sama djoega, Kandjeng, toean!” (O, dat is voor mij hetzelfde, Hoog Edele Heer) -betuigde de Chinees met zijn onverstoorbaren glimlach op de lippen, terwijl hij hartelijk -den hondenpoot schudde. -</p> -<p>Of de Nederlandsche hoofdambtenaar dat: „<span lang="ms">O! sama djoega, Kandjeng toean</span>”<a class="noteRef" id="xd30e2741src" href="#xd30e2741">7</a> van den Chinees begreep? <span class="pageNum" id="pb82">[<a href="#pb82">82</a>]</span>Toen hij zich alleen in de pandoppo bevond, opende hij den sigarenkoker met hebzuchtigen -blik, en schudde haar op tafel leeg. Zijn gelaat straalde als het ware een waas van -verrukking uit. Iedere havanah was toch in een bankbiljet van duizend gulden gewikkeld, -echter zoo, dat de punteinden der sigaren onbekleed waren gebleven, en dus bij het -openen van den sigarenkoker van het bankpapier niets te ontwaren was. Hij tastte in -de theedoos, en stiet ook daarin met de vingers op van die voor het gevoel zoo zachte -papiertjes. Hij wilde ze er uithalen; maar zich plotseling bezinnende, borg hij de -kostbare sigaren weer op, greep koker en doos en stoof naar zijn kantoor, waar hij -den bekenden brief over de regeling der volgorde van de gedingen aan den voorzitter -van den landraad van Santjoemeh schreef. Toen hij daarmeê klaar was, hoorde hij zijne -ega in de binnengalerij, die juist van ’Mbok Karjå, afscheid nam. -</p> -<p>„Hari ontong!” (een geluksdag) fluisterde hij de schoone Laurentia in het oor. -</p> -<p>Hij sloeg den arm om haren hals, en troonde haar zoo mede. -</p> -<p>„Hari ontong?” vroeg zij, terwijl zij zijne omhelzing beantwoordde, door haren arm -om zijne leest te slaan, en hem met schitterende oogen aan te kijken. -</p> -<p>In het echtelijk vertrek aangekomen, sloot hij, zonder zijne gade los te laten, de -deur, en gaf een draai aan den sleutel. Dat handgebaar verlevendigde nog meer, als -het kon, de nieuwsgierigheid van haren blik. Met een bevallige beweging sloot zij -zich nog inniger tegen hem aan, en drukte hem een kus op de lippen. -</p> -<p>Maar, bij de tafel aangekomen, liet hij haar los, schudde den sigarenkoker en het -theedoosje daarop leeg, en liet de schoone Laurentia vijf en twintig papiertjes ontwaren, -waaromtrent zich niet te vergissen viel, en die wel duidelijk op hare zijdeachtige -oppervlakten te kennen gaven, dat elk daarvan eene waarde van duizend gulden vertegenwoordigde. -</p> -<p>Een zweem van teleurstelling vloog over het gelaat van de schoone vrouw. Maar, dat -was slechts bliksemsnel geweest, geheel en al onmerkbaar voor haren echtgenoot. Die -zag haar integendeel met verrukking toetasten, de sigaren ontdoen van het dure omhulsel, -de bankbiljetten, <span class="pageNum" id="pb83">[<a href="#pb83">83</a>]</span>die uit het theebusje te voorschijn gekomen en erg verkreukeld waren, gladstrijken -en om hare vingeren winden. -</p> -<p>„Vijf en twintig duizend gulden!” zei zij opgetogen. „Een aardig sommetje!.… Waarlijk, -het is heden hari ontong; want dat gevoegd bij wat ik heb.…” -</p> -<p>„Wat gij hebt?” -</p> -<p>„Ja, wat ik zoo even van ’Mbok Karjå ontvangen heb.” -</p> -<p>„Maar, wat dan toch?.… Vertel.…” -</p> -<p>„Strakjes,” antwoordde Laurentia. „Eerst dat.…” -</p> -<p>Zij ontwikkelde daarop een „boengkoesan” (pakje), dat op de tafel lag, naast eene -kartonnen doos, die alle sporen droeg geopend te zijn geweest. Toen zij de pisangbladeren, -dien de boengkoesan omsloten, opengemaakt en verwijderd had, kwam daaruit een kommetje -van gemeen aardewerk, waarin eene groenachtige lillende geleimassa, die er zeer vies -uitzag, ontwaard werd. -</p> -<p>„Eerst dat!” herhaalde Laurentia; terwijl zij met een Chineesch steenen lepeltje eene -hoeveelheid van die groene massa ter dikte van eene hazelnoot schepte, en hem dat -voor den mond hield, alsof zij hem voeren wilde. „Eerst dat, Gulpie!” -</p> -<p>Van Gulpendam sloeg een radeloozen blik op dien afzichtelijken knikker. Zijn gelaat -gaf walging te kennen. -</p> -<p>„Alweer die viezigheid,” zei hij onderworpen. „Het geeft toch niets.” -</p> -<p>„O, dat is een geheel nieuwe<span class="corr" id="xd30e2783" title="Bron: „ "> „</span>obat” (middel). Die moet werken. ’Mbok Karjå, heeft die verkregen door „gekko’s,” -„oendoek”, „oerat minjangan”, „laler idjoe” en „sarong lawet”<a class="noteRef" id="xd30e2786src" href="#xd30e2786">8</a><span class="pageNum" id="pb84">[<a href="#pb84">84</a>]</span>met „daoen gettal”<a class="noteRef" id="xd30e2800src" href="#xd30e2800">9</a>, tot een dikke gelei te laten verkoken en indampen.” -</p> -<p>„En wil je me dat laten slikken?” -</p> -<p>„Kom, Gulpie!” zei de schoone Laurentia, met smeekende, maar vurig schitterende oogen, -terwijl zij hem het lepeltje met de eene hand voor den mond hield, en met de andere -den rug krieuwelde. „Kom, je zult eens ondervinden, welke heerlijke uitwerking.… Toe.… -kom, slik! daarna zal ik je vertellen, hoe ik een even groote hari ontong heb als -gij … Toe, ventje, wees nu niet kinderachtig.…” -</p> -<p>Of het de fleemende en teedere smeekingen zijner echtgenoote waren, of wel de toezegging -van het verhaal, die Van Gulpendam deden zwichten? Genoeg zij het, dat hij de oogen -sloot, den mond opende; terwijl zij hem het lepeltje tusschen de lippen bracht, en -den vaal groenachtigen inhoud op de tong ledigde. Hij maakte, terwijl hij proefde, -zoo een gebaar van walging, dat zijn middenrif eene waarlijk onheilspellende beweging -volvoerde. -</p> -<p>„Slikken!… Slikken!” riep de schoone Laurentia, en klopte hem zachtkens met de mollige -vlakke hand op den rug. „Slikken!… Toe, slikken!… Zoo!… zoo is het goed! En nu aflikken! -Toe, het goedje is te kostbaar!” -</p> -<p>En de rampzalige echtgenoot was genoodzaakt tot het laatste zweempje van het vieze -goedje, dat op het lepeltje was blijven kleven, af te likken en in te zwelgen, totdat -hij eindelijk <span class="corr" id="xd30e2810" title="Bron: daarmêe">daarmeê</span> klaar was. -</p> -<p>„En nu het verhaal?” vroeg hij. -</p> -<p>„Kom hier op den divan bij mij zitten, Gulpie,” zeide zij. „Ik zal je alles vertellen.” -<span class="pageNum" id="pb85">[<a href="#pb85">85</a>]</span></p> -<p>Zij nam evenwel de kartonnen doos met zich, en zette die in hare nabijheid op den -divan neder. Toen nam zij naast van Gulpendam plaats, en sloeg de beenen kruiselings -onder haar lijf, waarbij de bovenopening der kabaja onbescheiden genoeg gaapte, om -een blik te gunnen aan een boezem, die nog schoone plastische vormen vertoonde, en -nog wel geschikt was, om zelfs een echtgenoot te boeien, ja, in vuur en vlam te zetten. -</p> -<p>En nu verhaalde zij, dat ’Mbok Karjå haar in het diepste geheim medegedeeld had, dat -Lim Ho tot dolwordens toe verliefd was op baboe Dalima en,—alsof zij dat niet reeds -wist, voegde zij er met een vreemden glimlach bij,—en, dat hij er alles, alles voor -over had, om het schoone meisje in zijn bezit te krijgen. De ontvoering van laatst -was daar het bewijs wel van, en het had den armen jongen wel gespeten, dat hij toen -zijn doel niet bereikt had. -</p> -<p>Dat verhaal geschiedde niet vloeiend, niet onafgebroken in eens. Neen, de schoone -Laurentia was artiste in het vak. Zij nam haren tijd behoorlijk waar, en wist de noodige -nuanceering aan te brengen, hier en daar van eenige schuchtere terughouding te doen -blijken, dan weer eene vrijheid van uitdrukking te betrachten, die het hartstochtelijke, -ja het onkiesche vrij wel nabij kwam. Zij manoeuvreerde zoo, dat het slot van het -verhaal, hetwelk met eene schildering van den hartstochtelijken Chinees tegenover -de bekoorlijkheden van de lieve Dalima als met een vuurwerkbouquet eindigde, op het -verbeide oogenblik plaats had. -</p> -<p>Van Gulpendam had eerst met alle aandacht zitten luisteren. Dat sterk gekleurde verhaal -had hem geboeid. Maar,… was ’t het mixtum compositum, hetwelk hij geslikt had, dat -begon te werken? Of was het de fraaie gezichtseinder, welke hem de kabaja-opening -der schoone Laurentia bood, die zijne aantrekkingskracht op hem uitoefende? Of waren -andere machten in het spel? Want de sluwe vrouw had vele streken op haar kompas. Bij -haar was het verleidelijke niet altijd gelegen in hetgeen zij uitsprak; wel meestal -in hetgeen zij behendig weerhield, in hetgeen zij met een schier niet waar te nemen -gebaar te kennen gaf, in het gesluierde van een oogknipje, in de nevengedachte van -eene pruilende beweging <span class="pageNum" id="pb86">[<a href="#pb86">86</a>]</span>der lippen, in de beteekenis van een glimlach, die dien der engelen in naïeviteit -kon evenaren. Hoe het ook zij, waaraan ook toe te schrijven, aan een dezer beweegkrachten -of aan den invloed van allen te zamen, zooveel is zeker, dat bij de bewerking hoofd -en hart van den ambtenaar met behendige hand gekneed werden. Genoeg zij het te weten, -dat hij, na eerst kalm en aandachtig toegeluisterd te hebben, zichtbaar onrustig werd; -dat hij zachtkens naar zijne levensgezellin toeschoof. Toen hij haar zoo dicht mogelijk -genaderd was, vleidde hij zich streelend tegen dat schoon gevormde lichaam, leunde -met het hoofd op haren schouder, verborg het gelaat onder hare weelderige donkere -krullen, snoof met kracht en met wellust den bloemengeur, waarmede zij doortrokken -waren, daaruit op, en sloeg zijn arm om de aanvallige leest, die hem als het ware -daartoe uitnoodigde. In één woord, hij was geheel en al hartstocht, geheel en al in -lichtenlaaie opgegaan, toen zij haar verhaal beëindigde met de woorden: -</p> -<p>„’Mbok <span class="corr" id="xd30e2826" title="Bron: Karja">Karjå</span>,” zoo besloot zij haar verhaal, „heeft mijne hulp voor haren beschermeling, voor -den smachtend verliefde ingeroepen. Zij heeft mij verzocht te pogen Dalima gunstig -voor haren aanbidder te stemmen. Als dankbaarheidsbetoon van den gelukkige, dien ik -zou maken, heeft zij mij dit aangeboden.” -</p> -<p>En bij die woorden opende Laurentia de kartonnen doos en haalde daaruit een fraai -bloedkoralen snoer, hetwelk eene groote rosette van edelgesteente tot sluitstuk had. -</p> -<p>„Zie,” sprak zij, „die briljanten alleen zijn ruim tien duizend gulden waard.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Zij sloeg zich het fraaie snoer om den blanken hals. De prachtig roode koralen, met -haren rooskleurigen weerschijn, deden inderdaad de fijne huid, die zij tooiden, in -hare bedwelmende vleeschkleurige schakeering overheerlijk uitkomen. Het snoer slingerde -in bevallige bochten langs de welgevulde sleutelbeenderen, terwijl het briljante sluitstuk -tusschen de hartvormige uitsnijding van de kabaja daalde, waar het zijne naaste omgeving -met zijne schitterende lichtstralen overtoog. -</p> -<p>Maar Van Gulpendam had thans geene oogen voor het juweel. Hij omvatte het middel zijner -echtvriendin hartstochtelijk met beide armen, klemde haar onstuimig aan de borst, -overdekte hare wangen, haar voorhoofd, hare lippen, haren hals, de hartvormige uitsnijding -met kussen, <span class="pageNum" id="pb87">[<a href="#pb87">87</a>]</span>met brandende kussen, en riep in de hoogste vervoering uit: -</p> -<p>„Je bent schoon, mijne Laurentia! Onvergelijkelijk schoon!” -</p> -<p>„De obat!… De obat!” juichte zij, terwijl zij haren echtgenoot met hare schoone oogen -diep in de zijne staarde, en hem als het ware verslond. „Zie je wel! De obat!… Ditmaal -heeft ’Mbok Karjå, zich zelve overtroffen!… Zie je wel, Gulpie!… Zie je wel …” -</p> -<p>„Ja, mijn Laurtje!” kreet hij in vervoering! „Ja, de obat!… Ik voel het. Ik steven -met volle zeilen! Klaar bij het anker!… Betoel, betoel! (inderdaad) Hari ontong!” -<span class="pageNum" id="pb88">[<a href="#pb88">88</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="n72.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n72.1src">1</a></span> <i>Landraad.</i> De landraden op Java zijn de gewone dagelijksche rechtbanken voor Inlanders en met -dezen gelijkgestelden. Zij zijn gevestigd op alle hoofdplaatsen van gewesten en van -afdeelingen, aan wier hoofd een <span class="corr" id="xd30e2493" title="Bron: adsistent-resident">assistent-resident</span> geplaatst is, en zijn samengesteld uit twee Inlandsche hoofden tot leden, uit den -panghoeloe tot adviseur, en worden gepresideerd door een rechterlijk ambtenaar. De -djaksa (Inlandsch officier van justitie) vervult daarbij de betrekking van ambtenaar -van het openbaar ministerie; terwijl aan die rechtbanken daarenboven nog een griffier -en een deurwaarder (beiden Europeanen) toegevoegd zijn. Voor enkele residentiën treden -de residenten of assistent-residenten als voorzitters der landraden op. <a class="fnarrow" href="#n72.1src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n73.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n73.1src">2</a></span> <i>Hij heeft in ieder geval voor mijn pleizier zooveel maanden gezeten.</i> Zulke gevallen zijn niet zeldzaam. Die zich daarvan overtuigen wil, zie <i>Macht tegen recht</i> door den raadsheer bij het Hoog Gerechtshof van Ned. Indië Mr. <span class="sc">M. C. Piepers</span>, Eerste gedeelte bladz. 196. <a class="fnarrow" href="#n73.1src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n74.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n74.1src">3</a></span> <i>Een minister van Koloniën eens aan den Koning schreef.</i> Ziet daaromtrent de aanteekening <a href="#n47.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 47 hiervoren. Een uittreksel van bedoelde depêche is te vinden op bladz. -25 van <i>Eene bijdrage tot de studie der opiumquaestie op Java.</i>—<i>De officiëele litteratuur</i> door Mr. <span class="sc">W. K. Baron Van Dedem</span>, <i>Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal</i>. <a class="fnarrow" href="#n74.1src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n75.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n75.1src">4</a></span> <i>Om die zaak aan de behandeling van den bevoegden rechter te onttrekken.</i> Dat zoo iets wel eens voorvalt, is te lezen op bladz. 15, 16, 17, 18 en 19 van de -brochure <i>Iets over de afhankelijkheid van de Nederlandsch-Indische rechterlijke ambtenaren</i>, in de laatste helft van 1880 bij J. H. De Bussy te Amsterdam uitgegeven. <a class="fnarrow" href="#n75.1src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2620"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2620src">5</a></span> <i>Den Grooten Heer met den stralenkrans van zijne meervoudige zonneschermen omgaf.</i> Het is begrijpelijk, dat ijdele ambtenaren er meer dan een pajoeng op na houden. -In den regel staan in zoo’n standaard vier van die hoogwaardigheids emblemata, b. -v.: een voor hooge gelegenheden als: Koningsverjaardag, Chineesch Nieuwjaar, Garebeg -besar, enz.; een voor gewone officieele, eene voor niet officieele gelegenheden, als -het afleggen van bezoeken, enz<span class="corr" id="xd30e2623" title="Niet in bron">.</span> en eene voor de wandelingen. <a class="fnarrow" href="#xd30e2620src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n78.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n78.1src">6</a></span> <i>Pretto</i> ook „tahi madat” genoemd, is het uitschraapsel van de opiumpijp. Dat residu wordt -vermengd met het verdikte sap, vooral van de Sedap malam, de Polyanthes tuberosa en -van de Gandja, de Canabis Indica. Zoo wordt de opium in <span class="corr" id="xd30e2648" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> op groote schaal vervalscht, zeer ten nadeele—hoe jammer nietwaar?—van de schatkist, -maar vooral ten nadeele van de menschheid; want de vervalschingsmiddelen zijn nog -veel schadelijker, dan de morphine, die het hoofdbestanddeel der opium uitmaakt. <a class="fnarrow" href="#n78.1src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2741"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2741src">7</a></span> <i lang="ms">O! sama djoega, Kandjeng toean.</i> Dat tafereel van den resident met den Chinees en den hond is meesterlijk in teekening -gebracht door <span class="sc">J. den Beer</span> in zijne <i>Tjampoer-Adoek</i>, uitgave van <span class="sc">Gualth</span>. <span class="sc">Kolff</span> te Leiden en <span class="sc">G. Kolff & Co.</span>, te Batavia. <a class="fnarrow" href="#xd30e2741src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2786"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2786src">8</a></span> <i>Gekko’s <span class="corr" id="xd30e2789" title="Bron: ondoek">oendoek</span>, oerat minjangan, laler idjoe, sarong lawet</i>, Van al deze dieren worden door zoogenaamde deskundigen teeldriftprikkels vervaardigd. -Zie omtrent de gekko de aanteekening <a href="#n40.2">No. 2</a> op bladz. 40 hiervoren. De oendoek, te Bandjermasin sedjangang genoemd, is een vischje -dat zeer veel in de moerassige streken van Zuid Borneo, maar ook hier en daar op Java -aangetroffen wordt. Het heeft een kop, die wel eenige overeenkomst met dien van een -paard heeft. Ik heb niet kunnen opsporen, hoe de geleerden deze heeten. Zij kan niet -tot de Hypocampi behooren, die in het aquarium te Amsterdam aanwezig zijn; het verschil -daarmede is te groot. De oendoek, waarop hier bedoeld wordt, heeft geheel en al het -lichaam van een visch, maar kan zich met de borstvinnen zeer vlug over drooggevallen -modder voortbewegen. Er bestaan verscheidene soorten van oendoek. Die soort evenwel, -die met fijne grasgroene schubben bedekt is, wordt voor erotische doeleinden het meest -geschikt geacht. Oerat minjangan zijn hertenpeezen, <span class="pageNum" id="pb84n">[<a href="#pb84n">84</a>]</span>voornamelijk afkomstig van de Cervus russa. Er wordt in hertenpeezen een belangrijken -handel gedreven, daar de Chineezen een kopje bouillon, daarvan gekookt, als een uitstekend -aphrodisiacon hebben leeren kennen. De laler idjoe, hier bedoeld, is eene vrij groote -groengoudvlieg, wie de erotische eigenschappen van de Kantharis toegekend worden. -Sarong lawet zijn de zoo bekende eetbare vogelnestjes. Lawet is de Javaansche naam -van de zeezwaluw, de hirundo esculenta, die haar nestje uit een soort slijm bouwt. -Ook die nestjes worden als uitstekend opwekkingsmiddel door de Chineezen geroemd. <a class="fnarrow" href="#xd30e2786src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2800"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2800src">9</a></span> Daoen gettal is een gewas, dat door de Javanen Rawèh, en door de geleerden Mucuna -prurita geheeten wordt. De boontjes worden voor een sterk werkend aphrodisiacon gehouden. <a class="fnarrow" href="#xd30e2800src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch7" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e679">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VII.</h2> -<h2 class="main">Een verraderlijk dèsa-genoot.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op een twaalftal palen<a class="noteRef" id="xd30e2850src" href="#xd30e2850">1</a> afstands, ten zuidoosten van Santjoemeh, lag in een schilderachtig, heuvelachtig -terrein, hetwelk veelvuldige, maar vooral liefelijke afwisselingen voor het oog aanbood, -de dèsa Kaligaweh, te midden van een uitgestrekt klapperbosch, dat er een breeden -smaragdkrans om sloeg, en met de wuivende bladerentakken, welke van eene nabij gelegen -hoogte gezien, eene machtige guirlande van groen vormden, die zich, onder den invloed -der zachte bries, als van grasgroen kantwerk vervaardigd, vertoonde. -</p> -<p>Die klapper-aanplant vormde als het ware den voorhof van de dèsa; want zij zelve lag -verscholen in een waar boschje van ooftboomen, waarin de heerlijkste „manga’s,” de -lekkerste „ramboetan’s,” de rinschste „assam’s,” de saprijkste „bliembieng’s,” de -geurigste „djeroek’s” en de meest verfrisschende „djamboe’s”<a class="noteRef" id="xd30e2856src" href="#xd30e2856">2</a> en nog zooveel andere gaven <span class="pageNum" id="pb89">[<a href="#pb89">89</a>]</span>van de intertropische Pomona, in vele verscheidenheden vertegenwoordigd waren. Hier -en daar stoffeerde struikgewas als ware sierplanten de ruimten tusschen de hutten -en de boomen en vervulden de „katja-piring’s,” de „kembang mantega,” de „melattie’s,” -de „poekoel-ampat,” de „kemoening,” de „kembang spatoe,” de „patra kombala”<a class="noteRef" id="n89.1src" href="#n89.1">3</a> en zooveel andere bloemsoorten, de lucht met hare liefelijke geuren, of streelden -het oog met hare schitterende, maar aangename verscheidenheid van kleuren. -</p> -<p>De omheining zelve der dèsa bestond uit dichte rijen van bamboestoelen, van die dikke -en lange bamboe-betong-<a class="noteRef" id="xd30e2876src" href="#xd30e2876">4</a> soort, die zoo kostbaar bouwmateriaal voor het Inlandsch huishouden oplevert, maar -als afsluitingsmiddel onverbeterlijk is met zijn lange en zware halmen, die als het -ware stam aan stam groeien, en hoog in de lucht onder de vracht der loofpluim, welke -zij te torsen hebben, bevallig overbuigen, en zoo een heerlijk beschaduwd terrein -leveren. -</p> -<p>Kaligaweh was geen groote dèsa. Een dertigtal hutten in de meest schilderachtige wanorde -in het vruchtboomenbosch verspreid, vormden de eigenlijke kom der gemeente. De bewoners -hielden zich voornamelijk bezig met den rijstbouw, waartoe zich de dèsa-gronden uitstekend -leenden, en vruchtbare <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>sawah’s” (rijstvelden) amphitheatersgewijs langs die heuvelhellingen vormden. In het -lagere gedeelte dier gronden, werden „tambakhs” (vischvijvers) aangetroffen, die „bandeng’s,” -„djampal’s”, „batak’s” „gaboes”<a class="noteRef" id="xd30e2884src" href="#xd30e2884">5</a> en meer anderen vischsoorten opleverden, <span class="pageNum" id="pb90">[<a href="#pb90">90</a>]</span>die door de Europeanen en Chineezen te Santjoemeh zeer gewild waren, en derhalve goede -prijzen opbrachten. De bewoners van Kaligaweh zouden dan ook welvarend genoemd kunnen -zijn, richtte een hartstocht hare verwoestingen niet onder hen aan. Die hartstocht -was de opium, en die hartstocht ondermijnde niet alleen aller welvaart, maar ook de -gestellen van hen, die zich aan het gebruik van het verderfelijke heulsap hadden overgegeven. -Helaas, het moest erkend worden, dat zeer weinig inwoners daaraan niet verslaafd waren. -En toch velen herinnerden zich zeer goed, dat vroeger van de geheele dèsa geen enkele -bewoner opium gebruikte. Hoe geheel anders was het thans! -</p> -<p>Het was ongeveer twaalf jaren geleden, toen een dèsagenoot, die in zijne jeugd uitgeweken -was, om elders een bestaan te vinden, te Kaligaweh teruggekeerd was. -</p> -<p>Met dien man, die <span class="corr" id="xd30e2893" title="Bron: Singomongolo">Singomengolo</span> heette, maar in de wandeling Singo genaamd werd, was de opiumramp over de vroeger -zoo gelukkige dèsa losgebroken. -</p> -<p>Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen.<a class="noteRef" id="xd30e2898src" href="#xd30e2898">6</a> Door van zijn als Javaan aangeboren hartstocht voor het spel misbruik te maken, door -hem in de geheimenissen van de opiumgenietingen in te wijden, was het die zielenverkoopers -gelukt van een dommelend oogenblik misbruik te maken, om hem zich voor zes jaren te -laten verbinden. Het handgeld hielpen die ellendelingen den bedrogene zoo spoedig -mogelijk in de opiumkit, in bordeelen, in speelhuizen, met hanengevechten afhandig -te maken. Toen was hij voor zes jaren soldaat. -</p> -<p>Toen dat tijdperk om was, verliet hij het leger, waarbij hij evenwel geen onwaardig -figuur gemaakt had, en trad als oppasser in dienst bij een controleur van het binnenlandsch -bestuur in een der binnenafdeelingen van Java. In die betrekking ontwikkelde hij een -zeker talent bij het opsporen van politie-overtredingen, en erlangde den naam van -zeer geslepen te zijn. Als zoodanig trok <span class="pageNum" id="pb91">[<a href="#pb91">91</a>]</span>hij de aandacht van den gedelegeerde van den opiumpachter, die hem aanwierf voor de -pachtkongsi, welke na gebleken verdienstelijkheid, zich beijverde hem eene aanstelling -als „bandoelan” (opiumjager) van het hoofd van gewestelijk bestuur te Santjoemeh te -bezorgen. In die betrekking legde hij zooveel sluwheid, zooveel vaardigheid aan den -dag, dat hij niet alleen bij het opsporen van smokkelopium uitmuntte, maar ook bij -andere voorkomende lichtschuwe zaken; zoodat hij bij babah Lim Yang Bing weldra in -blakende gunst stond. Die opiumpachter bezigde hem dan ook bij voorkeur in die gevallen, -waarin zijne sluwste acolijten te kort schoten. Singo bewees vooral onschatbare diensten, -door bij die personen, welke op de een of andere wijs den pachter in den weg stonden, -steeds smokkelopium te vinden, al had de betrokkene nimmer heulsap gezien. -</p> -<p>In het jaar 1874 bewerkte babah Lim Yang Bing, natuurlijk door macht van geld, dat -het aantal opiumkitten in het pachtdistrict Santjoemeh met een tiental vermeerderd -werd.<a class="noteRef" id="xd30e2913src" href="#xd30e2913">7</a> Onder de rampzalige dèsa’s, die door het Nederlandsche bestuur met zoo’n pest vergiftigd -<span class="pageNum" id="pb92">[<a href="#pb92">92</a>]</span>werden, behoorde ook Kaligaweh. Maar … tusschen het oprichten van zoo’n opiumhol en -dat rendeerend te maken, gaapte voor het oogenblik eene wijde kloof, die noodzakelijk -aangevuld moest worden. Althans zoo begreep het de pachter. Wel was er eene kit verrezen,—zoo -smerig mogelijk, om aan de traditiën van zoo’n hol getrouw te blijven,—wel prijkte -boven de deur een groot zwart houten bord, waarop met duidelijke witte letters: <i>opiumverkoopplaats</i> te lezen stond, welk Nederlandsch woord daaronder in het Javaansch en in het Chineesch, -met de eigendommelijke karakters dier talen herhaald was; wel begunstigden de twee -Chineezen, die de kit exploiteerden, de voorbijgangers met hunne innemendste glimlachjes, -waarbij hunne gelaatstrekken met de schuin staande oogen eene type van wulpsche gemeenheid -daarstelden; maar het was alles te vergeefs, de nieuw verrezen kit bleef verstoken -zelfs van een eerste bezoek. -</p> -<p>Babah Lim Yang Bing zag zeer goed in, dat zoo’n voorbeeld aanstekelijk was. Het was -toch opmerkelijk, hoe welvarend niet alleen Kaligaweh was, maar het geheele onderdistrict, -waartoe die dèsa behoorde, in vergelijking met die streken, waar de opiumkitten bloeiden. -Ook het gezonde uiterlijk van hare bewoners, de stevige breede borstkassen, de flinke -gespierde armen en de open gelaatstrekken der mannen, de bevallige ronding van heupen -en schouders bij de vrouwen, hare welgevulde wangen, waarop zich een blosje aangenaam -baan brak door de lieve bronskleur, staken merkbaar af bij de ziekelijke en de aschgrauwe -troniën der wandelende geraamten van de opiumschuivers, die elders aangetroffen werden. -Maar, wat vooral de aandacht van den geslepen opiumpachter niet ontging, waren de -rijke rijstvelden, die het geheele district overdekten, en de daarin liggende dèsa’s -met haar donkergroen loof der vruchtboomen, liefelijk als eilandjes in eene zee van -zacht getint lichtgroen, omvatten, wanneer het graan opschietende was en de frissche -halmen aan de geheele omgeving helderheid en levendigheid bijzetten; of die dèsa’s -als in goud omklonken hielden, wanneer de gulden aren, gerijpt door de keerkringszon, -in den oogsttijd het zware hoofd bogen en onder den drang van een speelsch windje -<span class="pageNum" id="pb93">[<a href="#pb93">93</a>]</span>golfden, en met hare regelmatig op- en neergaande beweging aan eene goudgele deining -gelijk, het ontworpen beeld van eilanden te midden van den Oceaan nog treffender maakte. -</p> -<p>In welk seizoen en van welken kant men destijds de dèsa Kaligaweh ook naderde, steeds -getuigden de sawah’s van goed verrichten arbeid, zoowel bij de diepgrondbewerking -van de velden als bij het onderhoud en het doelmatig periodiek verleggen der „galangan’s” -(dijkjes)<a class="noteRef" id="xd30e2936src" href="#xd30e2936">8</a>. De gevolgen daarvan waren—de lezer vernam het reeds—een welvaart, die scherp afstak -bij het kommervol bestaan, dat in naburige streken gesleten werd. -</p> -<p>Daaraan moest een einde gemaakt worden. Niet alleen dat die welvaart wegens het voorbeeld -een doorn in het oog van babah Lim Yang Bing was; maar met het hebzuchtig karakter -zijnen landaard eigen, wenschte hij zich een groot deel der gegoedheid van de eenvoudige -bewoners toe te eigenen. Wij zagen het evenwel, zijne pogingen met de „petjandon” -(opiumkit) hadden weinig of geen gevolg. Maar, dat zou, dat moest anders worden! -</p> -<p>Op zekeren dag—het was in den vollen oogsttijd<a class="noteRef" id="xd30e2943src" href="#xd30e2943">9</a>—keerde de bevolking, mannen en vrouwen, jongelingen en meisjes, bij het vallen van -den avond van de velden terug, waar de vrouwen ijverig de ani-ani (snoeimesjes) gehanteerd -hadden, om de rijpe aren halm voor halm af te snijden, en de mannen vlijtig bezig -geweest waren met het overnemen der „potjongs” (bosjes) van de snijdsters, om die -tot „gedeng’s” (grootere bossen) saam te binden. Op aller gelaat was vergenoegdheid -te lezen; want de oogst was toch overvloedig geweest, geen „ama’s” (plagen) hadden -het gewas geteisterd, zoodat de sawahbezitters vele pikols <span class="corr" id="xd30e2947" title="Bron: produkt">product</span> konden opschuren, en de „bawon” (snijloon in natura) voor de helpers rijkelijk mocht -genoemd <span class="pageNum" id="pb94">[<a href="#pb94">94</a>]</span>worden. Dat was reeds eene verklaarbare reden van vreugde en opgewondenheid, welke -dien voor de Javanen zoo feestvollen dag kenmerkte. -</p> -<p>„Pottong paddie” (rijstsnijden, rijstoogst) is inderdaad een echt nationale feestdag -voor de landbouwende bevolking van het schoone Java, een dag van vreugde, van meerder -beteekenis voor die primitieve gemoederen, dan alle Mohammedaansche vieringen te zamen. -Het is dan voor haar eene ware kermis.<a class="noteRef" id="xd30e2954src" href="#xd30e2954">10</a> In bonte massa’s komen de vrouwen en de meisjes op het veld; menig hart begint daar -voor het eerst van minnevuur te kloppen, menige liefdes-intrigue komt daar tot stand, -menig jawoord wordt daar gelispeld. De geheele omgeving in die dichte graanvelden -leent zich toch tot afzondering en daardoor tot dartel minnespel. En.… valt het niet -te ontkennen, dat bij zoo’n gelegenheid hier en daar eene onbewaakte onschuld ondergaat; -wordt ook al een offer op het altaar van Lucina geplengd, zoo mag daarbij ook niet -verzwegen worden, dat bij dat oogsten menige band ontstaat, die later door den „panghoeloe” -(priester) vaster gestrengeld en gesloten wordt, ook dat de gevolgen nimmer tot zoo -huiveringwekkende misdaden voert, als in meer verfijnde maatschappijen voorvallen. -</p> -<p>Toen de vroolijke bende paddiesnijdsters en snijders de dèsa naderde, klonken haar -de opwekkende tonen van de „gamelan”<a class="noteRef" id="xd30e2968src" href="#xd30e2968">11</a> tegen. Men keek elkander verbaasd, maar toch met verrukten blik aan. Niemand wist -uitsluitsel te geven, aan wien men die attentie te danken had. -</p> -<p>Maar op de „aloon aloon”<a class="noteRef" id="n94.3src" href="#n94.3">12</a> aangekomen, zag men <span class="pageNum" id="pb95">[<a href="#pb95">95</a>]</span>daar onder de prachtige Wariengienboomen, die dat dorpspleintje omgaven en heerlijk -beschaduwden, twee loodsen opgeslagen, die beiden met Nederlandsche vlaggen getooid -waren, en waarvan de eene thans nog hermetisch gesloten was. In de andere evenwel -waren op den achtergrond de muzikanten met gekruiste beenen op den grond bij hunne -instrumenten gezeten, en deden hunne bekkens luid en rythmisch weerklinken. De voorgrond -der loods was ledig; maar die was vrij wel verlicht, terwijl de bodem daar gelijk -gemaakt en met fijn zand bestrooid was. Een luid gejuich ging op het gezicht daarvan -onder de oogstvierders op; want zij bevroedden, dat zij op meer genot dan op een eenvoudig -concert vergast zouden worden. -</p> -<p>Singo, die door babah Lim Yang Bing met uitgebreide volmacht naar Kaligaweh afgevaardigd -was, stond in de nabijheid van de gamelan tegen een der bamboestijlen, die het dak -der loods torsten, geleund, en knipte een oogje tegen de aankomenden, die voor het -meerendeel tot zijne kennissen behoorden, en hem met een juichenden groet verwelkomden. -</p> -<p>De mesjes, de stroobanden, die tot het binden der bossen moesten dienen, de rijstbossen -zelven waren spoedig opgeborgen, zoo ook de „toedoeng’s” en „bakoel’s”, die tot schaduwrijke -hoofdbedekking gediend hadden bij den arbeid in het volle zonlicht op de sawah’s; -en weldra vulde de geheele bevolking het pleintje voor de muziekloods, en hurkte stoeiend -en dartelend op het mollige grastapeet neder. -</p> -<p>Het Oog des dags was intusschen in het westen ondergegaan. Enkele sterren flonkerden -hoog boven in de <span class="corr" id="xd30e2984" title="Bron: donker blauwe">donkerblauwe</span> lucht met zachten glans, terwijl de maan, die bijna vol was, als een bloedroode bol -boven den horizon gestegen was, en tusschen de takken en bladeren der Wariengiens -door scheen, en de grilligste schaduwvormen op de menigte wierp. Rondom de loofkruinen -beschreven ontelbare „kamprits” een doolhof van onuitwarbare wendingen en bogen, en -stieten daarbij hunnen scherpen maar kort afgebroken gil uit; terwijl hoog daarboven -ettelijke „kalongs”<a class="noteRef" id="xd30e2987src" href="#xd30e2987">13</a> al krijschende in geheimzinnige <span class="pageNum" id="pb96">[<a href="#pb96">96</a>]</span>kringen rondvlogen, als zochten zij de saprijkste vruchten uit, waarop zij straks -in dien rijk voorzienen gaard zouden neervallen. -</p> -<p>Toen allen gezeten waren, gaf Singomengolo aan de artisten een teeken, en daar weerklonk -de gamelan met vol orchest en vulde het pleintje met hare welluidende tonen. -</p> -<p>„Bôgirô! bôgirô!” juichten de vroolijksten van de toeschouwers. -</p> -<p>En inderdaad, dat eerste stuk, dat daar ten gehoore gebracht werd, kon het best met -eene westersche ouverture vergeleken worden, waaraan al de instrumenten, waaruit het -Javaansche orchest bestond, deelnamen. Vol en oorverdoovend klonken soms de bekkens, -maar gingen bij wijlen in solopartijen over, die liefelijk het oor streelden. Zichtbaar -waren de muzikanten in de beste stemming, en smaakten dan ook het genoegen aller aandacht -te boeien, hetgeen hun bewezen werd door de diepe stilte, die onder de jolige menigte -heerschte. -</p> -<p>Bij de slotakkoorden evenwel werden allen rumoerig, terwijl, toen de bekkens zwegen, -een onmetelijk gejuich zich verhief, dat de verrukking der toehoorders moest beduiden -en voor handgeklap, bij Oosterlingen ongebruikelijk, moest gelden. -</p> -<p>Singomengolo, geholpen door een paar handlangers, ook door de beide Chineezen, houders -der opiumkit, bood aan de notabelen „rôkô’s” (sigaren in bladeren gewikkeld) aan, -terwijl bij de vrouwelijke voorname toeschouwsters „goelali” en „kwee kwee” (suikerwerk -en gebakjes) rondgediend werden. In den omtrek der beide loodsen stonden eenige „warong’s” -(kraampjes), waar de minder voorname gemeente haren snoeplust kon voldoen. Een daverend -gejuich ging op, toen de belusten van de venters en ventsters vernamen, dat die lekkernijen -kosteloos te verkrijgen <span class="pageNum" id="pb97">[<a href="#pb97">97</a>]</span>waren, dat men die vrijgevigheid aan Singo te danken had, die zoo zijn terugkeer in -zijne geboorteplaats wenschte te vieren. Des milden gevers hand werd allerwege hartelijk -gedrukt. De verlokker verzweeg evenwel wijselijk, dat de tabak, waaruit de rôkô’s -gerold waren, met een aftreksel van opium gedrenkt was; ook dat het sap van de „sedap -malam”<a class="noteRef" id="xd30e3004src" href="#xd30e3004">14</a> gediend had bij de bereiding der gebakjes en andere lekkernijen. Een ieder liet zich -de versnaperingen goed smaken, en had een woord van dank voor den milden Singomengolo. -</p> -<p>Op een wenk van dezen laatste entonneerde de gamelan weder. Een ieder hernam zijne -plaats en met uitbundig gejuich werden de eerste muziektonen begroet. -</p> -<p>„Taroe Polo! Taroe Polo!” klonk het uit veler mond. -</p> -<p>Allen schonken de meeste aandacht aan de voordracht. Maar, hoewel ieder dèsa-bewoner -het motief, of beter het verhaal kende, waarop de artisten klankrijk borduurden, luisterde -men toch in menigen groep gaarne naar den een of anderen oude van dagen, die de legende -verhaalde, welke daar door de muziek onder tonen gebracht werd. De Javaansche muziek -toch is de vertolking, de belichaming, de rythmeering van de zoo ontelbare sprookjes, -verhalen en legenden in die streken. Zij is er een integreerend deel van, zooals de -toonbuiging der stem en de gebaren dat bij <span class="corr" id="xd30e3018" title="Bron: rederijkrs-voordrachten">rederijkers-voordrachten</span> zijn. De legende van Taroe Polo was een der meest boeiende, en derhalve uiterst geschikt -om de gemoederen voor liefelijke gewaarwordingen toegankelijk te maken. Zacht, maar -toch verstaanbaar klonk de stem van den verhaler tusschen de muziektonen: -</p> -<p>Taroe Polo was een jong vorst, die, eens op de jacht zijnde, in het dichte tropische -woud een ouden en half vervallen „kraton” (vorstelijk verblijf), welks bestaan niemand -zelfs vermoedde, vond. In weerwil van de dichte wildernis, die den bouwval omgaf, -drong hij er in door, en vond in een der menigvuldige vertrekken, dat gespaard en -zeer goed onderhouden was, eene wonderschoone vorstin, die door een stoet van jeugdige -vrouwelijke bedienden <span class="pageNum" id="pb98">[<a href="#pb98">98</a>]</span>omgeven was, die wel niet met hare gebiedster in schoonheid wedijveren konden, maar -toch als toonbeelden van vrouwelijke bevalligheid konden gelden. De vorstin was eene -koningsdochter, die daar in dat eenzame oord door eene wreede moeder geplaatst was, -omdat deze haar wenschte uit te huwelijken aan eenen bejaarden, maar machtigen vorst, -dien zij zelve voor hare dochter uitverkoren had. Pangerang (prins) Taroe Polo voelde -bij den eersten aanblik der schoone kluizenaarster de liefde zijn hart binnensluipen. -Hij draalde geen oogenblik om haar daarvan bekentenis te doen. Hoor, hoe de kleine -„pernakh-an gedang” en de „gambang”<a class="noteRef" id="n98.1src" href="#n98.1">15</a> met hare zachte zilvertonen de gevoelens van den jeugdigen vorst vertolken. Luister, -hoe hare geluiden zuiver, rein weerklinkend, bidden, smeeken, terwijl de jongeling -voor de schoone neerhurkt. De lieve maagd was volstrekt niet ongevoelig voor die uitingen -van genegenheid, van liefde. Haar boezem zwol, zuchten braken zich baan; dat vertelt -de „soelieng” (fluit) met hare smachtende tonen genoegzaam. Haar gevoel werd evenwel -in bedwang gehouden door hare omgeving, die, geheel op de hand harer moeder, deze -innig verkleefd was. Zij kon zich derhalve slechts stokkend, met kort afgebroken woorden, -ja met enkele lettergrepen uitdrukken. Dat geven de tonen der „tjemplong” (liggende -harp) duidelijk aan. Met zachtheid en list wist zij evenwel hare gezelschapsdames -voor een oogenblik te verwijderen. En toen dat gelukt was, barstte een concert van -hartstochtelijke juichtonen van de beide verliefden los, die door de „rebab,” de „gender,”<a class="noteRef" id="xd30e3029src" href="#xd30e3029">16</a> de soelieng en de tjemplong weergegeven worden. Na alzoo hunne wederzijdsche gevoelens -betuigd <span class="pageNum" id="pb99">[<a href="#pb99">99</a>]</span>te hebben, kwam het verliefde paar tot de overtuiging, dat er aan het vermurwen der -heerschzuchtige moeder van de lieve schoone niet te denken viel, dat de omgeving der -vorstin onomkoopbaar was, en dat niets overbleef, dan naar het gebergte te vluchten. -</p> -<p>De aanminnige maagd aarzelde evenwel, hare schuchterheid deed haar voor dien uitersten -stap terugdeinzen<span class="corr" id="xd30e3040" title="Niet in bron">.</span> Maar de smeekbeden van Taroe Polo, nu eens smachtend als het suizend windje, dat -door de Wariengien-kruinen ritselt, dan weer hartstochtelijk als de orkaan, die zijne -boeien slaakt en loeiend over de velden giert, bracht haar aan het wankelen. Haar -eigen hart bestormde haar, hare liefde deed zich gelden en behaalde eene volledige -overwinning op hare besluiteloosheid, maar het was vooral de vrees, dat hare moeder -van hare liefde voor Taroe Polo kennis zou dragen, die den doorslag gaf. Met blooden, -neergeslagen blik, maar met een bekoorlijken glimlach viel zij in de armen van haren -minnaar, en ijlde met hem de blauwe bergen, die in het verschiet lagen, te gemoet. -</p> -<p>Het geheele Javaansche orchest viert dien luisterrijken uitslag en duidt met bekkenslag -in versnelde tijdmaat de rapheid der vlucht van het jeugdige paar aan; om ten slotte -met eene zachte maar toch genotvolle jammerklacht van de schoone prinses, en met eenen -uitbundigen jubelkreet door den verliefden prins, bij de overwinning geslaakt, te -eindigen. -</p> -<p>Ademloos zat de geheele bevolking van Kaligaweh nog te luisteren, terwijl de laatste -klanken der gamelan zachtvloeiend in de verte wegstierven. -</p> -<p>De maan was intusschen hooger gestegen, had bij die stijging zijne bloedroode kleur -verloren, en gluurde thans nieuwsgierig over en door de Wariengien-kruinen op die -landelijke aloon-aloon, alwaar zij allen, die daar zaten, met haar zilverlicht overgoot. -</p> -<p>Middelerwijl was ook de tweede loods geopend geworden, en zag men daar een groep mannen, -op den grond gehurkt, ijverig Chineesche speelkaarten hanteeren. -</p> -<p>De Javaan is een dobbelaar in zijn hart. Het spel is zijn grootste hartstocht, ja -de moeder van alle anderen, die wellicht niet gevaarlijk voor hem zouden zijn, wanneer -die eerste niet opgewekt werd. -</p> -<p>Al dadelijk stonden ettelijke mannen op, om aan het <span class="pageNum" id="pb100">[<a href="#pb100">100</a>]</span>verleidelijke spel deel te gaan nemen; terwijl anderen, die nog meer van de gamelan -en van de topeng,<a class="noteRef" id="xd30e3052src" href="#xd30e3052">17</a> die ook gegeven zoude worden, wilden genieten, aan Singo en diens handlangers andermaal -van die rôkô’s vroegen, die hen zoo heerlijk gesmaakt hadden. Ook de vrouwtjes waren -erg belust op de lekkere rijstgebakjes, die haar aangeboden waren, en gaven te verstaan, -dat een duplikaatje van die lekkernijen niet onwelkom zoude zijn. Maar.…, daar wachtten -hen de sluwe suppoosten van babah Lim Yang Bing. Met een innemenden glimlach werd -beduid, dat de voorraad, die tot geschenken bestemd werd, verstrekt was; terwijl tevens -te kennen werd gegeven, dat die rôkô’s en die kwee-kwee bij de warongs te krijgen -zouden zijn. Men keek elkander aan. Bij de warongs! Ja, maar daarbij werd nu kontant -geld gevorderd; en.… al waren de bewoners van Kaligaweh welvarend te noemen, van het -slijk der aarde was onder hen niet veel te vinden. -</p> -<p>Singomengolo raadde hunne gedachten, en wees met een duivelachtig gebaar naar het -geopende speelhol. -</p> -<p>„Daar waren „doeit” (duiten), „katip’s” (dubbeltjes), „stalie’s” (kwartjes), „roepiah’s” -en „ringgiet’s” (guldens en rijksdaalders) voor de gelukkigen te krijgen,” grinnikte -hij. -</p> -<p>Dat was olie in het vuur geworpen. -</p> -<p>„Maar om te spelen, is geld tot inzet noodig,” meende een der omstanders. -</p> -<p>„En de gesneden paddie dan?” vroeg de verleider met eenen duivelen-lach. -</p> -<p>Daar ging voor de menigte een licht op. Dat zij zoo iets had kunnen vergeten! -</p> -<p>„Zal die paddie in betaling aangenomen worden?” -</p> -<p>„Ja, zeker. En voor den vollen marktprijs ook!” antwoordde de verleider. „En”, liet -hij er verlokkend op volgen, „dat het heden hari ontong is, kunt gij daar zien. Kijk -Kromomidjo eens de ringgiets laten klinken!” -</p> -<p>En, waarlijk daar stond een der dèsabewoners te tandakken (dansen) en te springen -van vreugde, terwijl hij in de op elkaar gehouden handholten drie rijksdaalders liet -rinkelen. -<span class="pageNum" id="pb101">[<a href="#pb101">101</a>]</span></p> -<p>Drie rijksdaalders! Dat was op zijn minst het loon voor een halve maand arbeidens! -En die waren in weinige oogenblikken gewonnen! Er behoorde maar wat stoutmoedigheid -toe. De fortuin was wel te bestormen! Zoo verzekerde althans de rampzalige, die in -de loos gespannen netten verstrikt was. -</p> -<p>Maar.… was het achterdocht, of was het voorzichtigheid? Nog niet veel bossen paddi -vonden hun weg naar de speelloods. Maar,.… daar maakten èn Kaseran en Wongsowidjojo -èn Kamidin, èn Sidin, èn zoo veel anderen dezelfde gebaren als zoo even Kromomidjo. -Ook zij tandakten en gilden van de pret, en lieten aan de verzamelde dèsa-bewoners, -de eene twee, de andere vijf, de derde zeven en zelfs een tien gulden zien, die zij -in een ommezien gewonnen hadden. Waarlijk, Singomengolo, was een brave vriend, die -zijne dèsa-genooten kwam gelukkig maken, door hen te leeren, gauw en gemakkelijk geld -te verdienen! -</p> -<p>Toen was er geen houden meer aan. Al ras zat de geheele <span class="corr" id="xd30e3072" title="Bron: spelloods">speelloods</span> vol, en waren daar vele groepjes, die het blinde geluk tartten, terwijl buiten de -gamelan weerklonk en de krijschende stemmen der „ronggeng’s”<a class="noteRef" id="xd30e3075src" href="#xd30e3075">18</a> vernomen werden. -</p> -<p>Maar de houders der speelloods waren sluwe kerels. Neen, zij mochten de bevolking -van Kaligaweh bij zoo’n eerste proef niet afschrikken. Neen, slechts een zeer klein -gedeelte van den oogst was in hunne handen overgegaan; want, sloeg men de gelukkige -en opgewekte gezichten der spelers gade, dan was het duidelijk, dat daar niet veel -verliezers onder schuilden, en werden die ook al aangetroffen, dan waren het slechts -dezulken, die een klein verlies wel dragen konden. Waarlijk, de <i>croupiers</i> maakten geene zaken dien dag; hoewel zij slim genoeg er voor zorgden, nu de indruk -gegeven was, dat hun verlies niet buitengewoon was; zoodat de rijksdaalders tot guldens, -en de guldens tot kwartjes in de handen der spelers bij het op en neergaan van het -geluk geslonken waren. <span class="pageNum" id="pb102">[<a href="#pb102">102</a>]</span>Maar toch wonnen de spelers nog genoeg, om vroolijk en opgeruimd te zijn. -</p> -<p>Eindelijk, toen het middernachtsuur bij de „gardoe” (wachthuis) van het dèsa-hoofd -op de „tongtong” (hollen blok) weerklonken had, verklaarden de spelbazen, dat zij -wenschten te eindigen; omdat het voor hen eene ware „malam tjelaka” (ongeluks-nacht) -was. En werkelijk de kaarten werden opgeborgen en de lichten uitgeblazen. -</p> -<p>Maar, terwijl men zich nu nog bij de gamelan een poos verlustigde, werd de zucht voor -de lekkere rôkô’s andermaal gaande. Hiermede maakten de waronghouders goede zaken, -en daar die ook al weer acolijten van babah Lim Yang Bing waren, keerden de bij het -spel prijsgegeven gelden gedeeltelijk in den zak der kongsie terug, zoodat de opoffering -niet te groot was. -</p> -<p>Eindelijk was de voorraad van die lekkere stroosigaartjes, die toch al niet te groot -genomen was, uitgeput. Toen verwezen Singo en zijne handlangers met eenen onbeschrijfelijken -gemeenen grijnslach de belusten naar de opiumkit, waar volgens hunne verzekering veel -lekkerder waar te genieten was. Daar troonden inmiddels de ronggengs op de „baleh-baleh’s” -(rustbanken) voor het oog van een ieder, kneedden met bevallige vingeren de balletjes -madat, en wierpen vurig verlokkende blikken op, en richtten menig ontuchtig gebaar -tot de arme slachtoffers, die, hunkerend voor de deur van dat heillooze hol stonden -te turen, maar nog aarzelden om binnen te treden. -</p> -<p>Helaas, voor enkelen was de verlokking te sterk! Opgewonden door het gift, dat reeds -met volle teugen ingezwolgen was, verlokt door de uitnoodiging tot wellust van die -schoone jeugdige vrouwen, bezweek al ras de eene voor en de andere na. En hoewel dien -eersten avond niet alle hokjes van de opiumkit bezet werden, zoo hadden de Chineezen, -die haar bestuurden, alle redenen van tevredenheid.<a class="noteRef" id="xd30e3090src" href="#xd30e3090">19</a> -<span class="pageNum" id="pb103">[<a href="#pb103">103</a>]</span></p> -<p>Babah Lim Yang Bing prevelde dan ook binnen’smonds toen hij dien uitslag vernam: -</p> -<p>„Een onbetaalbare kerel, die Singomengolo, dien ik in waarde moet houden!” -<span class="pageNum" id="pb104">[<a href="#pb104">104</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e2850"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2850src">1</a></span> <i>Een paal</i> is eene lengtemaat gebruikelijk op Java van 1506,94 meter. <a class="fnarrow" href="#xd30e2850src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2856"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2856src">2</a></span> <i>De heerlijkste manga’s, de lekkerste ramboetan’s, de rinschste assam’s, de saprijkste -bliembieng’s, de geurigste djeroeks en de meest verfrisschende djamboe’s.</i> De manga-boom met zijne niervormige vruchten is een gewas, dat 40 voet hoog wordt, -en eene dichte kruin vormt. Er bestaan vele variëteiten van manga’s op Java, waarvan -de Mangifera Indica en de M. foetida de voornaamste zijn. De ramboetan met zijn vleezig -behaarde roode en gele vruchten, vormt ook een hoogen boom, die door de plantenkundigen -Nephelium lappaceum geheeten wordt. De pohon assam is de zoo fraaie tamarindeboom -met zijn fijn gevind loof, de Tamarindus Indica. De bliembieng met zijne komkommervormige -frissche vrucht is meer een struik, en is in twee hoofdsoorten verdeeld: de <span class="corr" id="xd30e2859" title="Bron: biembieng">bliembieng</span> manies = Averrhoa carambola, en de bliembieng assam = Averrhoa <span class="pageNum" id="pb89n">[<a href="#pb89n">89</a>]</span>bilimbi. De djamboeboom is mede een fraai gewas, meestal met machtige kruin. Er bestaan -wel 70 soorten in Ned.-Indië, waarvan de djamboe Samarang of Jambosa alba, de djamboe -bol of J. domestica<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> de djamboe ajer of J. aquosa, de djamboe mawar of J. vulgaris de voornaamsten zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e2856src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n89.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n89.1src">3</a></span> <i lang="ms">Katja-piring, kembang mentega, melattie, poekoel ampat, kemoening, kembang spatoe, -patra kombala.</i> Allen bloemstruiken, ware sierplanten. De Katja-piring = Gardenia grandiflora; de -kembang mentega = Nerium oderum; de melattie = Jasminum Sambac; de poekoel ampat = -Mirabilis jalappa; de kemoening = Murraga exotica; de kembang spatoe = Hibiscus rosa -sinensis; de patra kombala = Caesalpinia pulcherrima. <a class="fnarrow" href="#n89.1src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2876"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2876src">4</a></span> <i>Bamboe betong</i> = Bambusa nigra ciliata. <a class="fnarrow" href="#xd30e2876src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2884"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2884src">5</a></span> <i>Bandeng’s, djampal’s batak’s, gaboes</i> zijn vischsoorten, die door de ichtyologen respectivelijk Lutodeira chanos, Pangasius -djambal, Anabas scandens, en Ophicephalus striatus geheeten worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e2884src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2898"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2898src">6</a></span> <i>Singo was eerst in handen van wervers voor het leger gevallen.</i> De Gouv.-Gen. <span class="sc">Duymaer van Twist</span> meende de ergerlijke praktijken, die gebezigd werden, om met behulp van opium, vrouwen -en dobbelspel de Inlanders te ronselen, te moeten tegengaan, en verbood die praktijken -ernstig bij circulaire. Maar, heel kort daarop verscheen eene <i>geheime</i> circulaire, waarbij de eerste ingetrokken en de schandelijke toestand bestendigd -werd. <a class="fnarrow" href="#xd30e2898src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2913"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2913src">7</a></span> <i>Het aantal opiumkitten in het pachtdistrict met een tiental vermeerderd werd.</i> De lezer kan de waarheid van die bewering toetsen. Bij art. 8 van de opium ordonnantie -(Ind. Stsbl. No. 197 van 1872) was het aantal opiumkitten voor de residentie Samarang -op 42 bepaald. Bij eene volgende opium ordonnantie, twee jaren later geslagen, (Ind. -Stsbl. No. 229 van 1874) werd dat aantal voor die residentie op 52 en negen jaren -later (Stsbl. No. 197 van 1883) op 61 bepaald. Toch schreef de Min. van Kol. Rochussen, -op 4 Mei 1858, dat geen meer afdoend middel om het opiumverbruik tegen te gaan, kan -worden aangewend, dan het getal der opiumkitten te verminderen. „Het is,” zoo waren -zijne woorden, „door de vermenigvuldiging van deze, dat de Inlandsche bevolking zich -meer en meer in verzoeking gebracht ziet, om zich aan het gebruik van het verderfelijk -heulsap over te geven en de amfioenpacht zelve van het doel, dat er mede beoogd moet -worden, zich van lieverlede verwijdert.” -</p> -<p class="footnote cont">Bij circulaire van den Directeur van Middelen en Domeinen, <abbr title="de dato">d.d.</abbr> 4 Nov. 1862, No. 3823 (B 1298), werd den residenten medegedeeld: „<i>dat de Regeering met vasten wil er naar streeft, om het amfioenverbruik door verbodsbepalingen -en beperkingen tegen te gaan. Daartoe beveelt zij aan eene inkrimping van het aantal -kitten</i>” enz. Die circulaire is nimmer ingetrokken en derhalve nog van kracht. Maar, zeg -mij: kon die vaste wil der Regeering op ergerlijker wijze gebrandmerkt worden dan -door haar zelve geschied is? <a class="fnarrow" href="#xd30e2913src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2936"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2936src">8</a></span> <i>Galangan’s</i> zijn dijkjes, die de natte rijstvelden omgeven. Die dijkjes moeten goed onderhouden -worden, wil de landbouwer geene teleurstellingen bij het bevloeien zijner sawah’s -ondervinden. Zij moeten van tijd tot tijd verlegd worden, eerstens om de vruchtbare -maagdelijke aarde, waaruit zij bestaan, weer met den bodem te vermengen; ook om te -beletten, dat die dijkjes broeinesten worden van ongedierte als slangen, yoeyoe’s -(krabbesoort) enz. <a class="fnarrow" href="#xd30e2936src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2943"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2943src">9</a></span> <i>In den vollen oogsttijd.</i> De rijstoogst valt op Java niet overal gelijktijdig in. Op de strandvlakten heeft -hij gewoonlijk einde Juni plaats, in de bergstreken later. <a class="fnarrow" href="#xd30e2943src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2954"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2954src">10</a></span> <i>Het is dan voor haar eene ware kermis.</i> Dat is ook het gevoelen van den oud-Hoofd-inspecteur der Cultures in Ned. O. <span class="corr" id="xd30e2957" title="Bron: Indie">Indië</span> K. W. van <span class="sc">Gorkom</span>. Zie zijne <i>Oost-Indische Cultures</i> 1e deel bladz. 115. <a class="fnarrow" href="#xd30e2954src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2968"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2968src">11</a></span> <i>Gamelan</i> is een muziek-orchest, uit vele metalen bekkens en andere instrumenten bestaande. -Na de Koloniale Tentoonstelling te Amsterdam vertrouwt de schrijver, dat voor het -lezend publiek een verdere uitleg overbodig is. <a class="fnarrow" href="#xd30e2968src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n94.3"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n94.3src">12</a></span> <i>Aloon aloon</i> is een plein, dat schier in iedere dèsa aangetroffen wordt. Gewoonlijk wordt het -door Wariengienboomen, de Ficus religiosa, een der prachtigste keerkringsgewassen -overschaduwd. Aan de westzijde staat gewoonlijk het bedehuis, de missighiet, terwijl -de andere zijden door de woningen der hoofden ingenomen worden. Voor de komst der -blanken had daar onder die boomen de rechtsbedeeling door de Javaansche hoofden plaats. <a class="fnarrow" href="#n94.3src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e2987"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e2987src">13</a></span> <i>Kamprits en kalongs.</i> De kamprit is eene kleine soort vledermuis, die in verbazende menigte onder de daken -der dèsa-woningen <span class="pageNum" id="pb96n">[<a href="#pb96n">96</a>]</span>huizen, en bij het vallen van den avond in dichte zwermen uitvliegen. De meest verspreide -soort op Java is de Vesperugo noctula, die hoofdzakelijk van insecten leeft. De kalong -behoort even als de voorgaande tot de handvleugeligen, maar is veel grooter. Hij bereikt -de grootte van een jongen patrijshond, en is een ware plaag voor de dèsa-bewoners, -daar hij zich uitsluitend met vruchten voedt. Door de geleerden wordt hij Pteropus -edulis geheeten. <a class="fnarrow" href="#xd30e2987src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3004"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3004src">14</a></span> <i>Sedap malam.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n78.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 78. <a class="fnarrow" href="#xd30e3004src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n98.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n98.1src">15</a></span> <i>De Pernakh-an gedang en de gambang.</i> De eerstgenoemde is een der kleinste bekkens van het Javaansche orchest en met zeer -hoogen toon. Er bestaan twee instrumenten van dien naam, die evenwel in afmeting, -maar ook in toon met elkander verschillen. De gambang is een schuitvormige bak, op -welks randen latten van zeer klankrijk hout rusten, die met een paar kamertjes bespeeld -worden. <a class="fnarrow" href="#n98.1src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3029"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3029src">16</a></span> De <i>rebab</i> en de <i>gender</i>. Eerstgenoemde is eene tweesnarige viool. De gender is even als de gambang een schuitvormige -bak, een soort glaslatten-harmonica, waarvan de toetsen evenwel van metaal zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e3029src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3052"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3052src">17</a></span> <i>Topeng</i> is de naam van de oorspronkelijke tooneelvoorstelling op Java, die door ettelijke -acteurs en actrices met begeleiding van het gamelanspel uitgevoerd wordt. Meestal -worden daarbij historische legenden aanschouwelijk gemaakt. <a class="fnarrow" href="#xd30e3052src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3075"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3075src">18</a></span> <i>Ronggeng</i> zou kunnen vertaald worden door het woord actrice. De ronggeng kan bij de topeng -niet ontbeerd worden. In den regel zijn de ronggeng’s zeer schoone vrouwen maar tevens -lichtekooien van de ergste soort. <a class="fnarrow" href="#xd30e3075src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3090"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3090src">19</a></span> <i>Hadden de Chineezen alle redenen van tevredenheid.</i> De lezer zou kunnen meenen, dat de schrijver hier bij het ontwerpen van dit verleidingstafereel -overdreef, of de waarheid geweld aandeed. Luister eens, wat de Min. van Kol. Hasselman, -bij de behandeling der begrooting van <abbr title="Nederlandsch-Indië">N.-Indië</abbr> in de volle Tweede Kamer liet hooren. Het waren woorden, die hem destijds als resident -door een <span class="pageNum" id="pb103n">[<a href="#pb103n">103</a>]</span>opiumpachter ingefluisterd waren. Het gold toen inkrimping van het bestaande aantal -opium-kitten. „Er kwam nog iets bij,” zei de Chinees in het vuur van de verdediging -zijner belangen. „Er kwam nog iets bij, namelijk: dat het zoo jammer was, als eene -kit, nadat ze met veel moeiten en kosten was productief gemaakt, werd ingetrokken. -Men moest om de bevolking te lokken, feesten en danspartijen geven, en dit mocht toch -niet tot eene vergeefsche moeite worden gemaakt.” -</p> -<p class="footnote cont">Wanneer nu in den boezem der vertegenwoordiging, waarin slechts uiterst schroomvallig, -vooral door Ministers v. Kol. de opiumkwestie behandeld wordt, zulke mededeelingen -weerklonken hebben, dan kan de lezer oordeelen over wat er er in werkelijkheid omgaat, -en dan moge hij uitspraak doen, of het in den tekst voorkomend verleidingstafereel -overdreven mag heeten. <a class="fnarrow" href="#xd30e3090src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch8" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e689">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">VIII.</h2> -<h2 class="main">Eene dèsa in verval, Pak Ardjan’s arrestatie.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Die aanvankelijk niet ongunstig uitgevallen proef werd stelselmatig voortgezet, en -avond op avond weerklonk het zoo verleidelijk gamelanspel op de aloon-aloon van Kaligaweh, -en herhaalden zich de geschetste verlokkingen. Zoo iets kostte babah Lim Yang Bing -in den beginne eenig geld. Maar dat zoude èn rente èn kapitaal wel opbrengen. Het -duurde dan ook zoo heel lang niet, of het werd minder noodzakelijk de dobbelaars te -laten winnen. Gebeurde dat nog, dan was het nog maar een enkele maal, om de hoop op -winst niet verloren te doen gaan. Integendeel, de spelers begonnen al meer en meer -te verliezen, en de eene bos paddie voor en de andere na ging in handen van de spelbazen -over, die, het moet erkend worden, royale prijzen besteedden en het <span class="corr" id="xd30e3113" title="Bron: produkt">product</span> zelfs tegen sommen boven den marktprijs overnamen. -</p> -<p>Maar niet alleen was de speelwoede in Kaligaweh in lichtenlaaie losgebroken, het opiumverbruik -nam ten gevolge van het menschonteerende verleidingsstelsel hand over hand toe, en -zes maanden waren ternauwernood verstreken, toen erkend moest worden, helaas! dat -een zeer groot gedeelte der bevolking tot het opiumschuiven was overgegaan. De pachters -toch hadden krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen,<a class="noteRef" id="xd30e3118src" href="#xd30e3118">1</a><span id="xd30e3151"></span> die al zeer spoedig <span class="pageNum" id="pb105">[<a href="#pb105">105</a>]</span>den invloed bespeurden, welke het amfioenrooken op hare echtgenooten uitoefende, en -zij waren het, die de rampzaligen op het pad des verderfs, in plaats van hen te weerhouden, -daarop voortstuwden. -</p> -<p>Toch was de heillooze uitwerking van het vergift zoo dadelijk niet waar te nemen. -Neen, die vijand werkte in het donker, langzaam, uiterst langzaam, maar zeker. O, -in den beginne was het verbruik van opium zoo gering. Een paar „mata’s”<a class="noteRef" id="xd30e3157src" href="#xd30e3157">2</a> daags, nog niet eens die hoeveelheid, waren voor die oorspronkelijke lieden, aan -de werking van het gift niet gewoon, voldoende om de zalige rust, den heerlijken slaap -met zijne betooverende droomen van overschoone en wulpsche hoerie’s, waarmede de Profeet -Mohammed zijn paradijs bevolkt heeft, te genieten. Het dubbel aantal mata’s verschafte -de grootste opgewektheid, de hoogst opgezweepte natuurdrift. En die zaligheid, dat -genot was bij den opiumpachter te koop tegen slechts veertien cent per mata<a class="noteRef" id="xd30e3167src" href="#xd30e3167">3</a>. Waarlijk, het was te geefs! -</p> -<p>Maar … maar, volstond de schuiver aanvankelijk met die geringe hoeveelheid, die toch -reeds eene bres in zijn bescheiden budget veroorzaakte, omdat die uitgave vrij geregeld -wederkeerde; langzamerhand gewende het gestel van de rampzaligen er aan, zoodat die -hoeveelheid grooter genomen moest worden, om de verlangde uitwerking te erlangen. -Vond een enkele beluste bevrediging, wanneer hij slechts nu en dan, bijvoorbeeld eens -in de week de „bedoedan” (opiumpijp) ter hand nam, helaas, naarmate de zenuwen aan -den prikkel gewenden, werd de behoefte daaraan grooter, en zoo waren er reeds verscheidenen -<span class="pageNum" id="pb106">[<a href="#pb106">106</a>]</span>aan te wijzen, die, wanneer de werking van het narcoticum opgehouden had, loom, naargeestig, -zenuwachtig, ongeduldig waren, en zich derhalve hoogst ongelukkig gevoelden. Geen -ander middel bestond daartegen dan om de bedoedan weer ter hand te nemen, het verdoovingsmiddel -andermaal in te zwelgen, waardoor ze eindelijk bijna zonder tusschenpoozen van den -eenen zwijmel in den anderen overgingen<a class="noteRef" id="xd30e3177src" href="#xd30e3177">4</a>. -</p> -<p>Dat daarbij de stoffelijke welvaart der dèsa-bewoners onvermijdelijk te gronde ging, -wie zal dat betwijfelen? Niet alleen de uitgaven voor de zoo verleidelijke opiumballetjes -overschreden reeds de draagkracht van menigeen; maar ook de opgewekte sexueele driften -eischten bevrediging, en verslonden het laatste spoor van gegoedheid. Daarenboven -was de lust tot arbeiden—toch al niet groot in een tropisch land—gestoord, ja vernietigd. -Werkte het heulsap niet, dan was de schuiver een lodderig, vadzig, lui, slaperig wezen; -geheel onbekwaam tot de geringste inspanning, waarin dan de levensvonk slechts aangeblazen -kon worden door eene vernieuwde overprikkeling door het schandelijke middel. -</p> -<p>Daarbij werden de hygiënische verhoudingen bij de bevolking van Kaligaweh dermate -geschokt, dat die den meest gewonen opmerker moesten in het oog vallen. Werd de dèsa -toch, hetgeen slechts uiterst zeldzaam geschiedde, door blanken bezocht, dan bespeurde -die, wanneer zij die streken vroeger doorreisd en het gezonde en krachtige uiterlijk -der bevolking bewonderd hadden, thans in het tijdperk, waarin het verhaal handelt, -mannen en vrouwen, die door hun ellendig voorkomen hunne meewarigheid wel gaande moesten -maken. -</p> -<p>O, daarin was zich niet te vergissen. Zij hadden daar slachtoffers van den opium-hartstocht -voor zich. Die grauwbleeke gezichten, waarop de Oostersche bronstint niet meer te -herkennen was; die saamgeschrompelde <span class="pageNum" id="pb107">[<a href="#pb107">107</a>]</span>huid, die het uiterlijk vertoonde van perkament, hetwelk zonder te verschroeien aan -eene overgroote hitte was blootgesteld geweest; die hoekige gelaatstrekken, welke -het hoofd op een afzichtelijk bekkeneel deden gelijken; die fletse blikken van de -diep ingezonken oogen met donkerblauw omkringd; die gebogen gestalten en die ingedoken -borstkassen; die wonderbaarlijke vermagering van het bovenrif, welke veroorloofde -de ribben te tellen en eene gedachte aan doorzichtigheid deed opwellen, want de specimina, -die ontwaard werden, hadden ternauwernood een vod, een ellendig stuk „kahin” (kleedingstuk) -om de lendenen geslagen, ten einde hunne naaktheid te bedekken; dat vreeselijk kuchen, -hetwelk vernomen werd, en diep uit de holte klinkende van eene beklemde borst en van -aangetaste longen sprak, en het geheele rif akelig deed wankelen en schudden; die -spillebeentjes, zoo dun, zoo mager, welke het geheel bijna niet meer vermochten te -dragen, dat alles stelde het stereotype beeld daar van het verguisde pronkstuk der -schepping, en stempelde zich tot herkenningsmerk, tot onwraakbare getuige van het -langdurig lijden, van de onafzienbare ellende, die daar doorstaan waren, en waardoor -die lichamen gesloopt werden. -</p> -<p>Toen Singomengolo de dèsa, waar hij het levenslicht aanschouwde, maar waar hij als -dankbaarheidsbetuiging de vreeselijkste hartstochten achtergelaten had, later terugzag, -mochten zijne lippen zich waarlijk bij het doortrekken van het district tot een duivelenlach -omkrullen. Al wat hij daar waarnam: die met mos en onkruid overdekte klapperboomen -om, en die andere verwaarloosde ooftboomen in de dèsa, die in het geheel niet onderhouden -galangan’s en waterleidingen der sawah’s, die slecht bewerkte velden, die weinige -buffels, welker vermagerd en ziekelijk voorkomen van onvoldoende verzorging spraken, -dat alles was zijn werk! Hij was de schuld, dat bij den oogst het <span class="corr" id="xd30e3192" title="Bron: produkt">product</span> schamel en schraal uitviel. Hij was de schuld, dat die armzalige oogst, nog voor -dat de ani-ani, haar werk verrichtte, reeds vervreemd was. Hij was de schuld, dat -kleederen, huisraad en akkergereedschap voor spotprijzen verpand werden, en in de -kolk van den volksramp verdwenen. -</p> -<p>Maar babah Lim Yang Bing, de opiumpachter en zijne <span class="pageNum" id="pb108">[<a href="#pb108">108</a>]</span>vrienden Ong Sing Beh en Kouw Thang, de pachters van het pandjes- en van het speelhuis -te Kaligaweh, maakten goede, zeer goede zaken, en door zulke luisterrijke tusschenkomst -voer de Nederlandsche schatkist er ook goed bij, althans in vergelijking met vroeger, -toen die drie middelen, zoo als de Nederlanders die bronnen van geldschrapen noemen, -in die dèsa weinig of niets aan den fiscus, dien onverzadelijken Moloch, opbrachten. -Vroolijk en lustig zou dan ook Neêrlands vlag in den wind hebben moeten wapperen en -fier en trotsch <span class="corr" id="xd30e3199" title="Bron: zou-het">zou het</span> Nederlandsche wapen met het virile „<span lang="la">Je Maintiendrai</span>” hebben moeten prijken boven dat opiumhol, boven dat pandjeshol, boven dat speelhol, -welke als aangebedene Drievuldigheid, tot eenheid van doel voerden van het meest volmaakte -uitzuigingsstelsel, waarmede een rampzalig overheerd volk bedeeld is kunnen worden! -</p> -<p>Onder de ellendige verdwaasden, die in den put vielen voor hen gegraven, behoorde -Pak Ardjan, de vader van den gewezen djoeroemoedie van den schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i>, die vroeger een gegoed Javaansch landbouwer, bezitter van een span krachtige „kebo’s” -(buffels) mocht heeten, in betrekkelijken korten tijd have en goed verschoven, verdobbeld -en verbrast en zijn gezin in een poel van de afzichtelijkste ellende gedompeld had. -</p> -<p>Waar was het vriendelijke huisje gebleven met zijne goudgele omwanding van plat uitgespreide -bamboehalmen, met zijn donkerbruin dak van „nipah-atap” (bladerenbedekking), dat huisje -waarin Pak Ardjan vroeger, met vrouw en kinderen, zijne dagen zoo genoegelijk sleet, -en de toekomst met zooveel vertrouwen te gemoet zag? -</p> -<p>Helaas! de hut, die het rampzalige gezin thans betrok, was klein, laag, bedompt en -hoogst vervallen. In het eenige vertrek, waaruit zij bestond, heerschte eene onaangename -muffe lucht, die door in bederf overgaande bamboe gewoonlijk verspreid wordt. Een -blik op de schamele omwanding, die aan het benedengedeelte verrot, overigens half -vergaan en door de „boeboek” (snuitkevertjes) aangetast was; een blik op het dak, -hetwelk, door het vergaan der bamboe-dwarslatten, akelig doorboog en overigens in -stof verviel; een blik op de bamboe-baleh-baleh, het eenige meubel aanwezig, liet -geen twijfel <span class="pageNum" id="pb109">[<a href="#pb109">109</a>]</span>over van waar die bedompte lucht kwam. Op de morsige matjes, die den nog morsiger -bodem bedekten, krioelden de kinderen spiernaakt rond, terwijl de moeder en ook de -vader, als hij te huis was, in lompen gehuld, die nooit gewasschen werden, en door -het langdurig gebruik het lichaam aan flarden verlieten, op den bodem gehurkt, met -verglaasden en dom uitzienden blik dat schouwspel aanstaarden. -</p> -<p>Aanstaarden! Ja, als het turen van den machinalen blik zoo mag geheeten worden. Want -de vader had van den rampvollen toestand zijn’s gezins geen besef meer! De ontzettende -zelfzucht, die door het opiumverbruik ontwikkeld wordt, de steeds grooter wordende -onverschilligheid omtrent zijne geheele omgeving, tot zelfs omtrent vrouw en kinderen -toe, de hand over hand toenemende gemakzucht en de afkeer van iederen arbeid, van -elke zorg, van elke inspanning, die den opiumschuiver beheerscht, waardoor hij ten -laatste dag en nacht aan niets anders denkt dan aan de voldoening van zijn hoofdhartstocht -en de nevenlusten daarvan, waaraan alles rondom hem ten dienste moet staan, benevelde -zijn oog, en maakte hem aan den rand van den afgrond stekeblind. -</p> -<p>Verkeerde hij in den lethargischen staat, door het gematigd opiumrooken voortgebracht, -dan was hij rustig, dan was hij tevreden, dan dommelde en droomde hij, en bouwde voor -zich alleen een paradijs op, waarin slechts wulpsche beelden zijn geest en oog verrukten. -Had hij de opiumhoeveelheid vermeerderd en het volgend stadium van waanzin bereikt, -dan, ongeacht de tegenwoordigheid zijner kinderen, vervolgde hij zijne vrouw, die -hem alsdan als eene hoeri van het paradijs verscheen, met de schandelijkste handtastelijkheden; -dan hadden er in die hut, op welk uur van den dag of den nacht ook, omhelzingen en -handelingen plaats, die voor het oog van die onschuldige kleinen hadden moeten gesluierd -worden. Helaas! de man was dan aan een dier gelijk, onbekwaam om zijne hartstochten -te kunnen breidelen. -</p> -<p>Was het paroxysme bereikt, begon de werking van het vreeselijke gift te bedaren, dan -verviel de ellendeling in een staat van vernietiging die voor hem, maar nog meer voor -zijne geheele omgeving een kelk van lijden <span class="pageNum" id="pb110">[<a href="#pb110">110</a>]</span>was. Want dan begon de schuiver te beven, dan kwam zijn geheel zenuwstel in beroering, -dan spookten allerlei vreeselijke beelden hem door het hoofd, dan was hij ongedurig -en angstig, dan voelde hij pijn door het geheele lichaam, dan was hij het sterven -nabij, zoo verzekerde hij met onaangenaam en zuchtend geklaag, en dan was er slechts -één middel om hem uit dien onduldbaren toestand te helpen, dat was andermaal de opiumpijp -ter hand te nemen, om de kwaal door het vergift te bestrijden. -</p> -<p>En dan moest de vrouw uit om tjandoe te koopen. Van waar zij het geld vandaan haalde, -moest zij maar weten. -</p> -<p>En dan moest een kind de madatballetjes kneden en rollen; een ander de lamp verzorgen, -bij dat rooken onontbeerlijk, en de pijp stoppen; een ander sterke koffie zetten, -meestal afkomstig van diefstal uit de gouvernementstuinen. En als dat alles niet altijd -door armoede mogelijk was, zelfs als dat voor het ongeduld van den zenuwlijder niet -vlug genoeg in zijn werk ging, dan vervulde hij die rampzalige hut met kermen en klagen, -met schelden en verwijtingen, waarmede hij allen radeloos en diep neerslachtig maakte. -</p> -<p>In zoo’n midden was Ardjan opgegroeid, en hoewel hij nog niet zoo verdorven als zijn -vader was, zoo hadden zijne ziel en hart in het zoo ontvangbare tijdperk der jeugd -indrukken opgedaan, die het mogelijk maakten, dat hij in dienst van een smokkelvaartuig -getreden was, en dat hij gevoelens omtrent zijne verplichtingen jegens de kongsie, -die hem bij hare misdadige handelingen bezigde, aan den dag legde, zooals hij in de -djaga monjet bij Moeara Tjatjing tegenover Lim Ho den zoon van Lim Yang Bing, den -opiumpachter van Santjoemeh verkondigde. -</p> -<p>Zoolang Ardjan, de oudste zoon van het rampzalige gezin, klein was, was dat gezin -in de meest dierlijke ellende gedompeld gebleven. Toen deze evenwel, na eerst een -korten tijd als matroos aan boord van een gouvernementskruisboot gediend te hebben, -eene plaats aan boord van den schoener <i>Kiem Ping Hin</i> verwierf, braken andere dagen aan, vooral toen Ardjan, door zijn van nature helder -verstand geholpen, tot djoeroemoedi opklom. Hij kwam toch toen in de gelegenheid, -om in aanraking met <span class="pageNum" id="pb111">[<a href="#pb111">111</a>]</span>de lading van het vaartuig te komen en van eene waar, als opium is, was geene groote -hoeveelheid noodig, om reeds voor een betrekkelijke groote waarde weg te kunnen moffelen; -terwijl zijne opvattingen omtrent het mijn en het dijn hem daartoe ook verlokten. -Het ontvreemde heulsap leverde hij aan zijn vader af, die zoo niet alleen zijnen hartstocht -ten volle bot kon vieren, maar door het van de hand zetten van het overige gedeelte -nog al winst maakte, die evenwel, wel verre van het huisgezin ten goede te komen, -in de grootste ongebondenheid werd verteerd. -</p> -<p>Zoo was de stand van zaken, toen de resident Van Gulpendam den opiumpachter den wenk -gaf, dat Pak Ardjan als een erge opiumsmokkelaar bij de politie aangeteekend stond. -</p> -<p>Uit het bovenstaande valt te ontwaren, dat die bewering van het hoofd van gewestelijk -bestuur waarheid bevatte; want sedert lang was de opiumpolitie den onverlaat op het -spoor, zonder hem te kunnen snappen. Zoolang trouwens Ardjan aan boord van de <i>Kiem Ping Hin</i> diende, was daar nimmer een ernstige poging toe gedaan. -</p> -<p>Ook was het waar, wat de resident aan den opiumpachter medegedeeld had, dat Pak Ardjan, -onkundig van de verdenking, die op zijn zoon geworpen was, van de door de politie -aangehaalde opium aan wal gebracht te hebben, Lim Ho aangeklaagd had wegens de vreeselijke -mishandeling, die de Javaan ondergaan had. De oude opiumschuiver had dat niet gedaan, -uit deernis met zijn zoon, ook niet omdat hij de mishandeling wreken wilde, nog minder -uit een gevoel van recht, dat hem zoude aangespoord hebben om den euveldader zijne -verdiende straf te bezorgen. Neen. Kort voor zijn wedervaren bij Moeara Tjatjing, -had Ardjan bij zijn vader eenige katie’s opium bezorgd. Zoolang die voorraad duurde, -zou hij zich om de mishandeling zijn’s zoons niet bekommerd hebben; maar toen die -slonk, begon hij voor de toekomst te vreezen, vooral toen zijn zoon het verblijf in -het hospitaal met dat in de boeien verwisselde. Met zijn versuft brein had hij gedacht -de invrijheidstelling van Ardjan te kunnen bespoedigen, door een klacht tegen Lim -Ho in te dienen. Die raad was hem door een pleitbezorger <span class="pageNum" id="pb112">[<a href="#pb112">112</a>]</span>gegeven, die in een geding met den rijken zoon van den nog rijkeren opiumpachter eene -goudader meende ontdekt te hebben. Die klacht werd bij den landraad ingediend, en -de voorloopige dagvaardingen dientengevolge beteekend. -</p> -<p>Den jeugdigen rechter Van Nerekool werd het onderzoek van die zaak door Mr. Zuidhoorn -opgedragen, en vol vertrouwen om in de eerste plaats aan de eischen van zijn rechtsgevoel -te voldoen, en den onverlaat, die zich zoo eene mishandeling veroorloofde, aan den -wrekenden arm der justitie over te leveren, maar ook om zijne belofte aan Anna, de -schoone dochter van den resident Van Gulpendam, gegeven, na te komen, namelijk om -den verloofde van baboe Dalima te redden, had deze die zaak aanvaard, en meende haar -tot een goed einde te kunnen brengen. -</p> -<p>Maar op een namiddag,—de zon stond nog hoog aan den hemel,—had Pak Ardjan zijn voorraad -smokkelopium, die hij in een blikken trommel verstopt, in een eenzaam naburig ravijn -diep in den grond, onder een dikke laag rolsteenen verborgen had, gaan bezoeken, en -bevonden dat helaas! hoogstens nog maar een paar <span class="corr" id="xd30e3243" title="Bron: thaël">taël</span> over waren. Hij nam die mede naar huis; want hij had eenige toezeggingen aan opiumschuivers -gedaan, waaraan hij voldoen wilde. Het gold goede klanten, die ruim betaalden. -</p> -<p>Maar nauwelijks te huis gekomen, hoorde hij van zijne kinderen, dat Singomengolo in -de dèsa verschenen was, ook dat die naar hem gevraagd had. Hoewel die verschijning, -en ook die vraag, hem nu wel niet vreemd voorkwamen, zoo bekroop hem toch een onverklaarbaar -gevoel van onrust, dat hem aandreef, om zijne smokkelwaar te verheimelijken. Ware -hij in normalen toestand geweest, dan ware hij, terwijl hij nog niet ontdekt was, -omgekeerd, om de opium weer in het ravijn op te bergen. Maar hij begon zich loom te -gevoelen, zijne zenuwen speelden hem parten, zijn denkvermogen raakte in de war; in -één woord, hij was het stadium nabij, dat hij weer eene overprikkeling van het heillooze -narcoticum noodig had. Hij had nog even den tijd om een paar mata’s van zijn voorraad -voor eigen gebruik af te zonderen, waarna hij het overige in een nipahblad wikkelde, -en het tusschen de atappen van de dakbedekking <span class="pageNum" id="pb113">[<a href="#pb113">113</a>]</span>der schamele hut inschoof en zoo verborg. Toen hij daarmede klaar was, begon het lieve -leven, en moest het geheele huisgezin op de been, om hem bij zijn vreeselijken opiumhartstocht -ter wille te zijn. -</p> -<p>Maar, terwijl hij op de baleh-baleh uitgestrekt lag en ternauwernood aan zijne derde -pijp bezig was, zoodat hij nog niet geheel onder den invloed van het <span class="corr" id="xd30e3252" title="Bron: papaverprodukt">papaverproduct</span> verkeerde, verscheen Singomengolo, vergezeld van een viertal politieoppassers en -van de Chineezen van de opiumkit, op den drempel der deur. De opiumjager begreep dadelijk, -wat er gaande was, hoewel Pak Ardjan terstond opgevlogen was, en met eene zekere behendigheid -de opiumpijp onder het smerige hoofdkussen, dat op de baleh-baleh onmisbaar behoorde, -geborgen had, en twee zijner kinderen, het eene de „palita” (lampje) onder de rustbank -verstopt had, en het andere den voorraad opium verheimelijkte. De weeachtige zoete -lucht, die evenwel in het bedompte vertrek heerschte, kon niemand, wel het allerminst -een bandoelan, zoo geslepen als de vertrouweling des pachters was, misleiden. -</p> -<p>„Hier is opium gerookt,” sprak deze norsch, terwijl hij met zijne handlangers het -huis binnendrong. -</p> -<p>„Neen, waarachtig niet,” stamelde Pak Ardjan geheel van zijn stuk, terwijl zijne vrouw -met de kinderen als eene kudde vreesachtige schapen in een hoek van het vertrek samenschoolden. -</p> -<p>„Bezet de deur en de ramen,” beval Singo aan de dienaren der politie. -</p> -<p>En zich tot Pak Ardjan wendende, herhaalde hij: -</p> -<p>„Hier is opium gerookt!” -</p> -<p>„Neen, waarachtig niet!” -</p> -<p>„En hier is de pijp!” sprak de opiumjager triomfeerend; terwijl hij het <span lang="la">corpus delicti</span> van onder het hoofdkussen te voorschijn haalde. „Hier is de pijp; zij is nog warm.” -</p> -<p>Pak Ardjan, toch al niet op zijn gemak, was bij dat bewijs geheel vernietigd. -</p> -<p>„Waar is de opium?” vroeg Singomengolo barsch. -</p> -<p>Geen antwoord. -</p> -<p>„O, wij zullen haar wel vinden!” ging hij met akeligen glimlach op de lippen voort. -</p> -<p>Hij gaf een teeken aan de beide Chineezen en aan de <span class="pageNum" id="pb114">[<a href="#pb114">114</a>]</span>politiedienaren, welke deuren en ramen niet in het oog te houden hadden. En nu begon, -door hem voorgegaan, een nasporing,—eene jacht mag zij wel genoemd worden,—waarvan -het verhaal ongeloofelijk moge schijnen, maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats -vindt.<a class="noteRef" id="xd30e3275src" href="#xd30e3275">5</a> -</p> -<p>Onder de baleh-baleh, onder de matjes, die den grond bedekten, werd gezocht; in den -bodem, die den vloer der hut uitmaakte, werd gewroet; onder de „dapoer” en in de asch -van dat primitieve kooktoestel werd getast; hoofdkussens met verdachte kapok-klonters -werden opengesneden, en den inhoud over den vloer verspreid; de weinige kisten en -„kapèk” (sluitmanden), die aangetroffen waren, werden geopend, en de lompen, die zij -bevatten, uitgeschud en verachtelijk neergesmeten, het armoedige huisraad, de weinige -potten en pannen, de rijstketel, het tombokhblok, de „bakoel’s”, (rijstmanden), tot -de sirihdoos toe, werden doorsnuffeld; maar niets, niets werd gevonden. -</p> -<p>Singomengolo was vertoornd. Nu gelastte hij de visitatie aan den lijve. Eerst werd -Pak Ardjan gegrepen en, toen hij zich verzette, werd hem onder het toedienen van een -groot aantal vuistslagen, de smerige vodden, die hij droeg, van het lijf gescheurd, -en weldra stond hij daar met zijne afzichtelijke magerheid spiernaakt voor zijn gezin. -Onder den aandrang van dat kiesche gevoel, hetwelk zelfs den meest verdorvene blijft -beheerschen, hurkte hij jammerend neder, om zijne naaktheid voor zijne kinderen te -dekken. Toen was het de beurt van de vrouw en de kinderen, waaronder meisjes van 7 -tot 14 jaren. Met de grootste zedeloosheid gingen hier de onverlaten te werk, en volvoerden -de gruwelijkste aanrakingen, de gemeenste betastingen. Noch het kinderlijk gevoel -ten opzichte der moeder, noch de onschuld der jeugd kon hen weerhouden; zij zochten -en wroetten met wulpschen vinger, terwijl hunne lippen nog met beestachtigen kortswijl -de magerheid der „prawan’s” (maagden) bespotten. <span class="pageNum" id="pb115">[<a href="#pb115">115</a>]</span>Het was een afzichtelijk tafereel, dat daar onder het oog der politie geschiedde, -ja met hare medewerking volvoerd werd; want èn de bandoelans èn de politieoppassers -wedijverden met de Chineezen in ontuchtige handelingen. -</p> -<p>De kinderen schreiden, de meisjes zuchtten, en de moeder gilde onder die behandeling; -maar niets mocht baten. Maar eindelijk, bij een nog losbandiger gebaar, door een der -politieagenten gepleegd, waarbij de oudste dochter, de lieve Sarina, een meisje van -veertien jaren, haar sarong ontviel, en zij een kreet van schrik slaakte, sprong Pak -Ardjan woedend overeind, vloog op den lafhartigen wellusteling aan, trok hem den sabel -uit de scheede, en begon den onverlaat een paar houwen toe te deelen, die dezen noodzaakten, -onder het uiten vaneen akelig jammerend gehuil, het tooneel zijner heldendaden te -verlaten. -</p> -<p>Maar helaas! de tot radeloosheid getergde vader, wiens dolle woede hem blind voor -hetgeen thans rondom hem voorviel, maakte, en wiens uitgeteerde arm geene inspanning -van eenigen duur kon verleenen, was dadelijk gegrepen en ontwapend, alvorens hij verder -nog ter verdediging van zijn zoo gehoond gezin kon optreden. Hij werd gruwelijk gekneveld. -Met de meest verfijnde wreedheid werden hem de enkels aan elkander gebonden, waarbij -men hem het stekelige gemoetoetouw tusschen de teenen doorreeg, hetgeen bij iedere -beweging van den ongelukkige afgrijselijke smarten veroorzaakte. Om hem verder onschadelijk -te maken, werden hem de handboeien aangelegd. Maar, daar de braceletten van dat werktuig -van barbaarsch geweld veel te veel ruimte aanboden, en de zeer vermagerde polsen slechts -gebrekkig en onvoldoende omsloten, werden zij met wiggen aangevuld, die in der haast -van een paar stukjes brandhout gesneden, en tusschen den ijzeren band en den arm ingedreven -werden, hetgeen den ongelukkigen zulke onduldbare pijnen <span class="corr" id="xd30e3287" title="Bron: verooroorzaakte">veroorzaakte</span>, dat hij in een klagend gehuil uitbarstte, dat veel van dat van een zieltogend dier -weg had. -</p> -<p>Maar nu de opium? De opium? Die was tot nu toe niet gevonden! -</p> -<p>Singomengolo krabde zich achter het oor. Het geval was netelig. -</p> -<p>Wat zou de Kandjeng toean residèn aangaan! Maar.… <span class="pageNum" id="pb116">[<a href="#pb116">116</a>]</span>om dien lachte hij. Och, die zou bulderen, blaffen, maar zich zorgvuldig van bijten -onthouden. -</p> -<p>Wat zou echter babah Lim Yang Bing zeggen? Zou die zijn ijver niet verdenken? -</p> -<p>En, als de „soerat soerat kabar” (nieuwsbladen) aan het praten gingen! En dat zouden -die neuswijzige papieren zeker doen. Daaromtrent was geen twijfel te koesteren. En, -als dan de „toean toean rakkers” (de heeren rechters) kennis van de zaak namen! Ja, -dat kon reeds niet anders. Pak Ardjan had zich gewapenderhand en geweldadig tegen -de politie, en nog wel tegen de opiumpolitie, verzet, een vergrijp dat niet verzwegen -kon blijven, dat bovendien door de „Blanda’s” (Hollanders) ten rechte zwaar gestraft -werd. Maar dan zou ook uitkomen, dat hij huiszoeking gedaan, en daarbij niets gevonden -had! Dan zou wellicht nog meer te berde komen! Men was toch „terlaloe korang adjar” -(te gemeen) met de meisjes omgesprongen … En de toean toean rakkers waren zoo nieuwsgierig! -Die zouden dat wel te weten komen! -</p> -<p>O, dat toch opium gevonden ware! Of beter, dat hij zijne voorzorgen maar goed genomen -had!… Dan … -</p> -<p>„En toch<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” zoo mompelde hij, terwijl zijne oogen met arendsblikken de schamele hut doorzochten, -„de inlichtingen waren zoo nauwkeurig mogelijk. Ik moest wachten totdat Pak Ardjan -van de „Djoerang-Tjatjing” (het wormen-ravijn) terugkeerde, dan … Maar, het ware misschien -verstandiger geweest, hem in dat ravijn te overvallen?… Maar … neen, neen; dan zou -hij hebben kunnen beweren, dat hij die opium gevonden had. En die heeren rechters -zijn zoo lichtgeloovig en zoo aarzelend om straf op te leggen … Neen, neen … die opium -moest bij Pak Ardjan aan huis gevonden worden! Dan eerst was er een aanneembaar bewijs -van schuld aanwezig!… Maar, dat is zij niet, niets gevonden … Eh, èh … wat is dat?”… -</p> -<p>En met een sprongetje was Singomengolo in den hoek van het vertrek, waar hij eene -doorbuiging in de atappen zag. Het was, alsof die nog kort geleden een weinig verschoven -waren; en eene minder donker getinte streep lieten ontwaren, die aanduidde, dat de -nipahblâren daar niet onmiddellijk aan den invloed van den rook, welke bij gebrek -aan een schoorsteen, bij keukenbedrijvigheid het geheele vertrek vulde, hadden bloot -gestaan. De bandoelan bracht <span class="pageNum" id="pb117">[<a href="#pb117">117</a>]</span>de hand tusschen de atappen, tastte en zocht een oogenblik, en eindigde met twee pakjes -te voorschijn te brengen. Hij opende die haastig, en stiet een triomfkreet uit. Het -was de opium, die Pak Ardjan kort voor het huisbezoek daar geborgen had. -</p> -<p>„Loe djoesta, bangsat!” (je loogt, schurk), voegde de opiumjager den rampzaligen Javaan -toe, terwijl hij hem daarbij met de vlakke hand voor de tanden sloeg, dat het bloed -uit de lippen van den mishandelde parelde. -</p> -<p>Maar deze sprak geen woord. -</p> -<p>Toen de buitgemaakte opium behoorlijk door getuigen bezichtigd was, werd de betrapte -overtreder in eene smerige „tandoe” (draagzetel) geworpen, die door ettelijke dèsa-bewoners, -tot dien dienst geprest, gedragen werd, en zoo, behoorlijk geëscorteerd en bewaakt, -naar de gevangenis van Santjoemeh overgebracht. -</p> -<p>Weinige dagen later was eene aanklacht door den resident Van Gulpendam bij den landraad -te Santjoemeh ingediend omtrent Pak Ardjan, die beschuldigd was van opiumsmokkelarij, -en van gewapend verzet tegen de politie, waarbij een der dienaren bij de uitoefening -van zijn plicht ernstig gewond was. -</p> -<p>Toen Mr. Zuidhoorn, de voorzitter van dien raad, die beschuldiging las, kon hij een -bitteren glimlach niet verbergen. -</p> -<p>„Het is walgelijk! walgelijk!” mompelde hij. -<span class="pageNum" id="pb118">[<a href="#pb118">118</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3118"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3118src">1</a></span> <i>Krachtige bondgenooten aangetroffen in de vrouwen.</i> In de <i lang="nl">Itinerario, Voijage ofte Schipvaert</i> van <span class="sc">Jan Huygen van Linschoten</span>, <span class="pageNum" id="pb105n">[<a href="#pb105n">105</a>]</span>een Haarlemmer, die in 1569 naar Indië zeilde, worden uitvoerige bizonderheden aangetroffen, -die een romanschrijver niet bezigen mag. Die bizonderheden geven evenwel de oorzaken -aan, waarom de vrouwen in <abbr title="Nederlandsch-Indië">N.-I.</abbr> op het samenzijn met een opiumschuiver zoo verlekkerd zijn. <span class="sc">Jean Chrétien Baud</span>, hoewel niet zoo in bizonderheden afdalende, bevestigt volkomen het bestaan dier -oorzaken in zijne Proeve, in de aanteekening <a href="#n43.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 43 hiervoren reeds aangehaald. Men zie ook <span class="sc">Van Dedem’s</span> studie in de aanteekening <a href="#n74.1">N<sup>o</sup>. 1</a> op bladz. 74 hiervoren aangehaald. Bij inzien van die aangehaalde werken zal de lezer -ook ervaren, waarom de opium naast of zelfs boven ieder ander aphrodisiacon gesteld -kan worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e3118src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3157"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3157src">2</a></span> <i>Mata’s.</i> Een mata, ook wel „tiembang” genaamd, is het 1⁄1600 van een <span class="corr" id="xd30e3160" title="Bron: kati">katie</span>, of het 0,368 van een <span class="corr" id="xd30e3163" title="Bron: miligram">milligram</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e3157src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3167"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3167src">3</a></span> <i>Tegen slechts veertien cent per mata.</i> Zie <i>Koloniale Verslag voor 1884</i>, hoofdstuk M., Afd. I., bladz. 154. <a class="fnarrow" href="#xd30e3167src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3177"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3177src">4</a></span> <i>Van den eenen zwijmel in den anderen overgingen.</i> Een volbloed Chinees schreef nog niet zoo heel lang geleden in de <i lang="en">Times</i>: „Wijs mij één geval, waarin iemand zich heeft gehouden aan eene vaste hoeveelheid -opium, waarmede hij tien jaren geleden begon, en ik zal u honderd gevallen toonen, -waarin men begon met eene matige hoeveelheid, doch binnen tien jaren het gebruik zoo -toenam, dat het de schuivers te gronde richtte.” <a class="fnarrow" href="#xd30e3177src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3275"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3275src">5</a></span> <i>Waarvan het verhaal onmogelijk moge schijnen; maar die helaas! toch zoo dikwerf plaats -vindt.</i> Helaas, hoe dikwijls hebben de Indische dagbladen gelegenheid zoodanige gebeurtenissen -mede te deelen. Dergelijke berichten van opiumschandalen komen schier nog menigvuldiger -voor, dan in de Nederlandsche dagbladen die der kinderlijkjes in grachten, slooten, -enz. gevonden. <a class="fnarrow" href="#xd30e3275src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch9" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e698">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">IX.</h2> -<h2 class="main">Kuiperijen.—Een vrienden-drietal.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen Lim Ho van zijn vader, babah Lim Yang Bing, de gevangenneming van Pak Ardjan, -zijn aanklager wegens de Kamadoog-mishandeling bij den landraad, en de omstandigheden, -waaronder zij plaats gevonden had, vernam, grinnikte hij van genoegen. -</p> -<p>„Die is al vast van de baan geknikkerd,” dacht hij. „Bij een eenigszins verstandige -behandeling van zaken is die veroordeeld, en de duivel weet waarheen gezonden, alvorens -de opiumsmokkel-perkara van Moeara Tjatjing aan de beurt gebracht zal zijn. Die gevaarlijke -getuige is dan weg.” -</p> -<p>Hij verviel in diep gepeins. -</p> -<p>Drommels, hij had een kostbaar kleinood aan de „njonja” (mevrouw) van den resident -laten aanbieden, en had daarvoor slechts ternauwernood de ijle toezegging gekregen, -dat zij trachten zou, het meisje gunstig voor hem te stemmen. -</p> -<p>„Betoel, njonja mahal!”<a class="noteRef" id="xd30e3327src" href="#xd30e3327">1</a> (Waarachtig, het is eene dure mevrouw) grinnikte hij. „Bij Kong! wat zal hare daadwerkelijke -hulp wel kosten, wanneer ik die bij weigering van het meisje zou noodig hebben? Astaga! -dat zal naar geld ruiken!” -</p> -<p>Maar de gevangenneming van Pak Ardjan gaf aan zijne gedachten eenen zekeren loop. -<span class="pageNum" id="pb119">[<a href="#pb119">119</a>]</span></p> -<p>„Neen, het meisje is niet te winnen, daar ben ik zeker van; die haat mij te zeer! -Maar, dat is het juist, wat haar voor mij zoo aantrekkelijk maakt. Zij is mooi, zij -is lief, dat’s waar; maar daar zijn zoo vele mooie en lieve prawan’s in de dèsa’s.… -Dat is flauwe, bekende kost!.… Die weerspannige deern voor mijn wil te doen bukken;.… -haar, die mij verfoeit, met mijne kussen te kunnen overdekken;.… in de armen van haar, -die mij veracht, de hoogste wellust te genieten;.… om haar daarna, naar lichaam en -ziel verlept en verflenst, te kunnen wegtrappen,.… ziet.… dat is de „sambal”, (gepeperde -<span class="corr" id="xd30e3345" title="Bron: toepijs">toespijs</span>) die ik bij mijn verlangen naar haar najaag! En bij Kong! Aan dat verlangen zal ik -bot vieren! Hoe? Dat weet ik nog niet. Met list of met geweld? Om het even; als het -noodig zal zijn, met beiden tegelijk!” -</p> -<p>Zoo prevelde hij, terwijl hij op de weelderige kussens van eene fraai bewerkte rottanbank -in het ouderlijke huis uitgestrekt lag met de lange Chineesche pijp in den mond, waaruit -hij de heerlijkste tabak, die het Hemelsche Rijk oplevert, rookte. -</p> -<p>„Met list?”.… zoo ging hij, na een paar halen gedaan te hebben, bij zich zelven voort. -„Met list?.… Wat staat mij het meest in den weg? De wil van het jonge meisje. Ja, -maar die zal wel te buigen zijn, wanneer de gelegenheid zich zal aanbieden.… Dat zal -desnoods de taak van het geweld zijn. Maar,.… wie staat mij nog meer in den weg? De -njonja resident, bij wie zij als baboe in dienst is? Neen, van die heb ik, als het -er op aan komt, hulp te verwachten, vooral, wanneer ik.…” -</p> -<p>En hierbij volvoerde de aterling de eigenaardige beweging der Chineezen, wanneer zij -geld tellen, welke daarin bestaat, dat zij met ieder gebaar het eene hoopje muntstukken, -<span class="corr" id="xd30e3353" title="Bron: goudged">goudgeld</span>, guldens of rijksdaalders, regelmatig, zonder dat het eene stuk iets meer of iets -minder over het andere geschoven is, naast het andere uitstrijken, zonder ooit eene -enkele munt te veel of te weinig neer te leggen. -</p> -<p>„Is er niemand anders, die mij in den weg staat?.…” ging hij voort. „Ardjan, haar -verloofde? Ja, maar die zijn zaak is gezond. Hij zit in de stadsboeien, en is beschuldigd -van een paar pikols opium binnen gesmokkeld te hebben. Lang voor dat dit proces uitgewezen -is, en hij <span class="pageNum" id="pb120">[<a href="#pb120">120</a>]</span>zijn straf zal uitgezeten hebben, moet het feit voltrokken zijn; dan moet Dalima de -mijne geweest zijn! Daarna?.… Och, dan.… dan denk ik niet meer aan haar. De vraag -zal dan zijn, welk lief bekje mij verder boeien zal? Dus.… Ardjan is ook niet te vreezen. -En wanneer die uit de boeien komt, zal de kongsie wel raad met hem weten!.… Blijft -nog over Setrosmito, Dalima’s vader.… O, die ellendige Javaan heeft mij met zijn kris -gedreigd, toen ik hem vijf honderd ringgiets voor de onschuld zijner dochter bood.… -Dat moet ik hem nog betaald zetten! Maar hoe?.… O, een denkbeeld!.… Die gevangenneming -van Pak Ardjan is zoo van een leien dakje geloopen. Als Setrosmito ook zoo in de val -kon raken; al ware het maar voor weinige weken.…” -</p> -<p>En opspringende van de bank, snelde hij naar eene kleine gong, die op een fraai voetstuk -van kostbaar Chineesch aardewerk, rijk met slangen en krokodillen en relief voorzien, -bij een pilaar stond, greep daar een ebbenhouten stokje in den vorm van een krokodillenkop, -dat zinnebeeld van Ngoh, den Watergod,<a class="noteRef" id="xd30e3362src" href="#xd30e3362">2</a> gesneden, en deed daarmede een paar slagen op het klankrijke metalen instrument. -Onmiddellijk daarop trad een zwierig gekleede Javaansche bediende binnen, die tot -bij de rustbank naderde, daar neerhurkte, het plat zijner handen op het voorhoofd -bracht, het hoofd boog en zoo zijn „sembah” (groet) eerbiedig bracht. -</p> -<p>„Zou Singomengolo te Santjoemeh zijn, Drono? vroeg Lim Ho. -</p> -<p>„Ik heb hem heden ochtend nog gezien, babah,” antwoordde Drono, terwijl hij zijn sembah -herhaalde. -</p> -<p>„Loop hem dan onmiddellijk zoeken. Hij zal wel in de nabijheid der opiumkit zwerven. -Ik moet hem dadelijk spreken.” -</p> -<p>„Saja, babah,” antwoordde de Javaan, terwijl hij een paar passen al hurkende achteruitschoof, -toen opstond en steeds front naar den Chinees makende, achteruitstapte, en zoo door -de fraai gebeeldhouwde deur van het vertrek verdween. -<span class="pageNum" id="pb121">[<a href="#pb121">121</a>]</span></p> -<p>„Slechts voor weinige weken.…” zoo ging Lim Ho met zijnen gedachtengang voort. „En -in dien tijd, zou de gelegenheid wel gevonden worden, om de lieve Dalima te lokken.… -O!… daarbij zou de njonja resident zeer behulpzaam kunnen zijn. Maar, dat zal duur -worden!… Om het even, geld is er genoeg!” -</p> -<p>En bij die gedachte sprong hij andermaal op om de gong te doen klinken. Toen een ander -Javaan verscheen, vroeg hij: -</p> -<p>„Is Drono al weg?” -</p> -<p>„Nog niet, babah,” was het antwoord, „maar hij is op het punt te vertrekken.” -</p> -<p>„Loop dan gauw en roep hem hier!” was het bevel. -</p> -<p>Een oogenblik later trad Lim Ho’s getrouwe voor hem. -</p> -<p>„Begeef u, voor gij Singo gaat zoeken, naar het huis van ’Mbok Karjå, en zeg haar, -dat ik haar oogenblikkelijk wensch te spreken.” -</p> -<p>„Saja, babah,” was het antwoord, vergezeld van den onafscheidelijken sembah. -</p> -<p>„Maar, dadelijk, dadelijk!” sprak Lim Ho ongeduldig. -</p> -<p>„Saja, babah.” -</p> -<p>’Mbok Karjå betrad daags daarna het residentiehuis en verzocht bij de „njonja besar” -(de groote mevrouw) toegelaten te worden. Dat geschiedde terstond; want het was in -de ochtenduren, en de schoone Laurentia had haar „spen” (dispens) reeds verzorgd, -en de benoodigdheden aan „kokkie” (kokkin) uitgegeven, en hield zich juist onledig -met na die bezigheden haar ochtendkabaja tegen een fijnen baptisten, met rijk gewerkte -entre-deux gefestonneerd, te verwisselen. Voor die oude „doekoen” (kwakzalfster) had -zij trouwens nimmer belet. Zij ontving haar steeds, wanneer het mogelijk was, op ieder -uur van den dag. -</p> -<p>„Tabeh, <span class="corr" id="xd30e3391" title="Bron: njoonja">njonja</span>;” zei de oude vrouw op dien slependen toon, der Javaansche onderdanigheid zoo eigen, -terwijl zij aan de voeten der Europeesche dame nederhurkte. -</p> -<p>„Tabeh nènèh<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” antwoordde Laurentia. -</p> -<p>„Heeft de obat van laatst goed gewerkt?” vroeg het akelige wijf om het gesprek te -beginnen. -</p> -<p>„Overheerlijk nèh! Ge moet me daarvan een goeden voorraad geven.” -</p> -<p>„Ik heb daar al aan gedacht, njonja; maar de ingrediënten <span class="pageNum" id="pb122">[<a href="#pb122">122</a>]</span>zijn zoo moeielijk te krijgen. Zij zijn zoo duur.” -</p> -<p>De njonja greep een beursje, dat in haar werkmandje lag en stopte de oude een paar -rijksdaalders in de hand. -</p> -<p>„Ziedaar, om die ingrediënten aan te schaffen. Zorg er maar goed voor.” -</p> -<p>Het oude wijf knoopte al grinnikend de geldstukken in den punt van een smerigen zakdoek, -waaraan reeds een bos sleutels bengelde, en beloofde dat de njonja tevreden zou zijn. -</p> -<p>Daarna begon ’Mbok Karjå over sienjo Leo te babbelen en uit te weiden, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wat voor schalksch ventje dat was. Als het kind op straat wandelde, dan keek iedereen -het aanvallig schepseltje na. Misschien wierp dan de een of ander ook wel een blik -toe aan de baboe, die het jongetje vergezelde. Want, het moest erkend worden, dat -baboe Dalima schoon, zeer schoon was. De njonja moest dat lieve meisje zoo niet laten -gaan wandelen. Zij was te mooi, en er waren altijd menschen geneigd, om de onschuld -te verderven. Dat wist de njonja ook wel. En het zou zoo jammer zijn, wanneer die -lieve meid in verkeerde handen viel. Er was zooveel geld met haar te verdienen!” -</p> -<p>Zoo ratelde de oude voort. En zoo verhaalde zij met horten en stooten, dat de hartstocht -van Lim Ho voor het schoone meisje steeds aanwakkerde, en dat hij al meer en meer -genegen was, groote opofferingen voor haar bezit te doen. -</p> -<p>De oogen van de hebzuchtige Europeesche vrouw glinsterden. ’Mbok Karjå zag met sluwen -blik, dat zij alles wagen kon. Voorover gebogen, maar toch met den loerenden blik -op Laurentia gevestigd, fluisterde zij een poos, en scheen daarbij al de aandacht -harer toehoorster te boeien; want deze verloor blijkbaar geen woord, en bewoog herhaalde -malen het schoone hoofd als teeken van toestemming op en neer. Toen de nènèh hare -mededeeling geëindigd had, antwoordde mevrouw Van Gulpendam niet dadelijk, maar dacht, -zoo het scheen, ernstig na. Eindelijk sprak zij: -</p> -<p>„Boleh; tapeh.… mentega sama ikan!” -</p> -<p>Bij het eerste woord: boleh, dat: „het kan, het is uitvoerbaar” beteekent, was er -eene glinstering in het fletsche oog van het oude wijf verschenen. Bij het overige -gedeelte <span class="pageNum" id="pb123">[<a href="#pb123">123</a>]</span>van de uitdrukking der njonja teekende haar blik verbazing. En inderdaad, die Nederlandsche -uitdrukking, welke als would be geestigheid vaak, woordelijk in het Maleisch vertaald, -gehoord wordt, ontsnapte aan haar begrip. -</p> -<p>„Mentega sama ikan?” vroeg zij aarzelend. -</p> -<p>„Ja zeker, „boter bij den visch!”” herhaalde mevrouw Van Gulpendam in het Maleisch. -„Versta je dat niet, nènèh? Kontant, ’Mbok! kontant! Met beloften laat ik mij niet -afschepen!” -</p> -<p>„Tobat!” (Ach) zuchtte de oude, terwijl zij een doosje uit de plooien van den band -te voorschijn haalde, die haren sarong om de oude verwelkte lendenen gesloten hield, -en het de njonja aanbood. -</p> -<p>Daarin waren een paar kostbare gouden „kraboe’s” (oorknoppen) van Chineesch maaksel, -die van diamanten fonkelden. -</p> -<p>„Is dat alles?” vroeg mevrouw Van Gulpendam met een minachtenden glimlach. -</p> -<p>„Zij zijn kostbaar,” mompelde het oude wijf. -</p> -<p>Maar de residentsvrouw schudde ongeduldig het hoofd. „Lim Ho heeft gezegd, dat hij -de njonja in persoon zijne dankbaarheid zou komen betuigen, wanneer de zaak gelukt -was.” -</p> -<p>Laurentia lachte hoonend. -</p> -<p>„Wanneer de zaak gelukt was!” herhaalde zij. „Het is wat moois!.… Neen, ik wil den -babah niet zien.” -</p> -<p>„Maar, njonja.…” -</p> -<p>„Geen woord meer. Daar, neem die „kraboe’s” maar weer meê.” -</p> -<p>„Maar, wat moet ik Lim Ho zeggen?” vroeg ’Mbok Karjå. -</p> -<p>„Wat ge wilt, nèh!” -</p> -<p>„Maar, njonja.…” -</p> -<p>„Geen woord meer daarover, ’Mbok.<span id="xd30e3437"></span> Zorg nu maar, dat ge me eene flinke provisie van die obat brengt.” -</p> -<p>„Tobat!.…” zuchtte het wijf. „Heeft de njonja anders niets?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Ik heb anders thuis nog een partijtje juweelen, kraboe’s, „tjientjing’s” (ringen).” -</p> -<p>„Neen … neen … nèh …; maar toch als ge soms „gelang’s” (armbanden) weet?” -<span class="pageNum" id="pb124">[<a href="#pb124">124</a>]</span></p> -<p>„Gelang’s, njonja?… Welke?” -</p> -<p>„Gouden, natuurlijk, nèh … Ik heb er laatst gezien, de dochter van den Majoor-Chinees -had ze aan. O, zoo fraaie. Fijn geschubde slangen, van „maas toewa” (oud goud), die -zich drie of vier malen om den pols wikkelden; daarbij oogen van briljanten, terwijl -zij in den mond een rosé-achtigen diamant hadden … kijk, zoo dik!” -</p> -<p>En de njonja vertoonde het boveneinde van haren pink. -</p> -<p>De oude ’Mbok Karjå verslond als het ware, de woorden die zij hoorde. -</p> -<p>„Als ik zoo een paar gelang’s kon koopen,” ging de njonja voort, „voor die zou ik -nog wat over hebben, er zou voor u ook wat te verdienen zijn.” -</p> -<p>Dat laatste werd zeer achteloos gezegd, hoewel de schoone Laurentia de oude vrouw -met een enkelen blik als doorboorde. -</p> -<p>„Saja, njonja,” antwoordde deze, terwijl zij opkrabbelde. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Tabeh njonja!” -</p> -<p>„Tabeh nèh!” -</p> -<p>Een half uur later stootte Lim Ho een ijselijken vloek uit, en herhaalde de uitdrukking -van: njonja mahal! Maar zijn hartstocht was te zeer opgezweept, om hem te doen terugdeinzen. -Hij overhandigde den volgenden dag met de reeds bekende kraboe’s ook de gewenschte -gelang’s aan ’Mbok Karjå. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Alvorens met het verhaal, hetwelk ons bezig houdt, verder te gaan, zal de lezer een -nadere kennis moeten aangaan met Mr. Van Nerekool, den jeugdigen rechtsgeleerde, wiens -hulp door Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam voor Ardjan, den verloofde van Dalima, ingeroepen was. De gang van het -verhaal vervoerde ons tot nu; het is tijd om een blik achterwaarts te werpen. -</p> -<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool, was—wij weten het reeds—een flink, rijzig jongman van ongeveer acht en -twintig jaren, met een fraai besneden gelaat, dat wel wat ernstig door een paar hel -blonde bakkenbaarden omlijst werd, terwijl het hoofd met eenen ietwat meer donkeren -krullendos prijkte. Hij had zijne rechtskundige studiën te Leiden, dat Nederlandsche -Athene, verricht. Maar, hoewel hij steeds zijne examina <span lang="la">cum laude</span> had afgelegd, zoo moest hij toch in oogenblikken van openhartigheid erkennen, <span class="pageNum" id="pb125">[<a href="#pb125">125</a>]</span>dat hij niet die partij van zijne geestvermogens had getrokken, welke met eenig recht -er van verwacht hadden kunnen worden. Zoowel op het gymnasium, dat hij bezocht had, -als op de hoogeschool had hij bekend gestaan als een gemakzuchtige ten opzichte zijner -studiën, die evenwel met betrekking tot andere zaken volgaarne uit het gareel sprong, -om door die doellooze fantaisie voortgedreven te worden, welke reeds bij het kind -en bij den jongeling een uitverkoren geest stempelt. Hij hield dol veel van alles, -wat hem niet aanbevolen werd, en daaronder sorteerden in de eerste plaats: de muziek, -dan de teekenkunst, de schilderkunst en de natuur. Als kind reeds had hij om die afwijking -van het aanbevolene dikwijls moeten schoolblijven. Maar, wat nood? Dat hinderde hem -minder. Hij kroop dan in een hoek van het schoollokaal en droomde. Destijds werd wel -eens gemompeld, wanneer hij dan daar zoo eenzelvig terneer zat met zijn blondgelokt -hoofd naar boven gekeerd, en met den blik in het onmetelijke blauwe hemelruim verloren: -„arme jongen! dat draait op borstziekte uit!” Maar die voorspelling werd geloochenstraft; -met hem gebeurde het als met zoovele anderen, de gezondheid gewerd hem met het intreden -der manbaarheid. -</p> -<p>Nog zeer jong zijnde, had hij zijn vader verloren. Boosaardige lieden,—van die, welke -steeds eene hatelijke nieuwsgierigheid aan den dag leggen omtrent zaken, die hen niet -raken,—beweerden dat die vader nimmer bestaan had, of beter uitgedrukt, nimmer bekend -was. Waarop zij dat grondden? Och, op nietigheden, waarbij zelfs Karel’s familienaam -te pas gebracht werd, die, zoo werd beweerd, het omgekeerde van den waren naam zoude -zijn. Maar, wat kan zoo iets den lezer belangstelling inboezemen, in een tijd, waarin -Goddank, de mensch het recht van bestaan alleen uit dat bestaan ontleent, en slechts -waardeering geniet, wanneer hij haar door kunde, talent en eerlijkheid verdient? Een -zoodanig wezen is in het bezit van de meest eervolle verwantschap der wereld, namelijk -die der weldenkende lieden. -</p> -<p>Zijne moeder had den naam gehad een vrij aardig vermogen te bezitten. De studiën van -den jongen man waren niet alleen uit ruime beurs bekostigd, maar hij was ook in staat -gesteld geweest, om aan de meest prettige partijen <span class="pageNum" id="pb126">[<a href="#pb126">126</a>]</span>der Leidsche studeerende jongelingschap deel te kunnen nemen, en geen hunner kon er -zich op beroemen, het: -</p> -<div lang="la" class="lgouter"> -<p class="line">Io vivat! Nostrorum sanitas!</p> -</div> -<p class="first">met meer geestdrift voorgedragen, en daarbij steeds de zoo licht kwetsbare regelen -der meest verfijnde wellevendheid in het oog gehouden te hebben. Toen evenwel die -moeder bij het eindigen van den studietijd plotseling kwam te overlijden, bleek het, -dat het vermogen, welk zij bezat, bitter klein was, ja dat zij alles voor en na te -gelde gemaakt had, om de studiën, enz. van haren Karel te bekostigen. De voogd, die -zich met de boedelbereddering onledig gehouden had, gaf den jongen man den raad in -dienst van de rechterlijke macht in <span class="corr" id="xd30e3485" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> over te gaan. Die wenk werd gevolgd. Na een schitterend eindexamen werd Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool tot rechterlijk ambtenaar benoemd en ter beschikking gesteld van den Gouverneur-Generaal. -Te Batavia aangekomen, werd hij gedurende een jaar ter hoofdplaats aangehouden, om -de leden van het Hoog Gerechtshof, die vooral met hunne facultatieve en verplichte, -alsook met hunne antérieure en postérieure revisiën zeer achterlijk waren, in het -bijwerken van dien achterstalligen achterstand, zooals de uitdrukking luidde, behulpzaam -te zijn. -</p> -<p>Dit gaf hem een goed doorzicht in den gang van zaken, de rechtspraak ten opzichte -der Inlanders betreffende; want de behandeling der facultatieve revisiën van de vonnissen -in zake van misdrijf door de landraden op Java en Madura gewezen, was daarbij zijn -deel geworden. Later was hij tot lid van den raad van Justitie te Santjoemeh benoemd -geworden, waardoor hij gelegenheid kreeg, zich nog verder te bekwamen. -</p> -<p>Daar evenwel vond hij in Mr. Zuidhoorn, den voorzitter van den landraad in de hoofdplaats -der residentie, een braaf, eerlijk man, een degelijke gids, die de heerlijke eigenschappen -van den jongen rechtsgeleerde tot ontwikkeling bracht. Van dien ontving hij voorbeelden -van vuurvaste beginselen, van onwrikbaarheid en degelijkheid in de uitvoering der -vaak zoo moeielijke plichten in dienst van vrouwe Justitia. -</p> -<p>Van eene andere zijde had hij te Santjoemeh kennis <span class="pageNum" id="pb127">[<a href="#pb127">127</a>]</span>gemaakt met twee jongelieden, waarvan de een van zijn leeftijd was en de ander een -vijftal jaren minder telde. Dat waren de heeren Willem Verstork, controleur, en Eduard -<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, aspirant-controleur, beiden behoorende bij den dienst van binnenlandsch bestuur -in de residentie Santjoemeh en waarvan de eerstgenoemde te Banjoe Pahit zetelde, de -hoofd-dèsa van de controle-afdeeling van dienzelfden naam, waartoe ook het <span class="corr" id="xd30e3501" title="Bron: distrikt">district</span> Kaligaweh behoorde; terwijl de andere op de hoofdplaats ten residentie-bureele zich -voor zijn aanstaande betrekking moest bekwamen. Beiden waren degelijke flinke jonge -mannen, die, met een onbedorven gemoed in Indië aangekomen, steeds recht door zee -trachtten te gaan, en iedere afwijking van de waarheid voor afschuwelijk hielden. -In hoofdzaak kwamen zij dus met de geaardheid van Mr. Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool overeen. Toch liepen hunne karakters nog al uiteen; want de heer Verstork -was, wellicht ten gevolge van zijn langer verblijf in Indië en zijne daardoor meerder -opgedane ondervinding, meer buigzaam van karakter en, ofschoon zelf niet in staat -om iets ongeoorloofds te bedrijven, toch in die mate volgzaam, dat hij voor zekere -verrichtingen zijner meerderen, die niet altijd in overeenstemming met wetten en bepalingen -uitvielen, of ook wel tegen de <span class="corr" id="xd30e3507" title="Bron: stipste">stiptste</span> opvattingen der eerlijkheidsbeginselen aandruischten, het oog sloot, om, zooals hij -zeide, zijne loopbaan niet te bederven. Menigmalen geraakte hij ten gevolge van dien -karaktertrek in botsing met de overige jongelieden, maar verontschuldigde zich steeds -door op zijne bizondere omstandigheden te wijzen, die inderdaad tot mededoogen stemden. -Ook hij had ontijdig zijn vader verloren; maar was, minder gelukkig dan Van Nerekool, -als oudste zoon van een talrijk, maar onbemiddeld gezin achtergebleven. En hoewel -zijn moeder met de meeste heldhaftigheid in haar levensonderhoud en dat harer kinderen -trachtte te voorzien, zoo reikten de verdiensten bij die pogingen behaald, bij lange -na niet toe, om dat doel ook maar gedeeltelijk te bereiken. Hierbij kwam nog, dat, -toen de oude heer Verstork kwam te overlijden, twee jonge broeders van Willem in Europa -waren, om daar hunne opleiding te erlangen. De studiën dier jongelieden konden, zonder -hunne toekomst totaal te verwoesten, niet afgebroken worden. En zoo gebeurde het, -dat onze controleur <span class="pageNum" id="pb128">[<a href="#pb128">128</a>]</span>onder zware zorgen gebukt ging, daar de toekomst van dat gezin, waarvan hij eigenlijk -de kostwinner was, geheel afhankelijk was van de loopbaan, die hij zoude betreden. -</p> -<p>Waarlijk, die toestand moest tot toegevendheid stemmen, daar hij als tegenwicht kon -gelden, wanneer zijn houding in sommige gevallen als lauw mocht aangemerkt zijn, of -wanneer hij in de noodzakelijkheid meende te verkeeren, om bij anderer tekortkomingen -verzachtende omstandigheden te bepleiten. Voor zich zelven was hij in handel en wandel -streng en veeleischend; en de toekomst zal leeren, dat, wanneer hij de gevolgen der -zaken goed inzag, hij ook met klem en geestkracht kon optreden. -</p> -<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, de aspirant-controleur, telde die halfheid nog niet onder zijne gebreken. -Wellicht was hij nog te jeugdig, om nu reeds zoo’n karaktervorming te hebben ondergaan, -als die welke bij Verstork zich geopenbaard had; het viel evenwel niet te ontkennen, -dat hij bij den resident Van Gulpendam, ter wiens beschikking hij gesteld was, op -eene vreeselijke school was, om, zooals die dat uitdrukte, tot degelijk Indisch ambtenaar -gevormd te worden. -</p> -<p>De drie mannen waren vrienden in de volle beteekenis des woords, en lieten geen enkel -oogenblik voorbijgaan, om elkanders bijzijn te genieten, wanneer de gelegenheid zich -daartoe aanbood. Voor Karel en Eduard bestond die gelegenheid ruimschoots genoeg, -daar zij beiden te Santjoemeh woonden. Zij waren dan ook onafscheidelijk te noemen. -Anders was het met Verstork gesteld. De dèsa Banjoe Pahit, zijne standplaats, was -ruim twaalf palen van de hoofdplaats der residentie verwijderd, zoodat van een dagelijksch -verkeer met zijne vrienden geen sprake kon zijn. Maar hij sprong iederen Zaterdag -namiddag, wanneer zijn arbeid beëindigd, en het kantoor gesloten was, te paard, reed -dan spoorslags naar Santjoemeh, alwaar hij zijn intrek bij een der vrienden nam. Dan -bracht hij den Zaterdag avond in de „Harmonie<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> door, waar de zoo verdienstelijke muziek der schutterij zich liet hooren. Verder -bracht hij des Zondags enkele bezoeken, ook natuurlijk bij zijn onmiddellijken chef, -den resident, en vertrok weer des Maandags morgens nog voor dat de dag aan den hemel -was, om, na behoorlijk gebaad en ontbeten te hebben, stipt tegen negen uur op zijn -kantoor te kunnen verschijnen. -<span class="pageNum" id="pb129">[<a href="#pb129">129</a>]</span></p> -<p>Maar zoowel bij zijne bezoeken in de „Harmonie,” alwaar hij slechts een paar glazen -ijswater nuttigde, als bij zijne visites bij bekenden, was hij meestal te zamen met -zijne twee onafscheidelijken, die hem dan zoomin mogelijk verlieten. Maar, het waren -vooral de Zondag avonden, die aan het vriendschappelijk verkeer der drie jongelieden -onderling gewijd waren. Zij kwamen dan te zamen, hetzij bij Van Nerekool, hetzij bij -Van Rheijn, en dan gingen de vertrouwelijke ontboezemingen, die uit die vriendenharten -ontsproten, hunnen gang. -</p> -<p>Bij een dier gelegenheden had Karel verhaald, hoe hij, na bij een zijner bezoeken -bij den resident Van Gulpendam kennis gemaakt te hebben met diens dochter Anna, die -kennismaking op de daarop gevolgde danspartijen zoowel in de „Harmonie,” als bij den -militairen kommandant, en ten residentiehuize zelve, aangehouden, ja gekweekt had, -en daarbij betuigd, dat hij juffrouw Anna het liefste en het beschaafdste meisje der -geheele wereld vond. -</p> -<p>„Werkelijk,” had hij er bijgevoegd, „ik weet niet wat ik gevoel. Is het eenvoudige -genegenheid jegens een schoon en begaafd kind? Of is het liefde, die zich in mijn -hart begint te nestelen? Bij de geringe ervaring, die ik van dit laatste gevoel heb, -onthoud ik mij van eene afdoende uitspraak. Maar, ik kan mij niet ontveinzen, dat -ik mij uiterst gelukkig gevoel, wanneer ik mij in hare tegenwoordigheid bevind.” -</p> -<p>„En dat gebeurt nog al eens, nietwaar?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroeg Eduard met ondeugenden glimlach. „Sedert eenigen tijd is vriend Karel buitengewoon -uithuizig. Ik heb bijna niets meer aan hem. Bijna iederen avond is hij uit, en dan -is hij daar te vinden, waar juffrouw Anna met hare ouders bezoek brengen, of wel hij -gaat naar het residentiehuis, of het receptie is of niet. Ik verdenk hem er zelfs -van, aan de residentelijke ombertafel plaats te nemen. Hoewel ik al verscheidene malen -het residentiehuis langs gewandeld ben, was dat te vergeefs; daar de voorgalerij, -door bloem- en sierstruiken te zeer gedekt is; zoodat mijn onbescheiden oog zich omtrent -mijne gissing niet heeft kunnen vergewissen.” -</p> -<p>Willem Verstork schudde bij die mededeelingen bedenkelijk het hoofd. -</p> -<p>„Is dat zoo?” vroeg hij met een doordringenden blik op Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool. -<span class="pageNum" id="pb130">[<a href="#pb130">130</a>]</span></p> -<p>„Ja,” antwoordde deze zonder aarzelen. „Evenwel.…” -</p> -<p>„Dat is zeer treurig,” viel hem Willem in de rede. -</p> -<p>„Treurig, wat?” vroeg Karel niet zonder drift. „Gij laat mij niet uitspreken.” -</p> -<p>„Welnu dan, ga voort.” -</p> -<p>Van Nerekool verhaalde nu, hoe hij zich tot het meisje voelde aangetrokken; maar ook, -dat nog geen enkel woord aan zijn lippen ontglipt was, hetgeen den toestand zijns -harten had kunnen verraden. Alles had zich nog maar bepaald tot gesprekken, die, wel -is waar, hem het frissche, ongekunstelde gemoed van de lieve maagd ontsluierden, maar -toch tot de alledaagsche mochten gerekend worden, tot complimentjes en vernuftige -steekspelen, zoo gewoonlijk, wanneer jongelieden, wien het niet aan geest ontbreekt, -en die hun licht niet onder de koornmaat wenschen te verbergen, in elkanders bijzijn -verkeeren. Ja, hij was ten volle overtuigd, dat juffrouw Anna nog geheel onbewust -was met hetgeen in zijn hart omging. Op een avond evenwel, het was reeds laat, had -een Javaansche bediende een briefje gebracht, waarbij het lieve meisje verzocht had, -ten spoedigste bij haar op het residentiehuis te komen. -</p> -<p>Willem glimlachte even, toen hij die mededeeling vernam, hetgeen evenwel de ernstige -plooi van zijn gelaat niet wegnam. -</p> -<p>„Lach niet,” hernam Karel ernstig, „hoewel ik niet ontkennen mag, dat ook vreemde -gedachten mijn brein bestormden. Het was zoo afwijkende van alle aangenomen vormen, -nietwaar? dat een jong meisje zoo’n verzoek aan een jeugdig man deed. Voor het minst -moest ik het voor eene onbezonnenheid, voor eene ondoordachte handeling houden. Gelukkig -werd ik spoedig uit den droom gewekt. Met de meeste ongedwongenheid zag het lieve -kind mij bij hare ouders verschijnen, en, daar het niet ongewoon was, dat ik met haar -piano speelde, kon het niemands aandacht wekken, dat wij ook toen in de hel verlichte -binnengalerij bij het klavier plaats namen. Ik vernam alras, waarvoor juffrouw Anna -mij had laten roepen. Zij wenschte mijne hulp in te roepen voor een Javaan, voor den -verloofde harer baboe, die van opiumsmokkelarij beschuldigd was.” -</p> -<p>En hierbij deelde hij mede, wat de lieve Anna hem èn <span class="pageNum" id="pb131">[<a href="#pb131">131</a>]</span>van de mishandeling, waaraan de Javaan bloot had gestaan, èn van de opium, die te -<span class="corr" id="xd30e3550" title="Bron: Moera">Moeara</span> Tjatjing aangehaald was, verhaald had. -</p> -<p>Toen hij geëindigd had, herhaalde Willem Verstork op deelnemenden toon: -</p> -<p>„Dat is zeer treurig.” -</p> -<p>„Ja,” hernam Karel, die zich in de beduiding van die deelneming vergiste. „Maar, ik -hoop, dat die Javaan niet veroordeeld zal worden.” -</p> -<p>„En uwe.… genegenheid voor het lieve meisje is.… wel groot?” vroeg „Willem aarzelend. -</p> -<p>„Sedert heb ik herhaalde malen gelegenheid gehad, zoo als Eduard u verhaalde, de lieve -Anna, nu eens bij de familie Zuidhoorn, dan weer bij den militairen kommandant, dan -weer bij hare ouders aan huis te ontmoeten, om een woord over die ongelukkige politiezaak -te wisselen, en telkenmale kreeg ik sterker en sterker bewijzen van.…” -</p> -<p>„De onschuld des Javaans?” vroeg Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn ietwat spottend. -</p> -<p>„Neen, van de goedheid van haar hart, van het edelaardige harer ziel, van het eenvoudige -en degelijke van haar karakter, en.… waardste vrienden, de bekentenis moet er uit: -ik ben geheel en al onder haren betooverenden invloed.” -</p> -<p>„Dat is zeer treurig!” herhaalde Willem Verstork hoogst ernstig. -</p> -<p>„Maar, voor den drommel, wat dan is zeer treurig?” vroeg Karel driftig. -</p> -<p>„Die genegenheid, beste vriend. Gij bereidt u eene vreeselijke toekomst voor.” -</p> -<p>„Maar, waarmede dan?” -</p> -<p>„Vriend, ik verzoek acht dagen uitstel, om deze uwe vraag te beantwoorden.” -</p> -<p>„Het is alsof het een vonnis in een strafrechtsgeding geldt!” zei Van Nerekool neerslachtig. -„Waarlijk, gij beangstigt mij. Zeg mij toch.…” -</p> -<p>„Aanstaanden Zaterdag, Karel, komen wij weer zamen … en, vertrouw op mijn woord, dan -zal ik u antwoorden.” -</p> -<p>Welke pogingen Van Nerekool ook aanwendde, er was verder niets uit den geheimzinnigen -controleur te halen. Karel moest zich met de gedane toezegging vergenoegen. -<span class="pageNum" id="pb132">[<a href="#pb132">132</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3327"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3327src">1</a></span> <i lang="ms">Njonja mahal.</i> Zie daaromtrent bladz. 160 van <i>Macht tegen recht</i> <span class="sc">Piepers</span>, bij de aanteekening hiervoren op <a href="#n73.1">bladz. 73</a>, reeds aangehaald. <a class="fnarrow" href="#xd30e3327src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3362"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3362src">2</a></span> <i>Ngoh, de Watergod.</i> Zie daaromtrent bladz. 299 van <i>de Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen</i> door Dr. <span class="sc">J. J. M. de Groot</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e3362src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch10" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e707">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">X.</h2> -<h2 lang="fr" class="main">Une invitation à la chasse, en une invitation à la valse.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Willem Verstork zou met betrekking tot die samenkomst woord houden; evenwel niet op -de wijze zooals hij zich voorgesteld had. Hij was toch van meening geweest den volgenden -Zaterdag als naar gewoonte naar Santjoemeh te rijden, en daar tot des Maandags te -blijven. Dat zou geheel anders toegaan. -</p> -<p>Des Donderdags morgens ontvingen toch Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool en Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn eene uitnoodiging om naar Banjoe Pahit te komen. -</p> -<p>„Dat zal de rollen omkeeren zijn,” zoo schreef Verstork aan het vriendentweetal. „Ik -ben zoo dikwerf uw gast geweest, dat ik er op sta, om ook eens als gastheer op te -treden.… Als gastheer?.… Ik geloof, dat mijne pen mij daar parten speelt.… Ja, parten! -Want.… om als gastheer op te kunnen treden, moet in de eerste plaats gastvrijheid.…. -neen, neen.… gastvrijheid dat is het niet, wat ik meen,… moet gastmildheid bewezen -worden en, hoewel gijlieden mijn nederig controleurshuis en mijne rijsttafel voor -lief zoudt nemen, zoo is het toch ver van mij, om u die aan te bieden. Waar gij onder -dak zult komen, weet ik waarachtig niet, ook niet waar gij wat „nassi” (rijst) met -„sambal oelik” (spaansche peper fijn gewreven met zout) zult machtig worden. Een mooie -invitatie! hoor ik u beiden pruttelen. Toch reken ik er op, dat gij haar aannemen -zult. Luistert: -</p> -<p>„Sedert eenigen tijd worden de „djagong-” (maïs) velden <span class="pageNum" id="pb133">[<a href="#pb133">133</a>]</span>van de bewoners mijner controle-afdeeling door „tjelleng’s” (wilde zwijnen) geteisterd. -Het is een ware ramp. Voornamelijk is het district Kaligaweh het tooneel hunner nachtelijke -verwoestingen, en schijnt de hoofdmacht van die geduchte stroopers eene schuilplaats -te vinden in de wildernissen, die de „Djoerang” (ravijn) Pringapoes omgeven. Die djoerang, -eene woeste bergspleet, maakt zoo wat het centrum mijner afdeeling uit, en zijn de -dèsa’s Banjoe Pahit en Kaligaweh aan de beide uiteinden daarvan, evenwel op een afstand -van ongeveer vijf palen van elkander, de eerste in het gebergte, de andere in de laagvlakte, -die naar zee voert, gelegen. -</p> -<p>„Het is mijn plan, om de streek zooveel mogelijk van dat schadelijk gedierte te zuiveren, -door aanstaanden Zaterdag en Zondag eene klopjacht te houden. Andere dagen kan ik -niet; mijne werkzaamheden verbieden dat. Mijne uitnoodiging geldt dus eene jachtpartij, -en die zult gij gewis niet afslaan. -</p> -<p>„Ik zal Zaterdag ochtend een paar flinke paarden, die mij de „wedono” (Inl. districtshoofd) -voor mijne vrienden, die de jacht zullen bijwonen, aangeboden heeft, zenden. Ik reken -er op, dat gij beiden zoo tegen twee uur uwe kantoorbezigheden vaarwel kunt zeggen, -dat gij een uur noodig zult hebben, om te baden en u in behoorlijk jachtcostuum te -steken—vergeet de hooge slobkousen niet, die zijn in het lastige terrein en te midden -van de doornachtige struiken onontbeerlijk;—zoodat gij tegen drie uren te paard kunt -zitten. Als gij nu de vurige dieren den teugel behoorlijk zult vieren, dan zullen -zij hunne zes palen wel in het uur afleggen, en dan zijt gij tegen vijf uren ten mijnent. -Is dat afgesproken?.…” -</p> -<p>„Ja! ja!” riepen Karel en Eduard met een verheffing van stem uit, alsof zij den briefschrijver -te Banjoe Pahit hunne instemming wilden laten hooren. -</p> -<p>„Ik dien mijn jachtgeweer nog wel eens na te zien,” sprak Van Rheijn, „en het zal -niet ondienstig zijn, een paar revolver-pistolen mede te nemen.…” -</p> -<p>„Ja, dat beveelt ons Willem behoorlijk aan. Luistert: „Zorgt voor uwe vuurwapens, -dat die zich in bruikbaren toestand bevinden; want de tjellengs zijn, wanneer zij -in hun leger opgespoord worden, volstrekt geene te verachten vijanden. Behalve uwe -geweren, zijn revolvers of <span class="pageNum" id="pb134">[<a href="#pb134">134</a>]</span>ten minste een hartsvanger, die als sabelbajonet op het geweer bevestigd kan worden, -onontbeerlijk.…” -</p> -<p>„Drommels, ik mag nog wel zoo’n ding te leen vragen; want wel heb ik een jachtgeweer, -maar daarop kan ik geen sabelbajonet bevestigen. Dat is goed om „glatihk’s” (rijstdiefjes) -of musschen te schieten. En revolvers heb ik in het geheel niet. Waar moet ik daar -aankomen.” -</p> -<p>„De regent van Santjoemeh, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo heeft eene fraaie -repeteer-buks met keurigen yatagan, en de „patih” (plaatsvervangend regent),<a class="noteRef" id="xd30e3607src" href="#xd30e3607">1</a> Radhen Pandjie Merto Winoto, heeft een paar fraaie revolvers, prachtige Le Faucheux’s -met centrale ontsteking. Gaarne zullen zij u die wapens leenen.” -</p> -<p>„<span class="corr" id="xd30e3614" title="Bron: ik">Ik</span> zal dan maar beginnen met een bezoek in de „Kaboepaten” (regentswoning) te brengen.” -</p> -<p>„Heden avond is het dansreceptie op het residentiehuis. Die Inlandsche hoofdambtenaren -zouden niet gaarne die feestelijkheid verzuimen. Gij komt er zeker ook, nietwaar?” -vroeg Eduard leuk. -</p> -<p>„Ja, zeker!” antwoordde Van Nerekool niet zonder hartstocht. „Zou ik.…” -</p> -<p>„Eene gelegenheid, om met de lieve Anna te kunnen dansen, laten voorbijgaan,” viel -hem Eduard in de rede. „Welnu, dan kunt gij die wapens vragen. Dat bespaart u eene -vervelende visite bij die Javaansche grooten. Maar.…” -</p> -<p>„Wat, maar?” -</p> -<p>„Kunt ge met zoo’n buks omgaan?” -</p> -<p>„Och, dat zal wel geen heksenwerk wezen. Te Leiden nam ik aan alle schietoefeningen -deel, en had den naam van een goed schutter te zijn. Wees gerust.” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Des avonds was het residentiehuis van Santjoemeh luisterlijk verlicht. Zoowel in de -ruime voorgalerij als in de binnengalerij en pandoppo, alsook in de zijvertrekken -van de statige woning, schitterden rijke kronen, die met <span class="pageNum" id="pb135">[<a href="#pb135">135</a>]</span>hare talrijke <span class="corr" id="xd30e3630" title="Bron: glasvlammen">gasvlammen</span>, door matte ballons getemperd, die onmetelijke ruimten in een zacht licht hulden, -en hare stralenbundels tot over het erf wierpen, en daar te midden van den bloemenhof, -die het woonhuis omgaf, met de maan, welke helder scheen, een wedstrijd aangingen, -die onmogelijk ten voordeele van ’s menschen vinding kon uitvallen. Want de nachtvorstin -overgoot alles met haar getemperd wit licht: huizen, wegen, grasperken, bloemen en -bladeren, liet hare stralen door de takken der heesters glijden en overal in het halfdonker -iets zachts ontwaren als een liefkoozing, iets geheimzinnigs, als een onbegrensd droombeeld. -De gasverlichting daarentegen trok rondom het gebouw eenen rosachtigen kring, waarin -wel alles helder verlicht was; maar waarin alle voorwerpen als met onreinen vinger -aangeraakt schenen, in tegenstelling van het leliewitte, waarmede de natuur-verlichting -alles overgoot. Die rosse kring verzwakte bij zijne grenzen naar gelang van de uitgebreidheid -van den stralencirkel. Op eenigen afstand scheen het gaslicht het maanlicht te vervalschen; -de lelietint behaalde evenwel al meer en meer de overwinning, hoe verder het oog waarde, -totdat zij onverdeeld heerschte en alles omhulde. -</p> -<p>Vlak voor het residentiehuis strekte zich eene overschoone laan van Kanarie-boomen<a class="noteRef" id="xd30e3635src" href="#xd30e3635">2</a> uit, die van het erf naar de hoofdplaats Santjoemeh voerde. In dit uur, van uit de -voorgalerij gezien, vertoonden zich de gasvlammen, welke die laan heetten te verlichten, -als groote vuurvliegen, welke met de maanstralen, die door de volle kruinen vielen -en bij de zachte bries, waardoor het gebladerte bewogen werd, op den breeden, goed -onderhouden grintweg de meest grillige licht- en schaduwbeelden vormden, als het ware -krijgertje speelden. -</p> -<p>In de verte werden nog meer vuurvliegjes ontwaard: vuurroode, groene, blauwe, gele, -bijna al de kleuren van den regenboog in één woord. Dat waren de rijtuigen van hen, -die de dansreceptie zouden bijwonen, en met hunne lantaarns met verschillend gekleurde -glazen hunne nadering te kennen gaven. -</p> -<p>De voorgalerij was nog ledig. Alleen de dochter des <span class="pageNum" id="pb136">[<a href="#pb136">136</a>]</span>huizes stond een oogenblik voor de balustrade de laan in hare geheele lengte te overzien. -</p> -<p>„Dat roode licht daar met die schitteringen,” mompelde zij in zich zelve, „is het -rijtuig van den assistent-resident van politie. Dat rijdt voorop. En dat blauwe, dat -van den heer Zuidhoorn, en dat violette van.… Ah! daar heel in de verte, dat groene.… -Ik moet weg.… Het voorste rijtuig nadert reeds het erf.… Ik ben evenwel blij, dat -Van Nerekool komt.… Hij mag mij evenwel hier niet op den uitkijk zien staan.” -</p> -<p>En zich omkeerende, trad zij op hare ouders toe, die op de waarschuwing van den kapala -oppas, dat de rijtuigen der bezoekers in de verte naderden, de binnengalerij ingetreden -waren, en nam aan de zijde harer moeder plaats, om de hulde en begroetingen der aankomende -gasten te ontvangen en te beantwoorden. -</p> -<p>De heer Van Gulpendam trad evenwel eerst nog de voorgalerij in. Hij was eenvoudig -in zwarten rok, en zonder eenige ambtelijke uitmonstering gekleed, hoewel de pajoeng-standaard -opzichtelijk genoeg aan het uiteinde van de galerij geplaatst was. Hij naderde de -balustrade om een blik naar buiten te werpen. Beneden aan den voet van de monumentale -trappen, die aan weerszijden tot de voorgalerij toegang verleenden, drentelden een -paar „pradjoerits”<a class="noteRef" id="xd30e3649src" href="#xd30e3649">3</a>, in groot tenu gekleed, op en neer, met het geweer over den schouder, en regelden -hun heen en weêr wandelen zoodanig, dat zij elkander voor het midden der galerij ontmoetten, -daar rechtsomkeert maakten, waarbij zij zorgden dat hunne bajonetlemmen tegen elkander -tikten, welk geklikklak den resident blijkbaar als goddelijke muziek in de ooren klonk. -Hij liet althans een welgevalligen blik op de beide schildwachten vallen; terwijl -hij met een soort van welbehagen de borst vooruitbracht, die door die beweging voor -zijn persoon betuigen moest: -</p> -<p>„Zie, dat is een huldebetoon aan mijn rang en verdiensten gebracht!” -</p> -<p>Vlak bij het hoofdgebouw, maar terzijde daarvan, was een kleine koepel tijdelijk opgeslagen. -Ook daaraan wijdde <span class="pageNum" id="pb137">[<a href="#pb137">137</a>]</span>hij een blik. De muzikanten der schutterij van Santjoemeh, eveneens in groot tenu -gekleed, waren reeds daarin aangekomen, en hielden zich onledig hunne muziekbladen -op de lessenaars gereed te leggen en andere aanstalten te treffen. Een genadige hoofdknik -tot den kapelmeester gaf de hooge tevredenheid van den gewestelijken bestuurder te -kennen. Daarna keerde hij tot vrouw en dochter terug. -</p> -<p>„De rijtuigen loopen niet veel vaart,” zei hij. „Zij zijn evenwel in ’t zicht.” -</p> -<p>De schoone Laurentia, stond reeds, aan eene koningin in trotschheid gelijk, voor een -sofa, in het middengedeelte der binnengalerij, daartoe voor een kostbaar Japansch -schutsel geplaatst, met in de eene hand een sierlijken ruiker van de zeldzaamste bloemen, -terwijl aan den pols van de andere een kunstig in elpenbeen gesneden waaier bengelde, -waarmede zij allerbevalligst kon manoeuvreeren. Zij was uitermate deftig gekleed in -een japon van zwart satijn, die bewonderenswaardig de volmaaktheden harer welgevulde -vormen deed uitkomen. Het keurslijf, dat tot een minder dan bescheiden omvang was -teruggebracht, hetgeen in de beteekenis opgevat moet worden, dat het zonder mouwen, -en achter op den rug zeer diep en voor op de borst zeer laag uitgesneden was, liet -ongehinderd hare keurige ronde mollige armen, hare fraaie als uit albast gemodelleerde -schouders en haren boezem ontwaren, die Venus Kallipyga jaloersch zouden hebben kunnen -maken. Nog een streepje lager, dan zou dat keurs den veerkrachtigen inhoud niet hebben -kunnen bevatten, dien het nu binnen scherp aangewezen grenzen moest omsluiten. Hare -donkerbruine lokken waren in een wonderlijk kunstig kapsel op het fraaie hoofd, door -middel van een prachtigen diadeem van schitterende diamanten opgehouden; terwijl eene -menigte bevallige krulletjes over het matwitte voorhoofd dartelden, en aan de zoo -fonkelende donkere oogen van de schoone vrouw een ongemeen verleidelijk vuur bijzetten. -De hals was versierd met het bloedkoralen snoer met diamanten sluitstuk, hetwelk haar -’Mbok Karjå overhandigd had. Aan hare polsen prijkten dergelijke armbanden, in den -vorm van fijn geschubde slangen van oud goud, met diamanten in den mond en met diamanten -oogen, als zij zoozeer bij <span class="pageNum" id="pb138">[<a href="#pb138">138</a>]</span>de nonna van den majoor Chinees had bewonderd, en die Lim Ho den uitroep van „betoel, -njonja mahal!” afgeperst had. -</p> -<p>Naast haar stond hare dochter Anna, die zich in vrouwelijken smaak wel van hare moeder -onderscheidde. Zij was toch niet te bewegen geweest, zich gedecolleteerd te vertoonen, -welke machtspreuken Laurentia daartoe aangewend had. Haar keurslijf, evenals haar -japon van rooskleurige zijde, was zedig tot aan den hals gesloten, maar kon de verbeelding -niet beletten, zich voorstellingen te maken van de schatten daarin besloten, die volgens -de heerschende mode met de meeste nauwkeurigheid gemodelleerd werden. Van juweelen -had het lieve kind een afkeer. Eene eenvoudige donkerroode Malmaison-roos gloeide -in de donkere haargolven, die zoo bescheiden mogelijk gekapt waren, maar welker weelderigheid -niet te verbergen was geweest. Op den boezem prijkte een allerliefst ontluikend knopje -eener theeroos, dat met zijne fijn genuanceerde gele tint den blik verlokte en de -gedachten verstrooide, waar die, bij zoo eene maagdelijk bescheiden, maar toch heerlijk -afgeronde buste, een te wilde vlucht namen. -</p> -<p>„Het is bespottelijk, Anna, zoo eenvoudig en ordinair gij op eene partij verschijnt,” -sprak mevrouw Van Gulpendam gramstorig, terwijl zij het toilet harer dochter met sarcastisch -oog monsterde. „Uwe gouvernante van weleer deed zich beter voor. Zij zou thans voor -de dochter des huizes, gij voor de gouvernante doorgaan.” -</p> -<p>Die bewering was in den mond der lichtzinnig snappende moeder in zooverre waar, dat -de bedoelde gouvernante, een wufte Parisienne, geheel en al den smaak van mevrouw -Van Gulpendam gehuldigd, ja dien in zijne buitensporigheden overprikkeld had, en daardoor -een wit voetje bij de vrouw des huizes verkregen had; terwijl booze tongen fluisterend -daarbij voegden, dat zij ook in blakende gunst bij den resident gestaan had. Wat ook -van dat alles waar moge geweest zijn, zooveel is zeker, dat het mademoiselle Hélène -Fouillée evenmin gelukt was het gemoed van het jonge meisje, aan hare zorgen toevertrouwd, -te bezoedelen, als haren smaak te veronedelen. Op de scherpe bemerking harer moeder -zou Anna niet antwoorden, al ware haar ook de tijd daartoe gegund. <span class="pageNum" id="pb139">[<a href="#pb139">139</a>]</span>Daar weerklonken toch voetstappen op de trappen van de voorgalerij, en een paar <span class="corr" id="xd30e3670" title="Bron: sekonden">seconden</span> later, vertoonden zich een aantal jongelieden van verschillend ras, met blanke en -met bruine wangen, met blonde lokken en met zwarten haardos, zwaar geolied, en in -stijfheid met pijpestelen wedijverende, allen feestelijk gerokt, met gestukadoorde -halzen, en den gibus zwierig onder den arm. Dat waren de lichtmatrozen van het feest, -zooals de heer Van Gulpendam hen noemde, die levendigheid op den bak moesten bijzetten, -maar ook niet aarzelen mochten, met de vlaggelijn bij de gaffel in de hand klaar te -staan, waardoor hij in zijne eigenaardige beeldspraak aanduidde, dat zij van alle -markten thuis moesten zijn. Voor het grootste gedeelte waren het schrijvers op het -residentiebureau, die als verplichte danseurs moesten optreden, wanneer onverhoopt -dames tapisseeren mochten. Bescheiden en nederig naderden zij, om hun compliment bij -de residentsfamilie af te steken, waarbij zij een genadigen handdruk van den hoofdambtenaar -verwierven, en een vriendelijken hoofdknik van de lieve dochter; terwijl mama hen -met eigen hand een rozeknopje in het knoopsgat stak, en zoo tot feestcommissarissen -ridderde: -</p> -<p>„En nu, flink gedanst van avond, jongelui,” sprak de schoone Laurentia met aanmoedigende -stem en innemenden glimlach. -</p> -<p>„Stijve bries, geen labberkoeltje! Hoor jullie?” knorde de resident. -</p> -<p>Deemoedig waren alle hoofden bezig te buigen onder die winderige aanbeveling, toen -Laurentia plotseling uitriep: -</p> -<p>„Spoedig! Lakas! Daar komen gasten!” -</p> -<p>En inderdaad, daar reden de eerste rijtuigen het erf op. Als een zwarte zwerm stoven -de jongelieden naar buiten, en weldra traden een drietal hunner weer de binnengalerij -in, terwijl zij den arm geboden hadden aan de gade van den assistent-resident van -politie en hare twee dochters, lieve aanvallige tweelingen van omstreeks twintig jaren -oud. -</p> -<p>„Wel, dat is allerliefst van u, mevrouw Meidema!” betuigde de schoone Laurentia met -hare innemendste stem, terwijl zij de hand van de nieuw aangekomene greep, haar naar -zich toe trok, en een kus op het voorhoofd drukte. -<span class="pageNum" id="pb140">[<a href="#pb140">140</a>]</span></p> -<p>Ook de twee meisjes verwierven die hooge gunst. -</p> -<p>„Ja, het is allerliefst,” ging de residentsvrouw snappend voort. „Ik had niet durven -hopen, u heden avond te zien; mevrouw Zuidhoorn vertelde mij toch heden ochtend, dat -een uwer jongere kinderen ziek was.” -</p> -<p>„Ziek niet, lieve mevrouw, slechts ongesteld,” betuigde mevrouw Meidema. „Een lichte -verkoudheid anders niets.” -</p> -<p>De assistent-resident, die zijne dames onmiddellijk gevolgd was, boog voor de vrouw -en de dochter des huizes, en wisselde daarna een handdruk met zijn chef. -</p> -<p>Bij de begroetingen der jonge dames onderling, had een der zusters Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam in het oor gefluisterd: -</p> -<p>„Ik heb u straks wat te vertellen, Anna.” -</p> -<p>„Geheimen, Mathilde?” had de andere gevraagd. -</p> -<p>Een hoofdknik was het antwoord. Trouwens er was geen ander mogelijk. Want na de familie -Meidema verschenen anderen, die zich om de residents-familie verdrongen, ten einde -die hare hulde aan te bieden. Daar verschenen de voorzitters en de leden der rechterlijke -macht, de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, de officieren van het garnizoen, -de voornaamste handelslieden en industrieelen uit de residentie, en allen vergezeld -van de vrouwelijke leden van hun gezin, die de jaren bereikt hadden, om aan den dans -deel te kunnen nemen. Daar verschenen de regent van Santjoemeh Radhen Mas Toemenggoeng -Pringgoe Kesoemo, en zijn plaatsvervanger Radhen Pandjie Merto Winoto en de hoofd-„djaksa”<a class="noteRef" id="xd30e3695src" href="#xd30e3695">4</a> Mas Djogo Dirdjo en nog meer Javaansche hoofden, en allen met hunne radhen ajoe’s.<a class="noteRef" id="n140.2src" href="#n140.2">5</a> Daar verschenen de <span class="pageNum" id="pb141">[<a href="#pb141">141</a>]</span>majoor der Chineezen Tang Ing Gwan en de kapiteins Lim Liong Hie en Tjoa Kwat Kong, -en verscheiden luitenants dier natie. Ook kwamen Lim Yang Bing, de opiumpachter te -Santjoemeh en diens zoon Lim Ho opdagen. En die allen wemelden om het drietal der -residents-familie, hetwelk voor de reeds gemelde sofa stond. En daar werd gebogen -en geknikt en geglimlacht; en daar werden handdrukken gewisseld en betuigingen gesproken; -inderdaad in den Haag kon men het niet beter. Als alle die uitingen, die welwillendheid -moesten te kennen geven, inderdaad het uitvloeisel van in waarheid ondervonden gevoelens -waren, dan zou Santjoemeh een paradijs op aarde geweest zijn! Middelerwijl had de -schutterijmuziek de ouverture van <i lang="fr">La Dame blanche</i> ten gehoore gebracht, hetgeen evenwel slechts figuurlijk opgevat moet worden, daar -niemand er naar geluisterd had. -</p> -<p>Toen die ouverture geëindigd was, en men elkander genoeg gevleid, bewierookt en becomplimenteerd -had, gaf de resident een teeken, dat door een der gedienstige geesten in de voorgallerij -herhaald werd, waarop de statige tonen eener stijve polonaise weerklonken, en alle -aanwezenden zich paarsgewijze door de ruime binnen- en voorgallerij bewogen. Het was -een deftige optocht, die veel van een defileermarsch had, waarbij de critische oogen -der dames elkanders toiletten vinnig monsterden. De resident had zich aan het hoofd -van den stoet gesteld, gearmd met de ega van den militairen kommandant; onmiddellijk -op hen volgde de schoone Laurentia aan den arm van dien opperofficier; terwijl de -chef van den geneeskundigen dienst met de lieve Anna rondwandelde. Dit was onze Van -Nerekool een doorn in het oog geweest. Maar toen na de polonaise de zoo opwekkende -<i lang="fr">invitation à la valse</i> weerklonk, en de oude geneeskundige zijne schoone begeleidster naar hare plaats wilde -terugbrengen, toen hernam de jeugd hare rechten, en weldra zweefden Anna en Karel -door de <span class="corr" id="xd30e3724" title="Bron: binnengallerij">binnengalerij</span>. Het was een lust om het jonge paar te zien, het genot straalde beiden de oogen uit. -</p> -<p>„Ik geloof, dat er nieuws is,” sprak Anna met zachte stem gedurende de wals, „nieuws -omtrent Ardjan.” -</p> -<p>„Omtrent Ardjan?” vroeg Van Nerekool ietwat bedremmeld. -<span class="pageNum" id="pb142">[<a href="#pb142">142</a>]</span></p> -<p>Waarachtig, niet de zaak maar de naam van Anna’s protégé was den jeugdigen rechtsgeleerde -ontschoten. Dat was genoegzaam op zijn vragend gelaat te lezen. -</p> -<p>„Ja, Ardjan, de verloofde van baboe Dalima,” hernam Anna. „Zijt gij dat nu al vergeten? -O, die mannen!” -</p> -<p>„Ik erken schuld,” prevelde hij. „Maar welk nieuws is er, juffrouw Van Gulpendam?” -</p> -<p>„Dat weet ik nog niet, mijnheer Van Nerekool.…” -</p> -<p>„Wat klinkt dat stijf: dat mijnheer Van Nerekool.…” -</p> -<p>„Wat klinkt dat stijf: dat juffrouw Van Gulpendam.…” snapte het jonge meisje. -</p> -<p>„Wilt gij mij het recht verleenen om juffrouw Anna te mogen zeggen, of nog korter: -Anna, lieve dierbare Anna?” -</p> -<p>Het lieve meisje bloosde allerbekoorlijkst van genoegen. Zij sprak geen woord, maar -hare hand, die op zijnen schouder rustte, moest haar tolk zijn. Een lichte druk, die -onmerkbaar mocht heeten, werd toch door den overgelukkige opgevangen. Hij hield haar -leest met de rechterhand omvat; terwijl de hare in zijne linkerhand rustte, en zijn -blik op het aanminnige gelaat gevestigd was. -</p> -<p>Zoo zweefden zij een oogenblik stilzwijgend voort. -</p> -<p>„Ik wacht op antwoord, Anna, lieve dierbare Anna. Mag ik u zoo noemen?” -</p> -<p>Geen toon liet zich hooren; maar iets liefs, iets goddelijk onbestemds ontwelde aan -hare lippen. Het was als een zachte ademtocht, als een bedwongen zuchtje, dat haar -ontsnapte, maar den dienst van sluier moest verrichten, door hare schuchterheid aan -het onuitgesproken antwoord verleend. Ja, maar,… het kon ook eene beklemde ademhaling -geweest zijn, door de inspanning van het dansen veroorzaakt. Met de onhandigheid, -verliefden zoo eigen, vatte Karel dat zuchtje in laatstbedoelde beteekenis op. -</p> -<p>„Zijt gij vermoeid?” vroeg hij bezorgd. „Wil ik u op uwe plaats brengen?” -</p> -<p>„O, neen,” sprak zij schier onhoorbaar zacht. „Ik ben volstrekt niet vermoeid. Laten -wij voortdansen.” -</p> -<p>Ja, hoe onervaren Van Nerekool ook wezen mocht, dit was duidelijk. -</p> -<p>„Volgaarne, lieve Anna,” antwoordde hij, terwijl hij haar in den maalstroom van dansers -en danseressen meetroonde. -<span class="pageNum" id="pb143">[<a href="#pb143">143</a>]</span></p> -<p>„Ik heb dus het recht u mijne lieve, dierbare Anna te noemen? Ja?…” -</p> -<p>Een sprekende blik van het schoone meisje was daar het antwoord op. -</p> -<p>„O, laat mij u vertellen, hoe lief ik u heb, hoezeer ik u bemin!” -</p> -<p>Krampachtig bewoog zich de fraai geganteerde hand op zijnen schouder. -</p> -<p>„Ja, lieve Anna, ik bemin u,” ging hij <span class="corr" id="xd30e3756" title="Bron: harstochtelijk">hartstochtelijk</span> voort, „ik bemin u zooals wellicht nimmer een man bemind heeft. Ik bemin u, met geheel -mijn hart, met geheel mijne ziel, en het gelukkigste oogenblik zal wezen, wanneer -ik u de mijne zal mogen noemen. Zeg, Anna, lieve dierbare Anna, zeg, zou ik op wederliefde -kunnen rekenen?” -</p> -<p>Bedeesd sloeg de lieve maagd de oogen neder voor zijnen vurigen blik; maar het gold -hier een keerpunt in haar leven, en zij had een te eerlijk en openhartig gemoed om, -wanneer het hare beginselen gold, hare gevoelens te kunnen bemantelen. Zacht, maar -toch volkomen hoorbaar voor hem, beantwoordde zij die vraag met: „ja!” -</p> -<p>Een poos was hij stil, als in gedachten verzonken. Zacht zweefden zij voort op de -maat van de heerlijke muziek te midden van die menigte, waarin zij, als in elkander -opgegaan, zich eenzaam bevonden als een eiland te midden van de woelige golven van -den grooten oceaan. Maar zijn arm had haar middel vaster omvat; een oogenblik was -er geweest, alsof hij haar aan zijne borst had willen klemmen, alsof hij bezit van -zijn schat had willen nemen. -</p> -<p>„Gij maakt mij overgelukkig, Anna, met dat kleine woord, wat voor mij van oneindige -beteekenis is!” ging hij eindelijk voort. „Maar veroorlooft gij mij nu, dat ik morgen -formeel aanzoek doe om uwe hand bij uwe ouders?” -</p> -<p>Op die woorden betrok het gelaat van het lieve kind. Toch antwoordde zij: -</p> -<p>„Zeker vergun ik u dat, mijnheer Van Ne.…..” -</p> -<p>„Karel heet ik, lieve Anna.” -</p> -<p>„Zeker vergun ik u dat, Karel; maar ik mag u niet ontveinzen, dat papa niet van u -houdt. Dat heb ik uit menig gesprek kunnen bemerken.” -</p> -<p>„Ja, dat heb ik ook wel bespeurd. Maar, wat heeft hij toch tegen mij?” -<span class="pageNum" id="pb144">[<a href="#pb144">144</a>]</span></p> -<p>„Ik geloof, dat hij het zelf niet weet. Een onverklaarbare antipathie. Hij noemt u -een dweper, een onpractisch mensch, een droomer, die het niet ver in de wereld zal -brengen.” -</p> -<p>„Beschouwt mijne Anna mij ook als een dweper?” -</p> -<p>De lieve meid beantwoordde die vraag met een gullen lach. -</p> -<p>„Ja, een dweper ben ik,” ging de jonge man voort. „Een dweper met het goede, met het -schoone! Een dweper met mijne Anna, ja zeker, dat ben ik! Maar, zou het waar zijn, -dat ik een onpractisch mensch, een droomer ben, die het niet ver in de wereld brengen -zal? Mij dunkt, dat ik in dit oogenblik, waarin ik het liefste meisje ter wereld tracht -te bemachtigen, ik niet alleen van practischen zin blijken geef, die mij naar het -hoogste geluk, wat voor mij te bereiken zal zijn, doet haken; maar ook, dat ik bewijzen -lever, ik, wel verre van te droomen, behoorlijk en levendig wakker ben. Vindt gij -niet, lieve?” -</p> -<p>Een zachte druk op den schouder, die gedurende die wals al zoo veel te verdragen had -gehad, was het <span class="corr" id="xd30e3776" title="Bron: ant-antwoord">antwoord</span> op dat beroep. -</p> -<p>„En zou die antipathie sterk genoeg zijn, dierbare Anna, om uwen vader zoo afkeerig -te maken, dat hij een huwelijk zou willen beletten, in weerwil dat hij zou zien, dat -uw geluk daarmede gegrondvest werd?” -</p> -<p>„Dat heb ik niet beweerd, Karel. Maar, dat wij moeielijkheden, hinderpalen zullen -ontmoeten, daarvan ben ik overtuigd.” -</p> -<p>„Welnu, dan zal er gestreden worden! Anna, Anna, ik reken op uwe liefde, op uwe standvastigheid. -Reken ook op de mijne. Niets, hoort ge, niets ter wereld zal aan mijne liefde voor -u afbreuk kunnen doen! Zelfs de hinderpalen zullen het genot onzer verbintenis nog -verhoogen.…” -</p> -<p>De muziek eindigde de wals. De paren hielden met zweven op. Karel liet Anna’s middel -los, en bood haar den arm aan. -</p> -<p>„Laten wij nog een oogenblik voortwandelen,” sprak hij. „Ik zal dus morgen een bezoek -aan uwe ouders brengen, en daartoe in de ochtenduren belet laten vragen. Dit is afgesproken, -nietwaar?” -<span class="pageNum" id="pb145">[<a href="#pb145">145</a>]</span></p> -<p>Zij knikte met een bevalligen glimlach. -</p> -<p>Na een paar malen de binnengalerij rondgewandeld te hebben, bevonden zij zich op een -gegeven oogenblik voor een der deuren, die toegang tot de almede rijk verlichte pandoppo -verleenden. Verscheidene paren, groepen van jonge meisjes traden die pandoppo door, -om zich naar den prachtigen tuin te begeven, die zich achter het residentiehuis uitstrekte, -om daar in de zoo liefelijke avonduren frischheid en koelte te genieten. Anna en Karel -volgden die beweging, en weldra bevonden zij zich te midden van de sierlijkste planten -en struiken, die de keerkringszone maar aanbieden kon, en waartusschen de paden, in -den bevalligen stijl van een Engelsch park aangelegd, grillig maar smaakvol als een -kunstenaarsgedachte slingerden. -</p> -<p>„Ik meen daar Mathilda Meidema met een paar andere mijner vriendinnen opgemerkt te -hebben, daar in die Salak-laan. Zij heeft mij wat mede te deelen.…. Ik ben weer dadelijk -bij u.” -</p> -<p>Of het schuchterheid was, angst voor het eerste oogenblik alleen zijn met den geliefde -des harten, wien zij zoo even een trouwhartig „ja” als welkomsgroet voor zijne liefdes-ontboezeming -toegefluisterd had? Of wel, was het vrouwelijke nieuwsgierigheid, die haar dreef om -de geheime mededeeling van hare vriendin te vernemen, wellicht ook om die deelgenoot -te maken van haar geheim, dat haar het hart deed kloppen, ongeduldig als het ware -om het voor het volle licht te laten treden? Wie weet? Zij wilde heenijlen, maar Van -Nerekool weerhield haar met zacht geweld, terwijl hij hare hand, die op zijn arm rustte, -tegen zijn hart drukte. -</p> -<p>„Straks zal nog wel tijd zijn, mijne Anna, mijne engelachtige Anna,” sprak hij fluisterend, -alsof hij vreesde, dat iemand in den tuin zijne woorden mocht verstaan, „om te vernemen -wat Mathilde te vertellen heeft. Dit uur behoort mij.” -<span class="pageNum" id="pb146">[<a href="#pb146">146</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3607"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3607src">1</a></span> Bij de beschrijving van de werkkring van het Binn. Bestuur vindt men op bladz. 153 -van de Regeerings-Almanak voor 1881 aangeteekend, omtrent deze Inl. ambtenaren: „Elken -regent is een <i>patih</i> toegevoegd, in alles zijn plaatsbekleeder, door wien de regent zijne bevelen laat -overbrengen aan mindere hoofden en die voor de tenuitvoerlegging dier bevelen te zorgen -heeft.” <a class="fnarrow" href="#xd30e3607src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3635"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3635src">2</a></span> <i>Kanarie-boomen</i>, eene fraaie boomsoort met prachtige kruin, door de geleerden Canarium commune geheeten. <a class="fnarrow" href="#xd30e3635src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3649"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3649src">3</a></span> <i>Pradjoerits</i> zijn zoogenaamde regentstroepen, infanteristen, die eigenlijk tot niets anders dienen, -dan tot geur der civiele ambtenaren. Geen deskundige heeft hen ooit eenige militaire -waarde toegekend. <a class="fnarrow" href="#xd30e3649src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3695"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3695src">4</a></span> <i>Hoofd-djaksa</i> is de officier van justitie en de openbare aanklager bij de Inlandsche rechtbanken -in Ned. Indië. Zie deswege bladz. 67 van den <span class="corr" id="xd30e3698" title="Bron: Regeerings Almanak">Regeerings-Almanak</span> voor <span class="corr" id="xd30e3701" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> van 1881; ook de bladzn. 305 en volgenden tot 311 van de <i lang="fr">Essai sur les principes régissant l’administration de la justice aux Indes Orientales -<span class="corr" id="xd30e3706" title="Bron: Neêrlandaises">hollandaises</span></i>, door Mr. Winckel. De Inlandsche officieren van justitie bij de landraden in de hoofdplaatsen -der residentiën voeren den titel van hoofd-djaksa. Hem zijn een of meer helpers toegevoegd, -die officieel adjunct hoofd-djaksa heeten, maar in den regel evenals de officieren -van justitie bij de landraden in de onderafdeelingen slechts djaksa genoemd worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e3695src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n140.2"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n140.2src">5</a></span> <i>Radhen ajoe.</i> Zoo worden de eerste vrouwen van de Javaansche grooten genoemd, die als Mahomedanen -de veelwijverij toegedaan zijn. <a class="fnarrow" href="#n140.2src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch11" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e716">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XI.</h2> -<h2 class="main">In den residents-tuin.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De maan was inmiddels hoog aan den hemel gestegen, en vormde door de kruinen van het -hoog geboomte een wonderlijk mengsel van grillig uitgeknipte schaduwbeelden, die, -onder den invloed van de zachte bries, die het gebladerte bewoog, elkander op de helgele -paden of op de liefelijke groene graszoden schenen te vervolgen. Hier en daar gleden -de stralen der nachtvorstin door het zoo fijne spichtige loof van een groep Tjemårå’s,<a class="noteRef" id="xd30e3800src" href="#xd30e3800">1</a> sierlijke gewassen, welke zooveel overeenkomst met de westersche lorkenboomen hebben, -maar fijnere naalden dragen. Die stralen verdeelden zich daarbij, alsof zij door een -uiterst fijn kantwerk speelden, wierpen daarbij geen schaduwen, maar werden als het -ware gezeefd, hetgeen een wonderlijk licht teweegbracht, en bij dichterlijke zielen -van bekoorlijke uitwerking moest zijn. Men zou gezegd hebben, dat op die plekken, -waar dat gezeefde licht ontwaard werd, een ijle nevel de maan bedekte, onvermogend -om straalbreking of schaduwvorming te veroorzaken, maar die toch eene andere schakeering -van licht teweegbracht bij de witheldere omgeving. -</p> -<p>In die lanen, langs die grasperken, onder die boomkruinen werden allerwege paartjes -ontmoet, groepen van jonge meisjes, van jonge mannen, van bedaagde matronen, van bejaarde -heeren, die allen de frissche avondlucht <span class="pageNum" id="pb147">[<a href="#pb147">147</a>]</span>opzochten, en wezenlijk verademing vonden bij het heerschen van het windje, dat zacht -ruischend door de naalden der Tjemårå’s voer. -</p> -<p>Na den wals bracht de muziek eene fantasie op de <i>Traviata</i> ten gehoor. Toen picolo en cornet à piston het zoo heerlijke duo uit het eerste bedrijf -voordroegen, waarin de geliefden Violetta en Rudolph, tot de erkenning van de gevoelens, -die hen doortintelen, komen, toen de vertolking der woorden: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line xd30e3813">„Un jour, l’âme ravie, -</p> -<p class="line xd30e3813">Je vous vis si jolie, -</p> -<p class="line xd30e3813">Que je vous crus sortie -</p> -<p class="line xd30e3819">Du céleste séjour. -</p> -<p class="line xd30e3821">Était-ce donc un ange, une femme, -</p> -<p class="line xd30e3821">Qui venait d’embraser mon âme?</p> -<p class="line">Las! je ne sais encor.… mais depuis ce beau jour,</p> -<p class="line">Je sais que j’aime d’un pur amour!”</p> -</div> -<p class="first">zoo zuiver, zoo keurig weerklonk, toen sloeg Karel den arm om de leest van zijne Anna, -terwijl zij een boschje van <span lang="ms">Pandan rampeh gedeh</span><a class="noteRef" id="xd30e3831src" href="#xd30e3831">2</a>, dat met zijne overvloedige en breede bladeren een donkeren schaduwkring daarstelde, -omsloegen, waar zij de hoop konden koesteren voor een oogenblik ongezien te vertoeven. -</p> -<p>„Mijne Anna, laat mij hier in deze eenzaamheid de woorden herhalen, die ik straks -sprak, terwijl de geheele wereld ons omringde, terwijl aller oog op ons gevestigd -was.” -</p> -<p>Het lieve kind trilde van aandoening in zijn arm. -</p> -<p>„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster, -anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!” -</p> -<p>Hij sloot haar vast tegen zich aan, en klemde het lieve meisje aan zijne mannelijke -borst. -</p> -<p>„Ik kan slechts het geluk aan uwe zijde droomen. Steeds bij u te zijn, steeds dezelfde -lucht, die gij inademt deelachtig te zijn, moet de hoogste zaligheid wezen! O, mijne -Anna, laat ik u mijne liefde, mijne onverdeelde liefde betuigen.” -<span class="pageNum" id="pb148">[<a href="#pb148">148</a>]</span></p> -<p>Hij klemde het meisje nog vaster als het kon tegen zich aan, waarbij zij bekoorlijk -het hoofdje op zijn schouder liet rusten. -</p> -<p>„Zeg, Anna,” vroeg hij hartstochtelijk, „zeg mij, of gij mij ook zoo lief hebt? Zeg, -bemint gij mij, dierbare?.… O, ik weet het, gij hebt mij daarop straks reeds antwoord -gegeven; maar herhaal dat „ja” hier in de eenzaamheid, herhaal dat „ja” hier, waar -wij ons alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van -God, o, herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt!” -</p> -<p>Hij boog zijn oor naar hare lippen, en luisterde aandachtig; en daar ontsnapte, terwijl -zij de oogleden sloot, zacht en harmonisch, alsof het tot het wonderlijk akkoord van -de bries in de Tjemårå-naalden behoorde, het goddelijk woordje aan haren lieven mond. -</p> -<p>Hij stiet bijna een kreet uit, boog het hoofd verder voorover. -</p> -<p>„Dierbare,” smeekte hij zacht prevelend, „dierbare, laten wij die liefdesbetuiging, -die mij zoo gelukkig maakt, bezegelen.” -</p> -<p>En voor dat Anna nog maar toestemmend had kunnen antwoorden, drukten twee paar lippen -op elkander, en sloten in eene innige omhelzing een knoop, waarbij twee harten en -zielen voor dit kortstondige leven aan elkander verbonden zouden worden. -</p> -<p>Zoo stonden zij een korte poos, met de lippen op elkander gedrukt, en in elkanders -blik, als in eene onmetelijke zaligheid verzonken; terwijl hoog boven hen de breede -Pandanbladeren zacht wuifden, en hen hunne geheimzinnige schaduw verleenden; terwijl -de bries door de naburige Tjemårå’s voer, en hun een wonderlijk gesuis ontlokte; en -terwijl daar ginds de cornet à piston herhaalde: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">„… Mais depuis ce beau jour, -</p> -<p class="line">Je sais que j’aime d’un pur amour!”</p> -</div> -<p class="first">Het oogenblik, hetwelk dat paar daar doorleefde, was een onvergetelijke bladzijde -uit hun levensboek! De schoonste wellicht!… Helaas! het ontwaken was nabij. -</p> -<p>„Anna, Mathilde Meidema zoekt overal naar u. Waar zit ge toch, mijn kind?” -<span class="pageNum" id="pb149">[<a href="#pb149">149</a>]</span></p> -<p>Het was de stem van de schoone Laurentia, die de beide verliefden verschrikt deed -opspringen. Met een oogopslag had de ervaringrijke vrouw het geheele tooneel overzien. -Met innemende stem ging zij voort: -</p> -<p>„Mathilde verliet mij daar ginds bij dat rozenperk. Als gij hier deze laan volgt, -zult gij haar voorzeker ontmoeten.” -</p> -<p>En toen hare dochter aarzelde: -</p> -<p>„O vrees niets,” ging zij voort. „Mijnheer Van Nerekool zal mij zijn arm aanbieden, -zoodat die niet treurend en verlaten achter zal blijven. Ga gerust.” -</p> -<p>Die sarcastische woorden, evenwel op een toon van lieftallige vriendelijkheid uitgesproken, -ontzetten het meisje diep, en deden haar met een angstig voorgevoel heenijlen. -</p> -<p>„En, nu met ons beiden, mijnheer Van Nerekool,” wendde zich mevrouw Van Gulpendam -tot den rechterlijken ambtenaar. „Wees zoo vriendelijk mij uwen arm aan te bieden.” -</p> -<p>Zwijgend voldeed hij aan dat verzoek met een hoffelijke buiging. Het hart zat hem -evenwel in de keel, alsof hij een misdaad begaan had<span class="corr" id="xd30e3867" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>„Kom,” sprak zij, „wij zullen deze Tjemårå-laan inslaan, zij is meer verlicht en minder -geheimzinnig donker dan die akelige Pandanlaan. Het is waar, dat gij mij zulke liefelijkheden -niet zult te vertellen hebben, als gij Anna influisterdet, toen ik u beide ontmoette. -Foei, mijnheer Van Nerekool, dat was niet fraai gehandeld van u …” -</p> -<p>Karel sloeg een blik op de vrouw, die op zijn arm leunde, en met zoo kalme, welluidende -stem hare moederlijke afkeuring te kennen gaf. Zij waren van achter de Pandanstruiken -te voorschijn getreden, zoodat het volle maanlicht haren blanken boezem, die slechts -door een tullen kantwerk voor de avondlucht bedekt heette, in zijne onberispelijke -volheid en heerlijkheid betooverend uitkwam. Als verblind sloot de jonge man gedurende -een ondeelbaar oogenblik de oogen; toen hij ze weer opende, ontwaardde hij den diepen, -donkeren blik van de schoone Laurentia op zich gevestigd. Zij meende den indruk te -raden, welke het gezicht van die naakte schouders, armen en boezem op dat jeugdige -en voor indrukken vatbare gestel maakten. Haar blik was vragend, was aanmoedigend. -<span class="pageNum" id="pb150">[<a href="#pb150">150</a>]</span></p> -<p>„Mevrouw,” sprak Karel met eene diepe ademhaling, alsof hij eene onwelkome gedachte -verbande, „gij hebt u waarschijnlijk verbaasd, dat ik met mejuffrouw Anna eenigszins -afgezonderd in den tuin wandelde …” -</p> -<p>„Met haar wandelde en haar kuste,” vulde Laurentia aan. -</p> -<p>„Welnu ja, en haar kuste,” ging Van Nerekool voort. „Maar, als gij mocht meenen, dat -wij met voorbedachten rade die plek opgezocht hadden, dan …” -</p> -<p>Hij aarzelde een oogenblik om voort te gaan. -</p> -<p>„Dan?” vroeg zij met ondeugenden glimlach. -</p> -<p>„Dan zoudt gij juffrouw Anna en mij verongelijken.” -</p> -<p>„Ik vond toch de plaats om te kussen uitstekend gekozen,” hernam zij met iets sarcastisch -in hare stem. -</p> -<p>„En toch was het slechts toeval, hetwelk ons daar bracht. Geloof mij, vóór dat oogenblik, -of juister uitgedrukt, vóór dezen avond hebben wij nooit een woord van liefde gewisseld …” -</p> -<p>„Ongeloofelijk, mijnheer Van Nerekool,” viel de schrandere vrouw hem met een spottenden -glimlach op de lippen in de rede. „Is het in gemoede aanneembaar, dat twee jongelieden -van beiderlei kunne elkander in een verloren hoekje kussen, zonder dat vooraf woorden -van toegenegenheid, of van liefde gesproken zijn, zonder dat hartstocht in het spel -is?”… -</p> -<p>„En toch is het zoo, mevrouw. Geloof mij toch; ik spreek nimmer onwaarheid,” viel -Karel op zijne beurt met eenige drift in. -</p> -<p>„Ja, ik weet het wel. Ik ben ook jong geweest … O,” ging de behaagzuchtige vrouw met -zacht dwepende stem voort bij die herinnering aan die jeugd, waarvan zij noode afstand -deed. „O, toen ik negentien jaren was, was ik Anna geheel gelijk, was ik evenals zij -eene schoonheid in den knop, had ik even frissche, jeugdige gevoelens, had ik een -even speelschen geest …” -</p> -<p>Van Nerekool ijsde bij die vergelijking van de moeder met de dochter. -</p> -<p>„Was ik even goedaardig, even begeerenswaardig als zij. O, geloof mij,” ging zij met -eene soort opgewondenheid voort, terwijl zij hare hand met meer kracht dan noodig -was op zijn arm liet rusten, en dien arm zacht drukte, „er is niet veel verbeeldingskracht -noodig om te bespeuren, dat Anna mij geheel gelijken zal …<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -<span class="pageNum" id="pb151">[<a href="#pb151">151</a>]</span></p> -<p>Zij hield een oogenblik op, als bespeurde zij, dat haar onderwerp haar vervoerde. -</p> -<p>„Zeker, mevrouw,” sprak Van Nerekool galant; terwijl hij den blik van het gelaat der -schoone vrouw langs hare schouders, boezem en gestalte liet glijden, „het is te voorzien, -dat juffrouw Anna in volmaaktheden en bekoorlijkheden hare moeder nabij zal komen …” -</p> -<p>„O, geen complimenten, als ik u bidden mag, mijnheer Van Nerekool,” meesmuilde zij -met gekunstelde lieftalligheid. -</p> -<p>„Maar, mag ik u verzoeken mij te verklaren, wat die vergelijking te beduiden heeft? -Ik vat niet …” -</p> -<p>Laurentia schudde de weelderige lokken die haren hals bedekten en over de schouders -daalden. Neen, de lummel, die haar den arm gaf, begreep haar niet. Dat was duidelijk. -Eene vluchtige gedachte aan ’Mbok Karjå doorkliefde haar brein, en ontwrong haar een -zucht. -</p> -<p>„Och,” ging zij voort, terwijl haar boezem door eene versnelde ademhaling min of meer -onstuimig op en neer ging, „ik wilde maar constateeren, dat ik ook jong geweest ben.…” -</p> -<p>„En nog zijt,” betuigde Van Nerekool galant. -</p> -<p>„Dat ook wel gepoogd is, mij een kus te ontrooven,” vervolgde Laurentia met een glimlach -van genoegen op het gelaat bij die herinnering; „maar dat gebeurde in het volle licht, -in het bijzijn mijner ouders, en niet in de donkere schaduw van een Pandan-boschje.” -</p> -<p>„Laat mij u vertellen, mevrouw, hoe dat gebeurd is,” sprak Van Nerekool heel ernstig. -„Sedert ruim een jaar bezoek ik uw huis. Eerst slechts enkele malen, daarna drukker -en drukker. De reden daarvan kan u als schrandere vrouw niet ontgaan zijn. Ik had -uwe dochter leeren kennen en, hoe meer ik haar edel en lieftallig karakter doorgrondde, -hoe dieper drong de schicht mijn hart binnen, die mij reeds bij het eerste bezoek -getroffen had. Wat zal ik u verder vertellen, mevrouw. Ik voelde weldra, dat mijn -geheele geluk aan hare zijde te vinden was. Maar.… boezemde ik ook al juffrouw Anna -geen antipathie in, meende ik ook op uwe welwillendheid eenigermate te kunnen rekenen, -zoo bemerkte ik toch alras, dat ik de genegenheid van den heer Van Gulpendam niet -verworven had, ja dat ik hem letterlijk <span class="pageNum" id="pb152">[<a href="#pb152">152</a>]</span>tegenstond. Dat gevoel was hij, in weerwil der door hem steeds betrachte beleefdheidsvormen, -niet altijd in staat te beheerschen, en brak zich wel eens baan, hoewel ik mij niet -over opzettelijke krenkingen te beklagen heb. Dat schrikte mij eenigermate af. Van -eene andere zijde weerhield mij de gedachte, dat mijn inkomen nog niet groot genoeg -is, om een huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Dat ik juffrouw Anna geheel -onkundig liet van mijn genegenheid, zult gij wel bemerkt hebben. Of haar mijne liefde -ontgaan is, dat zou ik niet durven beweren, hoewel mij daaromtrent geen woord ontviel.…” -</p> -<p>„Maar, mijnheer Van Nerekool.…” -</p> -<p>„Laat mij uitspreken, mevrouw.