diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 21:27:10 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-21 21:27:10 -0800 |
| commit | bed726467a5cfe8b538cc005e597d8044d18083d (patch) | |
| tree | 1a6ad4eef69b7f26c8da9f77dc77d4361d1d46c4 | |
| parent | 01263fbc4c60516d242b5bef62b2f542e85b3c06 (diff) | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 4 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/68111-0.txt | 1900 | ||||
| -rw-r--r-- | old/68111-0.zip | bin | 42301 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h.zip | bin | 1403583 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/68111-h.htm | 2188 | ||||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/images/cover.jpg | bin | 189973 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/images/img01.jpg | bin | 193485 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/images/img02.jpg | bin | 34161 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/images/img03.jpg | bin | 8428 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/images/img04.jpg | bin | 15069 -> 0 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/68111-h/images/map.jpg | bin | 931610 -> 0 bytes |
13 files changed, 17 insertions, 4088 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..d7b82bc --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,4 @@ +*.txt text eol=lf +*.htm text eol=lf +*.html text eol=lf +*.md text eol=lf diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..3f2eb43 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #68111 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68111) diff --git a/old/68111-0.txt b/old/68111-0.txt deleted file mode 100644 index 63ba4fc..0000000 --- a/old/68111-0.txt +++ /dev/null @@ -1,1900 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Dagboek eener reize ter walvisch- en -robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat, by Hidde -Kat - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren - 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat - -Author: Hidde Kat - -Release Date: May 17, 2022 [eBook #68111] - -Language: Dutch - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGBOEK EENER REIZE TER -WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS -KAT *** - - - - - -Dagboek -eener -reize -ter -walvisch- en robbenvangst, - -gedaan in de jaren 1777 en 1778 -door -den kommandeur - -Hidde Dirks Kat - -met eene kaart van Groenland - -[Illustration] - - - - -Wat zeeman, die de kiel naar ’t barre Noorden stuurde, -Bestond er ooit op aard’, die zooveel ramps verduurde -Als KAT, die fiere KAT, die ’s lijdens beker heeft -Tot aan den boôm geleêgd, en toch, God dank! nog leeft? - - - - - Voorberigt. - Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat. - Vervolg mijner reize. 1778. - Naberigt. - - -[Illustration] - - - - -Voorberigt. - - -De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat -hij den Heer Kommandeur HIDDE DIRKS KAT, thans een zeventigjarig -grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen levens op het eiland -_Ameland_ slijt, verlof vroeg, om het door den druk gemeen te mogen -maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik zijn Ed. -te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend -geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men -zich ook verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo -te wijzigen, dat het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde -zou het, mijns inziens, ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Als -_waarachtig verhaal_ verdient het niet alleen, om de hoogst -merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, welke daarin voorkomen, de -aandacht van leergierige _ouden_ en _jongen_, maar heeft het, na de -lezing, de eigenaardige kracht, dat het niet, gelijk zoovele andere uit -het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in het rijk der -wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard -azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar als -_geschiedverhaal van daadzaken_ voortduurt en lessen en wenken bevat, -die zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met -name ons Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen, -waaruit weleer zoo aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen -opdroogen, maar zich, op het voetspoor van onvermoeid werkzame en -stoutmoedige voorgangers, geene geringe schatting te doen betalen van -de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. Geschiedverhalen van dezen -stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij oud of jong (want op -dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote overeenkomst) iets -bijzonder aantrekkelijks. Het _avontuurlijke_, weet men, valt in veler -smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen lezen—en tevens -dingen leeren, die in het rijk der _wezenlijkheid_ t’huis behooren, -waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij zullen kunnen -trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den -vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme -hoekje van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten -van _Groenland_, _Straat Davids_ en _Spitsbergen_ willen verwisselen, -als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, dit _Dagboek_ -behelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en daarmede gepaard -gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van hetgeen -tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende -te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen -zaken in voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van -nationale nijverheid opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren, -redmiddelen en uitkomsten in beschreven, die hem, die deze wateren eens -wil bevaren, grootelijks te stade kunnen komen; er heerscht, om mij zoo -eens uittedrukken, een _ouderwetsche_ geest van mannelijke -kloekmoedigheid, onvermurwde standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht -en geheel opregt en eenvoudig vertrouwen op God en zijnen alvermogenden -bijstand in, die der jeugd en ook elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg -voor oogen gesteld of te diep in het hart geprent kunnen worden, -vermits deze loopbaan zich door ontelbare moeijelijkheden en gevaren -henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met het driedubbel erts -van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder de oogen -kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een Leesboek in -handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot deze -belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen -genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God -hem in het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe -weinig dit vak van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke -Letteroefeningen behoort), aangezien hij zijn vaderland te lief heeft, -om niet met de grootste bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen -steen aan het gebouw van deszelfs herlevenden welstand in dit vak van -_industrie_ te leggen. Om het oorspronkelijke niet te verminken, is er -hier en daar slechts een weinigje aan den stijl gevijld en de spelling -naar de thans gewettigde gewijzigd. Gemakkelijk had de uitgever het in -eenen _dramatischen_ vorm kunnen gieten; doch dit had niet dan ten -koste der eenvoudige waarheid kunnen geschieden, welke het blanketsel -der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig gewaad, zoo als de brave -Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest behaagt. - -Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke -wensch van den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die -zich met de uitgave belastte. - -M. M. - - -1817. - - - - -Dagboek -gehouden -door den kommandeur -Hidde Dirks Kat. - - -In den jare 1777, den 5 Maart, zeilde ik met de Brik _de Jufvrouw -Klara_, bestemd ter Walvisch- en Robbenvangst, en bemand met 38 koppen, -van de stad _Hamburg_ naar _Groenland_, voor rekening van den Heer -Boekhouder DAVID HENDRIK REWOEL, te _Hamburg_. - -Op den 7den ligtte ik het anker op de _Elve_, liep in zee, en zeilde -met eenen gunstigen wind en goed weêr tot den 13den, op welk tijdstip -wij, na in goeden staat de Noordzee te zijn doorgezeild, met eenen -gunstigen wind _Hitland_ voorbijstevenden, vervolgens de reize -voortzetten en op den 5 April (No 1.) voor het Westijs van _Groenland_ -op 71 graden 30 minuten Noorder Breedte aankwamen, bij welk ijs wij ons -tot den 30sten ophielden, vangende op hetzelve 30 vaten robbespek. - -Den 1sten Mei geene robben meer kunnende vangen, zetten wij met -verscheidene schepen de reize om de Noord door het ijs voort, koers -houdende op _Spitsbergen_, en kwamen den 13 Mei (No 2.) op 75 gr. 30 -min. N.B. tegen het Zuidijs; op den 17den (No 3.) raakten wij met -verscheidene schepen door hetzelve heen op 78 gr. 30 min. N.B., en, van -daar om de West zeilende, kwamen wij op den 26sten aan de -Westijsvelden; hier werden door verscheidene schepen eenige Walvisschen -gevangen. Vervolgens geraakten wij van den koers af, dreven op goed -geluk heen en maakten nu en dan de schepen aan de ijsvelden of schotsen -vast.—Op den 1 Julij (No 4.) bevonden wij ons op 72 gr. 30 min. N.B. In -dien tusschentijd vingen wij eenen Walvisch van 30 vaten spek. Nu eens -dreven wij met 27 schepen in getal in het ijs, dan bevonden wij ons -weêr tusschen het ijs op vrij water. Sommige schepen vingen toen nog -eenige Walvisschen. Tot den 4den dreven wij onophoudelijk sterk om de -Zuid-west, uit hoofde van den stroom en den harden wind uit het -Noord-oosten. Tot hiertoe zagen wij geen land, drijvende bestendig met -het ijs om de Zuid-west tot den 12den. Toen geraakten wij met 27 -schepen sterk in het ijs bezet, en hadden 3 a 4 dagen zwaren storm uit -het Noord-oosten en geen gezigt wegens den dikken mist tot den 16den -(No 5.).—Toen opende zich de lucht en kregen wij de kust van -_Gale-Hamkes_, op eenen afstand van 10 a 12 mijlen, ten Noord-westen, -in het gezigt. Wij zagen toen nog 27 schepen rondom ons en dreven sterk -om de Zuid-west. Het weêr bedaarde. Van 16 Julij tot 1 Augustus -geraakten eenige schepen uit ons gezigt. In dien tusschentijd vingen -wij nog eenen kleinen Walvisch in gemeenschap met Kommandeur HANS -PIETERS. Voorts dreven wij zonder ophouden door den sterken stroom en -wind uit het Noord-oosten om de Zuid-west tot den 6 Augustus (No 6.). -Toen geraakten eenige schepen uit ons gezigt, van welke eenige met een -gedeelte van het volk vergaan zijn. Wij bleven met 5 schepen in het ijs -ingesloten, liggende aan een klein ijsveld vast gemaakt, te weten -Kommandeur HANS PIETERS, PIETER ANDERSEN, HANS CHRISTIAAN JASPERS, -ALBERT JANS en HIDDE DIRKS KAT, alle vijf met _Hamburger_ schepen. Dit -was op 68 gr. 30 min. N.B. Hier zagen wij het land niet meer, maar -niets dan ijsbergen, welke, met de toppen in de wolken, het land -bedekken. Men kan dezelve wel 16 a 18 mijlen ver zien. Even zoo vond ik -naderhand het land op 62 gr. 30 min. N.B. in de _Straat Davis_ -benoorden _Kaap Vaarwel_. Van den 6den tot den 16den dreven wij door -den sterken Noord-oosten wind en den stroom met het ijs om de -Zuid-west. Tot den 18den werkte het ijs geweldig door malkander, -hetwelk te midden van den storm afgrijsselijk was te aanschouwen. In -dien schrikbarenden toestand werden de schepen van Kommandeur PIETER -ANDERSEN en ALBERT JANS door het ijs verbrijzeld. De manschap redde -zich op het ijs, wordende een gedeelte van den leeftogt door dezelve -geborgen. Wij verdeelden de manschap met den leeftogt op de drie -overgeblevene schepen, welke nabij de verongelukte in het ijs beklemd -lagen, op ieder van welke zich nu 78 zielen bevonden. Dit gebeurde op -67 gr. N.B. Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het -Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in -menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk -van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek aan leeftogt, werden -ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch -niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in -den mond en van de tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en -van handen en voeten af. Volgens het oordeel van Koopman ANDREAS OELZEN -had men het, vóór het inzouten, ter deeg moeten laten uitvriezen, -alsdan zoude het een onschadelijk voedsel zijn geworden. De Beeren -veroorloofden ons niet, om gedurende den nacht van het een tot het -ander schip te gaan en verlieten ons niet, vóór dat wij van het -omdrijvende spek verwijderd waren. Voorts dreven wij met onze drie in -het ijs bezette schepen gedurig om de West tot den 24 Augustus (No 8.). -Toen konden wij uit den top van den mast het eiland _IJsland_ zien en -tevens de vrije zee, hetwelk ons hoop gaf, dat wij met onze schepen dit -eiland zouden kunnen bereiken, in gevalle het ijs van elkander mogt -trekken. Op dit tijdstip, waarin de hoop klein begon te worden, kwam ik -zeer dikwijls bij mijnen vriend, den Kommandeur HANS PIETERS, een man -van 67 jaren, die aan eene _scorbutieke_ ziekte krank te bedde lag, om -met denzelven over de mogelijkheid, om het eiland _IJsland_ te -bereiken, te raadplegen. Deze had insgelijks weinig hoop, gevoelende -tevens zijn sterfuur naderen. Bij vollen verstande beklaagde hij ons, -daar wij in de kracht des levens in zulk eenen naren toestand -verkeerden; “Doch,” zeide hij, “God is magtig! Hij zal nog wel eenigen -onzer in het leven sparen, om deze gewigtige gebeurtenis aan de -nakomelingschap medetedeelen. Hetgeen ons te beurt valt, is niet zonder -wijze bedoeling der Voorzienigheid. Welligt kan het nog van dienst zijn -voor menschen, die naderhand in soortgelijke omstandigheden komen te -verkeeren.” Hij moedigde mij overigens sterk aan, om, bijaldien onze -drie schepen vergingen, vooral goeden moed en raad te houden, de -scheepssloepen, zooveel mogelijk, in goeden stand te brengen en van -leeftogt te voorzien. - -Ik legde mijne scheepskaart op het bedde van den kranken HANS PIETERS, -en raadpleegde met hem in zijne jongste oogenblikken. “Kommandeur KAT,” -zeide hij, “houd goeden moed en gedenk aan mijne gezegden! Poog, is het -mogelijk, daar wij _IJsland_ reeds voorbijdrijven, bij den hoek van -_Straat Davis_, _Statenhoek_ genaamd, te landen.” Hierop stierf hij -welgemoed op den 3 September. Niet lang daarna werd zijn schip -verbrijzeld.—Van 24 tot 30 Augustus (No 9.) werden wij zeer sterk door -stroom en wind om de Zuid-west gedreven, zijnde bestendig ingesloten -door het ijs met eene zware _deining_ of hooggaande zeeën, zoo dat wij -ieder oogenblik vreesden met man en muis te zullen vergaan, dat God tot -hiertoe nog verhoedde. - -Van 30 Augustus tot 6 September (No. 10.) stevenden wij tusschen het -eiland _IJsland_ en het vaste land van _Nieuw-Groenland_ door, op eenen -afstand van 14 mijlen van den wal, van rondom met ijs bezet. De drie -schepen waren bij elkander. Het woei een orkaan uit het Noord-oosten. -Van rondom was de werking van het ijs onbeschrijfelijk wreed en -schrikbarende. Wij zagen elk oogenblik den dood te gemoet. Dit viel -voor op 66 gr. N.B. Wij zagen toen noch Walvisschen, noch Robben (of -Zeehonden), noch gevogelte meer. Dit duurde van den 6den tot den 8sten -September op gelijke schrikbarende wijze voort. Toen bedaarde het weêr, -en wij dreven sterk langs de kust (of de ijsbergen) heen in eene -Zuid-westelijke rigting op eenen afstand van 14 mijlen, terwijl wij het -land in het gezigt hadden. De wind woei bestendig uit het Noord-oosten -tot den 24 September (No 11.).—Toen konden wij van het dek de opene zee -aanschouwen, hetgeen ons hoop gaf, om uit het ijs te komen. Onze -schepen waren tot heden in eenen tamelijk goeden toestand en van -leeftogt voorzien; doch vermits stroom en wind dezelfde streek hielden, -opende het ijs zich niet, zoo dat onze schepen bestendig door het ijs -ingesloten en nu en dan in hetzelve beklemd waren. Dit duurde tot den -29 September (No 12.) wanneer zich een geweldige storm uit het -Noord-oosten verhief. Wij bevonden ons toen eene mijl ver van de opene -zee. Onze 3 schepen bleven gedurende denzelven zoo goed als -onbeschadigd. Maar op den 30sten September (No 13.), toen de wind -allengs begon aftenemen, werden onze 3 schepen door de geweldige -werking der hooggaande zeeën (_deining_) tusschen het ijs ingedrongen, -en door deszelfs ontzettende stooten in één oogenblik verbrijzeld. De -masten buitelden op het ijs. Elk zocht op de best mogelijke wijze -lijfsberging op de woedende schotsen. Na het vergaan van onze schepen, -hadden wij het geluk van een gedeelte van onzen leeftogt bij ons op het -ijs te bergen. Ook redde ik zeven sloepen. Hier stonden wij in dezen -angstvollen toestand onder den blooten kouden hemel, zonder -schuilplaats, 21 mijlen ver van land op het ijs, in zee, op 64 gr. N.B. -Het land was uit ons gezigt. Wij bevonden ons naar gissing 80 mijlen -ten Westen van het eiland _IJsland_. Ik en Kommandeur HANS PIETERS -bevonden ons met onze schepen, toen dezelve vergingen, digt bij -elkander en Kommandeur H.C. JASPERS was twee mijlen verder landwaarts -van ons. In dit tijdstip werd diens schip ook verbrijzeld, nemende hij -de vlugt naar het schip van Kommandeur KLAAS J. KASTERKOM, hetwelk, -schoon buiten ons gezigt, door hem gezien kon worden. Twee sloepen met -12 man bleven bij het verongelukte schip van H.C. JASPERS, welke daar -verongelukten. Kommandeur KASTERKOM bevond zich op zijn schip met 286 -man, toen het bij _Statenhoek_ verging. Van dit getal zijn slechts -eenige te regt gekomen, alle de overige vergaan. - -Nu bevonden wij ons, van ieder schip 78 man, op het ijs. Ik H.D. KAT -redde zeven sloepen en eenigen leeftogt. De een zag den ander met -droefheid aan, in zware gepeinzen verdiept, hoe en waar wij, in dezen -treurigen toestand, waarin wij den dood voor oogen zagen, onze -levensdagen zouden eindigen. Wij hadden geene zeilen, om eene tent op -het ijs opteslaan, waaronder wij ons een weinig zouden hebben kunnen -verschuilen. - -Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te -zien of te vinden. Wij stonden hopeloos op het geweldig stootend ijs, -in vreeze, om ieder oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden. Het -land was buiten ons gezigt. Wij waren nabij de opene zee en werden -Zuid-westwaarts aan voortgeslingerd op de schotsen. Dit duurde tot den -3den October (No 14.) wanneer wij ons nog met 78 zielen op eene -ijsschots van ongeveer 200 vierkante voeten in de opene zee bevonden. -Rondom ons heen was de zee eene vierde mijl ver vol ijsgruis. Dit was -ons behoud, vermits wij door middel van hetzelve niet, bij het -slingeren van onze ijsschots door de hooggaande zeeën, van dezelve -afgespoeld werden. Ondertusschen ging zulks met groot gevaar vergezeld, -zoo dat wij alle oogenblikken vreesden om te zullen komen. - -Tegen den morgen hoorden wij door het scheepsvolk van Kommandeur PIETER -ANDERSEN, bestaande in 78 man, die zich op eene tweede digt bij ons -drijvende ijsschots bevonden (No 3.) Gode een gezang toezingen. Maar, -toen de dageraad aanbrak, waren zij van de ijsschots vergaan, -uitgezonderd Kommandeur PIETER ANDERSEN met eenige manschappen, die -zich gered hadden. Om middernacht was onze ijsschots midden -doorgebroken ten gevolge van de geweldige deining, waardoor wij 4 van -onze sloepen verloren, benevens onze meeste _victualie_ (No 2.); van -mijne 78 man (No 1.) verloor ik op dit tijdstip niemand. Dit viel na -gissing voor 40 mijlen ten Oosten van _Statenhoek_. Gedurende den nacht -waren wij door den stroom het land sterk genaderd. - -In den ochtend van den 4 October (No 15.) bevonden wij ons op dezelfde -ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant -verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af. -Het weêr was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van -zee, zijnde aan alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons -bedunken, aan het land vast lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te -verlaten en, zoo mogelijk, te voet op het land aantegaan, weshalve wij -onzen overgeschoten leeftogt onder malkander verdeelden, bestaande -eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf scheepsbeschuiten -met een weinigje boter ontving. - -Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur ALBERT JANS, om onze drie -sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God ons, tot op heden, zoo -wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. Hiertoe -besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk -afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land -zijn gekomen, is mij onbekend. - -In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk -eene zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen -de ander opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet -zagen. Doch God was ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met -de 27 man niet naar land waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog -akelige gedaanten. De zee woedde aan de buitenzijde tegen het ijs. De -baren verhieven zich als torens in de lucht, makende in den langen -donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, terwijl het zoute -water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 voeten in -het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen -omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks -konden bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog -onbeschadigd. - -In den ochtendstond van den 5 October (No 16.) bedaarde het weêr, en de -zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen -gereed, om er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons -voorkwam, en besloten, om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100 -voeten vierkant, (waarop God ons tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard -had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt zouden zijn, om dezelve te -verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor ons bestemd -was.—Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 scheepsbeschuiten hadden -wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met aan een stuk -uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi weêr, -in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks -een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man, -voor ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid -in de sloepen viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend -maakte, dat de zee over onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve -dreigde te zinken. Hierop opende zich boven verwachting het ijs, zoo -dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee bevonden. Wij zetten toen -onze zeiltjes bij (No 16.) met eenen gunstigen Noord-oosten wind en -stevenden op _Statenhoek_ aan. Wij hadden een kompas, konden het land -zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend ijs. - -Onze schipbreuk (No 13.) was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de -smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk (No 14.) en -het verlies van de schots was niet minder schrikbarende. Wij zeilden -bij het ijs langs tot den 6 October (No 17.). Des middags bevonden wij -ons, naar gissing, 6 mijlen beoosten _Statenhoek_. Hier dreven wij met -het ijs zeer verre in zee op; (No 17.) zoo dat mijn volk uit onkunde en -vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk -nogtans noodzakelijk was, vermits dit ijs aan _Statenhoek_ vast lag en -ons om de punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen -land hebben bekomen, schoon men zich bij deze onderneming het gevaar -van wind en zee moest getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel -mogelijk, door het ijs te werken, ten einde het land te bereiken. -Hiermede vorderden wij niet meer dan eene halve mijl, wanneer wij -genooddrongen werden het werk te staken en de sloepen op het ijs te -halen. Hier vond ik eenen ijsberg (zie No 17.) welke, naar gissing, 60 -a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne manschappen -en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet -willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende -ijspunt heen te zeilen, wanneer wij op _Statenhoek_, waarschijnlijker -wijze, hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts -bij onze drie sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude -en afgesold door vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd -genoten. - -Op den 7 October (No. 18.) kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot -het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten, -om te zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken, -aangezien wij aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze -leeftogt slechts bestond in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór -dat wij dit echter ondernamen, braken wij eerst het hout uit de -sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het ijs, verwarmden onze -ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer een’ beet van zijne -drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten eenenmale. Na deze -verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van twee onzer -lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten -hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. (No 17.) -Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De -laatste groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer -smartelijk. Wij hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons -gerijf, bij ons. - -Van 7, 8, 9 tot den 10 October (No 19.) liepen wij, afgemat door honger -en koude, van het eene stuk ijs op het ander, om land te winnen. Het -ijs ging door de zeewelling of deining onophoudelijk met geweld open en -toe. Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, -geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het -water, verdronken en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf -geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en -gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest -zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij -ongemeen verzwakte. Ik had toen nog twee scheepsbeschuiten. Men beseffe -eens, welke kracht de goede God ons in deze omstandigheden verleende! -Ziende de zwarigheden, die wij nog moesten te boven komen, was het -schier niet om uit te houden.—Dagelijks overviel ons de vrees voor wild -gedierte, en onder het voortwandelen opende zich van tijd tot tijd eene -groote ijsspleet voor onze voeten, waarin velen onzer hun graf vonden, -vermits het ijs zich dadelijk, bij het terugkeeren van het water, -toesloot. Des avonds bevonden wij, dat wij nog twee mijlen van het land -verwijderd waren. Doch daar het ijs niet aan het land vast lag, moesten -wij hopende wachten, of het zich aan het land mogt aansluiten. Terwijl -wij dezen nacht met een diep neerslagtig hart doorbragten, lag de een -en zat de ander op het ijs, terwijl een derde stond. Ik zat in het -midden van twee ter regter en linker zijde naast mij liggende mannen, -welke des morgens dood gevroren waren. - -In den morgenstond van 11 Oct. (No 20.) bevond ik, dat Kommandeur -ALBERT JANS met eenige manschappen, gedurende den nacht, door de -uitwerking van het draai-ijs van mij was verwijderd geraakt. Ik zag -dezelve hier niet weder. Dezen morgen dreef ons eene lange strook ijs -voor den mond eener rivier voorbij. Deze stiet tegen onze ijsschots. -Wij stapten er dadelijk op over, met uitzondering van één’ man, die -niet verder voort kon. Wij moesten hem met hartverscheurende smart -verlaten. Deze lange strook ijs bragt ons aan land. Wij hadden aan -beide zijden van dezelve de opene zee, en kwamen des na den middags bij -_Statenhoek_ aan. Deze hoek ligt op 59 graden 30 minuten N. Breedte. -Wij vonden in de valleijen eenige groente en boompjes, waaraan blaauwe -bessen groeiden. Wij plukten die bij menigte en aten ze met veel smaak. -Onze blijdschap, dat wij aan land waren gekomen zonder vooruitzigt, -waar wij belanden zouden, was onbeschrijfelijk groot. Hier bevonden wij -nog 18 in getale te zijn. Waar de overige gebleven zijn, behalve de -voorgemelde 27 man, die naar land waren gegaan, is ons ten deele -onbekend. Deze nacht viel ons lang en bang, door het vallen van -menigvuldige sneeuw en eenen harden kouden wind, alsmede door gebrek -aan voedsel, drank en warmte. Ook konden wij niet gaan leggen, -aangezien onze kleederen doornat waren. In dezen toestand konden wij -ons eenigermate een denkbeeld vormen van het lijden van onzen Heiland -JEZUS CHRISTUS, althans hetzelve behoorlijk waarderen, daar wij nu -zelve lijden moesten ondergaan. - -De dageraad van den 12. October (No 21.) verblijdde ons. Onze bij -voorraad voor den volgenden dag geplukte bessen, waren alle onder de -menigvuldig gevallen sneeuw verloren gegaan. Wij zetten nu onze reis -landwaarts in voort, om inwoners te ontdekken. De een zette zich hier, -de ander dáár vermoeid en moedeloos neder. Mij viel in de gedachten, om -weder den zeekant te kiezen, vermits de bewoners zich van de zee -moesten generen. Terugkeerende namen wij de hier en daar nedergezetenen -weêr op. Zij hadden zich vermoeid en afgemat nedergelegd, om te -sterven—wij spraken hun moed in, zooveel onze krachten en onze hoop, om -nog eens geholpen te worden, toelieten. Wij kwamen voorts te zamen -weder aan den zeekant en volgden dezelve om de Noord, om menschen te -vinden. - -In het omloopen van eene rivier vonden wij, kort daarna, op een’ -uithoek aan den zeekant een spits heuveltje, door menschen handen van -steenen op een gestapeld. Dit gaf ons nieuwen moed, dat wij ten langen -laatste inwoners zouden vinden. Hier konden wij niet verder komen, -vermits het strand ons verliet, staande de zee tegen een steil gebergte -aan. Ook lag hier bij het land geen ijs, waarop men om deze punt heen -konde loopen. Wij moesten hier dus _halte_ maken, op hoop dat wij, bij -laag water, om den voet van het gebergte heen zouden kunnen gaan. Doch -ook met laag water was zulks onmogelijk. Wij vonden tot onzen troost -door Gods genade, bij de invallende ebbe, voedsel voor onze afgematte -ligchamen. Dit bestond in groote Mosselen, die wij gretig verzamelden, -om onzen overgrooten honger te stillen. Wij bragten deze Mosselen bij -eenen steen, die boven den vlakken grond uit het gebergte uitstak, -welke plaats wij tot schuilplaats uitkozen. Ook vonden wij hier, tot -meerdere vertroosting, een teeken, zijnde drie tent-plaatsen van 18 a -20 voet in het vierkant, omringd van een groen begroeid dijkje van één -voet hoogte. Men kon zien, dat de wilden hier in den zomer hunne tenten -opsloegen. Dit dijkje dient, om het van het gebergte afvloeijende water -aftekeeren. Wij stonden nu in overweging, hoe aan vuur te komen; welke -zwarigheid zeer onverwacht werd weggenomen door een’ vuurslag, hetwelk -een der Officieren, buiten zijn weten, bij zich had. Op de hoogere -plaatsen van het strand vonden wij vrij wat droog hout, dat ons zeer -verblijdde. Daarna beproefden wij met alle omzigtigheid, om van drooge -hemdslippen (voor zoo verre wij nog droog linnen aan het lijf hadden,) -eenen nieuwen voorraad van tonder te maken, hetwelk ons door middel van -den voornoemden vuurslag gelukte. Wij hadden (gelijk gezegd is) een -klein theeketeltje en een biermok. Toen nu ons vuur aan den gang was, -kookten wij van tijd tot tijd een keteltje vol Mosselen, die ons als -honig smaakten. Ook plukten wij middelerwijl bessen, die wij desgelijks -kookten en waarvan wij het sap dronken. Dit verkwikte ons ongemeen. -Hier bleven wij drie dagen. Wij waren nog 18 in getale. Door het gemis -van rust verzwakten onze ligchamen uitermate; te meer daar wij, bij dag -en nacht, de koude van sneeuw, wind en vorst moesten verduren. Wij -hielden ons wel nabij het vuur, maar onze oogen konden hetzelve niet -verdragen. In den loop van deze drie dagen werd iemand onzer, die zich -bij nacht van het gezelschap verwijderd had, des morgens dood op de -klippen gevonden. Schoon onze moed dagelijks afnam, schonk het slechte -weêr ons somtijds weder hope, dat de Wilden, zoodra het weêr bedaarde, -wel op zouden komen dagen. - -Op den 15 October (No 22.) kwam een der manschappen mij vragen, of men -niet eens eene kans zoude wagen, om over het hoog klippig gebergte heen -te klimmen, ten einde ons voornemen, om menschen om de Noord te -ontdekken, voort te zetten. Dit kwam mij onuitvoerlijk voor, aangezien -eenige van mijn volk, ten gevolge van de koude en het langdurig -afmartelen van het ligchaam, opene handen en voeten hadden. Des -ongeacht nam de man, die zulks voorstelde, de reis over het klipachtig -ijsgebergte aan, wenschende ons een zeer aandoenlijk vaarwel. (No 34.) -Geen eenig man van mijn volk was in de _Straat Davids_ geweest en -verstond dus een enkel woord van de landtaal. Ik had in mijne jonge -jaren drie reizen uit _Holland_ derwaarts gedaan, en eenige woorden van -die taal in het geheugen bewaard. Des namiddags ging een mijner -Officieren, met name PIETER HENDRIKS, op eene hoogte van het gebergte, -om eens uittezien. Van daar ontdekte hij zeewaarts in, in den mond van -de rivier, drie voorwerpen in de gedaante van vogelen op het water. Hij -riep mij toe, wat men daar van denken moest? Ik liep met haast naar hem -toe, en zag terstond (doordien ik in vroegere dagen meer zulke -vertooningen gezien had), dat het Wilden of inboorlingen konden zijn. -Nu kwam het geheel gezelschap naar ons toe. Wij verhieven tweemaal een -luid geschreeuw, dat door gezegde Wilden gehoord werd, die diensvolgens -op ons af kwamen. Wij liepen gezamenlijk naar het zeestrand, om hen in -onze armen te ontvangen. Ten gevolge van onze overgroote blijdschap, -dat wij, buiten ons, weêr menschen zagen, bleven die lieden met hunne -kleine schuitjes, die naauwelijks boven het vlak van de zee uitstaken, -op eenen afstand van ongeveer 100 roeden van de kust liggen. Doordien -ik de landtaal niet magtig was, en niet wist, hoe die Wilden omtrent -ons gezind waren, besloot ik mijn volk naar de voornoemde plaats terug -te doen keeren. Nu stond ik daar alleen, en noemde in mijne -verlegenheid een woord, waarvan ik zelf de beteekenis niet wist, te -weten (_ome kageit_). Dit woord beteekent, gelijk de _Hernhutters_ mij -naderhand zeiden, (_vriend kom hier!_) Daarop kwamen zij, bij drieën in -een schuitje, bij mij. Ik hielp hen uit hunne schuitjes en omhelsde -hen; hetwelk zij met wederliefde beantwoordden. Dit waren ongedoopte -Wilden. Ik vergezelde hen naar onze verblijfplaats, waar mijne overige -manschap zich bevond. - -Zij namen alles naauwkeurig op. Toen zij vernamen, dat wij noch voedsel -noch rustplaats hadden en onze ligchamen uitgemergeld waren, kon men -zien, dat zij medelijden met ons hadden. Met naar de Zon te wijzen -gaven zij ons te kennen, dat zij den eerstvolgenden dag weder zouden -komen, om ons te helpen. Het weêr was nu vrij goed, ’s avonds namen zij -hun afscheid, en keerden naar hunne woningen terug. Het baarde ons nu -veel droefheid, dat één van ons volk ons vrijwillig verlaten had, om -over het gebergte te gaan, daar wij het nu met malkander zoo ver -gebragt hadden. Terwijl wij hem verloren schatten, begon onze hoop van -tijd tot tijd levendiger te worden, vermits wij nu menschen gevonden -hadden, die ons, zooveel wij hen begrijpen konden, wilden helpen. - -Den 16 October hadden wij storm met sneeuwjagt. Ofschoon wij met -reikhalzend verlangen uitzagen, ontdekten wij heden nog geene helpers. -Wij schreven dit toe aan het slechte weêr. Dit gaf ons troost. ’s -Nachts bedaarde het weêr. Wij bleven onder de voorschreven uitstekende -steenklip van het gebergte. - -Den 17 October (No 23.), des morgens was het mooi weêr; wij zagen uit -naar onze helpers en deze kwamen des voormiddags ten 11 ure bij ons, -bij drieën in een afzonderlijk schuitje. Ik gaf hun onze onmagt en ons -gebrek aan voedsel te verstaan. Zij begrepen dit en besloten mij -medetenemen op de volgende wijze. - -Ik plaatste mij (na vooraf afscheid van mijn volk genomen te hebben, -onder voorwaarde, dat zij zich van deze plaats niet zouden verwijderen, -aangezien de Wilden hen van daar zouden afhalen) des middags ten 12 -ure, achter één’ der Wilden op een schuitje, hetwelk zij vooraf op -zijde van een ander vastgebonden hadden, en zoo roeide de Wilde met mij -voort, hebbende een riemspaan in de hand, welks beide einden met een -blad voorzien waren. Op deze wijze bragten zij mij een vierde mijl -voorbij het steil gebergte, daar wij wegens de diepte niet om heen -konden komen. Het schuitje, waarop ik mij bevond, kan, van den voor- -tot den achtersteven, lang geweest zijn ongeveer 20 voeten en iets -breeder dan de dikte van een gewoon mensch. De Wilde zit in een rond -gat in het midden op den bodem neder, met de voeten voorwaarts onder -het dek. Zijn ligchaam steekt dan, van de lendenen af gerekend, boven -het dek uit. Hij zit in een kleed (of rok) van leder, dat aan het -schuitje vastgehecht is, zoo dat er geen water aan zijn lijf of in het -schuitje kan komen. Zijne handen en gezigt alleen zijn bloot. De -uiteinden van dit schuitje loopen van het midden af spits toe. Wanneer -de Wilde er in zit, ligt het schuitje in het midden van het dek -ongeveer 4 duim boven water. Het geheel is van Robben-vellen en de -inhouten van zeer dun en taai hout, dat daar te lande groeit, gemaakt. -De Wilde zette mij op de voorschreven plaats, doornat aan land. -Vervolgens bragten zij mij bij twee spelonken, in iedere van welke tien -personen beschut konden wezen tegen het onweder. Deze bergspelonken -waren overdekt tegen allen aanval van regen en sneeuw. Zij dienen den -Wilden in den zomer tot het droogen van Spiering en Zee-honden of -Robbevellen en vleesch. Hier bleef ik alleen staan. Hunne -menschlievenheid dreef hen tot mijne achtergeblevene manschap, welke -zij, op gelijke wijze, overbragten, doch niet verder dan om de steile -punt van het hoog gebergte, om welke wij, wegens de diepte, niet hadden -kunnen heen loopen. Dit geschiedde wegens het vallen van den avond. -Mijne togtgenooten liepen toen aan den voet van het gebergte langs het -strand en kwamen, één voor één, zoo als zij overgezet werden, des -avonds bij mij, met uitzondering van één man, die terugbleef. Hier -zijnde verzocht mijn volk mij, dat ik met de Wilden naar hunne woningen -op reis zoude gaan, om, dus doende, zooveel te spoediger bij de Wilden -ruste te vinden voor hunne afgematte ligchamen. Dit stonden de Wilden -toe, en alzoo ging ik met mijn’ Stuurman, de een na den ander, op twee -zamengebondene schuitjes achter de Wilden zitten. Maar wij moesten over -eene rivier, die twee mijlen breed was. Het kwam hier op stil zitten -aan. Door het toenemen van het onweder met sneeuwjagt werden wij tot -over het hoofd doornat, vermits wij, twee mijlen ver, bestendig in het -water moesten zitten. Deze twee schuitjes waren ieder met het gewigt -van drie man beladen, en het water spoelde onophoudelijk over de -schuitjes heen. Wij waren schier dood gevroren en stijf van de koude, -ja geheel magteloos. De Wilden bleven droog in hunne schuitjes, -uitgezonderd hunne handen en aangezigten, uit hoofde van hunne wel -gemaakte lederen rokken. - -Men verbeelde zich eens de sterkte en geschiktheid dezer Wilden.