… Mij daaromtrent geen woord ontviel, tot heden avond, -toen mij in den zwijmel van de wals mijn geheim, dat ik zoo lang, zoo trouw en zoo -zorgvuldig bewaard had, ontsnapte. Ik was dronken van vreugde, toen mij bij de bekentenis -mijner liefde geene afwijzing ten deel viel. En zult gij het nu als liefhebbende moeder -van uw kind kunnen wraken, dat ik, toen wij een oogenblik later te zamen hier in den -tuin wandelden, mijne liefde andermaal beleed en, door het betooverende van de stille -natuur in deze heerlijke omgeving, door het verleidelijke van de hartstochtelijke -muziek, die weerklonk en een echo in mijn hart vond, vervoerd, den engel mijner wenschen, -den reinen engel mijner droomen in mijne armen sloot, aan het hart drukte en ons liefdeverbond, -dat wij gesloten hadden met een eersten kus bezegelden, met een kus zoo rein, als -de engelen in den hemel slechts wisselen kunnen? O, mevrouw, ons geluk was toen grenzenloos, -het goddelijke nabij!” -</p> -<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool had met vuur, met geestdrift gesproken. Neen, dat was de taal niet der conventioneele -gemoedsuitingen, zoo gebruikelijk in eene zekere wereld, waar zij door de romantiek -onzer dagen gekweekt, als de schering en inslag der gesprekken vormen, en aan het -samenzijn een relief verleenen, als ware het een afdruk van een bladzijde uit Georges -Sand, uit Georges Ohnet of uit Hector Malot. Zijne woorden kwamen uit het onverdorven -hart voort, en misten hunne uitwerking niet op de schoone begeleidster, die hij nog -steeds aan den arm had. De gevoelige Laurentia sloot onder den <span class="pageNum" id="pb153">[<a href="#pb153">153</a>]</span>invloed, dien zij ondervond, de oogen voor een oogenblik, als verblind door zooveel -heerlijkheid. „Had Van Gulpendam ooit zoo zijne liefde beleden, ooit zoo over haar -gesproken? Helaas, neen; die werd slechts beheerscht door geldzucht en door.… En.… -Maar, zij?.… zij?.…” ging zij in haren gedachtengang voort. „Was zij van die euvels -vrij, die haar nu als gruwelen, welken haren echtgenoot aankleefden, toeschenen?” -Een oogenblik moest zij bekennen, dat zij even schuldig was. Een oogenblik nam het -betere gevoel de overhand. Maar ook voor een oogenblik slechts; want daarna bekroop -haar een gevoel van lakenswaardige ijverzucht jegens hare dochter. Een zweem van afgunst -doortintelde haar, dat hare Anna eene reine, fiere, mannelijke liefde deelachtig zou -kunnen worden, die haar onbekend was gebleven. Daarenboven aan zoo veel reinheid als -uit de ontboezemingen van Van Nerekool straalde, kon zij moeielijk gelooven. Hare -geaardheid bracht mede, de meening slechts toegedaan te zijn, dat iedere liefde, iedere -genegenheid van twee personen van verschillende kunne slechts als de uiting van stoffelijken -hartstocht, de gevolgen van vleeschelijke lusten te beschouwen is. Reinheid en liefde -waren slechts klanken voor haar, die, als zij er eenig begrip van had, slechts als -eene prikkeling te meer der zinnelijkheid beschouwd, en door haar als zoodanig uitgelegd -werden. Onder den aandrang dier onzalige opvattingen ontvielen haar dan ook de sarcastische -woorden: -</p> -<p>„Ja dat kan ik begrijpen. Een grenzenloos geluk achter dat Pandan-boschje! Wil ik -u zeggen, wat ik van dien reinen kus denk, mijnheer Van Nerekool? Dat hij slechts -is de uiting van den aandrang naar zingenot. Gij, als heer zult toch wel de triviale -beteekenis kennen, welke uwe geslachtsgenooten aan een kus hechten?” -</p> -<p>„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Van Nerekool met iets weemoedigs in zijne stem, -„maar ik ben nog jong en onbedreven.…” -</p> -<p>„Dat merk ik!” gaf Laurentia spottend ten antwoord. -</p> -<p>„O, mevrouw, wat ik u bidden mag, laten wij den tijd niet doorbrengen met woordspelingen. -Ja, ik ben nog jong en onbedreven, ik herhaal het. Ik heb geen verstand van die verschillende -genegenheden, die in de <span class="pageNum" id="pb154">[<a href="#pb154">154</a>]</span>wereld in omloop schijnen te zijn, en die opgeborgen kunnen worden als de stalen van -een lakenkoopman, ieder in zijn eigen vakje: eene genegenheid voor het hart, eene -voor het hoofd, eene voor de zinnen. Neen, ik bemin uwe dochter, oprecht, en welgemeend; -maar vooral is die liefde rein, en vrij van iedere jacht op zingenot, geloof mij! -Ik had gehoopt, dat zoo eene toespeling niet geschieden zou van wege de moeder van -haar, die ik boven alles vereer. Ik bemin juffrouw Anna met mijn geheele wezen, en -gevoel de heerlijke kracht van zulke liefde, die van min edele bedoelingen geheel -vrij is.” -</p> -<p>Mevrouw Van Gulpendam was zoozeer uit het veld geslagen door die vooropgestelde beginselen -van den jonkman, dat zij begreep, dat met zoo iemand geen lichtzinnig spel te spelen -was. -</p> -<p>„Maar, wat wilt gij nu van mij?” vroeg zij ietwat ongeduldig, daarbij vergetende, -dat zij den jongen man verzocht had haar den arm te bieden, en dat zij het gesprek -op het terrein gebracht had, dat haar thans onaangenaam scheen. „Ik betrapte u, terwijl -gij Anna op eene eenzame plaats in uwe armen gesloten hieldt, en haar een kus op de -lippen druktet. Wat moet ik nu van die hoog geprezen reinheid van liefde denken? Is -hier de daad niet in strijd met de gepredikte beginselen? Komt zoo’n gedrag te pas, -wanneer de ouders van het meisje van die genegenheid niets afweten?” -</p> -<p>„Mevrouw Van Gulpendam, ik heb u verklaard, hoe de omstandigheden mijns ondanks ons -verrast hebben. Gelooft gij mijne woorden niet, dan kan ik slechts betreuren, dat -gij, de moeder mijner Anna, zoo’n geringen dunk van mijn karakter hebt. Maar, dàt -mag mij nu niet meer weerhouden. Ik sprak reeds met juffrouw Anna af, dat ik morgen -belet bij u en den resident zoude laten verzoeken, om u beiden de hand uwer dochter -te vragen. Ik snel nu den dag van morgen vooruit, en uit thans het verzoek, hetwelk -ik dan eerst wilde doen en voeg daarbij de bede uwe welwillende tusschenkomst bij -den heer Van Gulpendam te willen verleenen.” -</p> -<p>Bij dat aanzoek was Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool blijven stilstaan, had den arm van mevrouw Van Gulpendam losgelaten, zich -verder naar haar gewend, en haar als de moeder zijner Anna met een smeekenden blik -aangekeken. <span class="pageNum" id="pb155">[<a href="#pb155">155</a>]</span>Gegeven zijn karakter, was het niet aanneembaar, dat hij met berekening te werk ging; -maar toen hij stilstond, bevond hij zich juist te midden van eene ijle schaduwplek, -door een groepje Tjemårå’s geworpen, en verleende deze, terwijl zij den omtrek van -den bodem als met eene uiterst fijne arceering bedekte, den jongen man eene geheimzinnige -aureool, die zijn fraai besneden maar ernstig gelaat, zijne blonde krullen, welke -zijn ongedekt hoofd versierden, alsook zijne bevallige gestalte ten gunstigste deed -uitkomen. De schoone Laurentia sloeg als ware kenster van mannelijke volkomenheid, -eene bewonderenden blik op den jongen man, die Anna ontzet zoude hebben, wanneer zij -dien had kunnen waarnemen, en er de beteekenis van had kunnen begrijpen. Gelukkig -dreef het gevaar voorbij; want de gedachtengang van de realistische vrouw werd afgeleid -door de nadering van een paar zonen van het Hemelsche Rijk, die, in eene evenwijdig -loopende laan voorttredende, het fijne grind met hun vreemdsoortig omgebogen en zwaarwichtig -plomp schoeisel deden kraken. Het waren babah Tang Ing Gwan, de majoor der Chineezen -te Santjoemeh, en de opiumpachter babah Lim Yang Bing, die eveneens een avondluchtje -in den tuin kwamen scheppen, en elkander openhartig beleden, dat zij, alles goed en -welbeschouwd, het in het geheel niet prettig op zoo’n Europeesch feest vonden. -</p> -<p>„Alleen de naakte armen, schouders, enz<span class="corr" id="xd30e3934" title="Niet in bron">.</span>, van die „njonja njonja en nonna nonna” blanda (hollandsche vrouwen en meisjes) sprak -de pachter met een afzichtelijk gemeenen grijnslach, „kunnen mij verzoenen met zoo’n -vervelende samenkomst. Het moet toch erkend worden, dat die schepsels welgemaakt zijn. -Maar, wat streken van de echtgenooten en vaders van die wezens, om met die dingen -te pronken, en wat schaamteloosheid en onkieschheid van die blanke vrouwen, om zich -zoo in het openbaar te vertoonen! Tjiss!” (foei). -</p> -<p>„Ja, tjiss!” zei de majoor-Chinees, een oud man, die er met zijne lange grijze knevels, -welke hem tot op de borst vielen, vrij indrukwekkend, haast eerbiedwaardig uitzag, -met ernstige stem. „Ja, tjiss! Ik zou nimmer toelaten, dat mijne vrouw en mijne dochters -zoo gekleed of beter ongekleed in tegenwoordigheid van mannen verschenen.” -<span class="pageNum" id="pb156">[<a href="#pb156">156</a>]</span></p> -<p>„Hebt gij de njonja toean resident gezien? Die …” -</p> -<p>„Shutt! diam! (Stil)” zei de majoor waarschuwend. „Daar staat zij met den toean „rakker -njang moeda” (jeugdigen rechter) te praten. Wat zij met dien te verhandelen mocht -hebben?” -</p> -<p>Lim Yang Bing antwoordde niet, maar lachte fijntjes. De kuiperijen van zijn zoon Lim -Ho waren hem niet onbekend. Ook herinnerde hij zich zijn gesprek met den resident. -Van Nerekool behoorde toch tot de rechterlijke macht. -</p> -<p>Neen, de njonja toean resident had niets anders dan het grindgekraak gehoord; evenwel -het bespeuren van die twee Chineezen, maar vooral van den opiumpachter, dat eene herinnering -aan Lim Ho en aan hare afspraken met ’Mbok Karjå teweegbracht, deed den geldduivel -bij haar zegevieren, en alle andere hartstochten zwijgen. -</p> -<p>„Mijnheer Van Nerekool,” sprak zij met innemende stem, „de resident is niet zoo erg -tegen u gestemd, als gij wel veronderstelt. Maar hij is alleen op practische menschen -gesteld.… Laat mij uitspreken en val mij niet in de rede. Ons onderhoud duurt al te -lang.… De wereld mocht eens meenen.… maar neen, niet waar? Gij bemint mijne dochter?.…” -</p> -<p>Zij aarzelde en beefde over haar geheele lijf. De jonge man keek haar met iets vreemds -in het oog aan, dat zij scheen te begrijpen. -</p> -<p>„De resident is op practische menschen gesteld en.… vergeef mij,” ging zij na eene -lichte aarzeling voort, „gij behoort tot de practische menschen niet!.… Neen,.… kijk -mij zoo niet aan.… Gij beweegt u nog in eene droomwereld, die van het werkelijke leven -ver verwijderd is. Gij stelt u de wereld anders voor als zij is, en wordt gij uit -die droomerijen niet bijtijds wakker, dan is het gevaar zeer groot, dat gij nimmer -carrière zult maken bij de rechterlijke macht, die gij u tot loopbaan verkozen hebt. -Dat is wel de meest prozaïsche loopbaan, die er bestaan kan, en die het meest van -droomerijen afkeerig is.” -</p> -<p>Van Nerekool luisterde aandachtig en onderworpen, hoewel hij eene zekere onrust voelde -opkomen, die hij ternauwernood vermocht te bedwingen. -</p> -<p>„Ik ben gereed aan uw verzoek te voldoen,” ging de schoone Laurentia met innemenden -glimlach op de lippen voort, maar sprak daarbij hare woorden met een nadruk <span class="pageNum" id="pb157">[<a href="#pb157">157</a>]</span>uit, alsof zij de lettergrepen wilde tellen. „Ik wil uwe voorspraak zijn, ik wil uwe -zaak bij den resident bepleiten, en … wanneer ik dat doe, dan kunt gij er zeker van -zijn, dat Anna de uwe zal worden.…” -</p> -<p>„O, ik ben u dankbaar, mevrouw!” barstte de jonge man los; terwijl hij de hand op -zijn borst lei, alsof hij het kloppen daarvan wilde bedwingen. -</p> -<p>Het had weinig gescheeld of hij had Anna’s moeder aan zijn hart gedrukt, en haar met -kussen overdekt. Gelukkig, dat hij zich weerhield; want wie weet, welke verandering -van inzichten zulk een onbezonnen daad bij de prikkelbare vrouw teweeg had gebracht. -</p> -<p>„Bedaar, mijnheer Van Nerekool, bedaar!” suste Laurentia dat enthousiasme. „Ik ben -gereed uwe voorspraak te zijn, maar gij moet mij eene belofte doen.…” -</p> -<p>„O, spreek, mevrouw! spreek! Ik zal alles.…” -</p> -<p>„De heer Zuidhoorn staat op het punt met verlof naar Nederland te vertrekken, nietwaar? -Welnu, er is eene zaak bij den landraad aanhangig die ik gaarne tot een gewenscht -einde gebracht zag.” -</p> -<p>„Maar, mevrouw, ik ben lid van den raad van Justitie; ik heb met den landraad niets -te maken.” -</p> -<p>„Op mijne voorspraak zult gij als jeugdig rechterlijk ambtenaar met het voorzitterschap -van den landraad bekleed worden, tot de komst van den vervanger van den heer Zuidhoorn. -Dat zal eene onderscheiding zijn, nietwaar?” -</p> -<p>„Voorzeker, mevrouw! Spreek, o spreek!” -</p> -<p>„En … wie weet?… Maar ter zake. In de gevangenis zit een Javaan, Ardjan genaamd, die -opium gesmokkeld heeft.…” -</p> -<p>Het hart klopte Van Nerekool schier hoorbaar in de borstkas. O, voorzeker wenschte -de moeder, evenzeer als zijne Anna, den Javaan te hulp te komen. Hij meende dan ook -in haren geest te spreken. -</p> -<p>„Die beschuldigd is van opium gesmokkeld te hebben, mevrouw,” viel hij haar met zijn -eerlijk gemoed in de rede. -</p> -<p>„Dat is hetzelfde, mijnheer Van Nerekool.” -</p> -<p>De jeugdige rechterlijke ambtenaar keek vreemd op. Hij begreep volstrekt niet. -</p> -<p>„Ardjan is een aartssmokkelaar, en behoort tot een <span class="pageNum" id="pb158">[<a href="#pb158">158</a>]</span>smokkelaarsfamilie,” ging Laurentia niet zonder drift voort. „Zijn vader is kort geleden -nog betrapt, en heeft zich daarbij tegen de openbare macht verzet. Zulke menschen -moeten streng gestraft worden, hoort ge?” -</p> -<p>„Verzet tegen de openbare macht, voorzeker mevrouw. Wat echter de smokkelarij betreft, -is.…” -</p> -<p>„Smokkelarij is diefstal, weet gij dat niet, mijnheer Van Nerekool? Diefstal van ’s -lands penningen, diefstal uit den zak der belastingschuldigen!” -</p> -<p>„Ongetwijfeld, mevrouw. Maar ik wilde vragen: is die smokkelarij wel behoorlijk bewezen?” -</p> -<p>„O, voorzeker. Ardjan is de schuldige, niemand anders. Ik weet wel, dat er een soort -komplot op touw gezet is, om Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, in verdenking -te brengen. Den zoon van den opiumpachter! die met zijn vader het grootste belang -er bij heeft, dat de smokkelhandel zooveel mogelijk tegengegaan wordt!… Het is eenvoudig -bespottelijk!.… Ja, ik weet ook, dat, om Lim Ho te bezwaren, eene aanklacht bij den -landraad ingediend is, als zoude Lim Ho den Javaan Ardjan met karbouwenbladeren hebben -laten geeselen. Maar, nietwaar, mijnheer Van Nerekool, gij zult dat weefsel van leugen -en bedrog weten te verscheuren! Gij zult dat ellendige gebroed van sluikers en valsche -aanklagers onschadelijk maken!…” -</p> -<p>„Mevrouw, gij kunt overtuigd zijn, dat ik, wanneer ik tot tijdelijk voorzitter van -den landraad mocht benoemd worden, mijn plicht nauwgezet zal volvoeren. Wie recht -heeft, zal recht bedeeld worden; wie straf heeft verdiend, zal haar niet ontgaan. -Ik ben eenigszins op de hoogte van die opiumsmokkelpartij, ook van het zoogenaamde -verzet van Ardjan’s vader, en ik meen nu reeds te kunnen verzekeren, dat die twee -Javanen, vader en zoon, zoo schuldig niet zijn, als zij schijnen.…” -</p> -<p>„Wat een uilskuiken is die rechterlijke ambtenaar,” dacht mevrouw Van Gulpendam. -</p> -<p>„Mijnheer Van Nerekool,” fluisterde zij den jongen man in het oor, „de resident heeft -gelijk; gij zijt geen practisch man.” -</p> -<p>„Mevrouw.…” -</p> -<p>„Slechts, als gij mijne wenken volgt, is de hand mijner dochter voor u bereikbaar. -Bedenk u wel!” -<span class="pageNum" id="pb159">[<a href="#pb159">159</a>]</span></p> -<p>„Maar, wat eischt gij van mij?” -</p> -<p>„Ardjan en zijn vader moeten verbannen worden. Waarheen? Dat komt er minder op aan. -Naar de Molukken, naar Deli, naar Atjeh. Dàt laatste oord ware wellicht het meest -verkieslijke.” -</p> -<p>„Zij zullen verbannen worden, wanneer zij schuldig zijn.” -</p> -<p>„Schuldig of niet! Mijn wenk gehoorzamen,… of geen voorzitterschap van den landraad! -Doen wat ik wil,… of geene Anna!.…” -</p> -<p>Het bloed vloog den jongen man bij die woorden naar het hoofd. Zijn geheele gemoed -kwam in opstand. Hij liet den arm der schoone verleidster los, en, zonder zich te -bedenken, siste hij eer dan hij sprak, gejaagd: -</p> -<p>„Mevrouw, ik bemin uwe dochter innig; maar hare hand te koopen tegen dien prijs, tegen -den prijs van mijn geweten, dat nooit!” -</p> -<p>„Nooit?” -</p> -<p>„Nooit! Zij zelve zou mij verachten, wanneer ik zoo’n aanbod aannam. Maar, het is -geen ernst, nietwaar mevrouw?” -</p> -<p>„Hooge ernst en mijn laatste woord! Wilt gij oorlog of vrede?” -</p> -<p>„Ik verlang met niemand in onmin te komen. Maar een rein geweten is mij boven alles -dierbaar. Vaarwel, mevrouw!” -</p> -<p>En met het hoofd door beide handen omsloten, ijlde hij heen, verder den tuin in, naar -de eenzaamste plekken. Na een poos daar in de grootste opgewondenheid rondgedoold -te hebben, trad hij de binnengalerij weer binnen, waar Mathilde Meidema hem tot haar -riep. -</p> -<p>„Mijnheer Van Nerekool, mijne vriendin Anna heeft mij verzocht u het navolgende te -vertellen, namelijk: dat wanneer geene redding opdaagt, Ardjan’s zaak reddeloos verloren -is. Al de getuigen zijn verdwenen of omgekocht, zoodat zijn veroordeeling zeker is.” -</p> -<p>„Van wie weet juffrouw Anna die bizonderheden?” -</p> -<p>„Van mij, mijnheer Van Nerekool.” -</p> -<p>„En van wie weet gij ze, juffrouw Meidema?” -</p> -<p>„Gij zijt wel nieuwsgierig uitgevallen, mijnheer de rechter. Dat hoort zoo bij het -vak nietwaar?” antwoordde het jonge meisje lachende. „Het eenige, wat ik er bijvoegen -kan, nu ik aan Anna’s opdracht voldaan heb, is: doe er uw voordeel mede.” -<span class="pageNum" id="pb160">[<a href="#pb160">160</a>]</span></p> -<p>Daarop boog zij en ijlde heen. -</p> -<p>Karel drentelde nog een poos te midden der gasten rond. Maar na zijn gesprek met mevrouw -Van Gulpendam had hij rust noch duur. Hij keek nog naar Anna rond, die echter als -dochter des huizes aan tal van vormelijkheden op zoo’n partij gebonden was. Hoewel -het gelaat van het lieve meisje weinig genoegen verraadde, zetelde daarop evenwel -een glimlachje, dat lieftallig mocht heeten; maar voor hem, die er op te lezen vermocht, -duidden die trekken onrust, ja angst aan. Bij dat <span class="corr" id="xd30e4005" title="Bron: ge-gezicht">gezicht</span> had het feest zijne bekoorlijkheid voor hem verloren; vooral, daar hij het niet meer -wagen durfde, haar te naderen. Hij zocht dan ook zijn hoed op, nam afscheid van den -resident en zijn echtgenoote, en was weinige minuten later buiten. -</p> -<p>„Pas op! Bedenk u wel!” was het laatste woord geweest van de schoone Laurentia, terwijl -hij voor haar boog. -<span class="pageNum" id="pb161">[<a href="#pb161">161</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e3800"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3800src">1</a></span> <i>Tjemårå’s.</i> Er zijn in Indië verscheiden soorten van dat gewas. De hier bedoelde is de Casuarina -equisetifolia. <a class="fnarrow" href="#xd30e3800src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e3831"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e3831src">2</a></span> <i lang="ms">Pandan rampeh gedeh.</i> Dit is de Pandanus latifolius der geleerden. Wordt veel op Java aangekweekt om zijne -sierlijkheid, maar vooral om zijne aangenaam riekende bladeren, die fijn gesneden -door de vrouwen in het haar gedragen worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e3831src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch12" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e725">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XII.</h2> -<h2 class="main">Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het was niet vroeg meer, en de zon stond reeds hoog aan den hemel, toen het echtpaar -Van Gulpendam den volgenden ochtend aan de onbijttafel zat. Wel was de resident volgens -gewoonte vroeg op geweest; de dames evenwel hadden een gat in den dag geslapen. Toen -eindelijk Laurentia verscheen, vond zij haren echtgenoot reeds in zijn lichtblauwen -ambtsrok met <span class="corr" id="xd30e4018" title="Bron: zilvren">zilveren</span> knoopen, waarop het Nederlandsche wapen prijkte, met een papier in de hand aan tafel -gezeten, en overigens vrij nurksch gestemd. -</p> -<p>„Eindelijk!” riep hij. -</p> -<p>„Wat eindelijk? beet zij hem toe. „Dat ’s zeker mijn goeden morgen!” -</p> -<p>„Wel mogelijk,” antwoordde hij knorrig. „Is dat een uur om te ontbijten? Ge weet, -dat ik zeer vele bezigheden heb.” -</p> -<p>„Waarom hebt ge niet vooraf ontbeten?” -</p> -<p>„Waarom? Waarom? Dat is ulieder stopwoord altijd. Het is u overbekend, dat ik ongaarne -alleen aan tafel zit.” -</p> -<p>„Dan hadt ge Anna kunnen roepen. Die zou u trouwens nieuws te vertellen gehad hebben.” -</p> -<p>Het scheen, dat de schoone Laurentia, na het eindigen van het feest den tijd niet -genomen had, om haren echtgenoot op de hoogte te brengen. Zij had het ook als gastvrouw -zoo druk gehad! En daarbij geen enkelen dans <span class="pageNum" id="pb162">[<a href="#pb162">162</a>]</span>overgeslagen! De Santjoemehsche jongelieden waren verrukkelijk geweest. -</p> -<p>„Anna!… Anna!” knorde de resident. „Die zie ik nu nog niet. Kun jullie vrouwen dan -nimmer eens door den wind gaan, zonder den volgenden dag in katzjammer te liggen? -Maar,.… wat is er met Anna? Welk nieuws zou die mij te vertellen hebben?” -</p> -<p>„Och, dat zij dat zelf maar doet.… Anna!… Pangil nonna!” (roep de juffrouw) wendde -Laurentia zich tot Dalima, die de pandoppo binnengetreden was. -</p> -<p>„Nonna sebantar sedia, nja!” (De juffrouw is dadelijk gereed, mevrouw) antwoordde -de baboe. -</p> -<p>„Maar wat intusschen? Wat heeft zij mij te vertellen?” herhaalde Van Gulpendam. -</p> -<p>„Och, ik laat haar liever zelve verhalen, hoe zij zich gisteren avond in den tuin -door Van Nerekool heeft laten omarmen. Zeg gij mij liever, welk papier gij daar in -de hand hebt. Gij weet, dat ik niet van paperassen aan tafel houd. Die hebben ruimte -genoeg, en daarenboven volkomen verlof om op het kantoor te blijven.” -</p> -<p>Van Gulpendam had het nieuws van het gebeurde met zijne dochter koel aangehoord, zoo -koel zelfs, dat het zijne echtgenoot schier vertoornde. Daarom had zij ook eene afleiding -gezocht, en bezigde daartoe dat onnoozele papier. Hij antwoordde kalm maar wrevelig: -</p> -<p>„Dat is een telegram, die ik zoo even ontvangen heb en mij zeer ontstemt.” -</p> -<p>„Een telegram?” -</p> -<p>„Ja, uit den Haag. Kijk, gisteren avond ten negen uur bezorgd, en heden ochtend om -acht uur reeds hier.” -</p> -<p>„Ge drukt zoo op dat <i>reeds</i>, alsof dat vlug was. Ge herinnert u toch nog den brief van Amy, toen wij haar met -haar engagement gefeliciteerd hadden. Onze telegram werd des morgens te elf uur op -het telegraaf-bureau te Santjoemeh bezorgd, en zij schreef ons, dat zij dienzelfden -ochtend ten negen uur onze felicitatie in handen had. Dat’s vlug, ja vlugger dan vlug, -dunkt me.” -</p> -<p>„Ik heb u al uitgelegd, Laurentia, dat de oorzaak daarvan in het lengteverschil gelegen -is.” -</p> -<p>„Jawel, jawel! De zon draait.… neen, de aarde draait zoo, en.… jawel, dat weet ik. -Maar dat belet niet, dat het vlug was. Een telegram nog vroeger te ontvangen <span class="pageNum" id="pb163">[<a href="#pb163">163</a>]</span>dan hij zelfs geschreven was. Maar wat behelst die telegram uit den Haag, die u zoo -ontstemt.” -</p> -<p>„Och, wat hebben vrouwen daar verstand van?” -</p> -<p>„Maar nog eens. Vertel op. Van wien is hij?” -</p> -<p>„Van mijn broeder Gerrit.” -</p> -<p>„En wat behelst hij. Laat mij niet zoolang wachten. Dat is niet galant.” -</p> -<p>Van Gulpendam glimlachte vreemd bij dat woord galant. -</p> -<p>„Van de voordracht voor den Nederlandschen Leeuw kan niets komen. Tenzij.…” -</p> -<p>„Tenzij?” vroeg Laurentia uiterst nieuwsgierig. -</p> -<p>„Tenzij de opiumpacht in de residentie Santjoemeh meer opbrenge! De begrooting van -den tegenwoordigen minister van Koloniën valt niet in den smaak. Men rekent op een -paar millioenen meer van dat middel.” -</p> -<p>„Men?… Men?… Wie is die men?” -</p> -<p>„Wel.… <span lang="ms">Sidin toeroen lajer</span>,” (Sidin laat de zeilen neer) beval de resident voorzichtig. „De zon hindert zoo -door die jaloezielatten. Wie die men is? Wel de regeering, de ministers, de Tweede -Kamer.” -</p> -<p>„Is het niet anders?” -</p> -<p>„Niet anders?.… Weet gij wel, dat de opiumpachter reeds meer dan twaalf ton jaarlijks -aan pachtschat betaalt?” -</p> -<p>„Welnu, dan zal hij bij de volgende verpachting voor vijftien, voor achttien ton inschrijven!” -</p> -<p>„Gij spreekt er gemakkelijk over.” -</p> -<p>„Wanneer is die verpachting?” -</p> -<p>„In de maand September van dit jaar.” -</p> -<p>„Laat dat nu maar aan mij over.” -</p> -<p>„Ja, maar.…” -</p> -<p>„Geen muizenissen.… De Javaantjes van de residentie zullen ieder maar wat meer opium -rooken, en.… gij zult het „bertes knabbeldat” of hoe heet gij het?” -</p> -<p>„<span lang="la">Virtus nobilitat</span>.” -</p> -<p>„En gij zult het <span lang="la">virtus nobilitat</span> op de borst dragen; maar ik zal het verdiend hebben.” -</p> -<p>„Hoe?” -</p> -<p>„Dat is mijn geheim, Gulpie. Gij zult zien, de opiumpacht vier of zes ton meer. Dus -geene muizenissen voor den tijd. Laat ons nu over iets anders spreken. Hoe komt het, -dat gij het gebeurde met Anna en Van Nerekool zoo kalm opneemt?” -<span class="pageNum" id="pb164">[<a href="#pb164">164</a>]</span></p> -<p>„Kom, laten wij maar ontbijten; Anna komt nog niet, en ik heb geen tijd.” -</p> -<p>„Goed, wij zullen ontbijten; maar dat zal u niet verhinderen mij te antwoorden, nietwaar?” -</p> -<p>„Dat niet,” knikte Van Gulpendam. -</p> -<p>„<span lang="ms">Kassi koppie! nènèh!</span>” (geef koffie nènèh) beval Laurentia aan hare lijfmeid Wong toewa. -</p> -<p>Toen de twee geurige koppen voor het echtpaar stonden, en ieder hunner zich een sneedje -brood geboterd en met een laagje dun uitgesneden „dageng assep minjagan” (gerookt -hertenvleesch) bekleed had, vroeg de nieuwsgierige vrouw: -</p> -<p>„Welnu, Gulpie?” -</p> -<p>„Wanneer ooit de poging, om de opiumpachtschat in deze residentie te doen rijzen, -slagen zal, dan zal ik waarschijnlijk de hulp van Van Nerekool noodig hebben.” -</p> -<p>„Zijne hulp? Bij de opiumpacht?” vroeg de schoone Laurentia met loozen glimlach, alsof -zij niets begreep. -</p> -<p>„Luister. Wanneer Lim Ho in de zaak van Ardjan mocht veroordeeld worden, dan zal noodzakelijk -zijn vader Lim Yang Bing van de mededinging uitgesloten moeten worden.” -</p> -<p>„Waarom dat?” -</p> -<p>„Om het geschreeuw der dagbladschrijvers den mond te snoeren. Welke keel zouden die -opzetten, wanneer den vader van den schuldige aan opiumsmokkelarij en aan mishandeling -de pacht gegund werd! Het zou nog sterker klinken, dan het spektakel bij het gangspil, -als het anker gehieuwd wordt!” -</p> -<p>„Zou men zich te Batavia aan dat gekef storen?” -</p> -<p>„Ja en neen; men zal slechts minachting voor de schreeuwers over hebben, men zal schouderophalend -met <span class="corr" id="xd30e4109" title="Bron: Preault">Préault</span> prevelen: „dagbladen zijn de wereldgeschiedenis omgezet in gezanik;” maar toch uit -een gevoel van zelfdekkerij een onderzoek gelasten.” -</p> -<p>„Wat gij zelf zoudt houden, nietwaar?” -</p> -<p>„Jawel; maar als intusschen de Nederlandsche pers met hare schreeuwzuster in zou gaan -stemmen!” -</p> -<p>„Och, die is nog al mak op het chapiter opium. Die doet slechts mede, wanneer zij -daartoe genoodzaakt is.” -</p> -<p>„Jawel; maar men weet nooit welken kant een dobberend sloepje uitgaat, ook niet welke -intrigues in het <span class="pageNum" id="pb165">[<a href="#pb165">165</a>]</span>spel kunnen komen. Als Lim Ho veroordeeld werd, dan zou het zeer wenschelijk zijn, -dat zijn vader zich van de pacht onthield.” -</p> -<p>„Maar, hij is de rijkste van de Chineesche kongsie.” -</p> -<p>„Dat weet ik wel.” -</p> -<p>„En hij geëcarteerd, dan daalt de pacht, in stede van te klimmen.” -</p> -<p>„Zeker.” -</p> -<p>„En dan is uw bertes knabbeldat naar de maan!” -</p> -<p>„Juist!” -</p> -<p>„Maar,.… dan mag Lim Ho tot geen prijs veroordeeld worden,” zei Laurentia met een -sluwen glimlach. -</p> -<p>„Zeer goed gezien! Daartoe heb ik evenwel Van Nerekool noodig. Als die onze schoonzoon -werd, of hem de voorspiegeling daarvan slechts gedaan werd, dan.… Ik heb u reeds verteld, -dat ik van plan ben, om hem bij het vertrek van Zuidhoorn, den landraad tijdelijk -te laten presideeren.” -</p> -<p>„Jawel, maar daarvan wil hij niets weten.” -</p> -<p>„Wil hij daarvan niets weten?” -</p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Hoe weet ge dat?” -</p> -<p>„Wel, toen ik gisteren avond de twee zoenenden in den tuin verraste, zond ik Anna -heen, en toen.…” -</p> -<p>„Toen?” vroeg de resident met eenige spanning. -</p> -<p>„Toen heb ik hem gepolst.” -</p> -<p>„Gepolst? O, die vrouwen! die vrouwen!” -</p> -<p>„Ja, gepolst; maar met dien man is niets aan te vangen.” -</p> -<p>En daarop verhaalde de schoone Laurentia vrij nauwkeurig het <span class="corr" id="xd30e4140" title="Bron: geprek">gesprek</span>, dat zij den avond te voren onder de Tjemårå-boomen gehouden had met Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool; maar verzweeg zeer wijselijk, dat, wanneer zij met een losbol te doen had -gehad, zij in de verleiding ware gekomen de mededingster harer dochter te worden. -Toen dat verhaal geëindigd was, en de residents-vrouw zweeg, herhaalde Van Gulpendam -met een zucht: -</p> -<p>„O, die vrouwen! die vrouwen! Gij zijt veel te voorbarig te werk gegaan. Hier had -gelaveerd moeten worden, in stede van te lenzen. De gelegenheid was wellicht gunstig, -een echte zuid-oost passaat; maar gij hebt er geen goed gebruik van gemaakt. Gij zijt -met volle zeilen <span class="pageNum" id="pb166">[<a href="#pb166">166</a>]</span>op het doel afgegaan, en zijt de ankerplaats voorbij geschoten.” -</p> -<p>„Loop naar den drommel met je laveeren, je lenzen, je passaat, je zeilen en je ankerplaats! -en laat mij met rust!” zei de schoone Laurentia, verstoord, dat hare pogingen zoo -weinig gewaardeerd werden. -</p> -<p>„Maar de zaak is nu bedorven.” -</p> -<p>„Er viel niets aan te bederven; met dien lummel is niets aan te vangen!” -</p> -<p>Er was iets bitters in den toon der schoone vrouw, toen zij die woorden sprak. Als -haar Gulpie de beteekenis van den grijnslach, welke die woorden vergezelde, had kunnen -opvangen.… Maar—zou het waar zijn, wat de Fransche realistische school leert: dat -er geen verblinder wezens dan de echtgenooten bestaan? Van Gulpendam zag of beter -begreep dien lach niet. -</p> -<p>„Niets aan te vangen?” zei hij. „Misschien.… Luister Laurtje. Het is na dat gesprek -te voorzien, dat Van Nerekool binnenkort, heden wellicht nog of morgen, bij mij aanzoek -om de hand van onze Anna zal komen doen.” -</p> -<p>„Welnu?” -</p> -<p>„Dan zal ik zien, welk land <i>ik</i> bezeilen kan. Wellicht breng ik hem tot andere gedachten, en noop ik hem de noodhaven -binnen te loopen.” -</p> -<p>„Ik hoop het! maar.… ik twijfel aan het welslagen.” -</p> -<p>„Bewerk gij intusschen Anna. Het zou niet onmogelijk zijn, dat Van Nerekool haar nog -zal trachten te praaien, alvorens mij aan boord te loopen. Als dat gebeurde, zou dat -niet anders dan gunstig kunnen werken.… gij begrijpt mij;.… want Anna moet onze krachtigste -bondgenoote zijn.” -</p> -<p>„Maar, zoudt gij dan ons schoon en lief kind aan dien femelachtigen lummel willen -geven?” -</p> -<p>„Als het niet anders kan, ja! Maar dien koers gaan wij nog niet uit. Als maar eerst -het doel bereikt is, en wij in den passaat zijn, dan zal er wel gelegenheid gevonden -worden, om Anna over stag te doen gaan.…” -</p> -<p>Laurentia knikte. Wat kenden die ouders nog weinig hun eenig kind! -</p> -<p>„En,” ging de resident met <span class="corr" id="xd30e4168" title="Bron: cynism">cynisme</span> voort, „het verliefd uilskuiken als onnutte ballast over boord te zetten.—Sjt!.. -daar komt zij … Goeden morgen, Anna! Hebt gij <span class="pageNum" id="pb167">[<a href="#pb167">167</a>]</span>goed geslapen na die dansreceptie?… He, wat heeft ze het hartje opgehaald! Wat liep -dat korvetje van stapel! Geen dans overgeslagen!” -</p> -<p>Anna was verbaasd. Haren vader was dus nog volstrekt niets bekend? Want na het gebeurde -in den tuin, had zij gemeend slechts ernstige gezichten te zullen ontwaren. Daarin -zat wel ietwat de reden, dat zij zoolang in haar vertrek was gebleven. En ziet, zelden -was haar vader haar liefelijker te gemoet getreden. Zou mama geen tijd hebben gehad -om de wichtige mededeeling te doen? Dat was onaanneembaar! Hare ouders waren reeds -lang in de pandoppo; dat had zij wel van Dalima vernomen. En toch.… Zij beantwoordde -de lieftalligheid van papa met een hartelijken kus, en wilde tot hare moeder gaan, -toen de heer Van Gulpendam zeide: -</p> -<p>„Zie zoo, ik heb gedejeuneerd, ik heb mijn morgenzoen. Ik ben klaar. Nu aan den arbeid, -die mij wacht! Ik laat de dames bij elkander. Anna, luister goed naar uwe mama. Alles, -wat zij u zeggen zal, is alsof het van mij komt. Dag Anna, dag Laurentia.” -</p> -<p>En weg ging hij de binnengalerij door naar de voorgalerij, waar hij den secretaris -der residentie aantrof, die op hem wachtte. Hij bood dien eene sigaar aan, nam er -zelf eene, die hij aan de tali api ontstak, door een oppasser eerbiedig aangereikt. -Toen de sigaar goed rond brandde, reikte hij de lont aan den secretaris over, die -de bewerking met evenveel zorg en nauwkeurigheid verrichtte; waarna de beide ambtenaren -de ruime voorgalerij een poos op en neer wandelden, en de nieuwtjes van den dag en -de te verrichten dienstaangelegenheden bespraken. -</p> -<p>Intusschen had nonna Anna den gewonen morgengroet met hare moeder gewisseld, had daarna -naast haar aan den disch plaats genomen; terwijl baboe Dalima haar van een kopje koffie, -dat zij op de aanrechttafel ingeschonken had, voorzag. -</p> -<p>„<span lang="ms">Ennakh, Nana!</span> (zij is lekker, juffrouw Anna)” zei ze met een bekoorlijken glimlach tot hare jeugdige -meesteres. -</p> -<p>Deze knikte haar goedhartig tot dank toe, nam het kopje, en slurpte met wellust en -met kleine teugjes het geurige vocht, waarbij zij bij wijlen het tipje harer tong -over de fraaie lippen liet glijden, om als het ware tot <span class="pageNum" id="pb168">[<a href="#pb168">168</a>]</span>den laatsten droppel op te vangen. Toen het kopje leeg was, gaf zij het aan de baboe -over. -</p> -<p>„<span lang="ms">Minta lagi</span>, Dalima!” (geef mij nog een) zei zij. -</p> -<p>„<span lang="ms">Engèh Nana</span>,” antwoordde deze, het kopje aannemende en naar de aanrechttafel ijlende. -</p> -<p>Anna boterde toen een sneedje brood; maar deed dat zoo langzaam en zoo opmerkzaam, -dat het blijkbaar was, dat iets anders haren geest bezighield, en zij zich niet haastte -het gesprek met hare moeder aan te vangen. Deze zat stilzwijgend naast haar, en sloeg -haar met onafgebroken maar toch welwillenden blik gade. Zij bewonderde de frissche -huid harer dochter, die hoewel het jonge meisje een groot gedeelte van den nacht gedanst, -en het overige gedeelte waarschijnlijk slapeloos doorgebracht had, er even helder -als altijd uitzag; zij bewonderde de slanke en toch weelderige gestalte harer dochter, -die onder de sierlijke kabaja verrukkelijk uitkwam en … berekende, in hoeverre die -bekoorlijkheden den koelen en bedachtzamen Van Nerekool genoegzaam zouden kunnen boeien, -om hem het hoofd te doen bukken onder het juk, dat hem toegedacht werd. Blonk ook -al het oog der moeder trotsch en fier bij detailleeren met onbedriegelijk kennersoog -van die heerlijke vormen, zoo mengde zich toch eene weemoedige gedachte onder die -bewondering. Van der Hoop zei het reeds ruim een kwarteeuw geleden: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Dochter aan het vrijen, moeder wordt oud!”</p> -</div> -<p class="first">Zelfs een ijverzuchtig gevoel brak zich baan bij haar, wanneer zij aan de edele gestalte -van Karel dacht, die haar zoo <span class="corr" id="xd30e4202" title="Bron: onbegrijelijk">onbegrijpelijk</span> koel bejegend had. Zou zij de hoop moeten opgeven, dien jonkman, in hare netten te -verstrikken, wanneer hij van het verwerven van Anna’s hand zou moeten afzien?… Maar, -weg met die beelden, weg met die gedachten! De woorden van haren echtgenoot kwamen -haar voor den geest. Zij moest helpen, om den zoon van den opiumpachter te redden, -wilde zij de borst van haar Gulpie met het bertes knabbeldat versierd zien. -</p> -<p>Zoo zaten dochter en moeder een oogenblik naast elkander. De eene durfde niet spreken -en trachtte hare <span class="pageNum" id="pb169">[<a href="#pb169">169</a>]</span>verlegenheid achter haren eetlust te verschuilen. De andere had behoefte hare gedachten -te verzamelen, alvorens het gesprek in te leiden. Eindelijk begon Laurentia goedhartig: -</p> -<p>„Zeg, Anna, hoe kwaamt gij er toe, gisteren avond met mijnheer Van Nerekool in den -tuin te gaan wandelen?” -</p> -<p>„Moeder!” stamelde het lieve meisje bedeesd. -</p> -<p>„Bloos niet, mijn kind. Ik zag genoegzaam gisteren, wat er gaande is. Maar, dat verklaart -mij nog niet, hoe gij aan die genegenheid komt. Ik meen toch recht te hebben, Anna, -op uw vertrouwen, nietwaar?” -</p> -<p>„Och, mama, wat moet ik u zeggen? Het gebeurde is zelfs voor mij geheel onverklaarbaar.” -</p> -<p>„Maar, Anna?” -</p> -<p>„Ik bemin Karel, ziedaar alles, wat ik weet.” -</p> -<p>„Zeg, Anna, hebt gij uzelve wel onderzocht? Zijt ge verzekerd, dat de gewaarwording, -die gij ondervindt, dat ernstige en diepe gevoel is, hetwelk de vrouw doet neerbuigen -voor den man?” -</p> -<p>„Ja, mama!” -</p> -<p>„Hebt ge u afgevraagd, of het eene toegenegenheid voor het leven zal zijn, die gij -den man wilt wijden, die u voor een oogenblik geboeid heeft?” -</p> -<p>„Ja, mama! Want mijne genegenheid is gegrond op het besef van de edele hoedanigheden, -die hem van andere mannen onderscheiden. Het is vooral zijn eerlijk hart, dat mij -getroffen heeft.” -</p> -<p>„Dat alles is wel wuft, Anna.” -</p> -<p>„Vindt gij dat wuft, mama; wanneer ik een open oog heb, niet voor ijdele praal, niet -voor een vernis van beschaving, maar voor degelijke hoedanigheden, voor vastheid van -karakter, voor eerlijkheid van grondbeginselen?” -</p> -<p>„Tu, tu, tu! allemaal groote woorden.” -</p> -<p>„Zoudt gij mijne genegenheid afkeuren, mama?” -</p> -<p>„Afkeuren?.… Ik niet.” -</p> -<p>„Ja, ik weet het, papa houdt niet van Van Nerekool.” -</p> -<p>Mevrouw Van Gulpendam antwoordde daar niet op. -</p> -<p>„Hebt gij hem sedert lang lief?” vroeg zij. -</p> -<p>„Ja, mama. Ik heb hem lief gekregen, zonder dat ik het wist.” -</p> -<p>„Och kom.” -<span class="pageNum" id="pb170">[<a href="#pb170">170</a>]</span></p> -<p>„Zonder dat ik het bespeurde. Ik verzeker het u.” -</p> -<p>„Hoe en wanneer dan toch hebt gij ontwaart, dat gij hem lief hadt?” -</p> -<p>„Gij weet, mama, dat hij dikwijls, zeer dikwijls, hier aan huis kwam nietwaar? -</p> -<p>„Welnu, ja. Maar, dat is geen antwoord op mijne vraag.” -</p> -<p>„Bij die bezoeken bevond hij zich meestal alleen met mij. Nu eens waart gij met uw -partijtje bezig; dan eens zaat gij te midden uwer vriendinnen een toiletartikel of -de geheimen van een plumpudding te bespreken; een andere maal moest gij als gastvrouw, -als de gade van de hoogste autoriteit, de honneurs waarnemen, en u met generaals, -kolonels, voorzitters van justitieraden, inspecteurs, enz., enz. bezighouden, en hadt -bij al die gewichtige bedrijvigheden geen tijd om uwe aandacht, aan uwe dochter te -wijden.…” -</p> -<p>„Maar, Anna, dat klinkt als een verwijt!.…” -</p> -<p>„Laat mij uitspreken, mama. Gij hebt mij gevraagd, hoe die genegenheid mijn hart binnen -geslopen is, ik wil dat hart voor u blootleggen; gij hebt daar recht op, want gij -zijt mijne moeder.… Dan bevond ik mij zoo alleen in die kringen, waarin alledaagschheid, -waarin zelfvoldaanheid en zelfgenoegzaamheid, middelmatigheid en wuftheid den boventoon -voerden; ik vond mij dan zoo alleen te midden van die gesprekken, die mij niet boeiden, -en van die personen, die mij tegenstonden.…” -</p> -<p>„Anna! Denk er om. Gij spreekt over het gezelschap uwer ouders.” -</p> -<p>„Kan ik het helpen, dat dit gezelschap mij weinig aantrekkelijk voorkomt? Gebeurt -u dat niet meermalen ook? Wees openhartig, mama.” -</p> -<p>Laurentia antwoordde niet op dat beroep. Zij verslond als het ware hare dochter met -hare oogen. -</p> -<p>„Ga voort!” zeide zij kortaf, maar toch met zachte stem. -</p> -<p>„Dan sloop ik naar mijn piano, gelukkig een overheerlijk middel te hebben, mij aan -die menigte te kunnen onttrekken; dan.…” -</p> -<p>„Jawel, dan verdiepte zich mijne dochter in Beethoven, in Mendelssohn, in Mozart, -in Chopin, en ik weet niet in welke spelbrekers nog meer, en verwaarloosde de wereld.…” -<span class="pageNum" id="pb171">[<a href="#pb171">171</a>]</span></p> -<p>„En vergat die wereld, die voor mij geen aantrekkelijkheid had, in het rijk der tonen, -dat zich voor mij als een paradijs ontsloot!” -</p> -<p>„Mooi gezegd,” hernam mevrouw Van Gulpendam met iets vochtigs in het oog; want de -zoo gevoelig bewerktuigde vrouw bleef niet koud voor de geestdrift harer dochter. -„Maar, dat verklaart mij nog niet, hoe gij ontdektet, dat gij Van Nerekool lief hadt.” -</p> -<p>„Onder al die wezens, die u daar omringden, waren er maar weinigen, die zich aan het -verleidelijke van een quadrille-partijtje, van een redetwist over gedwongen arbeid -in heerendienst, of aan een beschrijving van een wit damasten burnou konden onttrekken, -om.…” -</p> -<p>„Om zich om de priesteres der Harmonie te scharen,” viel mevrouw Van Gulpendam met -goedhartigen glimlach in. -</p> -<p>„Om iets anders te genieten dan die beuzelgesprekken, die een samenzijn van zoogenaamde -lieden van de <i lang="fr">beau monde</i> kenmerken. Onder die weinigen behoorde mijnheer Van Nerekool, of beter, hij was de -eenigste. Want, waren er ook andere jonge lieden, die zich een oogenblik om mijn piano -schaarden, dan gold dat niet de muziek, die ik vertolkte, nog minder den persoon van -de vertolkster.…” -</p> -<p>„He, he, hoe nederig, Anna!” -</p> -<p>„Maar alleen de dochter van den resident, die men wel, ter wille van den vader, de -beleefdheid wilde bewijzen, haar een oogenblik te omringen; maar, die men in den steek -liet, wanneer het „invallen” klonk, of wanneer eene aanhaling uit het Koloniale Verslag -of uit de Java-courant vernomen werd.… Dan bevond ik mij met Karel alleen, en vond -in hem een kenner, die gevoelde, wat muziek beteekende! Zoo bevonden wij ons meestal -te midden eener groote menigte geïsoleerd, en, zoo vonden onze gevoelens vertolking -in de heerlijke tonen, die onze vingeren ontlokten.… Neen, mama, glimlach niet; bij -die gelegenheden is nimmer een woord onzen mond ontglipt, dat ons ons hartgeheim kon -doen vermoeden. Wellicht zou dat woord immer gezwegen zijn geworden; want ik ben overtuigd, -dat Van Nerekool evenmin als ik aan liefde dacht, en wij ons onbewust tot elkander -aangetrokken gevoelden. Maar gisteren avond.… gedurende <span class="pageNum" id="pb172">[<a href="#pb172">172</a>]</span>de <i lang="fr">invitation à la valse</i> is ons ons geheim ontsnapt, en.… mama, gij waart tegenwoordig bij den eersten kus, -die tusschen ons gewisseld werd.…” -</p> -<p>Terwijl zij die laatste woorden sprak, had het lieve meisje het hoofd aan de borst -van hare moeder gevlijd, die haar den arm om den hals sloeg, en in de verrukkelijk -schoone oogen staarde. -</p> -<p>„En nu, moeder, zult gij het uwe dochter kunnen vergeven, dat zij aan de inspraak -van haar hart gehoor gaf?” -</p> -<p>„Kindlief,” sprak Laurentia met zachtvloeiende stem, „niet alleen, dat ik u vergeven -kan, wat heel natuurlijk geweest is; maar, wat meer zegt, er zouden omstandigheden -zich kunnen voordoen, dat ik uwe keuze goedkeuren kon.” -</p> -<p>Anna vloog op van hare plaats naast hare moeder. -</p> -<p>„Mijne keuze goedkeuren!.… Mama.… gij maakt mij overgelukkig!” -</p> -<p>En knielende, verborg het lieve kind het gelaat in den moederlijken schoot, terwijl -onbedwingbare snikken het tengere lichaam deden schokken. Hare moeder, aan zoo veel -hartstochtelijkheid niet gewoon, beurde haar op. -</p> -<p>„Bedaar toch, Anna,” sprak zij. „Wat ik zeide, was toch zoo natuurlijk, nietwaar? -Waarom daarover zoo te ontroeren?… Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik uw geluk niet -zou willen bevorderen?” -</p> -<p>„Mijn geluk!… Ja, mijn geluk!… lieve, beste mama!… Ja zeker, mijn geluk!” kreet het -opgewonden meisje; terwijl zij het gelaat harer moeder met kussen overdekte. -</p> -<p>„Kom, Anna,” zei mevrouw Van Gulpendam eindelijk, om de opgewondenheid harer dochter -te stuiten. „Bedaar nu, en kom naast mij zitten, zooals straks, dan kunnen wij hand -in hand, en uw oog op het mijne gevestigd, die teedere zaak verder behandelen. Kom -hier, en ga zitten. Hier aan mijn hart!” -</p> -<p>En zij koesterde het engelenkopje aan haren boezem, alsof.… Het was evenwel het tegenovergestelde -beeld van den landman met de slang.… -</p> -<p>„Zou papa zijne toestemming verleenen?” vroeg Anna; terwijl zij de handen te zamen -vouwde, alsof zij een gebed verrichten wilde. -</p> -<p>„Ik denk ja.” -</p> -<p>„O, wat zou dat gelukkig zijn! Zeg, moe, zou dat geluk niet te groot zijn?” -<span class="pageNum" id="pb173">[<a href="#pb173">173</a>]</span></p> -<p>„Neen, Anna, neen! Maar luister. Zoo heel gemakkelijk zal papa niet te veroveren zijn. -Hij zal stormenderhand moeten verrast worden!” -</p> -<p>„Verrast?… Zeg, mama, hebt gij papa nog niets gezegd?” -</p> -<p>„Niet alleen stormenderhand verrast,” ging Laurentia voort, zonder de gedane vraag -te beantwoorden; „maar er zou iets moeten kunnen gebeuren, waardoor Van Nerekool zijne -geheele genegenheid won.” -</p> -<p>„Zijne genegenheid? Spreek mama; o, ik ben overtuigd, dat hij alles zal doen om mijne -hand te verwerven.” -</p> -<p>„Alles? Is hij dan zoo verliefd?.… Alles? Schept gij u geen droombeelden?” -</p> -<p>„Droombeelden?” -</p> -<p>„Ja, droombeelden! Ik heb eenige redenen, om te veronderstellen, dat die Karel zoo -verliefd niet is, als hij bij u wel wil doen voorkomen.” -</p> -<p>„Mama!” zei Anna met een verwijtingsvollen blik op hare moeder. -</p> -<p>„Luister, Anna. Gisteren avond bleef ik, zooals ge weet, met Van Nerekool in den tuin -achter. Toen heb ik, na de bekentenis zijner liefde aangehoord te hebben.….” -</p> -<p>„Mama!.… de bekentenis zijner liefde!.…” kreet het jonge meisje schier ademloos. -</p> -<p>„Bedaar,” ging Laurentia met een ijskouden glimlach voort. „Na de bekentenis zijner -liefde opende ik hem het vooruitzicht niet alleen op het verwerven der toestemming -van papa.….” -</p> -<p>„O, mama!… wat zijt ge goed!” fleemde thans het jonge meisje met de veranderlijkheid -van indrukken aan haar geslacht zoo eigen, terwijl zij voortging het gelaat harer -moeder met kussen te overdekken. -</p> -<p>„Laat mij voortgaan, Anna,” hernam Laurentia. „Ik opende hem niet alleen dat vooruitzicht, -maar ook dat van eene verbetering van positie, waardoor een huwelijk met een meisje -zooals gij meer mogelijk zou worden.” -</p> -<p>„Een meisje zooals ik?” vroeg Anna verwonderd. „Ben ik dan anders als andere meisjes, -om een huwelijk minder mogelijk te maken, mama?” -</p> -<p>„Kindlief, gij zijt van kindsbeen af in eene zekere mate van weelde opgevoed, en het -zou u zeker sterk afvallen, wanneer gij van die weelde, hoe weinig ook maar, afstand -zoudt moeten doen.” -<span class="pageNum" id="pb174">[<a href="#pb174">174</a>]</span></p> -<p>„O, mama, als het den man mijner keuze geldt, dan ben ik tot alle opofferingen in -staat!” -</p> -<p>„Dat is eene zeer mooie romanphrase, Anna, die aan de werkelijkheid evenwel niet getoetst -kan worden. In die werkelijkheid is het integendeel maar al te waar, dat, wanneer -gebrek of schaarschte de deur inkomt, de liefde het raam uitvliegt.” -</p> -<p>„Dat zal met Van Nerekool en mij niet te vreezen zijn, mama!” -</p> -<p>„Dat is alles goed en wel. Wij, uwe ouders zijn verplicht voor de toekomst van ons -kind te zorgen. Wij wenschen, dat de man, dien wij uw verder levensgeluk zullen toevertrouwen, -in staat zij, u eene onbekommerde toekomst aan te bieden. Wij meenden den heer Van -Nerekool daartoe de hand te kunnen reiken; maar.….” -</p> -<p>„Wat antwoordde hij toch?” -</p> -<p>„Wat hij antwoordde? Hij had slechts één woord in den mond, en dat was: „nooit!”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Nooit!.… Ik begrijp niet goed, mama. Hij heeft u zijne liefde voor mij bekend, en, -toen gij hem het verkrijgen mijner hand in het uitzicht steldet, heeft hij geantwoord: -„nooit!” Hoe kan dat?” -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik stelde hem eene voorwaarde.” -</p> -<p>„Eene voorwaarde?” -</p> -<p>„Eene huwelijksvoorwaarde, als ge wilt.” -</p> -<p>„Eene huwelijksvoorwaarde, waarop hij antwoordde: „nooit!” Mama, ik begrijp minder -dan ooit.” -</p> -<p>„Eene kleine voorwaarde, welker vervulling uwen vader genoegen moest doen, daar die -hem eer en roem zou aanbrengen, die alle hinderpalen effenen en Van Nerekool zelven -tot aanzien zou brengen.” -</p> -<p>„Och, mama, er heerscht hier slechts een misverstand. Karel is een edel mensch, en -het is vooral door den adel zijner ziel, dat ik mij tot hem aangetrokken gevoel. Nog -niet lang geleden heeft hij mij beloofd om den aanstaande mijner baboe te redden, -en hij zou.…” -</p> -<p>„Den aanstaande uwer baboe.…” kreet mevrouw Van Gulpendam. -</p> -<p>„Ja, van baboe Dalima, Wat zou dat?” -</p> -<p>„Maar het is juist die zaak, welke ik hem aanbeval.…” -</p> -<p>„Welnu, zei ik het niet?” hernam Anna kalm. „Er heerscht hier slechts een misverstand, -wat wel te recht <span class="pageNum" id="pb175">[<a href="#pb175">175</a>]</span>zal komen. Zeg mij, wat gij Van Nerekool voorgeslagen hebt?” -</p> -<p>„Ja, juist. Gij alleen zijt in staat om de zaak te recht te helpen. Bedenk, dat het -de toekomst van Van Nerekool, en met die toekomst uw huwelijk geldt.” -</p> -<p>En nu verhaalde de eerzuchtige en trotsche vrouw, dat zij voor haren echtgenoot, voor -Anna’s vader, het eereteeken van den Nederlandschen Leeuw verlangde; dat dit echter -niet verkregen kon worden dan door de opvoering van de opium-inkomsten in de residentie -Santjoemeh. Het <span lang="la">virtus nobilitat</span> zou den prijs zijn voor de stijving van Neêrland’s schatkist. -</p> -<p>„Maar, om die vermeerdering van pachtschat te bereiken,” ging Laurentia voort, „is -het noodig, dat Lim Yang Bing opiumpachter blijft, en dat kan niet, wanneer zijn zoon -Lim Ho wegens opiumsmokkelarij, en daarmede gepaard gaande mishandeling veroordeeld -wordt. Eene wreede noodzakelijkheid is het dus.…” -</p> -<p>Anna had die uiteenzetting eerst belangstellend, daarna met een strakken blik, op -de lippen harer moeder gevestigd, aangehoord, alsof zij haar de woorden uit den mond -wilde kijken. Nu vloog zij op en wild en woest viel zij Laurentia in de rede. -</p> -<p>„Dat Ardjan in stede van Lim Ho veroordeeld wordt, om papa den Nederlandschen leeuw -te bezorgen!.… Dat kan, dat mag niet gebeuren! Hoort ge, moeder?” -</p> -<p>„Maar, bedaar dan toch, Anna. Wat zijt ge een opgewonden kind.” -</p> -<p>„En, hebt ge die voorstellen aan Karel gedaan?.… Ja? O, dan ben ik wel ongelukkig!” -</p> -<p>„Maar, Anna, luister dan toch!” -</p> -<p>„Nu begrijp ik zijn „nooit!”” zei het meisje bitter. „Neen, nooit zal hij de echtgenoot -van de dochter van zulke ouders worden!” -</p> -<p>En bij die woorden vloog zij de pandoppo uit, en sloot zich in hare kamer op. -<span class="pageNum" id="pb176">[<a href="#pb176">176</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch13" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e734">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIII.</h2> -<h2 class="main">Op weg naar het jachtterrein.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„En, zijt gij nu klaar om te vertrekken?” -</p> -<p>Met die vraag stormde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn des Zaterdags namiddag bij Van Nerekool de kamer binnen. -</p> -<p>„Voorzeker ben ik klaar,” antwoordde deze. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar zijn de paarden er reeds?” -</p> -<p>„Daar heeft Verstork uitmuntend voor gezorgd. Mag ik uwen gedienstigen geest voor -een oogenblik uitzenden, dan staan ze binnen weinige minuten trappelend voor de deur.” -</p> -<p>En inderdaad de jongelieden hadden nauwelijks tijd een glas bier met elkander te drinken -en eene sigaar op te steken, toen twee fraaie rijpaarden verschenen, echte Makassaren,<a class="noteRef" id="xd30e4362src" href="#xd30e4362">1</a> niet zoo bizonder fraai van bouw als Kedoeërs, of als <span class="corr" id="xd30e4369" title="Bron: Battakkers">Batakkers</span><a class="noteRef" id="xd30e4371src" href="#xd30e4371">2</a>, maar voorzien van een breede flinke borst, die èn kracht èn onvermoeibaarheid <span class="pageNum" id="pb177">[<a href="#pb177">177</a>]</span>aanduidden, voorzien van flink gespierde beenen, die wel slank en onbevallig, maar -daarbij sterk en lenig waren. -</p> -<p>In een oogwenk zaten de jongelieden te paard. -</p> -<p>„En uwe buks?” vroeg Eduard. -</p> -<p>„Sidin, kassi snaphan,” (Sidin geef mij mijn geweer aan) beval Van Nerekool. -</p> -<p>De bediende reikte het prachtige wapen, dat de regent van Santjoemeh den rechterlijken -ambtenaar op diens verzoek geleend had. Deze hing het met den cordonriem over den -schouder, stak een paar revolvers in de pistool-holsters, die voor aan het zadel bevestigd -waren; zoodat hij in bewapening nagenoeg met Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn gelijk stond. Weldra hadden de beide jongelieden Santjoemeh verlaten, en ijlden -in stevigen draf in oostelijke richting Banjoe Pahit tegemoet, hetwelk het doel van -hunnen rit was. -</p> -<p>Zij spraken niet veel met elkander; ja, zij wisselden niet meer dan nu en dan een -woord. Er bestond dan ook weinig reden van opgewektheid tot een levendig gesprek. -Hoewel de weg, dien zij volgden, vrij wel door Tamarinde-<a class="noteRef" id="xd30e4392src" href="#xd30e4392">3</a> en <span class="corr" id="xd30e4396" title="Bron: Kanari-boomen">Kanarie-boomen</span> <span class="corr" id="xd30e4399" title="Bron: boschaduwd">beschaduwd</span> was, liet zich de tropische warmte drukkend gevoelen, en zou die eerst temperen, -wanneer de zon de kim nabij zoude zijn. Maar, het was eerst drie uur in den namiddag, -de dagvorstin was dus nog ver verwijderd van dien eindpaal harer dagelijksche reis. -</p> -<p>De paarden evenwel waren vurig en onvermoeibaar en spoedden ijverig voort; in flinken -draf, wanneer de baan effen was, in galop, wanneer zij steeg. Zelden behoefden de -edele dieren in stap gebracht te worden, en waren dan nog in dien gang niet te houden. -Daarbij het landschap, hetwelk de beide vrienden doorsneden, was in den volsten zin -des woords verrukkelijk te noemen. Eerst voerde de weg door vriendelijke dèsa’s, die -met hunne bruine atap-daken, met hunne goudgele kadjang-omwandingen, eene lieve schakeering -vormden te midden van het groen der vruchtboomen, die het geheel overschaduwden. Daarna -volgden klappertuinen, waar die slanke palmboomen, in rij en gelid geplant, hoog in -de lucht hunne wuivende <span class="pageNum" id="pb178">[<a href="#pb178">178</a>]</span>bladertakken, waaruit hare kruinen bestonden, verhieven en een zonderling grillige -schaduw op de groene graszoden wierpen, die den bodem bedekten. Verder doken de schaakvormige -vakken van een uitgebreid sawahveld uit de diepte van een terreinplooi op, lieten -de galangan’s, die haar omgaven met haar groen kleed van gras of beschaduwd door „toeri”- -of „klampies”-<a class="noteRef" id="xd30e4406src" href="#xd30e4406">4</a>struikjes, duidelijk ontwaren, terwijl de vakken of velden in dit jaargetij als ontelbare -waterbekkens in de zon glinsterden, daar zij in dit <span class="corr" id="xd30e4410" title="Bron: seisoen">seizoen</span> na den oogst, behoorlijk bevloeid waren, en dus aan vierkanten vloeibaar zilver, -met eene groene omlijsting omgeven, gelijk waren. Achter dat sawahveld verhief zich -het gebergte, dat met zijne vooruitspringende heuvelen, geheel met maagdelijk bosch -overdekt, een donkergroenen band boven die glinsterende vakken vormde, die evenwel -langzamerhand, naarmate de afstand voor het oog vermeerderde en de gezichtseinder -zich derhalve uitbreidde, in het donkerblauwe overging, hetgeen tegen het meer lichte -azuur des hemels scherp maar bekoorlijk afstak. Op sommige punten konden de ruiters, -wanneer de paarden eene heuvelkling in galop bestegen hadden, en eenige verademing -genieten moesten, bij het wenden van het hoofd de Java-zee bespeuren, die daar bij -den horizon onder het zonlicht als een onmetelijke spiegel lag te schitteren, waarop -de zeilen der vaartuigen zich als witte meeuwtjes voordeden, of als tegenstelling -de zwarte rook van een stoomschip, die zich in dikke krullen somber over het watervlak -omboog, ontwaard werd. -</p> -<p>Neen, onze jongelieden hadden, als het ware, geen tijd om het drukkende der hitte -te bemerken. Zij genoten nog den zoo bekoorlijken leeftijd, die hen zoo vatbaar maakte -voor alles, wat heerlijk en schoon is. En de elkander opvolgende landschappen, die -zich links en rechts van hen uitspreidden, waren wel geschikt, om die dichterlijke -gemoederen te boeien. De tijd was inderdaad dan ook omgevlogen, toen zij bij eene -kleine dèsa, Kalimatti genaamd, een viertal heeren met een talrijk gevolg, allen <span class="pageNum" id="pb179">[<a href="#pb179">179</a>]</span>te paard, in de verte in het oog kregen, die hen spoorslags tegemoet reden. -</p> -<p>„Hoera! daar is Willem Verstork!” riep Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Kijk, die daar op dien prachtigen ijzerschimmel, die het hoofd van den ruitergroep -houdt.” -</p> -<p>„Wie is bij hem?” vroeg Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool. „Zie ik goed … dan zijn het August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, Leendert Grashuis, Theodoor Grenits en.., bij God!… ook Frits Mokesuep!” -</p> -<p>„Juist gezien! En geëscorteerd door den „wedono,” den „<span class="corr" id="xd30e4432" title="Bron: djoeroetoelies">djoeroetoelis</span>,” den „loerah,” den „<span class="corr" id="xd30e4435" title="Bron: kebajan">kabajan</span>,” den „kamitoewa,” den „tjarik,”<a class="noteRef" id="xd30e4438src" href="#xd30e4438">5</a> in één woord, God helpe! door het geheele district- en dèsa-bestuur van Banjoe Pahit -met hun talrijk gevolg. En waarachtig! allen in groote tenue, in groot gala op hunne -kleine paardjes gezeten, die met geel galon geboorde chabrakken van tijgervel versierd -zijn, en waarop de goed gevulde en rijk gestikte zadels van rood laken of fluweel -rusten! Hoerah! „Ramen besar”! (groote pret)<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> riep Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn opgewonden uit, terwijl hij met zijn kurken helmhoed de tegemoet rijdenden -toewuifde. -</p> -<p>„Hoerah! hoerah! Rameh besar!” antwoordden die ook met gullen kreet, en weldra had -die ruitergroep onze beide vrienden bereikt en weerklonken de begroetingen en verwelkomingen -allerwegen. -</p> -<p>„Gij zijt eenigzins afgetrokken,” merkte Willem Verstork op, terwijl hij Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool de hand schudde. „Scheelt er wat aan? Toch niet ongesteld?”.… -</p> -<p>„Neen, ik ben zoo gezond mogelijk. Wat mij hindert, zal ik u later wel vertellen.…” -</p> -<p>„Mijnheer Van Nerekool souffreert aan een opgeloopen blauwtje,” merkte een der jongelieden, -die Verstork vergezelden, op. -</p> -<p>De controleur sloeg bij die woorden een blik op zijn vriend, en toen hij merkte, dat -de woorden van den onbezonnene raak getroffen hadden, haastte hij zich het onderwerp -van het gesprek te veranderen. -<span class="pageNum" id="pb180">[<a href="#pb180">180</a>]</span></p> -<p>„Als het geene ongesteldheid is, dan vooruit naar Banjoe Pahit! Heeren, met drieën -in draf!” En een oogenblik later: -</p> -<p>„In galop.… arrrrrsch!” kommandeerde hij, als ware hij een oud kavallerie-officier. -</p> -<p>De zes blanken lieten de teugels op dat kommando schieten en stoven vooruit, zonder -de sporen behoeven te gebruiken, de laan in, die zich voor hun oog uitstrekte en eene -zachte rijbaan opleverde, daar zij met een mollig tapijt van dicht ineengegroeid fijn -gras bekleed was. -</p> -<p>„Wat een keurige weg!” kreet er een van het gezelschap. „Daaraan kun je de goede zorgen -van den controleur bespeuren.” -</p> -<p>Willem Verstork knikte, ingenomen met die bemerking goedkeurend het hoofd. -</p> -<p>„Goede communicatie-middelen zijn de halve welvaart der bevolking,” verkondigde hij -machtspreukig. -</p> -<p>„Ja, als de bevolking er gebruik van mag maken<a class="noteRef" id="xd30e4468src" href="#xd30e4468">6</a>,” merkte er een van het gezelschap met schamperen glimlach op. -</p> -<p>Achter de blanke ruiters volgden op een korten, maar door de <span class="corr" id="xd30e4474" title="Bron: etikette">etiquette</span> aangewezen afstand, de Javaansche hoofden met hunne volgelingen, wier moedige paardjes -van zuiver inheemsch ras, die der Europeanen flink volgden en in geen gang iets toegaven. -</p> -<p>Terwijl die ruiterstoet spoorslags op Banjoe Pahit toeijlt, nemen wij de gelegenheid -te baat om met de jongelieden, die den controleur Verstork vergezelden, kennis te -maken. -</p> -<p>August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden dan was een Gelderschman van geboorte, een flinke, gezonde jongen van ongeveer -twintig jaren oud, wiens fijne stroogele haren, die hij krullend droeg en uitermate -verzorgde, met zijn wel krachtig maar open gelaat, genoegzaam op zijne Betuwsche afkomst -<span class="pageNum" id="pb181">[<a href="#pb181">181</a>]</span>duidden. Hij was advocaat, en had zich kort geleden als zoodanig te Santjoemeh gevestigd. -</p> -<p>Leendert Grashuis, een Zuid-Hollander, was als adjunct-landmeter op het kadastraal -kantoor te Santjoemeh geplaatst. Hij had zeer goede wiskundige studiën gemaakt, en -steeds in de geodesische en geomorphische wetenschappen uitgeblonken. Als ingenieur -presteerde hij uitnemende diensten bij het vaststellen der grenzen van het individueel -grondbezit in de residentie, waarbij nog zoo’n ontzettende verwarring heerschte, vooral -wanneer de officiëele kaarten in kwestiën van het zakelijk recht, aan die eigendommen -verbonden, te berde werden gebracht. Steeds stond hij daarbij aan de zijde van recht -en billijkheid tegenover roofzucht en overdreven fiskale eischen, ongeacht de zijde -van waar, al was het ook van den Gouvernements kant, zij ingebracht werden. Hij was -ongeveer zeven en twintig jaren oud, had een sierlijken blonden krullebol en een aangenaam -gelaat, dat van veel vriendelijkheid en volkomen openhartigheid getuigde, reden waarom -hij in de kringen, die hij bezocht, zeer gezien was. -</p> -<p>Wat Theodoor Grenits betreft, ook die was eene sympathieke natuur. Als Limburger ontleende -hij wel ietwat van de ongedwongenheid van dien landaard, aan den meerderen omgang -met de naburige Belgen toe te schrijven, en was dan ook een gevierde man in de gezelschappen, -waar jeugd en blijheid ten troon zaten. Hij had zijne humaniora op het Athenaeum te -Maastricht volbracht, was later naar Leiden getrokken, om daar op de hoogeschool in -de rechten te studeeren; maar was deerlijk mislukt. Nu was hij op een handelskantoor, -waar hij zich bevlijtigde, om in de koopmansloopbaan het tijdverlies in te halen, -dat hij op de Universiteit ondergaan had. Ook hij was eene edele openhartige natuur, -die met de twee vorige jongelieden een waardig klaverblad vormde. -</p> -<p>Anders was het gesteld met Frits Mokesuep, die met de anderen een scherp kontrast -vormde. Hij telde omstreeks dertig jaren, en bekleedde de betrekking van commies bij -de controle-afdeeling van de in- en uitvoerrechten en accijnzen te Santjoemeh. Hij -had in zijne jeugd slechts elementair onderwijs genoten, doordat hij, <span class="pageNum" id="pb182">[<a href="#pb182">182</a>]</span>nog zeer jong zijnde, reeds door zijn vader op het kantoor van een ontvanger van de -rijksbelastingen in eene kleine provinciestad geplaatst was geworden. Dat gebrek aan -opvoeding had hem ieder vooruitzicht benomen, om het ooit verder op de maatschappelijke -ladder te brengen dan tot controleur bij het financiewezen in het moederland. Door -dat denkbeeld beheerscht, had hij aan de oproeping van would be fiscale specialiteiten, -indertijd door den Minister van Koloniën gedaan, ten gevolge van de wijzigingen in -de steeds zoo slecht werkende comptabiliteits-wet in Nederlandsch-Indië noodzakelijk -geworden, gehoor gegeven, en was als <span class="corr" id="xd30e4492" title="Bron: financieel">financiëel</span> ambtenaar met dispensatie van het afleggen van eenig examen<a class="noteRef" id="xd30e4495src" href="#xd30e4495">7</a> naar de overzeesche bezittingen vertrokken, in de hoop daar met zijnen buigzamen -geest, in weerwil van zijne wetenschappelijke tekortkomingen, zich eene loopbaan overeenkomstig -zijne aspiratiën te kunnen scheppen. -</p> -<p>Maar bij aankomst te Batavia, als derde commies bij het departement van Financiën -geplaatst, had hij daarbij weldra de maat der bekrompenheid zijner denkbeelden geleverd, -en was hij dan ook spoedig naar Santjoemeh overgeplaatst in de betrekking, die hij -thans bekleedde, en waarschijnlijk zijn <i lang="fr">bâton de maréchal</i> zoude zijn. Hij was de fiscale ambtenaar op en top in de meest ongunstige beteekenis -van het woord, en had die loopbaan den meest nadeeligen invloed op zijn karaktervorming -gehad. Hij was sluw, listig, geveinsd en uiterst valsch van aard. Schrapen was zijn -eenige wellust in dit ondermaansche, en alle middelen, zelfs leugen en bedrog, werden -door hem gebezigd om dien hartstocht bot te vieren. Hoewel hij zijn particuliere welvaart -volstrekt niet veronachtzaamde, zoo had zijn schrapen toch meer betrekking op de te -innen belastingen, en vertolkte die zich bij zijne bekrompen denkbeelden in plagerijen -van de belastingschuldigen. Een <span class="pageNum" id="pb183">[<a href="#pb183">183</a>]</span>half centje naasten was het nec plus ultra van genot; maar nimmer beschermde hij de -belanghebbenden tegen te hooge betaling. Integendeel, van zijne medewerking kon het -Indisch bestuur verzekerd zijn, wanneer zelfs door de meest willekeurige en onrechtmatige -handelingen geld afgeperst werd. Zijn uiterlijk stond in nauw verband met zijn karakter. -Hij had een smal toeloopend hoofd, dat schraal gedekt werd door kastanjebruin haar, -hetwelk in twee sierlijke lokken met bandolien, gom-adragant, stijfsel, vischlijm -of eenig ander kleefmiddel langs de slapen geplakt was. Zijn gelaat was langwerpig -en scherphoekig, en had die vaalgele tint, welk een zuinig gebruikte handdoek aanneemt, -wanneer hij lang in de linnenkast heeft gelegen. Zijn neus was welgevormd, smal en -scherp, maar vormde met de vooruitstekende lippen van den kleinen mond een profiel, -dat het midden hield tusschen dat van eene meerkat en van een vos, in ieder geval -op de geaardheid van een knaagdier duidde. Misschien was het daarom, dat zijne makkers -hem gewoonlijk Muizenkop heetten. Op de wangen of lippen was geen spoor van dons of -van haar te ontdekken. Een pater Jezuïet had dat fletsche gelaat kunnen benijden. -</p> -<p>Hoe Willem Verstork aan zoo’n weinig sympathieke kennis kwam? Och, dat was eenvoudig: -Mokesuep was de letter der fiscale bepalingen geïncarneerd; en daar de controleur -bij het innen van belastingen in zijne afdeeling zoo weinig mogelijk met de kleingeestige -muggenzifterijen der <span class="corr" id="xd30e4514" title="Bron: financïeele">financiëele</span> ambtenaren te doen wilde hebben, zoo had hij dien man in den arm genomen, die hem -op het gebied van accijnzen wel niet altijd den besten raad gaf, maar hem vrijwaarde -van onhebbelijke aanmerkingen. -</p> -<p>Maar, terwijl de lezer deze persoonsbeschrijvingen onder de oogen kreeg, had de ruiterstoet -den afstand, die de dèsa’s Kalimatti en Banjoe Pahit van elkander scheidde, afgelegd, -en was op het punt laatstgenoemde plaats binnen te rijden. -</p> -<p>Banjoe Pahit, eene groote dèsa, die vriendelijk in een licht doorsneden heuvelachtig -terrein gelegen was, had heden ter eere van de verwacht wordende gasten haar feestkleed -aangetrokken. Allerwegen verschenen de bewoners, zelfs de vrouwen en kinderen, in -hunne beste <span class="pageNum" id="pb184">[<a href="#pb184">184</a>]</span>kleederen, die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden.<a class="noteRef" id="xd30e4522src" href="#xd30e4522">8</a> Aan den vlaggestok, die op het erf van de controleurswoning stond, wapperde een spiksplinter -nieuwe Nederlandsche vlag. De wedono, de loerah, en de andere hoofden, ja zelfs de -„mantri tjatjar” (vaccinateur) der afdeeling, en de „panghoeloe” (priester) hadden -dat voorbeeld gevolgd, en hunnen ijver en genegenheid trachten te betoonen door ook -de driekleur naast hunne woning, aan een bamboestaak, waaraan anders eene kooi met -„perkoetoet’s” (tortelduif) geheschen werd, thans te ontrollen. Allerwegen klonk de -gamelan en verleende aan de feestelijke stemming der bewoners, die allen op de been -waren en de heeren vriendelijk begroetten, een eigenaardigen localen stempel. -</p> -<p>„Drommels,” herhaalde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> <span class="corr" id="xd30e4531" title="Bron: Rheyn">Rheijn</span>, „rameh besar! De controleur doet de zaken goed! Dat belooft!” -</p> -<p>„Aan die ramen heb ik part noch deel,” antwoordde Verstork. „Maar de bevolking is -blij, dat wij haar van die bende tjellengs komen verlossen, die ontzettend hare velden -verwoesten. Gij zult eens zien met hoeveel geestdrift zij morgen zullen uittrekken, -om ons bij de klopjacht behulpzaam te zijn.” -</p> -<p>De ruiterstoet was op het erf van het controleurshuis aangekomen en steeg af. -</p> -<p>„Mijne heeren,” sprak Verstork tot Van Nerekool en Van <span class="corr" id="xd30e4538" title="Bron: Rheyn">Rheijn</span>. „Ik heet u welkom in mijne woning.” En meer in het algemeen: „Wij zullen ons een -oogenblik lekker maken en baden. Dan zal het tijd zijn om aan tafel te gaan.” -</p> -<p>„Zoo vroeg?” was de vraag van een der gasten. -</p> -<p>„Zeker; want wij zullen na den maaltijd, die slechts een jagersdiner zal mogen heeten, -dat wil zeggen, voedzaam maar kort, andermaal te paard stijgen om den Djoerang Pringapoes -te verkennen, en voor zonsondergang uit te maken, waar de klopjacht zal beginnen, -en waar wij positie zullen nemen, om de wilde zwijnen op te wachten.” -</p> -<p>„Wij hebben toch maanlicht, nietwaar?” vroeg Van <span class="corr" id="xd30e4546" title="Bron: Rheyn">Rheijn</span>. „Ik meen zelfs, dat wij volle maan hebben.” -<span class="pageNum" id="pb185">[<a href="#pb185">185</a>]</span></p> -<p>„Ja, en die zal goed te pas komen bij het naar huis rijden,” hernam de controleur. -„Geloof mij, die verkenning zal een geruimen tijd vorderen. Dan zullen wij vroeg naar -bed moeten gaan; want morgen ochtend moeten wij bij het aanbreken van den dag bij -den djoerang zijn, om onze stelling in te nemen en de jacht te beginnen.” -</p> -<p>En zich tot de twee voornaamste Javaansche hoofden wendende, die de blanken tot op -het erf van den controleur gevolgd waren, zeide hij: -</p> -<p>„Wedono, en gij loerah, gij beiden gaat straks mede naar den djoerang, niet waar?” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean,” was het antwoord. -</p> -<p>„Welnu, blijft dan met ons eten.” -</p> -<p>Maar de Javanen bedankten op de meest hoffelijke wijze. Zij hadden te huis nog iets -te verrichten; zij zouden evenwel op den bepaalden tijd present zijn. Wat zij niet -zeiden, maar toch dachten, was, dat zij beducht waren, dat onder de spijzen varkensvleesch -zoude voorgediend worden, of dat eenigen der schotels met reuzel of iets dergelijks, -afkomstig van het verafschuwde onreine dier, toebereid zouden zijn. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De zon was juist ondergegaan, toen de jagers de voornaamste toegangen tot den Djoerang -Pringapoes verkend hadden, en het plaatsen der schutters op de verschillende punten -met den wedono en de beide loerah’s van Banjoe Pahit en Kaligaweh, welke laatste opontboden -was, besproken hadden. Men bevond zich toen bij het beneden gedeelte van den djoerang, -daar waar de beek, die het ravijn doorsneed, over haar rotsbed van vak tot vak afdalende, -eene reeks van watervalletjes en stroomversnellingen vormde, die dit gedeelte van -het reeds zoo schoone landschap tot het schilderachtigste der geheele residentie Santjoemeh -maakten. Op een geweerschots-afstand spreidde zich de dèsa Kaligaweh in de sawahvlakte -uit, en weerspiegelde zich bij de wonderlijke tinten, die den avondhemel bij het ondergaan -der zon nuanceerden, in de sawahvakken, die ook hier bevloeid waren, en stelde met -hare klapperboomen, met hare bamboestruiken, met hare menigte vruchtboomen, waartusschen -de gele omwandingen der hutten schier <span class="pageNum" id="pb186">[<a href="#pb186">186</a>]</span>niet ontwaard werden, een toovertooneel daar, hetwelk zich in den waterspiegel verdubbelde, -en zoo schoon was, dat de Europeanen zich aan dat gezicht niet verzadigen konden. -Alleen het verbleeken dier tinten bij het intreden van den nacht, en bij het verschijnen -van de maan boven de kim, kon aan dat aanschouwen en bewonderen een einde maken. -</p> -<p>Juist zou men afscheid van den loerah van Kaligaweh nemen, na dien aanbevolen te hebben, -den volgenden ochtend met zijn volk op de afgesproken plaatsen aanwezig te zijn, en -had men reeds de paarden gewend, om spoorslags naar Banjoe Pahit terug te keeren, -toen plotseling van den kant van eerstgenoemde dèsa een vreeselijk gegil vernomen -werd. Allen stonden dadelijk stil, en luisterden aandachtig. Dat gegil hield aan, -en duidelijk werd te midden van het verwarde geschreeuw van vrouwen en kinderen het -schrikkelijk klinkende „amokh! amokh!” (moord! moord!) gehoord. -</p> -<p>„Wat mag er gaande zijn, loerah?” vroeg Willem Verstork aan het dèsahoofd, dat nog -bij de heeren stond. -</p> -<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde deze, „maar wil ik gaan hooren?” -</p> -<p>„Wacht even, daar komt een oppas aanrennen!” -</p> -<p>En inderdaad, hijgend en schier ademloos kwam zoo’n kanarievogel<a class="noteRef" id="xd30e4570src" href="#xd30e4570">9</a> aangevlogen, die een pad over de galangan’s der rijstvelden in de richting van den -Djoerang Pringapoes volgde. Toen hij bij den troep aangekomen was, hurkte hij in der -haast voor den controleur neder, en bracht den sembah. -</p> -<p>„Kandjeng toean,” sprak hij gejaagd, „er wordt amokh in de dèsa gemaakt. Reeds is -een bandoelan onder den kris gevallen en een oppas deerlijk verwond!” -</p> -<p>„En wie is de amokhmaker?” vroeg Verstork. -</p> -<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean. Vrouwen en kinderen vluchtten gillend en huilend; -toen heb ik mij gehaast om naar den loerah rapport te komen brengen. Maar bij het -heenijlen hoorde ik roepen, dat Setrosmito de <span class="corr" id="xd30e4578" title="Bron: amohkmaker">amokhmaker</span> zoude zijn.” -<span class="pageNum" id="pb187">[<a href="#pb187">187</a>]</span></p> -<p>„Setrosmito, de oude Setrosmito!” riep Verstork uit. „Onmogelijk, nietwaar, loerah?” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde het hoofd, -</p> -<p>„Die man is veel te bedaard,” ging de controleur voort. „Daarenboven hij is niet aan -het opiumschuiven verslaafd, nietwaar, loerah?” -</p> -<p>„Bottèn, (neen) Kandjeng toean!” was het voorzichtige antwoord. -</p> -<p>Het gegil hield aan. Duidelijk zag men, in weerwil van de avondschemering, menschen -in de grootste verwarring binnen den dèsarand heen en weer ijlen. -</p> -<p>„Kom, heeren,” sprak de controleur. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Mijne aanwezigheid is op de plaats des onheils noodig. Gaat gij met mij? Met een flinken -galop zijn wij er in weinige oogenblikken.” -</p> -<p>„Wij volgen u!” kreten al de jongelieden, op een na. -</p> -<p>„Is het wel voorzichtig?” waagde Mokesuep in het midden te brengen. -</p> -<p>Maar zijne vraag ging voor de anderen verloren. Die hadden op het voorbeeld van Verstork -hunne paarden in galop gezet, en ijlden den landweg af, die naar Kaligaweh voerde. -Mokesuep was evenwel te bedachtzaam om te volgen. Vreeselijke verhalen van amokhpartijen -kruisten hem door zijn brein. Een oogenblik stond hij besluiteloos wat te doen. Maar -daar herhaalde zich het gegil met verdubbelde kracht, terwijl de tontong’s als bezetenen -weerklonken. Dat gaf den doorslag. Hij wendde zijn paard, gaf het de sporen, en ijlde -in razenden ren naar Banjoe Pahit in plaats van naar Kaligaweh. -</p> -<p>„Bij zulke voorvallen is ’t verstandigst zijne huid te bergen,” dacht hij. „Straks -zullen de anderen mij wel volgen.” -</p> -<p>Terwijl de anderen voortreden in de richting van Kaligaweh, waarschuwde hen Verstork. -</p> -<p>„Opgepast en uitgekeken,” sprak hij. „Bij amokhpartijen is het zaak op zijne hoede -te zijn, hoewel angstvalligheid niet aanbevolen kan worden, daar deze het gevaar nog -vermeerdert. Houdt uwe revolvers gereed!” -</p> -<p>De aanbeveling was evenwel overbodig. Toen de ruiters den dèsarand doorjoegen, ontwaarden -zij nog wel eenige verschrikte vrouwen, die hunne kinderen in hunne armen sloten, -als wilden zij ze beschermen; maar de mannen <span class="pageNum" id="pb188">[<a href="#pb188">188</a>]</span>stonden allen met de lans of de kris in de hand rondom eene hut geschaard, die gesloten -was, en niets merkwaardigs aanbood. Wel weerklonk de kreet: -</p> -<p>„Als hij er uit komt, moeten wij hem op onze lansen opvangen!” -</p> -<p>„Wat is hier te doen?” vroeg de controleur, die van zijn paard sprong, de teugels -aan een der omstanders toewierp, en in den kring trad. -</p> -<p>„Setrosmito heeft amokh gemaakt, Kandjeng toean!” was het antwoord. -</p> -<p>„Toch Setrosmito?…” mompelde de ambtenaar onhoorbaar. -</p> -<p>Maar de vraag was ternauwernood gedaan, en het antwoord daarop gegeven, of de deur -der hut vloog open, terwijl Setrosmito op den drempel verscheen. -</p> -<p>Het was een oudachtig man met reeds grauwende haren, die hem wild en woest om het -hoofd fladderden, daar hij zijn hoofddoek scheen verloren te hebben. Zijn baatje was -geheel gescheurd, zoodat slechts een vod daarvan door een der armen opgehouden werd. -Aangezicht, borst en handen waren met bloed bevlekt, zoodat de rampzalige er schrikkelijk -uitzag. -</p> -<p>„Daar is hij! Daar is hij!” kreet de menigte. „Opgepast!” -</p> -<p>Alle lansen bogen voorover tot verdediging gereed. -</p> -<p>„Ik wil niemand kwaad doen!” riep Setrosmito zijne dèsagenooten toe. „Maar nadert -mij niet om mij gevangen te nemen; want de eerste, die mij aanraakt, steek ik neer!” -</p> -<p>En met zoo’n woest dreigend gebaar zwaaide hij den kris, dien hij in de rechterhand -had, dat de menigte achteruit stoof, zoodat de controleur, die een oogenblik achteraf -gestaan had, op den voorgrond kwam. Maar nauwelijks had de ongelukkige den blanke -in het oog gekregen: -</p> -<p>„Ampon, (vergeving) Kandjeng toean!” kreet hij, terwijl hij zijn wapen van zich afslingerde, -en aan de voeten van den ambtenaar neerhurkte. „Ampon, Kandjeng toean!” herhaalde -hij daar. -</p> -<p>Dat alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat de meesten der omringenden -niet onmiddellijk vatten, wat er gaande was. Toen die met bloed bevlekte man naar -den controleur ijlde, meenden velen, dat deze in gevaar <span class="pageNum" id="pb189">[<a href="#pb189">189</a>]</span>verkeerde. Zijn metgezellen traden dan ook met den revolver in de hand vooruit. Ook -de Javanen wilden toespringen en den thans weerloozen dorpgenoot afmaken; maar Verstork -voorkwam hen, drong de voorsten met de hand achteruit, en weerhield de overigen met -het bevel: -</p> -<p>„Achteruit! Laat dien man! Ik beveel het!” -</p> -<p>En op den hurkenden Javaan toetredende, die andermaal op smeekenden toon herhaalde: -</p> -<p>„Ampon, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Hebt gij amokh gemaakt, Setrosmito?” vroeg hij. -</p> -<p>„Heer! ik heb een bandoelan gedood, die „koerang adjar” (onwelvoegelijk) met mijn -kind handelde. Ja, dat heb ik gedaan. Ik heb ook een oppas verwond, die hem daarbij -hielp. Wie zou mijn kind beschermd hebben, als ik het niet deed? Maar ik heb niemand -anders verwond of gedood. Dat zal de geheele negorij getuigen.” -</p> -<p>Verstork liet de oogen over de menigte gaan. Allen stonden daar ademloos, geen woord -van protest werd vernomen. -</p> -<p>„Gij bekent een bandoelan gedood en een oppas verwond te hebben?” vroeg de controleur -ernstig. -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean!” klonk het schier onhoorbare antwoord van den steeds hurkenden -Javaan. -</p> -<p>„Wedono, laat dien man binden!” klonk het bevel jegens het districtshoofd. -</p> -<p>„Ampon, Kandjeng toean,” kreet de rampzalige bij die woorden. „Ampon, ik heb slechts -mijn kind tegen vuile mishandelingen beschermd.” -</p> -<p>„Ge hebt u tegen de openbare machten verzet, dat mag niemand doen!” sprak de controleur -hoogst ernstig. „Maar, Setrosmito, de gerechtigheid der blanken zal de zaak onderzoeken, -en is uw kind mishandeld, dan zal dat voorzeker in aanmerking genomen worden en uwe -straf lichter maken.” -</p> -<p>Een dof gemompel ging onder de menigte op. Zij kende bij ervaring der blanken gerechtigheid, -wanneer het opiumzaken gold. Een bittere glimlach zweefde op aller gelaat. Menige -verwensching jegens het onbarmhartige volk, dat het schoone Java overheert en uitzuigt, -werd gepreveld. Nu men inzag, dat men met geen amokhmaker die alles in blinde en woeste -drift neerstak, maar met een vader, die zijn kind tegen de snoodste mishandelingen -beschermde, te doen had, nu had de geheele bevolking deernis met den ongelukkige. -Een gebiedende blik van <span class="pageNum" id="pb190">[<a href="#pb190">190</a>]</span>den controleur, een handgebaar van den wedono waren voldoende, om ieder gemompel tot -zwijgen te brengen. -</p> -<p>„Gij zult dien man nauwlettend laten bewaken, wedono, gij en de loerah staat mij borg -voor hem,” beval de Nederlandsche ambtenaar, „en gij zult zorgen, dat hij morgen ochtend -vroeg onder een geleide van gewapend dèsavolk naar Santjoemeh overgebracht wordt.” -</p> -<p>„Ampon, Kandjeng toean,” kreet nog de ongelukkige, die door zijne dorpsgenooten gekneveld -werd. -</p> -<p>„De Kandjeng toean besar zal beslissen, Setrosmito. Ik kan en mag niets anders doen -dan mijn plicht opvolgen.” -<span class="pageNum" id="pb191">[<a href="#pb191">191</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4362"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4362src">1</a></span> <i><span class="corr" id="xd30e4364" title="Bron: Makkassaren">Makassaren</span>.</i> De inheemsche paarden van Zuid-Celebes zijn door den geheelen Archipel beroemd. Zij -worden Makassaren genoemd naar de hoofdplaats Makassar. <a class="fnarrow" href="#xd30e4362src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4371"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4371src">2</a></span> <i>Kedoeërs en <span class="corr" id="xd30e4374" title="Bron: Battakkers">Batakkers</span>.</i> In den tijd, lang geleden, toen de Nederlanders nog hart voor hunne koloniën hadden, -werden Friesche hengsten ingevoerd en in de residentiën Kedoe en Preanger-Regentschappen -stoeterijen opgericht. De stoeterijen zijn reeds lang verdwenen; maar de afstammelingen -van die Friesche hengsten vormen een zeer fraai en krachtig paardenras, dat evenwel -door gebrek aan nieuw bloed langzamerhand uitsterft. Batakkers zijn een fraai inheemsch -paardenras, in de Bataklanden in Noord-Sumatra. Het zijn kleine paarden, maar van -zoo edelen vorm, dat moeielijk iets meer volmaakt op dit gebied uit te denken is. <a class="fnarrow" href="#xd30e4371src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4392"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4392src">3</a></span> <i>Tamarinde-boom</i> is een groote kruinboom met uiterst fijn gevinde bladeren. Bij de geleerden heet -hij Tamarindus indica. <a class="fnarrow" href="#xd30e4392src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4406"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4406src">4</a></span> <i>Toeri- of klampiesstruikjes</i> zijn sierlijke gewassen, die door de geleerden genoemd worden, de eerste: Agati grandiflora, -de tweede Acacia tomentosa. <a class="fnarrow" href="#xd30e4406src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4438"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4438src">5</a></span> <i>Wedono, djoeroetoelis, loerah, kabajan, kamitoewa en tjarik</i> zijn allen titels van Javaansche hoofden. De wedono is het districtshoofd, de djoeroetoelis -is zijn schrijver, de loerah is het dèsahoofd en de drie vorigen zijn leden van het -dèsabestuur<span class="corr" id="xd30e4441" title="Niet in bron">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd30e4438src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4468"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4468src">6</a></span> <i>Als de bevolking er gebruik van mag maken.</i> De tijd ligt zoo ver niet achter ons, dat de Javaan geprest werd, om in onbetaalden -heerendienst prachtige wegen over berg en dal voor zijne blanke overheerschers aan -te leggen, evenwel daarvan zelf geen gebruik mocht maken, maar zich vergenoegen moest -met de zoogenaamde karrewegen, naar welker onderhoud niemand omzag, en dan ook in -een niet te beschrijven toestand van verwaarloozing verkeerden. <a class="fnarrow" href="#xd30e4468src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4495"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4495src">7</a></span> <i>Met dispensatie van het afleggen van eenig examen.</i> Bij koninklijk besluit dd. 21 Januari 1879 N<sup>o</sup>. 28 werd aan tien Nederlandsche landsdienaren dispensatie verleend van het examen, -bedoeld bij Staatsblad N<sup>o</sup>. 194 van 1864. Men hoopte door dien maatregel de comptabiliteits-wet, die dreigde -te stranden, in vlot water te brengen. De lezer kan nagaan welke specialiteiten toen -naar Ned. Indië gezonden zijn. Helaas! de zoo schoone Koloniën ondervinden er de naweën -en Nederland plukt er de vruchten van. <a class="fnarrow" href="#xd30e4495src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4522"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4522src">8</a></span> <i>Die zij gewoonlijk ’s Vrijdags slechts aan hadden.</i> De Vrijdag, hari Djoemahat, is de Zondag der Mahomedanen. <a class="fnarrow" href="#xd30e4522src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4570"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4570src">9</a></span> <i>Kanarievogel.</i> De uniformen der oppassers zijn ruim met geel laken uitgemonsterd. Van daar die gebruikelijke -benaming. <a class="fnarrow" href="#xd30e4570src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch14" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e743">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIV.</h2> -<h2 class="main">Eene huiszoeking met hare gevolgen.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Van een dadelijk terugkeeren naar Banjoe Pahit moest afgezien worden, dat zagen de -jagers ras in. Verstork moest zich onledig houden met het instellen van een voorloopig -onderzoek omtrent den manslag en de verwonding die plaats hadden gehad. Hij deed dat -nauwgezet als altijd, en ziet hier wat uit dat onderzoek bleek: -</p> -<p>Het was ongeveer vijf uur in den namiddag geweest, toen Singomengolo, de spion van -den opiumpachter, vergezeld van een Chineeschen bandoelan, zich in de dèsa Kaligaweh -vertoond had. Beide personen hadden eerst een bezoek aan de opiumkit gebracht, om -daar van de gedelegeerden van den pachter de noodige inlichtingen in te winnen. Daarna -hadden zij zich naar het huis van den loerah begeven en, bij afwezigheid van dat dorpshoofd, -die, wij weten het, voor de varkensjacht naar Banjoe Pahit opgeroepen was, zich tot -een ander lid van het dèsa-bestuur gewend, ten einde den bijstand der politieagenten -te erlangen. -</p> -<p>Door een paar oppassers vergezeld, begaf zich de Chineesche opium-spion naar de woning -van Setrosmito, Dalima’s vader, en gaf, daar aangekomen, den wensch te kennen het -huis van den Javaan te doorzoeken. -</p> -<p>„Gij bezoekt nimmer de kit van babah Than Kik Sioe” zei hij. „Gij koopt er nimmer -opium, zoodat de pachter tot de veronderstelling moet komen, dat gij u van sluikopium -voorziet. Ik heb in opdracht uw huis ten nauwkeurigste te doorzoeken.” -<span class="pageNum" id="pb192">[<a href="#pb192">192</a>]</span></p> -<p>„Ik schuif geen opium in de kit, en ook niet in huis. Gij zult geen opium bij mij -vinden. Maar ga uw gang, babah,” was het rustige antwoord van den trouwhartigen landbouwer. -</p> -<p>De Chinees en de beide oppassers wilden binnentreden. -</p> -<p>„Neen,” sprak Setrosmito bedaard. „Eerst moet jullie onderzocht worden.” -</p> -<p>En zich tot eenige dorpsgenooten wendende, die op het verschijnen van de politieagenten -en den opiumjager nieuwsgierig bijgetreden waren: -</p> -<p>„Sidin en Sariman,” sprak hij, „helpt mij den bandoelan en de oppassers te onderzoeken.” -</p> -<p>Het drietal, te zeer gewoon aan zoo’n bejegening,<a class="noteRef" id="n192.1src" href="#n192.1">1</a> onderwierp zich aan de geëischte visitatie, die met de meest mogelijke nauwkeurigheid -geschiedde, zonder evenwel een spoor van opium op te leveren. -</p> -<p>Eerst daarna gebeurde het huisonderzoek, hetwelk eene herhaling mocht genoemd worden -van dat, hetwelk kort te voren bij Pak Ardjan had plaats gehad. Maar, had Setrosmito -bij de opiumjagers geen heulsap gevonden, evenmin vonden dezen iets, wat op sluikwaren -kon gelijken, hoe dikwerf zij het huis in alle hoeken en gaten met de grootste nauwgezetheid -doorzochten. -</p> -<p>„Waar zijn uwe kinderen?” vroeg eindelijk de Chinees woedend en wanhopig, dat niets -te vinden was. -</p> -<p>„Die zijn op de gemeenteweide, waar zij op mijne twee karbouwen passen.” -</p> -<p>De Chinees had een gemeenen grijnslach op het vuil bleeke gelaat, toen hij vernam, -dat de Javaan nog twee ploegdieren rijk was. Er waren helaas! slechts weinige bewoners -van Kaligaweh, die welvarende dèsa van weleer, <span class="pageNum" id="pb193">[<a href="#pb193">193</a>]</span>welke nog zooveel bezaten. Hij zei evenwel niets, maar spoedde met de politiedienaren -naar buiten, om zich naar Singomengolo te begeven, ten einde dien van den stand van -zaken mededeeling te doen. -</p> -<p>Die aterling glimlachte, en keek verachtelijk neer op den Chinees over zijne onhandigheid. -</p> -<p>„Lim Ho en Lim Yang Bing hebben wat aan jou als bandoelan,” siste hij hem te gemoet. -„Jij zult nimmer sluikopium vinden.” -</p> -<p>„Maar jij ook niet, waar hij niet is.” -</p> -<p>„Wel, „Keh”<a class="noteRef" id="xd30e4683src" href="#xd30e4683">2</a>, voor een ringgiet wedden, dat ik er vind?” -</p> -<p>„Onmogelijk. Ik heb het geheele huis het onderste boven gehaald. Ik heb tot de bamboestijlen -der hut doorzocht, en nergens iets gevonden.” -</p> -<p>„Hebt je ook onder den „dapoer” (vuurhaard) gezocht?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Ook in de asch van den dapoer? Heb je den bodem der hut opgegraven?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„Ook onder de baleh-baleh? Heb je ook de „bantal’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> (kussens) onderzocht?” -</p> -<p>„Ja, ja, ja! Ik ben geen kind!” sprak de Chinees gemelijk. -</p> -<p>„Geen kind, maar een domkop, nog dommer dan een karbouw ben je! Kom maar meê,” ging -Singomengolo voort, na die liefelijkheden, den gestaarten natuurgenoot naar het hoofd -geslingerd te hebben. „Kom maar mee, dan zal ik je laten zien, dat waar jij niets -vondt, ik wel wat zal opsporen! Die dèsa-honden hebben steeds opium in huis.” -</p> -<p>De ellendeling vergat, dat hij in die dèsa het licht aanschouwd had. Maar, zoo gaat -het meer in de wereld. -</p> -<p>Het viertal maakte rechtsomkeert, en keerde naar de hut van Setrosmito terug, om het -onderzoek te hervatten. Toen de Javaan de aangekomenen op nieuw wilde onderzoeken, -weigerde Singomengolo botweg. -</p> -<p>„Als je mij aan het lijf komt, ransel ik je af als een schurftigen hond!” zei hij -barsch. -<span class="pageNum" id="pb194">[<a href="#pb194">194</a>]</span></p> -<p>Setrosmito protesteerde. -</p> -<p>„Ja, dan zal er wel opium in mijn huis gevonden worden,” zei hij. „Ik ken die streken! -Kabajan,” zoo wendde hij zich tot een lid van het dèsa-bestuur, die onder de menigte -voor het huis stond toe te kijken. „Kabajan, ik roep u tot getuige van hetgeen hier -gebeurt!” -</p> -<p>Deze echter, beducht om met de aterlingen van het opium-monopolie in aanraking te -komen, antwoordde niet, maar maakte zich ijlings uit de voeten. Lachende trad Singomengolo -met zijne acolyten de hut binnen. Met hen evenwel ook Setrosmito’s kinderen, twee -jongetjes en een meisje, die met hunne buffels van de gemeenteweide huiswaarts gekeerd -waren, en groote oogen opzetten, toen zij zooveel volk voor het huis hunner ouders -verzameld zagen. -</p> -<p>De knapen waren kinderen van acht en negen jaren. Evenals de meeste jeugdige Javaantjes -hadden zij aardige lieve gezichtjes met schalks kijkende bruine oogen. Hun uiterlijk -werd, wat schoonheidsgevoel aangaat, wel eenigermate benadeeld door de kaal geschoren -hoofdjes, waarop slechts eene vlok haar ter breedte eener hand gespaard was gebleven, -en die de een op de kruin, en de andere boven het linkeroor droeg. Hunnen landaard -getrouw, hadden zij fraai gevormde en lenige ledematen, slanke lendenen en een uiterst -dun middeltje, dat voortreffelijk uitkwam, daar zij, argeloos volgens ’s landswijs, -op dien leeftijd spiernaakt liepen, en slechts een zilveren ring om de voetenkels -droegen. -</p> -<p>Het meisje, dat slechts zeven jaren telde, had ook een allerinnemendst gezichtje, -hetwelk onder den zwarten ongeschonden haardos bevallig uitkwam. Het kind had bloote -armen, maar de borst was bedekt met een van veelkleurige lappen vervaardigde „otto” -(slabbertje); terwijl om de heupen een kettinkje geslagen was, waaraan een zilveren -plaatje bevestigd was, om het schaamdeel te bedekken. -</p> -<p>Bij hun binnentreden vonden zij Singomengolo druk bezig met in kisten en potten en -pannen te zoeken, waarbij hij echter door Setrosmito nauwlettend op de handen gekeken -werd. Dat verdroot den aterling, die daardoor in zijne snoode plannen gedwarsboomd -werd. Hij gaf een teeken aan den Chinees, die met zijne scheefstaande <span class="pageNum" id="pb195">[<a href="#pb195">195</a>]</span>oogen de kinderen akelig gadesloeg, en een afzichtelijken grijns vertoonde bij het -detailleeren van de vormen der kleine Kembang (bloem). -</p> -<p>Op het teeken van Singomengolo greep hij een der knapen, en onder voorwendsel van -ook bij hen opium op te sporen, bevoelde en betastte hij hen achtereenvolgens het -naakte lichaam, zocht op de walgelijkste wijze onder de oksels en overal waar een -madat-balletje kon verborgen zijn. De jongens weerstreefden wel, trachten den gewetenloozen -schurk te krabben en te bijten, maar gaven geen kik, die hun vader van het toezicht, -dat hij op de handelingen van Singomengolo hield, kon afleiden. -</p> -<p>Maar toen de Chinees het meisje greep, en haar den otto van de borst scheurde, gilde -het arme kind allerverschrikkelijkst, rukte zich los, en verborg het naakte lichaampje -aan de borst harer moeder, die haar omarmde, als wilde zij haar beschermen. Te vergeefs. -De Chinees naderde met zijn bleek, fletsch, akelig door lage hartstochten verwrongen -gelaat en, geholpen door de beide politieoppassers, sleurde hij het meisje uit de -armen der vrouw, die onvermogend was haar te beveiligen. -</p> -<p>„Straks jou beurt,” brulde de Chinees tegen de moeder „want die kleine kat heeft tijd -gehad om je opium over te reiken. Blijf zitten!” -</p> -<p>En nu werd het tooneel van betasting herhaald, dat nog walgelijker was, daar de Chinees -zich tegenover een schepseltje der teedere kunne bevond, en zich alles meende te kunnen -en mogen veroorloven. -</p> -<p>„<span lang="ms">Alah! tobat!</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> kreet de moeder bij zoo’n ontzettend schouwspel. -</p> -<p>Bij dien noodkreet keek Setrosmito even naar zijne vrouw op. -</p> -<p>Van dat schier ondeelbare oogenblik maakte Singomengolo, die tot nu toe scherp op -de handen gekeken was, gebruik. Fluks bracht hij de gesloten hand onder een pandan-matje, -dat op de baleh-baleh lag, en reeds driemalen bij dat huisonderzoek zonder resultaat -opgetild was geweest, en haalde er triomfeerend een koperen doosje onder uit, dat -hij met gemaaktheid vertoonde. -</p> -<p>„Ziet ge wel!” riep hij uit, „dat hier „tjandoe glap” (gesloken opium) in het huis -aanwezig was.” -</p> -<p>Setrosmito werd bleek bij dat gezicht. Hij begreep bij <span class="pageNum" id="pb196">[<a href="#pb196">196</a>]</span>de bestaande rechtspleging der Nederlanders, in kwestie opiumgeschillen, wat hem te -wachten stond. Toorn en drift kookten in zijn gemoed. -</p> -<p>„Er was hier geen opium in huis!” riep hij in wanhoop uit, terwijl hij onwillens de -hand naar den kris uitstak, naar een oud erfstuk zijner vaderen, dat tusschen de kadjang-omwanding -boven de baleh-baleh uitstak. „Gij, gemeene hond, hebt die opium onder dat matje verstopt!” -</p> -<p>Singomengolo beantwoordde die beschuldiging, welke zoo op den man af was, met een -vuistslag, die Setrosmito vlak voor den mond trof. Brullend van woede rukte deze den -kris uit de schreede. En juist in dit oogenblik stiet Kembang plotseling een hartverscheurenden -gil uit, die Singomengolo het leven redde. De vader keek verbijsterd rond, maar toen -hij ontwaarde, welke afgrijselijke grijnslach op het walgelijk gelaat van den Chinees -zetelde, welk gemeen gebaar deze zich tegenover zijne lieve aanminnige Kembang veroorloofde, -steeg hem het bloed onweerstaanbaar naar het hoofd, en veranderde zijn toorn van richting. -Een roode nevel, zoo rood als bloed, trok voor zijne oogen. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng! Sakit! sakit!</span>” (help! help! pijn! pijn!) gilde het kind. -</p> -<p>Blind van drift en woede stortte zich de vader met den noodlottigen kris in de hand -naar den kant van den onverlaat. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” (moord! moord!) kreet een der politiedienaren bij het zien van den gevlamden kris -in de vuist van den waanzinnig vertoornden vader. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> herhaalde de menigte buiten, zonder nog te weten, wat er gaande was. -</p> -<p>Vrouwen en kinderen vlogen gillend weg. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> klonk het weldra van alle kanten. -</p> -<p>De mannen ijlden naar huis, om hunne lansen te halen, onbewust wien het gold. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” herhaalden de „kedjinemans”<a class="noteRef" id="xd30e4764src" href="#xd30e4764">3</a> en stormden naar de „gardoe” (wachthuis), waar zij de alarmtonen op de tongtong akelig -lieten weerklinken. -</p> -<p>De oppasser, die het eerst het woord amokh uitgeroepen had, had eene poging willen -aanwenden om zijn <span class="pageNum" id="pb197">[<a href="#pb197">197</a>]</span>sabel te trekken. Het lem was evenwel zoodanig in de scheede geroest, dat het wapen -niet te ontblooten was. De andere, geen tijd hebbende om zich te wapenen, wilde den -verdoolde bij den strot grijpen, maar ontving bij die poging een deerlijke sneede -over het aangezicht en borst, die wel is waar slechts eene niet gevaarlijke vleeschwonde, -maar eene aanmerkelijke verbloeding veroorzaakte, en daarenboven zooveel pijn teweegbracht, -dat de gekwetste kreunend afliet en een goed heenkomen zocht. Zijn makker koos op -het gezicht van zooveel bloed ijlings het hazenpad. -</p> -<p>Nu bevond zich de woedende vader tegenover den Chinees, die nog steeds het meisje -omkneld hield, en wiens walgelijke handtastelijkheden omtrent zijne onkuische bedoelingen -geen twijfel overlieten. -</p> -<p>„Laat los! laat los!” schreeuwde de van woede ziedende vader bekschuimend. -</p> -<p>Was de Chinees beteuterd op het gezicht van het gevaar, of zag hij in zijne overspanning -de aanwezigheid daarvan niet in? Genoeg zij het, hij voldeed niet aan dat uiterste -bevel des vaders. Hij stond daar met zijn fletsch gelaat, dat, hoewel nog van hartstocht -getuigende, toch een wezenloozen glimlach verried. Zijne handen lieten niet los, herhaalden -integendeel als krampachtig de ontuchtige beweging, en trachtten alleen het naakte -meisje voor zich te duwen, om zich achter haar te dekken. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” klonk het in het rond. -</p> -<p>„Laat los!” kreet de vader nogmaals, dat door den onverlaat met een dommen lach beantwoord -werd. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” herhaalde de tongtong dreigend. -</p> -<p>„Laat los!.… Niet?.… Sterf dan als een hond!” riep de ongelukkige vader. -</p> -<p>En bliksemsnel de gewapende hand omlaag brengende, haalde hij, alvorens de Chinees -tijd had achter het meisje, dat veel kleiner was dan hij, te bukken, hem het gevlamde -lem door de keel. -</p> -<p>„<span lang="ms">Adoe! Matti saja!</span>” (O, wee! ik ben dood!) gilde de Chinees met woest rollende oogen. Het waren zijne -laatste woorden. Met krampachtige hand trachtte hij de vervaarlijk gapende wond aan -zijn hals te sluiten. Te vergeefs. Het bloed spoot met kracht in fijne straaltjes -als zoo vele fonteintjes tusschen de gesloten vingeren door. <span class="pageNum" id="pb198">[<a href="#pb198">198</a>]</span>Een akelige hoest overviel hem, en een breede bloedgulp, die zijn mond ontsnapte, -overdekte de arme Kembang van het hoofd tot de voeten. Wankelend en zich steeds met -de eene hand aan het meisje vastklemmende, poogde de doodelijk verwonde overeind te -blijven staan. Vergeefsche poging! Hij wankelde, alsof hij beschonken was, en viel -eindelijk stervend neer. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” klonk het rondom de hut. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” herhaalde de tongtong. -</p> -<p>Setrosmito keek na zijne vreeselijke daad een oogenblik rond. Hij veegde zich met -de linkerhand de oogen af, en scheen langzamerhand tot besef te komen. Eindelijk kreeg -hij inzicht in den toestand. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” klonk het dreigend. -</p> -<p>Aan zijne voeten lag de Chinees in den doodstrijd nog te stuiptrekken, maar bewoog -zich weldra niet meer. Dat alles was in een ondeelbaar oogenblik, met de bliksemsnelheid -der gedachten geschied. Het vertrek was overigens leeg, want gelijktijdig met den -politieoppasser had ook Singomengolo het hazenpad gekozen. Zelfs de knapen van Setrosmito, -die eerst dat geheele tooneel wezenloos hadden aanschouwd, waren voor den dreigenden -kris huns vaders gevlucht; zelfs de gade was beducht heengeijld, en had haar naakt -dochtertje met zich meegesleurd. -</p> -<p>„<span lang="ms">Amokh! Amokh!</span>” -</p> -<p>Die kreet drong den ongelukkige, die al meer en meer tot bezinning kwam, als eene -bedreiging voor zijn leven in het oor. Want hij kende er maar al te goed de schrikkelijke -beteekenis van. Hij wist, dat wanneer dat woord weerklinkt, de geheele bevolking te -wapen vliegt, en zonder onderzoek, zonder te weten wat en wien het geldt, den moordenaar -te lijf gaat, die soms niet anders deed, dan eigen lijf te verdedigen, of zooals hier, -als beschermer zijner kinderen op te treden. -</p> -<p>Daar drongen eenige gewapenden de hut binnen met de lansspitsen vooruit. -</p> -<p>„Achteruit!” riep Setrosmito nog verwoed. „Die mij nadert, steek ik neer, zooals ik -dezen keh gedaan heb.” -</p> -<p>Verschrikt stoven allen de hut uit, en vormden daaromheen een dichten kring, waarin -druk gepraat, geschreeuwd en beraadslaagd, maar volstrekt geen ijver <span class="pageNum" id="pb199">[<a href="#pb199">199</a>]</span>aan den dag gelegd werd, om andermaal de hut binnen te dringen. -</p> -<p>Het was toen, dat de controleur Verstork met zijn gezelschap aankwam, en de moordzaak -met de gevangenneming van den ongelukkige beëindigde. -</p> -<p>Gedurende den loop van het verhoor vertoonde Singomengolo de opium, die hij zeide -in het huis van Setrosmito gevonden, en in beslag genomen te hebben. Het was eene -kleine hoeveelheid, die, in de opiumkit gewogen wordende, bleek schier vijftig mata’s, -dus ongeveer achttien milligrammen te bedragen. Het was eene bruin zwarte, kleverige -massa, die in een klein koperen<span id="xd30e4829"></span> doosje bevat was, hetwelk gemakkelijk in de hand geborgen kon worden. De controleur -nam dat doosje in beslag en verzegelde het behoorlijk in tegenwoordigheid van den -opiumjager. -</p> -<p>„Heeft iemand gezien,” vroeg hij dezen, „dat gij dat doosje onder het matje op de -baleh-baleh gevonden hebt?” -</p> -<p>„Ja, zeker, de Chinees.…” -</p> -<p>„Die dood is? Anders niemand?” -</p> -<p>„Ja, en de beide oppassers?” -</p> -<p>„Die eerst geen opium gevonden hebben?” -</p> -<p>„Traberdoeli!” (om het even) zei de opiumjager onbeschaamd. „Ik, Kandjèng toean, ik, -beëedigd bandoelan, heb het gevonden. Mijn woord is genoeg. De getuigenis dier twee -oppassers is overbodig.” -</p> -<p>De controleur gunde hem een blik vol verachting. De opiumjager scheen er zich echter -niet veel van aan te trekken; maar vertrok na een huichelend nederigen groet gebracht -en gepreveld te hebben: -</p> -<p>„Ik ga rapport uitbrengen bij den opiumpachter en bij den assistent-resident van politie.” -</p> -<p>Hij steeg daarop te paard, en verwijderde zich oogenschijnlijk langs den grooten weg -naar Santjoemeh. Oogenschijnlijk; omdat het later wel blijken zal, waarheen hij zijne -schreden wendde, en wat hij daar te verrichten had. Intusschen sloeg hij dadelijk, -na de dèsa verlaten te hebben, een pad rechts in, dat door de sawahs liep, en dwars -door het heuvelterrein voerde, maar een verkorten weg naar de hoofdplaats aanbood. -Zijn paard, met den weg bekend, stapte flink door, en middernacht was nog niet voorbij, -toen hij een eenzaam staand hutje <span class="pageNum" id="pb200">[<a href="#pb200">200</a>]</span>bereikt had, wiens bewoner hij opklopte, en dien hij met eene boodschap verder naar -Santjoemeh zond. -</p> -<p>Toen de controleur Verstork met den wedono en den loerah, die hem beiden bij dat lastige -onderzoek in die netelige zaak ijverig bijgestaan hadden, in de woning van den laatstbedoelde -terugkeerde, was het ongeveer negen uren in den avond. Hij vond zijne vrienden daar -vereenigd, die hem met ongeduld verbeidden. -</p> -<p>„Drommels!” pruttelde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, ontstemd als hij was, nu hij, na zich van het in verschiet zijnde jachtvermaak -de meest overdreven voorstellingen gemaakt te hebben, de geheele partij in gevaar -gebracht zag, waarbij nog kwam, dat hij zich in afwachting op den controleur gruwelijk -verveeld had. „Drommels, wat zijt gij lang weggebleven!” -</p> -<p>„Ik kon niet anders. Ik viel hier met den neus in de boter. Daarenboven, wat ik heden -avond afdoen kan, heb ik morgen niet te verrichten.” -</p> -<p>„Morgen?” -</p> -<p>„Ja, morgen. Verbeeld u, dat ik, om u gezelschap te houden, en naar Banjoe Pahit terug -te rijden, dat onderzoek niet gehouden had, dan zou dat morgen toch moeten geschieden, -en dan was onze geheele jachtpartij naar de maan.” -</p> -<p>„Morgen?” vroeg Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Zou Maandag ochtend ook nog niet tijd genoeg zijn?” -</p> -<p>Verstork keek den adspirant-controleur verstoord aan. Hij had een bits antwoord gereed; -maar hij weerhield het en antwoordde bedaard: -</p> -<p>„Neen, Maandag ware het in het belang der zaak te<span id="xd30e4861"></span> laat. Het is eene moordzaak, verwikkeld met eene opium-perkara; het zal moeite genoeg -kosten om de zaak tot helderheid te brengen.” -</p> -<p>„En zijt gij nu gereed.” -</p> -<p>„Ja” -</p> -<p>„Zoodat gij morgen niets meer te verrichten hebt?…” -</p> -<p>„Niets.” -</p> -<p>„En de jacht aanvoeren kunt?” -</p> -<p>„Ja, wees gerust. Ik heb nog maar een paar brieven te schrijven.” -</p> -<p>„Een paar brieven?” -</p> -<p>„Een kort verslag aan den resident en eene uitnoodiging <span class="pageNum" id="pb201">[<a href="#pb201">201</a>]</span>aan den djaksa (Inlandsch rechter van instructie) en aan den stadsgeneesheer om het -lijk te schouwen, en het <span lang="la">visum repertum</span> op te maken. Is ’t niet zoo Van Nerekool,” zoo wendde hij zich tot den rechterlijken -ambtenaar, „dat moet immers zoo?” -</p> -<p>„Wat zegt ge?” vroeg deze, als uit een droom ontwakende, en zich het voorhoofd wrijvende. -</p> -<p>In zijne gedachte verzonken, had hij niet gehoord. De vraag werd herhaald en bevestigend -beantwoord. -</p> -<p>„Wij hebben nog een flinken rit af te leggen, om terug te keeren naar Banjoe Pahit,” -merkte Theodoor Grenits op. „En morgen ochtend zal het vroeg dag zijn, nietwaar?” -</p> -<p>„Dat laatste voorzeker; maar er valt aan geen terugkeeren naar Banjoe Pahit te denken,” -sprak Verstork, op zijn horloge kijkende. „Het is nu reeds negen. Hoe helder de maan -ook schijnt, zal het toch niet wel mogelijk zijn, anders dan stapvoets te rijden; -zoodat wij niet vóór het middernachtuur in de „controliran” (controleurswoning) aankomen -zullen. Neen, ik zal hier bij den tjarik mijn officiëele paperassen schrijven, die -dan dadelijk door den loerah verzonden kunnen worden. De wedono zal naar Banjoe Pahit -terugrijden, om voor de jacht van morgen alles te bezorgen. Hij zal de klopjagers -daar aanvoeren. Dat alles is behoorlijk besproken en behoeft geene wijziging, nu wij -van slaapplaats wisselen, nietwaar?” -</p> -<p>„Maar, waar zal mijn slaapplaats zijn?” vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden bezorgd. -</p> -<p>„Ja, wij moeten ons thans behelpen. Het zal zijn: <span class="ex" lang="fr">à la guerre comme à la guerre!</span> Er is hier in de dèsa eene kleine „passangrahan” (passantenhuis) voorzien van eene -eenvoudige baleh-baleh. Wij zullen den loerah verzoeken haar ietwat te meubileeren.” -</p> -<p>„Te meubileeren?” vroeg Theodoor Grenits. „Bestaat in dit afgelegen oord een meubelmagazijn?” -</p> -<p>„Neen, waardste volgeling van Mercurius,” gaf Verstork lachend ten antwoord, „zoo’n -inrichting zou hier slechte zaken maken. Als we de noodige hoofdkussens en een paar -bultzakken machtig kunnen worden, dan zal het wel zijn.”.. -</p> -<p>„Slechts één paar bultzakken voor ons zevenen? Dat is weinig,” sprak Van Beneden, -die als jurist wel wat op zijn gemak gesteld was. -<span class="pageNum" id="pb202">[<a href="#pb202">202</a>]</span></p> -<p>„Wat mij betreft, ik doe van mijn aandeel afstand,” zei de controleur. „Ik prefereer -de baleh-baleh. Ik heb daar meer op geslapen en overheerlijk ook. De overigen kunnen -er om loten. Maar.…” -</p> -<p>„Maar wat?” vroeg Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. -</p> -<p>„Er werd gesproken van ons zevenen?… Ik tel er maar zes.… Wie mankeert er?.… Te drommel, -waar is Mokesuep?” -</p> -<p>„Ja, waar is Muizenkop?” vroegen een paar der anderen. -</p> -<p>„Die heeft zijn hielen gelicht, toen er amokh geroepen werd,” antwoordde Van Rheijn. -</p> -<p>„Zijn hielen gelicht?” -</p> -<p>„Ik heb gezien, toen wij naar Kaligaweh trokken, dat hij spoorslags naar Banjoe Pahit -terugreed.” -</p> -<p>„Dat heet ik voorzichtig zijn,” merkte Grenits op. -</p> -<p>„Is voorzichtig wel het ware woord?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroeg er een. -</p> -<p>„Om het even. Ik ben blij, dat de vent voorloopig weg is,” merkte een ander op. „Verstork, -hoe kom je toch aan dien gluipert.” -</p> -<p>„Och, ik heb dien man nog al noodig. In de belastingordonnantiën is hij doorkneed; -ik moet hem dus te vriend houden, dat begrijpt gijlieden?” -</p> -<p>„Ik wilde maar, dat hij morgen ochtend naar Santjoemeh doorreed.” -</p> -<p>„Dat zal hij wel niet. Wedono, zult ge morgen ochtend den heer Mokesuep laten wekken?” -</p> -<p>„Engèh Kandjeng toean!” -</p> -<p>„En nu, heeren, laat ik u een half uurtje onder de hoede van den loerah, die het u -zoo aangenaam mogelijk zal maken, nietwaar, loerah?” -</p> -<p>„Engèh Kandjeng toean!” antwoordde ook deze. -</p> -<p>Weinige minuten later hadden de jagers bezit van de passangrahan genomen, en zat de -controleur in het voorgalerijtje van de tjariks-woning ijverig te schrijven. -<span class="pageNum" id="pb203">[<a href="#pb203">203</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="n192.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n192.1src">1</a></span> <i>Te zeer gewoon aan zoo’n bejegening.</i> Voor hen, wien deze episode te sterk gekleurd mocht voorkomen, raden wij eene vlijtige -inzage van de Indische dagbladen aan. Zij zullen dan menig staaltje lezen, als het -ondervolgende, dat een uit zoovelen uitgekozen en in <i>het Indische Vaderland</i> van 16 Januari 1883 aangetroffen wordt: „<span class="asc">OPIUMZAKEN</span>. Toen gisteren namiddag de opiumambtenaar Steinfort huiszoeking zou doen bij den -Chinees Lim Kwa Hong, vond deze laatste <i>bij de gebruikelijke visitatie aan den lijve</i>, dat de oppasser van den heer S., Rono genaamd, een klein doosje met klandestiene -tjandoe bij zich had.” Hetzelfde feit werd op denzelfden dag ook door het dagblad -<i>de Locomotief</i> medegedeeld. <a class="fnarrow" href="#n192.1src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4683"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4683src">2</a></span> Keh is eene gemeenzame benaming van een Chinees, bijna een scheldnaam. <a class="fnarrow" href="#xd30e4683src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4764"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4764src">3</a></span> <i>Kedjineman</i> hier in de beteekenis van wachthebbende. <a class="fnarrow" href="#xd30e4764src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch15" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e752">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XV.</h2> -<h2 class="main">Onder den Wariengienboom.—In de opium-kit.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Bij inspectie viel de passangrahan nog al mee. Waarachtig, het gelukte den loerah -niet alleen zes hoofdkussens, maar ook zes bultzakken en zelfs zes rolkussens bijeen -te brengen. Of ze zindelijk waren, kon bij het armoedige licht van het lampje, hetwelk -in het midden van het vertrek hing, niet onderzocht worden. Maar de loerah had zichzelven -overtroffen, want hij had ook nog voor zes stoelen gezorgd, die wel is waar kreupel -en gebrekkig, maar toch bruikbaar waren, en als een weelde-artikel in eene dèsa als -Kaligaweh aangemerkt moesten worden. -</p> -<p>Om nu evenwel al te gaan rusten, daartoe bestond weinig aandrang. De opgewektheid -van zenuwen, ten gevolge van de spanning door die amokhzaak teweeggebracht, liet zich -nog te veel gevoelen, dan dat aan slapen kon gedacht worden. Men greep de stoelen, -bracht die op de aloon-aloon voor de passangrahan, schikte hen in een kring en nam -nu, na eene geurige manilla-sigaar opgestoken te hebben, plaats. Van het verkrijgen -van wijn of bier, was natuurlijk geen sprake geweest, nog minder van een grogje, hetzij -van jenever of van brandy. Zoo iets treft men in geen Javaansche dèsa in de binnenlanden, -als er tenminste geen Europeanen gevestigd zijn, aan. Maar de loerah had voor klapperwater -gezorgd, en dat werd een overheerlijke drank bevonden, vooral wanneer hij afkomstig -was van eene jonge noot, waarvan <span class="pageNum" id="pb204">[<a href="#pb204">204</a>]</span>het vruchtvleesch zich nog slechts in den staat van witachtige gelei langs de wanden -van den harden bast afgezet heeft. -</p> -<p>Het kringetje was ras onder een kolossalen Wariengienboom<a class="noteRef" id="xd30e4936src" href="#xd30e4936">1</a> gevormd, welks knoestige takken zich hoog en zeer ver uitspreidden, en zoo eene kruin -vormden, die het grootste gedeelte der oppervlakte van de vrij ruime aloon-aloon overdekte -en schaduw verleende, wanneer de zon of de maan in het zenith stond, en zoo den omvang -van die kruin op den bodem nauwkeurig bepaalde. Van verreweg het meerendeel der horizontaal -uitgespreide takken daalden bundels luchtwortels naar beneden, nu eens als een vinger, -dan weer als een pijpesteel zoo dik, soms zoo fijn als een dun touw, die evenwel, -bij het aanraken van den bodem, daarin doordrongen, om hulpstammen te vormen, die -den reus zijnen last hielpen torsen. Van die bijstammen waren er velen te bespeuren, -die rondom den hoofdstam een zuilengewrocht daarstelden, en den schoonen boom eene -zekere mate van betoovering bijzetten. -</p> -<p>Het uitspansel was donkerblauw en buitengewoon helderrein. De sterren fonkelden aan -den hemel, hoewel het zachte maanlicht haar veel afbreuk deed, en haren glans aanmerkelijk -verbleekte. -</p> -<p>Eigenaardig aan de nachten, onder den blooten hemel in tropische gewesten doorgebracht, -was het volstrekt niet stil in de natuur. Een zacht windje deed toch de millioenen -bladeren van den kolossalen wilden vijgeboom ritselen, en vormde dat met de overige -geluiden, die vernomen werden, als het ware den grondtoon van het concert, dat door -onzichtbare kunstenaars ten gehoore gebracht werd. Van tijd tot tijd koerde in weerwil -van het vergevorderde nachtelijk uur eene woudduif in de onmetelijke kruin van den -Wariengien, en werd door haar gaaiken beantwoord; nu en dan liet zich een haan door -de heldere maanstralen verschalken, en dacht hij met zijn opwekkend kukelukuku, uit -volle borst aangeheven, den aanbrekenden dageraad reeds te begroeten; hier en daar -weerklonk het scherpe gepiep van de vele <span class="pageNum" id="pb205">[<a href="#pb205">205</a>]</span>vleermuizen, die rondom onder de loofkruin vlogen, en bij hare jacht op insecten, -een waren doolhof van in elkander grijpende kringen, spiralen, ellipsen, ovalen, enz. -beschreven, soms ook weerklonk het akelige gekrijsch van een paar „kalongs”,<a class="noteRef" id="xd30e4951src" href="#xd30e4951">2</a> die met zacht onhoorbaren vlerkslag, in den eenen of anderen vruchtboom van de dèsa -waren neergestreken, en daar om het ongestoorde bezit van eene heerlijke „manga” of -„kwennie”<a class="noteRef" id="xd30e4955src" href="#xd30e4955">3</a> plukhaarden. Maar al die geluiden, aangenaam of onaangenaam, konden als solopartijen -beschouwd worden van het naamlooze concert, dat overal heerschte, hoewel de uitvoerders -daarvan niet te bespeuren waren. In dit nachtelijk uur toch weerklonk allerwegen, -waarheen men het oor ook wendde, een snerpend fijn trillend geluid, dat zich nu eens -<span class="corr" id="xd30e4960" title="Bron: zóo">zóó</span> sterk liet hooren, dat het gehoorvlies er onaangenaam door werd aangedaan, dan weer -zacht vervloot als het gesuis van een schier onmerkbaar briesje langs een graanveld, -soms plotseling als op een gegeven teeken ophield, alsof het ’t zacht lispelen der -Wariengienbladeren wilde laten vernemen, om echter even onverwacht weer met vernieuwde -kracht in koor te hervatten, en alles te overstemmen. Dat waren millioenen „<span lang="ms">tongeret oetan</span>,”<a class="noteRef" id="xd30e4967src" href="#xd30e4967">4</a> eene soort groen-roodkleurige cicade, die op iedere grasspriet van de aloon-aloon, -op iedere bladpunt van den onmetelijken Wariengienboom gezeten, dat schril concert -ten gehoore, en in letterlijken zin de lucht soms in trillende beweging brachten. -</p> -<p>Of deze verschillende geluiden de aandacht onzer jagers boeiden? Of zij gehoor verleenden -aan die tonen, welke een intertropischen nacht meer levendigheid schenken, dan aan -het middaguur, wanneer de zon in het toppunt staat, en alles in de natuur aamechtig -doet zwijgen? Of zij oog hadden voor den heerlijken nacht met zijn verkwikkend windje, -met zijnen schitterenden sterrenhemel, <span class="pageNum" id="pb206">[<a href="#pb206">206</a>]</span>met zijn fraai en zacht maanlicht, dat zulke grillige maar bevallige schaduwen vormde? -Het is te betwijfelen. Het gesprek dier jonge mannen liep toch—en zulks kan geene -verwondering baren—over de gebeurtenissen van den dag. Het tooneel van maatschappelijke -ellende, dat men onder de oogen had gehad, was te aangrijpend geweest, om nu reeds -verdrongen te worden. Die moordzaak werd van alle kanten bekeken; maar, nadat men -het verhaal van het gebeurde vernomen had, hetwelk Verstork, alvorens te gaan schrijven, -medegedeeld had, was de deernis met Setrosmito en zijn gezin groot. -</p> -<p>„Welke ellende baart die gevloekte opiumpolitiek toch niet op dit overigens zoo gezegende -eiland,” sprak Grashuis. „Is het niet om zich van schaamte het aangezicht te moeten -sluieren, dat onder de inkomsten van het Nederlandsche budget zoo’n bron aangetroffen -wordt?” -</p> -<p>„Tu, tu tu!” antwoordde Van Beneden. „Die bron—ge bedoelt toch de opiumpacht niet -waar—is geheel en al gelijk te stellen met eene verbruiksbelasting op een weelde-artikel.” -</p> -<p>„Accoord,” zei Grashuis<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „maar wie leerde den bewoners van den Indischen archipel dat weelde-artikel kennen?” -</p> -<p>„Wel, dat weet ik niet. Het zal daarmee gegaan zijn als met den sterken drank. Van -waar is dat <span class="corr" id="xd30e4985" title="Bron: distillatieprodukt">distillatieproduct</span> afkomstig? Wie vond het uit? Ik geloof dat daarop moeielijk een bevredigend antwoord -te geven is. Dat kan met zekerheid verklaard worden, dat de uitvinding van de opium -niet op rekening van de Nederlanders kan gesteld worden.” -</p> -<p>„Zeer juist, ofschoon ik aarzelen zou, dat negatieve certificaat, als bewijs van goed -gedrag aan te nemen,” antwoordde Grashuis gemelijk. -</p> -<p>„Te minder,” merkte Grenits op, „daar het Nederlandsche geweten, is het dan ook onschuldig -aan de ontdekking van de opium, niet vrij te pleiten is, van met den invoer van de -opium begonnen te zijn, en …” -</p> -<p>„Kom, gekheid!” viel Van Rheijn in. „Dat is eene bewering, die wel den toets van het -onderzoek niet doorstaan kan! Neemt men Baud’s bekende Proeve<a class="noteRef" id="xd30e4992src" href="#xd30e4992">5</a> ter hand. <span class="pageNum" id="pb207">[<a href="#pb207">207</a>]</span>dan leeren wij, dat de Oostersche volkeren als Turken, Perzen, Arabieren en Hindoe’s -al reeds sedert vele, zeer vele eeuwen aan het opiumverbruik verslaafd zijn. Het is -dus aannemelijk, dat toen de Nederlanders voor het eerst in Indië kwamen, zij er de -gewoonte om opium te schuiven reeds vonden …” -</p> -<p>„Mis, waarde ambtenaar,” viel hem Grenits in de rede. „Diezelfde Baud, dien ik evenals -gij als eene autoriteit beschouw, verklaart niet te hebben kunnen ontdekken, wanneer -het gebruik van opium in Nederlandsch-Indië is aangevangen. Mij dunkt, dat zoo’n bekentenis -in den mond van dien Staatsman kenmerkend is. Had hij toch in zijne geschiedenis kunnen -staven, dat het gebruik van de opium bij de komst der Nederlanders in Indië reeds -ongeveer verbreid was, geloof dan vrij, dat hij die wichtige bizonderheid voor de -eer onzer natie niet zou verzwegen hebben. Ik ga verder. Baud zelf komt later in zijne -Proeve tot de meening, dat toen de Europeanen zich in den loop der XVI<sup>de</sup> eeuw in de Indische wateren begonnen te vertoonen, het opiumverbruik slechts in de -Molukken bekend was, en dat voor het overige gedeelte van den Indischen Archipel kan -aangenomen worden, dat dit verbruik zich bepaalde tot eene zeer geringe hoeveelheid -ten dienste van vreemde oosterlingen, die zich in sommige havenplaatsen gevestigd -hadden.” -</p> -<p>„Is die uiting niet als een personeele opvatting van Baud te beschouwen?” vroeg Van -Rheijn. „Wat zegt gij er van?” vervolgde hij zich tot Van Nerekool wendende.<span class="corr" id="xd30e5008" title="Bron: ” "> „</span>Baud was toch een tegenstander van het opiumgebruik.” -</p> -<p>Maar de aangesprokene, afgetrokken en in zijne overpeinzingen verdiept als hij was, -antwoordde hem niet. Het stond te bezien, of hij de vraag wel gehoord had. Grenits -haastte zich evenwel te antwoorden: -</p> -<p>„Baud een tegenstander van het opiumgebruik!… Waaruit hebt gij dat gehaald? Toch niet -uit zijne Proeve? Die is met de meest mogelijke onpartijdigheid samengesteld. Hij -behandelt slechts de nadeelige uitwerking van het heulsap met de meeste omzichtigheid, -en in zijn geheelen arbeid wordt geen spoor van een schema van een ontwerp ontdekt -om dat verbruik tegen te gaan. Gij spreekt evenwel van Baud’s personeele opvatting?.…. -Maar <span class="pageNum" id="pb208">[<a href="#pb208">208</a>]</span>die opvatting omtrent het verschijnen van de opium in Indië wordt geschraagd door -de reisverhalen van eene menigte merkwaardige zeereizigers uit die dagen. Ziet de -<span lang="nl">Itinerario’s ofte voyages</span> b. v. van Van Linschoten, van Cornelis Houtman, van Wybrand, Van Warwijck, van den -admiraal Matelief en van zooveel andere verdienstelijke vaderlanders uit ons heldentijdvak, -dan zult gij bemerken, dat Baud in die opvatting volstrekt niet alleen staat.” -</p> -<p>„Wat drommel, vanwaar komt gij als koopman aan al die wetenschap?” vroeg Van Rheijn -niet zonder scherpte. Bij zoo’n discussie trad toch de gewapende vrede tusschen den -koopmans- en den ambtenaarstand, die in Indië meer nog dan elders op die van kat en -hond, welke genoodzaakt zijn te samen op een erf te leven, gelijkt, eenigszins op -den voorgrond. -</p> -<p>„Wel, juist als koopman, heb ik eene studie gemaakt niet alleen van de voortbrengselen -van den Archipel, maar ook van de artikelen, die voordeelige uitkomsten beloven,” -antwoordde Theodoor. -</p> -<p>„En dat doet de opium voorzeker. Daarom zou die handelsstand dat artikel wel in zijne -handen wenschen,” hernam Van Rheijn vinnig. -</p> -<p>„Wat sommige handelaren wenschen, weet ik niet, en wil ik niet weten,” antwoordde -de andere koeltjes. „Maar ik zou uit zoo’n bron geen voordeel willen hebben, en ik -ben er zeker van, dat vele, zeer vele vakgenooten daaromtrent eenstemmig met mij denken. -Het bewijs, dunkt me, ligt kenmerkend in de omstandigheid, dat voor zoover mij bekend -is, nimmer eene Europeesche firma als opiumpachter opgetreden is.” -</p> -<p>„En de Nederlandsche Handelmaatschappij dan?” vroeg Van Rheijn ietwat hoonend. -</p> -<p>„De Nederlandsche Handelmaatschappij is als eene laatgeboren spruit der Oost-Indische -Compagnie, onzaliger nagedachtenis, te beschouwen, en als het ware geïdentifiëerd -met de Nederlandsche Regeering, wier winkelier zij is in de kruideniersaffaire, aan -te merken. Het opiummonopolie wordt door den Staat gedreven; was het wonder, dat de -„Companie ketjil”<a class="noteRef" id="xd30e5027src" href="#xd30e5027">6</a> als opiumpachter <span class="pageNum" id="pb209">[<a href="#pb209">209</a>]</span>optrad? Toch heeft het niet lang geduurd, dat dit Europeesch handelslichaam, die eervolle -betrekking behield. Volgens Baud, trok de Regeering niet genoeg winsten uit die verpachting, -zoodat zij het andermaal met Chineezen wilde beproeven, die meer tuk op voordeel, -dien heilloozen handel tot zijnen hoogsten bloei zouden brengen. Van een anderen kant, -wanneer ik de namen der Nederlandsche geslachten zie, wier hoofden toen der tijd de -bestuurders en leden van de Nederlandsche Handelmaatschappij waren, dan vermag ik -de gedachte niet te onderdrukken, dat die voorname lieden geen leedgevoel zullen ondervonden -hebben, toen die vuile bron van winstbejag voor hen verstopt werd.” -</p> -<p>„Wat leutert ge toch van vuile bron van winstbejag,” viel Van Rheijn korzelig in. -„Drijft de Handelmaatschappij geen handel in jenever? Verkoopt uwe firma dien drank -niet? Zult gij, als gij eenmaal aan het hoofd van een huis zult staan, iederen handel -in sterken drank laten varen?” -</p> -<p>„Evenals zoovele anderen stelt gij dus het opium-verbruik met het jenever-verbruik -gelijk?” viel Grenits in. „Ziet, gij en de velen, die dat hier te lande en daar ginds -in Nederland verkondigen, doen veel meer kwaad, dan zij wel gissen kunnen, hoewel -er verscheidene onder zijn, die met behoorlijke kennis van zaken toegerust spreken, -en bijgevolg den omvang hunner woorden peilen kunnen; maar daarbij een doel najagen, -waaraan eerzucht in den regel niet vreemd is; terwijl de anderen slechts praten, om -hunne toehoorders aangenaam te stemmen. Want o! het klinkt zoo verkwikkend voor Nederlandsche -ooren, wanneer menschen, die in de Oost geweest zijn, en het dus weten moeten, met -zoetsappige spraak verkondigen: „och, de opium is zoo’n groot kwaad niet. De mensch -heeft soms een prikkel, eene opwekking noodig. Ziet, de heer Schaepman, die het toch -wel goed met zijne schaapjens zal meenen, misgunt den man een paar borrels jenever -niet. Laten wij dat geestelijke voorbeeld volgen, en den Javaan zijne opiumpijp niet -misgunnen. Opium en jenever staan op dezelfde lijn!” Ziet, dan openen zich de ooren, -die anders vrij wel gesloten bevonden worden, en dan volgt menig beamende hoofdknik; -want.… men acht zich dan van de verplichting ontheven, <span class="pageNum" id="pb210">[<a href="#pb210">210</a>]</span>om een einde te maken aan een zoo smerige bron van inkomsten als het opium-monopolie -is.” -</p> -<p>„Welnu, mijn waarde Grenits, vergeef mij, maar ik behoor ook tot de lieden, die niet -alleen die stelling met een beamenden hoofdknik bevestigen, maar haar ook luide verkondigen -durven. Ik houd staande, dat beide artikelen: jenever en opium, als bedwelmings-middelen -op gelijke lijn staan, dat beide nadeelig te noemen zijn; het eene wellicht niet in -zoo’n hoogen graad dan het andere.” -</p> -<p>Het was Van Beneden, die zoo Van Rheijn te hulp kwam. Deze laatste keek zegevierend -rond en riep uit: -</p> -<p>„Ziet ge wel? Ik sta met mijne meening niet alleen. Bravo, August!” „Zeker is ook -het gebruik van jenever nadeelig te noemen.…” -</p> -<p>„Pas op, dat de leden der Witte <span class="corr" id="xd30e5043" title="Bron: societeit">sociëteit</span> in den Haag dat niet hooren!” viel Grashuis lachend in. -</p> -<p>„Want,” ging Grenits onverstoorbaar voort<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „dat gebruik vloeit voort uit zucht naar verdooving en genot, uit zwakheid van wil, -die het bevredigen van die zucht, zij het ten koste van welvaart, huiselijk geluk -en gezondheid in de hand werkt. Ik zou den arbeid van father Mathews, den Ierschen -matigheids-apostel en van andere afschaffings-vrienden niet moeten kennen, om dat -over het hoofd te zien. Maar, vergeeft gij mij op uwe beurt, wanneer ik de meening -aankleef, dat, nu gij het opiumverbruik met dat van jenever op ééne lijn stelt, gij -niet op de hoogte van bewezen daadzaken, niet op de hoogte der koloniale litteratuur -in zake opium zijt. Vaderlandsche mannen toch als Van Linschoten, Valentijn, Baud, -Van Dedem en zoo vele anderen brandmerken de opium als aphrodisiacon, of duidelijker -als een middel tot opwekking van erotische driften. Eerstgenoemde deelt in zijne reisbeschrijving -openlijk bizonderheden omtrent de uitwerking van het opiumverbruik mede, die van zoo’n -aard zijn, dat, hoewel wij slechts mannen onder elkander zijn, ik er toch voor terugdeins -die bizonderheden te herhalen. Vreemdelingen bevestigen dat oordeel volkomen. Een -beroemd Chineesch geleerde, wiens naam mij ontschoten is,<a class="noteRef" id="xd30e5050src" href="#xd30e5050">7</a> schreef reeds in de XVI<sup>de</sup> eeuw, <span class="pageNum" id="pb211">[<a href="#pb211">211</a>]</span>dat het gemeene volk in China de opium als aphrodisiacon gebruikte. De Russische geleerde -Von Miclucho <span class="corr" id="xd30e5059" title="Bron: Macclay">Maclay</span><a class="noteRef" id="n211.1src" href="#n211.1">8</a> schreef in 1873, nadat hij eene proef met opiumschuiven te <span class="corr" id="xd30e5078" title="Bron: Honkong">Hongkong</span> genomen had, bizonderheden in zijn dagboek ter neer, die ik uwe ooren besparen wil. -Mijn dunkt, dat zoo iets te denken geeft. En wanneer nu mannen als Rochussen, Loudon, -Hasselman, Van Bosse,<a class="noteRef" id="xd30e5081src" href="#xd30e5081">9</a> en zoovele anderen, die, hetzij als Gouverneur-Generaal, hetzij als Minister van -Koloniën, enkelen hunner in beide betrekkingen, optraden, in de volle Vertegenwoordiging, -van de opium spraken als van een kwaad, van een allergrootst kwaad, van eene vergiftiging, -van eene verpesting, dan zal men mij gevoegelijk toe kunnen geven, dat de uitwerking -en de gevolgen van het opium-verbruik van eenen anderen aard en oneindig heilloozer -zijn, dan die van het alcohol-verbruik.” -</p> -<p>„Zou niet eens eene proef met opium schuiven te nemen zijn?” vroeg Van Beneden. „Ik -zou die uitwerking wel eens willen ondervinden.” -</p> -<p>„Ik ook,” antwoordde Van Rheijn. „En die wensch zal wel te volbrengen zijn.” -</p> -<p>„Hoe zoo?” vroeg Grashuis. „Opium is toch zoo gemakkelijk niet te verkrijgen voor -ons Europeanen. Wij kunnen toch niet in eene kit gaan schuiven tot spot van het volk.” -</p> -<p>„Luister. Ik tel onder mijne kennissen Lim Ho, de zoon van den opiumpachter. Die zal -mij wel eenige madat-balletjes verschaffen.” -</p> -<p>„Clandestiene?” vroeg Grenits lachende. „Gij weet de opiumpachters zijn de grootste -smokkelaars.” -</p> -<p>„Om het even. Opium is opium. Ik zal ook wel eene pijp machtig worden. Zoodra ik die -dingen heb, zal ik ulieden waarschuwen, dan vergaderen wij ten mijnen huize. Wij zullen -hartenazen, wie zich aan de proef zal onderwerpen. Die door het lot aangewezen wordt, -zal <span class="pageNum" id="pb212">[<a href="#pb212">212</a>]</span>schuiven, terwijl de anderen toezien en hunne opmerkingen maken zullen. Is dat afgesproken?” -</p> -<p>„Ja, ja!” was de algemeene kreet, waarmede Van Nerekool, steeds afgetrokken als hij -was, niet instemde. -</p> -<p>„In afwachting van den uitslag der proef evenwel,” ging Van Rheijn voort, „kan ik -niet nalaten te betuigen, dat vriend Grenits zijne stelling uitstekend verdedigd heeft. -Waarlijk, ik had zoo veel zaakkennis omtrent het opium-monopolie niet bij een handelsman -verwacht.…” -</p> -<p>Deze glimlachte bitter. Och, zoo’n oordeelvelling vanwege iemand uit het ambtenaarskorps -was voor hem niets ongewoons. -</p> -<p>„Maar,” ging de aspirant-controleur voort, „hij zal mij nimmer overtuigen, dat de -opium meer onheilen sticht, meer rampen over het volk uitstort, dan sterke drank zou -doen.” -</p> -<p>Verstork, die gedurende dat gesprek zijne beknopte berichten aan de autoriteiten te -Santjoemeh beëindigd en verzonden had, was intusschen nabij getreden en had zoowel -de tirade van Grenits omtrent het heillooze van het opium-verbruik als ook de laatste -bewering van Van Rheijn gehoord. Hij mengde zich terstond in het debat. -</p> -<p>„Kom,” sprak hij, „de gelegenheid om ons te overtuigen, omtrent hetgeen Grenits beweert, -is te schoon, om niet te worden benuttigd. Wij bevinden ons in een der meest rampzalige -dèsa’s, in een der meest waarneembare slachtoffers van het opium-monopolie. Het is -nog zoo lang niet geleden, dat Kaligaweh als een der welvarendste en netste dorpen -kon aangemerkt worden. De opiumkit is gekomen en.… kijkt rondom u; alles is even vervallen -en verwaarloosd. De hutten storten schier in; de wegen naar en door de dèsa zijn modderpoelen -gelijk; van de sierlijke heggen, welke die wegen en de erven der ingezetenen vroeger -omzoomden, is geen spoor meer te vinden. Kom, het is nog pas tien uur, de kit is nog -open<a class="noteRef" id="n212.1src" href="#n212.1">10</a>; daarenboven de bewoners, door die moordzaak opgewekt, door de tegenwoordigheid van -<span class="pageNum" id="pb213">[<a href="#pb213">213</a>]</span>zooveel blanken in hunne dèsa verontrust, zijn nog allen wakker. Wij kunnen dus de -oogen den kost geven, en onze weetgierigheid bevredigen.” -</p> -<p>Allen waren opgesprongen om den controleur te volgen. Alleen Van Nerekool bleef met -het hoofd in de handen rustende, wezenloos zitten. -</p> -<p>„Kom meê, Karel,” sprak Verstork, terwijl hij hem de hand op den schouder legde. -</p> -<p>De jeugdige rechterlijke ambtenaar sprong schier verschrikt op. -</p> -<p>„Waarheen?” vroeg hij zoo onthutst, dat het blijkbaar was, dat hij met zijn brein -elders gedwaald had. -</p> -<p>„Kom, naar de opiumkit.” -</p> -<p>„Naar de opiumkit?” vroeg Van Nerekool ontsteld. „Om wat te doen? Ge wilt toch niet.…” -</p> -<p>„Schuiven, nietwaar? Neen,” vervolgde Verstork bij zijne aarzeling. „Neen, wij gaan -maar kijken. Maar, bereidt u voor op onsmakelijke gezichten; want ik geloof, dat het -bezoek aan de kit heden nacht talrijk is. Maar.… wacht, willen wij volledige kennis -betreffende land- en volkenkunde opdoen, dan.…” -</p> -<p>En zich tot een der oppassers wendende, die steeds in de nabijheid van den ambtenaar -van Binnenlandsch Bestuur verwijlden: -</p> -<p>„Sariman,” sprak hij, „roep dadelijk de twee Chineezen van de opiumkit hier. Maar -dadelijk, ik moet hen noodzakelijk terstond spreken.” -</p> -<p>„Engèh Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Een oogenblik wachten, heeren! Anders zou het meest interessante schouwspel voor -onze land- en volkenkundige nasporingen een gesloten boek wezen.” -</p> -<p>Het wachten duurde evenwel slechts zeer kort. De beide Chineezen kwamen ijlings aangeloopen, -door den politie-agent tot spoed aangezet, met een ijverig: -</p> -<p>„Eo! lakas! lakas! Kandjeng toean pangil!! (Kom! gauw! gauw! de verheven heer roept).<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Toen de Chineezen bij den groep Europeanen aangekomen waren, sprak de controleur tot -zijn gezelschap: -</p> -<p>„Laat ons nu gaan.” -</p> -<p>„Maar, mijnheer heeft ons laten roepen,” sprak een der Chineezen brutaal, toen hij -zag, dat de controleur zich niet om hen bekommerde. -<span class="pageNum" id="pb214">[<a href="#pb214">214</a>]</span></p> -<p>„Stil, babah!” zei de heer Verstork. „Wij willen de opiumkit bezoeken. Wees ons geleide.” -</p> -<p>„De opiumkit bezoeken?” kreet de babah. „Maar dan zal ik gaan …” -</p> -<p>„Hier, bij mij blijven! Alle twee!” sprak de controleur op bevelenden toon. -</p> -<p>De beide Chineezen wisselden een blik met elkander; maar kikten geen woord, en volgden -de blanke heeren. -</p> -<p>De kit lag achter de missighiet, die zich aan de oosterzijde van de aloon aloon bevond; -zoodat de bezoekers slechts een honderdtal passen af te leggen hadden, om die philantropische -inrichting der Nederlandsche overheerschers te bereiken. -</p> -<p>Neen, het was geen gebouw, dat, in het bewustzijn een der talrijke zuigers te zijn, -waardoor de Nederlandsche schatkist gevuld heet te worden, trotsch en fier zich verhief! -</p> -<p>Neen, aan het uiterlijke was niet te ontdekken, dat het een der toevoerbuizen was -van het opium-monopolie, die vreeselijke zuig- en perspomp, die millioenen en nog -eens millioenen in de Nederlandsche schatkist doet stroomen. -</p> -<p>Neen, driemaal neen! Het was slechts een armzalig, vuil, smerig bamboegebouwtje, meer -aan eene keet of schuur gelijk, waarvan de <span class="corr" id="xd30e5155" title="Bron: omwandling">omwanding</span> bij den grond gedeeltelijk verrot was, en die eigenaardige muffe lucht van in verderf -verkeerende bamboe verspreidde, waarvan het atappen-dak zichtbaar onder den last der -jaren doorboog, en op het hoofd der bezoekers dreigde neer te komen. Het innerlijke -beantwoordde volkomen aan het uiterlijke. Zeer laag van verdieping, was de binnenruimte -tusschen die muffe wanden en onder dat half vergane dak uiterst bedompt; terwijl daarenboven -de vochtige atmospheer, die er heerschte, nog doortrokken was met die akelig weeë -zoete lucht, die verbrand wordende opium steeds en onbedriegelijk kenmerkt. De naakte -bodem diende tot vloer, maar was niet aangestampt, zooals gewoonlijk in Javaansche -huizen geschiedt. Integendeel, die vloer was hobbelig, hier en daar met zwart-glimmende -bulten bezaaid, die onder den naakten voet der Javaansche, of onder het hardlederen -schoeisel der Chineesche bezoekers akelig glanzend gepolijst waren. <span class="pageNum" id="pb215">[<a href="#pb215">215</a>]</span>Hier en daar was bij het zwakke schijnsel eener onzindelijke petroleum-lamp eene vochtige -plek, soms een poeltje te ontdekken, gevuld met groenachtig bruin water van zeer verdachte -herkomst, dat er het zijne toe bijdroeg, om èn de gezichts- èn de <span class="corr" id="xd30e5160" title="Bron: reukorgannen">reukorganen</span> uiterst onaangenaam aan te doen. Bij het binnentreden door de lage deur wilde een -der Chineezen iets uitroepen; maar Verstork, die hem in het oog hield, greep hem bij -den arm en fluisterde hem dreigend toe: -</p> -<p>„<span lang="ms">Diam</span>, (stil) babah!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Eene smalle vierkante ruimte strekte zich thans voor de bezoekers uit, die begrensd -werd door een wand, waarin twee deuren en eene loketopening op te merken waren. -</p> -<p>„Die eene deur daar,” legde de controleur uit, „geeft toegang tot een vertrekje, waarin -een der kithouders gewoonlijk zetelt, om door die loketopening roode papiertjes, overdekt -met Chineesche karakters, aan de koopers uit te reiken. De opiumverbruiker voorziet -zich daar tegen kontant geld van zoo’n papiertje, dat voor eene grootere of kleinere -hoeveelheid tjandoe, naarmate van den prijs die geofferd wordt, geldig is. Met dat -papiertje verdwijnt hij door die deur.” -</p> -<p>„Wat een smerige boel hier,” merkte Grashuis op. -</p> -<p>„O, dat is nog maar de voorhof,” antwoordde Verstork. „Komt, volgt mij.” -</p> -<p>Hij schoof de tweede bamboedeur ter zijde, die niet middels scharnieren draaide, maar -krakend en piepend met lussen over een glad stuk hout gleed. Men trad nu een gang -binnen, die volkomen donker zou geweest zijn, wanneer hij niet verlicht ware, door -de zwakke stralen van ellendige olielampjes, die door de veelvuldige reten der bamboeomwanding -drongen, welke den gang begrensde. De atmospheer was hier nog bedompter, de akelige -geur der madat nog weeër. De vloer was hier zoo hobbelig, zoo glibberig en morsig, -dat er veel behoedzaamheid noodig was, om ter been te blijven, en zich niet in den -zeeperigen modder uit te <span class="corr" id="xd30e5176" title="Bron: strekden">strekken</span>. Die gang maakte het middengedeelte van het gebouw uit, en strekte zich langs twee -rijen vierkante hokjes, ieder twaalf in getal, waarin de binnenruimte van die keet -afgedeeld was. De onderlinge scheidingswanden waren slechts ter hoogte van ongeveer -anderhalven meter <span class="pageNum" id="pb216">[<a href="#pb216">216</a>]</span>opgetrokken, zoodat van het eene hokje in het andere te zien was. Door middel van -bamboedeuren hadden die hokjes met den gang, waarin onze Europeanen stonden, gemeenschap. -</p> -<p>„Mogen wij zoo eene deur openen?” vroeg Van Beneden, die reeds de hand daartoe uitstak. -</p> -<p>„<span lang="ms">Tida bolèh, toean!</span>” (dat mag niet, heer) riep een der Chineezen, die de beweging bespeurde en daardoor -de vraag begreep. -</p> -<p>„<span lang="ms">Diam loe!</span>” (stil, jij) beval de controleur met gedempte stem. „Ga buiten den gang!” -</p> -<p>En zich tot zijn gezelschap wendende, nadat de Chinees zich verwijderd had, vervolgde -hij: -</p> -<p>„Het zal wel onnoodig zijn die hokken binnen te treden. De reten van de deuren en -van de omwanding veroorloven voldoende het innerlijke gade te slaan. De bespieding -zal ons doel tot nasporing van hetgeen er in zoo’n opiumkit omgaat, meer bevorderlijk -zijn dan een openlijk binnentreden. Kijk, hier hebt gij een opiumschuiver in het eerste -stadium der narcotische bedwelming.” -</p> -<p>En inderdaad, daar lag een Javaan op de baleh-baleh—meubel dat in ieder hokje der -opiumkit aanwezig was—half op de zijde uitgestrekt. Zijn hoofddoek had hij afgesmeten, -zoodat zijn lange haren over het walgelijk vieze hoofdkussen, dat op die rustbank -aangetroffen werd, zwierden. Hij hield de oogen, die eenen extatischen toestand verrieden, -half gesloten, en bracht met de rechterhand den kleinen kop van de opiumpijp aan de -vlam, die boven een klein oliekommetje, van een dun pitje voorzien, flikkerde, waarbij -het hoofd, eenigermate door de linkerhand gesteund, voorover boog, en den dikken bamboesteel -van de pijp tusschen de lippen nam. Zoo haalde hij uiterst langzaam den rook van de -verbrand wordende opium binnen. Daarmede klaar, liet hij den steun der linkerhand -varen, en wentelde zich, terwijl hij de pijp los liet, op den rug, waarbij het hoofd, -achterover gebogen op het kussen kwam te rusten. De schuiver sloot nu de oogen geheel, -en deed zichtbare poging om den ingezwelgden rook in te slikken, blijkbaar uit de -bewegingen van keel, sleutelbeenderen en borstkas. Toen dat gelukt scheen, bleef hij -rustig liggen, terwijl een waas van tevredenheid, van genieten <span class="pageNum" id="pb217">[<a href="#pb217">217</a>]</span>zich over zijn gelaat spreidde. Dat waas vormde een schril contrast met het overige -uiterlijk van den man, zelfs met dat gelaat, waarop het zetelde. Alvorens toch op -de baleh-baleh plaats te nemen, had hij zijn badjoe uitgeworpen en lag nu slechts -met zijn sarong, een walgelijk vies vod, gedekt, uitgestrekt. -</p> -<p>De man was mager als een geraamte, en had gevoegelijk eene plaats in den Danse Macabre -kunnen innemen. Bij de spaarzame verlichting van de kleine palita waren zijne ribben -gemakkelijk te tellen, en vertoonden die eene reeks van slagschaduwen, welke ontwaren -lieten, hoe diep de vakken tusschen het beenderen-traliewerk weggeslonken waren. Zijne -armen waren aan dunne stokjes gelijk, die met eene fletsbruine lederhuid overtrokken -zouden zijn. Van de beenen was onder den sarong niets te bespeuren; maar dat zij even -dun en even vleeschloos waren als de armen, viel uit de voeten op te maken, die onder -dat kleedingstuk uitstaken, en door hun skeletachtig uiterlijk een ontleedkundige -in verrukking zouden hebben gebracht. -</p> -<p>Nadat de man den ingeslokten rook een wijl in den maag gehouden had, liet hij hem -in uiterst fijne spiralen door de opengespalkte neusgaten ontsnappen, hetgeen een -zeker tijdsverloop vorderde. Toen wentelde hij zich op zijde, en scheen in een diepen -slaap gedompeld te zijn. -</p> -<p>Op dat gezicht sloop eene vrouwelijke gestalte, die in een donkeren hoek van het hokje -neergehurkt had gezeten en door onze bespieders onopgemerkt was gebleven, naar buiten. -De ongelukkige was daar aanwezig geweest om.… Bij haren spoed om het vertrekje te -verlaten, liep zij haast de Europeanen tegen het lijf. -</p> -<p>„Astaga! Sejthan!” (O hemel! De duivel!) mompelde zij, zonder iemand in dien donkeren -gang te herkennen, en schoof ijlings een belendend vertrek binnen. -</p> -<p>Daar was het gezicht, hetwelk zich voordeed, aangrijpender. Een oude Javaan lag daar -ook op de baleh-baleh uitgestrekt. Mager, hoekig en uitgeteerd was hij als de eerste, -die gadegeslagen werd. Hij had meer dan één balletje madat verrookt, en bevond zich -dan ook in een anderen zielstoestand. Zijne diepliggende oogen schitterden met ongewoon -vuur, zijne borst hijgde en zijn gelaat werd door een beestachtigen glimlach, waardoor -de onderkaak <span class="pageNum" id="pb218">[<a href="#pb218">218</a>]</span>ver voorbij de bovenkaak vooruitstak, ontsierd, en er den stempel van de onedele natuurdrift, -die hem beheerschte, op zette. Ook deze lag met het bovenlijf bloot; maar bij den -hartstocht, die zijn lichaam deed trillen en bewegen, had hij ook nog den sarong losgeworpen, -en lag daar in denzelfden staat als waarin de dronken aartsvader Noach door zijn zonen -aangetroffen werd. -</p> -<p>Toen de krakende deur aan het vrouwmensch doorgang had verleend, beet hij haar toe: -</p> -<p>„Waar ben je zoo lang gebleven? Kom, gauw, maak mij andermaal een pijp klaar!” -</p> -<p>Het wezen gehoorzaamde zonder iets te antwoorden. Zij trad op de baleh-baleh toe, -nam wat tjandoe uit een doosje, liet dat boven de vlam van de palita eenigszins week -worden, vermengde het daarna met wat uiterst fijn gesneden tabak, en rolde er tusschen -hare vingeren een pilletje van ter dikte van eene groote erwt, dat zij in het pijpenkopje -plaatste. Gedurende die bewerking reeds had de opiumschuiver in zijne hartstochtelijke -opgewondenheid de kabaja van dat vrouwelijke wezen opengerukt, en zich aan de meest -onkiesche betastingen overgegeven, die zij toeliet, alsof het zoo hoorde. Toen zij -zich voorover boog, om hem de gereedgemaakte pijp aan te reiken, omvatte hij haar -middel met den eenen arm, sleurde haar met de andere hand den sarong van het lijf, -trok haar op zich en overdekte, terwijl zijne oogen daarbij van koortsachtigen hartstocht -uitpuilden, hare wangen, haren hals, hare borst, met snuivende kussen. Hij.… -</p> -<p>„O, het is walgelijk, wat hier gebeurt!” riep Grashuis uit. „Kom laat ons weggaan!” -</p> -<p>„O, God,” liet zich een kreet verder in den gang hooren. „Dat is infaam! Gebeurt zoo -iets? Kom, naar buiten! Naar buiten, vrienden! Anders valt het vuur des hemels op -ons!” -</p> -<p>Het was Van Beneden, die een paar passen verder in den donkeren gang getreden was, -en in een belendend vak gegluurd had. Hij stormde naar buiten en trok zijne vrienden -met zich mede. -</p> -<p>„Wat is er toch geschied?” vroeg Grenits. -</p> -<p>„O, hoe zal ik u kunnen vertellen, wat ik gezien heb,” antwoordde August gejaagd. -„Kom, voort!” -</p> -<p>„Kom, geene jongejuffrouwenkuren,” sprak Grashuis, <span class="pageNum" id="pb219">[<a href="#pb219">219</a>]</span>„wij zijn gekomen, om nopens de opium-gruwelen inlichting in te winnen. Wij moeten -kunnen hooren, wat ieder onzer ervaren heeft. Wat hebt gij gezien, Theodoor?” -</p> -<p>„Vraag mij niet. Het is te gruwelijk!.… Zoo iets laat zich niet vertellen. En het -slachtoffer van.… was een kind.… dat zich hevig verzette.…” -</p> -<p>„Ja, ik meende geschreeuw te hooren,” zei Van Rheijn. -</p> -<p>„En daar is niets aan te doen? Kom, laten wij dat kind gaan ontzetten! Kom, Verstork, -gij, als controleur.…” -</p> -<p>Deze weerhield zijne makkers, die reeds weer naar binnen wilden dringen. -</p> -<p>„Ik zal mij wel wachten in eene opium-zaak tusschen beiden te treden,” sprak deze -hoogst ernstig. „Te Batavia zou men mij al heel gauw als ongeschikt voor Binnenlandsch -Bestuur veroordeelen, terwijl ik in mijn chef den resident Van Gulpendam geen steun -zou vinden, hoe groot de gruwel ook is. Mijne loopbaan zou onherroepelijk gebroken -zijn. Ik ben dus verplicht ter wille van den Nederlandschen Mammon Gods water over -Gods dijk te laten loopen.…” -</p> -<p>„Maar ik, die zulke consideratiën niet te maken heb, ik zal.…” -</p> -<p>„Blijf!” zei Verstork tot Grenits, die zich reeds gereed maakte om andermaal de kit -in te dringen. „Blijf, ik ben in uw gezelschap; al traadt gij alleen binnen, gij zoudt -niet verhinderen kunnen, dat ik in de zaak betrokken zou worden.… Ik bid u dus.… Daarenboven, -daar komt het kind reeds naar buiten.…” -</p> -<p>En werkelijk een Javaantje van nauwelijks tien jaren trad naar buiten, en liep de -Europeanen snikkende voorbij. -</p> -<p>„Het is schrikkelijk!” stoof Grenits op. „En bij zulke gruwelstukken werkeloos te -moeten blijven! Ik zou willen.… Maar.…” wendde hij zich tot Van Beneden, „zult gij -nu nog blijven beweren, dat de opium in uitwerking aan den jenever gelijk is?” -</p> -<p>August antwoordde niet, maar zijn <span class="corr" id="xd30e5232" title="Bron: glaat">gelaat</span> teekende diep-gevoelde verontwaardiging. -</p> -<p>„Kom,” sprak Verstork, hem trachtende te bedaren. „Kom, laten wij hier niet blijven -staan, mannen, vrouwen en kinderen omringen ons reeds.…” -<span class="pageNum" id="pb220">[<a href="#pb220">220</a>]</span></p> -<p>„Die stonden straks door de reten van de omwandingen die vreeselijke tooneelen gade -te slaan,” viel hem Grenits in de rede. -</p> -<p>„En werden daarin door de pachters niet verhinderd, integendeel, met een grijnslach -aangemoedigd,” sprak Van Beneden. „Dat zag ik wel.” -</p> -<p>„Kom, laten wij hier niet blijven staan,” zei Verstork. „Laten wij weer onder den -Wariengienboom gaan zitten. Oppas,” zoo wendde hij zich tot een der politiedienaren -in zijne nabijheid, „zeg tegen de dèsalieden, dat zij naar huis moeten gaan, het is -tijd om te gaan slapen.” -<span class="pageNum" id="pb221">[<a href="#pb221">221</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e4936"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4936src">1</a></span> <i>Wariengienboom.</i> Zie de aanteekening <a href="#n94.3">N<sup>o</sup>. 3</a> op bladz. 94 hiervoren. <a class="fnarrow" href="#xd30e4936src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4951"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4951src">2</a></span> <i>Kalong.</i> Is eene soort vliegende hond, die tot de handvleugeligen behoort. Hij wordt door -de zoölogen Pteropus edulis geheeten. Edulis beteekent eetbaar, en werkelijk dat dier -wordt door ettelijke jagers met graagte genuttigd. <a class="fnarrow" href="#xd30e4951src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4955"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4955src">3</a></span> <i lang="ms">Kwenni.</i> Is eene soort manga, en wordt door de botanici Mangifera foetida geheeten. <a class="fnarrow" href="#xd30e4955src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4967"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4967src">4</a></span> <i lang="ms">Tongeret oetan</i> wordt door de entomologen Tosena fasciata geheeten. <a class="fnarrow" href="#xd30e4967src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e4992"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e4992src">5</a></span> <i>Baud’s bekende Proeve.</i> Zie omtrent den titel dier verhandeling de aanteekening <a href="#n43.1">Nr. 1</a> op bladz. 43 hiervoren. <a class="fnarrow" href="#xd30e4992src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5027"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5027src">6</a></span> <i>Companie ketjil</i> = de kleine kompagnie is de benaming bij den Inlander van de Nederlandsche Handelmaatschappij. <a class="fnarrow" href="#xd30e5027src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5050"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5050src">7</a></span> <i>Wiens naam mij ontschoten is.</i> Die Chinees heet Li Schi Tschin. Hij schreef in 1596 zijn Pen Tsao Kang Mo of Chineesche -pharmacopoea. <a class="fnarrow" href="#xd30e5050src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n211.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n211.1src">8</a></span> <i>Von Miclucho <span class="corr" id="xd30e5064" title="Bron: Macclay">Maclay</span>.</i> Zie daaromtrent <i>Natuurkundig Tijdschrift van <span class="corr" id="xd30e5070" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> XXXV<sup>ste</sup></i> Deel. <a class="fnarrow" href="#n211.1src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5081"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5081src">9</a></span> <i>Mannen als Rochussen, Loudon, Hasselman, Van Bosse.</i> <span class="sc">Rochussen</span>: zie zijn missive aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858<span class="corr" id="xd30e5087" title="Niet in bron">;</span> <span class="sc">Loudon</span>: zie Tweede Kamerzitting December 1861; <span class="sc">Hasselman</span>: zie zijn brief aan den Koning dd. 16 April 1869; <span class="sc">Van Bosse</span>: zie Kamerzitting 11 Maart 1872. <a class="fnarrow" href="#xd30e5081src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n212.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n212.1src">10</a></span> <i>De kit is nog open.</i> Bij art. 7 van het regl. voor de opiumpacht op Java en Madoera (Ordonn. 25 Sept. -1874 Ind. Stsbl. No. 228) wordt o. a. ook bepaald, dat: de kitten worden gesloten -en de opiumverkoop gestaakt tusschen elf uur des avonds en half zes des morgens. <a class="fnarrow" href="#n212.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch16" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e761">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVI.</h2> -<h2 class="main">Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De bevolking van Kaligaweh gehoorzaamde gedwee, en weldra zaten onze Europeanen alleen -onder de ver uitgestrekte kruin van den kolossalen wilden vijgeboom. Maar, hadden -zij een poos te voren geen oogen gehad voor de schoonheden van den keerkringsnacht, -die hen omringde; thans na dat bezoek aan de opiumkit hadden zij dat nog minder. Het -gesprek liep natuurlijk, nadat zij gezeten waren, over het geziene. -</p> -<p>„Er waren vier en twintig deuren in dien gang, heb ik geteld,” sprak Grashuis, die -als landmeter gewoon was met één blik eene plaatselijke gesteldheid te overzien, „dus -ook vier en twintig van die hokken. Als allen … Het is jammer, dat wij ons hebben -laten afschrikken, en ons onderzoek niet hebben doorgezet.” -</p> -<p>„Neen, het is beter zoo,” antwoordde de controleur. „Weinig van die hokken waren onbezet, -en de tafereelen die gij onder het oog bij verder onderzoek zoudt gekregen hebben, -zouden slechts in verscheidenheid van beestachtigheid afgewisseld hebben. Neen, ik -herhaal het, het is beter zoo. Maar, wanneer ik u nu vertel, dat de dèsa Kaligaweh -ongeveer 80 huisgezinnen telt met eene bevolking van 600 zielen, waaronder 130 werkbare -mannen, en daar bijvoeg, dat zoo’n kit bijna drie vierde van de vier en twintig uren, -die het etmaal vormen, geopend is, en wij bovendien bij het binnentreden der schamele -hutten, nog menigen opiumschuiver zouden aantreffen <span class="pageNum" id="pb222">[<a href="#pb222">222</a>]</span>dan kunt gij u een denkbeeld vormen van de uitgestrektheid van het opiumverbruik.” -</p> -<p>„Is het bekend, hoeveel Inlanders op de honderd opium gebruiken?” vroeg Grashuis die -van cijfers hield. -</p> -<p>„Och, laten wij ons om geen getallen bekreunen, die vooral bij zoo’n rekening niets -anders bewijzen dan de behendigheid van de vervaardigers der <span class="corr" id="xd30e5256" title="Bron: statische">statistische</span> tabellen in <span class="ex" lang="fr">l’art de grouper les chiffres</span>.” -</p> -<p>„En … wij weten,” vulde Grenits aan, „dat fiscale ambtenaren bij zoo iets voor niets -terugdeinzen!” -</p> -<p>„Goed, dat Muizenkop u niet hoort!” merkte Van Rheijn lachende op. „Ge zoudt dien -eens vuur zien vatten.” -</p> -<p>„Wat Kaligaweh betreft,” ging Verstork onverstoorbaar voort, „zou ik durven beweren, -dat daarin geen tien mannen voorkomen, die vrij van opium-verbruik zijn …” -</p> -<p>„Bijna 93 ten honderd,” bromde Van Beneden, die hoewel rechtsgeleerde, nog al met -statistische cijfers solde. -</p> -<p>„Mij is dat gebleken, toen ik een jaar geleden tot de vervanging van den loerah moest -overgaan, die door overmatig misbruik van opium totaal ongeschikt was geworden, en -ik er op stond dat een opiumvrije gekozen werd.” -</p> -<p>„Is dat gelukt?” vroeg Grenits. -</p> -<p>„Ja, met heel veel moeite. Ik had er toen aan gedacht, om Setrosmito, den armen drommel, -die straks zijn kris trok, tot loerah te verheffen. De omstandigheid, dat hij niet -lezen of schrijven kon, heeft mij weerhouden. Maar bij het toen ingestelde onderzoek -is mij gebleken, dat ook vrouwen, en zelfs kinderen van acht en tien jaar oud, opium -gebruiken, en de pijp van den vader uitkrabben<a class="noteRef" id="xd30e5271src" href="#xd30e5271">1</a> om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden.<a class="noteRef" id="xd30e5282src" href="#xd30e5282">2</a> -<span class="pageNum" id="pb223">[<a href="#pb223">223</a>]</span></p> -<p>„Maar Kaligaweh is waarschijnlijk slechts een uitzondering?” vroeg Van Beneden. -</p> -<p>„Volstrekt niet,” antwoordde Verstork met eenige drift, „Ik ben in vele residentiën -gedurende mijne ambtelijke loopbaan geweest, maar ik durf beweren, dat de toestanden -op opiumgebied daar aan die in de residentie Santjoemeh vrij wel gelijk zijn. Dèsa’s -als Kaligaweh zijn er bij honderden te tellen.” -</p> -<p>„Gij zult de Preanger Regentschappen toch uitzonderen?” vroeg Grenits. -</p> -<p>„Zeker daar is het opiumverbruik streng verboden,” antwoordde Verstork. -</p> -<p>„En werkt die maatregel daar goed?” -</p> -<p>„Uitstekend.” -</p> -<p>„Dat’s zeker een proef, die het bestuur neemt, om bij welslagen den maatregel op geheel -Java in te voeren?” vroeg Grashuis. -</p> -<p>„Neen, volstrekt niet,” antwoordde Verstork. „Vooreerst zou de proef als proef veel -te lang duren; want het betrekkelijk besluit dagteekent reeds van 1824<a class="noteRef" id="xd30e5299src" href="#xd30e5299">3</a>; dan ook werd die maatregel niet genomen om het opiumverbruik tegen te gaan, maar -wel, omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen om zich aan het amfioenschuiven -te kunnen overgeven.<a class="noteRef" id="xd30e5303src" href="#xd30e5303">4</a> -</p> -<p>„Nog al leuk,” meende Van Rheijn. -</p> -<p>„Is er hondscher bekentenis mogelijk, dat het opiumverbruik de bevolking demoraliseert?” -stoof Grashuis op. -</p> -<p>„Vraag u nu eens ernstig af,” sprak Grenits, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wanneer gij die bizonderheid voegt bij de afschuwelijke tooneelen, die ons onder de -oogen kwamen, of het waar is, wat daar straks door Van Rheijn beweerd en door Van -Beneden beaamd werd, dat namelijk het opiumverbruik met <span class="pageNum" id="pb224">[<a href="#pb224">224</a>]</span>het alcoholverbruik op ééne lijn te stellen zou zijn? Neen, neen, neen! het is oneindig -afschuwelijker, dat is mijne meening!” -</p> -<p>„En ook de mijne,” sprak Verstork. „Iedere poging om de uitbreiding van het opiumschuiven -te breidelen, en het gebruik tegen te gaan, moet eene veel grootere daad van menschenmin -gerekend worden, dan elke poging der afschaffings- en matigheidsvrienden met betrekking -tot den sterken drank. Maar.…” -</p> -<p>„Maar wat?” -</p> -<p>„Iedere poging om het opiumverbruik tegen te gaan, is een bresschot op het Nederlandsche -budget gedaan.” -</p> -<p>„En als zoo iets in het spel komt, dan zijn de ooren daar ginds in den Haag erg doof,” -grinnikte Grenits.<span id="xd30e5329"></span> -</p> -<p>„Wel, daarin hebben ze gelijk,” viel Van Rheijn in. „Ze kunnen daar de millioentjes, -die door den opium opgebracht worden, onmogelijk missen.” -</p> -<p>„God sta mij bij!” viel Grenits in. „Welke redeneering! Wat zoudt gij zeggen van den -dief, die zijne euveldaad verontschuldigde, met de bewering, dat hij het tientje hetwelk -hij stal, noodig had om naar de bierkneip te gaan; of dat een moordenaar aanvoerde, -dat hij zijn oom vergiftigd had, omdat hij de opengevallen erfenis gebruiken moest, -om.… zijne maitresse te onderhouden?” -</p> -<p>„Ho, ho, ho!” protesteerden een paar stemmen. „Die vergelijking!” -</p> -<p>„Het beeld is niet gevleid, maar toch waar,” antwoordde Verstork. „Zoolang Nederland -zich eene weelderige administratie als de hare veroorlooft en den opiumhandel, zooals -hij bestaat, handhaaft, verdient het geen ander beeld dan dat van den man, die een -tientje wegkaapt om naar den biertempel te gaan.” -</p> -<p>„Eerder dat van den man, die zijn bloedverwant vergiftigt, om zijne duiten machtig -te worden. Dat beeld is juister<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” voegde Grenits er aan toe. „Het valt niet te ontkennen, dat, heeft Nederland Indië -steeds als eene melkkoe behandeld, in de laatste dagen het schrapen alle perken te -buiten gaat.” -</p> -<p>„Ho, ho!” verhieven zich weer de stemmen van Van Rheijn en van Van Beneden als om -te protesteeren. -</p> -<p>„Overdrijf ik? Zeg?.… Gaat men niet alle palen en perken te buiten met de belastingen, -die men op de <span class="pageNum" id="pb225">[<a href="#pb225">225</a>]</span>schouders van nijveren en handelaren gelegd heeft?” -</p> -<p>„Ja, maar in Nederland betalen ze ook belastingen,” meende Van Beneden. -</p> -<p>„Laat u behoorlijk inlichten, daar lang zooveel niet als hier!… Gaat men niet alle -palen te buiten, met de lasten der Inlanders, die reeds zoo zwaar zijn, te verscherpen?” -</p> -<p>„Ja, ja! Zeer zeker!” sprak Verstork. -</p> -<p>„Gaat men niet alle perken te buiten, door ter wille van schraapzucht, het Indische -leger te behandelen zooals men doet,” ging Grenits voort. -</p> -<p>„Hoe dan?” vroeg Van Rheijn onnoozel. -</p> -<p>„Met vrede te Atjeh te decreteeren,<a class="noteRef" id="xd30e5352src" href="#xd30e5352">5</a> die nog in de verste verte niet bespeurd kan worden, waardoor die zoo karig bezoldigden -gladweg het hun toekomende onthouden wordt, en zij derhalve bestolen worden.” -</p> -<p>„Och, wat kan u die sabelsleepers scheelen?” -</p> -<p>„Gaat men niet alle perken te buiten, door de hooge aandeelhouders der Billiton-maatschappij -den buit te laten behouden, die, als gij de debatten daarover gelezen hebt, in de -Vertegenwoordiging gevoerd, in ’s lands kas behoorden te vloeien?” -</p> -<p>„Is dat wel een argument voor uwe stelling?” vroeg Van Rheijn. -</p> -<p>„Zijdelings, ja,” antwoordde Grenits, „want zij helpt mij de beschuldiging schragen, -die ik in te brengen heb, dat de demoralisatie van Regeering, van Vertegenwoordiging, -van kieskollegiën, van kiezers, van de geheele natie ten top gestegen is.” -</p> -<p>„Brr! wat draaft ge door!” zei Grashuis met de beweging van een poedel, die uit het -water komt. -</p> -<p>„Gaat men niet alle perken te buiten, met het opzweepen van het opiumverbruik.…” -</p> -<p>„Opzweepen!… Dat gaat te ver!.… Die beschuldiging is onbillijk!…” viel Van Beneden -in. -</p> -<p>„Zoo! Dunkt u dat?… Welnu, neem Baud’s Proeve <span class="pageNum" id="pb226">[<a href="#pb226">226</a>]</span>ter hand. Daarin zult gij onweerlegbaar aangeteekend vinden, dat men er steeds op -uit geweest is, om de opium-opbrengsten op te zweepen. Er is geen brutaler waarheid -dan die der cijfers! En luistert: het opiummiddel, dat in 1832 drie millioen, in 1842 -bijna zeven millioen, in 1870 tien millioen, in 1880 bijna dertien millioen had opgebracht, -werd voor 1885 op bijna negentien millioen geraamd, en de Vertegenwoordiging nam die -raming zonder blikken of blozen, zonder een woord van protest aan.<a class="noteRef" id="n226.1src" href="#n226.1">6</a> Periodiek wordt in Regeerings- en in andere kringen van het vaderland geteemd en -geweend over de opium-ongerechtigheden; maar inmiddels laat men de bestuurders volkomen -de handen vrij, om volgens de geijkte uitdrukking: <i>er uit te halen, wat er uit te halen is</i>.” -</p> -<p>„Maar,.… vergeef mij. Is het de plicht niet eener regeering, om eene belasting zoo -productief mogelijk te maken?” vroeg Van Rheijn. -</p> -<p>„Juist. Daarin zit het zedelooze en het demoraliseerende van het opium-monopolie. -Ter wille van de baten, die afgeworpen worden, wordt het verbruik aangemoedigd, worden -de inlanders naar de kit gedreven door alle middelen, door de minst geoorloofde het -liefste! Leest de Indische dagbladen maar geregeld,<a class="noteRef" id="xd30e5389src" href="#xd30e5389">7</a> dan zult ge voldoende gesticht worden over den gruwelijken last, die de Chineesche -kithouders den niet-verbruikers aandoen, welke controle zij op, en welken willekeur -zij jegens de verbruikers uitoefenen, wanneer dezen, wellicht tot inkeer gekomen, -hun verbruik verminderen.” -<span class="pageNum" id="pb227">[<a href="#pb227">227</a>]</span></p> -<p>„Of zich van sluikopium voorzien?” viel Van Beneden in. -</p> -<p>„Oorspronkelijk was de opiumpacht slechts bestemd,” ging Grenits onverstoorbaar voort, -„om, door het opdrijven van den amfioenprijs, dit artikel te stellen onder het bereik -van het geringst aantal personen; zoodat, afgaande op die grondstelling, elke regeling -moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd debiet de -rijzing van den pachtschat te verkrijgen.<a class="noteRef" id="xd30e5403src" href="#xd30e5403">8</a> Nu, kort geleden, is zij door een Minister van Koloniën tot een <span class="corr" id="xd30e5416" title="Bron: belastingheffingstelsel">belastingheffingsstelsel</span> verheven<a class="noteRef" id="xd30e5419src" href="#xd30e5419">9</a>. Ziet, wanneer zulke feiten onwraakbaar te staven zijn, dan moet het oordeel klinken; -<i>onze Regeering en onze Vertegenwoordiging zijn overtuigd van het diep rampzalige van -het opium-verbruik bij hun Indische onderdanen; maar zij willen geen afstand doen -van de gelden, welke door de vergiftiging van geheel een volk opgebracht worden</i>.” -</p> -<p>„Tu, tu, tu.… Vergiftiging!.… Wat voor woord!…” viel Van Beneden in. -</p> -<p>„Vergiftiging, ja.… Wanneer bij een apotheker in Nederland opium buiten zijne vergiftkas -bevonden wordt,” antwoordde Grenits, „wanneer hij opium aflevert zonder recept van -een geneesheer, dan wordt hij beboet,<a class="noteRef" id="xd30e5436src" href="#xd30e5436">10</a> nietwaar, vriend Van Nerekool?” -</p> -<p>Deze hief het hoofd op, liet den wezenloozen blik langs den kring gaan, en knikte -ja. Of hij gehoord had, wat gezegd was geworden, viel te betwijfelen. Grenits echter, -met dat toestemmend hoofdknikken tevreden, ging voort. -</p> -<p>„En datzelfde vergift is hier zonder de minste controle <span class="pageNum" id="pb228">[<a href="#pb228">228</a>]</span>te koop, ja wordt den minderen man op de liederlijkste wijze door schurken, als de -Chineesche kithouders zijn, opgedrongen, en dat onder het oog, onder het medeweten, -onder de bescherming van het Nederlandsche bestuur!” -</p> -<p>„Och, altijd dat gehak op het Nederlandsche bestuur!” zei Van Rheijn meesmuilend. -„Vriend Grenits, ge zijt al met hetzelfde sop van ontevredenheid overgoten als de -overige handelaren en industriëelen hier in Indië.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Zou ik niet?” viel Grenits driftig in. „Hoewel ik met de denkbeelden van het meerendeel -hunner niet meê ga, zoo voel ik mij toch solidair verbonden aan hen, waar het de dierbaarste -belangen van handel en nijverheid geldt. Op dat gebied, ja! kunt ge zeggen, dat ik -met hetzelfde sop overgoten ben.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Hebben die pruttelaars zooveel te klagen?” vroeg Grashuis <span class="corr" id="xd30e5460" title="Bron: men">met</span> leuke stem. -</p> -<p>„Dat zou ik meenen! Zij worden onder het tegenwoordige régime niet alleen gevild, -maar uitgezogen op eene wijze, die in andere streken voorzeker de hand naar de wapens -zou doen uitstrekken. De Nederlanders hadden bij hunnen opstand tegen Spanje, en de -Belgen bij den hunnen tegen de Nederlanders lang zulke grieven niet als de Indo-Europeanen -tegen hunne tegenwoordige onderdrukkers kunnen aanvoeren!” -</p> -<p>„Ho! ho! ho!” riepen verscheidene stemmen. -</p> -<p>„Dezen moeten belastingen opbrengen, waarbij de X<sup>de</sup> penning, die onze voorvaderen zoo ontstemde, als kinderspel kon beschouwd worden. -En welke rechten worden hun daartegenover toegekend. Als <span class="corr" id="xd30e5470" title="Bron: persifflage">persiflage</span> zou kunnen gezegd worden, dat zij het recht hebben: hoegenaamd geen recht te bezitten. -Want, wat hier in Indië den naam van recht heeft, is daarvan slechts een akelig masker; -vooral wanneer het geldt fiscalische onderwerpen, waarbij de Staat zich als een verscheurend -dier op zijne prooi werpt, en deze hoegenaamd geene bescherming te wachten heeft; -vooral wanneer het geldt botsingen met de opiumpachters, die Staten in den Staat!” -</p> -<p>„Gij overdrijft! Gij overdrijft!” riep Van Rheijn uit. -</p> -<p>„Och, dat het waar ware!” antwoordde Grenits hartstochtelijk. „Maar neemt het gruwelijke -boek: <i>Macht tegen Recht</i> ter hand, dat boek afkomstig van een lid van het <span class="pageNum" id="pb229">[<a href="#pb229">229</a>]</span>Hoog Gerechtshof te Batavia, die vóór dien tijd jaren lang advocaat-generaal bij dat -hof was, schier een half menschenleven als voorzitter van landraden, van raden van -Justitie, enz. doorbracht en die het dus weten kan en ook weet, en zegt mij daarna -nog dat ik overdrijf!” -</p> -<p>„De schrijver van dat boek is een ontevreden mensch, die zich slechts één doel stelt, -de wereld tegen de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur in het harnas te jagen.” -</p> -<p>„Eene schrikkelijke beschuldiging, die gij inbrengt tegen een man, die in mijn oog -den moed en daardoor de groote verdienste heeft van den toestand onbewimpeld onthuld -te hebben. Dat is in den regel de dankbaarheid van ons Nederlanders!” -</p> -<p>„Ja, ik kan begrijpen, dat jullie kooplieden met dien man dweepen,” riep Van Rheijn -smadelijk uit. „Voor die ontevredenen is dat koren op de molen!” -</p> -<p>„Dien ontevredenen heeft men redenen te over tot ontevredenheid gegeven, vriend Van -Rheijn.” -</p> -<p>„Kom, kom, een troepje tamme oproerlingen, waarmeê wel reê te schieten zal zijn.” -</p> -<p>„Ja, dat is het geijkte woord, door sommige organen der Nederlandsche pers gebruikt, -toen zich de belastingschuldigen eenigen tijd geleden met wettige middelen tegen de -daden van willekeur en tegen de afpersingen van het Indische bestuur verzetten. Tamme -oproerlingen!…” ging Grenits met rauwe stem en opgewonden voort. „Tamme oproerlingen!… -laat men daarover niet smalen in Nederland! Want bij God! bij een anderen staat van -zaken zou men daar wel met de handen in het haar zitten, om met minder tamme oproerlingen -klaar te komen! Dat zij daar ginds toch niet vergeten, dat het schuim van Europa saamgewield -is moeten worden, om den oorlog te Atjeh te kunnen voeren; want de Hollandsche heldenaard -gaf in onze steden den weinigen, die daarvoor aangeworven konden worden, het fraaie -refrein in den mond: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">„Ik ben mijn leven moe! -</p> -<p class="line">Ik ga naar Atjeh toe!”</p> -</div> -<p class="first">„Grenits! Grenits!” bracht Verstork bedarend in het midden. -<span class="pageNum" id="pb230">[<a href="#pb230">230</a>]</span></p> -<p>„Ja, ik heb ongelijk,” sprak deze, „en zal eindigen. Maar, met dat vrij ondoordachte -„tamme oproerlingen” heeft men meer kwaad gedaan, dan wel gegist kan worden; want -men heeft er hier het bewijs door verkregen, dat men in den wettelijken kamp van recht -en billijkheid tegenover gewetenlooze afpersing slechts hoon en scheldwoorden te verwachten -heeft. God behoede Nederland! Maar ik acht de meening niet ongegrond, dat wanneer -een man opstond, die aan een flink organiseerend talent den takt paarde, om de onderling -verdeelde ontevredenen om zich te scharen, een man, die van de radeloosheid daar ginds -gebruik zou weten te maken, het moederland bange dagen door te brengen zoude hebben.” -</p> -<p>„Kom, kom! dat zal wel losloopen. Het leger zou dan zijn plicht wel weten te doen!” -</p> -<p>„Zijn plicht? Gij het eerste smaaldet straks op de sabelsleepers! Heeft de Regeering -het recht op die plichtsvervulling te rekenen, nadat zij op de meest hondsche wijze -tegenover dat leger haren plicht verzaakt heeft? Ik neem aan, en ben overtuigd, dat -het officierskorps, in weerwil van alles, stipt en onwrikbaar zijnen plicht zou doen.<a class="noteRef" id="xd30e5497src" href="#xd30e5497">11</a> Maar.… kan men dat ook verwachten van de vreemdelingen, die men herwaarts bracht, -en die reeds te Atjeh naar den vijand met pak en zak, met wapens en munitie overloopen, -en dan bij geheele kompagniën zouden overgaan? Kan men die plichtsbetrachting ook -verwachten van de Inlandsche manschappen, die meest allen door middel der onteerendste -streken, door opium, door speelwoede, door vrouwenlist, geronseld werden? Zeg, zou -dat van die te verwachten zijn? Neen, misleidt u niet.…” -</p> -<p>„Gij laat oproerige taal hooren!” sprak Van Rheijn gemelijk. -<span class="pageNum" id="pb231">[<a href="#pb231">231</a>]</span></p> -<p>„Noemt gij het oproerig zijn,” vroeg Grenits heftig, „wanneer ik den vinger op den -wonde leg?” -</p> -<p>„Mij dunkt,” kwam Verstork tusschen beiden. „Mij dunkt, heeren, dat het tijd is om -de discussie te sluiten. Bij dergelijke gesprekken wordt het bloed warm, en.… Daarenboven, -het is bijna middernacht. Wij moeten gaan rusten; want morgen ochtend is het vroeg -dag, en dan wacht ons eene vermoeiende jacht. Denk er om: de Djoerang Pringapoes, -dien wij heden middag maar omgetrokken hebben, is geen danszaal! Dat zult gij wel -bemerken? Kom, slapen! wie mij lief heeft, die volge mij!” -</p> -<p>Allen stonden op, behalve Van Nerekool. -</p> -<p>„Ik ben blij, dat Muizenkop niet bij dat gesprek geweest is,” zei Grashuis. „Drommels, -morgen avond zou de resident het—wie weet hoe verfraaid en verrijkt—reeds vernemen. -En dan, vriend Grenits, zoudt gij een lastig kwartier door te brengen hebben. Wie -weet of ze je niet naar Atapoepoe of de Tomini-baai<a class="noteRef" id="xd30e5518src" href="#xd30e5518">12</a> verbanden; wellicht zetten ze je wel heel en al de koloniën uit. Denk steeds om den -<span class="corr" id="xd30e5524" title="Bron: advokaat">advocaat</span> Winckel.”<a class="noteRef" id="xd30e5527src" href="#xd30e5527">13</a> -</p> -<p>Grenits maakte eene minachtende beweging met de schouders. -</p> -<p>„Gaat gij niet mede?” vroeg Verstork op Van Nerekool toetredende, toen hij dien nog -buiten zag zitten met het hoofd in de hand, nadat de anderen den passangrahan reeds -waren binnengetreden. -</p> -<p>De aangesprokene antwoordde niet; hij hief het hoofd slechts op, en keek zijn vriend -met een verbijsterd oog aan. -</p> -<p>„Wat scheelt er aan, Karel?” vroeg Verstork, terwijl hij zijn vriend de hand op den -schouder legde en naast hem plaats nam. „Zijt ge ziek? Gij waart den geheelen dag -zoo stil, zoo <span class="corr" id="xd30e5539" title="Bron: afgetrokkem">afgetrokken</span>.” -<span class="pageNum" id="pb232">[<a href="#pb232">232</a>]</span></p> -<p>„Neen, ziek ben ik niet, Willem,” was het antwoord. „Maar, ik ben zoo ongelukkig!” -</p> -<p>„Ongelukkig?… Kom vertel mij, waarin. Gij weet: medegedeeld leed drukt slechts ten -halve.” -</p> -<p>„Och, wat zou ik u mede te deelen hebben, waarvan gij de helft zoudt kunnen torschen? -Vriend Willem, herinnert gij u ons gesprek nog van verleden Zaterdag te Santjoemeh?” -</p> -<p>„Zeker, en ik verbond mij daarbij, om u eene week later opheldering te geven, waarom -ik toen zeide, dat ik uwe opkomende genegenheid voor Juffrouw Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam zeer treurig vond. Dat is heden, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, vriend. Maar wat zoudt ge mij nog te zeggen hebben? In die acht dagen is veel -gebeurd. Gij wist zeker toen reeds, dat de resident Van Gulpendam mij niet genegen -was?” -</p> -<p>Verstork antwoordde niet onmiddellijk op die vraag; maar drong op mededeeling van -het gebeurde aan. -</p> -<p>„Kom,” sprak hij, „kom Karel, vertel wat u in die week wedervoer. Gij weet het: uw -hart ontmoet in het mijne een oprecht vriendenhart. Komaan, vooruit!” -</p> -<p>„Maar, gij wildet gaan slapen?… En … dan, morgen die jacht?…” -</p> -<p>„Och, het is mij meermalen bij mijne tournées door de Gouvernements koffietuinen overkomen, -dat ik in de dèsa’s slapelooze nachten doorbracht; terwijl mij toch den volgenden -morgen een inspanningsvolle dag wachtte. Spreek op! zooveel heb ik nog wel voor een -vriend over, dat ik mij voor hem een paar uren slapen ontzeggen wil.” -</p> -<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool aarzelde niet langer. Hij had behoefte aan mededeelzaamheid, hij had behoefte -zijn hart in dat eens vriends uit te storten. -</p> -<p>En nu volgde het verhaal van de liefdesbekentenis van den jongen man aan zijne aangebedene -bij gelegenheid van de dansreceptie ten residentiehuize. Met de levendigste kleuren -schilderde hij het betooverende oogenblik, waarin hem het geheim zijner ziel gedurende -den zoo heerlijken wals in de binnengalerij ontsnapte; ook dat, waarin hij de betuiging -der wederliefde der lieve maagd ontving, waarin hun beider lippen daar in den tuin -elkander voor het eerst zochten en vonden. -<span class="pageNum" id="pb233">[<a href="#pb233">233</a>]</span></p> -<div lang="la" class="lgouter"> -<p class="line">„Oscula qui sumpsit, si non et cætera sumpsit, -</p> -<p class="line">Hæc quoque quæ datæ sunt, perdere dignus erat”<a class="noteRef" id="xd30e5569src" href="#xd30e5569">14</a></p> -</div> -<p class="first">mompelde Verstork, die in zijn jeugd ook klassieke studiën gemaakt had, het tweeregelig -vers van Ovidius in zijn „ars amandi” binnensmonds met een glimlach. Maar, toen hij -zijn vriend weemoedig het hoofd zag schudden, ontwaarde hij, hoe diep dat arme hart -gewond was. -</p> -<p>Op het verhaal van de liefdesvervoering, van die heilige oogenblikken, daar in den -residentstuin, achter dat Pandan-boschje doorgebracht, volgde dat der ontnuchtering. -Karel vertelde, hoe mevrouw Van Gulpendam het <i lang="fr">tête à tête</i> verstoord had: hij deelde het gesprek mede, hetwelk hij daarop met de schoone Laurentia -gehad had. Een bittere glimlach zweefde om den mond van den controleur, toen hij vernam, -welke verleidingsmiddelen de aanzienlijke vrouw aangewend had. -</p> -<p>„Arme, arme vriend!” sprak hij. „En is dat alles?” -</p> -<p>„O, neen,” antwoordde Van Nerekool. -</p> -<p>„Welnu, ga voort.” -</p> -<p>„Daags daarna, begaf ik mij, zooals ik met Anna afgesproken had, naar het residentiehuis, -om de hand van het lieve meisje aan haren vader te vragen. Het kostte mij veel moeite -om gehoor te krijgen, en het was niet dan nadat ik zeer lang geantichambreerd had, -dat ik in de tegenwoordigheid van den resident toegelaten werd. -</p> -<p>„„Ik heb niet veel tijd, mijnheer,” was zijne toespraak, toen hij mij het kantoor, -waarin hij mij ontving, zag binnentreden. „Loop een beetje gauw van stapel, ik ben -gehaast.” -</p> -<p>„„Mijnheer Van Gulpendam,” begon ik, „ik had gisteren een gesprek met juffrouw Anna, -en …” -</p> -<p>„„Laat vieren, alsjeblief,” viel hij mij in de rede, „ik herhaal het, ik heb geen -tijd om te slampamperen. Van dat gesprek heb ik zoo iets vernomen. Ik kan het niet -kiesch vinden van een rechterlijk ambtenaar, met een jong meisje een geheim oppertje -te zoeken. Recht door zee! is mijne leus, mijnheer! Een eerlijk man gaat met volle -<span class="pageNum" id="pb234">[<a href="#pb234">234</a>]</span>zeilen op zijn doel af. Dat bij-den-wind-knijpen is van mijne gading niet.” -</p> -<p>„„Resident, ik verklaarde reeds aan mevrouw, dat de omstandigheden mij verrast hebben. -Het is en was mijn doel, om openlijk aanzoek naar de hand uwer dochter te doen. Van -geheimzinnigheid kan dus geen sprake zijn, en de reden van mijne komst is, mijnheer -Van Gulpendam, geene andere, dan om u mijne liefde voor juffrouw Anna te belijden, -en u te verzoeken haar mij als gade te geven.” -</p> -<p>„„Zoo, buit het uit dien hoek? Gij hebt een aardig bestek gemaakt. Kunt gij wel gissen, -wat <i>ik</i> in het logboek zal invullen? Niet?” -</p> -<p>„„Resident, de zaak is voor mij zoo ernstig mogelijk,” antwoordde ik, verbaasd over -die zeemanstaal. „Laat in Gods naam alle scherts varen. Ik heb de eer u om de hand -van uwe dochter te verzoeken.” -</p> -<p>„„Mijnheer Van Nerekool, ik ben zoo ernstig mogelijk,” hernam hij ietwat geraakt. -Van nu af evenwel kwam gedurende het gesprek geen enkele scheepsterm meer over zijn -lippen. „Hoe kunt gij mij verdenken, scherts te bezigen, wanneer ik u vraag, of gij -gissen kunt, welke beslissing ik zal nemen?” -</p> -<p>„„Ik hoop, dat die beslissing mij gunstig zal wezen. O, ik bemin juffrouw Anna onuitsprekelijk!” -</p> -<p>„„Dat zijn van die uitdrukkingen, die door alle verliefden gebezigd worden. Is uwe -liefde u ernst?” -</p> -<p>„„Hoe kunt gij zoo iets vragen?” antwoordde ik hartstochtelijk. -</p> -<p>„„Ik heb daar mijne redenen voor. Gij hebt gisteren avond een gesprek met mijne echtgenoote -gehad?” vroeg hij mij. -</p> -<p>„„Ja, resident,” was mijn antwoord. -</p> -<p>„„Die heeft u eene geheele toekomst voorgespiegeld, is dat zoo niet?” was zijne tweede -vraag. -</p> -<p>„Ik keek hem verbaasd aan. Het kon mij niet in het hoofd opkomen, dat hij en zijne -vrouw in dergelijke zaken eenstemmig dachten?” -</p> -<p>„Waarom niet?” vroeg Verstork. -</p> -<p>„Ik beschouwde den resident wel als een wuft mensch; ik meende steeds evenwel, dat -hij een eerlijk man was, die met de kuiperijen zijner echtgenoote niets te maken had.” -</p> -<p>De bittere glimlach, die het gelaat van den controleur <span class="pageNum" id="pb235">[<a href="#pb235">235</a>]</span>overtoog, ging onder de dichte schaduw van den <span class="corr" id="xd30e5610" title="Bron: Waringienboom">Wariengienboom</span> voor Karel verloren. -</p> -<p>„Ga voort!” sprak hij zacht maar met bedaarde stembuiging, die zijne gemoedsstemming -onmogelijk kon verraden. -</p> -<p>„Op zijne laatste vraag antwoordde ik „ja resident, dat heeft mevrouw gedaan.” -</p> -<p>„„Zoowel omtrent uwe loopbaan als omtrent uw aanzoek?” vroeg hij verder. -</p> -<p>„„Ja, resident!” sprak ik gejaagd. -</p> -<p>„„Welnu; dan hebt gij uwe geheele toekomst in de hand,” hernam hij verder. „En, dat -gij thans hier zijt, doet mij de hoop koesteren, dat gij nog eenmaal een practisch -mensch in onze maatschappij zult worden.” -</p> -<p>„Willem, bij die woorden, die eene verdenking op het aanzoek, dat ik deed, en waarvan -mijn geheel toekomstig geluk afhing, wierp, voelde ik den grond, als het ware, onder -mij wegzinken. -</p> -<p>„„Resident,” zoo sprak ik in mijne vertwijfeling, „weet gij wat mevrouw mij voorgesteld -heeft?” -</p> -<p>„„Zoo wat, mijnheer Van Nerekool, zoo wat,” antwoordde hij losjes en met ietwat spottende -stem. „Zij heeft u de hoop voorgespiegeld de opvolger te worden van den tegenwoordigen -voorzitter van den landraad te Santjoemeh, met uitzicht om in een niet al te verwijderd -tijdstip tot die betrekking definitief benoemd te worden. Zij heeft u de hand niet -geweigerd van Anna, die gij beweert zoo zeer te beminnen. Gij ziet, dat ik op de hoogte -der gedane toezeggingen ben, en als gij u daaromtrent hebt willen vergewissen, hetgeen -de daad van een inderdaad practisch man zou zijn, weest dan gerust.…” -</p> -<p>„Willem, ook die uitleg mijner gedachten kwetste mij. Welke onedele roerselen gingen -toch om in die ziel? Ik viel hem dan ook vrij heftig in de rede: -</p> -<p>„„Het is op die voorspiegelingen niet, dat ik doelde, heer resident, ook was het niet, -om mij van uwe inzichten te vergewissen, toen ik u de vraag deed, of gij wist wat -mevrouw mij voorgesteld heeft!” -</p> -<p>„„Zoo, dan heb ik u niet begrepen, mijnheer Van Nerekool,” antwoordde hij koel. „Wat -bedoeldet gij dan wel met die vraag?” -</p> -<p>„„Wat ik bedoelde?” antwoordde ik. „Weet gij wel, dat <span class="pageNum" id="pb236">[<a href="#pb236">236</a>]</span>mevrouw Van Gulpendam mij voorgesteld heeft eed en plicht te verkrachten?” -</p> -<p>„„Och, kom?” zei hij spottend. -</p> -<p>„„Weet gij wel, dat mij het voorstel gedaan is, het mijne er toe bij te brengen, om -een onschuldige tot verbanning te doen veroordeelen?” ging ik voort. -</p> -<p>„„Gij droomt, waarde heer,” antwoordde hij steeds spotachtig. -</p> -<p>„„Weet gij wel,” vervolgde ik, „dat mij in ruil voor dien prijs uitzicht op de hand -uwer dochter geopend werd? Dat mij voor den prijs van een menschenleven eer en bevordering -werd aangeboden?” -</p> -<p>„„Dat gaat te ver, mijnheer Van Nerekool!” hernam hij met gemaakten toorn. „Ik verbied -u zoodanige gedachten over mijne echtgenoote te uiten! Wat? Gij komt hier om de hand -mijner dochter te vragen en gij hebt slechts hoon en laster over voor de moeder van -het meisje, dat gij zegt lief te hebben!” -</p> -<p>„„Hoon en laster!” riep ik uit. -</p> -<p>„Op dien uitroep herstelde hij zich oogenblikkelijk en hervatte: „Dat is wellicht -te sterk uitgedrukt. Er kan hier slechts sprake zijn van een misverstand,” en met -koelheid vervolgde hij: „Uw aanzoek vereert mij en mijne dochter, mijnheer Van Nerekool. -Het komt mij evenwel zeer onverwacht; zoodat ik eenigen tijd noodig zal hebben, om -over die aangelegenheid, die het geluk van mijn kind betreft, na te denken. Er is -bovendien geen haast bij. Anna is nog zoo jong, te jong zelfs om aan een huwelijk -te denken.” -</p> -<p>„„Gij beneemt mij dus niet alle hoop?” vroeg ik levendig, terwijl ik zijn hand greep. -</p> -<p>„Hij keek mij met een verbaasden blik aan. -</p> -<p>„„Ik beloof niets, volstrekt niets, mijnheer Van Nerekool,” sprak hij ontwijkend. -„Anna kan nog gerust een jaar, wellicht twee wachten, alvorens aan een verbintenis -voor haar leven te denken. En die dan leeft, die dan zorgt, nietwaar? Intusschen …” -</p> -<p>„Hier haperde hij. -</p> -<p>„„Intusschen?…” vroeg ik schier ademloos. -</p> -<p>„„Intusschen zult gij wel doen, ging hij hardvochtig voort, met uwe bezoeken op het -residentiehuis te staken. Gij zult toch een braaf meisje niet in opspraak <span class="pageNum" id="pb237">[<a href="#pb237">237</a>]</span>willen brengen. Ik reken er dan ook op, u niet anders dan bij officiëele receptie’s -ten mijnent te zien!” -</p> -<p>„Willem, dat was duidelijk nietwaar? Ik was afgewezen.” -</p> -<p>Verstork keek zijn vriend met deelneming aan. -</p> -<p>„Ik had zoo’n voorgevoel van het leed, dat gij te gemoet gingt,” zei hij. „Herinner -u maar, hoedanig ik verleden week uwe mededeelingen opnam.” -</p> -<p>„Ja, gij zoudt mij heden vertellen, waarom.…” -</p> -<p>„Zeg, Karel, is dat nog wel noodig? Gij hebt, geloof ik, genoegzaam kunnen peilen, -in welken familiekring gij terecht zoudt zijn gekomen, wanneer uw aanzoek ingewilligd -ware geworden.” -</p> -<p>„Maar Willem, Anna is.…” -</p> -<p>„Anna is het reinste en het liefste wezen, wat op het aardrijk kan aangetroffen worden. -Anna is onschuldig aan alles, en de vraag rijst bij mij wel eens, hoe zoo eene heerlijke -bloem in zoo’n midden heeft kunnen ontkiemen, heeft kunnen ontwikkelen? Maar.… laat -dat meisje zijn, wat zij is; als gij met haar in het huwelijk zoudt treden, zou het -toch niet minder waar zijn, dat gij u gekluisterd zoudt vinden aan hare ouders, die -de meest zelfzuchtige, de meest verdorvene wezens genoemd moeten worden, die in een -fatsoenlijken kring plaats kunnen nemen. Arme vriend, wat zoudt gij u in zoo eene -omgeving rampzalig gevoelen! Zie, het was daarop, dat ik u had willen wijzen.” -</p> -<p>Van Nerekool zuchtte diep en scheen in zijne gedachten verloren. Hij zat daar met -het achterhoofd door de hand ondersteund; terwijl zijn oog als verdwaald hoog daarboven -de openingen aanstaarde, die in de bladerenkruin van den Wariengienboom te ontwaren -waren, en waardoor de maan, die hoog boven aan den hemel stond, hare stralen liet -schijnen. -</p> -<p>Verstork eerbiedigde dat stilzwijgen gedurende een poos. Daarop sprak hij: -</p> -<p>„Kom, gij hebt uw hart lucht gegeven; ik heb u met een woord op de hoogte gebracht -van hetgeen gij weten moest. Kom, ga thans vergetelheid in den slaap zoeken. Gij hebt -heden een voor u ongewonen en dus vermoeienden rit afgelegd. Rust zal uw lichaam welkom -zijn. Morgen wachten ons nog grootere vermoeienissen. Ik reken <span class="pageNum" id="pb238">[<a href="#pb238">238</a>]</span>er op, dat ook die heilzaam zullen werken. Maar, willen wij tegen de inspanning van -morgen bestand zijn, dan is slaap noodig. Kom!” -</p> -<p>Van Nerekool zuchtte diep, maar antwoordde niet. Hij stond evenwel op en volgde zijn -vriend naar den passangrahan, waar zij de overigen reeds in diepe rust vonden en zich -dan ook naast hen op de baleh-baleh uitstrekten. -<span class="pageNum" id="pb239">[<a href="#pb239">239</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5271"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5271src">1</a></span> <i>De pijp uitkrabben, om zoo het noodlottige narcoticum <span class="corr" id="xd30e5274" title="Bron: machttig">machtig</span> te worden.</i> De opiumpachters koopen dat uitkrabsel, hetwelk „tahi madat” geheeten wordt, op, -om hunne officiëele waar mede te vervalschen. Die vervalsching wordt bij art. 13 van -het bij de <a href="#n212.1">vorige noot</a> op bladz. 212 aangehaalde reglement met zware boete bedreigt. Hoe edelaardig niet -waar? Den Javaan tegen vervalschte vergiftiging te beschermen! Er dient bij verteld -te worden, dat die vervalsching te zeer de onvervalschte vergiftiging van het Staatsmonopolie -zou benadeelen. <a class="fnarrow" href="#xd30e5271src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5282"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5282src">2</a></span> <i>Om zoo het noodlottige narcoticum machtig te worden.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n78.1">No. 1</a> op bladz. 78. <a class="fnarrow" href="#xd30e5282src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5299"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5299src">3</a></span> <i>Dagteekent reeds van 1824.</i> Dat besluit is van 3 December en te vinden in het Ind. Staatsblad No. 44 van dat -jaar. <a class="fnarrow" href="#xd30e5299src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5303"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5303src">4</a></span> <i>Omdat men vreesde, dat de bevolking koffie zou stelen, om zich aan het amfioenschuiven -te kunnen overgeven.</i> Zie <span class="sc">Baud’s</span> <i>Proeve</i> enz. reeds in de aanteek. <a href="#n43.1">No. 1</a> op bladz. 43 hiervoren aangehaald. Op bladz. 162 van het daar vermelde deel der Bijdragen -staat woordelijk: „De Preangerlanden werden van het pachtgebied uitgesloten en alle -invoer van opium aldaar verboden. Dat stond in verband met de vrees voor sluikhandel -in koffie. Verslaafden de Inlanders zich aan het amfioenrooken, dan zouden zij, meende -men, de Gouvernements-koffie verkoopen om aan die neiging te kunnen voldoen.” <a class="fnarrow" href="#xd30e5303src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5352"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5352src">5</a></span> <i>Met vrede te Atjeh te decreteeren, die nog in de verste verte niet te bespeuren is.</i> Zie hieromtrent de hoofdartikelen in 1885 in de Nederlandsche dagbladen: <i>Het Algemeen Handelsblad</i>, <i>De Amsterdammer</i>, <i>Het Vaderland</i> en zooveel anderen in de maand Juli 1885 <span class="corr" id="xd30e5361" title="Bron: geplubliceerd">gepubliceerd</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e5352src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n226.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n226.1src">6</a></span> <i>En de Vertegenwoordiging nam die raming zonder blikken en blozen aan.</i> Och, wat was Grenits nog naïef met zijne verontwaardiging. De opiumramingen van 1886 -en van 1887, die respectievelijk 21 en bijna 22 millioen bedroegen, zijn evenzeer -zonder blikken of blozen aangenomen. Nederland heeft geld noodig en dan komt het er -niet op aan, uit welk riool dat geld door de Regeering met vuil viezen vinger gehaald -wordt. In de Eerste Kamer werd de Minister Sprenger van Eyk in 1885 nog geprezen voor -zijn <span class="corr" id="xd30e5380" title="Bron: financieel">financiëel</span> beleid. Hoera, voor de Nederlandsche Vertegenwoordiging! <a class="fnarrow" href="#n226.1src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5389"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5389src">7</a></span> <i>Lees de Indische dagbladen maar geregeld.</i> Alle verschenen artikelen op te sommen, is niet doenlijk<span class="corr" id="xd30e5392" title="Niet in bron">.</span> Maar de lezing van b. v. <i>Het Indische Vaderland</i> van 15 Januari en 8 Februari 1883, en ook de <i>Locomotief</i> van 25 Juli en 1 Augustus van hetzelfde jaar kan ik aanbevelen. <a class="fnarrow" href="#xd30e5389src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5403"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5403src">8</a></span> <i>Elke regeling moet worden veroordeeld, die de strekking heeft, om door een vermeerderd -debiet de rijzing van den pachtschat te verkrijgen.</i> Grenits kwam waarlijk beslagen op het ijs, want de <span class="corr" id="xd30e5406" title="Bron: Minisster">Minister</span> van Koloniën <span class="sc">Rochussen</span> verkondigde in nagenoeg dezelfde bewoordingen dezelfde stelling in zijne missive -aan de Ind. Regeering dd. 3 Mei 1858. Hoe die waarlijk verheven grondstelling nagekomen -is en wordt, leert de <a href="#n226.1">noot op de vorige bladzijde</a>. <a class="fnarrow" href="#xd30e5403src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5419"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5419src">9</a></span> <i>Door een minister van Koloniën tot een belastingheffingsstelsel verheven is.</i> Zie de inlichtingen van den Min. v. K<span class="corr" id="xd30e5422" title="Niet in bron">.</span> <span class="sc">Sprenger van <span class="corr" id="xd30e5426" title="Bron: Eijk">Eyk</span></span>, aan de Tweede Kamer aangeboden bij zijne geleidende missive dd. September 1884 No. -1. <a class="fnarrow" href="#xd30e5419src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5436"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5436src">10</a></span> <i>Dan wordt hij beboet.</i> Ziet ook over het bezit en verkoop van opium door apothekers in Ned. Indië de Ordonnantie -dd. 8 October 1872 (Ind. Stbl. <span class="corr" id="xd30e5439" title="Bron: Ns.">N<sup>o</sup></span> 170). <a class="fnarrow" href="#xd30e5436src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5497"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5497src">11</a></span> <i>Stipt en onwrikbaar hun plicht zullen doen.</i> Ja, dat zullen zij! Maar … hoe wordt hun plichtsbetrachting door de Regeerende personen -gewaardeerd? In de Kamerzitting van 11 November 1885 permitteerde de Min v. Kol. <span class="sc">Sprenger van Eyk</span> zich de <span class="corr" id="xd30e5503" title="Bron: persifflage">persiflage</span>: „<i>zij pruttelen wel, maar dat is niet gevaarlijk</i>. Rechtmatige klachten inbrengen wordt in den mond van die Excellentie pruttelen geheeten, -en daaraan wordt eerst aandacht geschonken als het gevaarlijk wordt. <a class="fnarrow" href="#xd30e5497src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5518"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5518src">12</a></span> <i>Atapoepoe of de Tomini-baai.</i> Eerstgenoemde is een kleine kampong op de noordkust van het eiland Timor vlak bij -de Portugeesche grens gelegen. De Tomini-baai is een groote inham, welke de Moluksche -zee in Noord-Oost-Celebes maakt<span id="xd30e5521"></span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e5518src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5527"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5527src">13</a></span> <i><span class="corr" id="xd30e5529" title="Bron: Advokaat">Advocaat</span> Winckel.</i> Deze rechtsgeleerde, die redacteur was van een der Indische bladen, werd in 1873 -wegens eenige ondoordachte woorden over den toenmaligen Gouverneur-Generaal met betrekking -tot den Atjeh-oorlog zonder vorm van proces uit Nederlandsch-Indië gebannen. <a class="fnarrow" href="#xd30e5527src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5569" lang="nl"> -<p class="footnote" lang="nl"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5569src">14</a></span> Dit distichon beteekent vrij vertaald: hij die een kus verwerft en het overige niet -weet te veroveren, is waard, dat hij datgene verliest, wat hij reeds erlangd heeft. <a class="fnarrow" href="#xd30e5569src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch17" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e770">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVII.</h2> -<h2 class="main">In den Djoerang Pringapoes.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„<span lang="ms">Toeaan!… Toeaaan!… Toeaaaan!</span>” -</p> -<p>Zoo weerklonk het weinige uren later in den passangrahan, waar onze vrienden te snurken -lagen. -</p> -<p>Och, de slaap had zich ook over Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool erbarmd. Het had wel lang geduurd. Vele malen, ja ontelbare malen had hij -zich op de baleh-baleh heen en weer gewenteld, en dat bamboegevaarte zoodanig doen -zuchten en kraken, dat èn aan Leendert Grashuis èn aan August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, de nevenslaaplieden van den rampzaligen verliefde, nog al een enkele maal -een toornige uitroep ontlokt was van: -</p> -<p>„Lig toch niet zoo te schudden en te wiegen! Het is om zeeziek te worden!” -</p> -<p>Of wel van: -</p> -<p>„Wat is de rechterlijke macht, in strijd met hare traditiën, buitengewoon onrustig -van nacht!” -</p> -<p>„Ik geloof, dat haar de muskieten kwellen!” -</p> -<p>„Of een boos geweten!” -</p> -<p>„Of een blauwe scheen!” -</p> -<p>Maar Karel was Goddank! eindelijk ingeslapen. Het was evenwel slechts voor korten -tijd. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!</span>”… -</p> -<p>Zoo liet zich de stem van straks andermaal hooren. Het was Verstork’s bediende, die -zich door den kedjineman van de gardoe had laten wekken, en die thans op zijne beurt -zijn heer wekte. Maar hij deed dat met den voorzichtigen eerbied, dien ieder ervaren -Javaan in <span class="pageNum" id="pb240">[<a href="#pb240">240</a>]</span>dergelijke omstandigheden betracht. Hij wist toch bij ervaring, dat de blanken uiterst -nurksch zijn, wanneer zij plotseling uit een weldadigen slaap ontijdig opgewekt worden. -Bij zulke gelegenheid hield hij zich liefst op een betamelijken afstand; want eene -oorvijg van den slaapdronken toean was gauw opgeloopen. Niet, dat Verstork zoo bizonder -vlug met de gevreesde handbeweging was; integendeel, hij was bekend onder de Inlandsche -bevolking voor zijne zachtaardigheid; maar … in zoo’n verbijsterden toestand is een -klap gauw opgeloopen, en het was maar beter zich buiten bereik te houden. Zoo dacht -de gedienstige geest. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!…</span>” liet zich andermaal het gedempte maar langgerekte geroep vernemen. -</p> -<p>Maar Verstork hoorde niet. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Kandjeng toeaaaan!</span>”… -</p> -<p>Geen woord. -</p> -<p>De bediende trad de baleh-baleh nader. Bij zijn heer gekomen, herhaalde hij evenwel -thans nog meer gedempt en gerekt: -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!</span>”… -</p> -<p>Verstork verroerde geen vin. Alleen Van Nerekool werd eenigermate onrustig. -</p> -<p>Toen sloeg de bediende onvoelbaar zacht aan het voeteneind de sprei op, die zijn heer -toedekte. Bij de vierbekkige palita,<a class="noteRef" id="xd30e5720src" href="#xd30e5720">1</a> die met een kettinkje aan een der daksparren van het gebouwtje bengelde, kon hij -genoegzaam rondkijken. Toen hij een der voeten van Verstork ontbloot had, begon hij -diens grooten teen te kriewelen. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeaaan!… Toeaaaan!…</span>” herhaalde hij op lang gerekten toon en zeer zacht, alsof hij door de deemoedigheid -van zijn stem vergeving verzocht voor de stoutmoedigheid zijner daad. Die aanraking -van den <span class="corr" id="xd30e5730" title="Bron: toon">teen</span> van den Kandjeng toean had op dezen de gewenschte uitwerking. Verstork vloog verschrikt -overeind. -</p> -<p>„<span lang="ms">Siapa itoe?</span>” (wie is dat?) kreet hij uit, en betastte zijn voet met een angst, alsof hij eene -slang gevoeld had. -<span class="pageNum" id="pb241">[<a href="#pb241">241</a>]</span></p> -<p>En, inderdaad, de kille lederachtige huid van eene Javanen-hand leidt er toe, om zich, -vooral in slaapdronkenheid, dienaangaande te vergissen. -</p> -<p>„<span lang="ms">Siapa itoe?</span>” riep hij andermaal. -</p> -<p>„<span lang="ms">Saja, Kandjeng toean!</span>” (ik, hooge heer!) klonk het uit den verst verwijderden hoek van den passangrahan, -vlak bij de deur. -</p> -<p>De gedienstige had zich instinktmatig met één sprongetje buiten het bereik van den -blanken man gesteld. -</p> -<p>„<span lang="ms">Maoe apa?</span>” (wat wil je) vroeg de controleur in zijne slaapdronkenheid woedend. -</p> -<p>„<span lang="ms">Soeda poekoel ampat, Kandjeng toean! Orang dèsa soeda bangoon.</span>” (het is reeds vier uur en de dèsabewoners zijn al op). -</p> -<p>„Zoooo!” was het langgerekte antwoord van den controleur, die zijne nachtrust wel -wat kort vond. -</p> -<p>Wie weet, welk een dwaas antwoord hij in zijne nog voortdurende verbijstering zou -gegeven hebben; maar August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, die naast hem sliep, was door dat <span lang="ms">toeaaan! toeaaaan</span><span class="corr" id="xd30e5769" title="Bron: .">!</span> van den bediende ook gewekt geworden. Deze vloog nu overeind en maakte „overal”, -zooals de resident Van Gulpendam zich uitgedrukt zou hebben. -</p> -<p>„Op, jongens, op!” riep hij, terwijl hij met zulke heftige bewegingen van de baleh-baleh -afschoof, dat dit meubel schudde en kraakte, alsof het door eene aardbeving heen en -weer bewogen werd. -</p> -<p>„Wat is er?.… Wat is er?” riepen verscheidene stemmen ontsteld. -</p> -<p>De amokh-partij van den vorigen avond was hen nog niet uit het bloed. -</p> -<p>„Wat is er?… Wat is er?” -</p> -<p>„Wat er is?… Niets! Maar gijlieden moet opstaan. Het is vier uren. Het dèsavolk staat -reeds gereed voor de jacht!” -</p> -<p>De jacht!… Dat woord hielp. Het was immers om op jacht te gaan, dat men uitgetogen -was. -</p> -<p>In een ommezien waren de jagers op de been, gekleed, gewasschen, gekamd, geschuierd.… -zooals dat onder dergelijke omstandigheden in de binnenlanden van Java plaats kan -hebben, wanneer Europeanen in eene passangrahan overnacht hebben. Er was slechts één -waschtoestel aanwezig en daarvan was de kom niet meer <span class="pageNum" id="pb242">[<a href="#pb242">242</a>]</span>dan een scherf. Hoe zich de jagers behielpen? Bij hun ongeduld om klaar te zijn, waren -er die de methode van den soldaat te velde, die ook niet altijd Sèvres of zelfs geen -Delftsch of Maastrichtsch aardewerk ten zijnen dienste heeft, volgden, door een flinken -teug water in den mond te nemen, dat in de saamgehouden handen te spuiten, en zich -<span class="corr" id="xd30e5783" title="Bron: daarmêe">daarmeê</span> het aangezicht te verfrisschen. -</p> -<p>Het middel was uiterst praktisch en werd waarschijnlijk ook door Diogenes van Sinope, -den Griekschen wijsgeer, gebezigd, die zoo’n afkeer van omslag had. -</p> -<p>Maar, eindelijk was de jagers-bent klaar; zelfs Van Nerekool, die verstrooiing voor -zijne smart in lichamelijke vermoeienis ging zoeken. -</p> -<p>Toen de vrienden naar buiten stapten, zagen zij de geheele mannelijke bevolking op -de aloon-loon neergehurkt zitten; terwijl ieder hunner zich tegen de morgenlucht met -zijn sarong trachtte te dekken, door dat kleedingstuk zoo hoog mogelijk over de schouders -heen te trekken. Allen hadden hunne lansen medegebracht, die zij als boonen-staken -rechtop hielden, en allen hadden eene vreeselijke groote ratel ter hand, niet ongelijk -aan het instrument, waarmede de nachtwachts in sommige gedeelten van het vaderland, -voorheen de vreedzame bewoners den slaap uit de oogen dreven, onder voorwendsel over -hunne rust te waken. De maan schoot hare stralen thans onder den Wariengienboom, dien -de lezers wel kennen, en verlichtte dat heir van menschelijke wezens, die evenwel, -zooals zij daar neergehurkt zaten, uiterst veel van apen hadden, en aan Darwin’s stelling -eigenaardig veel kracht bijzett’en. -</p> -<p>„Zijn allen tegenwoordig, loerah?” vroeg Verstork aan het dèsahoofd. -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean!” was het antwoord van dezen. -</p> -<p>„Zijn zij reeds afgedeeld?” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Welnu, laat dan het eene gedeelte de djagoengvelden der dèsa omtrekken. Het tweede -gedeelte moet zich langs den westkant over den nok van den Djoerang Pringapoes verspreiden, -terwijl het derde gedeelte het ravijn intrekt.” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean!… tapeh …” (maar) -</p> -<p>„Tapeh wat?” vroeg de <span class="corr" id="xd30e5798" title="Bron: kontroleur">controleur</span> de aarzeling van het dèsahoofd opmerkende. -<span class="pageNum" id="pb243">[<a href="#pb243">243</a>]</span></p> -<p>„Zullen de tjellengs niet langs den oostkant van den djoerang ontsnappen?” -</p> -<p>„Heeft de loerah dan niet gehoord, dat de menschen van Banjoe Pahit dien kant en ook -nog een gedeelte van den westkant zullen bewaken? Welnu, dat is dan nu duidelijk begrepen. -Wij gaan dadelijk te paard stijgen, en zullen het boveneinde van den djoerang bezetten, -waar alle varkens, wanneer de beweging goed zal zijn uitgevoerd, voorbij moeten komen. -Luister nu goed, loerah.” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Wanneer wij het bovenuiteinde van het ravijn bereikt zullen hebben, zullen wij een -schot lossen.” -</p> -<p>„Zullen wij dat hier beneden hooren, heer?” -</p> -<p>„Drommels, ja! Dat is wat ver, loerah<span class="corr" id="xd30e5809" title="Niet in bron">.</span> Weet ge wat? Wij zullen nu afrijden en wanneer de dag is aangebroken, maar goed aangebroken, -evenwel nog voor dat de zon op is, laat dan de drijvers, die de djagoengvelden omgeven -hebben, de drijfjacht beginnen. Zorg evenwel, dat de weg naar het ravijn voor de tjellengs -vrij blijft.” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean!” was het onveranderlijke antwoord van den eerbiedvollen loerah. -</p> -<p>Met stille trom trokken de drijfjagers naar hunne posten, terwijl de ruiters den weg -naar Banjoe Pahit insloegen. -</p> -<p>Het was nog donker, zoodat stapvoets gereden moest worden, hetgeen onder die omstandigheden -te eerder geboden werd, daar de weg aanvankelijk door natte sawahs slingerde, en niet -zeer breed was; zoodat eene geringe afwijking tot een onaangenaam modderbad aanleiding -kon geven. Aan de oosterkim begon zich evenwel eene lichtstreep te ontwikkelen, eerst -schier onmerkbaar als een zwak lichtverschijnsel, dat bij den horizon waargenomen -werd. Die streep werd langzamerhand breeder, teekende zich zacht rozerood, daarna -purper, eindelijk vurig op de overigens donkere lucht af, en deed reeds de sterren, -die in het zenith nog prachtvol glinsterden, in hare nabijheid verbleeken. -</p> -<p>De weg slingerde opwaarts; want Banjoe Pahit lag veel hooger dan Kaligaweh, dat eigenlijk -tot de strandvlakte behoorde. Lustig reed men er op los; terwijl de dagende streep -al breeder en breeder werd, en de ruiters hunne schaduwen—hoewel zwak nog maar—konden -opmerken, die door het rijzende licht veroorzaakt <span class="pageNum" id="pb244">[<a href="#pb244">244</a>]</span>werden. Naarmate de dag vorderde, kon men de paarden den teugel meer vieren, die dan -ook weldra in stevigen draf voortstoven bij het instinktmatige bewustzijn, hetwelk -zij bezaten, zij naar den kant van den stal heenijlden. -</p> -<p>Eindelijk waren de ruiters het boveneinde van het ravijn genaderd. Daar stegen zij -van de paarden, die door een paar Javanen van de drijfjagers van Banjoe Pahit, die -men reeds ontmoet had, en waarbij zich ook Mokesuep aangesloten had, overgenomen en -naar huis geleid werden. Het was nog niet geheel dag. In het westen zag de lucht er -nog donkerblauw uit. Maar in het oosten tooide zij zich met de gulden kleuren van -den dageraad, die aankondigde, dat de dagvorstin nabij was. In de struiken en boomen, -die het ravijn tooiden en tot een ware wildernis maakten, kweelden en floten eene -menigte vogels, die zoo hun lofgezang den Schepper brachten. De bladeren, de takken, -de twijgen, de bloemen, de grassprieten, alles was met die uiterst fijne dauwdropjes -overdekt, die in dien stond dan alles, als met een zilverwaas overtogen, doen uitzien. -</p> -<p>Een oogenblik stonden onze vrienden dat heerlijke schouwspel, dat het nog prachtiger -van een zonsopgang voorafgaat, te genieten, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk -leven ontwaard werd. -</p> -<p>„O, dat zullen onze drijvers zijn, die hun spectakel beginnen,” zei de controleur. -</p> -<p>En inderdaad, daar ginds werden de ratels geroerd, werd op stukken bamboe geklopt, -werd gegild en geschreeuwd, op eene wijze, die alles in de natuur, die trouwens in -dezen plechtigen stond zoo stil mogelijk was, overstemde. Dat geluid, hetwelk eerst -heel verwijderd zich liet hooren, maar langzamerhand naderde, was zoo opwekkend, dat -zelfs Van Nerekool, zijne smart vergetende, zijne buks met bevende hand omklemde, -en vol ongeduld op en neer trippelde. Er waren ettelijke van het gezelschap, die hun -wapen reeds in den aanslag hadden, gereed om te schieten. -</p> -<p>„Wij hebben nog tijd”, sprak Verstork bedarend. „Houdt u rustig, anders gebeuren er -nog ongelukken met die vuurwapenen.” -</p> -<p>„Zijn wij hier goed geposteerd?” vroeg Grashuis. -<span class="pageNum" id="pb245">[<a href="#pb245">245</a>]</span></p> -<p>„Wij staan wel wat op elkaêr,” meende Van Beneden. -</p> -<p>„Wij zullen den ingang van het ravijn nog wat indringen,” zei de controleur. -</p> -<p>Men schreed een vijftigtal passen voorwaarts, langs een vrij steil voetpad, dat te -midden van struikgewas en rotsblokken naar beneden slingerde, terwijl vlak naast dat -pad, de beek Banjoe Pahit hare afdaling in het ravijn langs hare rotsachtige bedding -begon, om van trap tot trap naar beneden te stroomen, om hier een fraai bekken te -vormen, waarin het heldere bergwater tot de kleinste bizonderheden op den bodem liet -ontwaren, om daar schuimend en klotsend een waterval of een stortvloed te vormen, -om elders tusschen rotsblokken en onder struiken geheimzinnig te verdwijnen, en daar -ginds klaterend en <span class="corr" id="xd30e5832" title="Bron: vrolijk">vroolijk</span> weer te voorschijn te treden en het dartele spel te hervatten. -</p> -<p>Woest was de natuur hier, woest en wild. Toch bekoorde zij door hare schilderachtigheid -het oog. Toen men nagenoeg een derde gedeelte van de helling afgedaald was, weken -de rotswanden, die tot nu den ingang nauw omsloten en tot eene spleet vervormd hadden, -trechtervormig achteruit, terwijl zij statig en fier omhoog rezen. -</p> -<p>Zoowel op den bodem van het ravijn, als langs die steile wanden, waren de sporen zichtbaar, -dat het niet altijd zoo veilig in die kloof was. De dooreen geworpen rotsblokken, -de akelig verwrongen boomstammen, wier bulten, knoesten en uitwassen nog verdord gras -en verdroogde takken torschten, de glad uitgeschuurde strepen in de rotslagen verkondigden -genoegzaam, dat, wanneer de noordwestenwind ’s hemels sluizen ontsloot, en de krachten -van den „bandjir” (watervloed) ontketende, de Banjoe Pahit hier in woeste golven, -in driftige stroomen en tegenstroomingen, in vreeselijke kolken hotste, klotste en -woelde, huilde en loeide, en dat het dan niet geraden was, zich in dit zoo diepe ravijn -te bevinden. -</p> -<p>Terwijl onze jagers een blik aan die woeste omgeving wijdden, kwam het spektakel der -drijfjagers al nader en nader, hoewel het nog zeer verwijderd mocht heeten. Geen enkel -opgejaagd stuk wild had zich nog vertoond. -</p> -<p>„Dat ’s verwonderlijk,” sprak August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „ik dacht, dat wij dadelijk aan het schieten zouden kunnen gaan. Kunnen -ons de tjellengs, als zij in dit ravijn zitten, niet langs een omweg ontkomen?” -<span class="pageNum" id="pb246">[<a href="#pb246">246</a>]</span></p> -<p>„Neen,” antwoordde Verstork. „De Djoerang Pringapoes heeft overal schier loodrechte -wanden, waartegen zelfs wilde varkens moeilijk op kunnen. Slechts op een paar plaatsen -zijn die wanden minder steil en derhalve beklimbaar. Wanneer de loerahs van Banjoe -Pahit en van Kaligaweh mijne aanwijzingen goed opgevolgd hebben, dan zijn die punten -behoorlijk bezet, zoodat ontsnappen niet wel mogelijk is. Van de benedenzijde drijven -de dèsabewoners met hunne geraasmakende ratels de varkens naar het ravijn toe, die -er te eerder een toevlucht in zoeken zullen, daar dit hunne natuurlijke verblijfplaats -is.” -</p> -<p>„Jawel, maar dan zullen zij zich daarin schuilhouden, en hier is wel plaats om kiekeboe -te spelen,” meende Van Rheijn, „en dan kunnen wij hier tot den dag des oordeels staan -wachten.” -</p> -<p>„Dat zou kunnen gebeuren,” antwoordde Verstork met een glimlach, „wanneer de drijfjagers -met hunne ratels het ravijn niet van den benedenkant binnendrongen, om het wild naar -ons toe te jagen. Dat zult ge zoo straks wel zien. Hoor die kerels eens een spektakel -maken! Het is of zij bezeten zijn!” -</p> -<p>En, inderdaad, bij dergelijke gelegenheden, kan de Javaan, hoe kalm en flegmatiek -in andere omstandigheden, ontzettend bedrijvig en rumoerig wezen. Hij gilt, hij schreeuwt, -hij fluit, hij sist, hij kraait, roept en proest dan. Hij ratelt, hij slaat met alles, -wat hij in de hand heeft, op alles, wat hem voorkomt, op bamboestaken, op boomstammen, -op steenen, die niet altijd onwelluidend klinken, op zijne krisschede; hij zou op -den schedel van zijn buurman kloppen, als deze het niet belette. En dat alles, om -het meest mogelijke spektakel te maken, om daardoor het wild, dat zoo heel mak niet -is, vrees aan te jagen, en den kant uit te drijven, werwaarts men wenscht, dat het -vlucht. -</p> -<p>„Wij hebben nog eenige passen te doen,” ging Verstork voort, „dan komen wij aan den -Djoerang Ketjiel, waar eene kleine beek, de Karang Aleh, zich in de Banjoe Pahit stort, -en waar die te zamen door een vernauwing van de Pringapoes stroomen. Door dit vernauwde -gedeelte, dat slechts een smalle spleet is—kijk daar ziet gij den ingang ervan—en -door loodrechte rotsmuren begrensd is, moet al het opgejaagde wild heen, om het <span class="pageNum" id="pb247">[<a href="#pb247">247</a>]</span>bovengedeelte van het ravijn te bereiken en te ontsnappen.” -</p> -<p>„Drommels, dat ziet er niet heel prettig uit,” zei Van Rheijn. „Het schijnt hier wel -een voorspel van de verwoesting van het heelal.” -</p> -<p>En waarlijk, de ravijnwanden, allen uit grauw lavatrachiet bestaande, torenden steil -hemelhoog op, terwijl hier en daar een afgevallen brok in de helling was blijven liggen, -waarop wat teelaarde neergekomen was, en zoo een groen eilandje in die steenenmassa -schiep. De rotsblokken, die daar het terrein versperden, waren ontelbaar en reusachtig -te noemen; terwijl vele wilde struiken, waaronder de Sembong, de Kemanden kerbo, en -de Oering aring<a class="noteRef" id="xd30e5856src" href="#xd30e5856">2</a> en slingerplanten als de Oeweh lilin<a class="noteRef" id="xd30e5860src" href="#xd30e5860">3</a> met hare vinnige doornen ruim vertegenwoordigd waren. Ettelijke knoestige stammen -van den Djatie doerie<a class="noteRef" id="xd30e5865src" href="#xd30e5865">4</a> en van den Siwallan<a class="noteRef" id="xd30e5870src" href="#xd30e5870">5</a> staken hier en daar hunne schrale kruinen omhoog, en vermeerderden, door dat zij -tot steunpunten dienden voor de ontwortelde boomen, die de bergstroom bij bandjir -er tegen en tusschen door gesleurd had, de moeielijkheden van dat terrein. -</p> -<p>„Nu moeten wij ons verdeelen, vrienden,” sprak Verstork. „Ziet, ik zal hier met Van -Nerekool en den wedono vlak tegenover die spleet post vatten. Gaat gij, Leendert met -August, boven op die rots, die daar rechts ter zijde staat. Gij, Theodoor en Frits, -daar op die afgebrokkelde massa, die tegen de wandhelling ligt. Van die punten kunt -gij den ingang met uw vuur bestrijken, en … zijt gij inderdaad zulke goede schutters, -als gij wel eens voorgeeft, dan kan geen enkele tjelleng den dood ontkomen. Maar, -haast u; want hoort het spektakel eens naderen.” -</p> -<p>En, inderdaad, het gegil der drijvers werd al meer en <span class="pageNum" id="pb248">[<a href="#pb248">248</a>]</span>meer duidelijk. Hun geklep en geratel werd oorverdoovend. Het was een leven, hetwelk -naderde, alsof alle duivels der hel losgebroken waren. -</p> -<p>Grenits had geen aangenaam gezicht gezet, toen hem Mokesuep tot makker aangewezen -was. Het was hem evenwel niet gegund, om zich eenige aanmerking over die samenkoppeling -met dien hem niet sympathieken persoon te veroorloven; want het was tijd, dat de jagers -zich naar de hun aangewezen punten begaven, die met uitstekende kennis èn van het -wild, dat in aantocht was, èn van het terrein, waarop men zich bewoog, gekozen waren. -De schutters toch konden elkander duidelijk ontwaren, zoodat geen gevaar bestond, -dat zij ongelukken konden aanrichten; terwijl de uitgang van het smalle rotsdéfilé -voor allen zichtbaar was, en zij op de verhevenheden, waarop zij stonden, voor een -aanval der dieren met hunne slagtanden tamelijk gevrijwaard waren. -</p> -<p>Maar … men tuurde, tuurde … en, hoewel de zool van dien uitgang slechts met eenige -dwergachtige struiken, te klein om een varken te kunnen maskeeren, en met nog korter -gras bedekt was, werd van het wild niets bespeurd. Die oogenblikken van spanning duurden -vrij lang voor de ongeduldige Europeanen, die het onontbeerlijke flegma der Inlanders -bij zoo eene jacht niet bezaten. De wedono stond daar kalm en bedaard aan een standbeeld -gelijk. -</p> -<p>„Ik zie niets komen!” riep August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden den controleur toe, waarbij hij de handen als een scheepsroeper aan den mond -had gebracht. „Ik geloof, dat de dèsaluidjes het zich zeer gemakkelijk hebben gemaakt, -en het wild ter zijde hebben laten ontsnappen.” -</p> -<p>„Mij dunkt ook, dat het ravijn onbevolkt is,” meende Van Nerekool, wien het lange -wachten nog onaangenamer viel dan de anderen. -</p> -<p>Verstork vertolkte het vermoeden van Van Beneden aan den wedono, die naast hem met -het geweer in de hand stond, en vroeg hem, of zoo iets mogelijk was? -</p> -<p>„Bolèh …, tapeh … brangkali tida, Kandjeng toean!” (Het kan … maar … misschien is -het zoo niet geschied.) was het bedachtzame antwoord van het <span class="corr" id="xd30e5890" title="Bron: distriktshoofd">districtshoofd</span>. -</p> -<p>Men wachtte … wachtte … Het geraas der drijfjagers naderde al meer en meer, en werd -duidelijker en duidelijker. <span class="pageNum" id="pb249">[<a href="#pb249">249</a>]</span>Als dat nog zoo eenige minuten duurde, dan zou het ontwijfelbaar <span class="corr" id="xd30e5897" title="Bron: bijken">blijken</span>, dat het ravijn leeg was, en het wild gevlogen; want dan zouden de dèsabewoners tot -bij de kloof genaderd zijn. -</p> -<p>Verstork stond te trappelen van ongeduld. De kwinkslagen, die de jagers elkander toeriepen, -maakten hem kregelig; hoewel zij volstrekt van geene onwelwillendheid getuigden. Alleen -Mokesuep, zijne geaardheid getrouw, kon niet nalaten eene hatelijkheid met teemerige -stem uit te roepen. -</p> -<p>„Wij zullen niet vet worden van het varkensvleesch, dat wij schieten zullen, controleur!” -</p> -<p>„Hoe je mond, akelige Muizenkop!” beet hem Theodoor Grenits toe. „Moet jij altijd -hatelijkheden debiteeren?” -</p> -<p>„Het is wat moois!” pruttelde Muizenkop! „Ik sta mij hier te vervelen.… Men inviteert -de menschen niet op eene varkensjacht, als er geene varkens zijn.” -</p> -<p>„O, er zullen wel tjellengs geweest zijn, wees daar zeker van; maar kan Verstork het -helpen, als de drijvers ze hebben laten ontsnappen?” -</p> -<p>„Het zou.…” -</p> -<p>Pang!… pang!… pang! barstte het geweervuur los, en brak de hatelijkheden van den fiscalen -ambtenaar af. Het waren Verstork, Van Nerekool en de wedono, die vlak voor den ingang -der kloof geposteerd waren, een dwarrelenden grauwen hoop met snelheid hadden zien -naderen, hunne geweren vlug aan de schouders gebracht en vuur gegeven hadden. Voor -de overige jagers was nog niets te ontwaren. Het geklep, het geratel en het gegil -der drijvers verdubbelde als het ware bij het vernemen der schoten, en overstemde -ieder ander geluid. Zonder dat had men het geknor en het gegrom der aankomende bende -moeten hooren, en zou daardoor reeds lang een einde aan de onzekerheid omtrent de -uitkomst der jacht gemaakt zijn. -</p> -<p>Bij het losbranden der drie geweerschoten waren de drie voorste tjellengs, drie mannetjes, -waarvan een kolossaal groote, getroffen en neergestort. Dat deed <span class="corr" id="xd30e5910" title="Bron: d">de</span> geheele aanstormende bende feitelijk stilstaan, omdat de gekwetsten, die erbarmelijk -schreeuwden, spartelden en verwoed de naderenden beten en met hunne slagtanden raakten, -den nauwen doorgang gedeeltelijk versperden. <span class="pageNum" id="pb250">[<a href="#pb250">250</a>]</span>Dat was slechts eene korte verpoozing; want de drijvers naderden met hun ontzettend -spectakel al meer en meer en joegen de angstige bende voort. Een oogenblik snoven -de voorsten de lucht op, en stormden daarop over de lichamen der gevallenen voorwaarts. -Maar èn het drietal, dat het eerst vuur gegeven en de geweren weer „vaardig” had, -èn de rechts en links geplaatste schutters, die nu ook het wild begonnen in het oog -te krijgen, heropenden het vuur, en joegen hunne kogels in den dichten drom, waarin -schier geen enkel schot verloren ging. Ontzettend was het tooneel van verwarring, -dat nu volgde. Akelig steenend vielen de getroffenen omver of deden nog eenige passen, -om elders neer te storten. -</p> -<p>De achterop dringenden beten en sloegen verwoed om zich heen om vrij baan te maken. -Moeders sprongen grimmig in de bres voor hare kleinen, en waren niet het minst verbitterd -tegen de gevallenen, die den weg versperden en hunne pijnlijke ledematen met al de -verwoedheid hunner geaardheid verdedigden. En in dat gruwzame kluwen drongen voortdurend -de kogels der zeven schutters! Schot op schot weerklonk, velde steeds de voorsten -en maakte den slagboom in de nauwe engte nog onoverkomelijker. -</p> -<p>Het duurde zoo een drietal minuten ongeveer, dat steeds de achter-opdringende tjellengs -de voorsten voorwaarts duwden, waarbij die onder de wisse schoten der uitmuntende -vuurwapenen in niet onervaren handen noodlottig getroffen werden. -</p> -<p>„Is er geen gevaar, dat wij de drijvers raken kunnen?” vroeg Van Nerekool aan Verstork. -</p> -<p>„Volstrekt niet,” antwoordde deze, „wanneer zij zich stipt aan de instructies houden, -die ik de hoofden gegeven heb. De kloof maakt iets verder een elleboog, zoodat alle -onze projectielen, die niet raken of door het lichaam van zoo’n tjelleng heengaan, -in den rotswand een ondoordringbaren kogelvanger aantreffen. Hoort,.… de drijvers -hebben volgens afspraak hun voorwaartsche beweging reeds eenigszins gestaakt. Die -zal weldra geheel ophouden; want ook zij zijn beducht om naderbij te komen, en zoo -aan het gevaar, van door een verloren kogel getroffen te worden, bloot te staan.” -</p> -<p>Inmiddels bleef het geraas der ratels aanhouden en was <span class="pageNum" id="pb251">[<a href="#pb251">251</a>]</span>het vuur onafgebroken met hetzelfde noodlottig gevolg voortgezet. Steeds poogde de -grommige bent voorwaarts te dringen, om uit die rampvolle engte te geraken, steeds -velden de kogels de voorsten neder en werd daardoor de verwarring ten toppunt gevoerd. -Eindelijk, na een poos in de grootste radeloosheid rondgekrioeld te hebben, waarbij -het geweervuur nieuwe offers velde, maakten de overblijvenden, die niet talrijk meer -waren, en door een groot zwartachtig varken geleid werden, bij een plotseling zwijgen -der ratels achter hen rechtsomkeert, en stormden het ravijn weer in, waaruit zij getracht -hadden te ontvluchten. -<span class="pageNum" id="pb252">[<a href="#pb252">252</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5720"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5720src">1</a></span> <i>Vierbekkige palita.</i> In het meerendeel der dèsa’s van Java’s binnenlanden, waar de petroleum-verlichting -nog niet is doorgedrongen, wordt een soort van ijzeren bakje met vier tuitjes in de -toeken, waarin in katjang- of klapper-olie een pitje ligt, tot lamp gebezigd. <a class="fnarrow" href="#xd30e5720src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5856"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5856src">2</a></span> <i>Sembong, Kemanden kerbo en Oering aring</i> zijn heestergewassen, die op Java veelvuldig langs berghellingen op steenachtigen -bodem werden aangetroffen. Zij behooren tot de Compositeeën. De eerstgenoemde wordt -Conyza balsamifera genoemd. De bladeren, vooral de jonge spruiten zijn zeer welriekend. -De Kemanden kerbo heet C. Macrophylis en de derde genoemde Eclypta erecta. <a class="fnarrow" href="#xd30e5856src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5860"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5860src">3</a></span> <i lang="ms">Oeweh lilin</i> is eene rottansoort en heet Calamus melanoloma. <a class="fnarrow" href="#xd30e5860src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5865"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5865src">4</a></span> <i lang="ms">Djatie doeri.</i> Dit is eene variëteit van gedoornde Tectona Grandis. <a class="fnarrow" href="#xd30e5865src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e5870"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5870src">5</a></span> <i>Siwallan</i> is de Javaansche naam van een dwergpalm, die niet hooger wordt dan 20 voet. Hij wordt -door de geleerden Borassus flabelliformis geheeten. <a class="fnarrow" href="#xd30e5870src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch18" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e779">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XVIII.</h2> -<h2 class="main">De onschuld ten val.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Hoerah!” riep Mokesuep. „De vijand vlucht!” -</p> -<p>Innerlijk had dien held het hart in de borstkas geklopt. Hij had toch gevreesd, dat -de tjellengs doorgebroken zouden hebben; ja, dan ware een gevecht met de sabelbajonet -niet onmogelijk geweest. Angstig had hij toch reeds uitgekeken naar een goed heenkomen -tegen den steilen rotswand op. Waren er projectielen geweest, die het wild niet getroffen -hadden, dan was dat zijne bevende hand te wijten. Eenige zijner kogels waren zelfs -over den rotswand, die de kloof begrensde, heengevlogen; maar hadden gelukkig niemand -der daarachter opgestelde Javanen gedeerd. Het eigenaardig fluiten der projectielen -uit zijne buks had dezen evenwel beducht gemaakt; vandaar dan ook, dat zij wel wat -te vroeg de drijfjacht en hun <span class="corr" id="xd30e5932" title="Bron: spektafel">spektakel</span> gestaakt hadden. -</p> -<p>„Roep jij hoerah?” vroeg Grenits vertoornd. „Ik geloof, dat jij niet in de wieg gelegd -werdt om een Nimrod te worden.” -</p> -<p>„Het is beter zoo …” stamelde de lafaard, wiens lippen nog bleek van angst waren. -</p> -<p>„Maar het overschot der bende ontsnapt ons,” kreet Grenits. „Kom, vooruit! Zij vluchten, -wij moeten hen achterna! Geen enkele mag ons ontsnappen. Jongens, vooruit! vooruit!” -</p> -<p>Ook de andere jongelieden hadden zich teleurgesteld gevoeld bij dien afloop. Op den -kreet van Theodoor Grenits stoven allen vooruit met het geweer in de hand de kloof -<span class="pageNum" id="pb253">[<a href="#pb253">253</a>]</span>in. Mokesuep evenwel bleef bedachtzaam achter. Wel poogde de wedono hem <span class="corr" id="xd30e5942" title="Bron: mêe">meê</span> te troonen met het aanmoedigend: „lakas toean!” (vlug, mijnheer) maar de held maakte -een afwijzend gebaar, en bleef zijne makkers nakijken, totdat hij ze uit het oog verloren -had. Toen wierp hij het geweer met den bandelier over den schouder, en sloeg het pad -naar Banjoe Pahit in, terwijl hij mompelde: -</p> -<p>„Het zou wat moois zijn, als ik met zulk vuil gedierte handgemeen werd! Neen, ik wil -zien, of ik niet een wit voetje bij de vrouw van den kok van Verstork kan krijgen. -Een aardig bekje!… dat vrouwtje!… Een slimmert, die controleur!… Als ik hem eens onder -zijn duiven kon schieten!…” -</p> -<p>Terwijl hij, zoo in zich zelven pratende, voorstapte, had hij den boveningang van -den Djoerang Pringapoes bereikt, en had toen een ruim vergezicht over de terrasgewijs -oploopende sawahvelden, die met hunne bevloeide oppervlakten als zoovele spiegels -in de zon glinsterden. Het was nog niet laat, ternauwernood half acht. Hij keek rondom -zich, maar niet om de fraaie natuur te bewonderen. Voor zoo iets had zoo’n wezen weinig -gevoel. Neen, hij tuurde rondom zich met een gevoel van angst over de eenzaamheid, -waarin hij zich na al het spektakel van straks bevond. O, hij hoorde nog wel geschreeuw -en gegil in de verte, waartusschen zich geweerschoten mengden; maar dat verwijderde -zich al meer en meer in de diepte van het ravijn, en het was eene betrekkelijke stilte, -die thans rondom hem heerschte. Hij keek uit met een gemengd gevoel van verlangen, -om toch een menschelijk wezen te ontwaren, en van angst, dat hij Inlanders ontmoeten -kon. Hij had toch zooveel van „ketjoe’s” (roovers) gehoord, die wel eens de binnenlanden -van sommige streken van Java onveilig maakten. Ieder ander zou vertrouwen in het geweer -gesteld hebben, dat hij over den schouder droeg; maar daartoe was hij van te lafhartigen -aard. -</p> -<p>Hij stapte bedachtzaam voort. Eenigszins verwijderd van hem, doch bij den voetrand -eener heuvelenrij, die noordwaarts van hem gelegen was, maar zich nog bij het bergstelsel, -dat den Djoerang Pringapoes vormde, aansloot, bespeurde hij eene eenzaam staande hut, -die in de struiken der wildernis, welke zich tot daar uitstrekte, verscholen lag, -en, in welker nabijheid een paar buffels langs <span class="pageNum" id="pb254">[<a href="#pb254">254</a>]</span>het pad liepen te grazen. Hij zag nog verder rondom zich, en ziet, daar … op het pad, -hetwelk uit het noordwesten kwam, en zich over de dijkjes der rijstvelden slingerde, -zag hij iemand aankomen, die zich naar de hut scheen te begeven. Hij keek scherp uit. -Het was een vrouwelijk wezen, dat was buiten kijf. Dat stelde hem gerust. Tegenover -eene vrouw, en dan nog wel tegenover eene Javaansche, voelde hij zich dapper. Hij -zou haar inwachten, naar omstandigheden een gesprek met haar aanknopen en dan zoo -gezamenlijk naar Banjoe Pahit gaan. -</p> -<p>De naderende werd al meer en meer duidelijk, te midden der sawah’s, waarboven hare -omtrekken zich scherp voordeden en in de watervlakten afspiegelden. -</p> -<p>„Drommels, wat eene mooie meid!” mompelde hij verrukt, na een poos uitgekeken te hebben. -„Des te beter, met zoo’n lief kind zal het eene zeer aangename wandeling zijn.” -</p> -<p>Hij verrekende zich evenwel. Niet ver van de hut sloeg het meisje,—want dat was het,—een -zijpad in, hetwelk in zuidoostelijke richting langs de sawah-terrassen afdaalde en -naar Kaligaweh scheen te voeren. Dat stelde hem teleur, en hij was op het punt om -het lieve kind toe te roepen, toen een Javaan plotseling uit de hut trad en het meisje -wenkte. -</p> -<p>„Drommels,” prevelde Mokesuep, „dat is Singomengolo, de opiumspion. Wat komt die hier -doen?” -</p> -<p>Hij verstopte zich dadelijk achter eenige struiken, die langs den weg stonden. -</p> -<p>Inderdaad, het was Singomengolo, de ellendeling, die wij des avonds te voren Kaligaweh -hebben zien verlaten, om zich naar de eenzaam gelegen hut te begeven. Nogmaals wenkte -deze, en riep, toen dat gebaar onopgemerkt bleef: -</p> -<p>„Dalima!” -</p> -<p>Het vrouwelijke wezen keerde zich om en, werkelijk het was de lieve kleine baboe van -de familie Van Gulpendam. Zij stond een oogenblik stil, hoewel hare wezenstrekken -onverholen angst uitdrukten, bij het ontwaren van den opiumjager, die haar niet onbekend -was. Maar dat stilstaan duurde slechts een oogenblik; want dadelijk daarop wilde zij -met rappen voet voortmaken. -</p> -<p>„Dalima!” klonk het andermaal. „Waarheen gaat gij?” -<span class="pageNum" id="pb255">[<a href="#pb255">255</a>]</span></p> -<p>„Naar Kaligaweh,” antwoordde het meisje gejaagd. -</p> -<p>„Kom eens hier,” riep haar Singomengolo toe. -</p> -<p>„Ik heb geen tijd, ik moet naar mijn vader,” riep zij terug, terwijl zij voortijlde. -</p> -<p>„Kom toch hier. Er is iets met uw vader gebeurd.” -</p> -<p>„Wat? Ja, ik weet het. Men heeft mij verteld, dat hij ziek is. Daarom heb ik zoo’n -haast.” -</p> -<p>„Neen, uw vader is niet ziek. Het is veel erger.” -</p> -<p>Het meisje stond eensklaps stil. -</p> -<p>„Erger dan ziek?” vroeg zij. „Is hij dood?” -</p> -<p>„Neen … veel erger.” -</p> -<p>„Bij Allah! wat is er dan?” -</p> -<p>„Kom hier, dan zal ik het vertellen. Het zijn zaken, die men zoo niet uitschreeuwen -kan.” -</p> -<p>Dalima trad nader. Zij kwam de struiken, waarachter Mokesuep verscholen zat, rakelings -voorbij. Zij was zoo als gewoonlijk netjes gekleed, droeg een gebloemde sarong om -het middel, was verder met een baadje van licht rooskleurig katoen getooid, terwijl -over haren schouder een ponceau roode zakdoek geslagen was, waaraan een bos sleutels, -aan een der punten geknoopt, bengelde. In den weelderigen gitzwarten „kondeh” (haarwrong) -droeg zij een dubbelde melati-bloem,<a class="noteRef" id="xd30e5977src" href="#xd30e5977">1</a> die daar te midden van dat ebbenzwart als een wit roosje prijkte. Haar lief gelaat -vertoonde een zachten blos,—teweeggebracht door de morgenlucht, die, hoewel niet koud, -toch frisch was,—welk inkarnaat zich heerlijk aan het zachte brons harer wangen paarde. -</p> -<p>Geen dier bekoorlijkheden ontsnapte aan het ervaren oog van den verscholen fiscalen -ambtenaar. Hij had werkelijk in sommige gevallen wel eenig gevoel voor het schoone; -hoewel dat dan meestal booze neigingen bij hem opwekte, en niet zelden tot misdadige -ontwerpen aanleiding gaf. Wie weet, wat er gebeurd zou zijn, wanneer hij alleen met -Dalima naar Banjoe Pahit voortgewandeld ware? Thans was de tegenwoordigheid van Singomengolo -voldoende, om hem te noodzaken zich schuil te houden. -</p> -<p>Toen het meisje de hut genaderd was, vroeg zij andermaal: -</p> -<p>„Wat is er dan?” -<span class="pageNum" id="pb256">[<a href="#pb256">256</a>]</span></p> -<p>„Kom maar binnen,” antwoorde de opiumjager, „dan zal ik u vertellen, waarom uw vader -gevangen is genomen.” -</p> -<p>Dalima stiet plotseling een kreet uit. Singomengolo verbeeldde zich, dat het uit wanhoop -was over de tijding, die hij zoo onbewimpeld mededeelde. Maar eensklaps draaide het -Javaansche meisje zich om, en wilde heenvluchten. -</p> -<p>Zij had Lim Ho door de reet der deur ontwaard, die haar met van hartstocht glinsterende -oogen aanstaarde. Toen begreep zij alles. Zij keerde om en ijlde heen; maar nog had -zij geen tien passen afgelegd, of Singomengolo, die haar dadelijk nazette, had haar -ingehaald. Hij greep haar bij de polsen en trachtte haar met zich voort te trekken. -Het meisje verzette zich hevig; zij gilde om hulp; zij trapte en schopte naar haren -belager en poogde hem in de handen te bijten, die hare armen omkneld hielden. In één -woord, zij stelde zich te weer als eene wilde kat, en was vast besloten, zich tot -het uiterste te verdedigen. Inmiddels had zij hoop, dat haar <span class="corr" id="xd30e5994" title="Bron: hulpgeschreuw">hulpgeschreeuw</span> gehoord zou worden. Zij had toch een blanken man op het pad gezien, dat het hare -kruiste. -</p> -<p>Ieder ander dan Mokesuep zou het arme kind te hulp gesneld zijn. Wie weet, waartoe -hij zich zou hebben laten verleiden, niet uit een gevoel van <span class="corr" id="xd30e5999" title="Bron: mêewarigheid">meêwarigheid</span> of ridderlijkheid; maar wel met de hoop op … Ja, waarop? In het brein van zulke wezens -ontkiemen de onedelste gedachten, even als vergiftigde paddestoelen op een onreinen -bodem. Maar,… ook hij had het van laaghartige hartstochten blakende gelaat van Lim -Ho ontwaard. Hij begreep, wat er om handen was, en besloot zich stil te houden, om -van de omstandigheden zooveel mogelijk partij te trekken. Lim Ho’s vader was toch -onmetelijk rijk en zou, wanneer het zijn eigen zoon gold, op geen papiertje van duizend -gulden zien. Arme Dalima! Wanhopig stelde zij zich te weer; hartverscheurend klonk -haar: „<span lang="ms">toeloeng! toeloeng!</span>” (te hulp! te hulp!) Niets baatte. De aterling, die haar helpen kon, hield zich schuil, -zag de worsteling met een cynisch oog aan, en vermeidde zich in het beschouwen harer -vormen, die bij de worsteling niet altijd bedekt bleven, en door hem met welgevallen -gedetailleerd werden. -<span class="pageNum" id="pb257">[<a href="#pb257">257</a>]</span></p> -<p>Toen die heillooze worsteling een poos geduurd had, en <span class="corr" id="xd30e6008" title="Bron: Singo mengolo">Singomengolo</span> er aan wanhoopte, het meisje verder voort te sleuren, riep hij Lim Ho te hulp. Deze -kwam naar buiten, en wilde haar in zijne armen klemmen, en zoo verder dragen. Toen -hij evenwel bij die poging een vinnigen beet in het oor kreeg, werd de ellendeling -woedend; hij greep haren kondeh, die reeds bij de worsteling gedeeltelijk losgeraakt -was, en zich nu geheel ontrolde, sloeg den weelderigen haarwrong om de hand en sleepte -nu, terwijl Singomengolo steeds hare handen stevig vasthield, het meisje binnen de -hut. Lang nog liet zich het akelig gegil van: „<span lang="ms">toeloeng!.… toeloeng, toean!</span>” hooren, maar dat verstomde langzamerhand. Heel in de verte klonken geweerschoten, -evenwel zoo zwak, dat, al had het meisje die ook in de hitte van den strijd vernomen, -zij wel begrijpen moest, hare stem op dien afstand niet gehoord zoude worden, en dat -de hulp, wanneer die opdaagde, te laat zou komen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Hoe kwam Dalima daar in dat morgenuur op die noodlottige plek? -</p> -<p>De lezer zal zich herinneren, dat Singomengolo, na zijne heldendaad in de dèsa Kaligaweh -uitgevoerd te hebben, zich op weg naar de eenzame hut begeven, en den bewoner daarvan -naar Santjoemeh gezonden had. Deze laatste had twee boodschappen te verrichten. Hij -moest eerst een briefje aan Lim Ho eigenhandig bezorgen; daarna moest hij naar het -residentiehuis gaan, om Dalima mede te deelen, dat haar vader plotseling bedenkelijk -ziek was geworden, en hij haar nog voor het laatst wenschte te zien. De boodschapper, -een slimme kerel, steeg op een dier kleine maar onvermoeibare Javaansche paarden, -die met hunne stalen spieren onbegrijpelijk snel groote afstanden kunnen afleggen. -Het was omstreeks elf uren, toen hij bij de sierlijke woning van babah Lim Yang Bing -stil hield. Hij trof het bizonder goed; want daar ondervond hij geen oponthoud. Lim -Ho lag behagelijk op eene weelderige rustbank uitgestrekt, met het lange Chineesche -pijpenroer in den mond, met een kommetje „tjoe”<a class="noteRef" id="xd30e6019src" href="#xd30e6019">2</a> <span class="pageNum" id="pb258">[<a href="#pb258">258</a>]</span>op een knaapje bij zich, en luisterde met een soort verrukking naar een paar zijner -bedienden, zonen van het Hemelsche rijk evenals hij, die, met overeengeslagen beenen -op een stoel gezeten, op de „trauwkoei” (soort tweesnarige viool) speelden, en aan -dat instrument de meest erbarmelijke tonen ontlokten, die niet alleen een Vieuxtemps -of een Paganini, maar zelfs al de katers uit de buurt, die anders op het gebied van -muzikalisch gevoel niet zeer kieskeurig uitgevallen waren, op de vlucht zouden gedreven -hebben. Zoodra Lim Ho den boodschapper ontwaardde, vloog hij van den divan op, greep -het briefje, opende het, en las slechts deze weinige woorden, die een ervaren telegraaf-correspondent -alle eer zouden aangedaan hebben: -</p> -<p>„Samoewa sedia! Di sini poekoel toedjoeh pagi pagi.” (Alles klaar! Hier zijn om zeven -uur in den ochtend). -</p> -<p>De Chinees greep zijn horloge, keek hoe laat en vroeg aan den boodschapper welk weer -het was. -</p> -<p>„Boelang trang, babah,” (heldere maneschijn, babah) was het antwoord. -</p> -<p>Lim Ho wierp hem een rijksdaalder toe, en gaf hem zijn afscheid, met de aanbeveling -zijn tweede boodschap goed uit te voeren, en den uitslag te komen berichten. Daarna -deed hij zijn paard zadelen en wachtte. -</p> -<p>In het residentiehuis viel het den boodschapper niet zoo gemakkelijk zich van zijnen -last te kwijten. Wel zaten de hoofdambtenaar en zijne gade met nog ettelijke gasten -rondom de speeltafeltjes; maar de dochter des huizes, de lieve Anna, was reeds naar -haar slaapvertrek gegaan, en had ook aan hare baboe verlof gegeven, om te gaan rusten. -De boodschapper ging naar het achtererf en verkreeg eindelijk van een der bedienden, -dien hij daar aantrof, dat deze Dalima zou gaan wekken. -</p> -<p>Het meisje was wanhopig, toen zij vernam, dat haar vader stervende was. Zij vloog -de pandoppo binnen, en snelde naar het slaapvertrek harer meesteres, die gelukkig -nog niet te bed was. -</p> -<p>„Nana, minta permissie,” ik vraag verlof mompelde zij opgewonden, toen Anna de deur -opengemaakt had. -</p> -<p>„Kom, bedaar. Wat is er gaande?” vroeg het jonge Europeesche meisje, die de ontsteltenis -van Dalima opmerkte en haar trachtte te bedaren. -</p> -<p>De baboe verhaalde daarop, dat een man van Kaligaweh <span class="pageNum" id="pb259">[<a href="#pb259">259</a>]</span>was aangekomen, en haar had medegedeeld, dat haar vader stervende was, en verzocht -zijne oudste dochter nogmaals te zien. -</p> -<p>„O, Nana,” smeekte Dalima, „geef mij permissie, om naar huis te gaan! -</p> -<p>„Maar, Dalima, hoe laat is het thans?” -</p> -<p>En op eene smaakvolle pendule kijkende, die op eene console stond, vervolgde zij. -</p> -<p>„Bijna middernacht!… Dat gaat niet. Hoe zult gij in het donker zoo ver durven gaan?” -</p> -<p>„Nana weet, dat ik zeer moedig ben. Ik ken den weg. Ik zal het bergpad inslaan. Daarop -ontmoet ik geen mensch.” -</p> -<p>„Maar, het is juist die eenzaamheid, welke ik vrees. Gij kunt een tijger of een tjelleng -tegenkomen.” -</p> -<p>„Och, Nana, tijgers zijn er niet in de buurt. Anders zou men er wel van gehoord hebben. -En voor een tjelleng ben ik niet bang. Als men dien niet aanvalt, gaat hij voor een -mensch op den loop. Toe, Nana, geef mij verlof! Ik ben morgen avond weer bij u.” -</p> -<p>„Ik durf niet, Dalima. Wat zal mama zeggen?” -</p> -<p>„Och, Nana,” kreet de kleine baboe in wanhoop, „gaat gij uwe mama vragen.” -</p> -<p>„Zij doet het toch niet.” -</p> -<p>„Waarom niet?” -</p> -<p>„Zij zal even als ik vreezen, dat u in den donkeren nacht een ongeluk zal overkomen. -Hoe zult ge toch zoo iets durven, Dalima?” -</p> -<p>„Mijn vader is stervende; hij wil mij nog eens zien! Zie, Nana, dat geeft mij moed. -Ik zou naar Kaligaweh gaan, al ware de weg vol „pontianaks,” (spoken) al ware er achter -iederen boom een. En toch ben ik voor spoken banger dan voor dieren of menschen. Nana, -ik smeek u, vraag uwe mama!” -</p> -<p>„Ik zal het doen; maar gij zult zien, dat het niets geven zal.” -</p> -<p>Anna schoot van den divan af, waarop zij zat, toen Dalima, aangeklopt had, en waarop -zij weder na haar binnenkomen met op Inlandsche wijze gekruiste beenen plaats genomen -had, en stak de reeds ontbloote voetjes in de snoeperige slofjes, die achteloos ter -neer geworpen waren. Het lieve meisje was reeds in sarong en kabaai; maar om het even: -zij trok snel een rijk gefestonneerden <span class="pageNum" id="pb260">[<a href="#pb260">260</a>]</span>peignoir aan, bond zich met vlugge en bevallige beweging het reeds loshangende hoofdhaar -in een dikken wrong tegen het achterhoofd, en spoedde naar de voorgalerij, waar de -spelers nog met hun partijtje bezig waren. Tot groote verwondering van het lieve kind -willigde de schoone Laurentia dadelijk het gedane verzoek in; maar beval, dat baboe -Dalima nog eerst eenig naaiwerk zou verrichten, hetgeen zij noodzakelijk den volgenden -dag zou moeten afmaken. Neen, mevrouw Van Gulpendam, behoorlijk door ’Mbok Karjå op -de hoogte gehouden, had er niets tegen, dat Dalima naar Kaligaweh ging. Zij vond het -zelfs prijzenswaardig in dat Javaansche meisje, dat zij zooveel van hare ouders hield. -Een honigzoete glimlach teekende zich op haar gelaat, terwijl zij die woorden sprak, -en niemand, en wel het allerminst hare reine en onschuldige dochter kon gissen, welken -afgrond die woorden en glimlach verborgen. -</p> -<p>Anna bracht verheugd die boodschap harer moeder aan Dalima over, en in de goedheid -haars harten besteedde zij een groot gedeelte harer nachtrust, om de baboe bij haar -naaiwerk te helpen. Met het stellen van dien eisch had de schoone Laurentia beoogd, -dat Dalima niet in het holle van den nacht, en derhalve waarschijnlijk ongemerkt de -<span class="corr" id="xd30e6060" title="Bron: nootlottige">noodlottige</span> hut zou voorbij stappen. Door Anna ijverig geholpen, was het de baboe mogelijk om -zoo omstreeks drie uren den tocht te aanvaarden. Na nog een groet met hare jeugdige -meesteres gewisseld te hebben, stapte zij het achtererf van het residentiehuis door, -en verliet den tuin middels een sleutel, die Anna haar verschaft had. Zij bevond zich -toen op het pad, dat dwars door de heuvelen en daarna door de sawahs naar Kaligaweh -voerde. De maan stond helder aan den hemel. Moedig en vastberaden stapte zij voort, -en had weldra Santjoemeh uit het oog verloren, terwijl geen enkele gedachte aan eenig -gevaar haar brein kwelde, of haar hart verontrustte. -</p> -<p>Lim Ho, had van den boodschapper behoorlijk bericht ontvangen, dat de lieve baboe -de gefingeerde tijding van het stervensgevaar, waarin haar vader zou verkeeren,—de -lezer weet, dat den armen Setrosmito een andere ramp trof,—vernomen had. -</p> -<p>„Baai,” (het is goed) sprak hij tevreden<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „gij zult wel <span class="pageNum" id="pb261">[<a href="#pb261">261</a>]</span>moede zijn en niet wenschen naar de hut bij den djoerang terug te keeren, niet waar?” -</p> -<p>„Engèh, babah,” was het antwoord<span class="corr" id="xd30e6072" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>„Welnu, men zal u hier eene „tampat tidor” (slaapplaats) aanwijzen, dan kunt ge uitrusten. -Morgen zal ik uwe moeite verder beloonen.” -</p> -<p>Toen de boodschapper verdwenen was, keek Lim Ho op zijn horloge. -</p> -<p>„Ampar poekoel satoe!” (bijna een uur) mompelde hij, binnensmonds. En overluid vroeg -hij natuurlijk in zijn landtaal: -</p> -<p>„Than Loa, is het paard reeds gezadeld?” -</p> -<p>Hij kreeg een paar Chineesche woorden ten antwoord. Daarop stond hij op, zette een -soort muts zonder klep op, die in vorm niet ongelijk aan een Schotsch hoofddeksel -was, greep eene karwats, trad naar buiten, en wipte in het zadel. -</p> -<p>„Niet gaan slapen; wakker blijven!” beval hij zijne getrouwen aan. -</p> -<p>En den teugel vierende, was hij zeer spoedig uit het oog der naturende bedienden verdwenen. -</p> -<p>Wel was de groote weg naar Kaligaweh, dien hij volgde veel langer dan het voetpad, -hetwelk Dalima een paar uren later zou inslaan. Maar door zoo vroeg te vertrekken, -zou hij reeds dadelijk een grooten <span class="corr" id="xd30e6085" title="Bron: voorspong">voorsprong</span> op haar verkrijgen. Hij kon evenwel niet weten, dat zij, alvorens naar haren vader -te kunnen ijlen, nog naaiwerk te verrichten zoude hebben, en meende integendeel, dat -zij dadelijk vertrokken zou zijn. Zijn paard, een bastaard-Perziaan was echter een -uitmuntende klepper, die hem wel spoedig en vóór Dalima ter gemelde plaats zou brengen. -</p> -<p>Het was ongeveer half vier, toen hij bij de hut aankwam, waar <span class="corr" id="xd30e6090" title="Bron: Singomengelo">Singomengolo</span> hem wachtte. -</p> -<p>Beiden zaten nu den aanslag te beramen en te bespreken, die volgen moest, waarbij -Lim Ho veel ongeduld toonde over het lang uitblijven van Dalima. Onder dat gekout -brak eindelijk de dag aan, en was weldra zoover gevorderd, dat de zonsopgang nabij -was, toen plotseling heel in de verte een vreeselijk gegil en een geratel en geklep -vernomen werd, alsof de wereld vergaan moest. Lim Ho vloog van het matje op, waarop -hij naast den opiumjager gehurkt zat. -<span class="pageNum" id="pb262">[<a href="#pb262">262</a>]</span></p> -<p>„Wat zou dat te beduiden hebben?” vroeg hij ontsteld. -</p> -<p>„Och,” antwoordde Singomengolo bedaard, „de toean controleur van Banjoe Pahit heeft -eene varkensjacht georganiseerd, en nu beginnen de dèsalieden van die plaats en van -Kaligaweh de drijfjacht.” -</p> -<p>„Hoe weet gij dat?” -</p> -<p>„Ik was gisteren te Kaligaweh, en ontmoette daar zelfs den toean controleur met zijn -gezelschap, die de voorbereidende maatregelen voor de jacht kwamen nemen.” -</p> -<p>„Te Kaligaweh?…” -</p> -<p>„Ja, babah. Ik was daar, om den ouden Setrosmito op opiumsmokkelarij te betrappen,” -antwoordde de Javaan met een gemeenen grijnslach. -</p> -<p>„Dat’s waar ook.” -</p> -<p>Lim Ho sprak die woorden uit op een toon, alsof die opiumjacht, welke toch den vader -van zijn slachtoffer uit den weg moest ruimen, hem geheel en al ontgaan was. -</p> -<p>„En hebt ge opium gevonden?” vroeg hij verder. -</p> -<p>„Zeker, babah! Ik vind altijd opium; dat weet gij wel!” -</p> -<p>„Ja, gij zijt een slimme vent,” antwoordde Lim Ho lachende. „Dus de vader van Dalima -is voor ettelijke weken goed verzorgd.” -</p> -<p>„O, langer als voor enkele weken!” -</p> -<p>„Langer? Is er dan iets gebeurd?” -</p> -<p>„Setrosmito heeft amokh gemaakt, en daarbij uw landsman Khouw Wantjiang neêrgestooten, -en een politiedienaar gewond. Het scheelde weinig, of ik was er ook om koud. Maar -ik poetste hem bij tijds.” -</p> -<p>Lim Ho wreef zich de handen. -</p> -<p>„Zoodat.…” vroeg hij. -</p> -<p>„Zoodat,” ging Singomengolo voort, „de vader van Dalima, als hij niet opgehangen wordt, -wel tot levenslangen dwangarbeid zal veroordeeld worden.” -</p> -<p>„Dat’s knapjes uitgevoerd,” zei Lim Ho, zich steeds de handen wrijvende. „Maar … wat -is dat?” -</p> -<p>Geweerschoten werden vernomen. De jacht op de wilde zwijnen was begonnen. -</p> -<p>„O, dat zijn de blanke jagers, die in den Djoerang Pringapoes op tjellengs schieten. -Dat Allah hunne jacht zegene!” -</p> -<p>„Maar zouden die blanda’s ons niet kunnen hinderen. Het ravijn is niet ver hier van -daan.” -</p> -<p>„Die toeans zijn te druk met hunne jacht bezig, dan <span class="pageNum" id="pb263">[<a href="#pb263">263</a>]</span>dat zij aan andere beuzelingen hunne aandacht zullen wijden. Ik hoor ze liever daar -in de nabijheid in den Djoerang Pringapoes naar hartelust schieten, dan dat ze op -hunne kantoren zitten te schrijven. Een blanke met de pen in de hand is meer te vreezen, -en ook gevaarlijker dan met een geweer gewapend.” -</p> -<p>Zoo zaten zij te kouten, en naar het verwijderde jachtrumoer te luisteren. De tijd -vloog heen. -</p> -<p>„Dalima komt maar niet,” zuchtte Lim Ho ongeduldig. -</p> -<p>„Jawel, daar ginds zie ik op het pad tusschen de sawahs iemand naderen. Dat kan niemand -anders zijn dan zij.” -</p> -<p>„Kijk, kijk, daar uit het ravijn komt een blanda!” riep Lim Ho uit. „Nu is alles verloren!” -</p> -<p>Singomengolo keek uit, en bromde eene verwensching tusschen de tanden, toen hij zag, -dat de Chinees waarheid sprak. -</p> -<p>Hij tuurde, tuurde; maar kon zich maar geen rekenschap geven, wie dat zijn kon. Dien -toean had hij den vorigen avond niet te Kaligaweh gezien. Het was toch een jager, -want hij had een geweer in de hand, en kwam van den kant van het ravijn en volgde -het pad, dat langs de hut voerde.… En niet ver van de hut zou die ongeluksvogel zich -met Dalima kruisen!… Het was om des duivels te worden!… Alle maatregelen waren zoo -goed genomen!.… En.… nu.… door dien ellendige!.… -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Maar.….” riep Lim Ho eensklaps verheugd uit. „Het is „<span lang="ms">toean kapala tikoes</span>”, die daar komt. Nu, geen nood! Dien ken ik. Gij moet straks de baboe maar roepen. -Ik zal het wel met den blanke afmaken.” -</p> -<p>Lim Ho had den toean herkend, die door de meeste bewoners van Santjoemeh Muizenkop -geheeten werd, welken naam door grappenmakers in „<span lang="ms">kapala tikoes</span>” (<span lang="ms">kapala</span> = hoofd en <span lang="ms">tikoes</span> = muis) vertaald was. Nu herkende Singomengolo den fiscalen ambtenaar ook, en begreep -dat hunne snoode plannen niet veel gevaar liepen. „<span lang="ms">Perkara oeang sadja</span>,” (eene geldkwestie slechts) zei hij met beteekenisvollen blik op den Chinees. -</p> -<p>Toen Dalima, op het kruispunt gekomen, het pad van Kaligaweh, wilde inslaan, trad -de Javaan naar buiten om haar te roepen, en zag hij den blanke zich ijlings achter -de struiken verschuilen. Op dat gezicht waren de <span class="pageNum" id="pb264">[<a href="#pb264">264</a>]</span>beide aterlingen geheel en al gerustgesteld, en had de aanslag het aanvankelijk verloop, -dat de lezer kent. -</p> -<p>Had Mokesuep ook al eenige aanvechting gevoeld, om bij den aanslag op het lieve meisje -als redder op te treden, dan werd dat betere gevoel door het verschijnen van Lim Ho -op de plaats der worsteling geheel verstikt. -</p> -<p>Glimlachend verstopte de ellendeling zich nog nauwkeuriger achter de struiken en prevelde: -</p> -<p>„Drommels! vrouw Fortuna reikt mij de hand. Ik moest een ezel zijn haar af te wijzen.” -</p> -<p>Inmiddels stierf het hulpgeschrei van Dalima, afgestreden en uitgeput als het arme -meisje was, met hare krachten weg. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng!… Toeloeng, toean! toeloeng!</span>” was de laatste schelle kreet, die door de eenzame landstreek weerklonk. Geen ander -antwoord kwam daarop, helaas! dan een flink onderhouden geweervuur in de verte. -<span class="pageNum" id="pb265">[<a href="#pb265">265</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e5977"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e5977src">1</a></span> <i>Melati bloem.</i> Zie de aanteekening <a href="#n89.1">No. 1</a> op bladz. 89 hiervoren. <a class="fnarrow" href="#xd30e5977src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6019"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6019src">2</a></span> <i>Tjoe</i> is jonge arak. Wordt door Chineezen veel gedronken. De Bataviasche tjoe heeft onder -hen een zeer gunstigen naam. <a class="fnarrow" href="#xd30e6019src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch19" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e789">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XIX.</h2> -<h2 class="main">„<span lang="ms">Toeloeng! Toeloeng, toean!</span>”</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toch was het geroep en het gegil van het arme slachtoffer gehoord geworden. Te laat, -helaas evenwel om redding aan te brengen. -</p> -<p>Dat gedeelte der kloof, waarin de jagers ter vervolging van de vluchtende tjellengs -in allerijl gedrongen waren, was niet heel lang, een vijftienhonderd meters hoogstens. -Hare zool echter was uiterst bochtig, en naast de kronkelende bedding van de Kali -Banjoe Pahit voortloopende, als met rotsblokken bezaaid; terwijl de wanden van donkergrauwen -trachietlava zich tot eene hoogte van vijftig of zestig meters schier loodrecht verhieven. -</p> -<p>De lucht weergalmde in dien engen doorgang van het geknor en geschreeuw der wilde -varkens, die in wanhoop krioelden en vluchtten, over de rotsen buitelden en tuimelden, -in het riviertje een toevlucht zochten, maar daarin door de woest voortschietende -wateren medegevoerd en onzacht met de lavablokken der bedding in aanraking gebracht -werden. Aan het wanhopig gegil der dieren, paarde zich aan den eenen kant van de kloof -het geratel, het geklop der drijfjagers, die bij de achterwaartsche beweging der tjellengs -hun spektakel hervat hadden, en van den anderen kant het moorddadige geweervuur der -Europeanen, dat onverpoosd onderhouden werd. Radeloos en in de grootste verwarring -stormden de gejaagde dieren de Javanen te gemoet, welker geklop en gegil hen bij ondervinding -minder gevaarlijk voortkwam. Wel stelden ettelijke der dèsabewoners, toen de drom -in de nabijheid <span class="pageNum" id="pb266">[<a href="#pb266">266</a>]</span>kwam, zich ijverig te weer en staken er met hunne lansen duchtig op los. Maar het -meerendeel week, toen de grimmige bende op hen instormde, en sloeg geheel en al op -de vlucht, toen de kogels der jagers hen om de ooren begonnen te snorren. Zoo’n cilindro-conische -kogel van de hedendaagsche draagbare vuurwapenen maakte ook zoo’n afgrijselijk gefluit -bij het afleggen harer baan, dat het was om iemand kippenvel op het lijf te jagen. -In minder dan geen tijd, was de linie der drijfjagers voor de aanrennende zwijnenschaar -als de nevel voor de morgenzon verdwenen. Verreweg het meerendeel was op hooge rotsblokken -geklommen; het andere was in de dwergboomen geklauterd. Maar geen enkele Javaan had -zich achter rotsen of achter boomstammen verscholen, waar hem de slagtanden der tjellengs -bereiken konden. -</p> -<p>De bende wilde varkens was zeer geslonken. Het waren er niet velen, die den doorbraak -der linie drijfjagers overleefden. Het grootste gedeelte was in de kloof onder de -kogels der Europeesche schutters gevallen. Het was eene ware slachting, die daar plaats -gehad had. Een vijftiental lijken lagen daar uitgestrekt, ongerekend de tjellengs, -die met een kogel in het lichaam, of de huid opengereten door een schampschot, hun -heil in de vlucht gezocht hadden, maar den dood niet ontkomen zouden<a class="noteRef" id="xd30e6180src" href="#xd30e6180">1</a>. -</p> -<p>„Vooruit; Vooruit!” riep Verstork, aangemoedigd door den aanvankelijken goeden uitslag -van de jacht. „Vooruit! wij moeten trachten, dat er geen enkele van dat schadelijk -gedierte ontsnapt!” -</p> -<p>Dat was evenwel gemakkelijker gezegd en aanbevolen dan wel uitgevoerd. -</p> -<p>Wel stormden de jagers het ravijn in en de bende wilde zwijnen achterna. Wel<span id="xd30e6188"></span> werd nog menig schot gelost, waarbij telkenmale een slachtoffer viel; maar de varkens -waren vlugger ter been, en nu de insluitingsketen verbroken was, waren zij spoedig -in de schier onuitwarbare wildernis van doornachtige struiken, van woest dooreen geworpen -boomstammen en rotsblokken, waarmede de zool van het ravijn overdekt was, uit het -oog verdwenen. <span class="pageNum" id="pb267">[<a href="#pb267">267</a>]</span>De jagers spanden alle krachten in, om het wild te volgen; maar daartoe waren de vlugheid -en de lenigheid van een orang-oetan noodig geweest en, wie weet, of ook die de vervolging -niet had moeten opgeven. -</p> -<p>Opgeven?… Ja; want op een gegeven oogenblik stonden de blanke jagers daar met gescheurde -kleedingstukken, met verwonde handen door de doornen, uitgeput van den verwoeden wedloop, -hijgende naar hun adem. Op het geroep eindelijk van Verstork kwamen zij langzamerhand -te zamen. -</p> -<p>„Waar is Grashuis?” vroeg de controleur. -</p> -<p>„En waar is Grenits?” vroeg Van Rheijn. -</p> -<p>Men keek rond; maar zag hen niet. Een paar geweerschoten in de verte gaven te kennen, -dat de twee vermisten de jacht nog niet opgegeven hadden. -</p> -<p>„Wij dienen hen te volgen,” sprak Verstork. „Men kan niet weten, wat er gebeuren kan, -en hoezeer hulp noodzakelijk kan zijn. In welke richting hebben die schoten weerklonken?” -</p> -<p>Alle handen gingen omhoog; maar allen in verschillende richting. Als er handen genoeg -geweest waren, zouden alle streken van de kompasroos aangewezen zijn. -</p> -<p>„Daar!” -</p> -<p>„Neen, daar!” -</p> -<p>„Gij vergist u, het was daar!” -</p> -<p>„Mis! het was in die richting!” -</p> -<p>„Drommels,” zei Verstork „dat ’s lastig. En zelf heb ik er niet zoo op gelet, dat -ik de richting zou kunnen aanwijzen. Die schoten hebben mij verrast. Wij zullen wat -wachten; er zullen nog wel schoten vallen.” -</p> -<p>„Dat ’s juist goed,” antwoordde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „dan kunnen wij wat rusten en tot adem komen. Ik ga hier op die rots zitten.” -</p> -<p>Die rust duurde kort; want nog geen tien minuten later weerklonk andermaal een schot, -dat een poos later door een tweede gevolgd werd. Dat geknal klonk verder verwijderd -dan straks; maar de richting was thans behoorlijk waargenomen. -</p> -<p>„Komt, heeren, daar heen!” sprak Verstork, terwijl hij zijn geweer opnam. -</p> -<p>„Zouden wij nog niet een oogenblik toeven?” vroeg Van Beneden. „Drommels, ik ben nog -zoo moe!” -<span class="pageNum" id="pb268">[<a href="#pb268">268</a>]</span></p> -<p>„Ik zal onderwijl in dien boom klimmen,” sprak de wedono, op een gladden Komessoe<a class="noteRef" id="xd30e6217src" href="#xd30e6217">2</a> wijzende. „Misschien zal ik de verdwaalden ontdekken.” -</p> -<p>Het Javaansch districtshoofd, een vlugge jonge kerel was in een oogwenk boven. Bij -het klimmen ging hij geheel en al volgens zijn landaard te werk. Hij omvatte<span id="xd30e6226"></span> den slanken boom met beide handen en steunde met de voeten tegen den stam. Zoo kon -hij afwisselend handen en voeten verzetten, en was dan ook vlug in de kruin. -</p> -<p>„Ziet ge wat, wedono?” vroeg Verstork. -</p> -<p>„Nog niet, Kandjeng toean.… maar wacht!.… ja, daar ginds zijn ze. Zij klauteren langs -de helling van het ravijn op en zetten eenige tjellengs na. Maar, dat is zeer ver.” -</p> -<p>„Kom heeren, nu op het pad! Wij zullen trachten onze vrienden in te halen!” -</p> -<p>Inderdaad<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> Leendert Grashuis en Theodoor Grenits waren voortgespoed en vervolgden met het ontembaar -vuur, hetwelk moedige jongelieden kan bevangen, die eene zoo opwekkende jacht bijwonen, -een troepje wilde varkens, hetwelk uit een kolossalen grooten beer, een vrouwtje en -vier biggetjes bestond. In woeste vaart ging het zoowel bij vervolgers als vervolgden -over en onder rotsen heen, door en over struiken, soms in het riviertje, waarin de -varkens onder de watervlakte verdwenen, krachtig voortzwommen, en te midden van het -wielende schuim voortspoedden. Soms kregen de jagers het troepje varkens in het gezicht, -terwijl het over een rotsblok heenworstelde, dan trachtten zij vast te staan op den -moeielijken bodem om goed te kunnen mikken. Maar, nog voor dat zij het geweer aan -den schouder gebracht hadden, waren de tjellengs òf onder een overhangend woest daar -heen geworpen rotsgevaarte, òf achter een struik verdwenen, en dan hervatten de jagers -de vervolging, die zij een oogenblik gestaakt hadden. -</p> -<p>Zoo ging het een poos voort, <span class="corr" id="xd30e6237" title="Bron: tot dat">totdat</span> de beer op zeker <span class="pageNum" id="pb269">[<a href="#pb269">269</a>]</span>punt zijn gezin tegen de helling van den ravijnwand wilde opvoeren, om zoo het vrije -veld te bereiken, waar de vlucht met meer spoed zou kunnen geschieden. Helaas, maar -ook daar zou de uitwerking der vuurwapenen van de twee vervolgers haar voordeel hernemen. -Reeds dadelijk bij het bestijgen van de helling, waarbij het troepje een oogenblik -op het korte gras voor het oog zichtbaar werd, knalden twee schoten, en buitelde een -der biggetjes achterover en rolde de helling weer af. Grimmig snelde de moeder te -hulp. Maar, welke moeite zij ook deed om haar jong voort te krijgen, het was te vergeefs. -Voort moest zij, wilde zij niet onder de wisse kogels vallen. Een oogenblik later -stortte een ander biggetje, thans evenwel ongewond, van de scherpe helling omlaag. -Fluks was de moeder weêr bij de hand om het diertje, dat slechts uitgegleden was, -op de been te helpen. Voor onpartijdige toeschouwers ware het aandoenlijk geweest -te zien<span id="xd30e6242"></span> hoe die moeder haar jong verzorgde, hoe zij het met hare snuit liefderijk maar toch -krachtig <span class="corr" id="xd30e6244" title="Bron: voorstootte">voortstootte</span>, terwijl zij daarbij een aanmoedigend geknor liet hooren. Helaas! jagers hebben geen -medelijdende harten! Nog was de moeder met haar jong niet bij den hoofdgroep aangekomen, -of daar knalden weer twee schoten, èn jong èn moeder rolden de helling af naar beneden. -Nog een zielsvol oog voor het jong, waarna die goede moeder nog een woesten, wraakzuchtigen -blik op de jagers wierp, en een schrillen kreet uitte, om den vader te waarschuwen. -Daar klonk weer een schot, en een der kleinen rolde de beide blanken te gemoet. De -beer gromde vreeselijk, zette zich in postuur met overeindstaande borstels en opgetrokken -lippen, waardoor niet alleen de slagtanden, maar ook de snijtanden, die er als beitels -uitzagen, schrikkelijk tegendreigden. Een tweede schot knalde dadelijk daarop, maar -miste. Toen de <span class="corr" id="xd30e6247" title="Bron: kruiddamp">kruitdamp</span> opgetrokken was, waren beer en het laatste overgebleven biggetje in eene terreinplooi -voor het oog verdwenen. Maar Grenits en Grashuis gaven de vervolging niet op, en voort -ging het langs de wandhelling op. Inspanningsvol waren de pogingen<span id="xd30e6251"></span> die de beide jagers aanwendden om den ravijnnok <span class="corr" id="xd30e6253" title="Bron: vòòr">vóór</span> het wild te bereiken. Maar, al gaven zij het niet op en al klommen zij ook met taaie -voortvarendheid omhoog, zoo moesten zij zich toch bekennen, <span class="pageNum" id="pb270">[<a href="#pb270">270</a>]</span>dat eene rotshelling, waarop de gespleten en spits toeloopende hoeven van een wild -zwijn plaats en vat vonden, geen wandelpad was voor den geschoeiden voet van Europeanen. -</p> -<p>Eindelijk waren de twee jagers na een onmenschelijk klimmen op den nok van den steilen -ravijnwand aangekomen. Hijgend keken zij rond, maar ontwaarden van de vluchtelingen -geen spoor. Die waren hen voorzeker voor geweest, en thans in het struikgewas van -de onafzienbare vlakte verdwenen. Waarheen hen te zoeken? Dat zou immers noodeloos -werk zijn. Doodmoede als zij waren, wilden zij zich in de schaduw van eenige struiken -op het gras uitstrekken, om van hunne inspanning wat te bekomen; toen Grenits plotseling -een schreeuw uitstiet. Hij zag zich aangevallen door den beer, die evenzeer uitgeput, -daar met zijn jong zich ook uitgestrekt had om te rusten. In zijn leger als het ware -thans bestookt, zag het woedende dier van de vlucht af en sloeg, zooals zijne soortgenooten -gewoonlijk doen, ten aanval over. Grenits had waarlijk nauwelijks den tijd, om met -een sprong uit te wijken en zijn geweer, dat met den riem over den schouder hing, -in tot verdediging gereede positie te brengen. De beer ontweek behendig een bajonetsteek, -dien hem Theodoor toebracht, en rende op zijn tegenstander in. Gelukkig, dat diens -rechterbeen, door hooge lederen beenbekleeding beschermd was, anders zou de jager -deerlijk door de slagtanden van het woedende dier verwond zijn. Nu evenwel was de -slag, welke het zwijn door middel van eene krachtige kopbeweging met den snuit toebracht, -toch nog zoo hevig dat Grenits het evenwicht, verloor, achterover tuimelde en in groot -gevaar verkeerde. Ware hij alleen geweest, dan voorzeker zou de beer zich op hem gestort -en, weerloos als de jager was, hem met zijne machtige slagtanden den buik opengereten -hebben. Grimmig en met <span class="corr" id="xd30e6260" title="Bron: blood">bloed</span> beloopen oogen schoot hij reeds op den gevallene toe. Theodoor voelde reeds in zijn -aangezicht den brandend heeten adem van het monster, en wachtte met dichtgeknepen -oogen den noodlottigen schok af; toen op eenmaal de tjelleng een gebrul van woede -uitstiet en front naar een anderen aanvaller moest maken. Hoe bliksemsnel het verhaalde -toch in zijn werk was gegaan, zoo had Leendert <span class="pageNum" id="pb271">[<a href="#pb271">271</a>]</span>Grashuis evenwel tijd gehad om snel eene patroon in zijn achterlaad-buks te schuiven -en zijne bajonet in aanvallende positie te brengen. Zooals hij zich evenwel tegenover -de strijdenden bevond, was er aan schieten niet te denken, daar hij meer kans zou -gehad hebben om zijn vriend dan den beer te treffen. De minuten, ja de seconden waren -goud waard. Theodoor lag reeds op den grond uitgestrekt, en de noodlottige ontknooping -kon niet uitblijven. Toen bracht Grashuis het zwijn een bajonetsteek in de zijde toe, -die wel eene pijnlijke wonde veroorzaakte, maar op het rechter schouderblad afschampte. -Het monster keerde toen zijne geheele woede op den nieuwen aanvaller, wilde hem een -slag met de vooruitstekende tanden toebrengen, maar die werd behendig op de bajonet -opgevangen. Door den schok als eene hoepel kromgebogen, drong evenwel het wapen, tot -bij de geweertromp in de keel van het dier door. Een oogenblik dacht Leendert er aan, -om zijn wapen terug te trekken; maar de onmogelijkheid daarvan inziende haalde hij -snel den trekker over, zoodat het dier de losbrandende lading met den kogel door den -kop kreeg. Het sprong met reuzenkracht terug,—waarbij Grashuis zich zijn wapen uit -de handen gerukt zag,—draaide eenige malen in de rondte, en viel toen stuiptrekkend -neder. Weinige seconden later was de doodsstrijd volstreden. -</p> -<p>Onthutst en beteuterd stonden de beiden Europeanen die stuiptrekkingen een oogenblik -aan te kijken. Alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan, dat zij nog geen volkomen -besef van het gebeurde en van de uitkomst hadden. Maar, na een poos begrepen zij wat -er gebeurd was; en toen vielen zij in elkanders armen en feliciteerden elkander hartelijk. -En, waarlijk, zij hadden een bang oogenblik doorgestaan. Voor beiden was het gevaar -groot, maar voor Theodoor Grenits dreigend geweest. -</p> -<p>Toen aan de inspraken van het hart voldaan was, hernam de zwakke menschelijke natuur -hare rechten. De vervolging van het wild, de beklimming van den steilen ravijnwand, -het dadelijk daarop gevolgde gevecht met al zijne aandoeningen hadden onze vrienden -zoodanig uitgeput, dat zij schier ademloos en met heftig zwoegende borstkast op den -bodem vielen, om tot verademing <span class="pageNum" id="pb272">[<a href="#pb272">272</a>]</span>te komen. Zij konden zoo omstreeks een tiental minuten gelegen hebben, toen Grenits -het laatst overgebleven biggetje in de nabijzijnde struiken meende te ontwaren. Zonder -op te staan, gleed hij eene patroon in het kamerstuk zijner achterlaadbuks, bracht -het wapen aan den schouder en vuurde af in de richting, waar het varkentje onder de -struiken verdwenen was. De echo weerkaatste statig den knal van het schot, dat door -de nabijheid van het rotsachtige ravijn als de donder rolde.… Machtig als de geest -des onweders duurde dat een poos, waarna dat gedonder langzamerhand afnam, zachter -vernomen werd en eindelijk heel in de verte in eene zachte rommeling wegstierf. Nog -was het geluid waarneembaar, toen Grashuis zich plotseling, als door eene machtige -veer bewogen, op zijn ellebogen ophief. -</p> -<p>„Hebt ge dat gehoord?” vroeg hij, terwijl verbazing zijne stem kenmerkte. -</p> -<p>„Wat?… Het geratel van mijn schot? Ja, dat heb ik gehoord.” -</p> -<p>„Neen, niet uw schot. Het was, alsof ik eene menschenstem hoorde roepen … Hoor!…” -</p> -<p>En werkelijk daar klonk heel verwijderd, maar toch vrij duidelijk: -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng!… Toeloeng, toean!</span>” -</p> -<p>„Dat is eene vrouwenstem!” zei Grenits opspringende. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span><span class="corr" id="xd30e6285" title="Bron: ’,">”</span> klonk het weer. -</p> -<p>„Eene vrouwenstem die ons te hulp roept,” zei Grashuis. „Hoor …<span id="xd30e6290"></span>” -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span>” -</p> -<p>„Ik zie geen andere toeans, dan wij. Onze makkers zijn ver weg … en in het ravijn … -En, van daar komt de stem niet,” merkte Grashuis verder op. -</p> -<p>„Maar ik zie niets, Leendert,” zei Grenits, die aandachtig den geheelen omtrek opnam. -</p> -<p>„Ik ook niet, hoe ik al tuur.” -</p> -<p>„Het weerkaatsen van de zonnestralen in de oppervlakte van het water der sawahs doet -mijne oogen zeer.” -</p> -<p>„Daar ginder, bij dat boschje, meen ik eene hut te zien. Het geroep kan niet anders -dan van daar komen.” -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span>” klonk het. -</p> -<p>„Het is onmiskenbaar eene vrouwenstem, die om hulp roept.” -<span class="pageNum" id="pb273">[<a href="#pb273">273</a>]</span></p> -<p>„Maar, welke heeren kan zij roepen?” -</p> -<p>„Om het even. Vooruit! Onze bijstand wordt ingeroepen. Vooruit! Ik ben niet moê meer!” -</p> -<p>Alvorens evenwel voort te snellen, wierpen de twee Europeanen eerst een blik terug -in het ravijn, waaruit zij een poos te voren geklauterd waren, en zagen toen, dat -hunne makkers hen volgden, en gereed waren de helling van den ravijnwand op hunne -beurt te beklimmen. Grenits schoot zijn geweer af, om hunne aandacht te trekken, en -toen aller oogen naar boven gericht waren, riep hij hun zoo luid toe als hij kon, -terwijl hij den arm in de richting van het westen uitstrekte: -</p> -<p>„Daar! daar!” -</p> -<p>En daarop ijlden beiden voort. -</p> -<p>„Hebt gij verstaan, wat Theodoor riep?” vroeg Verstork aan Van Nerekool. -</p> -<p>„Neen!” antwoordde deze. „De afstand was daartoe te groot; maar er schijnt iets buitengewoons -voorgevallen te zijn.” -</p> -<p>„Kom! laat ons voortspoeden.” -</p> -<p>En het troepje jagers beklom den bergwand. Zij waren evenwel niet zoo bezield als -straks hunne makkers; zoodat die bestijging wel driemaal meer tijd kostte. Toen zij -boven op den nok waren, zagen zij Grenits en Grashuis, die te midden van de sawahvelden -voortspoedden. Laatstgenoemde keerde zich om en wenkte, toen hij zijne makkers ontwaarde, -om voort te maken. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng! toeloeng, toean!</span>” weerklonk het nogmaals, maar nu zoo zwak, dat dit hulpgeroep bijna niet meer waarneembaar -was. Toch waren de beide Europeanen de hut meer nabij gekomen. -</p> -<p>„Voort! voort!” riep Grenits, zijn makkers tot spoed aanzettende. -</p> -<p>„Is het wel in deze richting, dat wij voortspoeden moeten?” vroeg Grashuis. „Mij dunkt, -dat wij ons van het geluid verwijderen.” -</p> -<p>Maar tijd tot bedenken was niet meer mogelijk. Daar vloog eene vrouwengedaante de -hut uit, en ijlde op hen toe. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng, toean toean! toeloeng!</span>” kreet zij, terwijl zij aan hunne voeten nederstortte. -</p> -<p>Het was een Javaansch meisje, dat door geen van beiden herkend werd, hetwelk met loshangende -haren, <span class="pageNum" id="pb274">[<a href="#pb274">274</a>]</span>spiernaakt en geheel bebloed aan hunne voeten in het gras wentelde, en zich het gelaat -met beide handen bedekte. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng, toean toean! Toeloeng!</span>” kreunde zij. -</p> -<p>Onthutst door die onverwachte vreemdsoortige verschijning, keken de twee jagers het -meisje aan. In hunne verbazing wisten zij niet wat te doen. Grenits geërgerd, een -menschelijk wezen aan zijn voeten te zien, vatte het meisje bij den arm en poogde -haar overeind te helpen, maar schuchter weerde zij hem af: -</p> -<p>„<span lang="ms">Maloe saja!</span>” (ik ben beschaamd) prevelde zij, terwijl zij hare loszwierende haren over haren -boezem schikte, en zich verder daarin zocht te dekken. -</p> -<p>Plotseling schoot eene mannengedaante, een Javaan, de hut uit, en op het meisje toe. -Met ruwe hand greep hij haar bij den arm, om haar overeind te sleuren. -</p> -<p>„<span lang="ms">Adoe!</span> (O wee!)” riep zij uit. -</p> -<p>En den kerel herkennende, rukte zij zich met verschrikt gebaar los. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toeloeng, toean toean! toeloeng!</span>” smeekte zij zich tot de beide Europeanen wendende. -</p> -<p>„Wilt gij die vrouw eens loslaten!” zeide Grenits gramstorig. -</p> -<p>„Wat wilt ge van haar?” vroeg Grashuis aan Singomengolo, dien hij herkende. -</p> -<p>„Zij is eene opium-smokkelaarster,” antwoordde deze. „Kom, <abbr title="anak soendal">a. s.</abbr><a class="noteRef" id="xd30e6368src" href="#xd30e6368">3</a> voort!” -</p> -<p>„<span lang="ms">Kassian, toean toean!</span>” (Heb medelijden met mij, heeren) kreet het rampzalige meisje. -</p> -<p>„Kom voort!” riep Singomengolo woest en haar voortsleurende. -</p> -<p>„Die vrouw loslaten, of … ik sla je de hersens in,” dreigde Grenits, zijn geweer bij -den loop opnemende. -</p> -<p>Grashuis had inmiddels Singomengolo bij het middel gevat en trok hem achteruit. -</p> -<p>„Ik ben bandoelan,” (opiumspion) sprak de Javaan trotsch. „Het zal den heeren berouwen, -mij gedreigd of aangeraakt te hebben!” -</p> -<p>En tot het vrouwelijk wezen: -<span class="pageNum" id="pb275">[<a href="#pb275">275</a>]</span></p> -<p>„Kom, voort!” sprak hij. -</p> -<p>„Nogmaals, laat die vrouw los!” zeide Grenits met dreigende stem. -</p> -<p>En, werkelijk, hij was op het punt, om den kolf van zijn geweer op het hoofd van den -ellendeling te doen nederkomen, toen hij zich bij den arm gegrepen gevoelde, en eene -stem hoorde fluisteren: -</p> -<p>„Pas op, Thedoor! het is katjesspel, het met lieden van den opiumpachter aan te leggen.” -</p> -<p>Grenits keek om. Het was Mokesuep, die tot hem sprak. -</p> -<p>„Jij, Muizenkop? Waar kom jij vandaan?” -</p> -<p>„Ik ben op de jacht verdwaald. Maar bedaar … anders komt ge in ongelegenheid.” -</p> -<p>„Er valt niet te bedaren, laat mijn arm los; dan zal ik dien opiumjager noodzaken, -die vrouw los te laten.” -</p> -<p>Singomengolo had de hand aan het gevest van zijn kris geslagen. Trotsch en oploopend -van aard, als hij was, zou hij iedere gewelddaad van den blanke met een dolkstoot -beantwoord hebben, ten minste, wanneer een eerste kolfslag hem niet buiten gevecht -had gesteld. Een oogenblik keek hij met vonkelende en tartende oogen naar de beide -blanken op. Toch liet hij plotseling den arm van het vrouwelijke wezen los. Over de -sawah zag hij een anderen troep aankomen, waaronder zich niet alleen de controleur -van Banjoe Pahit, maar ook de wedono van het district bevond. Als het kon, zou zijn -bruin gelaat verbleekt zijn op dat gezicht. -</p> -<p>„Wat is hier te doen?” vroeg Verstork toen hij nader getreden was. -</p> -<p>„Die vrouw heeft opium gesmokkeld, Kandjeng toean,” antwoordde Singomengolo. -</p> -<p>„Die vrouw?…” -</p> -<p>„Maar,… dat is Dalima!” riep Van Nerekool uit. -</p> -<p>„Dalima?…” -</p> -<p>„Ja, Dalima, de baboe van den resident!” -</p> -<p>„Mooi zoo!” lachte Van Rheijn. „Nu hebben de residenten ook al baboe’s! Misschien -ook wel zuigflesschen!” -</p> -<p>Van Nerekool bloosde. Hij had vermeden te zeggen: de baboe van de dochter van den -resident. -</p> -<p>Verstork trok eene der handen van het gelaat der vrouw weg. -</p> -<p>„Ja,… het is Dalima!… En, die zou opium gesmokkeld <span class="pageNum" id="pb276">[<a href="#pb276">276</a>]</span>hebben?” vroeg hij verder, na een teeken aan een der volgelingen van den wedono gegeven -te hebben, die haar een slendang (een soort sjerp) toewierp, waarin zij zich wikkelde. -</p> -<p>„<span lang="ms">Soengoe mattie!</span>” (voorzeker)<a class="noteRef" id="xd30e6416src" href="#xd30e6416">4</a> antwoordde de bandoelan. „Ik heb haar gevisiteerd …” -</p> -<p>„En haar de <span class="corr" id="xd30e6429" title="Bron: klêeren">kleêren</span> van het lijf gescheurd?” vroeg de controleur streng. -</p> -<p>„Zij wilde het niet toelaten …” -</p> -<p>„En haar zoo toegetakeld?” vervolgde Verstork. -</p> -<p>„Apa boleh boeat, (wat is er aan te doen) Kandjeng toean? Zij verzette zich. En … -zie, dat heb ik gevonden.” -</p> -<p>Singomengolo vertoonde daarop een doosje, dat bijster veel overeenkomst had met datgene, -hetwelk den vorigen avond door den bandoelan aan den controleur overgegeven was. Als -deze het zelf niet verzegeld en naar Santjoemeh opgezonden had, zou hij hebben kunnen -gelooven, dat het hetzelfde was. -</p> -<p>„Hebt gij dat doosje bij dat meisje gevonden?” vroeg de controleur met nadruk. -</p> -<p>„Ja!” -</p> -<p>„Ik heb geen opium gesmokkeld,” kreet Dalima, steeds op den grond gehurkt. „Ik ben -in die hut gesleept geworden, en daar ben ik op de gemeenste wijze mishandeld geworden …” -</p> -<p>„Maar, hoe komt ge hier?” vroeg Verstork. -</p> -<p>„Ik was op weg naar Kaligaweh. Iemand heeft heden nacht op het residentiehuis komen -berichten, dat mijn vader erg ziek was. Toen heb ik èn van de njonja èn van nonna -Anna verlof gekregen om naar den zieke te mogen gaan.…” -</p> -<p>„Verlof van de njonja en?…” -</p> -<p>„En van nonna Anna, ja, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Die kunnen dat dus getuigen?” -</p> -<p>„Ja, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Ik heb getuigen, die gezien hebben, dat dat meisje smokkel-opium bij zich had.” -<span class="pageNum" id="pb277">[<a href="#pb277">277</a>]</span></p> -<p>„Wie zijn dat?” -</p> -<p>Singomengolo liet den sluwen blik rondom zich gaan. Hij zag Mokesuep de hut binnentreden. -Deze had van het kabaal gebruik gemaakt, om zich achteraf te houden, en op het geschikte -oogenblik de hut binnen te sluipen. Hij had zijn redenen daartoe. Een glimlach krulde -de lippen van den Javaan. -</p> -<p>„Straks,” sprak hij, „was een „toean blanda” (een hollandsch heer) hier.” -</p> -<p>„Een toean blanda? Hou je mij voor den gek? Pas op? Die onbeschaamdheid zou ik je -betaald zetten!” zei de controleur vertoornd. -</p> -<p>„Muizenkop was straks hier,” viel Grenits in. -</p> -<p>„Muizenkop?… Ik heb hem den geheelen ochtend niet gezien!… Waar kwam die van daan?” -</p> -<p>„Ik weet het niet. Hij zeide, dat hij op de jacht verdwaald was.” -</p> -<p>„Maar, waar is hij nu?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet. Zoo even stond hij daar nog.” -</p> -<p>„Maar,” ging Verstork voort, zich tot Singomengolo wendende: -</p> -<p>„Gij zeidet twee getuigen? Wie is de andere?” -</p> -<p>„Lim Ho,” was het antwoord. -</p> -<p>„Lim Ho, de zoon van den opiumpachter?” riep Van Nerekool ontzet uit. „En, Dalima … -in dien toestand?… O, nu begrijp ik alles!” -</p> -<p>„Lim Ho heeft mij vreeselijk mishandeld, en …” snikte het meisje, maar kon niet meer -voort. -</p> -<p>Dalima gebruikte in hare meer oorspronkelijke taal een andere uitdrukking dan „mishandeld”, -die evenwel niet weer te geven is. Toch aarzelde zij om voort te gaan. -</p> -<p>„En?” vroeg de controleur. -</p> -<p>„Hij en die man daar,” zeide zij, „hebben mij vastgebonden.” -</p> -<p>„Ellendeling!” kreet Van Nerekool verontwaardigd uit, terwijl hij Singomengolo met -zijne vuist dreigde. -</p> -<p>„Zij heeft opium gesmokkeld, en die heb ik achterhaald. Dat is alles!” antwoordde -deze onbeschaamd. „De heeren moeten zich niet boos maken. Die gemeene meid liegt!” -</p> -<p>„Ik lieg niet, en ik heb geen opium gesmokkeld!” antwoordde Dalima. „Overigens verraadt -mijn toestand genoegzaam, hoe men met mij gehandeld heeft.” -<span class="pageNum" id="pb278">[<a href="#pb278">278</a>]</span></p> -<p>Op een wenk van den controleur, tilden haar een paar oppassers op, waarbij zij hare -handen noodig had, om zich zedig in tegenwoordigheid van al die mannen te dekken. -Van Nerekool hielp haar daarbij, en verzocht een tweede slendang om het meisje in -te wikkelen. -</p> -<p>„Hier heeft de snoodste misdaad plaats gehad,” sprak hij daarna tot den controleur. -„Het is schandelijk, hoe het meisje mishandeld is.” -</p> -<p>Na die voorloopige verpleging trad het gezelschap de hut in. Daar vond men Mokesuep, -die vriendschappelijk met Lim Ho eene sigaar zat te rooken. Het oor van dezen laatsten -was verbonden. -</p> -<p>„Zoo gij hier?” vroeg Verstork, zonder den Chinees een groet waardig te keuren. -</p> -<p>„Ja, ik ben heden ochtend van de jacht afgeraakt, en heb rondgedwaald, totdat ik deze -hut aantrof, waar ik voor eene poos eene schuilplaats tegen de zonnestralen gezocht -heb. Foei, wat is het heet in die sawah’s!” -</p> -<p>Dat werd op den meest mogelijk kalmen toon gezegd. Bij den laatsten volzin blies de -aterling, alsof hij het werkelijk zoo ondragelijk warm gehad had. -</p> -<p>„Gij zijt dus al geruimen tijd hier?” -</p> -<p>„Ja, een half uur, als gij dat een geruimen tijd noemt.” -</p> -<p>„Uwe getuigenis wordt ingeroepen.” -</p> -<p>„Waarbij?” -</p> -<p>„Er is hier eene schandelijke misdaad gepleegd op dat meisje,” ging Verstork voort. -</p> -<p>„Eene misdaad?” vroeg <span class="corr" id="xd30e6487" title="Bron: Mokeseup">Mokesuep</span> verwonderd. „Ik weet van niets.” -</p> -<p>„Hier is niets geschied,” mengde zich Singomengolo, die Hollandsch verstond, maar -Maleisch sprak, in het gesprek, „dan eene aanhaling van opium, nietwaar babah?” -</p> -<p>De Chinees, die opgestaan was, toen de heeren <span class="corr" id="xd30e6493" title="Bron: binnen-nengekomen">binnengekomen</span> waren, wisselde een blik met Mokesuep, maar antwoordde terstond: -</p> -<p>„Niets anders, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Ik vraag u beiden niets,” sprak de controleur tot den Javaan en den Chinees. En zich -tot Mokesuep wendende, vervolgde hij: -</p> -<p>„Dat meisje, de baboe van den resident, beschuldigt die beiden van eene vreeselijke -misdaad.” -<span class="pageNum" id="pb279">[<a href="#pb279">279</a>]</span></p> -<p>Muizenkop, die Dalima niet kende, stond onthutst, toen hij die bizonderheid vernam. -De baboe van den resident! Als die machtige zich eens partij voor zijne dienstbare -stelde. Waarlijk, hij aarzelde … -</p> -<p>„Hoort ge, wat ik zeg?” vroeg de controleur hoogst ernstig, maar ongeduldig. -</p> -<p>De aterling ving een blik op van Lim Ho, die daar onbeschaamd zijne sigaar stond te -rooken. -</p> -<p>„Ik heb niets gezien, controleur,” antwoordde hij. -</p> -<p>„Maar, ik beschuldig die baboe, opium gesmokkeld te hebben!” zei Singomengolo sarrend. -„Ik heb die bij haar gevonden! Dat heeft de babah en dat heeft de toean gezien.” -</p> -<p>„Is dat waar?” vroeg de controleur. -</p> -<p>De Chinees antwoordde niet dadelijk. Hoe bedorven hij ook was, aarzelde hij toch het -meisje, dat hij onteerd had, in het verderf te storten. Maar Singomengolo deed een -schier onmerkbaar teeken. -</p> -<p>„Het is waar!” antwoordde Lim Ho. -</p> -<p>„Is dat waar?” vroeg de controleur aan Mokesuep. -</p> -<p>„Ja, het is waar!” was diens vastberaden antwoord. -</p> -<p>„Hebt gij gezien, dat de bandoelan dit doosje bij dat meisje gevonden heeft?” -</p> -<p>De controleur vertoonde het doosje, dat hij straks van Singomengolo in ontvangst genomen -had. -</p> -<p>„Ja!” antwoordde de aterling. -</p> -<p>Dalima viel in zwijm. De overige aanwezigen konden een gebaar van verachting niet -onderdrukken; want allen waren van de onschuld van het meisje overtuigd. -</p> -<p>„Ellendeling!” kreet Theodoor, die zijn toorn niet bedwingen kon. -</p> -<p>Een hoonlach was het antwoord daarop, die daarenboven door een gebaar van minachting -vergezeld ging. -</p> -<p>Dat was te veel voor Grenits. -</p> -<p>„Daar!… daar!…” riep de getergde in de hoogste woede uit, terwijl hij den onmensch -een, twee klappen om de ooren gaf. -</p> -<p>„Mijnheer Grenits!” sprak Verstork met waardigheid. „Ik bid u, matig u. Maak mij mijne -taak als ambtenaar niet moeielijker, dan zij reeds is.” -<span class="pageNum" id="pb280">[<a href="#pb280">280</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e6180"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6180src">1</a></span> <i>Maar den dood niet ontkomen zouden.</i> Een gewond wild sterft in den regel in tropische gewesten. De tallooze vliegen en -andere insekten, die zich op de wonden werpen, maken genezing onmogelijk. <a class="fnarrow" href="#xd30e6180src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6217"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6217src">2</a></span> <i>Komessoe</i> is een boom, die nog al op Java op steenachtigen grond aangetroffen wordt. In de -Vorstenlanden heet hij Pohon malam, en wordt daar soms aangeplant, voor de was, die -uit de vruchten getrokken wordt en mienjak tangkallah heet. De plantenkundigen noemen -den boom, die tot de Laurineeën behoort: Cylicodaphne <span class="corr" id="xd30e6220" title="Bron: sibifera">sebifera</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e6217src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6368"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6368src">3</a></span> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n44.1">No. 1</a> op bladz. 44 hiervoren. <a class="fnarrow" href="#xd30e6368src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6416"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6416src">4</a></span> <i lang="ms">Soengoe mattie.</i> <span lang="ms">Soengoe</span> beteekent: zeker en <span lang="ms">mattie</span>: dood. Dus de uitdrukking: zeker dood; kan gelijk gesteld worden met de Nederlandsche -uitdrukking: „ik mag doodvallen” of iets dergelijks, om de waarheid te bevestigen. <a class="fnarrow" href="#xd30e6416src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch20" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e798">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XX.</h2> -<h2 class="main">Aan de rijsttafel.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Eenige uren later zaten de gezamenlijke jagers om de rijsttafel in de pandoppo van -de controleurswoning te Banjoe Pahit. -</p> -<p>De gezamenlijke jagers? Natuurlijk Frits Mokesuep uitgezonderd! -</p> -<p>Verstork, die overigens in het leven veel water in zijn wijn wist te mengen, had ditmaal -den afkeer niet kunnen overwinnen, dien dat individu bij hem opwekte. Toen de arme -Dalima verpleegd, en in eene tandoe onder begeleiding van een <span class="corr" id="xd30e6532" title="Bron: polietie-agent">politie-agent</span> als gevangene naar Santjoemeh opgezonden was, had hij Muizenkop te verstaan gegeven, -dat, in verband met het gebeurde met Grenits, zijn gezelschap verder minder gewenscht -was. -</p> -<p>„Mij dunkt,” had Mokesuep daarop geantwoord: „dat het den beleediger zou moeten zijn, -die het veld ruimde.” -</p> -<p>„Wellicht zou ik ook zoo redeneeren,” ging de controleur met ijzige koelte voort; -„maar alvorens ik u weder onder mijn dak zal ontvangen, zult gij mij afdoende ophelderingen -te geven hebben, hoe het komt, dat gij u ver van het jachtterrein in deze hut bevondt -op het oogenblik, dat dit jonge meisje mishandeld is …” -</p> -<p>„Dat is zij niet!” viel Mokesuep in. -</p> -<p>„Let er wel op, dat ik niet zeg „onteerd”, maar „mishandeld”! Wij hebben haar naakt -en bebloed aangetroffen, toen zij onze hulp inriep. Er heeft dus mishandeling plaats -gehad in de tegenwoordigheid van u, die aanspraak <span class="pageNum" id="pb281">[<a href="#pb281">281</a>]</span>maakt op den naam van fatsoenlijk man. En, ik herhaal het: zoolang gij mij niet afdoende -ophelderingen zult gegeven hebben, dat alleen onmacht u belet heeft, u als verdediger -van dat meisje op te werpen, zoolang wensch ik u niet in mijne woning te zien.” -</p> -<p>„Mijnheer Verstork!…” -</p> -<p>„Zult ge u kunnen zuiveren van de verdenking, die misschien ten onrechte op u rust; -niets zal mij aangenamer zijn, dat verzeker ik u. Ik zal de eerste zijn, om u de hand -te reiken, wanneer Theodoor Grenits mij dan niet voor zal zijn. -</p> -<p>„Dan ben ik gereed u iedere genoegdoening te geven, die gij verlangen moogt!” sprak -deze hoogst ernstig. -</p> -<p>„Genoegdoening!” sprak Mokesuep hoonend. „Ik zal mij wel genoegdoening weten te verschaffen!” -</p> -<p>„Dus gij weigert de gevraagde ophelderingen?” vroeg Verstork. -</p> -<p>„Ik heb u geene opheldering te geven, mijnheer Verstork. „Ik zal ze den resident verschaffen.” -</p> -<p>„Dan, mijnheer Mokesuep, heb ik u niets meer te zeggen,” hernam de controleur met -eene stijve buiging. „Laat ik u niet ophouden.” -</p> -<p>Bij dat duidelijk afscheid wierp Muizenkop knarstandend zijn geweer met den riem over -den schouder, en verwijderde zich in gezelschap van Lim Ho en van Singomengolo, die -dat tooneel stilzwijgend hadden aangezien, maar waarvan zij niet veel begrepen hadden, -in de richting van Santjoemeh, met den uitroep: -</p> -<p>„O! ik zal mij wreken!” -</p> -<p>Die bedreiging benam de vrienden den eetlust niet. Zoo als gezegd is, zaten zij eenige -uren later om de rijsttafel, in de pandoppo van de controleur van Banjoe Pahit. -</p> -<p>Die pandoppo van de controleurswoning kon het in ruimte niet halen bij die van het -residentiehuis te Santjoemeh; maar, juist door hare meerdere beknoptheid was zij des -te gezelliger. Zij miste die holheid tusschen de pilaren, die aan eene hal, dat hooge -dakwerk, dat aan eene kathedraal deed denken; zij had meer van eene huiskamer, waartoe -het smaakvolle meubilair, door Verstork bijeengebracht, veel bijbracht. En, inderdaad, -zijne huiskamer was dat luchtige vertrek, hetwelk met jaloezie-ramen naar alle windstreken -toegang aan de buitenlucht <span class="pageNum" id="pb282">[<a href="#pb282">282</a>]</span>kon verleenen, en aan den zonnekant voor de hitte gesloten kon worden, waardoor er -steeds eene heerlijke frischheid heerschte, die nog bevorderd werd door de aangename -schaduw der boomen, die de geheele pandoppo als in een loofkring omsloten hielden -en het schelle licht der keerkringen liefelijk temperde. Daar zat Willem Verstork -gedurende de uren, die hij niet op zijn kantoor doorbracht; daar zat hij des ochtends -bij zonsopgang zijn eerste kop koffie te slurpen; daar ontbeet hij; daar dineerde -hij; daar zat hij zijne dagbladen, zijne tijdschriften te genieten, terwijl hij des -namiddags zijn kopje thee dronk; daar zat hij veelal des avonds te mijmeren, en zich -soms af te vragen, of het wel goed was, dat de mensch in zoo eene eenzaamheid alleen -bleef? -</p> -<p>Ja, die pandoppo was steeds gezellig; maar was het vooral in dezen stond, nu de gastheer -zich door goede vrienden rondom den disch omringd zag! En die disch bracht het zijne -aan het gezellige van het samenzijn bij. Daarop stonden toch dampende schotels rijst, -hagelwit en droog van korrel in de „koekoesan”<a class="noteRef" id="xd30e6559src" href="#xd30e6559">1</a> gekookt; daarop stonden toch schalen en schoteltjes met alle mogelijke kerri’s, sajoran’s, -sambalan’s, atjaran’s<a class="noteRef" id="xd30e6563src" href="#xd30e6563">2</a> als: kerri ikan,<a class="noteRef" id="xd30e6569src" href="#xd30e6569">3</a> piendang ajam, piendang klowek,<a class="noteRef" id="xd30e6574src" href="#xd30e6574">4</a> rawoen daging, sajor loddeh, sajor gado gado,<a class="noteRef" id="xd30e6578src" href="#xd30e6578">5</a> sambal oelak, sambal goreng oedang, sambal telor, sambal ikan mejrah, sambal petèh, -sambal badjak,<a class="noteRef" id="xd30e6583src" href="#xd30e6583">6</a> atjar bawang, atjar lombok, atjar tjampoer-adoek,<a class="noteRef" id="xd30e6589src" href="#xd30e6589">7</a> <span class="pageNum" id="pb283">[<a href="#pb283">283</a>]</span>enz. enz. En dan die vleesch- en vischschotels met dendeng ragi, met dendeng minjangan,<a class="noteRef" id="xd30e6595src" href="#xd30e6595">8</a> met sasateh, met besengeh, met petjiel,<a class="noteRef" id="xd30e6599src" href="#xd30e6599">9</a> met ajam goreng, met ajam pangang,<a class="noteRef" id="xd30e6603src" href="#xd30e6603">10</a> met ikan goerami, met ikan bandeng assep,<a class="noteRef" id="xd30e6608src" href="#xd30e6608">11</a> met telor troeboek, met kroepoek oedang,<a class="noteRef" id="n283.6src" href="#n283.6">12</a> enz. enz. Alle die lekkernijen en nog zooveel meer waren bij eene volledige rijsttafel -onontbeerlijk, en brachten het hare er toe bij, om ze heerlijk te doen smaken. Maar, -wat vooral de aandacht der Lucullussen bij het binnenkomen der pandoppo getrokken -had, en hen bij voorbaat begeerig had doen smekken, was een speen varkentje, dat geheel -gebraden, op zijne vier pootjes staande, met eene citroen in den snuit, op een grooten -schotel, in het midden van den disch stond te prijken. Dat was een product van de -jacht, een biggetje, hetwelk als een der eerste slachtoffers onder de kogels der blanken -gevallen was, en door een <span class="pageNum" id="pb284">[<a href="#pb284">284</a>]</span>van Verstork’s bedienden dadelijk naar huis gebracht was, om de hoofdrol op den jagersdisch -te vervullen. -</p> -<p>Ieder der gasten weerde zich goed. -</p> -<p>Maar … de arbeid der maaltanden en de genietingen van het verhemelte der smulbroers -lieten noch de tongen met rust, noch het spraakvermogen indommelen. Het gekout aan -dien disch was dan ook levendig, en de lezer zal moeten erkennen, dat daartoe wel -redenen voorhanden waren. -</p> -<p>„Die duivelsche Muizenkop,” zei Theodoor Grenits, „zou mij bijna uit mijn humeur gebracht -hebben!” -</p> -<p>„Kom, laat dien vent buiten bespreking,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Zijn naam alleen beneemt je den eetlust.” -</p> -<p>„Drommels! wat smaakt zoo’n schijf van dien „anak-tjelleng” (varkenstelg) lekker!” -zei August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden. -</p> -<p>„Zeer lekker!” beaamde Van Rheijn. „Maar, hoeveel varkens zouden wij wel neêrgelegd -hebben?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet,” antwoordde Verstork. -</p> -<p>„Toch zullen wij dat moeten weten, om te kunnen beoordeelen, of onze jacht het beoogde -doel bereikt heeft,” meende Van Beneden. „Hoe dat te vernemen?” -</p> -<p>„Niet ongeduldig zijn, August,” maande Verstork. -</p> -<p>„Ja, ik ben heet gebakerd, Willem. Dat weet ge. Maar, hoe dat te weten te komen? ik -heb nog al ettelijke lijken zien liggen.” -</p> -<p>„De wedono zal ons dat straks wel komen rapporteeren.” -</p> -<p>„De wedono?.… Wat bliksem! waar is die gebleven?” -</p> -<p>„Wel, dien heb ik opgedragen, om met de beide loerah’s den Djoerang Pringapoes te -onderzoeken. Hij zal ons wel den uitslag van onze jacht komen mededeelen.” -</p> -<p>Het woord was nog niet op de lippen van den controleur bestorven, toen een der oppassers -de komst van het <span class="corr" id="xd30e6647" title="Bron: districtshooofd">districtshoofd</span> aankondigde. -</p> -<p>„Kassi massokh!” (laat binnen komen), klonk het bevel. -</p> -<p>„Welnu, wedono,” sprak Verstork met een glimlach. „Gij komt onze rijsttafel deelen? -Dat vind ik goed van u.” Het Javaansche hoofd maakte een gebaar van schrik. Hij deed -een pas achterwaarts. Het gezicht van het gebraden biggetje op de tafel boezemde hem -ontzetting in. <span class="pageNum" id="pb285">[<a href="#pb285">285</a>]</span>Ware de rechtzinnige Mohammedaan Roomsch geweest, dan had hij waarachtig een kruis -geslagen! Nu prevelde hij schuchter: -</p> -<p>„Ampon, Kandjeng toean!<span id="xd30e6657"></span> Gij weet, dat wij Javanen geen varkensvleesch eten.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Maar gij kunt andere spijzen gebruiken, wedono. Daar staat rundvleesch, kip, eend, -visch, al wat gij maar wilt.” -</p> -<p>„Ik dank u, Kandjeng toean; maar die anak-tjelleng is in dezelfde keuken klaar gemaakt<a class="noteRef" id="xd30e6664src" href="#xd30e6664">13</a>, als die andere spijzen. En<span class="corr" id="xd30e6671" title="Bron: ,">, </span>gij weet, dat verbiedt onze godsdienst.” -</p> -<p>„Het spijt mij, wedono.” -</p> -<p>„Maar, ik kwam, Kandjeng toean, om u rapport te brengen over de jacht.” -</p> -<p>„Welnu, wedono?” -</p> -<p>„Er zijn zevenentwintig tjellengs, groote en kleine geschoten. De Chineezen van Kaligaweh -en Banjoe Pahit hebben de gevallenen van de bevolking opgekocht, en zijn bezig met -het vervoer.” -</p> -<p>„Die Chineezen zijn ware smulpapen, wedono.” -</p> -<p>„Saja, Kandjeng toean,” antwoordde het districtshoofd, met een ietwat gedwongen glimlach. -</p> -<p>„Dat is een mooi getal, wedono,” merkte Van Rheijn op. „Zou de bende uitgeroeid zijn?” -</p> -<p>„Nagenoeg,” antwoordde de wedono. „Een groot gedeelte der bevolking heeft de overblijvenden -nagezet en nog menig dier afgemaakt. Het overschot heeft eene toevlucht in het hooge -gebergte, hetwelk het district begrenst, gezocht; zoodat wij geen noemenswaardigen -last meer van die verwoestende dieren zullen hebben.” -</p> -<p>„Welnu, vrienden!” riep Verstork opgetogen uit, „dan is onze jacht volkomen gelukt! -een glas daarop!” -</p> -<p>Allen sprongen op met opgeheven wijnglas. Van Rheijn <span class="pageNum" id="pb286">[<a href="#pb286">286</a>]</span>stopte den wedono fluks een glas bier in de hand, en met een vroolijk „hiep, hiep -hoerah!” werd een dronk gewijd aan de bevolking van het district Banjoe Pahit, welke -van die lastige gasten verlost was. -</p> -<p>„Heeft de Kandjeng toean, mij nog iets te bevelen?” vroeg de wedono. „Anders wenschte -ik wel mij te verwijderen.” -</p> -<p>„Ja, wedono; vooraan in den Djoerang Pringapoes is een zeer groote „tjelleng laki-laki” -(beer) gevallen. Het is er een met zeer lange slagtanden. Diens hoofd wenschte ik -wel te hebben.” -</p> -<p>„Drommels, ja!” riep Van Beneden uit. „<i lang="fr">Une hure de sanglier à la sauce piquante</i> zou lekker zijn!” -</p> -<p>„Sjt, August!” zei Verstork; en zich verder tot den wedono wendende: „En dan draag -ik u op, wedono, om dadelijk het onderzoek in die zaak van Dalima te beginnen.” -</p> -<p>„Saja, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Kom straks bij mij, ik heb u daarover nog te spreken.” -</p> -<p>„Saja, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Straks!” riep Van Beneden uit. „Straks?.… Niet waar vrienden: -</p> -<div class="lgouter"> -<p class="line">Wij gaan nog niet naar huis, nog lang niet! nog lang niet!”</p> -</div> -<p class="first">Het geheele gezelschap stemde met dien echt vaderlandschen deun in. Toen het ietwat -bedaarde, vervolgde Verstork: -</p> -<p>„Dienst gaat voor alles, vrienden! Straks als gij een dutje gaat doen, en daarna zult -gaan baden, zal ik het onderzoek met den wedono voortzetten. Ik vertrek heden avond -nog met ulieden naar Santjoemeh; want morgen ochtend wensch ik den resident al heel -vroeg te spreken.… Hebt gij mij verstaan, wedono?” -</p> -<p>„Saja, Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Welnu, laat ik u niet weerhouden.” -</p> -<p>Met een sierlijke buiging nam het districtshoofd afscheid. -</p> -<p>Het maal had zijn voortgang. Maar het aanroeren van de Dalima-zaak had de feestvreugde -der jagers wel getemperd. De herinnering aan het gebeurde had iets kils teweeg gebracht, -dat iedere vroolijkheid als het ware verstijfde. -<span class="pageNum" id="pb287">[<a href="#pb287">287</a>]</span></p> -<p>„Die arme Dalima!” zei Grashuis met een grooten eendenbout tusschen de vingeren, na -een oogenblik van stilte. „Zou zij opium gesmokkeld hebben?” -</p> -<p>„Loop heen!” antwoordde Van Beneden. „Ziet die lieve meid er als eene smokkelaarster -uit?” -</p> -<p>„August, een rechtsgeleerde mag zich niet door het uiterlijke laten leiden,” zei Van -Rheijn glimlachend. „Nietwaar Karel?” -</p> -<p>Van Nerekool was niet dadelijk met zijn antwoord gereed. Hij was bezig eene heerlijke -moot goerami van de graten te ontdoen. Na eene oogenblik van bedenking, antwoordde -hij evenwel: -</p> -<p>„Zeker niet; maar toch ben ik overtuigd, dat het meisje onschuldig is.” -</p> -<p>„Ja, de baboe van Nonna Anna! Zou dat anders kunnen, Karel!” -</p> -<p>„Wat het gekste is, is, dat de opium gevonden werd!” merkte Van Rheijn op. -</p> -<p>„Gelooft gij daaraan?” vroeg er een. -</p> -<p>„Maar de getuigenis van Muizenkop?” -</p> -<p>„Van dien ellendeling?.…” -</p> -<p>„De zaak is ernstig genoeg!” sprak Willem Verstork. -</p> -<p>„Er bestaat nog maar eene hoop,” zei Grashuis, „die is, dat nonna Anna invloed genoeg -op haren vader zal hebben, om de zaak gesust te krijgen.” -</p> -<p>Een bittere glimlach ontsierde Van Nerekool’s gelaat. Hij zei evenwel niets. -</p> -<p>„Als Lim Ho, de zoon van den opiumpachter, maar niet in de zaak betrokken was,” sprak -Verstork, „dan zou die hoop eenigen grond hebben, dan zou er een mouw aan te passen -zijn, nu evenwel …” -</p> -<p>„Zoudt gij dan kunnen denken, Willem,” viel Van Beneden hem in de rede, „dat de rechterlijke -macht.…” -</p> -<p>„Jonge vriend,” sprak Verstork, „waarde August! Een hoog geplaatst rechtsgeleerde -hier in <span class="corr" id="xd30e6730" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> heeft ergens gezegd: „de opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal -ontmoet men haren stempel. Helaas! ook bij de justitie!”<a class="noteRef" id="xd30e6733src" href="#xd30e6733">14</a> Nietwaar, Karel?” -<span class="pageNum" id="pb288">[<a href="#pb288">288</a>]</span></p> -<p>Deze knikte bevestigend. -</p> -<p>„Dat alles is treurig, zeer treurig,” zei Van Rheijn vergoelijkend. „Maar het ergste -is het opium-verbruik, dat de opiumpacht, noodzakelijk maakt.” -</p> -<p>„Loop heen,” antwoordde Grenits gramstorig. -</p> -<p>„Maar, Theodoor!.…” -</p> -<p>„Maar, Eduard!.…” -</p> -<p>„Als er geen opium-verbruik bestond, was geen opiumpacht mogelijk. Dat moet ge toch -toegeven?” -</p> -<p>„Dat klinkt zeer fraai. Maar, als ik eens daar <span class="corr" id="xd30e6751" title="Bron: tegen overstelde">tegenoverstelde</span>, dat wanneer geen opiumpacht bestaan had, nooit het opium-verbruik zoo’n vlucht genomen -zou hebben. Dat klinkt minder fraai, maar is gemakkelijker aan te toonen.” -</p> -<p>„Jawel, dat hebben we gisteren avond gehoord. Maar het bewijs daarvan, dat is achterwege -gebleven.” -</p> -<p>„En de geschiedenis dan?” -</p> -<p>„Jawel, de geschiedenis! Die is niets meer of minder dan de persoonlijke uiting van -den geschiedschrijver. De eene beweert, dat de blanken de opium in het land gebracht -hebben, anderen beweren weer anders.” -</p> -<p>„Maar gij zult toch wel den Raad van Indië niet verdenken, hoop ik, Eduard?” -</p> -<p>„En wat zei die Raad van Indië dan, Theodoor?” -</p> -<p>„Als ik mij wel herinner<a class="noteRef" id="xd30e6762src" href="#xd30e6762">15</a>, niets meer en minder, <span class="pageNum" id="pb289">[<a href="#pb289">289</a>]</span>dan dat de opiumpacht steeds als middel van inkomst de belangstelling der Regeering -heeft gaande gehouden, en ieder middel, dat tot hoogere opbrengst van die pacht voeren -kan, gretig werd ter hand genomen.” -</p> -<p>„Ja, maar, is dat alles waar? -</p> -<p>„Ik hoop toch, dat gij mij gelooft, Eduard?” -</p> -<p>„Dat uwe aanhaling nauwkeurig is, zeker! Maar was de Raad goed ingelicht, toen hij -dat advies ter neer stelde?” -</p> -<p>„Als gij zoo doorgaat, dan is op niets meer te vertrouwen. Die menschen worden betaald -en grof betaald om op de hoogte te zijn. Maar, behalve dat advies, wat gij wantrouwt, -waarborgt u de voortdurende stijging van de opbrengst der opiumpacht voldoende, dat -het advies van den Raad vertrouwbaar is. Ieder jaar wordt op de begrooting eene hoogere -som geraamd.…” -</p> -<p>„Maar raming is nog geene opbrengst, Theodoor.” -</p> -<p>„Neen, maar bij het onderhavige middel wel. Hel en duivel worden losgelaten, om het -cijfer te bereiken, dat door den minister gesteld is, en de minst kiesche middelen, -ja, zelfs misdadige worden gebezigd, om dat te overtreffen. Hoeveel Nederlandsche -Leeuwen zijn niet uitgereikt, omdat de opiumpacht in deze of gene residentie veel -meer opbracht dan geraamd was! O! wat prijkt dat „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” keurig op zoo’n borst!” -</p> -<p>„Maar,” vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „is het opiumverbruik wel zoo verderfelijk voor het lichaam, als beweerd -wordt? Gisteren avond zagen wij, dat het voor het zedelijke leven niet aanprijzenswaardig -is. Maar voor het lichaam? Men spreekt nog wel eens van vergiftiging, zelfs is die -beschuldiging gisteren avond ingebracht. Mij dunkt, dat die lieden bij die vergiftiging -oud kunnen worden, even als bij het gebruik van een of meer bittertjes.” -</p> -<p>„Luistert,” sprak Verstork hoogst ernstig. „Wij zitten hier als degelijke vertrouwbare -mannen te zamen. Ik kan dus mijn gemoed laten spreken. Ik kan dus zonder <span class="pageNum" id="pb290">[<a href="#pb290">290</a>]</span>achterdocht u een <span class="corr" id="xd30e6799" title="Bron: bilk">blik</span> gunnen in de rijke ervaring door mij op dat gebied opgedaan.<a class="noteRef" id="xd30e6802src" href="#xd30e6802">16</a> -</p> -<p>„Ziet hier, wat ik opgemerkt heb: -</p> -<p>„De uitwerking van het langdurig opiumgebruik op het lichaam is overal een eigenaardig -bederf van het bloed en van al de vochten, en verstoppingen in de vaten en wegen, -waaruit op den duur ontstaat een slepende en verwoestende, doorgaans ongeneeslijke -dysenterie of aamborstigheid, met de erbarmelijkste symptomen en onlijdelijke smarten -vergezeld. Daarbij toenemende ongevoeligheid voor alle medicijnen, behalve de verdoovende -in grootere giften,—tenzij met deze te zamen. Die toestand dringt tot het palliatief -van steeds vermeerderde nuttiging van het gif, zonder welke hij voor den lijder gansch -ondragelijk wordt, tot welk ondragelijk lijden hij evenwel veroordeeld is, zoolang -hij niet van den eenen roes in den anderen kan overgaan. En juist door de zoo lang -volgehouden verkwisting is dit den meesten lijders op verre na niet mogelijk. Waar -nog goede en versterkende voeding plaats heeft, kunnen die kwalen lang uitblijven; -en menigeen is er op die wijze zijn leven lang van bevrijd, ten minste van de hoogere -graden, hoewel dan toch denkelijk meestal door het steeds toenemend gebruik van het -verdoovend middel. Toch ziet men ook bij dezulken vaak een anders licht verloopend -toeval door het voorhanden bloed- en vochtbederf, z. a. een eenvoudige wond, een bloedvin -en dergelijke, een kwaadaardige hoedanigheid aannemen, <span class="pageNum" id="pb291">[<a href="#pb291">291</a>]</span>en tot een doodelijken afloop komen. En wie zal er uitspraak over doen, hoeveel andere -kwalen, die van kachexie afhangen, en die zich in dit land zoo menigvuldig vertoonen, -door ’t opiumgebruik veroorzaakt of bevorderd worden? -</p> -<p>„Waar nog goede en versterkende voeding plaats heeft, zeide ik. Wij weten echter al -te goed,—en de Regeering ook,—dat niet dan zeer weinigen op de massa der Inlanders -in dat voorrecht op den duur zich verheugen kunnen. Het is genoegzaam bekend, hoe -schraal over ’t algemeen de voeding van den Javaan is, zelfs van de tamelijk gegoeden, -en dat hij, ook waar de middelen niet ontbreken, doorgaans zeer weinig werk maakt -van wat wezenlijk spierkracht bijzet. Doch die voeding, hoe veel of hoe weinig deugdelijks -die bevat, moet zij niet bij verre de meesten al minder en minder worden, waar een -belangrijk, en steeds belangrijker deel van het inkomen aan opium verspild wordt, -zoodat juist door het genot de eenige voorwaarde, om er zich eenigszins wel bij te -bevinden, al meer en meer onmogelijk wordt? -</p> -<p>„Maar,—zoo kan mij tegengeworpen worden,—bij dezulken is het gebruik dan ook wegens -hun onvermogen tot een geringe hoeveelheid beperkt, en zij ondervinden er te minder -nadeel van. Niet bij allen is dit het geval. Daar zijn er, en niet weinigen, die tijdens -hunne welgesteldheid zich reeds aan een ruimer gebruik hadden gewend, en na hun bezittingen -in bedwelmenden rook te hebben doen verdwijnen, tot vermindering of gedwongen onthouding -zijn moeten komen, en de ellende daarvan ruimschoots hun deel kunnen noemen. En de -ondervinding bewijst overtuigend, dat ook zeer velen, die op den duur niet meer dan -eene kleine hoeveelheid daags verbruiken, op den leeftijd van veertig jaar of daarboven -reeds in erge mate aan de bovengenoemde kwalen laboreerden, meest aan dysenterie. -Ik zelf heb te Berbek, te <span class="corr" id="xd30e6824" title="Bron: Trengalek">Trenggalek</span>, te Santjoemeh, te Banjoe Pahit en elders een groot aantal van zulke lijders met -geneesmiddelen geholpen, en had dus gelegenheid te over, om mij omtrent alle bizonderheden -te vergewissen. -</p> -<p>„Stelt men daar nu tegenover degenen bij ons, die een, twee of drie bittertjes daags -drinken, dan valt het ten duidelijkste in het oog, hoeveel verderfelijker de <span class="pageNum" id="pb292">[<a href="#pb292">292</a>]</span>opium werkt dan de sterke drank. De eerste toch is veel meer bedwelmend en bovendien -verdoovend, en daardoor ook spoedig den eetlust verminderend, zoodat vaak zelfs bij -’t voorhanden-zijn van de beste voeding, deze weinig kan uitwerken. Sterke schuivers -verklaarden mij meermalen, dat ze, tengevolge van hun gewoonte, bij elken maaltijd -niet meer dan eenige greepjes rijst konden nuttigen, terwijl, wanneer ze met behulp -van een middel, dat ik hun aan de hand deed, hun opiumverbruik aanmerkelijk verminderd -hadden, ze wel tienmaal zooveel spijzen konden tot zich nemen. Dàn de veel grootere -verleidelijkheid van de opium door het aangename gevoel, dat zij in het lichaam veroorzaakt, -en <span class="corr" id="xd30e6831" title="Bron: waarmêe">waarmeê</span> zij ook den geest tot wellustige droomen voert, en door het wegnemen van alle gevoel -van aanwezige kwalen en pijnen, terwijl zij in veel grootere mate de geestkracht (reeds -zoo gering bij dit half uitgedoofde volk!) vermindert door de telkens herhaalde verdooving, -waardoor de patiënt te zekerder in de kluisters van den hartstocht gevangen blijft, -ook al staat hij nog maar gelijk met onzen gewonen, matigen jeneverdrinker. -</p> -<p>„Zijn we alzoo ongemerkt gekomen tot de uitwerking op geest en gemoed, dan moeten -hier vooral vermeld worden de zelfzucht en eigenwaan, die bij den opiumrooker in ontzettende -mate toenemen; de steeds meer lethale onverschilligheid omtrent zijn geheele omgeving, -tot eigen vrouw en kinderen toe; de volslagen indolentie en de afkeer van allen arbeid, -van alle zorg en bemoeienis, waardoor hij ten laatste nacht en dag aan niets anders -denkt dan aan de boeting van zijn hoofd- en al zijn nevenlusten, waar alles rondom -hem aan moet ten dienste staan. Een jeneverdrinker vergt voor zijn genot geen anderen -dienst, dan dat soms de een of andere wordt uitgezonden om den drank voor hem te halen; -maar voor den schuiver, die zich nog de weelde van bediening kan vergunnen, moet alles -in het touw: de een om voor zijn duren lust de middelen te verschaffen, de ander om -zijn opium te gaan koopen, een derde om zijn pijpjes te stoppen, een vierde om zijn -koffie en andere versnaperingen te bereiden. Is zijn roes zelf ook vrij wat bedaarder -en stiller dan van hem, die dronken is van sterken drank, wanneer daarna zijn kwalen -en smarten zich weêr laten <span class="pageNum" id="pb293">[<a href="#pb293">293</a>]</span>voelen, en men hem niet aanstonds naar zijn lust ter wille is, dan vervult hij huis -en hof met kermen, en klagen, schelden en verwijten, waarmeê allen het hart uit de -keel wordt gehaald! -</p> -<p>„Voeg hierbij de verzwakking van lichaam en verstomping van geest, die de aan opium -verslaafde ook als erfenis aan zijn nageslacht mededeelt, terwijl meerderen hunner -reeds op middelbaren leeftijd onvermogend zijn tot geslachtsvoortplanting. Wat zal -alzoo van de tweede of derde generatie na de tegenwoordige te verwachten zijn?! -</p> -<p>„En nu de verarming,” dus ging Willem Verstork na eene kleine verademing voort: „Hoe -ontzettend veel welvaart is reeds en wordt nog altijd door dat ziel en lichaam verdervend -gif verslonden! Al heel spoedig, bij lagere standen, is een schuiver—nog een matige!—zoover, -dat dagelijks zijn geheele verdienste aan opium opgaat. Het verlangen naar aangenaam -prikkelende en opwekkende lekkernijen, dat den roes vergezelt, doet daar ook nog het -zijne aan toe. Ze zijn legio, de huisgezinnen, waar de vrouw den kost voor allen moet -winnen, soms nog bijgestaan door één of twee harer kinderen; en waar nu de vrouw zwak -of ziekelijk is, of door krankheid of kraambed geheel buiten staat is te werken, daar -is weldra de ellende niet te overzien. En inderdaad, dat is veel, zeer veel algemeener -dan in Europa door den sterken drank. -</p> -<p>„Al die lichaamskrachten en zielsvermogens, en al die welvaart, die nu door de opium -worden verteerd, moesten ten goede komen aan landbouw en nijverheid. Wanneer die allen -daarvoor besteed werden, hoeveel grooter zouden de welvaart en het vertier zijn! En -zou niet ook de rijksschatkist daaruit veel meer ontvangen,—en zonder vloek er op!—dan -de opiumpacht haar kan opbrengen? Aan millioenen Inlanders ontbreken de middelen, -de geestkracht en de lust om hun velden en tuinen met zorg te bearbeiden of te leeren -bewerken, of om in handwerk vorderingen te maken of het voor kwijning te behoeden; -omdat ze nu eenmaal dat alles aan opium verpand hebben en blijven offeren. En zijn -niet landbouw en nijverheid de hartader van den Staat? En de Staat zelf helpt met -allen ijver om die hartader te verstoppen, en alzoo zich zelf ten ondergang te brengen!” -</p> -<p>Willem Verstork zweeg hier een poos. Na zoo lange <span class="pageNum" id="pb294">[<a href="#pb294">294</a>]</span>tirade had hij behoefte zijne spreek-organen met een teug kristalhelder bier te laven. -Alle aanwezenden zaten evenwel zwijgend daar, af te wachten wat nog volgen zou. Onmiskenbaar -maakte het gesprokene grooten indruk op hen<span class="corr" id="xd30e6846" title="Bron: .">,</span> want het was de eenvoudige onopgesmukte taal der eerlijke ervaring, die daar klonk, -en hoe jeugdig en hoe wuft enkelen van die mannen ook waren, die taal maakte hunne -belangstelling gaande, en vond ingang tot hun hart. Eindelijk vervolgde de controleur, -na nog eens adem gehaald te hebben, aldus: -</p> -<p>„Gijlieden weet, dat ik mijn loopbaan niet geheel en al te Santjoemeh doorgebracht -heb. Als aspirant-controleur was ik op de hoofdplaats van de residentie Kediri, als -controleur tweede klasse was ik te Berbek en te Trenggalek. Ik kan dus met kennis -van zaken ook omtrent die residentie spreken. Luistert: -</p> -<p>„Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen<a class="noteRef" id="xd30e6852src" href="#xd30e6852">17</a>; meerendeels zijn de menschen arm. -</p> -<p>„De opium-pacht per jaar bedraagt 18 ton; voegt men daarbij de betaling van de verstrekte -opium, en de administratiekosten en de winst van den pachter, dan mag het cijfer van -2½ millioen gerust worden aangenomen als het bedrag, dat die arme bevolking jaarlijks -vrijwillig betaalt, om dagelijks eenige uren het genot te hebben, haar leed en treurig -bestaan te vergeten. Hierbij is nog niet gevoegd het rendement der onwettige opium; -dit is niet bekend, en een ieder kieze zich dus dit cijfer. -</p> -<p>„Hoe het mogelijk is, dat een arm volk zooveel kan opbrengen, behalve nog cultuur- -en heerendiensten, winst op het zout, landrente, bedrijfsbelasting, invoerrechten, -enz., is mij onbegrijpelijk. Doch men moet ook zien, hoe zoo’n Javaansch gezin leeft. -</p> -<p>„Hun huis is gewoonlijk klein, van bamboe, en met stroo gedekt. Huisraad vindt men -er niet; een mat, uitgespreid op een bank van bamboe, en een klein kussen van kapok, -dienen om op te slapen. Gekookt wordt er op den grond, in grove aarden potten en pannen, -gegeten <span class="pageNum" id="pb295">[<a href="#pb295">295</a>]</span>wordt er met de handen uit pisangbladeren, gedronken uit een aarden kruik; de kleederen -worden zelden of nooit gewasschen, en gedragen tot ze als lompen van het lijf vallen; -de kinderen loopen naakt, en groeien met de karbouwen in de modder op. ’s Morgens -om 5 uur staat men op, en gaat naar het werk, om tegen 6 uur present te zijn, ’t zij -in de rijstvelden, ’t zij in heerendienst aan de wegen, in de koffietuinen, rietvelden, -enz. Hij, die eens een dag vrij heeft, gaat werken bij particulieren op een dagloon -van 40 à 50 cents, waarvoor hij 10 uur moet arbeiden. ’s Avonds te huis gekomen, wordt -er wat gegeten, en de helft van het dagloon aan opium verbruikt; om 8 uur is een ieder -al in diepe rust. De verlichting tot 8 uur bestaat uit een aarden schoteltje, waarin -wat stinkende olie en een katoenen pitje. -</p> -<p>„Ziedaar het tafereel van het dagelijksch leven van den Javaan-opiumschuiver. Niets, -niets hoegenaamd, wat eenige afleiding kan geven aan den dagelijkschen sleur, altijd -maar werken, en den meesten tijd voor te weinig loon of gedwongen, voor niets. En -dan nog zooals gewoonlijk achter den rug uitgescholden te worden voor lui, is het -niet wat te erg! Zegt, zouden de Nederlanders nog wat medegevoel bezitten voor hunnen -medemensch? Zegt, zoude het niet hoog tijd worden, dat eindelijk eens een einde kwam -aan al dien gedwongen onbetaalden arbeid, en dat die opium verbannen werd uit de nabijheid -van den Javaan? Daartoe moest ieder Nederlander naar zijn vermogen medewerken; want -ieder Nederlander is solidair aansprakelijk voor dien afschuwelijken toestand. Ieder -Nederlander heeft zich te schamen, zoolang de al te gewillige Javaan op zoodanige -brutale wijze zal geëxploiteerd blijven. -</p> -<p>„Alles, wat de Javaan verdient met zijn landbouw en in zijn weinigen vrijen tijd, -moet onder den een of anderen vorm geofferd worden aan den moloch, genaamd ’s lands -kas. Voor hem blijft alleen over rijst, en nog niet genoeg voor het geheele jaar …” -</p> -<p>„Daarom,” ging Grenits met klem voort, toen de controleur zweeg, „zoekt hij troost -en vergetelheid in het gebruik van opium, evenals in Nederland onder dergelijke ellende -het volk naar de flesch grijpt. Evenzoo wentelen zij in een vicieusen cirkel; ellende -doet hunkeren naar opium en jenever, en opium en jenever kweeken <span class="pageNum" id="pb296">[<a href="#pb296">296</a>]</span>ellende; er behoort wilskracht toe, om terug te komen van het gebruik van opium en -jenever, en juist die opium en jenever verlammen de wilskracht. -</p> -<p>„Daarom moet van het initiatief van het gezonken volk geene verbetering verwacht worden, -de kwaal grijpt steeds met grooter afmetingen om zich heen; doch de Overheid moet -die arme schepsels met krachtige hand uit dien poel van jammer scheuren, al schreeuwen -zij het uit van de pijn, en al moet de krachtsinspanning bovenmate groot zijn. Ieder -welgeaard burger sta de Regeering naar vermogen bij in die moeielijke taak, en een -ieder, die uit baatzucht dwarsboomt, worde onschadelijk gemaakt. Zoo Nederland en -Nederlandsch-Indië niet kunnen bestaan, of liever gezegd hunne huishouding dekken, -<span class="corr" id="xd30e6876" title="Bron: zon-">zonder</span> revenuën uit zulke immoreele bronnen, als opiumverbruik, jeneververbruik en gedwongen -onbetaalde arbeid, dan ware het voor de eer van het land beter, om te doen, zooals -die huisvader, die geen huishouding meer kunnende bekostigen uit eerlijk verkregen -middelen, als commensaal bij een ander ging inwonen.” -</p> -<p>Allen zaten een oogenblik bewegingloos. Allen gevoelden, dat daar de waarheid, de -volle waarheid weerklonken had, hoewel Theodoor’s laatste gevolgtrekking hunne Nederlandsche -harten pijnlijk aandeed. -</p> -<p>Eindelijk sprong Van Beneden op, en vloog naar Verstork toe, greep zijne hand en drukte -die hartelijk. -</p> -<p>„Ik dank u,” zei hij met bewogen stem, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>voor het inzicht, dat gij mij in de zoo noodlottige werking van de opium verleend -hebt. Ik ben nog slechts jong rechtsgeleerde, en heb nog geen gelegenheid gehad om -in eene opiumzaak als pleitbezorger op te treden. Wel had ik veel gelezen over de -opiumpacht, over het opiumverbruik, wèl vernam ik veel, zeer veel gisteren avond bij -ons samenkomst onder den <span class="corr" id="xd30e6886" title="Bron: Wariengien-boom">Wariengienboom</span> op de aloon aloon te Kaligaweh; maar gij, gij met uwe kalme, maar toch bezielende -taal hebt mijn geweten wakker geschud. In uw aller tegenwoordigheid beloof ik plechtig, -dat ik van de ons medegedeelde ervaring bij iedere gelegenheid gebruik zal maken!” -</p> -<p>„Hoerah!” riep Leendert Grashuis. „Willem, zoo zal uwe verdienstelijke oratie een -daadwerkelijk en.… een dadelijk nut hebben. Ja, een dadelijk!… Vrienden, ik heb een -voorstel te doen.…” -<span class="pageNum" id="pb297">[<a href="#pb297">297</a>]</span></p> -<p>„Laat hooren!” riepen allen. -</p> -<p>„Wij waren gisteren bijna getuigen van de amokhpartij, die te Kaligaweh plaats had. -Heden ochtend faalden maar weinige minuten, of onze oogen hadden de snoodste misdaad -te aanschouwen gekregen. Ik wil niet ontleden, wat in ons aller hart omging bij die -twee tafereelen, waarbij de vader tot moordenaar gemaakt en de dochter onteerd werd; -maar beide gebeurtenissen staan in innig verband met de opiumpacht. Wij hebben zoo -even de betuiging van onzen meester in de rechten vernomen. Uit uw aller naam zeg -ik hem dank voor zoo edele gevoelens! Kom, vrienden, laten wij in edelmoedigheid niet -bij hem achterstaan! Dalima en haar vader Setrosmito hebben eenen verdediger noodig -bij het geding, dat gevoerd zal worden. Welnu, de verdediger is gevonden. Beide beschuldigden -zullen in onzen August een man vinden, die hunne belangen met warmte zal ter harte -nemen. Ik meen reeds onzen rhetor in zijne maidenspeech bij de verdediging van …? -te hooren! Dat zal subliem zijn.…..<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Ik dank je Leendert,” sprak Van Beneden niet zonder aandoening. „De vrienden zullen -geen te hooge opvatting omtrent mijne bereidwilligheid tot het verleenen van hulp -gemaakt hebben; dat verzeker ik hen!” -</p> -<p>„Ja, maar,” ging Grashuis voort. „Wij willen ons deel aan dat goede werk hebben; nietwaar?” -</p> -<p>„Ja! ja!” riepen allen. -</p> -<p>„Luistert, en daarin bestaat mijn voorstel. Er kan hier geen sprake zijn van het toewijzen -van eenig honorarium aan onzen <span class="corr" id="xd30e6902" title="Bron: advokaat">advocaat</span>. Dat zou hem de verdiensten van zijn liefdadig werk ontnemen. Maar bij zoo’n proces -komen onkosten voor, moeten voorschotten gedaan worden. Gij allen weet, vrouwe Justitia -is in Indië een dure, zeer dure deern! Welnu, laten wij de handen in elkander slaan, -en August voor al te maken onkosten en te betalen voorschotten borg blijven, dan kunnen -die twee gedingen met alle klem gevoerd worden!” -</p> -<p>„Hoerah! hoerah!” riepen allen onstuimig. „Dat is afgesproken! August! aan den gang!” -</p> -<p>„Nu dat geregeld en prachtig geregeld is,” hervatte Grenits, „wenschte ik onzen gastheer -eene vraag te doen.” -</p> -<p>„Spreek Theodoor,” zei Willem Verstork. -<span class="pageNum" id="pb298">[<a href="#pb298">298</a>]</span></p> -<p>„Ik ben handelaar, en als zoodanig nieuwsgierig als een neusaap.<a class="noteRef" id="xd30e6913src" href="#xd30e6913">18</a> In mijn vak heb ik warenkennis en dus ook scheikunde noodig.…” -</p> -<p>„Ter zake<span class="corr" id="xd30e6919" title="Bron: .">,</span> ter zake!” riepen verscheidene stemmen. „Ajakkes, wat ben je langdradig met je warenkennis!” -</p> -<p>„Nu hebt gij,” ging Theodoor onverstoorbaar voort, „in uw speech van geneesmiddelen -gesproken, die gij aangewend zoudt hebben, om ongelukkigen van het opiumverbruik te -genezen. Zijn dat geheimmiddelen?” -</p> -<p>„Ziet ge mij voor een kwakzalver aan?” vroeg de controleur lachend. -</p> -<p>„Dus geen geheimmiddelen!” vervolgde Grenits, „maar welke middelen zijn het dan?” -</p> -<p>„Het zijn pilletjes,<a class="noteRef" id="n298.2src" href="#n298.2">19</a> die mij door een zendeling aan de hand gedaan zijn. Zij bestaan uit opium en radix -rheï of rhabarberwortel, en wel in de volgende proportie: twaalf pillen bevatten drie -grein opium en twaalf grein rheum. Zij worden toegediend om de vijf dagen: den eersten -keer twaalf, den tweeden negen, en de derde maal zes. Hoogst zelden wordt die derde -dosis gevraagd, daar de patiënten dan genezen zijn.” -</p> -<p>„En.… kunt gij genezingen constateeren?” -</p> -<p>„Ja, zeker. In mijne schrijfkamer hangen bij wijze van trophée een twaalftal bedoedans, -die mij door de gebruikers gebracht zijn met de gelofte nimmermeer de opiumpijp aan -te raken. De zendeling, die mij het middel aan de hand deed, kon ruim zeventig gevallen -van genezing constateeren.” -</p> -<p>„Mag ik u een raad geven, in het belang van bedoelden zendeling en van u?” vroeg Grenits. -</p> -<p>„Ga je gang.” -<span class="pageNum" id="pb299">[<a href="#pb299">299</a>]</span></p> -<p>„Houdt dan dat pillenrecept voor u. De minister van Koloniën, die bezig is de opiumkosten -door alle mogelijke middelen zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding -van het Gouden Kalf zien. En er zijn zendelingen in hun evangelie-arbeid verhinderd, -er zijn menschen de Koloniën uitgezet en er zijn ambtenaren gepensionneerd geworden, -die veel minder gedaan hadden, dan zulke pillen aan den man gebracht!”<a class="noteRef" id="xd30e6940src" href="#xd30e6940">20</a>. -</p> -<p>Verstork verbleekte eenigszins bij die taal, waarvan hij de gegrondheid erkende. Een -oogenblik verwijlden zijn gedachten bij de dierbare wezens, die zijnen steun nog zoo -noodig hadden. Of hij zijne rondborstige taal betreurde? Wie zal dat kunnen verzekeren -of ontkennen? Hij streek de hand over het voorhoofd, alsof hij eene lastige gedachte -wilde wegvegen: -</p> -<p>„Zoo erg is het niet,” sprak hij. -</p> -<p>„Maar een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen,” lachte Theodoor. -</p> -<p>„Om het even,” vervolgde de controleur. „<i lang="fr">Fais ce que dois, advienne que pourra!</i> Ik zal er geen pil minder om uitreiken!” -</p> -<p>En de oogen over den disch latende gaan, die vrij wel geplunderd was,—allen hadden -toch na die jachtpartij grooten eetlust aan den dag gelegd,—vervolgde hij: -</p> -<p>„Ons maal is ten einde, vrienden. Gij zult na de strapatzen van gisteren en heden, -en na den korten nacht, dien wij te Kaligaweh doorgebracht hebben, naar rust verlangen. -Hier, de bedienden zullen u uwe kamers wijzen. Ik ga aan den arbeid; want zooals afgesproken -is, vertrek ik straks met ulieden naar Santjoemeh. Ik wensch u allen eene aangename -middagrust!” -</p> -<p>Weinige minuten later was de pandoppo verlaten, en tegen het avonduur joeg het vijftal -jagers spoorslags den weg naar Santjoemeh op. -<span class="pageNum" id="pb300">[<a href="#pb300">300</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e6559"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6559src">1</a></span> <i>Koekoesan</i> is een spits toeloopende kegelvormige mand van bamboevlechtwerk, waarin de rijst -in den stoom van een ketel „dandang” genaamd, gaar wordt gestoomd. <a class="fnarrow" href="#xd30e6559src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6563"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6563src">2</a></span> <i>Kerri’s, sajoran’s, sambalan’s en atjaran’s.</i> Kerri is eene soort bouillon, waarvan de „koenier” (curcuma longa) het hoofdbestanddeel -uitmaakt. Sajor is de naam voor groenten. Tot toespijs wordt een soort bouillon gekookt, -sterk spaanschgepeperd, waarin vele groentesoorten.<span id="xd30e6566"></span> Zoo’n groentesoep heet sajoran. Sambalan’s zijn ook alweer saus-bereidingen, waarin -de sambal of lombokh (spaansche peper) niet vergeten is. Atjaran’s zijn zuren. <a class="fnarrow" href="#xd30e6563src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6569"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6569src">3</a></span> <i lang="ms">Kerri ikan.</i> Is eene kerri- of koenier-bouillon, van visch gekookt. <a class="fnarrow" href="#xd30e6569src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6574"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6574src">4</a></span> <i>Piendang ajam en piendang klowek</i> zijn lichte bouillons van kip of gerookt vleesch gekookt, zonder groenten, maar met -zeer veel spaansche peper. <a class="fnarrow" href="#xd30e6574src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6578"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6578src">5</a></span> <i>Rawoen daging, sajor loddeh en sajor gado gado</i> zijn verschillende bouillons, naar hunne verschillende bestanddeelen genoemd. <a class="fnarrow" href="#xd30e6578src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6583"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6583src">6</a></span> <i>Sambal oelak, s. goreng oedang, s. telor, s. ikan mejrah, s. peteh, s. badjak.</i> S. oelak is eenvoudig spaansche peper met zout fijngewreven. <span class="pageNum" id="pb283n">[<a href="#pb283n">283</a>]</span>S. goreng oedang is sp. peper met garnalen gebraden. S. telor is sp. peper met eieren -toebereid. S. ikan mejrah is sp. peper met makassaarsche roode vischjes. S. peteh -is sp. peper met petehboonen gebraden. De petehboon is de peulvrucht van eene groote -accaciasoort, die door de geleerden Parkia speciosa geheeten wordt. S. batjak beteekent -letterlijk vertaald: zeeroovers-sambal, van wege de scherpte, die door het aanwenden -van lombokh-rawiet of l. sejtan (Capsicum baccatum) verkregen wordt. <a class="fnarrow" href="#xd30e6583src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6589"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6589src">7</a></span> <i>Atjar bawang, a. lombokh, a. tjampoer adoek</i> beteekent: zuur met uien of met sp. peper vervaardigd en gemengd zuur. <a class="fnarrow" href="#xd30e6589src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6595"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6595src">8</a></span> <i>Dendeng ragi, d. minjangan.</i> Dendeng zijn dunne lapjes vleesch, die, na met zout en met verscheidene kruiden ingewreven -te zijn, in de zon gedroogd worden. D. ragi is afkomstig van rundvleesch, d. minjangan -van hertenvleesch. <a class="fnarrow" href="#xd30e6595src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6599"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6599src">9</a></span> <i>Sasateh, besengeh en petjiel</i> zijn kleine stukjes vleesch gebraden, gepoft of geroosterd, de eerstgenoemde aan -zeer dunne stokjes geregen. <a class="fnarrow" href="#xd30e6599src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6603"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6603src">10</a></span> <i>Ajam goreng en a. pangang</i> is gebraden en gepofte kip. De laatste is een heerlijk gerecht, wanneer de kip voor -het poffen behoorlijk met kruiden ingewreven en met boter besmeerd is. <a class="fnarrow" href="#xd30e6603src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6608"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6608src">11</a></span> <i>Ikan goerami en i. bandeng <span class="corr" id="xd30e6611" title="Bron: asep">assep</span>.</i> Ikan goerami is een heerlijke zoetwatervisch door de ichtyologen Olphromeus olfax -geheeten. De andere behoort tot de Clupea en wordt Lutadeira Chanos genoemd. Assep -beteekent gerookt. <a class="fnarrow" href="#xd30e6608src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n283.6"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n283.6src">12</a></span> <i>Telor troeboek, kroepoek oedang.</i> Telor troeboek is gezouten vischkuit, afkomstig van eene groote staart-elft-soort, -die in groote menigte in de Brouwerstraat, een onderdeel van Straat Malakka, op de -oostkust van Sumatra gevangen wordt. Die elft heet Alausa macrusus. Kroepoek oedang -is een deeg van fijngewreven garnalen, dat, aan zeer dunne koeken gesneden, zeer krap -gebakken is. <a class="fnarrow" href="#n283.6src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6664"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6664src">13</a></span> <i>In dezelfde keuken klaargemaakt.</i> De schrijver heeft het in 1859 bijgewoond, dat een geheel Boegineesche kompagnie -soldaten te Martapoera (Zuid en Ooster Afdeeling van Borneo) tot een begin van verzet -kwam, omdat zij een en dezelfde keuken moest deelen met eene Europeesche kompagnie, -aan welke laatste op gezette tijden spek <span class="corr" id="xd30e6667" title="Bron: versterkt">verstrekt</span> werd. Inlandsche soldaten beweerden, dat hun eten verontreinigd werd door de aanraking -met het keukengereedschap, dat op zijn beurt met het spek in aanraking was geweest. <a class="fnarrow" href="#xd30e6664src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6733"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6733src">14</a></span> <i>De opiumpacht rust op het land als eene ware vervloeking. Overal ontmoet men haren -stempel. Helaas ook bij de justitie.</i> Zie het lijvige werk <i>Macht tegen recht</i> door Mr. <span class="sc">M. C. Piepers</span>, 1ste deel, bladz. 81 der aanteekeningen. <a class="fnarrow" href="#xd30e6733src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6762"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6762src">15</a></span> <i>Als ik mij wel herinner.</i> Het is niet te verwonderen, dat een jong koopman als Grenits de verslagen van de -zittingen van den Raad van Ned. Indië niet ongeschonden in het hoofd had. Het advies -van dat regeeringslichaam, waarop de jeugdige handelaar doelde, was in de zitting -van 21 Mei 1861 uitgebracht en luidde woordelijk: -</p> -<p class="footnote cont">„De opiumpacht heeft steeds als middel van inkomst de belangstelling van de regeering -dezer landen in hooge mate gaande gehouden, en <i>ieder middel</i>, dat leiden kon om de jaarlijksche opbrengst van deze pacht op te voeren, werd met -gretigheid aangenomen. Zelfs de latere tijd getuigt daarvan, want de in 1832 aangenomen -en sedert gevolgde wijze van opiumverpachting had ten doel om van dezen tak van inkomst -meer voordeel voor de schatkist te hebben, en het mag niet worden ontkend, dat het -gestadig toenemen van den opiumpachtschat voor de Regeering tot dusverre geene onverschillige -zaak is geweest.” -</p> -<p class="footnote cont">Hoort ge, Nederlanders? <i>Ieder middel</i>—ik cursiveerde die woorden—dat leiden kon de jaarlijksche opbrengst van deze pacht -op te voeren, werd met gretigheid aangenomen. Ieder middel! Ook de meest onzedelijke! -En laat u nu niet misleiden, dat die volzin <span class="pageNum" id="pb289n">[<a href="#pb289n">289</a>]</span>op het verledene, op 1871 zou duiden. Telken jare wordt de opbrengst van de opium -op de begrooting door uwen Min. v. Kol. twee millioen hooger geraamd, wat aan een -bevel gelijk staat, om den opiumhartstocht al hooger en hooger op te zweepen. <a class="fnarrow" href="#xd30e6762src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6802"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6802src">16</a></span> <i>De rijke ervaring door mij op dit gebied gedaan</i>, Nederlanders minder dan ooit fantaiseerde ik hier. Ik laat hier Controleur Verstork -zijne ervaring uitkramen. Och, dat er zulke controleurs te vinden waren! Maar, wiens -waarheidlievendheid ik dan benuttigd heb?.… Eenvoudig die van een eerbiedwaardig evangelie-verkondiger, -van een man, die zijne waarheidsliefde niet ten offer brengt voor wereldsche aangelegenheden, -die zijn geweten niet verkoopt aan den fiscus. De geheele volgende tirade, voorkomende -op bladz. 290 en <abbr title="volgende">volgd.</abbr>, is woordelijk overgenomen uit een stuk, getiteld: <i>nog een woord over opium</i>, geschreven door den zendeling-leeraar <span class="sc">P. Jansz</span>, in het Maart-nummer van de <i>Indische Gids</i> van 1882. Dat plagiaat zij mij door dien waren Christen vergeven! Ik kon het niet -van mij verkrijgen, zijn opstel onbenut te laten. En de woorden, die hij bezigde, -en de toestanden, die hij schetste, waren zoo treffend, dat het mij onmogelijk was, -daaraan iets meer te veranderen, dan voor de inlassching in mijne romantische schets -noodig was. <a class="fnarrow" href="#xd30e6802src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6852"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6852src">17</a></span> <i>Kediri heeft eene bevolking van ruim 700,000 zielen.</i> Zie <i>Indische Gids</i><span class="corr" id="xd30e6856" title="Bron: .">,</span> 1882 het artikel: <i>Eene stem uit Indië</i>. Ik verheel dat plagiaat niet. Integendeel, ik beijver mij die stem uit Indië in -breeder kring over te brengen. <a class="fnarrow" href="#xd30e6852src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6913"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6913src">18</a></span> <i>Nieuwsgierig als een neusaap.</i> Neusapen behooren voornamelijk op Borneo te huis. Het zijn roodharige apen, die ter -gemelde plaats een vrij langen en welgevormden neus bezitten, waarin echter geen neusbeen -aanwezig is. Dat klompje vleesch verleent die apen een koddig en voornaam uiterlijk. -Zij worden door de geleerden Symnopethicus nasicus geheeten en zijn zeer nieuwsgierig -van aard. <a class="fnarrow" href="#xd30e6913src" title="Ga terug naar noot 18 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n298.2"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n298.2src">19</a></span> <i>Het zijn pilletjes.</i> Zie deswege de Catalogus der afd. Ned. Koloniën op de Intern. Koloniale en Uitvoer -Tentoonstelling in 1883 in Amsterdam, 3de groep op bladz. 5 van het aanhangsel, vermeldende -de voorwerpen van wege het Ned. Zendelinggenootschap ingezonden. <a class="fnarrow" href="#n298.2src" title="Ga terug naar noot 19 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e6940"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e6940src">20</a></span> De lezer bedenke, dat deze roman voor het optreden van Mr. Keuchenius als minister -van Koloniën geschreven werd. Ik heb de overtuiging dat mits men dien Staatsman daartoe -den tijd late, hij het middel wel zal weten te vinden, den opiumramp krachtig tegen -te gaan. <a class="fnarrow" href="#xd30e6940src" title="Ga terug naar noot 20 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch21" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e807">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXI.</h2> -<h2 class="main">Op het kantoor van den resident.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Verstork kwam veel te laat. -</p> -<p>Hij had onmiddellijk na het gebeurde in de hut bij den Djoerang Pringapoes te paard -moeten stijgen, en naar Santjoemeh rennen, dan ware het wellicht mogelijk geweest -het onweder, dat zich boven zijn hoofd samenpakte, te keeren. Nu had hij zich laten -voorkomen, dat zou hij al ras ondervinden. -</p> -<p>„Zoo!… Is dat het rapport van het gebeurde!” sprak de resident Van Gulpendam op smalenden -toon, toen de controleur na heel lang geantichambreerd, en als zoodanig ontelbare -malen de voorgalerij van het residentiehuis op en neer gewandeld te hebben, tot zijn -chef toegelaten werd. „Zoo!… is dat het rapport? Eindelijk! Ik droeg er gisteren ochtend -voor het middaguur reeds kennis van! Smakelijke rijsttafel voor mij, als zulke zaken -in de residentie gebeuren kunnen! Maar, de heeren vermaakten zich met de jacht, en -dan … ja, dan kan alles gebeuren, dan zien zij niets.…” -</p> -<p>„Maar, resident!.…” waagde Verstork in het midden te brengen. -</p> -<p>„Ik vraag u niets, mijnheer!” was het barsche antwoord. „Als ik u wat vragen zal, -dan is het tijd om te antwoorden. Maar, dan zal ik het ervaren, dat het antwoord zich -dan zal laten wachten.” -</p> -<p>Verstork stond daar op het kantoor van den hoofdambtenaar, bleek en ontdaan, met de -lippen op elkaar geklemd van verbeten woede. -<span class="pageNum" id="pb301">[<a href="#pb301">301</a>]</span></p> -<p>„Ik kan niet zeggen, dat gij alle zeilen bijgezet hebt, mijnheer Verstork, om mij -op de hoogte te stellen …” -</p> -<p>„Resident, ik …” -</p> -<p>„Nogmaals ik vraag u niets!” brulde de resident, terwijl hij een toornigen en minachtenden -blik op zijn ondergeschikte wierp. -</p> -<p>„Mij dunkt toch, resident, dat …” -</p> -<p>„Wilt ge zwijgen! Aan mij is alleen het woord!” -</p> -<p>„… Dat gij mij eene aanmerking over het indienen van het rapport maaktet. En dan is -het mijn plicht mij te verantwoorden,” ging Verstork steeds doodsbleek, maar met onverschrokken -moed voort. -</p> -<p>„Als gij niet zwijgt, zal ik den cons …” -</p> -<p>De resident versprak zich bijna en had haast den „constabel” gezegd; maar hij hervatte: -</p> -<p>„… den „kapala oppas” roepen, om u te verwijderen.” -</p> -<p>„Bedenk, resident, dat ik geen korporaal van de week, of geen bootsman van de wacht -ben,” antwoordde Verstork scherp. „Ik verzeker u, dat, wanneer dat gesprek zoo voortgaat, -ik mij over zoo’n bejegening bij den directeur van Binnenlandsch Bestuur, of beter -nog, bij den Gouverneur-Generaal zal beklagen.” -</p> -<p>Van Gulpendam verbleekte. Hij begreep, dat hij ditmaal te ver was gegaan. Hij was -ook zoo gewoon, dat iedereen, zelfs Verstork, dien hij als een zachtaardig mensch -had leeren kennen, voor hem boog en zijne luimen verdroeg. Hij bond in, en vervolgde -zoetsappig: -</p> -<p>„Vergeef mij, mijnheer Verstork; maar gij weet, dat ik bloedrijk van gestel ben. Daarbij -was ik ontstemd, dat mij de tijding van het gebeurde, niet het eerst door mijne ambtenaren -gewerd. Kom, ga zitten. Ik zal dat rapport even doorloopen.” -</p> -<p>De controleur nam plaats, terwijl de resident voor zijn schrijflessenaar zich met -den rug naar het licht wendde, ten einde het geschreven stuk in te zien. Buiten het -kantoor drentelden in de voorgalerij een paar politie-oppassers, die door de vrij -heftige woordenwisseling van straks in den omtrek gelokt waren. Een poos was alles -stil in dat kantoor. Op een gegeven oogenblik stoof de resident evenwel weer op. -</p> -<p>„Jawel! Dacht ik het niet?