—Twee -mannen, hebbende Kommandeur KAT achter zich zitten, deden deze -moeijelijke reis van twee mijlen, door eene onstuimige zee, met sterken -wind, in twee kleine of smalle schuitjes, door het gewigt van drie man -zwaar beladen, terwijl het water onophoudelijk over dezelve -heenspoelde, en zulks ondanks den voorafgaanden arbeid van dezen -dag!—Des avonds ten 5 ure kwamen wij, de een na den ander, over deze -rivier aan land. Nadat zij het een en ander tegen ons gezegd en ons -eenige teekenen gegeven hadden, welke wij niet verstonden, namen zij -hun afscheid. Hier stonden wij nu doornat en verkleumd, uitgehongerd, -geheel zonder vuur, spijze en drank.—In deze verlegenheid namen wij het -besluit, om onze bevrorene en afgematte ligchamen, zooveel mogelijk, in -beweging te houden. Wij liepen dus langs den vlakken oever van de -rivier, in hope, dat wij licht in de woningen zouden aantreffen. Doch -dit was, gelijk wij des anderen daags ondervonden, verkeerd van ons -gedaan. Na anderhalf uur gewandeld te hebben, legden wij ons ’s avonds, -ten 7 ure vermoeid en afgemat neder, zonder iets ontdekt te hebben. -Hier lagen wij nu magteloos op steenen in de sneeuw, bereid zijnde, om -dáár onzen geest aan onzen Formeerder terug te geven.—Wij bragten -echter dezen nacht in onze doornatte kleederen, met diepe ellende, -door. - -Op den 18 October (No 24.) vroeg mijn Stuurman bij het aanbreken van -den dageraad: Kommandeur! leeft gij nog? Ik kon dit naauwelijks met ja -beantwoorden. Hij klaagde over zijne opgezwollene beenen en pijnlijk -ligchaam; en, wegens zijne smart, met veel moeite overeind gaande -zitten, kon hij de rivier, welke digt bij ons was, zien. De Wilden, die -ons den vorigen avond een eindweegs van _hier_ aan land gezet hadden, -zochten ons heden morgen, zijnde vier in getal, ieder in een -afzonderlijk schuitje, op dezelfde plaats weder, maar vonden ons niet, -doordien wij van die plaats verwijderd waren. Zij voeren toen met hunne -schuitjes voort langs de kust, om ons op te zoeken. Het was _zeer -opmerkelijk_, dat de overgroote pijn, welke de Stuurman liggende -doorstond, hem bewoog, om, met veel moeite, overeind te gaan zitten. -Dit was een groote zegen voor ons, doordien wij anders vermoeid zijnde -niet zouden zijn opgestaan. Nu ontdekte hij door zijn oprijzen de -Wilden en maakte mij zulks bekend. Ik kon naauwelijks overeind komen. -Nadat ik mij met mijnen Stuurman met veel moeite opgerigt had, hieven -wij een luid geschreeuw aan, zoo dat de Wilden ons hoorden, en dadelijk -met hun vieren op ons toe kwamen. Wij stortten oogenblikkelijk weder op -den grond of liever op de steenen in de sneeuw neder, door pijn en -zwakheid geheel overmeesterd. De Wilden vonden ons bij hunne komst -bijna als dooden nederliggen. Zij namen ons onder de armen op en -leidden ons aan den oever van de rivier, alwaar eene vlakke rots was. -Hier torschten zij ons heen en weêr, om ons weder aan den gang te -helpen. Na verloop van een uur gelukte zulks. Onze bevroren ledematen -werden weder buigzaam. Vervolgens bonden de Wilden, met meer dan -Christelijke hulpvaardigheid bezield, de vier schuitjes, zijnde van de -voren omschreven gedaante, twee aan twee te zamen, zetten ons achter -zich daarop, en voeren zoo met ons heen tot 3 ure in den namiddag, op -welk tijdstip wij allen, met levensgevaar, digt bij hunne woningen aan -land kwamen. Hunne vrouwen, die ons op eenen verren afstand van de -klippen of van het gebergte gezien hadden, kwamen toeloopen en hielpen -ons van de schuitjes in hare woningen. Dit was tusschen _Statenhoek_ en -_Kaap Vaarwel_, doch het naast aan eerstgemelde, op 59 gr. 55 min. N. -Breedte. Hier vonden wij een huis, waarin vijf huisgezinnen zamen -woonden, bestaande naar gissing in twintig zielen zoo oude als jonge. -De vrouwen trokken ons oogenblikkelijk onze natte kleederen uit, -omwonden ons met ruige land-honden-vellen en leidden ons tot eene -rustplaats op eenen brids, één’ voet boven de aarde of den steenen -bodem verheven. Hier ontdekten wij, dat het onmogelijk was geweest, dat -de Wilden ons, bij hunne eerste komst, konden medenemen, vermits zij op -eenen te verren afstand van hunne woning verwijderd waren. Wij -gevoelden ons als uit het graf verrezen. De overgroote liefde dier -wilde menschen, welke waarlijk die van vele Christenen te boven gaat, -maakte onze harten weemoedig en dankbaar tot God. Het schreijen van -kinderen te mogen hooren bevredigde ons met ons lot. Het scheen ons, -als of wij in ons eigen huis waren. Zij verkwikten ons met eene soort -van soep van Zeehonden- of Robbevleesch met water gekookt. Niemand, die -zulks niet ondervonden heeft, kan gelooven, hoe smakelijk wij daarvan -aten. Wij bevonden ons daarna zeer wel. Gedurende dezen nacht konden -wij echter niet in slaap geraken, doordien onze hersenen opgevuld waren -van treurige nagedachten, en, aan den anderen kant, van blijdschap, dat -wij ons alreede onder goede menschen bevonden, terwijl onze hoofden -suisden als het razen van den wind. Wij bespeurden hier groote warmte -in huis en werden geplaagd van ongedierte. - -Op den 19 October (No 25.) gingen eenige mannen en vrouwen in den -ochtendstond, bij goed weêr, met twee vrouwe-schuiten (in de taal der -Wilden _koene booten_ genaamd) in zee, om mijn achtergebleven volk uit -de voornoemde spelonken te halen. Intusschen geraakte ik met mijn’ -Stuurman in slaap, drie uren lang. Wij bevonden ons na den slaap vrij -wat verkwikt. Des avonds, om half vier ure, kwam mijn achtergebleven -volk, bestaande in dertien man, met de vrouwe-schuiten bij ons. Wij -waren van weêrzijde hartelijk blijde. Zij zeiden mij, dat JAN WIT, die -drie jaren met mij gevaren had, na de overvaart om de steile klip -(gelijk voorheen gezegd is) niet bij hen was gekomen. Zij wisten niets -van hem. Voorts kregen deze dertien man dezelfde verkwikking, welke wij -genoten hadden; doch, vermits zij niet doornat waren, werden zij, na -zich alvorens gewarmd te hebben, zonder honden-vellen, bij ons gebragt. -Wij verhaalden hun ons doorgestaan lijden, sedert wij door de Wilden -waren afgehaald geworden. Nu verheugden wij ons te zamen, dat wij, na -drie weken alle mogelijke gevaar en lijden onder den blooten hemel -doorgestaan te hebben, zoo verre geholpen waren. - -Na drie dagen lang bij de Wilden vertoefd en alle bedenkelijke -vriendschap van hen genoten te hebben, reisden wij, den 22 October (No -26.) des morgens, vijftien man in getale, onder het geleide van twee -Wilden, over eene groote vlakte om de Noord, alwaar wij des namiddags -aan den zeekant twee huizen vonden. Hier ontmoette ik tot mijne groote -blijdschap, mijnen vriend ALBERT JANS met eenige manschappen, die, -gelijk gezegd is, op den 11 October met zijne ijsschots van mij was -afgedwaald. Ik verstond van hem, dat hij in den avond van den 11 -October op zijne ijsschots voor de woningen der Wilden was aangeland, -waar de Wilden hem te hulp waren gekomen. Hij verklaarde, mij niet meer -te kennen, zoodanig was ik, gedurende den tijd van acht dagen, waarin -hij mij gemist had, door mijn omzwerven en doorgestane ellende -veranderd. Maar, toen hij vernam, wat wij in dien tijd van acht dagen -hadden uitgestaan, deed het hem geen wonder, ons in dien toestand te -ontmoeten. Hier kreeg ik mijn horologie weder, dat ik hem, een’ tijd -lang geleden, had gegeven, bij gelegenheid, dat ik doornat was van zout -water. Den nacht sleten wij hier gezamenlijk in de woning dezer Wilden, -welke nog ongedoopt waren. Ook kregen wij iets van hun armoedig -voedsel, zoo dat ik de liefde der Wilden, aan ons bewezen, niet genoeg -kan roemen. - -Den 23 October (No 27.) verdeelden wij ons des morgens in partijen, van -drie, vier en vijf man, zijnde hier geen voorraad van spijze -voorhanden. Des namiddags gingen wij met vrouwe-booten op reis. Mij, -benevens vier man, viel het lot te beurt binnen _Kaap Vaarwel_ door, -mijnen Stuurman JENS JESSEN, desgelijks met vier man op _Kaap Vaarwel_ -te trekken en de overige werden in de woningen, waarin wij ons -bevonden, verdeeld. Des avonds kwam ik binnen _Kaap Vaarwel_, alwaar ik -een huis vond, waarin zes woonplaatsen afgeschut waren. Wij waren daar -met mannen, vrouwen en kinderen een en twintig zielen sterk. Wij bleven -vier dagen bij deze ongedoopte Wilden, die ons zeer vriendelijk -bejegenden, en ons zooveel voedsel van Robbe-vleesch gaven, als zij -konden missen. Wij konden wel meer Robbe-spek krijgen; doch daaraan -moesten wij eerst door grooten honger gewennen, om het te kunnen -verdragen. De Robbe-lever en nieren smaakten ons wel. Het zout ontbrak -ons eeniglijk. - -_De Huizen en Levenswijze der Wilden_ - - -zijn als volgt: - -[Illustration] - -De huizen hebben de gedaante van de letter T. BB is de lengte, b.v. 100 -voeten, dan is de breedte 16 en de hoogte 8 voeten. Zij zijn gebouwd -van zwart potleem. De muren zijn naar gissing dik 3 voeten, het dak met -sparren is een weinig schuins gelegd en met zwarte aarde -overgepleisterd. Voorts is het met Zeehonden-vellen digt gemaakt. De -streep van A tot C verbeeldt den gang, die naar het huis loopt. Dezelve -is 14 voeten lang en zoo laag, dat men er op handen en voeten door moet -kruipen, om in het huis te komen. De twee openingen tot den gang zijn -bij de letters DD en de daarbij geplaatste stipjes. In het huis zelf -kan men regt overeind gaan. Het is afgedeeld met schermen van -Robbe-vellen van ongeveer 5 voeten hoogte en 7 voeten lengte. Het -overige gedeelte der ruimte langs het huis heen voor alle deze zes -afgeschutte woonplaatsen langs is met steenen belegd, waarop zij hunnen -arbeid verrigten, hebbende ter wederzijde van den langen gang één -venster nevens de stipjes in den winkelhoek van de T. Ieder venster -heeft 3 voeten in het vierkant. De glazen zijn gedroogde en aan -elkander genaaide Zeehonds-darmen. Aan het einde van dezen gang is -nevens A een rond gat, waardoor zij de schuitjes uit en in huis steken. -Ook worden dezelve binnen ’s huis vervaardigd op de met steenen belegde -plaats, die voor de schermen langs loopt. Hunne lampen zijn van eenen -uitgeholden steen gemaakt, waarin zij traan branden, zijnde de pitten -van mos. Ook maken zij zelve potten van zwarte aarde, die zij met traan -en mos vullen, bekleedende zulks de plaats van een vuur, waarover zij -koken. Deze vuurpot hangt voor hunne slaapplaats, waarover zij in eenen -kleinen pot hun Robbevleesch en Visch koken. Hunne lampen geven goed -licht, maar het een en ander veroorzaakt veel stank in huis, vermits -alle rook den gang uit moet, langs welken zij in huis gaan of kruipen. -Zij hebben geen’ schoorsteen—dus is het zeer benaauwd in huis. Door den -langen gang in huis komende, vindt men aan de eene zijde van het _Huis_ -of _Poortje_ zonder deur eene door hen zelve vervaardigde ton met -loopend water, waarin een stuk ijs staat, om het koel en smakelijk te -houden. Dit is hunne drank, waarop zij zeer gesteld zijn. Aan de andere -zijde van dit Poortje staat eene groote balie met hun eigen water of -_urine_. Mannen, vrouwen en kinderen zijn gewoon zich alle avonden in -dat stinkende water te wasschen. De vrouwen binden het haar, daarmede -gewasschen, in een’ top op het hoofd te zamen. Zij zijn klein van -statuur, doch in ’t gemeen zijn de vrouwen grooter dan de mannen. De -mannen zijn platachtig van aangezigt en neus, en bruin van tint, -hebbende in ’t gemeen bruine oogen en geenen baard, dien zij, naar men -zegt, uitplukken. Doch ik heb zulks niet gezien. Mannen en vrouwen -hebben deels lang bruin of zwart grof haar. Hunne tanden zijn wit. -Ouders en kinderen liggen door malkander met een ruig honden-vel -overdekt, zijnde hetzelve als een deken gevormd. Bij vermeerdering van -gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut. Staande dat tijdstip -zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw gaat gemeenlijk -met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn hun -voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten -onder hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en -dadelijk met alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te -winnen, onder de steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle -avonden een vierde uur lang over de afgestorvenen en wel met tranen. -Daarna zijn zij vrolijk en leven zeer vreedzaam. Zij zingen niet. -Spreken en lagchen is hun vermaak. In den zomer slaan zij hunne tenten -op langs de kust. Dan komen zij bij elkander, bedrijven vreugde, -huppelen en springen en leggen in hunne eenvoudigheid groote -vergenoegdheid aan den dag. Schoon de zindelijke mensch groote -morsigheid in hunne levenswijze opmerkt, ziet men in tegendeel, dat zij -veel vernuft bezitten in het konstig maken van hunne kleederen, in het -bereiden der vellen en in de wijze, waarop zij hunne kleederen naaijen. -Op de nevensgaande Kaart ziet men eenen Wildeman in zijn schuitje -afgebeeld. Dit stuk is bewonderenswaardig. Hetzelve ligt, als de -Wildeman er in zit, met het middelste gedeelte, 4 duimen boven water. -Hij heeft de zwarte _halve geut_ (of run) A in zijn’ regterhand nevens -het hoofd. B verbeeldt den pijl, waaraan nog drie kleine pijltjes (of -harpoentjes) beneden aan de schacht zitten. C verbeeldt een blaasje, -dat op den pijl vastgemaakt is. De Wildeman is zoo sterk en geschikt, -dat hij, op eenen verren afstand, met zijne regterhand den pijl B -wegschiet uit de _halve geut_ (of run) A, en den vogel treft. Is het -misgeschoten, dan drijft de pijl B op het water aan het blaasje C, -hetwelk aan den pijl is vastgemaakt. Hij schiet den pijl over den mast -van een schip heen. D is een pijl of harpoen, welks punt in den -voorsteven van het schuitje rust. Het ander einde rust op een tafeltje, -dat drie pootjes heeft, waarop de lijn G in goede orde in bogten is -gelegd. Deze lijn is van een Robbe-vel vervaardigd en zeer kunstig in -het rond uitgesneden. Dezelve is vastgemaakt aan den langen harpoen en -het ander einde aan de blaas E, welke door een houtje, als eene veer, -op het schuitje achter den Wildeman wordt vastgehouden. Zoodra de -Wildeman met den langen harpoen D eenen Zeehond (of Rob) schiet, dan -loopt de lijn van het tafeltje en rukt de blaas E van het schuitje of -onder de houten springveêr H weg, hetwelk zoo kunstig is gemaakt, dat, -slipte de blaas niet goed van het schuitje, zoo zoude hetzelve in -wanorde komen en de Wildeman zou moeten verdrinken. Nadat de Rob moê of -afgemat is, slepende de blaas E achter zich, wordt hij gevangen en -voorts afgemaakt. De blaas E is een welbereid Robbevel, of een geheele -Rob, zeer kunstig bereid en voorzien met eene beenen _bus_, welke -daarin vastgemaakt is, en waardoor een gaatje loopt, waardoor zij de -blaas vol wind blazen, er een pennetje in stekende, om er den wind in -te houden. Zij komen met hunne welgemaakte schuitjes (hoedanige ik op -bladz. 25 beschreven heb) zelfs bij stormachtig weêr bij onze schepen -in zee, wanneer wij genoodzaakt zijn, om voor klein zeil te zeilen. De -zee spoelt gedurig op hunne zitplaats over het schuitje heen. Zij -liggen als een vogel op zee, zoo wel en luchtig zijn dezelve gemaakt. -Eén man kan zulk een schuitje dragen. Hoe vlug deze Wilden zijn, kan -men daaruit opmaken, dat zij, zittende in het schuitje (zie de figuur) -zich met hetzelve in het water kunnen kantelen en zeer snel met den -riem F weder oprigten, of liever, zij tuimelen met het schuitje eenen -slag in het rond, hetwelk eene verwonderenswaardige vertooning -oplevert. I is een in zee zwemmende Zeehond of _Rob_.—F is de -roeispaan, welken zij met de linkerhand vasthouden, liggende dwars over -het schuitje heen. Aan de einden van het schuitje is een beenen knopje -en aan de voorstevens een stukje been, hebbende ten doel, om het -schuitje tegen het aanstooten van het ijs te wapenen. Al dit kunstwerk -is zeer bewonderenswaardig. Hunne schuitjes zijn zoo geschikt, om er in -onstuimig water mede te werken, dat geen bouwmeester hier te lande in -staat is, iets dergelijks van leder zoo waterdigt te maken. Hunne -welbereide en zeer kunstig genaaide kleederen zijn even -verwonderenswaardig. - -Ik vond in de valleijen van het gebergte boompjes, doch niet hooger dan -ongeveer 10 voeten, zonder vrucht, sommige lage boompjes (of heesters) -met blaauwe bessen. Des morgens gaan de mannen met hunne voornoemde -schuitjes naar zee op de Robben- of Zeehonden-vangst, en, des avonds -komen zij weder t’huis. Dan halen de vrouwen de gevangene Robben op het -land, snijden ze in lange reepen en deelen daarvan mede aan hunne -kinderen, gelijk wij er mede onze portie van kregen. Hiervan eten zij -met smaak en het bekomt hun ook wel. Wij, door grooten honger geperst, -gebruikten er desgelijks van, vermits wij niets anders konden krijgen. -Doch het bragt bij ons een’ fellen buikloop te weeg, waardoor wij -ongemeen verzwakten. Aangezien wij door den traan zeer morsig waren, -vonden wij ons genoodzaakt, om ons met het voornoemde stinkende water -uit de balie te wasschen, welks stank en sterkte wij ter naauwernood -met neus en oogen konden verduren. Doch wij gingen, na het wasschen, -naar buiten en wieschen ons vervolgens met water en sneeuw af, hetwelk -ons dan weder frisch maakte. Zoo moesten wij ons aan hunne levenswijze -gewennen. Dit gebeurde binnen _Kaap Vaarwel_ op 60 gr. 15 minuten N. -Breedte. Uit hoofde van het slechte weder moesten wij hier met de te -voren genoemde vier dagen, in het geheel vijfentwintig dagen -doorbrengen. - -Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij -tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van -nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten -moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en -namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij -gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een -wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen -toestand, met Robbenbloed. - -Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde -van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een -geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis. - -Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat -Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren -geweest. Zij waren gelukkig om _Kaap Vaarwel_ met twee vrouwe-booten -heengekomen. - -Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 -uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een -eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van -drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat -zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning, -waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen, -inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter -met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door -een’ Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. -Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij -tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, -wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor -in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in ’t -geheel niet voldeed. - -De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede -Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer -de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht -weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog -tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed -weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen -en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes -nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood -gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord -behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een -Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn -huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis -woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met -verwondering. Aan een’ pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder -andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten -hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan -denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche -_Courant_. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, -tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES, -van _Amsterdam_ uitgevaren naar de _Middellandsche Zee_, door den -_Turk_ genomen, en te _Larassy_ in _Turkije_ opgebragt was. Dit -verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN -SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam -mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd -was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij -van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte. -Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren, -hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de -streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te -beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk.—Eerst verwelkomden zij -mij met een glaasje _liqueur_, daarna in den nacht met melkspijs, welke -wij met zilveren lepels aten—vervolgens sliep ik op een zacht bed van -veren.—Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens -den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade -geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust. - -Op den 20 November werd ik des morgens bij het opstaan, onthaald op een -kopje koffij met eene boterham.—Nu naar alles vragende, verhaalden zij -mij, wie daar al van tijd tot tijd geweest waren. Ik deelde hun hierop -het verhaal mijner lotgevallen, tot hiertoe, mede. Zij namen zeer veel -deel in ons wedervaren. Deze volkplanters betoonden ons Christelijke -vriendschap, doch deze overtrof in geenen deele het onthaal, hetwelk -wij genoten hadden bij de arme Wilden, bij welke wij het eerst waren -aangeland. Hier zullen ongeveer twee honderd gedoopte menschen zijn -geweest. De Duitsche broeder JAN SIBRANDS verhaalde mij, dat hij, -vierendertig jaren geleden, met zijne vrouw, door Kommandeur ITS -ALDERTS van _Amsterdam_ derwaarts gebragt was. Hij had een aantal -schapen. Het land was aan den benedenkant van het gebergte vlak en -groen. Ik onthield mij hier drie dagen lang met veel genoegen. Hem -verzoekende, of ik aldaar met mijne vier mannen, gedurende den winter -zou kunnen blijven, vermits wij niet verder om de Noord meenden te -kunnen reizen, weigerde hij zulks, oordeelende het beter te zijn, dat -wij ons verder Noordwaarts op naar _Juliaans Hoop_ begaven, zijnde een -_Deensche_ volkplanting op 61 graden. Ik kreeg van deze Hernhutters -mijn horologie weder, dat zij van de Wilden, aan welke ik het ten -geschenk had gegeven, ingeruild hadden tegen tabak, schietgeweer, -spelden en naalden. Deze Hernhutters voorzagen ons voorts van leeftogt -voor zeven dagen. - -Den 21 November (No 29.) gingen wij op vrouwe-booten op reis, vergezeld -van Christen-wilden, namelijk één man en eenige vrouwen, en voorts, tot -hulp en gezelschap, nog twee mannen, ieder in een afzonderlijk -schuitje. Na eene reis van zeven dagen bereikten wij de voornoemde -volkplanting _Juliaans Hoop_. - -Op den 28 November kwamen wij bij den Koopman ANDRIES OELZEN. Wij -hadden, gedurende deze reis van zeven dagen, ons nachtverblijf bij -Wilden, die geene Christenen waren, maar ons vriendelijk bejegenden en -ons dikwijls van hunne armoede nog iets mededeelden, als Robbevleesch -en gedroogde spiering. Gedachte Koopman ANDRIES OELZEN was met eene -inlandsche vrouw gehuwd. Hij had bij dezelve tien kinderen, vijf zonen -en vijf dochters, van welke twee zonen en drie dochters in leven waren. -Hij en één zijner zonen waren zeer ervaren in de muzijk, spelende op -verscheidene instrumenten. Hij had zesendertig jaren lang in _Straat -Davids_ geweest. Zoodra ik hem zag, herkende ik hem. Hij was in het -jaar 1763, toen ik met Kommandeur HANS BARENDS van _Holland_ voer, met -zijne vrouw en kinderen in de rivier of baai, _de Suikertoppen_ -genaamd, bij ons aan boord geweest. Hij herinnerde zich zulks terstond. -Ook bragt ik hem te binnen, dat hij destijds het behoud van ons schip -was geweest. Vermits ons scheepsvolk, vermoeid van de Walvisch-vangst, -zich ter ruste had begeven, had hij brand in den schoorsteen ontdekt, -welke alreede zoo ver gevorderd was, dat het dek gevaar liep vlam te -vatten. Ook dit herinnerde hij zich zeer duidelijk. Het was -bewonderenswaardig, dat wij elkander na zoovele jaren, op deze wijze -ontmoetten!