… Ik was gewaarschuwd …” -<span class="pageNum" id="pb302">[<a href="#pb302">302</a>]</span></p> -<p>Maar zich bedenkende, zweeg hij verder, en wilde de lezing vervolgen. -</p> -<p>„Resident, het zij mij veroorloofd u te vragen, waar tegen gij gewaarschuwd waart?” -</p> -<p>Van Gulpendam keek over het folio papier, dat hij in de hand had, den controleur aan, -wiens gelaat in het volle licht gekeerd was. -</p> -<p>„Mijnheer Verstork,” sprak hij met gemaakte waardigheid, „waarlijk, gij moet die minder -passende gewoonte afleeren, om steeds uwen meerderen te ondervragen. Dat maakt, geloof -mij, een fatalen indruk.… Ik wil u wel zeggen, waartegen ik gewaarschuwd ben, niet -omdat gij mij dat vraagt; maar omdat ik het oirbaar acht, dat gij daarvan kennis draagt; -wellicht zult gij er toe besluiten kunnen uw rapport te wijzigen …” -</p> -<p>„Mijn rapport te wijzigen, resident?” -</p> -<p>„Mij is medegedeeld, dat er eene poging zal aangewend worden, om het te doen voorkomen, -alsof een aanslag op de eerbaarheid van die Javaansche deern zoude voltrokken zijn.” -</p> -<p>„Maar resident, het geldt eene persoon, die in uw huis dienstbaar is, die de baboe, -bijna de gezellin uwer dochter is,” sprak Verstork hoogst ernstig. -</p> -<p>„En die dus geheel onbesproken van gedrag moest zijn. Daarin deel ik uw oordeel. Maar, -dat is zij niet. Ettelijke dagen geleden is zij een geheelen nacht aan het passagieren -geweest, en had toen een geheelen roman van eene kaperpartij te verhalen. Nu weer -was zij ’s nachts buiten, en werd opium bij haar bevonden. Zij is de dochter van een -opiumsmokkelaar, dat weet gij wel, daar bij haar vader Zaterdagavond die amokhpartij -heeft plaats gehad, waarvan gij mij gelukkig tijdig bericht zondt; zij is de verloofde -van een opiumsmokkelaar, en zij zelf heeft bewezen eene smokkelaarster te zijn. Zij -zit nu in de boei, dat zal mij de moeite besparen, haar als eene echte slampampster -van mijn erf te laten wegjagen!” -</p> -<p>„Maar, resident,” hernam Verstork, toen zijn chef een oogenblik zweeg om adem te halen, -„toen wij op haar hulpgeschrei afkwamen, was zij geheel naakt, met bloed bevlekt, -en had zij loshangende haren. Alles duidde op …” -</p> -<p>„Op een geweldadig verzet bij de visitatie. Ja, dat weet ik. Hebt gij haar onderzocht?” -<span class="pageNum" id="pb303">[<a href="#pb303">303</a>]</span></p> -<p>„Neen, maar.…” -</p> -<p>„Dat onderzoek heb ik aan deskundigen opgedragen … En ziet …” ging de resident voort, -terwijl hij naar buiten keek, „als ik het wel heb, houdt daar het rijtuig van den -dirigeerenden officier van gezondheid voor het perron stil. Wij zullen weldra vernemen, -wat er van aan is.” -</p> -<p>Al heel spoedig diende de kapala oppas den „toean obers-doekoen” aan, die dan ook -verscheen, op den resident toetrad, met hem een deftigen handdruk wisselde, en diezelfde -plichtpleging maar luchtiger ook bij den controleur verrichtte. -</p> -<p>„Zoo, Verstork! Gij hier?” -</p> -<p>Maar, voor dat de controleur had kunnen antwoorden, viel de resident in: -</p> -<p>„Ga zitten, overste!… En wel?…” -</p> -<p>„Geen kwestie, resident!” -</p> -<p>„Zoo, dat zeide ik u immers reeds … Maar de deern was toch verwond?” -</p> -<p>„Eenige onbeduidende schrammen op de dijen en op …” -</p> -<p>„Dus geen stu.., stu … Hoe noemdet gij het ook?” -</p> -<p>„<span lang="la">Stuprum violentum</span>… geen denken aan! Hier is overigens het <span lang="la">visum repertum</span>, dat aan den legalen vorm volstrekt voldoet.” -</p> -<p>„Overste, ik dank u!” -</p> -<p>„Ik spoed mij heen, resident, ik heb mijne visites nog af te leggen. Dag, resident, -dag, Verstork!” -</p> -<p>„Geen excuses, overste; ik groet u!” -</p> -<p>Toen was de geneeskundige verdwenen. -</p> -<p>„Gij hoordet, nietwaar, mijnheer Verstork?” -</p> -<p>„Ja, resident; maar dat brengt mijne overtuiging niet aan het wankelen.” -</p> -<p>„Niet?” -</p> -<p>„Neen, resident!” -</p> -<p>„Toch zou ik u in beraad willen geven,” zei de resident losjes, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>om bakzeil te halen, om bij te draaien.” -</p> -<p>„Ik begrijp u niet,” antwoordde Verstork, die zeer goed begreep. -</p> -<p>„Dan zal ik duidelijker spreken,” hernam Van Gulpendam afgemeten. „Ik geef u in beraad -dit rapport terug te nemen.” -</p> -<p>„Dat rapport terug nemen, resident! Waarom zou ik dat doen? Waartoe die raad?” -<span class="pageNum" id="pb304">[<a href="#pb304">304</a>]</span></p> -<p>„Vooreerst, omdat de feiten daarin vermeld, verdraaid, overdreven en te eenzijdig -voorgesteld zijn …” -</p> -<p>„Resident!” -</p> -<p>„Die aan een tendenz-rapport doen denken,” ging de hoofdambtenaar voort. „Dan komen -er volzinnen in voor, die onmogelijk de Hooge Regeering aangenaam kunnen stemmen. -Bij voorbeeld deze:<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Van Gulpendam bladerde en zocht een oogenblik in het rapport, en las vervolgens: -</p> -<p>„„Het zij mij door U. H. Ed. Gestr. vergund er op te wijzen, dat ik in mijne twaalfjarige -loopbaan bij het Binnenlandsch Bestuur heb leeren begrijpen, dat de opiumpacht is -een Staat in den Staat; dat om der wille van de opiumpacht, al wat een volk liefhebben -of eerbiedigen kan, met voeten wordt vertreden en vertrapt. De opiumpachter behoeft -politiereglement noch wetboek van strafrecht te ontzien; zijne satellieten dringen -de woningen binnen en schenden het huisrecht der bevolking; zijne spionnen en zijne, -althans de door hem betaalde oppassers ontzien niets hoegenaamd. Een Europeaan zou -streng gestraft worden, wanneer hij deed tegenover de bevolking, wat het uitvaagsel -van het menschdom, dat in dienst van den pachter is, straffeloos die bevolking aandoet. -Den man ontzien zij niet, evenmin de vrouw of het meisje. In de woningen, op den publieken -weg houden ze den eenen en de andere aan, en visiteeren en betasten hen op het bloote -lijf, zonder zich aan eenig protest te storen. De gemeenste streken voeren die lieden -uit, hunne straffeloosheid bezigende, om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen, -of hun haat te koelen<a class="noteRef" id="xd30e7045src" href="#xd30e7045">1</a>. Het gebeurde met het Javaansche meisje Dalima is daarvan weer een treurig bewijs.”” -</p> -<p>De resident hield hier een oogenblik op, en keek zijn ondergeschikte met doordringenden -blik aan, die evenwel de oogen voor de zijne niet neersloeg. -</p> -<p>„Zie,” ging hij voort, „als ik zulke volzinnen lees, dan”—en hierbij bracht de hooggeplaatste -den wijsvinger <span class="pageNum" id="pb305">[<a href="#pb305">305</a>]</span>aan het voorhoofd,—„dan twijfel ik of het bij u daar wel goed in orde is …” -</p> -<p>„Resident!” stoof Verstork op. „Dat gaat te ver!…” -</p> -<p>„Want, wat geeft gij onomwonden bij zoo’n schrijven te kennen? Dat in uwe afdeeling -die visitatiën in de woningen, op den openbaren weg noodig zijn, om den smokkelhandel -in opium tegen te gaan. Gij weet even goed als ik, dat in den laatsten tijd verscheidene -aanhalingen van gesloken opium in uwe afdeeling geschied zijn. Ik heb slechts in herinnering -te brengen: de aanhaling te Moeara Tjatjing, die te Kaligaweh bij Pak Ardjan, en deze -<span class="corr" id="xd30e7059" title="Bron: nn">nu</span> weer bij Setrosmito en bij zijne dochter Dalima. Kiemde bij mij reeds de meening, -dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van opiumsmokkelhandel was, nu bevestigt -gij die meening door uwe onbesuisde taal.…” -</p> -<p>„Resident, hoeveel <span class="corr" id="xd30e7064" title="Bron: ontzach">ontzag</span> ik in den regel ook voor uw verlicht oordeel heb, moet ik thans toch protest aanteekenen, -wanneer gij te verstaan geeft, dat ik in mijne plichten met betrekking tot de opiumpacht -zoude tekort geschoten zijn, en dat daardoor de afdeeling Banjoe Pahit tot een brandpunt -van smokkelhandel zoude geworden zijn. Ik ben te doordrongen van het voorgeschrevene -bij Staatsblad N<sup>o</sup>. 136<a class="noteRef" id="xd30e7070src" href="#xd30e7070">2</a> van 1876, en heb eene te nauwgezette opvatting van mijne verplichtingen, om die te -verwaarloozen.…” -</p> -<p>„Mijnheer Verstork, het was mijne meening niet.…” wilde Van Gulpendam invallen. -</p> -<p>„Laat mij voortgaan, resident. Ik word aangevallen, ik verdedig mij. Dat is mijn recht. -Van eene andere zijde is het onwaar, dat de afdeeling Banjoe Pahit een brandpunt van -opiumsmokkelhandel zoude wezen.…” -</p> -<p>„Gij beweert dus, dat er niet gesmokkeld wordt? En de gevallen, die ik aanhaalde?” -</p> -<p>„Wanneer ik beweren zou, dat er niet gesmokkeld wordt, dan zou ik tegen beter weten -in der waarheid te kort doen, resident. Banjoe Pahit is aan de overal genaakbare oevers -van de Javazee gelegen, en bij de zeer onvoldoende <span class="pageNum" id="pb306">[<a href="#pb306">306</a>]</span>middelen, die tot het tegengaan van den smokkelhandel in het werk gesteld, maar nog -niet altijd doelmatig aangewend worden, ligt het voor de hand, dat de smokkelaars, -waartoe—en dat weet gij even goed als ik—de opiumpachters in de eerste plaats behooren, -daarmede hun voordeel doen. Maar vergelijkt gij die smokkelarij met die van aangrenzende -afdeelingen en residentiën, die ook aan de Javazee gelegen zijn, dan valt er te constateeren, -dat Banjoe Pahit, wel verre van een brandpunt van smokkelhandel te zijn, eerder kan -aangehaald worden: als eene afdeeling, waar de toestand nog het meest bevredigend -mag genoemd worden. En wat de gevallen van smokkelarij betreft, die door u vermeld -werden, ik heb als controleur die zaken ernstig onderzocht, en spreek als mijne gemoedelijke -overtuiging uit, dat de partij opium die te Moeara Tjatjing aangehaald werd, afkomstig -is van den schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i>, die onmogelijk in reuk van heiligheid kan staan; terwijl de overige aanhalingen -zeer kleine hoeveelheden betreffen, die niet gevonden zouden geworden zijn, wanneer -de bandoelans vooraf waren gevisiteerd geworden.” -</p> -<p>„Dat alles, mijnheer Verstork, is wel mooi, maar toch te breedsprakig voor het oogenblik,” -antwoordde de resident met honigzoete stem. „Om evenwel kort te gaan, ik herhaal mijne -welgemeende raadgeving: „gaat over stag, en neem dit rapport terug!”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Willem Verstork zat doodsbleek daar. Hij hield eene hand voor de oogen, als vreesde -hij in zijn binnenste te zien, en dacht een poos na. Als een gloeiend ijzer voer hem -de gedachte aan zijne moeder, aan zijne zusters, aan zijne broeders, die zijne ondersteuning -niet konden ontberen, door het brein. Hij begreep den ontzettenden ernst van het gehoorde. -Daarin lag meer dan eene raadgeving, daar had bedreiging weerklonken. Bedreiging in -den mond van den machtigen meerderen tegen den machteloozen minderen! Een oogenblik, -maar ook slechts een enkel aarzelde de gewetensvolle ambtenaar … toen hernam zijn -natuurlijk rechtsgevoel zijne opperheerschappij. -</p> -<p>„Resident,” sprak hij met zachte, maar nadrukkelijke stem, „welk zou uw oordeel over -mij moeten zijn, wanneer ik uwen raad opvolgde en dat rapport terugnam? <span class="pageNum" id="pb307">[<a href="#pb307">307</a>]</span>Ik laat onbesproken het geweld, dat ik mijne eerlijkheidsbegrippen zou moeten aandoen.…” -</p> -<p>„Mijnheerrr!.…” riep de resident toornig uit. -</p> -<p>„Zoudt gij mij niet ongeschikt moeten achten voor mijn betrekking? Zoudt gij niet -minachting voor mijn karakter moeten opvatten? Zou uw geweten u niet dwingen, mij -tot ontslag uit ’s lands dienst voor te dragen? In ieder geval zoudt gij onmogelijk -nog vertrouwen in mij kunnen stellen, nietwaar? En, in de betrekking, die ik bekleed, -is dat vertrouwen van mijn chef geheel onmisbaar!” -</p> -<p>De heer van Gulpendam had zich hersteld. Hij voelde, hoe klemmend de woorden van den -controleur waren. -</p> -<p>„Gij ziet de zaak te donker in,” hernam hij op zoetsappigen toon. „Hoor, hoe ik die -zaak beschouw. Gij hebt gisteren eene vermoeiende jacht gemaakt, en daarbij zal de -veldflesch wel een enkele maal aangesproken zijn. Dat is natuurlijk. Na de jacht, -eene jolige rijsttafel, waarbij het koppige Haantjesbier en de zware Baourwijn, misschien -wel de Champagne, niet gespaard zijn geworden. Dat alles is zoo aannemelijk, zoo natuurlijk -bij jongelieden. In die gemoedstemming hebt gij uw rapport geschreven.…” -</p> -<p>„Dus, resident,” vroeg Verstork, „heeft dat rapport geen anderen indruk bij u achtergelaten -dan: òf dat ik niet wel bij het hoofd ben, òf dat ik bij het schrijven daarvan onder -den invloed van drank was?” -</p> -<p>„Gij hebt zoo’n manier van schiemannen, mijnheer Verstork,” antwoordde Van Gulpendam. -„Ik heb slechts een doel, en dat is: u in uw belang van eene dwaasheid te weerhouden. -Gij moet weten, of gij dat rapport al of niet wilt terugnemen. Ik heb slechts eene -waarschuwing bij het gesprokene te voegen en die is: dat uwe geheele loopbaan van -uwe beslissing afhangt.” -</p> -<p>Verstork zuchtte. Hij begreep maar al te goed, dat hoe hij ook handelde, de toestand -netelig voor hem was. Maar hij struikelde niet op de baan, die hij voor het rechte -pad hield. -</p> -<p>„Resident, er moge gebeuren, wat wil! Maar dat rapport neem ik niet terug,” sprak -hij bedaard maar beslist. -</p> -<p>„Is dat uw laatste woord?” -</p> -<p>„Ja, resident!” -<span class="pageNum" id="pb308">[<a href="#pb308">308</a>]</span></p> -<p>„Bedenk u wel! Uw laatste woord?” -</p> -<p>„Ja, resident!” -</p> -<p>„Het zij zoo! Gij zult de gevolgen u zelven te wijten hebben.” -</p> -<p>„Die gevolgen ben ik gereed te gemoet te treden, resident!” -</p> -<p>„Ik zal dan dat rapport aan den Gouverneur-Generaal opzenden. Die moge beslissen!” -</p> -<p>Verstork wilde opstaan en heengaan, in de meening, dat het onderhoud geëindigd was. -</p> -<p>„Nog een oogenblik, mijnheer Verstork,” zei de heer Van Gulpendam. „Ik heb nog een -andere logrol af te laten loopen.” -</p> -<p>„Wat hebt gij, resident?…” vroeg de controleur. -</p> -<p>„Nog eene andere zaak te behandelen. Ga nog een oogenblik zitten. Gisteren ochtend -zijn een geacht ingezetene scheldwoorden toegevoegd, en is hij mishandeld geworden; -omdat hij op uwe vraag getuigenis der waarheid afgelegd heeft. Die beschimping en -die mishandeling is in uwe tegenwoordigheid geschied, zonder dat gij uw gezach gebruikt -hebt, om dat te keer te gaan, om dat te verhoeden …” -</p> -<p>„Dat alles is zoo spoedig in zijn werk gegaan, het enkele woord, dat toegevoegd werd, -werd zoo snel gesproken, de klap, die gegeven werd, kwam zoo onverwachts aan, dat -niemand, zelfs gij niet, resident, wanneer gij tegenwoordig waart geweest, zulks hadt -kunnen verhoeden. Eene herhaling, waarvoor evenwel geen gevaar bestond, zou ik echter -voorkomen hebben, dat verzeker ik u.” -</p> -<p>„Van dat alles weet ik niet af. Er is gescholden, er zijn klappen gevallen; terwijl -gij als hoogste ambtenaar er bij stondt. Zoo staat die zaak! Had ik er nu den glimp -aan kunnen geven, dat de jeugdige jagers opgewonden waren, dat de handeling onder -den invloed daarvan gebeurd was …” -</p> -<p>„Neen, dat is zij niet, resident, althans niet onder den invloed van de opgewondenheid, -die gij te kennen geeft.” -</p> -<p>„Dus, in koelen bloede. Ik neem daar acte van, mijnheer Verstork! Ware die zaak nog -te sussen geweest, dan ontneemt gij mij daartoe de gelegenheid, en ik meen, dat dit -niet in uw belang is, en betwijfel of uw vriend, die tot die handtastelijkheden overging, -u daarvoor dankbaar zal zijn.” -<span class="pageNum" id="pb309">[<a href="#pb309">309</a>]</span></p> -<p>„Mijn vriend? Wat heeft die met dat alles te maken?” -</p> -<p>„Wat die daarmede te maken heeft?… Dat zal hij genoeg bemerken. Ik heb hier een proces-verbaal -voor mij liggen, hetwelk ik aanhouden wilde; maar nu aan den officier van justitie -moet doorzenden. Dat alles hadt gij kunnen voorkomen, mijnheer Verstork.” -</p> -<p>„Ik begin te begrijpen, resident, dat mijnheer Mokesuep zijn tijd niet verbeuzeld -heeft. Maar, om het even. Is het uwe meening, dat dat luttele gebeurde vervolgd moet -worden? Welnu, het recht hebbe zijn loop! Ik zal de eerste zijn, om als getuige in -die zaak op te treden.” -</p> -<p>De resident lachte vreemdsoortig, maar antwoordde niet. -</p> -<p>Verstork stond op. -</p> -<p>„Is er nog iets van uwe bevelen, resident?” vroeg hij diep buigende. -</p> -<p>„Niets meer, mijnheer Verstork.” -</p> -<p>„Dan neem ik de vrijheid u mijnen eerbiedigen groet aan te bieden!” -</p> -<p>Een lichte hoofdknik van den hoofdambtenaar, die achter zijn schrijflessenaar bleef -zitten, was het antwoord op die begroeting. Het oogenblik daarna daalde Verstork de -trappen van het perron van het residentiehuis af. -</p> -<p>„Arme moeder! Arme zusters!” prevelde hij. -</p> -<p>„Dom potdeksel! Ja, aartsdom!” werd in het resident’s kantoor gemompeld. „Nu die ezelachtige -lummel niet tot bijleggen te bewegen is, zal die zaak meer schiemanskunst vereischen!… -Maar … ik tel menschen te Batavia onder mijne vrienden, die de Atjeh-enquête in veilige -haven wisten binnen te loodsen, die generaal Van der Heijden door de kluisgaten deden -verdwijnen en dus ook met dit breeuwwerk niet verlegen zullen zitten … Vooruit! Op -het einde der baan is het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” te verwerven!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Een paar uren later zat Verstork bij Van Nerekool, die zich alleen thuis bevond,—daar -Van Rheijn had laten weten, dat hij, wegens dringende ambtsbezigheden op het residentie-kantoor, -niet zou komen eten,—aan de rijsttafel, en bespraken die twee de voorvallen van de -vorige dagen en van het bezoek dien eigen morgen aan den resident gebracht. De controleur -scheen zoo ter neer geslagen, dat Karel, hoewel hijzelf geen zonneschijn in <span class="pageNum" id="pb310">[<a href="#pb310">310</a>]</span>het hart koesterde, zich genoopt gevoelde, hem op te beuren en moed in te spreken. -</p> -<p>„Kom, Willem,” sprak hij, „laat het hoofd zoo niet hangen! Gij zoudt mij haast tot -de meening brengen, dat gij berouw gevoelt over de gevolgde gedragslijn.” -</p> -<p>„Dat nooit, Karel!” antwoordde Verstork zwaarmoedig, maar toch met eenige drift. „Als -het nog te doen ware, zou ik volkomen op dezelfde wijze te werk gaan. Maar … o, mijne -arme moeder! Mijne arme zusters!” -</p> -<p>„Stelt gij u den toestand niet te zwart voor?” -</p> -<p>„Te zwart!… Het gunstigste, wat mij overkomen kan, is dat ik overgeplaatst, dat ik -hier uit mijn werkkring weggerukt word …” -</p> -<p>„Welnu?” -</p> -<p>„Welnu, dat is reeds een ramp voor mij. Gij weet met hoeveel onkosten eene overplaatsing -hier in Indië gepaard gaat, afgescheiden de vraag: waarheen ik verplaatst zal worden. -Dat ik eene lucratieve controle zal bekomen, wie zal dat gelooven? Ik zal jaren achtereen -onder den druk van financiëele lasten gebukt gaan, en inmiddels zal ik onmogelijk -voor mijne dierbaren kunnen doen, wat ik tot heden met zooveel liefde deed.” -</p> -<p>„Kom, beur het hoofd op!” antwoordde Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool. „In dat geval zal nog wel uitkomst te vinden zijn. Ja, die zou ik u kunnen -voorspellen.” -</p> -<p>„Maar, Karel, dat is het meest gunstige geval, dat mij te wachten staat. Ieder ander -geval is schrikkelijk. Denk er aan, als ik eens eenvoudig ontslagen werd!” -</p> -<p>„Kom, kom! Geen overdrijving! Hetgeen gij gedaan hebt, is, wel verre van ontslag te -verdienen, hoogst eervol voor u en zal door ieder eerlijk man gewaardeerd worden!” -</p> -<p>„Eerlijk man?… Gij weet nog niet met wien ik te doen heb!” -</p> -<p>Van Nerekools gelaat vertoonde een pijnlijken trek. Hij had reeds ervaren met wien -zijn vriend in botsing kwam. -</p> -<p>„Maar,” ging hij opbeurend voort, „is die slag niet af te wenden? Is zelfs dat meest -gunstige geval niet te ontloopen?” -</p> -<p>„Ja, daarover pijnig ik mij het brein.” -</p> -<p>„Hebt gij ook kennissen te Batavia?” -</p> -<p>„Kennissen?… Een enkele. De heer Reijnael …” -</p> -<p>„De schoonzoon van het lid van den raad van Indië?… <span class="pageNum" id="pb311">[<a href="#pb311">311</a>]</span>Ja? Wel dan zijt gij gered! Kom, het hoofd omhoog! Laten wij te zamen een nauwkeurig -verhaal van het gebeurde opmaken, dan zendt gij dat naar Reijnael, terwijl ik van -mijn kant ook aan ettelijke kennissen te Batavia zal schrijven, die niet zonder invloed -zijn. Kom, onverschrokken den strijd aanvaard!” -</p> -<p>Een oogenblik later zaten die mannen druk te schrijven, en toen Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn des namiddags zeer laat te huis kwam, waren twee brieven op de post bezorgd, -die ieder meer van een postpaket hadden, dan van een eenvoudigen brief. De aspirant-controleur -zag er somber uit. -</p> -<p>„Wat komt gij laat te huis?” vroeg Van Nerekool. „Zoo druk gehad?” -</p> -<p>„Ja,” was het korte antwoord. „Ik ben vermoeid en ga wat liggen.” -</p> -<p>„Is er iets bizonders aan de hand?” -</p> -<p>„Bizonders niet. Maar veel drukte!” -</p> -<p>„Waarmede?” -</p> -<p>„Vergeef mij,” antwoordde Van Rheijn met den vinger op den mond. „Dat zijn ambtsgeheimen. -Die mag ik niet vertellen.” -</p> -<p>Bij dat antwoord had hij willens of onwillens een meewarigen blik op Willem Verstork -geworpen. -<span class="pageNum" id="pb312">[<a href="#pb312">312</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e7045"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7045src">1</a></span> <i>Om aan de meest onzedelijke lusten te voldoen of hun haat te koelen.</i> Die geheele tirade, beginnende met de woorden: „dat de opiumpacht is een Staat in -den Staat” is getrokken uit het <i>Indisch Vaderland</i> No. 168 van 1883. Lezers, gij ziet, ik beken gaarne plagiaat. <a class="fnarrow" href="#xd30e7045src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7070"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7070src">2</a></span> <i>Staatsblad N<sup>o</sup>. 136 van 1876.</i> Bij bedoeld Staatsblad is den controleur van het Binnenlandsch Bestuur het opsporen -van overtredingen omtrent de wettelijke bepalingen betreffende de opiumpacht op Java -en Madoera opgedragen. <a class="fnarrow" href="#xd30e7070src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch22" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e816">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXII.</h2> -<h2 class="main">Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden<span class="corr" id="xd30e7192" title="Bron: ,">.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ongeveer veertien dagen later zaten op een Zaterdag avond een aantal jonge lieden -om de gezellige ronde tafel in de open lucht voor de voorgalerij van „<i>de Eensgezindheid</i>,” de sociëteit van Santjoemeh. -</p> -<p>Zaterdag avond! Het was <span class="corr" id="xd30e7200" title="Bron: societeits-avond">sociëteits-avond</span>, en bij gevolg geheel Santjoemeh op de been: het mannelijk gedeelte in de <span class="corr" id="xd30e7203" title="Bron: societeit">sociëteit</span> of op het voorerf aanwezig, het vrouwelijk gedeelte nontonnende<a class="noteRef" id="xd30e7206src" href="#xd30e7206">1</a> hetzij nuffig in elegante rijtuigen gedoken, hetzij wandelende en daar omdolende, -om den waarlijk fraaien avondstond, die nog verrukkelijker gemaakt werd door de lieve -maan, die vol was, en tegen negen uur reeds hoog aan den hemel stond, ook om de heerlijke -muziek, die ten gehoore gebracht werd, te genieten. -</p> -<p>In het <span class="corr" id="xd30e7212" title="Bron: societeits-gebouw">sociëteits-gebouw</span> zaten bij ettelijke dames de bejaarde heeren, de deftigen, de machtigen afgemeten -en voornaam hun partijtje te spelen. De jongeren zaten in de voorgalerij, de joligsten -daarvan daarbuiten rondom de ronde tafel in den maneschijn, en waren er niet rouwig -over, dat de schoone sekse hen kon zien en waarlijk ook zag. -<span class="pageNum" id="pb313">[<a href="#pb313">313</a>]</span></p> -<p>„Ziet, daar wandelt de lieve Christine met hare mama en hare tante.” -</p> -<p>„En daar rijdt de nog lievere Hermance.” -</p> -<p>„Ho, ho!” -</p> -<p>„Wat een keurig span Persianen!” -</p> -<p>„Wat bedoelt ge? De vier dames?… Ja dat is een keurig vierspan. Of het echter Persianen -zijn? Naar het achterstel te oordeelen, is wel iets voor die meening aan te voeren.” -</p> -<p>Allen lachten. -</p> -<p>„Kijk, daar is het rijtuig van den resident!” -</p> -<p>„Met de schoone Laurentia. Die komt zeker haar partijtje maken. Kijk eens, hoe Van -Rheijn zich beijvert, om haar bij het uitstijgen behulpzaam te zijn, en haar den arm -te bieden.” -</p> -<p>„Ja, ja!… De njonja van den Kandjeng toean resident!…” -</p> -<p>„Gij kunt zeggen, wat ge wilt, het is eene mooie vrouw! En ik benijd Eduard wel.” -</p> -<p>„Toegegeven hare schoonheid; maar zij kan in de schaduw niet staan van hare dochter.” -</p> -<p>„He, ja!… Maar, waar is toch nonna Anna? Men ziet haar nergens meer.” -</p> -<p>„Zoo ik hoor, gaat zij bij een vriendin, bij de echtgenoote van den assistent-resident -van Karang-Anjer logeeren.” -</p> -<p>„Karang-Anjer in Bagelen?… Drommels, dat is een eind uit de buurt!.… Maar, is er iets -met dat lieve kind?” -</p> -<p>„Van <span class="corr" id="xd30e7233" title="Bron: Nerekeol">Nerekool</span> heeft een blauwtje geloopen, en nu wil de resident, in afwachting van de verplaatsing -van Karel, zijne dochter zoolang uit de buurt hebben.” -</p> -<p>„De verplaatsing van Van Nerekool?…” -</p> -<p>In dit oogenblik trad Grenits, die een poos in de leeskamer van het <span class="corr" id="xd30e7239" title="Bron: societeits-gebouw">sociëteits-gebouw</span> geweest was, met een courant in de hand naderbij. -</p> -<p>„Goeden avond, Theodoor,” klonk aller groet; want de jeugdige koopman was bij allen -gezien en bemind. „Is er nieuws, dat gij zoo met de <i>Santjoemehsche courant</i> in de hand loopt?” -</p> -<p>„Luistert, heeren!” sprak Grenits, terwijl hij het blad ontvouwde en daaruit voorlas: -</p> -<p>„„<span class="sc">Vendutie wegens vertrek.</span>—Op Maandag den 24<sup>sten</sup> <span class="pageNum" id="pb314">[<a href="#pb314">314</a>]</span>dezer zullen wij wegens vertrek vendutie houden ten huize van den Wel Edelen Gestrengen -heer controleur W. Verstork te Banjoe Pahit, van een netten en goed onderhouden inboedel, -bestaande uit: Bataviasche en Japarasche meubelen, waaronder: banken, gewone wip- -en luiaardstoelen, tafels, consoles met marmeren blad, spiegels, schilderijen, hang- -en staande lampen, terracotta-beelden, regulateur, zeilen, schutsels, ledikanten, -waschtafels met en zonder marmeren blad, kleer- en dispenskasten, goedang-<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> keuken- en stalgereedschappen, enz. enz. Voorts nog eene fraaie collectie rozen, -crotons en varens in potten en tobben; eene Bengaalsche koe met kalf, gevende drie -flesschen melk; eene groote partij pluimgedierte, waaronder: beo’s<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> kalkoenen, ganzen, eenden, kippen en duiven; een milord; een tentwagen, zoo goed -als nieuw; een goed gedresseerd rijpaard, Sandelwood schimmel, ruim de maat; een span -wagenpaarden, schimmels; een paar dito, zwarte <span class="corr" id="xd30e7263" title="Bron: Battakkers">Batakkers</span>. Met commissiën belasten zich: Gladbach & C<sup>o</sup>.— -</p> -<p>„„Nota bene. Aanstaanden Maandag ochtend zullen van af half acht tot half negen rijtuigen -van de aloon aloon van Santjoemeh naar Banjoe Pahit afrijden. Bezoekers van bovenvermelde -vendutie genieten den overtocht heen en terug gratis.” -</p> -<p>Toen Grenits ophield keken de aanwezigen elkander aan. -</p> -<p>„Niet dom, die vrije overtocht,” meesmuilde er een. -</p> -<p>„Verstork overgeplaatst?” vroeg een ander. „Waarheen toch? Hij verkoopt tot zijn rijpaard!” -</p> -<p>„Hij gaat naar Atjeh,” antwoordde Grenits. „Daar, bij het geconcentreerd stelsel, -dat aangenomen is, heeft hij geen paard noodig.” -</p> -<p>„Maar daar zijn de officieren met de civiele dienst belast. Daar is geene vacature -voor Verstork.” -</p> -<p>„Daar weet ik niets van. Ik vertel, wat mij Willem zelf medegedeeld heeft. Maar, heeren, -om ieder misverstand te vermijden omtrent die advertentie, moet ik hier bijvoegen, -dat Verstork van die rijtuigen tot vrijen overtocht niets weet. Dat heb ik er aangelascht.” -</p> -<p>„Om een goed slaatje te maken,” lachte een van het gezelschap. -</p> -<p>„Wel mogelijk,” antwoordde Grenits droog. -<span class="pageNum" id="pb315">[<a href="#pb315">315</a>]</span></p> -<p>„Maar, waarom werd Verstork overgeplaatst, en dat nog wel naar Atjeh?” vroeg er een. -</p> -<p>Grenits trok de schouders op, maar antwoordde niet. -</p> -<p>„Och, dat staat in verband met die geschiedenis … ge weet wel van die mooie baboe -Dalima met Lim Ho.” -</p> -<p>„Maar, waarbij Lim Ho de verleiding weerstaan heeft, zooals de doekoen-majoor verklaart.” -</p> -<p>„Maar, waarbij hier vriend Grenits muilperen uitgedeeld heeft.” -</p> -<p>„O, ja, aan Muizenkop. Dat ’s waar ook. Zeg eens, wat heeft die daarop gedaan?” -</p> -<p>„Mij aangeklaagd,” antwoordde Grenits. -</p> -<p>„Die ellendeling! Maar, hoe weet gij dat, Theodoor?” -</p> -<p>„Ik heb eene dagvaarding ontvangen om voor den raad van Justitie te verschijnen.” -</p> -<p>„Ai … dan zit er vrij logies in de boeien voor u op. Maar troost je. Wij zullen je -van tijd tot tijd gezelschap komen houden, nietwaar, heeren?” -</p> -<p>„Ja, ja!” werd er in koor geantwoord. -</p> -<p>„Die dan leeft, die dan zorgt,” hernam Grenits lachende, „word ik veroordeeld, welnu, -dan reken ik op de vrienden. Maar, nu die vendutie! Ik noodig u allen om Maandag naar -Banjoe Pahit te gaan!” -</p> -<p>„Steeds geschäftsman, die Grenits!” -</p> -<p>„Het geldt een onschuldige, die voor dierbare bloedverwanten te zorgen heeft, in de -mogelijkheid te stellen, die zorgen te kunnen blijven waarnemen,” sprak Theodoor ernstig. -</p> -<p>„Zoo, is dat de zaak?” werd hem geantwoord. „Dan zullen wij allen present zijn, nietwaar, -makkers?” -</p> -<p>„Ja allen!” klonk de betuiging. „Daar geven wij de hand op<span class="corr" id="xd30e7299" title="Bron: ¡">!</span>” -</p> -<p>„Dat is dus afgesproken!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Ja, Verstork was overgeplaatst en nog wel naar Atjeh. Zijn uitvoerig relaas, aan -Reijnael geleverd, had niets gebaat. Had hij diens invloed overschat? Of had deze -gemeend er geen werk van te moeten maken? Hij wist het niet. Ook het beroep, dat Van -Nerekool op zijne kennissen gedaan had, had gefaald. Men had hem eenige onbeduidende -volzinnen tot antwoord gegeven, waaruit hij moeielijk wijs had kunnen worden. -<span class="pageNum" id="pb316">[<a href="#pb316">316</a>]</span></p> -<p>De zaak was deze: Op een Vrijdag, den gewonen vergaderingsdag van den Raad van Indië, -waren de leden verrast geworden door de verschijning van den Gouverneur-Generaal in -persoon in hun midden, iets dat maar hoogst zelden gebeurde. -</p> -<p>„Mijne heeren,” had de Opperlandvoogd na de gebruikelijke plichtpleging gezegd, „ik -heb eene aanklacht van <span class="corr" id="xd30e7312" title="Bron: ergelijken">ergerlijken</span> aard van den resident van Santjoemeh ontvangen, betreffende een controleur 1<sup>ste</sup> klasse. Ook is een verweerschrift van dien ondergeschikten ambtenaar ingekomen, dat -met die aanklacht van den resident lijnrecht in strijd is. Het is daarom, dat ik het -advies der heeren wensch in te winnen. De resident van Santjoemeh is een zeer ijverig -staatsdienaar, die den lande uitstekende diensten bewijst; maar in zijne uitspraken, -vooral als het zijne ondergeschikten geldt, is hij te absoluut, en laat hij zich wel -eens door zijne hartstochten leiden, waarbij evenwel, ik moet erkennen, steeds ’s -lands belangen in het oog worden gehouden. Zoo is het, naar mij voorkomt, ook thans -weer. Ik zou dan ook zonder aarzelen aan die zaak eene zoodanige wending wenschen -gegeven te zien, dat zonder dat de hoogstgeplaatste zich in zijn gezach gekrenkt kon -gevoelen, evenwel beide <span class="corr" id="xd30e7318" title="Bron: partijën">partijen</span> tevreden gesteld werden. Maar, er is hier meer. Het verschil tusschen den resident -en den controleur raakt den opiumpachter van Santjoemeh genoegzaam, om een conflict -met dezen te doen vreezen. Ja, ik meen verder te kunnen gaan. Ik wensch mijn denkbeelden -onuitgesproken te laten omtrent de standpunten, door beide ambtenaren ingenomen, en -dus niet te willen beslissen, wie gelijk of ongelijk heeft; maar het zou niet <span class="corr" id="xd30e7321" title="Bron: onmolijk">onmogelijk</span> wezen, dat een nauwgezet onderzoek, waarop trouwens de controleur aandringt, zooveel -aan het licht zou brengen, dat de tegenwoordige opiumpachter Lim Yang Bing van de -aanstaande verpachting zou moeten uitgesloten worden. Die eventualiteit zou wellicht -uit een billijkheids-oogpunt toe te juichen zijn; maar hierbij valt niet uit het oog -verloren te worden, dat Lim Yang Bing, als de rijkste Chinees te Santjoemeh, aan het -hoofd staat van de voornaamste Kongsie aldaar, en als zoodanig een grooten invloed -op zijn rasgenooten uitoefent. Een onmiddellijk gevolg daarvan is, dat bij de aanstaande -<span class="pageNum" id="pb317">[<a href="#pb317">317</a>]</span>opiumverpachting zijne uitsluiting een aanmerkelijke daling van den pachtschat zou -veroorzaken. En,… dat in een tijd als de tegenwoordige!.… Ja, ik herhaal het, en dat -in een tijd als de tegenwoordige!… Ik heb toch een cijfertelegram uit den Haag ontvangen, -dat de begrooting van den Minister van Koloniën geene genade in de oogen van de Vertegenwoordiging -heeft gevonden, omdat de middelen van inkomsten te laag geraamd zijn, en op de uitgaven -niet genoeg besnoeid is<a class="noteRef" id="xd30e7327src" href="#xd30e7327">2</a>. Dat telegram bevat meer, het meldt mij, dat een uwer, mijne heeren, geroepen zal -worden, om de opengevallen portefeuille van Koloniën te aanvaarden. Wie hij ook zijn -moge, ik benijd hem die eer niet. Maar een eerste vereischte voor hem zal zijn: de -inkomsten zoo hoog mogelijk op te drijven, en daartoe leent zich de opiumpacht, wat -men er ook over zeggen of denken moge, bij uitnemendheid. Om dus de taak van den aanstaanden -minister niet te verzwaren, zal het zaaks zijn, den opiumpachter van Santjoemeh de -hand boven het hoofd te houden. Dat zal allicht, zoo meldt mij de resident, een verschil -met den vorigen pachtschat van zes ton leveren.…” -</p> -<p>De oogen van het jongste lid van den Raad schitterden met een ongemeen vuur, bij het -vernemen van dat cijfer. In zijn ijver voor de belangen van ’s lands kas vergat hij -in zooverre de bestaande <span class="corr" id="xd30e7332" title="Bron: etikette">etiquette</span>, dat hij den Opperlandvoogd, alvorens die geëindigd had, in de rede viel. -</p> -<p>„Het zij mij vergund, Uwe Excellentie, er op te wijzen,” sprak hij met vuur, „en ik -meen daarmede de tolk der overige leden te zijn, dat in dat geval niet geaarzeld mag -worden, om ieder middel aan te grijpen, om de financiën van den Staat in evenwicht -met de eischen des tijds te brengen. Iedere bijdrage daartoe kan niet anders dan welkom -wezen bij een College, dat als dit met warmte doordrongen is van de echte, ware vaderlandsliefde, -die voor Neêrlands heil immer offervaardig moet wezen. Nietwaar, mijne heeren?” -</p> -<p>De <span class="corr" id="xd30e7339" title="Bron: brutaliteid">brutaliteit</span> van dat beroep was zoo groot, dat zij juist door hare verregaandheid alle welslagen -erlangde. Alle hoofden bogen, en aller lippen, die zooveel hadden kunnen antwoorden, -wanneer de Oostersche zon hunne <span class="pageNum" id="pb318">[<a href="#pb318">318</a>]</span>geestkracht niet gesloopt had, prevelden thans mat en schier slaperig: -</p> -<p>„Ja, Excellentie!” -</p> -<p>De Opperlandvoogd, die vlug zijn open blik langs die gebogen kruinen had laten gaan, -sprak toen met een zucht: -</p> -<p>„Dan is het lot van den bedoelden controleur beslist. Ik dank de heeren voor hun advies!” -</p> -<p>Een oogenblik later roffelde de tamboer van de hoofdwacht aan het Groote Huis te Weltevreden -den generaalmarsch, en presenteerden de manschappen kletterend de geweren voor den -Vertegenwoordiger des Konings, die daar heenreed naar zijn paleis op het Koningsplein -in het bewustzijn de Nederlandsche schatkist, maar niet de menschheid, een grooten -dienst bewezen te hebben. -</p> -<p>En vier dagen later had Willem Verstork niet alleen het besluit zijner overplaatsing -naar Atjeh, maar ook een dienstbrief van den directeur van Binnenlandsch Bestuur in -handen, waarin de hoop uitgedrukt werd: „dat hij als controleur van zijne degelijke -kennis van den inboorling het meest nuttige gebruik zoude maken, om den militairen -bevelhebber te Kota Radja, in zijnen moeielijken werkkring tot bevrediging der bevolking -te schragen; maar ook, dat hij in zijne dienstbetrekkingen met meer menschenkennis, -maar vooral met meer deferentie voor de gevoelens van zijne superieuren mocht te werk -gaan, zullende hij in gebreke daarvan, na deze waarschuwing, op geene inschikkelijkheid -meer te rekenen hebben.” -</p> -<p>„Wat zegt ge van zoo iets?” vroeg hij aan Van Nerekool. -</p> -<p>„Eenvoudig, dat het schande is,” antwoordde deze met van verbittering trillende stem. -</p> -<p>„Het gunstigste geval, dat wij bespraken, is dus daar.… Overgeplaatst naar Atjeh! -Dus uit het kader van de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur op Java en Madoera uitgestooten! -Eene feitelijke degradatie! Is dat het beginsel, hetwelk onze regeerders bezielt? -Onze maatschappij is rot, ja geheel rot!” -</p> -<p>„Geheel? Gelukkig, neen!” antwoordde Van Nerekool met overtuiging. „Een deel dier -maatschappij is onaangetast, en staat boven de onedele kuiperijen van de gezachhebbenden. -Dat deel heet de rechterlijke macht, wie het eindelijk gelukken zal het monster van -willekeur en onrecht te breidelen.” -<span class="pageNum" id="pb319">[<a href="#pb319">319</a>]</span></p> -<p>Karel had met geestdrift en vuur deze zijne overtuiging geuit. Willem Verstork keek -hem aan, terwijl een bittere glimlach over zijn ontsteld gelaat gleed. Hij antwoordde -evenwel niet. Hij wilde den jeugdigen rechterlijken ambtenaar niet ontnuchteren. De -toekomst zou zich daarmede wel in zijne plaats belasten. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Banjoe Pahit, de afgelegen dèsa, die anders zoo kalm, zoo rustig was, verkeerde op -den gezegden morgen in rep en roer. -</p> -<p>Bij het hek der controleurswoning stond een Javaan met afgemeten slagen op de „brengbreng”<a class="noteRef" id="xd30e7363src" href="#xd30e7363">3</a> te ranselen en trok door dat ongewone geluid de Inlandsche bevolking, rondom zich<span class="corr" id="xd30e7369" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>In die woning waren Grenits, Grashuis en Van Nerekool, die reeds daags te voren aangekomen -waren, met Verstork in de weer, om de laatste hand te leggen aan het uitstallen van -het meubilair, dat straks verkocht zoude worden. Hier moest nog een schrijftafel verschikt, -daar eene kast anders geplaatst, elders een beeld of schilderij beter in het licht -gesteld worden. Grenits toch legde als scherpzinnig koopman zijne vrienden uit, dat, -na het adverteeren, de uitstalling de koopers het meest verlokt. -</p> -<p>Eindelijk was alles klaar, en met een soort opgetogenheid stapte het viertal de vertrekken -door, en bewonderde hunne beschikkingen, die vooral in de achtergalerij, waar het -tafelservies, glaswerk en kristal smaakvol gerangschikt waren, tot hun recht kwamen. -</p> -<p>„Alles ziet er zoo keurig uit!” kreet Grenits opgewonden, „dat men niet meenen zou, -zich te midden van het huishouden van een jonggezel te bevinden. Willem, ik voorspel -je eene prachtige vendutie!” -</p> -<p>De brengbreng weerklonk intusschen onverpoosd. -</p> -<p>Een paar rijtuigen reden in dat oogenblik het controleurserf op. Uit een daarvan stapte -de regent van Santjoemeh, en trad op de heeren toe. Na de gebruikelijke buiging: -<span class="pageNum" id="pb320">[<a href="#pb320">320</a>]</span></p> -<p>„Wel, Radhen Mas Toemenggong,” sprak Grashuis, opgeruimd over het verschijnen van -het Javaansche hoofd, „gij komt zeker veel koopen?” -</p> -<p>„<span lang="ms">Bangkali, toean; tapeh, koerang oeang!</span>” (misschien, mijnheer; maar, ik heb gebrek aan geld) antwoordde de regent met geheimzinnigen -glimlach. -</p> -<p>„Dat is wel te verhelpen, Radhen Mas,” lachte Grenits, „<span lang="ms">boleh bekin broeang!</span>”<a class="noteRef" id="xd30e7390src" href="#xd30e7390">4</a> (gij kunt beeren maken). -</p> -<p>Het bedachtzame hoofd lachte over de woordspeling, die hij begreep, maar antwoordde -niet. Hij had er den tijd niet toe. Uit het tweede rijtuig, een ruime tentwagen, was -een lid van de firma Gladbach en C<sup>o</sup>. met zijn schrijverspersoneel gestegen, en trad op Verstork toe. -</p> -<p>„Slechts nieuws, controleur!” fluisterde hij hem in het oor. -</p> -<p>„Wat is er?” -</p> -<p>„De Chineezen te Santjoemeh hebben het wachtwoord gekregen, om niet op uwe vendutie -te koopen.” -</p> -<p>„Van wien?” -</p> -<p>„Weet ik het?” antwoordde de berichtgever schouderophalend. -</p> -<p>Ja, dat was eene zeer slechte tijding; want de Chineezen kunnen, wanneer zij den verkooper -goedgezind zijn, zoo eene vendutie uiterst verlevendigen. Hunne onthouding dreigde -nu een ramp te worden. Verstork zuchtte eens, terwijl hij zijn inboedel overzag, die -nu gevaar liep voor een appel en een ei heen te zullen gaan. Die zucht werd hem niet -door hebzuchtige gevoelens afgeperst; maar wel door eene gedachte aan zijne dierbaren -daar ginds, die.… -</p> -<p>Hij had den tijd niet om zich aan zwaarmoedigheid over te geven. Thans volgden de -rijtuigen elkander met verbazende snelheid op. Tentwagens, milords, reiswagens, dos -à dos, en „kahar peer” (karretjes op veeren), stoven onafgebroken het erf van de controleurswoning -op, en ontlaadden hunnen last op het perron der voorgalerij. <span class="corr" id="xd30e7415" title="Bron: Talijke">Talrijke</span> ruiters en ook wandelaars van de naburige landgoederen <span class="pageNum" id="pb321">[<a href="#pb321">321</a>]</span>verschenen, en het kostte den oppassers inspanning, om die rijtuigen in de file te -doen blijven, om de gezadelde paarden behoorlijk te stallen, en de heeren uit te noodigen -naar binnen te treden. Alle maatschappelijke standen der Europeesche samenleving in -Indië waren daar vertegenwoordigd. Landeigenaars, landhuurders, koffieplanters, rijstplanters, -suiker- en indigo-fabrikanten, steenbakkers, bosch-ontginners<span class="corr" id="xd30e7420" title="Bron: .">,</span> handelaren, assuradeuren, expediteurs, tokohouders, notarissen, advocaten, rechters, -procureurs, zaakwaarnemers, officieren van alle wapenen, enz. enz. Het was alsof geheel -Santjoemeh naar Banjoe Pahit verhuisd was. Alle zaken stonden stil ter hoofdplaats. -Zelfs was er geen enkel huurrijtuig, dos à dos of kahar peer meer beschikbaar. Toen -de resident Van Gulpendam de bemerking maakte, dat die vervoermiddelen hunne gewone -standplaatsen niet innamen, kreeg hij ten antwoord, dat zij allen naar Banjoe Pahit -gereden waren. De hoofdambtenaar glimlachte op dat bericht, maar innerlijk met verbeten -woede. -</p> -<p>De brengbreng ging voort hare trillende tonen door het luchtruim te laten weerklinken. -</p> -<p>Wie het minst in Verstork’s woning vertegenwoordigd werden, waren de ambtenaren van -het Binnenlandsch Bestuur, alsook de kommiezen en schrijvers van het residentie-bureau. -Die hadden geen verlof tot dat uitstapje kunnen bekomen. -</p> -<p>Het allermeest verdrong zich daar evenwel, met de haar eigene bescheidenheid, de Javaansche -bevolking van Banjoe Pahit. Die kwam minder om te koopen, dan om ook eens een kijkje -te nemen in de woning van een blanken. -</p> -<p>Treêng, trrreêêng! klonk de brengbreng onophoudelijk. -</p> -<p>Toen de menigte nagenoeg bij elkander was, en de begroetingen en plichtplegingen onder -elkander afgeloopen waren, ging Verstork heen. Het stuitte hem tegen de borst op zijne -eigene vendutie tegenwoordig te zijn. Hij ging naar den „panghoeloe,” (Mohammedaansche -priester) met wien hij nog eenige zaken betreffende den priesterraad te bespreken -had. Na afloop der vendutie zou hij met Van Nerekool, Grashuis en Grenits naar Santjoemeh -rijden. -</p> -<p>Nauwelijks was hij vertrokken, toen de agent van de firma Gladbach en Co. den vendumeester -eenige woorden <span class="pageNum" id="pb322">[<a href="#pb322">322</a>]</span>toefluisterde, en deze aan een zijner bedienden een teeken gaf. Onmiddellijk daarop -liet de brengbreng zich in een versneld tempo hooren. De slagen op het metalen bekken -volgden elkander als een stormwind op. Dat helsche leven duurde een tiental minuten, -daarop hield het plotseling op. De vendutie nam een aanvang. -</p> -<p>Men zou den verkoop in de voorgalerij beginnen. Eene fraaie collectie bloemen in sierlijke -potten stonden dozijnsgewijs op de trappen der galerij. Die zouden het eerst aan de -beurt zijn. -</p> -<p>„<span lang="ms">Doewablas tampat kembang!</span> Twaalf bloempotten!” begon de venduafslager, terwijl de venduschrijver zich gereed -maakte de noodige aanteekeningen te maken. „<span lang="ms">Siapa taro oeang?</span> Wie biedt er geld op?”. -</p> -<p>„<span lang="ms">Satoe roepiah!</span>” (een gulden) riep eene stem. -</p> -<p>„<span lang="ms">Satoe roepiah!… Satoe roepiah!</span>” herhaalde de venduafslager met langgerekte en eentonige stem. -</p> -<p>„<span lang="ms">Satoe stengah!</span>” (een en een half) antwoordde eene andere stem. -</p> -<p>„<span lang="ms">Saatoe stengaah!</span>” herhaalde de afslager. -</p> -<p>„<span lang="ms">Doea roepiah!… Tiga roepiah!… Ampat roepiah!… Lima roepiah!</span>” (twee gulden, drie gulden, vier gulden, vijf gulden) volgden de opbiedingen achtereenvolgens. -</p> -<p>„<span lang="ms">Limaaa roepiaaah! soedah di tawar!</span>” (vijf gulden is geboden) dreunde de stem des afslagers, na het hoofd opvolgend naar -de bieders gewend te hebben, en thans den voorlaatsten aankijkende. -</p> -<p>„<span lang="ms">Delapan roepiah!</span>” (acht gulden) riep deze. -</p> -<p>„<span lang="ms">Delaapaan roepiaah!</span>” herhaalde de echo. „<span lang="ms">Delaapaan roepiaah, di tawar!</span>” -</p> -<p>Dat opende weer het vuur. -</p> -<p>„<span lang="ms">Dan stali!</span>” (en nog een kwartje) bood er een. -</p> -<p>„<span lang="ms">Delaapaan roepiaah, staali!</span>” -</p> -<p>„<span lang="ms">Delapan stenga!</span>” (acht en een half). -</p> -<p>„<span lang="ms">Delapan tiga tali!</span>” (acht drie kwart). -</p> -<p>„<span lang="ms">Sembilan roepiah!</span>” (negen gulden). -</p> -<p>„<span lang="ms">Sembiiilaan roepiaah!</span>” -</p> -<p>„<span lang="ms">Sapoeloeh!… Sablas!… Doeablas!… Tigablas!</span>” (Tien, elf, twaalf, dertien). -</p> -<p>„<span lang="ms">Tiiigaablaas roepiaah! soeda di tawar!</span>” -</p> -<p>„Te drommel, als ik maar wist, hoe ik die potten te Santjoemeh kreeg!” klonk eene -stem. -<span class="pageNum" id="pb323">[<a href="#pb323">323</a>]</span></p> -<p>„<span lang="ms">Tigaablaas roepiah, soedah di tawar! Tiigaablaas satoe kalie!</span>” (eenmaal). -</p> -<p>„Ik zal ze wel in mijn karretje nemen!” antwoordde een ander. -</p> -<p>„<span lang="ms">Tiigablaas!… doea kali!</span> (tweemaal). -</p> -<p>„<span lang="ms">Ampatblas!… Limablas!</span>” (veertien, vijftien) volgden de opbiedingen. -</p> -<p>„<span lang="ms">Liimaablaas roepiaah, di tawar!</span>” -</p> -<p>„<span lang="ms">Doeapoeloeh roepiah!</span>” (twintig gulden) klonk eene stem, die alles deed verstommen. -</p> -<p>„Een mooi bod,” mompelde Grenits. -</p> -<p>„<span lang="ms">Doeaapoeloeoeh roepiaah! Doeaapoeoeloeh roepiaah!… satoe kali!… Doeaapoeloeoeh roepiaah!… -doea kali!… Doeaapoeoeloeh roepiaah!… tiga kali …</span>” -</p> -<p>Boem! daar viel de hamer. -</p> -<p>„Wie is de kooper?” vroeg de venduschrijver. -</p> -<p>„Ik, mijnheer!” antwoordde een officier, die er niet meer jeugdig uitzag, en dan ook -oud eerste luitenant was. -</p> -<p>„Wie is ik?” vroeg de vendumeester uit de hoogte. -</p> -<p>„Langeveld, 1e luitenant der infanterie.” -</p> -<p>„Mijnheer Langeveld, betaalt gij comptant?” vroeg de vendumeester. -</p> -<p>„Comptant?” vroeg de officier verbaasd. „Het vendukantoor geeft drie maanden crediet.” -</p> -<p>„Alleen aan hen, die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement nebben.” -</p> -<p>„Die meer dan twee honderd vijftig gulden traktement hebben? Wie beveelt dat?” -</p> -<p>„De superintendent van het vendukantoor te Santjoemeh,” antwoordde de vendumeester. -</p> -<p>„De resident!” mompelde Van Nerekool. „Dat is infaam!” -</p> -<p>„Betaalt gij comptant?… Niet?…” ging de vendumeester voort, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>dan dient gij een borgtocht te stellen, anders moeten die bloempotten andermaal geveild -worden.” -</p> -<p>De officier, een man van onbesproken gedrag en naam, was vuurrood geworden bij die -onverwachte en noodelooze beleediging. -</p> -<p>„<span class="corr" id="xd30e7583" title="Bron: Luitenand">Luitenant</span> Langeveld, ik zal uw borg zijn!” riep Van Nerekool uit. -</p> -<p>De officier boog dankbaar. De tweede partij bloemen, die veel fraaier dan de eerste -waren, bracht echter geen<span id="xd30e7588"></span> rijksdaalder op. Blijkbaar waren alle aanwezigen onder <span class="pageNum" id="pb324">[<a href="#pb324">324</a>]</span>den indruk van de schandelijkheid, die daar gepleegd werd<span class="corr" id="xd30e7592" title="Niet in bron">.</span> Grenits begreep den toeleg van die handeling. Ras raadpleegde hij Van Nerekool en -eenige landheeren, die in de nabijheid stonden. Toen het derde dozijn bloempotten -zou geveild worden, riep een breedgeschouderde heer uit: -</p> -<p>„Een woordje, heer vendumeester. Er wordt hier eene laagheid zonder weerga beproefd, -die de heeren Van Nerekool, Grenits en ik wenschen te verijdelen. Voor ieder, die -op deze vendutie wenscht te koopen en in de termen valt om borgtocht te moeten stellen, -bieden wij ons tot borg aan!” -</p> -<p>„Bravo! Bravo!” was de algemeene kreet. -</p> -<p>„Is dat tot uw genoegen, heer vendumeester?” -</p> -<p>Deze knikte goedkeurend. Wat zou hij anders hebben kunnen doen? -</p> -<p>Nu was er evenwel geen houden meer aan. De derde partij bloemen bracht reeds tachtig -gulden op. De laatste twee honderd en vijftig. Het is waar Grenits had bij het opveilen -van die partij uitgeroepen: -</p> -<p>„Crotons! Prachtige mooie Crotons,<a class="noteRef" id="xd30e7601src" href="#xd30e7601">5</a> waaronder de <span lang="ms">Adal adal</span>, de Camilla, de Kamilakkian, de wasdragende Croton! Wie biedt er geld op? Ik zet -ze in voor zestig gulden!” -</p> -<p>Een gejuich volgde. En daar ging het. Zeventig … tachtig … negentig gulden! Hooger! -Nog hooger, totdat de twee honderd vijftig bereikt waren. De gelukkige verwerver ontving -een algemeen hoerah, en menigen handdruk, alsof hij het groote lot uit de staatsloterij -getrokken hadde. -</p> -<p>Toen was de stoot gegeven! Stoelen, tafels, matten, lampen, kasten, spiegels, schilderijen, -enz. enz. dat alles ging voor verbazend hooge prijzen. Het was in waarheid een stormloop, -waarbij ieder der aanwezenden iets van dien inboedel machtig trachtte te worden. Men -zag daar lange gezichten, niet over de bestede sommen, maar omdat de prijzen zoo hoog -liepen, dat zij onmogelijk voor ieders beurs bereikbaar waren. -</p> -<p>In de achtergalerij bereikte evenwel de opgewondenheid haar toppunt. -<span class="pageNum" id="pb325">[<a href="#pb325">325</a>]</span></p> -<p>„Twaalf bitterglaasjes!” riep de venduafslager. -</p> -<p>Het waren gewone glazen kelkjes, die in Nederland met een stuiver het stuk, in Indië -met een kwartje goed betaald waren. -</p> -<p>„Twaalf bitterglaasjes! Doeablas glas pahit!” herhaalde de afslager. -</p> -<p>„Waaruit de bitter overheerlijk smaakt,” riep Grashuis. „Dat weet ik bij ondervinding!” -</p> -<p>„We zouden ze kunnen probeeren,” riep eene stem. „Daar in dat drankzetje staat eene -karaf met bitter!” -</p> -<p>Een gejuich ging bij dat voorstel op. Een schenker was reeds bezig. -</p> -<p>„Twaalf bitterglaasjes!” herhaalde de afslager met lang gerekte stem. -</p> -<p>„Welk bitter is het?” -</p> -<p>„Maagdbitter!” riep een sienjo. -</p> -<p>„Pahit prawan!” vertaalde een tottokh.<a class="noteRef" id="xd30e7629src" href="#xd30e7629">6</a> -</p> -<p>„Een donderend hoerah begroette die proeve van overzetten. -</p> -<p>„Kees, je moet tolk worden! Beëedigd tolk! Daar ga je! Ik drink je gezondheid met -je pahit prawan!” -</p> -<p>„<span lang="ms">Doeablaas glaas pahiiit! Siapa njang taro oeang?</span><span id="xd30e7643"></span> Die een koopt, koopt twaalf! <span lang="ms">Siapa njang bli satoe, bli doeablaas!</span>” dreunde de venduafslager. -</p> -<p>„Een ringgiet!” riep Grenits. -</p> -<p>„<span lang="ms">Doeaa roepiaah stengaah! Doeaaa stengaaah!</span>” -</p> -<p>„<span lang="ms">Tiga!<span class="corr" id="xd30e7658" title="Bron: ..">…</span> Ampat!… Lima!… Anam!</span>” (drie, vier, vijf, zes), weerklonk het achtereenvolgens met de grootste snelheid. -Het was den venduafslager onmogelijk de opbiedingen te herhalen; hij stond maar met -het hoofd te draaien en te wenden, om te pogen de bieders aan te zien. -</p> -<p>„<span lang="ms">Aanaam roepiaah, di tawar!</span>” kreeg hij eindelijk gelegenheid te roepen. -</p> -<p>„<span lang="ms">Toedjoeh!… Delapan!…</span>” (zeven … acht). -</p> -<p>„Een tientje!” riep Grenits<span class="corr" id="xd30e7674" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>„<span lang="ms">Saapoeloeh roepiaah!</span>” vertolkte de venduafslager onverstoorbaar kalm. Hij had wel andere kunststukken -op dat gebied in zijn leven gezien. -</p> -<p>„<span lang="ms">Sapoeloeoeh roepiaah! Toean toean, tida di taro lagie?</span>” (Bieden de heeren niet hooger). -<span class="pageNum" id="pb326">[<a href="#pb326">326</a>]</span></p> -<p>„Me dunkt!” prevelde er een. -</p> -<p>„<span lang="ms">Saapoeoeloeh roepiaah! Saapoeloeoe roepiaah! Satoe kali.… Saapoeoeloeh roepiaah! doea -kali.… Saapoeloeoeh roepiaah! tiga kali!</span>” -</p> -<p>Boem! -</p> -<p>„Een duur stelletje!” mompelde een luitenant. „Honderd twintig gulden. Wat moet de -pahit daaruit lekker smaken!” -</p> -<p>„Vooral pahit prawan!” -</p> -<p>„Schenk dan nog eens in!” -</p> -<p>Het laatste stuk der vendutie, eene gajoeng, eene eenvoudige gesteelde klapperdop, -om zich water in de badkamer mede over het lichaam te storten, bracht vijf en twintig -gulden op. -</p> -<p>De vrienden hadden eer van hun werk. Toen dan ook een half uur later, de venduschrijver -het totaal van de opbrengst mededeelde, liep de controleurswoning gevaar in te storten -door het gejuich, dat onder haar dak opging. -</p> -<p>„Negen duizend, zeven honderd veertig gulden!” riep Verstork verbaasd; toen hij daarvan -mededeeling kreeg. -</p> -<p>„Het rommeltje was geen twee duizend waard! Vrienden, mijn dank!” -</p> -<p>En met warmte drukte hij Van Nerekool, Grashuis, Van Beneden en Grenits de hand. -</p> -<p>„Gij hebt mij voor bange zorgen bewaard!” fluisterde hij hun in het oor. -</p> -<p>Acht dagen later stond onze controleur opgeruimd en onbekommerd aan boord van de <i>Tambora</i>, de boot, die hem naar zijne nieuwe standplaats moest overbrengen. Bemoedigd en vertrouwvol -nam hij afscheid van de getrouwen, die hem tot aan boord uitgeleide gedaan hadden. -</p> -<p>„Nogmaals dank! innigen dank!” voegde hij hun toe. -</p> -<p>Het vendu-accept had hij door bemiddeling van Grenits zoo voordeelig mogelijk verzilverd, -en toen hij te Batavia aankwam, droeg hij een zeer groot gedeelte van die som aan -zijne moeder af, met aanbeveling niet roekeloos met dat geld om te springen, daar -het wel eens zou kunnen gebeuren, dat hij ten gevolge zijner overplaatsing het bedrag -zijner maandelijksche toelage zou moeten verminderen. -</p> -<p>Toen de <i>Tambora</i> de kim nabij was, wuifden nog ettelijke zakdoeken hem van uit een „tambangan” (sloep) -op de reede van Santjoemeh na. -</p> -<p>„Brave, edele kerels!” prevelde hij over de verschansing gebogen, en wischte zich -een traan uit het oog. -<span class="pageNum" id="pb2.1">[<a href="#pb2.1">1</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e7206"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7206src">1</a></span> <i>Nontonnende.</i> Nontonnen is eene Indische uitdrukking, waarmede te verstaan gegeven wordt: buiten -gade te slaan, te zien of te hooren, wat binnen gebeurt. Geschiedt in Ned. Indië bij -concerten, opera’s, receptiën, enz. veel. Bij zulke gelegenheid is soms meer publiek -buiten dan binnen. <a class="fnarrow" href="#xd30e7206src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7327"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7327src">2</a></span> Dat was bij den val van den minister Van Bloemen Waanders. <a class="fnarrow" href="#xd30e7327src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7363"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7363src">3</a></span> <i>Brengbreng</i> is een metalen bekken, dat wanneer er op geslagen<span id="xd30e7366"></span> wordt, een uiterst onaangenamen trillenden toon voortbrengt. Dit bekken wordt bij -oproepingen, maar vooral bij vendutiën gebruikt. <a class="fnarrow" href="#xd30e7363src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7390"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7390src">4</a></span> <i lang="ms">Broeang</i> beteekent in het maleisch: beer, de Ursus der zoölogen. <span lang="ms">Bekin broeang</span>, in de beteekenis, die in den tekst daaraan gegeven is, zou gelijk staan of een Hollander -tegen een Franschman van <i lang="fr">faire des ours</i> gewaagde. <a class="fnarrow" href="#xd30e7390src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7601"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7601src">5</a></span> <i>Crotons</i><span class="corr" id="xd30e7603" title="Niet in bron">.</span> De <span lang="ms">Adal adal</span> wordt door de plantenkundigen: C. Tiglium, de Kamilakkian: C. Corylifolius, de Camilla: -Rothlera tinctoria of C. Philippense, de wasdragende: C. Sebiferus genoemd. <a class="fnarrow" href="#xd30e7601src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7629"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7629src">6</a></span> <i>Tottokh</i> is de benaming van de blanken, die niet in <span class="corr" id="xd30e7632" title="Bron: Ned.-Indie">Ned.-Indië</span> geboren zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e7629src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch23" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e826">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIII.</h2> -<h2 class="main">Eene verhinderde landraadzitting.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Voor de pandoppo van de regentswoning, uitkomende op de aloon-aloon<a class="noteRef" id="xd30e7725src" href="#xd30e7725">1</a> te Santjoemeh, waarin de leden van den landraad op de hoofdplaats van het gewest -de vierschaar spanden, hield op zekeren dag, niet lang na al het gebeurde, wat in -de vorige hoofdstukken medegedeeld werd, een rijtuig stil, en stapte een man er uit, -die op het gezicht van de vrij talrijke menigte, welke zich voor de trappen van het -luchtige gebouw bewoog, eenigszins verwonderd opkeek, maar niettemin kalm en deftig -het perron opsteeg, hetwelk toegang tot de binnenruimte verleende. -</p> -<p>Die man was Mr. Zuidhoorn, voorzitter van den landraad, die gekomen was, om op den -gestelden dag de terechtzitting te openen. De menigte, welke zich voor de pandoppo -verzameld had, waren meerendeels Javanen. Dat was een zeer opmerkelijk feit, hetwelk -de aandacht van den rechterlijken ambtenaar moest trekken; want de Javaan, vroeger -zoo gewoon de terechtzittingen zijner Boepati’s<a class="noteRef" id="xd30e7733src" href="#xd30e7733">2</a> onder de Wariengien’s der aloon-aloon bij te wonen, betoont zich thans zeer schuw -om de Nederlandsche gerechtszalen te betreden. In den regel verschijnt hij daar niet -dan geboeid of door een paar politiedienaren <span class="pageNum" id="pb2.2">[<a href="#pb2.2">2</a>]</span>geëscorteerd, dus als beschuldigde, misdadiger of getuige. -</p> -<p>Onder de verzamelde menigte bevonden zich ook ettelijke Chineezen, en allen wachtten -in spanning de dingen, die komen zouden. -</p> -<p>„Wat beteekent die oploop, mijnheer Thomasz?” vroeg de heer Zuidhoorn bij het binnenkomen -aan den substituut-griffier, die hij in de pandoppo ontmoette. -</p> -<p>Deze, een Inlandsch kind,<a class="noteRef" id="xd30e7742src" href="#xd30e7742">3</a> keek bij die vraag eenigszins vreemd op. -</p> -<p>„Gij ziet mij verrast aan,” ging Mr. Zuidhoorn voort. „Wat kan die menigte hier te -zamen brengen?” -</p> -<p>„Die menschen zijn benieuwd, hoe het zal afloopen,” antwoordde de substituut niet -zonder aarzeling. -</p> -<p>„Wat afloopen?” -</p> -<p>„Wel, de terechtzitting, mijnheer.” -</p> -<p>„De terechtzitting?… Biedt die dan heden zoo iets bizonders aan?” -</p> -<p>De substituut was blijkbaar niet op zijn gemak. -</p> -<p>„Mijnheer schijnt niets te weten van hetgeen er omgaat,” zei hij met haperende stem. -</p> -<p>„Wat er omgaat?… Wat gaat er dan om?” -</p> -<p>De angstvalligheid van den heer Thomasz nam zichtbaar toe. Een vaal waas verspreidde -zich over zijn overigens toch al niet blank gelaat. -</p> -<p>„Maar, spreek dan toch!” zei Mr. Zuidhoorn met klem. -</p> -<p>„De Inlandsche leden.… van den landraad … hebben een brief van den resident ontvangen,” -kwam er hakkelend uit. -</p> -<p>„Een brief?… De Inlandsche leden?… Maar, wat behelst die brief? Spreek dan toch!” -</p> -<p>„Die brief behelst het verbod, om met u zitting te nemen in den landraad.” -</p> -<p>„Verbod, om met mij zitting te nemen!… Scheelt het u in het hoofd, mijnheer Thomasz?” -</p> -<p>„Neen, waarlijk niet, mijnheer,” antwoordde de substituut met een pijnlijken glimlach. -„Gij ondervraagt mij; ik antwoord u. Dat verbod is ook.…” -</p> -<p>„Ga voort, wat ik u bidden mag. Dat verbod is ook?…” -<span class="pageNum" id="pb2.3">[<a href="#pb2.3">3</a>]</span></p> -<p>„Aan de Chineesche officieren adviseurs bij den landraad en aan den hoofddjaksa verstrekt; -zoodat …” -</p> -<p>„Zoodat?” -</p> -<p>„Er geen zitting kan plaats hebben, daar gij alleen zult zijn.” -</p> -<p>„Hoe is het mogelijk?…” kreet de rechterlijke ambtenaar. „Weet ge wat, mijnheer Thomasz. -Mijn rijtuig staat nog voor. Rijd daarmede dadelijk naar die Inlandsche leden, ook -naar de Chineesche adviseurs en naar den hoofddjaksa, en zeg hun, dat ik gelast, dat -zij komen moeten! Het is heden zittingsdag, en zitting zal er gehouden worden!” -</p> -<p>„Ik zal uwe bevelen volbrengen, mijnheer Zuidhoorn; want gij zijt mijn onmiddellijke -chef,” antwoordde de substituut. -</p> -<p>„Goed! Haast u dan.” -</p> -<p>Toen de substituut vertrokken was, liep Mr. Zuidhoorn de leege pandoppo opgewonden -op en neer. -</p> -<p>„Het is ongehoord!” riep hij, tot zichzelf sprekende uit. „Ik kon en mocht niet veronderstellen, -dat men de zaken zoo ver zou drijven! Toch had ik zulks kunnen voorzien. Domoor, die -ik ben! Toen ik weken geleden die opdracht van den resident ontving, om de volgorde -van de aanhangige gedingen te veranderen, en waaraan ik weigerde te voldoen, kreeg -ik wel inzicht, dat er iets bizonders aan de hand was; maar dat men tot zulken willekeur -zou durven overgaan.…. Zelfs toen ik acht dagen geleden de schriftelijke verklaring -van den resident ontving, dat ik niet meer bevoegd was om den landraad voor te zitten, -omdat mij een verlof naar Europa verleend was, kon ik niet denken, dat men tot zulke -wetsverkrachting zou overslaan. Ook niet, toen de resident mij gisteren berichtte, -dat hij van de hem bij artikel 92 van de Indische rechterlijke organisatie verleende -bevoegdheid wenschte gebruik te maken, om de eerste landraadzitting te presideeren. -Beide aanschrijvingen nam ik eenvoudig voor kennisgeving aan, en beantwoordde ze dus -niet, in de meening, dat niemand zoo dwaas zou kunnen zijn, om op zoo ergerlijke wijze -met de wettelijke bepalingen om te springen. Want, dwaas is het, een artikel van eene -verouderde organisatie, die vastgesteld werd, toen er nog niet aan gedacht werd, om -afzonderlijke <span class="pageNum" id="pb2.4">[<a href="#pb2.4">4</a>]</span>rechterlijke ambtenaren tot voorzitters van landraden aan te stellen, te baat te willen -nemen. Maar.…. wat is er toch aan de hand?” vroeg hij zich af. -</p> -<p>En den bundel processtukken naslaande, dien de substituut-griffier op de groene tafel -had neergelegd, las hij op de agenda de eerst voorkomende gedingen, en mompelde zijne -opmerkingen daarachter: -</p> -<p>„’Mbok Bardjå, beschuldigd van clandestine vervoer van koffie!… Arm volk, dat gedwongen -wordt om koffie te planten; maar zelf geen koffie mag drinken, en zich met het aftreksel -van koffiebladeren moet tevreden stellen!” -</p> -<p>„Bariddin, beschuldigd van eene „toedoeng patjoelon” (ambtenaarspet) in het openbaar -gedragen te hebben.… Bespottelijk, die ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur! zoo iets -is heiligschennis in hun oogen!” -</p> -<p>„Sarina, beschuldigd van een kind te vondeling te hebben gelegd.… Beter dan het wicht -in een gracht gesmeten te hebben, zooals in Europa bij dergelijke ongevallen gewoonlijk -gebeurt.” -</p> -<p>„Pak Ardjan, be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.. en.. ver..won..ding.. van.. -een.. po..li..tie.. op..pas..ser.…. Ik geloof, dat ik er ben! Daar gaat me een licht -op … En die tweede zaak: -</p> -<p>„Ardjan.. be..schul..digd.. van.. opium.. smokkel.…. Ardjan!.. de verloofde van baboe -Dalima.” -</p> -<p>En de rechterlijke ambtenaar had die beide laatste zaken, voorkomende op zijn agenda, -gelezen met een nadruk, alsof hij de lettergrepen wilde tellen, daarna bleef hij in -gedachten verzonken, en bracht den wijsvinger aan het voorhoofd. -</p> -<p>„Dat ik dàt heb kunnen vergeten! En Van Nerekool, welke die zaak nog zoo met me besproken -heeft! En.… overmorgen vertrek ik naar Nederland.… Maar, neen, de terechtzitting zal -heden plaats hebben! Het koste wat het wil!… Wij zullen zien!” -</p> -<p>Ja, de rechterlijke ambtenaar zou zien; maar niet zoo als hij bedoelde. Hij zou zien, -dat de zitting niet plaats zou hebben. -</p> -<p>Zoover met zijne alleenspraak <span class="corr" id="xd30e7788" title="Bron: geokmen">gekomen</span>, ging de deur open, en verschenen de regent van Santjoemeh en een der aanzienlijkste -Javaansche hoofden van de residentie, met name Radhen Ngahebi Wirio Kesoemo, beiden -leden van den landraad, en aan de beurt om zitting te nemen, <span class="pageNum" id="pb2.5">[<a href="#pb2.5">5</a>]</span>alsook de hoofdpanghoeloe (hoofdpriester) met zijn onafscheidelijken Koran in de hand. -Beide eersten bevestigden het bericht, door den substituut aan Mr. Zuidhoorn medegedeeld, -namelijk: dat de resident hen verboden had, om de zitting bij te wonen. Zij waren -evenwel opgekomen, nu de Kandjeng toean rakker hen opgeroepen had. -</p> -<p>„Maar, waarop grondt de resident dat verbod?” vroeg de rechterlijke ambtenaar. -</p> -<p>De regent trok de schouders op, en antwoordde voorzichtiglijk niet. Radhen Ngahebi -evenwel zeide: -</p> -<p>„Ik bracht gisteren avond een bezoek op het residentiehuis en vernam toen van den -Kandjeng toean, dat mijnheer, na verlof naar Nederland verkregen te hebben, het recht -niet meer heeft, om den landraad voor te zitten, en dat daarom dat verbod was uitgevaardigd.” -</p> -<p>Mr. Zuidhoorn glimlachte verachtelijk, maar sprak tegenover de Inlandsche hoofden -geen woord, dat aan het prestige van den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag -in de residentie te kort zou kunnen doen. Hij zou er ook de tijd niet toe gehad hebben; -want na de Javaansche grooten traden de Chineesche adviseurs binnen, die almede met -een grooten, maar omzichtigen omhaal van woorden den „toean lakkel”<a class="noteRef" id="xd30e7799src" href="#xd30e7799">4</a> betuigden, dat het hunne schuld niet was, dat zij zoo laat ter zitting verschenen. -</p> -<p>Eindelijk trad de hoofddjaksa binnen, die na zijn eerbiedigen groet aan den voorzitter -en de leden van den landraad gebracht te hebben, mededeelde, dat hij heden ochtend -bij den resident geroepen was geworden, en daar den mondelingen last ontvangen had, -de zitting van den landraad niet bij te wonen. -</p> -<p>„Ik ben evenwel Inlandsch officier van justitie, en derhalve onder u, mijnheer Zuidhoorn, -ressorteerende, kom ik uwe bevelen vragen,” zoo eindigde hij zijne betuiging, terwijl -hij voor zijn chef diep boog. -</p> -<p>„Djaksa,” antwoordde de voorzitter, „in dezen heb ik u geene bevelen te geven. Gij -bekleedt bij de rechterlijke macht zoo’n standpunt, dat gij zelf moet weten, wat gij -<span class="pageNum" id="pb2.6">[<a href="#pb2.6">6</a>]</span>te doen of te laten hebt. Ik voor mij ben stellig van plan zitting te nemen, en daar -nu de raad voltallig is, wil ik de vergadering openen. Ik verzoek de heeren plaats -te nemen.” -</p> -<p>Nauwelijks was dat geschied, en had Mr. Zuidhoorn den traditioneelen hamer reeds ter -hand, gereed om de terechtzitting te openen, toen de achterdeur van de pandoppo openging, -en de secretaris der residentie in de omlijsting daarvan verscheen. De man was in -ambtsgewaad, terwijl, omgeven door een troep oppassers, waarvan een den dichtgeslagen -residents-pajoeng achter hem verhief, ten teeken dat de verschijnende in naam van -den titularis optrad. Zonder zich eenigen groet te verwaardigen, begon de secretaris: -</p> -<p>„Gij, Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, en gij, Radhen Ngabehi Wirio Kesoemo<span class="corr" id="xd30e7811" title="Bron: .">,</span> en gij, panghoeloe Mas Ali Ibrahim, en gij, Ong Ang Thay en Kwee Lie Liang, hebt -als leden, als priester en als adviseurs bij den landraad te Santjoemeh gisteren een -schriftelijk bevelschrift van den Kandjeng toean resident ontvangen, inhoudende pertinent -verbod om deze raadszitting bij te wonen. Ik ben door den Kandjeng toean resident -gezonden, om te vernemen, wat ulieden bewogen kan hebben, een zoo grooten misslag -te plegen, als gelegen is in het wetens en willens niet opvolgen van de bevelen van -hem, die de vertegenwoordiger is van den Kandjeng toean <span class="corr" id="xd30e7814" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span>, die op zijne beurt te Batavia de plaats bekleedt van den Kandjeng toean Radja dari -Tanah Nederland dan Hindia? Spreek, ik ben gereed om te hooren, wat gij tot verschooning -van zoo’n ongehoorzaam gedrag hebt in te brengen. Zijt overtuigd, dat de Kandjeng -toean resident uwe redenen met rechtvaardigheid zal weten te wikken en te wegen.” -</p> -<p>Eene diepe stilte trad na die woorden in. Het was, zondert men Mr. Zuidhoorn uit, -alsof de mannen, die daar bij elkander zaten, bang waren om adem te halen. Zij durfden -elkander niet aan te kijken, en zouden wel in den grond hebben willen verdwijnen. -Hoe waren zij er toch toe gekomen, om de bevelen van den Grooten Heer te weerstreven? -Hunne ongehoorzaamheid was verregaand! Zou de Kandjeng toean wel te verzoenen zijn? -Zoo waren de gedachten, die het brein doorkruisten van die onafhankelijken, <span class="pageNum" id="pb2.7">[<a href="#pb2.7">7</a>]</span>die heetten recht te moeten spreken over hunne Inlandsche ondergeschikten. -</p> -<p>Mr. Zuidhoorn, die het Javaansche volkskarakter kende, die den deemoed der Javaansche -grooten voor de Nederlandsche bestuurders had leeren peilen, en hen somwijlen in zijne -gedachte met den hond vergeleken had, die niet zelden de hand likt, welke hem afrost, -had medelijden met hen. Dat zij toch zoo’n ontzettende afhankelijkheid aan den dag -legden, ook waar zij geroepen waren, om plichten uit te oefenen, die niet dan met -volstrekte onafhankelijkheidszin uit te voeren waren, was minder hun te wijten, dan -aan het volk, dat eeuwenlang die afhankelijkheid ter wille van zijn uitzuigingsstelsel -stelselmatig gekweekt had. Na een poos rondgekeken en afgewacht te hebben, of een -der hoofden zich wenschte te verantwoorden, sprak hij ernstig en plechtig, nadat de -secretaris ongeduldig nog gevraagd had: -</p> -<p>„Radhen Mas Toemenggoeng en Radhen Ngabehi, ik wacht op het antwoord, dat ik den Kandjeng -toean resident moet overbrengen.” -</p> -<p>„En wat ik u geven zal, heer secretaris,” antwoordde de Europeesche rechterlijke ambtenaar. -„Ik, als voorzitter van den landraad te Santjoemeh, aan wien de leden, de priester, -en de adviseurs in zaken, dien raad rakende, rechtstreeks ondergeschikt zijn, heb -heden ochtend pertinente bevelen verstrekt, om ter terechtzitting te verschijnen. -Die leden en adviseurs hebben dus niets misdreven, daar zij stipt de bevelen van hunnen -onmiddellijken chef hebben opgevolgd. De geheele verantwoordelijkheid komt op mij -neer. Wil zoo goed zijn, heer secretaris, deze mijne woorden aan den resident mede -te deelen, en verder door uwe tegenwoordigheid de opening der terechtzitting niet -te vertragen.” -</p> -<p>„Mijnheer Zuidhoorn, na uw verkregen verlof, hebt gij geen recht meer om den landraad -voor te zitten, en moet ik protest aanteekenen tegen hetgeen hier gebeurt, en het -voorzitterschap opeischen voor den resident, die het zelf en heden nog wenscht uit -te oefenen.” -</p> -<p>„Ik wensch, heer secretaris,” antwoordde Mr. Zuidhoorn, „in geen debat met u te treden -over mijne rechten. Gij kunt aan den resident antwoorden, dat ik mijn voorzitterszetel -niet afsta. Ik wensch mijn plicht tot het laatst <span class="pageNum" id="pb2.8">[<a href="#pb2.8">8</a>]</span>nauwgezet te vervullen. Nogmaals moet ik u verzoeken den raad van uwe tegenwoordigheid -te ontslaan, opdat hij zijne werkzaamheden kunne beginnen.” -</p> -<p>„Mijnheer Zuidhoorn, weet wel wat ge doet!” klonk het dreigend uit des secretaris -mond. -</p> -<p>„De geheele verantwoordelijkheid komt op mij neer, heer secretaris. Deurwaarder, zorg -dat de zitting ongestoord kan geopend worden!”<a class="noteRef" id="xd30e7833src" href="#xd30e7833">5</a> -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De resident Van Gulpendam vloog schuimbekkend op, toen hij die boodschap kreeg. In -de hevigste gramschap liep hij de ruime voorgalerij van het residentiehuis op en neer, -waarbij hem de secretaris als een hondje volgde, maar hem door zijne zwaarlijvigheid -niet bij kon houden<span class="corr" id="xd30e7850" title="Bron: ,">.</span> -</p> -<p>„O, die hoon!” kreet de vertoornde machthebbende in volle woede. „Die hoon! Ik zal -hem wreken! Maar—wat te doen?… Intusschen gaat de raad zijn gang, en volgt waarschijnlijk -vrijspraak!… Die lui van de rechterlijke macht zijn tot alles in staat! Maar, daar -valt mij iets in.… een kompagnie soldaten.… Ik zal ze met de bajonet als een troep -meeuwen uit elkander laten jagen!” -</p> -<p>Hij stormde naar zijn kantoor,—weinig indachtig, dat dergelijke Buonepartsche maatregelen -niet erg met het Nederlandsche volkskarakter strooken,—om den militairen kommandant -per briefje te verzoeken bij hem te komen. Toen hij dat kattebelletje klaar had, riep -hij met zoo’n stentorstem: „Oppass! Oppass!” dat al de <span class="corr" id="xd30e7856" title="Bron: opoppassers">oppassers</span> en het geheele dienstpersoneel van het erf aangevlogen kwamen, in de meening, dat -er onraad was. Zelfs de pradjoerits, die op schildwacht stonden, velden heldhaftig -hunne geweren tegen een denkbeeldigen vijand, en wachtten in die krijgshaftige houding -de dingen af, die komen zouden. Ook de schoone Laurentia, die in de pandoppo met haar -kokkie de geheimzinnige bestanddeelen en manipulatiën eener kippen-frikadel te detailleeren -zat, <span class="pageNum" id="pb2.9">[<a href="#pb2.9">9</a>]</span>was opgevlogen, en stormde, terwijl zij met bevende hand hare onbescheiden kabaja -trachtte in bedwang te houden, de voorgalerij in, met den uitroep: -</p> -<p>„Wat is er? Wat is er?” -</p> -<p>Maar, voor dat de resident kon antwoorden, en voor hij zijn briefje had kunnen afgeven, -beklom de substituut-griffier bij den landraad de treden der galerij. Op dat gezicht -vloog Van Gulpendam, wel kunnende bevroeden dat daar tijding kwam, en zijn ongeduld -niet kunnende bedwingen, den aankomende te gemoet en vroeg onstuimig: -</p> -<p>„Wat is er, mijnheer Thomasz?” -</p> -<p>„Resident, ik kom u mededeelen, dat de landraad uit elkander gegaan is, en zijne zitting -tot heden over acht dagen uitgesteld heeft.” -</p> -<p>„Wat?… uit elkander gegaan?… Na het gebeurde met den secretaris?… Hebben de leden -geweigerd zitting te nemen?… O, die trouwe hoofden!” -</p> -<p>„Neen, resident, met uw verlof. De hoofden hebben niet geweigerd zitting te nemen.” -</p> -<p>„Niet?… Wat is er dan gebeurd?” -</p> -<p>„Toen Mr. Zuidhoorn de vergadering wilde openen en reeds de woorden sprak: „Deurwaarder, -zorg dat de zitting kan geopend worden,” bleek het, dat de deurwaarder verdwenen was.” -</p> -<p>„De deurwaarder verdwenen?” -</p> -<p>„Ja, resident. Die had zich uit de voeten gemaakt.” -</p> -<p>Het gelaat van Van Gulpendam glom van genoegen. -</p> -<p>„Maar, dat belette toch niet, dat de zitting doorging?” vroeg hij. -</p> -<p>„Ik had dien deurwaarder bij het heengaan opgedragen,” kwam hier de secretaris tusschenbeide, -„een stuk te schrijven, om den heer Zuidhoorn en de leden van den landraad te sommeeren, -het lokaal te ruimen.” -</p> -<p>„Een krasse maatregel, secretaris,” meende Van Gulpendam. -</p> -<p>„Keurt u hem af, resident?” -</p> -<p>„Ik!… Integendeel, maar wat gebeurde er verder?” -</p> -<p>„De arme drommel kon van verbouwereerdheid niet schrijven,” ging de secretaris voort, -„zoodat ik van dikteeren moest afzien; maar hem opdroeg de sommatie mondeling te beteekenen.” -</p> -<p>„En toen?” vroeg de resident. -<span class="pageNum" id="pb2.10">[<a href="#pb2.10">10</a>]</span></p> -<p>„Toen ben ik heengegaan, resident, om u kennis te geven.” -</p> -<p>„Maar dan zal de heer Thomasz ons kunnen vertellen, wat er verder gebeurde?” -</p> -<p>„Toen de deurwaarder weer binnen kwam,” hernam de substituut-griffier, „stamelde hij -eenige onverstaanbare woorden, die door niemand begrepen werden, en waarvan Mr. Zuidhoorn -geen notitie meende te moeten nemen. Hij liet den hamer neervallen, om de zitting -te openen, en verzocht den hoofddjaksa, de akte van beschuldiging van de eerste zaak -in te brengen.…” -</p> -<p>„Welke was die zaak, mijnheer Thomasz?” vroeg Van Gulpendam nieuwsgierig. -</p> -<p>„Een clandestien koffievervoer, resident, gepleegd door eene oude vrouw.” -</p> -<p>„En verder?” -</p> -<p>„Ja, Mr. Zuidhoorn had goed rondkijken, en dat deed hij ook met groote oogen; want -de hoofddjaksa, die een oogenblik te voren naast en op eenigen afstand van den voorzitter -gezeten was, was nu op zijne beurt verdwenen.”~ -</p> -<p>„Verdwenen?” -</p> -<p>De heer Van Gulpendam schaterde het uit. -</p> -<p>„Ik kan mij het gezicht van Mr. Zuidhoorn verbeelden,” zei hij. „Mijnheer Thomasz, -gij zijt een onbetaalbaar verteller op den bak! Maar verder? Laat vieren je loglijn!” -</p> -<p>„De djaksa werd overal gezocht, maar nergens gevonden. Een der hulpdjaksa’s werd toen -geroepen. Maar, hoewel die een oogenblik te voren allen in de pandoppo aanwezig waren, -kostte het moeite om er een te ontmoeten.” -</p> -<p>„Dus werd er toch een gepraaid?” -</p> -<p>„Ja, resident.” -</p> -<p>„Hoe jammer!” -</p> -<p>Die uitroep ontsnapte den hoofdambtenaar zijns ondanks. -</p> -<p>„Er werd niets bij verbeurd,” antwoordde de substituut-griffier leuk. -</p> -<p>„Hoe dat zoo? Vertel op.” -</p> -<p>„Wel, toen Mr. Zuidhoorn den adjunct-djaksa beduidde, dat hij de plaats moest vervullen -van den afwezigen hoofddjaksa, kreeg de ongelukkige gepreste zoo’n aanval van buikpijn …” -</p> -<p>„Een aanval van buikpijn?” kreet de resident <span class="corr" id="xd30e7904" title="Bron: opgewonpen">opgewonden</span>. „Kostelijk! Kostelijk! En moest zeker naar het galjoen?” -<span class="pageNum" id="pb2.11">[<a href="#pb2.11">11</a>]</span></p> -<p>„Zoo’n aanval van buikpijn, dat hij de zonderlingste gezichten trok en zich in allerlei -bochten wrong.” -</p> -<p>„Onbetaalbaar! Ha, ha, ha!” -</p> -<p>„En eindelijk, met beide handen voor den buik en de gestalte in tweeën gebogen, op -een drafje wegliep.” -</p> -<p>„Met beide handen voor den buik!… Ha, ha, ha! Onbetaalbaar!” -</p> -<p>„Ja, resident, en er waren leden van den raad, die zich den neus toeknepen. Zij meenden, -dat de gevolgen van die plotseling ingetreden buikpijn reeds hunne reukorganen bereikten.” -</p> -<p>„Stop!… mijnheer Thomasz!… ha, ha, ha!… Ankeren!… Gij doet mij in katzjammer vallen -van het lachen.” -</p> -<p>De substituut keek als droog komiek ernstig rondom zich. In zijne ambtelijke loopbaan -had hij nimmer zoo’n succes behaald. Hij meende aangemoedigd te worden en dus te moeten -voortgaan. -</p> -<p>„Ja, maar, resident, dat was het koddigste niet.” -</p> -<p>„Niet? Nu loop dan van stapel.” -</p> -<p>„Neen, resident. Het koddigste was het gezicht van den heer Zuidhoorn. Dat hadt ge -moeten zien. Met open mond, met gefronste wenkbrauwen en met starren blik keek hij -over zijn bril, dien hij heel laag op den neus had hangen, den vluchtenden djaksa -na, terwijl hij in zijne toga er uitzag als een familie-parapluie in een te ruim foudraal, -en hem zijne barret in den nek stond.” -</p> -<p>„Onbetaalbaar! Onbetaalbaar!” grinnikte Van Gulpendam. „Gij zijt een kostelijk verteller, -mijnheer Thomasz.” -</p> -<p>De substituut-griffier boog nederig bij dat compliment. -</p> -<p>„En wat gebeurde verder?” vroeg de hoofdambtenaar. -</p> -<p>„Wel, resident, er was geen officier van justitie, er was geen deurwaarder. De zitting -kon geen voortgang hebben. De leden van den raad keken glimlachend op hunne horlogiën, -wat eene duidelijke vingerwijzing was, dat zij er genoeg van hadden, om daar tot niets -te zitten. Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn gezagshamer te laten vallen, -en de zitting tot de volgende week te verdagen. Toen heb ik mij hierheen gespoed, -om u bericht te brengen.” -</p> -<p>„Ik dank u, mijnheer Thomasz,” sprak de resident. „Ik zal mij ten goeden tijd uwe -toewijding herinneren.” -<span class="pageNum" id="pb2.12">[<a href="#pb2.12">12</a>]</span></p> -<p>En toen de substituut-griffier vertrokken was, vervolgde hij tot den secretaris, die -het geheele gesprek met over elkander geslagen armen aangehoord had: -</p> -<p>„Het doel is dus bereikt!… Nu op getij werken! Zult gij zorgen, dat alle stukken bij -tijds gereed zijn. Ik zal aanstaande week den landraad presideeren.” -</p> -<p>„Alles zal in orde zijn, resident. Maar mag ik mij eene opmerking veroorlooven?” -</p> -<p>„Laat vieren je schoot, secretaris.” -</p> -<p>„Mij komt die zaak een gevaarlijk spel voor.” -</p> -<p>„Hoe dat zoo? Meent ge, dat ik bang ben, mij de handen in koud water te branden?” -</p> -<p>„Ik meen, resident, dat het een gelukkig toeval is, dat de heer Zuidhoorn uwe bevelen -weerstreefd en zoo de zitting van heden onmogelijk gemaakt heeft …” -</p> -<p>„Verder; loop van stapel.” -</p> -<p>„Wanneer hij toegegeven had, dan zoudt gij heden den raad voorgezeten hebben, niet -waar?” -</p> -<p>„Ja, zeker, en dan waren die zaken reeds in het gewenschte kielwater.” -</p> -<p>De secretaris krabde zich achter het oor. -</p> -<p>„Resident, zijt gij van mijnheer Meidema wel zeker?” -</p> -<p>„Van Meidema?<span class="corr" id="xd30e7942" title="Bron: ..">…</span> „Wat heeft die met de zaak te maken?” -</p> -<p>„De aanhaling van tjandoe te Moeara Tjatjing gedaan, is vrij aanzienlijk. Ik meen, -dat hij eenigermate rekent op de emolumenten, voortspruitende uit de verbeurdverklaring, -die noodwendig op het rechterlijke vonnis van den landraad volgen moet.”<a class="noteRef" id="xd30e7947src" href="#xd30e7947">6</a> -<span class="pageNum" id="pb2.13">[<a href="#pb2.13">13</a>]</span></p> -<p>„Heeft hij u dat gezegd, of zich in dien zin uitgelaten?” -</p> -<p>„Dat juist niet, resident. Maar de heer Meidema heeft een groot gezin, en het is te -Santjoemeh niet onbekend, dat hij moeite heeft om rond te komen. Het zou mij zelfs -niet verwonderen, dat hij schulden had. Zoodat zoo’n buit zeer goed te stade zoude -komen.” -</p> -<p>„Maar op dien buit kan hij geen aanspraak maken. De bepalingen verzetten zich daartegen.”<a class="noteRef" id="xd30e7964src" href="#xd30e7964">7</a> -</p> -<p>„Accoord, resident. Aan uw scherpziend oog ontsnapt niets. Maar, <i lang="fr">il y a des accommodements avec le ciel</i>, en bijgevolg ook.…” -</p> -<p>„Maar welke?” vroeg Van Gulpendam met eenige drift. -</p> -<p>„Ziet ge, resident, dat weet ik niet. Maar, mij dunkt, dat, wanneer zoo iets gezocht -werd;.… bij voorbeeld, in deze zaak is baboe Dalima de eigenlijke aanbrengster. Als -die nu, om haren Ardjan te redden, haar aandeel, van welks waarde zij geen begrip -heeft, aan een derden afstond.…” -</p> -<p>De resident dacht een oogenblik na, daarna hernam hij met een glimlach: -</p> -<p>„Welnu, dat verklaart mij nog niet, waarom ik omtrent den heer Meidema niet zeker -zoude zijn. Volgens mij toch, zou dat aandeel in de verbeurd verklaarde tjandoe hem -lenig als zeilgaren moeten maken.” -</p> -<p>„Het kan zijn, resident, dat gij met uw verlicht oordeel gelijk hebt; maar verlies -artikel 23 van het opiumreglement niet uit het oog. Ik zou er op durven zweren, dat -Meidema zich dienovereenkomstig gedraagt; want in het proces-verbaal van aanhaling, -door hem als hoofd der plaatselijke politie afgegeven, is wel is waar gerelateerd, -dat de in beslag genomen tjandoe niet ver van den Javaan Ardjan ontdekt is; maar dat -de beschuldigde aan den wal gekomen is in eene kleine prahoe sajab, die onmogelijk -dergelijke hoeveelheid kon bevatten, en daarenboven door de golven stuk geslagen werd; -terwijl de verpakking van de aangehaalde tjandoe geen spoor aanduidt, van met vocht -in aanraking geweest te zijn.” -</p> -<p>„Staat dit in dat proces-verbaal?” -</p> -<p>„Ja, resident. Er staat nog meer in. Er wordt in vermeld, dat de schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i> in den bewusten nacht op de kust gezien is, en dat vermeend wordt, <span class="pageNum" id="pb2.14">[<a href="#pb2.14">14</a>]</span>dat de barkas van de <i>Matamata</i> jacht op de sloep van het smokkelvaartuig gemaakt heeft.” -</p> -<p>„Hebt gij dat proces-verbaal gelezen?” vroeg Van Gulpendam thans hoogst ernstig. -</p> -<p>„Ja, resident.” -</p> -<p>„Het zou kunnen, dat ge in het zog waart,” mompelde de hoofdambtenaar meer dan hij -sprak. „Heer secretaris, wees zoo vriendelijk, mij dat proces-verbaal van den heer -Meidema, zoodra het op het residentie-bureau zal zijn ontvangen, toe te zenden, en -verder een der oppassers op te dragen dien heer namens mij te verzoeken, onmiddellijk -bij mij te komen. Denk vervolgens aan de opdracht van den directeur van Financiën -met betrekking tot die gerezen kwestie met den Zouthoofddepot-pakhuismeester te Soemenap.” -</p> -<p>Dat was een „gij kunt gaan” in <span class="corr" id="xd30e7992" title="Bron: optimâ">optima</span> forma. -</p> -<p>Toen Van Gulpendam alleen was, sloeg hij den bundel Staatsbladen van 1874 op. -</p> -<p>„Artikel 23, zei de secretaris,” mompelde hij<span class="corr" id="xd30e7999" title="Bron: ,">.</span> „Laat zien.…. Oho!<span class="corr" id="xd30e8002" title="Bron: ..">…</span> Boete van duizend tot tienduizend gulden gesteld op de overtredingen.… En … als ik -bedenk, hoezeer Meidema op den avond van het gebeurde, de waarde van den aangehaalden -tjandoe uitmeette, dan.… ja, dan ben ik verplicht, om toe te geven, dat de secretaris -in het ware kielwater is.…” -</p> -<p>Hij sprong van zijn stoel op, en liep met driftige schreden de voorgalerij op en neder. -</p> -<p>„O,” riep hij knarstandende uit: „Al die soesah (moeite) wordt mij berokkend door -dien Van Nerekool!.… O! als Anna toch gewild had!” -<span class="pageNum" id="pb2.15">[<a href="#pb2.15">15</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e7725"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7725src">1</a></span> Aloon-aloon. Zie daaromtrent de <a href="#n94.3">aanteekening</a> op bladz. 94 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e7725src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7733"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7733src">2</a></span> Boepati is de Javaansche, eenigszins verouderde naam voor de Inlandsche machthebbenden, -die door de Nederlanders Regenten genoemd worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e7733src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7742"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7742src">3</a></span> Inlandsch kind. Zoo worden gewoonlijk de afstammelingen genoemd van een Europeeschen -vader en eene inlandsche moeder. <a class="fnarrow" href="#xd30e7742src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7799"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7799src">4</a></span> Toean lakkel zou hier moeten klinken: toean rakker. Rakker als de Inlandsche verbastering -van het woord rechter, waarvan de Chineezen wegens de moeilijkheid, die zij ondervinden -om de r uit te spreken, lakkel maken. <a class="fnarrow" href="#xd30e7799src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7833"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7833src">5</a></span> Dat geheele tooneel is geen fictie maar weer te vinden in de brochure: -</p> -<p class="footnote cont"><i>Iets over de tegenwoordige afhankelijkheid van de <span class="corr" id="xd30e7838" title="Bron: Nederlandsch Indische">Nederlandsch-Indische</span> rechterlijke ambtenaren</i> in de <a href="#n75.1">aanteekening</a> op bladz. 75 van het 1ste deel reeds aangehaald. De lezer zal zich daar kunnen overtuigen, -hoe stipt nauwkeurig ik in mijne beschrijving ben. Dat plagiaat erken ik gaarne. <a class="fnarrow" href="#xd30e7833src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7947"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7947src">6</a></span> Artikel 24 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madura (Ordonnantie dd. -25 September 1874 Stbl. v. <span class="corr" id="xd30e7950" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> N<sup>o</sup>. 228) luidt als volgt: -</p> -<p class="footnote cont">„De voor de aangehaalde en verbeurdverklaarde opium overeenkomstig art. 22 uit ’s -lands kas uit te keeren gelden, zoomede de boeten, verbeurd en voldaan ter zake van -overtredingen van dit reglement, worden onverwijld, nadat de veroordeeling kracht -van gewijsde zaak heeft bekomen, of nadat in de gevallen, bedoeld bij Art. 415 van -het Inl. regl. de boete vrijwillig is voldaan en verklaard is, dat in de verbeurd -verklaring wordt berust, verdeeld als volgt: -</p> -<p class="footnote cont">a) aan den aanbrenger of aanbrengers 3⁄7; b) aan den aanhaler of de aanhalers 2⁄7; -c) aan allen, die tot het ontdekken der overtreding en het doen der aanhaling hebben -medegewerkt 1⁄7; blijvende … enz.” <a class="fnarrow" href="#xd30e7947src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e7964"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e7964src">7</a></span> Zie de aanteekening op blz. 27 hierachter. <a class="fnarrow" href="#xd30e7964src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch24" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e835">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIV.</h2> -<h2 class="main">Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Neen, Anna had niet gewild. -</p> -<p>Toen de beide ouders poogden hunne dochter, die hun zoo weinig geleek, tot hunne <span class="corr" id="xd30e8016" title="Bron: zamenzwering">samenzwering</span> over te halen, en haren invloed op Van Nerekool uit te oefenen, antwoordde zij even -beslist: „nooit!” als Karel dat op den bewusten partijavond in den residentstuin aan -mevrouw Van Gulpendam gegeven had. -</p> -<p>„Neen, nooit!” zei het fiere meisje met allen nadruk. -</p> -<p>„Bedenk,” sprak hare moeder, „dat zijn carrière van zijne houding in deze zaak afhangt.” -</p> -<p>„Nimmer zal Karel door het plegen van eene laagheid zijn carrière trachten te bevorderen.” -</p> -<p>„Anna!” riep de resident woedend uit. „Ik raad je die taal te matigen.” -</p> -<p>„Wees toch bedaard, Gulpie,” suste hem Laurentia. „Drift leidt tot niets.” -</p> -<p>En zich tot het jonge meisje wendende, vervolgde zij: -</p> -<p>„Bedenk, dat uwe vereeniging met Van Nerekool afhangt van zijne gedragslijn …” -</p> -<p>„Mijne vereeniging!…” kreet Anna. -</p> -<p>„Eene vrouw, die liefheeft, kan machtig veel invloed uitoefenen op den man, dien zij -geboeid heeft.” -</p> -<p>„Gij zoudt willen, moeder, dat ik hem overhaalde, om een schanddaad te plegen?” -</p> -<p>„Anna! pas op je woorden!” brulde Van Gulpendam. -</p> -<p>„Ik zou de kloof, die ons van elkander scheidt, nog <span class="pageNum" id="pb2.16">[<a href="#pb2.16">16</a>]</span>wijder maken? Neen, neen! Nu mijn geluk geheel verwoest is, heb ik slechts één wensch, -namelijk: dat mijn beeld zuiver en rein in zijn aandenken voortleve. De zijne kan -ik niet worden, dat gevoel ik. Dat de gedachte aan mij ten minste vlekkeloos zij als -de herinnering aan een schoonen droom!” -</p> -<p>„Maar, Anna,” vroeg Laurentia met hare meest innemende stembuiging, „waarom zou uw -geluk verwoest zijn? Is dat niet moedwillig in eigen boezem wroeten?” -</p> -<p>„Och, bespaar mij het bitter lijden van de wreede woorden, die ik u en mijn vader -zou moeten doen hooren. Neen, mijn geluk is verwoest; aan eene vereeniging met Van -Nerekool valt niet meer te denken …” -</p> -<p>„Als gij maar wildet.” -</p> -<p>„Maar, moeder, ik wil niet. Veronderstel, dat Karel aan mijne verlokkingen toegaf, -dat hij uwe inzichten volgde, dan zou ieder teeder gevoel bij mij uitgedoofd zijn; -want ik zou den man verachten, die zijn plicht ten offer bracht aan zijne liefde, -die eene misdaad zoude plegen, om het meisje machtig te worden, dat hij bemint.” -</p> -<p>„Anna! Ga zoo niet voort!” dreigde andermaal haar vader. -</p> -<p>„Ik moet toch zeggen, wat ik gevoel, vader. Ik moet spreken! ik moet uitstorten, wat -mij bezwaart, benauwt. Zooals <i>ik</i> wensch, dat de herinnering aan mij rein en vlekkeloos bij hem achterblijve, zoo moet -ook <i>hij</i> verlangen dat zijn beeld als dat van een groot, edelmoedig, deugdzaam en strikt rechtvaardig -man in mijn hart bewaard blijve. Zou ik het vreugdelooze leven, dat mij beschoren -is, te gemoet moeten treden met een gevoel van verachting voor hem, dien ik boven -alle stervelingen verheven achtte, dan zou mijn ongeluk te groot zijn. Neen, ik wil -Karels beeld ongeschonden in mijn hart bewaren!” -</p> -<p>Mevrouw Van Gulpendam zuchtte, terwijl haar echtgenoot van toorn trilde. -</p> -<p>„Laten wij het kort maken,” sprak hij na een poos met besliste stem. „Ge weigert dus, -Anna, tot de inzichten uwer moeder toe te treden?” -</p> -<p>„Ja, pa!” was het antwoord, op even beslisten toon gegeven. -</p> -<p>„Gij bederft zijne carrière.” -</p> -<p>„Beter zijne carrière bedorven dan zijn karakter.” -<span class="pageNum" id="pb2.17">[<a href="#pb2.17">17</a>]</span></p> -<p>„Gij maakt een huwelijk tusschen u beiden onmogelijk.” -</p> -<p>„Die onmogelijkheid is mij niet te wijten; zij werd door mijne ouders daargesteld.” -</p> -<p>„Maar waarmede?” kreet Laurentia. -</p> -<p>„Hij kan en mag de dochter niet trouwen van ouders, die hem zulke voorstellen deden!” -</p> -<p>„Anna!” brulde haar vader, „dat gaat te ver! Daar moet een eind aan komen! Een kind, -dat zich zóó tegenover zijne ouders uitlaat, is die ouders onwaard. Ik had besloten, -om aan die dwaze liefdeshistorie, die u compromitteert, een einde te maken, dat gij -eenigen tijd te Karang Anjer zoudt gaan logeeren, en dat gij aanstaande week zoudt -vertrekken. Ik wijzig uw vertrek thans in zooverre, dat het reeds op morgen bepaald -wordt.” -</p> -<p>„Op morgen?” viel mevrouw Van Gulpendam in. „Zal de familie Steenvlak met die wijziging -ingenomen zijn?” -</p> -<p>„De assistent-resident Steenvlak,” antwoordde de vader, „is naar Batavia. Zijne echtgenoote -en dochters zijn te Karang Anjer achtergebleven. Daar de afwezigheid van den heer -des huizes nog al aanhouden kan, zullen de achtergeblevenen niet rouwig zijn, in een -logé eenige afleiding te vinden. In allen gevalle zal Anna er welkom zijn. Ik ga naar -mijn kantoor, en zal de familie Steenvlak onmiddellijk telegrafeeren. Morgen ochtend -vertrekt zij naar Poerworedjo. Daar zal zij door een mijner kennissen afgehaald worden, -die haar met zijn postrijtuig over Koetoe Ardjo en Keboemen naar Karang Anjer zal -brengen.” -</p> -<p>Laurentia zuchtte. -</p> -<p>„Er blijft ons dan weinig tijd over, om haar goed in orde te brengen,” zei zij, en -toonde daardoor duidelijk aan, dat zij nog meer tegen de „soesah” (moeite) dan tegen -de verwijdering harer dochter opzag. -</p> -<p>„O, moeder,” zei Anna bedaard, „laat de zorg voor mijn goed maar aan mij over. Morgen -ochtend zal ik op het bestemde uur klaar staan.” -</p> -<p>„Blijft zij lang bij de Steenvlaks logeeren?” vroeg Laurentia. -</p> -<p>„Dat zal van haar afhangen. Ik wil haar niet terugzien; tenzij zij als onderdanige -dochter wederkeert, en bewijzen levert van andere gevoelens omtrent hare ouders te -koesteren, dan zij aan den dag gelegd heeft.” -<span class="pageNum" id="pb2.18">[<a href="#pb2.18">18</a>]</span></p> -<p>Bij die woorden keek Van Gulpendam zijne dochter aan, wellicht in de hoop op haar -gelaat een zweem van aandoening te bespeuren. Maar het gelaat van Anna, dat wel bleek -zag, liet niets bespeuren van wat in haar binnenste omging. Noch neerslachtigheid, -noch overmoed was op die zachte trekken te lezen. Niets dan ernst, hooge ernst. -</p> -<p>„Alles is dus begrepen!” sprak de resident, terwijl hij opstond om naar zijn kantoor -te gaan. -</p> -<p>„Vader,” sprak Anna, „ja, ik heb alles begrepen. Ik ga morgen dit huis verlaten, om -daarin nimmer een voet meer te zetten. Wanneer gij die scheiding niet uitgesproken -hadt, dan zou ik er om verzocht hebben.” -</p> -<p>„Zoo, waait de mousson uit dien hoek? En wat zijn de plannen van mijne trotsche dochter? -Zij zal toch wel begrijpen, dat zij niet altijd ten laste van de kombuis van de familie -Steenvlak kan blijven?” vroeg de resident, terwijl hij in eene uitdagende houding -voor zijne dochter staan bleef. -</p> -<p>„Wat mijne plannen zijn, vader? Vergun mij die voor mij te houden. Ik neem voorshands -de gastvrijheid der familie Steenvlak aan. Gij weet, hoe innige vriendschap mij met -de meisjes verbindt, welke innige aanhankelijkheid en achting ik voor hare moeder -koester. Wat ik later doen zal; och, dat is nog zoo onbestemd. Al wilde ik het u mededeelen, -zou ik het nog niet kunnen. Vrees evenwel niet, wat er ook gebeure; nimmer zal ik -u lastig vallen.” -</p> -<p>„En denkt mijne dochter zoo maar de wereld in te kunnen treden zonder één cent geld? -Welke voorstellingen maakt zij zich toch van die wereld?” -</p> -<p>„Vergeef mij; maar daarbij zal ik eene zeer teedere snaar moeten aanroeren. Gij hebt -mij eene opvoeding deelachtig doen zijn, die mij nagenoeg onbekwaam maakt, om in mijn -onderhoud te kunnen voorzien. Ik zou muzieklessen kunnen geven, maar dat kan ik in -Indië niet, zonder uw naam in opspraak te brengen. Naar Nederland gaan en daar straat -in straat uit loopen om les te geven? Waarlijk de gedachte alleen doet mij terugdeinzen. -En toch … maar dat is van latere zorgen …” -</p> -<p>„Van latere zorgen,” grinnikte Van Gulpendam. „Ik meen, dat bij zulke plannen geld -verdienen hoofdzaak is.” -<span class="pageNum" id="pb2.19">[<a href="#pb2.19">19</a>]</span></p> -<p>„Welnu, dan ter zake,” hernam Anna met een zucht, maar vastberaden. „Ik sprak er nooit -over, en zou er ook nooit over gesproken hebben. Nu evenwel de nood dringt, ben ik -tot spreken gedwongen. Het is twee jaren geleden, nietwaar, dat grootmama Van Gulpendam -te Gouda overleden is? Met dezelfde mail, waarmede het doodbericht aankwam, kreeg -ik een briefje van de overledene, dat mij door haren notaris toegezonden werd. In -dat briefje, waarbij de goede oude vrouw afscheid van mij nam, en haar leedwezen betuigde, -dat zij mij nimmer had mogen aanschouwen, deelde zij mij mede, dat zij mij per testament -40.000 gulden vermaakt had, en dat ik bij het intreden van mijn 20<sup>ste</sup> jaar mijn recht op die som kon doen gelden. Alleen verzocht zij mij daarover nimmer -met u te spreken, om u niet van het genoegen te berooven, mij daarmede te kunnen verrassen. -Het briefje van den notaris bevestigde die tijding, en deelde mij mede, dat die som -tegen 3½ % belegd was in staatspapieren, die op uitdrukkelijk verlangen van de overledene -niet te gelde mochten gemaakt worden. Welnu, van de rente van dat geld, dat gij mij -wel niet weigeren zult, zal ik zeer goed in mijn onderhoud kunnen voorzien. Aanstaande -jaar ben ik twintig jaren oud, dan zal ik over het kapitaal kunnen beschikken. En -die dan leeft, die dan zorgt.” -</p> -<p>Dat alles werd met zooveel kalmte, met zooveel eenvoud uit elkander gezet, dat de -beide ouders, het ernstige karakter van hun kind kennende, begrepen, dat zij hier -met een vooraf overwogen en vastgenomen besluit te doen hadden. De wetenschap omtrent -die erfenis, welke Anna aan den dag legde, had hen eenigermate verrast. Zij hadden -toch steeds daarover gezwegen. Maar hunne dochter bleek thans zoo goed ingelicht, -dat ontkennen of ook maar weerstreven onmogelijk was. Een beter gevoel begon zich -van de moeder meester te maken. Een traan glinsterde in haar oog. -</p> -<p>„Anna,” sprak zij, „gij gaat zoo eene vreeselijke toekomst te gemoet.” -</p> -<p>„Moeder, een vreeselijker lot, als mij hier getroffen heeft, kan mij bezwaarlijk nog -te beurt vallen. Ik heb in een oogenblik alles, wat mij dierbaar op aarde was, verloren. -Welke ramp zou mij nog kunnen treffen? Ik <span class="pageNum" id="pb2.20">[<a href="#pb2.20">20</a>]</span>tart het noodlot wreeder te zijn in de toekomst, als het tegenover mij geweest is.” -</p> -<p>Van Gulpendam stond op. Hij bracht de hand aan zijn hals. Hij voelde iets rauws in -zijne keel. Het was de aandoening, die hem dreigde meester te worden. Heerschzuchtig -als hij was, verdrong hij evenwel dat betere gevoel. De gedachte, dat zijn kind beter -was dan hij, was hem ondragelijk. -</p> -<p>„Kom, kom, allemaal romanphrasen,” zei hij, „die met het gezond verstand in strijd -zijn. Wij hebben elkander alles gezegd, wat wij te zeggen hadden. Ik blijf bij mijn -besluit: gij vertrekt morgen naar Karang Anjer.” -</p> -<p>„Ik meen niet, vader, dat ik gepoogd heb, u van dat besluit af te brengen,” sprak -het meisje met een diep besef van eigenwaarde. -</p> -<p>„Welnu, dan is dat een uitgemaakte zaak! Dat hoofdje zal wel te temmen wezen,” was -zijn laatste woord bij het heengaan. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Den volgenden ochtend, de dag was nog niet geheel aangebroken, stond een tentwagen -voor het perron van het residentiehuis te wachten. Het was een van die lichte voertuigen, -met vier paarden bespannen, waarmede de Europeanen in Java’s binnenlanden, in die -streken, welke nog misdeeld zijn van spoorwegen, gewoon zijn soms verre afstanden -langs moeilijke wegen en over hooge bergen af te leggen. Een kleine koffer werd op -de buitenzitplaats achter het rijtuig met touwen gebonden. Dat valiesje kon niet veel -bevatten. Anna had niets dan het hoogst noodzakelijke uit haars vaders huis willen -meênemen, en daartoe had haar alleen nog maar de redeneering kunnen overhalen, dat -dit weinige beschouwd kon worden als de renten te vertegenwoordigen, welke de som, -haar door hare grootmoeder nagelaten, gedurende de twee laatste jaren afgeworpen had. -Geen juweelen, geen sieraden van edel metaal, geene fluweelen of zijden japonnen, -geen kostbaar kantwerk bevatte dat koffertje. Dat alles werd in het residentiehuis -achtergelaten. Slechts het onontbeerlijk linnengoed, slechts een tarlatanen kleedje, -ziedaar wat er in aangetroffen zou worden, wanneer iemand den blik er in geslagen -had. -</p> -<p>Nauwelijks was het koffertje vastgebonden, of Anna <span class="pageNum" id="pb2.21">[<a href="#pb2.21">21</a>]</span>verscheen in de voorgalerij. Zij was in een zwarte japon van den grootsten eenvoud -gekleed, had een donker gekleurd hoedje op het hoofd, en overigens niets in het oog -loopend aan het lichaam dan het witte kraagje om den hals, en de manchetten om de -polsen. Maar zelfs die witte strooken zetten iets ernstigs aan hare geheele persoon -bij. Niemand vergezelde haar bij dien uittocht uit het ouderlijke huis. De vurige -verlichting van den dageraad overtoog alles met een dichterlijk rozerood in den tuin -en tot zelfs de meubels in de voorgalerij. Het meisje wierp een weemoedigen blik rondom -haar op die boomen, op die struiken, op die bladeren, op die bloemen, die zooveel -herinneringen in haar brein opwekten. Een snik verscheurde haar de keel. Een oogenblik -was het, of zij in dien uitersten stond aarzelde. Maar, neen! met eene enkele beweging -der fraaie hand wischte zij zich de traan af, die over hare wang biggelde. Zij wierp -nog een blik rondom zich, sprong toen op een struik Devonshire rozen toe, die in een -sierlijken pot tegen de <span class="corr" id="xd30e8104" title="Bron: ballustrade">balustrade</span> der galerij stond, plukte een ontluikend knopje, stak dat aan den boezem, terwijl -zij met een snik prevelde: -</p> -<p>„Gij, mijne lievelingsbloem, zult mij in mijn ballingschap vergezellen!” en was in -een ondeelbaar oogenblik het rijtuig ingestegen, dat zich dadelijk in beweging stelde. -</p> -<p>Geen zucht, geen blik meer. De scheiding was volbracht! Het voertuig zwenkte het erf -van het residentiehuis af, het prachtige hek door, en ijlde met spoed Java’s bergland -te gemoet. Anna leunde achterover in het rijtuig, sloot de oogen, en gaf zich aan -hare droeve gedachten over. -</p> -<p>Achter de jaloezie-latten van een der talrijke deuren van het hoofdgebouw der residentswoning, -die tot de voorgalerij toegang verleenden, had evenwel Anna’s moeder gestaan, die -al de bewegingen van hare dochter met angstigen blik had gadegeslagen. Zij had de -oogen van het lieve kind over al de voorwerpen harer omgeving zien waren. Zij had -haar de witte roos zien plukken en daarna in het rijtuig ijlen. Een rauwe kreet ontwrong -zich hare borst: -</p> -<p>„Mijn God, mijn God, dat alles zóó moest loopen!… Waar zooveel gegevens waren om gelukkig -te zijn!… Hoe zal dat alles nog eindigen?” -<span class="pageNum" id="pb2.22">[<a href="#pb2.22">22</a>]</span></p> -<p>Ja, hoe zou dat alles eindigen? Eene vraag, die door de toekomst schrikkelijk zou -beantwoord worden. -</p> -<p>Laat in den namiddag verliet Anna in eene kleine dèsa van Java’s binnenlanden, waar -verspannen moest worden, het rijtuig, en vroeg den posthouder vergunning, om onder -zijne bamboe-verandah een poos te mogen toeven. Toen dat toegestaan was, haalde zij -eene kleine nécessaire tevoorschijn, en was weldra druk bezig met schrijven. Een oogenblik -was zij daarmede rustig onledig geweest, hoewel haar bleek en droevig gelaat duidelijk -aanduidde, dat het onderwerp, hetwelk zij behandelde, hoogst ernstig was. Maar langzamerhand -scheen dat onderwerp haar te vervoeren. Eerst baanden zich een paar zuchten, uit de -diepte harer borst komende, een weg, en weldra parelden dikke, heete tranen in hare -oogen, die over haar marmerwitte wangen gleden en op het papier droppelden. -</p> -<p>Ja, het onderwerp was ernstig, dat het lieve kind daar behandelde. Zij schreef aan -Van Nerekool. En hoewel in den zieletoestand, waarin zij zich bevond, dat schrijven -het innigste van haar hart blootlegde, en alleen bestemd was, om hem onder het oog -te komen, voor wien het bestemd was, mag de romanschrijver over den schouder kijken -zelfs van eene vrouw, van een meisje, om hare gevoelens te bespieden, hare beweegredenen -te ontleden. Och, de brief was niet lang, hoewel hij haar veel, zeer veel inspanning -kostte. -</p> -<p>„Ik heb stelselmatig vermeden, mijnheer Van Nerekool<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” schreef zij, „u na de dansreceptie op het residentiehuis, andermaal te ontmoeten, -welke pogingen gij daartoe ook aangewend hebt. Bij die gelegenheid hebt gij om mijne -hand gedongen, en ik gaf u verlof om bij mijne ouders aanzoek te doen. Deze daadzaken -gaven u eenigermate het recht om op een nader onderhoud met mij aan te dringen, en -nopen mij thans ook, om u een laatste woord toe te voegen. Nadat ik u verlaten had, -hebt gij een gesprek met mijne moeder gehad. Dat gesprek vernam ik daags daarna, en.… -o, vergeef mij … een kind mag de daden zijner ouders niet gispen;… maar dat gesprek -maakte, vooral toen mij bleek, dat mijn vader daarmede instemde, eene vereeniging -tusschen ons beiden onmogelijk. Gij met uw ridderlijk en eerlijk karakter kunt geen -huwelijk aangaan met de dochter van menschen, die u zulke <span class="pageNum" id="pb2.23">[<a href="#pb2.23">23</a>]</span>voorstellen deden. Gij zult mij tegenwerpen, dat een kind niet schuldig of medeplichtig -mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan dat, en ik gevoel -mij dan ook even onbezwaard, even fier,—als ik die uitdrukking in mijn toestand mag -bezigen,—als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. Maar den man steeds -voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; in teedere oogenblikken, -wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, de gedachte te meenen -kunnen lezen in het brein van den beminden man, dat ik hem als prijs voorgeworpen -werd voor een daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met mijne ouders, die hij -als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest en voor mij met achting en deferentie -zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts een aalmoes, aan mijne kinderlijke -liefde toegeworpen, te moeten zien, ziet Karel—laat ik u dien naam nog eens geven,—dat -zou mij het leven tot een hel maken en zou zijn weeromstuit op u niet missen. -</p> -<p>„Ik schrijf u dezen brief van Sapoeran, waar voor een oogenblik verspannen wordt. -Gij zult wel reeds vernomen hebben, dat ik naar Karang Anjer bij de familie Steenvlak -ga logeeren. Mijn vader heeft het genoeg rondgebazuind, dat het u wel ter oore zal -gekomen zijn. Welnu ja, ik ben op weg naar die familie; maar dat is slechts de eerste -stappe op de moeilijke baan, die zich voor mij uitspreidt. Wat ik doen zal? Vriend, -dat weet ik nog niet. Wellicht dat ik naar Europa, of naar Australië zal trachten -te vertrekken. Zooveel is zeker, dat ik na een kort verblijf bij de Steenvlaks, verdwijnen -zal, spoorloos verdwijnen …; want zelfs.… de naam van Van Gulpendam is mij ondragelijk. -</p> -<p>„Maar, Karel, als ik verdwenen zal zijn, als zelfs mijn naam niet meer genoemd zal -worden, alsof het graf mij verzwolgen zal hebben, dan nietwaar zult gij met uw edel -karakter nog wel eene gedachte wijden aan het meisje, dat, aan alles onschuldig, zich -zoo gelukkig geacht zoude hebben, zich de uwe te hebben kunnen noemen, maar voor wie -dat geluk niet weggelegd was. -</p> -<p>„Een verzoek heb ik u nog te doen. Zorg voor Dalima. O! ik ken haren geheelen toestand. -Ik weet meer van haar ongeluk, althans van de oorzaken, dan gij. Maar, <span class="pageNum" id="pb2.24">[<a href="#pb2.24">24</a>]</span>nietwaar, ter wille van mij zult gij die rampzalige niet aan haar lot overlaten! O, -voor die voorgewende opiumsmokkelarij zal zij waarschijnlijk veroordeeld worden! Dat -weet ik. Met onze fatale Nederlandsche opvattingen van wat recht is, wanneer het opiumzaken -geldt, is het schier niet anders mogelijk. Maar houdt haar de hand boven het hoofd. -Laat haar niet, wanneer zij weer op vrije voeten komt, in den poel van ellende verzinken, -waarin hare rampzalige rasgenooten terecht komen, wanneer zij schuldig of onschuldig -met de Nederlandsche strafwetgeving in aanraking gebracht zijn. -</p> -<p>„En nu, Karel, vaarwel. In dit leven zien wij elkander niet meer! Ik kan u niet verzoeken -mij te vergeten. Integendeel, ik smeek u, soms eene gedachte over te hebben, voor -haar, die zich slechts met haar voornaam durft te onderteekenen: -</p> -<p class="signed">„ANNA.” -</p> -<p>Dien brief gaf het ongelukkige meisje aan den stalhouder over, die hem behoorlijk -verzond, evenwel niet zoo snel als zij wel gewenscht had. De post in die streken werd -slechts tweemalen per week verzonden. -</p> -<p>Hoewel Sapoeran niet zoo heel ver van Poeworedjo verwijderd lag, was de zon toch reeds -ondergegaan, toen het rijtuig laatstgenoemde plaats bereikte. Anna nam haren intrek -in het eenige hotel aldaar, en na een weinig gegeten te hebben, ging zij, vermoeid -als zij was, rusten en viel gelukkig weldra in een vasten slaap. -</p> -<p>Bij het opgaan der zon zat het meisje weer in het rijtuig. Zij had ruim 36 palen<a class="noteRef" id="xd30e8136src" href="#xd30e8136">1</a> dien morgen af te leggen om hare bestemming Karang Anjer te bereiken. De weg was -evenwel goed en bijna waterpas, zoodat zij tegen het middaguur te midden der lieve -familie zat, die hare aankomst met ongeduld verbeid had. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Keeren wij na die kleine uitweiding, voor den draad van ons verhaal onmisbaar, naar -het residentie-huis te Santjoemeh terug. Toen de secretaris vertrokken was, had de -resident Van Gulpendam gezucht: -<span class="pageNum" id="pb2.25">[<a href="#pb2.25">25</a>]</span></p> -<p>„O, als Anna toch gewild had!” -</p> -<p>Een poos bleef hij bij dien gedachtenloop vertoeven, wikkende en wegende, wat had -kunnen geschieden, wanneer Van Nerekool door Anna verlokt, als gedwee volgeling van -het hoofd van gewestelijk bestuur, tot voorzitter van den landraad had kunnen benoemd -<span class="corr" id="xd30e8147" title="Bron: wordea">worden</span>. -</p> -<p>„Maar het is niet anders,” prevelde hij. „Wij zullen evenwel dien noord-wester stoker -wel doorstaan, en ons schuitje op veilige ree brengen! Maar … waarop doelde toch de -secretaris met de aanhaling van dat artikel van het opium-reglement? „Welk noemde -hij ook weer?… O ja … nummer 23. Laat mij dat andermaal inzien.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>En andermaal den bundel Staatsbladen grijpende van het jaar 1874, dien hij tusschen -eene menigte andere jaargangen op een boekenrekje boven zijn schrijflessenaar teruggeplaatst -had, bladerde hij daar een poos met ongeduldige oogen in, tot dat hij uitriep: -</p> -<p>„Hier heb ik No. 228. En nu artikel 23.… „Alle overtredingen der bij dit reglement -gemaakte bepalingen, waarop geene bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft -met eene boete van <i>een duizend</i> tot <i>tienduizend gulden</i> voor elke hoeveelheid van <i>honderd katies</i> opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd, en <i>een honderd gulden</i> voor <i>elke katie</i> meer.”.… Drommels!… Nogmaals, de secretaris heeft gelijk!… Zoo, komt de stroom uit -dien hoek?… Dan zullen wij nog een tuianker moeten uitbrengen. Niet kwaad bedacht … -Maar.…” -</p> -<p>„Toean assistent mienta ketamoe sama Kandjeng toean,” (de heer assistent vraagt om -den grooten heer te mogen ontmoeten,) sprak een der oppassers, den heer Meidema aandienende. -</p> -<p>„Kassi massokh?” (laat binnen komen) klonk het bevel. -</p> -<p>„Resident,” sprak de ambtenaar bij het binnentreden, „ik ontmoette den heer secretaris, -die mij mededeelde, dat gij mij wenschtet te spreken.” -</p> -<p>„Ja, mijnheer Meidema, ga een oogenblik zitten … Ik heb kennis bekomen van het proces-verbaal -omtrent de sluik-opium, te Moeara Tjatjing aangehaald, maar tot mijne bevreemding -zijn de daadzaken der aanhaling niet in overeenstemming met het daar geverbaliseerde.” -</p> -<p>„Niet, resident?” -<span class="pageNum" id="pb2.26">[<a href="#pb2.26">26</a>]</span></p> -<p>„Neen, mijnheer Meidema; herinner u eens goed ons gesprek denzelfden avond van de -aanhaling,” ging de resident voort, terwijl hij zijn ondergeschikten scherp aankeek. -</p> -<p>„Dat gesprek herinner ik mij zeer goed, resident.” -</p> -<p>„Welnu? Ik toonde u aan, als ik mij goed herinner en zelfs met getuigen, dat de opium -bij den Javaan Ardjan is ontdekt. Dat scheent gij toen ook te beamen.” -</p> -<p>„Ja, resident, ik waagde het toen niet uwe zoo pertinent uitgesproken meening te weerspreken. -Maar, het was mijn plicht een onderzoek in te stellen.” -</p> -<p>„En?” -</p> -<p>„En dat onderzoek heeft mij geleid tot de conclusiën, zooals zij neergelegd zijn in -mijn proces-verbaal, als hoofd der politie afgegeven.” -</p> -<p>„Tegen alle klaarblijkelijkheid in?” -</p> -<p>„Met uw permissie, resident? Dat.…” -</p> -<p>„Wil ik u eens zeggen, waartoe uw onderzoek u geleid heeft?” -</p> -<p>De Heer Meidema, door zijne redeneering vervoerd, lette op die vraag niet, althans -hij vervolgde: -</p> -<p>„Dat proces-verbaal is overigens voor den landraad niet bindend.” -</p> -<p>„Gelukkig ook!” sprak de resident niet zonder hoon in zijne stembuiging. „Maar ik -vroeg u, waartoe volgens mijne meening uw onderzoek u geleid heeft!” -</p> -<p>„Waartoe het mij geleid heeft, resident? Ik vind die vraag in uw mond vreemd. Ik heb -dat onderzoek volgens plicht ingesteld tot opsporing van de waarheid,” was het rustig -gegeven antwoord. -</p> -<p>„Dat is het doel van ieder onderzoek, mijnheer Meidema. Maar voor u leidde dat onderzoek -wellicht tot een andere slotsom.” -</p> -<p>„En dat is, resident?” -</p> -<p>„Dat de op te leggen boeten, die onder de aanhalers verdeeld moeten worden, gemakkelijker -van den rijken opiumpachter te innen zullen zijn, dan van den armen Javaan, bij wien -niets te halen is.” -</p> -<p>„Resident! Die taal!” -</p> -<p>„Bedaar, mijnheer Meidema. Dat is de taal der werkelijkheid, die mij uit iederen volzin -van uw proces-verbaal tegenstraalt …” -</p> -<p>„Maar, resident, ik heb met die boeten niets te maken. <span class="pageNum" id="pb2.27">[<a href="#pb2.27">27</a>]</span>Ik sta daar geheel buiten. Ik ben volkomen op de hoogte der bepalingen,<a class="noteRef" id="xd30e8199src" href="#xd30e8199">2</a> en weet waarlijk niet, hoe ik uwe woorden moet opvatten.” -</p> -<p>„Net of ik de loopjes niet ken, om de bepalingen te ontduiken!” sprak de resident -smalend. -</p> -<p>„Resident, ik zie mij verplicht u te verzoeken, uw oordeel omtrent mij te wijzigen. -Nimmer heb ik mij loopjes, als waarop gij doelt, gepermitteerd. Nimmer is een cent -van de boeten of van de verbeurd verklaarde opium in mijn bezit geraakt. En zijt gij -niet overtuigd, dat ik de waarheid spreek, dan zijt gij door uw ambtseed verplicht -mij bij de regeering aan te klagen.” -</p> -<p>„Wij dwalen van het onderwerp af, mijnheer Meidema. Gij hebt een onderzoek gehouden, -zegt ge, nietwaar? Wie hebt ge alzoo gehoord?” -</p> -<p>„Wie ik gehoord heb, resident? Wel, in de eerste plaats den beschuldigden Ardjan.…” -</p> -<p>„Die wel zal verteld hebben, dat hij van niets weet. Ja, dat vat ik. En vervolgens?” -</p> -<p>„Vervolgens baboe Dalima.” -</p> -<p>„Die ook wegens opiumsmokkelarij in de gevangenis zit. Die zal daarenboven haren „toenangan” -(verloofde) wel schoon gewasschen hebben. Een kostelijke getuige, mijnheer Meidema, -dat moet ik zeggen. Hebt gij er nog meer?” -</p> -<p>„Ik heb het dèsavolk gehoord, dat dien nacht geprest werd om Ardjan te halen.” -</p> -<p>„En?… Kom, zeil zetten!” -</p> -<p>„En hunne verklaringen staan lijnrecht tegenover die der politieoppassers.” -</p> -<p>„Dat laat zich hooren. Dat dèsa-vee helpt elkander altijd. Maar zoo iets mag uw geweten -als hoofd der politie niet bevangen.” -</p> -<p>„Neen, resident, dat mag niet, en dat heeft het ook <span class="pageNum" id="pb2.28">[<a href="#pb2.28">28</a>]</span>niet gedaan. Toen mij die tegenspraak zoo pertinent bleek, ben ik naar Moeara Tjatjing -gegaan, om het vaartuig te bezichtigen, waarmede Ardjan die opium aan wal zoude gebracht -hebben.” -</p> -<p>„En gij vond niets?” -</p> -<p>„Ik vond de prahoe sajab en constateerde, dat die te klein was, om de aangehaalde -opium te kunnen bevatten.” -</p> -<p>„Als ik mij wel herinner, mijnheer Meidema, dan zou die prahoe sajab twee personen -bevat hebben. Ardjan en Dalima.” -</p> -<p>„Juist, resident.” -</p> -<p>„Dat vaartuig was dus voldoende om die twee over te voeren, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, resident; maar ook niets meer.” -</p> -<p>„Maar, als baboe Dalima eens niet in die prahoe sajab geweest was, mijnheer Meidema?” -</p> -<p>„Niet in die prauw, resident?” -</p> -<p>„Dan zou die opium, goed gestuwd, wel plaats in dat vaartuigje gevonden hebben, nietwaar?” -</p> -<p>„Dat is zoo, maar het bewijs.…” -</p> -<p>„O, dat is te leveren. Ik kan met de hand op het geweten verklaren, dat baboe Dalima -dien nacht niet van het erf van het residentiehuis afwezig is geweest. En niet alleen -ik, maar alle huisgenooten kunnen dat getuigen.” -</p> -<p>„Dat is zeer ernstig, resident,” antwoordde de heer Meidema. -</p> -<p>„Wat bedoelt gij daarmede? Kom, laat vieren den grooten schoot!” -</p> -<p>„Dat uwe verklaring lijnrecht tegenover die uwer dochter komt te staan.” -</p> -<p>„Mijner dochter? Het gebeuzel van een onbezonnen kind!” -</p> -<p>„Ik heb een schriftelijk bewijs van juffrouw Van Gulpendam in handen, behelzende het -verhaal van de ontvoering van baboe Dalima, van hare gevangenhouding aan boord van -den schoenerbrik <i>Kiem Ping Hin</i>, van hare redding door Ardjan.” -</p> -<p>De resident Van Gulpendam werd een oogenblik bleek bij dat bericht. Het was hem, alsof -hem een knodslag toegebracht werd. De heer Meidema liet hem geen tijd om tot verhaal -te komen, maar vervolgde: -<span class="pageNum" id="pb2.29">[<a href="#pb2.29">29</a>]</span></p> -<p>„Ik heb een bewijs in handen van den stuurman en de bemanning van den kustwachter -<i>Matamata</i>, waarin verklaard wordt, dat zij in den bewusten nacht met de barkas jacht maakten -op eene prahoe sajab, waarin twee personen gezeten waren. Dat zij zelfs op die twee -opvarenden geschoten hebben, maar vlak voor de Moeara Tjatjing door de hooge branding -genoodzaakt waren de vervolging op te geven, omdat de logge barkas in die woedende -zee onhandelbaar was. Twee personen zaten dus in die prahoe sajab, resident, en er -was dus geen plaats meer voor die opium! Daarenboven.…” -</p> -<p>„Wat nog meer?” vroeg Van Gulpendam, die zich langzamerhand herstelde van den schok, -die hem getroffen had. -</p> -<p>„Daarenboven, de prahoe sajab werd bij de landing stuk geslagen. Het wrak lag daar -half door het water, half door den modder bedolven, en ik heb door getuigen laten -constateeren, dat de verpakking van den gesloken opium niet met water in aanraking -is geweest. Neen, resident, mijne overtuiging is het: dat de sluikwaar niet in dat -vaartuigje aan wal is gebracht, ook dat Ardjan de sluiker niet is.” -</p> -<p>De resident zat nog een oogenblik na te denken. -</p> -<p>„Mijnheer Meidema,” vroeg hij, „gij hebt volgens plicht, de hoeveelheid, soort en -hoedanigheid van de aangehaalde opium ten overstaan van den pachter, door eene <span class="corr" id="xd30e8263" title="Bron: commis-">commissie</span> van deskundigen doen constateeren?” -</p> -<p>„Ja, resident.” -</p> -<p>„Hebt gij die prahoe sajab in bewaring doen nemen en verzegelen?” -</p> -<p>„Ja, resident; maar door eene mij onverklaarbare opvatting, is die prahoe door het -wachtvolk van de stadsboei, waar ik haar had doen deponeeren, stukgehakt en verbrand.” -</p> -<p>Een glimlach vloog over het gelaat van den resident. Hij prevelde binnensmonds: „het -lek is gevonden, en kan gebreeuwd worden.” En overluid: -</p> -<p>„Dat is jammer! En aan wiens plichtverzuim is dat toe te schrijven?… Maar om het even. -Dat zal wel later onderzocht worden. Mijnheer Meidema, mag ik u een goeden raad geven?” -</p> -<p>„Voor een goeden raad ben ik steeds toegankelijk, resident.” -<span class="pageNum" id="pb2.30">[<a href="#pb2.30">30</a>]</span></p> -<p>„Uwe financiëele omstandigheden zijn niet schitterend, nietwaar?” -</p> -<p>„Resident!” -</p> -<p>„Gij hebt een groot huishouden, en zit op groote lasten. Welnu, verstaat u met den -pachter.” -</p> -<p>„Hoe moet ik dat begrijpen?” -</p> -<p>„Gij zijt ontwikkeld genoeg, mijnheer Meidema, om mij te vatten. Lim Yang Bing is -rijk, en daarenboven een goed vader. Zijn zoon staat op het punt een goed huwelijk -te doen. Hij zal op eene kleinigheid niet zien.” -</p> -<p>„Resident!” -</p> -<p>„En dan een andere raadgeving. Gelukkig is de landraad, die heden in die opiumzaak -uitspraak moest doen, verdaagd. Gij hebt thans tijd te over om uw proces-verbaal van -voorloopig onderzoek, dat volgens mij wel wat te eenzijdig is, om het onpartijdig -te kunnen noemen, te wijzigen.” -</p> -<p>„Dat nooit, resident!” viel Meidema zijn chef heftig in de rede. -</p> -<p>„Mijnheer Meidema, ik spreek als vriend tot u! Gij hebt een talrijk huisgezin. Er -zijn veel eters aan den bak!” -</p> -<p>„Nooit, nooit, resident!” -</p> -<p>„Dan kan ons onderhoud als afgeloopen beschouwd worden. Maar bedenk u wel.” -</p> -<p>Toen de heer Meidema vertrokken was, stond de resident nog een oogenblik hem na te -staren. Eindelijk mompelde hij, terwijl hij hartstochtelijk de tanden op elkander -klemde: -</p> -<p>„Die tegenstand moet gebroken worden! Want en pardoens moeten strak gezet worden!” -<span class="pageNum" id="pb2.31">[<a href="#pb2.31">31</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e8136"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8136src">1</a></span> Een paal is gelijk aan 1506,96 Meter. <a class="fnarrow" href="#xd30e8136src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e8199"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8199src">2</a></span> De heer Meidema doelt hier op het besluit van 18 Sept. 1853 N<sup>o</sup> 5 (Ind. Stbl. N<sup>o</sup> 73) waarin bij Art. 1 1a B. bepaald is: dat de aanbrengloonen nimmer kunnen genoten -worden door hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur en hunne secretarissen, -doch dat hunne aandeelen in den buit, bijaldien een van deze ambtenaren als aanhaler -of aanbrenger mocht voorkomen, zullen worden gebracht ten bate van den lande; en op -het besluit 11 April 1874 N<sup>o</sup> 14 (Ind. Stsbl. N<sup>o</sup> 106) waarbij de vorenstaande bepaling toepasselijk is verklaard voor de assistent-residenten -voor de politie. <a class="fnarrow" href="#xd30e8199src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch25" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e844">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXV.</h2> -<h2 class="main">Eva’s dochteren en de slang.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een paar dagen later zat mevrouw Meidema met hare beide dochters in de achtergalerij -harer woning, zich onledig te houden met het verstellen van de kleedingstukken der -overige kinderen die erg toegetakeld waren. -</p> -<p>„Het is schande, hoe die jongens hunne kielen verscheuren kunnen,” pruttelde Gesina, -een van de lieve tweeling-meisjes, waarmede de lezer zeer vluchtig kennis maakte, -bij gelegenheid van de dans-receptie op het residentie-huis. „Kijk me dat ding er -eens uitzien! De eene mouw hangt er met rafels bij, en het linker borststuk vertoont -een winkelhaak van onmatige grootte. Kijk eens, ma, is die kiel het herstellen nog -waard?” -</p> -<p>„Ja, zeker Sientje. Ga maar vlijtig aan den gang.” -</p> -<p>„Die bengels veroorzaken ons toch te veel werk, mama,” pruttelde Gesina. -</p> -<p>„Kom, het zijn levenslustige jongens,” voerde hare zuster Mathilda ter vergoelijking -bij. -</p> -<p>„Moeten zij, om levenslustig te zijn, in de boomen klimmen, en hunne kleeding verscheuren?” -</p> -<p>„Kan een jongen wel uit een boom blijven, wanneer hem een goudgele manga tegengluurt? -O, als ik een jongen was, deed ik ook zoo!” -</p> -<p>De moeder glimlachte over den uitval harer dochter. -</p> -<p>„Ik zie mijne Mathilda al daar boven in dien boom! Wat zou dat een lief gezicht opleveren! -Het zou bepaald zijn: horre Kees!” -</p> -<p>Mevrouw Meidema bracht dat, „horre <span class="corr" id="xd30e8307" title="Bron: kees">Kees</span>” zoo grappig <span class="pageNum" id="pb2.32">[<a href="#pb2.32">32</a>]</span>er uit, terwijl zij met de hand eene beweging maakte, alsof zij zich in de zijde krabde, -dat de beide meisjes het uitgierden. Eene poos moesten zij het naaiwerk staken om -uit te lachen. -</p> -<p>„Maar, ma,” begon Gesina, nadat de lachbui over was. „Zoudt gij ons niet door eene -„toekan minjahit” (naaister) kunnen laten helpen?” -</p> -<p>„Waar denkt mijn Sientje aan?” vroeg de moeder ernstig. -</p> -<p>„Ik vind het idée uitstekend,” kwam <span class="corr" id="xd30e8316" title="Bron: Mahilda">Mathilda</span> hare zuster te hulp. -</p> -<p>„Maar kinderen eene toekan minjahit kost geld.” -</p> -<p>„En Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, die had wel eene naaister,” snapte Mathilda. -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ja, maar Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, is een eenig kind, Thilda, en daarenboven de dochter van een resident.” -</p> -<p>„Is er zooveel verschil in het tractement van een resident en een assistent-resident, -mama?” -</p> -<p>„Dat zou ik denken. Hier<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> de resident heeft 1500 gulden ’s maands, en papa slechts 500 gulden.” -</p> -<p>„Is dat zóóveel verschil? Dat dacht ik niet.” -</p> -<p>„De resident heeft slechts eene dochter en wij tellen zes rijstdiefjes, Thilda.” -</p> -<p>„Zijn kinderen dan zoo duur, ma?” vroeg Gesina met een zucht. -</p> -<p>„Reken maar na: Kost, kleeding, schoolgeld en wat al niet meer.” -</p> -<p>„Het is jammer.” -</p> -<p>„Wat is jammer?” -</p> -<p>„Dat dat goedje zoo duur is, anders het is wel aardig.” -</p> -<p>„Hoor me nu zoo’n inconsequent meisje eens aan! Straks pruttelde ze over het vele -werk, dat die bengels veroorzaken, en nu vindt ze ze zulk aardig goedje,” lachte mama. -</p> -<p>„Nu ja, mama … U moogt zoo niet vitten … Een mensch mag wel eens pruttelen, vooral -als men kielen te verstellen heeft,” antwoordde Gesina, terwijl zij het hoofdje aan -haar moeders borst vlijde. -</p> -<p>„Geld is toch nog niet alles, mama,” was de wijsgeerige ontboezeming van Mathilda, -die ijverig voortpikte, terwijl mevrouw Meidema de bevallige beweging van Gesina met -een streelend handgebaar door hare lokken beantwoordde. -<span class="pageNum" id="pb2.33">[<a href="#pb2.33">33</a>]</span></p> -<p>„Geld is toch nog niet alles!” -</p> -<p>Dat sloeg volgens den gedachtengang van het schoone kind op het geconstateerde verschil -van tractement tusschen den resident Van Gulpendam en haren vader. -</p> -<p>„Neen, zeker, Mathilde, geld is niet alles,” antwoordde Gesina. „Kijk eens, zijn wij -niet gelukkig?” -</p> -<p>„En laten wij de vergelijking voltooien,” ging Mathilda voort. „Zou men in het residentiehuis -gelukkiger zijn? O, als ik alles bedenk, dan kan ik een zucht niet weerhouden. Arme, -arme Anna!” -</p> -<p>„Hebt ge tijding van haar?” vroeg Gesina, die ook weer haar werk hervat had. -</p> -<p>„Dezen ochtend ontving ik een brief van Karang Anjer. Maar, zooveel mismoed, ja zooveel -wanhoop straalt mij uit iederen volzin, uit iederen regel tegen! Och, och, ik vrees -het ergste. Met haar karakter uit een stuk, is Anna tot iedere wanhoopsdaad in staat.” -</p> -<p>„Maar, wat is er toch met haar?” vroeg Gesina. -</p> -<p>„Het fijne weet ik er ook niet van. Anna is zeer geheimhoudend, wat die zaken betreft. -Maar voor het naaste meen ik toch te weten, dat hare ouders een huwelijk met Van Nerekool -niet inwilligen.” -</p> -<p>„Och, zij zal zich spoedig te Karang Anjer vervelen en dan komt ze terug.” -</p> -<p>„Zou ze? Mij schrijft ze, dat ze nimmer meer terugkeert. O, haar brief is zoo akelig -droevig; hij geeft mij den indruk, alsof het een afscheid, een vaarwel voor het leven -ware. Zij verzoekt mij, als haar trouwste vriendin, den steen niet op haar te werpen, -wanneer hare wanhoop haar den laatsten stap zal doen volvoeren, en de geheele wereld -dan hare nagedachtenis zal bezoedelen. Moeder, wat moet ik toch doen, om die smart -te lenigen? O, kon ik toch naar Karang Anjer!” -</p> -<p>„Mijn lief kind,” antwoordde de moeder<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „het beste wat gij doen kunt, is in uwe correspondentie met Anna zoo min mogelijk -op hare liefde voor Van Nerekool te zinspelen. Zij heeft u niet geheel tot haar vertrouwelinge -gemaakt. Er bestaan dus geheimen, die het onkiesch zou zijn aan te raken, en waarbij -uwe onhandige hand met het mes in de smart wroeten, en de wond dus vlijmender maken -zou. De tijd is een groote heelmeester, die zal ook bij Anna zijne uitwerking niet -missen. Ik ken <span class="pageNum" id="pb2.34">[<a href="#pb2.34">34</a>]</span>eenigermate den gang der gebeurtenissen … wie weet, of zich alles nog niet ten goede -keert.” -</p> -<p>„Kent gij de gebeurtenissen, moeder?” vroeg Mathilda. „O, vertel mij die. Gij weet, -hoe lief ik Anna heb. Alles wat op haar betrekking heeft, boezemt mij belangstelling -in.” -</p> -<p>„Mathilda,” antwoordde de moeder, „Anna, die, naar ik vermoed, de zaken niet in haar -geheel weet, heeft gemeend wat zij weet voor u geheim te moeten houden. Zij heeft -daar zeer goed aan gedaan …” -</p> -<p>„O, mama!.…” -</p> -<p>„Want zij zou u een blik hebben moeten doen werpen in zoo’n poel van ongerechtigheden, -die zeer zeker voor de bevatting van een jong meisje ongeschikt zijn, en haar hart -dan ook hebben doen inkrimpen, en zich doen terugtrekken. Vergun mij, dat ik haar -voorbeeld volg … Maar … om tot ons hoofdonderwerp terug te keeren. Gij zeidet zoo -even: geld is niet alles, nietwaar? Neen geld, is niet alles. Wij zien daar eene familie, -wie het aan geld niet ontbreekt, die daarenboven andere gegevens heeft als: gezondheid, -aanzien, de eerste positie in onze maatschappij, enz. om overtevreden te zijn, en -die toch het geluk mist. Neen, geld is niet alles.… En toch.…” -</p> -<p>De goede vrouw zuchtte diep. Dat zij daar met hare dochters zoo te werken zat, duidde -genoegzaam aan, dat het slijk der aarde haar niet zoo onverschillig was, als dat „neen, -geld is niet alles!” te verstaan kon geven. Bij hare aarzeling om verder te gaan, -keken haar de beide meisjes aan. -</p> -<p>„En toch?…” vroeg Gesina. „Ga voort, moeder.” -</p> -<p>„En toch zou een paar honderd gulden tractement meer,” vervolgde mevrouw Meidema<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> „onzen toestand zeer verbeteren. Och, wij zitten op zoo groote lasten. Wij hebben -zoo belangrijke betalingen te doen; en …” -</p> -<p>Het zeil, dat de achtergalerij van het erf afsloot en voor het schelle daglicht beschutte, -werd in dit oogenblik opengeslagen, waardoor een verblindende zonnestraal naar binnen -drong, die allen deed opzien. -</p> -<p>„Babah Lim Yang Bing minta ketamoe sama toean” (babah Lim Yang Bing vraagt om mijnheer -te ontmoeten), sprak een der bedienden. -</p> -<p>„Maar, mijnheer is niet te huis, die is op zijn kantoor,” antwoordde mevrouw Meidema. -„Dat weet ge wel.” -<span class="pageNum" id="pb2.35">[<a href="#pb2.35">35</a>]</span></p> -<p>„Dat heb ik den babah ook gezegd, njonja,” antwoordde de Javaan. -</p> -<p>„Welnu?” -</p> -<p>„Hij wenscht de njonja te spreken.” -</p> -<p>Mevrouw Meidema maakte een gebaar van ongeduld. Lim Yang Bing, de rijkste Chinees -van de residentie Santjoemeh, wellicht van geheel <span class="corr" id="xd30e8387" title="Bron: Nederlandsch-Indie">Nederlandsch-Indië</span>, was evenwel geen man, die afgewezen kon worden. Het gebeurde trouwens wel meer, -dat hij zijne opwachting aan de dames kwam maken, bij welke gelegenheden hij steeds -de eene of andere snuisterijen had te laten zien. -</p> -<p>„Laat hem maar binnen komen,” sprak mevrouw. -</p> -<p>In allerijl werd het naaiwerk weggemoffeld, en een borduurwerkje ter hand genomen. -Wat had zoo’n Chinees ook te zien, dat de Europeesche familie zich zonder toekan minjahit -moest behelpen. -</p> -<p>„Tabeh njonja, tabeh nonna, nonna. Saja halap …” -</p> -<p>Maar waarom te trachten het brabbelmaleisch van den Chinees weer te geven. Dat zou -een onmogelijkheid probeeren zijn door de moeielijkheid, welke die landaard heeft -om sommige medeklinkers uit te spreken, waardoor zij die door andere verwisselen, -en hun spreken schier niet te volgen is. -</p> -<p>„Goeden dag, mevrouw, goeden dag, jonge dames,” sprak hij hoffelijk. „Ik hoop, dat -ik de dames niet ongelegen kom. Maar ik dacht den heer assistent-resident te huis -aan te treffen, en nu mij dat geluk niet ten deel valt, kan ik niet nalaten mijn opwachting -bij de dames te maken, eerstens om naar den staat hunner gezondheid te informeeren, -dan ook om haar eene groote tijding mede te deelen.” -</p> -<p>„Eene groote tijding?” vroeg mevrouw Meidema, als alle vrouwen nieuwsgierig. „Ga zitten, -babah.” -</p> -<p>En zich tot den bediende wendende, die op de trappen der achtergalerij gehurkt zat<span class="corr" id="xd30e8399" title="Bron: .">:</span> -</p> -<p>„Todrono, kassi karossi!” (Todrono, geef een stoel.) -</p> -<p>De meisjes keken den Chinees, die met eene strijkage plaats nam, met van nieuwsgierigheid -schitterende oogen aan. -</p> -<p>„En uw groot nieuws, babah?” vroeg mevrouw Meidema ongeduldig. -</p> -<p>„Eerst moet ik omtrent den staat der gezondheid van <span class="pageNum" id="pb2.36">[<a href="#pb2.36">36</a>]</span>de dames ingelicht zijn,” antwoordde babah Lim Yang Bing met plichtpleging. -</p> -<p>„O, wij zijn gezond en wel,” antwoordde mevrouw Meidema. „Ik dank u.” -</p> -<p>„Dan zij Toean Allah geprezen!” zei de Chinees niet zonder hoogdravendheid, maar met -honigzoeten glimlach om de lippen. -</p> -<p>„Maar nu uw nieuws, babah?” vroeg Gesina ongeduldig. -</p> -<p>„De nonna heeft gelijk nieuwsgierig te zijn. Want vooral de jonge meisjes zullen pret -hebben.” -</p> -<p>„Maar spreek dan toch, babah!” zei Mathilde even ongeduldig als hare zuster. -</p> -<p>„Het geldt een huwelijk,” antwoordde de Chinees. -</p> -<p>„Een huwelijk?” -</p> -<p>„Een Chineesch huwelijk?” -</p> -<p>„Ja, een Chineesch huwelijk,” antwoordde babah Lim Yang Bing met al den nadruk, dien -hij aan zijn woorden geven kon. -</p> -<p>„O, heerlijk!” kreten de meisjes. -</p> -<p>„En wie zijn de gelukkigen?” vroeg mevrouw Meidema. -</p> -<p>„Dat mag ik nog niet zeggen, nja.” -</p> -<p>„O, maar dan is het nog niet zeker,” zei Gesina teleurgesteld. -</p> -<p>„Zoo zeker,” sprak de Chinees, „dat ik de zijden stalen reeds bij mij heb.” -</p> -<p>„De zijden stalen?” vroegen de meisjes te gelijker tijd. -</p> -<p>„Ja, de zijden stalen. De dames weten toch wel, dat bij dergelijke gelegenheden door -de huwelijkscandidaten geschenken aan de genoodigden uitgedeeld worden. En daar de -dames de huwelijksplechtigheid zullen bijwonen, heb ik de stalen mede gebracht. O, -prachtige zijde, die ik van Nan Hioeng<a class="noteRef" id="xd30e8428src" href="#xd30e8428">1</a> heb laten komen. De dames moeten eens zien.” -</p> -<p>Hij haalde een klein pakje te voorschijn, dat hij losmaakte, en den inhoud voor den -verrukten blik der vrouwen tentoonstelde. -</p> -<p>„O! ziet eens die „tahi boeroeng” (groen met rooden <span class="pageNum" id="pb2.37">[<a href="#pb2.37">37</a>]</span>weerschijn),” kreet Gesina. „Wat zou een japon daarvan beeldig zijn!” -</p> -<p>„En kijk eens dat blauwe staal!” juichte Mathilda. „Kijk, donkerblauw met dikke bouquetten. -Als ik de keus had, dan.…” -</p> -<p>„En kiest mevrouw niet?” vroeg de babah aan de moeder. -</p> -<p>Mevrouw Meidema liet den blik op het verleidelijk pakje vallen, maar … aarzelde. -</p> -<p>„Toe, zoekt u ook een staal uit, mevrouw,” smeekte Lim Yang Bing met innemend gebaar. -</p> -<p>„Maar … babah,” begon mevrouw. „Ik heb nimmer gehoord van geschenken bij Chineesche -huwelijken. Wel bij de oude- en nieuwejaarsfeesten.” -</p> -<p>„Ja, njonja, dat zijn de dagen, dat algemeen en aan ieder geschenken gegeven worden,<a class="noteRef" id="xd30e8444src" href="#xd30e8444">2</a> maar bij huwelijken worden alleen aan goede vrienden geschenken aangeboden. En ik -noem den heer assistent-resident mijn „sobat baai.”<a class="noteRef" id="xd30e8452src" href="#xd30e8452">3</a> -</p> -<p>„Ja, maar, babah, gij kent den heer Meidema.” -</p> -<p>„Zou de njonja mij zoo iets weigeren willen?” vroeg de Chinees ontsteld. -</p> -<p>„O, mama!” prevelde Gesina met smeekenden blik. -</p> -<p>„Ik wil niet weigeren, babah. Alvorens evenwel iets te beslissen of te kiezen, wenschte -ik den heer Meidema te raadplegen.” -</p> -<p>„Niets natuurlijker dan dat. Dat is zelfs gemakkelijker voor mij. Mevrouw kan mij -dan tot voorspraak zijn bij den heer assistent.” -</p> -<p>„Tot voorspraak, babah?” vroeg mevrouw Meidema verwonderd. „Gij weet wel, dat die -voorspraak bij mijn man niet veel beteekent.” -</p> -<p>De Chinees lachte fijntjes en antwoordde: -</p> -<p>„Niet mij tot voorspraak, mevrouw; ik drukte mij verkeerd uit; maar tot voorspraak -van den bruidegom.” -</p> -<p>„Van den bruidegom? Dat ’s waar ook. Wie is toch die gelukkige, babah?” -<span class="pageNum" id="pb2.38">[<a href="#pb2.38">38</a>]</span></p> -<p>„Dat is nog een geheim, mevrouw … Maar ik zal het u maar zeggen. Dan ben ik van uwe -voorspraak overtuigd. Het is mijn zoon Lim Ho.” -</p> -<p>„Zoo … zoo … En met wie treedt hij in het huwelijk<span class="corr" id="xd30e8470" title="Bron: ,">?”</span> was de kalme vraag van Mevrouw Meidema.<span id="xd30e8473"></span> -</p> -<p>„Met Ngow Ming Nio.” -</p> -<p>„De dochter van Ngow Ming Than? Ja?… Een mooi en rijk meisje. Ik feliciteer u wel.” -</p> -<p>„En kan ik op de voorspraak van mevrouw voor Lim Ho rekenen?” vroeg Lim Yang Bing. -</p> -<p>„Waarin heeft Lim Ho mijne voorspraak noodig?” was de wedervraag. -</p> -<p>„Och, de heer assistent-resident is den armen jongen niet erg genegen. Als mevrouw -een goed woord wilde doen.” -</p> -<p>„Maar, waaromtrent een goed woord? Met zijn huwelijk heeft de heer Meidema niets uit -te staan, nietwaar?” -</p> -<p>„Neen, njonja. Maar er is eene opium-perkara, waarin de arme jongen betrokken is.” -</p> -<p>„O, daarvan wil ik niets weten,” riep mevrouw Meidema verschrikt uit. „Daar, babah, -steek die stalen maar weer bij u.” -</p> -<p>De Chinees was getroffen. Beteuterd rolde hij een poos de stalen te zamen, en stak -ze daarna in den zak. -</p> -<p>„Maar nja; de arme jongen is dood onschuldig.” -</p> -<p>„Daar wil ik niets van hooren, geen woord meer babah.” -</p> -<p>„Als de heer assistent-resident den armen jongen maar wilde hooren.” -</p> -<p>„Toe, ma!” smeekte Gesina, die de mooie zijden japon, aan den gezichteinder zag verdwijnen. -„Als pa den zoon van den pachter maar wil hooren.” -</p> -<p>Mevrouw Meidema aarzelde. -</p> -<p>„Als mijne voorspraak niets anders geldt.…. Dat wil ik hem wel vragen,” sprak zij. -</p> -<p>„Ma, pas op!” fluisterde Mathilda waarschuwend, maar zacht. -</p> -<p>„Ik dank de njonja zeer. Wat zal de brave jongen gelukkig zijn!” viel de Chinees in; -terwijl hij de hand van mevrouw Meidema greep, en die dankbaar drukte. „Ik zal die -stalen.…” -</p> -<p>„O, neen, niets van die stalen!” riep mevrouw Meidema uit. -<span class="pageNum" id="pb2.39">[<a href="#pb2.39">39</a>]</span></p> -<p>„Och, ma!” mompelde Gesina. -</p> -<p>„Pas op, ma!” fluisterde Mathilda. -</p> -<p>„Die geschenken hebben met uwe toezegging niets gemeens, mevrouw,” haastte Lim Yang -Bing, wien dat gefluister der jonge dames niet beviel, te verzekeren. „Ik heb de eer -u en uwe dochters, en natuurlijk ook mijnheer Meidema, uit te noodigen de huwelijksplechtigheid -en de bruiloft van mijn zoon bij te wonen. Daar steekt niets in. Gij behoort tot onze -goede vrienden. En de jonggehuwden mogen uit erkentelijkheid voor de ondervonden eer -eenige geschenken aanbieden. Daar steekt nog minder in. Dat is onze adat. Wie wil -daar nu kwaad in zien?.… Dat is dus afgesproken. Ik laat dat pakje met stalen hier, -dan kunnen de dames op hun gemak uitzoeken, en de zaak met den heer assistent-resident -bespreken.” -</p> -<p>Ja, zoo voorgesteld, ontmoette de aanbieding niet veel tegenkanting meer. En al had -die bestaan, dan zou mevrouw Meidema geen tijd overgebleven zijn, om die te opperen. -De Chinees lei met veel haast het pakje op de tafel, boog diep voor de dames, prevelde -zijn tabeh met nog eenige woorden, waaruit kon opgemaakt worden, dat hij terug zoude -komen om omtrent de keuze der dames te vernemen en verdween. -</p> -<p>Toen de babah weg was, keken de meisjes elkander en hunne moeder aan, Gesina met een -glimlach op het lieve gelaat, Mathilda met eene ernstige plooi om den mond. -</p> -<p>„Eene Chineesche bruiloft!” kreet de eene opgetogen<span class="corr" id="xd30e8504" title="Bron: ,">.</span> „Er zal voorzeker receptie gehouden worden! Wat zal er gedanst worden! Als de Chineezen -eene partij geven, dan doen zij het goed.” -</p> -<p>„Bedaar toch, Sientje,” maande mevrouw Meidema hare dochter tot kalmte aan, hoewel -de goede moeder met verrukten blik die blijdschap aanzag. -</p> -<p>Och hare lievelingen waren zoo weinig in de gelegenheid zoo eene partij bij te wonen. -Een enkele keer in het jaar bij de residents-familie, maar dat was ook al. -</p> -<p>„En wat zal ik in mijn nieuwe zijden japon pronken!” ging het meisje voort, terwijl -zij het pakje van de tafel greep. „O, bepaald, ik kies die tahi boeroeng. En gij, -Thilda<span class="corr" id="xd30e8511" title="Bron: .">?</span>” -<span class="pageNum" id="pb2.40">[<a href="#pb2.40">40</a>]</span></p> -<p>„Ik weet het niet,” antwoordde deze met een zucht; „maar ik heb een gevoel alsof dat -pakje ongeluk over ons huis zal brengen.” -</p> -<p>„Kom, wat malligheid! Kijk eens die stalen!” sprak Gesina, terwijl zij het pakje openrolde. -„O, die fraaie bruine zijde! Kijk eens, mama, dat zou wat voor u zijn! En die blauwe, -dat is de keus van Thilda, die is ook mooi. Maar in mijn oog is de tahi boeroeng de -mooiste. Zie eens!… Maar.… wat is dat?…” -</p> -<p>Gesina had het staal op haren knie willen leggen, om de veranderlijke kleuren goed -te doen uitkomen; maar bij die beweging gleden eenige bankbiljetten uit het pakje -op den grond. De dames zaten een oogenblik als versteend; want met een oogopslag hadden -zij papiertjes van vijf honderd gulden herkend. Eindelijk bukte zich Gesina, raapte -ze op, en telde ze: een, twee, drie.… tot tien. -</p> -<p>„Vijf duizend gulden!” prevelde zij verward. „Hoe zouden die in dat pakje komen? Dat -’s eene vergissing van den babah!” -</p> -<p>„Mijn voorgevoel!” dacht Mathilda bij zich zelve. -</p> -<p>„Vijf duizend gulden!” vloog door het brein van mevrouw Meidema, terwijl zij het pakje -bankbiljetten van hare dochter Gesina overnam. „Vijf duizend gulden!” -</p> -<p>Wat ging er in hoofd en hart van die brave moeder om? O! hare eerste gedachte was -om den babah te laten terugroepen, om hem dat geld terug te geven, en hem met zijne -stalen de deur te wijzen. Vijf duizend gulden!.… Maar, de Chinees was al zoo ver weg!.… -</p> -<p>Vijf duizend gulden!… En moesten de bedienden met die zaak in wetenschap komen?… Neen, -dat kon niet … Vijf duizend gulden!… Die vertegenwoordigden tien maanden traktement -van haren echtgenoot! Zij streek de papiertjes een voor een glad, wond ze om haren -vinger … Vijf duizend gulden!… Van die som konden alle betalingen geschieden!.… En, -wat zou er moeten gebeuren?.… Vijf duizend gulden!… De beeren betaald, zoude nog wel -een sommetje overschieten … Meidema kon dan eens verlof nemen naar de bovenlanden. -Hij zag er in den laatsten tijd zoo naar uit. Een paar weken verblijf in de berglucht -zou hem goed doen … Vijf duizend gulden!… Ook de knapen zouden nieuwe kielen …<span id="xd30e8525"></span> -<span class="pageNum" id="pb2.41">[<a href="#pb2.41">41</a>]</span></p> -<p>Zij werd gestoord in haren gedachtengang, door een rijtuig, dat het erf opreed. -</p> -<p>„Daar is papa!” riep Gesina uit. „Gauw weg met die stalen en die bankbiljetten!” -</p> -<p>Zij greep reeds toe. Zij had die zijden lapjes en die papiertjes reeds opgerold, en -was op het punt dat pakje onder het kielengoed, waarmede zij bij het binnenkomen van -den Chinees onledig was geweest, te doen verdwijnen; toen hare moeder haar beiden -afnam, en voor zich op tafel neerlegde. -</p> -<p>Bij het hooren van de stem van haren echtgenoot, die in de voorgalerij der woning -aan de bedienden eenige bevelen gaf, was de brave vrouw uit den zwijmel van booze -gedachten, die haar in haren maalstroom dreigden mee te sleepen, opgeschrikt. Neen, -voor den man, aan wiens zijde zij gedurende een groot gedeelte van haar leven rein -en onbesproken had voortgestapt, wilde zij geen geheimen hebben! Neen, voor den man, -dien zij zoo lange jaren in lief en leed, in voorspoed en in tegenspoed had ter zijde -gestaan, zou zij niets verzwijgen! Zij zou hem alles blootleggen. Hij kon dan handelen, -zooals hij zou meenen, dat goed was. Zij waren wel arm; maar zij zou zich aan zijne -beslissing onderwerpen. -</p> -<p>Dat alles bestormde in een ondeelbaar oogenblik het hoofd der brave vrouw. Toen Meidema -de achtergalerij binnentrad, was haar besluit onwrikbaar genomen. -</p> -<p>De meisjes vlogen op, en gaven haar vader een kus. Ook de moeder naderde en verwelkomde -haren echtvriend. Deze evenwel zag met een oogopslag, dat er iets haperde. Hij greep -haar met beide handen bij de schouders, en keek haar uitvorschend in de nog schoone -oogen. -</p> -<p>„Zeg, mamaatje,” vroeg hij met opgeruimde stem, „is er iets?” -</p> -<p>„Ja, Meidema, ga zitten, ik heb u wat te vertellen.” -</p> -<p>„Hoe ernstig, mijn oudje! Kunnen de meisjes hier blijven?” -</p> -<p>„Ja, zeker. In die zaak heb ik voor haar geene geheimen. Ik verlang zelfs, dat zij -blijven.” -</p> -<p>„Drommels, hoe solemneel! Geldt het haar? Zijn zij ten huwelijk gevraagd? Niet? Ik -zou daarin ook geen reden vinden, om zoo’n gezicht als zes weken westmousson te zetten.” -<span class="pageNum" id="pb2.42">[<a href="#pb2.42">42</a>]</span></p> -<p>„Maak nu geen gekheid.”— -</p> -<p>„Geldt het dan de knapen? Zijn die weer stout geweest? De pantalon gescheurd? Of de -kiel aan flarden? Ja, die jongens zijn een kruis! Maar, kom … dat alles komt terecht.” -</p> -<p>Alles terecht?.… -</p> -<p>Bij die woorden bleef hij steken. Zijn onderhoud met den resident kwam hem voor den -geest. Hij stapte na de omhelzing de galerij op en neer, haalde eene sigaar uit zijn -koker, en keek Mathilda aan. Deze vloog op. -</p> -<p>„Mag ik ze aansteken, pa?” vroeg ze. -</p> -<p>Zij nam de sigaar in den mond, streek een lucifer aan, deed eenige trekken, waarbij -zij een allerkoddigst gezichtje zette, wanneer de tabaks-rook haar in de neusgaten -of oogen drong. Zij kuchte dan licht, boog het hoofdje ter zijde, trok de neusvleugels -eenigszins op, en kneep de oogen dicht. Toen de sigaar goed rondgebrand was, stak -zij ze haren vader in den mond, met de woorden: -</p> -<p>„Ah bah! hoe leelijk! Dat de heeren zoo iets lekker kunnen vinden!” -</p> -<p>„Kleine feeks, ge hebt de sigaar verkeerd aan het dikke einde aangestoken.” -</p> -<p>„Dat’s zuiniger, pa.” -</p> -<p>„Wel mogelijk; maar daarom smaakt ze zoo leelijk.” -</p> -<p>„Kom, pa. Tabak is toch tabak, en dan dat dikke eind in den mond, dat ontsiert de -lippen zoo. Kijk zoo, dat dunne eind, dat staat goed. Maar pa, let nu eens op ma!” -</p> -<p>„Ga hier zitten, Meidema; want, wat ik je te zeggen heb, is ernstig.” -</p> -<p>„Ik zit al, wijfje, en luister aandachtig.” -</p> -<p>„Babah Lim Yang Bing is straks hier geweest.” -</p> -<p>„Zoo, ik kwam hem tegen. Hij groette mij allervriendelijkst, nog vriendelijker dan -anders<span class="corr" id="xd30e8559" title="Bron: ,">.</span>” -</p> -<p>„Weet gij wel, wat hij heeft komen doen?” -</p> -<p>„Wat hij heeft komen doen?…” vroeg de heer Meidema, ietwat verwonderd. De naam van -den pachter had reeds zijne aandacht gaande gemaakt, zonder dat hij kon gissen, wat -er aan de hand was. „Wat zou hij hier hebben komen doen? Eenvoudig een praatje maken.” -</p> -<p>„Weet gij dat zijn zoon Lim Ho trouwen gaat?” -</p> -<p>„Daar heb ik zoo wat van gehoord, met de dochter van dien ouden rijken Chinees, nietwaar?” -<span class="pageNum" id="pb2.43">[<a href="#pb2.43">43</a>]</span></p> -<p>„Ja, pa, met de lieve Ngow Ming Nio,” viel Gesina in. -</p> -<p>„Lim Yang Bing,” ging mevrouw Meidema voort, „heeft ons, u, mij en de meisjes komen -verzoeken om bij de huwelijksplechtigheid en op de bruiloft tegenwoordig te zijn.” -</p> -<p>„Welnu, wat zou dat? Dat zal de meisjes pleizier doen, nietwaar deerns?” zei hij, -terwijl hij de wangen zijner tweelingen streelde. „Zoo’n Chineesche huwelijksplechtigheid -is allerinteressants. Ziet ge daarom zoo ernstig?… O, ja!… vanwege de kleeding … Laatst -met de partij bij den resident werd reeds aanzoek om nieuwe japonnen gedaan … Dat’s -last …” -</p> -<p>„Neen, Meidema, dat is niet lastig; want de Chinees biedt ons geschenken aan.” -</p> -<p>„Geschenken?” -</p> -<p>„Ja, hij zegt, dat de gebruiken medebrengen, dat jonggehuwden aan goede bekenden geschenken -uitdeelen.” -</p> -<p>„Accoord: wat suikerwerk, gebak of zoo iets. Maar, wat heeft dat?…” -</p> -<p>„Neen, geen <span class="corr" id="xd30e8578" title="Bron: snoeperijën">snoeperijen</span>, maar zijde, om japonnen van te maken.” -</p> -<p>„Zijde!… Is die vent dol? Van die adat heb ik nooit gehoord. En ik ben toch al een -tijd in Indië!” -</p> -<p>„Hij heeft zelf stalen van Chineesche zijde achtergelaten. Beelderig! Prachtig mooi! -Eene kleine voorwaarde was er evenwel aan verbonden.” -</p> -<p>„Eene voorwaarde?… En die is?” -</p> -<p>„Ik zou de voorspraak bij u zijn voor Lim Ho.” -</p> -<p>„Voor Lim Ho!!… Zoo! En wat hebt gij gezegd?” -</p> -<p>„Dat ik daar niets mede te maken wilde hebben.” -</p> -<p>„En waar zijn die stalen?… Geef hier, dat ik ze in het vuur werp!” -</p> -<p>„Zacht wat, Meidema!” -</p> -<p>„Voorspraak van Lim Ho! Met een zijden japonnetje wilde men u omkoopen!” -</p> -<p>„Niet alleen met een zijden japonnetje, Meidema. Rol dat pakje eens open!” -</p> -<p>De assistent-resident deed zulks woest en hartstochtelijk in zijne opgewondenheid. -</p> -<p>„Wat is er?… Wat is er toch?” riep hij ongeduldig uit. -</p> -<p>Daar vielen hem de bankbiljetten op de voeten. Bleek en ontdaan raapte hij ze op, -telde ze, streek ze glad, <span class="pageNum" id="pb2.44">[<a href="#pb2.44">44</a>]</span>keek zijne vrouw en kinderen met strakken blik aan; maar sprak geen woord. Eindelijk, -in een woesten vloek uitbarstende, frommelde hij het pakje stalen en de bankbiljetten -tot een vormloozen klomp te zamen. -</p> -<p>„De duivel zal dien Chinees halen!” riep hij uit. „Daar zal de vent van lusten!” -</p> -<p>En den bediende roepende; -</p> -<p>„Todrono, soeroe passang koeda!” (Todrono, gelast den koetsier de paarden voor te -spannen). -</p> -<p>Tien minuten later had hij het erf verlaten. -<span class="pageNum" id="pb2.45">[<a href="#pb2.45">45</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e8428"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8428src">1</a></span> Nan Hioeng is een Chineesche stad in de provincie Kwantoeng op 2½ graad nagenoeg ten -noorden van Canton gelegen. Volgens de babah’s op Java zijn de omstreken van die stad -het zijde-district bij uitnemendheid. <a class="fnarrow" href="#xd30e8428src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e8444"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8444src">2</a></span> Zie omtrent het geven van geschenken bladz. 463 en volgende van de <i>Jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen</i> door Dr. <span class="sc">J. M. de Groot</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e8444src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e8452"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8452src">3</a></span> Sobat baai beteekent: goede vriend. Sobat is de verbastering van het Arabische sjachbat -= vriend. <a class="fnarrow" href="#xd30e8452src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch26" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e853">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVI.</h2> -<h2 class="main">Aardig gemanoeuvreerd!</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . -</p> -<p>„Ja, resident, en ik klaag den opiumpachter aan wegens poging tot omkooperij!” -</p> -<p>Het was de assistent-resident van politie, die zoo het verhaal aan den heer Van Gulpendam -besloot, waarbij hij het gebeurde bij zich aan huis in geuren en kleuren had medegedeeld. -</p> -<p>„Bedaar, mijnheer Meidema, bedaar. Vast wat!.… Overijling is nadeelig voor welke zaak -ook. Zijt gij overtuigd, dat die vijfduizend gulden daar in dat pakje gestopt zijn -met het doel om u te willen omkoopen?” -</p> -<p>„Moet ik herhalen, resident, dat hij mijne echtgenoote verzocht, bij mij tot voorspraak -voor Lim Ho te dienen? Ja zeker, ben ik overtuigd van die poging tot omkooping!” -</p> -<p>„Kunt gij niet aannemen, dat Lim Yang Bing, die een zeer weldadig man is, begaan is -met uwe benarde financiëele <span class="corr" id="xd30e8616" title="Bron: onstandigheden">omstandigheden</span>?” -</p> -<p>Meidema brulde schier van woede. -</p> -<p>„Mijne benarde financiëele omstandigheden!… Wie verbreidt toch dat praatje? Zeker -ben ik niet rijk; maar wanneer ieder zooveel orde op zaken had als ik, dan zou …” -</p> -<p>„Laten wij niet van den wind afvallen, mijnheer Meidema,” stuitte de resident bijtijds. -</p> -<p>„Ja, juist, resident! Wie geeft dien Chinees het recht zich met mijn financiëele omstandigheden -te bemoeien, <span class="pageNum" id="pb2.46">[<a href="#pb2.46">46</a>]</span>en zich te permitteeren aan mijne vrouw en dochters een cadeau van vijfduizend gulden -aan te bieden?” -</p> -<p>„Maar, is het wel een cadeau?” -</p> -<p>„Wat zou het anders zijn, resident?” -</p> -<p>„Kunt gij niet aannemen, dat dat pakje bankpapier onwillekeurig tusschen die stalen -zijde geraakt is? Gij weet hoe slordig zoo’n Chinees met papieren geld omspringt. -Soms hebben zij eene groote waarde los in hun zak zitten. Zie, ik ben overtuigd, dat -wanneer gij straks Lim Yang Bing zult ontmoeten, alles zich ten duidelijkste zal oplossen. -Ik zal hem laten praaien. Vindt gij het goed?” -</p> -<p>„Mij wel, resident; maar wat hij ook zeggen of verklaren zal, ik trek mijne aanklacht -niet in.” -</p> -<p>„Niet zoo vroeg stoom afblazen, mijnheer Meidema, wat ik u bidden mag. Laat mij het -bestek nu eens uitzetten, dan zult gij zien, dat gij u in den koers schromelijk vergist -hebt.” -</p> -<p>Een oppasser werd geroepen, en kreeg bevel om dadelijk te paard te stijgen, en in -vollen ren naar den opiumpachter te rijden met de boodschap: dat deze terstond bij -den Kandjèng toean resident moest komen. -</p> -<p>Nog geen half uur later, dat beide ambtenaren met een gesprek over onverschillige -zaken doorgebracht hadden, reed een elegante milord, bespannen met het fraaiste span -Perziaansche paarden, die maar te bedenken waren, het erf van het residentiehuis op. -Een oogenblik later werd de opiumpachter aangediend. -</p> -<p>„Kassie massokh!” (laat binnen komen,) sprak de resident. -</p> -<p>Met zijn gewone ongedwongenheid en met een glimlach op het gelaat trad Lim Yang Bing -binnen. Hij had reeds van den oppasser vernomen, dat de heer assistent-resident bij -den toean bezaar was. Dat was hem als een goed voorteeken voorgekomen. Hij meende -nu dat die opium-smokkelzaak van een leien dakje zou loopen. -</p> -<p>Opgeruimd klonk dan ook zijn: -</p> -<p>„Tabeh Kandjèng toean toean!”… -</p> -<p>De resident wees den Chinees een stoel, en toen deze plaats genomen had, vervolgde -hij: -</p> -<p>„Babah, de heer assistent-resident vermeent zich over u te beklagen te hebben.” -<span class="pageNum" id="pb2.47">[<a href="#pb2.47">47</a>]</span></p> -<p>„Ik vermeen dat niet, resident,” viel Meidema in. „Ik beklaag mij werkelijk.” -</p> -<p>De beide heeren spraken Maleisch, zoodat de pachter alles verstond. -</p> -<p>„En waarover beklaagt de heer assistent-resident zich?” vroeg hij zoetsappig. -</p> -<p>Hij zag de geheele samenkomst aan voor eene komedie, die vertoond werd, en waarin -ieder zijne rol te vervullen had. Hij had zoo menig luimig stukje mede helpen afspelen. -</p> -<p>„Waarover ik mij beklaag, babah? Ik klaag u aan, dat gij mij als hoofd van de politie -hebt willen omkoopen!” -</p> -<p>„Ik, Kandjèng toean?” vroeg de Chinees met gemaakte verwondering. „Wanneer zou ik -dat gedaan hebben?” -</p> -<p>„Nog geen uur geleden, dezen ochtend nog.” -</p> -<p>„De heer assistent-resident wil met mij spotten. Ja ik ontmoette hem straks, maar -had de eer niet hem heden te spreken. Hoe zou ik nu zoo iets kunnen bedreven hebben?” -</p> -<p>„Gij zijt heden ochtend bij mijn gezin geweest, nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, Kandjèng toean, om hen en u voor de bruiloft uit te noodigen, zooals ik hier -ook op het residentiehuis geweest ben, om de njonja en den toean bezaar te verzoeken.” -</p> -<p>„Hebt gij de njonja-resident ook Chineesche zijde aangeboden voor een japon?” vroeg -de heer Meidema heftig. -</p> -<p>De Chinees knikte onder dien slag. Zijn geel gelaat werd vaal. Hij begon te begrijpen, -en keek den resident beteuterd aan. Maar deze, tegenover Meidema gezeten, die hem -aankeek, vermocht hem geen teeken te geven. Toch was er iets aanmoedigends in de oogen -van den hoofdambtenaar te lezen. -</p> -<p>„Hebt gij de njonja-resident ook een pakje bankpapier aangeboden? Zeg?” -</p> -<p>En bij die woorden wierp de assistent-resident de geldswaarde op de schrijftafel van -den resident met een gebaar, alsof hij zich brandde. -</p> -<p>De Chinees werd loodkleurig. Hij had tijd noodig om zich te herstellen. -</p> -<p>„Ziet ge, resident. De schuld is op het aangezicht van den ellendeling te lezen!” -sprak <span class="corr" id="xd30e8661" title="Bron: Meidena">Meidema</span> opgewonden. -</p> -<p>Bij die woorden hernam de pachter zijn koelbloedigheid. <span class="pageNum" id="pb2.48">[<a href="#pb2.48">48</a>]</span>Hij sprong op het pakje banknoten toe, en telde ze nauwkeurig; „satoe, doea, tiga, -ampat,… sapoeloeh!” -</p> -<p>Toen een fletschen blik op den heer Meidema vestigende, vervolgde hij: -</p> -<p>„En beschuldigt de heer assistent-resident mij, hem te hebben willen omkoopen?” -</p> -<p>„Ja, babah, daarvan beschuldig ik u!” -</p> -<p>„Maar, waarom geeft de heer assistent-resident dan niet de geheele som terug?” vervolgde -de Chinees met honigzoeten glimlach. -</p> -<p>„De geheele som?” -</p> -<p>„Ja, de geheele som,” antwoordde babah Lim Yang Bing. „Ik heb al lang gemerkt, dat -de heer assistent-resident mij en de mijnen niet genegen is; maar het is toch te erg -eene kleine som terug te brengen om mij ten verderve te brengen en de grootere te -behouden.” -</p> -<p>Dat werd zonder hartstocht, zonder omhaal, zonder verheffing van stem, maar op teemenden -toon gezegd, terwijl die gluiperige glimlach, welke het gelaat der Chineezen steeds -kenmerkt, wanneer zij zich in tegenwoordigheid van gezaghebbende personen bevinden, -waargenomen kon worden. -</p> -<p>„Babah!” riep de heer Meidema toornig uit. „Babah pas op!” -</p> -<p>„Maar ik begrijp den toeleg van den heer assistent-resident,” ging de Chinees, die -zich niet van zijn stuk liet afbrengen, met zijnen onverstoorbaren valschen lach voort. -„Hij wil het grootste gedeelte van het cadeau, dat ik mevrouw deed, behouden, en daar -de boeten bijvoegen, die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan als schuldig -aan opium-smokkelvrij veroordeeld wordt. Ik moet bekennen, dat het slim, maar ik laat -den Kandjèng toean oordeelen of het eerlijk is.” -</p> -<p>Meidema zat daar, alsof hij door den bliksem getroffen was. Eene vreeselijke gedachte -woelde hem door het brein. Ja, zijne financiën waren niet in den besten toestand! -Ja, zijn huisgezin ging gebukt onder zware lasten! Ja, voor zijne kinderen gloorde -maar zelden een vroolijk uur! Ja … en … zou zijne echtgenoote onder den druk der omstandigheden -zich hebben laten verleiden hem niet de geheele waarheid te zeggen? Had zij hem slechts -een gedeelte van de gift genoemd, om te <span class="pageNum" id="pb2.49">[<a href="#pb2.49">49</a>]</span>zien, hoe hij het opnam?… Ja, zoo zal het gebeurd zijn.… Zijne vrouw, zijne dochters, -zij zaten daar ook zoo beteuterd, zoo verbijsterd. En de gedragslijn, welke hij thans -tegenover den resident, die hem niet erg genegen was, aangenomen had. Hel en duivel!… -Hij sprong op. -</p> -<p>„Babah! gij liegt!” riep hij in de grootste verbolgenheid uit. -</p> -<p>„Als de heer assistent-resident „koerang adjar” (onwelvoegelijk) wordt, dan verzoek -ik den Kandjèng toean mij te veroorloven heen te gaan,” antwoordde de Chinees op denzelfden -sleependen, zangerigen toon, met denzelfden valschen glimlach op de fletsche trekken. -</p> -<p>„Mijnheer Meidema, ik moet u verzoeken bedaard te blijven,” maande Van Gulpendam op -ernstigen toon. -</p> -<p>„Hoeveel heeft dan in dat pakje gezeten?” kreet Meidema wanhopig. -</p> -<p>„In dat pakje heb ik de njonja tien bankbiljetten van duizend en tien van vijf honderd -gulden aangeboden.” -</p> -<p>De assistent-resident kermde van ontsteltenis en wanhoop. -</p> -<p>„Is dat waar?” vroeg hij met haperende stem. -</p> -<p>„Soengoe matti!” (bij mijn dood), was het antwoord. -</p> -<p>„O, ik ga mij overtuigen!” kreet de ongelukkige en stormde het kantoor van den resident -uit. -</p> -<p>En de Chinees èn de resident keken hem met een glimlach na. -</p> -<p>„Goed gepareerd, babah!” sprak de laatste bewonderend, en binnensmonds prevelde hij: -</p> -<p>„Ik ben eens benieuwd, welke noodhaven de koppige kerel bij het invallen van die bui -zal opzoeken.” -</p> -<p>„Kandjèng toean zal mij veroorloven naar huis te gaan?” vroeg babah Lim Yang Bing -deemoedig, maar steeds met loenschen glimlach. -</p> -<p>„Ja, babah.” -</p> -<p>En toen de gebruikelijke complimentjes gewisseld waren, en de Chinees vertrokken was, -tuurde hem de resident na en mompelde: -</p> -<p>„Een leepe vent, die pachter … Ja, die in de opium zit, moet met alle winden kunnen -zeilen.” -</p> -<p>Brieschend kwam Meidema te huis. -</p> -<p>Hij wachtte niet totdat zijn rijtuig het perron der voorgalerij bereikt had. Nauwelijks -was hij het erf opgereden, <span class="pageNum" id="pb2.50">[<a href="#pb2.50">50</a>]</span>of hij wierp het portier open, sprong het rijtuig uit en riep den koetsier toe: -</p> -<p>„Toengoe!” (wachten). -</p> -<p>Hij stormde de voor- en binnengalerij door. In de achtergalerij aangekomen, waar de -dames nog met hun verstelwerk bezig waren, vloog hij op zijne echtgenoote toe, die -bij het bemerken van zijn ontsteld gelaat van haren zetel opgerezen was. Hij greep -haar bij de polsen, en met eene krachtige beweging, dwong hij haar voor hem te knielen. -Dat alles ging zoo snel in zijn werk, dat, hoewel de beide meisjes ook opgevlogen -waren, niemand harer eigenlijk begreep, wat er gebeurde. -</p> -<p>„Zoo!” brulde Meidema. „Dat is de houding, die u betaamt! En nu, geantwoord! Waar -is het overige geld?” -</p> -<p>„Welk overige geld?” kreet de rampzalige vrouw, zich onder zijne ijzeren vuist in -duizend bochten aan zijne voeten wringende. -</p> -<p>„De andere tien duizend gulden!” toornde de man. -</p> -<p>„Welke tien duizend gulden?” vroeg de arme moeder steeds geknield. „Meidema laat me -los; gij doet mij zeer!” -</p> -<p>„Neen, ik laat u niet los, voor dat ge me gezegd hebt, waar de tien duizend gulden -zijn,” antwoordde de verbolgen echtgenoot. -</p> -<p>„Maar, welke tien duizend gulden?” -</p> -<p>„Die de Chineesche pachter u met de vijf duizend gegeven heeft!” -</p> -<p>„Pa,” sprak Gesina, „laat mama los. Ik zal u vertellen, wat er van de zaak is.” -</p> -<p>„Gij!” brulde de vader, zonder evenwel zijne echtgenoote los te laten, die hij steeds -geknield voor zich hield. -</p> -<p>„Ik heb het pakje van Lim Yang Bing aangenomen,” ging het meisje voort. „Ik heb het -geopend en de stalen zijde met mama en mijne zuster bewonderd. Toen waren er geen -bankbiljetten in, dat zweer ik, bij al wat mij heilig is! Toen mama van eene voorspraak -bij u niets weten wilde, stak hij het pakje weer bij zich. Evenwel toen mama later -er in bewilligde, om u over die zijde te raadplegen, wierp de babah het pakje op tafel -en snelde heen …” -</p> -<p>„Maar die tien duizend gulden?” vroeg Meidema achterdochtig. -<span class="pageNum" id="pb2.51">[<a href="#pb2.51">51</a>]</span></p> -<p>„Laat mij uitspreken pa,” vervolgde Gezina. „Toen hij weg was, nam ik de stalen weer -op; maar nu ik mij goed herinner, dan waren het de eerste stalen niet, die wij bewonderd -hadden. Daar lette ik evenwel toen niet op. Wij keken, keken, en waren geheel en al -verrukking Ik lei een der stalen op mijn knie om het effect te bewonderen, toen vielen -vijf duizend gulden uit dat pakje …” -</p> -<p>„Vijftien duizend, wilt ge zeggen?” vroeg de vader, die ongeduldig, maar toch aandachtig -geluisterd had. -</p> -<p>„Neen, pa, tien papiertjes van vijfhonderd gulden! Anders niet!” antwoordde het meisje -met vaste, rustige stem. -</p> -<p>„Is dat waar?” vroeg de vader, en keek zijn kinderen en zijne vrouw uitvorschend in -het gelaat. -</p> -<p>Maar de lieve kijkers van zijn tweeling blikten hem zoo schuldeloos, zoo open en trouwhartig -te gemoet; de oogen zijner gade vestigden zich zoo vastberaden op de zijnen, dat twijfel -onmogelijk was, toen alle drie als uit een mond met eene stembuiging, die slechts -aan een rein geweten hare overtuigingskracht ontleende, antwoordden: -</p> -<p>„Ja, dat is waar!” -</p> -<p>Toen trok de rampzalige man zijn echtgenoote, die nog steeds geknield voor hem lag, -overeind, en kreet, terwijl hij haar aan zijne borst klemde: -</p> -<p>„Ellendeling, die ik ben! Ik heb mijne dierbaren, hen, die ik het meest liefheb op -aarde, kunnen verdenken!” -</p> -<p>En zijn armen uitspreidende en om den hals zijner vrouw en kinderen slaande. -</p> -<p>„Lievelingen,” sprak hij met een snik, „zult gij mij kunnen vergeven?” -</p> -<p>Die vier personen vormden daar voor een <span class="corr" id="xd30e8734" title="Bron: oogenbiik">oogenblik</span> een groep, die een beeldhouwer had kunnen bekoren; maar die den menschenvriend, die -dat heerlijke schouwspel had kunnen bespieden, het hart van verrukking zou hebben -doen kloppen. De gade, de dochters overlaadden den man, die een oogenblik te voren -zoo getoornd had, met kussen en met liefkoozingen. O, zij konden zich zeer goed in -zijne plaats stellen, en zijne verbolgenheid begrijpen. -</p> -<p>„Had ik geen recht,” zei Mathilda „toen ik beweerde, dat dat pakje stalen mij ongeluk -aanbrengend voorkwam?” -</p> -<p>„Maar, zeg mij, Meidema,” vroeg mevrouw; terwijl zij haren echtgenoot met een traan -in het oog aanzag. „Wat is er gebeurd, wat u zoo gramstorig maakte?” -<span class="pageNum" id="pb2.52">[<a href="#pb2.52">52</a>]</span></p> -<p>„Die vuile Chinees heeft in presentie van den resident beweerd, dat hij u geen vijf -duizend, maar vijftien duizend gulden overhandigd had.” -</p> -<p>„O, God! Maar, dat is infaam!” -</p> -<p>„Ja, dat is het! Van zoo’n opium-exploitant echter is niet anders te verwachten. Zoo’n -wezen is tot alles in staat!” -</p> -<p>„Maar, kan u zoo iets niet benadeelen?” vroeg de bezorgde vrouw. Een weinig ervaring -van het raderwerk in <span class="corr" id="xd30e8747" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> had zij wel. -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Meidema met een zucht, „als ik met eerlijke lieden te doen had, dan -kon ik volkomen gerust zijn. Maar, nu?… Ik zal evenwel trachten een schotje er voor -te zetten! Mijn rijtuig staat nog voor; ik ga snel naar den resident!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Dat’s eene malle geschiedenis, mijnheer Meidema.” -</p> -<p>Dat was de eenige opmerking, die zich de resident Van Gulpendam veroorloofde, toen -de heer Meidema hem met al den gloed der verontwaardiging, die zijne borst doortintelde, -het gebeurde medegedeeld had. Gedurende dat verhaal had de hoofdambtenaar met onverdeelde -aandacht, evenwel met strak niet aanmoedigend gelaat zitten luisteren, terwijl soms -een zweem van ongeduld met een sarcastisch glimlachje op zijn gelaat om den voorrang -streden. Dat uiterlijke ontstemde den reeds overprikkelden assistent-resident zoodanig, -dat toen de resident zich zijne niet zeer heusche opmerking liet ontvallen, hij niet -zonder hartstocht antwoordde: -</p> -<p>„Eene malle geschiedenis!… Eene infâme geschiedenis, wilt ge zeggen, resident!” -</p> -<p>„He, he, he! mijnheer Meidema. Niet zoo stout zeilen!” -</p> -<p>„Maar, resident, vindt gij het geene infâme geschiedenis?” -</p> -<p>„Jawel, jawel … maar, het is de vraag voor wien?” -</p> -<p>„Het is de vraag voor wien?… Resident, het schijnt, dat gij mij niet gelooft!” -</p> -<p>„Niet te driftig, mijnheer Meidema. Luister eens …” -</p> -<p>„Maar, resident, dat vereischt eene nadere verklaring! Als gij mij niet gelooft …” -</p> -<p>„Ik verlang nu, heer assistent-resident, dat gij mij aan het woord laat!” -</p> -<p>Die woorden, met de meest mogelijke afgemetenheid en deftigheid uitgesproken, zooals -dat een resident in <span class="pageNum" id="pb2.53">[<a href="#pb2.53">53</a>]</span>zijne volle waardigheid alleen kan, brachten eene geheele omkeering bij zijn toehoorder -te weeg. Meidema bedwong zich, antwoordde geen enkele lettergreep, maar boog ten teeken, -dat hij luisterde. -</p> -<p>„Ik zei, dat het eene malle geschiedenis is,” hervatte de resident, „en werkelijk, -dat is zoo. Ik wil voor een oogenblik gelooven, dat gij een eerlijk man zijt, mijnheer -Meidema.…” -</p> -<p>De ondergeschikte knarstandde bij die woorden. Hij deed eene beweging;… maar, hij -was vast besloten bedaard te blijven en te luisteren. De resident vervolgde, alsof -hij niets bemerkt had. -</p> -<p>„.… Maar, gij moet mij toegeven, dat de schijn zeer tegen u pleit … Tegen u, of … -tegen uwe huisgenooten. Stel u eens op het standpunt van den resident, van mij, die -onpartijdig, zonder vooroordeelen, de zaken moet overzien; en zie dan eens op welke -schaal der balans van onpartijdigheid de waarschijnlijkheden zich als het ware ophoopen. -Uw benarde financiëele omstandigheden zijn van algemeene bekendheid en schaden uw -karakter van eersten magistraat in de publieke opinie zeer. Het is zoo moeielijk aan -te nemen, dat iemand, onder zulke omstandigheden gebukt, onpartijdig, onaantastbaar, -onwrikbaar eerlijk kan zijn. Daartoe zijn de verlokkingen van alle kanten te groot. -Aan den eenen kant de aanbiedingen der verleiders, die hunnen weg wel weten te kiezen; -aan den anderen kant de stemmen der huisgenooten, die onder den druk van het kommerlijk -bestaan kwijnen. De openbare meening is dus bepaald tegen u. In die omstandigheden -verschijnt de opiumpachter ten uwent, biedt geschenken aan in den vorm van zijden -japonnen voor uwe echtgenoote en voor uwe dochters, biedt geschenken aan in den vorm -van geld. Wien zult gij nu willen wijsmaken, dat zoo iets geschieden kan, zonder dat -voorafgegane verhoudingen plaats gegrepen hebben, die tot zulke aanbiedingen aanmoedigden? -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Immers niemand. Zelf hebt gij verhaald, dat de pachter de voorspraak uwer vrouw kwam -inroepen. Hij moest dus wel overtuigd zijn, dat die voorspraak te verwerven was, dat -die voorspraak tot iets nuttig kon zijn. En, moet gij dàt met mij instemmen, dan zijt -gij van de bekentenis niet meer verre, dat die voorspraak niet voor de eerste <span class="pageNum" id="pb2.54">[<a href="#pb2.54">54</a>]</span>maal ingeroepen werd. Gij zult althans den onpartijdige veroorlooven, dat als zeer -<span class="corr" id="xd30e8777" title="Bron: waaarschijnlijk">waarschijnlijk</span> aan te nemen. Zie, dat is nog niet alles. Er is meer. Zelf hebt gij bekend, dat gij -aan de schuld van mevrouw Meidema een oogenblik geloofd hebt. Aangrijpend was straks -het verhaal van het betreurenswaardige tooneel, dat bij u aan huis plaats gehad heeft, -en dat ik als hoofdambtenaar bij mijne ondergeschikten streng moet afkeuren; maar -wat mij in de gegeven omstandigheden begrijpelijk voorkomt; echter mij tevens eene -vingerwijzing geweest is, dat gij, gij in persoon, uwe gade niet boven iedere verdenking -verheven geacht hebt.” -</p> -<p>Meidema zat daar doodsbleek, aan een beeld gelijk, stil, met de vurig brandende oogen -op den resident gevestigd, die met vaardige hand, ja met eene zekere virtuositeit -het mes in de wonde omkeerde. De rampzalige beschuldigde zich in die oogenblikken -erger dan de resident, erger dan het iemand had kunnen doen. Voor den rechtvaardige -is de stem des eigen gewetens de schrikkelijkste stem! Ja, hij had zijne wederhelft, -zijnen aanminnigen tweeling verdacht! De resident had gelijk! Maar, dat was helaas, -niet het ergste, wat hem zijn geweten verweet. Die verdenking had hij niet voor zich -gehouden! Die verdenking had hij niet in eigen boezem weten te bewaren! Eerlijk en -trouwhartig, had hij gemeend, dat de waarheid, de geheele waarheid steeds het meest -krachtige bewijs is. En, in een oogenblik van openhartigheid, had hij medegedeeld, -om aan te toonen, hoe onschuldig zijn huisgenooten waren, tot welke handelingen van -woest geweld hij zich in een oogenblik van onzinnige smart had laten vervoeren! En -daar keerde zich het wapen om, niet alleen tegen hem, maar tegen haar, tegen haar -van wier onschuld hij thans overtuigd was, steeds overtuigd geweest was! O, God! Zijne -oogen deden hem zeer. Het was, of zij met witgloeiend ijzer omboord waren. Zijn blik -was niet meer strak, hij was aan dien van het levenlooze beeld gelijk, van het beeld, -dat de kunstenaar, onbekwaam om den blik daarvan te bezielen, met akelige oogappels -zonder iris begiftigd heeft. Die wezenlooze oogen waren op zijn beul gevestigd. Deze, -onbekwaam om eenig medelijden te gevoelen, ging onbarmhartig voort: -</p> -<p>„Is het nu niet aan te nemen, mijnheer Meidema, dat <span class="pageNum" id="pb2.55">[<a href="#pb2.55">55</a>]</span>uwe echtgenoote, voor uwe ruwheid beducht, zich tot eene eenvoudige ontkenning bepaald -heeft, nadat ze eerst u heeft trachten te misleiden omtrent die tien duizend gulden? -Zie,” ging de resident met vriendelijken glimlach voort<span class="corr" id="xd30e8785" title="Bron: .">,</span> „mij dunkt, dat het ’t meest verkieselijke voor alle partijen ware, dat aan die betreurenswaardige -zaak dien glimp gegeven werd. Moeielijk kan men u voor de daden van mevrouw verantwoordelijk -stellen.…!” -</p> -<p>Daar vloog Meidema op. -</p> -<p>„Neen!” kreet hij, „die glimp mag niet gegeven worden! Mijne vrouw is onschuldig!” -</p> -<p>„Bedenkt, wat ge doet, mijnheer Meidema,” sprak Van Gulpendam met teemende stem. „Laat -ge dat anker glippen, dan blijft er geen ander alternatief over, dan …” -</p> -<p>De aterling aarzelde. Hij deinsde terug voor hetgeen hij nog te zeggen had. -</p> -<p>„Geen ander alternatief dan?…” vroeg Meidema met schorre stem. -</p> -<p>„Dan u voor den schuldige te houden, die met uw gezin samenspant!” -</p> -<p>„Resident!…” -</p> -<p>„Bedaar!… Ik stel dat alternatief niet; gij stelt het. Wordt gelet: alweer op uwe -financiëele omstandigheden, op den toon van verbittering, die in uw proces-verbaal -tegen Lim Ho heerscht; hoe daarin alles aangegrepen wordt, om hem schuldig te doen -schijnen, en hoe alles vermeden wordt, wat op de schuld van den Javaan Ardjan kan -wijzen, dan geven de woorden, die de opiumpachter straks sprak, veel te denken. Herinnert -gij u die woorden nog? Zij waren wreed, maar misten hun à propos niet. „Hij wil,” -sprak de Chinees „het grootste gedeelte van het cadeau, dat ik mevrouw aanbood, behouden, -en daarbij de boete voegen, die Lim Ho betalen zal, wanneer hij en niet Ardjan, als -schuldig aan opiumsmokkelarij veroordeeld wordt.” En, neem ik nu art. 24 van het opiumreglement -in aanmerking, in verband met al hetgeen ik u reeds onder het oog bracht, dan zal -ik er niet op behoeven te wijzen, dat gij op mijne voorspraak niet zult kunnen rekenen,” -</p> -<p>De rampzalige zat daar als vernietigd. Hij sprak geen woord; terwijl zijn oogen slechts -wezenloos op zijn chef gevestigd bleven. -<span class="pageNum" id="pb2.56">[<a href="#pb2.56">56</a>]</span></p> -<p>„Neen, er is hier geen andere uitweg: of uwe vrouw is schuldig, of gij zijt het! Misschien -wel gij beiden! Er valt hier te kiezen … En dat spoedig!… Want heden nog wil ik naar -de regeering telegrapheeren.” -</p> -<p>Telegrapheeren!… De ongelukkige hoorde alleen dat woord. Telegrapheeren! Ja, hij wist -wat dat beteekende. -</p> -<p>Hij wist met hoeveel willekeur het lot der ambtenaren behandeld werd. Telegrapheeren!… -Hij zag zich reeds ontslagen,… door een ieder als de pest geschuwd,… zijn gezin aan -armoede, honger en ellende ten prooi … In die oogenblikken, als las hij in de gedachte -van den rampzalige, weerklonk de stem van den machthebbende: -</p> -<p>„Kiezen, mijnheer Meidema! Hier valt aan geen uitstel te denken.” -</p> -<p>„Wat moet ik doen, resident?” snikte de arme man radeloos. -</p> -<p>„Wat gij moet doen? Hier is uw proces-verbaal! Het werd mij straks met de stukken -van den landraad, dien ik aanstaanden Dinsdag zal presideeren, bezorgd. Dat proces-verbaal,… -hier is het,… doet er mede, wat gij wilt.” -</p> -<p>En hij stopte den waanzinnige het document in handen. Deze nam het aan, bekeek het -met wezenloozen blik. Hij deed met beide handen eene beweging, alsof hij het verscheuren -wilde; maar, alvorens de noodlottige ruk volbracht was, stortte hij met een kreet -bewusteloos op den grond. -</p> -<p>Een dokter werd gehaald. Toen deze verscheen, vond hij den heer Meidema, op een stoel -in het kantoor, door het geheele huisgezin van den resident omgeven, wezenloos zitten, -terwijl de vloer rondom hem met stuk gescheurde papieren bedekt was. De geneesheer -sprak van „<span lang="la">febris cerebralis</span>,” (hersenkoorts) en liet den <span class="corr" id="xd30e8813" title="Bron: patient">patiënt</span> naar het hospitaal vervoeren. -</p> -<p>„Is het gevaarlijk, dokter?” vroeg de resident met de innigste belangstelling. -</p> -<p>„Zeer gevaarlijk. Als de <span class="corr" id="xd30e8819" title="Bron: patient">patiënt</span> niet krankzinnig wordt, zal hij het hard te verantwoorden hebben.” -</p> -<p>De resident reed dadelijk naar mevrouw Meidema, om haar op den slag voor te bereiden, -die haar trof. -</p> -<p>Des avonds las men in een der plaatselijken dagbladen het navolgende: -</p> -<p>„<span class="ex">Een treurig bericht.</span> Naar wij vernemen is <span class="pageNum" id="pb2.57">[<a href="#pb2.57">57</a>]</span>de assistent-resident voor de politie W. D. Meidema hevig ongesteld geworden. Aanvankelijk -liet de ziekte zich aanzien, alsof zij eene <span class="corr" id="xd30e8831" title="Bron: varïeteit">variëteit</span> van hersenkoorts ware; maar na een nauwkeurig onderzoek door onzen ijverigen en kundigen -dirigeerend officier van gezondheid, is deze tot de ervaring gekomen, dat hij hier -te doen heeft met een bizonderen vorm van melancholia attonita. De faculteit heeft -uitspraak gedaan, dat slechts herstel te verwachten is van een eenigszins langdurig -verblijf in een der krankzinnigen-gestichten in Europa, en dat een spoedig vertrek -derwaarts zeer gewenscht is. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft onze resident reeds -aan de regeering te Batavia getelegrapheerd: zoodat het te voorzien is, dat het besluit, -waarbij verlof naar Nederland verleend zal worden, heden nog geslagen wordt. Ook is -het aan de menschlievende voorspraak van het hoofd van gewestelijk bestuur gelukt, -passage aan boord van de <i>Noach III</i>, die overmorgen de reis naar Patria aanvaardt, voor de rampzalige familie te verkrijgen, -en Mevrouw Van Gulpendam spant van hare zijde ook alle krachten in, om de zoo zwaar -beproefden met raad en daad bij te staan. Als goede geniussen staan de resident en -zijne gade de ongelukkigen bij; en waarlijk, het is hartverheffend de hoogere ambtenaren -zóó voor hunne ondergeschikten te zien zorgen. -</p> -<p>„Onze beste wenschen voor het herstel van den heer Meidema, vergezellen hem en zijn -kroost.” -</p> -<p>De dagbladredactie was als gewoonlijk goed ingelicht geweest, dat moet erkend worden. -Op 14 Juli lichtte de <i>Noach III</i> het anker, en verliet onder den invloed van den <span class="corr" id="xd30e8841" title="Bron: oost-mous-son">oost-mousson</span>, die met volle kracht doorstond, met welgevulde zeilen de <span class="corr" id="xd30e8844" title="Bron: rêe">reê</span> van Santjoemeh, en was weldra, ook voor de wachters op den uitkijk, aan de kim verdwenen. -Toen de resident Van Gulpendam, die in de goedheid zijns harten zijn ondergeschikte, -dien hij zooveel achting en zooveel liefde toedroeg, en met wiens lot hij zoo begaan -was,—dat alles verzekerde hij luidruchtig genoeg,—tot op de reede uitgeleide gedaan, -en daar die familie met warmte de hand gedrukt had, de kleine stip aan den horizon -had zien verdwijnen, ontsnapte hem een zucht van verlichting, terwijl hij <span class="corr" id="xd30e8847" title="Bron: binnensmond">binnensmonds</span> prevelde: -</p> -<p>„Aardig gemanoeuvreerd!” -<span class="pageNum" id="pb2.58">[<a href="#pb2.58">58</a>]</span></p> -</div> -</div> -<div id="ch27" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e862">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVII.</h2> -<h2 class="main"><span lang="la">Summum jus summa injuria</span>.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Een paar dagen later vertrok Mr. Zuidhoorn van Santjoemeh. Hij ging met een der booten -van de <span class="corr" id="xd30e8862" title="Bron: Nederlandsch Indische">Nederlandsch-Indische</span> Stoomvaartmaatschappij naar Batavia, om van daar per <i>Emirne</i> naar Singapore te reizen, en zich ter laatstgenoemde plaats aan boord van de <i>Irouaddy</i> van de Messageries maritimes in te schepen, die hem naar Marseille zoude overvoeren. -</p> -<p>De rechtschapen rechterlijke ambtenaar had zich vast voorgenomen, om ter hoofdplaats -van <span class="corr" id="xd30e8871" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> het gebeurde bij de laatste landraadzitting te Santjoemeh aan de bevoegde autoriteiten -mede te deelen en binnen de grenzen eener betamelijke voorzichtigheid bekend te stellen, -welke drijfveeren hier in het spel waren. Maar … tusschen voornemen en uitvoeren is -een hemelsbreed verschil, dat ondervond hij ras. Hij had slechts drie dagen oponthoud -te Batavia; maar in dat tijdsverloop was de <span class="corr" id="xd30e8874" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span> niet te spreken. Wel was Mr. Zuidhoorn naar Buitenzorg gestoomd; maar vernam daar, -dat Zijne Excellentie dienzelfden dag vroeg naar Tjipannas vertrokken was. Er bleef -niets anders over, dan den volgenden ochtend per postrijtuig derwaarts te rijden. -Toen hij daar aankwam, wachtte hem eene nieuwe teleurstelling. Hoewel hij daags te -<span class="pageNum" id="pb2.59">[<a href="#pb2.59">59</a>]</span>voren aan den adjudant van dienst getelegrapheerd maar daarop geen antwoord bekomen -had, werd hem medegedeeld, dat de Opperlandvoogd met hevige <span class="corr" id="xd30e8879" title="Bron: koorst">koorts</span> te bed lag, en niemand ontvangen kon. De adjudant bracht veel verontschuldigingen -bij, en beweerde, dat de bedenkelijke toestand van Zijne Excellentie in den nanacht -eerst ingetreden was. -</p> -<p>Mr. Zuidhoorn bleef niets anders over, dan zijn ongelukkig gesternte te betreuren, -en naar Batavia terug te spoeden. Met die vergeefsche poging had hij twee dagen zoek -gemaakt. Restte hem dus nog maar een. -</p> -<p>Toen hij den volgenden morgen zijne opwachting maakte bij den directeur van Justitie, -kwam die hem met eene luidruchtige hartelijkheid te gemoet. -</p> -<p>„Zijt gij er eindelijk, collega Zuidhoorn!” sprak hij, terwijl hij hem met gekunstelde -innigheid de hand schudde. „Ik ben blij u te zien. Ik had me zoo’n schrikbeeld van -uw toestand gemaakt. Ik dacht, dat ge zieker waart. Enfin, zoo is het beter! Maar, -het wordt tijd, dat ge met verlof gaat …” -</p> -<p>Dat alles werd met eene radheid van tong gesproken, die tot doel had andere gedachten -te verbergen. -</p> -<p>„Dat ik zieker was!… Wat bedoelt ge daarmede, directeur? In geen mijner brieven schilderde -ik den toestand ongunstiger dan hij is. En dan, dat het tijd wordt, dat ik met verlof -ga?… Ik verzeker u, dat ik wel had willen blijven.” -</p> -<p>„Nu, ja, voorzeker. Maar de invloed van het klimaat begon zich toch te doen gevoelen …” -</p> -<p>„De invloed van het klimaat?…” -</p> -<p>„Ja, ziet ge. Als wij Europeanen langen tijd tusschen de keerkringen doorbrengen, -dan ontstaat er bij den een eene verslapping van zenuwgestel, soms gepaard met eene -verweeking, eene verpapping der hersenen …” -</p> -<p>„Directeur!… die veronderstelling …” -</p> -<p>„Geldt u niet, collega Zuidhoorn, dat weet ik wel. Gij liet mij niet uitspreken. Bij -den anderen ontstaat eene overprikkeling, eene zwaartillendheid.…” -</p> -<p>„Directeur!… Is dat mijn geval?” -</p> -<p>„In den regel blijft de <span class="corr" id="xd30e8896" title="Bron: patient">patiënt</span> onkundig van zijn toestand, en is in de heilige overtuiging, dat hij niet anders -handelt dan gewoonlijk.” -<span class="pageNum" id="pb2.60">[<a href="#pb2.60">60</a>]</span></p> -<p>„Directeur, is dat mijn geval?” herhaalde Mr. Zuidhoorn zijne vraag. -</p> -<p>„Eenigermate, ja, collega. Zonder dat gij het merktet, toonde uw stijl eene prikkelbaarheid, -die, gij, als uitstekend juris peritus, zult mij dat toegeven, bij een rechterlijk -ambtenaar niet gewenscht is.” -</p> -<p>„Maar, directeur!… Ik ben niet bewust.” -</p> -<p>„<span lang="la">Quantum est, quod nescimus!</span>” (hoeveel bestaat er, wat wij niet weten!) -</p> -<p>„Maar, nimmer ontving ik eene opmerking ter zake!” -</p> -<p>„Zeer waar; maar, waarde collega, daarom bleef die overprikkelde gemoedsstemming toch -niet onopgemerkt. Aanvankelijk hield ik haar voor het gevolg van innige en warme belangstelling -in het rechterlijk karakter, dat gij steeds als een priesterschap beschouwdet. Later -evenwel begon ik in te zien, dat een ziekte-proces aanhangig was; en gij weet, vooral -bij ons geldt de spreuk: <span lang="la">mens sana in corpore sano</span> (eene gezonde ziel in een gezond lichaam), wil de rechter onpartijdig kunnen optreden.” -</p> -<p>Mr. Zuidhoorn zat als door den donder getroffen. Was dat het oordeel zijner meerderen, -nadat hij zoo lange jaren onkreukbaar trouw en nauwgezet in de doornachtige loopbaan -van rechterlijk ambtenaar werkzaam geweest was? Was dat zijne belooning? Was dat de -kroon op het werk? -</p> -<p>„Maar, directeur, gij zult mij toch wel één geval willen aanhalen, waarin die overprikkelde -gemoedsstemming zich merkbaar getoond heeft?” -</p> -<p>„Eén geval, waarde collega? Eén geval? Tien, twintig, staan ten mijnen dienste!” -</p> -<p>„Ik vraag maar één, directeur.” -</p> -<p>„Welnu dan, die landraadzaak te Santjoemeh.” -</p> -<p>„Welke landraadzaak?” -</p> -<p>„Ziet ge wel, dat gij zelf in uw binnenste op meerdere zaken doelt.” -</p> -<p>„Dat is iemand op zijne woorden vangen, directeur,” antwoordde Mr. Zuidhoorn kregelig. -„Ik heb zooveel landraadzaken bijgewoond en voorgezeten, dat de vraag, op welke gij -doelt, mij gewettigd voorkomt.” -</p> -<p>„Wel, dat geval met den resident Van Gulpendam.…” -</p> -<p>„Die den landraad wilde presideeren, waartoe hij geen recht had.” -</p> -<p>„Tu tu tu. Gij verliest artikel 92 van de Indische <span class="pageNum" id="pb2.61">[<a href="#pb2.61">61</a>]</span>rechterlijke organisatie uit het oog.… Maar, dat is toe te schrijven aan uw zielstoestand.…” -</p> -<p>„Maar, directeur, vergeef me, mijn zielstoestand heeft daarmede niets te maken. Gij -zegt artikel 92?” -</p> -<p>„Ja, waarbij een resident de bevoegdheid verleend wordt, wanneer hij het nuttig of -noodig oordeelt, om in persoon als voorzitter der in zijn gewest gevestigde landraden -op te treden.” -</p> -<p>„Directeur, toen dat artikel 92 ontworpen werd, was er nog volstrekt geen sprake, -om afzonderlijke rechtsgeleerde voorzitters van landraden in het leven te roepen. -Toen kon zoo’n artikel zijn nut hebben. Nu zou het absurd zijn, dat de resident, een -niet-rechtsgeleerde, den rechtsgeleerden voorzitter zou op zijde kunnen dringen, om -zelf het bedoelde rechterlijke college voor te zitten! Mij dunkt, dat …” -</p> -<p>„Mr. Zuidhoorn, wij rechterlijke ambtenaren, zijn het allereerst verplicht eerbied -voor de geschreven wet te toonen. Eene bepaling moge in ons oog betreurenswaardig -zijn; zoolang zij kracht van wet heeft, moeten wij de hand er aan houden. En … vergeef -mij de vraag: hebt gij dat in het onderhavige geval gedaan?” -</p> -<p>„Gij geeft mij dus ongelijk, directeur?” -</p> -<p>„Niet alleen ik, maar ook de Gouverneur-Generaal, die zeer ontstemd is over uwe houding -in deze zaak, waarin gij veel bijgedragen hebt, om het prestige van de rechterlijke -ambtenaren te verguizen!” -</p> -<p>„Ook de <span class="corr" id="xd30e8938" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span>?…” vroeg Mr. Zuidhoorn nadenkend. „Dat is dus de reden geweest, dat ik geen gehoor -bij Zijne Excellentie heb kunnen verkrijgen?” -</p> -<p>„Hebt gij om gehoor verzocht?” -</p> -<p>„Ik was voorgisteren te Buitenzorg, en gisteren te Tjipannas.” -</p> -<p>„En …” -</p> -<p>„De adjudant van dienst deelde mij mede, dat Zijne Excellentie bedlegerig was.” -</p> -<p>„Ziet ge wel!” -</p> -<p>„Maar, directeur, het geldt hier een der grootste schandalen, die ooit gepleegd kunnen -worden! Om den rijken opiumpachter te sparen, wordt een arme Javaan …” -</p> -<p>„Onschuldig verklaagd, en zal waarschijnlijk onschuldig veroordeeld worden,” antwoordde -de directeur van Justitie <span class="pageNum" id="pb2.62">[<a href="#pb2.62">62</a>]</span>met cynischen glimlach. „Dat alles weet ik, dat hebt gij breedvoerig genoeg geschreven. -Er valt hier niets anders te doen, dan het hoofd te buigen. Gij weet: <span lang="la">summum jus summa injuria</span>! (het uiterste recht kan het grootste onrecht zijn).” -</p> -<p>Mr. Zuidhoorn zat met het hoofd in de hand ernstig, ja met wanhopigen blik voor zich -te kijken. -</p> -<p>„Laat ik u een goeden raad geven,” vervolgde de directeur van Justitie op vriendelijken -toon: „Gij zijt ziek, en meer ernstig dan gij zelf wel denkt. Gij vertrekt morgen -met de <i>Emirne</i>, nietwaar? Welnu, laat alle muizenissen hier te Batavia achter. Gaat onbezorgd en -onbekommerd nieuwe krachten in Europa opdoen, en komt over een paar jaren terug, naar -ziel en lichaam gezond, dan zult ge nog lange jaren tot sieraad van onze rechterlijke -macht kunnen optreden; want weinige juristen kunnen de vergelijking met u doorstaan. -En … vergeef mij, gij zult begrijpen, dat mijn tijd kostbaar is, en … maar nog eene -aanbeveling, voor ik afscheid van u neem: Tracht steeds verwikkelingen met de opiumpachters -te mijden. U behoef ik niet te zeggen, dat zij zijn: imperium in imperio (een rijk -in het rijk) en ik voeg er zelfs bij: malum malo proximum (het ongeluk grenst aan -het kwaad). Doe er uw voordeel mede! En nu wensch ik u eene voorspoedige reis en een -spoedig herstel in het oude vaderland. Dag, collega Zuidhoorn! Goede reis!” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>De landraad van Santjoemeh zou zoo spoedig geen zitting nemen, om zich met de sluikopium, -te Moeara Tjatjing aangehaald, en met die, welke te Kaligaweh in de hut van Pak Ardjan -gevonden was, onledig te houden. De directeur van Justitie was den resident Van Gulpendam -niet ongevallig, toen hij hem mededeelde, dat, wegens gebrek aan rechterlijke ambtenaren, -er in den eersten tijd niet aan te denken viel, de vacature bij den landraad aan te -vullen. -</p> -<p>Hoewel de zittingen van dat rechterlijk lichaam geregeld wekelijks plaats hadden, -en thans door den resident gepresideerd werden, zoo werden de bedoelde zaken toch -van week tot week uitgesteld, waartoe de tijdelijke voorzitter zijne gegronde redenen -meende te hebben. -</p> -<p>Eindelijk evenwel, toen de hoofddjaksa den landraad <span class="pageNum" id="pb2.63">[<a href="#pb2.63">63</a>]</span>had medegedeeld, dat de beide Chineezen Than Khan en Liem King, de wachters in de -djaga monjet te Moeara Tjatjing, als ook Awal Boep Said, de gezagvoerder van den schoenerbrik -<i>Kiem Ping Hin</i>, op welker getuigenis de beschuldigde Ardjan zich beroepen had, onmogelijk op te -sporen waren, meende Van Gulpendam dat het oogenblik gekomen was, om de bedoelde zaken -af te doen. -</p> -<p>Toen dan ook Ardjan bekende, dat hij in den bewusten Februari-nacht met eene prahoe -sajab, gedurende zeer onstuimig weer, aan den wal gekomen was, dat daarbij door eene -sloep van de <i>Matamata</i> jacht gemaakt, en op hem geschoten was, en hij niet bewijzen kon, dat de aangehaalde -opium, die in de nabijheid, waar zijn vaartuigje strandde, gevonden was, niet door -hem aangebracht was, waren alle aanwijzingen tegen hem. Wel beriep hij zich op baboe -Dalima, die met hem in die prahoe gezeten zouden hebben; maar toen door den voorzitter -de verzekering gegeven werd, dat de bedoelde deern dien nacht het erf van het residentiehuis -niet verlaten had, en dus haar verhoor niet anders kon leiden dan tot eene leugenachtige -verklaring, die in geenendeele de bestaande aanwijzingen kon verzwakken; terwijl bovendien -die Dalima thans zelve wegens opium-smokkelarij vervolgd werd, hetgeen hare af te -leggen getuigenis moest in verdenking brengen, nam de landraad de conclusie van dat -alles aan, namelijk: dat het volkomen overbodig was die getuige te hooren. -</p> -<p>Toen daarenboven de djaksa nog medegedeeld had, dat Pak Ardjan, de vader van den beschuldigde, -ter zake van zijn eigen geding bekend had, dat de sluikopium, die ten zijnen huize -door Singomengolo achterhaald was, hem door zijn zoon geleverd was, werd de schuld -van den laatstbedoelden boven alle bedenking verheven gewaand. -</p> -<p>Ardjan werd dan ook schuldig verklaard aan de poging om anderhalve pikol tjandoe, -gelijkstaande aan drie pikols ruwe opium, binnen te smokkelen, en derhalve onder het -bereik te vallen van artikel 23 van het opium-reglement. Het vonnis verwees hem dan -ook tot drie jaren dwangarbeid buiten den ketting<a class="noteRef" id="xd30e8977src" href="#xd30e8977">1</a> en tot twee duizend <span class="pageNum" id="pb2.64">[<a href="#pb2.64">64</a>]</span>gulden boete, bij onvermogen te vervangen door ten arbeidstelling aan de publieke -werken voor den kost zonder loon, voor den tijd van drie maanden voor elke honderd -gulden. -</p> -<p>Ardjan werd dus veroordeeld tot acht jaren dwangarbeid en ten arbeidstelling, hetgeen -vrij wel hetzelfde beteekende. De onschuldig veroordeelde knarste op de tanden, toen -hij dat vonnis vernam. Of hij een ander of een zachter van de gerechtigheid der blanken -verwacht had? -</p> -<p>Na den zoon, de vader; na Ardjan, Pak Ardjan. -</p> -<p>Met diens zaak ging het nog eenvoudiger toe, als het kon. -</p> -<p>De beschuldigde had toch bekend, dat hij sluikopium in huis had. Door eene menigte -listige vragen verstrikt, had hij, zonder te beseffen, hoe zwaar zijne getuigenis -bij het geding zijns zoons zoude wegen, de bekentenis afgelegd, dat die opium afkomstig -was van Ardjan, die hem daarvan van tijd tot tijd voorzag. Hij had bekend, dat hij -de sabel van een der politieoppassers uitgetrokken had, en dien onverlaat daarmede -een paar houwen had toegebracht, toen deze zich ontuchtige handelingen tegenover zijn -kind veroorloofd had. Helaas! op het aanvoeren van die verzachtende omstandigheden -werd ternauwernood <span class="pageNum" id="pb2.65">[<a href="#pb2.65">65</a>]</span>gelet. Zij was niet eens tot onderwerp van een onderzoek gemaakt geworden, en werd -de ongelukkige veroordeeld ter zake van: in het bezit bevonden te zijn van sluikopium -tot eene hoeveelheid van niet meer dan twee <span class="corr" id="xd30e9018" title="Bron: katti’s">katies</span>, voor de eerste maal, behalve met de verbeurdverklaring van de aangehaalde sluikwaar, -tot tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon voor den tijd -van drie maanden, en ter zake van <span class="corr" id="xd30e9021" title="Bron: geweldadig">gewelddadig</span> verzet tegen de opiumpolitie, waarbij een bedienaar der openbare macht bij de uitoefening -zijner bediening gewond was geworden, waardoor blijkens <span lang="la">visum repertum</span>: onbekwaamheid tot het verrichten van persoonlijken arbeid van meer dan twintig dagen -veroorzaakt was, tot tien jaren dwangarbeid in den ketting. -</p> -<p>Zoo waren dan vader en zoon veroordeeld; de eene onschuldig voor acht jaren, de ander, -schuldig aan een eenvoudig politievergrijp, dat met eene geringe straf had geboet -kunnen zijn, wanneer de zoo gewone walgelijke handtastelijkheden, bij het opsporen -van opium aan den lijve, den reeds zoo diep gevallen vader van een verarmd huisgezin -niet tot misdrijf vervoerd, ja, genoopt hadden, dat hij nu met tien jaren dwangarbeid -zou moeten boeten. -</p> -<p>Zou moeten boeten?… Ja, wanneer daartoe de tijd gegund werd! -</p> -<p>Maar, alvorens het bevelschrift van den directeur van Justitie te Santjoemeh ontvangen -was, waarbij Atjeh tot plaats aangewezen was, alwaar de veroordeelden hunne straf -van dwangarbeid zouden moeten ondergaan, waren deze uit de gevangenis ontvlucht. Gedurende -een stikdonkeren nacht, terwijl een hevig onweder zich boven Santjoemeh ontlastte, -en de schildwacht, een jong, Inlandsch soldaat, die binnen den omheiningsmuur der -gevangenis waken moest, door de verblindende bliksemstralen en de ratelende donderslagen -verschrikt, en ook door den regen, die met stroomen viel, genoodzaakt, eene schuilplaats -in zijn schilderhuis gezocht had, voelde deze zich plotseling door eene ijzeren vuist -bij de keel gegrepen. Voor dat hij een kreet had kunnen slaken, had hij een slag met -een zwaar stuk hout op het hoofd gekregen, die hem bewusteloos deed neerzijgen. Middelerwijl -ratelde de donder, en plaste de regen onafgebroken en met verdubbelde woede voort, -zooals dat in tropische streken slechts <span class="pageNum" id="pb2.66">[<a href="#pb2.66">66</a>]</span>geschieden kan. Van die omstandigheid maakten de beide veroordeelden behendig gebruik. -Lenig en sterk, als een goed Inlandsch stuurman moet zijn, hielp Ardjan zijn vader -bij het beklimmen van den ringmuur, klauterde toen zelf op den nok, liet den ouden -man aan den anderen kant zakken, en was met een sprongetje in een ondeelbaar oogenblik -naast hem. Geen der schildwachten, die buiten den ringmuur waakten, lieten zich zien. -Het weer was ook te bar, om buiten het schilderhuis in dien zwarten nacht uit te turen. -De regen viel kletterend neder; daar buiten stroomde het water over plein en straat, -alsof alle rivieren hare boeien geslaakt hadden; terwijl van verlichting geen spoor -was, tenzij daarvoor een oliepitje moest gelden, dat in een lantaarn, op een der hoeken -van den ringmuur geplaatst, als een gloeiende spijker glom, een ongelukkig bekrompen -lichtcirkeltje vormde, maar de duisternis daar buiten nog tastbaarder maakte. Juist, -toen de vluchtelingen den voet van den muur bereikt hadden, kliefde een machtige bliksemstraal -met hare gehakkelde baan het luchtruim, terwijl schier tegelijkertijd een hevige donderslag -vernomen werd, die met dat krakende, kort afgebroken geluid zich hooren liet, bij -dergelijken electrische ontlading waarneembaar, wanneer zij ergens inslaat. En, inderdaad, -onmiddellijk op den donderslag volgde een ander krakend geluid, en plofte een hemelhooge -klapperboom, die midden door gespleten was, ter aarde. Van de duisternis, welke na -dien schel schitterenden en verblindenden bliksemstraal ingetreden was, maakten de -beide Javanen, ongeduldig om hunne standplaats aan den voet van den ringmuur, waar -zij door eene ronde overvallen konden worden, te verlaten, behendig gebruik, om het -kleine plein, dat de gevangenis omgaf over te steken, en den nabij zijnden dèsa-rand -te bereiken. -</p> -<p>Daar waren zij gered, dat wisten zij; want geene der eenvoudige dèsa-bewoners zou -de misdaad willen begaan, slachtoffers van het opium-monopolie aan de gerechtigheid -der blanken te verraden. -</p> -<p>Toen de resident Van Gulpendam die ontvluchting vernam, was hij woedend. Op zijne -aansporing werd een der schildwachten, die zich liet ontvallen, dat hij na het vallen -van den boom eenig geplons in het water, hetwelk over het plein stroomde, gehoord -had, maar dat <span class="pageNum" id="pb2.67">[<a href="#pb2.67">67</a>]</span>hij onmogelijk iets had kunnen zien, en gemeend had, dat het een hond was, welke die -gevaarlijke nabijheid ontvluchtte, voor den krijgsraad getrokken, en de kommandant -bij de gevangeniswacht met veertien dagen provoost gestraft. -</p> -<p>Ook werden de strengste nasporingen in het werk gesteld; maar te vergeefs. Hoewel -al de politie-agenten, al de spionnen, en al de handlangers van den opiumpachter op -het pad moesten, en hunne vindingrijkste listen uitdachten, werd niets ontdekt. Het -district Banjoe Pahit, maar vooral de dèsa Kaligaweh werden maanden lang nauwlettend -<span class="corr" id="xd30e9040" title="Bron: gadeslagen">gadegeslagen</span>; de gade en kinderen van Pak Ardjan werden angstvallig, maar sluw overal gevolgd, -het gaf evenwel niets. Eindelijk kwam men tot besluit, dat de beide veroordeelden, -niet alleen niet naar Kaligaweh teruggekeerd waren, maar zelfs de residentie Santjoemeh -verlaten hadden. -</p> -<p>Weldra dacht niemand meer aan die ontvluchting, en was zij reeds uit de herinnering -uitgewischt, toen zij een paar maanden later weer in het geheugen teruggeroepen werd, -door een voorval, dat wel geschikt was om tot nadenken te stemmen. -</p> -<p>Op een avond was Singomengolo bij Lim Yang Bing verschenen, had dien medegedeeld, -dat hij de beide vluchtelingen meende op het spoor te zijn, dat hij uit vrees voor -uitlekking evenwel zijn vermoeden nog niet wilde ontwikkelen; maar voor dien avond -de hulp van een paar handlangers, liefst Chineesche bandoelans verzocht, die hem op -een ontdekkingstocht moesten vergezellen. -</p> -<p>Hoe de Chinees zijne vragen ook draaide en plooide, hij kreeg niets meer te weten. -De bandoelan bleef er bij, dat het welslagen alleen bereikt kon worden, door stipt -geheim te houden, wat hij te weten was gekomen. Daarenboven verklaarde hij, waren -zijne gegevens lang niet boven alle bedenking verheven, en kon het zeer goed zijn, -dat hij op een valsch spoor was. Het eenige, wat hij zich ontvallen liet, was dat -het onderzoekingsterrein niet ver van Kaligaweh gelegen was. -</p> -<p>Singomengolo vertrok dienzelfden avond met de twee handlangers, die hem toegevoegd -waren, maar keerde niet weder. Het werd den opiumpachter raar te moede, toen hij zijn -getrouwe den volgenden ochtend niet zag verschijnen. <span class="pageNum" id="pb2.68">[<a href="#pb2.68">68</a>]</span>Hij was toch zoo gewoon, dat de bandoelan hem stipt iederen morgen rapport kwam uitbrengen -over het verrichtte in de laatste vier en twintig uren, ook om te bespreken, wat in -het volgende etmaal op het getouw moest gezet worden. Vooral heden had hij hem stellig -verwacht, om den afloop van de nasporing der twee vluchtelingen te vernemen. Hij wachtte, -wachtte. Het middaguur naderde reeds. Toen werd hem zijn ongeduld te machtig. Hij -liet haastig zijn milord aanspannen, en reed in allerijl naar het residentiehuis. -</p> -<p>„Wat is er, babah?” vroeg de heer Van Gulpendam, toen hij Lim Yang Bing haastig, en -zoozeer afwijkende van de kalmte en bedaardheid, zijnen landaard zoo eigen, het kantoor -zag binnenkomen. -</p> -<p>„Kandjèng toean,” sprak de opiumpachter „ik kom uwe hulp inroepen.” -</p> -<p>En daarop verhaalde hij den resident, wat hij wist van de expeditie, waar Singomengolo -op uit was, en verheelde hem zijne ongerustheid niet, nu de bandoelan nog niet terug -was. -</p> -<p>De resident dacht een oogenblik na. Een bericht van een der landheeren uit het district -Banjoe Pahit doelde op de mogelijkheid, dat er ketjoepartijen<a class="noteRef" id="xd30e9056src" href="#xd30e9056">2</a> in den omtrek zouden kunnen plaats hebben. Maar dat bericht was zoo vaag, had zoo -weinig steun; terwijl de nieuwe controleur van Banjoe Pahit, wien hij dat bericht -in handen gesteld had, gerapporteerd had: dat de meest gewenschte rust in het district -heerschte; dat de bevolking tevreden was, en zich geen spoor van onrustbarende verschijnselen -voordeed; dat, wel is waar, de landrente traag vloeide<a class="noteRef" id="xd30e9059src" href="#xd30e9059">3</a> <span class="pageNum" id="pb2.69">[<a href="#pb2.69">69</a>]</span>maar dat integendeel de andere middelen van inkomsten een beter aanzien hadden, die -op bestaanden welvaart wezen; zoodat dan ook, met de opiumkit te Kaligaweh tot grondslag, -aangenomen kon worden, dat bij de aanstaande opiumverpachting, de pachtschat voor -de residentie Santjoemeh aanmerkelijk hooger kon loopen; terwijl het te voorzien was, -dat ook de verstrekking van opium uit ’s lands pakhuis aanzienlijk zoude vermeerderen.<a class="noteRef" id="xd30e9064src" href="#xd30e9064">4</a> -</p> -<p>Dat ambtelijk bericht had den resident zeer toegelachen en, hoewel de grondslag, waaraan -de nieuwe controleur zijne beweringen omtrent den welvaart en den geest van tevredenheid -ontleende, zoo valsch mogelijk was, en iemand als Van Gulpendam niet kon misleiden, -had het hem voldaan, omdat het ’t dekschild was, waarachter zich te verbergen, wanneer -de gang van zaken later minder gewenscht mocht uitkomen. Den bedoelden landheer was -dan ook in heusche bewoordingen te kennen gegeven, dat hij door zijne berichtgevers -misleid was; maar, werd de aanmaning er bij gevoegd, dat hij zich van het verspreiden -van onrustbarende tijdingen had te onthouden. -</p> -<p>Hoe kwam het, dat dit bericht den resident in de gedachte schoot, terwijl hij met -Lim Yang Bing sprak? Dat zou hij zelf moeielijk hebben kunnen verklaren. Hoe zou ook -de late terugkeer van Singomengolo,—want anders kon het nog niet genoemd worden,—in -verband staan met die ketjoe-voorspellingen, die nog niet eens een begin van uitvoering -gehad hadden? Dat was immers niet denkbaar … Hij antwoordde den Chinees dan ook: -</p> -<p>„Maar, babah, is uwe onrust wel gewettigd? Mij dunkt, dat het wel meer voor moet komen, -dat een bandoelan zich bij zijne nasporingen zal verlaatten.” -</p> -<p>„Singomengolo nooit, Kandjèng toean! Diens maatregelen waren steeds zoo goed getroffen, -dat hij steeds op het gestelde uur bij mij was.” -<span class="pageNum" id="pb2.70">[<a href="#pb2.70">70</a>]</span></p> -<p>„Maar, welke hulp verlangt gij van mij, babah?” vroeg de resident. -</p> -<p>„Slechts enkele oppassers en een bevelschrift van u Kandjèng toean, dat de dèsa-bewoners -de politie behulpzaam moeten zijn.” -</p> -<p>„Wat wilt ge met die oppassers en met die dèsa-lieden?” -</p> -<p>„Den omtrek van Kaligaweh laten doorzoeken. Ik weet niet, Kandjèng toean; maar ik -heb zoo’n voorgevoel, dat Singomengolo in eene hinderlaag gevallen is.” -</p> -<p>„Welnu, het zij zoo!” -</p> -<p>Weinige uren later doorkruiste eene talrijke bevolkings-patrouille de omstreken van -Kaligaweh zonder iets te ontdekken. De dèsa-lieden waren reeds op het punt om uiteen -te gaan, en de politie-oppassers om naar Santjoemeh terug te keeren, toen eensklaps -een visscher mededeelde, dat hij bij het opvaren van de kali Tjatjing drie lijken -had meenen te bespeuren. Onmiddellijk trok men weer uit, en vond onder geleide van -den visscher in een zeer dicht gedeelte van het wortelboombosch, evenwel vlak bij -den rivieroever, het lijk van Singomengolo en van een zijner Chineesche handlangers, -beiden met krissteken zoodanig doorboord, dat de dood er onmiddellijk op had moeten -volgen. De andere Chinees vertoonde nog teekenen van leven. Hij had eene vervaarlijke -wond aan den hals. Wellicht ware hij behouden gebleven, wanneer hij dadelijk hulp -had kunnen erlangen. Nu had een zoodanig bloedverlies plaats gehad, dat alle hoop -moest opgegeven worden. Toen de bevolkings-patrouille hem naderde, opende hij nog -flauw de oogen, prevelde eenige onzamenhangende woorden, waarin wat van zwartgemaakte -kerels voorkwam, en de naam van Ardjan onduidelijk vernomen werd, stiet eindelijk -een diepen zucht uit, en.… was niet meer. -<span class="pageNum" id="pb2.71">[<a href="#pb2.71">71</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e8977"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e8977src">1</a></span> Art. 23 van het opium-reglement luidt: -</p> -<p class="footnote cont">„Alle overtredingen der bij dit reglement gemaakte bepalingen <span class="pageNum" id="pb2.64n">[<a href="#pb2.64n">64</a>]</span>waarop geen bizondere straffen zijn gesteld, worden gestraft met boete van <i>een duizend</i> tot <i>tienduizend gulden</i> voor elke hoeveelheid van <i>honderd katie</i> opium of daar beneden, waarmede de overtreding is gepleegd en <i>een honderd gulden</i> voor elke katie meer en bovendien met gevangenis, de eerste maal voor den tijd van -<i>een maand</i> tot <i>drie jaren</i> en bij herhaling voor den tijd van <i>drie maanden</i> tot <i>vijf jaren</i>. -</p> -<p class="footnote cont">„De gevangenisstraf in de vorige alinea bedoeld, wordt met opzicht tot Inlanders en -met hen gelijkgestelde personen vervangen door dwangarbeid buiten den ketting van -gelijke duur.” -</p> -<p class="footnote cont">Dwangarbeid staat gelijk met onze tuchthuisstraf. -</p> -<p class="footnote cont">Nederlanders, hoort gij het? Dwangarbeid voor een eenvoudige sluikerij! Verbeeld u, -dat iemand hier te lande voor eene eenvoudige smokkelgeschiedenis van gedistilleerd -tot tuchthuisstraf zou kunnen veroordeeld worden. Verontwaardigd werpt gij die veronderstelling -ver van u. Ja, maar uwe lasthebbers daar ginds hebben reglementen volgens welke de -Inlanders voor eene eenvoudige opiumsmokkelarij tot dwangarbeid veroordeeld kunnen -worden. En ziet het <i>Weekblad van het recht</i> maar eens nauwkeurig in, dan zult gij ervaren dat die straf ook toegepast wordt. -</p> -<p class="footnote cont">Tot zulke vreeselijke anomaliën brengt de gevloekte opiumpacht! <a class="fnarrow" href="#xd30e8977src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9056"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9056src">2</a></span> Zoo worden op Java rooftochten genoemd, die meestal gewapenderhand uitgevoerd worden. -Gewoonlijk worden zij des nachts ondernomen, terwijl de deelnemers zich het gelaat -meestal hebben zwart gemaakt. Het ligt voor de hand, dat doodslag, plundering en brandstichting -daarbij niet zelden voorkomen. <a class="fnarrow" href="#xd30e9056src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9059"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9059src">3</a></span> De landrente wordt op Java en Madoera met uitzondering van de vorstenlanden Soerakarta -en Djokjokarta, geheven van alle beplante gronden, waarop zakelijke rechten worden -uitgeoefend, en die niet vallen onder de bepalingen omtrent de verponding. De inning -daarvan is opgedragen aan de dèsahoofden, die daarvoor 8% collecteloon genieten, en -aan Inlandsche beambten, ondercollecteurs bij de Inlandsche inkomsten genaamd, wien -hiervoor eene bezoldiging is toegelegd naar de belangrijkheid van hunne perceptiën. <a class="fnarrow" href="#xd30e9059src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9064"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9064src">4</a></span> Het recht tot den verkoop van opium in het klein wordt op periodieke tijden door de -Nederlandsche regeering aan de meestbiedenden verpacht, terwijl de pachters, behalve -dien bedongen pachtschat de opium uit ’s lands pakhuizen moeten ontvangen tegen ƒ 30 -het katie of ƒ 3000 per pikol. De opium kost het gouvernement alles en alles gerekend -slechts ƒ 13,87 per katie. <a class="fnarrow" href="#xd30e9064src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch28" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e873">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXVIII.</h2> -<h2 class="main">Correspondentie.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Sedert Verstork’s vertrek naar Atjeh, was het vriendenclubje, dat wij, na de varkensjacht -in den Djoerang Pringapoes, te Banjoe Pahit om de gezellige rijsttafel vereenigd gezien -hebben, eerder in zijne gevoelens jegens elkander versterkt dan wel verzwakt geworden, -hoewel een lid daaraan ontvallen was. -</p> -<p>Ontvallen? Neen, waarlijk niet! Want, was Verstork ook ver verwijderd, hij leefde -in aller herinnering voort, en maakte meermalen het onderwerp der gesprekken uit. -Evenwel, dáárdoor bleef de band niet alleen voortleven; maar eene drukke correspondentie -wakkerde de vriendschappelijke gevoelens onder die jonge mannen nog aan, en hield -hen op de hoogte, zoowel van hetgeen henzelven betrof, als van de gebeurtenissen, -die de ketting van ons verhaal uitmaken, en waarin hen min of meer eene rol bedeeld -was. -</p> -<p>Zoo had Van Rheijn, die onder Van Gulpendam’s invloed wel een oogenblik van weifeling -ondervonden had, ten opzichte van zijne verhouding tot het vriendenclubje, maar die -te bovengekomen was, toen hij de cynische ontwikkeling der gebeurtenissen waarnam, -Verstork omtrent zijn vervanger te Banjoe Pahit en diens nadeeligen en ontbindenden -invloed op den gang van zaken in het district ingelicht. Alles ging achteruit in de -vroeger zoo welvarende streek. De rijstbouw werd ergerlijk verwaarloosd, de teelt -van „polowiedjo” (tweede gewassen) deelde hetzelfde lot. Contractbreuk met de in <span class="pageNum" id="pb2.72">[<a href="#pb2.72">72</a>]</span>het district aanwezige landheeren kwam aan de orde van den dag; want de vroeger zoo -nijvere bewoners werden lui, vadsig en onbekwaam om gezetten arbeid te verrichten. -In één woord het geheele gewest ging zichtbaar achteruit en eene vreeselijke toekomst -te gemoet. Maar de opiumkit, de speelholen en de pandjeshuizen floreerden, en leverden -groote baten aan de pachters van die middelen van inkomsten voor de Nederlandsche -schatkist op. Om aan den heerschenden hartstocht voor opium en spel te kunnen botvieren, -werd de smokkelhandel te baat genomen, kwam diefstal meer menigvuldig voor; ja er -werd gemompeld van ketjoetochten, die georganiseerd werden, en reeds een begin van -uitvoering zouden erlangd hebben. -</p> -<p>„De bandoelan Singomengolo,” zoo besloot Van Rheijn zijn brief, „gij weet wel: de -ellendeling, die in de zaak van de <span class="corr" id="xd30e9094" title="Bron: amokpartij">amokhpartij</span> te Kaligaweh en in de zaak van baboe Dalima de hand had, is in de nabijheid van Moeara -Tjatjing met twee zijner handlangers vermoord geworden. Ik heb alle redenen, om hierin -iets meer te zien dan de hand van ketjoe’s. Ik meen, dat hier wraakneming in het spel -is; want op het lijk van den bandoelan werd nog eene som van acht en zestig gulden -gevonden, hetgeen aanduidt, dat diefstal de drijfveer der moordenaars niet was. Eene -andere omstandigheid, die op ander gebied ook te denken geeft, is, dat bovendien bij -Singomengolo vijf koperen doosjes gevonden werden met opium gevuld, die in vorm volmaakt -overeenkomen met de beide doosjes, die gij te Kaligaweh en in de hut bij den Djoerang -Pringapoes in beslag genomen hebt. Inderdaad, ik begin in te zien, dat de opiumpacht -een vloek voor het land is. Ik leg die bekentenis thans gul af. Gij zult u nog wel -herinneren, dat ik vroeger daaromtrent niet zoo geheel onverdeeld dacht. -</p> -<p>„Zoo is thans de toestand in de weinige maanden, nadat gij het district verlaten hebt! -En om de maat van ellende vol te meten, loopt thans een gerucht, dat de landrente -verhoogd<a class="noteRef" id="xd30e9099src" href="#xd30e9099">1</a> en de overige belastingen voor <span class="pageNum" id="pb2.73">[<a href="#pb2.73">73</a>]</span>de Inlanders verscherpt, terwijl hun nieuwe lasten op de schouders gelegd zullen worden. -Geldschrapen onder allerlei vorm! Onder den vorm van gedwongen cultures, onder den -vorm van heerendiensten, onder den vorm van landrente, onder den vorm van belasting -op het zout, onder den vorm van in- en uitvoerrechten, onder den vorm van belasting -op het geslacht, onder den vorm van opiumkitten, onder den vorm van speelholen, onder -den vorm van lombarden, onder den vorm van.… Hel en duivel! alles te zamen om den -Inlander zijn laatste en zoo zuur verdiende duit afhandig te maken! Willem, Willem, -waar moet dat heen? Ik voorzie niets dan rampen, die hetzij vroeg, hetzij laat, maar -zeer zeker komen zullen; want de toestand van het district Banjoe Pahit is geen op -zichzelf staande toestand; maar kan, met eenige schakeering in de grondoorzaken, als -type voor dien van geheel Java gelden.…” -</p> -<p>Zoo verhaalde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden den gemeenschappelijken vriend de incidenten, die bij de gedingen van den -Javaan Setrosmito en van Baboe Dalima opgeworpen werden. -</p> -<p>„Verbeeld je, Willem,” zoo schreef de jeugdige pleitbezorger, „dat van bestuurswege -moeilijkheden in den weg gelegd zijn, om mij als advocaat in die twee gedingen toe -te laten. En gij zult nooit raden waarom. Omdat ik als getuige in beide zaken zou -kunnen moeten gehoord worden. Dat was niet dom gevonden; maar zooals gij wel denken -kunt; ik liet mij niet afschrikken. Die quaestie werd aan den rechter-commissaris -uit den raad van Justitie te Santjoemeh onderworpen, en die heeft op mijne verklaring: -dat ik in beide zaken niets gezien en derhalve niets te getuigen had, en dat ik in -beide zaken geheel belangeloos optrad, en nadat ik en de officier van Justitie verklaard -hadden ons onvoorwaardelijk aan ’s raads uitspraak te zullen onderwerpen, geconcludeerd: -dat ik in beide zaken als pleiter zal kunnen optreden; maar dat, wanneer mijne getuigenis -onverhoopt ingeroepen wordt, ik niet onder eede zal kunnen gehoord worden; omdat—let -goed op die overweging, Willem!—het niet aan te nemen is, dat, hoewel ik verklaard -heb voor mijne pleitbezorging geene belooning van welken aard ook genoten te hebben, -en nimmer te zullen genieten, ik als verdediger der beklaagden geacht moet worden, -<span class="pageNum" id="pb2.74">[<a href="#pb2.74">74</a>]</span>zoo niet een dadelijk financiëel, dan toch een zijdelingsch moreel belang te hebben -bij het vrijspreken mijner cliënten, en ik dus niet beschouwd kan worden als een in -allen deelen onpartijdig getuige in den zin der wet. -</p> -<p>„Hoe vindt gij die uitspraak? Ik kom er rond voor uit: als mensch en jurist gesproken, -in allen deelen correct! Maar, wanneer men dat grondbeginsel eens consequent toepaste -omtrent getuigen, vooral in opiumprocessen, zijn dan niet alle getuigenissen van bandoelans, -opiumjagers, kithouders, enz., altemaal geboefte van het ellendigst allooi, te wraken? -Daar die personen deemoedig het wachtwoord van de opiumpachters ontvangen, en daarenboven -materieel belang onder den vorm van premie, hen bij de wet als aandeel in de verbeurdverklaringen -en op te leggen boeten toegekend, hebben, moeten zij dus geacht worden geen in allen -deele onpartijdige getuigen in den zin der wet te zijn. O, aan onze rechtspleging, -vooral ten opzichte van Inlanders bij opiumprocessen, ontbreekt nog veel! -</p> -<p>„De gedingen van baboe Dalima en van Setrosmito zullen door den landraad berecht worden. -Het gebeurt weinig, dat voor die rechtbank gepleit wordt. Toch zal ik in laatstgenoemde -zaak als verdediger optreden. Wat de eerste zaak betreft zal de beklaagde, wanneer -zij mocht worden veroordeeld, in appèl komen bij den raad van Justitie te Santjoemeh, -en dan zal het zaak zijn de verdediging met klem te voeren. Gij zult mij vragen: waarom -die behandeling zoo? Luister, en neem daarbij in acht, dat ik bij Van Nerekool te -rade ben gegaan, alvorens tot dat besluit gekomen te zijn: -</p> -<p>„Gij zult wel vernomen hebben, dat Singomengolo, de hoofdgetuige in beide zaken, op -geheimzinnige wijze vermoord is geworden. Aanvankelijk meende ik, dat die gebeurtenis -een gunstigen invloed op den gang dier gedingen zoude hebben; maar het is mij gebleken, -dat de bandoelan zijne verklaring onder eede voor den officier van Justitie heeft -afgelegd, zoodat zijne getuigenis in het geding aanwezig is. Zijn dood levert nu het -groote nadeel op, dat hij niet met de beklaagden en met Lim Ho kan geconfronteerd -worden. Ik had zoo gehoopt, dat een breede woordenwisseling, die ik tusschen hen zou -uitgelokt hebben, het noodige licht zou ontstoken, en mij de gegevens <span class="pageNum" id="pb2.75">[<a href="#pb2.75">75</a>]</span>in handen zoude geleverd hebben, om voor den vader zeer verzachtende omstandigheden -ter zake van zijn amokhmaken aan te voeren, en om de onschuld en de mishandeling van -de dochter te bewijzen. -</p> -<p>„Van eene andere zijde heeft mevrouw Van Gulpendam bij het voorloopig onderzoek voor -den rechter-commissaris verklaard, dat zij van de afwezigheid van baboe Dalima in -den bewusten nacht niets afwist, zoodat het vast staat in het geding, dat het Javaansche -meisje met onbetamelijke doeleinden het residentie-erf verlaten zou hebben. Gij zult -u nog wel herinneren, dat zij zich in den ochtend van onze zwijnenjacht er op beriep, -dat zij verlof van de njonja en van nonna Anna had, waarop gij haar nog vroegt, of -die dat zouden kunnen getuigen, en zij dat bevestigend beantwoordde. Maar juffrouw -Van Gulpendam dan? zult ge vragen. Willem, dat is eene rare geschiedenis. De residentsdochter -is, zooals algemeen verteld wordt, naar Karang Anjer vertrokken, om bij de familie -Steenvlak eenigen tijd te logeeren. Toen nu het onderzoek in zake baboe Dalima zou -plaats <span class="corr" id="xd30e9128" title="Bron: bebben">hebben</span>, deelde de resident mede, dat zijne dochter naar Europa vertrokken was, dat zij daar -bij eene tante, die in Zwitserland woont, zou gaan verblijf houden. Maar het gekste -is, dat onder de passagiers van al de vertrokken schepen in de laatste maanden de -naam van mejuffrouw Van Gulpendam niet voorkomt. Gij weet, hoe nieuwsgierig de goê -gemeente van Santjoemeh is; men, gij weet wel die „men,” die alles ziet, alles hoort, -alles verneemt, heeft dan ook alle nasporingen gedaan zonder het minste resultaat; -terwijl de resident, wanneer een onbescheidene het vertrek van zijne dochter ter sprake -brengt, zich met eene zekere luchthartigheid er van afmaakt, en een verward verhaal -opdischt, waarbij hij te verstaan wil geven, dat zij met eene boot van Tjilatjap in -gezelschap van een paar Engelsche dames naar Port Adelaïde zou vertrokken zijn, om -van daar per mail naar Engeland te reizen. Niemand gelooft er iets van, vooral niet, -omdat de resident nimmer den naam van die boot heeft laten ontglippen. Er zijn nieuwsgierigen -geweest, die aan de firma Acraman Main en C<sup>ie</sup> te Adelaïde hebben getelegrafeerd, maar bericht hebben gekregen: <span class="corr" title="Niet in bron">„</span><span lang="en">Not to have heard anything of the arrival of <span class="corr" id="xd30e9137" title="Bron: tree">three</span> ladies from the <span class="pageNum" id="pb2.76">[<a href="#pb2.76">76</a>]</span>Dutch East-India,</span>” (niets vernomen te hebben omtrent de aankomst van drie dames van <span class="corr" id="xd30e9143" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span>). Van Nerekool is wanhopig, dat kunt gij begrijpen. Hij is dezer dagen naar Karang -Anjer afgereisd, om nasporingen te doen omtrent het lieve meisje, dat hij steeds met -hart en ziel aanhangt. Hij is evenwel onverrichterzake teruggekeerd. Hij zal u wel -schrijven, en u op de hoogte houden van zijne bevinding. Misschien heeft hij dat reeds -gedaan. -</p> -<p>„De slotsom is dus, waarde Willem, dat de zaken mijner cliënten slecht staan. Toch -geef ik den moed niet op. Ik zal het uiterste beproeven, om die ongelukkigen te redden. -Ik heb eene reden te meer, om er mijne aandacht aan te wijden, en die is, dat baboe -Dalima in belangwekkende omstandigheden verkeert, zoodat de gevolgen van de misdaad -van Lim Ho niet uitgebleven zijn. Zal die omstandigheid in het geding te benutten -zijn? Ik twijfel er aan. Bij totaal gebrek aan bewijzen voor die gepleegde misdaad, -zal het ’t beste zijn, dunkt mij, die zaak zoo min mogelijk aan te roeren: maar de -weldenkenden zullen zich moeten beijveren het rampzalige schepsel de behulpzame hand -te reiken, wanneer zij uit de gevangenis ontslagen zal zijn, door de veroordeeling -haars vaders geen te huis zal vinden, en, door de verklaring van den resident Van -Gulpendam geschandvlekt, geen huisgezin zal aantreffen, waar hare diensten als baboe -of bediende aanvaard zullen worden. Maar … komt tijd, komt raad.…” -</p> -<p>Een schrijven van Grenits hield de mededeeling in van de ontvluchting van Ardjan en -Pak Ardjan uit de gevangenis van Santjoemeh, en schilderde de niet geringe ontsteltenis, -die deze gebeurtenis in officiëele kringen verwekt had. -</p> -<p>„Hoe <span class="corr" id="xd30e9150" title="Bron: onverschilig">onverschillig</span> de resident oogenschijnlijk die ontvluchting ook behandelt, wanneer zij ter sprake -komt,” schreef de jeugdige koopman, „blijft toch niet onbekend met welke zenuwachtigheid -de vluchtelingen opgespoord zijn geworden. Ik kan u verzekeren, dat zelfs de spionnen -van den opiumpachter in den arm zijn genomen, toen de politie in hare taak te kort -schoot. Maar sedert Singomengolo met twee opiumhandlangers vermoord, maar niet beroofd -zijn geworden, heerscht werkelijk angst in de bestuurskringen, en is zelfs gemompeld -geworden, dat de <span class="pageNum" id="pb2.77">[<a href="#pb2.77">77</a>]</span>pradjoerits-wacht aan het residentiehuis zoude verdubbeld worden. Ik kan dat evenwel -pertinent tegenspreken. Als gewoonlijk drentelen de twee schildwachten voor het perron -van den Grooten Heer op en neer. De kommandant van dat eerbiedwekkend korps civiele -soldaten verzekerde mij zelfs, dat de patroontrommel in de wachtkamer van het residentiehuis -niet ontzegeld is.<a class="noteRef" id="xd30e9155src" href="#xd30e9155">2</a> Dat is gelukkig ook; want, wanneer die dapperen met scherp gaan schieten, zijn zij -mijns bedunkens gevaarlijker voor de goedgezinden dan voor de kwaadwilligen. -</p> -<p>„Maar, met dat al ben ik blij, dat de beide Javanen ontsnapt zijn. Hoewel niet binnen -de grenzen eener goede justitie, is daardoor eene gruwelijke onbillijkheid verhoed. -Want de vader werd door de zedelooze handelingen der opiumjagers tegenover zijne kinderen -tot zijne onbezonnen daad verleid; terwijl de zoon aan de hem ten laste gelegde opiumsmokkelarij -geheel onschuldig is, dat weet gij, zoowel als het geheele publiek dat weet. -</p> -<p>„Mijne zaak met van Mokesuep zal nu spoedig voor den raad van Justitie behandeld worden. -Zij is zeer eenvoudig. Voor den officier van Justitie heb ik bekend, dien man twee -klappen toegebracht te hebben. Die bekentenis wordt geschraagd, behalve door de aanklacht -van den beleedigde, ook door de getuigenissen van Grashuis en Lim Ho. Ik heb op raad -van Van Beneden mij op geen verschoonende omstandigheden beroepen; ten einde de arme -Dalima niet in opspraak te brengen. Na de verklaring van den geneesheer, dat geene -gewelddaad ten opzichte der eerbaarheid gepleegd werd, is de mishandeling van het -slachtoffer niet rechterlijk te bewijzen. Toch zijn wij allen, die de varkensjacht -bijwoonden, van de gepleegde misdaad overtuigd; maar.… maar, wanneer zal toch eens -gerechtigheid in Indië uitgeoefend worden?.…” -</p> -<p>De brief van Van Nerekool maakte op Verstork den <span class="pageNum" id="pb2.78">[<a href="#pb2.78">78</a>]</span>meesten indruk, hoewel hij volstrekt niet onverschillig gebleven was bij de mededeelingen -van de overige berichtgevers. De jeugdige, rechterlijke ambtenaar deelde het verdwijnen -van Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam van Santjoemeh mede en wat daarop gevolgd was. -</p> -<p>„Welke moeite ik mij ook gegeven heb, om haar te ontmoeten,” schreef hij, „alles is -te vergeefs geweest. Niet alleen, dat van wege hare ouders alle mogelijke maatregelen -getroffen waren, om eene samenkomst te beletten; maar Anna zelve heeft hardnekkig -geweigerd mij te ontmoeten, toen ik mevrouw Meidema eindelijk overgehaald had mij -te waarschuwen, wanneer zij het bezoek van het jonge meisje wachtende was. Zij is -vertrokken, en eerst van Sapoeran kreeg ik een brief van haar.…. maar Willem, een -brief, die mij alle hoop benam. -</p> -<p>„„Gij kunt geen huwelijk aangaan,” schreef zij, „met de dochter van menschen, die -u zulke voorstellen deden. Gij zult mij kunnen tegenwerpen, dat een kind niet schuldig -of medeplichtig mag geacht worden aan de daden zijner ouders. Niets is meer waar dan -dat, en ik gevoel mij dan ook even onbezwaard, even fier, als ik die uitdrukking in -mijn toestand mag bezigen, als toen ik met de handelingen mijner ouders onbekend was. -Maar.… den man steeds voor mij te zien, wien de noodlottige aanbiedingen gedaan werden; -in teedere oogenblikken, wanneer wij ons in elkanders blikken zouden verloren hebben, -de gedachte te meenen kunnen lezen in het brein van den beminden man: dat ik hem als -prijs voorgeworpen werd voor eene daad van plichtsverkrachting; in zijn omgang met -mijne ouders, die hij als welopgevoed mensch voor het oog der wereld moest, en voor -mij met achting en deferentie zou bejegenen, op zijn gunstigst genomen slechts eene -aalmoes aan mijne kinderlijke liefde toegeworpen, te moeten zien; zie, Karel, dat -zou mij het leven tot eene hel maken en zijn weeromstuit op u niet missen.” -</p> -<p>„Willem, Willem! uit die regels klinkt zooveel wanhoop tegen, maar ligt daarin tevens -zooveel liefde opgesloten, dat die brief mij tot den gelukkigsten en tevens tot den -rampzaligsten mensch heeft gemaakt der aarde. -</p> -<p>„Ja, ik begrijp ten volle hare opvattingen omtrent het gedrag harer ouders; maar juist -daarom wordt zij <span class="pageNum" id="pb2.79">[<a href="#pb2.79">79</a>]</span>mij te meer dierbaar, als dat mogelijk ware. Haar edelaardig karakter treedt daarin -in het volle licht, en dwingt onverdeelden eerbied af. Willem, hoe komt toch zoo een -ouderenpaar aan zulk kind? Is het eene speling der natuur, dat uit de samenkoppeling -van twee zoo bedorven geaardheden zoo’n reine en edele telg gesproten is? Hoe komt -het, dat Anna in zoo’n midden, als waarin zij opgevoed werd, onbesmet gebleven is? -Allemaal raadsels, die voor ons, die met de moedermelk de zwartgallige leer inzogen, -dat de schuld der ouders op de kinderen verhaald wordt, onoplosbaar zijn … -</p> -<p>„Gij ziet het, Willem, alles wat ik ondervind, vermeerdert mijne liefde voor het reine -wezen, dat ik op mijn levenspad ontmoet heb. Waartoe zal dat alles leiden? Dat vraag -ik mij veelmalen ernstig af; maar moet daarbij bekennen, dat ik het antwoord nog niet -gevonden heb. Ik deins soms voor mij zelven terug;… want ik begin veranderingen in -mijn gemoedsleven te bespeuren, die ik ternauwernood waag te ontleden. Worden die -veroorzaakt door de hinderpalen, welke mijn gevoel voor Anna ondervindt? Zouden die -ook geboren zijn, wanneer mijne liefde, evenals bij zoovele mijner medemenschen, een -ongestoord verloop had gehad? Ik durf daarop niet antwoorden; want het ideaal, dat -ik mij vroeger van het huwelijksleven vormde, was zoo verschillend met hetgeen thans -in mijn binnenste woedt, dat ik mij soms op een pijnlijken glimlach betrap, wanneer -ik mijne droombeelden van weleer herdenk, waarin de vrouw meer een etherisch wezen -gelijk was, dan wel eene natuurgenoote van vleesch en bloed, die hartstochtelijk kan -zijn en hartstocht kan inboezemen. -</p> -<p>„Gij weet, hoe onaangevochten ik bleef ten opzichte van het sexueele leven. O, dat -is thans heel anders! Ik voel somwijlen een orkaan in mijn binnenste loeien. Bij tijden -stijgen brandende verlangens in mij op voor dat schoone en bevallige wezen, voor die -zoo fiere maagd, welker kieschheid en reinheid haar boven alles aantrekkelijk voor -mij maakt. Zij ontvlucht mijne liefde, en … ik verheel het niet: er zijn oogenblikken, -dat ik niet alleen naar haar bezit haak; maar dat ik mij zelven de belofte afleg, -dat zij de mijne zal zijn, dat ik haar wil, dat ik haar zal bezitten! En, dan is, -helaas! in die uiting, niets teeders, niets sentimenteels te ontwaren; maar dan is -het de hartstocht, <span class="pageNum" id="pb2.80">[<a href="#pb2.80">80</a>]</span>die mij beheerscht, de doldriftige en zelfzuchtige opwelling van den onbeteugelden -natuurmensch, die zich op het voorwerp, dat zijne genegenheid gaande maakt, gewelddadig -tracht te werpen. -</p> -<p>„Na de ontvangst van dien brief heb ik aan Anna ontelbare malen geschreven. Ik heb -haar mijne liefde andermaal beleden. Ik heb haar bezworen, haar hart niet voor mij -te sluiten. Ik heb haar gesmeekt, gebeden mij hare hand te reiken. Hare ouders zouden -niet eeuwig mijn aanzoek afwijzen. Mijne loopbaan zoude verbeteren; daarenboven, in -mijne geldelijke omstandigheden was reeds eene gunstige verandering ontstaan, daar -eene zuster mijner moeder mij bij haar overlijden wel geen aanzienlijk vermogen nagelaten -had, maar toch groot genoeg, om onbezorgd de toekomst tegemoet te kunnen treden. Ik -zou wel eene plaatsing als rechterlijk ambtenaar weten te verwerven, ver van de woonplaats -harer ouders en, mocht werkelijk het verblijf in Indië haar ondragelijk zijn, welnu -dan stelde ik haar voor, te zamen naar Australië te gaan. Daar zouden wij in den echt -kunnen treden, en stil en vergeten, maar gelukkig in onze liefde, in ons samenzijn -kunnen leven. -</p> -<p>„Dat alles schreef ik haar! O, ik schreef haar nog veel meer! Maar, vriend, ik bekwam -geen antwoord. Mijne brieven werden mij nauwgezet ongeopend teruggezonden. Dat kenmerkte -een vastgenomen besluit, waarvan zij niet wilde afwijken. Zelf deed zij de brieven -in hunne enveloppen, en schreef er met vaste hand het adres op. O! daarin was zich -niet te vergissen, het was hare hand. -</p> -<p>„Wat moest ik doen? Wat moest ik doen? Ik verkeerde in de grootste spanning. En toch -kon ik door de massa werk, waarmede de raad van Justitie overladen is, Santjoemeh -niet verlaten. O, ik was zoo gaarne naar Karang Anjer geijld. Mij dunkt, dat ik er -in geslaagd zoude zijn, om Anna de toekomst minder somber te doen inzien. -</p> -<p>„Eindelijk ontving ik ook mijn laatsten brief terug. Toen ik de enveloppe in handen -had, overviel mij reeds een soort van angst. En, werkelijk, het adres was van eene -andere hand. Haastig scheurde ik den omslag open. Ja, het was alweer mijn ongeopende -brief, waarbij evenwel een blaadje gevoegd was, waarop slechts deze weinige woorden -voorkwamen: „Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam heeft Karang Anjer verlaten.”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -<span class="pageNum" id="pb2.81">[<a href="#pb2.81">81</a>]</span></p> -<p>„Gij kunt begrijpen, Willem, wat er in mijn binnenste omging. Anna heeft Karang Anjer -verlaten! En geen enkele lettergreep daarbij, om mij in te lichten, waarheen het dierbare -schepsel vertrokken is! Wie had die weinige woorden geschreven? Anna niet, dat zag -ik met een oogopslag. Maar, wie dan? Was het eene vrouwenhand? Och, het schrift was -regelmatig, fraai, met goed gevormde letters. Ja, dat kon! Er was iets zachts, iets -teeders in die halen, in die lijnen. Ja, het moest het schrift eener vrouw zijn! Maar, -van wie? Dat moest ik weten. Ik had rust noch duur. Ik zou en moest naar Karang Anjer. -Maar, hoe weg te komen? Ge weet, dat de voorzitter van den raad van Justitie een vriend -van den resident Van Gulpendam is; waaruit voortvloeit, dat van het verkrijgen van -verlof geen sprake kon zijn. Ik vroeg dat dan ook niet, en gelukkig ook; want voorzeker -zoude dan later op mijne gangen gelet zijn. -</p> -<p>„Intusschen kwam onverwacht hulp. Ik werd bedenkelijk ongesteld. Congesties, gepaard -met koortsen, maakten mij voor iederen arbeid onbekwaam en, hoewel ik nog niet bedlegerig -was, maakte mijn geneesheer zich zoodanig ongerust over de hardnekkigheid der ziekteverschijnselen, -die voor de krachtigste medicamentatie niet wilden wijken, dat hij een eenigszins -voortgezet verblijf in een koel bergklimaat voor mijn herstel noodzakelijk achtte. -Gij kunt begrijpen, hoe ik te moede was, toen hij die uitspraak deed. -</p> -<p>„„Zoudt gij mij eenige plaats bij voorkeur aanwijzen?” vroeg ik hem zoo kalm mogelijk. -</p> -<p>„„Mij dunkt, Salatiga,” antwoordde hij. „Dat ligt op ruim 1800 voet.” -</p> -<p>„„Zou Wonosobo niet verkieselijker zijn?” vroeg ik onverschillig. -</p> -<p>„„Hebt gij daar eenige voorkeur voor?” -</p> -<p>„„De <span class="corr" id="xd30e9200" title="Bron: assistent resident">assistent-resident</span> aldaar is mijn vriend,” antwoordde ik, „terwijl ik onder de beheerders der <span class="corr" id="xd30e9203" title="Bron: landbouwonder-ondernemingen">landbouwondernemingen</span> in den omtrek verscheidene bekenden tel. Te Salatiga zou ik geheel vreemd zijn.” -</p> -<p>„„Wel, ga dan naar Wonosobo,” besliste hij. „Dat ligt nog hooger,—ik meen op 2200 -voet,—en zal dus voor uw herstel nog meer bevorderlijk zijn.” -</p> -<p>Hij teekende het noodige bewijs, en.… reeds twee <span class="pageNum" id="pb2.82">[<a href="#pb2.82">82</a>]</span>dagen later zat ik in den reiswagen, en was naar mijne bestemming op weg. Willem, -gij weet: Wonosobo ligt op een afstand van drie en zeventig palen van Karang Anjer. -Wat hadden die te beduiden voor mijn ongeduld? Was het de zekerheid, dat ik licht -in de duisternis zoude erlangen? Of trad reeds reactie in? Zoo veel is zeker, dat -ik mij als herboren gevoelde, toen de reis begon. -</p> -<p>„Had ik in eene andere gemoedsstemming verkeerd, dan ware die reis voor mij uiterst -belangrijk geweest; dan zoude de streek, die ik doortrok, mij hebben kunnen boeien. -Ik trok toch over het ruim acht duizend voet hooge Prahoe-gebergte, daarna over het -Diëng-plateau, dat klassieke vulkaanstelsel, door den Duitschen natuuronderzoeker -Frans Junghuhn zoo meesterlijk beschreven; mijn weg voerde toch verder langs den Goenoeng -Panggonang en den Goenoeng Pakoeodja met hunne immer werkende solfatara’s en ziedende -heetwaterwellen; langs den Telerep, dien verbrokkelden vulkaan, die van vroegere ontzettende -uitbarstingen, wat krachtsbetoon betreft, ons voorstellingsvermogen tartende, getuigt; -langs de Telågå Mendjer, dat dichterlijk kratermeer, hetwelk, diep ingezonken en door -hooge rotswanden omgeven, een der liefelijkste waterbekkens vormt der geheele aarde; -en verder langs de westelijke hellingen van den Goenoeng Sindoro, dien schoonsten -en regelmatigsten van alle vulkanen van Java, welker horizontale kegelsnede zich op -bijna tienduizend voet boven de oppervlakte der zee verheft; om eindelijk te Wonosobo -aan te komen. Maar, ik had geen oogen voor al die schoonheden, voor al die natuurwonderen, -die in den vorm van piramidale vuurbergen, van grillige bergruggen, van steile en -hemelhooge rotswanden, van woestvlietende bergstroomen, van donderende watervallen, -van verrukkelijke kratermeren, van overschoone bergvlakten, van schilderachtige dalen, -van schrikkelijke ravijnen, van donkere afgronden, van eeuwenoude hoogwouden en liefelijke -koffie- en theeplantingen mij voorbij ijlden. Ik had slechts ééne gedachte: Anna! -en slechts één streven: zoo spoedig mogelijk aan te komen.” -</p> -<p>„„<span lang="ms">Ajo! k’sier, madjoe! madjoe!</span>” (Komaan, koetsier, voort, voort!) was mijn schier onafgebroken aanmoedigingskreet -tot den automédon, die toch al reeds zijn best deed, en <span class="pageNum" id="pb2.83">[<a href="#pb2.83">83</a>]</span>zijn lange zweep met onbarmhartige behendigheid hanteerde. -</p> -<p>„Toen ik Wonosobo bereikte, was mijn ongeduld nog niet bevredigd. Nog lang niet! -</p> -<p>„De liefderijkste ontvangst en verpleging viel mij bij den assistent-resident van -Ledok ten deel. Gij kent de familie Kleinsma; ik behoef dus daarover niet uit te weiden. -De reis had ook den meest gunstigen invloed op mijn gezondheidstoestand uitgeoefend; -maar, toch zouden ettelijke dagen noodig zijn, alvorens ik den tocht naar Karang Anjer -mocht en kon ondernemen. -</p> -<p>„Gedurende dien tijd bracht ik mijn gastheer zoo wat op de hoogte, en gaf hem te kennen, -dat ik, om zooveel mogelijk opspraak te voorkomen, bij die excursie Poerworedjo, Bagelen’s -hoofdplaats, wenschte te vermijden.<span id="xd30e9223"></span> -</p> -<p>„„Drommels,”, zei Kleinsma, „dat is niet gemakkelijk. Dan moet ge over Kaliwiro, Ngalian, -Peniron en zoo naar Karang Anjer.” -</p> -<p>„„Is dat een groote omweg?” vroeg ik hem, meenende dat de mindere gemakkelijkheid, -waarvan hij sprak, daarop doelde. -</p> -<p>„„Volstrekt niet,” antwoordde hij. „Integendeel, die richting verkort den afstand -ruim een derde. Maar, die route is niet per rijtuig af te leggen. Het wegenstelsel -hier is zeer goed te noemen; maar in het innerlijke der residentie is het slechts -te paard te berijden. Daarbij hebt gij een gids noodig, want die wegen kruisen elkander -zoodanig, dat zij een waren doolhof vormen, en dat, zelfs met de meest nauwkeurige -kaart van den topografischen dienst, verdwalen niet tot de onmogelijkheden zou behooren.” -</p> -<p>„Dat schrikte mij niet af, Willem. Toen ik dan ook acht dagen in dat gunstige klimaat -doorgebracht had, en van koortsachtige aandoeningen niets meer te bespeuren was, ondernam -ik den tocht, die niet van moeielijkheden ontbloot was. Wel waren de wegen uitmuntend; -maar het ging voortdurend bergop bergaf. De eene bergnok op, om in het daarachter -gelegen ravijn neer te dalen, en het stijgen daarna andermaal te beginnen. Het paard, -dat Kleinsma mij bezorgd had, was een uitmuntend stevig Javaansch bergpaard, hetwelk, -in weerwil van dat terrein, zijn zes palen per uur geregeld aflegde. Ging de weg bergopwaarts, -dan nam het edele dier, zonder daartoe aangemoedigd <span class="pageNum" id="pb2.84">[<a href="#pb2.84">84</a>]</span>te zijn, den galop aan; ging het bergafwaarts, en was de helling niet al te steil, -dan was het steeds in draf; en in ieder ander geval in stevigen stap, die den meest -wakkeren voetganger deed achterblijven. -</p> -<p>„Te Ngalian verwisselde ik van paard, en verkreeg op aanbeveling van den assistent-resident -zoo mogelijk een nog beter rijdier van den loerah dier plaats. Zoo trok ik over het -Bessergebergte,<a class="noteRef" id="xd30e9235src" href="#xd30e9235">3</a> over de uitloopers van het Midangang-, Paras- en Boetak-<a class="noteRef" id="xd30e9238src" href="#xd30e9238">4</a> gebergte, en kwam des namiddags te vier uren te Karang Anjer aan. -</p> -<p>„Helaas, Willem, al die moeite was te vergeefs! Ik zou omtrent mijne Anna niets vernemen. -Ik zal u dat later wel mededeelen; thans ontbreekt mij de moed om voort te gaan.” -<span class="pageNum" id="pb2.85">[<a href="#pb2.85">85</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e9099"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9099src">1</a></span> Zie daaromtrent o. a. <i>het voorloopig verslag van de commissie tot onderzoek der ontwerpen van wet tot vaststelling -der begrooting van Ned. Indië <span class="corr" id="xd30e9103" title="Bron: roor">voor</span> 1886 in de afdeelingen der Tweede Kamer</i>. (laatste alinea § 3, te vinden op bladz. 4 van dat document). <a class="fnarrow" href="#xd30e9099src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9155"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9155src">2</a></span> In Nederl. Indië bevinden zich in alle wachtkamers van de militaire garnizoenen scherpe -patronen, die in eene blikken trommel opgeborgen zijn. Die trommel is evenwel verzegeld, -en de kommandant der wacht is voor den goeden staat der zegels verantwoordelijk. Natuurlijk -mag die trommel bij dreigend gevaar onder verantwoordelijkheid van dien kommandant -geopend worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e9155src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9235"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9235src">3</a></span> Het Besser-gebergte is een bergketen, die dwars door de residentie Bagelen en meer -bepaald door de afdeeling Ledok loopt, en een verbindingsrug daarstelt tusschen het -Midanganggebergte aan de eene zijde en de vulkanen Soembieng en Sindoro aan de andere -zijde. Het punt, waar de weg over den nok van het Besser-gebergte voert, ligt op 1900 -voet boven de oppervlakte der zee. <a class="fnarrow" href="#xd30e9235src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9238"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9238src">4</a></span> Het Midangang-, <span class="corr" id="xd30e9240" title="Bron: Paros-">Paras-</span> en Boetakgebergte. Het Midanganggebergte vormt de grens tusschen de residentiën Banjoemas -en Bagelen. In zijn hoogsten top bereikt het 3318 voet. Het <span class="corr" id="xd30e9243" title="Bron: Parosgebergte">Parasgebergte</span> ligt in de Afdeeling Keboemen. De hoogste top verheft zich op 1660 voet. Het Boetak-gebergte -ligt in de Afdeeling Karang Anjer en bereikt eene hoogte van 1252 voet. <a class="fnarrow" href="#xd30e9238src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch29" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e882">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXIX.</h2> -<h2 class="main">Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer -aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche -vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar -zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, -de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met -hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den -wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, -hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid -aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een -genomen besluit. -</p> -<p>„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben -ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. -Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde -voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden -daarstellen.” -</p> -<p>„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden. -</p> -<p>„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven. <span class="pageNum" id="pb2.86">[<a href="#pb2.86">86</a>]</span>Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij -er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk -bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw -bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen.…” -</p> -<p>„Maar, Mevrouw, Anna is rein<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede. -</p> -<p>„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet -in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven -te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. -Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, -die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet -zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte -woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling -zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.” -</p> -<p>„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, -naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten -verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor -elkander kunnen leven en dan, dan … geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor -elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis -mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op -gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en … -vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.” -</p> -<p>„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het -betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging -voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens -weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige -mededeeling gedaan.” -<span class="pageNum" id="pb2.87">[<a href="#pb2.87">87</a>]</span></p> -<p>„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven -ongeopend terug.” -</p> -<p>„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard … -Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te -ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.” -</p> -<p>„Mevrouw!…” -</p> -<p>„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, -om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? -Afzonderlijk?… Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis -alleen te laten maken! Te zamen?… Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige -ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.” -</p> -<p>„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestand <span class="corr" id="xd30e9281" title="Bron: nêerlei">neêrlei</span>?” -</p> -<p>„Wat bedoelt ge?” -</p> -<p>„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk -begeerde?…” -</p> -<p>„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. -„Ga niet voort! Trots hare familie,… dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; -met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting -en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote -aanspraak zoude hebben … Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken … -Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; -maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap -ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken -heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld -van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in -weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste -verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens -plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.” -</p> -<p>Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool had zich bij die uiteenzetting <span class="pageNum" id="pb2.88">[<a href="#pb2.88">88</a>]</span>door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden -sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand. -</p> -<p>„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien -slaag ik er in, om haar te verteederen.… Zeg mij, waar zij is?” -</p> -<p>„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; -dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft -mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan -ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken -dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.” -</p> -<p>„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?” -</p> -<p>„Eenvoudig, om vergeten te leven.” -</p> -<p>„Wellicht om te hu.…” -</p> -<p>„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. -Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.” -</p> -<p>„Maar, wat wil zij dan?” -</p> -<p>„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet -lang uitblijven zal.” -</p> -<p>„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt. -</p> -<p>„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong -meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.” -</p> -<p>„Mevrouw, gij beangstigt mij.” -</p> -<p>„Ik deel u de waarheid mede.” -</p> -<p>„O, zeg mij, waar zij is?” -</p> -<p>„Nooit!” -</p> -<p>„Is zij op Java, is zij in Indië?” -</p> -<p>„Ik zeg niets.” -</p> -<p>„Is zij naar Europa?… O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.” -</p> -<p>„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!” -</p> -<p>„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?” -</p> -<p>„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven …” -</p> -<p>„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand.…” viel Van Nerekool in. -<span class="pageNum" id="pb2.89">[<a href="#pb2.89">89</a>]</span></p> -<p>„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te -handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.” -</p> -<p>„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning -uitstoof. -</p> -<p>Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij -wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar -uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja -van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe<a class="noteRef" id="xd30e9323src" href="#xd30e9323">1</a> afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld -had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh -teruggekeerd was. -</p> -<p>De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der -omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van -de paardenposterij<a class="noteRef" id="xd30e9331src" href="#xd30e9331">2</a>; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. -Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden -niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij -de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw -logé) vertrokken was. -</p> -<p>Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s<a class="noteRef" id="xd30e9337src" href="#xd30e9337">3</a> aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” -vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer). -</p> -<p>In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, -wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, -als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde <span class="pageNum" id="pb2.90">[<a href="#pb2.90">90</a>]</span>gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den -rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, -die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne -zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt -hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met -het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen -slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil -van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- -en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender. -</p> -<p>Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch -de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig -ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar -elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de -booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten -niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen -Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide -Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een -verzinsel beschouwd worden. -</p> -<p>Eindelijk keerde Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien -dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk -luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door -August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn ontvangen en verwelkomd werd. -</p> -<p>„En?.…” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van Karel -<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool geconstateerd hadden. „En …?” -</p> -<p>Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, -het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor -hen gebleven. -<span class="pageNum" id="pb2.91">[<a href="#pb2.91">91</a>]</span></p> -<p>„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!” -</p> -<p>„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits. -</p> -<p>„Gij ook niet?” vroeg Karel. -</p> -<p>„Ik heb mij tot de geheele handelswereld van <span class="corr" id="xd30e9369" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span> gewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, -dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, -voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.” -</p> -<p>„Zoodat, volgens uw gevoelen?…” vroeg Karel. -</p> -<p>„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.” -</p> -<p>„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn. -</p> -<p>„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool. -</p> -<p>„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, -dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader -en moeder.” -</p> -<p>„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa om <span class="corr" id="xd30e9380" title="Bron: mêe">meê</span> te gekscheren,” zei Van Rheijn. -</p> -<p>„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna -is,” antwoordde Van Nerekool. -</p> -<p>En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden -aan zijne getrouwen. -</p> -<p>„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij -de mededeeling. -</p> -<p>„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden. -</p> -<p>„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, -dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!” -</p> -<p>„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak -Grashuis. -</p> -<p>„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij -diep ongelukkig.” -</p> -<p>„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den -raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.” -<span class="pageNum" id="pb2.92">[<a href="#pb2.92">92</a>]</span></p> -<p>„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, -dien gij voorspelt, August.” -</p> -<p>„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei -Grenits. -</p> -<p>„Gij?” -</p> -<p>„Ja, in zake Mokesuep.” -</p> -<p>„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.” -</p> -<p>„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg -niet.” -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien -dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van -slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht -waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij -evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de -onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie -gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar -in bescherming te nemen. -</p> -<p>Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, -staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep -afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de -openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet. -</p> -<p>Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, -beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat -opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar -gezocht had. -</p> -<p>Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis -van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde -toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe -geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden -ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij <span class="pageNum" id="pb2.93">[<a href="#pb2.93">93</a>]</span>nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt -moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, -dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar -tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim -Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij -de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige -onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, -als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook het <span lang="la">visum repertum</span> van den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het -meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig -bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed -van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe -landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt -gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, -wegens gebrek aan bewijzen af te zien. -</p> -<p>Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over. -</p> -<p>Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een -doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, -tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen -van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van -weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide -opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja -ketjoet)<a class="noteRef" id="xd30e9421src" href="#xd30e9421">4</a> had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van <span class="pageNum" id="pb2.94">[<a href="#pb2.94">94</a>]</span>den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan -Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde -toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, -dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn -oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje -eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde. -</p> -<p>Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe -geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen -die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij -met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, -en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de -bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een -gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem -aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig -geacht moesten worden. -<span class="pageNum" id="pb2.95">[<a href="#pb2.95">95</a>]</span></p> -<p>De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring -van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling -aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter -zake in overtreding bevonden<a class="noteRef" id="xd30e9459src" href="#xd30e9459">5</a>. -</p> -<p>Tegenover dat requisitoir wees August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, -hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, -zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording -een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij -legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan -de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, -en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering -te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren<a class="noteRef" id="xd30e9476src" href="#xd30e9476">6</a>. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige -opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven -<span class="pageNum" id="pb2.96">[<a href="#pb2.96">96</a>]</span>was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den -reuk en op het gevoel van het <span class="corr" id="xd30e9497" title="Bron: produkt">product</span> waren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den -opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars -zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente -scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, -afkomstig van denzelfden pachter<a class="noteRef" id="xd30e9500src" href="#xd30e9500">7</a> aan te toonen. -</p> -<p>De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad -van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde -feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare -onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten. -</p> -<p>Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in -zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de -zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; -terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. -Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang -Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe -de fiscale ambtenaar zich geleend had. -<span class="pageNum" id="pb2.97">[<a href="#pb2.97">97</a>]</span></p> -<p>Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche -meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek -naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim -Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke -menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch -over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor -haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich -om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; -maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde -Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan -de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. -Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare -moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak -zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel -de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, -Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer -vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was. -</p> -<p>„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend. -</p> -<p>Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, -die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te -drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen -zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig -tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt. -</p> -<p>Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast: -</p> -<p>„<span lang="ms">Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!</span>” (Sidin! gauw! geef Champagne!) -</p> -<p>En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende <span class="pageNum" id="pb2.98">[<a href="#pb2.98">98</a>]</span><span class="corr" id="xd30e9535" title="Bron: Venve">Veuve</span> Cliquot in de hand, en bracht August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden zijn welgemeende gelukwenschen toe. -</p> -<p>Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop -van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden. -</p> -<p>„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in -zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, -zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer -geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, -maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis -te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den -toestand hier?” -</p> -<p>„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de -opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging -van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig -juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! -Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: -Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig -was.” -</p> -<p>„Die ellendeling!” bromde van Rheijn. -</p> -<p>„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere -beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij -vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel -aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek -van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd -wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor -regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf -en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, -tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos -schrapen, zulke toestanden niet alleen <span class="pageNum" id="pb2.99">[<a href="#pb2.99">99</a>]</span>gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?” -</p> -<p>Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid. -</p> -<p>„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, -die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn. -</p> -<p>„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!”<a class="noteRef" id="xd30e9553src" href="#xd30e9553">8</a> antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie -ziet toe, en.… heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de -meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is -of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren -heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts … -<span class="corr" id="xd30e9558" title="Bron: éêne">ééne</span> gedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn -succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordiging <i lang="fr">bons mots</i>, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor -nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst -leuk vinden.”<a class="noteRef" id="xd30e9564src" href="#xd30e9564">9</a> -</p> -<p>Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen -vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan -had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over. -</p> -<p>„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn. -</p> -<p>„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!” -</p> -<p>Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open. -</p> -<p>„Eene gewone huwelijks-aankondiging!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> zei hij.… „Maar, van wien?” -</p> -<p>En het papier inziende: -</p> -<p>„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert: -</p> -<p>„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer <span class="pageNum" id="pb2.100">[<a href="#pb2.100">100</a>]</span>en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk -van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter -van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben -op den 3<sup>den</sup> September a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.” -</p> -<p>„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima -is ternauwernood uitgewezen.” -</p> -<p>„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn -in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?” -</p> -<p>„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou -mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke -gelukwenschen aan te <span class="corr" id="xd30e9589" title="Bron: hieden">bieden</span>.” -</p> -<p>„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid -wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?” -</p> -<p>„Alweêr: <i lang="fr">des accommodements avec le ciel</i>”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.… -Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen -ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf -gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.” -</p> -<p>Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, -ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, -tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens -enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten -van zich te werpen. -</p> -<p>„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?” -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.”<a class="noteRef" id="xd30e9604src" href="#xd30e9604">10</a> -<span class="pageNum" id="pb2.101">[<a href="#pb2.101">101</a>]</span></p> -<p>„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar -hartelust tokkelen.” -</p> -<p>„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.” -</p> -<p>„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.” -</p> -<p>„En dan breng ik mijne viool mede.” -</p> -<p>„En ik mijn fluit.” -</p> -<p>„En dan laten wij de geheele cipieran <i lang="fr">une sarabande de condamnés</i> uitvoeren<span class="corr" id="xd30e9638" title="Bron: .">,”</span> gilde Grenits bij voorbaat van de pret. -</p> -<p>„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden -in. -</p> -<p>„Wat dan?” vroegen allen. -</p> -<p>„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon -van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, -ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer -kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.” -</p> -<p>„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet. -</p> -<p>„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen<span class="corr" id="xd30e9648" title="Bron: 7">?</span>” vroeg Grashuis. -</p> -<p>„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles -zal gereed zijn.” -</p> -<p>„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?” -</p> -<p>Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering -uit elkander. -<span class="pageNum" id="pb2.102">[<a href="#pb2.102">102</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e9323"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9323src">1</a></span> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n140.2">No. 2</a> op bladz. 140 van het 1e deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e9323src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9331"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9331src">2</a></span> In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden -gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen -betaling verkrijgbaar zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e9331src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9337"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9337src">3</a></span> Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, -die door dèsa-volk betrokken worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e9337src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9421"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9421src">4</a></span> <i lang="ms">Roepanja kasar dan <span class="corr" id="xd30e9425" title="Bron: itam">hitam</span></i> en <i lang="ms">bahoenja ketjoet.</i> De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat -gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, -en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde -opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal -weten, dat de <span class="pageNum" id="pb2.94n">[<a href="#pb2.94n">94</a>]</span>opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, -dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, -dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen -gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven -gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigd <span class="corr" id="xd30e9433" title="Bron: proces verbaal">proces-verbaal</span> van zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie het <i>Ind. Weekblad van het Recht</i> No. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr. <span class="sc">J. H. Abedanon</span>, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige -behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? -De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. -Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: -„Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken -aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek -door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.” -</p> -<p class="footnote cont">’k Voeg aan het woord der redactie v. h. <i>Weekbl. v. h. Recht</i> dezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen tot <span class="asc">DWANGARBEID</span>, gelijkstaande aan onze <span class="asc">TUCHTHUISSTRAF</span>! Nederlanders! hoort gij het!? <a class="fnarrow" href="#xd30e9421src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9459"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9459src">5</a></span> Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost -zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die -straf is geheel en al overeenkomstig de 6<sup>de</sup> alinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. -25 Sept. 1874 Stbl. N<sup>o</sup>. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. N<sup>o</sup>. 262.) <a class="fnarrow" href="#xd30e9459src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9476"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9476src">6</a></span> De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te -doen verklaren (bladz. <a href="#pb115">115</a>). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla het <i>Indisch Weekblad van het Recht</i> op, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, N<sup>os</sup>. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden -te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v. <i>de Locomotief</i> van 18 Jan. en 21 Febr. 1883, <i>het Ind. Vaderland</i> van 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke -feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander -ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke -bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, -hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenover <span class="corr" id="xd30e9491" title="Bron: een">één</span> ontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent -in het donker gepleegd? <a class="fnarrow" href="#xd30e9476src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9500"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9500src">7</a></span> Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard -met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te -verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen -door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfde <span class="corr" id="xd30e9502" title="Bron: produkt">product</span> opleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepen <span class="corr" id="xd30e9505" title="Bron: wordeg">worden</span> door apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke -kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen -met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien het <i>Ind. Weekbl. v. h. Recht</i> N<sup>o</sup>. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche -deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. -De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij -opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche -Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de -pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof. <a class="fnarrow" href="#xd30e9500src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9553"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9553src">8</a></span> Die uitspraak, wierp <i>het Vaderland</i> in zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de -oude geschiedenis van den balk en den splinter! <a class="fnarrow" href="#xd30e9553src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9564"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9564src">9</a></span> De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet -geldt. <a class="fnarrow" href="#xd30e9564src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9604"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9604src">10</a></span> Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding -van de roman van <span class="sc">Ebers</span> laten doen <span class="pageNum" id="pb2.101n">[<a href="#pb2.101n">101</a>]</span>maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „<i>de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië</i>” door <span class="sc">J. A. B. Wiselius</span>. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar: -</p> -<p class="footnote cont">„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, -die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede -sluiten.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p class="footnote cont">Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring -gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. het <span class="asc" lang="la">VIRTUS NOBILITAT</span> nog niet uitgereikt is. <a class="fnarrow" href="#xd30e9604src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch30" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e892">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXX.</h2> -<h2 class="main">Baboe Dalima naar Karang Anjer.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op het hobbelige bergpad, dat tusschen de vulkanen Soembieng en Sindoro doorslingert, -stapte weinige dagen later Dalima met onbezweken en veerkrachtigen pas voorwaarts. -Het Javaansche meisje was eenvoudig in sarong en kabaja gekleed, waarbij evenwel hare -gewone netheid en zindelijkheid niet onopgemerkt bleven. Over haren schouder droeg -zij een „boengkoesan”, een pakje, dat in haren slendang gebonden was, en waarschijnlijk -eenige schamele kleedingstukken bevatte. Wat ook nog opmerking verdiende, was: dat -zij niet blootvoets, maar met een soort sandalen geschoeid was, waarmee zij goed overweg -scheen te kunnen. -</p> -<p>Dat alles wees er op, dat het meisje eene verre reis wilde afleggen, en haar uiterlijk -duidde er op, dat zij reeds een aardig eind wegs achter den rug had. -</p> -<p>Hoe kwam zij hier op dit punt, waar wij haar ontmoeten, en dat zoo ver van Kaligaweh -verwijderd lag? En, wat was het doel van hare reis? -</p> -<p>Wij hebben reeds gehoord, met hoeveel belangstelling zij berichten inwon omtrent nonna -Anna. Toen zij vernam, dat hare jeugdige meesteres naar Karang Anjer gegaan, en daarna -spoorloos verdwenen was, werd haar oorspronkelijk brein werkzaam, en ontkiemde bij -haar het plan, om van haren kant nasporingen in het werk te stellen. Zij had, hoewel -weinig begrip hebbende van de maatschappelijke verhoudingen der Europeanen, zoo’n -gevoel, dat de lieve Nana rampzalig ongelukkig was, en besefte, <span class="pageNum" id="pb2.103">[<a href="#pb2.103">103</a>]</span>dat het arme kind behoefte had aan eene gezellin, aan een vertrouwd en getrouw liefderijk -wezen, die haar hare ramp zou helpen dragen. Maar … Karang Anjer lag zoo ver, zoo -onmetelijk ver in haar oog. Daar ginds niet ver van de groote zee, in de nabijheid -van het gebied van Ratoe Lårå Kidoel<a class="noteRef" id="n2.103.1src" href="#n2.103.1">1</a>, hadden haar hare dèsagenooten verteld! Maar dat schrikte haar niet af. Zij zou moedig -de reis aanvaarden, en koen voorttreden, al voerde de weg ook, zooals haar verzekerd -werd, langs brullende „kawah’s” (solfatara’s), langs brandende <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>mer-api’s”<a class="noteRef" id="xd30e9674src" href="#xd30e9674">2</a>, langs duizelingwekkende „djoerang’s” (ravijnen), door eenzame „oetan’s” (bosschen). -Zij zou slechts bij dag reizen, dan had zij van wild gedierte niets te vreezen. En -zij was niet bang voor slecht volk; want, wat zou bij haar vermoed kunnen worden? -Zij zag er zoo armoedig uit, dat niemand op de gedachte zou kunnen komen, dat bij -haar wat te rooven viel. En toch bezat zij een schat, een schat, dien zij angstvallig -bewaard had, en die zij nu ook in een slip van een baadje geknoopt had, en nu in het -pakje, dat zij droeg, medevoerde. Van tijd tot tijd had nonna Anna haar toch eenig -geld in de gevangenis te Santjoemeh bezorgd. Ook August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden en Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool hadden zich beijverd, het arme Javaansche meisje wat toe te reiken, wanneer -zij haar in de cipieran opzochten, om inlichtingen omtrent het gebeurde in te winnen. -Zij had dat dankbaar aangenomen en zorgvuldig opgespaard; want zij dacht aan de toekomst. -En, zoo was zij thans bezitster van ruim veertig guldens, die zij, alvorens te vertrekken, -tegen „katip’s” (dubbeltjes) en „tali’s” (kwartjes) had gewisseld, om onderweg geen -„roepiah’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> (guldens) en „ringgiets” (rijksdaalders) behoeven te laten zien, hetgeen wellicht -begeerlijkheid zou kunnen opwekken. -</p> -<p>Dat geld had het meest hare gedachten bezig gehouden, en haar wel een oogenblik doen -aarzelen om die groote reis te ondernemen. Zij had dat toch bespaard om de onkosten -<span class="pageNum" id="pb2.104">[<a href="#pb2.104">104</a>]</span>te bestrijden, die hare bevalling noodzakelijk zoude veroorzaken. Er zou toch een -„doekoen” (vroedvrouw) noodig zijn, medicijnen zouden aangeschaft moeten worden. Haar -kindje zou ook een „klamboe” (bedgordijnen) behoeven, om het te beveiligen voor de -muskieten. Zoo iets was wel geen gewoonte in de dèsa; maar zij had toch bij de familie -Van Gulpendam gezien, hoe rustig sienjo Leo daarachter had liggen slapen. Zeker, haar -kindje zou ook zoo’n klamboe gekregen hebben! Daarenboven, èn eenigen tijd vóór<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> èn eenigen tijd nà hare bevalling zou zij niet kunnen werken. Toch zou zij moeten -eten; want zij mocht hare moeder niet ten laste komen, die toch reeds zooveel zorgen -had met hare broertjes en zusjes, nu haar vader Setrosmito nog steeds in de gevangenis -zat. Ja, dat geld was haar dierbaar, aan dat geld was zij gehecht; want zij begreep, -hoe jeugdig zij ook was, dat de nood hoog zou kunnen stijgen … Maar, al die overwegingen -verdwenen, nu het hare Nana gold! Neen, zij mocht niet aarzelen! Maar … de toestand, -waarin zij zich bevond? Zou die geen moeielijkheden in den weg stellen? Daaraan dacht -zij zelfs niet. Eene bevalling heeft voor een Javaansche vrouw, dank zij hare onbekendheid -met het noodlottige corset harer noordsche zusteren, niets angstverwekkends, en wordt -beschouwd als een verrichting, waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den -weg gelegd heeft.<a class="noteRef" id="xd30e9692src" href="#xd30e9692">3</a> Daarenboven het tijdstip harer verlossing was nog veraf. Zij had nog ruim vier maanden -voor zich. En zou dan hare taak niet volbracht zijn, zou zij dan hare meesteres niet -gevonden hebben, of zou zij die dan nog niet kunnen verlaten;.… welnu, zij kende <span class="pageNum" id="pb2.105">[<a href="#pb2.105">105</a>]</span>de liefderijke goedhartigheid harer landgenooten. Zij wist, dat haar toestand haar -in het oog van niemand zou onteeren, al kon zij niet aan iedereen gaan vertellen, -op welke noodlottige wijze zij daarin geraakt was. Zij wist, dat zij in dien grooten -nood wel een beschermend dak zou vinden, dat zelfs de meest behoeftige haar de behulpzame -hand zou bieden, en zijn schamel rantsoen rijst met haar zou deelen. Neen, al had -zij aan haren toestand gedacht, dan zou zij daarin geen beletsel gevonden hebben om -haar plan ten uitvoer te leggen. -</p> -<p>Wel had ’Mbok Karjå, de walgelijke handlangster van mevrouw van Gulpendam, misschien -wel op aanraden van deze, het meisje te Kaligaweh opgezocht, en haar iets van „obat -mentellang”<a class="noteRef" id="xd30e9700src" href="#xd30e9700">4</a> in het oor gefluisterd. Eerst had Dalima haar niet begrepen, en verwonderde oogen -opgezet, Zij kende alle draden niet, waardoor die oude tooverkol aan hare vroegere -njonja verbonden was. Maar toen ’Mbok Karjå onder het mom van belangstelling in het -lot van het Javaansche meisje, duidelijker gesproken, en zich zelfs daarbij een afzichtelijk -gebaar veroorloofd had, toen, onder den aandrang van de grenzenlooze verontwaardiging, -welke zij voelde opwellen, had zij het oude wijf de deur uitgejaagd, en haar gedreigd, -dat zij het dèsavolk te hulp zoude roepen, wanneer zij zich weer vertoonde. Neen, -het kind, dat zij onder het hart droeg, was geen pand der liefde; het was geen afgebeden, -zelfs geen gewenscht kind! Het was haar zelfs door middel van misdaad opgedrongen. -Hoevele Christen jonkvrouwen zouden niet met haat en verachting op dat product eener -schandelijke handeling neerzien? Hoevelen harer zouden niet voor een moord terugdeinzen, -om zich van dien noodlottigen last te ontslaan? Zij niet. O, zij zou dat kind, hetwelk -geen schuld aan de misdaad zijns vaders had, liefhebben, zij zou het koesteren, zij -zou het opkweeken, zij zou het troetelen. En, in afwachting van het oogenblik, dat -het onschuldige wicht zijne intrede in de wereld zoude doen, <span class="pageNum" id="pb2.106">[<a href="#pb2.106">106</a>]</span>gunde zij het met innige liefde haar hartebloed, waarmede zij het voedde. Neen, tot -zoo eene misdaad was zij niet in staat, die liet zij, als zij besef had kunnen hebben -van hetgeen in de wereld omging, aan de uitverkorenen der <span class="corr" id="xd30e9707" title="Bron: bescbaving">beschaving</span> over! -</p> -<p>En, zoo was zij op weg gegaan met haar boengkoesan over den schouder, die haar geheele -bezitting bevatte. Zij was over berg en dal getrokken, en was nu, na een achttal dagen -ijverig doorgestapt te hebben, het einddoel der lange reis meer nabij gekomen. -</p> -<p>Wanneer zij des avonds eene dèsa bereikte, dan vroeg zij naar den panghoeloe, den -dorpspriester, en meldde zich bij dien aan als eene zwerfster, die haren vader te -Karang Anjer ging opzoeken. Deze, met het oog op haren zichtbaren toestand, verwees -haar dan steeds naar de eene of andere brave vrouw, die haar liefderijk opnam en zich -niet altijd hare herbergzaamheid met een tiental centen liet betalen, maar integendeel -hare gast zich voor het vertrek nog te goed deed doen, en nog menige „katoepat”<a class="noteRef" id="xd30e9713src" href="#xd30e9713">5</a> aan haar pakje bond, om onderweg te verorberen. Niet altijd evenwel viel haar die -gastvrijheid ten deel. Het gebeurde toch, dat de inlichtingen, welke zij onderweg -ingewonnen had, omtrent de afstanden, door haar verkeerd verstaan waren, dat de nacht -inviel, alvorens zij een dèsa bereikte. Dan vroeg zij een plaatsje op de „baleh-baleh” -(ligplaats, brits) van de eerste de beste gardoe, wat haar niet geweigerd werd. -</p> -<p>Eens zelfs ontbrak haar die toevlucht. De weg voerde toen door een dicht bosch, de -zon was ondergegaan, en daar onder dat lichte bladerendak werd het donker, ja schier -zwart. Het pad was nog alleen te houden door, wanneer zij naar boven keek, de smalle -strook van het hemelruim waar te nemen, die tusschen de boomkruinen zichtbaar was, -zich in de richting van den weg uitstrekte, <span class="pageNum" id="pb2.107">[<a href="#pb2.107">107</a>]</span>en <span class="corr" id="xd30e9720" title="Bron: waartusscheu">waartusschen</span> de sterren fonkelden. Van eene dèsa was heinde en ver niets te ontwaren. Zij spitste -de ooren, om eenig geluid waar te nemen, zooals b. v. hanengekraai of het rythmisch -geluid van het rijsttombokken, dat van de nabijheid van menschen zou getuigen. Maar, -niets, niets! Hoe zij ook uitkeek, en zich voortrepte, de zwarte omtrekken eener gardoe -doemden maar niet voor haar op. Plotseling deed zich het schrille „meoh! meoh!” hooren -eener pauw, die in den bovensten top van een hoogen boom de laatste schemering van -het daglicht, hetwelk in het westen op het punt was te verdwijnen, begroette<span class="corr" id="xd30e9723" title="Bron: ,.">.</span> -</p> -<p>Met schrik bedacht Dalima, dat de „merak” (pauw) hoogst zelden, in de wildernis alleen -ontmoet wordt, maar dat zij steeds in gezelschap van den „harimao” (tijger) aangetroffen -wordt.<a class="noteRef" id="xd30e9729src" href="#xd30e9729">6</a> Als echt natuurkind nam zij niet veel tijd van beraad, maar wierp snel een blik rondom -haar, trad onmiddellijk het woud binnen, en klom ijlings in een niet te dikken boom, -die in hare nabijheid stond. Wel was hare toestand een ernstige hinderpaal voor die -gymnastische oefening; maar zij volbracht die klautering bedaard, omvatte den boom -met beide handen, steunde de voeten tegen den stam, en werkte zich zoo zonder gevaar -voor beschadiging van hare vrucht naar boven, totdat zij de onderste takken bereikt -had. Eenmaal daar aangekomen, voelde zij zich in veiligheid. Een „toetool” (panter) -toch valt in den regel den mensch niet aan, en een harimao, dat wist zij, klimt niet -in de boomen. Zij maakte het zich op die benedenste takken, die gelukkig sterk genoeg -waren, om haar te dragen en zich horizontaal uitstrekten, zoodat zij tot zitplaats -konden strekken, zoo gemakkelijk mogelijk; maar die nacht van bijna elf uren, viel -haar toch buitengewoon lang. Aan slapen viel niet te denken; want dan liep zij gevaar -haar evenwicht te verliezen, en naar beneden te vallen. Daarenboven, die takken, waarop -zij zat, <span class="pageNum" id="pb2.108">[<a href="#pb2.108">108</a>]</span>en de stam, waartegen zij rustte, waren ruw en knoestig, zoodat die hare ledematen -pijnlijk drukten. Wel poogde zij herhaaldelijk van houding te veranderen, maar dat -gaf slechts <span class="corr" id="xd30e9734" title="Bron: korstondig">kortstondig</span> verlichting. Zelfs beproefde zij op Inlandsche wijze gehurkt te gaan zitten, maar -zij had bij het klimmen hare sandalen moeten laten vallen, zoodat de ruwe <span class="corr" id="xd30e9737" title="Bron: oneffenenheden">oneffenheden</span> van den bast der takken diep in de voetzolen drongen, en haar die houding onverdragelijk -maakten. Daarbij kwam nog, dat vele insecten als mieren, bosch-muskieten, houtkevers, -enz. haar kwelden, en zij niet altijd de handen vrij had om hevige jeukingen, door -dat lastig gedierte veroorzaakt, te bestrijden. -</p> -<p>Zij had ook haar boengkoesan laten vallen, waarin hare kleederen, haar geld, hare -geheele bezitting, besloten waren. Maar daaromtrent bekommerde zij zich weinig. Menschelijke -wezens zouden toch op dat uur niet in dat woud vertoeven, en, waren die er, dan zouden -die nu wel niet precies op die plek komen zwerven, en dieren zouden haar pakje wel -ongedeerd laten liggen. -</p> -<p>Zoo kroop die lange nacht voorbij, en begroette Dalima met een zucht van verlichting, -het zwakke schijnsel, dat den oostelijken gezichteinder eindelijk begon te tinten. -</p> -<p>Toch was daarmede hare beproeving nog niet ten einde. In den nacht had zij zeer verdachte -geluiden waargenomen. Onmiskenbaar meende zij het doffe en angstverwekkende „hoeh! -hoeh!” van een harimao gehoord te hebben. Neen, zij moest nog daar hoog gezeten blijven, -hoe onduldbaar zeer haar hare ledematen ook deden. Zij wist toch, dat de tijger juist -in de morgenschemering ronddwaalt; dat hij dan, onhoorbaar voortsluipende, onrustig -en ijverig zijne prooi opspoort; dat hij dan naar de boschbeek ijlt om zijn brandenden -dorst te lesschen, om voorraad vocht op te doen voor den geheelen dag; dat het dan -in een woord juist het gevaarvolste tijdstip van den geheelen nacht is. Zij zou, zij -moest nog blijven, totdat het helder dag zou wezen, totdat de zon boven den horizon -gekomen zou zijn, om alles met haar vriendelijk licht te beschijnen, en het verscheurend -gedierte naar zijne schuilhoeken te jagen. -</p> -<p>En, dat zij goed ingezien had, bleek haar uit het geschreeuw der pauw, die den dageraad -met haar „meoh! meoh!” begroette, zooals zij het avondrood gedaan had. Dalima begreep, -dat de tijger niet ver was. -<span class="pageNum" id="pb2.109">[<a href="#pb2.109">109</a>]</span></p> -<p>Zoo zat zij daar boven, bibberende in de koele morgenlucht, en zag de lichtstrook -in het Oosten zich langzamerhand uitstrekken en de sterren van lieverlede verbleeken. -Zoo zag zij den hemel daar ginds een licht rosé-tint aannemen, die, terwijl zij al -meer en meer naar het zenith optrok, de donkere schakeeringen voor zich uitdreef, -en haar naar het binnenste van het woud deed terugtrekken. -</p> -<p>O, wat ging dat alles langzaam in zijn werk! Wat viel haar de tijd lang! En geen wonder; -want haar lijden was schier duldeloos. Zij draaide en wrong hare verstijfde ledematen. -Zij keek ongeduldig rond. -</p> -<p>Daar, onder haar, was alles nog grauw en donker. Ternauwernood kon zij haar pakje -en hare sandalen, die in het gras lagen, onderscheiden. Maar boven haar heerschte -reeds het volle licht, en jubelde een talrijk vogelenkoor in de bladerenkronen, om -de komst van de dagvorstin te verheerlijken. -</p> -<p>Wat kwam die toch langzaam! -</p> -<p>Zij zag het uitspansel zich al meer en meer in een rood waas hullen, terwijl de horizon -in het Oosten in donkerpurper getint was. Onder den weerschijn daarvan tooiden zich -wolken, boomen, bladeren, takken in het goud en drong het fraaie licht nu ook langzaam -tot op den woudbodem door. -</p> -<p>Eindelijk brak de zon door, steeg boven den boschrand, en overgoot alles met haar -verblindend licht. -</p> -<p>Nu was het oogenblik voor Dalima gekomen, om hare standplaats te verlaten. Zij deed -dat, na nog eens behoedzaam rondgekeken te hebben, en betrachtte bij het omlaag klauteren -dezelfde voorzichtigheid, met betrekking tot haren toestand, als bij het omhoog klimmen. -Toen zij den bodem bereikt had, rekte zij hare ledematen uit, om die hunne vroegere -lenigheid te hergeven, greep haar boengkoesan, waaraan nog een paar katoepats bengelden, -reinigde die van den zwerm mieren, die haar ontbijt wenschten te deelen, ijlde toen -naar een beekje toe, dat zij in de nabijheid hoorde murmelen, verfrischte zich het -gelaat, de handen en de voeten met het koele water, en zette zich daarbij neder, om -hare katoepats met een dronk uit de heldere beek te nuttigen; ten einde daarna, gesterkt -en bemoedigd, haren tocht voort te zetten. -<span class="pageNum" id="pb2.110">[<a href="#pb2.110">110</a>]</span></p> -<p>Zoo stapte zij dag in dag uit voort, totdat zij eindelijk bij eene gardoe het heugelijke -bericht inwon, dat de eerstvolgende dèsa, die zij ontmoeten zou, Karang Anjer was. -</p> -<p>Of dat nog ver was? vroeg zij haren landgenoot. -</p> -<p>Deze krabde zich achter het oor. In het bepalen van afstanden heeft de eenvoudige -Javaan het voorzeker niet ver gebracht. Hij antwoordde evenwel na een poos nagedacht -te hebben, dat zij ongeveer nog „limå poeloe pal kawat”<a class="noteRef" id="xd30e9760src" href="#xd30e9760">7</a> vijftig telegraafpalen, voorbij te komen had. Bemoedigd bij dat bericht, stapte zij -met rappen voet voort, en bereikte dan ook een groot half uur later de bedoelde dèsa. -</p> -<p>Natuurlijk begaf zij zich dadelijk naar mevrouw Steenvlak, meldde zich daar aan als -de gewezen baboe van nonna Anna, en, daar deze laatste veel, zeer veel over haar gesproken -had, werd zij uiterst welwillend, ja zelfs liefderijk door de familie Steenvlak ontvangen. -Maar, omtrent het doel harer reis kreeg de arme baboe daar niets te weten. Hoe zij -ook bad en smeekte, het was alles te vergeefs. „Ik weet het niet,” was het eenige -antwoord, hetwelk zij op alle hare vragen ontving. -</p> -<p>„Maar, njonjaa, Nanna heeft toch hier gelogeerd!” smeekte het Javaansche meisje met -tranen in hare stem. -</p> -<p>„Ja, Dalima, dat heeft zij.” -</p> -<p>„Maar, waar is zij dan, njaa?” -</p> -<p>„Zij is vertrokken.” -</p> -<p>„Waarheen, njaa?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet.” -</p> -<p>Hoe het brave meisje hare vragen ook draaide of keerde, hoe zij ook haar „njaa” smeekend -lang aanhield, zij ontving niets anders dan dit onverzettelijke antwoord. -</p> -<p>Wist mevrouw Steenvlak werkelijk niet, waarheen haar lief logeetje vertrokken was? -Dat was toch niet aannemelijk. Of vreesde zij, dat baboe Dalima voor Van Nerekool -werkzaam was? Dat kwam haar niet onwaarschijnlijk voor, te meer niet, daar zij bevroedde, -dat het <span class="pageNum" id="pb2.111">[<a href="#pb2.111">111</a>]</span>Javaansche meisje niet onkundig kon gebleven zijn omtrent de genegenheid van de beide -Europeesche jongelieden voor elkander, en ook, dewijl Dalima zich geheel argeloos -in het gesprek had laten ontvallen, dat Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool haar wel eens in de gevangenis van Santjoemeh opgezocht, en haar geld gegeven -had. Zij zou de baboe daarom niet minder geacht hebben. Integendeel; want zij doorzag -zeer goed, dat genegenheid voor hare jeugdige meesteres de voorname drijfveer van -hare handeling was, al zou die dan ook vermengd geweest zijn met een zweem van dankbaarheid -voor den rechtsgeleerden ambtenaar. Was het niet aannemelijk, dat het eenvoudige Javaansche -gemoed in eene vereeniging der geliefden het hoogste geluk meende te zien voor beiden? -Die gedachte deed haar een oogenblik aarzelen; maar.… -</p> -<p>„Njonjaa, zeg mij toch, waar Nanna is!” hield Dalima aan. -</p> -<p>„Ik herhaal het, baboe: ik weet het niet,” antwoordde mevrouw Steenvlak. -</p> -<p>„Maar, njaa, gij weet toch waarheen zij gereisd is?” vroeg het meisje handenwringend. -</p> -<p>„Neen, zeg ik u, boe!” -</p> -<p>„Maar gij weet toch, in welke richting zij afgereisd is?” -</p> -<p>Zooals men ziet, het meisje was vasthoudend en liet zich niet gauw uit het veld slaan. -</p> -<p>„Ja.… dat weet ik natuurlijk.” -</p> -<p>„O, zeg het mij, njaa,” sprak het meisje met een straal van hoop in het oog. -</p> -<p>„Ik mag, ik kan niet, boe!” -</p> -<p>„Waarom niet, njaa?” -</p> -<p>„Voor dat nonna Anna vertrok, heb ik haar moeten beloven.…” -</p> -<p>Mevrouw Steenvlak aarzelde. -</p> -<p>„Wat njaaa?” -</p> -<p>„Dat ik aan niemand—hoort ge aan <span class="corr" id="xd30e9797" title="Bron: niemend">niemand</span>, Dalima!—iets zeggen mocht.” -</p> -<p>„Maar aan mij wel, njaaa!” -</p> -<p>„Neen. Aan niemand! Aan niemand! Daar heeft zij op gedrukt.” -</p> -<p>„Och, zij heeft wellicht mijne hulp noodig, njaaa! Waar is zij toch? Zij is zoo ongewoon -voor zich zelf te zorgen! Wie weet, hoe alleen zij is! Och, zeg mij toch, njaaa, waar -Nanna is!” kermde het jonge meisje. -<span class="pageNum" id="pb2.112">[<a href="#pb2.112">112</a>]</span></p> -<p>„Ik kan, ik mag niet, Dalima!” antwoordde mevrouw Steenvlak<span id="xd30e9807"></span> onverzettelijk. „Ieder mensch moet de eenmaal gegeven belofte nakomen, nietwaar?” -</p> -<p>Toch was de goede dame geroerd door de aanhankelijkheid van het lieve schepsel, dat -evenwel reeds zoo veel in het leven ondervonden had, zoodat een verbitterd gemoed -haar waarlijk wel te vergeven ware geweest. Zij betreurde, dat zij aan Anna die belofte -gedaan had; maar met hare opvattingen omtrent het gegeven woord meende zij daarop -niet te mogen terugkomen, zoolang de betrokkene daarin niet bewilligd zoude hebben. -</p> -<p>„Het beste, wat ik u raden kan,” vervolgde zij na een oogenblik het snikkende meisje -aangestaard te hebben, dat aan hare voeten zat te kreunen, „is dat gij weer naar Santjoemeh, -of beter nog naar Kaligaweh terugkeert. Kan ik u daarin iets helpen?” -</p> -<p>Baboe Dalima knikte ontkennend. -</p> -<p>„Kom, ge zult wel reisgeld noodig hebben voor dien langen tocht, nietwaar.” -</p> -<p>En haar beursje te voorschijn halende, reikte zij het weenende meisje vier rijksdaalders -toe. -</p> -<p>Zonder een woord te spreken nam Dalima het haar aangeboden geld aan, knoopte het in -een der punten van haren zakdoek, stond toen op, kuste de handen van mevrouw Steenvlak -en verdween. Toen zij buiten was, prevelde zij: -</p> -<p>„Zooveel dagen langer, dat ik Nanna zoeken kan!” -</p> -<p>O, zij had niet veel noodig! Weinige centen voor haar nachtverblijf, twintig of vijfentwintig -centen voor hare voeding, dat was alles. In plaats van dan ook te vertrekken, doolde -zij nog ettelijke dagen in Karang Anjer en omstreken rond. Zij strekte hare omzwervingen -voor haren toestand ver, zeer ver uit en bezocht daarbij vrij afgelegen dèsa’s. Overal -vroeg zij, overal onderzocht zij, overal drong zij door. Zij deed, wat Van Nerekool, -als blanke, als rechterlijk ambtenaar, niet had kunnen doen. Zij nam plaats aan iederen -„warong,”<a class="noteRef" id="xd30e9819src" href="#xd30e9819">8</a> dien zij op haar <span class="pageNum" id="pb2.113">[<a href="#pb2.113">113</a>]</span>pad ontmoette, at hier wat rijst, in een pisangblad<a class="noteRef" id="xd30e9826src" href="#xd30e9826">9</a> gevuld, overheerlijk smakelijk gemaakt, met wat sambal peteh,<a class="noteRef" id="xd30e9830src" href="#xd30e9830">10</a> nuttigde elders wat „nassi ketan,”<a class="noteRef" id="xd30e9837src" href="#xd30e9837">11</a> overdekt met fijn geraspte klappernoot, of wel met siroop van „goela aren.”<a class="noteRef" id="xd30e9842src" href="#xd30e9842">12</a> Op eene andere plaats slurpte zij een kop koffie, of verorberde een paar pisangvruchten, -of een tros „ramboetan”<a class="noteRef" id="xd30e9846src" href="#xd30e9846">13</a> of wel een paar pitten van eene heerlijke „doerian.”<a class="noteRef" id="xd30e9850src" href="#xd30e9850">14</a> Die lekkernijen overschreden evenwel hare middelen niet volgens hare rekening; want -zij betaalde die met slechts weinige centen. Ja, hier en daar bekeek haar de waronghoudster -en antwoordde, wanneer de smulster hare centen te voorschijn bracht: „bewaar die maar -voor je kindje, en neem nog een kop koffie.” -</p> -<p>Maar,… zij zat daar niet aan om te smullen; wel om berichten in te winnen, om te ondervragen. -Maar, helaas, hare pogingen werden aanvankelijk met geen gunstigen uitslag bekroond. -In de eerste dagen vernam zij niets, Hoegenaamd niets! Zij was wanhopig. Gelukkig, -dat dit zoo niet blijven zou. -</p> -<p>Eens, toen zij tot de dèsa Prembanan, op een drietal palen ten Zuidwesten van Karang -Anjer gelegen, doorgedrenteld was, kreeg zij eenig licht. Zij vernam daar, dat op -zekeren dag, meer dan twee maanden geleden, een der „pikolans” (draagbamboe) van een -„tandoe”<a class="noteRef" id="xd30e9857src" href="#xd30e9857">15</a> gebroken was, die noodzakelijk vervangen moest <span class="pageNum" id="pb2.114">[<a href="#pb2.114">114</a>]</span>worden. Het draagtoestel was neergezet moeten worden, en, daar een stevige bamboe -niet heel spoedig gevonden werd, sprong er eene nonna uit, die zich hier neerzette -en een kop koffie vroeg. -</p> -<p>„Eene nonna?” vroeg Dalima gejaagd. „Zijt gij daar wel zeker van?” -</p> -<p>„Ja, zeer zeker; wel was zij geheel en al als een Javaansch meisje gekleed, met een -zeer eenvoudigen gebatikten sarong en een chitsen <span class="corr" id="xd30e9869" title="Bron: kabaia">kabaja</span>,—ook had zij sandalen aan hare voeten. Maar die voetjes gaven genoegzaam te kennen, -dat zij niet veel het zonlicht gezien hadden. Zij waren blank en klein en niet uit -elkander getreden, zooals onze voeten gewoonlijk zijn. Ik geloof, dat de „poetri’s” -(princessen) te Sålå, geen kleinere en geen fraaiere kunnen hebben, hoewel het wel -zijn kan, dat zij een poetri ware.” -</p> -<p>„Wat bedoelt gij?” vroeg Dalima. -</p> -<p>„Wel, zij sprak het Javaansch geheel en al met de å klank<a class="noteRef" id="xd30e9876src" href="#xd30e9876">16</a>, zoodanig dat ik wel eenige moeite had, om haar te verstaan.” -</p> -<p>„Hebt gij met haar gesproken, ma?”<a class="noteRef" id="xd30e9881src" href="#xd30e9881">17</a> -</p> -<p>„Ja, zij heeft zoowat uw tongval.” -</p> -<p>„Maar, wat vroeg zij u, ma?” -</p> -<p>„Zij vroeg mij koffie en daarna ook eenige ramboetans.” -</p> -<p>„Niets anders, ma? Herinner u goed.” -</p> -<p>„Jawel, zij vroeg mij ook: hoe ver de dèsa Sikaja van hier ligt? Ik antwoordde twee -palen.” -</p> -<p>„En verder?” -</p> -<p>„Toen vroeg zij: hoe ver Sikaja van de dèsa Pringtoetoel gelegen is? Daarop kon ik -haar geen antwoord geven, want ik ben buiten de negorij hier niet bekend.” -</p> -<p>„Hebt gij niets <span class="corr" id="xd30e9894" title="Bron: naders">anders</span> gehoord, ma?” -<span class="pageNum" id="pb2.115">[<a href="#pb2.115">115</a>]</span></p> -<p>„Neen.” -</p> -<p>„Maar, ma, hebt gij haar gelaat gezien?” -</p> -<p>„Zeker. Zou ik niet?” -</p> -<p>„En?” -</p> -<p>„Ja, het gelaat eener blanke, alleen wel wat bruin. Haar gelaat en hare handen kwamen -niet met hare voetjes overeen. Ik had zelfs eene opwellende gedachte, alsof dat gelaat -geverfd was. Misschien had de nonna veel in de zon geloopen.” -</p> -<p>„En de haren, ma?” -</p> -<p>„In een „kondeh” (haarwrong) opgebonden.” -</p> -<p>„Maar welke kleur, ma?” -</p> -<p>„Donker als het uwe; maar toch zachter. Zelfs eenigzins gewolkt. O, voorzeker is zij -eene nonna.” -</p> -<p>„Ja, zij is het,” dacht Dalima. En overluid vroeg zij: „En weet gij niets meer, ma?” -</p> -<p>„Niets,” antwoordde de waronghoudster. -</p> -<p>Baboe Dalima bedacht zich niet lang. Een kwartier later was zij op weg naar Sikaja. -</p> -<p>Of zij daar even gelukkig in hare nasporingen was?.… Daags daarna verscheen zij weer -te Karang Anjer; maar thans om haar pakje te halen. Toen verdween zij, en werd niemand -meer iets van haar gewaar. Mevrouw Steenvlak liet nog een paar oppassers naar haar -informeeren. Maar die kwamen te huis met de boodschap, dat het meisje vertrokken was. -Waarheen? Dat hadden zij niet kunnen vernemen. -</p> -<p>„Zij zal naar Santjoemeh teruggekeerd zijn,” dacht mevrouw Steenvlak. „Heb ik goed -gedaan, met ook tegenover Dalima mijn woord te houden? De tijd zal het uitwijzen.… -Anna scheen toch zeer gehecht aan hare baboe en deze zou ongetwijfeld eene goede vriendin -voor haar in hare eenzaamheid geweest zijn.” -<span class="pageNum" id="pb2.116">[<a href="#pb2.116">116</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="n2.103.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.103.1src">1</a></span> <i lang="ms">Ratoe Lårå Kidoel</i> is een bovennatuurlijk wezen van het vrouwelijk geslacht. De naam zou kunnen vertaald -worden door: Koningin-Maagd van het Zuiden. <a class="fnarrow" href="#n2.103.1src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9674"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9674src">2</a></span> Mer-api beteekent letterlijk vertaald: vuurberg. Met dien naam worden door de bevolking -veelal nog werkende vulkanen aangeduid. <a class="fnarrow" href="#xd30e9674src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9692"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9692src">3</a></span> <i>Waaraan de natuur geene bizondere hinderpalen in den weg gelegd heeft.</i> De schrijver heeft te Meester Cornelis bijgewoond, dat de jonge Javaansche vrouw -van een Inlandsch militair, nog geen half uur na hare verlossing, zich met haar kind -c. ann. naar de rivier begaf, daar zich zelve en haar kind reinigde, de ann. in een -pot deed, die door haren echtgenoot dadelijk begraven werd, waarna zij naar de kazerne -terugkeerde, een paar uren rust genoot met haar kind aan de borst, en toen hare gewone -werkzaamheden hervatte, alsof er niets gebeurd was, terwijl een oude vrouw met de -jonggeborene solde. Ik wil dat voorbeeld nu niet als eene type geven, alsof alle Javaansche -kraamvrouwen zoo zouden handelen. Toch kan betuigd worden, dat de bevalling der Inlandsche -vrouwen in Indië lang zoo lastig niet is als van hare Europeesche geslachtsgenooten. <a class="fnarrow" href="#xd30e9692src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9700"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9700src">4</a></span> <i lang="ms">Obat mentellang.</i> Obat beteekent medicijn. Mentellang is de Inl. naam van eene windende halfheester, -door den geleerden Clitorea Ternatea genaamd en onder de Papilionaceeën gerangschikt. -Aan den wortel worden zekere eigenschappen toegeschreven, die hier niet nader behoeven -aangeduid te worden, daar die uit den tekst genoegzaam duidelijk zullen zijn. <a class="fnarrow" href="#xd30e9700src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9713"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9713src">5</a></span> Van de lange smalle bladeren van den kokosboom wordt een vlechtwerk gemaakt, dat den -vorm heeft van een vierkant zakje. Dat zakje wordt gedeeltelijk met rijst gevuld en -dan gekookt. Door de koking zet de rijst uit, en vult het zakje geheel, dat nu den -vorm van een kussentje verkregen heeft. Zoo’n zakje met gekookte rijst wordt katoepat -genaamd, en is voor reizigers door eenzame streken schier onontbeerlijk, daar die -rijst, wanneer de katoepat goed gekookt is, eene deegachtige massa oplevert, die niet -gauw verzuurt of tot bederf overgaat en met wat lombok en zout genuttigd, zeer smakelijk -is. <a class="fnarrow" href="#xd30e9713src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9729"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9729src">6</a></span> Dat, wanneer een pauw gezien of gehoord wordt, een tijger steeds nabij is, heeft de -schrijver meermalen door Javanen en ook door Eur. liefhebbers van de jacht hooren -verzekeren. Junghuhn vermeldt die bizonderheid ook, en meent de oorzaak van dat samenzijn -daarin te vinden, dat de pauw op de uitwerpselen van den tijger zou azen. <a class="fnarrow" href="#xd30e9729src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9760"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9760src">7</a></span> <i lang="ms">Kawat</i> beteekent eigenlijk metaaldraad, waarvan kabar kawat = telegram, pal kawat = telegraafpaal, -bitjara kawat = telegrapheeren. De telegraafpalen, die in Java’s binnenlanden gewoonlijk -uit kapokboomen (Eriodendron anfractuosum) bestaan, zijn op ongeveer 50 passen van -elkaar geplant, zoodat de afstand, hier aan Dalima opgegeven, op ± 1750 M. of 1⅙ paal -geschat kan worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e9760src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9819"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9819src">8</a></span> Warong is een kraampje, waarin etenswaren, vooral rijst en vruchten, verkocht worden. -Zulke kraampjes worden in Java’s binnenlanden langs druk begane wegen veelvuldig aangetroffen. -De koffie, welke daar geschonken wordt, is in den regel overheerlijk. Het ligt in -den aard der zaak, dat die warongs, waar <span class="pageNum" id="pb2.113n">[<a href="#pb2.113n">113</a>]</span>de voorbijgangers zich laven en te goed doen, de uitverkoren plaatsen zijn, waar de -nieuwtjes gewisseld worden; terwijl daarenboven de waronghoudster, wie niets ontgaat, -al de menschen uit de geheele buurt kent. <a class="fnarrow" href="#xd30e9819src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9826"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9826src">9</a></span> <i>Pisangblad.</i> De pisang = musa paradisiaca, draagt lange en vrij breede bladeren, die door den -Inlander tot velerlei doeleinden, maar vooral bij zijne maaltijden bij wijze van bord -gebezigd worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e9826src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9830"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9830src">10</a></span> <i>Sambal peteh.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n283.6">No. 6</a> op bladz. 283 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e9830src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9837"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9837src">11</a></span> <i>Nassi ketan.</i> Is een kleverige soort rijst door de geleerde Oryza glutinosa geheeten. Is met de -in den tekst aangeduide toespijs eene zeer gewilde lekkernij. <a class="fnarrow" href="#xd30e9837src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9842"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9842src">12</a></span> <i>Goela aren</i> beteekent palmsuiker. Is een product van de Arenga saccharifera. <a class="fnarrow" href="#xd30e9842src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9846"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9846src">13</a></span> <i>Ramboetan</i> is de Nepheleum Lappaceum. Eene zeer smakelijke vrucht. <a class="fnarrow" href="#xd30e9846src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9850"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9850src">14</a></span> <i>Doerian</i> is de Durio zebethinus. Insgelijks eene lekkere vrucht maar met sterken geur. <a class="fnarrow" href="#xd30e9850src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9857"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9857src">15</a></span> <i lang="ms">Tandoe</i> is een draagtoestel van velerlei vorm. Soms van een <span class="pageNum" id="pb2.114n">[<a href="#pb2.114n">114</a>]</span>licht bamboeshuisje waarin twee personen zitten kunnen, meestal is het evenwel slechts -een zak als eene hangmat. Bij de eenvoudigste zijn twee dragers benoodigd; bij zwaardere -evenwel meer. <a class="fnarrow" href="#xd30e9857src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9876"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9876src">16</a></span> De å klank heerscht op geheel midden- en Oost-Java in alle open lettergrepen, die -niet door andere met een gewijzigden klank of met een sluitmedeklinker gevolgd worden. -Bewesten de lijn die bij de Javazee dicht bij de hoofdplaats Pekalongan begint en -niet ver van Bagelen’s hoofdplaats Poerworedjo bij de Indische zee eindigt, gaat die -å klank in de heldervolle a over. <a class="fnarrow" href="#xd30e9876src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e9881"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9881src">17</a></span> <i>Ma</i> is eene hartelijke uitdrukking, welke jonge meisjes tegenover niet oude getrouwde -vrouwen bezigen. <a class="fnarrow" href="#xd30e9881src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch31" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e901">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXI.</h2> -<h2 class="main">Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op een vriendelijken Augustus-Zondag-namiddag was het levendig op het aloon-aloon-plein -van Santjoemeh. Daar liet zich toch het korpsmuziek van het aldaar in garnizoen zijnde -bataillon infanterie hooren. Vele rijtuigen en ontelbare wandelaars bewogen zich op -dat plein, dat door zijn verschroeid aanzien wel verried, dat het in langen, zeer -langen tijd niet door den regen gedrenkt was. Het fijne gras, hetwelk in den westmoesson -aan dat plein een zoo frisch uiterlijk verleent, was toch verdroogd, en tot donkerbruin -verbrand; terwijl de roode kleiaarde hier en daar kloven en reten vertoonde, gespleten -als zij was onder den invloed van de brandende zonnestralen. Maar op dat uur van den -dag was de dagvorstin reeds ver gevorderd in haren dalenden tak, en glinsterde nog -slechts achter de kruinen der <span class="corr" id="xd30e9922" title="Bron: Kanarieboomen">Kanarie-boomen</span>, die met haar donkergroen de aloon-aloon als in eene lijst omgaven, en hare slagschaduwen -over het geheele plein wierpen. De noordoostmoesson heerschte langs Java’s noordkust, -ritselde in het gebladerte, bracht overal, tot ver in de binnenlanden frischheid aan, -en temperde de warmte, in de middaguren opgedaan. -</p> -<p>Geheel Santjoemeh was dan ook op de been, en wemelden zoowel Inlanders als Europeanen, -zoowel Chineezen als Arabieren door elkander. Het was, alsof een ieder zijn deel van -de vrij goede muziek, zijn deel van de frissche lucht wilde hebben. -</p> -<p>Geheel Santjoemeh? Toch niet. Voor hen, die met <span class="pageNum" id="pb2.117">[<a href="#pb2.117">117</a>]</span>de Europeesche ingezetenen bekend waren,—en die kennis behoefde zoo groot niet te -zijn in de bedoelde van Java’s strandplaatsen,—bestond in die menigte eene leemte. -Wel was de resident Van Gulpendam met zijne gade, de schoone Laurentia, in een fraaien -landauer met een paar prachtige Sydneyers bespannen, op de aloon-aloon verschenen, -en knikten allerwegen met de meeste beminnelijkheid de groetenden toe; wel wemelden -daar ambtenaren van de rechterlijke macht, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur, -ambtenaren van den fiscus, met de hoofd- en subalterne-officieren van het garnizoen, -met de kommiezen, met de schrijvers van de verschillende bureaux, met de koryphaeën -van den handelsstand, van het nijverheids-wezen door elkander; en waren allen vergezeld -van hunne echtgenooten, van hunne dochters; maar allen misten een viertal, dat bij -dergelijke gelegenheden nooit ontbrak, een viertal, dat door jeugd en vroolijke geaardheid -als het ware een cachet van opgewektheid aan dergelijke bijeenkomsten in de open lucht -bijzette, en dan ook de fraaiste oogen tot zich trok en de innemendste glimlachjes -oogstte. -</p> -<p>„Waar zou Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn toch zitten?” -</p> -<p>„Waar Leendert Grashuis?” -</p> -<p>„Waar August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden?” -</p> -<p>Zoo waren de uitroepen, die zich onder de wandelaars allerwegen kruisten. -</p> -<p>„En Grenits? Theodoor, de vroolijke Theodoor? Waar die zit?” -</p> -<p>„O, die zit in de nor.” -</p> -<p>„In de nor?… Dat ’s waar ook! Voor tien dagen nietwaar? Maar,… dan is het duidelijk, -waar de anderen zitten!” -</p> -<p>„Die houden hem gezelschap.” -</p> -<p>„Dat ’s buiten kijf.” -</p> -<p>„Het is een troepje trouwe vrienden.” -</p> -<p>„Dat is zoo. Het is hartverheffend hen bij elkander te zien … Maar … daar wandelt -Mokesuep!” -</p> -<p>„Kijk eens, hoe diep hij voor den resident buigt! En met wat zwaai hij zijn cilinder -afneemt! Het bovenvlak raakt haast den grond.” -</p> -<p>„En wat innemenden glimlach de schoone Laurentia hem toezendt!” -<span class="pageNum" id="pb2.118">[<a href="#pb2.118">118</a>]</span></p> -<p>„Dat mag ook wel. In die zaak met Lim Ho …” -</p> -<p>„Shut!.… geen cancans!” -</p> -<p>„Zijn dat cancans, wat geheel <span class="corr" id="xd30e9958" title="Bron: Santjoemêh">Santjoemeh</span> weet?” -</p> -<p>„Muizenkop zal Theodoor geen gezelschap gaan houden, meent ge?” -</p> -<p>„Hij moest zich daar vertoonen, ik geloof dat hij van een onaangename kermis zou te -huis komen!” -</p> -<p>„Ten volle zou hij zijn verdienste bekomen, die ellendeling!” -</p> -<p>„Kijk eens, daar wisselt hij een handdruk met den assistent-resident!” -</p> -<p>„O, die is nog baar hier. Als die hem zal kennen …” -</p> -<p>„Dan zal hij doen evenals de resident … en … -</p> -<p>„Zulke luidjes zijn niet zonder waarde.….” -</p> -<p>„Shut heeren! Laat ons een oogenblik luisteren: <i lang="fr">Le lever du soleil</i>…” -</p> -<p>„Van wien?.… Het is wat moois! Kijk, de zon gaat juist onder!” -</p> -<p>„Stil nu, luistert!” -</p> -<p>Het was de laatste aria, die ten gehoore werd gebracht. Toen met eene algemeene fuga -het verschijnen der dagvorstin boven den horizon gevierd was, en de muziektonen in -een plechtig koraal wegsmolten, dook de werkelijke zon achter de westelijke heuvelen -van Santjoemeh weg. -</p> -<p>„Net twaalf uur in de war!” riep er een. „Of de zon of de kapelmeester heeft te diep -in het glaasje gekeken!” -</p> -<p>Eenige minuten later was de aloon-aloon van Santjoemeh verlaten. -</p> -<p>Maar de bezoekers van de Zondag-namiddag-muziek hadden gelijk gehad. Van Nerekool, -Van Rheijn en Van Beneden,—of de drie Vans, zooals de geestigen van Santjoemeh de -drie jongelieden noemden—waren Grenits gezelschap gaan houden in de gevangenis, waarin -hij sedert eenige dagen opgesloten zat. Zij waren reeds vroeg derwaarts gegaan, dadelijk -nadat zij na het middagdutje gebaad hadden; zoodat de zon toen nog erg hoog stond, -en geen wandelaars zich op het pad vertoonden. Als trouwe vrienden hadden zij die -wandeluren, de kostelijkste van eene geheele week, wel voor den armen gevangene over, -eene opoffering, die hare belooning in zich zelve vond. -<span class="pageNum" id="pb2.119">[<a href="#pb2.119">119</a>]</span></p> -<p>Het vertrek, waarin de vier jongelieden bij elkander waren, had volstrekt geen naargeestig -voorkomen, en was wel het minst geschikt, om aan een gevangenis te doen denken. Het -was eene niet al te groote kamer, volmaakt vierkant, van zes op zes meters, met Escauzijnsche -steenen bevloerd en voorzien van twee vensters, die met jaloezie-ramen konden gesloten -worden, en ter weerszijden van de deur geplaatst waren. Voor die kamer strekte zich -eene vrij breede galerij uit, welker architraaf door zuilen gedragen werd, die—wat -weelde niet waar?—wel eenigszins het streven van Dorische bouworde verrieden, evenwel -van hoogst eenvoudige kapiteelen voorzien, en overigens zonder cannelures waren. Die -galerij was gemeenschappelijk aan een viertal dito vertrekken, die een zelfde doeleinde -hadden, als waarvoor Grenits hier was, namelijk: om hunne bewoners van de vrijheid -te berooven. De galerij paalde aan een pleintje, dat met frissche grasperken en fraaie -sierplanten prijkte, welke laatste eene groote verscheidenheid van veelkleurige bloemen -ter bewondering aanboden. Dat pleintje werd gevormd door de verschillende gebouwen, -die de eigenlijke gevangenis uitmaakten, en haaks ten opzichte van elkander opgetrokken -waren; zoodat zij een ruim vierkant omgaven. Een der zijden van dat vierkant werd -ingenomen door de woning van den cipier, welke met eene dubbele <span class="corr" id="xd30e9985" title="Bron: zuilenrei">zuilenrij</span> prijkte, en welks voorgalerij opgevroolijkt werd door eene fraaie collectie rozen, -die de meest uiteenloopende variëteiten van de koningin der bloemen te zien gaf, van -de dikke, dubbelde Persische roos af tot de Devonshire en Malmaison, ja tot de theeroos -en de altijd groene roos toe. -</p> -<p>Het vertrek zelf van onzen gevangene was niet onaardig gemeubeld. Eene nette tafel, -eene gemakkelijke bank, een zestal stoelen,—allen Japara-meubelen<a class="noteRef" id="xd30e9990src" href="#xd30e9990">1</a>—een smaakvolle spiegel, een viertal snoeperige medaillon-portretten aan den wand, -eene fraaie hanglamp aan het plafond, terwijl de vloer met eene sierlijke mat van -fijn <span class="pageNum" id="pb2.120">[<a href="#pb2.120">120</a>]</span>gespleten rottan bedekt was. Wat evenwel het fraaiste stuk in het vertrek moest genoemd -worden, was de piano, die Van Beneden naar de cipieran had laten brengen. De slaapkamer, -die vlak naast het beschreven vertrek lag, en door middel <span class="corr" id="xd30e9996" title="Bron: vau">van</span> een binnendeur daarmede in verbinding stond, was even smaakvol gemeubeld, zoodat -Theodoor Grenits zijne gevangenschap dan ook niets bar vond, en volstrekt geen aanleiding -vond, om <i lang="fr">„Mes Prisons”</i><a class="noteRef" id="xd30e10001src" href="#xd30e10001">2</a> of iets dergelijks te schrijven. -</p> -<p>„Het ziet er hier bepaald prettig uit,” merkte Grashuis op. „Het is de eerste maal, -dat ik eene gevangenis betreed, en kon derhalve niet <span class="corr" id="xd30e10006" title="Bron: gisssn">gissen</span>, dat het gouvernement zoo voor de booswichten zorgde, die het achter het slot houdt.” -</p> -<p>„Het mocht wat!” grinnikte Van Rheijn. -</p> -<p>„Gij moest maar eens hier aan den overzij gaan,” zei Van Beneden.<span id="xd30e10012"></span> -</p> -<p>„Waar hier aan de overzij?” -</p> -<p>„Daar, in dien vleugel. Daar is de gevangenis der Inlanders. Daar zoudt gij wel anders -spreken.” -</p> -<p>„Willen wij gaan kijken?” vroeg Leendert, die al opgesprongen was. -</p> -<p>„Dank je wel, laat het je genoeg wezen, dat ge daar door de ongure geuren gauw verjaagd -zoudt worden. Die menschen liggen daar opeengehoopt, in een ellendige ruimte, veel -te klein voor zooveel gevangenen. Het eenige meubilair, dat gij daar zoudt zien, is -niets anders dan eene baleh-baleh, die in onzindelijkheid zoodanig met den vloer wedijvert, -dat van beiden de oorspronkelijke kleur niet meer te erkennen is. Terwijl ’t—het meubilair -wel te verstaan—des nachts nog vermeerderd wordt met ettelijke vertegenwoordigers -van het tonnenstelsel, die het hunne ertoe bijdragen om de lucht te verpesten. Voegt -daar nu bij, dat slechts zeer spaarzaam licht en lucht door een paar ronde en zwaar -getraliede luiken aan de gevangenen bedeeld wordt, zoodat het er uiterst bedompt en -tamelijk schemerachtig is, dat de wanden, die witgekalkt heeten, overdekt zijn met -bloedvlekken, die er streepsgewijs opgesmeerd en afkomstig zijn van muskieten en ander -nog meer onrein gedierte, die door de menschelijke bewoners <span class="pageNum" id="pb2.121">[<a href="#pb2.121">121</a>]</span>tegen den muur platgedrukt werden, met sirihspuw<a class="noteRef" id="xd30e10021src" href="#xd30e10021">3</a> en met andere nog meer walgelijke viezigheden, dan zult gij mij dankbaar zijn, nietwaar? -dat ik u zoo’n bezoek afraad.” -</p> -<p>„August heeft gelijk,” sprak Grenits. „Gisteren waagde ik zoo’n bezoek, en walg er -nog van. Maar, laat ons van iets anders praten. Eduard, uw jongen heeft straks een -pakje gebracht.” -</p> -<p>„Zoo, dat is hem geraden. Waar ligt het? -</p> -<p>„Daar, op de piano.” -</p> -<p>„Vrienden<span class="corr" id="xd30e10031" title="Bron: .">,</span>” sprak Van Rheijn, terwijl hij het bedoelde pakje opende. „Hier hebt gij een fonkelnieuwe -bedoedan. <span id="xd30e10034"></span>Ziet een smetteloos pijpenkopje op een ongebruikten bamboesteel. En hier heb ik een -partijtje prachtige tjandoe, prima kwaliteit, zou Grenits zeggen.” -</p> -<p>„Het is waar ook,” zei Van Beneden, „onze schuifpartij nietwaar? Hoeveel tjandoe hebt -ge?” -</p> -<p>„In dit doosje bevinden zich vijf en twintig mata’s.” -</p> -<p>„Dat is in Nederlandsch gewicht?” -</p> -<p>„Drommels, laat zien.… Dat zal zoo wat ongeveer een centigram zijn.”<a class="noteRef" id="xd30e10041src" href="#xd30e10041">4</a> -</p> -<p>„Is dat wel genoeg?” vroeg Grashuis. -</p> -<p>„Te veel, Leendert.” -</p> -<p>„Maar Von <span class="corr" id="xd30e10048" title="Bron: Micclucho">Miclucho</span> <span class="corr" id="xd30e10051" title="Bron: Macclay">Maclay</span><a class="noteRef" id="xd30e10053src" href="#xd30e10053">5</a> gebruikte honderd en zeven greinen bij zijn merkwaardige proef.” -</p> -<p>„Jawel, maar reken maar na, zooals ik het gedaan heb. Honderd en zeven greinen zijn -nog maar achttien mata’s en eene breuk.” -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Nu, dan zouden wij kunnen beginnen.” -</p> -<p>„Ho, ho! niet zoo haastig gebakerd,” <span class="corr" id="xd30e10066" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> Van Rheijn. -</p> -<p>„Waarom nog langer te wachten? Wij bevinden ons <span class="pageNum" id="pb2.122">[<a href="#pb2.122">122</a>]</span>zoo gezellig bij elkander, dat de schuifpartij nu best plaats kan hebben.” -</p> -<p>„Ons doel is niet alleen nietwaar, om te gevoelen en waar te nemen, welke uitwerking -het opiumrooken heeft?…” -</p> -<p>„Mij dunkt,” sprak Grashuis, „dat van niets anders sprake is geweest.” -</p> -<p>„Jawel, dat is zoo; maar in ieders brein zal toch nog wel eene andere gedachte voorgezeten -hebben,” meende Van Nerekool. „Ongaarne toch zou ik deelnemen aan eene proef, alleen -om.… ja, hoe zal ik mij uitdrukken? om het dierlijke van het vraagstuk te ondervinden -of waar te nemen.” -</p> -<p>„Ik ook niet,” sprak Van Beneden. -</p> -<p>„En ik ook niet,” zei Van Rheijn. -</p> -<p>„Toch,” zei Grenits, „zou dat wel de studie waard zijn. Als gij u maar eens herinnert, -wat wij in de kit te Kaligaweh zagen.” -</p> -<p>„Poeah! Poeah!” riepen de anderen. -</p> -<p>„Schei uit! Als onze proef tot zoo iets moet leiden, dan pas ik,” zei Van Nerekool -hoogst ernstig. -</p> -<p>„Daarom, vrienden, wilde ik aan onze proef een ander doel verbinden,” sprak Van Rheijn, -„namelijk: hoogst wetenschappelijke waarnemingen.” -</p> -<p>„Ja, maar.… wie zal die verrichten? Daartoe hoort een geneeskundige,” meende Grashuis. -</p> -<p>„En wij met ons vieren vertegenwoordigen wel de rechterlijke macht, den civiel ambtelijken -dienst, de landmeterskennis, den handelsstand; maar niet de faculteit,” zei Van Beneden. -</p> -<p>„En daaraan heb ik juist gedacht,” zei Van Rheijn. -</p> -<p>„Komaan, biecht op!” -</p> -<p>„Ik heb Murowsky verzocht om van de partij te zijn.” -</p> -<p>„Murowsky, de Pool?” -</p> -<p>„Murowsky, de slangentemmer?” -</p> -<p>„Murowsky, de kapellenvanger?” -</p> -<p>„Ja, heeren, onze officier van gezondheid Murowsky. Maar shut!.. Een weinig eerbied -voor den priester der wetenschap. Vergeet niet, dat hij is de meest merkwaardige entomoloog, -dien Indië ooit bezeten heeft, en dat wil wat zeggen, nietwaar? sedert de Duitsche -vorsten en vorstjes zich om het zeerst beijverd hebben, om hunne huis- en keukenorden -te verleenen voor iedere compleete <span class="pageNum" id="pb2.123">[<a href="#pb2.123">123</a>]</span>of niet-compleete verzameling van opgeprikte of opgezette beestjes, of voor een bokaal -walgelijke insecten, die den folterdood in arak gestorven zijn. Vergeet ook niet, -dat hij is een ernstig waarnemer, die onze séance een waas van geleerdheid zal verleenen, -waardoor ze tot de merkwaardigste van de geleerde wereld gestempeld zal worden. Onze -Pool was verrukt, toen hij ons voornemen vernam; hij was boven de wolken, toen ik -hem verzocht de proefneming bij te wonen, ja, te leiden. Hij zou zijne maximum en -minimum thermometers <span class="corr" id="xd30e10095" title="Bron: mêebrengen">meêbrengen</span>, ook zijn stethoskoop. Hij zou de dichtheid en de vochtigheidsgraad van den dampkring -waarnemen, en … wat niet al meer. Gij zult eens zien, welken dosis geleerdheid hij -zal uitkramen!” -</p> -<p>„Maar, intusschen is hij nog niet hier,” merkte Grashuis op. -</p> -<p>„Misschien nog op de kapellenjacht,” meende Van Beneden. -</p> -<p>„Vergeef mij, hij is een groot muziekliefhebber,” antwoordde Van Rheijn. „En voor -niets ter wereld zou hij de uitvoering op de aloon-aloon willen missen. Daarenboven -hij is „<span lang="ms">sakit rindoe</span>” (verliefd) op Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen, en die zal wel in het familie-rijtuig op het plein zijn.” -</p> -<p>„Zoo, zoo!” zei Grenits. „Dat’s een aardig kapelletje! En.… duiten ook!” -</p> -<p>„Ja, de Polen zijn niet dom.” -</p> -<p>„Maar, wanneer komt hij nu?” -</p> -<p>„Hij heeft mij beloofd, dadelijk na de muziekuitvoering hier te zijn. En een zijner -deugden is: dat hij stipt woord houdt.” -</p> -<p>„Intusschen zouden wij wat muziek kunnen maken,” was het voorstel van August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden. -</p> -<p>„Karel is al aan den gang,” wenkte Grenits, terwijl hij op den genoemde wees. -</p> -<p>En, inderdaad, Van Nerekool, die zich slechts weinig in het gesprek gemengd had, was -opgestaan en de pianino genaderd. Eerst had hij gedachteloos eenige accoorden aangeslagen, -eenige motieven gepreludeerd; maar eindelijk als onder den invloed van zijne gedachten -aan Anna, die hem maar niet ontvloden, weerklonk <i lang="fr">l’Absence</i> van Tal, en vulde het vertrek met hare weemoedige melodie en aangrijpende trillers. -</p> -<p>„Neen,” zeide Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, „geen muziek! Gij <span class="pageNum" id="pb2.124">[<a href="#pb2.124">124</a>]</span>ziet er de uitwerking van. Waarachtig, hij zit daar met tranen in de oogen! En, zoo -iets is ongezond in een klimaat als dit, en in eene gevangenis als deze.” -</p> -<p>Toen dan ook het laatste accoord aangeslagen was, en wegstierf, en Van Nerekool de -handen mismoedig op de toetsen liet rusten, terwijl hij het hoofd diep voorover boog, -riep hem Eduard: -</p> -<p>„Zeg eens, Karel, nu geen muziek! Kom bij ons zitten, en in afwachting, dat <span class="corr" id="xd30e10135" title="Bron: Murowskij">Murowsky</span> komt, heb ik hier een brief, dien ik van Verstork ontvangen heb.” -</p> -<p>„Van Willem?” vroeg Van Nerekool, niet zonder belangstelling; terwijl hij opstond -en weer in den kring plaats nam. „Ik heb nog geen antwoord op mijn schrijven.” -</p> -<p>„Ik ook niet,” zei Van Beneden. -</p> -<p>„En ik ook niet,” zei Grenits. -</p> -<p>„Geen uwer heeft nog antwoord gekregen,” hernam Eduard. „Hij heeft het veel te druk -daar te Kota Radja. En dat laat zich wel begrijpen; hij is thans de eenige civiele -ambtenaar in die militaire wereld.” -</p> -<p>„Die zeer klein geworden is, nu het concentratiestelsel tot stand gebracht werd,” -merkte Grashuis op. -</p> -<p>„Dat gij wel het isoleerstelsel kunt noemen, Leendert,” zei Grenits. „Het zal niet -lang meer duren, of onze krijgsmacht zal daar zitten als Robinson Crusoë op zijn eiland, -met geen andere aanrakingspunten dan die der kogels met de omringende ingezetenen.” -</p> -<p>„Kom, Theodoor, geen politiek!” -</p> -<p>„Vooral geen Atjeh-politiek,” grinnikte Grenits. „Ja; ik weet het, daar hebben wij -Nederlanders nog grooter afkeer van dan de katten van het water. En toch geldt het -daar het innigst belang van vaderland en kolonie, die.…” -</p> -<p>„Schei uit! Schei uit!” -</p> -<p>„Uw wil geschiede, vrienden!” zei Grenits lachende. „Ik mag mijne gasten, die mij, -armen gevangene, liefderijk den tijd komen korten, geene conversatie opdringen, die -hun onaangenaam is. Maar, ik begrijp niet, wat Willem daar te Kota Radja te besturen -heeft. De Inlandsche bevolking, die ons trouw gebleven is, en onze soldaten verraderlijk -overvalt.…” -</p> -<p>„Alweer?<span class="corr" id="xd30e10151" title="Bron: ..">…</span> Schei uit, Theodoor!” -</p> -<p>„Hij zal toch niet voor de menage der troepen,” ging <span class="pageNum" id="pb2.125">[<a href="#pb2.125">125</a>]</span>Grenits voort, „en voor de gamelle der marine te zorgen hebben?” -</p> -<p>„Och, wat begrijpt een koopman van zoo iets?” antwoordde Van Rheijn ietwat spijtig. -„Het is net, alsof ik over den handel in madapollams wilde medespreken.” -</p> -<p>„Dat’s waar ook,” viel Grenits lachende in. „Ik beken schuld. Schoenmaker, houd je -bij je leest! Maar, nu Willem’s brief? Wat schrijft hij?” -</p> -<p>„Hier is hij,” zei Van Rheijn. „Vooraf dien ik ulieden evenwel te zeggen, dat ik hem -een overzicht gegeven heb van de veranderingen, die in zijn vroegere contrôle-afdeeling -Banjoe Pahit voorgevallen zijn, en welke invloed de <span class="corr" id="xd30e10162" title="Bron: mêegaandheid">meêgaandheid</span> van den tegenwoordigen controleur op den toestand der bevolking aldaar heeft. Hij -antwoordt daarop, en gij kunt wel begrijpen, dat zijne ontboezemingen deswege niet -rooskleurig zijn. Luistert maar: -</p> -<p>„Hetgeen gij mij medegedeeld hebt, waarde Eduard, omtrent de verhoudingen te Banjoe -Pahit, heeft mij diep neerslachtig gemaakt. De akkerbouw verwaarloosd, contractbreuken -aan de orde van den dag, de opiumhartstocht oppermachtig zijn scepter zwaaiende! Och! -och! Is dat alles aan mijn opvolger te wijten? Of moet niet de toestand geheel en -al voor mijne rekening gebracht worden? Zulke veranderingen geschieden toch niet in -eens! Neen, en doen zich de waarnemingen binnen een kort bestek zoo verschillend voor, -als gij die beschrijft, dan zijn er toch voorafgaande gebeurtenissen noodig geweest, -om tot zulke veranderingen aanleiding te geven. Welnu, ik gevoel wroeging, dat ik -niet altijd gedaan heb, wat ik had moeten doen, en dat ik niet meer gedaan heb, dan -ik deed, om het opiumgebruik in die ongelukkige afdeeling tegen te gaan. Wel is waar, -is het mij niet te wijten, dat de bestaande opiumkit, te Kaligaweh gevestigd werd. -Zij bestond reeds, toen ik te Banjoe Pahit geplaatst werd. Maar het kwaad had toen -de afmetingen nog niet, die het later aangenomen heeft. Toen nog waren zeer veel dèsalieden -in de afdeeling, die geen opium rookten. Ik kon toen aantoonen, dat die kit geen reden -van bestaan had, dat zij in geene bestaande behoefte voorzag. Ik heb dat destijds -gedaan; maar zwak, vreesachtig als ik was, verzuimde ik om aan te toonen, dat diezelfde -kit tot verleiding diende, dat zij de bevolking tot volslagen armoede <span class="pageNum" id="pb2.126">[<a href="#pb2.126">126</a>]</span>en ellende moest voeren. Zie, dat is mijne schuld! En nu moge ik mij als verzachtende -omstandigheden voorprevelen kunnen; dat ik gehouden was als ambtenaar de rijks-inkomsten -te vermeerderen; dat, door het opiumverbruik niet in den weg te staan, ik <span class="corr" id="xd30e10169" title="Bron: mêehielp">meêhielp</span> het nadeelige saldo voor de Nederlandsche schatkist te bestrijden; dat ik vooral -niet van wege den resident Van Gulpendam, en ook niet van wege de regeering hulp te -verwachten had, wanneer ik aan de verwoestingen van het opiumgebruik zou pogen paal -en perk te stellen; dat ik integendeel als glas zou verbrijzeld geworden zijn, wanneer -ik den vinger naar dien kurk van het nationale financie-wezen zoude uitgestoken hebben; -dat mijne dierbare familiebetrekkingen, wier heden en wier toekomst van het geregeld -vloeien van mijn traktement afhankelijk zijn, tot de diepste ellende verwezen zouden -zijn, wanneer mijne ambtenaarsloopbaan gesloten zoude zijn; dat alles baat mij niets, -geeft mijn geweten geene bevrediging. Want, onverbiddelijk als een streng geweten -kan zijn, doet dat mij de aanklacht hooren: dat ik aan mijnen eersten plicht als ambtenaar -te kort deed, door niet met klem voor de bevolking op te komen, die ik toch bij eede -bescherming toegezegd had. Helaas? gedane zaken hebben geen keer.… -</p> -<p>„Als het geoorloofd ware, zich over den dood van een mensch te verheugen, dan zou -ik zulks kunnen doen, ten opzichte van Singomengolo, den afschuwelijken bandoelan, -die zooveel ongelukken veroorzaakt heeft. Maar.… waartoe zich verheugen?… Voor hem -zal weer een ander gevonden worden, die de afzichtelijke rol van opiumspion op zich -zal nemen. De pachters zijn rijk genoeg, om zulke nietswaardigen, als het zijn moet, -te scheppen, en het Gouvernement?… het Gouvernement??… nu ja,… dat steekt de op gruwelijke -wijze verkregen penningen met een glimlach in den zak, terwijl het Nederlandsche volk -applaudisseert.” -</p> -<p>„Wordt het nog geen tijd om „schei uit!” te roepen?” vroeg Grenits sarcastisch. -</p> -<p>„Zoo straks beschuldigde ik mij, mijnen plicht als ambtenaar niet gedaan te hebben,” -vervolgde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn onverstoorbaar zijne lezing. „Ik zal wel niet behoeven te zeggen, dat ik het -stellige voornemen gemaakt heb, in de toekomst anders te handelen; dat ik <span class="pageNum" id="pb2.127">[<a href="#pb2.127">127</a>]</span>mij tot plicht gesteld heb, voortaan de bevolking tegen den opiumgruwel zooveel mogelijk -te beschermen. Maar … maar, die gelofte is gauwer gedaan geworden, dan wel volvoerd. -Want, wie heb ik hier te Atjeh te beschermen? Eene bevolking? O, Heer, alles wat hier -rondom mij krioelt, lijkt overal op, daarop evenwel niet. Gaat in uwe gedachten na, -wat hier is geschied. Na de landing van generaal Van Swieten in 1873 is de bevolking -stelselmatig achteruitgetrokken, naarmate onze troepen vooruitdrongen. Toen die opperofficier -naar Nederland terugkeerde, hadden wij eene plek grond in bezit, die door de ingezetenen -volkomen verlaten was, en waarop geen enkele hunner voorkwam, tenzij men de strook -tusschen de Atjeh-rivier en de zee, het zoogenaamde gebied van Marassa uitzonderen -wil, waarop hoogstens twee duizend zielen woonden, die zich evenwel volstrekt niet -verslaafd aan het opiumgebruik vertoonden. Later onder het beheer van kolonel Pel -verbeterde de toestand niet, het tegendeel was waar. Verbitterder dan ooit streed -de bevolking tegen de gehate indringers; en hoewel de opperbevelhebber het benarde -Kota Radja, dat hem toevertrouwd was, poogde lucht te verschaffen, en daarin ook meesterlijk -slaagde, zoo werd zijne positie nog meer geïsoleerd, als het mogelijk was, en hadden -geene andere aanrakingen met de bevolking plaats dan met de wapens in de hand, en -dat niet om elkander eerbewijzingen toe te brengen; maar wel om elkander op het allervinnigst -te bestoken.