— - -Bij dezen Koopman vonden wij eenige manschap van de andere verongelukte -schepen, die met vrouwe-booten verder om de Noord dachten te reizen. -Bij deze bevond zich Kommandeur ALBERT JANS. Ik gebruikte bij ANDRIES -OELZEN het avondbrood en vernachtte aldaar. Hij bejegende mij zeer -vriendelijk. - -Op den 29 November (No 30.) ontmoette ik zeven mannen, die voor dezen -Koopman, langs de kust om de Noord, handel dreven in Vosse- en -Robbevellen en traan. Ik verzocht den Koopman ANDRIES OELZEN, of ik den -winter bij hem zou kunnen doorbrengen. Dit werd mij geweigerd, doordien -hij gebrek had aan levensmiddelen, en aldaar in twee jaren geen schip -was geweest met proviant. Toen Kommandeur ALBERT JANS mij in de -volkplanting _Juliaans Hoop_ verliet, gaf ik hem twee brieven mede, -welke in de maand Junij van het volgende jaar beide in het vaderland te -regt zijn gekomen. Ik trad vervolgens, na overleg met den Koopman, met -de voornoemde zeven mannen in onderhandeling. Deze wilden mij vier -mijlen ver mede terugnemen. Ik zou mij dan zoo lang bij de Wilden -ophouden, tot dat de overige manschap van hier vertrokken zou zijn. Zij -wilden mij dan naderhand van de plaats, waarheen zij voornemens waren -ons nu te brengen, weder afhalen. Toen ontzonk mij de moed. Ik moest -met mijne vier mannen van de Christenen weder terug naar de Wilden, die -ons vervolgens tien dagen lang, in hunne woning, met Robbenvleesch en -Spek, waarbij wij niet dan met veel tegenzin het leven rekten, -onderhielden. - -Den 9 December (No 31.) schreef ik eenen brief aan voormelden Koopman -ANDRIES OELZEN in de Kolonie _Juliaans Hoop_, waarin ik hem verzocht, -om voor mij aan den Hernhutter JAN SIBRANDS te schrijven, of ik bij -dezen niet zou kunnen overwinteren, aangezien ik hier den winter niet -kon doorkomen. Na de ontvangst van dezen brief zond Koopman OELZEN mij -dadelijk zijnen zoon en dochters en meer anderen, die mij en mijn volk -van daar afhaalden. - -Wij kwamen den 10 December voor de tweedemaal in het huis van Koopman -ANDRIES OELZEN. Kommandeur ALBERT JANS was toen met zijn volk om de -Noord vertrokken, zijnde Kommandeur HANS CHRISTIAAN JASPERS daar -gebleven. Hier kon ik nu, op aanbod van Koopman ANDRIES OELZEN, bij hem -den winter doorbrengen, zijnde de voornoemde manschap vertrokken, onder -voorwaarde, dat ik des middags Robbevleesch voor lief zoude nemen, -zullende hij mij tot avondeten vaderlandschen kost, te weten, gebroken -gort en witte erwten, voordienen. Ik nam zulks met blijdschap aan, en -verdeelde mijne manschap onder de Wilden, die zich met derzelver kost -moesten vergenoegen. - -Terwijl ik intusschen kennis maakte met de arbeiders in de -volkplanting, welke wekelijks hun rantsoen vaderlandschen kost van den -Koopman ontvingen, kocht ik zulks van hen, onder voorwaarde, dat ik -hen, te _Kopenhagen_ komende, zoude voldoen. Dit stelde mij in staat, -om mijn volk alle Zon- en Woensdagen bij mij ten eten te vragen, om hen -op voornoemden voorraad te onthalen. - -De Kolonisten wetende, dat Koopman ANDRIES OELZEN nog een vaatje bier -in zijn’ kelder had, verlangden zeer, om daarvan eens te proeven, -zeggende, dat mij zulks ook wel zoude smaken;—doch de kelderdeur bleef -gesloten. Maar op den 11 Januarij 1778 (No 32.) vierde de zoon van -ANDRIES OELZEN, die met een inlandsch meisje ging trouwen, zijne -bruiloft. De trouwplegtigheid werd waargenomen door eenen inlandschen -Kandidaat, die desgelijks met eene inlandsche vrouw gehuwd was en -aldaar woonde. Vóór deze bruiloft riepen deze Kolonisten mijne -tusschenkomst in ter verkrijging van eenen dronk biers. Ten einde zulk -te bewerken, verzocht ik den Koopman verlof, om ons op de bruiloft -vrolijk te mogen maken, hetwelk hij mij met blijdschap toestond. - -Bruidegom, Bruid, Kandidaat en Vrienden kwamen nu met muzijk ter -bruiloft, en begonnen eenen vrolijken wilden dans. Het huis was van -binnen vervuld en van buiten omringd met vrolijk gezelschap, en, bij -die gelegenheid werd het vaatje bier uit den kelder gehaald. Op deze -wijze kreeg elk eenen dronk bier ter eere van het jonge paar. Zeer -toevallig kwamen in den voornacht drie Wilden met hunne schuitjes van -de volkplanting _Frederiks Hoop_, (alwaar het Proviantschip van den -Koopman, op eenen afstand van 30 mijlen om de Noord, bevroren lag) -brengende mede eenige ponden suiker, koffij en thee, welke den Koopman, -het jonge paar en ons allen zeer te stade kwamen. Zij hadden in langen -tijd niets van dien aard gehad. Thans werd de koffij spoedig gebrand en -gebruikte men op de bruiloft koffij en thee met boterhammen, hetwelk -ons ongemeen verkwikte en vervrolijkte. - -Wij bragten den winter, na zooveel doorgestane ellende, op _Juliaans -Hoop_, met zooveel opgeruimdheid, als mogelijk was, door. Des nachts -zagen wij de schoonste vertooning van het afwisselend en spelend -Noorderlicht (No 41.) dat zich zoo wonderbaarlijk met alle kleuren aan -het oog opdoet, dat geene pen in staat is, zulks te beschrijven; zijnde -het voor menschen, die er niet aan gewoon zijn, zeer schrikbarende. - -Waarschijnlijk ontstaat het Noorderlicht door de wederomkaatsing van -het glad in zee omdrijvend ijs, hetwelk op 71 gr. 30 min. en verder -Noordwaarts op naar de pool gevonden wordt en door stroom en wind in -eene sterke beweging is, daar het in de lucht uitstekende hoog -ijsgebergte met alle zijne zeer diepe dalen en blinkende brandpunten -zich in de lucht spiegelt en zich, rondom de Noordpool des hemels, in -de vloeibare deelen vertoont; welke spiegelende en spelende vertooning -zich misschien ook wel gedeeltelijk aan ons oog opdoet, doordien de -aarde zich alle 24 uren zeer snel om hare as wentelt. - -Dit althans is proefondervindelijk. Wanneer men in _Groenland_ van -rondom in het ijs is ingevroren, en geen water kan zien, dan ontdekt -men de gaten, welke, groot of klein, zonder dat men dezelve kan zien, -op eenen afstand van 1, 2, 3 ja van 10 mijlen enz. in het ijs scheuren, -op gelijke wijze aan de lucht, als dezelve natuurlijk in het ijs zijn. - -Gedurende dezen winter lag het ijs bestendig aan het land aangesloten -tot aan de maand Mei, zoo dat het proviant-schip niet bij ons kon -komen, hetwelk 30 mijlen van ons om de Noord lag ingevroren, maar in -het laatste van Junij ontving onze Koopman ANDRIES OELZEN op _Juliaans -Hoop_ eenen brief van Koopman KAREL BRUIN van de Kolonie _Frederiks -Hoop_, waarin deze hem meldde, dat 16 mijlen benoorden ons twee -vrouwe-schuiten (of _koene booten_) lagen, welke hij met levensmiddelen -naar ons had afgezonden, en welke Koopman OELZEN, wanneer de -gelegenheid zulks toeliet, van daar moest laten afhalen. Ook berigtte -hij, dat het proviant-schip nog tusschen het land en het ijs in zijn -gezigt lag, met bestek, om de reis naar _Juliaans Hoop_ voorttezetten. -Wij bragten daarop de Noordsche Jol van onzen Koopman in gereedheid en -HANS CHRISTIAANS en ik voeren beide mede tot hulp. Na verloop van vijf -dagen kwamen wij op eene plaats, alwaar wij voornoemden Koopman BRUIN -dachten te vinden; doch wij ontvingen berigt, dat Koopman KAREL BRUIN -den voorgaanden dag met twee geladene koene-booten terug was gegaan -naar de Kolonie _Frederiks Hoop_. Wij achtervolgden hem, en, na verloop -van nog vier dagen (zijnde naar gissing de 9 Julij (No 33.) kwamen wij -bij den Koopman KAREL BRUIN in de Kolonie _Frederiks Hoop_, vindende -daar tevens het Proviant-schip, dat anderhalf jaar in dit land was -geweest, vermits het, uit hoofde van de bezetting van het ijs, de -proviant niet ter bestemde plaats had kunnen vervoeren. Wij verblijdden -ons hartelijk, dat wij het schip bereikt hadden, en hoopten met het -genoemde vaartuig dit jaar naar het vaderland te kunnen terugkeeren. - -Vóór het ontvangen van boven genoemden brief door Koopman ANDRIES -OELZEN gebeurde nog het navolgende. Omtrent het midden van Maart, ging -ik, met eenige van mijne manschap, onder het geleide van gedoopte wilde -mannen en vrouwen met eene _koene-boot_ of vrouwen-schuit naar -_Juliaans Hoop_ met proviant voor veertien dagen, om den overgrooten -honger van mijn achtergebleven volk, die zes mijlen Zuidelijker -geplaatst waren eenigzins te gemoet te komen. Dit was voor _ons_ een -zeer aandoenlijk tooneel. Aldaar komende vond ik vijf man in getale, -die van harte gezond waren, maar door den honger zoodanig verzwakt, dat -slechts drie hunner nog eenigzins konden loopen, terwijl de twee andere -bij de ongedoopte Wilden in huis op handen en voeten kropen. Toen wij -elkander zagen, schreiden wij van overgroote blijdschap na zooveel -doorgeworsteld lijden. Het is mij niet mogelijk de aandoeningen te -beschrijven, die onze harten overstelpten, en ik kon mij over de -gretigheid, waarmede zij, als geheel uitgehongerd zijnde, naar het -voedsel, dat ik hun toereikte, grepen, niet genoeg verwonderen. Zij -verzochten mij, om den nacht bij hen te blijven, maar wij waren -genoodzaakt, om zulks te weigeren, vermits, naar ons inzien, het ijs -den volgenden dag onze terugreize had kunnen beletten. Na hun moed en -troost te hebben toegesproken, namen wij een zeer aandoenlijk afscheid, -met belofte, dat, zoodra wij op _Juliaans Hoop_ leeftogt ontvingen van -een schip, dat 30 mijlen om de Noord van ons af lag, ik hun daarvan, -zooveel mogelijk, zoude toezenden, en tevens, dat ik alle pogingen -zoude aanwenden, dat wij met hetzelve schip naar ons vaderland -terugkeerden. Vervolgens namen wij met ons gezelschap de terugreize -weder aan. - -Twee dagen voor mijn vertrek van de Kolonie _Juliaans Hoop_ (No 29.) -kwamen twee Wilden, die mij het eerst (gelijk voorheen gezegd is, 17 en -18 October), op _Statenhoek_, naast God, het leven gered hadden, bij -den Koopman ANDRIES OELZEN en berigtten hem, dat zij nog éénen man van -mijn volk hadden gevonden, die nog gezond was. De Koopman vroeg mij -hierop, of er nog van mijn volk achtergebleven waren, waarop ik hem -berigtte (zoo als 12 October gemeld is) dat één van mijn volk aldaar -gestorven was en een ander beproefd had, om over het hoog gebergte heen -te klimmen, van welken ik tot hiertoe niets had vernomen, en dat -eindelijk een derde, met name JAN WIT, bij het overbrengen om de steile -klip (zoo als ik den 17 October verhaald heb) vermist werd. Ik -verblijdde mij, denkende, dat de man, nopens welken de Wilden berigt -bragten, JAN WIT zoude wezen. Ik verzocht daarop den Koopman ANDRIES -OELZEN om een weinigje tabak en schreef eenen brief, dien ik aan JAN -WIT adresseerde. Het een en ander zond ik met deze Wilden naar hem toe. -De Wilden, bij hem komende, gaven hem den brief, met het weinigje -tabak, dat hem verkwikte. Maar helaas! hij kon den brief niet lezen en -dus bleef de inhoud hem onbekend. Naderhand ontdekten wij, dat het JAN -WIT niet was, zijnde het de man, die (zoo als op den 12 October gezegd -is) van ons over het hooge gebergte was gegaan, en dien wij alreede in -het ijsgebergte verloren hadden geschat. Na verloop van twee dagen -wandelde die man bij de woning dier Wilden om en zag drie mannen in -eene vrouwe- of koene-boot met de Wilden bij hem aan land komen. Hij -verwelkomde dezelve en verstond, dat zij van het verongelukte schip van -Kommandeur KASTERKOM waren. Zij verhaalden hem, hoeveel zij door honger -en koude geleden hadden, doordien hunne Wilden gebrek aan voedsel -hadden. Zij vroegen hem, hoe hij daar gekomen was? Hij antwoordde -hierop: met Kommandeur KAT, vermoedende voor het overige, dat deszelfs -togtgenooten wel al dood zouden zijn, nademaal zij, wegens de diepte, -om het steil gebergte niet heen konden komen; zijnde hij van hen -afgegaan en over het hoog gebergte heen gewandeld. Zeven dagen had hij -in hetzelve doorgebragt, zijnde hij eindelijk hier gekomen, na veel -lijden te hebben doorgestaan. - -Hij verblijdde hen met te zeggen: ik heb eenen brief met een weinigje -tabak ontvangen, maar ik kan niet lezen en weet dus niets van deszelfs -inhoud. Zij lazen hem toen den brief voor, waaruit zij verstonden, dat -dezelve door HIDDE DIRKS KAT geschreven was, wordende daarin gemeld, -hoe hij zich te gedragen had, om bij dezen te komen. Dit was voor hen -allen eene blijde tijding, hetwelk zij met vreugde-tranen aan den dag -legden, daar hun zulks nieuwe hoop gaf, om eindelijk eens weêr te regt -te komen. - -Kort voor mijn vertrek van _Frederiks Hoop_ kwam deze man, met de boven -genoemde drie mannen, die bij hem waren, bij mij, waarover wij ons zeer -verheugden. Nu vernam ik, dat het JAN WIT niet geweest was, maar de -man, die (zoo als ik den 12 October gemeld heb) van ons was gegaan over -het hoog ijsgebergte. Hij verhaalde mij, dat hij, onder het verduren -van honger, koude en wanhoop, ja somtijds in volslagene magteloosheid, -zeven etmalen in het ijsgebergte omgezworven had, hebbende bij wijlen -op de ijsbergen of op de klippen in de sneeuw uitgerust, als zijnde -dezelve grootendeels met ijs en sneeuw bedekt. Hij had in dien tijd nu -en dan aan den oever van de zee, of de rivier, voedsel gevonden, te -weten Mosselen; waarop hij zich, ten langen laatste, geheel afgesold, -op het strand had nedergezet, om te sterven.