… Gij weet het, althans de geschiedenis heeft het u kunnen leeren, het -eerste, wat onder de plooien van de Nederlandsche vlag hier in Indië verrijst, is -niet een bedehuis, niet eene school, maar eene opiumkit. Dat zijn de eerste zegeningen -van de beschaving. Zoo ook hier. Van de overwonnelingen was nog niemand aanwezig om -opium te rooken, toch moest er een pachter zijn!… Waarom?… Zie Eduard, wanneer ik -mij die vraag ernstig stel, dan valt er geen ander antwoord op te geven, dan dat zulks -geschiedde, om de Nederlandsche natie diets te maken, dat de periode van gelduitgeven -voor Atjeh haast gesloten zou zijn, en dat die van geldverdienen ging aanbreken. Gij -zult u nog herinneren, hoe de dagbladpers in Nederland een jubelkreet uitte, toen -in 1875 vernomen werd, dat het recht tot den verkoop <span class="pageNum" id="pb2.128">[<a href="#pb2.128">128</a>]</span>van opium in het klein te Atjeh 192,000 gulden ’s jaars of 16,000 ’s maands opgebracht -had. Zij, die nadachten, schudden bedenkelijk het hoofd, en toch kon in hun brein -niet opkomen, welke schromelijke gevolgen die ongelukkige zoogenaamde bate zou hebben. -</p> -<p>„Het ligt voor de hand, nietwaar? dat geen pachter zou gevonden zijn, wanneer slechts -opium te verkoopen ware geweest aan de trouw gebleven Marassanen. Wanneer toch aangenomen -zou kunnen worden, dat daarvan alle mannen schoven,—hetgeen in de verste verte niet -waar is; onder den kleinen man is het opiumschuiven minder in zwang dan op Java,—dan -zoude dat nog geen driehonderd schuivers uitmaken. Van die is onmogelijk 16,000 gulden -’s maands pacht te betalen, al aten zij opium, al dronken zij opium, in stede van -dat vergift slechts te rooken. Reken, dat de pachter ook nog de van Gouvernementswege -verstrekte opium te betalen heeft, dat hij zijne overige uitgaven het hoofd moet bieden, -dat hij leven moet, en er ook op staat om eenige winst te maken; zoodat veilig mag -aangenomen worden dat, om 16,000 gulden pacht te kunnen betalen minstens voor drie -malen die som aan opium is verkocht moeten worden<a class="noteRef" id="xd30e10185src" href="#xd30e10185">6</a> Maar, wie gebruikte dan de opium, die zoo’n bate aan ’s lands kas bezorgde? -<span class="pageNum" id="pb2.129">[<a href="#pb2.129">129</a>]</span></p> -<p>„Wie? Ik zal het u zeggen, Eduard: -</p> -<p>„In de eerste plaats de Inlandsche soldaten van het leger te velde alhier, over wie -ten gevolge van den oorlogstoestand, en ten gevolge van de hoogst gebrekkige kampementen -en bivouacs, onmogelijk voldoende toezicht te houden was; terwijl van repressieve -en nog minder van preventieve maatregelen sprake kon zijn. De handlangers <span class="pageNum" id="pb2.130">[<a href="#pb2.130">130</a>]</span>van den opiumpachter zwierven door die kampementen en die bivouacs rond, en verwaardigden -zich grootmoedig, niet alleen de soldij, maar, als de gelegenheid er voor bestond, -ook de kleeding van den verlokte tegen het vergift in te ruilen. Zeg, begrijpt gij -nu, waarde vriend, waarom de verliezen aan zieken gedurende den Atjeh-oorlog zoo groot -zijn geweest, zoo groot blijven? Begrijpt gij nu, waarom de Indische hospitalen en -gezondheids-etablissementen zoo overvuld zijn geworden en gebleven? Begrijpt gij nu, -een der redenen, waarom het Indische leger zóó gedemoraliseerd is, dat,—rekent men -de krijgsmacht te Atjeh niet mede, die men, ondanks alle vrede-ficties en alle hansworsterijen -van geconcentreerde stellingen, wel genoodzaakt is op compleet en in staat van tegenweer -te houden,—het dan volgens bevoegde beoordeelaars niet overdreven genoemd mag worden, -de bewering te uiten, dat van dat leger bij ernstige opstanden of bij aanranding onzer -koloniën door een westerschen vijand zeer weinig of niets te verwachten is. -</p> -<p>„Wijdt nu eens eene gedachte aan de som gelds, die ieder soldaat, wanneer hij, afgericht -en gedrild, bij het leger te velde ingedeeld wordt, vertegenwoordigt; eene gedachte -aan de uitgaven, welke zijne verpleging in de ziekeninrichtingen vereischt, en vraagt -u dan af, of het niet van bekrompenheid bij onze bestuurders getuigt, die zulke fictieve -baten te hulp riepen. -</p> -<p>„Ik noemde de Inlandsche soldaten in de eerste plaats als de verbruikers van het vergift, -door het vaderlijke Nederlandsche bestuur langs wettigen weg beschikbaar gesteld. -De Chineesche arbeiders en landbouwers, die men met overgroote kosten te Penang, te -Malakka, te Singapore, te Tandjong Pinang, tot in China toe van Gouvernementswege -aangeworven heeft, om de veroverde maar door de Atjehers verlaten landstreek te bevolken, -leverden een ander contingent, en een groot ook, aan de opiumschuivers, en derhalve -ook aan de vlottende bevolking der hospitalen en aan de blijvende der kerkhoven. Wie -zal het wagen de onkosten naar waarheid te berekenen, benoodigd geweest om de bressen, -door het heulsap in de gelederen dier arbeiders veroorzaakt, te dichten? -</p> -<p>„Eene derde categorie van klanten van den opiumpachter alhier waren en zijn de bedienden -van officieren, van <span class="pageNum" id="pb2.131">[<a href="#pb2.131">131</a>]</span>ambtenaren, van leveranciers. En al veroorzaakt die categorie nu wel geene onkosten -voor vervanging en verpleging aan het rijk, zoo moet van eene andere zijde geconstateerd -worden, dat ten gevolge van de démoralisatie, onder die klasse teweeggebracht, te -Kota Radja, maar vooral te Oleh-leh eene onveiligheid voor have en goed heerscht, -waarvan gij u op Java moeilijk een met de werkelijkheid overeenkomend denkbeeld zoudt -kunnen vormen. -</p> -<p>„Wat op zedelijkheidsgebied te Oleh-leh, die havenplaats van Kota Radja, waar te nemen -is, is mij onmogelijk te beschrijven. Wat er in en om de opiumkit, in en om het plekje, -waar het vergift langs wettigen weg verkregen wordt, gebeurde en nog steeds gebeurt, -is eenvoudig niet weer te geven. Wij zagen afzichtelijke tooneelen in de kit te Kaligaweh, -nietwaar? Welnu, wat hier voorvalt, overtreft hetgeen de meest bedorven verbeelding -zich kan voortooveren. Hier zijn polyphilen volstrekt niet zeldzaam; terwijl de dienst, -waartoe de Macaosche hetaïres, die in hare vreemdsoortige kleeding aan jongens gelijk -zijn, veelal geprest worden, eenvoudig afzichtelijk is te noemen. -</p> -<p>„Gij zult mij wellicht te gemoet voeren, dat, wanneer het vergift niet langs wettigen -weg, het langs clandestienen verkregen ware geworden. Neen! driemaal neen!!! Het vijandelijk -land bevond zich destijds, en bevindt zich thans weer zoo streng mogelijk geblokkeerd<a class="noteRef" id="xd30e10311src" href="#xd30e10311">8</a>. Geen handelsvaartuig kon of kan het noordwestelijke gedeelte van Sumatra’s kust -naderen, zonder doorzocht te zijn. Toen was en nu nog is een betrekkelijk gering toezicht -voldoende om te beletten, dat ook maar een enkele taël<a class="noteRef" id="xd30e10314src" href="#xd30e10314">9</a> clandestiene opium in het door ons bezette gedeelte van het Atjehsche rijk aan wal -gebracht kwam, of komt. Er was toen, en er is ook thans nog slechts zeer weinig moeite -te nemen, om het vergift te weren<a class="noteRef" id="xd30e10318src" href="#xd30e10318">10</a>. Maar neen, <span class="pageNum" id="pb2.132">[<a href="#pb2.132">132</a>]</span>dat vooral wilde men niet, en wil men nog niet. Bij voorbaat moeten reeds maatregelen -genomen worden, om de opiumpacht tot vollen bloei te kunnen brengen, wanneer de bevolking -van het beoorloogd wordende land den nek onder het juk zal gekromd hebben. Ook moest -der Nederlandsche natie zand in de oogen gestrooid worden met een bate, die te Atjeh -werkelijk opgebracht wordt, maar die op zedelijk en op <span class="corr" id="xd30e10337" title="Bron: finantieel">financiëel</span> gebied hoogst nadeelig werkt. Om dat tweeledige doel te bereiken, is men er niet -voor teruggedeinsd, de militaire macht en andere landsdienaren te vergiftigen, te -démoraliseeren, ja aan de grootste verdierlijking prijs te geven! En, dat alles ter -wille van het uitzicht op de rijke baten, die het opiummonopolie ook in dien hoek -van den Archipel aan ’s lands kas zal afwerpen, wanneer Atjeh eenmaal de zegeningen -van het Nederlandsche bestuur zal aanvaarden, en langs wettigen weg vergiftigd zal -worden. -</p> -<p>„Dat het mij onder die omstandigheden moeielijk, ja ondoenlijk zal worden om mijnen -plicht als mensch te kunnen uitvoeren, zal ik wel niet behoeven uiteen te zetten. -Die plicht kan toch met dien van ambtenaar onmogelijk overeen gebracht worden.…” -<span class="pageNum" id="pb2.133">[<a href="#pb2.133">133</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e9990"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e9990src">1</a></span> <i>Japara-meubelen</i>: In de residentie Japara houden zich vele Javanen onledig met het vervaardigen van -meubelen, die wat smaak en soliditeit betreft, het bewijs leveren, dat zij ook op -dat gebied met beleid tot degelijke werklieden gevormd kunnen worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e9990src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10001"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10001src">2</a></span> Hier wordt het zoo dichterlijke werk van Silvio Pellico bedoeld. <a class="fnarrow" href="#xd30e10001src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10021"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10021src">3</a></span> <i>Sirihspuw.</i> Bij het kauwen van sirih,—die uit tabak, kalk en stukjes pinangnoot en gambier bestaat, -welke ingrediënten in een sirihblad gewikkeld, en zoo tot eene pruim gevormd zijn,—wordt -het speeksel bruinrood. De pinangnoot is afkomstig van de Areca catechu, de gambier -of terra Japonica van de Acacia catechu en het sirihblad van de Chavica bettle. <a class="fnarrow" href="#xd30e10021src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10041"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10041src">4</a></span> Van Rheijn gaf hier bewijzen vlug benaderend uit het hoofd te kunnen rekenen. Een -mata is gelijk aan 0,000386 kilogr. Vijfentwintig mata’s zijn dus = 0,00965 kilogr. -De vergissing is dus niet groot. <a class="fnarrow" href="#xd30e10041src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10053"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10053src">5</a></span> Zie omtrent dien geleerde de aanteekening <a href="#n211.1">No. 1</a> op bladz. 211 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e10053src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10185"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10185src">6</a></span> <i>Dat om 16.000 gulden te kunnen betalen, minstens voor drie malen die som aan opium -is verkocht moeten worden.</i> Dat zal wellicht overdreven voorkomen. Ik laat hieronder woordelijk eene rekening -volgen, die mij door een opiumambtenaar werd ter hand gesteld, en die aan de officiëele -bescheiden kan getoetst worden. -</p> -<p class="footnote cont"></p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">Op bladz. 154 van het Kol. Verslag over 1883 vindt men aangeteekend, dat de opiumpachter -van het perceel Semarang aan pachtschat betaald heeft -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight cellTop">ƒ 1,260,000</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">dat aan hem gedurende dat jaar verstrekt zijn 23600 katies ruwe opium uit ’s rijks -magazijnen ad. ƒ 30 het katie -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"> 708,000</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Nu heeft die pachter eene uitgave gehad, om van die hoeveelheid ruwe opium te maken -tjandoe en madatpilletjes, gereed om gerookt te worden, ongeveer van -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"> 12,000</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">In het pachtperceel Semarang bestaan volgens Stbl. N<sup>o</sup>. 229 van 1814, 52 opiumkitten,<a class="noteRef" id="xd30e10214src" href="#xd30e10214">7</a> die gemiddeld eene uitgave vereischen van ƒ 1000 ’s maands -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"> 624,000</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">totaal uitgaven -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"><span class="sum"> 2,604,000<span class="pageNum" id="pb2.129n">[<a href="#pb2.129n">129</a>]</span></span></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Transport uitgaven -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"> 2,604,000</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Volgens alle deskundigen, ook volgens art. 16 van de Ordonn. van 25 Sept. 1874, Stbl. -228, levert het zuiveren van ruwe opium 50% verlies op, zoodat van de uit de rijksmagazijnen -ontvangen 23600 katies ruwe opium slechts 11800 katies tjandoe verkregen werden. -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">Het aangehaalde Koloniale Verslag geeft aan, dat de pachter zijn tjandoe verkocht -heeft tegen ƒ 0,14 per mata of tegen ƒ 224 per katie -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"> 2,643,200 -</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">zoodat er eene netto winst gemaakt is van -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight cellBottom"> ƒ 39,200</td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p class="footnote cont">Maar een opiumpachter in <span class="corr" id="xd30e10247" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> is in weinige jaren millionair. De bedoelde heeft minstens ƒ 10,000 ’s maands noodig -om zijn huishouden te voeren. Vraagt u nu eens af, hoe dat van nog geen ƒ 40,000 ’s -jaars te doen is. -</p> -<p class="footnote cont"></p> -<div class="table"> -<table> -<tr> -<td class="cellLeft cellTop">De quaestie verandert evenwel, wanneer de sluikhandel in het spel komt. Een der meest -bevoegde autoriteiten, de Directeur der Middelen D. Castens, nam aan, dat de pachters -bij de 1600 kisten opium, die hen van gouvernementswege verstrekt worden<span class="corr" id="xd30e10258" title="Bron: .">,</span> nog 800 kisten sluikten. Dat is dus de helft. Nemen wij dat ook aan voor het onderhavige -geval, dan debiteerde de bedoelde opiumpachter nog 11800 katies ruwe opium of 5900 -katies tjandoe, tegen ƒ 0,14 de mata, en verkreeg dus een ontvangst van -</td> -<td class="xd30e10192 cellTop"> </td> -<td class="xd30e10192 cellRight cellTop">1,121,600</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">tegen eene uitgaaf van 11800 katies opium maal -</td> -<td class="xd30e10192">ƒ 13,87, -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">die hem de gesmokkelde opium maar kost </td> -<td class="xd30e10192">163,777; -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight"></td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft">waarbij te voegen om te zuiveren en te prepareeren -</td> -<td class="xd30e10192"> 6,000; -</td> -<td class="xd30e10192 cellRight">169,777</td> -</tr> -<tr> -<td class="cellLeft cellBottom">zoodat er overblijft eene winst van -</td> -<td class="xd30e10192 cellBottom"> </td> -<td class="xd30e10192 cellRight cellBottom"><span class="sum"> ƒ 951,823</span></td> -</tr> -</table> -</div><p> -</p> -<p class="footnote cont">En die, gevoegd bij de winst behaald op het wettig verstrekte vergift, toelaat eene -aardige som ’s jaars, stuk te slaan, en na ommekomst van een driejarigen pachttermijn -als Chinees-millionair in de wereld rond te kijken. -</p> -<p class="footnote cont">Men zal wellicht tegenwerpen, dat eene maandelijksche uitgaaf van ƒ 1000 voor iedere -opiumkit overdreven is. Toch niet. Iedere kit, zelfs de kleinste, behoeft minstens -twee Chineesche beambten: een weger en een kassier, ettelijke hetaïren en ander ontuchtig -gespuis, enz. Voegt daar nu bij het legio van opiumbeambten, opiumjagers, opiumspionnen, -dat betaald en goed betaald moet worden, de ongelden die besteed moeten worden tot -omkooperij van Inlandsche en Europeesche ambtenaren, tot het geven van tandakpartijen, -tot het onderhoud der kitten, der wachthuizen langs het strand en de wegen, enz. enz. -enz., dan is de raming van ƒ 1000 ’s maands per kit ver beneden het gemiddelde. <a class="fnarrow" href="#xd30e10185src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10214"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10214src">7</a></span> Bij Ord. dd. 7 Aug. 1883 Stbl. No. 197 werd het aantal kitten voor de volgende jaren -op 61 bepaald. Dus werd de toestand voor den pachter nog ongunstiger. <a class="fnarrow" href="#xd30e10214src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10311"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10311src">8</a></span> De lezer zal zich herinneren, dat, toen de HH. v. Goltstein en v. Lansberghe in 1881 -den vrede op het papier decreteerden, de blokkade opgeheven en de havens onzer vredelievende -vijanden voor den handel zijn opengesteld. Sedert is men daarop terug moeten komen. <a class="fnarrow" href="#xd30e10311src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10314"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10314src">9</a></span> <i>Een taël</i> is het 1⁄16 van een katie of 0,0386 kilogr. De taël heeft 100 mata’s. <a class="fnarrow" href="#xd30e10314src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10318"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10318src">10</a></span> Wil de lezer weten, hoe de regeering zich beijvert de opium <span class="pageNum" id="pb2.132n">[<a href="#pb2.132n">132</a>]</span>te Atjeh te weren? Bij art. 1 van <i>het reglement voor de pacht van het recht tot invoer en verkoop van opium in Groot-Atjeh</i>, vastgesteld bij Ord. dd. 6 October 1884 Stbl. No. 168 is o. a. bepaald: -</p> -<p class="footnote cont">„De pachter is bevoegd te onderzoeken of en zoo ja, hoeveel opium een vaartuig aan -boord heeft, zoomede om een wacht aan boord te plaatsen, om te waken tegen ongeoorloofde -lossing van opium.” -</p> -<p class="footnote cont">Ik laat de mogelijkheid van het ontstaan van internationale geschillen door dien maatregel -buiten bespreking. Door die bepaling wordt evenwel zeer zeker de opiumpachter gebaat; -maar ’s lands kas?<span class="corr" id="xd30e10328" title="Bron: ..,">…</span> Ik geloof niet, dat er eene bepaling zou kunnen uitgedacht zijn, die beter eene overstrooming -van sluikopium in de hand zou kunnen werken en de verstrekking van wettige opium tot -een minimum zou kunnen brengen. In verband hiermede leze men nog eens de aanteekening -<a href="#n47.1">No. 1</a> op bladz. 47 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e10318src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch32" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e910">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXII.</h2> -<h2 class="main">Eene wetenschappelijke opiumkit.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Nu donnerwetter! Wo ist meinherr Grenits dan toch?” deed zich in de buitengalerij -een stem hooren, die Van Rheijn’s voorlezing afbrak. -</p> -<p>„Daar is onze Pool,” zei deze, terwijl hij Verstork’s brief samenvouwde en in den -zak stak. „Het restant van Willem’s schrijven bevat verder weinig belangrijks meer. -Of het daarenboven voorzichtig zou mogen heeten, om van dergelijke ontboezemingen -buiten onzen kring te laten blijken, betwijfel ik zeer, en.…” -</p> -<p>De heer Murowsky verscheen in de omlijsting der deur. -</p> -<p>„Ich kom spaat, nietwaar?” zeide hij, nadat hij den gevangene als gastheer begroet, -en met de anderen een handdruk gewisseld had, in zijn koeterwaalsch, dat wij evenwel -achterwege zullen laten. „Maar, donnerwetter …” -</p> -<p>„Niet vloeken docter,” zei Van Beneden. „Was juffrouw Van Bemmelen op de aloon-aloon?” -</p> -<p>De Pool bloosde tot achter zijn ooren. -</p> -<p>„Ja,” antwoordde hij, bedremmeld. -</p> -<p>„Nu, dan behoeft gij u niet te verontschuldigen. Gij hebt met haar gewandeld, en dan.…” -</p> -<p>„Maar, ik heb niet met haar gewandeld.” -</p> -<p>„Waarom komt gij dan zoo laat?” vroeg Van Rheijn. -</p> -<p>„Gij wist toch, dat wij u wachtten.” -</p> -<p>„Misschien nog eens eventjes op de kapellenjacht geweest?” vroeg Grashuis. -</p> -<p>„Ik zie onzen Pool al met zijn netje een prachtige sfinx achterna zitten,” zei Van -Beneden. -</p> -<p>„Het mocht wat!” bromde Murowsky niet zonder hoon. <span class="pageNum" id="pb2.134">[<a href="#pb2.134">134</a>]</span>„Een echte sfinx, die mij te pakken had.” -</p> -<p>„Kom, vooruit, illustre landgenoot van Sobiesky, van Poniatowsky en andere helden -op sky! Vooruit met je nieuws!” riep Van Rheijn. „Maar, pas op, als uwe verontschuldiging -geen steek houdt!” -</p> -<p>„Toen ik op de aloon-aloon wandelde, wenkte mijn chef mij tot zich,” verhaalde Murowsky, -„en verzocht mij om na de muziekuitvoering bij hem aan huis te komen.” -</p> -<p>„En?” vroegen allen. -</p> -<p>„Zoo’n verzoek is een order, dat weet gij allen wel,” knorde de Pool. -</p> -<p>„Jawel. Wat had hij u te vertellen?” vroeg Van Rheijn nieuwsgierig. -</p> -<p>„Misschien wel een zeldzame vorm van pneumato.…” wilde Van Beneden vragen. -</p> -<p>De Pool liet hem daartoe geen tijd. -</p> -<p>„Hij had mij mijne overplaatsing mede te deelen,” zeide hij. -</p> -<p>„Uwe overplaatsing?” -</p> -<p>„Ja, ik was al zoo lang hier! Bijna vijf en een halve maand.” -</p> -<p>„Maar, waarheen?” -</p> -<p>„Naar Gombong.” -</p> -<p>„Wel, dan feliciteer ik u wel,” zei Grashuis, „Gombong is een allerliefst plaatsje.” -</p> -<p>„Ge hadt het erger kunnen treffen, b. v. Singkel of Atjeh,” meende Van Rheijn. -</p> -<p>„Dat’s waar,” zeide Murowsky met een zucht. „Maar, waar ligt Gombong? Vergeef mij -die vraag; maar de Indische aardrijkskunde wordt in Polen slechts spaarzaam beoefend.” -</p> -<p>„Gombong ligt in Bagelen,” antwoordde Van Rheijn. -</p> -<p>„Maar waar ligt Bagelen?” ging Murowsky met vragen onverstoorbaar voort. -</p> -<p>„Bagelen? Wel in die richting,” antwoordde de adspirant-controleur, met een gevoel -van meerderheid in de gewilde richting wijzende. -</p> -<p>„Dus niet over zee?” -</p> -<p>„Neen, waarde Pool. Ge kunt er met een rijtuig komen. Vraag maar aan Van Nerekool, -die is er kort geleden nog geweest. Die heeft er zijn hart verloren.” -</p> -<p>„Te Gombong?” vroeg Murowsky. -<span class="pageNum" id="pb2.135">[<a href="#pb2.135">135</a>]</span></p> -<p>„Neen, maar dichtbij, te Karang Anjer. Gij kent toch juffrouw Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam wel?” -</p> -<p>„Zeker,” antwoordde de officier van gezondheid. „Wie zou dat mooie kind niet kennen?” -</p> -<p>„Welnu, juffrouw Van Gulpendam is derwaarts vertrokken en heeft het hart van onzen -vriend medegenomen.” -</p> -<p>„Dat is slim,” zei Murowsky, zich in de beteekenis van dat Nederlandsche woord vergissende. -</p> -<p>„Vindt ge?” vroeg Grashuis<span class="corr" id="xd30e10400" title="Niet in bron">.</span> -</p> -<p>„Zouden we niet aan onze proefneming denken, heeren,” viel Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool in, wien dat gesprek over Anna weinig behaagde. -</p> -<p>„Dat ’s waar ook!” riep de dokter uit. „Onze experimenta! Gij weet het: <span lang="la">experientia optima rerum magistra</span> (de ervaring is de beste leermeester der dingen). Hebt gij mijn pakje ontvangen?” -</p> -<p>„Ja,” antwoordde Grenits; „daar ligt het op dat knaapje.” -</p> -<p>Murowsky haalde een paar thermometers, een hygrometer, een aneroïde barometer, een -stethoscoop en een weegschaaltje te voorschijn; terwijl Van Rheijn een bedoedan en -een doosje met tjandoe voor den dag haalde. -</p> -<p>„Wat ziet dat goedje er vies uit,” zei Van Beneden, die het doosje geopend had. -</p> -<p>Murowsky nam het van hem over, en doceerde pedant weg: -</p> -<p>„Opium is een amorfe kleverige massa, die snijdbaar is, en op de snijdvlakken eene -bruinzwarte kleur vertoont. Als een gomachtig lichaam is die massa niet splijtbaar, -daarentegen kneedbaar. De reuk is flauw zoetachtig, en het aanvoelen is tamelijk vettig. -De hoofdbestanddeelen, die er in aangetroffen worden, zijn de morphine en de narcotine. -Zonder deze is het product geheel waardeloos.” -</p> -<p>„Maar, wie onzer zal zich aan de proef onderwerpen?” vroeg Van Beneden. -</p> -<p>„Wij zullen er om loten,” sprak Van Rheijn. -</p> -<p>„Als ik maar niet <span class="corr" id="xd30e10422" title="Bron: mêe">meê</span> behoef te doen,” sprak de dokter. „Want ik moet de waarnemingen verrichten.” -</p> -<p>„Zou het niet het beste zijn, dat ik de proef nam?” zei Grenits. -</p> -<p>„Waarom gij eerder dan een ander?” -</p> -<p>„Omdat ik hier in de gevangenis al den tijd zal hebben, om mijn roes uit te slapen.” -<span class="pageNum" id="pb2.136">[<a href="#pb2.136">136</a>]</span></p> -<p>„Dat’s waar,” zei Van Rheijn. „Ik stem voor het voorstel. Want ik moet morgen ochtend -op het residentie-kantoor aanwezig zijn.” -</p> -<p>„En ik moet morgen pleiten,” zei Van Beneden. „Gijlieden weet: de zaak van Setrosmito.” -</p> -<p>„Dat is waar ook,” riepen allen. „En die zitting van den landraad zouden wij ongaarne -missen.” -</p> -<p>„Dus aangenomen, dat ik schuiven zal, nietwaar?” vroeg Grenits. -</p> -<p>„Ja, ja,” antwoordden allen. „Dat is goed, Theodoor!” -</p> -<p>„Welaan dan, ik ben gereed.” -</p> -<p>„Jawel, maar ik nog niet,” zei Murowsky. -</p> -<p>„Ik ook nog niet,” voegde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn er bij. -</p> -<p>De Pool begon met den meest deftigen ernst de voorhanden zijnde tjandoe te wegen, -en bevond dat er 0,0092 K.G. aanwezig was. Dat teekende hij zorgvuldig in een zakboekje -op. -</p> -<p>„Zet er bij,” zei Van Rheijn, „dat het vijf en twintig mata’s zijn.” -</p> -<p>„Vijf en twintig wat?” vroeg Murowsky. -</p> -<p>„Vijf en twintig mata’s!” -</p> -<p>„Mata’s?<a class="noteRef" id="xd30e10450src" href="#xd30e10450">1</a>… Oogen?” vroeg de Pool. -</p> -<p>Allen barstten in lachen uit. -</p> -<p>„Neen, waarde dokter,” hernam Van Rheijn. „Luister. Voor de opium heeft het gouvernement -het navolgende standgewicht: de pikoel = 100 katies, het katie =16 taëls, de taël -= 10 tji, de tji = 10 mata’s; zoodat …” -</p> -<p>„Jawel, jawel,” zei de dokter, „nu begrijp ik. Laat ons voortmaken. De zon is reeds -onder. Vriend Grenits laat de lamp opsteken.” -</p> -<p>Inderdaad, het was bijna kwart over zessen, en dan is de zon in de maand Augustus -reeds eenigen tijd onder de kim verdwenen. -</p> -<p>Toen de bediende van Grenits de astraallamp opgestoken had, en heengegaan was, ging -de Pool voort: -</p> -<p>„En nu uitkleeden,” zei hij tot Theodoor. -</p> -<p>„Uitkleeden?” vroeg deze. -</p> -<p>„Ja, zeker. Gij moet in slaapbroek en kabaai gekleed zijn. Ik moet het bovenrif kunnen -zien.” -</p> -<p>Grenits ging naar zijn slaapvertrek, en kwam een <span class="pageNum" id="pb2.137">[<a href="#pb2.137">137</a>]</span>oogenblik daarna terug in het traditioneele nachttenue van <span class="corr" id="xd30e10469" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span>. -</p> -<p>De dokter liet hem zich nu op den divan uitstrekken, voelde hem den pols, deed hem -de tong uitsteken, ausculteerde hem, door aandachtig met den stethoscoop zijn borstkas -te beluisteren. Hij percuteerde die borstkas met zijn plessometer, waarop hij met -een coquet hamertje uiterst handig kon tikken. De gelaatstrekken van den Pool stonden -bij die verrichtingen bij het strakke af; zij moesten den verheven ernst te kennen -geven, die den priester der wetenschap bezielde; maar misten hare lachverwekkende -uitwerking op de omstanders niet. Zelfs Grenits kon een glimlach niet weerhouden. -</p> -<p>„Waartoe al die poespas?” mompelde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden Leendert Grashuis in het oor. -</p> -<p>„Waarom schermt gijlieden juristen steeds met latijnsche aanhalingen?” vroeg deze -schalks, maar ook op gedempten toon. „Dat hoort er zoo bij.” -</p> -<p>„Wel, dokter, is mijn karkas in orde?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> was de vraag van Grenits. -</p> -<p>„Normaal!” sprak Murowsky, met iets hols en iets plechtigs in zijne stem. „Nu moet -ik nog den barometer observeeren, dan kan met de proef begonnen worden.” -</p> -<p>Hij bevond, dat het genoemde instrument op 765° stond, en teekende dit op. -</p> -<p>„Zie zoo,” zei hij tot Theodoor, „nu ben ik klaar. O, ja, nog wat.… Wanneer hebt gij -het laatst gegeten?” -</p> -<p>„Om half een, de gewone rijsttafel.” -</p> -<p>„Het is nu half zeven,” zei de arts, terwijl hij nauwkeurig op zijn horloge keek. -<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Dus zes uren geleden. Hebt gij daarbij geestrijke dranken gedronken?” -</p> -<p>„Niets, als een enkel glas pale ale.” -</p> -<p>De dokter plaatste hem toen zijne twee thermometers onder de oksels. -</p> -<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn had intusschen den voorraad tjandoe in vijf en twintig nagenoeg gelijke deelen -afgedeeld. Daarna ontstak hij de palita, en hield zich onledig de deeltjes tjandoe -aan het einde van een stokje in de vlam van het lampje te verwarmen, en zacht te maken, -ten einde ze met zeer fijn gesneden Java-tabak te vermengen, en tot ronde pilletjes -te kunnen rollen. Dat ging <span class="pageNum" id="pb2.138">[<a href="#pb2.138">138</a>]</span>onzen aspirant-controleur vrij handig af. Hij had zich door Lim Ho laten wijzen, en -deze had hem met genoegen onderricht gegeven. -</p> -<p>„Wie weet,” had de Chinees met een grijns gedacht, „of de Europeanen ook nog niet -eens smaak in de lekkernij zullen krijgen<a class="noteRef" id="xd30e10504src" href="#xd30e10504">2</a>?” -</p> -<p>Toen Eduard met zijn pillendraaien klaar was, haalde hij de bedoedan te voorschijn, -die uit een vrij dikken bamboesteel bestond, die zoo wat drie decimeters lang, fraai -lichtbruin gepolitoerd, en waarvan het eene uiteinde der buis gesloten en het andere -open was. Dicht bij het gesloten einde was op het buitenvlak en loodrecht op de as -van de buis een klein aarden pijpenkopje aangebracht. -</p> -<p>„Het is eene spiksplinternieuwe,” verzekerde Van Rheijn, „die ik aangeschaft heb.” -</p> -<p>„Goddank!” zei Grenits. „Verbeeldt jullie, dat het eene gebruikte was, waaraan zoo’n -oude schuiver gezogen en gesaliveerd had! Poeah!” -</p> -<p>„Toch is voor de lekkerbekken, voor de „<span lang="de">feinschmeckers</span>” een oude pijp zeer gewild. Hoe donkerder de steel doorgerookt is, en hoe meer de -pijpenkop met „<span lang="ms">tahi madat</span>”<a class="noteRef" id="xd30e10518src" href="#xd30e10518">3</a> aangeslagen is, hoe heerlijker het schuiven moet zijn.” -</p> -<p>Eduard deed toen een madatpilletje in het pijpenkopje, reikte de bedoedan aan Theodoor -over, en plaatste de brandende palita op een knaapje onder het bereik van den proefnemer. -Deze lag op een divan uitgestrekt met geopende kabaai, dus met de borstkas bloot, -rustende het hoofd op een niet te zacht kussen. -</p> -<p>„Wij moesten dat vuile, smerige hoofdkussen hier hebben,” zei Grashuis lachende. „Gij -weet wel, wat wij te Kaligaweh in de opiumkit gezien hebben.” -<span class="pageNum" id="pb2.139">[<a href="#pb2.139">139</a>]</span></p> -<p>„Dank je wel, Leendert,” antwoordde Grenits. „Daartoe zou ik mijn krullebol niet leenen. -Neen, dit kussen is goed.” -</p> -<p>Hij draaide zijn hoofd naar de palita, nam den steel der bedoedan in den mond, en -wilde het pijpenkopje bij de vlam brengen, zooals hij dat op den bewusten avond de -schuivers had zien doen. -</p> -<p>„Een oogenblik! Een oogenblik!” riep Murowsky uit. „Niet zoo haastig!” -</p> -<p>Hij greep Theodoor’s polsgewricht, en keek toen gedurende eene minuut met den meest -deftigen ernst op zijn horloge, legde den stethoscoop aan, en luisterde aandachtig. -Daarna nam hij de thermometers en las af, maar herplaatste ze terstond. In zijn boekje -schreef hij op: pols 72, ademhaling 24, temperatuur 37,5. -</p> -<p>„Zie zoo,” zei hij. „Ga nu je gang maar.” -</p> -<p>Grenits zoog het vlammetje met een lange ademhaling door den pijpenkop naar binnen. -Bij het verbranden van het opiumballetje verbreidde zich eene onaangename, zoetachtige -lucht door het vertrek, die de omstanders aan lauw bloed en keukenstroop deed denken. -</p> -<p>„Inslikken! Inslikken!” riep Van Rheijn tot Grenits. -</p> -<p>Maar, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Bij de poging daartoe overviel Theodoor -een hoestbui, die hem noodzaakte den mond te openen, waardoor de ingezwelgde rook -in dikke spiralen ontsnapte, en de onaangename lucht in het vertrek nog vermeerderde. -</p> -<p>„Poeah! Poeah!” riep Grenits al kuchende uit. -</p> -<p>„Wat gevoelt ge? Wat proeft ge?” vroeg Murowsky. -</p> -<p>„Ik gevoel niets, als wat benauwdheid van het hoesten. Wat ik proef, is een akelige, -zoete smaak, waarvan ik geene beschrijving kan geven.” -</p> -<p>De haal was flink gedaan. Het geheele madat-balletje was verbrand. Van Rheijn laadde -den pijpenkop met een tweede pilletje. -</p> -<p>„Gij moet nu trachten den rook in te slikken”, zei hij. „Gij hebt dat toch meer gedaan -bij het gebruiken van sigaren, om den rook door de neusgaten te doen uitkomen.” -</p> -<p>„Ik zal probeeren,” antwoordde Theodoor. „Maar hij is zoo walgelijk zoet, die rook.” -</p> -<p>Het rooken werd herhaald. Het gelukte Grenits werkelijk den rook in te slikken, hem -een poos binnen te <span class="pageNum" id="pb2.140">[<a href="#pb2.140">140</a>]</span>houden, waarna hij hem in fijne krulletjes langs den neus liet ontsnappen. -</p> -<p>Dokter Murowsky teekende in zijn zakboekje op: pols 70, ademhaling 25, temperatuur -normaal. -</p> -<p>Op zijne vraag: „wat ondervindt ge?” antwoordde Grenits: -</p> -<p>„Niets. Alleen de zoete smaak is verdwenen, en door een vrij bitteren vervangen.” -</p> -<p>Bij de derde pijp klaagde Theodoor, dat zijn hoofd zwaar werd, en hij eene lichte -neiging tot slapen ondervond. -</p> -<p>Bij de vierde en vijfde pijp nam de slaperigheid toe. Grenits weerstond die neiging -evenwel. Hij gaf op alles correct antwoord, hoewel hij een poos op dat antwoord liet -wachten. Hij verklaarde te merken, dat zijn denkvermogen langzamer werkte. Hij moest -namelijk iedere vraag lang overdenken, om haar te begrijpen, en een antwoord er op -te vinden. Hij kon evenwel nog zonder hulp overeind gaan zitten, en ook ongehinderd -door het vertrek op en neer gaan. Nauwkeurig teekende dokter Murowsky dat alles op, -en bevond na de zesde pijp, dat de slaperigheid toenam, en dat de pols 70 slagen aangaf, -terwijl de ademhaling tot 28 steeg. -</p> -<p>Na de achtste pijp was de slaperigheid nog toegenomen; Theodoor vermocht evenwel nog -op het horloge te zien, hoe laat het was. Na de negende werd het spreken moeilijker -en onduidelijker. Op aandringen van den dokter verklaarde Grenits, dat hij een gevoel -had, alsof zijne tong in omvang toegenomen was. Na de tiende pijp klaagde de proefnemer -andermaal over den bitteren smaak in den mond, alsook over duizelingen. De dokter -greep dadelijk zijne hand, en bevond den polsslag en de ademhaling onveranderd. Na -de elfde kon Grenits zich niet meer zonder hulp van den divan oprichten, en moest -bij het gaan ondersteund worden; want zijne schreden waren zeer onzeker. Na de twaalfde -pijp, die zeer langzaam gerookt werd, trad eene merkbare verandering in. Theodoor -lag met gesloten oogen. Wanneer hij die bijwijlen opende, dan was de blik helder, -hetgeen zeer afstak met de slaperigheid van vroeger. Hij verklaarde, dat hij een uiterst -aangenaam gevoel ondervond, waarvan hij evenwel geene beschrijving wist te geven. -<span class="pageNum" id="pb2.141">[<a href="#pb2.141">141</a>]</span></p> -<p>„Karel, Karel,” wendde hij zich tot Van Nerekool, „maak wat muziek.” -</p> -<p>Deze stond op, en zette zich aan de pianino, en begon zeer zacht de variaties van -Chopin op den „Don Juan” te spelen. Het gelaat van den schuiver teekende verrukking. -Het was te zien, dat hij iederen toon, ieder accoord genoot, in zich opnam. -</p> -<p>„Nog meer spelen!” prevelde hij, toen Karel geëindigd had. „Nog meer spelen, nog meer -rooken!” -</p> -<p>Na de dertiende pijp nam de verrukking toe. Grenits gaf steeds het verlangen te kennen -meer te rooken. Hij lachte, strekte de armen uit, en maakte bewegingen, alsof hij -iets zeer aangenaams zag. Op Murowsky’s vraag, waarom hij lachte, antwoordde hij, -terwijl hij het uitschaterde, dat hij het niet wist. Eindelijk verzocht hij Van Nerekool -om eene passage uit Schuman’s „Manfred” te spelen. Bij de veertiende en vijftiende -pijp nam de verrukking steeds toe. Onafgebroken zetelde een glimlach op het gelaat -des rookers. Hij gaf evenwel op geen der hem gestelde vragen antwoord. Daarenboven -begon hij iets meer beweeglijk te worden en lag niet meer zoo stil als voorheen. -</p> -<p>Na de zestiende pijp klaagde Grenits, dat het rooken telkens afgebroken moest worden -om de pijp te stoppen. Hij verweet Van Rheijn, dat hij geen tweede bedoedan medegebracht -had. Dan had de proef onafgebroken kunnen voortgezet worden. <span class="corr" id="xd30e10565" title="Bron: Docter">Dokter</span> Murowsky constateerde, dat de polsslagen 72 en de ademhaling 28 bedroegen, dat evenwel -de <span class="corr" id="xd30e10568" title="Bron: conjungtiva">conjunctiva</span> (bindvlies van het oog) sterk met bloed beloopen, en dat de oogleden zwaar en de -oogen zelven gesloten waren. -</p> -<p>Na de zeventiende pijp sprong de rooker plotseling op, en wilde door het vertrek heen -en weer wandelen; maar viel daarbij omver, en kon niet meer opstaan. Hij moest op -den divan teruggedragen worden. Hij verzocht met schuiven door te gaan, hetgeen, nadat -de dokter verklaard had, dat er hoegenaamd geen gevaar bestond, toegestaan werd. -</p> -<p>Na de achttiende pijp begon de verrukking, die een weinig geweken scheen, andermaal -in te treden. De bewegingen des schuivers werden vaker, en verkregen een aard van -ongebondenheid. Als hij de oogen opende <span class="pageNum" id="pb2.142">[<a href="#pb2.142">142</a>]</span>was het, alsof hij een beeld met de oogen vervolgde. -</p> -<p>Na de twintigste pijp nam de verrukking hand over hand toe. Grenits’ bewegingen waren -thans libidineus, zijne gebaren, alsof hij onzedelijke betastingen verrichtte. Zijn -mond prevelde vrouwennamen, vermengd met zeer erotische beschrijvingen. Op de vraag -van Murowsky, hoe hij zich bevond, antwoordde hij: -</p> -<p>„O, ik ondervind een overheerlijk gevoel! Zoo iets wat ik nimmer voorheen ondervonden -heb!” -</p> -<p>Terwijl de <span class="corr" id="xd30e10580" title="Bron: docter">dokter</span> opteekende: „Sclerotica (oogwit) zeer ontstoken, pols 70, ademhaling 26, temperatuur -37,8, en daarop liet volgen: „algemeene verhooging der sexualiteit, satyriasis treedt -in,” ging Theodoor voort met zijne ongebonden bewegingen en gebaren. Op de vraag van -Murowsky, of hij niets verlangde, antwoordde hij: -</p> -<p>„Ik wil en verlang niets, als dat ge mij met rust rooken laat. Waar is eene nieuwe -pijp? Die Eduard ook!… Zoo moet de proef mislukken!” -</p> -<p>Een oogenblik daarna riep hij uit: -</p> -<p>„O! als dat Mahomet’s paradijs is, dan wil ik steeds rooken! Waar is toch de pijp?” -</p> -<p>„Zouden wij er geen eind aan maken?” vroeg Van Nerekool. „Ik vrees, dat bij dien staat -van overspanning onzen vriend een ongeluk overkomt.” -</p> -<p>„Neen, daar is geen gevaar voor,” antwoordde de Pool. „Daar sta ik voor in. De pols -is zoo kalm mogelijk. De ademhaling is sedert het begin der proef ietwat versneld; -terwijl de temperatuur slechts 0,3<span class="corr" id="xd30e10589" title="Bron: .">°</span> toegenomen is. Het zou jammer zijn de proef te staken. Zij is allerbelangrijkst voor -de wetenschap.” -</p> -<p>Na de een en twintigste pijp, werd Grenits al woester en ongebondener. Meestal lag -hij stil en onbeweeglijk. Maar aan zijn gelaat was genoeg te ontwaren, wat in zijn -binnenste omging; terwijl, wanneer hij woorden prevelde of bewegingen of gebaren volvoerde, -die van den meest dierlijken wellust getuigden. -</p> -<p>Zoo ging het voort tot bij de vier en twintigste pijp. Toen antwoordde hij op Murowsky’s -vraag, hoe hij zich gevoelde? -</p> -<p>„Ik heb een gevoel van groote rust, een uiterst aangenaam gevoel.” -</p> -<p>Dat was evenwel voor den Pool lang niet voldoende. <span class="pageNum" id="pb2.143">[<a href="#pb2.143">143</a>]</span>Hij hield Grenits’ pols met den rechter wijsvinger bedekt, terwijl zijn linkerhand -vlak uitgestrekt lag op diens borst. -</p> -<p>„Maar, wat gevoelt gij?” vroeg hij met aandrang. -</p> -<p>Theodoor antwoordde niet. Zijn borst hijgde hartstochtelijk, zijn handen strekten -zich naar een denkbeeldig wezen uit, alsof hij het wilde omarmen. Zijn gelaat teekende -zoo eene gelukzaligheid, dat alle omstanders hem met verwondering gadesloegen. -</p> -<p>„Dokter, dokter!” prevelde Van Nerekool, „is het nog geen tijd om die proef te eindigen? -Het begint walgelijk te worden. Zie die gebaren, die heupbewegingen eens!” -</p> -<p>Maar de Pool had daar geen ooren naar. -</p> -<p>„Geen gevaar, geen gevaar!” riep hij. „In het belang der wetenschap moeten wij voort!” -</p> -<p>Met de taaie vasthoudendheid van den geleerde, die met zijn wetenschappelijk oog een -hem nog onbekend verschijnsel bespiedt sloeg hij Theodoor’s bewegingen gade<span class="corr" id="xd30e10607" title="Bron: ,">.</span> Hij bevoelde hem, hij betastte hem, en keek hem daarbij als het ware de woorden uit -den mond. Hij was wanhopig, dat de <span class="corr" id="xd30e10610" title="Bron: patient">patiënt</span> zoo weinig sprak. -</p> -<p>„Grenits! Grenits!” riep hij, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>hoort ge mij?” vroeg hij, terwijl hij den <span class="corr" id="xd30e10617" title="Bron: patient">patiënt</span> tegen den neus knipte. -</p> -<p>Deze bromde eenige woorden, terwijl hij zich heen en weer bewoog. -</p> -<p>„Hoort ge mij?… Grenits! hoort ge mij?” herhaalde hij trillend van ongeduld. -</p> -<p>Deze ging voort met brommen en met zich heen en weer te bewegen. -</p> -<p>„Hoort ge mij?” herhaalde de Pool. „Zeg, hoort ge mij?” -</p> -<p>„Ja, ja, maar laat mij met rust,” kwam er met moeite uit. -</p> -<p>„Wat gevoelt gij toch? Zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt.” -</p> -<p>Hij boog zich nog verder over den <span class="corr" id="xd30e10629" title="Bron: patient">patiënt</span>, en wendde het belangstellende oog niet van hem af. Het was de geleerde die, bij -zijn hartstocht om een der natuurgeheimen zich te zien ontraadselen, in staat is vivisectie -op zijn evenmensch uit te voeren. -</p> -<p>„O, zeg mij den aard van hetgeen gij gevoelt,” kreet hij; terwijl hij voortging Theodoor -tegen den neus te knippen. -<span class="pageNum" id="pb2.144">[<a href="#pb2.144">144</a>]</span></p> -<p>„Wat ik gevoel.…” bromde deze.… „wat ik gevoel … O! het is nog heerlijker dan<span class="corr" id="xd30e10637" title="Bron: ........,..">.….……</span>”<a class="noteRef" id="xd30e10640src" href="#xd30e10640">4</a> -</p> -<p>„Afschuwelijk! Afschuwelijk!” kreet Van Nerekool. „Aan dat tooneel moet een einde -komen!” -</p> -<p>Hij rukte Eduard de pijp uit de hand, en trapte die met den voet plat, greep het doosje -met tjandoe, en wierp het laatste balletje, dat Van Rheijn reeds klaar had gemaakt, -de deur uit. -</p> -<p>„Goed zoo!” riepen Grashuis en Van Beneden. „Daar moest een einde aan komen!” -</p> -<p>„Het is jammer, doodjammer!” mompelde de geneeskundige. -</p> -<p>Hij begon evenwel gauw van meening te veranderen. Grenits’ toestand begon hem inderdaad -bezorgd te maken. De pols was tot 62 slagen en de ademhaling tot 24 gedaald. Daarentegen -steeg de lichaamswarmte tot 38,6. De <span class="corr" id="xd30e10667" title="Bron: patient">patiënt</span> was zeer onrustig, stamelde voortdurend bandelooze taal. Zijn oogen waren met bloed -beloopen, en zijn aangezicht zeer opgezet. De huid van het lichaam had een droog gevoel, -toch waren de handen vochtig van een klam zweet. Voortdurend vroeg hij om te rooken. -</p> -<p>„De pijp?… Waar is de pijp?.… Van Rheijn, waar is <span class="pageNum" id="pb2.145">[<a href="#pb2.145">145</a>]</span>de pijp!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> schreeuwde hij schier, te midden der meest gruwelijke en onsamenhangende uitdrukkingen. -</p> -<p>Murowsky beijverde zich, hem zeer sterke koffie, die hij door den cipier bijtijds -had laten gereedmaken, te doen drinken, waarbij hij hem het vocht met een lepel in -den mond goot. Hij verfrischte zijn hoofd met ijswater, liet hem van tijd tot tijd -aan vluchtige alkali ruiken, en slaagde er eindelijk, na lang tobben, in hem tot bedaren -te brengen. -</p> -<p>Het was vooral de koffie, die hem scheen goed te doen. Na eerst dien drank afgeweerd -te hebben, vroeg hij er later om. Langzamerhand begon hij rustiger te worden. Lang -nog evenwel behielden de volzinnen, die hij uitte, een niet te miskennen erotische -tint. Ook dat begon eindelijk te verminderen. Zijne stem werd zachter, zijn spreken -zeldzamer, en eindelijk viel hij in een gerusten slaap; waarbij Murowsky constateerde, -dat de pols 70, de ademhaling 24 en de lichaamswarmte 37,4<span class="corr" id="xd30e10679" title="Niet in bron">°</span> bedroeg. -</p> -<p>„Gansch normaal!” verklaarde hij thans. „Ik zal evenwel heden nacht bij hem doorbrengen.” -</p> -<p>De vergunning van den cipier daartoe werd niet moeilijk verkregen. Grenits sliep evenwel -drie en dertig uren aan een stuk en gevoelde zich bij het ontwaken vrij wel, een weinig -afgematheid en hoofdpijn niet medegerekend. Nadat hij gebaad had, was ook dat over. -Toen evenwel ondervond hij een schrikbarenden honger, en kon de cipier hem niet vlug -en copieus genoeg laten bedienen. -</p> -<p>Drie dagen later was Murowsky naar zijn nieuw garnizoen vertrokken. Hij had zich evenwel -voorgenomen zijne aanteekeningen uit te werken en zijn opstel aan een der wetenschappelijke -tijdschriften van Duitschland toe te zenden. -</p> -<p>De opinie der overige vrienden omtrent het opiumverbruik was thans onwrikbaar gevestigd. -Zelfs Van Rheijn, die vroeger, wel niet als verdediger van het opiummonopolie was -opgetreden, maar toch wel eens verschoonende omstandigheid voor de Indische regeering -bepleit had, was volkomen bekeerd. Theodoor Grenits evenwel werd knorrig, wanneer -later op zijn bewegingen, gebaren en uitingen gedurende de proefneming gezinspeeld -werd. -</p> -<p>„Het is verdraaid,” riep hij uit, „dat ik den bedoedan nog zal aanraken, hoe verleidelijk -mij de beelden nog voor <span class="pageNum" id="pb2.146">[<a href="#pb2.146">146</a>]</span>den geest staan. Gijlieden zult mij evenwel zeer verplichten, wanneer gij voortaan -geen woord meer daarover zult reppen. Intusschen”, zoo vervolgde hij met geestdrift, -„Vrienden, de handen in elkander! En oorlog, oorlog <i lang="fr">à outrance</i> aan de opium!” -<span class="pageNum" id="pb2.147">[<a href="#pb2.147">147</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e10450"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10450src">1</a></span> <i lang="ms">Mata</i> beteekent eigenlijk oog<span class="corr" id="xd30e10454" title="Bron: ,">.</span> <a class="fnarrow" href="#xd30e10450src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10504"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10504src">2</a></span> De schrijver heeft in Indië een voorbeeld gezien van een volbloed Europeaan, die zich -aan het opiumschuiven had overgegeven. Het was iemand van aanzienlijke afkomst, die -evenwel misbruik van sterken drank gemaakt had. Tengevolge van dat misbruik was hij -impotent geworden en had toen ter opwekking zijne toevlucht tot de opiumpijp genomen. -Na volslagen uitputting is hij uiterst ellendig gestorven.—Te Londen bestaan reeds -verscheidene kitten en neemt die hartstocht hand over hand toe. <a class="fnarrow" href="#xd30e10504src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10518"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10518src">3</a></span> <i lang="ms">Tahi madat.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n78.1">No. 1</a> op bladz. 78 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e10518src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10640"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10640src">4</a></span> <i>O, het is nog heerlijker dan</i><span class="corr" id="xd30e10643" title="Bron: ..,">.…</span> Het restant van den volzin is te vinden op den 20<sup>sten</sup> regel van bladz. 246 van deel XXXV van <i>het Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië</i>. De openhartigheid, die daar door den geleerden Russischen Schrijver betracht wordt, -mag ik mij als romanschrijver niet veroorloven. Ik vind hier aanleiding om mede te -deelen, dat ik in hoofdzaak de proefneming door den heer Von Miclucho <span class="corr" id="xd30e10651" title="Bron: Macclay">Maclay</span> gevolgd heb. Ik heb haar echter verrijkt met ettelijke waarnemingen, die ik gelegenheid -had te doen, alsook met die, welke mij door zeer geloofwaardige mannen medegedeeld -werden. Ik heb het manuscript eener beschrijving van zoo eene proefneming voor mij -liggen, die in afschuwelijkheid alles te boven gaat, wat te bedenken is. -</p> -<p class="footnote cont">Intusschen dien ik hier bij te voegen, dat niet dikwijls dergelijke hoeveelheden opium, -als bij die proef verbruikt werden, in eens geschoven worden; hoewel te constateeren -valt, dat er zijn, die veel meer gebruiken. Oppenheim geeft aan, dat de meeste schuivers -met een grein beginnen, dus met iets minder dan twee mata’s, en het al heel spoedig -brengen tot drie drachma’s, dus tien mata’s. Verscheidene Javaansche hoofden hebben -mij bekend, dat er schuivers waren, die voor vijf gulden in eene keer gebruikten. -De gemiddelde prijs der mata is 14 cent, dat zou dus ruim 35 mata’s zijn. Von Miclucho -<span class="corr" id="xd30e10656" title="Bron: Macclay">Maclay</span> had bij zijn proef 107 grein of 18,4 mata’s gebruikt. <a class="fnarrow" href="#xd30e10640src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch33" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e919">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIII.</h2> -<h2 class="main">In de regents-pandoppo.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Daags na die proefneming zou het een merkwaardige dag zijn voor de ingezetenen van -Santjoemeh. -</p> -<p>De landraad vergaderde toch, en zou heden na de te voeren pleidooien uitspraak doen -in de zaak van Setrosmito,—den vader, zooals men weet, van baboe Dalima,—die beschuldigd -van opiumsmokkelarij en van moord op een bandoelan in de uitoefening zijner functiën -gepleegd, in de gevangenis zijn lot zat af te wachten. -</p> -<p>De getuigen waren gehoord, en de beschuldigde had bekend een Chinees met zijn kris -gedood te hebben; maar hardnekkig ontkend, dat hij schuldig was aan opiumsmokkelarij. -</p> -<p>Geheel Santjoemeh was op de been, althans het Europeesche gedeelte; want men wist, -dat August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden pleiten zou. Wel was onze rechtsgeleerde reeds in de zaak van baboe Dalima -als pleitbezorger opgetreden, maar had zich daarbij meer tot aanwijzingen bepaald, -en zich minder als redenaar ontwikkeld; zoodat zijne thans te voeren pleitrede als -zijn maidenspeech kon beschouwd worden. Daarenboven had hij in gezellige kringen en -bij verschillende andere gelegenheden genoegzame bewijzen van redenaarstalent gegeven, -om te doen veronderstellen, dat men heerlijke oogenblikken van kunstgenot zoude doorbrengen. -Er werd bij verteld, dat de gepleegde moord aanleiding gevonden had in onbetamelijke -handelingen, door den vermoorden bandoelan jegens het dochtertje van den moordenaar -gepleegd. Het Santjoemehsche publiek was vrij <span class="pageNum" id="pb2.148">[<a href="#pb2.148">148</a>]</span>wel op de hoogte van de afzichtelijkheden, die zich de bandoelans bij de visitatie -aan den lijve gewoonlijk veroorloofden, zoodat een ieder het er voor hield, dat zeer -pikante zaken gehoord zouden worden, en overtuigd was, dat de jeugdige rechtsgeleerde, -die van ijver voor den dienst van Themis blaakte, de gelegenheid niet zoude laten -voorbijgaan, zonder den vinger te leggen op de opiumpacht, die snerkende brandwonde -voor de Javaansche maatschappij, die schande voor de blanke overheerschers. -</p> -<p>De pandoppo van de regentswoning, waarin de landraadzittingen plaats hadden, was dan -ook reeds lang voor den tijd der opening gevuld. Zelfs dames waren verschenen<a class="noteRef" id="xd30e10709src" href="#xd30e10709">1</a>, en onder haar de schoone Laurentia <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam waarschijnlijk ter wille van de kiesche dingen, die gehoord zouden worden. -Het talrijke bediendenpersoneel dier pandoppo keek verwonderd op; want, dat was aan -zoo’n toeloop niet gewend,—gewoonlijk toch blonk het publiek bij dergelijke zittingen -door zijne afwezigheid uit.—De „boedjang’s” (bedienden) hadden de handen vol met het -aanbieden van stoelen, en waarachtig die kwamen weldra te kort, hoe weelderig zoo -eene Kaboepatèn (regentswoning) ook gemeubeld is. -</p> -<p>Ware het avond geweest, en hadden de kroonlampen, die in die pandoppo hingen, met -heldere vlam geschitterd, dan had men aan een gezellige bijeenkomst kunnen gelooven, -of beter nog aan een séance van een goochelaar of zoo iets. Aan het einde der ruime -hal bevond zich toch eene verhevenheid, drie trappen hoog, waarop eene vrij groote -tafel, met groen laken bekleed, bevracht met een dik boek en allerlei overtuigingsstukken<span class="corr" id="xd30e10721" title="Bron: .">,</span> en omgeven met een aantal stoelen. Een politie-oppasser, die blijkbaar, uit houding -en gelaat af te leiden, het gewicht zijner functie begreep, stond op post bij die -tafel, om de profanen daarvan verwijderd te houden. Wanneer een spotvogel dien man -opgedragen had zijn sabel te trekken, <span class="pageNum" id="pb2.149">[<a href="#pb2.149">149</a>]</span>zou hij voorzeker het roestige stuk ijzer met edelen zwaai uit de scheede voor den -dag gehaald hebben. -</p> -<p>In afwachting van de komst van de leden van den landraad, kortte de menigte den tijd -zoo aangenaam mogelijk. Men begroette elkander, men lachte, men kortswijlde, men praatte, -en gedroeg zich daar in dien tempel der gerechtigheid als in een café-chantant gedurende -de pauze. -</p> -<p>„Goeden morgen, mevrouw Van Gulpendam, komt gij ook eens eene zitting bijwonen?” -</p> -<p>Het was de heer Thomasz, de substituut-griffier, die heden, omdat de griffier zelf -fungeerde, <i lang="fr">en amateur</i> een kijkje kwam nemen, en dus van de gelegenheid gebruik maakte, om de schoone Laurentia -zijne hulde aan te bieden. -</p> -<p>„Goeden morgen, mijnheer Thomasz,” antwoordde de residents-vrouw, terwijl zij hem -hare fraaie hand reikte. „Ja, ik kom ook eens kijken. Ik heb nimmer eene landraadzitting -bijgewoond. Ik ben wel nieuwsgierig. Het zal wel interessant wezen, nietwaar?” -</p> -<p>„Dat denk ik ook, mevrouw. Hoewel voor mij, de getuigenverhooren meer pikants opleverden.” -</p> -<p>„Dat kan ik denken. Maar … die afschuwelijke moordenaar zal zeker veroordeeld worden?” -</p> -<p>„Dat is nog zoo geheel zeker niet, mevrouw.” -</p> -<p>„Niet?” -</p> -<p>„Neen, wel sluit het requisitoir van den hoofddjaksa als een bus; maar sedert de residenten -en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door rechterlijke ambtenaren -vervangen zijn,<a class="noteRef" id="xd30e10741src" href="#xd30e10741">2</a> speelt eene ziekelijke philantropie den baas, en het zou mij niet verwonderen, dat -deze booswicht vrijgesproken werd, vooral nu.…” -</p> -<p>„Ja, ik weet wat gij zeggen wilt, mijnheer Thomasz,” viel Laurentia hem in de rede. -„Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal gaan pleiten<a class="noteRef" id="n2.149.2src" href="#n2.149.2">3</a>. Het <span class="pageNum" id="pb2.150">[<a href="#pb2.150">150</a>]</span>is ongehoord! Maar, wie <span class="corr" id="xd30e10776" title="Bron: betaald">betaalt</span> dien advocaat, mijnheer Thomasz?” -</p> -<p>„Shut! mevrouw. Dat is een geheim!” -</p> -<p>„Een geheim?… Gij schijnt het toch te weten. Kom vooruit! met wat gij weet. Voor de -vrouw van den resident moogt gij geen geheimen hebben.” -</p> -<p>Thomasz glimlachte even. -</p> -<p>„Laten wij even op die estrade gaan,” zeide hij, „dan kan niemand ons hooren.” -</p> -<p>Beiden stapten de verhevenheid op, naderden de tafel en hielden zich, alsof zij de -voorwerpen, daarop uitgespreid, bekeken. De politie-oppasser wachtte zich wel der -njonja resident en den toean-kripier dat te beletten. -</p> -<p>„Welnu,” vroeg Laurentia, „nu kunt gij spreken. Wie betaalt dien advocaat?” -</p> -<p>„Een kongsie, mevrouw.” -</p> -<p>„Van Chineezen?” vroeg de schoone Laurentia onstuimig. -</p> -<p>„Dat heb ik niet gezegd, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier met eene buiging. -</p> -<p>„Eene kongsie van wie dan?” -</p> -<p>„Van Europeanen, mevrouw.” -</p> -<p>„Gij kent ze! O, loochen dat maar niet. Ik zie het op uw gezicht.” -</p> -<p>„Stil, mevrouw, daar naderen een paar dames den trap.… Zie,” sprak Thomasz overluid, -„dat is de kris, waarmede de moord geschied is. Het bloed zit nog aan het gevlamde -lem. Daar, die zwarte vlek.” -</p> -<p>Mevrouw Van Gulpendam greep het wapen. -</p> -<p>„Zeg mij de namen,” zeide zij zacht. -</p> -<p>„Ik weet maar een. Van Nerekool.…” -</p> -<p>„Van Nerekool!.… Altijd die Van Nerekool!” siste de schoone vrouw tusschen de tanden. -</p> -<p>En zich naar de pandoppo wendende: -</p> -<p>„Henriëtte! Henriëtte!” riep zij tot een der genaderd zijnde dames. „Kijk, hier is -de kris, waarmede de moord gepleegd werd.” -<span class="pageNum" id="pb2.151">[<a href="#pb2.151">151</a>]</span></p> -<p>De geroepene trad met hare vriendin de estrade op. Het was alsof de politie-oppasser -een pas vooruit wilde doen. Een trotsch gebaar van de schoone Laurentia weerhield -hem. -</p> -<p>„Is dat de kris?” vroeg Henriëtte. -</p> -<p>„Ja,… Zie, zoo.… dwars door den strot,” zei mevrouw Van Gulpendam, met het wapen een -vervaarlijken zwaai makende, die de dames deed achteruit stuiven. -</p> -<p>„De schoone Laurentia is inderdaad schoon!” prevelden een paar jongelieden tegen elkander. -„Kijk die houding eens, die buste, dat trotsche gelaat, die hand, welke den dolk omklemt. -Net Lady Macbeth! En, kijk dien onberispelijken voetwreef eens!.…” -</p> -<p>„Ja, zij poseert!” antwoordde een ander. „Zij weet, zij gevoelt, dat wij haar bewonderen.” -</p> -<p>„Wees niet bang,” ging mevrouw Van Gulpendam voort. „Kijk, hier zit het bloed van -het slachtoffer, nietwaar mijnheer Thomasz?” -</p> -<p>„Ajakkes!” riepen de beide dames. „En durft gij dat aanraken, lieve mevrouw?” -</p> -<p>„Waarom niet?” antwoordde Laurentia hooghartig, terwijl zij den kris kletterend op -de tafel smeet. „Dat ding bijt niet.” -</p> -<p>„Dat is zoo, lieve mevrouw,” zei Henriëtte. „Maar de gedachte alleen, dat daarmede -een mensch vermoord is.…” -</p> -<p>„Slechts een Chinees!” antwoordde mevrouw Van Gulpendam neusoptrekkend. -</p> -<p>„Is een Chinees dan geen mensch, lieve mevrouw?” -</p> -<p>„Maar zoo wat,” was de meening van de trotsche Laurentia. -</p> -<p>„Goed, dat Lim Yang Bing of Lim Ho u niet hooren, mevrouw!” merkte de heer Thomasz -op. -</p> -<p>„O, met die is het wat anders!” hervatte de hooghartige vrouw. -</p> -<p>„Dat zijn de opiumpachters!” -</p> -<p>„Dat zijn de millionairs!” -</p> -<p>Die beide uitingen waren door de twee andere dames met de aan haar geslacht eigen -beminnelijkheid gezegd, welke Laurentia onaangenaam kittelde. Zij liet er evenwel -niets van ontwaren. -</p> -<p>„Ja, het is waar ook,” sprak Henriëtte, de beminnelijkheid vervolgende. „Waar zijn -die twee Chineezen? <span class="pageNum" id="pb2.152">[<a href="#pb2.152">152</a>]</span>Kijk, daar is de kapitein-Chinees, daar is ook Kam Tjeng Bie, de rijke handelaar; -maar de opiumpachters zie ik niet.” -</p> -<p>„Die zullen zich wel wachten heden de landraadzitting bij te wonen!” antwoordde een -der andere dames. -</p> -<p>„Ja; want die hebben genoeg te doen met de toebereidselen voor de bruiloft, die eerstdaags -zal plaats hebben,” liet mevrouw Van Gulpendam als ’t ware achteloos volgen. -</p> -<p>„Is de moordenaar niet de vader van baboe Dalima?” vroeg Henriëtte, „welke Lim Ho -beschuldigd heeft van.…” -</p> -<p>„Allemaal praatjes, liefste Henriëtte!” viel Laurentia in, „en daarvan mag men in -het babbelachtige Santjoemeh geen tiende voor waar aannemen. Maar.… mijnheer Thomasz, -wat is dat voor „gollokh” (kapmes), die daar op tafel ligt? Heeft de moordenaar dat -ook gebruikt? Er zit bloed aan.” -</p> -<p>„O, dat is eenvoudig kippenbloed,” antwoordde de <span class="corr" id="xd30e10831" title="Bron: subsistuut-griffier">substituut-griffier</span>. -</p> -<p>„Kippenbloed?” vroeg Henriëtte lachende. -</p> -<p>„Ja, lieve mevrouw, dat is de „gollokh soempah.”” -</p> -<p>„De gollokh soempah?” -</p> -<p>„Het eeds-kapmes in onze taal, mevrouw. Het is daarmede, dat de Chineezen den eed -afleggen.” -</p> -<p>„Hebt gij dat wel eens gezien, mijnheer Thomasz?” -</p> -<p>„Dikwijls, mevrouw.” -</p> -<p>„Toe, vertel eens. Hoe gebeurt dat?” -</p> -<p>„Och heel eenvoudig, dames. De te beëedigen getuige wordt door den Chineezen tolk -en vergezeld van een der leden van den landraad buiten gebracht bij een houtblok. -Daar wordt hem den gollokh ter hand gesteld, waarmede hij een zwart kuiken op dat -houtblok den kop afhouwt. Niets meer en niets minder. Het is eene handeling zonder -beteekenis, die, wanneer men haar voor den eersten keer ziet gebeuren, een zeer bespottelijk -figuur maakt.” -</p> -<p>„Waarom een zwart kuiken, mijnheer Thomasz?” vroeg Henriëtte. -</p> -<p>„Ik weet het niet, mevrouw,” antwoordde de substituut-griffier. „Maar, gij weet, dat -het wit de rouwkleur der Chineezen is.” -</p> -<p>„Dat’s waar ook. Maar … eene zwarte kip?… Dus zou er toch eene beteekenis ten grondslag -van de handeling liggen?” hernam Henriëtte nadenkend. -</p> -<p>„Het is mogelijk; maar ik heb ze nimmer kunnen ontdekken, <span class="pageNum" id="pb2.153">[<a href="#pb2.153">153</a>]</span>hoeveel navraag ik ook bij de tolken en bij de Chineesche hoofden ingesteld heb,” -antwoordde de heer Thomasz. „Er bestaat evenwel een andere Chineesche eedsaflegging, -dames, die in zeer wichtige gevallen gebezigd wordt. Die is niet van beteekenis ontbloot.” -</p> -<p>„Bestaan er wichtiger gevallen, dan voor den rechter getuigenis der waarheid af te -leggen?” vroeg Henriëtte schamper. -</p> -<p>„Zeker, mevrouw!” -</p> -<p>„Wichtiger dan het geven van getuigenis, waarvan de veroordeeling en het leven van -een mensch kan afhangen?” -</p> -<p>„Zeker, mevrouw!” -</p> -<p>„Die ben ik wel benieuwd te hooren!” -</p> -<p>„Bij voorbeeld: de groote eed, die door het gouvernement gevergd wordt bij de aanstelling -der Chineesche officieren.”<a class="noteRef" id="xd30e10858src" href="#xd30e10858">4</a> -</p> -<p>„Zoo, is dat wichtiger?” vroeg Henriëtte met een schaterlach. -</p> -<p>„Die groote eed wordt ook, evenwel zelden, bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd.<a class="noteRef" id="xd30e10868src" href="#xd30e10868">5</a> -</p> -<p>„Waarbij het de dubbeltjes geldt, nietwaar? Dat begrijp ik. Maar toe, vertel ons iets -van den eed.” -</p> -<p>„Gaarne, mevrouw. Ik weet er evenwel niet veel van. De eed, daarbij gebezigd, is ontleend -aan den eed, dien men in China aan vorsten en hoofdbeambten bij hunne aanstelling -oplegt, en bestaat daarin, dat de persoon, die den eed aflegt, het door hem betuigde -op een rood papier schrijft en het alles met de zwaarste vervloekingen, die bij onwaarheid -of bij het niet nakomen hem zullen treffen, beëedigt. De eedaflegger brengt dit papier -in gezelschap van een paar officieren zijner natie, <span class="pageNum" id="pb2.154">[<a href="#pb2.154">154</a>]</span>en van een paar tolken naar de Pen-ta-King<a class="noteRef" id="xd30e10885src" href="#xd30e10885">6</a> (tempel), waar hij door een drietal Chineesche priesters den „King-Long” (tempelheer) -en den „Low-tsoe” (meester van den wierookpot), bijgestaan door een „Thao kew”, (hoofdman) -bij den ingang ontvangen wordt. Die priesters zijn gekleed in een soort van miskleed -van roode zijde, niet ongelijk aan de koorkappen der Roomsche priesters bij sommige -gelegenheden. Evenwel is daarop eene graphische voorstelling van het Cosmogenische -Eerste beginsel<a class="noteRef" id="xd30e10889src" href="#xd30e10889">7</a> in gouddraad geborduurd. Zoodra in den tempel aangekomen, legt de eedsaflegger het -beschreven roode papier op de „Hijeng Keng”<a class="noteRef" id="xd30e10898src" href="#xd30e10898">8</a> (offertafel) tusschen een aantal brandende kaarsen, eenige flesschen wijn en wat -gebak, die tot <span class="corr" id="xd30e10902" title="Bron: offerhande">offerande</span> bestemd zijn, voor den „Tao-peh-kong”<a class="noteRef" id="xd30e10906src" href="#xd30e10906">9</a> (afgodsbeeld) neder. De priesters schreeuwen dan gedurende een poos eenige gebeden, -waarbij zij bij sommige passages geducht de schel bengelen. Daarna leest de eedsaflegger -het geschrevene op het papier met luide stem voor, terwijl alsdan vlijtig wierook -gebrand wordt. Eindelijk brengt hij het papier bij de vlam van een der kaarsen, en -laat het op de offertafel tot asch verbranden. Daarmede is de plechtigheid uit. De -priesters schreeuwen nog wel hunne onaangenaam klinkende neusklanken; maar de gecommitteerden -en de beëedigde maken dat zij buiten den tempel komen. Ziedaar dames, het weinige, -wat ik heb kunnen waarnemen. Ik hoop, dat ik een verstaanbaar begrip van die plechtigheid -medegedeeld heb.” -</p> -<p>„Wij danken u zeer, mijnheer Thomasz,” antwoordde Laurentia, terwijl zij hem minzaam -een handje toestak, maar intusschen den trotschen blik over de verzamelde menigte -in de pandoppo liet waren. -</p> -<p>„Naar wien zou zij kijken?” prevelde een der jongelieden beneden in de ruimte. -<span class="pageNum" id="pb2.155">[<a href="#pb2.155">155</a>]</span></p> -<p>„Naar mij niet, helaas!” antwoordde zijn toespreker. „Misschien naar.…” -</p> -<p>„Toean, toean darie rad!” (de heeren van den raad) kondigde een politie-oppasser aan -met eene stem, alsof een Fransche <i>huissier</i> het „<span lang="fr">la Cour, messieurs!</span>” uitgegalmd had. -</p> -<p>De naam van hem, naar wien de schoone Laurentia kon uitgezien hebben, bleef onuitgesproken. -</p> -<p>En inderdaad, daar uit een der vertrekken van de bijgebouwen, waarop men van uit de -pandoppo tusschen de „kree’s”<a class="noteRef" id="xd30e10925src" href="#xd30e10925">10</a> door uitzicht had, verschenen een paar Europeesche heeren, een paar Javaansche hoofden -en een paar Chineesche officieren, die zich in plechtstatigen optocht naar de pandoppo -begaven, en op de estrade plaats namen. -</p> -<p>In de eerste plaats verscheen Mr. Greveland, de opvolger van Mr. Zuidhoorn en voorzitter -van den landraad, daarop volgden Radhen Mas Toemenggoeng Pringgoe Kesoemo, de regent -van Santjoemeh, Radhen Pandjie Merto Winoto, de patih, en babah Thang Ing Gwam: de -majoor der Chineezen, welke drie de leden van den landraad uitmaakten. Daarop kwam -Mas Wirio Kesoemo, de hoofddjaksa, waarachter de griffier trad; terwijl de stoet besloten -werd door Hadjie Moehammad Kassan, de panghoeloe of priester. -</p> -<p>De voorzitter was gekleed in de rechterlijke toga met bef en barret, de griffier in -zwarten rok en witten pantalon, de Javaansche leden van den raad natuurlijk in hun -nationaal kostuum: kort buisje met staanden en met goud geborduurden kraag, daaronder -een met idem geborduurd vest, eindelijk de fraai gestikte sarong in fijne plooitjes -voor den buik geordend, en het hoofd, behalve met den hoofddoek ook met den „kopja” -gedekt, dat vormlooze tooisel, hetwelk op een eindje kachelpijp gelijkt dat met smalle -gallonnetjes versierd zoude zijn. De majoor-Chinees was in het mandarijnen-pak gestoken, -dat in vorm zooveel van een Roomsch miskleed heeft, hetwelk evenwel, zoowel aan den -voor- als aan den achterkant, met een monsterachtigen draak in goud geborduurd op -het lichtblauw laken zou prijken. Zijn hoofd was getooid met eene soort pet, ook van -lichtblauw laken, die veel van <span class="pageNum" id="pb2.156">[<a href="#pb2.156">156</a>]</span>eene barret had, maar stijver was en die op den eenigszins verheven bol een pluisje -of kwastje vertoonde, waarin een veelvlakkige schitterende blauwe steen ontwaard werd. -</p> -<p>De panghoeloe was in de Arabische chlamyde gehuld, eene soort lange jurk van donkere -stof, die hem tot aan de hielen reikte. Hij had een vervaarlijken grooten tulband -op het hoofd, die aanduiden moest, dat de man het graf des Profeets bezocht had, en -dus „Hadjie” (bedevaartganger) was. In zijn handen hield hij een boek, dat er niet -zeer zindelijk uitzag. Dat was de Koran. -</p> -<p>Op de trappen van de estrade, ter weerszijden van de tafel, namen ettelijke Javaansche -jongelingen plaats, die natuurlijk ook in het nationaal costuum gedost waren, evenwel -geen kopja droegen. Dat waren de „mantrie’s” gewoonlijk jongelieden van aanzienlijke -geboorte, die toeluisteren en zich oefenen kwamen, om later in staatsdienst te kunnen -treden. Zij zaten daar op die treden met voor zich gekruiste beenen en hadden hun -schrijfbordje op de knieën rustende, gereed om de snuggere opmerkingen op te teekenen, -welke aan de vergetelheid moesten ontrukt worden. -</p> -<p>Mr. Greveland zat natuurlijk voor het midden der langwerpige tafel. Rechts van hem -zat de regent, en links de griffier. Naast den regent zat de djaksa, die den panghoeloe -aan zijne rechterzijde had. Naast den griffier zat de patih en naast dezen de majoor-Chinees. -Deze plaatsing was stipt volgens de etiquette, waarop de meeste Oostersche volkeren -zoo gesteld zijn, bepaald. -</p> -<p>Een oogenblik, nadat die rechterlijke stoet had plaats genomen, verscheen August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, ook gekleed in de toga, en nam op aanwijzing van den voorzitter plaats aan -het uiteinde van de tafel naast den majoor-Chinees. Het was een eigenaardige aanblik<a class="noteRef" id="xd30e10943src" href="#xd30e10943">11</a>, welke die pandoppo van de regentswoning thans opleverde. -</p> -<p>Zooals gewoonlijk, was het een ruime loods, welker hoog dak op een achttal pilaren -rustte, en dus aan de zijden geheel open was. Tot tempering van het schelle <span class="pageNum" id="pb2.157">[<a href="#pb2.157">157</a>]</span>licht en ook om de onbescheiden blikken van buiten te weren, waren de vakken tusschen -de pilaren door groen geschilderde kree’s beschermd, terwijl bovendien achter de leden -van den landraad nog een zeildoek gespannen was. -</p> -<p>Vlak achter die leden zaten eenige Javanen nedergehurkt, die belast waren, met de -dichtgeslagen pajoengs der Javaansche hoofden in de hand te houden, evenwel zoo, dat -die emblamata van gezag achter hunne meesters goed zichtbaar waren. -</p> -<p>Zooals die raad daar zitting nam, die als type kon gelden van de rechtbanken voor -de Inlanders op Java<a class="noteRef" id="xd30e10960src" href="#xd30e10960">12</a>, vertoonde hij een wonderlijk mengelmoes van de drie grondbeginselen, welke het Nederlandsche -bestuur min of meer, maar steeds uiterst behendig, tracht te behartigen. Vooreerst -het Europeesche recht, vertegenwoordigd door den voorzitter, dan de Inlandsche gewoonten -en gebruiken, die vergen, dat de beide raadslieden uit Javaansche grooten, als het -kan, uit edellieden bestaan, en eindelijk het Musulmansche recht, waaromtrent de priester -de leden op de hoogte moet brengen. -</p> -<p>Tusschen de estrade en de eerste rei stoelen was eene betrekkelijk groote ruimte gelaten, -zonder dat evenwel een zweem van afsluiting te bespeuren was. Ter weerszijde van die -estrade stonden een paar politie-oppassers met hunne gele uitmonstering en met hunne -sabels op zijde, die aan gele bandelieren bengelden. Die Javanen schenen vrij wel -met hunne figuur verlegen. Zij waren niet gewoon bij dergelijke gelegenheden zooveel -publiek te zien. -</p> -<p>Dat de schoone Laurentia in het midden der eerste rij stoelen had plaats genomen, -verwonderde niemand. Die plaats kwam haar als njonja-resident toe. Naast en onmiddellijk -achter haar hadden zich de voornaamsten van Santjoemeh, of die zich daarvoor hielden, -gerangschikt. Daarachter vulde eene bonte menigte de pandoppo, die evenwel sedert -dat de landraad binnen gekomen was, fluisterend met elkander sprak. -<span class="pageNum" id="pb2.158">[<a href="#pb2.158">158</a>]</span></p> -<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool en Leendert Grashuis ontbraken natuurlijk niet, en hadden op de derde of -vierde rij plaats genomen, vanwaar zij een goed overzicht hadden. -</p> -<p>„Kijk Thomasz zich eens aangenaam bij de schoone Laurentia maken,” merkte Van Rheijn -op. -</p> -<p>„Ja, hij zet zijn beste beentje voor,” antwoordde Grashuis. -</p> -<p>„Het is met hem tegenwoordig koek en ei in het residentiehuis,” prevelde een jongmensch, -die achter onze vrienden gezeten was. -</p> -<p>„Er loopen al zeer zonderlinge praatjes,” fluisterde een ander. -</p> -<p>„Ja, in Santjoemeh zijn de praatjes niet zeldzaam,” zei Van Rheijn glimlachend. „Santjoemeh -zonder <i lang="fr">chronique scandaleuse</i> is ondenkbaar.” -</p> -<p>„Drommels, als het er naar gemaakt wordt!” -</p> -<p>„En als de waarschijnlijkheid een handje medehelpt!” -</p> -<p>„Zoo, gaat ge dan op waarschijnlijkheden af, wanneer het de eer van eene vrouw geldt?” -vroeg Eduard stekelig. -</p> -<p>„Men verhaalt, dat de tusschenkomst van ’Mbok <span class="corr" id="xd30e10991" title="Bron: Karjä">Karjå</span> ingeroepen is.” -</p> -<p>„En, als dat afzichtelijke wijf ergens in gemoeid is, ja, dan …” -</p> -<p>„Men?” vroeg Van Rheijn. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Wie is die „men”? <span id="xd30e11000"></span>herhaalde hij ongeduldig.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Wel iedereen.” -</p> -<p>„Daar hoor <i>ik</i> toch niet bij!” -</p> -<p>„En <i>ik</i> ook niet! betuigde Grashuis. -</p> -<p>„Shut!.… Laurentia schijnt iets te hooren,” fluisterde Van Rheijn. „Zie haar eens -de ooren spitsen!” -</p> -<p>„Wat ziet Van Beneden er deftig uit in zijn toga!” zei Leendert Grashuis hardop. -</p> -<p>„Die japon flatteert hem niets,” zei Van Rheijn. „Hij zit er in als een parapluie -in zijn foudraal!” -</p> -<p>In dit oogenblik keerde zich Mevrouw Van Gulpendam om, en monsterde met een blik den -groep jongelieden daar achter haar. Allen bogen diep bij wijze van groet. Minzaam -beantwoordde zij dien. Van Rheijn evenwel werd met een innemenden glimlach begunstigd. -Gold die zijne vergelijking van Van Beneden met een parapluie? -</p> -<p>„Olijkert!” prevelde een der achter hem zittenden, en <span class="pageNum" id="pb2.159">[<a href="#pb2.159">159</a>]</span>gaf hem een lichten stomp in de zijde. „Geeft ge daarom zoo af op die „men”?” -</p> -<p>„Schei toch uit met dien nonsens! Je moest je schamen!” -</p> -<p>„Hebt gij al een invitatie gekregen?” vroeg Grashuis, om het gesprek een andere richting -te geven. -</p> -<p>„Welke invitatie?” -</p> -<p>„Om de receptie bij gelegenheid van het huwelijk van Lim Ho bij te wonen.” -</p> -<p>„Ja, die heb ik gekregen.” -</p> -<p>„Ik ook.” -</p> -<p>„En, ik ook. -</p> -<p>„Een rare gewoonte,” zei Van Nerekool, „die receptie ten huize van den bruigom te -houden.” -</p> -<p>„Dat is zoo geheel afwijkend van hetgeen bij westersche volkeren plaats heeft.” -</p> -<p>„Zooals alles, wat bij de Chineezen voorvalt,” zei Eduard van Rheijn lachende. „Het -is bij hen alles averechts. Zij hebben wit voor rouwkleur, blauw voor halven rouw; -hunne dames dragen pantalons en de mannen waaiers; zij laten messen, lepels en vorken -aan ons barbaren over, en goochelen hun maal met een paar stokjes heel behendig naar -binnen; zij hebben een afschuw van eene pen, maar schilderen hunne gedachten met een -penseel in loodrechte zuilen op het papier; zij meenen dat de nakomelingen de voorouders -tot adellijken stempelen, zoodat men bij hen na den dood graaf of baron kan worden; -zij betalen hun dokter, wanneer zij gezond, maar weigeren betaling, wanneer zij ziek -zijn. Laat die menschen dan ook bruiloft houden bij den bruidegom in stede van bij -de bruid.” -</p> -<p>Een algemeen gelach begroette dien koddigen uitval van den aspirant-controleur, die -niet zacht gesproken had. Zelfs mevrouw Van Gulpendam stemde met het gelach in, en -knikte hem vriendelijk toe. -</p> -<p>„Ziet ge wel, gelukkige sterveling, in welk goed boekje ge staat?” -</p> -<p>„Shut … heeren. Daar komt de moordenaar!” -</p> -<p>„Zoo zonder boeien?” -</p> -<p>„Jawel, de wet vergt, dat de beschuldigde vrij en frank voor zijne rechters verschijne!” -</p> -<p>„Maar verbiedt niet, dat de suppoosten in zijne nabijheid blijven.” -<span class="pageNum" id="pb2.160">[<a href="#pb2.160">160</a>]</span></p> -<p>„Shut!.…” -</p> -<p>Mr. Greveland had een slag op de tafel met den houten hamer gedaan. -</p> -<p>„Deurwaarder, zorg dat er stilte heersche!” sprak hij met waardigheid. -</p> -<p>Deze een sienjo, liep door de pandoppo op en neer, en beijverde zich stilte te verkrijgen. -</p> -<p>„Shut!… Shut!… dames en heeren!… Shut!” schreeuwde hij, en maakte daarbij alleen meer -leven dan het geheele gezelschap bij elkander. -</p> -<p>De voorzitter klopte herhaaldelijk met zijn hamer. -</p> -<p>„Stilte!” werd er geroepen. -</p> -<p>„Stilte!… Shut!” herhaalde de deurwaarder; terwijl hij bedarend en smeekend de armen -uitstak, alsof hij òf zwemmen òf een storm bezweren wilde. -</p> -<p>Eindelijk gelukte het al die tongen, al die monden in bedwang te krijgen. Een der -minst volgzamen was de schoone Laurentia. Voor wie zou zij zich ook als residentsvrouw -te ontzien hebben? Die heeren van de rechterlijke macht zijn ook zoo aanmatigend!.… -Maar eindelijk hield ook haar gekakel op. -</p> -<p>„De zitting is geopend!” sprak de voorzitter plechtig; terwijl hij andermaal een slag -met den hamer deed hooren. -</p> -<p>„Suppoost, laat den beschuldigde nader komen.” -</p> -<p>Setrosmito werd door een der politie-oppassers tot bij de trappen der estrade voor -de tafel gebracht, waar men hem deed nederhurken. De man zag er ellendig uit. Wie -hem vroeger gezien had, zou hem waarlijk niet herkend hebben. Die lange maanden, welke -hij in de gevangenis doorgebracht had, hadden hunne werking waarlijk niet gemist. -Hij was verschrikkelijk vermagerd; het bruin zijner gelaatskleur was in een fletsgrauw -overgegaan; zijne lange haren, die bij vlokken onder zijn hoofddoek uitkwamen, waren -grijs, schier wit geworden. Hij zag bij zijn voorwaarts treden schuchter rond, sloeg -een smeekenden blik op August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, die hem bemoedigend toe wenkte, en hurkte toen gelaten neder. Bij zijn verschijnen -voor de estrade was een hartverscheurende gil van: „Allah! tobat!” (Ach God!) opgegaan, -die een streng: „diam!” (stilte!) aan den deurwaarder ontlokte. Daar achter stonden -ettelijke Javaansche vrouwen, die de echtgenoote van Setrosmito, welke de zitting -had willen bijwonen, <span class="pageNum" id="pb2.161">[<a href="#pb2.161">161</a>]</span>vergezelden. De laatstbedoelde had dien gil, welke ieder hoofd had doen omwenden, -geslaakt, toen zij den ongelukkigen, in wien zij haren echtvriend ternauwernood herkende, -had zien voortreden. Van Nerekool snelde naar de arme vrouw toe, liet haar door een -der bedienden van den regent een soort tabouret geven, en bracht haar tot bedaren. -</p> -<p>„Nu stil zijn, ’Mbok Dalima,”<a class="noteRef" id="xd30e11062src" href="#xd30e11062">13</a> sprak hij. „Anders kunt gij hier niet blijven.” -</p> -<p>Snikkend verborg het arme schepsel het gelaat in hare beide handen. Allerwege werd -gemompeld: -</p> -<p>„De vrouw van den moordenaar!.…. Arme vrouw!” -</p> -<p>„Stilte!” brulde de deurwaarder. -<span class="pageNum" id="pb2.162">[<a href="#pb2.162">162</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e10709"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10709src">1</a></span> <i>Zelfs dames waren verschenen.</i> Dit is ten opzichte der Ind. dames een <span lang="la">licentia poetica</span>, die mijne pen ontsnapt is. Zelden of nooit worden in Indië rechtsgedingen door schoonen -bijgewoond. Zij laten dat volgaarne aan hare zoo veel volmaaktere zusteren in de brandpunten -der beschaving, bijv. te Brussel bij het proces der gebroeders Peltzer, of te ’s Hage -bij het proces van Jeanne Lorette over. Vooral de laatstbedoelden zien met diepe kleinachting -op hare Indo-Europeesche geslachtsgenooten neer. Zij hebben er wel redenen toe! <a class="fnarrow" href="#xd30e10709src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10741"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10741src">2</a></span> <i>Sedert de residenten en assistent-residenten als voorzitters van de landraden door -rechterlijke ambtenaren vervangen zijn.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n72.1">N<sup>o</sup> 1</a>. op bladz. 72 van het eerste deel. Dat er menschen zijn, die de vroegere toestanden -betreuren, laat zich begrijpen. <a class="fnarrow" href="#xd30e10741src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n2.149.2"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.149.2src">3</a></span> <i>Vooral nu een Europeaan voor zoo’n Javaanschen ellendeling zal pleiten.</i> Gewoonlijk worden voor den landraad geen pleidooien gehouden. Ziehier, wat Mr. <span class="corr" id="xd30e10756" title="Bron: Winkel">Winckel</span> in zijn <i lang="fr">Essai sur les principes <span class="pageNum" id="pb2.150n">[<a href="#pb2.150n">150</a>]</span>rêgissant l’administration de la justice aux Indes Orientales <span class="corr" id="xd30e10763" title="Bron: Neêrlandaises">hollandaises</span></i> op bladz. 309 dienaangaande zegt: <span lang="fr">La procédure devant le C. d. P. (conseil du pays) est assez semblable à celle en tout -pays civilisé, sauf que le M. P. (ministère public) assiste aux <span class="corr" id="xd30e10768" title="Bron: delibérations">délibérations</span> en chambre du conseil, <i>l’absence normale d’un défenseur</i> et la manière de prèter serment.</span> <a class="fnarrow" href="#n2.149.2src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10858"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10858src">4</a></span> <i>Bij de aanstelling der Chineesche officieren.</i> Hier mag niet aan militaire aanstellingen gedacht worden. De Chineezen in <span class="corr" id="xd30e10861" title="Bron: N. I.">N.-I.</span> hebben een soort van zelfbestuur—o, heel weinig, zeer weinig!—en worden hunne hoofden -door het Nederl. Ind. gouvernement aangesteld. Daarbij verkrijgen zij evenwel militaire -titels—niets meer—als van majoor, kapitein en luitenant, welke titels ook nog titulair -verleend kunnen worden. Zoo bezat de Chineesche gemeente te Batavia in 1881 een majoor-, -vier kapiteins- en zes luitenants-effectief en een majoor-, drie kapiteins- en tien -luitenants-titulair. <a class="fnarrow" href="#xd30e10858src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10868"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10868src">5</a></span> <i>Die groote eed wordt ook bij zeer belangrijke civiele gedingen gevergd.</i> Zie daaromtrent <span class="corr" id="xd30e10871" title="Bron: Winkels">Winckels</span> <i>Essai</i>, hierboven in de aanteekening <a href="#n2.149.2">No. 2</a> aangehaald op bladz. 149. <a class="fnarrow" href="#xd30e10868src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10885"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10885src">6</a></span> <i>Pen-ta-King</i> letterlijk vertaald: tempel van de witte steenrots. <a class="fnarrow" href="#xd30e10885src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10889"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10889src">7</a></span> <i>Eene graphische voorstelling van het Cosmogenisch Eerste beginsel.</i> Die voorstelling is te vinden op bladz. 46 van de <i>Jaarlijksche Feesten en gebruiken van de Emoy Chineezen</i> door Dr. <span class="sc">J. J. M. de Groot</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e10889src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10898"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10898src">8</a></span> <i>Hijeng-Keng</i> letterlijk: het aanbieden der offerande. <a class="fnarrow" href="#xd30e10898src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10906"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10906src">9</a></span> <i>Tao-peh-kong</i> letterlijk: groote heeroom; is het beeld, dat in de meeste Chineesche tempels en -huizen op Java aangetroffen wordt. Vertegenwoordigt de goden en het beginsel van het -graan door de kolonisten uit hun vaderland medegebracht. <a class="fnarrow" href="#xd30e10906src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10925"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10925src">10</a></span> <i>Kree’s.</i> Een soort matwerk van gespleten bamboe of rottan, ter afwering van het schelle daglicht. <a class="fnarrow" href="#xd30e10925src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10943"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10943src">11</a></span> <i>Het was een eigenaardige aanblik.</i> De heeren <span class="sc">Woodbury</span> en <span class="sc">Page</span>, photografen te Batavia hebben indertijd een fraaie photographie, zoo’n landraadzitting -voorstellende, in den handel gebracht. Waren de onkosten niet te hoog, dan zou ik -mijn werk met een copie daarvan hebben verrijkt. <a class="fnarrow" href="#xd30e10943src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e10960"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e10960src">12</a></span> <i>Als type van de rechtbanken voor Inlanders op Java.</i> Java, zonder de eilanden Madoera, Bawean en Karimon Djawa, bezat in 1881 83 dergelijke -landraden, waarvan 53 door rechterlijke ambtenaren voorgezeten werden, dus 30 door -niet-rechtsgeleerden. Aan dien toestand is weinig veranderd, daar volgens de Regeerings-Almanak -voor 1889 op Java nog 28 landraden door niet-rechtsgeleerden gepresideerd worden. <a class="fnarrow" href="#xd30e10960src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11062"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11062src">13</a></span> <i>’Mbok Dalima.</i> Het is gewoonte op Java, dat de ouders bij de geboorte van hun oudste kind diens -naam aannemen met voorvoeging van pak of ’mbok (vader of moeder.) Zoo beteekent Pak -Ardjan: vader van Ardjan, ’Mbok Dalima: moeder van Dalima. Er is iets liefs, nietwaar, -in die gewoonte? <a class="fnarrow" href="#xd30e11062src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch34" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e928">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXIV.</h2> -<h2 class="main">Eene <span class="corr" id="xd30e11077" title="Bron: landraadszitting">landraadzitting</span>.—Van Beneden’s pleidooi.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Toen de opschudding, door dien gil veroorzaakt, bedaard was, begon Mr. Greveland, -zich tot den beschuldigde wendende, het verhoor: -</p> -<p>„Hoe heet gij?” vroeg hij. -</p> -<p>De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch.<a class="noteRef" id="xd30e11084src" href="#xd30e11084">1</a> -</p> -<p>„Setrosmito, Kandjeng toean,” antwoordde beklaagde, met voorover gebogen hoofd en -den blik op den vloer gevestigd. -</p> -<p>„Waar zijt gij geboren?” -</p> -<p>„Te Kaligaweh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Hoe oud zijt gij?” -</p> -<p>„Dat weet ik niet, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Schrijf maar op: omstreeks veertig jaren,” zei de djaksa tot den griffier. -</p> -<p>Die had niet noodig dat op te schrijven. Het stond er reeds uit het voorloopig verhoor. -</p> -<p>„Waar woont gij?” -<span class="pageNum" id="pb2.163">[<a href="#pb2.163">163</a>]</span></p> -<p>„In de cipieran, Kandjeng toean,” antwoordde de beklaagde onnoozel. -</p> -<p>„Maar, voordat gij in de gevangenis kwaamt?” -</p> -<p>„In de dèsa Kaligaweh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Setrosmito, weet gij waarom gij thans voor den raad verschijnt.” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Zeg het ons dan.” -</p> -<p>„Ik ben beschuldigd van opiumsmokkelarij en van moord op een Chinees,” antwoordde -de Javaan uiterst kalm en steeds met <span class="corr" id="xd30e11120" title="Bron: nêergeslagen">neêrgeslagen</span> blik. -</p> -<p>Eene rilling ging door de pandoppo. Algemeen gefluister werd vernomen. -</p> -<p>„Stilte!” vermaande de voorzitter. -</p> -<p>„Stilte!” brulde de deurwaarder. -</p> -<p>„Bekent gij dat gedaan te hebben?” vroeg Mr. Greveland. -</p> -<p>De djaksa herhaalde de vraag. De beschuldigde antwoordde niet dadelijk. Het was alsof -hij zich bedacht. Steelsgewijze wierp hij een blik op August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, die hem bemoedigend toesprak: -</p> -<p>„Antwoord vrij uit, Setrosmito.” -</p> -<p>„Neen, Kandjeng toean, ik heb geen opium gesmokkeld. Ik maak nimmer gebruik van de -bedoedan. Ja, ik heb den Chinees gedood, omdat hij zich onwelvoegelijke handelingen -jegens mijn kind veroorloofde.” -</p> -<p>De Javaan sprak uiterst zacht tegenover die heeren en tegenover zijne hoofden. Hij -bezigde daarenboven de Javaansche taal, die bijna door niemand in de pandoppo verstaan -werd, zoodat zijn antwoord geen indruk maakte. -</p> -<p>„Setrosmito,” ging de voorzitter voort, „luister nu goed. Men zal u voorlezen, waarvan -gij beschuldigd wordt, als ook wat gij zelf en de getuigen verklaard hebben.” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>Daarop begon de griffier met die eentonige stem, die soort ambtenaren zoo eigen, de -voorlezing van de verschillende verhooren bij de voorloopige instructie opgemaakt. -Dat ging zoo vlug, zoo rad, en met zoo gedempte stem, dat niemand in de pandoppo, -zelfs de voorzitter, die toch zoo nabij de griffier zat, iets er van begreep. De beklaagde -nog het minst van allen, daar de voorlezing in het Maleisch geschiedde, eene taal, -die door een <span class="pageNum" id="pb2.164">[<a href="#pb2.164">164</a>]</span>eenvoudigen Javaanschen dèsaman niet begrepen wordt. Van tijd tot tijd hield de voorlezer -stil, om den djaksa tijd te gunnen het voornaamste voor den beklaagde te vertalen. -Dit ging en zoo rad en vlug, dat betwijfeld moest worden, of deze ook van die vertaling -iets begreep. Hij zat daar steeds met gebogen hoofd nedergehurkt, hield den blik onafgebroken -op eene plek van den grond gevestigd, frommelde met beide handen als in de grootste -verlegenheid aan de slippen van zijn baatje, en antwoordde slechts, wanneer de djaksa -hem vroeg of hij begreep: -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>De voorlezing was vervelend. Zelfs de leden van den raad fluisterden onder elkander, -en herhaaldelijk moest Mr. Greveland door ernstigen blik aan dat gefluister een einde -maken. Onder de toehoorders evenwel bepaalde men zich niet tot gefluister, en hoewel -men nu wel niet hardop praatte, zoo ontstond er toch een gebrom en gegons, hier en -daar vermengd met <span class="corr" id="xd30e11145" title="Bron: damesgegichel">damesgegiechel</span>, dat aan de waardigheid der Justitie wel afbreuk deed. Te vergeefs riep de deurwaarder -al de macht zijner longen te hulp om stilte te gebieden. Een oogenblik hielp het; -maar ook slechts een oogenblik. Onmiddellijk daarop had het gegons weer plaats, alsof -een geheele bijenzwerm de pandoppo vulde. -</p> -<p>„Wat leest die griffier onverdraaglijk,” grinnikte mevrouw Van Gulpendam. -</p> -<p>„Hij draagt zijn neus steeds dat baantje op,” antwoordde de heer Thomasz. -</p> -<p>„Als uw chef dat eens hoorde?” vroeg een der dames. -</p> -<p>„Shut!…” zei de substituut-griffier. „Hij weet niet, dat hij door zijn voorgevel praat. -Hij mocht zich eens willen verbeteren.” -</p> -<p>„Stil, mijnheer Thomasz,” zei Laurentia schaterend. „Gij moet mij niet zoo aan het -lachen brengen.” -</p> -<p>„Ik, mevrouw?” -</p> -<p>„Ja, gij! De resident heeft wel gelijk, als hij beweert, dat gij een droog komiek -zijt.<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Is dat de meening van den resident, mevrouw?” -</p> -<p>„Staat het praedicaat u niet aan?” -</p> -<p>„Het is niet vleiend voor een rechterlijk ambtenaar,” antwoorde de substituut-griffier -met een gezicht zoo <span class="pageNum" id="pb2.165">[<a href="#pb2.165">165</a>]</span>uiig ernstig, dat de schoonen het uitgierden. „Denk eens dames! Een komiek griffier!” -</p> -<p>„Schei uit, mijnheer Thomasz,” gilde schier Laurentia. „Zie de heer Greveland eens -een ernstigen blik op u werpen!” -</p> -<p>„Wat duurt dat geprevel lang,” klonk eene stem in het achterste gedeelte der pandoppo. -</p> -<p>„Als men nog eene sigaar kon aansteken tot tijdverdrijf!” -</p> -<p>„Of een bittertje krijgen!” riep een ander. -</p> -<p>„Ik vroeg straks een glas bier aan den oppasser; ik stik van de dorst!” -</p> -<p>„En?…” -</p> -<p>„Jawel! morgen brengen! „Traboleh, toean”, (dat mag niet, mijnheer) kreeg ik ten antwoord -van dien kanarievogel, die een gezicht zette als drie dagen west-mousson.” -</p> -<p>„Willen we naar de soos gaan? Die is vlak bij.” -</p> -<p>„Als ik wist, dat die vervelende pruttelaar nog lang werk had.…” -</p> -<p>„Stilte!<span class="corr" id="xd30e11177" title="Bron: ’,">”</span> riep de deurwaarder. „Eerbied toch voor de justitie!” -</p> -<p>Eerbied voor de Justitie!… Men was gekomen uit nieuwsgierigheid en … men verveelde -zich doodelijk. -</p> -<p>Eindelijk had de griffier zijn rol ten einde, en was de laatste vraag van den djaksa: -<span class="corr" title="Niet in bron">„</span>hebt gij verstaan, Setrosmito?” geschied, en had deze zijn eentonig klinkend: „engèh, -Kandjeng toean” gepreveld. Er had nog eenig geschuifel en gemompel plaats, dat zoo -krachtig mogelijk door de stentorstem van den deurwaarder overvleugeld werd. -</p> -<p>Toen de stilte weer ingetreden was, nam de djaksa het woord, om als officier van het -Openbaar Ministerie zijne akte van beschuldiging voor te dragen. Deze, een merkwaardig -stuk, kon evenwel slechts hen boeien, die van de aanhangige zaak niets afwisten. -</p> -<p>Het was een omvangrijke uiteenzetting der feiten, zooals zij door den bandoelan Singomengolo -opgegeven waren. De officier van het Openbaar Ministerie nam de beschuldiging van -opiumsmokkelarij als overtuigend bewezen aan. Hij wees op het sluwe van de bergplaats, -waar de sluikwaar onder het pandanmatje der baleh gevonden was. De opium en het doosje, -waarin zij vervat <span class="pageNum" id="pb2.166">[<a href="#pb2.166">166</a>]</span>was, lagen daar als stukken van overtuiging ter tafel! Hij ging in korte trekken na, -tot welke listen de smokkelaars hun toevlucht nemen, hoe zij daarbij eene stoute vindingrijkheid -ten toon spreiden, maar daarbij van de grootste démoralisatie bewijzen geven. Ernstig -ontwikkelde Mas Wirio Kesoema, hoe de opiumhartstocht hand over hand op Java toenam, -hoe die hartstocht vooral voeding vond door den smokkelhandel. Hij werd schier welsprekend, -toen hij op de noodzakelijkheid drukte, om dien morshandel met alle ten dienste staande -middelen te breidelen. -</p> -<p>„Gaat eens in uw gedachten na,” riep hij met schier indrukwekkende stem uit, „hoeveel -millioenen door die bedrieglijke handelingen aan ’s rijks schatkist ontsnappen, waardoor -èn de welvaart van het groote rijk der blanken ginds aan de overzijde van de onmetelijke -wereldzee gelegen, èn de welvaart van geheel Indië, maar vooral van ons gezegend Java -ergerlijk benadeeld worden. Die millioenen zijn niet bij eenheden, maar bij tientallen -te tellen; en vraagt u nu eens af, welk nuttig gebruik van die schatten kon gemaakt -worden, wanneer zij regelmatig en ongestoord in ’s lands kas vloeiden!” -</p> -<p>Bij die laatste zinsnede had de hoofddjaksa, die aanvankelijk meer het woord tot de -leden van den landraad richtte, zich naar het publiek gewend, overtuigd dat zijne -woorden daar wel instemming zouden vinden. Het waren toch voor het meerendeel Nederlanders, -die daar verzameld waren, en op die miste dat geklikklak van tientallen millioenen, -hetwelk een weerklank van geldstukken, die tegen elkander geschud zouden zijn, liet -hooren, zijnen invloed niet. Een goedkeurend gemompel werd vernomen, vele knikken -van goedkeuring werden ontwaard, en menige stem prevelde onhoorbaar zacht: -</p> -<p>„Ja, als we van dien ellendigen opiumsmokkelhandel verlost waren!” -</p> -<p>Sterk door die bewijzen van instemming, die zijn vluggen blik niet ontgaan waren, -uitte Mas Wirio Kesoemo dan ook de hoop, dat de rechters geene gelegenheid zouden -laten voorbijgaan om die slang, die zich ten koste van de volkswelvaart voedde, te -verpletteren, en rekende er op, dat zij den beschuldigde, die voor hen zat, en die -zich nog aan eene andere veel grootere euveldaad schuldig <span class="pageNum" id="pb2.167">[<a href="#pb2.167">167</a>]</span>had gemaakt, de zwaarst mogelijke straf zouden opleggen, door de reglementen en wetten -aangegeven! Zij zouden daardoor daadwerkelijk aanspraak verwerven op de dankbaarheid -van de geheele Nederlandsche natie! -</p> -<p>Het scheelde weinig, of het meerendeel der aanwezigen in de pandoppo had met een daverend -handgeklap een voorproef van die dankbaarheid gegeven. Een enkel bravo-geroep werd -vernomen, maar onmiddellijk gesust onder het indrukwekkende geschreeuw van: „stilte! -stilte!” van den deurwaarder. -</p> -<p>De hoofddjaksa was bij zijne laatste woorden tot het tweede gedeelte van de beschuldiging, -waaronder Setrosmito gebukt ging, gekomen,—namelijk die van moord op den Chineeschen -bandoelan,—welke met de misdaad van smokkelarij een ondeelbare zaak uitmaakte. -</p> -<p>Schier ademloos hing het geheele publiek aan zijne lippen, toen hij, zijn requisitoir -vervolgende, een verhaal gaf, hoe de beschuldigde zich tegen de huiszoeking verzet -had; hoe hij bij het vinden van het noodlottige doosje vertoornd den bandoelan voor -„gemeenen hond” had gescholden; hoe hij naar de kris gegrepen en zich, toen Singomengolo -verschrikt achteruitgestoven was, op den Chineeschen opiumjager gestort had, en dien -weerloozen, het gesiksakte lem van de kris door de keel gehaald had; terwijl moordenaar -en vermoorde door een gulp bloed overstroomd werden. -</p> -<p>Die beschrijving, in al hare ruwheid voorgedragen, verwekte een diepe sensatie onder -de menigte. Een der dames viel onder het slaken van een gil in onmacht, en moest naar -buiten gedragen worden. Dat gaf eenige opschudding, waarbij Setrosmito een angstigen -blik achter zich wierp, om toch te zien, wat er gebeurd was. -</p> -<p>„Stilte!… Stilte!” schreeuwde de deurwaarder met onvermoeide longen. -</p> -<p>Toen de menigte tot bedaren gebracht was, ging Mas Wirio Kesoemo voort met op de toenemende -stoutmoedigheid der smokkelaars te wijzen, die voor geen moord terugdeinsden, om hunne -sluikwaar te redden. Hij drong er op aan, dat de rechtbank een streng voorbeeld zoude -stellen, ter bescherming der opiumpolitie, die anders hare zoo zwaarwichtige zaak -niet zou kunnen volvoeren; en eindigde zijn requisitoir met den eisch van de straffe -des <span class="pageNum" id="pb2.168">[<a href="#pb2.168">168</a>]</span>doods door ophanging, of mocht de verdediging er in slagen verzachtende omstandigheden -te bepleiten, tot twintigjarigen dwangarbeid in den ketting. -</p> -<p>Toen de djaksa zweeg, heerschte er een diepe stilte in de pandoppo. Men zou een speld -hebben kunnen hooren vallen. De eisch van een menschenleven maakt steeds een vreeselijken -indruk op de menigte, hoe wuft die ook wezen moge. Een soort van betoovering snoerde -aller monden, het was alsof eene algemeene beklemming aller harten tot stilstand dwong. -Die stilte duurde een korte poos, en was allen ondragelijk; terwijl niemand zich aan -den invloed daarvan wist te ontworstelen. Een zucht van verlichting ontsnapte dan -ook aan aller borst, toen de voorzitter die stilte verbrak. -</p> -<p>„Setrosmito,” vroeg Mr. Greveland, „hebt gij gehoord, wat de „toean-pfiskal” (heer-fiskaal) -gezegd heeft?” -</p> -<p>De beschuldigde keek op die vraag den spreker aandachtig aan, maar antwoordde niet. -Het geheele requisitoir was in het Maleisch voorgelezen, waarvan de eenvoudige dèsabewoner -geen woord verstaan had. Dat drukte zijn gelaat genoegzaam uit. De voorzitter herhaalde -zijne vraag, die door den djaksa vertolkt werd. Setrosmito sloeg een blik op August -<span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, en antwoordde op een hoofdknik van dezen: -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„En hebt gij daar niets op aan te merken?” -</p> -<p>Een nieuwe blik op den advocaat. -</p> -<p>„Bottèn, Kandjeng toean,” klonk het onverschillig. -</p> -<p>Een kreet van afgrijzen ging in de pandoppo op. -</p> -<p>„Stilte!<span class="corr" id="xd30e11222" title="Bron: ..">…</span> Stilte, heeren!” brulde de deurwaarder. -</p> -<p>„Het woord is aan de verdediging!” sprak daarop Mr. Greveland, toen hij zich kon doen -verstaan. -</p> -<p>„Eindelijk!” prevelde Grashuis diep ademhalend. -</p> -<p>„Nu zullen wij wat moois hooren!” zei mevrouw Van Gulpendam smalend, en zoo overluid, -dat de advocaat haar hooren kon. -</p> -<p>Deze verrees kalm van zijn stoel, veegde zich, alvorens het woord te nemen, het zweet -af, dat op zijn voorhoofd parelde, en sprak met eene duidelijke stem, die door de -geheele pandoppo weerklonk: -</p> -<p>„Het proces, dat voor U Edel Achtbaren thans gevoerd wordt, behoort gansch eigenaardig -op Java te huis, <span class="pageNum" id="pb2.169">[<a href="#pb2.169">169</a>]</span>ja, zou op geen andere plek der aarde mogelijk wezen. Niets eenvoudiger dan de eisch -van het Openbaar Ministerie! Er is gesmokkeld, er moet gestraft worden! Er is gedood, -er moet gehangen worden! Zeker, het recht moet zijn loop hebben! Die misdaan heeft -moet gestraft worden. Wij leven in het Oosten, in het land der vergeldingswet: Oog -om oog, tand om tand! Maar, zelfs tegenover die harde wet, der beschaving zoo onwaardig, -staat het recht van onderzoek, het recht van verdediging, dat vooral onze mildere -wetgeving den beklaagde verzekert, en waarvan ik namens den ongelukkige, die voor -u zit zijn lot af te wachten, wensch gebruik te maken. -</p> -<p>„Hadden zich de daadzaken toegedragen, zooals die door het Openbaar Ministerie zijn -uiteengezet, dan zou mij niets anders overblijven dan den rampzaligen in de clementie -van de rechtbank aan te bevelen. Maar, neen, dan zou ik mij niet ingelaten hebben -met eene verdediging, die door mijn gemoed zoude veroordeeld worden. Ik ben dus eene -andere meening toegedaan, dan het Openbaar Ministerie en ik ben gereed de gronden -te ontwikkelen, die mij tot een geheel andere conclusie zullen voeren, dan wij zoo -even gehoord hebben. Leent mij derhalve eene onverdeelde aandacht. -</p> -<p>„Maar, alvorens tot die ontwikkeling over te gaan,” ging de jeugdige advocaat met -sympathieke stem voort, „wensch ik hulde te brengen aan den ijver, aan de toewijding, -aan het schrandere begrip van een man, van wien ik moeielijk zonder terughoudendheid -spreken kan, omdat ik door de innigste vriendschapsbanden aan hem verbonden ben. -</p> -<p>„De heer Willem Verstork, die controleur van de afdeeling Banjoe Pahit was, toen de -feiten plaats hadden, welke ons bezighouden, nam de taak op zich, om naast de instructie, -die van wege den officier van Justitie ingesteld werd, de onderzoekingen, die hij -begonnen had, voort te zetten. Hij heeft het resultaat zijner bevindingen in handen -der bevoegde autoriteiten gesteld. Waarom die niet bij de stukken der procedure aangetroffen -worden? Vergeeft mij, dat ik daarover heenglijd. Ik zou zoo’n poel van ongerechtigheden -aan te roeren hebben, in onmiddellijk verband staande met de opium-pacht, dat ik daarvoor -te eerder terugdeins, daar ik een aanzienlijk <span class="pageNum" id="pb2.170">[<a href="#pb2.170">170</a>]</span>gedeelte van uwen kostbaren tijd daartoe zou moeten in beslag nemen. Voor de zaak -van den ongelukkige, die ik te bepleiten heb, zal het voldoende zijn te constateeren, -dat de stukken, waar ik op doel, onwraakbaar bestaan, en dat ik volkomen authentieke -afschriften daarvan, door den Gouverneur van Atjeh en door den Directeur van Justitie -te Batavia behoorlijk gelegaliseerd, hier voor mij heb liggen. -</p> -<p>„Gij allen,” en hierbij wendde de jeugdige advocaat zich met een sierlijke beweging -zoowel naar de leden van den landraad als naar het publiek, „kent Willem Verstork, -en zou ik kunnen heenglijden over de edele eigenschappen, welke het karakter van dien -landsdienaar sieren, ware ik der verdediging, die ik op mij genomen heb, niet verplicht -Mr. Greveland, den voorzitter van den raad, die eerst onlangs te Santjoemeh aankwam, -op de hoogte te brengen, dat de schrijver der stukken de onkreukbaarste ambtenaar -is, die de achting en liefde van al zijne ondergeschikten, hetzij Inlanders of niet, -heeft weten te verwerven; dat hij de edelste zoon en bloedverwant is, die voor zijne -moeder en zijne nog jongere zusters en broeders alles over heeft; en dat ik geen tegenspraak -te vreezen heb, wanneer ik in dezen kring verklaar, dat hij is de rechtschapenste -mensch, die zich in onze Nederlandsche kolonie beweegt.” -</p> -<p>Een stormachtige toejuiching, gepaard met een oorverdoovend handgeklap, was het antwoord -van dat beroep op de algemeene instemming. Terwijl zij aan den eenen kant mevrouw -Van Gulpendam de lippen van kwalijk verbeten toorn op elkander deed klemmen, maakte -zij den deurwaarder schier waanzinnig, die dan ook zijn „stilte!” met alle macht hooren -deed. -</p> -<p>„Terwijl ik toch met ingenomenheid eene zoodanige hulde begroet, een onzer verdienstelijke -ambtenaren gebracht, waarvan ik reeds veel vernam,” sprak Mr. Greveland, na met zijn -hamer de noodige stilte verkregen te hebben, „zie ik mij evenwel verplicht tegen dergelijke -betuigingen hetzij van bijval, hetzij van afkeuring te waarschuwen, daar ik anders -verplicht zoude zijn het lokaal te doen ontruimen!… Mr. Van Beneden mag ik u verzoeken -met uwe verdediging voort te gaan.” -</p> -<p>„Na het gepleegde feit,” ging August voort, die zich <span class="pageNum" id="pb2.171">[<a href="#pb2.171">171</a>]</span>den tijd te nutte gemaakt had, om zich het voorhoofd af te wisschen en een teug ijswater -te verorberen. „Na het gepleegde feit trok Verstork herhaaldelijk naar Kaligaweh. -Hij herinnerde zich Racine’s vers: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">Un seul jour ne fait point d’un mortel vertueux, -</p> -<p class="line">Un perfide assassin, un lâche meurtrier!</p> -</div> -<p class="first">„Hij meende Setrosmito te kennen; maar hij wilde zich grondig overtuigen. En allerwegen -vernam hij, dat de man, die daar voor u zit, gebukt onder de zoo zware beschuldiging, -welke wij gehoord hebben, een onbesproken echtgenoot is, een braaf vader, een arbeidzaam -landbouwer, een van die onderworpen naturen, die, door hun veelvuldig voorkomen hier -op Java, het mogelijk maken, dat geheel een volk, dat terecht het zachtmoedigste der -aarde genoemd wordt, den nek kromt onder het juk, dat het met fiskalische wreedheid -op de schouders is gelegd. Ik heb hier een stuk voor mij liggen, waarbij de wedono -van het district Banjoe Pahit getuigt, bij gelegenheid, dat er een loerah voor de -dèsa Kaligaweh moest gekozen worden, niemand waardiger geacht moest worden dan Setrosmito, -vooral omdat hij geheel vrij was van opium-verbruik; maar dat hij toch die keuze moest -ontraden, omdat de eenvoudige sawahbewerker niet lezen of schrijven kon. -</p> -<p>„Hoe komt het, dat zoo’n man, waarvan zulke onwraakbare getuigenissen te geven zijn, -voor u zit als een opiumsmokkelaar, als een moordenaar? -</p> -<p>„Opiumsmokkelaar!… O! uw oog heeft reeds verraden, wat in uwe zielen omgaat. Gijlieden -weet genoegzaam, wat in de residentie Santjoemeh gebeurt. Gij keert het hoofd af, -wanneer gij dat woord hoort! Opiumsmokkelaar!… Waarop grondde het Openbaar Ministerie -die beschuldiging? Op niets anders, gij hoordet het, dan op de verklaring van een -bandoelan van den opiumpachter, van een afzichtelijk wezen, die door de publieke opinie, -als tot alles in staat, gebrandmerkt wordt! Op niets anders dan op dat doosje, dat -daar ligt, hetwelk Singomengolo bij den beklaagde zoude gevonden hebben! Maar,… het -is nog zoo lang niet geleden, dat hier op diezelfde tafel een aantal doosjes lagen, -afkomstig van denzelfden bandoelan; terwijl U Edel Achtbaren zich toen genoopt <span class="pageNum" id="pb2.172">[<a href="#pb2.172">172</a>]</span>zagen, de dochter van den beklaagde vrij te spreken, bij wie diezelfde man volgens -zijne verklaring een dergelijk doosje zoude gevonden hebben. Met welke bewijzen wordt -die verklaring van den bandoelan gestaafd, dat dit doosje onder het pandan-matje van -de baleh-baleh in Setrosmito’s woning gevonden werd? Door geen enkel, hoort ge? Door -geen enkel! Wij daarentegen kunnen op bewijzen steunen, die onweêrlegbaar blijken. -Ik neem al weer mijn toevlucht tot de geschriften van Verstork. Luistert: -</p> -<p>„„Toen de Chineesche bandoelan, van een paar oppassers vergezeld, zich aan de hut -van Setrosmito aanmeldde, om huiszoeking te doen, werd hem dat gereedelijk toegestaan, -nadat die drie zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen.<a class="noteRef" id="xd30e11259src" href="#xd30e11259">2</a> Toen werd niets gevonden, ook niet onder het pandan-matje van de baleh-baleh. Dat -hebben mij de twee politieoppassers en de dèsalieden Sidin en Sariman, die bij de -huiszoeking tegenwoordig waren, onder aanbod van eede verklaard. De laatsten betuigden -zelfs, dat bedoeld pandan-matje tweemalen opgetild was geworden, en dat de Chinees -het hoofdkussen, hetwelk daarop lag, nauwkeurig doorzocht had.” -</p> -<p>„Dat is duidelijk, mijne heeren! Maar laat ik met de lezing van Verstork’s schriftuur -vervolgen: -</p> -<p>„„Later kwam Singomengolo om zelf huiszoeking te doen. Toen deze zich niet aan de -gebruikelijke visitatie wilde onderwerpen, protesteerde Setrosmito en zeide: „dan -zal er wel opium in mijn huis gevonden worden. Ik ken die streken!” Ik heb een bewijs -van dat alles, door den kebajan der dèsa geteekend, hier bij mijn schrijven gevoegd.” -</p> -<p>„En er werd opium gevonden, mijne heeren! En wel ter plaatse, waar de Chineesche bandoelan, -toch een slimme vogel, tot twee keeren niets gevonden had! Is dat duidelijk of niet? -</p> -<p>„Opiumsmokkelaar!.… De raad zal begrijpen, dat ik die beschuldiging ver, ver wegwerp, -niet omdat ze niet rechterlijk zoude bewezen zijn,—in opium-procedures worden soms -de vreemdsoortigste bewijzen aangenomen,—maar omdat mijn cliënt geheel onschuldig -en het slachtoffer <span class="pageNum" id="pb2.173">[<a href="#pb2.173">173</a>]</span>is van een dier snoode aanslagen, die,—iedereen weet dat,—zoo gewoonlijk gebezigd -worden, wanneer iemand uit den weg geruimd moet worden, of wanneer een ellendeling -zich wreken wil. -</p> -<p>„Opiumsmokkelaar!… Het Openbaar Ministerie heeft met onmiskenbaren toeleg gewezen -op de millioenen, die door den sluikhandel voor de schatkist verloren gaan. Wiens -hart heeft niet getrild bij de ontwikkeling van die welsprekende woorden, al zij het -dan ook van niet edele gevoelens! Ja, daar gaan millioenen door den sluikhandel verloren, -maar niet op de wijze, zooals het ons voorgelegd werd, niet in doosjes, waarin slechts -voor luttele waarde geborgen is. De millioenen, die gesloken worden … Och, heb ik -wel noodig aan te wijzen, wie de sluikers zijn? Uw hart heeft de namen reeds geraden, -uw mond die reeds gepreveld. Die sluikers verblinden ongemoeid de goê gemeente met -hunne weelde, en houden er Singomengolo’s op na, om ongelukkigen, die hen hinderlijk -zijn, uit den weg te ruimen. Heb ik wel noodig die namen, die op aller lippen zweven, -te herhalen? Och, wat zou het baten? Een Procureur-Generaal van het hoogste rechterlijke -college was eens zoo vrij den vinger op de wond te leggen, en zijne onthullingen aan -den Gouverneur-Generaal te doen. Wat heeft het gegeven? Vraagt u dat af.” -</p> -<p>Hier stokte de advocaat een oogenblik, als wilde hij die laatste woorden, aan welke -hij de scherpte eener wig gegeven had, tijd gunnen in het brein zijner toehoorders -te dringen. Het was stil, zeer stil in die ruimte, en schier ademloos zat de menigte -daar, de woorden van den jeugdigen rechtsgeleerde aan te hooren. Allen waren onder -den invloed van zijn woord, en op ieders gelaat was te lezen: „Ja, dat is de toestand, -zooals hij door de Regeering met haar gruwelijk monopoliestelsel in het leven geroepen -is, zooals hij door haar met allen ijver gekweekt en bestendigd wordt.” -</p> -<p>„En nu het tweede feit, waarvan mijn cliënt beschuldigd is,” ging August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, na eene korte pauze, voort. „Zal het mij gelukken hem ook van die aantijging -te zuiveren, zooals ik dat van het eerste deed? Hier valt niet te ontkennen. De daad -is gepleegd. Het slachtoffer ligt in het graf, en het wapen, de kris, waarmede <span class="pageNum" id="pb2.174">[<a href="#pb2.174">174</a>]</span>de daad volbracht werd, bevindt zich daar voor u. Het Openbaar Ministerie heeft afgrijselijk -plastisch aangegeven, hoe de beschuldigde dat wapen door de keel van den verslagene -gehaald heeft. De toeleg daarvan is niet onduidelijk; toch heeft het de verdediging -daarmede meer dienst gedaan dan de afgrijselijke indruk, daardoor teweeg gebracht, -nadeel heeft kunnen uitoefenen. Want, hier moet al dadelijk de vraag rijzen: hoe komt -een wezen van zoo zachtmoedigen aard, als de man is, dien ik u deed kennen, tot zoo -eene daad van woest geweld? -</p> -<p>„Ik beroep mij alweêr op het onderzoek van den controleur Verstork. Dat onderzoek -heb ik op den voet gevolgd; ik heb het als het ware herhaald. Laat mij u mededeelen, -wat ik daarbij ervoer. Ja, ik zal daarbij plastisch zijn, maar het Openbaar Ministerie -heeft mij daarvan het voorbeeld gegeven. Ja, ik zal in bizonderheden moeten afdalen, -die het gehoor van mijn auditorium zullen aandoen; maar ik word door de taak, die -ik op mij heb genomen, er toe gedwongen!” -</p> -<p>En nu ontwikkelde de jeugdige rechtsgeleerde eene welsprekendheid, welks weêrga men -nimmer te Santjoemeh, nimmer in geheel Nederlandsch-Indië wellicht vernomen had. Hij -sprak niet alleen, hij bezigde ook gebaren. Hij „speelde comedie,” zooals mevrouw -Van Gulpendam hatelijk tot eene vriendin prevelde. Ja, hij vertoonde dat drama, hetwelk -hij heropbouwde, zooals Cuvier met een enkel wervelbeentje het geheele geraamte van -een <span class="corr" id="xd30e11286" title="Bron: antidiluviaansch">antediluviaansch</span> monster te voorschijn tooverde. Hij vertoonde als het ware, hoe de opiumjagers die -rustige hut van den eerzamen landbouwer binnendrongen; men zag, hoe Singomengolo weigerde -zich aan ieder onderzoek te onderwerpen; men woonde het bij, hoe de aterlingen het -schamele, huisraad het onderste boven haalden; men vernam, hoe de kinderen schreiden -bij de losbandige handelingen der aterlingen, die noch jeugd, noch kunne ontzagen; -men hoorde schier den kreet van „Allah tobat!” van de radelooze moeder, maar aanschouwde -tevens, hoe Setrosmito bij dien kreet het oog van Singomengolo had afgewend, en hoe -deze van die verstrooiing gebruik maakte, om met triomfeerend gebaar de sluikwaar -te voorschijn te brengen. Hoe de toorn en de verontwaardiging over zoo’n daad den -ongelukkigen Javaan tot het bezigen van een scheldnaam <span class="pageNum" id="pb2.175">[<a href="#pb2.175">175</a>]</span>verleidde; hoe die met een vuistslag vlak voor den mond door Singomengolo beantwoord -werd; hoe dolle drift, door die handtastelijkheid opgewekt, den ongelukkigen de hand -naar de kris deed uitsteken; hoe in dat oogenblik de kreet van de kleine Kembang weerklonk, -en den toestand van het zevenjarige meisje, dat aan de gemeenste betastingen ten prooi -stond van den laaghartigen Chineeschen bandoelan, voor den rampzaligen vader onthulde;… -dat alles ging voor de oogen der rechters, der toeschouwers voorbij, en maakte diepen -indruk op aller gemoed. -</p> -<p>Het „laat los” door den van woede ziedenden vader uitgekreten, werd door den advocaat -met onvergelijkelijke energie herhaald; beschreven werd door hem, hoe de aterling -in stede van aan dat bevel te gehoorzamen voortging met de ontuchtige beweging, waarop -het „sterf dan!” weerklonk op eene wijze, die de geheele pandoppo met ontzetting vervulde. -</p> -<p>Het was een benauwende droom, die allen beklemde. Aller oogen, aller harten hingen -aan de lippen van den advocaat, die daar stond, alsof hij de geest van het treurige -drama was, dien hij door zijn woorden opgewekt had. Zelfs Setrosmito, die van de geheele -rede, die in het Nederlandsch gevoerd werd, geen woord begrepen had, en geruimen tijd -steeds met gebogen hoofd voor zich had zitten kijken, had zich langzamerhand naar -zijn verdediger gewend en zijn blik diep doordringend op den jongen man gevestigd. -Neen, hij verstond dien woordenvloed niet! Maar hij begreep de gebaren. Hij zag daar -zijn geschandvlekt kind; hij zag de hand van den advocaat het noodlottige gebaar, -dat een menschenleven kostte voltooien. Met van hartstocht tintelende oogen knikte -hij den jongen man toe, terwijl dikke tranen over zijne wangen biggelden. -</p> -<p>„Engèh, mekatèn, Kandjeng toean!” (Ja, zoo is het gebeurd,) prevelde hij hoorbaar -te midden der diepe stilte, die heerschte, tot de Javaansche hoofden en strekte de -armen smeekend uit. -</p> -<p>„En, als ik nu, na den gang der feiten”, zoo vervolgde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden zijne pleitrede met klimmende geestdrift, „onweerlegbaar afgebakend te hebben, -de vraag stel: „Is die man schuldig, die, ja een mensch doodde, maar niet anders deed, -dan op te treden in een <span class="pageNum" id="pb2.176">[<a href="#pb2.176">176</a>]</span>noodlottig oogenblik tot bescherming van zijn onschuldig kind?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> Wat zal dan het antwoord op die vraag zijn? Zou iemand den steen kunnen werpen op -dien man, die het wapen trok en hanteerde, maar om zijn kind te vrijwaren van de snoodste -mishandeling, die in het bijzijn van een vader gepleegd kan worden? Ja, maar,.… het -geldt de opiumpolitie, hoorden wij uit de akte van beschuldiging! Zou ik kunnen denken, -dat iemand hier onder het dak aanwezig is, die ter wille van die opium-politie het -schuldig zou wenschen uitgesproken te zien, dan zou ik in volle wanhoop uitroepen: -wee der natie, welke zoo’n aterling bevat, die ter wille van de opium-pacht zoo de -rechtsbeginselen met voeten treedt! Die natie is hare ontbinding nabij!” -</p> -<p>Onbeschrijflijk was de indruk, welke die woorden op de menigte teweeg brachten. Het -was of eene huivering allen daar in die pandoppo overviel. -</p> -<p>„En nu,” ging de jeugdige rechtsgeleerde, zich tot het Openbaar Ministerie wendende -met klimmende zeggingskracht voort, die de huivering tot rilling deed overgaan. „En -nu, ga voort, gij! Stapelt de eene rechterlijke dwaling op de andere, maakt er u een -voetstuk van, trek uw onfeilbaarheid hoog genoeg op, dat de kreet van de ten offer -gebrachte onschuld aan de opiumpacht, dien onverzadelijken Minotaurus, uw oor niet -zal kunnen bereiken! -</p> -<p>„Van boven zal eindelijk de wederlegging en de wedervergelding u eenmaal bereiken. -Eens zal het Nederlandsche volk ontwaken, en, bij gebreke van den bliksem des Allerhoogsten, -de euveldaders, de aanbidders van den opium-afgod verpletteren! -</p> -<p>„Wat u betreft, heeren rechters,” vervolgde August met veel zachtere stem, maar toch -met geestdriftvolle overtuiging, die onmogelijk te wederstaan was, tot de leden van -den landraad. „Wat u betreft, stelt u in de plaats van den ongelukkige, wiens oogen -straks tranen vergoten, toen ik het voorgevallene ook voor hem bevattelijk schetste. -Stelt u voor, welke oogenblikken van hope en vreeze, welke oogenblikken van doodsangsten -die man, die daar zijn lot zit af te wachten, ondergaan heeft en in dezen stond ondergaat; -dan zult gij eenigermate de onuitsprekelijke vreugde kunnen beseffen, die den ongelukkigen -moordenaar, die zijn geheel gezin vervullen zal, wanneer <span class="pageNum" id="pb2.177">[<a href="#pb2.177">177</a>]</span>gij over eenige minuten het „niet schuldig” zult uitspreken, en gij een vader, die -zoo zijn gezin weet te verdedigen, aan zijne kinderen zult weergeven.” -</p> -<p>Na die woorden viel meester Van Beneden uitgeput op zijn stoel neder. Het was reeds -laat en de zon stond hoog in het zenith aan den hemel. Een benauwende warmte heerschte -in de pandoppo, en drukte loodzwaar op de menigte; terwijl een onmetelijke ontroering -allen bevangen had, welke het hare er toe bijdroeg, om de gemoederen als in eene schroef -te klemmen.… Een oogenblik heerschte er een huiveringwekkende stilte, die door enkele -snikken afgebroken werd.… Toen barstte eene algemeene toejuiching los, die het dakgebinte -tot in den nok deed trillen, en die de deurwaarder, hoe omvangrijk zijn stentorstem -ook was, onvermogend was, tot bedaren te brengen. -</p> -<p>Gedurende geruimen tijd hielden die uitingen van geestdriftvolle instemming met het -gesprokene aan, en bedaarden eerst, toen de voorzitter andermaal dreigde het lokaal -te zullen doen ontruimen! -</p> -<p>Het Openbaar Ministerie was verpletterd. Zich door den stroom medegesleept gevoelende, -die de geheele beschuldiging verzwolgen had, poogde de djaksa te verwerven, dat de -zitting verdaagd werd. Maar die poging mislukte. Mr. Greveland doorzag toch, welken -betreurenswaardigen indruk die verdaging zoude teweeg brengen. -</p> -<p>In de noodzakelijkheid zijnde, om dadelijk te repliceeren, kon Mas Wirio Kesoemo niet -anders dan beneden zijn onderwerp blijven. Hij prevelde, zonder dat hem eenige aandacht -geschonken werd, ettelijke omsamenhangende volzinnen, waarin zoo iets voorkwam van -de noodzakelijkheid om de opiumpacht en de bandoelans te beschermen. Hij stotterde, -draalde, hervatte later en zweeg eindelijk, zonder dat hij eenige oplettendheid verworven -had. -</p> -<p>Toen hij geëindigd had, vroeg de voorzitter, of de verdediging van haar recht tot -antwoord gebruik wenschte te maken. -</p> -<p>Mr. Van Beneden volbracht toen een prachtig gebaar van minachting. -</p> -<p>„Neen, mijnheer de voorzitter,” antwoordde hij, „alles wat ik zou kunnen zeggen, zou -slechts den indruk verzwakken van het gesprokene door het Openbaar Ministerie, wien -de beklaagde nog meer dan aan de verdediging zijn invrijheidstelling verschuldigd -zal zijn!” -<span class="pageNum" id="pb2.178">[<a href="#pb2.178">178</a>]</span></p> -<p>Na een oogenblik van stilte vroeg de voorzitter aan den panghoeloe, wat het heilige -boek voorschreef. -</p> -<p>„Oog om oog, tand om tand!” sprak deze op slaperigen toon uit<span class="corr" id="xd30e11323" title="Bron: ,">.</span> „Die man heeft gedood, die man moet sterven!” -</p> -<p>Een kreet klonk door de ruimte. „Een Javaansche vrouw was flauw gevallen,” mompelde -men. -</p> -<p>De leden van den raad trokken zich in de raadkamer terug. Na een lange poos verschenen -zij weder en las de griffier een breed gemotiveerd vonnis voor, waarin, na een ontelbaar -„aangeziens” en „overwegendes” eindelijk het „onschuldig” voor beide feiten uitgesproken -werd. -</p> -<p>Nu brak een ware storm los. De meeste toeschouwers vlogen op Van Beneden toe, om hem -geluk te wenschen met de behaalde overwinning. Zelfs de voorzitter, wel verre van -thans die algemeene geestdrift te stuiten, sloot zich daarbij aan. August trok den -steeds gehurkt zittenden Setrosmito overeind, fluisterde hem iets in het oor, dat -door den regent bevestigend herhaald werd. De Javaan wierp een enkelen blik op den -jeugdigen rechtsgeleerde, wiens hand hij op zijn borst drukte, terwijl hij eenige -onverstaanbare woorden uitte; maar die blik was voor August voldoende. Daarin was -zich niet te vergissen: dat was de blik van eene dankbare ziel. Achter in de pandoppo -mompelde eene stem: „De gerechtigheid der blanken is groot!” -</p> -<p>Een oogenblik later was de menigte uit elkander. -</p> -<p>„Drommels,” zei Grashuis bij het naar huis gaan tot den advocaat, „ik ben nog onder -de betoovering. Dat is te begrijpen! Maar, hoe hebt gij het aangelegd, om de Inlandsche -leden van den raad onder uwen invloed te krijgen?” -</p> -<p>„Wel, heel eenvoudig. Gisteren avond heb ik hun mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen!”<a class="noteRef" id="xd30e11334src" href="#xd30e11334">3</a> -</p> -<p>„O, zoo! Nu, dat is leuk!” -</p> -<p>De jeugdige rechtsgeleerde verzweeg, dat bij die gelegenheid de oude regent van Santjoemeh -zijne hand had gegrepen en hem toegefluisterd had: -</p> -<p>„Gij zijt een braaf mensch!” -<span class="pageNum" id="pb2.179">[<a href="#pb2.179">179</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e11084"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11084src">1</a></span> <i>De djaksa vertolkte die vraag in het Javaansch.</i> Ongeloofelijk nietwaar? dat de rechterlijke ambtenaar, die het Openbaar Ministerie -waarneemt, voor tolk speelt. Ziehier, wat Mr. Winckel op bladz. 305 in zijne hiervoren -reeds aangehaalde <i lang="fr">Essai sur les principes</i> schrijft: <span class="corr" title="Niet in bron">„</span><span lang="fr">A l’encontre de toutes les ordonnances et de tous les règlements, le <span class="corr" id="xd30e11093" title="Bron: ministèr">ministère</span> public sert <span class="corr" id="xd30e11096" title="Bron: d’intreprête">d’interprête</span>. Interrogé en Javanais par le djaksa, le témoin et l’accusé répondent naturellement, -comme ils ont répondu a l’interrogatoire préable, fait par le même personnage. Voilà -le débat oral devenu inutile.</span>” <a class="fnarrow" href="#xd30e11084src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11259"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11259src">2</a></span> <i>Zich aan de gewone visitatie hadden onderworpen.</i> Zie daaromtrent de aanteekening <a href="#n192.1">No. 1</a> op bladz. 192 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e11259src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11334"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11334src">3</a></span> <i>Mijn pleidooi in het Maleisch voorgelezen.</i> Dat zoo iets meer gebeurt en ook noodzakelijk is, zal de lezer wel gevoelen. De meeste -jonge <span class="corr" id="xd30e11337" title="Bron: advokaten">advocaten</span> kennen geen Maleisch genoeg, om vooral in den beginne van hunne loopbaan met die -sierlijkheid en die overtuiging te kunnen spreken, welke toch waarborgen van succes -geven. <a class="fnarrow" href="#xd30e11334src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch35" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e940">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXV.</h2> -<h2 class="main">Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op de westelijke helling van den Goenoeng Poleng,<a class="noteRef" id="xd30e11352src" href="#xd30e11352">1</a> die bergmassa, welke als het ware de kern uitmaakt van het Karang Bollonggebergte, -aan Java’s zuiderstrand gelegen, verhief zich in de nabijheid van de kleine dèsa Ajo, -een schamel hutje, dat daar tusschen een paar ribben van den steilen bergwand voor -het oog van de van noord en zuid naderenden, als in een terreinplooi verscholen lag. -</p> -<p>De plek, waar het hutje stond, kon schilderachtig genoemd worden. Wel is waar, werd -aan de achterzijde het uitzicht belemmerd door het steil oploopend terrein, dat rotsachtig -en derhalve slechts met een mager stekelig gras of met bergstruikjes bedekt was. Ook -ter weerszijden was de blik beperkt, door de slechts spaarzaam met teelaarde bedekte -rotswrongen, die de boorden uitmaakten van de versteende plooi, welke het gebouwtje -verborg. Maar aan den voorkant strekte zich een vergezicht uit, dat in liefelijkheid -en schoonheid uitmuntte, en alles vergoedde, wat het landschap aan de andere zijden -tekort kwam. Van het schamele voorgalerijtje gezien, daalde de helling vrij schielijk, -en opende daardoor een horizon, die wat afwisseling betrof, de meest eischende verbeelding -moest voldoen. Vooreerst spreidde zich het <span class="pageNum" id="pb2.180">[<a href="#pb2.180">180</a>]</span>hellend vlak voor de toeschouwers uit, dat zich aanvankelijk kaal en slechts met bruin -verweerde rotsblokken en struikjes bezaaid, vertoonde, waartusschen een paadje grillig -slingerde, als wilde het een wedstrijd in bochtige wendingen aangaan met een beekje, -dat kronkelend en klaterend, klotsend en schuimend langs zijne phantastisch ingesneden -bedding voortspoedde en bruischte. Maar lager op die helling begon het plantenrijk -zich al meer en meer te doen gelden, nog maar door enkele boomen met krom verwrongen -stammetjes en knoestige takken, later door meer opgaande vertegenwoordigers van het -gebied van Silvanus, om eindelijk over te gaan in een vruchtboomen-boschje, waarboven -ettelijke klapperboomen met hunne sierlijke bladeren en pluimen uitstaken, en dat -allerbevalligst den omtrek der kleine dèsa Ajo aangaf. -</p> -<p>Liefelijk vertoonden zich van die hoogte de hutten der Inlanders met hare bruine daken -en goudgele omwandingen te midden van het levendig groen, en spiegelden zich in de -Kali Djetis, die de dèsa ten westen begrensde, daar ter plaatse een sierlijken bocht -beschreef, om zich met eene breede monding in den Indischen Oceaan te storten. -</p> -<p>Ook de aanblik van die wereldzee bracht het zijne bij om het panorama, dat zich voor -de hut uitspreidde, tot een zeer merkwaardig te maken. Was toch de zee kalm, dan strekte -zij zich met haar donkerblauw vlak eindeloos, eindeloos ver, tot bij den gezichteinder -uit, die daar ginds zijn onberispelijken boog vormde, en glinsterde onder de tropische -zonnestralen als een spiegel van metaal; terwijl eenige weinige visschersvaartuigen, -die de Moeara Djetis trachtten binnen te komen, met hare blanke maar vreemdsoortige -zeilen de watervlakte aangenaam stoffeerden. Stond de zuidoost-passaat stevig door -en werd die in zijn opruiende beweging door den vloed geholpen, ja, dan was er geen -zeil te bespeuren; maar dan rolden machtige deininggolven aan, die bij het bereiken -van de riviermonding, onder den tegenstand, dien zij van het afstroomende bergwater -ondervonden, woest opsteigerden, een oogenblik als een blauwen muur voortrolden, om -eindelijk zich in eene machtige krul over te buigen, in verblindend schuim te breken, -en zoo eene branding of beter eene baar te vormen, die een verheven schouwspel opleverde, -welke de Moeara in eene kokende melkzee veranderde, <span class="pageNum" id="pb2.181">[<a href="#pb2.181">181</a>]</span>maar ook ieder vaartuig met verwoesting en verderf bedreigde, dat door zoo’n golf -overvallen werd. Dan werd daar een „prororoca”<a class="noteRef" id="xd30e11366src" href="#xd30e11366">2</a> in het klein vertoond, welk natuurtafereel evenwel, van het standpunt der hut, in -zijne geringste bizonderheden kon waargenomen worden. -</p> -<p>Het hutje zelf was een schamel gebouwtje, dat even als alle anderen van die soort -van de meest primitieve materialen, bamboe en atap, vervaardigd was. Het was eigenlijk -slechts een omwand en overdekt klein vierkant, waarin aan de voor- en de achterzijde -eene deur uitgespaard was, die daar ter plaatse op een soort galerijtje opende; terwijl -in de flankzijden een paar vierkante luiken den dienst van vensters moesten verrichten. -Of het innerlijke van dat vierkant in vertrekjes afgedeeld was, weten wij niet. De -blik van den romanschrijver mag niet altijd de onbescheidenheid te ver drijven. Hij -is gedwongen sommige gevoeligheden te sparen. Hij mag zijne lezers een opiumkit binnenvoeren, -en hen al de gruwelen openbaren, die daarin voorvallen, wanneer hij zich ten doel -stelt door de afzichtelijkheid der tooneelen tot verbetering te leiden; hij mag echter -niet doelloos eene hut voor zijnen lezer openen, waarin.…. -</p> -<p>Maar, hoe schamel het gebouwtje ook was, hetwelk daar op die berghelling eenzaam en -verlaten stond, hoe armoedig het zich ook voordeed, toch onderscheidde het zich van -die hutten daar ginds, daar beneden, van de hutten der dèsabewoners. Het was namelijk -proper, en droeg niet den stempel van onreinheid, welke veelal de Javaansche woning -van den eenvoudigen dorpsbewoner kenmerkt, wanneer Europeesch toezicht daaraan ontbreekt. -<span class="pageNum" id="pb2.182">[<a href="#pb2.182">182</a>]</span>De Javanen zijn en blijven een Oostersch volk, en hebben hunne punten van overeenkomst -met andere takken van die groote afstamming, men moge hen Mooren, Hindoe’s, Arabieren, -Chineezen, Egyptenaren, Berbers of zelfs Grieken, Italianen dan wel Spanjaarden noemen. -Het geheele huisje zag er met zijn dakbedekking van nieuwe nipah-bladeren,<a class="noteRef" id="xd30e11375src" href="#xd30e11375">3</a> met zijne omwandingen van goudgele „poeloepoe”<a class="noteRef" id="xd30e11382src" href="#xd30e11382">4</a> (bamboe-horden) netjes en zindelijk uit, terwijl er zich voor een erfje, tot tuintje -ingericht, met goed onderhouden paden, door weelderige grasperkjes slingerende, vertoonde. -Ook de bloemperken en de sierplanten duidden op nauwgezette verzorging, en was het -geheele erfje ook aan de achterzijde, door een vrij dichte „loentas”<a class="noteRef" id="xd30e11386src" href="#xd30e11386">5</a>-heg omgeven. Achter het huisje strekte zich tusschen de omheining een bescheiden -grasperk uit, waarop kruiselings geplaatste bamboestaken ontwaard werden, die door -lange touwen aan elkander verbonden, en zoo tot droogtoestellen ingericht waren voor -lijnwaden, voornamelijk voor vrouwenkledingstukken, als sarongs en slendangs, die -er dan ook in vrij groot getal in den wind wapperden. -</p> -<p>In de kleine voorgalerij ontwaren wij, behalve een enkelen bloempot,—zeer zeldzaam -in een Javaansche woning,—waarin een prachtige struik van Devonshire rozen in vollen -bloei, een „tenoenan” (Inlandsch weefgetouw), waarover een jong meisje, op een laag -bamboebankje met kruiselings gebogen beenen gezeten, gebukt is, en vlijtig en met -onafgewende aandacht de telkenmale zich anders kruisende draden van de ketting op -en neer doet gaan, om daartusschen de „welira” (schietspoel) met behendige hand heen -en weer te voeren. Van ons recht als romanschrijver gebruik makende, naderen wij, -hoewel wij dat huisje niet vermochten binnen te dringen, steelsgewijze <span class="pageNum" id="pb2.183">[<a href="#pb2.183">183</a>]</span>die voorgalerij, en maken van de onverdeelde oplettendheid der weefster op haren arbeid -gebruik, om niet alleen de verdere voorwerpen daarin aanwezig, maar vooral om haar, -die zoo ijverig werkt, te bespieden. Dat het lieve kind ijverig arbeidt, is te zien, -zoowel aan het weefsel, hetwelk op de „gondong” (haspelblok) van het weefgetouw gerold -is, en wat zij heden nog vervaardigde, als aan de „djantra,” (spinnewiel) die klaar -staat, om dadelijk den draad te leveren, wanneer de welira daaraan gebrek krijgt. -</p> -<p>Wat het meisje zelve betreft, zij zit voorover gebogen, haar gelaat is niet te zien. -Hare kleeding, een eenvoudig katoenen baatje van lichtblauwe kleur, een fraai gebloemde -sarong met donkeren grond, duiden er op, dat het eene Javaansche is, ook de bruingele -kleur der handen en van het weinige, dat van het gelaat zichtbaar is, zoomede de haardos, -die glad naar achteren gekamd en in eenen weelderigen „kondeh” (wrong) tegen het achterhoofd -opgebonden werd. Maar … die kondeh, hoe zorgvuldig hij gevormd en bevestigd is, trekt -toch onze aandacht. Enkele vlokjes ontsnappen daaraan, en kronkelen zich, zoo in tegenstelling -met de stijve, pijpensteelachtige haren der volbloed Javaansche schoonen, bevallig -om den wrong; terwijl de kortere haartjes daaronder sierlijke krulletjes vormen en -den lichtbruinen nek, dien wij bespeuren kunnen, met een donker getint waas overtijgen. -</p> -<p>„Zou het eene nonna<a class="noteRef" id="xd30e11397src" href="#xd30e11397">6</a> zijn?” rijst er in onze gedachte op. -</p> -<p>Tot die meening hellen wij te meer over, daar bij het bankje een paar „tjenella’s” -(slofjes) staan, die, hoewel uiterst eenvoudig, toch hoogst zeldzaam door Javaansche -vrouwen en meisjes gedragen worden, daarenboven op een voetje wijzen, zoo geheel verschillend -in afmeting van de gewoonlijk breed uit elkaar getrapte onderdanen der Inlandsche -schoonen. Terwijl wij nog zoo staan te turen, maakt de weefster eene beweging, waarbij -een hagelwit <span class="pageNum" id="pb2.184">[<a href="#pb2.184">184</a>]</span>teentje onder den sarong uit komt turen, en door zijn verschil in tint met gelaat, -hals en handen ons zelfs aan het nonnaschap doet twijfelen. Zij kijkt op, werpt, onbewust -dat zij bespied wordt, een verstrooiden blik over het fraaie panorama, hetwelk zich -voor haar uitspreidt, zucht eens diep, en.… -</p> -<p>„Dat gelaat!” mompelen wij, „waar hebben wij dat lieve gelaat aanschouwd?” -</p> -<p>Wij hebben geen tijd om ons daarvan rekenschap te geven. Juist, toen het jonge meisje -het hoofdje weer wil voorover brengen, om hare taak te hervatten, worden lichte voetstappen -op het pad vernomen, dat van de dèsa Ajo naar het hutje voert. De weefster kijkt op, -tuurt, kijkt scherp uit, en prevelt schier ontzet van verwondering: -</p> -<p>„Dalima!” -</p> -<p>Ja, het is Dalima, die daar met <span class="corr" id="xd30e11411" title="Bron: vluggeu">vluggen</span> tred het erf optreedt en de voorgalerij genaakt. De weefster vliegt van haar bankje -op, en nog voor dat de aankomende het drietal treden opgeklommen is, liggen de twee -aanvallige wezens in elkanders armen, terwijl twee kreten in elkander samensmelten: -</p> -<p>„Nana!” -</p> -<p>„Dalima!” -</p> -<p>Ja, nu herkennen wij de eene zoowel als de andere. De weefster is Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam, de andere is de arme Dalima, die wij bij hare nasporingen tot Karang Anjer -volgden, maar daar uit het oog verloren. -</p> -<p>„Waar komt gij vandaan?” vroeg Anna; terwijl zij nogmaals het Javaansche meisje aan -het hart drukte. -</p> -<p>„Heden kom ik van de dèsa Ajo,” antwoordde Dalima schalks. -</p> -<p>„Hoe kwaamt gij daar?” -</p> -<p>„Wel, van de dèsa Pring toetool. Daar was ik gisteren.” -</p> -<p>„Maar … wat hadt gij daar te maken?” -</p> -<p>„En daags te voren was ik te Gombong, en vroeger te Karang Anjer.” -</p> -<p>„Te Karang Anjer?.… Maar, wat hadt gij daar te doen?” -</p> -<p>„Om Nana te zoeken!” -</p> -<p>„Om mij te zoeken? Zijt gij daarom van Santjoemeh herwaarts gekomen? Hebt gij daarvoor -die verre reis afgelegd en.… dat in uw toestand?” -<span class="pageNum" id="pb2.185">[<a href="#pb2.185">185</a>]</span></p> -<p>Die laatste woorden werden met zekere schuchterheid uitgebracht, maar vergezeld van -een blik op Dalima’s middel, hetwelk geen vergissing toeliet. -</p> -<p>„Ja, Nana!” sprak het Javaansche meisje kalm en onbevangen. „Toen ik de gevangenis -verlaten heb, dank zij de hulp van den „toean rakker njang moeda”” (jongen heer rechter), -vervolgde zij met een doordringenden blik op Anna, waaronder deze het bloed naar het -hoofd voelde opstijgen, „heb ik mijne moeder opgezocht. Die bevond zich, alweer dank -zij toean Nerekool, met de kinderen in onbezorgde omstandigheden. Toen dacht ik aan -Nana. Ik vernam van den toean, dat nonna niet meer te Karang Anjer was, dat zij van -daar spoorloos verdwenen was. Ik begon te begrijpen waarom. Ik gevoelde, hoezeer mijne -lieve Nana zich verlaten en ongelukkig gevoelen moest. Ik ondervond een onuitsprekelijk -verlangen—het onweerstaanbaar verlangen der jonge vrouwen in mijn toestand,”—voegde -zij er met een treurigen glimlach bij, „om Nana op te zoeken, ten einde haar mijne -diensten te kunnen wijden. Toen ben ik vertrokken, en …” -</p> -<p>„Weet toean Van Nerekool van uw vertrek?” vroeg Anna verschrikt. -</p> -<p>„Neen, Nana, volstrekt niet.” -</p> -<p>„Hebt gij hem niets medegedeeld omtrent uw voornemen?” -</p> -<p>„Neen, Nana.” -</p> -<p>„Hebt gij u niets van uw plan laten ontvallen? Niet alleen jegens mijnheer Van Nerekool, -maar ook jegens uwe moeder? Dalima, bedenk u wel!” -</p> -<p>„Neen, jegens toean Karel, heb ik mij niets laten ontvallen, Nana. Aan mijne moeder -heb ik verteld, dat ik u ging zoeken.” -</p> -<p>„Waar?” -</p> -<p>„Wel, te Karang Anjer, Nana.” -</p> -<p>„Maar gij wist, dat ik te Karang Anjer niet meer was?” -</p> -<p>„O, ik wilde njonja Steenvlak vragen. Die zou mij wel vertellen, waar gij waart.” -</p> -<p>„Zijt gij bij mevrouw Steenvlak geweest?” -</p> -<p>„Ja, Nana.” -</p> -<p>„En?” -</p> -<p>„Ik vernam daar niets. De njonja wist uw verblijf, dat erkende zij; maar zij had u -beloofd, het aan niemand bekend te maken.” -<span class="pageNum" id="pb2.186">[<a href="#pb2.186">186</a>]</span></p> -<p>Anna haalde diep adem. Nu scheen zij eerst gerustgesteld. -</p> -<p>„Maar, hoe hebt gij mij dan gevonden, Dalima?” vroeg zij. -</p> -<p>„Ja, Nana, hoe moet ik dat verhalen? Ik heb overal rondgedoold; ik heb overal gevraagd: -bij de verspanningen van de posterij, bij de loerah’s der dèsa’s, bij de gardoe’s -en warong’s langs den weg; in één woord overal en bij een ieder. Zoo ronddwalende -kwam ik in de dèsa Prembanan aan.…” -</p> -<p>„In de dèsa Prembanan?” vroeg Anna gejaagd. -</p> -<p>„Daar vond ik uw eerste spoor. Gij hebt daar koffie gedronken aan eene warong, terwijl -een gebroken pikolan van uwe tandoe verwisseld werd.…” -</p> -<p>Anna bekeek hare matgele handen. -</p> -<p>„Ja, bekijk uwe handen maar,” vervolgde Dalima glimlachende, „de scherpziende oogen -van de waronghoudster konden door de „boreh”<a class="noteRef" id="xd30e11461src" href="#xd30e11461">7</a> (verf) weinig of niet op een dwaalspoor gebracht worden. Zij giste, dat gij eene -blanke of eene Solosche poetri waart.” -</p> -<p>„En verder?” vroeg Anna. -</p> -<p>„Gij hebt haar gevraagd, hoever Prembanan van de dèsa’s Sikaja en Pring toetool verwijderd -was, nietwaar?” -</p> -<p>„Dat is zoo.” -</p> -<p>„Welnu, dat spoor heb ik gevolgd, berg op, berg af.” -</p> -<p>„Arm, arm meisje! En dat in den toestand, waarin gij u bevindt!” zei Anna, terwijl -zij Dalima andermaal aan het hart drukte. „Arm kind, gij ziet er dan ook wel vermagerd -uit.” -</p> -<p>„O, maar ik ben sterk, Nana.… Maak u niet ongerust. Te Pring toetool kreeg ik verdere -tijdingen. Gij waart naar de dèsa Ajo. Daar vond ik nog de tandoe, die u aangebracht -had, op het erf van den loerah, en vernam <span class="pageNum" id="pb2.187">[<a href="#pb2.187">187</a>]</span>daar, dat gij hier een huis hebt laten bouwen.… wat fraai is.…” -</p> -<p>Bij die woorden keek Dalima rond en liet een zucht ontglippen, die met het gesprokene -wel in strijd was. In de gedachte vergeleek het Javaansche meisje toch die hut met -het residentiepaleis te Santjoemeh. -</p> -<p>Tot nu toe hadden de beide jonge wezens het gesprek staande, maar op elkander leunende, -als het ware in elkanders armen geklemd, gevoerd. -</p> -<p>„Laten wij gaan zitten,” sprak Anna, die de aarzeling harer gezellin zeer goed begreep; -„gij zult wel vermoeid zijn, Dalima.” -</p> -<p>Zij nam weer plaats op haar bankje bij de tenoenan. Dalima hurkte aan hare voeten -op een matje neder, en leunde het hoofd op de schoot van het blanke meisje. En weldra -was het gesprek tusschen de deerns in vollen gang. -</p> -<p>„Neen, ik ben niet vermoeid, Nana,” hernam Dalima. „Ik kom heden slechts van Ajo, -waar ik gisteren ochtend al heel vroeg aangekomen ben. Ik heb dus tijd genoeg gehad -om uit te rusten.” -</p> -<p>„Maar vertel mij nu, Dalima, van uw wedervaren, van uw proces,” vroeg Anna. -</p> -<p>En nu volgde het verhaal van hetgeen de lezer reeds weet. Dat Van Nerekool niet vergeten -werd, laat zich begrijpen. Het dankbaar gemoed van het Javaansche meisje gedoogde -niet, dat die naam verzwegen bleef. Zelfs had het er iets van, of hij meer op hare -lippen kwam, als stipt noodzakelijk was, zoo zelfs dat Anna andermaal aan Dalima vroeg: -</p> -<p>„Gij verzekert mij, gij zweert mij, dat mijnheer Van Nerekool u niet gezonden heeft, -om mij op te sporen?” -</p> -<p>„Dat zweer ik, Nana,” sprak het Javaansche meisje met volle overtuiging in hare stem. -</p> -<p>„En gij moet mij beloven, dat gij op geenerlei wijze hem bekend zult maken, dat gij -mij gevonden hebt.” -</p> -<p>Dalima antwoordde daar niet dadelijk op. Blijkbaar aarzelde zij. -</p> -<p>„Als gij mij die belofte niet doet,” sprak Anna ernstig, „dan kunt gij niet bij mij -blijven, Dalima, dan ga ik zelfs verhuizen en God alleen weet waarheen.” -</p> -<p>„Niet bij u blijven, Nana!” kreet het Javaansche <span class="pageNum" id="pb2.188">[<a href="#pb2.188">188</a>]</span>meisje. „Ik, die zoover gekomen ben om bij u te zijn! Dat kunt gij niet meenen!… Niet -bij u blijven! Dat is immers onmogelijk! Ik heb ouders, vrienden, allen verlaten om -bij u te zijn; en … nu spreekt gij er van mij heen te zenden.…” -</p> -<p>Het arme kind kon niet voort. Onbedwingbare snikken verstikten hare stem. -</p> -<p>„Neen,” sprak Anna diep met haar bewogen, „neen, ik wil u niet wegzenden; integendeel, -ik wil u bij mij houden. Maar gij moet mij de belofte doen, aan niemand over mijne -aanwezigheid hier te berichten. Wilt gij?” -</p> -<p>Dalima wierp zich weenend in hare armen. -</p> -<p>„Gij zijt hier zoo alleen, zoo armoedig!…” snikte zij. -</p> -<p>„Dat is niets. Daar ben ik al aan gewend.” -</p> -<p>„Hij bemint u zoo zeer!” vervolgde de kleine baboe. -</p> -<p>„Geen woord meer daarover, Dalima!” sprak Anna streng. „Gij kunt den slagboom niet -begrijpen, die tusschen mijnheer Van Nerekool en mij opgeworpen is. Nimmer kan van -een huwelijk iets komen! Laat u dat eens en vooral gezegd zijn!” -</p> -<p>Het Javaansche meisje antwoordde geen woord daarop, maar snikte voort. -</p> -<p>„Wilt gij mij die belofte doen?” vroeg Anna. -</p> -<p>„Ik had hem zoo gaarne mijne dankbaarheid betoond,” prevelde Dalima schier onhoorbaar, -„door zijn geluk te bewerken.” -</p> -<p>„Gij zoudt oorzaak van zijn ongeluk zijn, Dalima!” -</p> -<p>„Zijn ongeluk?… Vereenigd met u?… O, Nana!…” -</p> -<p>„Nogmaals, geen woord meer daarover!… Geef mij nu de hand, Dalima … Zoo … En gij belooft -mij, wat ik van u verg?” -</p> -<p>Zij keek het nedergehurkte meisje diep en navorschend in de schoone oogen. -</p> -<p>„Dat alles baart mij groot hartzeer,” stamelde Dalima; „maar als Nana het zoo wil … -dan mag ik niet ongehoorzaam zijn … Ik beloof het u.” -</p> -<p>„Zoo is het goed,” antwoordde Anna gerustgesteld, evenwel met een smartelijken glimlach. -„Nu ben ik blij, dat gij gekomen zijt; want gij zult mij o, zoo veel kunnen helpen. -Kijk eens wat fraai „kain polèng mas<a class="noteRef" id="xd30e11513src" href="#xd30e11513">8</a>” ik daar op de <span class="corr" id="xd30e11519" title="Bron: tenoennan">tenoenan</span> heb?” -<span class="pageNum" id="pb2.189">[<a href="#pb2.189">189</a>]</span></p> -<p>„Maakt gij die, Nana?” vroeg Dalima op medelijdenden toon. „Gij, de dochter van een -Kandjeng toean resident?” -</p> -<p>„Dat is nog iets, wat gij nimmermeer aanroeren moet, Dalima,” hernam Anna weemoedig. -„Niemand kent mij hier. Men weet zelfs niet, dat ik eene blanke ben. Men houdt mij, -gij zeidet het reeds, voor eene Solosche prinses, die door haren vader verbannen is. -O, er loopen daarover zulke aardige verhaaltjes. Het eene al zonderlinger dan het -andere. Dat prædicaat van „poetri” maakt mij voor de bevolking tot een half bovennatuurlijk -wezen, en verschaft mij een onbedongen veiligheid. En, zelfs de oude vrouw, die mijne -geweefde goederen verkoopt, ziet mij voor eene verwante van „Njahi lårå Kidoel” (vorstin, -maagd van het zuiden) aan en bedingt er veel hoogere prijzen voor dan anders het geval -ware.” -</p> -<p>„Worden die kains, die gij maakt, verkocht, Nana?” vroeg Dalima, terwijl zij hare -handen met smartelijke verbazing in elkander sloeg. „Gij, een „<span class="corr" id="xd30e11528" title="Bron: annak">anak</span>” (kind) van een Kandjeng toean!” -</p> -<p>„Die <span class="corr" id="xd30e11533" title="Bron: annak">anak</span> van een Kandjeng toean moet evenals ieder menschenkind eten, Dalima. Kom, laat mij -voortmaken; ik heb al te veel verpraat. Die kain poleng mas is mij besteld, en moet -ik zoo spoedig mogelijk afmaken.” -</p> -<p>Anna hervatte hare weefspoel, liet de kettingdraden ijverig op en neer gaan, terwijl -zij met de „tjokel” (lat) den inslagdraad nauwkeurig aandrukte. Dalima keek haar aan, -en tranen schoten haar in de oogen. Dat duurde evenwel slechts kort. -</p> -<p>Het Javaansche meisje greep het spinnewiel, plaatste dat naast de tenoenan, zoodanig -dat zij beiden haar gesprek konden voortzetten, en begon nu te spinnen. Zij legde -daarbij zoo eene behendigheid aan den dag, dat Anna haar goedkeurend toeknikte en -zeide: -</p> -<p>„Zoo zal ik flink hulp hebben en goed vooruitkomen. Niets hield mij toch meer op, -dan telkenmale te spinnen wanneer mijn welira ledig was.” -</p> -<p>„Maar ik kan niet alleen spinnen,” zei Dalima glimlachende, en niet zonder een zweem -van trots. „Gij zult <span class="pageNum" id="pb2.190">[<a href="#pb2.190">190</a>]</span>eens zien, ik kan u ook aflossen bij het weven. Maar, vooral kan ik goed batikken.” -</p> -<p>„Kunt ge? Dat zal mij werkelijk veel helpen. Daarin gevoel ik me nog een beetje links, -hoewel ik al handiger ben dan in den beginne. Straks zal ik u, alvorens wij voor het -eten gaan zorgen, mijn kunststukken op dat gebied laten zien.” -</p> -<p>Zoo pratende, werkten de beide meisjes een paar uren vlijtig door, totdat het tijd -werd om naar de keuken te gaan. Ook hier heerschte de grootste schamelheid, en was -geen verfijnd „<span lang="ms">kokki bitja</span>” (keukenboek) noodig, om het eenvoudige maal te bereiden. Dalima wilde niet, dat -Nana zich met iets zoude bemoeien. Zij nam haar den mand met „<span lang="ms">bras</span>” (rauwe rijst) af, liep er mede naar het beekje, dat langs het erf vloeide, waschte -de korrels, totdat het water helder uit den mand liep, zette de <span lang="ms">koekoesan</span> (mand) in de <span lang="ms">dandang</span> (waterketel) te vuur, bereidde den <span lang="ms">sambal oelak</span>, wikkelde eenige gezouten visschen met kruiden en spaansche peper in pisangbladeren, -om er „<span lang="ms">pèpèsan ikan</span>” van te maken en roosterde die licht op het houtskolenvuur, bakte een paar lapjes -vleesch, en was klaar, lang voordat de rijst gaar was. -</p> -<p>„Maar, waar is de tafel, Nana?” vroeg zij rondkijkende. „En waar het tafelgoed? Dat -ik alles klaar zet.” -</p> -<p>„Gij vergeet Dalima, dat ik geheel en al eene Javaansche geworden ben. Wil ik niet -herkend worden, dan moet ik mij geheel en al naar de gebruiken der dèsabewoners voegen. -Daar is mijne tafel, en hier zijn mijn lepel en vork.” -</p> -<p>Dat zeggende, wees Anna op een gebloemd pandanmatje, dat op den vloer in het middenvertrek -harer woning uitgestrekt lag, en liet hare fraaie vingertjes zien. Dalima zuchtte -diep. -</p> -<p>„Maar, is het noodzakelijk, dat gij zoo werkt, zoo leeft, Nana?” vroeg zij. „Hebt -gij dan in het geheel geen geld?” -</p> -<p>„Geld heb ik wel, Dalima. Ik ben zelfs rijk voor mijn toestand,” antwoordde het fiere -meisje. „Maar gij vergeet altijd, dat ik mij schuil houd, dat ik dat niet doen kan, -wanneer ik als eene blanke leef en niets doe, en van de levenswijze der Javanen afwijk. -Wie weet daarenboven, welke toekomst mij boven het hoofd hangt, en hoe te pas mij -het geld kan komen, dat ik nu zoo spaarzaam mogelijk, in uw oog schriel misschien, -uitzuinig.” -<span class="pageNum" id="pb2.191">[<a href="#pb2.191">191</a>]</span></p> -<p>„O, Nana!” wilde Dalima met een zucht tusschenbeide brengen. -</p> -<p>„Och, laten wij over wat anders praten,” ging Anna kalm voort. „Kom, terwijl de rijst -gaar kookt, mijne pogingen om te batikken bekijken.” -</p> -<p>Zij nam hare baboe mede naar de achtergalerij, waar verscheidene „gawangan’s” (ramen) -stonden, waarop geweven lijnwaden gespannen waren, die alle de stadiën van het batikken -vertoonden. Hier was er een, waarvan de grond nog geheel wit was, en waarop de teekening -nog eerst aangebracht was, die het bloemwerk zoude vormen. Elders was die teekening -reeds gedeeltelijk met was overdekt om die plaatsen bij het verven te beveiligen. -Op een ander raam was reeds de grondverf aangebracht en was de teekening bij deelen -van de wasbescherming ontbloot, om op hunne beurt de gewilde kleur te ontvangen. Overal -stonden kuipjes met verf: met „nila” (indigo), met „njoganni” (roode verf),<a class="noteRef" id="xd30e11577src" href="#xd30e11577">9</a> met „mengkoedoe” (bruine verf), met „koenier” (gele verf) enz., die gereed waren -om door de lijnwaden, die ter kleuring bestemd waren, opgenomen te worden. Voor alles -had Dalima een goedkeurenden knik. Zij greep zelfs een „tjanting” (pannetje) met was -gevuld, zette dat op het vuur, en beijverde zich daarna het vloeibare kleefmiddel -door het fijne tuitje op eene teekening te brengen, om zoo een proef van hare behendigheid -te geven. -</p> -<p>„Ziet ge, Nana,” riep zij na welslagen triomfeerend uit, „dat ik u zal kunnen helpen! -Ik zal u zelfs leeren de „<span lang="ms">aboe kesambi</span>”<a class="noteRef" id="xd30e11586src" href="#xd30e11586">10</a> te gebruiken, die ik hier niet zie. Dan zult gij eens zien, welke fraaie bloemen -gij verkrijgen zult!” -</p> -<p>Zoo was Dalima in de hut op de helling van den Goenoeng Poleng een onderkomen gewaarborgd, -een onderkomen bij hare zoo dierbare jonge meesteres, aan wie zij, met de aanhankelijkheid -der Javaansche bedienden meestal zoo eigen, innig verknocht was. Beide meisjes <span class="pageNum" id="pb2.192">[<a href="#pb2.192">192</a>]</span>werkten en zwoegden thans te zamen. Anna stond geen der werkzaamheden van haar schamel -huishoudentje af. Alles moest gezamenlijk volbracht worden. Zij had in Dalima niet -de aanwinst eener bediende, maar wel van eene vriendin gedaan. Zij zouden elkander -tot steun strekken. -</p> -<p>Of dat lang zou duren? -<span class="pageNum" id="pb2.193">[<a href="#pb2.193">193</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e11352"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11352src">1</a></span> De <i>Goenoeng Poleng</i> verheft zich op ongeveer 1500 meter boven de oppervlakte der zee. <a class="fnarrow" href="#xd30e11352src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11366"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11366src">2</a></span> <i>Een „prororoca”</i> is de Spaansche benaming voor een natuurverschijnsel, dat zich bij vloed in de monding -van snel stroomende rivieren voordoet. Aanvankelijk is het, alsof de zoetwaterstroom -den vloed weerhoudt door te komen, ja, terugdringt, totdat deze laatste in den strijd -eindelijk de overhand verkrijgt en dan binnen den tijd van een uur, soms binnen minder -tijd, den waterstand in zulk eene monding twaalf tot vijftien voet boven den ebstand -doet stijgen, waartoe op de omliggende kusten zes uren noodig zijn. De meest merkwaardige -„prororoca” wordt in de monding van de Amazonen-rivier aangetroffen. Intusschen wordt -het verschijnsel bij springvloed ook op Sumatra’s Oostkust, en wel in de Kampar, de -Rokan, de Panei en Assahanrivieren waargenomen; ook in sommige rivieren op de Zuidkust -van Java. <a class="fnarrow" href="#xd30e11366src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11375"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11375src">3</a></span> <i>Nipah-bladeren</i> zijn afkomstig van Nipa Fruticans. Deze is volgens professor <span class="sc">W. R. A. Suringar</span> een zonderlinge dwergpalm met zeer korten stam, en eene kroon van 13 tot 30 voet -lange vederbladeren. <a class="fnarrow" href="#xd30e11375src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11382"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11382src">4</a></span> <i>Poeloepoe.</i> Daaronder verstaat men den bamboehalm in de lengte doorgespleten en platgeslagen. -Zij vormt dan eene soort lenige plank. <a class="fnarrow" href="#xd30e11382src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11386"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11386src">5</a></span> <i>Loentas</i> is een sierlijk struikgewas, door de geleerden Conyza indica geheeten. Het leent -zich bizonder tot het daarstellen van fraaie heggen en heeft zeer welriekende bladeren. <a class="fnarrow" href="#xd30e11386src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11397"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11397src">6</a></span> <i>Nonna</i> beteekent eigenlijk jonge juffrouw en wordt die naam steeds aan meisjes gegeven van -blank ras, hetzij volbloed of gemengd. Hier is dat nonna evenwel in de beteekenis -opgenomen van meisje van gemengd ras. Het is eene nonna, wil zeggen: het is een dochter -van ouders, waarvan de een tot het Europeesche en de andere tot het Inlandsche ras -behoort. Nonna voor de vrouwelijke, sienjo voor de mannelijke telgen. <a class="fnarrow" href="#xd30e11397src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11461"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11461src">7</a></span> <i>Boreh</i> is een geel kleurmiddel, afkomstig van de radix Curcuma officinalis, hetwelk veelvuldig -door Javaansche vrouwen gebruikt wordt, om zich de huid bij feestelijke gelegenheden -te <span class="corr" id="xd30e11464" title="Bron: verwen">verven</span>. Hier werd het door het Europeesche meisje gebruikt om de blankheid van hare tint -te verbergen, in zoo’n geval wordt het gewone boreh vermengd met poeder van de Koenir -poetih toma of Curcuma Zerumbet, welk mengsel eene fraaie bruine kleur oplevert. <a class="fnarrow" href="#xd30e11461src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11513"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11513src">8</a></span> <i>Kain Poleng</i> is gestreept goed, dat met vooraf geverfde garens <span class="pageNum" id="pb2.189n">[<a href="#pb2.189n">189</a>]</span>geweven en somwijlen met gouddraad doorweven wordt. Is dus een tegenhanger van de -„kain batik”, waarbij de figuren later op het witte goed gebracht werden. <a class="fnarrow" href="#xd30e11513src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11577"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11577src">9</a></span> <i>Njoganni</i> (roode verf) is afkomstig van de Caesalpinia sapan; Mengkoedoe (bruine verf) wordt -voornamelijk getrokken uit de bast van de Morinda citrifolia; Koenier (gele verf) -Curcuma longa. <a class="fnarrow" href="#xd30e11577src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11586"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11586src">10</a></span> <i lang="ms">Aboe kesambi.</i> <span lang="ms">Aboe</span> beteekent asch. <span lang="ms">Kesambi</span> is een boom, die door de geleerden Schleichera trijaga geheeten wordt. Van die asch -wordt door de Javaansche ververs een loog vervaardigd, om overgangen der tinten zacht, -minder scherp te maken. <a class="fnarrow" href="#xd30e11586src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch36" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e949">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVI.</h2> -<h2 class="main">Lim Ho’s huwelijk.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Op een mooien Septembermorgen van hetzelfde jaar, waarin ons verhaal speelt, was geheel -Santjoemeh in rep en roer. En niet zonder reden. Het was toch de vastgestelde huwelijksdag -van Lim Ho. Van Lim Ho, den zoon van den opiumpachter, den zoon van den millionair -Lim Yang Bing, met de lieve Ngow Ming Nio, het schoonste Chineesche meisje van Santjoemeh, -wellicht van geheel <span class="corr" id="xd30e11610" title="Bron: Nederlandsch Indië">Nederlandsch-Indië</span>, de eenige dochter van den schatrijken ouden Ngow Ming Than, die in alles, alles -handel gedreven had, waarmede maar geld te verdienen was geweest, en dan ook geacht, -geëerd en gevierd was ter wille van de millioenen, die ook hij bezat. -</p> -<p>Het geld heeft overal een zekere aantrekkingskracht, dus ook te Santjoemeh, en de -samenkoppeling van zoo onmetelijke kapitalen moest de algemeene belangstelling opwekken. -Daarenboven, een dergelijk Chineesch huwelijk kwam zeldzaam voor, en wat verhaald -werd van de pracht, die bij de feestelijkheden ten huize van Lim Yang Bing zoude ten -toon gespreid worden, grensde aan het wonderbaarlijke, en klonk als een sprookje uit -de Duizend en één nacht. Geheel Santjoemeh, dat hier verstaan moet worden als <i lang="fr">tout Paris</i> bij dergelijke gelegenheden, had dan ook gedongen en geïntrigeerd, om eene invitatie-kaart -machtig te worden, en menig bekoorlijk glimlachje was babah Ong Sing Kok of babah -Than Soeï, de „lengganan’s” (leveranciers) van mevrouw Zoetbrouw of van mevrouw Greenhoed, -dames die over het algemeen <span class="pageNum" id="pb2.194">[<a href="#pb2.194">194</a>]</span>met hare glimlachjes, vooral tegenover Chineezen niet kwistig waren, ten deel gevallen, -omdat vermeend werd, dat die leveranciers een wit voetje bij het bediendepersoneel -van Lim Yang Bing hadden, en zoo een uitnoodigingskaart machtig konden worden. Er -werd zelfs verhaald, dat eene nonna<a class="noteRef" id="xd30e11620src" href="#xd30e11620">1</a> een zoen beloofd had aan een neef van Lim Ho, wanneer die hare ouders zoo’n kaart -bezorgde. Deze, een sluwe vogel, zooals de meeste Chineezen zijn, had evenwel de onderhandeling -niet willen aanvaarden, zonder vooraf voorschot genoten te hebben, dat bij de eindafrekening -niet medegeteld zoude worden. Daar werd nog bij gefluisterd, dat de onderhandelingen -lang, zeer lang geduurd hadden, en dat Lim Ho’s neef iedere gelegenheid te baat genomen -had, om het lieve meisje in het geheim omtrent de gemaakte vorderingen te komen berichten, -en dan nadere pogingen van verder voorschot afhankelijk gesteld had. Als het waar -was, dan had die nonna de zoo innig verlangde kaart met menigen zoen betaald. -</p> -<p>Hoe het ook zij, Santjoemeh had dien dag de koorts, de koorts van opgewondenheid. -En mocht nu ook al eene herinnering oprijzen aan het gebeurde met Lim Ho en baboe -Dalima, dan stoorde dat de feestvreugde niet, en deed niemand te huis blijven. De -meest kitteloorige gewetens werden gerustgesteld met de machtspreuk: Er heeft geene -vervolging plaats gehad, dus is er niets gebeurd. En is er ook al iets geschied, dan -zal het wel zoo erg niet geweest zijn<span class="corr" id="xd30e11626" title="Niet in bron">.</span> Er waren er zelfs, die stipt aan de geruchten dienaangaande geloof geslagen hadden, -en den Chinees omtrent zijn <i lang="fr">bonne fortune</i> benijd hadden. Dalima was toch zoo mooi! -</p> -<p>Neen, niemand ontzag zich om de feestelijkheden bij te wonen. Integendeel! -</p> -<p>Reeds daags te voren was Santjoemeh in rep en roer gebracht door een optocht naar -den Chineeschen tempel. -</p> -<p>Hoewel de zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen,<a class="noteRef" id="xd30e11635src" href="#xd30e11635">2</a> had men het toch raadzaam geacht, de gunsten van de godin Má<span class="corr" id="xd30e11644" title="Bron: ’"> </span>Tsów Pô<a class="noteRef" id="xd30e11647src" href="#xd30e11647">3</a> die <span class="pageNum" id="pb2.195">[<a href="#pb2.195">195</a>]</span>beschermheilige der huwelijkscandidaten en jonggetrouwden te laten afsmeeken. -</p> -<p>Daartoe had zich in den vooravond van den huwelijksdag een stoet gevormd voor het -huis der bruid van twaalf Chineesche knapen, welke door de stad trokken, voorafgegaan -eerst door een talrijk korps Inlandsche muzikanten, die op hunne koperinstrumenten, -geaccompagneerd door eene monsterachtige dikke trom, de meest luchthartige walsen, -polka’s, mazurka’s en redowa’s ten gehoore brachten, die, in weerwil van de onwelluidendheid -hunner uitvoering, een Johann Strauss aan het trippelen zouden gemaakt hebben, wanneer -die hen had kunnen hooren. Daarop volgde een Chineesch muziekkorps, dat met zijne -krassende, eensnarige violen, met zijne trillende bekkens, met zijne valschklinkende -en krijschende blaasinstrumenten met het eerste afwisseling hield, en een mengelmoes -van tonen te berde bracht, die alle gehoortrommelvliezen alleronaangenaamst aandeden, -maar toch het vermogen niet hadden de nieuwsgierige menigte op de vlucht te drijven. -</p> -<p>De stoet werd geopend en besloten door een zestal fakkeldragers, terwijl hij ter weerszijden -door een achttal „lolleng’s” (papieren lantaarns) omgeven werd, die met hun fraai -getemperd licht hoog op rood beschilderde stokken gedragen, en met hunne wonderlijke -vormen, aan het geheel een echt Chineesch relief verleenden. -</p> -<p>De knapen, die den hoofdtrein van den stoet vormden en „lo jen see” genoemd worden, -wandelden twee aan twee, en waren gekleed met een soort nangkin jasje, dat slechts -tot aan den knie reikte, en waaronder de bloote beenen en voeten uitstaken.<a class="noteRef" id="xd30e11665src" href="#xd30e11665">4</a> Op het hoofd droegen zij kegelvormige hoeden met opliggende roode <span class="pageNum" id="pb2.196">[<a href="#pb2.196">196</a>]</span>franjes versierd. Ieder hunner hield een „pa-lee” in de hand, een metalen hollen ring, -waarin kleine stukjes ijzer verborgen, of waaraan kleine belletjes bevestigd waren, -en waarmede zij een zacht ratelend klingelend geluid voortbrachten. -</p> -<p>In den tempel aangekomen, schaarden zich de knapen rondom het beeld van Má Tsów Pô, -dat voorgesteld was op de wolken staande, met een kroon op het hoofd, als zinnebeeld -van hare waardigheid van Koningin des Hemels, murmelden, zongen, en prevelden op de -maat gebeden en bezweringen, terwijl zij daarbij hunne ringen krachtig schudden. Toen -dat zoo omstreeks een uur geduurd had, keerde de stoet huiswaarts, onder begeleiding -van eene nog grootere volksmenigte, dan zich bij den heenmarsch te zaam gedrongen -had. -</p> -<p>Maar den volgenden dag was de groote feestdag. -</p> -<p>Reeds van des morgens vroeg ratelden de rijtuigen door Santjoemeh, om de genoodigden -uit de omstreken, als: landheeren, ambtenaren, enz. af te halen. Toen het tien uren -sloeg, was de élite van de ingezetenen van de residentie in de binnengalerij van de -woning van Lim Yang Bing vereenigd, de heeren waren òf in galacostuum, òf in groot -tenue, òf zwart gerokt. De dames waren in baltoilet en werden bij den ingang door -jeugdige Chineezen van bouquetten voorzien, bestaande uit licht rozenkleurige rozen. -Naarmate de gasten verschenen, werden bij den ingang „mertjons”<a class="noteRef" id="xd30e11676src" href="#xd30e11676">5</a> afgestoken, en dat in grooter aantal naar gelang de binnentredende een hooger standpunt -in de maatschappij innam. Wanneer twee of meer gasten tegelijk binnentraden, werd -een evenredig grooter aantal <span class="pageNum" id="pb2.197">[<a href="#pb2.197">197</a>]</span>rissen mertjons afgebrand, en knetterde dat vuurwerk soms zoodanig, dat hooren en -zien verging. -</p> -<p>Eindelijk verscheen ook de resident Van Gulpendam met zijne gade, die plechtstatig -door de officieren der Chineezen ontvangen en binnengeleid werden; terwijl intusschen -buiten een geknetter en gedonder weergalmde alsof geheel Santjoemeh uit elkander moest -springen. Bij die gelegenheid werden ook een paar lilla’s (koperen slangstukken) afgevuurd, -en waren er vleiers, die èn aan de schoone Laurentia èn aan Lim Yang Bing verzekerden -dat, daarbij vergeleken, de uitbarsting van Krakatoea kinderspel was geweest. -</p> -<p>Het doel van dat vreeselijk spektakel was tweeledig: vooreerst om de „Shan Sao” (booze -geesten) te verschrikken en te verdrijven, ook om tot vreugdebewijs op dezen heugelijken -dag te dienen. -</p> -<p>Zoodra de resident aangekomen was, trok, voorafgegaan door een korps muzikanten en -door de blootvoeters, die des avonds te voren gefungeerd hadden, een lange stoet van -vrienden en bekenden van den bruidegom voorbij, om de bruid aan het huis harer ouders -te gaan afhalen. -</p> -<p>Intusschen nam Lim Yang Bing, bijgestaan zoowel door den majoor als door den kapitein -der Chineezen, de honneurs waar, terwijl de heeren luitenants dier natie heel galant -als ceremoniemeesters dienden. Allen beijverden zich dan ook, om de gasten van ververschingen -te doen voorzien, en begon reeds een geknal van ontkurkte Champagneflesschen vernomen -te worden, hetwelk zich met het geratel der vuurwerken mengde, en bruiste het heerlijke -vocht, dat in groote zilveren kommen in een ijsbad afgekoeld was, in prachtig geslepen -kristallen kelken. Der dames werd Hypocras, Guldenwater, Chartreuse, enz. aangeboden. -</p> -<p>Lim Yang Bing had de schoone Laurentia den arm geboden, en beiden bewogen zich ongedwongen -door de ruime binnengalerij, die reeds in gewone omstandigheden prachtig mocht heeten, -maar thans voor deze plechtige gelegenheid feestelijk was uitgedost. Alle houtwerken, -als draagstijlen, balken, architraven waren kunstig gebeeldhouwd en zwaar verguld, -en stelden òf afzichtelijke draken òf tooneelen uit het huiselijk leven in China voor. -<span class="pageNum" id="pb2.198">[<a href="#pb2.198">198</a>]</span>De omwanding was zacht rozenrood<a class="noteRef" id="xd30e11690src" href="#xd30e11690">6</a> genuanceerd; terwijl de vloer, die uit fijn Carrarisch marmer bestond, bedekt was -met matten, van uiterst smal gespleten rottan vervaardigd. Aan het uiteinde der galerij -bevond zich het altaar van den Tao Peh Kong, dat allerprachtigst versierd was, terwijl -groote strooken van roode zijde, waarop zwarte Chineesche letters, ter weerszijden -daarvan prijkten. -</p> -<p>„Vertel mij toch eens, babah,” vroeg de residentsvrouw, „wat beteekent toch dat gekrabbel -op die roode lappen?” -</p> -<p>„Dat zijn spreuken, njonja, afkomstig van Kong Foe Hi,” antwoordde de Chinees galant. -</p> -<p>„Maar, wat beteekenen zij?” -</p> -<p>„O, die eene, njonja, beteekent: moge de vijf zegeningen nederdalen over deze woning.” -</p> -<p>„En de anderen?” -</p> -<p>„Dat zijn de vijf zegeningen.” -</p> -<p>„En die zijn?” -</p> -<p>„Een lang leven, vrede en rust, liefde voor de deugd, rijkdom en een einde, dat het -leven kroont.” -</p> -<p>„En wat beteekenen die letters op die „lollengs” (lantaarns)? Hé! wat zijn die mooi!” -sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij op de vele lantaarns wees, die aan de zoldering -en aan de balken der galerij hingen. -</p> -<p>Het waren prachtige zeskantige toestellen, uiterst kunstig van gedreven koper in Chineeschen -stijl vervaardigd, met kristallen vakken, die zeer fijn geslepen waren. -</p> -<p>„Ja, die zijn zeer fraai,” erkende Lim Yang Bing met een glimlach van zelfvoldoening. -„Maar zij kosten ook veel geld. Zou njonja kunnen raden, hoeveel zoo’n lolleng kost?” -</p> -<p>„Hoe wil ik dat, babah, minstens vijftig gulden?” -</p> -<p>De Chinees verhief de borst, en een eigenaardig glimlachje speelde om zijne lippen. -</p> -<p>„O, njonja, hoe kunt gij zoo misraden! Ik dacht, dat gij onze kunstwerken meer waardeerdet.” -</p> -<p>„Hoeveel kosten ze dan?” vroeg de sluwe vrouw. -<span class="pageNum" id="pb2.199">[<a href="#pb2.199">199</a>]</span></p> -<p>„Iedere lolleng kost te Canton drie honderd en vijftig gulden, en met de vracht en -inkomende rechten …” -</p> -<p>„Zij zullen wel gesmokkeld zijn,” zeide Laurentia lachende. -</p> -<p>„Bij Kong! Neen! Ik kan de bewijzen van de betaalde rechten laten zien. Wil njonja.…?” -</p> -<p>„Neen, neen; ik geloof u. Maar hoeveel kosten ze u hier?” -</p> -<p>„Bijna vierhonderd gulden, njonja.” -</p> -<p>„En daar hangen er een dertigtal meen ik?” -</p> -<p>„Neen, slechts vijf en twintig, njonja.” -</p> -<p>„Slechts! slechts!” zei mevrouw Van Gulpendam lachende. „Me dunkt, voor tienduizend -guldens aan lantaarns!” -</p> -<p>Lim Yang Bing’s gelaat glom van genoegen. Evenals de meeste parvenu’s genoot hij dubbel, -wanneer de menschen bekend waren met de prijzen der kostbaarheden, die hij uitstalde. -</p> -<p>„En zie eens die „how-iâ’s.”” -</p> -<p>De pachter wees op een paar levensgroote tijgerbeelden van rood marmer, die ineengedoken -op een voetstuk van zwart marmer voor de twee hoofdpilaren der galerij voor het altaar -zaten. -</p> -<p>„Ja, die zijn mooi!” zei de njonja. „Die zullen ook niet goedkoop zijn. Is het niet?” -</p> -<p>„Zij kosten ieder vijfduizend gulden.” -</p> -<p>„Maar, babah.” -</p> -<p>„Ja, als men bruiloft houdt, dan moet men het goed doen. Ziet gij dien haan daar op -het altaar?” -</p> -<p>„Ja, babah; die is prachtig gesneden.” -</p> -<p>„Die is van perzikhout gebeeldhouwd, en kost alleen twaalfhonderd gulden.” -</p> -<p>„Maar, gij moet rijk zijn, babah.” -</p> -<p>„Och zoo,…” meesmuilde de Chinees, overdreven trotsch in zijn bescheidenheid. „Weet -gij, wat mij het bruiloftsmaal en het diner van heden avond kosten?” -</p> -<p>„Neen, babah, zeg op.” -</p> -<p>„Die kosten bijna vijftienduizend gulden.” -</p> -<p>„Gij moet zeer rijk zijn, babah<span class="corr" title="Niet in bron">,</span>” vleide de residentsvrouw. -</p> -<p>„Och, zoo maar, niet erg,” teemde de Chinees. „Gij weet nog niet, hoeveel ik mijn -zoon medegeef, njonja?” -</p> -<p>„Aan Lim Ho, den bruidegom? Neen, dat weet ik niet. Toe, zeg mij, babah.” -<span class="pageNum" id="pb2.200">[<a href="#pb2.200">200</a>]</span></p> -<p>„Twee millioen guldens,” fluisterde hij half dronken van genot. -</p> -<p>„Twee millioen guldens!” kreet mevrouw Van Gulpendam. „Maar, gij moet ontzettend rijk -zijn, babah Lim Yang Bing!” -</p> -<p>„Toch niet zoo erg, njonja.” -</p> -<p>„En dat alles uit de opiumpacht, nietwaar?” -</p> -<p>De Chinees keek haar aan. Dat woord opiumpacht ontnuchterde hem een weinig. -</p> -<p>„En gij zijt nog niet ten volle drie jaren pachter, nietwaar, babah?” -</p> -<p>Lim Yang Bing knikte stilzwijgend. Hij verwenschte reeds in zijn binnenste zijne praalzucht -en snoeverij. -</p> -<p>„Hebt gij dezer dagen den resident gesproken?” vroeg de schoone Laurentia, die het -ijzer smeedde, terwijl het heet was. -</p> -<p>„Neen, njonja,” antwoordde de Chinees beleefd, maar teruggetrokken. -</p> -<p>„Hij zal u over de pacht spreken, babah. Die eindigt immers met dit loopende jaar, -nietwaar?” -</p> -<p>„Ja, njonja.” -</p> -<p>„En de verpachting van de drie volgende jaren zal nog in deze maand plaats hebben, -is zoo niet?” -</p> -<p>„Ja, njonja.” -</p> -<p>„Zijt gij van plan mede te bieden?” -</p> -<p>„Ik denk het wel, njonja …” -</p> -<p>„Ja, njonja; neen, njonja; ik denk het wel, njonja …” herhaalde Laurentia op kluchtigen -toon. „Maar … shut! men beluistert ons.… Wat beteekenen die letters op die lollengs, -babah?” -</p> -<p>Die laatste vraag was met luider stem door de schoone vrouw op den haar eigen, giegelenden, -luchthartigen toon gesproken. -</p> -<p>„Op die twee staat slechts: hemellantaarn.” -</p> -<p>„En op die daar?” -</p> -<p>„Die letters beteekenen: „Wij smeeken U om geluk en voorspoed.”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>Zij waren inmiddels verder voortgetreden, en verwijderd van de vermeende luisteraars. -</p> -<p>„Wij kunnen nu weer voortgaan,” zei Laurentia fluisterend. „Gij schijnt het met die -pacht lauw op te nemen. Ik vrees, dat gij een mededinger zult hebben.” -<span class="pageNum" id="pb2.201">[<a href="#pb2.201">201</a>]</span></p> -<p>„Wie?” vroeg Lim Yang Bing thans met eenige drift. -</p> -<p>„Ik heb hooren mompelen van Kwee Sioen Liem, van <span class="corr" id="xd30e11776" title="Bron: So o">Solo</span>.” -</p> -<p>„Die!” mompelde de Chinees onthutst. -</p> -<p>„Hij is rijk en kan u veel schade doen,” sprak mevrouw Van Gulpendam, terwijl zij -hem strak aankeek. -</p> -<p>Lim Yang Bing antwoordde niet, maar stapte met afgemeten schreden naast de schoone -vrouw voort. -</p> -<p>„Dat nieuws schijnt u niet te deeren,” merkte de residentsvrouw met iets schampers -in hare stem op. -</p> -<p>„Is het daarover, dat de resident met mij spreken wil?” vroeg hij. -</p> -<p>„Daarover en over nog iets anders. Het gouvernement wil hoogere pacht innen.” -</p> -<p>„Ho, ho!” grinnikte de Chinees. -</p> -<p>„Ge betaalt thans twaalf ton aan pachtschat, nietwaar? Dat zal minstens twintig ton -moeten worden. Anders exploiteert het gouvernement zelf het monopolie.” -</p> -<p>„Ha, ha!” zei thans Lim Yang Bing, daarbij smadelijk glimlachende. „Dat zou ik wel -eens willen zien!… Maar een verhoogde pachtschat is onmogelijk,” voegde hij er nadenkend -bij.… „Thans kost het moeite, om zonder verlies te werken.” -</p> -<p>„En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede<a class="noteRef" id="xd30e11791src" href="#xd30e11791">7</a>!” merkte Laurentia spottend op. -<span class="pageNum" id="pb2.202">[<a href="#pb2.202">202</a>]</span></p> -<p>„Ja,…” ging hij onverstoorbaar voort, als hadde hij die woorden niet gehoord, „werd -het aantal kitten in de residentie vermeerderd … dan …” -</p> -<p>„Is het niet anders?” vroeg Laurentia luchthartig. „Hoeveel zijn er thans? Dat is -mij om het even. Hoeveel wilt gij er meer hebben?” -</p> -<p>De pachter dacht een oogenblik na. Hij prevelde iets binnensmonds, en scheen in berekeningen -verdiept te zijn. -</p> -<p>„Minstens tien,” antwoordde hij. -</p> -<p>„Dat is veel;… maar als tien opiumkitten meer in het pachtcontract opgenomen worden, -zijt gij dan bereid tot twintig ton op te bieden?” -</p> -<p>Lim Yang Bing boog toestemmend; maar had den tijd niet om mondeling daar nog iets -bij te voegen. -</p> -<p>De stoet, die de bruid afgehaald had, was aangekomen, en verscheen aan den ingang -van de galerij. Het was thans, alsof hemel en aarde vergaan moest, zooveel mertjons -werden thans afgestoken, terwijl de Chineesche muzikanten, die den stoet vergezelden, -eene krijschende cacophonie deden weerklinken, die aller gehoorvliezen op eene geduchte -proef stelden. Als er nog een booze geest in den omtrek achtergebleven was, dan moest -die bij dat spektakel wel de vlucht nemen. Tegen zoo iets was zelfs geen Shan Sao -bestand. -</p> -<p>Inmiddels was een troep Chineesche meisjes, met fraai besneden gelaat en zedig in -haar schilderachtige kleeding van gele zijde, met rose sjerpen om de slanke middels, -te voorschijn getreden, om de bruid te verwelkomen, en haar een krans van perzikbloesems -en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout gesneden, aan te bieden.<a class="noteRef" id="xd30e11822src" href="#xd30e11822">8</a> Lim Ho was ook vooruitgetreden, om de <span class="pageNum" id="pb2.203">[<a href="#pb2.203">203</a>]</span>lieve Ngow Ming Nio de hand te reiken en haar naar eene welvoorziene tafel te geleiden. -Op die tafel waren, behalve een menigte spijzen, waaronder haaienvinnen, soep van -hertenpezen en vogelnestjes, „kiemlo” en „bahmieh”<a class="noteRef" id="xd30e11830src" href="#xd30e11830">9</a> niet ontbraken, een menigte „tsoe” (granaatappels) aanwezig, zoodanig opengesneden, -dat de geheele kern met de menigvuldige zaadpitten blootlagen, als zinnebeeld van -het groot aantal kinderen, dat men het jonge paar toewenschte. Daar naast lagen een -groot aantal „kaam” (oranjeappels) opgestapeld, als zinnebeeld van de zoetheid des -levens, die de jonge lieden eeuwig mochten smaken; alsook eenige klompen aan elkander -gegroeide „ô-á” (oesters), als zinnebeeld van de splitsing en toch onverbreekbare -eensgezindheid van de familie; en eindelijk eenige stekken van „koaka” (suikerriet), -als zinnebeeld van het huwelijksleven, dat even als het riet, van knoop tot knoop, -van geleding tot geleding, in zoetheid toeneemt. -</p> -<p>De beide verloofden namen aan de tafel plaats, Lim Ho links van Ngow Ming Nio<a class="noteRef" id="xd30e11836src" href="#xd30e11836">10</a>. Voor ieder hunner werd een prachtige gouden bokaal nedergezet. Beide bekers waren -met wijn gevuld, en door middel van een rooden zijden draad aan elkander verbonden. -Bruid en bruidegom dronken tegelijkertijd, elk voor zich, de helft van den wijn, ruilden -daarop van bokalen, evenwel daarbij zorgende, dat de verbindingsdraad niet brak, en -ledigden nu de bekers geheel en al. -</p> -<p>„Oef!” mompelde Van Beneden, die met eenige zijner vrienden ook de huwelijksplechtigheid -bijwoonde. „Oef! het is om den adem er bij te verliezen. Ik wed, dat zoo’n bokaal -<span class="pageNum" id="pb2.204">[<a href="#pb2.204">204</a>]</span>anderhalve flesch inhoudt. Voor Lim Ho is dat niets; maar dat lieve kind.…” -</p> -<p>„Zou je niet eens met de lieve Ngow Ming Nio willen drinken?” vroeg Grenits ondeugend. -</p> -<p>„Shut!…” zei Grashuis, en wees op een groepje Chineezen in de nabijheid. -</p> -<p>„Hoe heet de plechtigheid, babah?” vroeg hij aan een hunner. -</p> -<p>„Tsioe Hoen, toean,” antwoordde de aangesprokene. -</p> -<p>„Tsioe Hoen? Wat beteekent dat?” -</p> -<p>De Chinees lachte schalks. -</p> -<p>„Kawin babassa,” antwoordde hij ondeugend. -</p> -<p>De omstanders proestten het uit. -</p> -<p>„Dus eigenlijk het huwelijk bewijnen,”<a class="noteRef" id="xd30e11855src" href="#xd30e11855">11</a> zei Grenits, die in de algemeene hilariteit deelde. -</p> -<p>„Shut!! Shut!!” klonk het van alle kanten. -</p> -<p>De resident Van Gulpendam keek vervaarlijk boos rond. De schoone Laurentia was diep -verontwaardigd over de stoornis der bekerplechtigheid. Van Rheijn had wel onder den -grond willen kruipen tegenover die toornige blikken. -</p> -<p>„Shut!… Shut!!” schreeuwde hij nog harder, als al de anderen te zamen. -</p> -<p>Toen het huwelijk bewijnd was, greep de bruidegom de linkerhand der bruid, hief die -ter hoogte harer borst op, terwijl beiden tegen elkander bogen. -</p> -<p>„Ik wou, dat dat lieve bekje „ja” tegen mij knikte,” mompelde Grenits. -</p> -<p>„Een lief bekje, dat millioenen meêbrengt!” beaamde August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden knikkend. -</p> -<p>„Shut!” klonk het alweer. -</p> -<p>„Millioenen, die voortspruiten uit … Zeg, waaruit?” vroeg Theodoor fluisterend, maar -uitdagend. -</p> -<p>Onze advocaat boog verlegen het hoofd. -</p> -<p>„Gij hebt gelijk!” prevelde hij. „Uit die bron verlang ik geen cent.” -</p> -<p>„Shut!” -</p> -<p>De oogen van den resident Van Gulpendam schoten bliksemstralen. -<span class="pageNum" id="pb2.205">[<a href="#pb2.205">205</a>]</span></p> -<p>Nu werden twee schotels voor het paar neergezet, die met pilletjes ter dikte van eene -groote erwt, rood en wit van kleur dooreengemengd, gevuld waren. -</p> -<p>„Waarschijnlijk bruidsuikers?” zei Grashuis. -</p> -<p>„Ik weet het niet,” antwoordde Van Beneden. -</p> -<p>„Babah,” vroeg Grenits aan zijn nevenbuurman in het gedrang, „is dat „obat” (medicijn)?” -</p> -<p>„Tida toean,” antwoordde de Chinees. „De roode balletjes stellen den Jang voor, het -mannelijk beginsel, en de witte de Jin of het vrouwelijk beginsel der natuur …”<a class="noteRef" id="xd30e11892src" href="#xd30e11892">12</a> -</p> -<p>„Shut!” klonk het allerwegen. -</p> -<p>Bruid en bruidegom grepen een gouden lepel, namen een rood en een wit balletje, lieten -dat in den mond glijden, en negen diep tegen elkander. Daarna werden de schotels omgeruild -en de ceremonie herhaald, waarmede, in verband met de beduiding daarvan op het dualisme -der natuur, de bezegeling van het huwelijk afgeloopen was. De band was geklonken, -en de lieve Ngow Ming Nio was met Lim Ho onverbreekbaar verbonden. Het eene stel millioenen -aan het andere! Of er bij het voltrekken der plechtigheid door den bruidegom eene -enkele gedachte aan zijn slachtoffer, aan baboe Dalima gewijd werd? -</p> -<p>Als laatste ceremoniëel nam de jonge gade den lepel, schepte daarop twee balletjes, -bracht die met liefelijk gebaar tot voor de lippen van haren echtgenoot, en noodigde -hem met verlokkenden lonk tot eten. Die daad was de betuiging der jonge vrouw, dat -zij gereed was om alle lasten van het innerlijke huishouden te torsen. <span class="pageNum" id="pb2.206">[<a href="#pb2.206">206</a>]</span>Een der oudste familieleden prevelde, echter hoorbaar voor iedereen, eenige Chineesche -woorden. -</p> -<p>„Wat beduidt dat?” vroeg Grenits aan zijn vriendelijken Chineeschen berichtgever. -</p> -<p>„O, toean,” antwoordde deze, „dat is eene aanhaling uit de Sji-king, uit het Boek -der Liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.<a class="noteRef" id="xd30e11911src" href="#xd30e11911">13</a><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Maar, wat beteekent die aanhaling?” -</p> -<p>„O, zij is zeer fraai,” hernam de babah. „Luister slechts: „De perzikboom is jong -en schoon, en schitterend zijn zijne bloesems; deze jonge vrouw gaat naar haar toekomstig -huis, en zal uitmuntend hare huiselijke zaken regelen.”” -</p> -<p>Toen de jonge vrouw haren echtgenoot zoo zinnebeeldig bediend had, negen beiden andermaal -zeer diep voor elkander, en was de huwelijksplechtigheid afgeloopen. -</p> -<p>Zoodra was die laatste betuiging niet volbracht, of daar bulderden de kanonnetjes -weer, daar knetterden de salvo’s van ontelbare bossen mertjons, daar joedelde de kapel -der Santjoemehsche schutterij, die ook verschenen was om het feest op te luisteren, -hare vroolijkste deuntjes, daar krijschte het Chineesche orkest allerjammerlijkst -en veroorzaakten dat geknal, dat geknetter, dat getrommel, dat getoet, dat gezaag -zoo een mengelmoes van geluiden, dat de gehoorvliezen der aanwezigen verondersteld -konden worden met buffelleder te zijn gevoerd. -</p> -<p>Inmiddels namen de jonggehuwden plaats voor het altaar van den Tao Peh Kong, staken -eerst een paar geurige offerstokjes<a class="noteRef" id="xd30e11928src" href="#xd30e11928">14</a> aan, bogen toen voor het beeld, ook voor elkander en staken daarna de brandende stokjes -in een wierookpot, prachtig in goud gedreven, die ter halver hoogte met welriekende -asch gevuld was. Na die plichtpleging jegens den huisgod, keerden zich de jonggetrouwden -om, ten einde de gelukwenschen der aanwezigen te ontvangen. -<span class="pageNum" id="pb2.207">[<a href="#pb2.207">207</a>]</span></p> -<p>Dit gedeelte van het <span class="corr" id="xd30e11935" title="Bron: ceremonieel">ceremoniëel</span> was niet nationaal. Bij Chineesche huwelijken, waarbij de blanken geen toegang hebben, -begeven de jonggehuwden zich dadelijk na afloop der plechtigheid naar hunne vertrekken. -Hier was het een te gemoet komen aan Westersche gewoonten, en onthielden de Chineezen -zich dan ook, aan die felicitatiën deel te nemen; maar beijverden de meeste hunner -zich om eene verdubbeling van vuurwerk af te steken, en zoo de spoken en kwade voorteekenen -te verdrijven. -</p> -<p>De resident Van Gulpendam, met de schoone Laurentia aan den arm, openden den optocht -van Europeanen, die zich daar voor de saamgekoppelde millioenen kwamen buigen. Want, -al was de bruid ook al lief, al werd ook Lim Ho in het dagelijksche leven een „aardige -vent” genoemd, het zou niemand in de gedachten zijn gekomen, om die plechtigheid bij -te wonen. Het gebeurde met baboe Dalima was nog van te jonge dagteekening. Maar, nu -twee millioenen van den eenen kant met twee millioenen van den anderen kant verbonden -werden, nu het de zoon van Lim Yang Bing, den oppermachtigen opiumpachter gold, nu -verdrong zich de blanke bevolking van Santjoemeh rondom het jeugdige echtpaar, om -het hare oprechte heilwenschen aan te bieden. -</p> -<p>Van Gulpendam meende zelfs, na de jonggetrouwden de hand gedrukt te hebben, hen met -een paar gevoelvolle woorden te moeten toespreken. Gelukkig voor de jonggehuwden, -dat zij de Hollandsche scheepstermen, die hij bezigde, en niet in het Maleisch vertalen -kon, niet verstonden; gelukkig voor het ongeduld der achteraankomenden, dat Laurentia -haren echtvriend tot beknoptheid met de punt van haar blooten elleboog aanmaande. -De banaliteiten van het hoofd van gewestelijk bestuur namen een einde, en nu was het -een handjes-drukken, een gefleem, een geteem, zoowel ten opzichte van de rijke ouders -der jonggehuwden als tegenover dezen, dat den opmerkzamen toeschouwer het hart van -walging moest beklemmen. -</p> -<p>Toch ontging het noch aan Lim Yang Bing, noch aan Lim Ho, dat noch Theodoor Grenits, -noch August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, noch Leendert Grashuis, noch Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn vooruitgetreden waren, om een handdruk met de jonggehuwden te wisselen. Zij -hadden van het algemeen gedrang <span class="pageNum" id="pb2.208">[<a href="#pb2.208">208</a>]</span>gebruik gemaakt om naar buiten te treden. Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool was zelfs in het geheel niet verschenen. Hij had den afkeer niet kunnen -overwinnen, dien hem de bruidegom inboezemde, hoewel hij zich, toen hij later de bizonderheden -der trouwplechtigheid vernam, de belofte deed, om bij voorkomende gelegenheid zoo’n -ceremoniëel te gaan bijwonen, al zou het dan ook op bescheidener voet gevierd worden. -</p> -<p>Gelukkig, dat onze vrienden het huis verlaten hadden; want nog was de ommegang der -feliciteerenden niet ten einde gebracht, toen eensklaps de champagnekurken knalden, -alsof zij een wedstrijd in ruchtbaarheid wilden aangaan met de buiten steeds knetterende -mertjons. Weldra stonden alle aanwezende Chineezen, zoowel als alle Europeanen met -een beker schuimenden feestwijn in de hand, en weerklonken allerwegen de luidruchtige -toejuichingen, terwijl de Chineesche „trauwkoei’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> (violen) en bekkens krijschten, alsof zij een tandenknarsing wilden te voorschijn -roepen, de schutterijkapel fanfares deed hooren, en de slangstukjes en mertjons losbrandden, -alsof het de bestorming eener vijandelijke veste gold. Het echtpaar verdween, te midden -van dat ontzettend rumoer, waarschijnlijk om hunne gehoorvliezen te redden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Des avonds had een vormelijk diner van 80 couverts plaats, waarvan het menu zorgvuldig -door een Franschen <i lang="fr">maître d’hôtel</i> was opgemaakt Grappenmakers vertelden evenwel daags daarna, dat daarop echte Chineesche -gerechten voorgekomen waren, als <i lang="fr">Potage Kiemlo à la Tartare, Potage Printanier à l’ail</i>,<a class="noteRef" id="xd30e11968src" href="#xd30e11968">15</a> <i lang="fr">Croquettes aux oreilles de rats</i>,<a class="noteRef" id="xd30e11978src" href="#xd30e11978">16</a> <i lang="fr">Bouchées d’ailerons de requins, Consommées de tripang</i>,<a class="noteRef" id="xd30e11987src" href="#xd30e11987">17</a> enz., enz. -</p> -<p>De resident Van Gulpendam bracht bij het dessert een <span class="pageNum" id="pb2.209">[<a href="#pb2.209">209</a>]</span>luisterrijken dronk uit op de jonggehuwden. Daarna ook een op de Chineesche officieren, -waarbij hij de hoop uitdrukte, dat Nederland steeds in hen zulke trouwe en nuttige -onderdanen mocht vinden, als tot heden plaats gevonden had. Het hoofd van Gewestelijk -Bestuur drukte op dat woord <i>nuttig</i> en verwierf dan ook aan het einde zijner rede een storm van toejuichingen. Die laatste -toast, werd beantwoord door Lim Yang Bing, die een dronk aan mevrouw en den heer Van -Gulpendam wijdde, daarbij Santjoemeh gelukwenschte met het bezit van zoo’n achtbaar -echtpaar en den wensch uitsprak, dat het tot heil der bevolking in het algemeen, en -der Chineesche maatschappij in het bizonder, gegeven mocht zijn die edelaardige menschen -nog lang aan het hoofd der residentie te zien. -</p> -<p>Het was gelukkig, dat het dakgebinte der Chineesche woning stevig, dat de muren en -zuilen onwrikbaar gegrondvest waren, anders hadden ongevallen plaats gegrepen bij -de daverende toejuichingen, die met het geweld van een orkaan losbarstten. De grond -schudde letterlijk onder de voeten van de feestvierenden bij de losbrandingen van -het geschut en van de mertjons, terwijl de lucht binnenshuis in trilling geraakte -door het snelvuur, dat door de knallende champagnekurken, die met behendige hand gelicht -werden, uitgevoerd werd. Waarlijk, met zoo’n geestdrift werden de woorden van den -rijken opiumpachter begroet! -</p> -<p>Na het diner volgde de dansreceptie, die door bijna geheel Santjoemeh bijgewoond werd. -Tegen middernacht werd in den tuin van de woning een prachtig Chineesch vuurwerk afgestoken, -waarbij onze gestaarte broeders het bewijs leverden, hoe onmetelijk ver zij in de -pyrotechnie boven de Europeesche kunstenaars van het vak staan. Daarna werd de partij -voortgezet, en eerst bij het aanbreken van den dag verlieten de laatste paren het -dansterrein. -</p> -<p>„Een prachtig, een luisterrijk feest, babah!” complimenteerde de resident een paar -dagen later Lim Yang Bing. „Drommels, de kombuis heeft gerookt!” -</p> -<p>„Ja, Kandjeng toean,” antwoordde de opiumpachter, terwijl een glimlach van voldane -ijdelheid zijne lippen deed krullen. „Het heeft ook aardig geld gekost. Er is alleen -<span class="pageNum" id="pb2.210">[<a href="#pb2.210">210</a>]</span>aan champagne voor tweeduizend gulden gedronken, en aan rhijnwijn voor twaalfhonderd -gulden. Het vuurwerk, dat ik uit Canton liet komen, kost ruim drie duizend gulden.” -</p> -<p>De man zwom in een hemel van gelukzaligheid bij die mededeeling. -<span class="pageNum" id="pb2.211">[<a href="#pb2.211">211</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e11620"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11620src">1</a></span> <i>Nonna</i> hier in de beteekenis van meisjes van gemengd ras. <a class="fnarrow" href="#xd30e11620src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11635"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11635src">2</a></span> <i>De zonen van het hemelsche rijk geen kerkelijk huwelijk kennen.</i> Zie deswege bladz. 586 van <i>de jaarlijksche feesten en gebruiken van de Emoy-Chineezen</i>, door Dr. <span class="sc">J. J. M. de Groot</span>. <a class="fnarrow" href="#xd30e11635src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11647"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11647src">3</a></span> <i>Má Tsów Pô</i> kan vertaald worden door Voormoeder de Vrouw. <span class="pageNum" id="pb2.195n">[<a href="#pb2.195n">195</a>]</span>Dat is een wonderdoend wezen, dat door Keizer Thai Sioe van de Soeng dynastie in de -laatste helft der X<sup>de</sup> eeuw tot godin verheven werd, onder den titel van Onze Lieve Vrouw van Macht en Goedertierenheid. -Dr. <span class="sc">de Groot</span> vertelt omtrent die godin een aardige legende op bladz. 208 en volg. van het hier -in de onmiddellijk voorafgaande aanteekening aangehaald werk. Má Tsów Pô is de beschermster -van jonge huwelijken en staat als godin der vruchtbaarheid in groot aanzien. <a class="fnarrow" href="#xd30e11647src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11665"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11665src">4</a></span> <i>Waaronder de bloote beenen en voeten uitsteken.</i> Daarom worden zij ook Lo-hân-kha of blootvoeters geheeten. Dat costuum is een stipt -vereischte. <a class="fnarrow" href="#xd30e11665src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11676"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11676src">5</a></span> <i>Mertjons</i> zijn kleine cilindervormige kokertjes van dicht ineengerold papier, die met kruit -zijn geladen. In ieder kokertje zit een lontje, dat met een lange algemeene lont is -saamgevlochten. Een ris mertjons bestaat gewoonlijk uit een paar honderd van die kokertjes. -Zoo een ris wordt gewoonlijk aan den deurstijl of het raam der feestvierenden opgehangen -en het benedeneinde van de lont aangestoken. Het opklimmende vuur ontsteekt achtereenvolgens -de lontjes der kokertjes, die opvolgend uit elkander barsten, hetgeen een geluid veroorzaakt, -alsof een goed gevoed rottenvuur van degelijk gedrilde soldaten vernomen wordt. Van -afstand tot afstand worden soms grootere en zwaardere mertjons ingevlochten, die dan -ook een veel zwaarderen slag geven, hetgeen voor het gehoor het zware geschut tusschen -het geknetter van het geweervuur laat vernemen. <a class="fnarrow" href="#xd30e11676src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11690"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11690src">6</a></span> <i>Rozenrood.</i> Beter ware hier gezegd in fijn persikbloesemkleur genuanceerd. De persikbloesem is -het emblema van geluk bij de Chineezen in den echtelijken staat. <a class="fnarrow" href="#xd30e11690src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11791"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11791src">7</a></span> <i>En gij geeft uwen zoon twee millioen ten huwelijk mede!</i> Het zij ons veroorloofd hier een entrefilet, dat voor ons ligt en uit een der Indische -dagbladen—waarschijnlijk uit de Locomotief—uitgeknipt is mede te deelen: „<span class="sc">Cijfers en feiten</span>. Een paar weken geleden zonden „de Heer en Mevrouw” Tan Thwan Tik en „de Heer en -Mevrouw” Liem Liong Kien communicatie rond omtrent het voorgenomen huwelijk van den -broeder der eerstgenoemden „den heer” Tan Thwan Soen, met de dochter der laatstgenoemden, -de bekoorlijke „Mejuffrouw” Liem Yang Nio, met de mededeeling, dat de receptie zou -plaats hebben ten huize van den WelEd. Heer Liem Liong Kien te Semarang Gang Pinggir. -</p> -<p class="footnote cont">„Gister had de receptie plaats. De grootpapa van Mejuffrouw Liem Yang Nio—ach! thans -geen Mejuffrouw Liem Yang Nio meer!—de oude majoor Chinees Beh Biauw Tjoan, heeft -volgens de Chineesche kerk ƒ 14000 opgedokt voor de bruiloftskosten. En de bruigom -brengt <i>twee millioen</i>, volgens anderen <i>vier millioen</i> mee ten huwelijk. -</p> -<p class="footnote cont">„Ho Yam Lo, de tegenwoordige opiumpachter van Semarang, heeft in drie jaren tijd, -zegt men, drie millioen netto winst gemaakt. Men vraagt natuurlijk niet <i>hoe</i>. Men vraagt ook niet in <span class="pageNum" id="pb2.202n">[<a href="#pb2.202n">202</a>]</span>welk een poel van corruptie en rechtsverkrachting wij hier rondbaggeren. Indien wij -trachtten daarop een antwoord te geven, zou het ons, bij gebrek aan wettig bewijsmiddel, -waarschijnlijk slecht vergaan.” <a class="fnarrow" href="#xd30e11791src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11822"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11822src">8</a></span> <i>Een krans van perzikbloemen en eenige snuisterijen, o. a. een haan, van perzikhout -gesneden, aan te bieden.</i> De perzikboom is bij de Chineezen het zinnebeeld van levenskracht en eeuwigheid. -De perzikbloesem is het zinnebeeld van vrouwelijke deugd. De perzik is een schrikbeeld -voor spoken en kwade geesten. De haan is het zinnebeeld der zon en als zoodanig ook -een afweerder van spoken en kwade invloeden. Het aanbieden van een krans van perzikbloesem -op Java moge onwaarschijnlijk voorkomen, maar men <span class="pageNum" id="pb2.203n">[<a href="#pb2.203n">203</a>]</span>verlieze niet uit het oog, dat de perzikboom, de Amygdalus der geleerden, in het Tengersche -gebergte veelvuldig voorkomt en de vrucht op de passars van Java’s oostkust te koop -aangeboden wordt. Schrijver dezes heeft meermalen op de hellingen van den Merbaboe -en Merapi talrijke perzikboomen in vollen bloei en de vruchten op den passar van Salatiga -te koop aangeboden gezien. <a class="fnarrow" href="#xd30e11822src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11830"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11830src">9</a></span> <i>Kiemlo en bahmieh.</i> Kiemlo is een eigenaardig machtig vette soep, van varkensspek gekookt. Bahmieh is -ook een vet kostje, maar waarbij het varkensvleesch en spek in kleine dobbelsteentjes -gesneden, te midden van een hoop Taughi, peultjes, en andere ingrediënten en van een -hoop mieh, eene soort van Chineesche vermicelli voorkomt. Kiemlo en bahmieh worden -zelfs door Europeesche dames niet versmaad. <a class="fnarrow" href="#xd30e11830src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11836"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11836src">10</a></span> <i>Lim Ho links van Ngow Ming Nio.</i> De linksche kant is bij de Chineezen de eereplaats. <a class="fnarrow" href="#xd30e11836src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11855"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11855src">11</a></span> <i>Het huwelijk bewijnen.</i> Zie omtrent die plechtigheid de reeds vroeger aangehaalde <i>Jaarlijksche feesten en gebruiken enz<span class="corr" id="xd30e11860" title="Bron: ,">.</span></i> van Dr. <span class="sc">J. J. M. de Groot</span> op bladz. 68. <a class="fnarrow" href="#xd30e11855src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11892"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11892src">12</a></span> <i>De roode balletjes stellen den Jang, of het mannelijke beginsel en de witte de Jin -of het vrouwelijk beginsel der natuur voor.</i> Volgens de Chineesche cosmogonie is als eerste beginsel de natuur de Thaï Ki of het -Groote Opperste aangenomen. Uit dat Groote Opperste werd Jang en Jin of het mannelijk -en het vrouwelijk principe geboren, die de beide regelaars der natuur genoemd worden. -De Hemel, de vader van het Heelal vertegenwoordigt dat mannelijke en de Aarde, die -door hem met warmte en regen wordt bevrucht, het vrouwelijke. Ook is de zon vereenzelvigd -met Jang en de maan met Jin; en warmte en koude, licht en duisternis, in één woord, -alle werkingen der natuur worden zooveel mogelijk tot die twee principes teruggebracht. -(Zie <span class="sc">de Groot’s</span> <i>Feesten en gebruiken</i> op bladz. 45.) <a class="fnarrow" href="#xd30e11892src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11911"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11911src">13</a></span> <i>Het boek der liederen, dat lang, zeer lang geleden gedrukt werd.</i> Volgens Dr. <span class="sc">J. J. M. de Groot</span> dagteekent de ode, waarin de in den tekst bedoelde woorden voorkomen, van uit de -XI<sup>de</sup> eeuw vóór Christus. <a class="fnarrow" href="#xd30e11911src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11928"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11928src">14</a></span> <i>Offerstokjes.</i> Dat zijn lange dunne staafjes, van een mengsel van wierook en asch van sandelhout -vervaardigd. Die welriekende staafjes worden op dunne stokjes bevestigd. <a class="fnarrow" href="#xd30e11928src" title="Ga terug naar noot 14 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11968"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11968src">15</a></span> <i lang="fr"><span class="corr" id="xd30e11970" title="Bron: A">À</span> l’ail.</i> De Chineezen zijn groote liefhebbers van knoflook. <a class="fnarrow" href="#xd30e11968src" title="Ga terug naar noot 15 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11978"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11978src">16</a></span> <i lang="fr">Oreilles de rats.</i> In het Maleisch „koeping tikoes” (rattenooren) geheeten. Dat is een soort champignon, -die den vorm van de ooren van die knaagdieren hebben. Vandaar de meening bij sommigen, -als zouden de Chineezen rattenooren verorberen. <a class="fnarrow" href="#xd30e11978src" title="Ga terug naar noot 16 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e11987"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e11987src">17</a></span> <i>Tripang</i> is een zeedier, dat tot de stekelhuidigen behoort en dat gedroogd en gerookt den -Chineezen een zeer gewild gerecht oplevert. De soort, die daartoe gewild is, wordt -door de geleerden Holothuria edulis genoemd. Zij wordt bij de Moluksche en Philipijnsche -eilanden gevangen en veelvuldig in den handel gebracht. <a class="fnarrow" href="#xd30e11987src" title="Ga terug naar noot 17 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch37" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e958">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVII.</h2> -<h2 class="main">Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Bijna geheel Santjoemeh had feestgevierd. Het was dan ook geen alledaagsche zaak, -dat namelijk de zoon van den rijken opiumpachter van Santjoemeh trouwde met de dochter -van een niet minder rijken emeritus-volgeling van Mercurius. Bij de samenkoppeling -van zoovele millioenen kon en mocht een Nederlandsch publiek niet anders dan de grootste -belangstelling aan den dag leggen en dat had het ook gedaan. -</p> -<p>Bijna geheel Santjoemeh werd gezegd; en daarin ligt opgesloten, dat niet allen behoefte -gevoeld hadden de receptie met hunne tegenwoordigheid luister bij te zetten. Hadden -ook enkelen, zooals Van Beneden, Grashuis, Van Rheijn en Grenits, zich door hunne -weetgierigheid op ethnologisch gebied laten verlokken om de Chineesche huwelijksplechtigheid -te gaan zien, zoo waren zij toch niet over te halen geweest bij het diner aan te zitten -of de danspartij bij te wonen. Zij waren integendeel overeengekomen, om, terwijl de -Europeesche bewoners zich binnen, en de Inlandsche bevolking voor het woonhuis van -Lim Yang Bing in gang Pinggir verdrongen, ten huize van Van Nerekool bij elkander -te komen, om gezellig dien avond door te brengen. -</p> -<p>Toen zij evenwel Karels woning binnentraden, vonden zij den jeugdigen rechter nog -in zijn studeervertrek onder de kap eener groote astraallamp over zijne schrijftafel -gebogen. -<span class="pageNum" id="pb2.212">[<a href="#pb2.212">212</a>]</span></p> -<p>„Nog aan den arbeid?” vroeg de een. -</p> -<p>„Is het zoo druk bij den raad van Justitie?” meesmuilde de andere. -</p> -<p>„Drommels, dat heet ik dienstijver hebben!” kreet een derde. -</p> -<p>„In de ornithologie zou Karel onder de „<span lang="la">rari aves</span>” (zeldzame vogels) gesorteerd worden!” riep August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden uit. „Kom, wie werkt er nog op dit uur, nu geheel Santjoemeh feestviert? -Hoort ze daar ginds eens toeteren en spektakel maken.” -</p> -<p>En inderdaad bij de doodsche stilte, die in het overige gedeelte der residentie’s -hoofdplaats heerschte, werden in de verte het geschetter der fanfares, het geknetter -der mertjons en het gedonder van het geschut vernomen. -</p> -<p>„Ja, daar wordt spektakel genoeg gemaakt,” merkte Theodoor Grenits verachtelijk glimlachende -op. -</p> -<p>„Vrienden,” zei Van Nerekool, „wel heb ik het grootste gedeelte van den dag ijverig -besteed; want zooals Leendert juister opgemerkt heeft, dan hij wel meende, is het -in den tegenwoordigen tijd zeer volhandig bij den raad van Justitie; toch hield iets -anders mijne aandacht bezig, toen gij zoo even binnentraadt …” -</p> -<p>„En is het onbescheiden te vragen, wat onzen gastheer het hoofd zoo over zijne schrijftafel -deed bukken?” vroeg Theodoor. -</p> -<p>„Ik bracht juist een brief van Willem ten einde, dien ik zooeven ontvangen had, en -die mij de pen heeft doen neerleggen.” -</p> -<p>„Van Willem Verstork?” -</p> -<p>„Hoe maakt hij het?” -</p> -<p>„Is hij welvarend?” -</p> -<p>„Kan hij het te Atjeh nog al uithouden?” -</p> -<p>Die vragen kruisten elkander en werden nagenoeg gelijktijdig uitgesproken. Een ieder -van dat vijftal droeg den waardigen controleur een goed hart toe. -</p> -<p>„Vrienden,” antwoordde Van Nerekool, „Willem is welvarend, en weet zich uitmuntend -in die militaire wereld daar ginds te schikken.” -</p> -<p>„Gelukkig!” meende Van Rheijn, die niet veel met sabelslepers, zooals hij gewoonlijk -de officieren noemde, ophad. „Ik verlang volstrekt niet in zijne plaats te zijn.” -</p> -<p>„Wat schrijft hij, Karel?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden. -<span class="pageNum" id="pb2.213">[<a href="#pb2.213">213</a>]</span></p> -<p>„Och, zijn brief is te lang, om u heden voor te lezen,” antwoordde Van Nerekool. „Daarenboven -is het grootste gedeelte gewijd aan mijne particuliere omstandigheden, en treedt hij -omtrent de ouders van Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam in bizonderheden, die ik zonder onkiesch te zijn, niet kan mededeelen. -Zijne bedoeling, om mij van mijne liefde te genezen, is voorzeker welgemeend; toch -maakt dat schrijven mij diep neerslachtig, daar mij de klove, die mij van het lieve -meisje scheidt, al meer en meer onoverkomelijk aangrijnst.… Waar mag zij toch zijn?<span id="xd30e12054"></span> Wist ik dat maar; och, dan was alles nog niet verloren.” -</p> -<p>Allen keken elkander aan. Er was daar eene snaar aangeroerd, die den gastheer tot -weemoed moest stemmen. -</p> -<p>„Kom Karel,” sprak Grashuis bemoedigend, „geef aan die neerslachtigheid niet toe. -Gij moet u in het onvermijdelijke weten te schikken. Daarenboven, wie weet wat de -toekomst bereidt?”… -</p> -<p>„Maar, zij is weg … spoorloos verdwenen!” jammerde Van Nerekool. -</p> -<p>Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn glimlachte vreemdsoortig, maar antwoordde daar niet direct op. -</p> -<p>„Ook baboe Dalima is verdwenen,” zeide hij. -</p> -<p>Van Nerekool schudde ongeduldig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: „wat kan mij dat -schelen?” -</p> -<p>„Ik ben dezer dagen te Kaligaweh geweest,” ging de adspirant-controleur voort, „en -heb daar bij toeval den ouden Setrosmito gesproken. Zij is volgens hem geruimen tijd -geleden naar Karang Anjer gereisd.…” -</p> -<p>„Naar Karang Anjer?” riep Van Nerekool uit. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>En wat?.…” -</p> -<p>„Maar sedert heeft hare familie niets meer van haar gehoord.” -</p> -<p>„Niets?” -</p> -<p>„Neen, niets. Zoodat hare ouders niet weten, of zij dood of levend is.” -</p> -<p>Moedeloos liet Karel het hoofd op de borst zinken. -</p> -<p>„Een opflikkering der hoop,…” prevelde hij; „en daarna weer zwarte nacht!” -</p> -<p>Allen keken een poos bedrukt voor zich. -</p> -<p>„En schrijft Willem niets anders dan over die aangelegenheid?” vroeg Van Beneden, -die den gedachtenloop van den gastheer een andere wending wenschte te geven. -<span class="pageNum" id="pb2.214">[<a href="#pb2.214">214</a>]</span></p> -<p>„Jawel,” antwoordde Karel, die langzamerhand zijne geestkracht herwon. „Kom, laten -wij in de binnengalerij plaats nemen, dan zal ik u het meest wetenswaardige van zijn -brief mededeelen. Het is hier niets gezellig voor vriendenkout.” -</p> -<p>Allen verlieten het studeervertrek van den rechtsgeleerde, dat inderdaad met zijne -folianten, die van waanwijsheid zwollen, niet tot vertrouwelijkheid verlokte. -</p> -<p>„<span lang="ms">Sabieio, lakas kassi karossi, dan roko sama toean toean!</span>” (Sabieio, geef de heeren stoelen en sigaren.) klonk het bevel des gastheers. En -toen allen gezeten waren, en geurige manillasigaren opgestoken hadden: -</p> -<p>„Zullen de heeren een glas bier gebruiken?” vervolgde hij. -</p> -<p>En op de toestemmende beweging zijner gasten: -</p> -<p>„<span lang="ms">Sabieio, kassi bier ajam</span>,”<a class="noteRef" id="xd30e12095src" href="#xd30e12095">1</a> vervolgde hij, „<span lang="ms">sama ajer batoe</span>,” (Sabieio, geef haantjesbier met ijs). -</p> -<p>Toen allen zich aan het heerlijke Cambrinusvocht gelaafd hadden, hernam Van Nerekool: -</p> -<p>„Ik zal u het bedoelde gedeelte uit Willem’s brief voorlezen. Luistert: -</p> -<p>„Herinnert gij u nog, dat ik ulieden bij het diner na de varkensjacht in den djoerang -Pringapoes mededeeling deed van een recept van pilletjes om de opium te bestrijden,<a class="noteRef" id="xd30e12107src" href="#xd30e12107">2</a> alsook welk succes ik en anderen daarmede reeds verworven hadden. Grenits was niets -gesticht over die mededeeling, en zag de toekomst niet rooskleurig voor mij in. Zijne -woorden hebben mij lang in de ooren geklonken, en nog staan zij onuitwischbaar in -mijn geheugen gegrift. „Houdt dat pillenrecept voor u,” sprak hij waarschuwend. „De -minister van Koloniën, die bezig is de opiuminkomsten door alle mogelijke middelen -zoo hoog mogelijk op te zweepen, zou daarin eene aanranding van het gouden kalf zien. -Er zijn zendelingen in hun evangeliearbeid verhinderd, er zijn menschen de Koloniën -uitgezet, en er zijn ambtenaren gepensioneerd geworden, die <span class="corr" id="xd30e12117" title="Bron: vcel">veel</span> minder gedaan hadden, dan zulke <span class="pageNum" id="pb2.215">[<a href="#pb2.215">215</a>]</span>pillen aan den man gebracht.” Karel, gij weet dat, hoewel, met het oog op de toekomst -mijner <span class="corr" id="xd30e12122" title="Bron: familieden">familieleden</span> een oogenblik terneergeslagen, ik toch Theodoor’s woorden bij eenig nadenken slechts -opnam als eene zwartgallige ontboezeming, geuit ten gevolge van ons gesprek bij den -maaltijd, dat hoofdzakelijk over opium-schandalen en opium-ongerechtigheden geloopen -had. Grenits zelf zag den toestand minder donker in dan zijne woorden wel aanduidden; -want lachende hernam hij op mijne bewering, dat het zoo erg niet loopen zou: „maar -een Nederlandschen Leeuw zult gij met uwe pillen niet verdienen.” -</p> -<p><span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Neen, Karel, eene decoratie heb ik niet beoogd. Het weinige goede, wat ik deed, verrichtte -ik om dat goede zelf, niet met den blik op eene mogelijke belooning. Zulk streven -heb ik steeds volgaarne aan anderen overgelaten, omdat zelden het waarlijk goede, -soms wel het tegendeel daarvan, maar bijna immer eene zekere ruggegraatslenigheid -met die uiterlijke teekenen van de tevredenheid der machthebbenden beloond wordt. -De gedachte alleen, dat ik zou kunnen verdacht worden van zoo dienstvaardige spierbundels -in mijne lendenen te hebben, zou mij ongeschikt tot iedere poging daartoe maken. -</p> -<p>„De pijl, door Theodoor daartoe afgeschoten, miste dus zijn doel. Toch kon hij noch -ik vermoeden, hoeveel sarcasme in zijn laatsten volzin, en hoe doeltreffend zijne -voorafgegane raadgeving geweest was. Let goed op het geen volgen gaat. -</p> -<p>„Ik was nog niet lang hier, toen mij een schrijven van de Bataviasche Secretarie gewerd. -Dat gebeurde wel meer, wanneer men inlichtingen omtrent sommige civiele kwestiën, -b. v. inkomende rechten of zoo iets wenschte te hebben, en den Militairen Gouverneur -niet bemoeielijken wilde. Maar ditmaal bevreemdde het mij toch, dat ik dat stuk niet -door tusschenkomst der hoogstgeplaatste autoriteit ontving. Wel was het een geschreven -stuk, toch was het geene missive. Het had meer den vorm eener circulaire, die evenwel -gewoonlijk gedrukt of geautografeerd is. Dat document luidde:<a class="noteRef" id="xd30e12131src" href="#xd30e12131">3</a> „Te Batavia is eene <span class="pageNum" id="pb2.216">[<a href="#pb2.216">216</a>]</span>poging ontdekt om pillen, bestaande uit of vermengd met opium, in te voeren als medicijn. -Ter zake is door de Indische regeering beslist, dat, aangezien die pillen moeten worden -beschouwd als bereide opium, invoer van die pillen anders dan voor rekening van het -gouvernement, alsmede de verkoop, anders dan door den pachter, verboden is, behoudens -de bij Indisch Staatsblad 1872, N<sup>o</sup>. 170 ten behoeve der particuliere apothekers vastgestelde uitzondering. UWEd. Gestr. -wordt verzocht aan dien last der Regeering stipt de hand te doen houden.” -</p> -<p>„Dat fraaie stuk was geteekend door den directeur van Binnenlandsch Bestuur. -</p> -<p>„Ik had hier te Oleh-leh met de door mij besproken pilletjes pogingen aangewend, om -Chineesche opiumschuivers van hunne heillooze verslaafdheid aan het heulsap af te -brengen, en die pogingen waren met een uitstekenden uitslag bekroond. Ik had ook een -paar honderdtallen van die pilletjes aan ettelijke officieren verstrekt, om aan hunne -ondergeschikten uit te reiken, en die ook waren opgetogen over de heerlijke werking -van het middel. Mijn trophée bedoedans was dan ook met een zestal vermeerderd; en -ik erken, Karel, dat wanneer mijn oog op die werktuigen van zedelijke verwoesting -viel, die daar nu als zichtbaar teeken der behaalde overwinning aan den wand hingen, -ik een gevoel van tevredenheid met mij zelven niet kon onderdrukken. -</p> -<p>„Moest ik nu die pogingen staken? Ik kon niet gelooven, dat de regeering wars zoude -zijn, het hare bij te brengen, om zoovele rampzaligen, als ten gevolge van het opiumgebruik -in Indië rondkrioelen, de reddende hand toe te steken. Voorzeker, zij was misleid, -en het gold maar alleen haar de oogen te openen. Die pillen beschikbaar bij de pachters -stellen, moest het doel, met dat middel beoogd, doen falen. Ik stelde dan ook een -uitvoerig stuk op, waarin ik de uitkomsten aantoonde niet alleen door mij, maar ook -door de evangelieverkondigers van het Nederlandsch Zendelinggenootschap, zoo ook door -de hierboven bedoelde officieren verkregen. Van de laatstbedoelden legde ik authentieke -verklaringen deswege over. Ten slotte stelde ik op grond der opgedane ervaring voor, -ten opzichte van de pillen, door bedoeld Zendelinggenootschap <span class="pageNum" id="pb2.217">[<a href="#pb2.217">217</a>]</span>vervaardigd, eene uitzondering met betrekking tot den uitgevaardigden last te maken. -</p> -<p>„Karel, wat had ik gedaan! Ja, ik had als eerlijk man de inspraak van mijn hart gevolgd. -Maar ik was al te eenvoudig van gemoed, toen ik gelooven kon, dat de regeering ook -maar een klein beetje van hare prooi, zelfs ter wille van het zedelijksheidsbeginsel, -zou laten varen. Ik was al te kinderlijk van gemoed, toen ik zoo’n stuk schreef in -een tijd, dat geld, geld bij de regeering alles primeert, dat schrapen als de hoogste -vaderlandsche deugd wordt aangemerkt en het oog gesloten wordt voor de <i>bas-fonds</i>, waarin geschraapt wordt. -</p> -<p>„Al heel spoedig—ja, zelfs met keerende mail—ontving ik in antwoord op mijn welgemeend -pogen het navolgende schrijven: „In het voorstel, vervat in uw schrijven van den zooveelsten, -verlangt de regeering niet te treden. Immers invoer van zoogenaamde opiumpillen moet -in den laatsten tijd, behalve ter hoofdplaats Batavia, ook hebben plaats gehad in -andere residentiën van Java. Ofschoon die pillen heeten bestemd te zijn, om de schuivers -het gebruik van opium af te leeren, dienen zij toch inderdaad om hun, die zich, hetzij -wegens de hooge kosten of om andere redenen, niet op de gewone wijze van opium kunnen -voorzien, het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen.<a class="noteRef" id="xd30e12152src" href="#xd30e12152">4</a> Bestond er reeds twijfel, terwijl gij controleur in de residentie Santjoemeh waart, -dat gij er u als ambtenaar toe leendet, om—zij het dan ook zoogenaamd met een goed -doel—de verordeningen der regeering omtrent het opium-monopolie te ontduiken, en zoo -mede te werken tot benadeeling van ’s lands inkomsten,—uw schrijven geeft thans de -meeste zekerheid, dat gij dergelijke praktijken op uwe nieuwe standplaats beproefd -hebt. Op de diensten van een ambtenaar, die zóó ’s lands belangen opvat, kan de regeering -onmogelijk prijs stellen; en ware het niet, dat de beweegredenen, die u genoopt hebben -te handelen, zooals gij deedt, ontegenzeggelijk een goed doel beoogden, alsook dat -uwe <span class="corr" id="xd30e12156" title="Bron: famillie-verhoudingen">familie-verhoudingen</span> mij hebben <span class="pageNum" id="pb2.218">[<a href="#pb2.218">218</a>]</span>doen terugdeinzen, zou ik u als onbekwaam voor den dienst bij het Binnenlandsch Bestuur, -voor ontslag hebben voorgedragen. Ik heb den Gouverneur last gegeven u in uwe gangen -ernstig na te gaan, en bij de minste tekortkoming onmiddellijk te rapporteeren. Gij -moet goed begrijpen, dat de Staat hooger toewijding noodig heeft, dan het gehoor geven -aan ziekelijke philantropische opwellingen, en dat derhalve bij de minste reden van -ontevredenheid, gij op geene consideratie hoegenaamd te rekenen hebt …”<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -</p> -<p>„Het is schandelijk!” kreet Theodoor Grenits, toen Van Nerekool ophield met lezen. -„En zoo eene behandeling overkomt een man, met zoo’n edelaardig karakter als onze -Willem.” -</p> -<p>„O, die opium, die opium!” vervolgde Grashuis even opgewonden. „Hij bederft de beste -sappen van onze natie. Is het reeds zoover gekomen, dat men de middelen weert, die -bij de bestaande toestanden heil zouden kunnen aanbrengen!” -</p> -<p>„Ja, het is schandelijk!” beaamde Van Beneden. -</p> -<p>„Maar, vrienden,” kwam Van Rheijn tusschenbeide, „zijn wij niet te uitsluitend in -onze opvattingen, in onze oordeelvellingen? Zou het niet waar kunnen zijn, dat onder -het mom van genezing aan te brengen, inderdaad sluikhandel met die pillen beoogd werd …” -</p> -<p>„O, Eduard,” viel hem Van Nerekool in de reden, „hoe komt gij er toe Willem Verstork -van sluikhandel te verdenken?” -</p> -<p>„En het Nederlandsche zendelinggenootschap?” voegde Leendert Grashuis er aan toe. -</p> -<p>„Vergeef mij, vrienden,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn, terwijl hij driftig van zijn stoel opsprong. „Gij verstaat mij verkeerd. -Zoo iets te kennen te geven, was mijne meening niet. Voor mij staat het als een paal -boven water dat, èn Willem èn de zendelingen bij hunne pogingen onkreukbaar eerlijk -en rechtschapen handelden. Maar zoudt gij niet kunnen aannemen, dat onverlaten, zich -achter dat geneesmiddel verschuilende, zuivere opium pillen invoeren, om zoo de schatkist -te benadeelen?” -</p> -<p>„Zoo iets kan wel,<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> zei Grenits nadenkend. -</p> -<p>„En is het dan geen zaaks,” vervolgde Van Rheijn, „dat de regeering een zoodanigen -clandestienen invoer <span class="pageNum" id="pb2.219">[<a href="#pb2.219">219</a>]</span>tegenga? Onder den dekmantel van die pillen, zou het opiumverbruik zoo een al te groote -vlucht kunnen nemen.…” -</p> -<p>„Zonder dat de staatskas er wel bij voer!” viel Grashuis in. „Als die maar gestijfd -wordt, dan is men in regeeringskringen van die vlucht van het opiumverbruik zoo afkeerig -niet. Integendeel!” -</p> -<p>„Daarenboven Verstork’s voorstel, om eene uitzondering te maken omtrent de pillen -van het Nederlandsche Zendelinggenootschap was aannemelijk genoeg,” merkte Theodoor -Grenits op. „Men kon het middel handhaven en beschermen, maar de vervalschingen daarop -tegengaan.<span id="xd30e12186"></span> Maar, dat wil men blijkbaar niet. Geen loodje mag aan de hoeveelheid vergift ontbreken, -die de Inlandsche bevolking opgedrongen wordt, en iedere poging om tot verbetering -te geraken moet, wat er ook al in de Vertegenwoordiging in den Haag gefemeld en geteemd -wordt, ten ernstigste tegengegaan worden. Vrienden, gij herinnert u onze discussiën -nog wel. Valt de uitspraak nog wel te betwisten: dat de opium als eene vervloeking -op het arme Indië rust?” -</p> -<p>Allen keken elkander een poos ernstig en stilzwijgend aan. Helaas, neen, tegen die -uitspraak was niet op te komen. In aller boezem was die overtuiging gevestigd. -</p> -<p>„Ja, die opium!…” zei August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden met een zucht. „Vrienden,… wij zullen van thema veranderen, zonder ons onderwerp -prijs te geven, wat ook jammer zoude zijn. Gelukkig, dat een vijftal protesteerenden -zich binnen Santjoemeh bevinden, terwijl de lucht van de fanfares trilt, en de grond -dreunt door het gedonder van <span class="corr" id="xd30e12195" title="Bron: det">het</span> geschut bij de feestviering van de samenkoppeling <span class="corr" id="xd30e12198" title="Bron: her">der</span> millioenen, uit die bron verkregen. De gestaarte afstammelingen van het Hemelsche -Rijk zijn nu zoo eendrachtig om hunne Tao Peh Kong vereenigd, maar dat is niet altijd -zoo het geval. Er kunnen zich omstandigheden voordoen, waarbij zij uiterst vinnig -tegenover elkander staan. Bij het nasnuffelen dezer dagen van eenige overjarige documenten, -kwam mij een Kongsie-geschil in handen, dat mij een diepen blik in den fatalen kring -gunde, waarin zich de opiumpacht beweegt. Wij zitten zoo gezellig bij elkander, laat -mij u die geschiedenis vertellen. Alleen moet gij niet op personen en op plaatsnamen -letten, ook niet op de jaartallen. Ik vind geen vrijheid om de handelenden, die nog -leven, te brandmerken, <span class="pageNum" id="pb2.220">[<a href="#pb2.220">220</a>]</span>en dat zult gij, met het oog op mijn standpunt van pleitbezorger, ongetwijfeld billijken. -Voor den gang van het verhaal is evenwel iets meer noodig dan het aanduiden van personen -door N. N. of P. P. en van plaatsen door X of Y, hetgeen daarenboven iets stuitends -heeft, zoo zal ik mij veroorloven gefingeerde namen in te vlechten. Als gijlieden -daaraan maar wilt denken. -</p> -<p>„In het jaar—kom laten wij zeggen: ruim een tiental jaren geleden,—bestond er in eene -residentie’s hoofdplaats van Java—laten wij aannemen in Santjoemeh—eene machtige opiumkongsie,—die -wij Hok Bie zullen noemen. Deze kongsie Hok Bie had het oog geslagen op de opiumpacht -van een aan Santjoemeh grenzend pachtperceel, dat wij Bengawan zullen heeten. Maar -ter zelfder tijd had dat pachtperceel Bengawan ook de begeerlijkheid opgewekt van -een jeugdig Chinees,—dien wij Tio Siong Mo zullen heeten,—die rijk was, evenwel de -millioenen niet zoo voor het grijpen had, als dat met de kongsie Hok Bie het geval -was.<span id="xd30e12205"></span> -</p> -<p>„Het zou mij te ver leiden, vrienden”, vervolgde Van Beneden, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>wanneer ik u de intrigues mededeelde, die afgesponnen werden, de kuiperijen en omkooperijen, -die plaats hadden, om het beoogde pachtcontract machtig te worden. Laat het u genoeg -zijn te weten, dat van weêrszijden alle krachten werden ingespannen, en niet zonder -reden; want het pachtperceel Bengawan gold destijds voor het vetste van geheel Java, -en telt thans nog, als ik mij niet bedrieg, het grootste aantal opiumkitten, waar -tegenover staat, dat het de meest armzalige bevolking van het geheele eiland bezit.” -</p> -<p>„Aanvankelijk scheen de kongsie Hok Bie de overhand te zullen behalen. Zij verwierf -toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was,<a class="noteRef" id="xd30e12213src" href="#xd30e12213">5</a> dat de soliditeit <span class="pageNum" id="pb2.221">[<a href="#pb2.221">221</a>]</span>der borgen van hare tegenpartij betwijfeld werd, waardoor deze buiten mededinging -gehouden zoude worden. Tio Siong Mo zette zich evenwel schrap, bekampte de omkoopers -met hunne eigene wapenen, en wist de soliditeit zijner borgen te staven. Hoe?… Och<span class="corr" id="xd30e12243" title="Bron: .">,</span> dat zult gijlieden wel kunnen gissen.” -</p> -<p>„Jawel, jawel,” zei Grenits. „Ga maar voort. Dat is zoo klaar voor ons als een klontje -kandijsuiker!” -</p> -<p>„Toen dat niet lukte, keek de kongsie Hok Bie naar andere middelen om. Eerst poogde -zij Tio Siong Mo’s borgen om te koopen, dat dezen zich failliet zouden verklaren. -Toen dat niet opging, deed zij den gevaarlijken mededinger een bod van vijf tonnen -gouds, wanneer hij zich terugtrok. Vijf tonnen gouds! Het bod was mooi, dat moet erkend -worden. Toch aarzelde Tio Siong Mo geen oogenblik met zijne weigering; want de pacht -van het perceel Bengawan bracht veel, veel meer winst op. -</p> -<p>„Eindelijk was de groote dag daar. Aanvankelijk werd door een vijftal mededingers -geboden, maar drie daarvan verlieten voor en na het strijdperk, en bleven de vertegenwoordigers -van de kongsie Hok Bie en Tio Siong Mo alleen tegenover elkander in het krijt.<span id="xd30e12250"></span> -</p> -<p>„Ik zal u maar niet vermoeien met den strijd, die met afwisselende stoutmoedigheid -en behoedzaamheid gevoerd werd. Er waren spannende oogenblikken. Hok Bie bood eindelijk -ƒ 80,000.…” -</p> -<p>„Tachtig duizend gulden!” kreet Van Rheijn.… „Maar, dat is niet veel.” -</p> -<p>„’s Maands! ’s Maands, waarde Eduard!” suste hem Van Beneden. -</p> -<p>„Dat is 960,000 gulden,” antwoordde Van Rheijn. „Nog niet veel. Hier te Santjoemeh.…” -</p> -<p>„Voor dien tijd een buitensporige prijs, vrienden,” viel hem August in de rede. „Laat -u dat gezegd zijn. Ik heb er mij van overtuigd.” -</p> -<p>„En hoe ging het verder?” vroeg Van Nerekool. -</p> -<p>„„Tachtig duizend!” had de vertegenwoordiger van Hok Bie geroepen, en daarmede gemeend -zijn tegenstander te <span class="pageNum" id="pb2.222">[<a href="#pb2.222">222</a>]</span>overbluffen en te verpletteren; want hij was van zestig op tachtig gesprongen. -</p> -<p>„Drommels!” zei Van Rheijn. „En hoe verder?” -</p> -<p>„Tio Siong Mo liet er geen gras over groeien; maar antwoordde leuk: -</p> -<p>„„<span lang="ms">Dan sareboe!</span>” (nog één duizend) -</p> -<p>„Hij sprak die woorden, alsof hij zeggen wilde, dat hij ieder bod zijner tegenpartij -eenvoudig met duizend gulden wilde overschrijden. -</p> -<p>„Hok Bie’s „wakil” (vertegenwoordiger) keek verbluft op. Met dien laatsten sprong -had hij de uiterste grens van de strekking zijner volmacht bereikt. Hij mocht niet -verder. -</p> -<p>„„<span lang="ms">Delapan poeloe satoe reboe roepiah!</span>” zei de resident aanmoedigend tot den aarzelende. -</p> -<p>„„<span lang="ms">Delapan poeloe satoe reboe roepiah!</span>” herhaalde de secretaris, die voor afslager dienst deed. -</p> -<p>„Niemand sprak. Eindelijk klonk de formule van „<span lang="ms">tiga kali!</span>” (derde maal) vergezeld van een harden hamerslag, en was de pacht aan Tio Siong Mo -toegewezen. -</p> -<p>„Het was veel: negenhonderd twee en zeventig duizend gulden alleen aan pachtschat!<span id="xd30e12290"></span> Maar de jeugdige Chinees lachte in zijn vuistje; hij was er overtuigd van, dat uit -het pachtperceel Bengawan meer dan het dubbele te kloppen was. Of hij niet buiten -den waard rekende?.… -</p> -<p>„De kongsie Hok Bie was woedend over de geleden nederlaag, en besloot dan ook zich -te wreken. In hare eerste bijeenkomst stelde zij vier ton ter beschikking, om Tio -Siong Mo niet alleen ten val te brengen, maar om hem zelfs een plaatsje in ’s lands -gevangenis te bezorgen. Twee der oudste leden der kongsie belastten zich met die opdracht.” -</p> -<p>„Ik ben eens benieuwd, hoe zij dat aanlegden,” zei Grenits, die bij zoo’n concurrentie -als koopman zenuwachtig de neusvleugels openspalkte, niet ongelijk aan een jong, vurig -paard, dat ongeduldig is om vooruit te schieten. -</p> -<p>„Dat ging vrij eenvoudig, hoewel het razend veel geld kostte,” ging August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden voort. „Als het evenwel het koelen hunner hartstochten of het botvieren hunner -ijdelheid geldt, dan zijn de Chineezen volstrekt niet gierig.…” -</p> -<p>„Ook niet, wanneer het geldt, eene spiering uit te <span class="pageNum" id="pb2.223">[<a href="#pb2.223">223</a>]</span>gooien om een kabeljauw te vangen,” meende Leendert Grashuis. -</p> -<p>„Accoord, maar laat mij nu voortgaan,” zei Van Beneden. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Anders komen wij er van avond niet.” -</p> -<p>„Juist,” zei Eduard. „Maak voort; want ook ik heb eene opium-geschiedenis mee te deelen -en nog wat meer.” -</p> -<p>„Vooruit dan maar, August!” maande Theodoor Grenits. -</p> -<p>„Een paar belendende pachtperceelen, die aan de Javazee grensden, waren nog niet verpacht. -De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op.…” -</p> -<p>„Nu, dat laat zich hooren,” zei Van Rheijn. „Bij gemis aan het vette perceel Bengawan, -een paar ietwat magerder, dat compenseert.” -</p> -<p>„De kongsie Hok Bie wierp er zich hongerig op,” ging August onverstoorbaar voort, -„en besteedde voor die beide perceelen ƒ 40,000 ’s maands, hoewel er op de vingeren -uit te rekenen was, dat bij een dergelijken pachtschat geld bijgelegd moest worden.” -</p> -<p>„Maar, wat was hun doel met die pacht?” vroeg Van Nerekool. -</p> -<p>„Eene groote strook van Java’s noorderstrand te hunner beschikking te krijgen.” -</p> -<p>„Oho!” riepen Grenits en Van Rheijn, voor wien een licht opging. -</p> -<p>„Begint gijlieden te begrijpen?” vroeg August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden met een glimlach. „Dat is gelukkig! Gij weet, de residentie Bengawan grenst -ten noorden aan die twee pachtperceelen. En de gevolgen bleven dan ook niet uit. De -kust aan de Java-zee stond voor de kongsie Hok Bie open. De smokkelvaartuigen voeren -ijverig tusschen die kust en Singapore en Bali op en neer; de smokkelwaar vond haren -weg door hare pachtperceelen en binnen zeer korten tijd was Bengawan zoodanig met -gesloken opium overstroomd, die tegen acht duiten<a class="noteRef" id="xd30e12321src" href="#xd30e12321">6</a> willig van de hand gezet werd, een prijs, waarvoor de wettige pachter onmogelijk -slijten kon. Toch trachtte Tio Siong Mo het onvermijdelijke te trotseeren. Hij begon -met stipt aan <span class="pageNum" id="pb2.224">[<a href="#pb2.224">224</a>]</span>zijne verplichtingen te voldoen, en den bedongen pachtschat op de gestelde datums -in ’s lands kas te storten, in de hoop, dat de Europeesche ambtenaren hem steunen -zouden, tegenover den sluikhandel, die ’s lands kas dreigde te benadeelen. Welk gevolg -zijne vertoogen bij de hoofden van Gewestelijk Bestuur in de verschillende residentiën -hadden?.… <i lang="de">Schwamm darüber.…</i> En, mocht hij ook van een enkelen hoofdambtenaar medewerking ondervinden, van de -mindere opiumbeambten ondervond hij dat niet. Integendeel, die waren geheel en al -op de hand van de machtige kongsie Hok Bie, die geen dienst, haar bewezen, onbeloond -liet. Dat prompte betalen van den pachtschat ging goed, zoolang Tio Siong Mo geld -had. Hoe welvoorzien evenwel zijne kas was, het was ook hier: waar steeds veel van -afgaat en schier niets bijkomt, daar is het einde slechts een <span class="corr" id="xd30e12330" title="Bron: questie">quaestie</span> van tijd. In de tweede helft van het tweede pachtjaar failleerde Tio Siong Mo. Hij -kon onmogelijk zijne onkosten dekken, en had toen een kolossalen achterstand bij ’s -lands kas, waarvan zeer weinig te recht kwam; omdat zijne borgen op het wichtig oogenblik -naar Singapore ontvlucht waren, en zoo slim met hunne bezittingen omgesprongen hadden, -dat zij niets dan schulden achterlieten. -</p> -<p>„„De Nederlandsche regeering is het zwaard zonder genade,” sprak de Directeur van -<span class="corr" id="xd30e12335" title="Bron: Finaneiën">Financiën</span>, en liet uit naam van diezelfde regeering, die door doeltreffende maatregelen, zoowel -in haar als in des pachters belang, sluikerij op zoo groote schaal, als langs de noordkust -van Java geschied was, onmogelijk moest gemaakt hebben, maar dat nagelaten had, den -armen Tio Siong <span class="corr" id="xd30e12338" title="Bron: Mio">Mo</span> in de gevangenis stoppen, waarin hij jarenlang zuchtte, en waaruit hij eerst kort -geleden, toen men zag, dat die gijzeling toch niets gaf, ontslagen is. Kan men op -het gebied van belooningen soms niet zonder reden beweren, dat de paarden, die de -haver verdienen, ze niet altijd krijgen, zoo ziet gij ook uit deze épisode, dat zij -die gestraft worden, niet altijd de ware schuldigen zijn.” -</p> -<p>„Maar hoe ging het met de pacht van Bengawan na dat faillissement?” vroeg Van Rheijn -nieuwsgierig. -</p> -<p>„Natuurlijk moest dat perceel door den val van Tio Siong Mo binnenstijds herverpacht -worden. Wie de nieuwe pachters geworden zijn, blijkt niet uit de stukken; wel <span class="pageNum" id="pb2.225">[<a href="#pb2.225">225</a>]</span>uit eene teemende jeremiade van den Directeur van Financiën, waarbij hij de rechters -tot groote gestrengheid jegens den gefailleerde aanspoorde, dat het perceel bij die -herverpachting slechts ƒ 41,000 opbracht. Zoodat het rijk, behalve de achterstallige -tonnen van den gefailleerde, ook nog een geldelijk nadeel van veertigduizend gulden -’s maands had.” -</p> -<p>„Goed zoo!” riep Grenits uit. „Ik wou, dat dit jaar in jaar uit en met alle pachtperceelen -gebeurde, dan zou er wel een middel gevonden worden, om aan dat opiumverbruik een -einde te maken!” -</p> -<p>„Maar, hoe ging het met de door de kongsie Hok Bie gepachte perceelen langs de noordkust?” -vroeg Eduard, die in zijne qualiteit van aspirant-controleur het naadje van de kous -wilde weten. -</p> -<p>„Wat zou de kongsie er mede gedaan hebben? Die brachten slechts verlies op. Toen het -doel dan ook bereikt was, deed zij de pacht aan eene bevriende kongsie, natuurlijk -tegen groot verlies over. Hok Bie wilde er niets meer van weten.…” -</p> -<p>„En de moraal van die geschiedenis is?” vroeg Leendert Grashuis. -</p> -<p>„Eenvoudig deze,” viel Theodoor Grenits in: „dat, van welken kant wij ook de opiumpacht -bekijken, zij steeds een walgelijken aanblik verleent.” -</p> -<p>„En, zoo iets vormt de voornaamste bron der koloniale inkomsten der Nederlanders!” -</p> -<p>„Ja, daartoe is ze door de machthebbenden, die door de onbegrijpelijke lauwheid der -natie de handen vrij hebben, in den laatsten tijd opgevoerd worden!” -<span class="pageNum" id="pb2.226">[<a href="#pb2.226">226</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e12095"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12095src">1</a></span> <i>Bier ajam</i> beteekent kippenbier en duidt op het Haantjesbier van de firma Rendorp, dat te recht -eene gunstige vermaardheid in Indië verworven heeft. <a class="fnarrow" href="#xd30e12095src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12107"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12107src">2</a></span> <i>Een recept van pilletjes om de opium te bestrijden.</i> Zie des wege bladz. <a href="#pb298">298</a>–299 van het eerste deel en de gemaakte opmerking <a href="#n298.2">No. 2</a> aan de voet van de eerst aangehaalde bladz. <a class="fnarrow" href="#xd30e12107src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12131"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12131src">3</a></span> <i>Dat document luidde.</i> De twee volgende volzinnen in den tekst zijn letterlijk overgenomen uit het Koloniaal -verslag van 1884, bladz. 145. De lezer kan daaruit zien, dat ook op letterkundig gebied -de officiëele litteratuur niet zielverheffend is. <a class="fnarrow" href="#xd30e12131src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12152"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12152src">4</a></span> <i>Het opiumgenot op goedkooper wijze te verschaffen.</i> De volzin, waarin die tusschenzin voorkomt en de onmiddellijk voorafgaande is te -vinden in het Koloniaal Verslag van 1885 op bladz. 158. <a class="fnarrow" href="#xd30e12152src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12213"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12213src">5</a></span> <i>Zij verwierf toch van den resident, wien de verpachting opgedragen was.</i> De opiumverpachting heeft niet altijd op de hoofdplaats van het betrokken pachtperceel -plaats. Art. 4 van de <i>Voorwaarden, waarop het recht tot den verkoop van opium in het klein op Java en Madura -zal worden verpacht</i> (<i>Ordonn. dd. 7 Aug. 1883<span class="corr" id="xd30e12221" title="Bron: )">,</span> Stbl. No. 197</i>), luidt: -</p> -<p class="footnote cont">„De verpachting wordt gehouden: -</p> -<p class="footnote cont">„<i>a</i>) Voor de residentiën Bantam, Batavia en Krawang door den resident van Batavia, ter -hoofdplaats Batavia; -</p> -<p class="footnote cont">„<i>b</i>) Voor de residentiën Soerakarta, Djokdjokarta, Kedoe, Bagelen <span class="pageNum" id="pb2.221n">[<a href="#pb2.221n">221</a>]</span>en Banjoemas, door de respectieve residenten, ieder voor zooveel zijn gewest betreft, -ter hoofdplaats Semarang; -</p> -<p class="footnote cont">„<i>c</i>) voor de andere gewesten op hunne hoofdplaatsen, door de Hoofden van Gewestelijk -Bestuur.” <a class="fnarrow" href="#xd30e12213src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12321"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12321src">6</a></span> <i>Acht duiten</i> zijn gelijk aan ƒ 0,0666. In de binnenlanden van Java zijn nog vele duiten in omloop -en in vele gevallen door de bevolking meer gewild dan de centen. <a class="fnarrow" href="#xd30e12321src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch38" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e967">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XXXVIII.</h2> -<h2 class="main">De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Het vijftal vrienden zat een poos in gedachten verzonken. Het waren harde waarheden -voor het Nederlandsche hart, die daar weerklonken hadden; maar het waren waarheden, -die niet weg te cijferen of weg te redeneeren waren. Ernstig zaten alle vijf daar -op hunne „karossi gojang” te wiegelen, en de blauwe spiralen, die zij aan hunne manilla-sigaren -ontlokten, na te oogen; totdat in de verte een verdubbeld gebulder van het geschut -vernomen werd, en een verdubbeld geknetter der mertjons, schier verdoofd door een -uitbundig gejuich, hetwelk in het feestgebouw ontstaan, zich naar buiten uitbreidde, -en door de duizenden Inlanders, die stonden te nontonnen en geduldig op het vuurwerk -te wachten, herhaald werd. Dat cressendo van feestgejoel was waarschijnlijk veroorzaakt -door den toast van Lim Yang Bing op den resident Van Gulpendam. -</p> -<p>„Sabieio, isi glas!” (Sabieio vul de glazen!) riep Van Nerekool, zich aan zijne zwaarmoedige -gedachten ontwringende, die door het verhaal van Van Beneden niet verdrongen waren. -</p> -<p>Een oogenblik luisterde ons gezelschap nog naar het spektakel. Toen dat evenwel ook -weer in de verte weggestorven was, hervatte Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn het gesprek. -</p> -<p>„Waarde August,” zei hij, „straks bezigdet gij de woorden, dat Tio Siong Mo geene -medewerking van de mindere opiumbeambten ondervond, dat die integendeel geheel <span class="pageNum" id="pb2.227">[<a href="#pb2.227">227</a>]</span>en al op de hand der machtige kongsie Hok Bie waren. Die uitspraak zal u wel niet -ontvallen zijn; maar zult gij wel degelijke motieven daartoe gehad hebben. Evenwel, -het is mij niet duidelijk, of gij met dat vonnis de Europeesche dan wel de Inlandsche -opiumbeambten wildet treffen. Vergeet niet, uwe beschuldiging is zwaar.” -</p> -<p>Van Beneden keek strak voor zich, haalde eens diep adem, en wachtte een paar seconden, -alvorens hij antwoordde: -</p> -<p>„Zeker is mijne beschuldiging zwaar, dat gevoel ik als rechtsgeleerde het beste. En -gij hadt gelijk, toen gij meendet, dat ik haar niet ondoordacht uitsprak. Wien zij -geldt? Inlandsche of Europeesche beambten? Ik geloof, dat ik beide landaarden gerust -in dezelfde beschuldiging wikkelen kan. Het moet mij evenwel van het hart, dat ik -vooral de blanken op het oog had.…” -</p> -<p>„August, zijt gij niet te eenzijdig in uwe oordeelvelling?” vroeg Van Rheijn diepbewogen. -</p> -<p>„Luister, Eduard,” antwoordde Van Beneden. „Onder het groot aantal processtukken, -die zaak van Tio Siong Mo betreffende, trof ik ook eene nota aan van een hooggeplaatst -ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te vellen, en wien dat oordeel ook -gevraagd was.<a class="noteRef" id="xd30e12376src" href="#xd30e12376">1</a> Zie hier, wat die nota ongeveer inhield: -</p> -<p>„„De traktementen van de ambtenaren tot tegengang van den sluikhandel in opium zijn -uiterst schamel; terwijl hun geene hulpmiddelen bij hun zeer moeielijk bedrijf ten -dienste staan. Het gevolg daarvan is, dat zeer weinig geschikte sujetten zich voor -dat baantje aanbieden. Hoe geschiedt dan de aanvulling? Te hooi en te gras worden -eenige individuën aangenomen, en ter beschikking gesteld van een of anderen resident. -Die menschen, die in den regel een minder gunstig verleden achter zich hebben, en -van den opiumsluikhandel een zeer beperkt denkbeeld hebben, worden dan op een traktement -van ƒ 150 ’s maands geplaatst op verschillende punten, waar de meeste clandestiene -opium ingevoerd wordt. Uit den aard der zaak zijn die punten niet in of <span class="pageNum" id="pb2.228">[<a href="#pb2.228">228</a>]</span>onmiddellijk nabij bewoonde plaatsen gelegen. Het tegendeel is waar. Hunne stations -bevinden zich in den regel in de schier ontoegankelijke moerassen, en de schier ondoordringbare -wildernissen van Java’s noorderstrand. Van eene woning is daar geen sprake, sommige -huren tegen 25 of 30 gulden ’s maands een bamboekrotje, of bouwen er op eigen kosten -een. -</p> -<p>„Personeel ter hunner beschikking, daarvan bestaat niets, niets! Daarvoor is geen -geld beschikbaar. Ze moeten—God betere het!—maar hulp vragen, als er wat aan de hand -is, aan de dèsa-hoofden en komen dan in den regel bij den duivel te biecht. -</p> -<p>„Die ambtenaren worden door de residenten verplicht twee paarden te houden, en genieten -daarvoor aan fouragegelden ƒ 10 ’s maands per paard. Fondsen tot het aanschaffen dier -paarden worden eenvoudig niet verstrekt. Hierdoor worden zij genoodzaakt gebruik te -maken van de bepaling om vier maanden voorschot op traktement te mogen nemen, dat -hun in zestien achtereenvolgende termijnen afgetrokken wordt. Rekent men nu de korting -voor weduwen- en weezenfonds daarbij, dan krijgen de ongelukkigen ƒ 102 in handen, -waarvan huishuur en bediendeloon afgaat, zoodat hun slechts 67 gulden overblijven -om veelal met een gezin van te leven en zich te kleeden. Waar hunne, al is het ook -maar eene schamele inrichting van daan moet komen? Er blijft die menschen niets anders -over dan zich tot de pachters te wenden, die in dergelijke gevallen volgaarne als -geldschieters optreden. Wordt zoo den beambten de leer niet opgedrongen: uit hun baantje -te halen, wat er uit te halen is?” -</p> -<p>„En zoo, waarde Eduard,” ging Van Beneden voort, „gebeurt het, dat alle opiumbeambten -<span class="corr" id="xd30e12389" title="Bron: direkt">direct</span> of <span class="corr" id="xd30e12392" title="Bron: indirekt">indirect</span> onder de afhankelijkheid van de pachters staan of langzamerhand geraken. De gevolgen -daarvan liggen, dat moet gij erkennen, voor de hand. Bij die nota lag een lijst van -individuën, die tengevolge van hulp aan de smokkelaars tegen de belangen der pachters -verleend, ontslagen waren. Dat getal was groot. Anderen waren ledepoppen van de pachters -en durfden zich niet tegen den sluikhandel van dezen verzetten. Een derde categorie -kwam in die nota voor, helaas, de minst talrijke, dat waren zij, die hunnen plicht -ernstig opvatten en van de stelling uitgingen, <span class="pageNum" id="pb2.229">[<a href="#pb2.229">229</a>]</span>dat de pachters als smokkelaars even goed strafbaar zijn als anderen, en derhalve -die pachters even ijverig controleerden. Maar.… Maar … dezen hielden het niet lang -uit, maar verdwenen al heel spoedig van het tooneel. Hun werd dan door de residenten -ten laste gelegd: gemis aan tact en beleid. „Was toch eenmaal eene klacht ingediend, -dan moest het recht zijn loop hebben, en … de regeering ziet zeer ongaarne, dat hare -pachters bemoeielijkt worden, als dezen maar trouw hunne <span class="corr" id="xd30e12397" title="Bron: financieele">financiëele</span> verplichtingen jegens de Staatskas vervullen …” -</p> -<p>„Maar … waar blijft onder dergelijke omstandigheden de telken jare herhaalde verzekering -van den Minister van Koloniën in de vertegenwoordiging,” vroeg Grenits vrij heftig, -„dat het opiumverbruik zoo veel mogelijk tegengegaan wordt. De regeering beschermt, -zooals wij hoorden, den sluikhandel der pachters, en dezen, om hunne sluikwaren aan -den man te brengen, dringen de bevolking met alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen -het vreeselijke heulsap op.” -</p> -<p>„De conclusie van wat ik mededeelde,” ging Van Beneden voort, „is, dat geen fatsoenlijk -man wil of kan in dienst treden als ambtenaar tot tegengang van den sluikhandel, men -moet dus de toevlucht tot personen van minder gehalte nemen. En … vandaar, beste vrienden, -dat de kuiperijen van de kongsie Hok Bie tegenover den pachter Tio Siong Mo mogelijk -waren, en dat zij het verloop konden hebben, hetwelk ik mededeelde.…” -</p> -<p>„Al weer een blik te meer in den toestand, door de opiumpacht geschapen,” zei Van -Nerekool. „Kom, laten wij het onderwerp uitputten. Zeide Van Rheijn straks niet, dat -ook hij een opiumgeschiedenis te vertellen had?” -</p> -<p>„Ja,” antwoorde deze, „en nog wat anders ook.” -</p> -<p>„Kom, vooruit dan,” zei Leendert Grashuis. „Ik meende al een boel te weten, maar telkenmale -openen zich nieuwe gezichtspunten.” -</p> -<p>„Zijt gijlieden allen van sigaren voorzien?” vroeg de gastheer uitnoodigend. „Wij -zijn geheel en al gehoor, Eduard.” -</p> -<p>„Ik heb een brief van Murowsky,” begon Van Rheijn. -</p> -<p>„Van Murowsky, onzen dokter?” -</p> -<p>„Van onzen „beobachter” hij de wetenschappelijke opiumschuiverij?” -<span class="pageNum" id="pb2.230">[<a href="#pb2.230">230</a>]</span></p> -<p>„Van hem zelven. Daar die brief weinig of geen zielsgeheimen bevat, en hij daarenboven -aan ons allen geadresseerd is, zal ik hem u, in tegenstelling van de gedragslijn, -door onzen gastheer gevolgd, in zijn geheel voorlezen.” -</p> -<p>„Drommels, het is reeds laat,” merkte Grashuis op. „Reeds negen uur.” -</p> -<p>„Komt er iets over kapellen in voor?” -</p> -<p>„Ja.” -</p> -<p>„En over kevers en slangen?” -</p> -<p>„Misschien ook.” -</p> -<p>„Och, dan sta God ons bij! De heeren entomologen kunnen zoo langdradig zijn; zij schenken -je geen enkelen poot, geen antenne (voelspriet), geen dekschild, geen …” -</p> -<p>„Dat zal nog al meevallen,” antwoordde Eduard op die uitvallen glimlachend. „Luistert -maar: -</p> -<p>„„Hoe ik het te Gombong uithoud?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> vroegt gij mij in uwen laatsten brief, waarde vriend. Ja, in den beginne zag het -er dienaangaande somber uit. Gij weet, dat ik de lieve Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen een goed hart toedroeg, en ik geloof ook, dat zij hare kijkertjes niet dichtkneep, -wanneer zij mij te Santjoemeh tegenkwam. Aanvankelijk dus bij mijne komst hier, dacht -ik slechts aan haar, verafschuwde mijne nieuwe omgeving en vloekte den chef, die mij -de poets gebakken had, mijne overplaatsing naar hier te bewerken. Van entomologie -geen sprake. De enkele malen, dat ik probeerde afleiding daarbij te zoeken, mislukte -mijne poging volkomen. Waar ik ook ging of kuierde, zag ik slechts één beeld, dat -der bekoorlijke Agatha met hare fonkelende oogen en bekoorlijke koonen, en vergat -ik mij zoodanig, dat de fraaiste vlinder-exemplaren mijnen neus voorbijvlogen, zonder -dat ik er aan dacht mijn netje er naar uit te steken. Ik gaf het op en smeet mijn -insectengereedschap in een hoek. Maar, wat te doen te Gombong? Al de officieren, daar -aanwezig, hadden hun werkkring als leeraren bij de pupillen-inrichting aangewezen, -en hadden het druk genoeg. Ik daarentegen had bijna niets te doen. Het luchtgestel -te Gombong is wanhopig gezond, en als oprechte Roomsche heb ik menig schietgebedje -gedaan, om, kon ik geene epidemie verwerven, dan toch een geval onder handen te krijgen, -merkwaardig genoeg om mijne aandacht te boeien.….” -<span class="pageNum" id="pb2.231">[<a href="#pb2.231">231</a>]</span></p> -<p>„Wel heb je ooit zoo’n Poolschen zonderling gezien!” riep Theodoor uit. „Bidden om -eene epidemie! Zoo’n vent moesten ze de kolonie uitzetten, of op zijn minst in het -nieuwgebouwde gekkenhuis te Buitenzorg een plaatsje bezorgen.” -</p> -<p>„Bah, iedereen bidt: Geef ons heden ons dagelijksch brood,” zei Eduard. „Verlangt -hier onze August niet naar processen? En is een geding niet erger dan eene epidemie? -Maar, laat mij voortgaan.” -</p> -<p>„<span id="xd30e12433"></span>Toen mijn gebed niet verhoord werd, nam ik de dichtkunst te baat, of beter ik wisselde -het een met het ander af. Ik bezong haar, die afwezige, in alexandrijnen, in jamben, -in pentameters, in hexameters, in oden, in idyllen, in lyrische gedichten, in sonnetten, -in stanzen, in het Duitsch, in het Poolsch.…” -</p> -<p>„Dat zal mooi geklonken hebben,” viel Grashuis in. -</p> -<p>„<span id="xd30e12438"></span>In het Poolsch, in het Fransch, ja zelfs tot in het Latijn.…” -</p> -<p>De vrienden schaterden het uit. -</p> -<p>„In het Latijn!” schreeuwde Grenits. „Is de vent dol?” -</p> -<p>„Verbeeld je, dat het lieve kind,” kwam Van Beneden tusschenbeide, „eene ode van haar -aanbidder ontving, getiteld: „<span lang="la">Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus</span>.<a class="noteRef" id="xd30e12447src" href="#xd30e12447">2</a> Ik wou dan haar bakkesje wel zien.” -</p> -<p>„Schei uit met je gekheid en laat mij voortgaan,” zei Van Rheijn, die evenals de anderen -hartelijk lachte, toen hij de vertaling vernomen had. -</p> -<p>„<span id="xd30e12458"></span>… En God weet, hoeveel papier ik vol geklad zoude hebben, toen ik eensklaps vernam, -dat Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen geëngageerd was, en al heel spoedig zou trouwen. Toen greep ik al mijne -dichterlijke producten, stookte er des avonds een vuurtje van, dat overheerlijk hielp -om de muskieten en oude nesterijen te verdrijven. Ik noodigde al de officieren van -het garnizoen bij elkander, gaf een flinke champagne-fuif, en was na een nacht, dien -ik doorbracht, alsof ik de Zeven Heilige Slapers van de Roomsche Heiligen-legende -<span class="corr" id="xd30e12463" title="Bron: concurentie">concurrentie</span> wilde aandoen, totaal genezen.” -<span class="pageNum" id="pb2.232">[<a href="#pb2.232">232</a>]</span></p> -<p>„Die Pool is een practische kerel. Om een voorbeeld aan te nemen, hoor je Karel!” -</p> -<p>„<span id="xd30e12470"></span>Ik hervatte mijne insectenjacht en begreep toen eerst dat de hemidiptera, de diptera, -de hymenoptera, de lepitoptera, de coleoptera.…” -</p> -<p>„Zeg, zou je die barbaarsche namen, waarvan wij toch niets begrijpen, niet overslaan?” -vroeg Grenits. „Dat zoo’n Pool ze gebruikt, kan er nog door; die weet niet beter. -Maar, dat gij ons met dien poespas verveelt, is onvergeeflijk.” -</p> -<p>„Ik ben al klaar,” antwoordde Theodoor, „.… de coleoptera, de crustaceeën<a class="noteRef" id="xd30e12476src" href="#xd30e12476">3</a> mijne beste vrienden waren, en mij de meeste verstrooiing zouden aanbieden. Ik trof -het gelukkig. Zieken waren er geene, en tot overmaat van geruststelling was een officier -van gezondheid, dus een collega, hier aangekomen, die drie maanden verlof bekomen -had, om hier in dit gematigd en bestendig luchtgestel herstel van eene beginnende -miltziekte te zoeken. Die vroeg niet beter, dan om mij bij voorkomende ziektegevallen -te kunnen vervangen, al ware het ook om de verveling te bestrijden, waaraan hij onmiskenbaar -ten prooi was. Gretig maakte ik van de aangeboden gelegenheid gebruik, en vroeg aan -den militairen <span class="corr" id="xd30e12493" title="Bron: commandant">kommandant</span> permissie, om mij gedurende acht dagen in het Karang Bollongsche gebergte, dat hier -in de nabijheid gelegen is, aan den entomologischen hartstocht te mogen wijden. -</p> -<p>„Ga jij maar kapellen en snuitkevers vangen,” sprak de goedhartige kapitein. „Zorg -echter, dat ge in dat woeste bergland geen ongeluk krijgt, en dat ge op uw tijd weer -present zijt.” -</p> -<p>„Een uur later was ik met mijn geweer over den schouder, met de weitasch om en de -blikken trommel voor mijne verzameling op den rug, op het pad, terwijl mijn bediende -mij met het overig benoodigde volgde. Van Gombong marcheerde ik over de dessa’s Karang-djati, -Ringodono naar Pring-toetoel, alwaar ik in het hartje van het <span class="pageNum" id="pb2.233">[<a href="#pb2.233">233</a>]</span>woeste gebergte was. Ik legde dat traject niet in eens af, maar besteedde er ruim -twee dagen over. -</p> -<p>„Ik zal u niet bezighouden met het welslagen mijner jacht, dat zou parelen voor de -zwijnen geworpen zijn.…” -</p> -<p>„Heb je ooit van z’n leven!” riep Grenits uit. „Onze Pool schittert niet door beleefdheidsvormen.” -</p> -<p>„Hij geeft u de pasmunt weerom, van die barbaarsche woorden van straks,” lachte Van -Rheijn; „maar laat mij voortgaan: „Toch wil ik u mededeelen, dat ik redenen te over -heb tot tevredenheid. Ik heb onder meer anderen een zeldzamen Ulysses gevangen, en -eenen schoonen Priamos. Maar wat de glorie mijner collectie zal uitmaken, is een Atlas, -die met zijne uitgespreide vleugelen nagenoeg eene ruimte van een voet in het vierkant -beslaat; maar daarover wil ik niet uitweiden. Wat hebt gij daaraan? Neen, ik heb een -onderwerp, dat voor u en uwe vrienden meer aantrekkelijk zal zijn. Onze proefneming -met het opiumschuiven heeft mij langen tijd door het hoofd gespookt, en ben ik nog -<span class="corr" id="xd30e12505" title="Bron: lan gniet">lang niet</span> ulieder gesprekken vergeten, welke bij die gelegenheid gehouden werden. Die hebben -mij de oogen geopend en mij er toe aangezet, om ook mijne opmerkingen te maken, waar -mij bizonderheden van het opiumverbruik onder de oogen zouden komen. Ik ben hier waarlijk -goed terecht gekomen. -</p> -<p>„Natuurlijk kwam ik bij mijne omzwervingen in het Karang Bollongsche gebergte in aanraking -met den vogelnestpluk. Of gijlieden omtrent dat middel van inkomsten van den Nederlandschen -Staat op de hoogte zijt of niet, is mij geheel om het even. Om evenwel tot mijn onderwerp: -het opiumverbruik in deze streken te geraken, ben ik verplicht daarvan een vluchtig -overzicht te geven. Gij moet er dus aan gelooven.” -</p> -<p>„Drommels,” zei Grenits, „dat belooft!” -</p> -<p>„Ik wed, dat wij een massa geleerdheid zullen te slikken krijgen,” meende Grashuis. -„Zoo’n product der Duitsche universiteiten kan onuitstaanbaar pedant zijn.” -</p> -<p>„Toch niet,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Ik voor mij heb tal van wetenswaardige bizonderheden in dezen brief aangetroffen. -Maar, laat mij voortgaan:” -</p> -<p>„<span id="xd30e12519"></span>Het Karang Bollongsche gebergte is, zooals gij wel <span class="pageNum" id="pb2.234">[<a href="#pb2.234">234</a>]</span>weten zult, een uitlooper van den Goenoeng Djampong<a class="noteRef" id="xd30e12523src" href="#xd30e12523">4</a>, die een verbindingsrug daarstelt tusschen het Midanganggebergte en den Goenoeng -Batoer met zijne voortzettingen.<a class="noteRef" id="xd30e12527src" href="#xd30e12527">5</a> De hoofdmassa van het Karang Bollonggebergte bestaat uit uitgestrekte kalkbanken, -die eene hoogvlakte vormen, Goenoeng Poleng genoemd, en aan de zeezijde door een breeden -band van trachietrotsen omgeven zijn, die loodrecht uit den Indischen Oceaan opstijgen. -In dien rotsmuur heeft de wereldzee met hare machtige deininggolven, die ongehinderd -van de Zuidpool aanrollen, om tegen Java’s Zuidkust te breken, talrijke holen uitgespoeld, -waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen.<a class="noteRef" id="xd30e12531src" href="#xd30e12531">6</a> In het binnenste gedeelte van die holen bouwen een soort van zwaluwen, door de Inlanders -„manoek lawet” en door de zoölogen „hirundo esculenta” geheeten …” -</p> -<p>„Dacht ik het niet,” viel Grenits met koddige verontwaardiging in, „daar begint de -Pool al met zijne latijnsche benamingen. God alleen weet, wat ons nog te wachten staat!” -</p> -<p>„En ik dan, die den brief reeds gelezen heb?” vroeg Van Rheijn. „Neen, maak je maar -niet ongerust, dat latijn zal wel losloopen. Ik ga voort: -</p> -<p>„„.… Hirundo esculenta geheeten, hunne nesten tegen de kale rotswanden. Die nesten -bestaan uit eene slijmerige zelfstandigheid, welke in de maag dier zwaluwen aangetroffen -wordt. Die vogeltjes bedekken de plek van den rotsmuur, die zij uitgekozen hebben -om hun nest te dragen, met een uiterst dun laagje van dat slijm. Zoodra dat droog -en behoorlijk verhard is, leggen ze er een tweede laagje over, dat eveneens drogen -moet, alvorens met den bouw verder te kunnen gaan. Zoo wordt voortgegaan, totdat het -nestje voltooid is. Is dat het geval, dan heeft het den vorm verkregen van een schoteltje -van geringe middellijn, dat doormidden gebroken en met den breukrand tegen de rots -gehecht zoude zijn. De nestjes <span class="pageNum" id="pb2.235">[<a href="#pb2.235">235</a>]</span>bestaan dus uit een geleiachtige massa, die een lichtgele kleur heeft, en zijn, wanneer -zij van supérieure qualiteit zijn, eenigermate doorschijnend …” -</p> -<p>„En dat eten de Chineezen, nietwaar?” vroeg Grashuis. „Wat lekkers zouden zij daaraan -vinden?” -</p> -<p>„Laat mij voortgaan.” -</p> -<p>„„De Chineezen vinden die nestjes, behoorlijk geweekt en toebereid, een délicatesse. -Een kop bouillon van die slijmachtige zelfstandigheid vertegenwoordigt voor hen het -fijnste, hetwelk het verhemelte strelen kan. Zij schrijven er daarenboven eene groote -geneeskracht aan toe, en prijzen zoo’n kop bouillon als een nimmer falend aphrodisiacon -aan. Volgens mij, is dat de eenige te noemen eigenschap, welke waarde aan die nestjes -verleent.…” -</p> -<p>„En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement!”<a class="noteRef" id="xd30e12546src" href="#xd30e12546">7</a> riep Grenits uit. „Gelukkig dat de inzameling der vogelnestjes uiterst beperkt is, -anders zou men die Chineezen, welke er afkeerig van mochten zijn, dat kostje wel weten -op te dringen, zooals men de pachters behulpzaam is, de bevolking naar de opiumkit -te drijven.” -</p> -<p>„„.… De inzameling der nestjes,” ging Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn met lezen voort, „geschiedt driemalen in het jaar. De eerste pluk begint in -het laatst van April, en wordt „Oedoean Kesongo” geheeten, de tweede begint half Augustus -en heet „Oedoean telor”, en de derde „Oedoean kapat” heeft in December plaats. -</p> -<p>„Die inzameling is me een arbeid, dien ik van harte aan de Javaantjes gun, welke zich -daarmede bezighouden. Verbeeldt u, dat, om de ingangen der grotten te bereiken, men -middels ladders langs den loodrechten wand der rotsen naar beneden moet. De ladder, -b. v. die naar de Djoembling-grot voert, is maar eventjes 660 voeten lang. O, mijn -hart popelde om zoo’n tocht naar die onderaardsche holen mede te maken. Maar, als -ik mij op mijn buik vlijde, en het hoofd over den rotsrand bracht, terwijl een paar -Javanen mij bij de beenen vasthielden; als ik dan die bengelende rottanladder <span class="pageNum" id="pb2.236">[<a href="#pb2.236">236</a>]</span>zag, die onder den invloed der bries heen en <span class="corr" id="xd30e12559" title="Bron: wêer">weêr</span> bewoog, nu eens plat tegen den rotswand aangedrukt, dan eens buigende onder een inspringend -gedeelte, en zich daar voor het oog verbergende; als ik dan onmetelijk diep onder -mij de lange deiningbaren zag komen aanrollen, om daar aan den voet dier rotsen een -woest en wild tafereel te vormen, een chaos van wild opspringende golven, die in verblindend -wit schuim, in fijn verdeeld waterstof braken; als dan mijn oor den donder van die -onmetelijke branding vernam, en ik de rots, waarop ik lag, onder mij voelde dreunen, -vrienden dan bekroop mij zoo’n gevoel van angst, dat ik onwillekeurig terugdeinsde, -en de hand niet uitstak naar die ladder, welke ik besloten had af te klimmen. -</p> -<p>„O! hoe verheven en grootsch was toch het tafereel, dat zich daar aan den voet dier -steenmassa ontwikkelde. Die aanrollende deininggolf, die als eene beweegbare heuvelreeks -over het prachtig azuurblauw van den Indischen Oceaan kwam aanrollen; dat ombuigen -van de baar in een machtige krul, wanneer zij de puinmassa genaderd was, die den voet -der rotsen omzoomt, en waarbij zij zich met fladderende, zilveren franje tooide; dat -neerdonderen van die krul, waarbij zij zich in eene kokende melkzee veranderde, waarin -iedere droppel, ieder schuimdeeltje onder de zonnestralen als een diamant fonkelde; -dat fijn verdeeld waterstof, dat die dwarrelende massa daar beneden in licht, doorzichtig -zilverwaas hulde, dat alles vormde een tooneel, hetwelk voor mij onvergetelijk is -en dan ook onuitwischbaar in mijne ziel gegrift staat. Soms als een hooge baar aangerold -kwam, bedolf zij den ingang van sommige grotten geheel en al, en drong er met kracht -in, om den uitspoelingsarbeid voort te zetten. Een oogenblik was het dan, alsof die -holen verdwenen waren; maar als dan de aangerolde golf terugliep, dan, onder den aandrang -der met ontzettende kracht saamgeperste lucht in zoo’n spelonk, spoot het water met -een machtigen straal van vijf- of zeshonderd meter lengte naar buiten, als eene onmetelijke -horizontale fontein met ontzettend gesis en geblaas, die in de terugijlende baar dwarrelende -kolken en hooggaande keergolven veroorzaakte. -</p> -<p>„Neen, neen, neen! Ik durfde daar langs die ladder niet naar beneden. Toch ben ik -besloten bij een volgenden <span class="pageNum" id="pb2.237">[<a href="#pb2.237">237</a>]</span>keer in zoo’n grot in te dringen. De Javanen verzekeren mij dat, wanneer de zon in -het zuider halfrond staat, en de zuid-oost passaat derhalve ver van Java’s zuidkust -verwijderd blijft, er bij uiterst kalme dagen gelegenheid bestaat, de Goewah (grot) -Temon met een niet diepgaand schuitje binnen te komen. De loerah van de dèsa Ajo heeft -mij beloofd, wanneer ik hem vooraf waarschuwde, eene djoekoeng voor mij in gereedheid -te zullen houden. In afwachting evenwel, dat ik den pluk met eigen oogen zou aanschouwen, -moest ik mij vergenoegen met de beschrijving der werkzaamheden daarvan, welke mij -door de hoofden medegedeeld werd, te vergenoegen. Ziet hier, wat ik vernam: -</p> -<p>„Van af den ingang der grotten, hebben de Javanen een paar stellages van rottantouwen -langs de wanden met „tali doek”<a class="noteRef" id="xd30e12570src" href="#xd30e12570">8</a> vastgemaakt. Een dier touwen dient om de voeten op te zetten, de andere om zich met -ééne hand vast te houden, terwijl met de andere hand de nestjes van de wanden worden -afgenomen. De nestjes, welke niet met de hand bereikt kunnen worden, en in het algemeen -die, welke zich aan het plafond der grot bevinden, worden met een langen bamboe, waaraan -een ijzeren haak bevestigd is, afgestoken en in een netje opgevangen. -</p> -<p>„Zooals gij daaruit zien kunt, is dat inzamelen van die vogelnestjes een zeer gevaarlijke -arbeid. Eerst de ladder tot aanmerkelijke diepte langs die loodrechte rotsmassa’s -boven die kokende zee afklimmen; dan in die holen dringen, waarin de oceaan zijne -golven stuwt<a class="noteRef" id="xd30e12582src" href="#xd30e12582">9</a>. Bij onstuimig weder kan niet in alle grotten gearbeid worden, en gebeurt het wel, -dat de stellingen weggeslagen en de werkers tegen de rotsen verbrijzeld worden of -ellendig verdrinken. -<span class="pageNum" id="pb2.238">[<a href="#pb2.238">238</a>]</span></p> -<p>„Of er vele menschen gevonden worden, die zich met die inzameling bezighouden, zult -ge vragen. Gij weet, dat geen volk meer gehecht is aan zijn geboortegrond dan de Javaan. -Zoo ook hier. Er bestaat geen woester, geen ondankbaarder grond dan die der landstreek -in het Karang Bollongsche gebergte. Van den veldarbeid is nagenoeg niets te halen. -De kleine rijstvelden, die tusschen de berghellingen aangetroffen worden, hebben niets -te beteekenen. De schrale bevolking heeft zich volgens de overlevering steeds met -de inzameling der vogelnestjes bezig gehouden, en dat doet zij nog. Of zij, vóór dat -de Nederlandsche regeering zich de opbrengst van de vogelnestklippen toeëigende, beter -of slechter betaald werden, heb ik onmogelijk kunnen opsporen. Wat deze evenwel aan -hare arbeiders liefderijk verstrekt, is minder dan schamel te noemen. Ik heb eene -opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken<a class="noteRef" id="n2.238.1src" href="#n2.238.1">10</a>, waaruit mij blijkt, dat de arbeider voor iederen zak, waarin tachtig nestjes gaan, -in ’s lands pakhuis afgeleverd, eene som van 15, zegge in letters <span class="asc">VIJFTIEN CENTEN</span> erlangt …” -</p> -<p>„Ja, maar,” viel Grashuis in, „alvorens de mopperijen van den Pool te vervolgen, dienen -wij te weten, welke handelswaarde die tachtig nestjes hebben.” -</p> -<p>„Daar kan ik u als koopman op dienen,” antwoordde Theodoor Grenits. „De Chineezen -geven heel graag vijf duizend gulden voor een pikoel vogelnestjes, en daar honderd -nestjes ongeveer één katie wegen, en een pikoel honderd katies bevat, zoo ontvangt -ons gouvernement vierhonderd gulden, waarvoor zij den armen drommel met vijftien centen -afscheept. Het is bij God schandelijk!” -</p> -<p>„Maar heeft het gouvernement geen andere uitgaven?” vroeg Van Beneden. -</p> -<p>„Laat mij voortlezen,” zeide Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. „Uwe vraag, August, zal dan ook beantwoord worden.” -</p> -<p>„Welnu, vervolg!” -</p> -<p>„<span id="xd30e12617"></span>.… Het is waar,” ging Van Rheijn voort, „dat hij, <span class="pageNum" id="pb2.239">[<a href="#pb2.239">239</a>]</span>wanneer het hem <span class="corr" id="xd30e12621" title="Bron: mêeloopt">meêloopt</span>, twaalf zakken kan afleveren.…” -</p> -<p>„Dat is ƒ 1.80!” brulde Grenits. „En dan moet het nog <span class="corr" id="xd30e12626" title="Bron: mêeloopen">meêloopen</span>! God betere het!” -</p> -<p>„Laat mij nu met lezen voortmaken,” zeide Eduard ongeduldig. -</p> -<p>„<span id="xd30e12633"></span>.… Men moet Javaan zijn, om zich ter wille van zoo’n luttele som herhaaldelijk in -doodsgevaar te begeven; want om dat resultaat te verwerven, moet de arme drommel zeer -dikwijls naar beneden naar het hol, wat men hem aangewezen heeft. De kleinste pluk -toch duurt nog altijd drie weken, de grootste soms langer dan twee maanden. Hoe het -gelukt is, hem daartoe over te halen? Die vraag zie ik op aller lippen zweven. Luistert: -Vooreerst heeft men de hoofden in den arm genomen. Gij kent de aanhankelijkheid van -den inboorling voor hen. Deze worden dan ook oneindig beter betaald. Waar de arbeider -slechts ƒ 1,80 in handen krijgt, ontvangt b. v. de loerah van de Goewah’s Gedee en -Lenkong twintig gulden, plus émolumenten van allerlei aard, niet om te werken, maar -om wat toezicht te houden, zooals het heet. Maar de eerbied en de gehoorzaamheid van -den Javaan voor zijne hoofden, zouden bij zoo schrale verdiensten waarschijnlijk tekort -geschoten zijn. Men heeft dan ook een ander middel te baat genomen. En dat middel, -vrienden, is.… de opium! -</p> -<p>„Ik laat buiten bespreking al de bijgeloovige fratsen, die het gouvernement niet alleen -toelaat, maar betaalt, ter zake van die vogelnest-inzameling; alsook de afgodische -eeredienst aan Njahi Ratoe Segårå Kidoel<a class="noteRef" id="xd30e12637src" href="#xd30e12637">11</a> gebracht, alvorens de pluk begint, en uit dezelfde staatskas <span class="pageNum" id="pb2.240">[<a href="#pb2.240">240</a>]</span>bekostigd. Maar ik wijs op de opium, die te baat genomen wordt, en waarvan wij de -werking, bij eenigszins aanzienlijke hoeveelheid gebruikt, hebben kunnen gadeslaan. -Welnu, bij alles wat die pluk betreft, of daarmede in eenig verband staat, wordt opium -verstrekt. Moeten de wajang- en toppengspelers gehaald worden, dan worden vijf „bekels” -(kleine hoofden) en vier „sekeps” (gewone dèsalieden) daarvoor afgezonden, en ontvangen -de eersten daarvoor ieder 1 en de laatsten ieder ½ „kedawang”<a class="noteRef" id="xd30e12649src" href="#xd30e12649">12</a> amfioen. Voor het schoonmaken van de Goewah Bollong worden loerahs en sekeps benoemd, -die respectievelijk daarvoor 2 en 1 kedawang amfioen ontvangen. De wajang- en toppengspelers -ontvangen bij hunne komst ieder 16 kedawangs en 4 voor „sadjen” of offerande, en bij -hun heengaan nog ieder 16 kedawangs amfioen. -</p> -<p>„In de Goewah Bollong wordt vóór de pluk gesmuld en feestgevierd, en daartoe sapies -of karbouwen en een bok geslacht. Voor het slachten van elk dier worden 8 kedawangs -amfioen verstrekt. Voor het aanbrengen van elken achterbout dier geslachte dieren, -die ieder begeleid en gedragen worden door een bekel en twee sekeps, ontvangt ieder -bekel 1 en iedere sekep ½ kedawang amfioen<span class="corr" id="xd30e12655" title="Niet in bron">.</span> Bij het naar de klippen brengen der ladders, iedere ladder begeleid en gedragen door -twee bekels en twee sekeps, ontvangen eerstgemelden ieder 1 kedawang en de laatste -½ kedawang amfioen. -</p> -<p>„O, ik ben nog lang niet ten einde. De opiumverleiding heeft nog veel verdere strekking. -Vrienden, leest maar verder: -</p> -<p>„Bij het feest worden de navolgende hoeveelheden verstrekt: aan iederen loerah en -iederen „gandih” (klein hoofd) 2 kedawangs, aan de overige feestvierenden ieder 1 -kedawang.” In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk:<a class="noteRef" id="xd30e12660src" href="#xd30e12660">13</a> -<span class="pageNum" id="pb2.241">[<a href="#pb2.241">241</a>]</span></p> -<p>„„Het is niet mogelijk met juistheid op te geven het getal personen, hetwelk bij die -feesten tegenwoordig is: doch aangezien aan elk der aanwezigen amfioen wordt verstrekt, -laat het zich denken, dat niemand, die tot die feesten wordt toegelaten, afwezig zal -blijven.” -</p> -<p>„Bij het openen der ingangen van iedere grot worden 8 kedawangs amfioen, en voor het -vastmaken der stellingen in ieder harer nog eens 8 kedawangs verstrekt.” -</p> -<p>„Gedurende de inzameling der nestjes”.… och, hoe zal ik dat ten einde brengen? Laat -het mij beproeven. „De loerah van de Goewah Gedeh krijgt 76, die van de Goewah Dahar -64, die van de Goewah Mandoe Lårå 44 en de overige loerahs 40 kedawangs amfioen. De -„toekan’s” van die genoemde grotten ieder 54, de bekels 24 en de sikeps ieder 12 kedawangs. -</p> -<p>„Maar, dat is nog niet alles. De dèsa’s, die met het vervaardigen der ladders belast -zijn, worden in opium betaald; de personen, die de geplukte nestjes moeten bewaken, -ontvangen opium. Het verzenden van het product, het overbrengen van bevelen, het terugbrengen -der ladders, het bewaken der grotten, alles, alles wordt beloond met het gevaarlijke -heulsap. Het is in een woord eene kolossale schuifpartij, en wel het geschiktste middel -om den hartstocht voor het noodlottige narcoticum zooveel mogelijk op te zweepen. -</p> -<p>„Maar,.… waarom over dat onderwerp verder uitgeweid? Mijn brief is toch al lang genoeg, -en ik heb ulieden nog het een en ander te vertellen …” -</p> -<p>„Is de brief nog lang?” vroeg Grashuis. -</p> -<p>„Ik heb nog eenige bladzijden te lezen,” antwoordde Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn. -</p> -<p>„Het is anders een geheele brochure, die ge reeds voorgelezen hebt”, meende Van Beneden. -</p> -<p>„Toch uiterst interessant!” zei Theodoor Grenits. „Drommels, die Polen kijken goed -uit hun oogen.” -</p> -<p>„Hij is in de leer bij de moffen geweest. Ge weet, die stelen met hun oogen.” -</p> -<p>„Getuige de Fransch-Duitsche oorlog, waarbij de moffen bewezen, Frankrijk veel beter -te kennen dan de Franschen zelven.” -</p> -<p>„Zouden wij niet voortmaken?” vroeg Van Rheijn. „Het allerinteressantste komt eerst -aan.” -<span class="pageNum" id="pb2.242">[<a href="#pb2.242">242</a>]</span></p> -<p>Die laatste volzin werd door een zonderlingen blik op Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool vergezeld. -</p> -<p>„Zouden wij eerst niet eens drinken?” vroeg Grenits. -</p> -<p>„Drommels, ja!” zei Van Rheijn, „mijne keel is droog als een rasp.” -</p> -<p>„Sabieio!” riep Van Nerekool, „isi glas!” (Sabieio, vul de glazen). -</p> -<p>Terwijl de bediende zich van dien plicht kweet, staken de heeren eene nieuwe sigaar -op, wiegelden in hunne wipstoelen een oogenblik op en neêr, en waren daarna, weêr -geheel gehoor. -<span class="pageNum" id="pb2.243">[<a href="#pb2.243">243</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e12376"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12376src">1</a></span> <i>Eene nota van een hooggeplaatst ambtenaar, die uitermate bevoegd was een oordeel te -vellen en wien dat oordeel ook gevraagd was.</i> Die nota heeft de schrijver in afschrift bij het ternederstellen dezer bladzijden -voor zich liggen. <a class="fnarrow" href="#xd30e12376src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12447"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12447src">2</a></span> <i lang="la">Solus occasus, virgini Agathae pulcherrimae Bemmelensi dedicatus</i> beteekent: Een zonsondergang, opgedragen aan de zeer schoone jonkvrouw Agatha <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Bemmelen. <a class="fnarrow" href="#xd30e12447src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12476"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12476src">3</a></span> <i>Hemidiptera</i>, <i>diptera</i>, <i>hymenoptera</i>, <i>lepitoptera</i><span class="corr" id="xd30e12484" title="Bron: :">,</span> <i>coleoptera</i>, <i>crustaceeën</i>. Hemidiptera zijn halfvleugelige insecten met halve schilden; diptera dubbelvleugelige -insecten; hymenoptera vliesvleugelige insecten; lepitoptera zijn stofvleugelige insecten -als de vlinders, de coleoptera zijn schildvleugelige als de kevers en de torren; crustaceeën -zijn schaaldieren als de krabben. <a class="fnarrow" href="#xd30e12476src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12523"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12523src">4</a></span> <i>De Goenoeng Djampong</i> is in de residentie Banjoemas gelegen en bereikt eene hoogte van 2580 voet. <a class="fnarrow" href="#xd30e12523src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12527"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12527src">5</a></span> <i>De Goenoeng Batoer met zijne voortzettingen</i>, ook in de residentie Banjoemas gelegen, is 1987 voet hoog. <a class="fnarrow" href="#xd30e12527src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12531"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12531src">6</a></span> <i>Waarvan sommigen zeer diep onder den grond uitloopen.</i> De Goewah Lengkong strekt zich b. v. over een afstand van 700 voet onder den grond -uit. <a class="fnarrow" href="#xd30e12531src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12546"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12546src">7</a></span> <i>En zoo iets behoort alweer tot de inkomsten van het Nederlandsche Gouvernement.</i> De afdeeling Karang Bollong levert jaarlijks 50 pikols vogelnestjes op. De geheele -inkomsten van dat middel is voor 1886 geraamd op ƒ 174.000. <a class="fnarrow" href="#xd30e12546src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12570"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12570src">8</a></span> <i>Tali doek.</i> Tali beteekent touw. Doek, ook gemoetoe genaamd, zie de aanteekening op <span class="corr" id="xd30e12573" title="Bron: bladb.">bladz.</span> <a href="#n9.1">9</a> van het eerste deel. De rottansoort, waarvan de touwen vervaardigd worden, die zoowel -tot het samenstellen der ladders en stellingen, waarvan in dit hoofdstuk gesproken -wordt, dienen, wordt door den geleerde Calamus rhomboideus genoemd, en heeft halmen -van vijftig tot zestig M. lengte, die eene dikte van ongeveer twee duim middellijn -hebben. <a class="fnarrow" href="#xd30e12570src" title="Ga terug naar noot 8 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12582"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12582src">9</a></span> <i>In die holen, waarin de Oceaan zijne golven stuwt.</i> In het Karang Bollongsche bestaan slechts drie grotten, waarin de zee niet dringt, -dat zijn de Goewah’s Lenkong, Loe-ee en Tjangak. <a class="fnarrow" href="#xd30e12582src" title="Ga terug naar noot 9 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="n2.238.1"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#n2.238.1src">10</a></span> <i>Ik heb eene opgave in handen gehad van een ambtenaar in deze streken.</i> Zie de <i>Beschrijving van de Vogelnestklippen te Karang Bollong</i> door <span class="sc">C. J. P. Carlier</span>, <span class="corr" id="xd30e12597" title="Bron: assistent resident">assistent-resident</span> te Ambal in het <i>Tijdschrift voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde</i>, uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, jaargang -1853, bladz. 304. <a class="fnarrow" href="#n2.238.1src" title="Ga terug naar noot 10 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12637"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12637src">11</a></span> <i>Njahi Ratoe Segårå Kidoel.</i> Njahi is de titel van eene voorname vrouw. Ratoe beteekent: vorstin, koningin. Segårå -is zee, en Kidoel het Zuiden. Dus eigenlijk: mevrouw de koningin van de zee in het -Zuiden. Dat wonderdoend wezen wordt ook Lårå Kidoel of Maagd van het Zuiden genoemd. -Zij wordt gewoonlijk afgebeeld als eene zeer schoone vrouw, met de voeten staande -op een overwonnen stier, met zeven armen, in de handen waarvan zij verschillende voorwerpen -houdt, waaronder een zwaard, een pijl, een werpschijf, een boog, een schild, enz. -Het is in een woord Doerga, de gemalin van Siva uit den eeredienst van Brahma, welke -hier nog door de Javanen als Ratoe <span class="corr" id="xd30e12640" title="Bron: Larå">Lårå</span> Kidoel vereerd wordt. Zie ook de aanteekening <a href="#n2.103.1">No. 1</a> op bladz. 103 hiervoren. <a class="fnarrow" href="#xd30e12637src" title="Ga terug naar noot 11 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12649"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12649src">12</a></span> <i>Kedawang</i> schijnt een plaatselijke naam in het Karang Bollongsche te zijn voor een gewicht, -dat de zwaarte van een vierde duit heeft. Eene niet al te afgesleten duit weegt drie -milligram, zoodat een kedawang ongeveer twee mata’s weegt. Men lette goed op die verhouding, -om te kunnen nagaan, hoe alles gedaan wordt om den opiumhartstocht op te zweepen. <a class="fnarrow" href="#xd30e12649src" title="Ga terug naar noot 12 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12660"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12660src">13</a></span> <i>In de nota, die ik voor mij heb liggen, staat letterlijk.</i> Zie bladz. 319 van het hiervoren aangehaalde boekdeel in de <a href="#n2.238.1">noot</a> op bladz. 238. <a class="fnarrow" href="#xd30e12660src" title="Ga terug naar noot 13 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch39" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e976">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label"><span class="corr" id="xd30e12701" title="Bron: XLIX">XXXIX</span>.</h2> -<h2 class="main">Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh<span class="corr" id="xd30e12706" title="Bron: ,">.</span></h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„.… Dus ter zake,” zoo ging Van Rheijn voort. -</p> -<p>„<span id="xd30e12711"></span>Twee dagen voor dat mijn verlof om was, en dat ik dus weer in mijn garnizoen te Gombong -terug moest zijn, was ik des morgens, voor het aanbreken van den dageraad van de dèsa -Ajo, waar ik overnacht had, op weg gegaan, om de westelijke hellingen van den Goenoeng -Poleng te exploreeren, waar ik hoopte een goeden oogst te maken, in welke hoop ik -niet bedrogen ben geworden. Want, vrienden, ik ben op dien tocht een prachtigen en -ongeschonden Arjuna machtig geworden, eene groote beeldschoone kapel met groengouden -vleugels, puntig uitloopende en met een breeden rand, fluweelachtig zwart omboord. -Eene zeldzaamheid! O, ik was in een gelukkig tijdperk! Daags te voren had ik van een -dèsaman van Ajo een Cybium Diadema of Grooten Kroontepelbak voor een kleinigheid gekocht, -dien hij verzekerde op het strand in een der kleine kreken langs de Zuidkust van het -eiland Noesa Kambangan<a class="noteRef" id="xd30e12713src" href="#xd30e12713">1</a> gevonden te hebben. Het is eene <span class="pageNum" id="pb2.244">[<a href="#pb2.244">244</a>]</span>prachtige bruine met wit gevlekte schelp, in den vorm eener ineengedrongene evoluta.… -</p> -<p>„Maar genoeg daarvan; ik keer tot mijn onderwerp weêr. Ik was dus voor dag en dauw -op marsch gegaan en was reeds een eind weg op het pad, toen het morgenrood de geheele -bergmassa van Karang Bollong in gloed zette. Mijn pad liep dwars over de ribben van -den Goenoeng Poleng, en doorsneed ieder ravijn, dat, van de hoogte afdalende, soms -erg kronkelde, maar steeds in een breeden trechtervorm in de smalle vlakte vervloot, -welke zich langs de zee of langs de Kali Djetis uitstrekte. Hoe hooger ik kwam, hoe -fraaier het panorama werd, dat zich aan mijne voeten uitstrekte. Ik was in dit frissche -morgenuur geheel en al verrukking en soms verdwenen mijne entomologische neigingen, -om mij slechts oog te laten voor de pracht, die mij omgaf. Ik was eindelijk op een -wrong aangekomen, die zich tusschen twee vrij diepe ravijnen uitstrekte, en stond -een oogenblik stil om uit te blazen van de inspanning, veroorzaakt door de beklimming -van de zeer steile helling, waarlangs mijn pad gevoerd had. In beide ravijnen murmelden -beekjes, die van den Poleng afdalende, zich dartelend, schuimend en klotsend zeewaarts -spoedden, en zich van de hoogten, waarop ik stond als een paar zilveren linten voordeden, -die kronkelend en wentelend, bevallig en als het ware achteloos, daar in de diepte -door de morgenbries waren uitgespreid. In het ravijn, dat ik zoo even verlaten had, -lagen trachiet-rotsblokken, puinbrokken van het centraalgebergte, allerwegen verspreid. -Dat was ook het geval in het tweede ravijn, waarin ik afdalen moest; maar tusschen -die rotsen en de struiken werd ik, een honderd voeten beneden mij, het atappen dak -gewaar eener Javaansche woning, waarvan ik ook een gedeelte der kleine voorgalerij -kon waarnemen. Zonderling, die kleine hut, die daar eenzaam in het gebergte en op -eenigen afstand van de dèsa Ajo gelegen was, trok mijne aandacht. Zou het een menschenhater -zijn, die daar zoo verlaten leefde? Mijn oog kon door een geopend raam in een der -vertrekken dringen, en meende ik eene helderwitte klamboe (bedgordijn) zich onder -den invloed der morgenbries lichtelijk heen en weder te zien bewegen. Zelfs meende -ik een stoel te ontwaren. Dat vooral intrigueerde mij; want in den regel <span class="pageNum" id="pb2.245">[<a href="#pb2.245">245</a>]</span>zijn dat meubelen, waarvan de Javaan zich de weelde niet veroorlooft, of gebruikt -hij ook al eene klamboe, dan bestaat die meestal uit bontkleurig katoen.…” -</p> -<p>Van Rheijn staakte hier zijn voorlezing een oogenblik om een teug bier te genieten; -maar sloeg daarbij een zonderling doordringenden blik op Van Nerekool, die in zijn -wipstoel op en neer wiegelde en wel ietwat het voorkomen had, alsof hij niet hoorde, -maar met zijn gedachte elders was. -</p> -<p>„Luistert gij wel, Karel?” vroeg Eduard. -</p> -<p>Van Nerekool schrikte als het ware bij die toespraak. -</p> -<p>„Ziet gij wel,” hernam Van Rheijn lachende; „terwijl ik mij afsloof, om Murowsky’s -brochure-brief ten einde te brengen, zit onze rechterlijke ambtenaar te mijmeren, -en dwaalt, met zijne gedachten, God weet waar, maar niet in de nabijheid van de dèsa -Ajo. Wacht maar een oogenblik, dat zal wel anders worden. Het mooiste voor hem komt -nu. Luistert maar.” -</p> -<p>Van Nerekool glimlachte ongeloovig, deed een paar halen aan zijne sigaar, zette zich -rechtop in zijn stoel en scheen nu te luisteren. Van Rheijn vervolgde: -</p> -<p>„<span id="xd30e12730"></span>.… Maar, terwijl ik daar zoo stond te turen en te peinzen, vernam ik daar diep, zeer -diep onder mij gegiechel, gelach, vroolijk gekweel, in één woord de zilvertonen van -een paar meisjes-stemmen. Ik rekte den hals uit en keek in de richting, vanwaar dat -vriendelijk geluid kwam; maar hoe ik mij ook inspande, ik zag niets. Wel bespeurde -ik, dat daar ginds de schuimende beek een scherpen bocht maakte; maar daar dichtbij -den waterkant stond een groote Wariengien, die met zijne loofkroon ieder onbescheiden -oog trotseerde; terwijl een bevallige groep struiken den blik van terzijde afweerde. -Intusschen ging het geginnegap voort, thans vermengd met geplons en geplas van water, -waartusschen nu en dan een lief gilletje vernomen werd. Ik begreep, dat eenige meisjes -zich daar in het heldere bergwater met baden verlustigden. Wat zal ik ter verschooning -mijner onbescheidenheid aanvoeren? Ik kan niet anders aanhalen, dan het hier te lande -zoo algemeen gezegde: een mensch is geen stokvisch, ook geen snijboon! Mijn pad voerde -naar beneden naar de aantrekkelijke plek, en, zonder dat ik veel nadacht over hetgeen -ik deed, was ik <span class="pageNum" id="pb2.246">[<a href="#pb2.246">246</a>]</span>weldra op weg Acteon en zijne nieuwsgierigheid op te volgen. Het is waar, dat ik er -volstrekt niet op rekende, eene Diana, eene godin, te bespieden. -</p> -<p>„Ik daalde behoedzaam de helling af, en zorgde daarbij geen gerucht te maken, ten -einde de badende schoonen niet te verschrikken. Aanvankelijk daalde het pad rechttoe -rechtaan naar den Wariengien af, die eene groote oppervlakte overschaduwde. Als dat -zoo voortging, dan zou ik binnen weinige minuten onder den boom aangekomen zijn. Maar -bij eene groote rots aangeland, die den weg versperde, boog het pad links af en scheen, -den afstand verkortende, naar een anderen bocht derzelfde beek te voeren, alwaar de -overgang bestaan moest; want ik zag onmiddellijk aan den overkant het pad langs de -tegenovergelegen helling van het ravijn opslingeren. Wat stond mij te doen? Mijne -nieuwsgierigheid werd nog vermeerderd door het geplons en gedartel, dat nu meer in -mijne nabijheid vernomen werd. Ik bezweek dan ook voor de verleiding, en verliet het -pad, om den Wariengien te kunnen naderen. Het toeval was mij gunstig. Van af de bedoelde -sperrots strekte zich eene hellende terreinstrook uit, die geheel en al met struiken -begroeid was, waartusschen vele kapellen fladderden, maar waarvoor ik thans geen oog -had. Zelfs had ik mijne trommel en mijn netje bij de rots achtergelaten, om meer ongedwongen -in mijne bewegingen te zijn. Ik sloop als een Dajak of als een Alfoer of Papoe, van -struik tot struik.….” -</p> -<p>Allen schreeuwden het uit van lachen. -</p> -<p>„Ik zie den Pool als een Alfoer, in quasi Adams-tenue, naar de badenden toesluipen!” -grinnikte Grenits. -</p> -<p>„Met slechts een „ewah”<a class="noteRef" id="xd30e12740src" href="#xd30e12740">2</a><span class="corr" id="xd30e12744" title="Niet in bron">,”</span> schreeuwde Van Rheijn. -</p> -<p>„Maar, laat mij voortgaan, het meest belangwekkende komt nu. Luister je wel, Karel?” -</p> -<p>„Daar ontgaat mij geen lettergreep,” antwoordde deze onrustig, „haast je maar.” -</p> -<p>„.… Van struik tot struik en naderde zoo dicht mogelijk. Eindelijk stond ik voor een -soort heg, die den Wariengien omgaf en mij het verder doordringen ondoenlijk <span class="pageNum" id="pb2.247">[<a href="#pb2.247">247</a>]</span>maakte. De fraaie wilde vijgeboom stond aan den rand van een waterbekken, dat bijna -ovaalrond in de grauwe trachietrots, waaruit de beekoever bestond, uitgespoeld, wellicht -door menschenhanden uitgehouwen was. Dat bekken was ongeveer twintig M. lang en vijftien -breed, en werd door de dichte loofkroon van den Wariengien heerlijk overschaduwd. -Het werd uit de beek, waarvan het eigenlijk een kleine komvormige baai uitmaakte, -gevoed; het water was diep, maar zoo helder, dat men de kleinste steentjes op den -bodem zien kon. Maar, dat alles merkte ik zoo dadelijk niet op. Die bizonderheden -kwamen mij eerst later voor den geest. Iets anders boeide vooreerst mijne aandacht. -Daar midden in dat bekken, welks bovenrand ik, achter mijne heg verborgen, ter hoogte -van een twintigtal voeten beheerschte, zwommen en dartelden een paar vrouwelijke wezens. -Hoe zal ik u beschrijven, wat ik zag, wat ik ondervond, zonder daarbij het bloed van -een uwer op zijne wangen te jagen<span class="corr" id="xd30e12752" title="Bron: ,..">…</span>” -</p> -<p>Eduard keek andermaal Van Nerekool ter sluiks aan. -</p> -<p>„Ga voort! Ga voort!” riep deze onstuimig, na dien blik opgevangen te hebben. -</p> -<p>„<span id="xd30e12759"></span>.… Beiden waren in het gewone badkostuum der Javaansche vrouwen gekleed, dat wil zeggen: -zij hadden slechts den sarong om de lendenen geslagen. Gij weet, hoe bevallig en toch -hoe kiesch de Indische schoonen met dat kleedingstuk kunnen coquetteeren, hoe zij -dat tot onder de oksels omhoog kunnen halen en op de bovenwelving des boezems kunnen -vastmaken, waardoor deze, alsook de heupen en de dijen, vooral wanneer de sarong nat -is, zoo plastisch mogelijk gemodelleerd worden. Beide meisjes waren zeer schoon, hoewel -in ieder harer een verschillende grondvorm waargenomen kon worden. De eene vertoonde -de type eener schoone Javaansche, met haar klein opgewipt neusje, met hare ronde wangen -en eenigszins zwellende lippen. Voor een oogenblik ging zij in een ondiepe plaats -van het bekken staan, sloeg zich den sarong, die bij het zwemmen losgegaan was, vaster -om de heupen, en was het mij duidelijk, dat ik daar een vrouw voor mij had, welke -in gezegende omstandigheden verkeerde.…” -</p> -<p>Andermaal hield Van Rheijn een ondeelbare poos op, om een blik op Karel te werpen. -Deze zat hijgende <span class="pageNum" id="pb2.248">[<a href="#pb2.248">248</a>]</span>van ongeduld, hem de woorden uit den mond te kijken. -</p> -<p>„Voort! Voort dan toch!” prevelde hij. -</p> -<p>„<span id="xd30e12769"></span>… De andere was meer slank; hare buste, die zich bewonderenswaardig fraai onder den -natten sarong afteekende, gaf wel aan, dat die met het Europeesche corset in aanraking -was geweest. Haar gelaat duidde ook op eene andere afkomst dan hare gezellin. Ware -de huid ook niet bruin getint, dan zou aan eene Europeesche afstamming niet te twijfelen -zijn geweest, vooral met het oog op hare lokken, die wel gitzwart, maar toch zijdeachtig -van aard, hare schouders als met eenen mantel omgaven, en haar bij het zwemmen in -sierlijke en weelderige krullen op de watervlakte achterna golfden. Nu evenwel meende -ik de Arabische type in het heerlijke wezen, dat zich daar te midden van het kristalheldere -water bewoog, te ontwaren. Eene Arabische? Neen, neen, dat kon niet; want ik meende -dat gelaat te herkennen. -</p> -<p>„Vrienden, ik ben onmachtig om een denkbeeld van het bevallige tafereel, dat zich -daar voor mijn oog uitspreidde, te ontwikkelen, hetwelk de werkelijkheid eenigszins -nabij zou komen. De pen kan zoo iets niet, daartoe zou het penseel van een begaafden -schilder, van een die gloed en kleuren wist te vatten, van een Hans Makart in een -woord, noodig zijn. -</p> -<p>„Onbewust, dat zij daar in dat eenzame bekken, hetwelk in eene echte wildernis, ver -van eenig pad verwijderd, gelegen was, door een onbescheiden oog bespied werden, zwommen, -dartelden, stoeiden de bevallige wezens als echte Naiaden. Zij vervolgden elkander, -smeten elkander met water, bereikten elkander, poogden elkander in het heldere vocht -onder te dompelen, waarbij de aangevallene alsdan alle werk had om te beletten, dat -de knoop, die den sarong moest bevestigen, op de boezemwelving losging. Dat spel duurde -lang, zeer lang; het scheen dat de lieve wezens zich van het heerlijke genot niet -konden losrukken. -</p> -<p>„Eindelijk evenwel sprak de slankste der twee: -</p> -<p>„„<span lang="ms">Soedah! moesti poelang, boe!</span>”” (genoeg, wij moeten naar huis terugkeeren, baboe). -</p> -<p>„Het was dus Maleisch en geen Javaansch, dat die badenden spraken?” vroeg Grashuis. -</p> -<p>„Neen, het was geen Javaansch,” antwoordde Eduard, <span class="pageNum" id="pb2.249">[<a href="#pb2.249">249</a>]</span>andermaal een blik op Van Nerekool werpende, „maar laat mij voortgaan. De ontknooping -is nabij. -</p> -<p>„<span id="xd30e12786"></span>… De lieve spreekster zwom naar den wal, ging op den rotsachtigen oever zitten, waarbij -zij hare lieve kleine voetjes in het water liet hangen, en begon haren weelderigen -haardos uit te wringen. Zij zat met het gelaat van mij afgewend en, van het standpunt, -waar ik mij bevond, kon ik bij de bewegingen, die zij maakte, om hare lokken tot een -kondeh op te binden, eenigermate tusschen hare schouders door haren rug ontwaren. -Was het lichtspiegeling, of bedroog mijn oog mij?… Maar ik meende, dat de huid van -dien rug niet zoo donker getint was als wel het gelaat en de handen. Ten uiterste -nieuwsgierig, wilde ik scherper toekijken. Ik greep een tak van een der mij omringende -struiken en boog mij voorover, zoover ik kon. Helaas!.… of beter: de hemel zij geprezen! -Bij die beweging gleed ik uit; een stuk steen raakte onder mijn voet los, rolde de -helling af en viel met een geweldigen plons vlak naast en rechts van de schoone baadster -in het water. Het scheelde waarachtig weinig, of ik was er ook ingetuimeld. Wat zou -het lieve kind geschrikt hebben! Het was nu al erg. Bij den plons, dien de steen maakte, -stiet het lieve meisje een gil uit, maakte eene beweging naar de linkerzijde, alsof -zij vluchten wilde, maar waarbij haar sarong, aan eenige oneffenheden vasthakende, -losgleed, en.… -</p> -<p>„Bij alle Goden!… het was eene volbloed Europeesche! Waren ook al gelaat, hals, schouders, -armen, handen en voeten bruin getint, de rug, de rugholte, de dijen, in een woord -alle deelen, die gewoonlijk bedekt zijn en daar nu zoo eensklaps ontsluierd werden, -waren lelieblank, van dat matwit, hetwelk de brunettes kenmerkt. Nu ging mij een licht -op … Juffrouw Van Gulpendam, die zoo spoorloos verdwenen was … Dat gelaat, hetwelk -ik meende te herkennen.… O, ik kon mij niet vergissen, zij was het!… Nu herkende ik -haar in weerwil van de bruine kleur … De verschrikte meisjes, die mij achter de dichte -heg niet zien konden, waren toch zoo verschrikt, dat zij ijlings haar badgoed grepen, -en een paadje opstoven, hetwelk naar het hiervoren bedoelde hutje voerde. Ik kon evenwel -de kleine Javaansche nog hooren zeggen: -</p> -<p>„„<span lang="ms">Tida takoet, Nana, tida ada orang!</span>” (Wees niet <span class="pageNum" id="pb2.250">[<a href="#pb2.250">250</a>]</span>bang Nana, er is daar geen mensch), waarmede zij waarschijnlijk te kennen gaf, dat -zij het losraken van dien onbescheiden steen aan de beweging van een dier of aan het -toeval toeschreef. In weerwil van die verzekering spoedden beiden zich voort, en ik -zag haar weldra onder het beschermend dak van het huisje verdwijnen. -</p> -<p>„Ik begreep, welke onbescheidenheid ik gepleegd had, en bleef dan ook om het kiesche -gevoel van de lieve jonkvrouw te sparen, zoo lang mogelijk in mijne schuilplaats. -Toen ik berekenen kon, dat zij het opgegeven hadden, verder uit te kijken, sloop ik -zoo langzaam mogelijk, gebukt en steeds gedekt door de struiken, naar het benedengedeelte -van het ravijn, tot ik door eene buiging van een bergwrong, de hut uit het oog verloor, -en voor een rijzig persoon, derhalve ook voor hare bewoonsters onzichtbaar was. -</p> -<p>„Ziedaar, vrienden, mijn wedervaren. Ik heb mij gehaast u dat te schrijven. Ik weet, -hoe gelukkig ik een uwer met deze mededeeling zal maken. Raad vermag ik niet te geven. -Ik stel mij evenwel ter beschikking, om de bedoelde hut aan te wijzen.…” -</p> -<p>„Anna!… Anna weêrgevonden!” kreet Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool, terwijl hij onstuimig van zijn stoel opgesprongen was, en de binnengalerij -opgewonden op en neer liep. -</p> -<p>„Wat wilt ge doen?” vroeg Van Beneden<span class="corr" id="xd30e12806" title="Bron: !">.</span> -</p> -<p>„Wat ik doen wil?… Ik vertrek morgen ochtend!… Ik zal …” -</p> -<p>„Geen overijling, wat ik u bidden mag,” stuitte hem Grashuis. -</p> -<p>„Geen overijling, zegt ge? … En als zij intusschen weêr verdwijnt?” -</p> -<p>„Ik geloof niet, dat daar gevaar voor bestaat,” meende Van Rheijn. „De meisjes, van -hun schrik bekomen, en niemand ontwarende, zullen in de meening verkeerd hebben, dat -zij door een loos alarm op de vlucht gejaagd zijn zoodat zij er niet aan gedacht hebben, -die eenzame plek<span id="xd30e12814"></span> te verlaten.” -</p> -<p>„Vrienden,” sprak August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden, „ik geloof, dat wij het beste doen, om te gaan slapen. Het is reeds laat. -Laten wij de zaak overpeinzen, dan kunnen wij morgen beraadslagen, wat er te doen -valt. In ieder geval mag Karel morgen ochtend niet vertrekken; hij zou zoodoende zijne -geheele loopbaan bederven. Een rechterlijk ambtenaar <span class="pageNum" id="pb2.251">[<a href="#pb2.251">251</a>]</span>mag zich zoo maar niet als een deserteur van zijne standplaats verwijderen.” -</p> -<p>„Ja,” sprak Karel, „gaat gijlieden slapen. Ik ga terstond eene aanvraag om verlof -schrijven.” -</p> -<p>„Dat is goed,” sprak Theodoor Grenits. „Dan hebben wij eenige dagen om te overleggen. -Karel, ik, die geen verlof te vragen heb, ziehier mijne hand. Ik vergezel u bij dien -tocht.” -</p> -<p>De jongelieden drukten elkander de hand en gingen naar hunne woning, terwijl de feesttonen -der Chineesche bruiloft in de verte nog vernomen werden. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Van Nerekool vroeg verlof aan; maar kon dat zoo spoedig niet verkrijgen. -</p> -<p>Mr. Greveland, door de veelvuldige zaken bij den raad van Justitie aanhangig, daartoe -genoodzaakt, kon hem geen voorloopig verlof verleenen, hoezeer Karel daarop ook aandrong. -De voorzitter was verplicht de aanvraag aan de beslissing van den Directeur van Justitie -te Batavia te onderwerpen. Van Nerekool moest dus geduld betrachten. In afwachting -grepen evenwel gebeurtenissen plaats, die invloed op den loop van ons verhaal uitoefenen, -en derhalve hare mededeeling vereischen. -</p> -<p>Niet lang na de voltrekking van Lim Ho’s huwelijk met de lieve, rijke Ngow Ming Nio -moest de verpachting van het opium-middel voor de jaren 18.., 18.. en 18.. plaats -hebben. Dat was eene belangrijke gebeurtenis voor de ambtenaars-wereld, die bij de -bestaande fiscalische neigingen, waarvan het moederland onmiskenbare teekenen aan -den dag legde, van hooge beteekenis was voor de aan het roer zittenden, zoowel te -Batavia als in den Haag. Als toch de Minister van Koloniën op een groot aantal millioenen -als opbrengst van den pachtschat zou kunnen wijzen, zou hij en met hem zijn mederegeerders -zich vaster op het kussen gevoelen, daar zij meenden en niet ten onrechte, dat bij -zoo’n behandeling van zaken, zij bij de Volksvertegenwoordiging een schreefje voor -zouden hebben. En zoo moesten alle pogingen aangewend worden, om dat doel te bereiken. -</p> -<p>Voor den resident Van Gulpendam, wij weten het, bestond nog een andere drijfveer, -om de gegadigden <span class="pageNum" id="pb2.252">[<a href="#pb2.252">252</a>]</span>voor de opiumpacht tot eene zeldzame inspanning aan te sporen. Hij liet niets onbeproefd. -Door tusschenpersonen liet hij concurreerende kongsie’s tot mededingen verlokken, -bij welke pogingen de schoone Laurentia, natuurlijk achter de schermen en door tusschenkomst -van de afzichtelijke ’Mbok Karjå, hem waardiglijk ter zijde stond. Het gold toch voor -de trotsche residents-vrouw haar Gulpie het „bertes knabbeldat” te bezorgen. -</p> -<p>Nu de driejarige pacht met ultimo December ten einde liep, was sedert maanden, voor -dat de herverpachting plaats had, van bestuurswege de grootste activiteit aan den -dag gelegd geworden. Allerwegen was het toezicht op den sluikhandel, die niet van -den pachter uitging, verscherpt geworden. De kusten werden ijverig bewaakt; bandoelans -en politie moesten in de weer en behoefden bij hunne nasporingen in huis en aan den -lijve geene angstvalligheid te betrachten, vooral niet bij hunne vervolgingen van -hen, die geen opium of het heulsap slechts matig gebruikten. Het succes was volkomen. -Onder den invloed van de genomen maatregelen klom het debiet der pachters buitengewoon -en stegen de detailprijzen van het vergift in evenredigheid. -</p> -<p>„Als die toestand bestendigd kon blijven!” juichte Lim Ho, die niet altijd zijn tong -aan banden kon leggen, wanneer er over de pacht gesproken werd. -</p> -<p>Lim Yang Bing, die mededinging vreesde, trok de schouders op. Hij had dien uitslag -wel willen geheim houden; maar met zoovele kitten, als onder het beheer zijner kongsie -stonden, was dat onmogelijk. -</p> -<p>Maar ook daarmede vergenoegde de resident Van Gulpendam zich niet. Hij liet door zijne -gedienstige geesten behendig het gerucht verspreiden, dat het aantal opiumkitten in -de residentie belangrijk opgevoerd zoude worden. Dat hielp. Er begon dan ook langzamerhand -eene koortsachtige opgewondenheid in de Chineesche kamp te heerschen. -</p> -<p>Toen de groote dag daar was, wapperde al heel vroeg aan den top van den vlaggestok, -die zich voor het residentiehuis verhief, een groote nieuwe driekleedsvlag,<a class="noteRef" id="xd30e12843src" href="#xd30e12843">3</a> de fraaiste, die in het residentiehuis te vinden was geweest, <span class="pageNum" id="pb2.253">[<a href="#pb2.253">253</a>]</span>en ontwikkelde hare plooien en golvingen bevallig in de morgenbries. De oppassers, -die heden allen present waren en zeker een korps van een twintigtal uitmaakten, waren, -in nieuwe pakjes gestoken en hadden hunne bandeliers met het fraaiste geel aangestreken -en met gomwater glimmend gepoetst. Ook de pradjoerits, die de wacht betrokken, waren<span id="xd30e12854"></span> in groot tenue gekleed en was aan de houding en den ernst der twee schildwachten, -die voor het perron der voorgalerij op en neer drentelden, onmiskenbaar te bespeuren, -dat zij zich van den gewichtigen dag, dien zij beleefden, bewust waren. -</p> -<p>De resident Van Gulpendam had ter opluistering der plechtigheid een paar assistent-residenten -en een paar controleurs uit de naburige afdeelingen opgeroepen. Dezen, waaraan zich -de ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur, ter hoofdplaats aanwezig, aansloten, vereenigden -zich zoo omstreeks tien uur in de voorgalerij van het residentiehuis. Allen waren -in groot ambtelijk costuum gekleed, met zilveren oranje- en eikentakken, die emblemata -van onkreukbare reinheid en fieren mannenmoed, op den kraag hunner rokken geborduurd, -met de wit cachemieren pantalon, van breed galon op de zijnaden voorzien, met den -statiedegen op zijde, en den chapeau claque zwierig onder den arm. -</p> -<p>Langzamerhand verschenen ook Chineezen, allen in onberispelijk zindelijk wit baadje -en zwarten pantalon met uitermate breede pijpen gekleed, het hoofd zorgvuldig glad -geschoren en glimmend gepoetst, terwijl de kruinvlok, die den staart vormde, uiterst -zorgzaam behandeld, en de vlecht, vermengd met de roode, blauwe of witte zijden koord, -die aan moest geven of zij gehuwd, jonggezel of in den rouw waren, kunstvaardig, haast -wiskunstig ineengestrengeld was. -</p> -<p>Eerst waren het slechts nieuwsgierigen, die maar een kijkje kwamen nemen; weldra verschenen -echter ook de aanzienlijken, de meer gegoeden, eindelijk de rijken, zij, die als ernstige -mededingers konden aangemerkt worden. Het allerlaatst verschenen Lim Yang Bing en -Lim Ho, die bij het uitstappen van hun rijtuig de aanwezige personen <span class="pageNum" id="pb2.254">[<a href="#pb2.254">254</a>]</span>van hunnen landaard met een uitvorschenden blik monsterden. -</p> -<p>Een oogenblik mengden zich de zonen van het Hemelsche rijk onder de ambtenaren, en -vormden zoo een groep, waarbij begroetingen en handjesdrukken plaats hadden, die van -de innigste verstandhouding moesten getuigen. Toen evenwel de pradjoerit der wacht, -om aan te duiden dat het half elf was, een slag op de metalen klok, naast zijn schilderhuis -geplaatst, gegeven had, trad de resident Van Gulpendam, vergezeld van zijn secretaris, -beiden ook in galacostuum, de voorgalerij in; terwijl mevrouw Van Gulpendam, met Van -Rheijn gearmd, ook in de omlijsting van een der deuren der binnengalerij verscheen. -</p> -<p>Alle hoofden, in de voorgalerij aanwezig, bogen diep. Daarbuiten presenteerden de -schildwachten het geweer. De oppassers schaarden zich in één gelid naast den pajoengstandaard, -waarin thans een fonkelnieuw waardigheidsemblema prijkte. -</p> -<p>Het korps ambtenaren trad vooruit, en bogen andermaal het hoofd, om hulde te bewijzen -aan den Vertegenwoordiger van den <span class="corr" id="xd30e12867" title="Bron: Gouverneur Generaal">Gouverneur-Generaal</span>, die op zijn beurt de Vertegenwoordiger van Neêrlands Koning in die verre Aziatische -gewesten is. -</p> -<p>Daarna traden de Chineezen vooruit, om dezelfde plichtpleging te verrichten; waarna -de twee groepen Europeanen en Chineezen gescheiden bleven. -</p> -<p>Eenige dezer laatsten, waaronder vooral Lim Yang Bing en Lim Ho, traden op de schoone -Laurentia toe, om haar hoffelijk te begroeten. De lieftallige vrouw reikte ieder hunner -en ook aan sommigen der naastbij staanden eene hand en noodigde al de babahs even -naar binnen te treden, om zich te laven aan een verfrisschenden dronk. -</p> -<p>„Het was toch zoo ontzettend warm in dit <span class="corr" id="xd30e12874" title="Bron: saizoen">seizoen</span> te Santjoemeh,” betuigde zij. -</p> -<p>De Chineezen, met een glimlach op het fletse, gele gelaat, bogen dankbaar, wierpen -elkander een veelbeteekenenden blik toe; maar volgden de schoone vrouw door de binnengalerij -naar de pandoppo. Daar stonden op een groote tafel drie of vier presenteerbladen met -kelken beladen, terwijl daaronder kuipjes met ijs ontwaard werden, waarin een menigte -champagneflesschen met hare verzilverde halzen behoorlijk gerangschikt waren. -<span class="pageNum" id="pb2.255">[<a href="#pb2.255">255</a>]</span></p> -<p>„<span lang="ms">Boeka anggoer poeff!</span>” (maak champagne open) beval Laurentia aan een viertal bedienden. -</p> -<p>De kurken knalden en weldra stond iedere babah, arm of rijk, met een schuimend glas -in de hand en stelde er eene eer in met de njonja-resident te mogen klinken. Als de -Chineezen champagne drinken, dan laten zij zich niet onbetuigd, en, hoewel zij over -het algemeen zeer op vormelijkheid gesteld zijn, en de meesten hunner bij iedere andere -gelegenheid met een klein mondje en saamgeknepen lippen kleine teugjes gelept zouden -hebben, zooals zij dat wel eens van Europeanen bij officiëele gelegenheden gezien -hadden, gedroegen zij zich nu anders. Laurentia beduidde hen, dat, wanneer zij de -eer genoten, met eene njonja te klinken, het glas in eens geledigd moest worden. -</p> -<p>„De toean toean noemen dat <span lang="la">ad fundum</span>,” merkte de majoor-Chinees op. -</p> -<p>„Juist, babah,” sprak de schoone vrouw; terwijl zij met hem aanstiet. -</p> -<p>In een ondeelbaar oogenblik waren alle glazen leeg. -</p> -<p>„<span lang="ms">Isi glas lagie!</span>” beval <span class="corr" id="xd30e12899" title="Bron: zei">zij</span>. -</p> -<p>En nu, onder het een of ander voorwendsel, zorgde mevrouw Van Gulpendam, dat de glazen -telkens <span class="corr" id="xd30e12904" title="Bron: gelêegd">geleêgd</span> werden; terwijl zij met fonkelende oogen er voor waakte, dat de bedienden ijverig -met de champagneflesschen rondliepen om in te schenken. -</p> -<p>Intusschen was de resident Van Gulpendam een oogenblik in <span class="corr" id="xd30e12909" title="Niet in bron">de </span>voorgalerij met zijne ambtenaren blijven praten. -</p> -<p>„Waar blijven de babah’s toch?” vroeg hij na een poos. „Kom, heeren,” vervolgde hij -met een glimlach. „Ik geloof niet, dat wij het ons berouwen zullen, wanneer wij hen -gaan opzoeken. Het is ontzettend heet; vindt ge niet?” -</p> -<p>Terwijl hij zich het parelende zweet van het voorhoofd met een batisten zakdoek afveegde, -stapte hij aan het hoofd der beborduurde en gegalonneerde landsdienaren naar binnen. -</p> -<p>„Dacht ik het niet!” riep hij met zegepralenden blik uit, en tot de bedienden: -</p> -<p>„<span lang="ms">Lakas, kassie glas sama toean toean!</span>” -</p> -<p>Zoodra dat geschied was, verwijderde Laurentia zich ongemerkt, en liet de heeren der -schepping met elkander. De resident fluisterde een paar woorden met Kwee Sioem <span class="pageNum" id="pb2.256">[<a href="#pb2.256">256</a>]</span>Liem, een der rijkste Chineezen, die gedurende dat korte gesprek eenen onderzoekenden -blik op Lim Yang Bing trachtte te werpen. -</p> -<p>„Ik zal tot het uiterste gaan, Kandjeng toean,” sprak de babah, „<span lang="ms">tapeh saja takoet</span>” (maar ik vrees). -</p> -<p>„<span lang="ms">Tida takoet!</span>” (vrees niet) stelde de resident hem gerust. -</p> -<p>„Ja, maar; Kandjeng toean, de pacht zal voor mij te hoog loopen!” -</p> -<p>„Bedenk, babah, dat er acht opiumkitten meer voor de residentie in het pachtcontract -opgenomen zijn.” -</p> -<p>„Dat is zoo Kandjeng toean; maar …” -</p> -<p>Maar de Kandjeng toean hoorde niet meer. Hij trad vooruit, nam den steek van het hoofd, -hief het glas omhoog, hetwelk hem zooeven door een der bedienden was aangereikt. -</p> -<p>„Op het welslagen van de pacht!” riep hij, en ontlokte daarmede een luid gejuich aan -de gestaarte medeburgers, op wien het edele vocht van de Veuve Cliquot blijkbaar zijn -invloed begon uit te oefenen. -</p> -<p>„Op den Kandjeng toean resident!” riep de assistent-resident van politie. -</p> -<p>„Op den majoor-Chinees!” riep een ander ambtenaar. -</p> -<p>Dat ging zoo voort. Op alle die ingestelde dronken werd bescheid gedaan. Waarachtig, -hier en daar begonnen de scheef staande oogen der babah’s wonderlijk zonderling te -kijken. -</p> -<p>Daar sloeg de klok elf uur. Trillend weêrklonken de metalen tonen door de lucht. -</p> -<p>„En nu onze verpachting!” riep de resident. „Ik heb hen, die bij deze pacht niet slagen -mochten, mede te deelen, dat over ettelijke dagen de verpachting van het opiummiddel -voor het pachtperceel Bengawan en een paar dagen later voor het perceel eener andere -residentie zal geschieden; zoodat voor velen winst en groote winst te maken is.” -</p> -<p>Met den resident aan het hoofd, stapten de aanwezigen de binnengalerij in, en groepeerden -zich daar rondom eene groote tafel met wit marmeren blad, waarop een massa paperassen -uitgespreid lagen. Aan het boveneinde plaatste zich de resident, omgeven door zijn -fonkelenden staf van ambtenaren, tegenover den drom Chineezen, de beide groepen door -de <span class="pageNum" id="pb2.257">[<a href="#pb2.257">257</a>]</span>tafel gescheiden. Ter zijde tegen den muur van de binnengalerij hing een keurige schilderij, -een borstbeeld in levensgrootte van Koning Willem III, die nu als het ware het middelpunt -uitmaakte van de beide groepen, uit Europeanen en Aziaten bestaande. -</p> -<p>„De secretaris zal ons de voorwaarden van het te sluiten pachtcontract voorlezen,” -sprak de resident plechtig. -</p> -<p>Bedoelde ambtenaar begon en wauwelde met eentonige stem en schier onverstaanbaar, -de reeks artikelen, die hij bijna van buiten scheen te kennen. Het was ook maar eene -bloote formaliteit. De gegadigden voor dat contract kenden den inhoud op hun duimpje. -Alleen den aanhef: <i>in naam des Konings!</i> waarbij, op het voorbeeld van den resident, alle aanwezigen het hoofd diep voor het -borstbeeld bogen, sprak de secretaris met plechtige stem uit. Ook het artikel, waarbij -bepaald was, dat de nieuwe pachters het recht zouden hebben, een aantal opiumkitten -meer te kunnen openen, dan bij het oude pachtcontract bepaald was, werd met verheffing -van stem en met statigen nadruk voorgelezen, om toch maar het gemoed der belanghebbenden -te treffen. -</p> -<p>Toen die lezing ten einde was, sprak de resident: -</p> -<p>„De vorige pachtschat voor het perceel Santjoemeh bedroeg: twaalf honderd twee en -dertig duizend gulden!.… Twaalf honderd twee en dertig duizend gulden!.… Wie biedt -hooger?” -</p> -<p>„Twaalf honderd vijf en dertig duizend!” riep een stem. -</p> -<p>„Twaalf honderd veertig duizend!” eene andere. -</p> -<p>„Twaalf honderd vijftig duizend!” klonk het uit dien hoek. -</p> -<p>„Twaalf honderd zestig!” uit den anderen. -</p> -<p>Er had eene poos verademing plaats. -</p> -<p>„Twaalf honderd zestig duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam kalm en afgemeten. -</p> -<p>„Dertien honderd duizend!” riep Kwee Sioen Liem, die zich ter zijde van de tafel hield. -</p> -<p>Lim Yang Bing, die nog niet gesproken had, keek uitvorschend op. -</p> -<p>„Veertien honderd duizend!” riep hij thans, zich in den strijd mengende. -</p> -<p>„Vijftien honderd duizend!” -</p> -<p>Het gevecht was in vollen gang. -<span class="pageNum" id="pb2.258">[<a href="#pb2.258">258</a>]</span></p> -<p>„Zestien honderd duizend!” was het antwoord van den opiumpachter. -</p> -<p>Andermaal trad eene stilte in. -</p> -<p>„<span lang="ms">Panas ini hari</span>,” (het is warm vandaag) fluisterde eene stem. -</p> -<p>De resident gaf een wenk aan een der oppassers, die zich in zijne nabijheid ophielden. -Onmiddellijk stormden een viertal bedienden toe met hunne groote presenteerbladen, -waarop de heerlijk afgekoelde champagne in hare bevallige coupes parelde. Gretig tastten -de Chineezen toe. Het was toch ook zoo snikheet. -</p> -<p>„Zestien honderd duizend gulden!” herhaalde de resident. -</p> -<p>In dit oogenblik greep de tegenstander van Lim Yang Bing twee der aangeboden kelken -en sloeg den inhoud met koortsachtige opgewondenheid naar binnen. -</p> -<p>„Zestien honderd vijf en twintig duizend!” riep hij. -</p> -<p>„Zeventien honderd duizend!” riposteerde de opiumpachter. -</p> -<p>Andermaal een stilte, die slechts door hijgende ademhalingen afgebroken werd, alsook -door het getik der glazen, welke van nu af door de bedienden, hiertoe door de schoone -Laurentia aangezet, die achter eene zijdeur de ontwikkeling van het tooneel stond -gade te slaan, onafgebroken aangeboden of gevuld werden. -</p> -<p>„Zeventien honderd duizend!” herhaalde de resident Van Gulpendam. -</p> -<p>„Zeventien honderd vijf en twintig duizend!” antwoordde de concurrent van Lim Yang -Bing. -</p> -<p>„Achttien honderd duizend!” riep deze. -</p> -<p>Er was weer een glas verleidelijk vocht noodig, om de tegenpartij tot riposteeren -aan te moedigen. -</p> -<p>„Achttien honderd vijf en twintig duizend!” bracht Kwee Sioen Liem uit op een toon -zoo heesch, alsof zijne stem hem begaf. -</p> -<p>„Negentien honderd duizend! bood de opiumpachter. -</p> -<p>De tegenstander wankelde. Toch vermande hij zich genoegzaam, om evenwel met een schier -onhoorbare stem uit te brengen: -</p> -<p>„Negentien honderd vijf en twintig duizend gulden!” -</p> -<p>„<span lang="ms">Doea millioen!</span>” riep Lim Yang Bing zegevierend uit. -</p> -<p>Doodsche stilte volgde op dat bod … Men zou eene speld hebben kunnen hooren vallen. -Men voelde, dat de tegenstand <span class="pageNum" id="pb2.259">[<a href="#pb2.259">259</a>]</span>daarbij gebroken was. De kampende wilde nog antwoorden; maar zijne kongsiegenooten -trokken hem achteruit en beletten hem te spreken. -</p> -<p>„Twee millioen gulden!” herhaalde de resident Van Gulpendam en liet er op volgen: -„ik breng de gegadigden in herinnering, dat het aantal opiumkitten bij dit contract -aanzienlijk vermeerderd is.” -</p> -<p>Maar het mocht niet baten … De bedienden vulden steeds ijverig de glazen … Maar niets, -niets meer hielp. -</p> -<p>„Twee millioen guldens … eenmaal!.…” -</p> -<p>„Twee millioen guldens … tweemaal!.…” -</p> -<p>„Twee millioen guldens … Biedt niemand hooger?.… Twee millioen guldens … driemaal!” -</p> -<p>Boum! daar viel onherroepelijk de hamer. -</p> -<p>„Behoudens de nadere goedkeuring van de <span class="corr" id="xd30e13010" title="Bron: Nederlandsch Indische">Nederlandsch-Indische</span> Regeering,” sprak thans de resident Van Gulpendam plechtig, „is aan babah Lim Yang -Bing de opiumpacht toegewezen!” -</p> -<p>Bij die woorden omringden de ambtenaren het hoofd van gewestelijk bestuur en wenschten -hem geluk met den afloop der verpachting. Terzelfder tijd omringde het gros der Chineezen -Lim Yang Bing, om hem de hand te drukken. De schoone Laurentia zorgde voor een laatste -glas champagne, om dien zoo gunstigen afloop te bezegelen. Voor een oogenblik heerschte -daar in die groepen veel geestdrift en opgewondenheid. Of er evenwel eene gedachte -aan de bevolking gewijd werd, welke vele malen die millioenen ten koste van haren -welvaart zoude moeten opbrengen? Ziet, dat zou niet kunnen bevestigd worden.… Ja, -toch een was er, namelijk Van Rheijn. Deze sloeg een blik op het beeld van Neêrlands -Koning en vroeg zich af: of het zijn Koninklijke wil was, dat zoo gehandeld werd? -Helaas! het antwoord bleef uit. Rustig waarde de blik van den Vorst op die joelende -menigte. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nauwelijks was de resident van zijne omgeving ontslagen, of hij stormde met stralend -gelaat naar zijn kantoor, en weldra trad hij naar buiten met twee telegrammen in de -hand, nagenoeg van denzelfden inhoud: „Opium-verpachting te Santjoemeh opgebracht -twee millioen—Van Gulpendam.” De eene was bestemd voor Batavia, de andere voor den -Haag. -<span class="pageNum" id="pb2.260">[<a href="#pb2.260">260</a>]</span></p> -<p>Toen hij den oppasser, die belast werd, om daarmede naar het <span class="corr" id="xd30e13023" title="Bron: telegrafbureau">telegraafbureau</span> te ijlen, had zien verdwijnen, keek hij met tevredenheid en zelfgenoegzaamheid rondom -zich en toen zijn oog op Neêrland’s vlag viel, welker heldere frissche kleuren zich -bevallig loom onder de zwakke bries ontplooiden, meende hij, dat zij naar het noordwesten, -naar het vaderland wezen. Daarin zag hij eene voorbode en prevelde: -</p> -<p>„Ja, uit dien hoek moet de belooning komen!” -</p> -<p>Zich omkeerende, stond Laurentia voor hem. Hij keek haar doordringend aan. -</p> -<p>„Gij nog hier?” vroeg hij. -</p> -<p>Zij evenwel zonder hem te antwoorden, greep hem bij den arm, trok hem met zacht geweld -in de binnengalerij terug, en daar, voor ieder onbescheiden oog verborgen, sloot zij -hem met krachtigen arm aan haren zwoegenden boezem. -</p> -<p>„Gulpie!” riep zij uit, „Gulpie! Ge hebt u zelven overtroffen!” -</p> -<p>„Ja,” zei hij met valsche zedigheid. „Dat fregat is aardig naar binnen geloodst, al -zeg ik het zelf. Als men in den Haag nu maar niet ondankbaar zal wezen.” -<span class="pageNum" id="pb2.261">[<a href="#pb2.261">261</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e12713"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12713src">1</a></span> <i>Eiland Noesa Kambangan</i> is een pleonasme, daar het woord Noesa eiland beteekent. Het pleonasme is evenwel -geijkt; nog nooit hoorde ik spreken van het eiland Kambangan. Het is een woest bergachtig -eiland met zeer steile oevers. In de zuidkust worden evenwel eenige kleine inhammen -aangetroffen, die een zandig strand opleveren. Het eiland ligt tusschen 7°41′50″ en -7°46′30″ Zuiderbreedte en 109°40′24″ en 109°1′55″ Oosterlengte van Greenwich. <a class="fnarrow" href="#xd30e12713src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12740"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12740src">2</a></span> Een <i>ewah</i> is een kleedingsstuk bij de Dajaks, bestaande uit een strook linnen, soms ook wel -van geklopte boombast vervaardigd, die het middel omgeeft en om der eerbaarheidswille -tusschen de beenen doorgeslagen wordt. <a class="fnarrow" href="#xd30e12740src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e12843"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e12843src">3</a></span> <i>Driekleedsvlag.</i> Wanneer de drie banen van een vlag ieder slechts uit de breedte van het gebezigde -vlaggedoek bestaan, wordt <span class="pageNum" id="pb2.253n">[<a href="#pb2.253n">253</a>]</span>zoo’n vlag een éénkleedsvlag genoemd. De banen van een driekleedsvlag hebben dus drie -breedten van het vlaggedoek en zijn natuurlijk ook evenredig langer. <span class="corr" id="xd30e12848" title="Bron: Zoon’">Zoo’n</span> groote vlag wordt alleen bij solemneele gelegenheden gebruikt. <a class="fnarrow" href="#xd30e12843src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch40" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e985">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XL.</h2> -<h2 class="main">Het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>”.—Anna en Dalima.—Een telegram.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">Neen, men was in den Haag niet ondankbaar. Geen acht dagen waren voorbijgesneld, of -de telegraaf had de tijding aangebracht, dat het Z. M. den Koning behaagd had, den -resident Van Gulpendam te benoemen tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Toen later -de bizonderheden van die benoeming per mail in Indië ontvangen werden, vernam men, -dat onmiddellijk na het bericht ontvangen te hebben van den uitslag der opiumverpachting -te Santjoemeh, de raadslieden der kroon in buitengewone vergadering samengekomen waren, -waarin de Minister van Koloniën, met eene aan opgewondenheid grenzende opgetogenheid, -gewezen had op de hooge verdiensten van den resident Van Gulpendam en op de groote -voordeelen, die voor de schatkist ontstaan zouden, wanneer andere residenten tot dergelijke -plichtsbetrachting opgewekt konden worden. Hij hield zijne collega’s voor oogen, dat, -nu de baten uit de gouvernements-koffiecultuur aan het ebben waren, de opium thans -reeds de kurk was, die het schip van Staat drijvende moest houden, en dat het zaaks -was, de inkomsten van dat middel ieder jaar op te voeren, zooals hij zich dan ook -beijverd had te doen, sedert hij door den Koning vertrouwvol geroepen was, om de uitgaven -voor de Koloniën met de inkomsten in overeenstemming te brengen. Bewust, dat hij niets -nieuws <span class="pageNum" id="pb2.262">[<a href="#pb2.262">262</a>]</span>verkondigen zoude, liet hij evenwel na, er op te wijzen, dat de koffiecultuur, die, -mits oordeelkundig en menschkundig in exploitatie gebracht, steeds ruime baten had -kunnen blijven afwerpen, terwijl zij welvaart onder de bevolking verspreidde, thans -door wanbeheer en ergerlijke knevelarij te gronde gericht was; terwijl het steeds -meer en meer opgezweept wordende opiumverbruik ten vloek van het vaderland, ten vloek -van de Koloniën moest wezen. Opgetogen gaven zijne medebestuurders dan ook hunnen -bijval te kennen en ondersteunden de voordracht tot het verleenen der Leeuwenorde, -waaraan helaas! de constitutioneele Vorst zijn sanctie niet kon onthouden. -</p> -<p>Hoewel sommigen het hoofd schudden bij het vernemen van die benoeming, was toch schier -geheel Santjoemeh uitgelaten van vreugde, toen men het <span class="corr" id="xd30e13048" title="Bron: heuchelijke">heugelijke</span> telegram in de couranten las. Kaartjes, brieven en telegrammen van gelukwenschen -stroomden van alle kanten, zoowel uit Nederland als uit Indië toe. De bezoeken, die -de familie Van Gulpendam ontving, waren ontelbaar en het was voor hen, die niet met -het algemeen gevoelen instemden, inderdaad moeielijk zich van die bewijzen van belangstelling -te onthouden. Te licht zou toch zoo iets aan afgunst toegeschreven worden. -</p> -<p>Maar bij die betuigingen bleef het niet. Feesten, diners en dansrecepties werden allerwege -georganiseerd, om de heugelijke gebeurtenis te vieren. De regent van Santjoemeh opende -de rij en werd daarin gevolgd door het korps ambtenaren, door de leden van de <span class="corr" id="xd30e13053" title="Bron: societeit">sociëteit</span> <i>Eensgezindheid</i>, door den majoor-Chinees, enz. enz. Als slotbouket van al die feestelijkheden had -er ten residentiehuize een luisterrijk bal plaats, om al de betoonde hulde te reciproceeren, -waarop, het zal wel niet behoeven vermeld te worden, geheel Santjoemeh tegenwoordig -moest wezen, en ook was. -</p> -<p>Bij al die gelegenheden werden toasten uitgebracht, speeches gehouden, gelegenheidsgedichten -opgezegd, solo- en choorzangen voorgedragen, en dat alles om den man te verheerlijken, -wiens borst zoo waardig met het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” prijkte. Laurentia had met haar fijn, vrouwelijk schoonheidsgevoel gewild, dat haar -Gulpie op al die feesten verschenen zoude zijn, gedecoreerd met een elegant kruisje, -aan een miniatuur strikje van Nassausch <span class="pageNum" id="pb2.263">[<a href="#pb2.263">263</a>]</span>blauw lint met oranjestrepen, hetgeen bepaald van goeden smaak getuigd zoude hebben. -Maar Van Gulpendam had zich daaraan niet willen onderwerpen. Hij had fluks een kruis -van Batavia laten komen, groot als een theeschoteltje met daaraan geëvenredigden lap -lint. -</p> -<p>„Als je een vlag vertoont,” had hij zijne vrouw tegemoet gevoerd, „moet hij ook op -een mijl afstand zichtbaar zijn, en moet je hem flink laten uitwaaien.” -</p> -<p>Tegen dat zeemans-aphorisme was niets in te brengen geweest. -</p> -<p>De man had dan ook veel genoten in die dagen, en zijn genot zoude onvermengd geweest -zijn, wanneer niet geruchten zich verspreid hadden, dat er aan de rust en de tevredenheid -onder de bevolking, waarvan hij steeds in zijne rapporten aan de regeering gewaagde, -meer ontbrak dan hij met zijne geschriften wilde aantoonen. Er werd toch van samenscholingen, -van samenzweringen gemompeld, en, werd er bijgevoegd, dat meer aan staatkundige woelingen -te denken viel, dan aan beramingen van ketjoe’s. Merkwaardig, een Bataviaasch dagblad -van die bewegingen in verscheidene residentiën sprekende, duidde er op, dat de „prang -sabil” (de heilige oorlog) voorbereid werd, en beweerde goed ingelicht te zijn. Dat -blad schuldig aan het feit, de machthebbenden uit hunne rustige rust opgejaagd te -hebben, werd op zijn vingeren getikt. De drukkerij werd gesloten, en de redacteur -verbannen, om te bewijzen: dat de rust ongestoord en de pers slechts gevaarlijk was. -</p> -<p>Maar, nu werd ook een wenk van boven aan den resident Van Gulpendam gegeven, dat hij -alles moest in het werk stellen, om te laten zien, dat de toestand werkelijk bevredigend -was, en de artikelen der dagbladen slechts onrustbarende praatjes bevat hadden. -</p> -<p>Gedurende die week van feestelijkheden had Van Gulpendam reeds eenige tochten gemaakt -naar de zoogenaamde bedreigde punten, maar had alles rustig bevonden. Onder den prikkel -van de Europeesche ambtenaren, hadden de Inlandsche hoofden nauwgezet hunne opwachting -bij den Kandjeng toean gemaakt, en daarbij nog een woord van gelukwensching geuit, -ter zake van de hooge onderscheiding, die hem te beurt gevallen was. -</p> -<p>Het kon niet beter. Voor allen, ambtenaren en hoofden <span class="pageNum" id="pb2.264">[<a href="#pb2.264">264</a>]</span>had hij dan ook een welwillend woord, een woord van goedkeuring en aanmoediging, om -tot spoorslag te dienen op den ingeslagen weg voort te gaan. -</p> -<p>Wel liet zich eene enkele stem hooren, die in dat koor van betuigingen over rust een -kleinen dissonant liet vernemen. Het was een Europeesch ingezetene, een industrieel, -wiens suikerfabriek aan de uiterste grens van de residentie Santjoemeh gelegen was. -Deze verzekerde, dat hij vertrouwbare berichten had, volgens welke werkelijk soms -samenscholingen in een bosch, nabij zijne onderneming gelegen, plaats vonden, en hij -beweerde zelfs de namen van een paar der leiders te kennen. Overigens zeide hij, dat -hij met het doeleinde der samenkomsten niet bekend was, maar dat zij hem verdacht -en, zelfs bij de meest onschuldige strekking, gevaarlijk voorkwamen. -</p> -<p>„En die namen?” had de resident smalend gevraagd. -</p> -<p>„Ik ken er slechts twee,” was het antwoord, „het moeten vader en zoon zijn, Pak Ardjan -en Ardjan geheeten. De laatste moet een moedige, doortastende vent zijn, en beiden -zouden in de dèsa Kaligaweh van de afdeeling Banjoe Pahit te huis behooren.” -</p> -<p>De resident voelde, dat hij verbleekte bij het hooren van die namen. Hij greep zijn -zakdoek om de zweetdruppels, die op zijn voorhoofd parelden, af te vegen, meer echter -om zijne aandoening te verbergen. -</p> -<p>Men bood hem een glas ijswater aan; hij herstelde zich echter spoedig, en, alsof hij -er op uit was, om den indruk zijner ontroering, wanneer die opgemerkt mocht zijn, -te vernietigen, hernam hij: -</p> -<p>„Och, kom. Die kerels van Kaligaweh zijn reeds lang naar den overwal gevlucht. Die -zullen zich wel niet op Nederlandsch grondgebied vertoonen. Nog niet lang geleden -zijn zij te Singapore gezien, daaromtrent zijn mijne berichten stellig.” -</p> -<p>„En toch, resident,” antwoordde de suikerfabrikant ernstig, „ben ik hier niet gerust. -Gij weet hier in Indië, zijn de grensposten der Europeesche nederzettingen gewoonlijk -het slachtoffer, en worden dan de Europeanen in den regel op gruwelijke wijze vermoord. -Mijne fabriek ligt wel afgelegen, en, komt het tot eene uitbarsting, dan zijn in het -gunstigste geval twee dagen noodig, alvorens politie of militaire macht haar bereiken -kan. Ik <span class="pageNum" id="pb2.265">[<a href="#pb2.265">265</a>]</span>wilde u wel verzoeken om eenig politie-personeel op de onderneming te plaatsen, waarop -ik vertrouwen zou kunnen. Ik zal ze wel wapenen.” -</p> -<p>„Politie-personeel, mijn goede heer? Waartoe?” vroeg de resident, die zijne geheele -zelfbeheersching hernomen had, met een glimlach. „Gij schept u herschenschimmige angsten. -Het is al te dwaas!” -</p> -<p>„Ik weet, wat ik weet,” hernam de fabrikant, „en ik kom er rond voor uit: de mij medegedeelde -berichten komen mij volstrekt niet ongeloofwaardig voor.” -</p> -<p>„Mij wel,” antwoorde Van Gulpendam ietwat sarcastisch. -</p> -<p>„Als gij u in mijne plaats bevondt, met een geheel huisgezin in deze eenzame buurt, -dan zoudt gij in de gegeven omstandigheden wel anders spreken.” -</p> -<p>Hoewel Van Gulpendam nu wel niet van de stof vervaardigd was, waaruit de helden groeien, -zoo was hij toch ook geen lafaard. Daarenboven hij begreep, dat het oogenblik gekomen -was <i lang="fr">pour payer de sa personne</i>. Wat zou men te Batavia wel zeggen, wanneer daar die angstvalligheid vernomen werd? -</p> -<p>„Het mocht wat!” riep hij met denzelfden sarcastischen glimlach uit. „Kom, om u te -toonen, hoe verzekerd ik ben, dat er niets aan de hand is, noodig ik mij en mijne -echtgenoote uit, om een veertiental dagen op de fabriek te komen logeeren. Ik weet, -dat de kombuis goed is … Neemt gij aan? -</p> -<p>„Volgaarne, resident,” sprak de fabrikant met vuur. -</p> -<p>Hij rekende er op, dat het hoofd van gewestelijk bestuur zich onder de hoede van een -sterk korps politiedienaren zou stellen. -</p> -<p>„Wel,” antwoordde Van Gulpendam. „Zoodra de feesten te Santjoemeh afgeloopen zijn, -zal ik u bericht zenden; maak maar al vast een paar vertrekken voor ons klaar.” -</p> -<p>„En gij brengt eenige oppassers mede?” -</p> -<p>„Volstrekt niet. Een paar mijner bedienden, meer niet. Ik wil u laten zien, dat ik -ten volle vertrouwen in den toestand stel, dat ik voor niets bevreesd ben. Dat is -dus afgesproken, nietwaar?” -</p> -<p>Buiten, maar vlak voor de galerij, waarin dit gesprek gehouden was, drentelden een -paar pradjoerits als eerewacht voor den Kandjeng toean op en neêr. Als iemand op een -dier twee mannen gelet had, dan had hij opgemerkt, <span class="pageNum" id="pb2.266">[<a href="#pb2.266">266</a>]</span>dat die schildwacht zoodanig op en neer wandelde, dat hij steeds in de nabijheid der -pratenden bleef; ook dat hij scherp toeluisterde, waarbij zijn oogen meer dan eens -woest en onheilspellend flikkerden. Bij de laatste volzinnen van het gesprek, verspreidde -zich een waas van tevredenheid over zijn gelaat en, had de man eene westersche klassieke -opvoeding gehad, dan zou hij voorzeker gepreveld hebben: <span lang="la">Jupiter, quem vult perdere, prius dementat.</span> (Wien de goden ten verderve willen voeren, ontnemen zij eerst het verstand). -</p> -<p>Toen Van Gulpendam te Santjoemeh teruggekeerd was, verkondigde hij allerwegen, dat -hij en zijne echtgenoote door dat voortdurende feestvieren uitgeput waren, dat zij -rust noodig hadden, en dan ook besloten waren om op de fabriek „Soeka maniesan” een -veertiental dagen te gaan uitblazen. -</p> -<p>En, inderdaad, twee dagen na de eindpartij vertrokken de beide echtgenooten, die zich -slechts door de lijfmeid van de schoone Laurentia en een tweetal mannelijke bedienden -lieten vergezellen. Op den bok nam evenwel een oppasser naast den koetsier plaats. -Die moest den gouden pajoeng omhoog houden, ten teeken dat de Kandjeng toean in het -rijtuig zat. -</p> -<p>„Mocht er eene westmousson’s bui in dien hoek broeien, och, dan is de pajoeng voldoende -om haar af te doen drijven,” had Van Gulpendam tot zijne wederhelft gezegd. -</p> -<p>Denzelfden dag vertrokken ook Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool en Theodoor Grenits naar Gombong, om van daar uit, gezamenlijk met Murowsky, -Anna <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Gulpendam in hare eenzaamheid te gaan verrassen. Beide rijtuigen kruisten elkander -bij het verlaten van de hoofdplaats Santjoemeh. Dat, waarboven de gouden pajoeng prijkte, -sloeg oostwaarts in; het andere, waarin de twee vrienden gezeten waren, zuidwaarts. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Nadat nonna Anna en baboe Dalima bij het baden zoo geschrokken waren, hadden zij het -niet meer gewaagd, onverzeld naar de zoo afgelegen badplaats te gaan. Wel meenden -zij verzekerd te zijn, dat geen menschelijk wezen haar bespied had, dat de steen die -naast Anna in het water geplonst was, door een dier, b. v. een tjelleng, of eene geit -losgetrapt was; maar de schrik, dien zij ondervonden <span class="pageNum" id="pb2.267">[<a href="#pb2.267">267</a>]</span>hadden, had hen toch de mogelijkheid eener onbescheidenheid doen beseffen. Anna overreedde -eene bejaarde Javaansche vrouw, om haren intrek in het hutje te nemen. Die zou dan -telkens naar de badplaats gaan, en daar, terwijl de jonge meisjes in het frissche -water zouden dartelen, tegen onbescheiden oogen waken, en haar, bij voorkomen, van -de nadering van menschelijke wezens tijdig kennis geven. Het in dienst nemen dier -nènèh had nog eene andere voordeelige zijde. Aan haar toch konden enkele huiselijke -werkzaamheden opgedragen worden, waardoor de twee nijvere meisjes meer tijd zouden -hebben, om onafgebroken op haar weefgetouw, of bij hare verfkuip door te brengen. -Hoe meer zij toch werkten, hoe meer geld zij verdienden; want de kahin’s en slendang’s, -die zij weefden, en de sarong’s, die zij batikten, waren zeer gewild. In den regel -hadden zij meer bestellingen, dan waaraan zij voldoen konden. Het gevolg daarvan was, -dat er dan ook een zekere welvaart in de ons bekende hut heerschte, en.… was het daaraan -te wijten, of kon niemand ongevoelig blijven bij den aanblik der twee lieve meisjes; -maar wanneer zij eens een enkelen keer in de dèsa Ajo verschenen, alwaar zij geen -vrees van herkend te worden behoefden te koesteren, dan werd hen van wege de jongelingschap -van dat dorp menigen teederen blik toegeworpen, soms ook wel eens een liefdevol woord -toegefluisterd. De deerns hadden er dan pret in, en lachten er hartelijk om. Op een -dag zei Dalima snaaksch en spottend: -</p> -<p>„Als zij eens wisten, dat zij de dochter van een resident, van een Kandjeng toean -voor zich hadden, wat zouden zij verschrikt achteruit stuiven.” -</p> -<p>„Spreek daarover niet weder, Dalima!” zei Anna hoogst ernstig. „Gij weet, dat ik daarover -niet wil hooren reppen. Ik ben geene residentsdochter meer.” -</p> -<p>Maar, toen zij ontwaarde, dat die ernst hare trouwe gezellin bedroefde, liet zij er -met een glimlach op volgen: -</p> -<p>„Alsof de Ajosche „boedjans” (jongelingen) het op mij gemunt hadden!” -</p> -<p>„Op wie anders, Nana?” -</p> -<p>„Op een van ons beiden, maar zeker op mij niet. Dat zie ik maar al te goed. Al die -lonkjes en „soeara manies” (zoete gezegden) zijn voor u, Dalima.” -<span class="pageNum" id="pb2.268">[<a href="#pb2.268">268</a>]</span></p> -<p>„Hoe kunt gij het zeggen, Nana?” hernam de baboe half boos. -</p> -<p>„Ik zeg slechts de waarheid, Dalima!” -</p> -<p>„Hebt gij wel eens op Kjahi Wångså<a class="noteRef" id="xd30e13139src" href="#xd30e13139">1</a> gelet, Nana? Die heeft slechts oogen voor u.” -</p> -<p>„Neen, voor u, Dalima!” -</p> -<p>„Neen, voor u, Nana!” -</p> -<p>Zoo kibbelden de meisjes bijna dagelijks en het was niet uit te maken, wie harer dan -het laatste woord behield. -</p> -<p>„Als het de Kjahi eens was, die ons zoo verschrikt had.…,” zei Anna eens, terwijl -zij met hare vriendin weer zoo aan het praten was. -</p> -<p>„Wat bedoelt ge, Nana?” -</p> -<p>„Als het die lummel eens was, die ons bij het baden begluurd had.” -</p> -<p>„Dat zou hij niet gedurfd hebben. Geen der boedjans zijn daar „brani” (stoutmoedig) -genoeg voor. En hij wel het minst.” -</p> -<p>„Daar komt nog al stoutmoedigheid bij te pas, tegenover twee meisjes, zou ik meenen.” -</p> -<p>„Toch zou hij het niet gedurfd hebben. Maar, wees gerust; niemand heeft ons bespied. -Gij weet, hoe lang wij uitgekeken hebben, en hoewel wij het pad rechts en links over -eene groote uitgestrektheid konden gadeslaan, hebben wij niemand bespeurd.” -</p> -<p>„En toch blijft mij het geval raadselachtig toeschijnen.” -</p> -<p>„Als daar iemand geweest is, dan was het een blanke.” -</p> -<p>„Een blanke, Dalima?” -</p> -<p>„Ja, nu het al zoo lang geleden is, kan ik het u wel vertellen. Vroeger zou ik u slechts -noodeloos ongerust gemaakt hebben. Des avonds voor het gebeurde met dien steen, is -een blanke in de dèsa Ajo aangekomen en heeft daar bij den loerah overnacht.” -</p> -<p>„Dalima, wie was hij?” vroeg Anna ontsteld. -</p> -<p>„Weet ik het, Nana. Ik heb genoeg gevraagd; ik heb niets anders kunnen vernemen, dan -dat hij zich bezighield met „<span lang="ms">tangkap koepoe koepoe</span>” (kapellenvangen) Poeah.<a class="noteRef" id="xd30e13165src" href="#xd30e13165">2</a><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -<span class="pageNum" id="pb2.269">[<a href="#pb2.269">269</a>]</span></p> -<p>„Hebt gij hem gezien, heeft hij u gezien, Dalima?” -</p> -<p>„Wel neen, Nana. Hij is voor dag en dauw weêr vertrokken. Het laatst is hij gezien -te Pring-toetoel, en toen begaf hij zich in oostelijke richting.” -</p> -<p>„Waarom hebt gij mij dat niet vroeger gezegd?” -</p> -<p>„Om u noodeloos ongerust te maken? Daartoe was geen reden.” -</p> -<p>Een oogenblik zaten de twee meisjes sprakeloos. Dalima, die vreesde, dat Anna over -haar ontevreden was, vroeg bedroefd: -</p> -<p>„Zijt gij boos op mij, Nana?” -</p> -<p>„Neen, Dalima.” -</p> -<p>„Waar denkt gij dan zoo ernstig aan?” -</p> -<p>„Ik zou wel willen verhuizen.” -</p> -<p>„Verhuizen?” -</p> -<p>„Ja, nog verder het gebergte in; nog verder zuidwaarts, waar de landstreek nog eenzamer, -nog woester is, daar dicht bij de vogelnestgrotten. Ik zou wel mijn intrek in een -dier grotten willen nemen. -</p> -<p>„Waar denkt gij aan, Nana?” vroeg Dalima verschrikt. -</p> -<p>„O, ik heb zoo’n voorgevoel, dat Karel mij op het spoor is,” hernam Anna met een zucht. -</p> -<p>„Dat had hij al lang moeten zijn,” antwoordde de baboe met eenige kleinachting in -haar stem. „Een Javaan had u wel gevonden.” -</p> -<p>„En Ardjan dan?” -</p> -<p>Dalima verbleekte bij het hooren van dien naam. -</p> -<p>„Die is voortvluchtig,” sprak zij somber. „Allah alleen weet, waar hij zich ophoudt, -en wat hij uitvoert. Daarenboven ik ben zijn „toenangan,” (verloofde) niet meer. Voor -hem ben ik slechts een gevallen meisje.” -</p> -<p>Beiden zwegen andermaal en schenen in hare gedachten verzonken. Anna gevoelde spijt, -dat zij eene zoo teedere snaar aangeroerd had. Na een oogenblik van stilzwijgen hernam -Dalima weêr: -</p> -<p>„Maar, als het eens zoo ware, dat die toean rakker u werkelijk op het spoor was …?” -</p> -<p>„O, zwijg. De gedachte alleen ontzet me! Ik zou dadelijk willen vluchten!<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> -<span class="pageNum" id="pb2.270">[<a href="#pb2.270">270</a>]</span></p> -<p>„Wat hebt gij toch tegen hem?” vroeg de baboe met aandrang. -</p> -<p>„Zwijg, Dalima!” -</p> -<p>„Houdt gij niet meer van hem? Hebt gij hem uit uw hart gebannen …? Nu?” -</p> -<p>„Zwijg!” riep Anna in de grootste ontroering uit. „Niet meer van hem houden?… O, als -dat zoo ware!.… Uit mijn hart gebannen?<span class="corr" id="xd30e13205" title="Bron: ,..">…</span> Er gaat geen dag, geen uur, geen minuut schier voorbij, dat ik niet aan hem denk.” -</p> -<p>„Maar, Nana<span class="corr" id="xd30e13210" title="Bron: ’">,</span>” hernam de argelooze Javaansche, <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>waarom dan zoo wreed?” -</p> -<p>„Zwijg, Dalima!” -</p> -<p>„Weet gij dan niet, hoe ongelukkig gij dien jongen man maakt, Nana?” -</p> -<p>„O, zwijg, ik bid er u om. Nimmer, nimmer kan ik hem, noch een ander toebehooren!” -</p> -<p>Dalima keek haar aan. Wat in haar binnenste omging, was niet moeielijk te raden. Op -haar gelaat teekende zich verwondering en ergernis. In hare oogen was te lezen: -</p> -<p>„Wat hebben die blanken toch voor „tinka’s<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>! (grillen.) Hoe lastig maken zij zich het leven toch.” -</p> -<p>Na een oogenblik bedenkens, wilde zij het gesprek weêr hervatten, en opende daartoe -reeds den mond; toen eensklaps de nènèh de galerij binnenkwam. Zij was voor de keukenbenoodigdheden -naar de dèsa geweest, en kwam thans rekening en verantwoording over hare inkoopen -doen. Dat gaf gelukkig afleiding; maar toen zij met haar nieuwtjes begon, bracht zij -groote ontsteltenis bij de beide meisjes teweeg. Zij verhaalde toch, dat drie blanken -in de dèsa waren aangekomen en hunnen intrek bij den loerah genomen hadden. -</p> -<p>„Drie blanken!” riep Anna verschrikt uit. -</p> -<p>„Ja, Nana,” antwoordde de vrouw, die niet beter wetende, dan dat zij eene rasgenoote -voor zich had, het voorbeeld van Dalima gevolgd had en de residentsdochter met den -naam Nana aansprak. -</p> -<p>„Hebt gij ze gezien, nèh?” vroeg Dalima. -</p> -<p>„Neen,” was het antwoord. -</p> -<p>„Hebt gij ook vernomen, wat ze in de negorij komen uitvoeren?” -</p> -<p>„Daaromtrent loopen de verhalen uiteen,” antwoordde <span class="pageNum" id="pb2.271">[<a href="#pb2.271">271</a>]</span>de nènèh. „De een vertelt, dat het „wong spor”<a class="noteRef" id="xd30e13234src" href="#xd30e13234">3</a> (lieden van den spoorweg) zijn, die zich met jagen vermaken. En, inderdaad, hebben -zij geweren bij zich. Een ander vertelt, dat zij jacht op slangen maken. Nu daar kunnen -zij hier genoeg van vangen. Bij het hierheen komen heb ik nog een „oelor welang”<a class="noteRef" id="xd30e13238src" href="#xd30e13238">4</a> op het pad gezien. Gelukkig, dat ik haar bijtijds bemerkte, anders had ik er op getrapt, -en dan was ik dood. Een derde vertelt, dat die toean toean de vogelnestgrotten komen -bezichtigen.” -</p> -<p>„Hebt gij niets anders gehoord?” -</p> -<p>„Neen, Nana. Maar, waarom zijt gij zoo raar, als waart gij bevreesd. Die blanken doen -niemand kwaad. Ziet … daar komen zij het pad op.…” -</p> -<p>Anna keek in de aangeduide richting en slaakte een hartverscheurenden kreet. In de -grootste ontsteltenis greep zij een slendang, dien zij over het hoofd sloeg, en, gevolgd -door Dalima, die evenals zij Van Nerekool onder de aankomenden herkend had, ijlde -zij het pad op, dat in tegenovergestelde richting naar den zuiderkant van het Polenggebergte -voerde. De drie mannen zagen twee gedaanten uit de hut te voorschijn treden, en heênvluchten. -</p> -<p>„Daar is zij!” riep Murowsky. -</p> -<p>„Anna!… Anna!…” riep Van Nerekool met hartverscheurende stem. -</p> -<p>Te vergeefs. Door eene buiging van het pad waren de twee meisjes weldra achter de -rotsen verdwenen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Alvorens tot het slottafereel van onzen roman te komen, zijn wij verplicht andermaal -eene schrede achterwaarts te doen. -</p> -<p>Van Nerekool was met Grenits per rijtuig naar Wonosobo gereisd, van waar de twee vrienden -den tocht te paard voortgezet hadden. O, zij hadden geen tijd, geen oog <span class="pageNum" id="pb2.272">[<a href="#pb2.272">272</a>]</span>om de heerlijke landschappen, de verheven bergpartijen, die ze doorreisden, te aanschouwen -of te bewonderen. Karel gunde slechts een verstrooiden blik aan het hem omringende, -wanneer Grenits hem daarop opmerkzaam poogde te maken, en had slechts een kreet in -den mond: -</p> -<p>„Voort! Theodoor, voort!” -</p> -<p>Voor hunne afreis hadden zij Murowsky getelegrafeerd. Zij vonden den officier van -gezondheid dan ook gereed, om hen te vergezellen. Daar zijn collega nog steeds te -Gombong vertoefde, had de militaire bevelhebber er geen bezwaar in gevonden, hem andermaal -een verlof voor vier dagen toe te staan. De reizigers waren evenwel laat in den namiddag -aangekomen; zij waren daarenboven vrij vermoeid van den flinken rit; zoodat besloten -moest worden den tocht eerst den volgenden morgen voort te zetten. Van dat gedwongen -oponthoud werd gebruik gemaakt, om in den vooravond een bezoek bij den chef van Murowsky -af te leggen. -</p> -<p>„Als gij lieden met u drieën er op losgaat,” sprak de goedige krijgsman, terwijl hij -hen de hand drukte, „dan mogen de kapellen en snuitkevers zich wel verdekt opstellen. -Dan zal er eene slachting onder gehouden worden. Hebt gijlieden wel kurken en spelden -genoeg, om de arme krijgsgevangenen op te prikken? Enfin, ik wensch den heeren alle -succes.” -</p> -<p>Maar, terwijl zij daar zoo bij dien kommandant een glas bier zaten te genieten, bracht -een beambte een telegram, bestemd voor Murowsky. Deze greep het papier. -</p> -<p>„Gij permitteert?” vroeg hij den kapitein en diens ega. -</p> -<p>„Voor telegrammen worden dergelijke plichtplegingen niet vereischt,” antwoordde de -gastheer. „Open spoedig, misschien wel van een patiënt. Als uwe kapellenvangst daarmede -maar niet in gevaar wordt gebracht.” -</p> -<p>Murowsky opende het couvert, en sloeg een blik op de onderteekening. -</p> -<p>„Van Van Rheijn,” zei hij tot de vrienden … „God in den hemel!” riep hij vervolgens -in de grootste ontsteltenis uit. -</p> -<p>„Wat is er? Wat is er?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span> riepen alle aanwezenden. -</p> -<p>„„Zeg aan Van Nerekool, dat de resident Van Gulpendam en zijne ega, door eene bende -ketjoe’s vermoord zijn. Bizonderheden per brief!”” las de dokter voor. -<span class="pageNum" id="pb2.273">[<a href="#pb2.273">273</a>]</span></p> -<p>Allen zaten een oogenblik stom van ontzetting. Van Nerekool greep koortsachtig het -telegram, trad tot bij de lamp, las, en wreef zich daarna de oogen, alsof hij die -niet vertrouwde. -</p> -<p>„Het is maar al te waar!” sprak hij eindelijk. -</p> -<p>„Is mijnheer Van Nerekool familie van de verslagenen?” vroeg de vrouw des huizes aan -Grenits; toen zij het gelaat van den rechterlijken ambtenaar de meest opgewonden aandoeningen -zag verraden. -</p> -<p>„Vergeef mij, mevrouw,” antwoordde Theodoor. „Wij verlieten Santjoemeh tegelijkertijd -met de familie Van Gulpendam. De gedachte aan den gruwzamen moord op personen gepleegd, -die wij gedurende de feestelijkheden aldaar levenslustig te midden van ons zagen, -is wel geschikt om ons te doen ontstellen.” -</p> -<p>De dame knikte toestemmend. -</p> -<p>„Het is ontzettend!” prevelde zij. -</p> -<p>„Vrienden,” sprak Van Nerekool tot Murowsky en Grenits, „onze tocht zal eenige uren -uitgesteld dienen te worden. Onder de gegeven omstandigheden moet ik noodzakelijk -mevrouw Steenvlak spreken. Hoever is Karang Anjer hier van daan, kapitein?” -</p> -<p>„Zes palen, mijnheer Van Nerekool.” -</p> -<p>„Nog zoo ver? Zou er mogelijkheid bestaan, dat ik een paard zou kunnen bekomen?” -</p> -<p>„Gij kunt het mijne krijgen,” sprak de kapitein. „Wat is uw voornemen?” -</p> -<p>„Ik wenschte dadelijk naar Karang Anjer te kunnen rijden. Het is nu ongeveer zeven -uur. Ik kan voor achten daar zijn. Morgen ochtend met het krieken van den dag begeef -ik mij weer op weg, en ben dan omstreeks zes uren hier, om den tocht naar Karang Bollong -te vervolgen. Wees gerust, kapitein, ik zal uw paard goed verzorgen.” -</p> -<p>„O, daar twijfel ik niet aan,” antwoordde de kommandant. „Bij de Steenvlaks vindt -het een goeden stal.” -</p> -<p>En opstaande, ging hij naar achteren om bevelen tot opzadelen te geven. -</p> -<p>„Juffrouw Van Gulpendam heeft bij de Steenvlaks gelogeerd,” sprak de vrouw des huizes, -ietwat nieuwsgierig omtrent dat overhaaste vertrek van Van Nerekool naar Karang Anjer. -<span class="pageNum" id="pb2.274">[<a href="#pb2.274">274</a>]</span></p> -<p>„Juist, mevrouw,” antwoordde Murowsky. „Misschien weet mevrouw Steenvlak, waar dat -jonge meisje is, dan kan zij op den ramp, die haar treft, voorbereid worden.” -</p> -<p>Grenits vroeg intusschen aan Van Nerekool, wat hij van plan was te doen. -</p> -<p>„Zij zal mij thans niet weigeren een brief voor Anna mede te geven. In zulke omstandigheden -kan de raad van eene beproefde vriendin veelvermogend zijn. Keurt gij mijn pogen niet -goed?” -</p> -<p>Theodoor knikte bevestigend, en drukte zijn vriend de hand. -</p> -<p>Tien minuten later zat Van Nerekool in het zadel, en joeg spoorslags den weg naar -Karang Anjer op, waar de familie Steenvlak evenwel met de gruwzame gebeurtenis in -de residentie Santjoemeh reeds bekend was. De assistent-resident had ook een telegram -ontvangen. -<span class="pageNum" id="pb2.275">[<a href="#pb2.275">275</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e13139"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13139src">1</a></span> <i>Kjahi</i> is een titel, <i>Wångså</i> een naam. <a class="fnarrow" href="#xd30e13139src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13165"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13165src">2</a></span> <i lang="ms">Tangkap koepoe koepoe. Poeah!</i> In den regel is de Inlander bang voor kapellen. Zelfs zijn er vele blanke dames, -op Java geboren, die de fraaiste kapel voor niets ter wereld zouden willen aanraken. -<span class="pageNum" id="pb2.269n">[<a href="#pb2.269n">269</a>]</span>Velen beweren, dat het stuifmeel der vleugels hevige jeukingen doet ontstaan; anderen -zijn overtuigd, dat daardoor melaatschheid (lepra) veroorzaakt wordt. <a class="fnarrow" href="#xd30e13165src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13234"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13234src">3</a></span> <i>Wong spor.</i> Lieden van het spoor. De spoorweg van Djokdjokarta naar Tjifatjap was in aanleg. <a class="fnarrow" href="#xd30e13234src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13238"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13238src">4</a></span> <i>Oelor welang.</i> Een der gevaarlijkste slangensoorten, die op Java aangetroffen worden. Haar beet -veroorzaakt binnen weinige uren den dood. <a class="fnarrow" href="#xd30e13238src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch41" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e998">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XLI.</h2> -<h2 class="main">De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">De noodlottige tijding was maar al te waar! -</p> -<p>Toen de familie Van Gulpendam te Soeka maniesan aankwam, kon de eigenaar dier suikerfabriek -niet anders verklaren, dan dat in den laatsten tijd geen spoor van agitatie te bemerken -was; dat hij meermalen de plek in het naburige bosch, waar vroeger samenscholingen -zouden plaats hebben gehad, had laten bespieden, zonder dat evenwel daar iemand ontmoet -was geworden; zoodat hij tot de meening was gekomen, òf dat hij verkeerd was ingelicht -geweest, òf dat de bijeenkomsten thans op eene andere plaats gehouden werden. -</p> -<p>Van Gulpendam liet den assistent-resident, die aan het hoofd der afdeeling stond, -waarin Soeka maniesan gelegen was, ontbieden, zoo ook den regent en de wedono’s in -die afdeeling, maar vernam niets onrustbarends. Integendeel, die ambtenaren betuigden, -dat de streek de meest gewenschte rust genoot; hoewel de regent daarbij niet ontveinsde, -dat er wel armoede heerschte. -</p> -<p>„En wat is de oorzaak van die armoede, Radhen Adipattih?<a class="noteRef" id="xd30e13307src" href="#xd30e13307">1</a><span class="corr" title="Niet in bron">”</span> had de resident gevraagd. -</p> -<p><span id="xd30e13313"></span>Het Javaansche hoofd krabte zich achter het oor. Hij had wel willen vrijgesteld zijn -van het beantwoorden van die vraag. Toen het antwoord zich wachten liet, vroeg Van -Gulpendam: -</p> -<p>„Wordt de bevolking door de landheeren der omliggende <span class="pageNum" id="pb2.276">[<a href="#pb2.276">276</a>]</span>fabrieken behoorlijk voor haren arbeid uitbetaald?” -</p> -<p>„O, ja, Kandjeng toean.” -</p> -<p>„Is de rijstoogst mislukt, of heeft die soms minder opgebracht, dan waarop gerekend -werd?” -</p> -<p>„Neen, Kandjeng toean. De oogst is zelfs zeer overvloedig geweest; de landbouwers -hebben vele „gedengs” (bossen) paddie in de „loemboeng” (schuur) kunnen binnenbrengen.” -</p> -<p>„Maar, waaruit ontspruit dan toch die armoede, Radhen Adipattih?” -</p> -<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean,” antwoordde het Javaansche hoofd met een zucht. -</p> -<p>Hij wist het wel; maar durfde er niet voor uitkomen, overtuigd als hij was, dat hij, -wanneer hij de waarheid onthulde, de gramschap van den resident zoude opwekken. Hij -wist, dat de loemboengs leêg waren. Ja, de oogst was overvloedig geweest; maar de -paddie was niet in de schuren terechtgekomen. De Javaan is een groot kind. Zijn oogst -was verkwanseld geworden, terwijl hij nog te velde stond. Om wat geld in handen te -hebben, was zijne rijst, alvorens zij rijp was, in handen van Chineesche opkoopers -overgegaan. En dat geld had zijn weg gevonden naar de opiumkit, naar het speelhol, -naar het pandjeshuis, naar de lade van die Heilige Drieëenheid, die tot grondslag -van de Nederlandsche inkomsten strekken. Neen, de regent durfde zijn gedachten niet -openbaren. Hij sloeg een bedeesden blik op het groote kruis, dat op de borst van den -resident prijkte, en herhaalde met een zucht: -</p> -<p>„Ik weet het niet, Kandjeng toean.” -</p> -<p>Na dat alles gehoord te hebben, verklaarde Van Gulpendam geen andere kamers te willen -betrekken dan in de bijgebouwen; hij zou zich volgaarne vergenoegen met de gewone -logeerkamers<a class="noteRef" id="xd30e13329src" href="#xd30e13329">2</a> van de fabriek. -</p> -<p>„Maar, resident,” antwoordde de fabrikant, „uwe vertrekken in het hoofdgebouw zijn -klaar.” -<span class="pageNum" id="pb2.277">[<a href="#pb2.277">277</a>]</span></p> -<p>„Daar wil ik niets van weten, waarde heer,” hernam Van Gulpendam; „ik wil u bewijzen, -dat ik de toestanden hier geheel en al vertrouw, en dat ik daar buiten even gerust -zal slapen als in uw hoofdgebouw.” -</p> -<p>Van dat voornemen was hij niet af te brengen geweest. En, inderdaad, hij scheen gelijk -te hebben. De berichten, die van allerwegen binnenkwamen, waren van zoo’n geruststellenden -aard, dat de eigenaar van de fabriek „Soeka maniesan” tot de meening begon over te -hellen, dat hij misleid was. De eerste nacht, dien de familie Van Gulpendam in hare -vertrekken doorbracht, ging dan ook ongestoord voorbij, en genoten de echtelingen -een heerlijke rust. -</p> -<p>De daaropvolgende dag werd gesleten met eene nauwkeurige bezichtiging van de suikerfabriek, -die evenwel op het punt was hare jaarlijksche campagne te sluiten, daar de maaltijd -op zijn eind liep. In den namiddag werd eene verkwikkende wandeling ondernomen, waarbij -het residentspaar getroffen werd door de hulde-bewijzen, die het vanwege de ontmoet -wordende Inlanders ontving. Niet dat het daar niet aan gewoon was; het tegendeel kon -beweerd worden. Steeds had Van Gulpendam, zelfs toen hij nog controleur was, stipt -en streng geëischt, dat terwijl hij in de binnenlanden vertoefde, ieder Javaan, die -hem ontmoette, moest hurken en zijn „sembah” brengen, dat iedere vrouw het gelaat -moest afwenden<a class="noteRef" id="xd30e13340src" href="#xd30e13340">3</a>. Maar, hier geschiedde dat met zulke innige teekenen van schuchterheid, dat die voor -bewijzen van diep ontzag en van eerbied door het ijdele paar opgenomen werden. Neen, -hier in deze streken was niets te vreezen. Zooveel kennis van het Javaansche karakter -meende Van Gulpendam wel opgedaan te hebben. -</p> -<p>Ook de avonduren werden prettig doorgebracht. De eigenaar van Soeka maniesan had eenige -familiën van de rondom liggende ondernemingen uitgenoodigd, waaraan <span class="pageNum" id="pb2.278">[<a href="#pb2.278">278</a>]</span>allen als om strijd voldaan hadden. De heeren en ook sommige dames maakten een gezellig -partijtje; terwijl anderen zich met muziek maken onledig hielden. Zweefden ook al -eenige onprettige gedachten door het brein van den resident, terwijl hij daar in de -voorgalerij van de fraaie heerenwoning aan het ombertafeltje zat, zoo werden die geheel -verdreven door de rustige omgeving, welke het geheele landschap, hetwelk zich daar -voor hem uitspreidde, kenmerkte. De maan stond hoog aan den hemel, en overgoot alles -met haar liefelijk licht. Een zacht windje ritselde door het loof der fraaie schaduwboomen, -die het geheele gebouw omgaven. Alles ademde de grootst mogelijke kalmte, die in een -tropisch gewest zooveel kan bijbrengen, om de avonduren zoo genotrijk mogelijk te -maken. Zoo streek de avond uiterst genoegelijk voorbij, en sloeg het middernachtuur, -alvorens de rijtuigen voorkwamen, die de gasten huiswaarts moesten brengen. -</p> -<p>Toen die vertrokken waren en de bewoners van Soeka maniesan zich ter ruste wilden -leggen, kwam een der „mandoors” (opzieners) der fabriek rapporteeren, dat men eene -gedaante achter de tuinomheining had zien sluipen. -</p> -<p>„Waarschijnlijk een dief,” sprak de man onverschillig, alsof dat eene niet ongewone -gebeurtenis was. -</p> -<p>„Kom, wij zullen eene ronde maken,” sprak de eigenaar, terwijl hij een geweer greep, -en een tweede den resident aanbood, hetwelk deze met een gebaar weigerde. -</p> -<p>Hij en Van Gulpendam, vergezeld van den opziener, stapten naar buiten, terwijl de -dames zich naar hunne slaapvertrekken begaven. Zooals gezegd is, was het zacht en -kalm weêr. De beide blanken wandelden rond, maar bespeurden niets verdachts. Door -de frissche nachtlucht verlokt, strekten zij hunne wandeling verder uit, dan oorspronkelijk -hun plan was geweest. Zij waren naar buiten getreden, en wandelden nu in een paar -rietvelden rond, die aan het erf der fabriek paalden, en waarvan de rietstekken gedeeltelijk -geoogst waren. Het gekapte riet was reeds naar de fabriek vervoerd; maar over een -groote uitgestrektheid stonden de stengels nog overeind en wachtten op de hand der -arbeiders. Op de ontruimde gedeelten van de velden lagen hier en daar groote hoopen -„dagoe” (droge bladeren), die van de geoogste stengels afgesneden en bestemd waren, -om ook naar de fabriek <span class="pageNum" id="pb2.279">[<a href="#pb2.279">279</a>]</span>vervoerd te worden; ten einde daar als brandstof gebezigd te worden. De eigenaar van -Soeka maniesan was een degelijk suikerfabrikant, een geleerde met betrekking tot zijn -vak in den volsten zin des woords. Van Gulpendam was door zijne betrekking van ambtenaar -bij het Binnenlandsch Bestuur jarenlang met de suikerindustrie op Java in aanraking -geweest; zoodat het gesprek tusschen die twee mannen niet behoefde te kwijnen. Gevolgd -door den opziener, wandelden de beide heeren voort, en onderhielden zich over de verschillende -rietsoorten, die aangeplant werden. Van Gulpendam meende, dat de „teboe-njamploong” -het meeste suikergehalte bevatte; de andere verklaarde, dat de ondervinding hem geleerd -had, dat zulks met de teboe-itam<a class="noteRef" id="xd30e13359src" href="#xd30e13359">4</a> het geval was. Beiden bleven op hun stuk staan, en de discussie daaromtrent werd -vrij levendig; toen plotseling een gil weerklonk, en een aantal mannen, met knuppels -gewapend, en met zwart gemaakte gezichten, van achter de hoopen dadoe te voorschijn -sprongen, en recht op de wandelenden <span class="corr" id="xd30e13365" title="Bron: losprongen">lossprongen</span>. Het drietal, onthutst door die plotselinge verschijning, zette het op een loopen; -maar nog hadden zij slechts weinige passen gedaan, of de vluggere Javanen hadden althans -den eigenaar van de fabriek ingehaald, dien zij met een knuppelslag op het hoofd deden -neêrtuimelen, alvorens hij zijn geweer in den aanslag had kunnen brengen. Op het erf -werd de resident ingehaald, maar in stede van neêrgehouwen te worden, werd hij gegrepen, -op den grond geworpen en zwaar gekneveld. Waar de mandoor gebleven was, dat mocht -een raadsel heeten. Wellicht had die zich laten vallen, en had zich achter een hoop -bladeren of achter een struik verstopt. Terwijl Van Gulpendam gebonden werd, kon hij -nog zien, hoe een twaalftal mannen op het vleugelgebouw aanvlogen, waar de slaapkamer -van zijne echtgenoote aangetroffen werd. Hij wilde hulp roepen; maar eene machtige -vuist drong hem een prop, van een oud vod gemaakt, in den mond. Hij zag, hoe de aanvallers -<span class="pageNum" id="pb2.280">[<a href="#pb2.280">280</a>]</span>de deur poogden te openen, en hoe zij haar met hunne knodsen uit hare hengsels sloegen, -toen zij haar gesloten vonden. Hij zag de bende naar binnen stormen. Een akelig gejammer -steeg op, dat door een vreeselijken gil afgebroken werd, waarna niets meer vernomen -werd. -</p> -<p>Dat alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat slechts het openrameien dier slaapkamerdeur -de bewoners van het hoofdgebouw, of de weinige arbeiders, die bij de stoomwerktuigen -in de fabriek de wacht hadden, deed opschrikken. Voor dat iemand verscheen, die tot -redding zou hebben kunnen bijdragen, kwamen de aanvallers bij hunne makkers terug, -die Van Gulpendam bewaakten, terwijl een hunner zonder zijne stem te omzwachtelen, -zeide: -</p> -<p>„Kom, pak op! Ginds in het rietveld staan de paarden.” -</p> -<p>„Njonja mattie?” (is de mevrouw dood) vroeg een hunner doodbedaard. -</p> -<p>„Mattie!” (dood) was het antwoord, waarbij evenwel de stem van den spreker van wraakzucht -trilde. „Kom, vooruit! pak dat blanke zwijn op, of wij krijgen de werklieden der fabriek -op het lijf. Ik zou dien hond dan moeten krissen. En dat zou jammer zijn.” -</p> -<p>Een paar bamboestaken werden tusschen de gebonden armen en beenen van Van Gulpendam -gestoken. -</p> -<p>„Ik ben de Kandjeng toean resident!” trachtte hij uit te brengen. -</p> -<p>Of hij verstaan werd, viel te betwijfelen. De eenige uitwerking van zijn gemompel -was, dat hem een vuistslag op den mond toegediend werd, die den prop nog dieper in -de mondholte deed dringen. -</p> -<p>„Eoh, angkat!” (Kom, pak op) werd het bevel herhaald. -</p> -<p>Een viertal Javanen tilden de bamboestaken op hunne schouders, en draafden met hunnen -last weg. Met doffe stem kreunde de lijder onder die behandeling; maar dat werd niet -gehoord, en hoorde het ook al iemand, dan werd er volstrekt geen acht op geslagen. -</p> -<p>Op korten afstand van het erf stonden een zestal gezadelde paarden. Op een daarvan -werd Van Gulpendam stevig gebonden. Toen dat geschied was, werden de andere paarden -bestegen en voort ging het. -</p> -<p>„Ka djaga monjet!” riep een der ruiters tot de achterblijvenden. -</p> -<p>„Engèh! Engèh!” kreten de overigen. -<span class="pageNum" id="pb2.281">[<a href="#pb2.281">281</a>]</span></p> -<p>Zoodra de ruiters in het nachtelijk duister verdwenen waren, staken de overige aanvallers -het vuur in de rietvelden. De vlammen sloegen weldra ten hemel en loeiden vreeselijk, -waarbij zich het knappen van het riet mengde. Terwijl een ieder hunner zich daarna -uit de voeten maakte, begonnen de alarmtonen van de „tongtong” in de nabijheid van -de fabriek te weêrklinken. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Terwijl die oplichting te Soeka maniesan volvoerd werd, geschiedde er op hetzelfde -oogenblik eene tweede, die met even gunstigen uitslag bekroond werd. -</p> -<p>Op een afstand van ongeveer zes palen van de hoofdplaats Santjoemeh lag een vreemdsoortig -gebouw in de plooien van het oploopend terrein alleraangenaamst verscholen. Ware het -van Italiaansche of Zwitsersche bouworde geweest, dan zou men het eene villa of een -chalet hebben kunnen noemen. Maar èn nok èn kanteelen èn deuren èn ramen gaven zoo -duidelijk den Mongoolschen bouwtrant aan, dat zich daarin niet te vergissen viel. -Het was dan ook een Chineesch lusthuis, hetwelk zich daar verhief, en eerst sedert -weinige weken in eigendom op Lim Ho, den zoon van den opiumpachter van Santjoemeh -overgegaan was. -</p> -<p>Had iemand ooit gehoopt, dat die babah, na zijn huwelijk, tot een meer geregelde levenswijze -zoude teruggekeerd zijn, diens waan zou hem spoedig ontnomen zijn, wanneer hij een -bezoek aan bedoeld lusthuis zoude gebracht hebben, en daarin ontvangen zoude zijn. -Dat eenzaam gelegen gebouw was bestemd om de slachtoffers van de hartstochten van -den Chinees op te nemen, en haren val mogelijk te maken. De vertrekken daarvan waren -weelderig op Aziatische wijze gemeubeld. De heerlijkste divans werden in alle kamers -aangetroffen; terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, -zelfs van pornografische strekking, versierd waren.<a class="noteRef" id="xd30e13393src" href="#xd30e13393">5</a> -<span class="pageNum" id="pb2.282">[<a href="#pb2.282">282</a>]</span></p> -<p>In denzelfden nacht toen Soeka maniesan, door eene bende ketjoe’s aangetast was, werd -ook dat Chineesche lusthuis overrompeld. Hier gelukte de onderneming nog gemakkelijker -dan bij de suikerfabriek. Lim Ho, die met <span class="corr" id="xd30e13400" title="Bron: mitsdadige">misdadige</span> oogmerken het echtelijk dak verlaten had, en ongeduldig de prooi zat af te wachten, -die zijne driften gaande gemaakt had, en hem toegevoerd zoude worden, was slechts -van een paar Chineesche dienstbaren vergezeld, die geen weerstand zouden en ook niet -konden bieden. Omstreeks middernacht werd aan de deur geklopt. De babah, overspannen -van het wachten, en, in de meening dat ’t het slachtoffer was, beval te openen. Toen -het slot evenwel omgedraaid en de grendel afgeschoven was, drongen een zestal zwaar -gewapende en zwart gemaakte mannen naar binnen. Lim Ho, den lafhartigen aard van zijn -ras getrouw, verbleekte, en dacht er niet aan, zich te weêr te stellen. Fluks keek -hij in het rond, of er geen uitweg bestond, om te kunnen ontvluchten; maar toen hij -de beide deuren van het vertrek, waarin hij zich bevond, door de aanvallers bezet -zag, poogde hij in zijn lafhartige vrees onder een der divans te kruipen. Hij werd -evenwel gegrepen, in een oogwenk gekneveld, op een paard gebonden en weggevoerd. -</p> -<p>Hier, evenals te Soeka maniesan, hadden de aanvallers alles onaangeroerd gelaten. -Zij hadden niets van de kostbaarheden aangeraakt; maar zich bepaald tot den moord -op mevrouw Van Gulpendam en de ontvoering van den resident en van den pachterszoon. -Dat de eigenaar van de suikerfabriek een slag op het hoofd had ontvangen, was volstrekt -niet geschied uit zucht om baldadigheid te plegen. Die man zou toch de fabriekswerklieden -hebben kunnen wekken, om zich aan hun hoofd ter vervolging te stellen. Dat mocht niet! -De slag was evenwel niet gevaarlijk geweest. Toen men de eerste ontsteltenis over -den gepleegden moord op mevrouw Van Gulpendam te boven was gekomen en men uittrok, -om den brand in de rietvelden te blusschen, vond men den eigenaar van Soeka maniesan -even buiten de omheining van het erf. Aanvankelijk dacht men, dat ook hij dood was, -daar hij nog steeds bewusteloos was. Toen hij evenwel binnen de woning gebracht was, -bespeurde zijne echtgenoote al ras, dat haar man niet gewond was en nog teekenen van -leven gaf. In allerijl <span class="pageNum" id="pb2.283">[<a href="#pb2.283">283</a>]</span>werden pogingen aangewend, om hem tot bewustzijn te brengen, wat evenwel eerst laat -slaagde. De dag was reeds aangebroken, toen de politie op Soeka maniesan verscheen. -Er viel niets anders te doen, dan den moord en de ontvoering te constateeren. IJverig -werd onderzocht, het geheele fabriekspersoneel werd ten scherpste ondervraagd; maar -zonder eenig licht te verspreiden omtrent het lot van den resident Van Gulpendam. -Dicht bij de afgebrande rietvelden werden sporen van paarden ontdekt, maar dat gaf -niets; want door de geheerscht hebbende droogte, waren die spoedig door den morgenwind -met eene stoflaag overdekt, zoodat niet eens te ontdekken was, waarheen de ruiters -zich gewend hadden. De suikerfabrikant wist niets anders mede te deelen, dan dat hij -eensklaps een troep zwartgemaakte kerels had te voorschijn zien springen, dat hij -had willen vluchten, maar ingehaald was geworden, en daarbij een slag op het hoofd -had gekregen, die hem bewusteloos had doen neêrstorten. Wat daarna gebeurd was, wist -hij natuurlijk niet. De verklaring van den mandoor was nog onbeduidender als het kon. -Deze zeide, zich dadelijk bij het verschijnen der zwarte mannen in een grooten hoop -dadoe verstopt te hebben, en daaruit eerst te voorschijn te zijn gekropen, toen het -rietveld in brand geraakte, en hij beducht was, dat zijne schuilplaats ook door de -vlammen aangetast kon worden. En in dien bladerenhoop had hij niets kunnen zien, niets -kunnen waarnemen. -</p> -<p>Waar moest men den resident Van Gulpendam zoeken? Waarlijk, de politie was ten einde -raad! De geheele residentie Santjoemeh was in spanning en vol afgrijzen bij de gedachte -aan het vermoedelijk lot, dat het hoofd van gewestelijk bestuur getroffen kon hebben. -Maar, wat men ook deed, of hoe men ook zocht, er werd geen meerder licht verspreid, -totdat een visscher, die, met zijne schuit de <span class="corr" id="xd30e13409" title="Bron: Moera">Moeara</span> Tjatjing willende instevenen, buiten de branding het naakte lijk van een Europeaan -aantrof, dat in zijn prauw opnam, en bij den loerah van Kaligaweh, de meest nabijzijnde -dèsa aanbracht. Had de eenvoudige Javaan geweten, dat dit het lijk van den Kandjeng -toean was, dan zou hij waarschijnlijk het hoofd afgewend hebben en tot zijne visschersgezellen -gepreveld hebben: -</p> -<p>„Laat Allah’s gerechtigheid onaangeroerd voorbijdrijven!” -<span class="pageNum" id="pb2.284">[<a href="#pb2.284">284</a>]</span></p> -<p>Als hij had kunnen gissen, welke bron van moeielijkheden en onaangenaamheden hij voor -zich zelven opende, dan zou hij zich wel gewacht hebben, dat lijk aan te raken. De -boeaja’s (kaaimannen) zouden wel voor de verdere begrafenis gezorgd hebben. -</p> -<p>Nu begon de loerah met hem in verzekerde bewaring te nemen, en werd hij ontelbare -malen verhoord door den wedono, door den pattih, door den regent, door den controleur, -door den assistent-resident van politie, door den rechter van instructie. Al die autoriteiten -meenden in hem den draad van het geheimzinnig drama in handen te hebben, en martelden -den armen drommel, die, ten einde raad, eindelijk verklaarde: „poessing kapala” (ijlhoofdig) -en „bingoeng” (verward van denkbeelden) te zijn. -</p> -<p>Het gevonden lijk werd voor dat van den resident herkend. Twijfel was niet geoorloofd -geweest. Het gelaat was nagenoeg ongeschonden. Die deelen van het lichaam evenwel, -die door de zeemonsters gespaard werden, waren uitermate opgezwollen en ontstoken -bevonden en was het blijkbaar, dat de overledene een vreeselijken marteldood gestorven -was, hoewel niet kon geconstateerd worden, dat eenig scherp voorwerp aangewend was -geworden, om hem van het leven te berooven. -</p> -<p>Wat was er met hem gebeurd? -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>„Ka djaga monjet!” had het bevel van den ketjoe-aanvoerder geluid. -</p> -<p>En, inderdaad, het was naar de strandhut aan de Moeara Tjatjing, waarmede de lezer -in de eerste hoofdstukken kennis maakte, dat de ruiterbende in woesten ren heenijlde. -Zorgvuldig werden de dèsa’s vermeden, die men langs paden omtrok; hier en daar werd -ook eene gardoe geschuwd, welker wachthebbenden men meende niet te kunnen vertrouwen. -Maar ongestoord werd de tocht voortgezet, en de dageraad brak aan, toen het wortelboombosch -bereikt werd, waarin de djaga monjet gelegen was. -</p> -<p>Toen Van Gulpendam, steeds zwaar gekneveld, die hut binnengedragen werd, was Lim Ho -daar reeds aangebracht en lag, aan handen en voeten gebonden, op den vloer uitgestrekt. -Op een teeken van den aanvoerder, een lange, slanke Javaan, werden de boeien van beiden -geslaakt, en den prop uit hun mond verwijderd. Rondom hen stonden <span class="pageNum" id="pb2.285">[<a href="#pb2.285">285</a>]</span>een twintigtal Javanen, allen onkenbaar gemaakt. De Chinees hield zich stil, en was -van angst als vernietigd. De blanke, toen hij zich vrij in het gebruik zijner ledematen -gevoelde, rekte zich uit en begon op een toon van trotsche hooghartigheid: -</p> -<p>„Weet gij wel, dat ik de Kandjeng toean resident ben?” -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean,” antwoordde de aanvoerder met eene stem, die van gemaakte -onderdanigheid getuigde. -</p> -<p>„Dezer dagen werd ik nog door den Kandjeng toean Radja met de bewijzen van de hoogste -gunst vereerd,” ging Van Gulpendam voort, op zijne Leeuwenorde wijzende, die nog in -groot formaat op zijnen lichtblauwen residents-rok bengelde. -</p> -<p>„Engèh, Kandjeng toean,” klonk het antwoord; terwijl allen den sembah ten teeken van -eerbied maakten. -</p> -<p>„Kandjeng Gouvernement zal u vreeselijk straffen, wanneer mij een haar op het hoofd -gekrenkt wordt!” -</p> -<p>Een hoongelach begroette die woorden. Twintig handen grepen naar het gevest hunner -krissen. De aanvoerder maakte een teeken. Allen waren weer stom. -</p> -<p>„Alvorens Kandjeng Gouvernement zal kunnen straffen,” sprak de Javaan, „zult gij beiden -dood zijn.” -</p> -<p>„Dood!” riep Lim Ho in den grootsten angst uit. -</p> -<p>„Dood!” herhaalde Van Gulpendam. „Dat zult gij niet! Mijn dood zou vreeselijk gewroken -worden!” -</p> -<p>„Gijlieden zijt den dood schuldig,” antwoordde de aanvoerder bedaard. „Dat vonnis, -wat wij uitgesproken hebben, zal volbracht worden;… daarna kan men met ons doen wat -men wil,… als men ons ten minste in handen krijgt.” -</p> -<p>„Maar, wat heb ik gedaan?” vroeg Lim Ho in de grootste wanhoop. -</p> -<p>„Wat gij gedaan hebt? Gij hebt een man, die u niets anders misdaan had, dan dat hij -zijne vrouw wilde maken van het meisje, waar gij het wellustige oog op geworpen hadt, -hier bij deze hut, de folterendste mishandeling doen ondergaan! Wat gij gedaan hebt? -Gij hebt datzelfde meisje met behulp van de njonja van dien ellendeling daar, met -list in uwe macht weten te krijgen, om, nadat gij uwe vuige lusten op haar botgevierd -hadt, haar van opiumsmokkel te laten aanklagen!” -</p> -<p>Lim Ho’s gelaat werd aschgrauw van angst en ontzetting, toen hij die woorden vernam. -Hij begon te begrijpen, <span class="pageNum" id="pb2.286">[<a href="#pb2.286">286</a>]</span>in wiens handen hij zich bevond. Van Gulpendam meende nog steeds hooghartigheid tegenover -die dreigende bende te moeten aan den dag leggen. Hij kon nog maar niet begrijpen, -dat die Javanen de hand aan hem<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> den Kandjeng toean<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> zouden durven slaan. Hij meende evenwel die bende eenigszins naar den mond te moeten -spreken. -</p> -<p>„Als het waar is, wat gij daar zegt,” wendde hij zich tot het opperhoofd, „dan is -Lim Ho ongetwijfeld zeer schuldig en zal ik zeker alles doen, om hem zijn straf te -doen geworden; maar wat heb ik gedaan?” -</p> -<p>„Gij, gij, Kandjeng toean,” hernam de aanvoerder heftig en met sissende stem, „gij -hebt de misdaden van dien Chineeschen hond mogelijk gemaakt! Gij hebt den man, waarvan -ik straks sprak, in de gevangenis laten werpen, gij zelf hebt hem tot een gruwelijke -straf veroordeeld; terwijl gij wist, dat hij onschuldig was, alleen om den opiumsmokkelhandel -van dien schavuit te bemantelen! Gij hebt den opiumpachter een middel aan de hand -gedaan, om den vader van de verloofde van dien onschuldig veroordeelde in de onmogelijkheid -te stellen, zijn kind te verdedigen bij den aanslag, die Lim Ho voornemens was op -haar te ondernemen! Vraagt gij nog, wat gij gedaan hebt! Gij en uwe vrouw zijt daar -schuldig aan! Gij en uwe vrouw zijt den dood schuldig! Het vonnis is reeds gedeeltelijk -voltrokken; het zal ook verder zijn voortgang hebben!” -</p> -<p>„Wa … wat? gedeeltelijk voltrokken.…” kreet de resident. „Mijne vrouw …?” -</p> -<p>„Zeg aan den Kandjeng toean, wat er met de njonja gebeurde,” wendde de aanvoerder -zich tot een van zijn gevolg. -</p> -<p>„Njonja mampoes!” was het korte antwoord. -</p> -<p>„Ja, de njonja is dood!” riep de aanvoerder woest uit. „Wij zijn haar genadig geweest, -een enkele steek maakte een einde aan haar gevloekt leven. Zie hier op deze kris, -die vlekken werden veroorzaakt door haar bloed!” -</p> -<p>„Die gil, dien ik dus gehoord heb.…” -</p> -<p>„Was haar laatste geluid op deze aarde.… Maar …” ging de Javaan, ontembaar hartstochtelijk -voort: „Denk niet, dat wij zoo met u zullen omspringen. Met eene vrouw konden wij -kassian hebben! Gij, gij evenwel zult lijden! Gij zult lijden voor de martelingen, -die gij anderen aangedaan hebt!” -<span class="pageNum" id="pb2.287">[<a href="#pb2.287">287</a>]</span></p> -<p>„Vrees echter de bestraffende hand van de Nederlanders. Die zullen mij weten te wreken!” -</p> -<p>„Om gerechtigheid op u uit te oefenen, trotseer ik alles!” -</p> -<p>„Gerechtigheid uitoefenen!… Wie zijt gij dan, die beweert gerechtigheid te willen -uitoefenen door moord en doodslag? Zeg, wie zijt gij?” -</p> -<p>„Wie ik ben?… Hebt gij dat niet reeds geraden? Is geen enkel beeld van allen, die -onder uw wanbestuur te gronde gingen, voor uwe misdadige ziel verschenen?… Wie ik -ben?… Gij zult het weten!” -</p> -<p>In een hoek van het vertrek stond een koelvat met water. De Javaan greep den gevulden -klapperdop, die er bij behoorde en wiesch zich het gelaat af. -</p> -<p>„Herkent gij mij nu?” vroeg hij, terwijl hij zich in zijne volle lengte voor de beide -gevangenen ophief. -</p> -<p>„Ardjan!” kreet Lim Ho ontzet. -</p> -<p>„Ardjan!” herhaalde van Gulpendam niet minder verschrikt. -</p> -<p>Beiden begrepen nu, dat zij een vreeselijken dood te gemoet gingen. De te vereffenen -rekening was verschrikkelijk. -</p> -<p>„Genade! Heb medelijden met ons!” kreten beiden; terwijl ze nederknielden en klappertandend -het hoofd op den bodem bogen. -</p> -<p>„Medelijden!” kreet de aanvoerder schier gillend. „Hebt gij medelijden met Dalima -en den ouden Setrosmito gehad? Zeg!… Hebt gij medelijden met mij en mijn vader gehad?… -Spreek dan toch!… Dalima geschandvlekt, en ik en mijn vader maanden lang in de gevangenis -opgesloten, om ten slotte door u, door uzelven voor een lange reeks van jaren tot -dwangarbeid veroordeeld te worden!… En ik zou medelijden met u hebben?… Ha! ha!… Dan -was ik wel de grootste „bodohk” (domkop) der geheele wereld!… Daarenboven … zeg … -wat zoudt gij doen, wanneer ik medelijden gevoelde, en ik u vrijliet? Zeg, gij Kandjeng -toean, wat zoudt gij doen?” -</p> -<p>Die laatste woorden waren met zachtere stem uitgesproken. De aanvoerder scheen na -te denken en te aarzelen. De blanke aterling meende daar een sprankje hoop te ontwaren. -Bibberend van angst klemde hij zich aan dien stroohalm vast. Hij richtte zich op zijn -wankelende knieën <span class="pageNum" id="pb2.288">[<a href="#pb2.288">288</a>]</span>overeind, en handenwringende sprak hij, terwijl dikke tranen hem over de wangen biggelden: -</p> -<p>„O, vrees niets!… Ik zal alles vergeven … Ik zal Kandjeng Gouvernement smeeken ook -zoo te doen, en de groote Heer te Batavia zal mij verhooren … Al het onrecht, dat -gepleegd is, zal hersteld worden … Ik zal zelfs zorgen, dat gij een ruime schadeloosstelling -zult erlangen … Ik zal ze u zelfs uit eigen middelen betalen. Geloof mij, al wat gebeurd -is, zal gebeterd worden.…” -</p> -<p>„Ook de schending van Dalima?” liet zich eene rauwe stem achter den aanvoerder hooren. -„De blanken meenen almachtig te zijn, of zij zien ons Javanen al voor zeer onnoozel -aan!” -</p> -<p>Die woorden wekten Ardjan uit den aanval van verweekelijking op, die hem scheen overmeesterd -te hebben en hem als het ware in boeien geklonken hield. Hij schudde het hoofd, alsof -hij eene onwelkome gedachte wilde verdrijven. Bij die beweging ging zijn hoofddoek -los en zwierden hem de lange haren woest en wild over de schouders en den rug. -</p> -<p>„Neen, geen genade, geen medelijden!” riep hij uit. „Nu gij daar in mijne macht zijt, -kruipt gij aan mijne voeten, laf en ellendig als het vreesachtigste dier. Hebt gij -ooit een Javaan zoo walgelijk lafhartig zien handelen, al gold het ook zijn leven? -Gij hebt er genoeg naar de galg gezonden, om te weten, hoe geheel anders dan de blanken, -de bruine menschen weten te sterven. Medelijden!… Ha, ha, ha!… Thans doet gij beloften, -en … wie weet, in uwe ziel berekent gij reeds, hoe gij die zult kunnen verkrachten! -Beloften van een blanke!… Ha, ha, ha! Alsof wij de waarde daarvan niet kennen … Wanneer -heeft ooit een blanke zijn woord tegenover ons Javanen gehouden? Wanneer …” -</p> -<p>Een zijner makkers fluisterde Ardjan iets in het oor. -</p> -<p>„Gij hebt gelijk, laten wij het kort maken. Neen, geen medelijden! Integendeel, een -wreeden dood! Ik had u den meest gruwzamen, de „hoekoem madoe”<a class="noteRef" id="xd30e13485src" href="#xd30e13485">6</a> toegedacht …” -<span class="pageNum" id="pb2.289">[<a href="#pb2.289">289</a>]</span></p> -<p>Lim Ho slaakte een kreet van ontzetting bij die woorden. -</p> -<p>„Ampoen! Ampoen!” huilde hij. -</p> -<p>„.… maar die duurt te lang,” vervolgde Ardjan onverstoorbaar kalm. „Wij zouden, voor -dat gijlieden dood waart, overvallen kunnen worden, en dat zou jammer zijn. Neen, -daarvan ben ik afgestapt. Gij zult de „hoekoem Kamadoog”<a class="noteRef" id="xd30e13502src" href="#xd30e13502">7</a> ondergaan. Lim Ho, die hebt gij op mij laten toepassen; toen ik niets misdaan had, -en de Kandjeng toean vond goed, die misdaad ongestraft te laten. Gijlieden zult niet -kunnen zeggen, dat ik wreeder ben dan gij waart.” -</p> -<p>„Kassian! Kassian!” kreten de beide ellendelingen. -</p> -<p>„Neen, geen medelijden!” antwoordde Ardjan. En een teeken aan zijne makkers gevende, -vervolgde hij: „Ontkleedt hen, en brengt hen naar beneden!” -</p> -<p>In een oogwenk was dat bevel volvoerd. De fraaie residentsrok werd Van Gulpendam met -hardhandigen ijver van het lichaam gereten. Pantalon, hemd, enz. volgden aan flarden. -Het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>” lag weldra vertreden onder den voet. Terzelfder tijd onderging de Chinees dezelfde -bewerking, en weldra stonden beiden naakt voor hunne rechters. De handen werden hen -op den rug gebonden, waarna de beide rampzaligen eenvoudig den trap afgesmeten werden. -De aanvoerder herinnerde Lim Ho, hoeveel pret deze, acht maanden geleden, aan den -dag gelegd had, toen Ardjan en de Chineezen Than Khan en Liem King dezelfde buiteling -van boven naar beneden maakten. Fluks waren beiden nu aan de Niboengpalmen gebonden, -die voor de hut stonden, en waaraan de beide genoemde Chineezen en Ardjan gekneveld -geweest waren. -</p> -<p>„De Kandjeng toean aan dien boom daar!” gelastte de Javaan, op den boom, waarmede -hij in herinneringsvolle aanraking geweest was, wijzende. -</p> -<p>„Ampoen! Kassian!” smeekten beide veroordeelden. -<span class="pageNum" id="pb2.290">[<a href="#pb2.290">290</a>]</span></p> -<p>Niemand luisterde naar hen. Toen zij behoorlijk gebonden waren, klonk het bevel: -</p> -<p>„En, nu er op los!” -</p> -<p>Daar traden een viertal mannen vooruit, ieder met een bos van de vreeselijke netels -gewapend. En daar kletterden de slagen folterend op de huid van de twee misdadigers. -Waar de bladeren raakten, kromp het lichaam van pijn weg. -</p> -<p>De Chinees beet zich de lippen ten bloede; maar liet geen kik meer hooren. Aanvankelijk -wilde Van Gulpendam dat voorbeeld volgen; maar de Westerlingen bezitten de taaie zielskracht -der Oosterlingen in gevaarvolle oogenblikken niet. Eerst begon hij te kreunen en te -kermen; daarna weende, huilde, en gilde hij. Niets mocht baten; niets kon zijne beulen -verteederen. -</p> -<p>„Kassian! Ampoen! Saja minta ampoen!” (ik vraag vergeving) kreet hij. -</p> -<p>Op dat gehuil klonk tot antwoord: -</p> -<p>„Dalima! Ardjan! Pak Ardjan! Setrosmito!” -</p> -<p>En in het brein van den ongelukkigen blanke weerklonk nog een naam. Even schrikkelijk, -misschien nog schrikkelijker dan de anderen: -</p> -<p>„Meidema! Meidema!” -</p> -<p>„Ampoen! Kassian!” kreet hij voortdurend. -</p> -<p>Maar zijne stem verzwakte langzamerhand. Eindelijk was zij niet verstaanbaar meer, -en slechts aan een onduidelijk gerochel gelijk. Het regende voortdurend slagen met -de vreeselijke netel. Het hoofd viel ten slotte ter zijde; ten teeken, dat de lijder -alle bewustzijn verloren had. Lim Ho had het geluk gehad reeds vroeger zoo ver gekomen -en dus aan alle lijden onttogen te zijn. Met een van wraakgierigen wellust stralend -gelaat stond Ardjan zijne beide slachtoffers met verslindende blikken aan te staren. -Zijne borst hijgde, zijne ademhaling siste, zijne vuisten balden zich krampachtig, -terwijl de vreeselijke strafoefening volvoerd werd. Hij moest zich inspannen, zich -weêrhouden, om ook niet zoo’n bos Kamadoog-takken te grijpen en mede los te slaan -op de beide aterlingen, die er niet voor teruggedeinsd waren, de een, om hem dezelfde -mishandeling te doen ondergaan, en hem in zijne dierbaarste genegenheid te krenken, -beiden om hem wegens opiumsmokkelarij tot langdurigen dwangarbeid te doen veroordeelen. -<span class="pageNum" id="pb2.291">[<a href="#pb2.291">291</a>]</span>Neen, er was geen greintje mededoogen in zijne ziel voor die mannen, die zijn geheele -bestaan verwoest hadden. Iedere slag deed hem trillen bij de herinnering aan hetgeen -hij onder diezelfde mishandeling geleden had. En, zou er nog plaats voor deernis in -zijn ziel geweest zijn, dan ware zij verstikt geworden door zijn vader, die achter -hem stond en hem aanhoudend slechts een woord in het oor fluisterde: „Dalima! Dalima!” -</p> -<p>De beide lijders hadden reeds sedert lang het bewustzijn verloren; toch dacht Ardjan -er niet aan om de mishandeling te doen ophouden. Bij iederen slag, bij iedere aanraking -met de vreeselijke bladeren, kromp de huid der lijders, in weerwil van hunne bewusteloosheid, -pijnlijk weg. De spieren spanden zich daarbij, zwollen op tot bundels, tot knoesten -en deelden schrikverwekkende schokken aan die lichamen mede, die overigens op hunne -beenen niet meer vermochten te staan, en als levenlooze voorwerpen, als zakken in -de touwen hingen, die hen aan de boomstammen gebonden hielden. Meestal hadden de zoo -vreeselijk gemartelden de oogen gesloten. Soms evenwel openden zij ze, en dan verschenen -die spiegels der ziel hoogrood met bloed beloopen, en verrieden door de wezenloosheid -van hunnen blik het ontzettende lijden, waardoor het lichaam gefolterd werd. Stervende -sloegen beide lijders met het hoofd, dat zij niet meer rechtop konden houden, rechts -en links, voor- en achterwaarts, zoodat het meermalen tegen den ruwen Niboeng-stam -bonste, waarbij dan de vlokken schuim, die hunne lippen kroonden, her- en derwaarts -vlogen. -</p> -<p>Maar!… aan alles komt een einde; zoo ook aan dat langgerekt lijden. Langzamerhand -namen de stuiptrekkende bewegingen der gefolterden af, en hingen de lichamen roerloos -in hunne banden. Het was, alsof de ziel het lichaam ontvloden was. Toen eerst sprak -Ardjan op den meest onverschilligen toon het woord „soedah” (genoeg) uit. Toen zijne -makkers hem vragend aankeken, vervolgde hij: „boekah!” (maak los); terwijl hij daarbij -zonder een woord verder te spreken, met den vinger naar de zee wees. In een ommezien -waren de touwen doorgesneden, en ploften de lichamen tegen den grond. Bij dien val -opende Van Gulpendam nog eens de oogen. -</p> -<p>„Meidema!” prevelde hij verstaanbaar, „Meidema!” -<span class="pageNum" id="pb2.292">[<a href="#pb2.292">292</a>]</span></p> -<p>De gedachte aan die rampzalige familie, aan die brave lieden, wier ongeluk hij veroorzaakt -had, benauwde zijne ziel in dien uitersten stond. Met dien naam op de lippen blies -hij den laatsten adem uit. Ook Lim Ho gaf geen teeken van leven meer. -</p> -<p>De beide lijken werden naar de Kali Tjatjing gesleept, en daar aan den stroomdraad -der snelstroomende rivier overgegeven, die hen in weinige minuten de wateren der Java-zee -toevoerde. -</p> -<p>En heel in de verte tusschen de beide landtongen door, was de Chineesche schoenerbrik -<i>Kiem Ping Hin</i> te bespeuren, die, hare zending getrouw, daar buiten den smokkelrayon, met de Engelsche -vlag in top, voor anker lag, en het intreden van den zeewind afwachtte, om de kust -te kunnen naderen, ten einde hare smokkelwaar voor rekening van de kongsie Lim Yang -Bing aan wal te brengen. -<span class="pageNum" id="pb2.293">[<a href="#pb2.293">293</a>]</span></p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e13307"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13307src">1</a></span> <i>Adipattih</i> is schier een vorstelijke titel. <a class="fnarrow" href="#xd30e13307src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13329"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13329src">2</a></span> <i>Gewone logeerkamers.</i> Bij iedere aanzienlijke Europeesche woning op Java behooren een paar blokken bijgebouwen, -die onder meer ook de logeerkamers bevatten. In een tropisch land is zulke inrichting -wel aanbevelenswaardig. Wanneer evenwel zeer hooge gasten ontvangen worden, wordt -dezen gewoonlijk huisvesting in het hoofdgebouw aangeboden. <a class="fnarrow" href="#xd30e13329src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13340"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13340src">3</a></span> <i>Iedere vrouw het gelaat moest afwenden.</i> In zeer vele streken der binnenlanden van Java is dat gebruik nog in zwang. Ontmoet -daar een Javaansche vrouw, soms beladen met een kind of met een gevulde mand in haren -slendang, een blanke, een van het <span class="corr" id="xd30e13343" title="Bron: overheerende">overheersende</span> ras, dan keert zij den tegemoet tredende den rug toe, leunt met het hoofd tegen een -boom of een rotswand en laat hem zoo voorbijtrekken. Men zal moeten bekennen, dat -dit een rare hulde is. Maar ’s lands wijs, ’s land eer. <a class="fnarrow" href="#xd30e13340src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13359"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13359src">4</a></span> <i>Teboe-njamploong</i> en <i>Teboe-itam</i> zijn variëteiten van de Saccharum officinarum. De eerstgenoemde rietsoort heeft een -lichtgele bast, de teboe-itam eene zwartbruine. De laatstbedoelde wordt ook Cheribonsch -riet genoemd en munt uit door suikergehalte. <a class="fnarrow" href="#xd30e13359src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13393"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13393src">5</a></span> <i>Terwijl de wanden met kostbare schilderijen, echter allen van wellustige, zelfs van -pornografische strekking versierd waren.</i> Indertijd bevond zich op het terrein, waar thans de binnenhaven van Tandjong Prioek -gegraven is, zoo’n lusthuis te midden van een klappertuin verscholen. Het heette een -badhuis; maar waar de eigenaren de viezigheden, die de wanden tooiden, vandaan gehaald -hadden, weet de hemel. Het waren evenwel allen Europeesche kunstproducten! <a class="fnarrow" href="#xd30e13393src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13485"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13485src">6</a></span> <i>Hoekoem madoe</i> is eene verschrikkelijke doodstraf<span class="corr" id="xd30e13488" title="Bron: .">,</span> die in enkele gedeelten van den Archipel soms op zeer groote misdadigers toegepast -wordt. Zij bestaat daarin, dat men den veroordeelde, na hem geheel ontkleed en aan -een paal gebonden te hebben, de beenen en het onderlijf met „madoe” (honing) besmeert. -Het duurt <span class="pageNum" id="pb2.289n">[<a href="#pb2.289n">289</a>]</span>alsdan niet lang, of die lichaamsdeelen zijn met myriaden mieren overdekt, die uiterst -belust op het zoete goedje zijn. Maar behalve de honing, tasten zij ook de huid en -het vleesch van den <span class="corr" id="xd30e13493" title="Bron: patient">patiënt</span> aan, zoodat binnen een zestal uren de beenderen blootgelegd, ja afgekloven mogen -heeten. De lezer zal wel gissen, welke ontzettende folteringen de martelaar ondergaat, -alvorens de dood hem uit zijn lijden verlost. <a class="fnarrow" href="#xd30e13485src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13502"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13502src">7</a></span> <i>Hoekoem Kamadoog.</i> Zie daaromtrent de <a href="#n33.1">aanteekening</a> bladz. 33 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e13502src" title="Ga terug naar noot 7 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div id="ch42" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a href="#xd30e1007">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> -<h2 class="label">XLII.</h2> -<h2 class="main">Naar en in de Goewah Temon.—Besluit.</h2> -</div> -<div class="divBody"> -<p class="first">„Anna!… Anna!…” had Van Nerekool geroepen. -</p> -<p>In dien kreet had hij zijne geheele ziel gelegd. Maar, te vergeefs. Bij de buiging -van het pad waren de beide meisjes achter de rotsen verdwenen. Toen Karel, Theodoor -en Murowsky het punt bereikten, waar zij de lieve gestalten voor het laatst gezien -hadden, was er van haar niets meer te bespeuren. -</p> -<p>„Anna!… Anna!” herhaalde Van Nerekool zijn geroep. -</p> -<p>Een heldere echo antwoordde als eene bespotting achter hem van den kant, van waar -zij kwamen. -</p> -<p>Een oogenblik stonden alle drie stil, om adem te scheppen. Het pad slingerde scherp -omhoog, en bij de snelheid, waarmede zij zich voortgespoed hadden, was het geen wonder, -dat zij verademing noodig hadden. -</p> -<p>„Anna!… Anna!…” kreet Karel andermaal. -</p> -<p>Niets dan de echo, die van den verkeerden kant, de beide lettergrepen: Anna! Anna! -scherp liet hooren. -</p> -<p>Eindelijk ijlden zij weêr voort. Het pad slingerde steeds over de ribben en wrongen, -die van den nok van de bergmassa afdaalden, vermeed hier een groote rots, week ginds -voor een plotselinge kronkeling van eene woeste bergbeek uit, overwon elders door -zijn zigzag-wendingen eene te scherpe helling, maar bleef steeds klimmen, en voerde -blijkbaar naar den nokrand, die het plateau van den Goenoeng Poleng omgaf. Soms, ja -veelvuldig zelfs, daalde het pad, om het ravijn tusschen twee <span class="pageNum" id="pb2.294">[<a href="#pb2.294">294</a>]</span>bergribben te overschrijden; maar dat dalen, wel verre van ontspanning te verleenen, -putte integendeel meer uit; want, afgescheiden dat daarbij de knieën op die steile -hellingvlakten schier ontwricht werden, werd iedere afdaling door eene hoogere stijging -gevolgd, die de longen op eene geduchte proef stelde. -</p> -<p>Maar.… voort! altijd voort! spoedden de drie vrienden. Het ongeduld van Van Nerekool -gedoogde geen talmen, geene vertraging. Alle drie hijgden, snakten naar adem of bliezen -als noordkapers; maar getroostten zich die inspanning en ijlden voort. Naar hunne -meening moesten zij de beide meisjes inhalen. Aan een ontkomen kon niet gedacht worden, -want het eenige pad kronkelde door zoo’n woest terrein, dat een rechts of links uitwijken -tot de onmogelijkheden gerekend konde worden. Intusschen van Anna en Dalima werd niets -meer bespeurd, hoe de vervolgers <span class="corr" id="xd30e13565" title="Bron: den">dan</span> ook uitkeken, wanneer zij een hoogen ribnok bereikt hadden, en soms een uitgestrekt -gedeelte van het te volgen pad overzien konden. -</p> -<p>Eindelijk hadden zij het hoogste punt van den plateaurand bereikt, en stonden een -oogenblik uit te blazen van de geweldige inspanning. Maar, hoe zij ook uitkeken, van -de beide lieve meisjes was geen spoor te ontdekken. Het pad, dat nu niet meer klom -of daalde, slingerde tusschen rotsblokken, heuveltoppen en boschjes van dwergachtig -geboomte door, en leverde geen uitgebreiden gezichtskring op. -</p> -<p>„Zij kunnen ons niet ver voor zijn,” sprak Van Nerekool. „Kom, vooruit! Vooruit!” -</p> -<p>Toch vergiste de rechterlijke ambtenaar zich eenigermate. De meisjes waren veel voor. -Vooreerst hadden zij reeds een aanmerkelijken voorsprong gehad, toen de vervolging -begon. Dan hadden zij zich met vluggen voet gerept op dat pad, hetwelk haar bekend -was, en dat zij gewoon waren te betreden. Zelfs hadden zij door die bekendheid gelegenheid -gevonden, hier en daar een bocht, een kronkeling af te snijden. Eindelijk had de angst -van ingehaald te worden, Anna vleugelen verleend, en was Dalima genoodzaakt geweest -haar te volgen. Toen zij het plateau bereikt hadden, liepen zij recht voor zich uit -in zuidelijke richting. De zee kon niet ver meer af zijn. Het gedonder der branding, -die zich, zoolang de meisjes zich <span class="pageNum" id="pb2.295">[<a href="#pb2.295">295</a>]</span>op de berghelling bevonden hadden, als een verwijderd gerommel had laten vernemen, -was thans duidelijker waarneembaar. Ja, naarmate de meisjes volgens de ingeslagen -richting voortijlden, konden zij den grond soms voelen trillen onder de machtige mokerslagen, -die de oceaan aan de loodrechte rotswanden, waartegen hij brak, toebracht. -</p> -<p>„Waar loopen wij heen, Nana?” vroeg Dalima hijgend. -</p> -<p>„Voort! voort!” riep Anna; terwijl zij schuchter achter zich keek. -</p> -<p>„Maar, waarheen, Nana?” -</p> -<p>„Naar ginds!” sprak het meisje beslist; terwijl zij met den vinger zuidwaarts wees. -</p> -<p>„Maar, daar is de zee!” kreet Dalima. -</p> -<p>„Ja, daar moeten wij zijn!” -</p> -<p>„Maar, wat wilt ge daar?” -</p> -<p>„Daar weet ik een schuilplaats, waar ons niemand vinden zal.” -</p> -<p>„Daar eene schuilplaats, Nana?” -</p> -<p>„Ja, kom voort! Voort! Nog eene inspanning! Wij naderen!” -</p> -<p>„Eene schuilplaats! Maar, gij hebt mij verteld, Nana,” hernam Dalima voortstrompelend, -echter met hijgenden adem, „dat daar niets was dan de naakte rots?” -</p> -<p>„Maar in die rots zijn holen?” sprak Anna gejaagd. -</p> -<p>„In de Goewah’s!” kreet de baboe ontzet. „Wilt gij daarin uwe toevlucht nemen?” -</p> -<p>Anna antwoordde eenige woorden, die de baboe niet verstaan kon. Als een hinde voortijlende, -was de residentsdochter hare Javaansche gezellin ietwat vooruit gekomen. Helaas, hoe -sterk van gestel deze laatste ook was, hoeveel goede wil haar ook bezielde, de toestand, -waarin zij zich bevond, deed zich gelden. De last, dien zij te torsen had, was dubbel, -en bij de inspanning, die zij had moeten aanwenden, was het geen wonder, dat de krachten -haar begonnen te begeven. Het bloed begon haar naar het hoofd te stijgen, hare slapen -klopten, hare ooren suisten, hare oogen werden met een roodachtig waas overtogen, -een ondragelijk gevoel van loomheid en matheid overviel haar. Toch strompelde zij -voort. Met beide handen ondersteunde zij hare lendenen, die dreigden te bezwijken. -Hare ademhaling werd sissend, zij was eene onmacht nabij. Maar hare geestkracht hield -haar staande. Zij volgde hare gezellin, terwijl zij prevelde: -<span class="pageNum" id="pb2.296">[<a href="#pb2.296">296</a>]</span></p> -<p>„Madjoe! Madjoe!” (vooruit, vooruit). -</p> -<p>Neen, zij zou Nana in dezen stond niet aan haar lot overlaten. -</p> -<p>Zoo ging het nog een poos voort. Eindelijk bij het omslaan van een rotsgevaarte, dat -het pad scheen af te sluiten, stond Anna stil. Voor haar breidde zich de Indische -Oceaan, die zij van eene hoogte van 1200 voeten beheerschte, in zijne geheele onmetelijkheid -uit. Angstig keek zij achter zich. Het pad, dat zij gevolgd had, was van hier over -eene groote uitgestrektheid waarneembaar; maar daarop was hoegenaamd niets te ontwaren. -Zouden de drie mannen de vervolging opgegeven hebben? Of zouden zij haar niet bespeurd -hebben? Zij meende toch herhaaldelijk haren naam te hebben hooren roepen. Dat kon -evenwel eene uitwerking harer angstige verbeelding geweest zijn. Nogmaals liet zij -het oog achterwaarts waren, en peilde den gezichteinder met scherpen blik. Maar, niets! -niets! Toen wijdde zij hare aandacht aan Dalima, die hijgend en kreunend bij haar -aangekomen was, en zich schier onmachtig op den grond had laten vallen. Zij zette -zich naast hare gezellin neder, sprak haar moed toe, wreef en kneedde haar op Inlandsche -wijze de zenuwbundels van hoofd en hals, klopte haar in de handen, en liet niet na, -haar de meest teedere zorgen te wijden, dan toen zij Dalima kalm zag. Toen dat doel -bereikt was, keek zij nog eens angstig achterwaarts; maar trad, toen zij niets bespeurde, -vastbesloten vooruit naar den rand der helling, die voor haar afdaalde naar beneden. -</p> -<p>„Ja,” prevelde zij, „de ladder hangt er steeds. Ik heb veel van de Goewah Temon<a class="noteRef" id="xd30e13597src" href="#xd30e13597">1</a> hooren verhalen. Daarin zal ik, als het moet, een toevlucht zoeken.” -</p> -<p>En andermaal noordwaarts kijkende. -</p> -<p>„Maar ik hoop, dat ik dien schrikkelijken tocht niet zal behoeven te ondernemen … -Ik zie niets,” zei ze met een zucht. <span class="corr" title="Niet in bron">„</span>Als Karel mij op het spoor was, dan zou hij nu reeds op het plateau verschenen zijn.” -</p> -<p>Toen keerde zij het gelaat naar den vollen Oceaan. Zij bleef steeds, al verborg zij -zich ook onder een Javaansch kleed, een kind van het Westen, dat wil zeggen, <span class="pageNum" id="pb2.297">[<a href="#pb2.297">297</a>]</span>dat zij een open oog had voor de heerlijkheden, welke de natuur ter bewondering aanbood. -Voor haar strekte zich de Indische zee uit; daar ginds ver met de lucht samensmeltende, -maar toch een kring vormende, die de afscheidingslijn, waar lucht en water elkander -schenen te raken, scherp waarneembaar maakte. Iets dichter bij nam de zee een donkerblauwe -tint aan, die met het azuur des hemels een eigenaardige schakeering vormde, welke -te merkbaarder werd door de groote deininggolven die van het Zuiden aangerold kwamen, -en vaak de verbeelding in de war brachten door de meening, dat zij als het ware vloeibare -heuvelenrijen waren, die zich van de kim losgescheurd hadden, en nu met den spoed -van een sneltrein naar den Java-wal losstormden. Die deiningbaren waren glad en effen, -want geen windje rimpelde hare hellingen; zoodat men ze met de plooien zoude hebben -kunnen vergelijken van een horizontaal uitgespannen onmetelijk blauw doek, dat in -golvende beweging gebracht werd. De vlakken dier golven, welke regelmatig als de gelederen -van een defileerend leger aanrukten, waren naar de zijde van den gezichteinder zwakhellend, -als ware de oceaan te amechtig om zich te verheffen. Maar naar den kant van den wal -was die helling steil, scherp, en rolde donker-, soms zwartblauw getint, en deed zich -voor als een onmetelijken muur, die naderbij rolde. Aanvankelijk was de top van den -deininggolf zacht afgerond; maar, hoe meer de baar den wal naderde, des te meer steigerde -die top op, des te scherper werd hij. De beide hellingen naderden elkander al meer -en meer. Eindelijk was het geene ronding meer, die de beide vlakken verbond; het was -een nok, later nog slechts een scherpe kam, die, driest en wild de beweging van den -voet van den golf vooruitliep, daardoor al steiler werd, eindelijk begon voorover -te hellen, een cirkelboog, een onmetelijke krul vormde, nog meer kromde, ten slotte -als het ware scheurde, en zich met een breeden sneeuwwitten rand, als met eene schitterend -zilveren franje tooiende, met donderend geweld nederplofte, waarbij hij de oppervlakte -van den oceaan in de onmiddellijke nabijheid in een verblindend witte melkzee deed -veranderen, welke schuimend, donderend, opstuivend en klotsend tegen den rotswand -kwam <span class="pageNum" id="pb2.298">[<a href="#pb2.298">298</a>]</span>opstormen, die haar toeriep: tot hiertoe en niet verder! -</p> -<p>Anna vermeed daar in de diepte aan hare voeten, waar de watermassa in woedende golven -kookte en bruiste, te kijken. Zij vreesde haren moed te voelen ontzinken, als het -wichtige oogenblik mocht aanbreken. Zij keek maar liever daar ver, zeer ver aan den -horizon. Daar nagenoeg zuiver ten Westen werd Noesa Kembangan ontwaard, dat fraaie, -heuvelachtige eiland, hetwelk zich met zijn weelderigen plantengroei op den afstand, -van waar het jonge meisje er naar tuurde, als een bloemenmand op de watervlakte drijvende, -vertoonde. Zij zag daar den vuurtoren, welke zich op den Tjimering-heuvel<a class="noteRef" id="xd30e13617src" href="#xd30e13617">2</a> verhief, en door zijne witte kleur zeer tegen de blauwe lucht afstak; zoodat hij -zich als een smalle, rechtstandige wolkenzuil vertoonde. Hier en daar was het oppervlak -der zee gespikkeld met blanke zeilen, die haar bevallig stoffeerden, alsof groote, -witte watervogels er op dartelden. En even of het toeval die gelijkenis wilde bekrachtigen, -kwam er een zwerm steltloopers voorbij gevlogen, die als een mat-witten band op het -azuur des hemels vormden en krijschend naar het Westen vlogen, waarschijnlijk om de -vischrijke moerassen, die de Kinderzee omgeven, een bezoek te brengen. Die snelle -vlucht legde eene weemoedige gedachte in Anna’s hart. -</p> -<p>„Ook ik wilde wel heênvliegen,” prevelde zij, „heênvliegen ver, zeer ver!” -</p> -<p>En onder den spoorslag van die opwelling wierp zij een blik op haar vervlogen leven. -Het beeld van Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool verscheen voor haren geest. Als in een droom tooverde haar de phantasie -voor, hoe gelukkig zij aan de zijde van dien man had kunnen zijn. Zij herinnerde zich, -de <span class="corr" title="Niet in bron">„</span><i lang="fr">invitation à la valse</i>,” bij welker heerlijke tonen zij, in zijne armen gestrengeld, gezweefd had, en hem -de bekentenis zijner liefde ontsnapt was. Zij doorleefde in gedachten de heerlijke -oogenblikken, die zij daarna in den tuin van het residentiehuis genoten had. Zij zag -het Pandanboschje, waarachter Karel haar staande <span class="pageNum" id="pb2.299">[<a href="#pb2.299">299</a>]</span>hield, om haar nogmaals zijne liefde te belijden. En, bij het rythmisch gedonder van -den oceaan, die aan hare voeten zijne machtige melodieën deed hooren, weerklonk in -hare ooren, de vertolking van het fraaie duo, door picolo en cornet à piston gebracht: -</p> -<div lang="fr" class="lgouter"> -<p class="line">„Un jour <span class="corr" id="xd30e13635" title="Bron: l’ame">l’âme</span> ravie, -</p> -<p class="line">Je vous vis si jolie, -</p> -<p class="line">Que je vous crus sortie -</p> -<p class="line">Du céleste séjour. -</p> -<p class="line">Etait-ce donc un ange, une femme, -</p> -<p class="line">Qui venait d’embraser mon âme? -</p> -<p class="line">Las! Je ne sais encor … mais depuis ce beau jour, -</p> -<p class="line">Je sais que j’âime d’un pur amour!”</p> -</div> -<p class="first">Zij voelde Karels armen hare leest omklemmen. Zij hoorde zijne stem: -</p> -<p>„Anna, ik heb u lief, onmetelijk lief, anders lief dan ik mijne moeder, mijne zuster, -anders dan ik mijn eigen zou liefhebben!” -</p> -<p>Wat heerlijke woorden! Wat goddelijke stond! En voortdroomende: -</p> -<p>„Zeg, Anna,” fluisterde hij, „zeg, bemint gij mij, dierbare? O, ik weet het, gij hebt -mij daarop straks reeds antwoord gegeven; maar herhaal dat „ja” hier, waar wij ons -alleen en ver van het gewoel der wereld bevinden, alleen onder het oog van God. O, -herhaal dat woord, Anna, dat mij zoo gelukkig maakt.” -</p> -<p>Zij had goed onthouden, het lieve kind. Geen wonder, die woorden waren in haar hart -gegrift. En zij voelde den kus, die de bezegeling van haar antwoord was. Zij voelde;… -maar evenals te Santjoemeh was de ontwaking uit den schoonen droom nabij. De stem -harer moeder meende zij nog te hooren. Verschrikt keek zij op. Zij wilde vl … Neen … -dat niet! Zij vloekte niemand; maar toch sloeg zij de oogen met een verwijtenden blik -ten hemel op, bij het besef van zooveel geluk, dat in ramp verkeerd was. Het liefelijke -droombeeld was reeds verdwenen. -</p> -<p>„Een verwoest leven!” zuchtte zij. -</p> -<p>Een plotselinge kreet deed haar ontzetten. -</p> -<p>„Nana,” riep Dalima, „toean toean njang datang!” (de heeren komen). -</p> -<p>En, inderdaad, Anna zag daar met schrik bij eene buiging <span class="pageNum" id="pb2.300">[<a href="#pb2.300">300</a>]</span>van het pad Murowsky, Van Nerekool en Grenits met groote haast naderbij treden. Zonder -zich te bedenken, liep zij de scherpe helling, die voor haar naar de zee afdaalde, -naar beneden. -</p> -<p>„Nana! Nana!” riep Dalima in de grootste ontsteltenis uit. „Wat gaat gij doen?” -</p> -<p>Het arme Javaansche meisje poogde hare gezellin te volgen, maar alvorens zij opgestaan -was, was Anna haar reeds ver vooruit. Daarenboven beladen en vermoeid, als zij was, -kon zij haar onmogelijk vlug genoeg volgen. Toen zij aan het uiteinde der helling -gekomen was, welke in een loodrechten rotswand eindigde, die steil in zee afdaalde, -kwam zij nog tijdig genoeg, om daar op een afstand Anna de bovenste sporten eener -rottanladder te zien grijpen, welke langs dien natuurlijken muur naar beneden voerde. -</p> -<p>„Nana!… Nana!…” kreet zij. -</p> -<p>Zij stormde vooruit. Zij zag haar den voet op de ladder zetten;… zij zag haar lichaam -trede voor trede verdwijnen. -</p> -<p>„Nana!… Nana!…” -</p> -<p>Nu kon zij het hoofd nog slechts zien … Dat dook ook weg. Nu ontwaarde zij slechts -de handen, die de bovenste sport omklemden … -</p> -<p>„Nana!<span class="corr" id="xd30e13666" title="Bron: ..">…</span> Nana!…” -</p> -<p>Ook die handen lieten los;<span class="corr" id="xd30e13672" title="Bron: ..">…</span> eerst de eene … toen de andere … Juist bukte Dalima zich, om die laatste hand te -grijpen … Weg!… weg! -</p> -<p>Toen wierp zich het Javaansche meisje voorover op den bodem, en bracht het hoofd over -den rand van den afgrond, die daar onder haar gaapte. Helaas! wat zij daar zag was -ijzingwekkend. Maar, zij had geen tijd, om hare aandacht te wijden, aan wat daar beneden -haar oog trof. -</p> -<p>„Nana!… Nana!<span class="corr" id="xd30e13678" title="Bron: .,.">…</span>” kreet zij nogmaals. -</p> -<p>Maar, daar voelde zij zich bij den arm gegrepen. Zij keek op. Van Nerekool stond naast -haar. -</p> -<p>„Gij, Dalima!” riep hij uit, niet begrijpende, wat er gebeurde. „Waar is nonna Anna!” -</p> -<p>„<span lang="ms">Allah! tobat, toean!</span>” riep de baboe, steeds op den grond liggende, met hartverscheurende stem uit, en -wees met den vinger in de diepte. -</p> -<p>„Daar, daar?” vroeg Karel ten hevigste ontsteld; terwijl <span class="pageNum" id="pb2.301">[<a href="#pb2.301">301</a>]</span>hij zich op zijne beurt op den grond wierp, om in de vervaarlijke diepte te turen. -</p> -<p>Gelukkig, dat Grenits en Murowsky hem op den voet gevolgd waren. Bij de gevaarlijke -stelling, die hij innam, en bij het meer dan onvoorzichtig voorover buigen van het -bovenlijf over den rotsrand, was het noodig, dat die twee hem bij de beenen grepen. -</p> -<p>„Karel!… Karel!…” riepen zij ontzet. -</p> -<p>„Anna!<span class="corr" id="xd30e13696" title="Bron: .,.">…</span> Anna!…” kreet hij op hartverscheurenden toon. -</p> -<p>Daar beneden zich zag hij het meisje langs de lange ladder<a class="noteRef" id="xd30e13701src" href="#xd30e13701">3</a> behoedzaam naar beneden dalen. Van rottankabels vervaardigd, wiegelde die ladder -onder den last, dien zij droeg. Haar uiteinde raakte de zee, en werd door de verbolgen -branding heen en weer geslingerd. Kwam de baar aanstuiven, dan werd dat uiteinde meegesleept, -de grot in, waarin het water met donderend geweld drong: liep zij terug, dan volgde -dat uiteinde de beweging, die de kracht eener cataract had, met zooveel onstuimigheid -spoot dan als het ware het water naar buiten. Bij dat slingeren smakte Anna herhaalde -malen tegen den rotswand, of hing zij op aanmerkelijken afstand van dien muur boven -de zee, die onder haar woelde, kookte, zich in fijn verdeeld waterstof sloeg, en naar -het meisje opspatte als naar eene wisse prooi. -</p> -<p>Afgrijzen, ontzetting bevingen Van Nerekool bij dat schouwspel. -</p> -<p>„Anna!… Anna!…” kreet hij andermaal. -</p> -<p>Dezen keer scheen zij gehoord te hebben. Schuchter keek zij omhoog. Zij was reeds -twee derde der ladder afgedaald. Toen zij dat hoofd, hetwelk zij dadelijk herkende, -zich daar boven haar tegen de heldere, blauwe lucht zag afteekenen, stiet zij een -gil uit, en haastte zich verder naar beneden. -</p> -<p>Van Nerekool sprong op. -</p> -<p>„Ik moet naar beneden,” sprak hij gejaagd. -</p> -<p>En, voor dat zijne vrienden zich tegen dat voornemen hadden kunnen verzetten, had -hij de topeinden der ladder gegrepen, het been over den afgrond uitgestrekt, en op -<span class="pageNum" id="pb2.302">[<a href="#pb2.302">302</a>]</span>een der eerste sporten geplaatst, en begon hij de schrikkelijke afdaling. Het was -thans de beurt van Grenits en Murowsky, om zich op den grond te werpen, ten einde -gade te slaan, wat daar beneden hen gebeurde. -</p> -<p>Het was een ontzettend schouwspel, die twee wezens daar op die beweeglijke ladder -boven die woedende branding te zien bengelen. Beiden gevoelden zich benauwd, schier -ademloos, en bovenal rampzalig ongelukkig, daar zij in den uitersten nood geene hulp -vermochten aan te brengen. -</p> -<p>Toen Anna bemerkte, dat Van Nerekool haar volgde, gaf zij onbewust gehoor aan den -aandrang, die haar bezielde, om te vluchten, en daalde nog sneller naar beneden. Evenwel -begon eene andere gedachte haar bezig te houden. Veel had zij de bewoners van de dèsa -Ajo over de Goewah Temon hooren vertellen. Zij wist, dat bij eb de ingang van die -grot, welke met de oppervlakte der zee gelijk was, te bereiken en daar in te dringen -was. Zij wist ook, dat het indringen slechts zwemmende kon geschieden, daar de zool -der schacht ter hoogte van zes voeten onder water was. Daarvoor was zij evenwel niet -teruggedeinsd; want zij zwom als eene meeuw. Maar … maar … dat was bij eb. Bij eb!… -Ja, bij eb … wanneer de zee kalm is en de branding ver van de voet der rotsen verwijderd -blijft … En thans … thans beukten de golven tegen de rotswanden, de deining brak tegen -hun voet.… Het was haar daarenboven, alsof iedere vloedgolf hooger steeg … En zij -daalde steeds … daalde … daalde nog meer. -</p> -<p>„Anna!… Anna!” kreet Karel boven haar. -</p> -<p>Eindelijk had zij het gewelf van de grot bereikt. Zij wist, dat die ingang bij lagen -waterstand vijftig voet hoog was. Wat kwam haar die poortopening nu klein voor! O, -een groot gedeelte was onder de wateroppervlakte bedolven. Zij meende de rottanstellingen -te kunnen bereiken, die van den ingang langs de wanden der grot naar haar binnenste -aangebracht waren, om de vogelnestplukkers bij hunne inzameling ten dienst te zijn … -Zij stak reeds de hand uit, om die kabels te grijpen … Daar krulde een onmetelijk -hooge baar aan hare voeten, brak met donderend geweld, en schudde het ondereind der -ladder, die zonder steun voor de opening der grot slingerde, <span class="pageNum" id="pb2.303">[<a href="#pb2.303">303</a>]</span>met zoo’n kracht, dat het arme meisje, ten hoogste ontsteld, het bewustzijn verloor, -de handen losliet en in de diepte neerstortte. -</p> -<p>„Een verwoest leven!” kreet zij nog in haren val. -</p> -<p>Van Nerekool zag haar een oogenblik in het midden van die kokende branding drijven. -Vol afgrijzen zag hij haar in dat witte schuim als in een lijkwa rollen en wentelen. -Een ondeelbare seconde zag hij haren donkeren haardos in rijke lokken op dien helderen -grond golven; toen werd zij door de opdringende zee de grot ingesleurd, en was zij -voor zijn blik verdwenen. In zijn oog was zij verloren, onherroepelijk verloren. Hij -bengelde daar boven den afgrond, die het dierbaarste wezen verzwolgen had en wist -niet wat te doen. Hij zag de baar tot rust komen, hij zag haar naar zee terugijlen, -hij zag het water met grootsche kracht de grot uitstroomen; maar … in de helderblauwe -kolom, die daar als het ware voortspoot, werd hij niets gewaar, dat op een lijk of -op een drenkeling geleek. Hij begreep, dat Anna in de grot gebleven was; hetzij zij -zich had weten te grijpen, hetzij zij met hare kleeding ergens aan was blijven haken. -Snel daalde hij. Hij moest van het oogenblik gebruik maken. Hij moest, voor dat een -nieuwe baar aanrolde, het bovengewelf bereikt hebben. Met koortsachtige haast greep -hij de sporten. Hij gebruikte zijne voeten niet; neen, hij gleed veeleer naar beneden, -en.… daar greep hij een der rottankabels der stelling, en had zijn voet de ladder -verlaten, toen deze andermaal geweldig geschud, en voor den ingang heftig heen en -weder geslingerd werd. -</p> -<p>Hij was nu betrekkelijk in veiligheid. Twee zeer dikke kabels strekten zich op evenwijdigen -afstand van elkander langs den wand naar het binnenste der grot uit. Van afstand tot -afstand waren zij met gemoetoe-touw aan uitstekende rotspunten bevestigd. Op den eenen -kon hij de voeten zetten, en zich aan den anderen met de handen. vastklemmen<span class="corr" id="xd30e13727" title="Bron: ,">.</span> Onder hem kookte de zee, boven hem en rondom hem fladderden de „lawets” (zeezwaluwen) -met schellen kreet, en vlogen door het opspattende zeeschuim en het fijn verdeelde -waterstof de grot in en uit, verschrikt als zij waren, over het verschijnen van dat -menschelijk wezen, hetwelk niet anders kon, volgens hen, dan een aanslag komen doen -op hunne nesten. -<span class="pageNum" id="pb2.304">[<a href="#pb2.304">304</a>]</span></p> -<p>Grenits en Murowsky hadden het vallen van Anna en het verdwijnen van Karel in de grot -met de grootste ontsteltenis waargenomen. -</p> -<p>„Wat nu?” riep de een. -</p> -<p>„Wij kunnen hierboven niets doen!” riep de andere. -</p> -<p>Dalima smeekte om mededeeling van hetgeen zij gezien hadden. Toen zij dat vernomen -had, riep zij: -</p> -<p>„Dan snel naar den loerah van de dèsa Ajo, die heeft eene djoekoeng, waarmede hij -wel eens de Goewah’s bezoekt!” -</p> -<p>En het moedige Javaansche meisje vergat haren toestand, vergat vermoeidheid, en ijlde -reeds het pad, gevolgd door de beide Europeanen, af. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En ziet, ja, zij vonden de djoekoeng, waarvan Dalima gesproken had. -</p> -<p>De loerah zette een bedenkelijk gezicht, toen hij den wensch der twee blanken vernam. -Hij wees hoofdschuddend naar de monding der kali Djeties. En, inderdaad, daar worstelde -het afstroomende rivierwater met den opkomenden vloed, en deed de aanrollende deininggolven -in woeste brekers opstuiven. Het hart der twee vrienden gevoelde zich op dat gezicht -als in eene klemschroef besloten. Zouden zij het moeten opgeven, en Van Nerekool aan -zijn lot overlaten? -</p> -<p>„Vijftig gulden, loerah,” zei Theodoor Grenits, „wanneer gij ons in de grot brengt!” -</p> -<p>De Javaan krabde zich met een eigendommelijk gebaar in den hoofddoek achter het oor. -</p> -<p>„En ik voeg er vijftig bij,” vulde Murowsky aan. -</p> -<p>Het gekrab werd verdubbeld. De Javaan was besluiteloos. Hij wisselde angstvallig eenige -woorden met een paar mannen van zijn gevolg. Deze schenen niet zoo zwaartillend. Zij -antwoordden met een gebaar van geruststelling en sprongen in de djoekoeng, waarin -de beide Europeanen hen volgden. -</p> -<p>„Ieder uwer vijf en twintig gulden, als wij het doel bereiken,” sprak Grenits aanmoedigend -tot hen. -</p> -<p>„En ik doe er evenveel bij,” sprak de Pool. „En nu flink de „dajoengs” (pagaaien) -gerept!” -</p> -<p>De loerah had plaats aan den achtersteven van het ranke vaartuig genomen, en voerde -den stuurpagaai. Ook <span class="pageNum" id="pb2.305">[<a href="#pb2.305">305</a>]</span>de beide Europeanen en zelfs Dalima hadden zich van een pagaai voorzien en hielpen -naar vermogen om te roeien. De djoekoeng schoot onder den aandrang van die zes schepbladen -snel vooruit. -</p> -<p>Aanvankelijk, zoolang het vaartuig in de baai was, ging alles goed. De loerah stuurde -naar het midden van den ingang der Moeara, om de wielingen en terugstroomingen des -waters door den gekartelden, rotsachtigen oever teweeggebracht, te mijden. Met den -stroomdraad der rivier meegaande, schoot de djoekoeng als een pijl aan de boogpees -ontsnapt, vooruit. Maar, zoo meer zij de monding naderde, zoo meer liet zich de aandrang -van den oceaan gevoelen. De stroomsnelheid der rivier vertraagde toch langzamerhand, -vertraagde nog meer, totdat zij eindelijk schier niet meer merkbaar was. Daarentegen -begon nu de oppervlakte van het water in beweging te komen. Reeds kabbelden golfjes -tegen den voorsteven, alsof zij dien lekten; die golfjes namen in omvang toe, zij -sloegen langs de boorden en begonnen aan het vaartuig eene stampende beweging te geven. -Men was de zone der brekers nabij. De djoekoeng schoot immer vooruit; zij bevond zich -reeds te midden van de melkzee, door de branding veroorzaakt, te midden der kokende -opborrelingen, door een zoo even neergeploften deininggolf veroorzaakt. Zij scheen -op schuim te dansen. -</p> -<p>De loerah zat met saamgeknepen lippen en met scherpziend oog vooruit te turen, en -hield zijn stuurpagaai onwrikbaar vast, hoezeer de golven er tegen beukten, hoezeer -de wielingen hem in zijne hand poogden te verwrikken. Hij tuurde uit. Zou hij kunnen -laten vooruitschieten? Toen de eerst nabijzijnde baar brak, was de uitgeholde boomstam -nog op een zekeren afstand er van verwijderd. Zou hij de ruimte tusschen die en de -daaropvolgende kunnen doorstevenen, alvorens die tweede brak? Neen, meende hij, dat -ging niet. Hij keek uit, daar kwam de baar nader. Als eene onmetelijke plooi kwam -zij aangerold. Voor hen, die in de djoekoeng zaten, had zij het voorkomen van een -berg. Zij ijlde het vaartuig te gemoet, dat op zijne beurt onder den druk der vijf -pagaaien steeds krachtig vooruitstevende. De baar naderde, zij steigerde reeds, als -het ware; loodrecht verhief zij zich voor den notedop, die onzinnig genoeg <span class="pageNum" id="pb2.306">[<a href="#pb2.306">306</a>]</span>scheen, haar te willen trotseeren; reeds kuifde zij zich met een schitterenden zilverrand, -en scheen een aanrollenden blauwen muur te zijn, die, blinkend gepolijst, onder de -zonnestralen schitterde. -</p> -<p>„Brenti!” (ophouden) beval plotseling de loerah, die de gedaante der baar en haren -afstand zorgvuldig gadesloeg. -</p> -<p>De dajoengs staakten hunnen voortstuwenden arbeid, en had de djoekoeng spoedig hare -voortgaande beweging verloren. Daarop was het, alsof zij zonder eenigen aandrang vooruitging -de baar te gemoet. Het was of zij opgezogen zoude worden in de krul, die zich vormen -ging. -</p> -<p>„Moendoer! Moendoer!” (achteruit!) schreeuwde de loerah; terwijl hij zelf zijn werktuig -te water sloeg. -</p> -<p>Gelukkig, dat het ranke notedopje aan dien aandrang dadelijk gehoorzaamde en achteruitstoof; -want, daar helde de baar in een onmetelijken boog voorover. Een oogenblik, slechts, -een ondeelbare seconde gunde zij aan de opvarenden der djoekoeng, die haar zoo nabij -gadesloegen, een blik in de uitholling, welke zij daarstelde, en waardoor zij zich -als een overgrooten in vorming zijnde cilinder voordeed, wiens wanden gedeeltelijk -uit zachtblauw doorschijnend kristal zouden bestaan. Maar nog meer krulde de baartop -voorover, vormde ongeveer drie vierde van een cirkelomtrek, en plofte toen met donderend -geweld op slechts weinige passen van het vaartuigje uiteen, en overtoog het geheele -oppervlak der zee in de nabijheid met blinkend wit schuim. -</p> -<p>„Madjoe! Madjoe!” (vooruit) schreeuwde de loerah. -</p> -<p>En daar schoot de djoekoeng, door krachtige armen voortgestuwd, over de wielingen, -de kolken, de schuimmassa’s, die haar omringden. O, zij moest zich reppen. Zij moest -die streek voorbij zijn, alvorens de achteraan rollende golf haar bereikt zoude hebben, -zij moest in volle zee zijn, alvorens die dezelfde branding onderging. Met kracht -sloegen de dajoengs te water, en trillend schoot het vaartuig vooruit. Nog een poos, -nog eene inspanning.… Daar verhief zich de steven.… -</p> -<p>„Madjoe! Madjoe!” moedigde de loerah aan; terwijl hij zelf zijne inspanningen verdubbelde. -</p> -<p>Het vaartuig, stevig voortgestuwd, steeg tegen de <span class="pageNum" id="pb2.307">[<a href="#pb2.307">307</a>]</span>helling der baar op, die nog niet steil opgesteigerd was, verscheen een oogenblik -op de kruin van den waterheuvel, alsof hare beide uiteinden in de lucht zweefden, -en zij slechts in het middengedeelte ondersteund werd, schoot de andere helling vlug -af, en.… was nu buiten gevaar. -</p> -<p>Ras stuurde de loerah zuidoostwaarts. Er was evenwel tijd noodig om den ingang van -de Goewah Temon te bereiken. Toen men dan ook ter harer hoogte kwam, was de eb reeds -ingetreden en had de stuurman slechts eenige voorzichtigheid te betrachten, om die -grot binnen te loopen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Wat vond inmiddels daar binnen plaats? -</p> -<p>Toen Van Nerekool op de stelling aangeland was, schreed hij in het halfduister, dat -in de spelonk heerschte, behoedzaam voorwaarts. Hij bespeurde, dat dit onderaardsche -gewelf zich zeer ver onder den berg uitstrekte; maar hij bemerkte ook, dat de zool -der grot onmerkbaar klom, zoodat de zee, behoudens in eenige nevenholen, in de hoofdgrot -slechts een paar honderd voet naar binnen drong. Maar in dat gedeelte heerschte zij -dan ook in deze oogenblikken met oppermachtigen scepter. Aanvankelijk bespeurde hij -niets van hetgeen hij zocht. Hij keek scherp uit, terwijl hij zijn koorddansers kunststuk -volbracht, en de grot al dieper en dieper indrong. Eindelijk, daar bij een groot trachietblok, -waartegen het water heftig bruischte en dwarrelde, meende hij iets te ontwaren. Van -de uitstekende gedeelten van de ruwe rotsmassa, liet hij zich behendig naar beneden -zakken, en was gelukkig genoeg de bovenvlakte van die trachietmassa te bereiken. Ook -deze verleende hem steunpunten genoeg, om naar de wateroppervlakte af te dalen en -daar vond hij Anna geheel bewusteloos, die zich in haren doodsangst aan de brokstukken -van het reddende blok geklemd had. Het benedengedeelte van haar lichaam lag in het -water; het hoofd rustte op haren arm, die een vooruitstekenden rotsbrok omgaf. Snel -omvatte Karel haar middel, en tilde haar tegen het trachietblok op. Hij moest zich -haasten; want het was niet te ontkennen, de vloed liep al hooger en hooger, en onmogelijk -was het niet, dat het rampzalige, bewustelooze meisje medegevoerd werd. Na eene geweldige -<span class="pageNum" id="pb2.308">[<a href="#pb2.308">308</a>]</span>inspanning gelukte het hem, <span class="corr" id="xd30e13779" title="Bron: haâr">haar</span> op het bovenvlak van de rots te tillen en nam hij daar naast haar plaats. Hij ontdeed -zich van zijn jasje en spreidde dat op den steen uit, om haar de zitplaats zooveel -mogelijk zachter te maken. Haar hoofdje rustte op zijnen schoot, en in die houding -liet hij haar stil rusten. Met zijn zakdoek wischte hij haar het zeewater van het -bleeke gelaat en spreidde hare weelderige lokken over zijne knieën uit, om die te -doen drogen. Een enkele blik had hem de overtuiging geschonken, dat de vloed nimmer -het bovenvlak van het trachietblok bereikt had, en dat zij derhalve daar veilig zaten. -Hij begreep dat, zoolang de eb niet ingetreden was, er aan geen terugtocht te denken -viel, daarvoor was het geweld van de deininggolven dier onmetelijke wereldzee te groot. -Met laag water zou het mogelijk zijn de ladder, die nog steeds voor de opening der -grot heftig heen en weder geslingerd werd, te bereiken. Anna zou tegen dien tijd wel -tot bewustzijn teruggekeerd zijn; zij zou dan kunnen zwemmen tot bij de opening en -eenmaal op de ladder … -</p> -<p>„Komt tijd, komt raad!” prevelde hij binnensmonds, terwijl hij het aangebeden meisje, -dat daar op zijne knieën lag, met teederheid beschouwde. „Daarenboven Grenits en Murowsky -zullen wel geene pogingen onbeproefd laten om ons te hulp te komen.” -</p> -<p>Het was eene kritieke tijdruimte, welke de rechterlijke ambtenaar doorleefde. -</p> -<p>Daar voor hem lag het wezen uitgestrekt, dat hem het dierbaarst op aarde was, dat -hij liefhad, dat hij hartstochtelijk aanbad; het wezen, dat hem zijn slaap ontroofde, -welks beeld hem immer en overal voor oogen zweefde, naar welks bezit hij haakte met -al den gloed van zijne geaardheid, die ongekunsteld maar onbedorven onder den weerstand, -die zijne liefde ontmoet had, in lichten laaie was opgegaan. Anna in hare Javaansche -kleeding was slechts gedekt door sarong en kabaja. De slendang, die haar hoofdje bedekt -had, was zij bij het afdalen der ladder kwijt geraakt. Die zeer eenvoudige kleeding -daarenboven, vooral de kabaja, van uiterst lichte stof vervaardigd, was kletsnat, -en modelleerde derhalve haren hals, haren boezem, hare schouders, hare lendenen, hare -heupen en dijen zoo plastisch, dat zij schier geen bedekking mocht heeten, en rustte -het meisje onbewust, in <span class="pageNum" id="pb2.309">[<a href="#pb2.309">309</a>]</span>hare volle bekoorlijkheid, uitdagend schoon, op den schoot van hem, die haar aanbad, -maar die onder dien lieven last een lijden onderging, hetwelk waarachtig een plaats -in Dante’s hel had mogen erlangen. -</p> -<p>Het schemerlicht, dat in de grot heerschte, de nevel van fijn verdeeld waterstof, -die uit de bulderende branding opsteeg, en de grot als met een mystieken ether vulde, -brachten het hunne bij, om aan de houding van het lieve kind, iets verhevens, iets -bovenaardsch mede te deelen. Onbewust van den gloeienden hartstocht, die haar omzweefde, -lag Anna daar zoo kalm en rein, terwijl hare ademhaling den boezem regelmatig deed -op en neêr gaan, en bij wijlen, wanneer een diepere zucht zich baan brak, eene onbescheiden -gaping van de kabaja deed ontstaan, welke bekoorlijkheden liet ontwaren, die door -den blik van den verliefde verslonden werden en zijne hartstochtelijkheid nog vermeerderden. -</p> -<p>Langzaam vlood de tijd heen, te langzaam voor den armen gefolterde. -</p> -<p>Intusschen had het water opgehouden te wassen, en was weldra de terugtred der golven -merkbaar! Iedere baar, die nu de grot binnendrong, woelde, kookte, bruiste, schuimde -als de voorafgaande, maar klom minder hoog, spatte minder op. Maar, dat zou nog uren -zoo moeten duren, alvorens er aan gedacht kon worden, naar den ingang der grot te -schrijden. -</p> -<p>„Och, dat Anna toch bijkwam,” zuchtte Van Nerekool; terwijl zijn branderige blik op -het lieve gelaat en op de aanbiddenswaardige omtrekken van dat schoon gevormde lichaam -strak bleef gevestigd. „In haar zelve zou zij een veiliger schutsengel hebben, dan -in mij!” -</p> -<p>Gelukkig, zijne bede werd verhoord. Bij eene poging, die zij in haren bewusteloozen -toestand deed, om een paar droppels van hare wang af te wisschen, wilde hij haar helpen. -Met zachte hand bewoog hij zijn zakdoek over die koon. Hij had zich evenwel daarbij -moeten voorover bukken, en kwam zijn brandend heete adem met haar gelaat en haren -hals in aanraking. Dat deed haar ontwaken. Mat en lusteloos sloeg zij de oogen op;.… -maar kon geen besef krijgen, waar zij zich bevond. Zij draaide het hoofd.… keek rond -en eindelijk ook Karel in het gelaat. Met een kreet voer zij op. -<span class="pageNum" id="pb2.310">[<a href="#pb2.310">310</a>]</span></p> -<p>„Gij, gij hier?”<span id="xd30e13798"></span> riep zij, terwijl zij opvliegen wilde om te vluchten. -</p> -<p>Hij greep haar om het middel, en trok haar aan zijne borst. -</p> -<p>„Pas op, Anna,” sprak hij. „Gij zult uitglijden, de zee is nog onstuimig.” -</p> -<p>„Gij, gij hier?” herhaalde zij. „Maar ik wil … ik zal …” -</p> -<p>En zij poogde zich los te rukken uit zijne armen. -</p> -<p>„Bedaar, Anna! Wees voorzichtig; de rots is nat geworden en derhalve glibberig,” zei -hij geruststellend. „Pas op, het gevaar is nog groot.” -</p> -<p>Hij sprak zoo zacht, zoo wegsleepend, dat het jonge meisje de worsteling wilde opgeven. -Toen zij evenwel een blik op haar zelve sloeg, en ontwaardde in welken staat zij zich -in de armen van een man bevond, toen poogde zij zich andermaal los te rukken. Haar -gelaat was door het zeewater van de verf, die het bedekt had, <span class="corr" id="xd30e13808" title="Bron: gegereinigd">gereinigd</span> geworden. De blos, die hare wangen kleurde, was dus duidelijk waarneembaar; zij sloeg -de oogen schuchter voor zijnen brandenden blik neder. -</p> -<p>„Laat mij, Karel, laat mij”<span id="xd30e13813"></span> sprak zij in de uiterste verwarring. -</p> -<p>Hij klemde haar vaster tegen zijne borst aan, en overdekte haar gelaat met honderden -kussen. -</p> -<p>„Anna, ik bemin je! Anna, ik heb je weêrgevonden<span class="corr" id="xd30e13818" title="Bron: .">,</span>” kreet hij in het paroxysme van den hartstocht. „Anna, nimmer verlaat ik je weer!” -</p> -<p>„Maar, Karel, heb toch medelijden met mij,” sprak zij met aarzelende, beschroomde -stem, terwijl zij zijne liefkoozingen zooveel mogelijk afweerde. „Ik kan en mag u -nimmer toebehooren.” -</p> -<p>„Anna!” kreet hij; terwijl hij haar nog vaster tegen zich aanklemde. -</p> -<p>Zij vergiste zich hoogstwaarschijnlijk in de beteekenis van dat gebaar. Althans met -weemoedige stembuiging hernam zij: -</p> -<p>„Neen, Karel, uwe echtgenoote kan ik niet worden, en … nietwaar?… gij hebt mij te -lief, om mij anders te verlangen.” -</p> -<p>De blik van het jonge meisje was daarbij zoo treurig, dat Van Nerekool besefte, hoezeer -hij hare gevoeligheid gekwetst had. Hij liet haar uit zijne omklemming los, <span class="pageNum" id="pb2.311">[<a href="#pb2.311">311</a>]</span>hoewel hij zijn eenen arm om haar middel geslagen hield. -</p> -<p>„Maar, Anna,” hernam hij, „waarom zoudt gij nu mijne echtgenoote niet kunnen worden?” -vroeg hij met aandrang. -</p> -<p>„Destijds niet en nu niet,” sprak zij beslist. „Ik schreef u de redenen uitvoerig … -Laat mij nu los!” -</p> -<p>Zij wilde zich ook van dien eenen arm ontslaan; dat gedoogde hij echter niet. -</p> -<p>„Maar, Anna, de omstandigheden zijn zoo veranderd …” hernam hij. -</p> -<p>„Welke omstandigheden?” vroeg zij hem in het gelaat starende. -</p> -<p>„Nu uw vader en moeder d …” -</p> -<p>„Wat, mijn vader en moeder dood?”… riep zij uit, voordat hij het laatste woord nog -uitgesproken had. -</p> -<p>Hij knikte bevestigend. Het jonge meisje bedekte zich het gelaat met beide handen -en snikte hoorbaar. Het was een zonderling tooneel daar in die half duistere grot, -die twee jongelieden, waarvan de eene in zijne hemdsmouwen zat, en de andere met haar -natte sarong en kabaja ternauwernood gekleed mocht heeten, daar bij elkander op die -rots te zien zitten. Zij met de handen voor het gelaat, hij haar uitvorschend aanstarend, -en de gedachten bespiedend, welke in dat maagdelijk gemoed woelden en waarvan zijn -levensgeluk afhing. -</p> -<p>„Maar, is het wel waar?” vroeg zij hevig snikkend. „Het zou te wreed zijn zoo eene -tijding te verzinnen! Karel!… Karel, wat moet ik gelooven?” -</p> -<p>„Zoudt gij kunnen denken, Anna, lieve Anna, dat ik zoo met uw kinderlijk gevoel zou -kunnen spelen? Dat is mij toch miskennen, zeg, Anna?” -</p> -<p>Zij weende bitter en was troosteloos. Hij trok haar naar zich toe. Nu evenwel bood -zij geen weerstand, maar vlijde zich aan zijne borst. Het was alsof zij, nu zij wees -was, nu zij zich alleen op de wereld gevoelde, thans bescherming zocht bij den man, -die zoozeer indruk op haar gemaakt had. -</p> -<p>„Beiden dood …” herhaalde zij. „Waaraan zijn zij gestorven? Vertel mij, hoe zich dat -toegedragen heeft. Gij komt regelrecht van Santjoemeh, gij zult, gij moet dus alles -weten.” -<span class="pageNum" id="pb2.312">[<a href="#pb2.312">312</a>]</span></p> -<p>„Integendeel, mijne Anna, ik weet niets. Toen ik Santjoemeh verliet, waren uwe ouders -springlevend<span class="corr" id="xd30e13846" title="Bron: ,">.</span> Dien morgen toen ik met Grenits naar herwaarts reisde.… -</p> -<p>„Met Grenits?” vroeg zij. „Theodoor Grenits? Is die bij u?” -</p> -<p>„Ja, dierbare,.… toen reisden mijnheer en mevrouw Van Gulpendam, naar Soeka maniesan?” -</p> -<p>„Soeka maniesan?… Wat is dat?” vroeg zij. -</p> -<p>„Dat is eene suikerfabriek in het oostelijk gedeelte van de residentie Santjoemeh -gelegen.… Eerst te Gombong kregen wij tijding van het overlijden, een telegram …” -</p> -<p>En, nu verhaalde hij in weinige woorden, hetgeen hij wist, en wat niet veel was, namelijk, -dat het paar door eene bende ketjoe’s was omgebracht. De brief, waarbij Van Rheijn -hem bizonderheden toezeide, had hij nog niet ontvangen. Die zou wel te Gombong liggen. -</p> -<p>Na dat verhaal zweeg Van Nerekool een poos. Hij wilde Anna tijd gunnen, om van de -ontsteltenis te bekomen, die dat bericht op hare zoo teêrgevoelige ziel moest gemaakt -hebben. Het lieve kind zat, tegen hem aangeleund, bitter te schreien. Neen, haar karakter -had hoegenaamd geene punten van overeenkomst met dat van hare ouders. Zij zelve had -de scheiding bewerkstelligd; zij was <span class="corr" id="xd30e13857" title="Bron: heêngegaan">heengegaan</span> om hen nimmer weer te zien; zij had het ouderlijke huis verlaten, met het vaste voornemen -daarin nimmer terug te keeren. Nu evenwel de dood tusschenbeide trad, om het weerzien -onmogelijk en de scheiding onherroepelijk te maken, vloog hare ziel de wezens, waar -zij het leven aan verschuldigd was, te gemoet, en vergat zij het geledene, het verkeerde, -om slechts aan het goede te denken. Ja, zij was innig bedroefd; en wanneer het in -hare macht gestaan had, zou zij, al ware het ten koste van haar leven, het gebeurde -ongedaan maken. -</p> -<p>Terwijl zij daar zoo gezeten hadden, was de eb langzamerhand ingetreden, en trok het -water zich terug. Bij iedere deininggolf, die aanrolde, drong minder water de grot -binnen, spatte het minder hoog, pleegde het minder geweld. Dat ging afnemend zoo voort, -totdat de kracht aan het aanrollende zilt geheel en al ontbrak om zich te doen gelden. -Het waren nog slechts golfjes, die de Goewah binnendrongen, zich daar in de grot kringsgewijze -<span class="pageNum" id="pb2.313">[<a href="#pb2.313">313</a>]</span>uitbreidden, en met zacht geklots de rots, waarop onze jongelieden zaten, kwamen lekken. -</p> -<p>„Het wordt tijd, dierbare Anna,” begon Van Nerekool om de stilte af te breken, en -aan de smart zijner gezellin eene afleiding te bezorgen. „Wij zouden andermaal door -den vloed verrast kunnen worden.” -</p> -<p>Zij hief het hoofdje op, en keek rond. Toen zij de zee zoo kalm zag, begreep ook zij, -dat er niet gedraald mocht worden; want dat anders de vloed weer zou kunnen komen -opzetten. Zij veegde hare tranen af. -</p> -<p>„Ja, wij moeten heen,” sprak zij.… „Maar kunt gij zwemmen? Want gij ziet, het water -dat in de grot blijft staan, is veel te diep om doorwaad te kunnen worden.… Ja … kunt -ge? Dan is de ladder, die daar bengelt, spoedig bereikt.” -</p> -<p>Zij wilde zich reeds van de rots, waarop zij redding gevonden hadden, laten afglijden. -Maar hij weerhield haar, sloeg den arm nog vaster om haar middel, en drukte haar zacht -tegen zich aan. -</p> -<p>„Het is nu, na die vreeselijke mededeeling, wel geen tijd om over liefde te spreken,” -hernam hij. „Maar Anna, ik heb mij in den laatsten tijd zoo ontzettend ongelukkig -gevoeld, beloof mij in dit uur, mij niet meer te willen ontvluchten?” -</p> -<p>Zij keek hem aan. Tranen blonken in hare schoone oogen. Een waas van droefenis was -over haar geheele wezen uitgespreid, en het was haar onmogelijk een woord te kunnen -uiten. -</p> -<p>„Alle hinderpalen tot onze verbinding zijn nu opgeheven,” ging hij zacht fluisterend -aan haar oor voort. „Gij zijt thans uwe eigene meesteres<span class="corr" id="xd30e13873" title="Bron: ,">.</span> <span id="xd30e13876"></span>Zeg, Anna, mag ik hopen?<span class="corr" title="Niet in bron">”</span>.… -</p> -<p>Zij wendde het hoofdje af; maar lei hem de hand op den mond. Hij greep die hand, hij -drukte er een innigen kus op. -</p> -<p>„Dank!” zei hij<span class="corr" id="xd30e13883" title="Niet in bron">.</span> „Neen, gij kunt mij in dit uur geen ander antwoord geven … Nogmaals dank!… Maar, -Anna nu te water. Wij moeten hier weg!” -</p> -<p>Juist wilden beiden zich van de rots laten glijden, toen stemmen vernomen werden. -Verrast keken beiden op. Het waren Dalima, Grenits en Murowsky, vergezeld van een -paar Javanen, die—wij weten het—in eene djoekoeng bij den ingang der grot verschenen. -<span class="pageNum" id="pb2.314">[<a href="#pb2.314">314</a>]</span></p> -<p>„God!” riep Anna, „en ik in die natte kleeding!” -</p> -<p>Zij sloeg een blik op zich en bloosde hevig, toen zij zag hoe hare natte kabaai en -sarong hare ledematen plastisch modelleerden. Zij voelde het oog van Karel op haar -rusten, en dat maakte hare verwarring nog grooter. Hij evenwel, nam het jasje, waarop -zij gezeten had, en bood haar dat aan. -</p> -<p>De djoekoeng naderde intusschen, en zoowel Dalima als de twee vrienden waren uitgelaten -van vreugde, toen zij de reeds verloren gewaanden springlevend terugvonden. De loerah -van de dèsa Ajo had bij het van wal steken uit voorzorg een paar sarongs medegenomen. -</p> -<p>„Om de lijken in te wikkelen,” had hij gezegd, zoozeer was hij overtuigd, dat een -ongeluk gebeurd was. -</p> -<p>De sarongs kwamen nu goed te pas. Anna wikkelde zich er goed in, en werd daarbij door -Dalima geholpen. Daarna liet zij zich in den djoekoeng glijden. -</p> -<p>Weinige minuten later waren zij buiten de grot, en ongeveer een paar uren later waren -Anna, Dalima, Van Nerekool, Grenits en Murowsky in het huisje op de helling van den -Goenoeng Poleng vereenigd. In die samenkomst werden snelle besluiten genomen en voor -dat de zon het zenith overschreden had, zaten Anna en Dalima ieder in een tandoe, -en waren op weg naar Karang Anjer. De blanken vormden eene escorte bij die twee draagstoelen, -die indrukwekkend mocht heeten, daar alle drie met jachtgeweren gewapend waren. -</p> -<p>Bij de familie Steenvlak was Anna de gulste gastvrijheid beschoren. Zij zou daar blijven -logeeren, totdat.… Ja, totdat de rouwtijd om zoude zijn. -</p> -<p>Toen dat alles goed geregeld was, keerden de jonge mannen naar Gombong terug. Theodoor -en Karel wilden van den kapitein-kommandant afscheid nemen en hem bedanken voor het -verleende verlof aan Murowsky. -</p> -<p>„Wel,” vroeg de brave krijgsman, „zijt gijlieden in uwe jacht geslaagd?” -</p> -<p>„Uitmuntend,” antwoordde Grenits. -</p> -<p>„Hebt gij fraaie exemplaren buit gemaakt?” -</p> -<p>„Ja, kapitein,” antwoordde Murowsky schalks; „wij hebben onder anderen een fraai, -een onvindbaar kapelletje, een <span lang="la">puella formosa</span><a class="noteRef" id="xd30e13904src" href="#xd30e13904">4</a> gevangen.” -<span class="pageNum" id="pb2.315">[<a href="#pb2.315">315</a>]</span></p> -<p>„Nou, geluk met dat diertje; maar blijf mij met jullie Latijn van het lijf.” -</p> -<p>Zelfs Van Nerekool kon een glimlach niet weerhouden bij de gedachte aan het kapelletje -dat opgespoord was. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>Veertien maanden later trad Anna van Gulpendam met Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool in den echt. Het huwelijk werd zonder praal voltrokken te Karang Anjer door -en ten huize van den assistent-resident Steenvlak. August <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Beneden en Theodoor Grenits waren de getuigen van de bruid, en Eduard <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Rheijn en Murowsky die van den bruidegom. Bij het eindigen der plechtigheid kwam -ook Willem Verstork aan, die na den dood van den resident Van Gulpendam weer naar -de residentie Santjoemeh overgeplaatst werd. Niemand rekende meer op zijne tegenwoordigheid, -daar een telegram de tijding aangebracht had, dat het stoomschip, waarmede hij van -Batavia naar zijne bestemmingsplaats reisde, ter hoogte van Tegal aan den grond geraakt -was. Toen evenwel het vlotbrengen van het vaartuig niet voorspoedig ging, was hij -ontscheept, en had de reis van laatstgenoemde plaats per postrijtuig over de hellingen -van den Slamat<a class="noteRef" id="xd30e13928src" href="#xd30e13928">5</a> naar Karang Anjer aanvaard. Hij moest en hij zou het huwelijk van Karel <span class="corr" title="Bron: Van">van</span> Nerekool bijwonen! Hij ondervond ook bij deze landreis vertraging, waardoor hij te -laat aankwam voor de plechtigheid; maar toch nog vroeg genoeg, om op dezen heuglijken -dag in te stemmen in het koor van gelukwenschen, dat het jonge paar ten deel viel. -Als ooit hartelijke handdrukken gewisseld waren, dan kon dat betuigd worden van dien -vriendendrom, die, bij gebrek aan verwanten van weerszijden, de jonggetrouwden omgaf. -</p> -<p>Na de voltrekking van het huwelijk, vertrokken mevrouw en mijnheer Van Nerekool naar -Tjilatjap, van waar zij met de boot naar Batavia zouden reizen. De rechterlijke ambtenaar -was bij den raad van Justitie aldaar overgeplaatst. De anderen keerden naar hunne -standplaats, <span class="pageNum" id="pb2.316">[<a href="#pb2.316">316</a>]</span>Murowsky naar Gombong en de overigen naar Santjoemeh terug, waar zij hunne dagelijksche -taak, hen door het lot op de schouders gelegd, hervatten. Allen werden evenwel door -eene machtige gedachte beheerscht, die—zoo namen zij zich voor—alle hunne daden zoude -kenmerken. En die gedachte was: Onverbiddelijke oorlog, oorlog <span lang="fr">á outrance</span> aan de opiumpacht! Slaagde men er in te voorkomen, dat het verderfelijke heulsap -der arme bevolking met behulp der regeering en der politie opgedrongen werd, dan zoude -het opiumverbruik wel verminderen. -</p> -<p class="tb"></p><p> -</p> -<p>En nu<span class="corr" id="xd30e13947" title="Bron: .">,</span> om ten slotte te eindigen met de persoon, welker naam tot titel van dit boek strekt, -zij den lezer medegedeeld, dat baboe Dalima weinige maanden, nadat de beide geliefden -elkander in een der grotten van het Karang Bollongsche gebergte weêrgevonden hadden, -een dood kind had ter wereld gebracht. Dat had haar uitermate bedroefd; want in weerwil -van de misdaad, waarvan zij het slachtoffer geweest was, had zij een gevoel van moederweelde -in zich voelen ontkiemen en grooter worden, naarmate het wezen, dat zij binnen hare -lendenen omsloten droeg, zich ontwikkelde. O, zij zou dat kindje zoo teeder bemind -hebben, zij zou het zoo verzorgd, zoo geliefkoosd hebben, als wel geen ander moeder -het beter vermocht. Zij had reeds een wiegje voor het wicht klaar, geene wieg, zooals -wij Westerlingen die kennen, neen, een eenvoudig mandje van bamboelatjes, maar door -haar zelve gevlochten, doch van binnen zoo weelderig, zoo mollig van kussens voorzien, -en door een harer sarongs omgeven om des nachts de muskieten en over dag de te felle -lichtstralen af te wenden, dat het als het ware een nestje zou vormen, dat opgehangen -met een paar stevige touwen aan de sparren van de voorgalerij van het vertrekje, hetwelk -zij bewonen zou, heen en weer wiegelen zou; terwijl zij, overgelukkig in hare moedervreugde, -zacht op de gambang<a class="noteRef" id="xd30e13950src" href="#xd30e13950">6</a> zoude tokkelen, om het dierbaar wezentje door de heerlijke tonen te verrukken. En -dat alles was nu weg! Hare vrucht was niet bestand geweest tegen de vermoeienissen, -welke zij zich zelve opgelegd had, <span class="pageNum" id="pb2.317">[<a href="#pb2.317">317</a>]</span>tegen de aandoeningen, die haar bij den tocht naar de Goewah Temon, waar hare Nana -zoo in levensgevaar verkeerd had, bestormd hadden. Ja, zij was uiterst bedroefd geweest; -maar … de tijd verzacht de grootste smarten. Daarenboven zij was nu bij Nana, zij -zou tot haren laatsten snik bij haar blijven. Zij was met haar naar Batavia gereisd. -Zij zou de baboe zijn van de kleine Van Nerekooltjes, die de huwelijksweelde van het -jonge paar zouden komen verrijken en, voor ieder, die met de innige genegenheid bekend -is, waarmede de Javanen zich in den huishoudelijken omgang aan de blanken hechten, -wanneer zij door dezen goed behandeld worden, zal het duidelijk zijn, dat zij dat -voornemen stipt getrouw zou blijven. -</p> -</div> -<div class="footnotes"> -<hr class="fnsep"> -<div class="footnote-body"> -<div id="xd30e13597"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13597src">1</a></span> <i>Goewah Temon.</i> Die vogelnestklip ligt aan de westzijde van den Watoe Boetak<span class="corr" title="Niet in bron">,</span> een uitlooper van den Goenoeng Poleng. <a class="fnarrow" href="#xd30e13597src" title="Ga terug naar noot 1 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13617"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13617src">2</a></span> De Tjimeringheuvel op het eiland Noesa Kembangan bevindt zich op 7°46′30″ Z. Breedte -en 109°1′55″ O. Lengte van Greenwich. Op dien heuvel—525 voet hoog—verheft zich een -vuurtoren ter hoogte van 80 voet met wit draailicht, dat op 6 D. G. Mijlen zichtbaar -is. <a class="fnarrow" href="#xd30e13617src" title="Ga terug naar noot 2 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13701"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13701src">3</a></span> <i>De lange ladder.</i> De ladder van de Goewah Djoembling is 660 voet lang, die van de Tenom-grot, waarop -hier gedoeld wordt, verschilt daarmede zeer weinig. <a class="fnarrow" href="#xd30e13701src" title="Ga terug naar noot 3 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13904"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13904src">4</a></span> <i lang="la">Puella formosa</i> beteekent: schoon meisje. Zooals de lezer wel <span class="pageNum" id="pb2.315n">[<a href="#pb2.315n">315</a>]</span>gissen zal, doelde hier de olijke Pool op het vinden van Anna van Gulpendam. <a class="fnarrow" href="#xd30e13904src" title="Ga terug naar noot 4 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13928"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13928src">5</a></span> <i>De Slamat</i> is een nog steeds werkende vulkaan in Midden-Java op de grenzen der residentiën Tegal -en Banjoemas gelegen. Hij bereikt eene hoogte van 10.385 voet. <a class="fnarrow" href="#xd30e13928src" title="Ga terug naar noot 5 in tekst.">↑</a></p> -</div> -<div id="xd30e13950"> -<p class="footnote"><span class="fnlabel"><a class="noteRef" href="#xd30e13950src">6</a></span> <i>De gambang.</i> Zie hieromtrent de <a href="#n98.1">noot</a> op bladz. 98 van het eerste deel. <a class="fnarrow" href="#xd30e13950src" title="Ga terug naar noot 6 in tekst.">↑</a></p> -</div> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div class="back"> -<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> -<div class="div1"> -<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> -<table summary="Inhoudsopgave"> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord">VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord">V</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord2">VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord2">VII</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#voorwoord3">VOORWOORD VOOR DEN DERDEN DRUK.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#voorwoord3">VIII</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum"></td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#toc">INHOUD.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#toc">XVI</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">I. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch1">Bij Moeara Tjatjing.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">II. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch2">In de djaga monjet.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">15</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">III. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch3">Hoekoem Kamadoog.—De familie Van Gulpendam.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">29</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch4">De draden verwikkelen.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">45</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">V. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch5">In de voor- en binnen-galerij.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">60</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch6">Een echtpaar.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">72</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch7">Een verraderlijk dèsa-genoot.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">88</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">VIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch8">Eene dèsa in verval, Pak Ardjan’s arrestatie.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch8">104</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">IX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch9">Kuiperijen.—Een vrienden-drietal.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch9">118</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">X. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch10">Une invitation à la chasse, en une invitation à la valse.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch10">132</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch11">In den residents-tuin.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch11">146</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch12">Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch12">161</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch13">Op weg naar het jachtterrein.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch13">176</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch14">Eene huiszoeking met hare gevolgen.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch14">191</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch15">Onder den Wariengienboom.—In de opium-kit.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch15">203</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch16">Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch16">221</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch17">In den Djoerang Pringapoes.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch17">239</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XVIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch18">De onschuld ten val.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch18">252</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XIX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch19">„<span lang="ms">Toeloeng! Toeloeng, toean!</span>”</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch19">265</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch20">Aan de rijsttafel.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch20">280</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch21">Op het kantoor van den resident.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch21">300</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch22">Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch22">312</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch23">Eene verhinderde landraadzitting.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch23">1</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch24">Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch24">15</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch25">Eva’s dochteren en de slang.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch25">31</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch26">Aardig gemanoeuvreerd!</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch26">45</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch27"><span lang="la">Summum jus summa injuria</span>.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch27">58</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXVIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch28">Correspondentie.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch28">71</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXIX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch29">Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch29">85</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch30">Baboe Dalima naar Karang Anjer.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch30">102</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch31">Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch31">116</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch32">Eene wetenschappelijke opiumkit.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch32">133</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch33">In de regents-pandoppo.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch33">147</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch34">Eene landraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch34">162</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXV. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch35">Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch35">179</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch36">Lim Ho’s huwelijk.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch36">193</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch37">Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opiumkongsie’s in gevecht.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch37">211</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXVIII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch38">De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch38">226</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XXXIX. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch39">Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch39">243</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XL. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch40">Het „<span lang="la">virtus nobilitat</span>”.—Anna en Dalima.—Een telegram.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch40">261</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XLI. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch41">De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch41">275</a></td> -</tr> -<tr> -<td class="tocDivNum">XLII. </td> -<td class="tocDivTitle" colspan="8"><a href="#ch42">Naar en in de Goewah Temon.—Besluit.</a></td> -<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch42">293</a></td> -</tr> -</table> -</div> -<div class="transcriberNote"> -<h2 class="main">Colofon</h2> -<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> -<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen -van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden -van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. -</p> -<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op <a class="seclink xd30e39" title="Externe link" href="https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>. -</p> -<p>Een Engelse vertaling van dit boek is beschikbaar als <a class="pglink xd30e39" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href="https://www.gutenberg.org/ebooks/60751"><i lang="en">Baboe Dalima; or, The Opium Fiend</i></a>. -</p> -<h3 class="main">Metadata</h3> -<table class="colophonMetadata" summary="Metadata"> -<tr> -<td><b>Titel:</b></td> -<td>Baboe Dalima</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Auteur:</b></td> -<td>Michaël Théophile Hubert Perelaer (1831–1901)</td> -<td><a href="https://viaf.org/viaf/63940690/" class="seclink">Info</a></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Taal:</b></td> -<td>Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Oorspronkelijke uitgiftedatum:</b></td> -<td>1898</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b>Trefwoorden:</b></td> -<td>Java (Indonesia) -- History -- 19th century -- Fiction</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b></b></td> -<td>Opium abuse -- Fiction</td> -<td></td> -</tr> -<tr> -<td><b></b></td> -<td>Opium trade -- Indonesia -- Fiction</td> -<td></td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Codering</h3> -<p class="first">Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het -einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel -zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van -dit boek.</p> -<p>De oorspronkelijke twee delen van dit werk zijn geïntegreerd tot één geheel. De titelpagina -van het tweede deel is hierbij weggelaten, en de inhoudsopgave gecombineerd met die -van het eerste deel.</p> -<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> -<ul> -<li>2021-07-10 Begonnen. -</li> -</ul> -<h3 class="main">Externe Referenties</h3> -<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze links -voor u niet werken.</p> -<h3 class="main">Verbeteringen</h3> -<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> -<table class="correctionTable" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> -<tr> -<th>Bladzijde</th> -<th>Bron</th> -<th>Verbetering</th> -<th>Bewerkingsafstand</th> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e193">V</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3485">126</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6730">287</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8747">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8871">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9143">76</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9369">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10469">137</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11610">193</a></td> -<td class="width40 bottom">Nederlandsch Indië</td> -<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indië</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e274">VII</a></td> -<td class="width40 bottom">Slruyck</td> -<td class="width40 bottom">Struyck</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e508">XIII</a></td> -<td class="width40 bottom">Kritici</td> -<td class="width40 bottom">Critici</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e930">V</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11077">162</a></td> -<td class="width40 bottom">landraadszitting</td> -<td class="width40 bottom">landraadzitting</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="49 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1114">6</a></td> -<td class="width40 bottom">is</td> -<td class="width40 bottom">Is</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1194">12</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8813">56</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8819">56</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8896">59</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10610">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10617">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10629">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10667">144</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13493">289</a></td> -<td class="width40 bottom">patient</td> -<td class="width40 bottom">patiënt</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1223">13</a></td> -<td class="width40 bottom">werdt</td> -<td class="width40 bottom">werd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1271">16</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2360">66</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2483">72</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2623">77</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3040">99</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3934">155</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4441">179</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5392">226</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5422">227</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5809">243</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7592">324</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7603">324</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7674">325</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10400">135</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11626">194</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12655">240</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13883">313</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1302">17</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2050">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2420">69</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3867">149</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6072">261</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7192">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7369">319</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7850">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7999">14</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8504">39</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8559">42</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10454">136</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10607">143</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11323">178</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11860">204</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12706">243</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13727">303</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13846">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13873">313</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1338">18</a></td> -<td class="width40 bottom">fletste</td> -<td class="width40 bottom">fletse</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="33 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1414">21</a></td> -<td class="width40 bottom">lachtte</td> -<td class="width40 bottom">lachte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1437">23</a></td> -<td class="width40 bottom">huwlijksdag</td> -<td class="width40 bottom">huwelijksdag</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1522">27</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1994">50</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1670">37</a>, <a class="pageref" href="#xd30e1676">37</a></td> -<td class="width40 bottom">lektuur</td> -<td class="width40 bottom">lectuur</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1684">37</a></td> -<td class="width40 bottom">jaloesieramen</td> -<td class="width40 bottom">jaloezie-ramen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="114 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom">Van</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1720">39</a></td> -<td class="width40 bottom">nênèh</td> -<td class="width40 bottom">nènèh</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><i title="26 gevallen">Passim. -</i></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e1920">47</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2178">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2648">78</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3701">140</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5070">211</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7950">12</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10247">129</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10861">153</a></td> -<td class="width40 bottom">N. I.</td> -<td class="width40 bottom">N.-I.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2011">51</a></td> -<td class="width40 bottom">Sekretaris</td> -<td class="width40 bottom">Secretaris</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2033">52</a></td> -<td class="width40 bottom">voeg</td> -<td class="width40 bottom">vroeg</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2038">52</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3437">123</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5329">224</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6657">285</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7643">325</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8473">38</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8525">40</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9223">83</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10012">120</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12054">213</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12186">219</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12205">220</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12250">221</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12290">222</a></td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2080">53</a></td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2165">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e2947">93</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3113">104</a>, <a class="pageref" href="#xd30e3192">107</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9497">96</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9502">96</a></td> -<td class="width40 bottom">produkt</td> -<td class="width40 bottom">product</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2302">63</a></td> -<td class="width40 bottom">Eduard</td> -<td class="width40 bottom">Karel</td> -<td class="bottom">5</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2493">72</a></td> -<td class="width40 bottom">adsistent-resident</td> -<td class="width40 bottom">assistent-resident</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2578">75</a></td> -<td class="width40 bottom">Societeit</td> -<td class="width40 bottom">Sociëteit</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2581">75</a></td> -<td class="width40 bottom">millieu</td> -<td class="width40 bottom">milieu</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2606">76</a></td> -<td class="width40 bottom">M’bok</td> -<td class="width40 bottom">’Mbok</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2783">83</a></td> -<td class="width40 bottom">„ </td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2789">83</a></td> -<td class="width40 bottom">ondoek</td> -<td class="width40 bottom">oendoek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2810">84</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5783">242</a></td> -<td class="width40 bottom">daarmêe</td> -<td class="width40 bottom">daarmeê</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2826">86</a></td> -<td class="width40 bottom">Karja</td> -<td class="width40 bottom">Karjå</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2859">88</a></td> -<td class="width40 bottom">biembieng</td> -<td class="width40 bottom">bliembieng</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2893">90</a></td> -<td class="width40 bottom">Singomongolo</td> -<td class="width40 bottom">Singomengolo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2957">94</a></td> -<td class="width40 bottom">Indie</td> -<td class="width40 bottom">Indië</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e2984">95</a></td> -<td class="width40 bottom">donker blauwe</td> -<td class="width40 bottom">donkerblauwe</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3018">97</a></td> -<td class="width40 bottom">rederijkrs-voordrachten</td> -<td class="width40 bottom">rederijkers-voordrachten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3072">101</a></td> -<td class="width40 bottom">spelloods</td> -<td class="width40 bottom">speelloods</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3151">105</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6188">266</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6226">268</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6242">269</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6251">269</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7588">323</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12854">253</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3160">105</a></td> -<td class="width40 bottom">kati</td> -<td class="width40 bottom">katie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3163">105</a></td> -<td class="width40 bottom">miligram</td> -<td class="width40 bottom">milligram</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3199">108</a></td> -<td class="width40 bottom">zou-het</td> -<td class="width40 bottom">zou het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3243">112</a></td> -<td class="width40 bottom">thaël</td> -<td class="width40 bottom">taël</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3252">113</a></td> -<td class="width40 bottom">papaverprodukt</td> -<td class="width40 bottom">papaverproduct</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3287">115</a></td> -<td class="width40 bottom">verooroorzaakte</td> -<td class="width40 bottom">veroorzaakte</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3345">119</a></td> -<td class="width40 bottom">toepijs</td> -<td class="width40 bottom">toespijs</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3353">119</a></td> -<td class="width40 bottom">goudged</td> -<td class="width40 bottom">goudgeld</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3391">121</a></td> -<td class="width40 bottom">njoonja</td> -<td class="width40 bottom">njonja</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3501">127</a></td> -<td class="width40 bottom">distrikt</td> -<td class="width40 bottom">district</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3507">127</a></td> -<td class="width40 bottom">stipste</td> -<td class="width40 bottom">stiptste</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3550">131</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13409">283</a></td> -<td class="width40 bottom">Moera</td> -<td class="width40 bottom">Moeara</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3614">134</a></td> -<td class="width40 bottom">ik</td> -<td class="width40 bottom">Ik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3630">135</a></td> -<td class="width40 bottom">glasvlammen</td> -<td class="width40 bottom">gasvlammen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3670">139</a></td> -<td class="width40 bottom">sekonden</td> -<td class="width40 bottom">seconden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3698">140</a></td> -<td class="width40 bottom">Regeerings Almanak</td> -<td class="width40 bottom">Regeerings-Almanak</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3706">140</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10763">150</a></td> -<td class="width40 bottom">Neêrlandaises</td> -<td class="width40 bottom">hollandaises</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3724">141</a></td> -<td class="width40 bottom">binnengallerij</td> -<td class="width40 bottom">binnengalerij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3756">143</a></td> -<td class="width40 bottom">harstochtelijk</td> -<td class="width40 bottom">hartstochtelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e3776">144</a></td> -<td class="width40 bottom">ant-antwoord</td> -<td class="width40 bottom">antwoord</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4005">160</a></td> -<td class="width40 bottom">ge-gezicht</td> -<td class="width40 bottom">gezicht</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4018">161</a></td> -<td class="width40 bottom">zilvren</td> -<td class="width40 bottom">zilveren</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4109">164</a></td> -<td class="width40 bottom">Preault</td> -<td class="width40 bottom">Préault</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4140">165</a></td> -<td class="width40 bottom">geprek</td> -<td class="width40 bottom">gesprek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4168">166</a></td> -<td class="width40 bottom">cynism</td> -<td class="width40 bottom">cynisme</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4202">168</a></td> -<td class="width40 bottom">onbegrijelijk</td> -<td class="width40 bottom">onbegrijpelijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4364">176</a></td> -<td class="width40 bottom">Makkassaren</td> -<td class="width40 bottom">Makassaren</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4369">176</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4374">176</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7263">314</a></td> -<td class="width40 bottom">Battakkers</td> -<td class="width40 bottom">Batakkers</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4396">177</a></td> -<td class="width40 bottom">Kanari-boomen</td> -<td class="width40 bottom">Kanarie-boomen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4399">177</a></td> -<td class="width40 bottom">boschaduwd</td> -<td class="width40 bottom">beschaduwd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4410">178</a></td> -<td class="width40 bottom">seisoen</td> -<td class="width40 bottom">seizoen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4432">179</a></td> -<td class="width40 bottom">djoeroetoelies</td> -<td class="width40 bottom">djoeroetoelis</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4435">179</a></td> -<td class="width40 bottom">kebajan</td> -<td class="width40 bottom">kabajan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4474">180</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7332">317</a></td> -<td class="width40 bottom">etikette</td> -<td class="width40 bottom">etiquette</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4492">182</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5380">226</a></td> -<td class="width40 bottom">financieel</td> -<td class="width40 bottom">financiëel</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4514">183</a></td> -<td class="width40 bottom">financïeele</td> -<td class="width40 bottom">financiëele</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4531">184</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4538">184</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4546">184</a></td> -<td class="width40 bottom">Rheyn</td> -<td class="width40 bottom">Rheijn</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4578">186</a></td> -<td class="width40 bottom">amohkmaker</td> -<td class="width40 bottom">amokhmaker</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4829">199</a>, <a class="pageref" href="#xd30e4861">200</a></td> -<td class="width40 bottom">-</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4960">205</a></td> -<td class="width40 bottom">zóo</td> -<td class="width40 bottom">zóó</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e4985">206</a></td> -<td class="width40 bottom">distillatieprodukt</td> -<td class="width40 bottom">distillatieproduct</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5008">207</a></td> -<td class="width40 bottom">” </td> -<td class="width40 bottom"> „</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5043">210</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7203">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13053">262</a></td> -<td class="width40 bottom">societeit</td> -<td class="width40 bottom">sociëteit</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5059">211</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5064">211</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10051">121</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10651">144</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10656">144</a></td> -<td class="width40 bottom">Macclay</td> -<td class="width40 bottom">Maclay</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5078">211</a></td> -<td class="width40 bottom">Honkong</td> -<td class="width40 bottom">Hongkong</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5087">211</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5155">214</a></td> -<td class="width40 bottom">omwandling</td> -<td class="width40 bottom">omwanding</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5160">215</a></td> -<td class="width40 bottom">reukorgannen</td> -<td class="width40 bottom">reukorganen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5176">215</a></td> -<td class="width40 bottom">strekden</td> -<td class="width40 bottom">strekken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5232">219</a></td> -<td class="width40 bottom">glaat</td> -<td class="width40 bottom">gelaat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5256">222</a></td> -<td class="width40 bottom">statische</td> -<td class="width40 bottom">statistische</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5274">222</a></td> -<td class="width40 bottom">machttig</td> -<td class="width40 bottom">machtig</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5361">225</a></td> -<td class="width40 bottom">geplubliceerd</td> -<td class="width40 bottom">gepubliceerd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5406">227</a></td> -<td class="width40 bottom">Minisster</td> -<td class="width40 bottom">Minister</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5416">227</a></td> -<td class="width40 bottom">belastingheffingstelsel</td> -<td class="width40 bottom">belastingheffingsstelsel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5426">227</a></td> -<td class="width40 bottom">Eijk</td> -<td class="width40 bottom">Eyk</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5439">227</a></td> -<td class="width40 bottom">Ns.</td> -<td class="width40 bottom">N<sup>o</sup></td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5460">228</a></td> -<td class="width40 bottom">men</td> -<td class="width40 bottom">met</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5470">228</a>, <a class="pageref" href="#xd30e5503">230</a></td> -<td class="width40 bottom">persifflage</td> -<td class="width40 bottom">persiflage</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5521">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6566">282</a></td> -<td class="width40 bottom">)</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5524">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6902">297</a></td> -<td class="width40 bottom">advokaat</td> -<td class="width40 bottom">advocaat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5529">231</a></td> -<td class="width40 bottom">Advokaat</td> -<td class="width40 bottom">Advocaat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5539">231</a></td> -<td class="width40 bottom">afgetrokkem</td> -<td class="width40 bottom">afgetrokken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5610">235</a></td> -<td class="width40 bottom">Waringienboom</td> -<td class="width40 bottom">Wariengienboom</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5730">240</a></td> -<td class="width40 bottom">toon</td> -<td class="width40 bottom">teen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5769">241</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5798">242</a></td> -<td class="width40 bottom">kontroleur</td> -<td class="width40 bottom">controleur</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5832">245</a></td> -<td class="width40 bottom">vrolijk</td> -<td class="width40 bottom">vroolijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5890">248</a></td> -<td class="width40 bottom">distriktshoofd</td> -<td class="width40 bottom">districtshoofd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5897">249</a></td> -<td class="width40 bottom">bijken</td> -<td class="width40 bottom">blijken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5910">249</a></td> -<td class="width40 bottom">d</td> -<td class="width40 bottom">de</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5932">252</a></td> -<td class="width40 bottom">spektafel</td> -<td class="width40 bottom">spektakel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5942">253</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9380">91</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10422">135</a></td> -<td class="width40 bottom">mêe</td> -<td class="width40 bottom">meê</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5994">256</a></td> -<td class="width40 bottom">hulpgeschreuw</td> -<td class="width40 bottom">hulpgeschreeuw</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e5999">256</a></td> -<td class="width40 bottom">mêewarigheid</td> -<td class="width40 bottom">meêwarigheid</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6008">257</a></td> -<td class="width40 bottom">Singo mengolo</td> -<td class="width40 bottom">Singomengolo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6060">260</a></td> -<td class="width40 bottom">nootlottige</td> -<td class="width40 bottom">noodlottige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6085">261</a></td> -<td class="width40 bottom">voorspong</td> -<td class="width40 bottom">voorsprong</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6090">261</a></td> -<td class="width40 bottom">Singomengelo</td> -<td class="width40 bottom">Singomengolo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6220">268</a></td> -<td class="width40 bottom">sibifera</td> -<td class="width40 bottom">sebifera</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6237">268</a></td> -<td class="width40 bottom">tot dat</td> -<td class="width40 bottom">totdat</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6244">269</a></td> -<td class="width40 bottom">voorstootte</td> -<td class="width40 bottom">voortstootte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6247">269</a></td> -<td class="width40 bottom">kruiddamp</td> -<td class="width40 bottom">kruitdamp</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6253">269</a></td> -<td class="width40 bottom">vòòr</td> -<td class="width40 bottom">vóór</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6260">270</a></td> -<td class="width40 bottom">blood</td> -<td class="width40 bottom">bloed</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6285">272</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11177">165</a></td> -<td class="width40 bottom">’,</td> -<td class="width40 bottom">”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6290">272</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13813">310</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6429">276</a></td> -<td class="width40 bottom">klêeren</td> -<td class="width40 bottom">kleêren</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6487">278</a></td> -<td class="width40 bottom">Mokeseup</td> -<td class="width40 bottom">Mokesuep</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6493">278</a></td> -<td class="width40 bottom">binnen-nengekomen</td> -<td class="width40 bottom">binnengekomen</td> -<td class="bottom">4</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6532">280</a></td> -<td class="width40 bottom">polietie-agent</td> -<td class="width40 bottom">politie-agent</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6611">283</a></td> -<td class="width40 bottom">asep</td> -<td class="width40 bottom">assep</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6647">284</a></td> -<td class="width40 bottom">districtshooofd</td> -<td class="width40 bottom">districtshoofd</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6667">285</a></td> -<td class="width40 bottom">versterkt</td> -<td class="width40 bottom">verstrekt</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6671">285</a></td> -<td class="width40 bottom"> ,</td> -<td class="width40 bottom">, </td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6751">288</a></td> -<td class="width40 bottom">tegen overstelde</td> -<td class="width40 bottom">tegenoverstelde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6799">290</a></td> -<td class="width40 bottom">bilk</td> -<td class="width40 bottom">blik</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6824">291</a></td> -<td class="width40 bottom">Trengalek</td> -<td class="width40 bottom">Trenggalek</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6831">292</a></td> -<td class="width40 bottom">waarmêe</td> -<td class="width40 bottom">waarmeê</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6846">294</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6856">294</a>, <a class="pageref" href="#xd30e6919">298</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7420">321</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7811">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8785">55</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10031">121</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10258">129</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10721">148</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12243">221</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13488">288</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13818">310</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13947">316</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6876">296</a></td> -<td class="width40 bottom">zon-</td> -<td class="width40 bottom">zonder</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e6886">296</a></td> -<td class="width40 bottom">Wariengien-boom</td> -<td class="width40 bottom">Wariengienboom</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7059">305</a></td> -<td class="width40 bottom">nn</td> -<td class="width40 bottom">nu</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7064">305</a></td> -<td class="width40 bottom">ontzach</td> -<td class="width40 bottom">ontzag</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7200">312</a></td> -<td class="width40 bottom">societeits-avond</td> -<td class="width40 bottom">sociëteits-avond</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7212">312</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7239">313</a></td> -<td class="width40 bottom">societeits-gebouw</td> -<td class="width40 bottom">sociëteits-gebouw</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7233">313</a></td> -<td class="width40 bottom">Nerekeol</td> -<td class="width40 bottom">Nerekool</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7299">315</a></td> -<td class="width40 bottom">¡</td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7312">316</a></td> -<td class="width40 bottom">ergelijken</td> -<td class="width40 bottom">ergerlijken</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7318">316</a></td> -<td class="width40 bottom">partijën</td> -<td class="width40 bottom">partijen</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7321">316</a></td> -<td class="width40 bottom">onmolijk</td> -<td class="width40 bottom">onmogelijk</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7339">317</a></td> -<td class="width40 bottom">brutaliteid</td> -<td class="width40 bottom">brutaliteit</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7366">319</a>, <a class="pageref" href="#xd30e9807">112</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13798">310</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7415">320</a></td> -<td class="width40 bottom">Talijke</td> -<td class="width40 bottom">Talrijke</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7583">323</a></td> -<td class="width40 bottom">Luitenand</td> -<td class="width40 bottom">Luitenant</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7632">325</a></td> -<td class="width40 bottom">Ned.-Indie</td> -<td class="width40 bottom">Ned.-Indië</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7658">325</a>, <a class="pageref" href="#xd30e7942">12</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8002">14</a>, <a class="pageref" href="#xd30e10151">124</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11222">168</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13666">300</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13672">300</a></td> -<td class="width40 bottom">..</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7788">4</a></td> -<td class="width40 bottom">geokmen</td> -<td class="width40 bottom">gekomen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7814">6</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8874">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8938">61</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12867">254</a></td> -<td class="width40 bottom">Gouverneur Generaal</td> -<td class="width40 bottom">Gouverneur-Generaal</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7838">8</a>, <a class="pageref" href="#xd30e8862">58</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13010">259</a></td> -<td class="width40 bottom">Nederlandsch Indische</td> -<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indische</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7856">8</a></td> -<td class="width40 bottom">opoppassers</td> -<td class="width40 bottom">oppassers</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7904">10</a></td> -<td class="width40 bottom">opgewonpen</td> -<td class="width40 bottom">opgewonden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e7992">14</a></td> -<td class="width40 bottom">optimâ</td> -<td class="width40 bottom">optima</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8016">15</a></td> -<td class="width40 bottom">zamenzwering</td> -<td class="width40 bottom">samenzwering</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8104">21</a></td> -<td class="width40 bottom">ballustrade</td> -<td class="width40 bottom">balustrade</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8147">25</a></td> -<td class="width40 bottom">wordea</td> -<td class="width40 bottom">worden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8263">29</a></td> -<td class="width40 bottom">commis-</td> -<td class="width40 bottom">commissie</td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8307">31</a></td> -<td class="width40 bottom">kees</td> -<td class="width40 bottom">Kees</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8316">32</a></td> -<td class="width40 bottom">Mahilda</td> -<td class="width40 bottom">Mathilda</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8387">35</a></td> -<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indie</td> -<td class="width40 bottom">Nederlandsch-Indië</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8399">35</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8470">38</a></td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="width40 bottom">?”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8511">39</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8578">43</a></td> -<td class="width40 bottom">snoeperijën</td> -<td class="width40 bottom">snoeperijen</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8616">45</a></td> -<td class="width40 bottom">onstandigheden</td> -<td class="width40 bottom">omstandigheden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8661">47</a></td> -<td class="width40 bottom">Meidena</td> -<td class="width40 bottom">Meidema</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8734">51</a></td> -<td class="width40 bottom">oogenbiik</td> -<td class="width40 bottom">oogenblik</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8777">54</a></td> -<td class="width40 bottom">waaarschijnlijk</td> -<td class="width40 bottom">waarschijnlijk</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8831">57</a></td> -<td class="width40 bottom">varïeteit</td> -<td class="width40 bottom">variëteit</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8841">57</a></td> -<td class="width40 bottom">oost-mous-son</td> -<td class="width40 bottom">oost-mousson</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8844">57</a></td> -<td class="width40 bottom">rêe</td> -<td class="width40 bottom">reê</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8847">57</a></td> -<td class="width40 bottom">binnensmond</td> -<td class="width40 bottom">binnensmonds</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e8879">59</a></td> -<td class="width40 bottom">koorst</td> -<td class="width40 bottom">koorts</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9018">65</a></td> -<td class="width40 bottom">katti’s</td> -<td class="width40 bottom">katies</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9021">65</a></td> -<td class="width40 bottom">geweldadig</td> -<td class="width40 bottom">gewelddadig</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9040">67</a></td> -<td class="width40 bottom">gadeslagen</td> -<td class="width40 bottom">gadegeslagen</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9094">72</a></td> -<td class="width40 bottom">amokpartij</td> -<td class="width40 bottom">amokhpartij</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9103">72</a></td> -<td class="width40 bottom">roor</td> -<td class="width40 bottom">voor</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9128">75</a></td> -<td class="width40 bottom">bebben</td> -<td class="width40 bottom">hebben</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9137">75</a></td> -<td class="width40 bottom">tree</td> -<td class="width40 bottom">three</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9150">76</a></td> -<td class="width40 bottom">onverschilig</td> -<td class="width40 bottom">onverschillig</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9200">81</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12597">238</a></td> -<td class="width40 bottom">assistent resident</td> -<td class="width40 bottom">assistent-resident</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9203">81</a></td> -<td class="width40 bottom">landbouwonder-ondernemingen</td> -<td class="width40 bottom">landbouwondernemingen</td> -<td class="bottom">6</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9240">84</a></td> -<td class="width40 bottom">Paros-</td> -<td class="width40 bottom">Paras-</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9243">84</a></td> -<td class="width40 bottom">Parosgebergte</td> -<td class="width40 bottom">Parasgebergte</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9281">87</a></td> -<td class="width40 bottom">nêerlei</td> -<td class="width40 bottom">neêrlei</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9425">93</a></td> -<td class="width40 bottom">itam</td> -<td class="width40 bottom">hitam</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9433">94</a></td> -<td class="width40 bottom">proces verbaal</td> -<td class="width40 bottom">proces-verbaal</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9491">95</a></td> -<td class="width40 bottom">een</td> -<td class="width40 bottom">één</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9505">96</a></td> -<td class="width40 bottom">wordeg</td> -<td class="width40 bottom">worden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9535">98</a></td> -<td class="width40 bottom">Venve</td> -<td class="width40 bottom">Veuve</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9558">99</a></td> -<td class="width40 bottom">éêne</td> -<td class="width40 bottom">ééne</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9589">100</a></td> -<td class="width40 bottom">hieden</td> -<td class="width40 bottom">bieden</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9638">101</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">,”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9648">101</a></td> -<td class="width40 bottom">7</td> -<td class="width40 bottom">?</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9707">106</a></td> -<td class="width40 bottom">bescbaving</td> -<td class="width40 bottom">beschaving</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9720">107</a></td> -<td class="width40 bottom">waartusscheu</td> -<td class="width40 bottom">waartusschen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9723">107</a></td> -<td class="width40 bottom">,.</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9734">108</a></td> -<td class="width40 bottom">korstondig</td> -<td class="width40 bottom">kortstondig</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9737">108</a></td> -<td class="width40 bottom">oneffenenheden</td> -<td class="width40 bottom">oneffenheden</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9797">111</a></td> -<td class="width40 bottom">niemend</td> -<td class="width40 bottom">niemand</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9869">114</a></td> -<td class="width40 bottom">kabaia</td> -<td class="width40 bottom">kabaja</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9894">114</a></td> -<td class="width40 bottom">naders</td> -<td class="width40 bottom">anders</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9922">116</a></td> -<td class="width40 bottom">Kanarieboomen</td> -<td class="width40 bottom">Kanarie-boomen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9958">118</a></td> -<td class="width40 bottom">Santjoemêh</td> -<td class="width40 bottom">Santjoemeh</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9985">119</a></td> -<td class="width40 bottom">zuilenrei</td> -<td class="width40 bottom">zuilenrij</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e9996">120</a></td> -<td class="width40 bottom">vau</td> -<td class="width40 bottom">van</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10006">120</a></td> -<td class="width40 bottom">gisssn</td> -<td class="width40 bottom">gissen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10034">121</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11000">158</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12433">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12438">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12458">231</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12470">232</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12519">233</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12617">238</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12633">239</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12711">243</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12730">245</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12759">247</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12769">248</a>, <a class="pageref" href="#xd30e12786">249</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13313">275</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13876">313</a></td> -<td class="width40 bottom">„</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10048">121</a></td> -<td class="width40 bottom">Micclucho</td> -<td class="width40 bottom">Miclucho</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10066">121</a></td> -<td class="width40 bottom">antwoorde</td> -<td class="width40 bottom">antwoordde</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10095">123</a></td> -<td class="width40 bottom">mêebrengen</td> -<td class="width40 bottom">meêbrengen</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10135">124</a></td> -<td class="width40 bottom">Murowskij</td> -<td class="width40 bottom">Murowsky</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10162">125</a></td> -<td class="width40 bottom">mêegaandheid</td> -<td class="width40 bottom">meêgaandheid</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10169">126</a></td> -<td class="width40 bottom">mêehielp</td> -<td class="width40 bottom">meêhielp</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10328">132</a></td> -<td class="width40 bottom">..,</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10337">132</a></td> -<td class="width40 bottom">finantieel</td> -<td class="width40 bottom">financiëel</td> -<td class="bottom">2 / 1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10565">141</a></td> -<td class="width40 bottom">Docter</td> -<td class="width40 bottom">Dokter</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10568">141</a></td> -<td class="width40 bottom">conjungtiva</td> -<td class="width40 bottom">conjunctiva</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10580">142</a></td> -<td class="width40 bottom">docter</td> -<td class="width40 bottom">dokter</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10589">142</a></td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="width40 bottom">°</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10637">144</a></td> -<td class="width40 bottom">.….…,..</td> -<td class="width40 bottom">.….……</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10643">144</a></td> -<td class="width40 bottom">..,</td> -<td class="width40 bottom">.…</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10679">145</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">°</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10756">149</a></td> -<td class="width40 bottom">Winkel</td> -<td class="width40 bottom">Winckel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10768">150</a></td> -<td class="width40 bottom">delibérations</td> -<td class="width40 bottom">délibérations</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10776">150</a></td> -<td class="width40 bottom">betaald</td> -<td class="width40 bottom">betaalt</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10831">152</a></td> -<td class="width40 bottom">subsistuut-griffier</td> -<td class="width40 bottom">substituut-griffier</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10871">153</a></td> -<td class="width40 bottom">Winkels</td> -<td class="width40 bottom">Winckels</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10902">154</a></td> -<td class="width40 bottom">offerhande</td> -<td class="width40 bottom">offerande</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e10991">158</a></td> -<td class="width40 bottom">Karjä</td> -<td class="width40 bottom">Karjå</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11093">162</a></td> -<td class="width40 bottom">ministèr</td> -<td class="width40 bottom">ministère</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11096">162</a></td> -<td class="width40 bottom">d’intreprête</td> -<td class="width40 bottom">d’interprête</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11120">163</a></td> -<td class="width40 bottom">nêergeslagen</td> -<td class="width40 bottom">neêrgeslagen</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11145">164</a></td> -<td class="width40 bottom">damesgegichel</td> -<td class="width40 bottom">damesgegiechel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11286">174</a></td> -<td class="width40 bottom">antidiluviaansch</td> -<td class="width40 bottom">antediluviaansch</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11337">178</a></td> -<td class="width40 bottom">advokaten</td> -<td class="width40 bottom">advocaten</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11411">184</a></td> -<td class="width40 bottom">vluggeu</td> -<td class="width40 bottom">vluggen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11464">186</a></td> -<td class="width40 bottom">verwen</td> -<td class="width40 bottom">verven</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11519">189</a></td> -<td class="width40 bottom">tenoennan</td> -<td class="width40 bottom">tenoenan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11528">189</a>, <a class="pageref" href="#xd30e11533">189</a></td> -<td class="width40 bottom">annak</td> -<td class="width40 bottom">anak</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11644">194</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom"> </td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11776">201</a></td> -<td class="width40 bottom">So o</td> -<td class="width40 bottom">Solo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11935">207</a></td> -<td class="width40 bottom">ceremonieel</td> -<td class="width40 bottom">ceremoniëel</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e11970">208</a></td> -<td class="width40 bottom">A</td> -<td class="width40 bottom">À</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12117">214</a></td> -<td class="width40 bottom">vcel</td> -<td class="width40 bottom">veel</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12122">215</a></td> -<td class="width40 bottom">familieden</td> -<td class="width40 bottom">familieleden</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12156">217</a></td> -<td class="width40 bottom">famillie-verhoudingen</td> -<td class="width40 bottom">familie-verhoudingen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12195">219</a></td> -<td class="width40 bottom">det</td> -<td class="width40 bottom">het</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12198">219</a></td> -<td class="width40 bottom">her</td> -<td class="width40 bottom">der</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12221">220</a></td> -<td class="width40 bottom">)</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12330">224</a></td> -<td class="width40 bottom">questie</td> -<td class="width40 bottom">quaestie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12335">224</a></td> -<td class="width40 bottom">Finaneiën</td> -<td class="width40 bottom">Financiën</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12338">224</a></td> -<td class="width40 bottom">Mio</td> -<td class="width40 bottom">Mo</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12389">228</a></td> -<td class="width40 bottom">direkt</td> -<td class="width40 bottom">direct</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12392">228</a></td> -<td class="width40 bottom">indirekt</td> -<td class="width40 bottom">indirect</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12397">229</a></td> -<td class="width40 bottom">financieele</td> -<td class="width40 bottom">financiëele</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12463">231</a></td> -<td class="width40 bottom">concurentie</td> -<td class="width40 bottom">concurrentie</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12484">232</a></td> -<td class="width40 bottom">:</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12493">232</a></td> -<td class="width40 bottom">commandant</td> -<td class="width40 bottom">kommandant</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12505">233</a></td> -<td class="width40 bottom">lan gniet</td> -<td class="width40 bottom">lang niet</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12559">236</a></td> -<td class="width40 bottom">wêer</td> -<td class="width40 bottom">weêr</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12573">237</a></td> -<td class="width40 bottom">bladb.</td> -<td class="width40 bottom">bladz.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12621">239</a></td> -<td class="width40 bottom">mêeloopt</td> -<td class="width40 bottom">meêloopt</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12626">239</a></td> -<td class="width40 bottom">mêeloopen</td> -<td class="width40 bottom">meêloopen</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12640">239</a></td> -<td class="width40 bottom">Larå</td> -<td class="width40 bottom">Lårå</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12701">243</a></td> -<td class="width40 bottom">XLIX</td> -<td class="width40 bottom">XXXIX</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12744">246</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">,”</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12752">247</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13205">270</a></td> -<td class="width40 bottom">,..</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12806">250</a></td> -<td class="width40 bottom">!</td> -<td class="width40 bottom">.</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12814">250</a></td> -<td class="width40 bottom">;</td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Verwijderd</i>] -</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12848">253</a></td> -<td class="width40 bottom">Zoon’</td> -<td class="width40 bottom">Zoo’n</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12874">254</a></td> -<td class="width40 bottom">saizoen</td> -<td class="width40 bottom">seizoen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12899">255</a></td> -<td class="width40 bottom">zei</td> -<td class="width40 bottom">zij</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12904">255</a></td> -<td class="width40 bottom">gelêegd</td> -<td class="width40 bottom">geleêgd</td> -<td class="bottom">2 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e12909">255</a></td> -<td class="width40 bottom"> -[<i>Niet in bron</i>] -</td> -<td class="width40 bottom">de </td> -<td class="bottom">3</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13023">260</a></td> -<td class="width40 bottom">telegrafbureau</td> -<td class="width40 bottom">telegraafbureau</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13048">262</a></td> -<td class="width40 bottom">heuchelijke</td> -<td class="width40 bottom">heugelijke</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13210">270</a></td> -<td class="width40 bottom">’</td> -<td class="width40 bottom">,</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13343">277</a></td> -<td class="width40 bottom">overheerende</td> -<td class="width40 bottom">overheersende</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13365">279</a></td> -<td class="width40 bottom">losprongen</td> -<td class="width40 bottom">lossprongen</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13400">282</a></td> -<td class="width40 bottom">mitsdadige</td> -<td class="width40 bottom">misdadige</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13565">294</a></td> -<td class="width40 bottom">den</td> -<td class="width40 bottom">dan</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13635">299</a></td> -<td class="width40 bottom">l’ame</td> -<td class="width40 bottom">l’âme</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13678">300</a>, <a class="pageref" href="#xd30e13696">301</a></td> -<td class="width40 bottom">.,.</td> -<td class="width40 bottom">…</td> -<td class="bottom">1</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13779">308</a></td> -<td class="width40 bottom">haâr</td> -<td class="width40 bottom">haar</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13808">310</a></td> -<td class="width40 bottom">gegereinigd</td> -<td class="width40 bottom">gereinigd</td> -<td class="bottom">2</td> -</tr> -<tr> -<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd30e13857">312</a></td> -<td class="width40 bottom">heêngegaan</td> -<td class="width40 bottom">heengegaan</td> -<td class="bottom">1 / 0</td> -</tr> -</table> -<h3 class="main">Afkortingen</h3> -<p>Overzicht van gebruikte afkortingen.</p> -<table class="abbreviationtable" summary="Overzicht van gebruikte afkortingen."> -<tr> -<th>Afkorting</th> -<th>Uitgeschreven</th> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">a. s.</td> -<td class="bottom">anak soendal</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">d.d.</td> -<td class="bottom">de dato</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">Gep.</td> -<td class="bottom">Gepensioneerd</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">Gouv.-Gen.</td> -<td class="bottom">Gouverneur-Generaal</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">H.H.</td> -<td class="bottom">Heeren</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">K.G.</td> -<td class="bottom">kilogram</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">N.-I.</td> -<td class="bottom">Nederlandsch-Indië</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">N.-Indië</td> -<td class="bottom">Nederlandsch-Indië</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">Ned.-Indië</td> -<td class="bottom">Nederlandsch-Indië</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">Nederl.-Ind.</td> -<td class="bottom">Nederlandsch-Indisch</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">s.…</td> -<td class="bottom">soendal</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">s.…..</td> -<td class="bottom">soendal</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">volgd.</td> -<td class="bottom">volgende</td> -</tr> -<tr> -<td class="bottom">Z. Exc.</td> -<td class="bottom">Zijne Excellentie</td> -</tr> -</table> -</div> -</div> -</div> -</div> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br> -<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br> -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> - -</body> -</html> diff --git a/old/65832-h/images/logo.png b/old/65832-h/images/logo.png Binary files differdeleted file mode 100644 index bf9c076..0000000 --- a/old/65832-h/images/logo.png +++ /dev/null diff --git a/old/65832-h/images/new-cover.jpg b/old/65832-h/images/new-cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 6437550..0000000 --- a/old/65832-h/images/new-cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/65832-h/images/titlepage.png b/old/65832-h/images/titlepage.png Binary files differdeleted file mode 100644 index e96fdd9..0000000 --- a/old/65832-h/images/titlepage.png +++ /dev/null |