—Op dit oogenblik had hij -iets, in de gedaante van eenen vogel, op de rivier gezien, dat op hem -afkwam. Ziende, dat het een Wildeman in zijn schuitje was (iets, -hetwelk hij nooit voorheen gezien had) had hij het ergste gevreesd. -Toen deze Wilde bij hem aan den wal kwam, had hij hem, uit vrees van -gewelddadig aangevallen te zullen worden, eenen zijden halsdoek -toegereikt, dien deze had aangenomen. Hierop was zijne vrees in vreugde -veranderd. Deze goede Wildeman had hem opgerigt, ondersteund en in zijn -huis geleid, dat, buiten zijn weten, in zijne nabijheid, in het -klipachtig gebergte stond. Zij bewezen mij (vervolgde deze man) alle -liefde, gaven mij van hun voedsel en verwarmden mij. Hier bleef ik tot -op het tijdstip, dat ik den brief van u, Kommandeur KAT, benevens de -hier vermelde hulp ontving. Door middel van denzelven ben ik thans bij -u. - - - - -Vervolg mijner reize. -1778. - - -Toen ik mij op _Frederiks Hoop_ bevond, ging de boot, die mij daar -gebragt had, met leeftogt terug naar de Kolonie _Juliaans Hoop_ (No. -29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman ANDRIES OELZEN -mede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene liefde bedankte; -hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár geblevene -manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar mij -toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft. - -Hier op _Frederiks Hoop_ (No 33.) verzocht ik den Koopman KAREL BRUIN -om, benevens mijn volk, met dit schip naar ons vaderland te mogen -vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig toestemmend antwoord. -Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier blijven tot op -het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het -achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende -dezen tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden. - -Omstreeks den 10 Augustus (No 33.) waren wij gereed en zagen wij kans, -om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor -acht weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van -tweeëntwintig passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen -op reis. In zee komende bevonden wij het ijs twee mijlen van het land, -digt aan een gesloten. Om hier door te komen laveerden wij langs het -ijs om de Noord tusschen het groot ijsgebergte door. Met zeer veel -gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen tijds om de Noord en wel -tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel bezeild. Eindelijk -kwamen wij voor de Kolonie _Gorthoop_ genaamd (No 35.). Hier deden wij -twee schoten, waarop twee Wilden bij ons aan boord kwamen. Wij schreven -eenen brief aan den Koopman van die Kolonie, dat, bijaldien wij niet -door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar binnen te loopen, -in welk geval wij zijnen bijstand verzochten. - -Op den 18 Augustus (No 36.) hadden wij des namiddags mooi weêr, kregen -eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de -Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.) -tusschen het ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu -konden wij onze reis doorzetten. Des namiddags zagen wij een -Galjas-schip ten westen van ons. Wij zeilden er heen en ontvingen het -berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar de Noord-Kolonien bestemd -was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en kochten eenen -kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant tot onze -verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij -kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij -eenen goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens -zagen wij de _Orkadische_ eilanden. Toen hadden wij harden wind uit het -Zuidwesten tot den 9 September (No 38.). - -Den 10 September (No 39.) stevenden wij _Hitland_ voorbij met zwaar -weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier -dagen passeerden wij op den 13 September (No 40.) _Schagen_ in het -_Kattegat_, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op -de plaats van onze bestemming, te weten _Kopenhagen_, alwaar ik met -mijn volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar -Kommandeur HANS JOHANNES, die weleer drie jaren lang als stuurman met -mij van _Hamburg_ gevaren had. Deze bragt mij bij de _Groenlandsche -Directeuren_. Ik gaf dezen mijne rekening over van de schuld, die ik -voor mij en mijn volk in de _Straat Davids_ en in de _Kolonien_ gemaakt -had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat ik aan deze -Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik afscheid; -betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging ik -met Kommandeur HANS JOHANNES naar deszelfs huis. Ik verhaalde denzelven -ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald. - -Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met -een schip naar _Lubeck_, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap -aan den wal stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den -Heer D.H. REWOEL te _Hamburg;_ en vervolgens aldaar bij mijnen zwager, -den Kommandeur C.J. NEY komende, vernam ik, tot mijne overgroote -blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was, -zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven. - -Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eiland -_Ameland_ en ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij -onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op -straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne -terugkomst toe. - -God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij HIDDE -DIRKS KAT bewezen! - -[Illustration] - - - - -Naberigt. - - -Men vindt in de beschrijving van JELDERT JANZEN GROOT, die op den 10 -April 1777 van _Amsterdam_ naar _Groenland_ gevaren is, en ten zelfden -tijd met Kommandeur HIDDE DIRKS KAT zijn schip tusschen _Statenhoek_ en -_IJsland_ verloren heeft (welke beschrijving hij, na zijne terugkomst -van de _Straat Davids_, in het licht heeft gegeven) schier dezelfde -berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne bijzondere ontmoetingen -had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het verblijf op het -ijs en aan den wal. Gemelde J.J. GROOT teekent mede aan, dat de wilde -mannen zeer ervaren zijn _in_ en voorkennis hebben _van_ den aan- en -afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen zoo verre ging, -dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon maken. -Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne -godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij ’s morgens niet -uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben, -verrigtende zij des avonds bij hunne t’huiskomst wederom hetzelfde. Wij -bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en -zelfs aan _Statenhoek_ wonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en -de gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene -godsdienst-kennis; maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een -weinigje veel meer inruilen, dan bij de gedoopte, zoo dat het -Christen-worden dier menschen geene mededeelzaamheid heeft aangebragt. -Dit verschil was in het oog loopende. - -BERIGT AAN DEN ZEEMAN. - - -De kust van _Gale Hamkes_ 10 a 12 mijlen van land vertoont zich -bergachtig en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen -land meer en niets dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het -land bedekken. Men ziet dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18 -mijlen. Van gelijken aard vond ik naderhand het land op eene N. Breedte -van 62 gr. 30 minuten in de _Straat Davids_ benoorden _Kaap Vaarwel_. - -Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer. -De stroom loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel -sterker dan gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten -woei en met den stroom in dezelfde lijn liep. - -De reden, waarom het eene _IJsveld_ veel sneller drijft dan het ander, -is deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde de -_IJsbergen_ somtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer -laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen -vastraken, worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de -vastgeraakte ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar -gelang van den stroom. - -In de _Straat Davids_, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij, -tusschen _Juliaans Hoop_ en _Frederiks Hoop_ eene _IJsvallei_ -voorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in. -Aan deze groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in -de lucht. Deze hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet, -zijn een zeer goed kenmerk van den weg, dien men in de _straat_ heeft -afgelegd. Men ziet diezelfde vallei desgelijks ten Oosten van -_Statenhoek_, vermits die opening, waarin de vallei ligt, het land -doorsnijdt, zijnde eene rivier die, naar uitwijzing van de Kaart, van -het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is het voorkomen der -ijsbergen tusschen _Jan Maaijen Eiland_ en _IJsland_ op 68 gr. 30 -minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op mijne vraag, hoe ver -zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naar _Spitsbergen_ -uitstrekken, verstond ik van den Koopman ANDRIES OELZEN, dat dezelve -zich zoo verre uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof. - -KORT UITTREKSEL - - -Uit het kort doch echt verhaal van Kommandeur MARTEN JANZEN[1] wegens -het verongelukken van zijn schip, genaamd _Het witte Paard_ en van nog -negen andere schepen door de bezetting van het West-ijs in _Groenland_ -ten jare 1777.—_Leeuwarden_ bij _Tresling_ 1778. - - [1] Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag - gemaakt. _De Uitg_. - - -(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur -HIDDE DIRKS KAT aan zijne huisvrouwe, geschreven uit _Straat Davids_. -Daar deze echter onderscheidene in het _Dagboek zelve_ voorkomende -bijzonderheden bevat, heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven -hier mede te deelen. Het navolgende _kort Uittreksel_ dient tot nadere -bevestiging van het door ons medegedeelde Dagboek van den Kommandeur -HIDDE DIRKS KAT. - - -“Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware -kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur KASTRIKOM van -achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij moesten toen vijf pompen -aan den gang houden, en zetten de _victualie_ en ’s volks goed op eene -schots. In den avond verloor Kommandeur GROOT zijn schip, waarvan wij -ter naauwernood de _victualie_ borgen. Den 8sten stopten wij het lek -van ons schip, waardoor wij lens kregen en het met ééne pomp gaande -konden houden. Toen namen wij de _victualie_ weder in en het volk werd -op de twee nog overig zijnde schepen verdeeld. Het schip van Kommandeur -BROERTJES was nog digt. Den 9 September kregen wij een weinig ruimte, -doch hadden zware deining en eene hooge zee, waardoor wij van elkander -raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en ontramponeerd. Het zag er -toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf schepen bemand, en -nog eenig volk van het schip van Kommandeur KLAAS KUIKEN, dat al vroeg -gebleven was, met zich voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65 -gr. N. Breedte en dreven nog al hard Westwaarts op, alle dagen het land -in het gezigt hebbende. Nu begon ons de moed te ontvallen. Wij konden -daags slechts tweemaal een klein rantsoen schaffen, en dagelijks -vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen door dreven. -Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af, -onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem -behagen ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September -vermeerderden onze smarten, doordien Kommandeur BROERTJES ook zijn -schip verloor. Hij kwam met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden, -den 1 October bij ons aan boord. Zij hadden van hunne _victualie_ niets -kunnen bergen, doordien het ijs aan losse schotsen lag. - -“Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinig _victualie_ -hebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht) -schepen. Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord HANS -CHRISTIAANSZ. van _Hamburg_ met vijftig mannen, die hun schip op den 30 -September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons, dat er -nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur HIDDE DIRKS KAT -en HANS PIETERS van _Hamburg_. Doch die waren uit hun gezigt geraakt. -Een harponier van HANS CHRISTIAANSZ. was met dertien mannen aan den -buitenkant van het ijs bij het wrak gebleven, met voornemen om -_IJsland_ op te zoeken. Wij waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard -om de Zuid-west bij het land langs. Met 286 zielen, welke zich thans -bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags niets meer dan ieder tien -lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den honger te stillen, -het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat en de -Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen -van land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste -land niet krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen -vonden. Dit was op 63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons -schip kraakte gedurig door het kruijen van het ijs. Doch dit alles was -slechts een begin van onze rampen, dewijl de dag van den 11 October ons -lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij verloren toen ons laatste -schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en verpletterd. Wij borgen -ter naauwernood nog de _victualie_ op eene schots ijs. Wij moesten van -de eene schots op de andere springen om ons leven te behouden. Alle -vervoegden wij ons op de schots, daar de _victualie_ op stond. Onze -toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm -gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op -de schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij -waren in gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij -draaiden ons alle nog gelukkig voorbij. - -“Den 12 October dreven wij op de schots met een’ harden gang om de Zuid -tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr -geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van -redding en dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of -door de schotsen weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door -ijsbergen heen dreven. Den 13den dito des morgens lag het ijs weder -digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen bij ons, maar konden er geen -gebruik van maken. Wij besloten het ijs te verlaten en naar land te -zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en hiermede gingen de -Kommandeurs JELDERT JANS GROOT, HANS CHRISTIAANSZ. en ik (MARTEN -JANZEN) met nog veertig mannen over het ijs naar den wal. Wij kwamen -toen op een eiland, waar wij den nacht blijven moesten. Een gedeelte -van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige kwamen, -bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten -er eenige onder de schotsen. - -“Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den -vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen -konden zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de -inboorlingen aan land staan. Ik (MARTEN JANZEN) die eenige woorden van -hunne taal kan spreken, terwijl ik op _Straat Davids_ gevaren heb, -smeekte hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en -bragten ons aan land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde -Spiering en gedroogd Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen -groeide, te eten gaven. Er waren twee huizen, waarin wij geplaatst -werden. Wij bevonden deze menschen van eene goede inborst. Tot den -17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder doornat te -worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen van -ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter -zake terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met -hunne schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een’ westen wind -moesten hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte -van onze plunje eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur -GROOT met vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind -W.Z.W. Toen bragten de Wilden ons met twee schuiten naar _Statenhoek_, -waar Kommandeur GROOT weder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen -en werden wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de -inboorlingen ons niet verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind -uit den Noorden met harde vorst. Toen kwamen nog dertien mannen van ons -volk bij ons met berigt, dat zij iets noordelijker, dan ter plaatse, -waar wij geland waren, bij veel volk waren geweest, denkende zij, dat -die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij drie Kommandeurs met -eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook konden vinden—doch -dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene schuit van de Wilden -in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het goed weêr Toen -gingen Kommandeur GROOT, ik en nog achtentwintig mannen met twee -schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen aldaar. Des -avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en -Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze -Wilden weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder -met twee loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des -nachts in tenten of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen -kwamen wij aan een huis, daar wij zes man van het volk van Kommandeur -HIDDE DIRKS KAT vonden, die op _Kaap Vaarwel_ aan land gekomen waren. -Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur ALBERT JANS, -in eene bogt lag en nog zeventien mannen bij zich had. Den 6den was het -slecht weêr, en konden wij weinig eten krijgen. Den 7den gingen wij op -reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en kregen wij gaten in onze -schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te vernachten. De -Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat te eten -kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den -achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche Kolonie -_Juliaans Hoop_. Des Koopmans naam aldaar was ANDRIES OELZEN. Hier -werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost onthaald. Ook gaven -zij ons kleederen, om ons te verwarmen.” - -[Illustration] - - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGBOEK EENER REIZE TER -WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS -KAT *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/68111-0.zip b/old/68111-0.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 11da888..0000000 --- a/old/68111-0.zip +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h.zip b/old/68111-h.zip Binary files differdeleted file mode 100644 index 344795e..0000000 --- a/old/68111-h.zip +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h/68111-h.htm b/old/68111-h/68111-h.htm deleted file mode 100644 index 29bf5b8..0000000 --- a/old/68111-h/68111-h.htm +++ /dev/null @@ -1,2188 +0,0 @@ -<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" -"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> -<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> -<head> -<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> -<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> -<title>The Project Gutenberg eBook of Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, by Hidde Dirks Kat</title> -<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" /> -<style type="text/css"> - -body { margin-left: 20%; - margin-right: 20%; - text-align: justify; } - -h1, h2, h3, h4, h5 {text-align: center; font-style: normal; font-weight: -normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; margin-bottom: .5em;} - -h1 {font-size: 300%; - margin-top: 0.6em; - margin-bottom: 0.6em; - letter-spacing: 0.12em; - word-spacing: 0.2em; - text-indent: 0em;} -h2 {font-size: 150%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em;} -h3 {font-size: 130%; margin-top: 1em;} -h4 {font-size: 120%;} -h5 {font-size: 110%;} - -.no-break {page-break-before: avoid;} /* for epubs */ - -div.chapter {page-break-before: always; margin-top: 4em;} - -hr {width: 80%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} - -p {text-indent: 1em; - margin-top: 0.25em; - margin-bottom: 0.25em; } - -p.letter {text-indent: 0%; - margin-left: 10%; - margin-right: 10%; - margin-top: 1em; - margin-bottom: 1em; } - -p.noindent {text-indent: 0% } - -p.center {text-align: center; - text-indent: 0em; - margin-top: 1em; - margin-bottom: 1em; } - -p.right {text-align: right; - margin-right: 10%; - margin-top: 1em; - margin-bottom: 1em; } - -p.footnote {font-size: 90%; - text-indent: 0%; - margin-left: 10%; - margin-right: 10%; - margin-top: 1em; - margin-bottom: 1em; } - -sup { vertical-align: top; font-size: 0.9em; } - -div.fig { display:block; - margin:0 auto; - text-align:center; - margin-top: 1em; - margin-bottom: 1em;} - -a:link {color:blue; text-decoration:none} -a:visited {color:blue; text-decoration:none} -a:hover {color:red} - -</style> - -</head> - -<body> -<div lang='en' xml:lang='en'> -<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat</span>, by Hidde Kat</p> -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online -at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you -are not located in the United States, you will have to check the laws of the -country where you are located before using this eBook. -</div> -</div> - -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat</span></p> -<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Hidde Kat</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: May 17, 2022 [eBook #68111]</p> -<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p> -<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>DAGBOEK EENER REIZE TER WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS KAT</span> ***</div> - -<h1>Dagboek<br/> -<small><small>eener</small></small><br/> -reize<br/> -<small><small>ter</small></small><br/> -walvisch- en robbenvangst,</h1> - -<h2 class="no-break"><small>gedaan in de jaren 1777 en 1778<br/> -door<br/> -den kommandeur</small><br/> -<big><big>Hidde Dirks Kat</big></big></h2> - -<h3>met eene kaart van Groenland</h3> - -<div class="fig" style="width:100%;"> -<img src="images/img01.jpg" width="331" height="400" alt="[Illustration]" /> -</div> - -<hr /> - -<div class="chapter"> - -<p class="letter"> -Wat zeeman, die de kiel naar ’t barre Noorden stuurde,<br /> -Bestond er ooit op aard’, die zooveel ramps verduurde<br /> -Als K<small>AT</small>, die fiere K<small>AT</small>, die ’s lijdens beker heeft<br /> -Tot aan den boôm geleêgd, en toch, God dank! nog leeft? -</p> - -</div><!--end chapter--> - -<div class="chapter"> - -<table summary="" style=""> - -<tr> -<td> <a href="#chap01">Voorberigt.</a></td> -</tr> - -<tr> -<td> <a href="#chap02">Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat.</a></td> -</tr> - -<tr> -<td> <a href="#chap03">Vervolg mijner reize. 1778.</a></td> -</tr> - -<tr> -<td> <a href="#chap04">Naberigt.</a></td> -</tr> - -</table> - -<div class="fig" style="width:100%;"> -<a href="images/map.jpg"> -<img src="images/map.jpg" width="800" height="559" alt="Illustration:" /></a> -</div> - -</div><!--end chapter--> - -<div class="chapter"> - -<h2><a name="chap01"></a>Voorberigt.</h2> - -<p> -De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat hij den -Heer Kommandeur H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small>, -thans een zeventigjarig grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen -levens op het eiland <i>Ameland</i> slijt, verlof vroeg, om het door den druk -gemeen te mogen maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik -zijn Ed. te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend -geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men zich ook -verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo te wijzigen, dat -het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde zou het, mijns inziens, -ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Als <i>waarachtig verhaal</i> -verdient het niet alleen, om de hoogst merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, -welke daarin voorkomen, de aandacht van leergierige <i>ouden</i> en -<i>jongen</i>, maar heeft het, na de lezing, de eigenaardige kracht, dat het -niet, gelijk zoovele andere uit het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in -het rijk der wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard -azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar als -<i>geschiedverhaal van daadzaken</i> voortduurt en lessen en wenken bevat, die -zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met name ons -Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen, waaruit weleer zoo -aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen opdroogen, maar zich, op het -voetspoor van onvermoeid werkzame en stoutmoedige voorgangers, geene geringe -schatting te doen betalen van de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. -Geschiedverhalen van dezen stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij -oud of jong (want op dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote -overeenkomst) iets bijzonder aantrekkelijks. Het <i>avontuurlijke</i>, weet -men, valt in veler smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen -lezen—en tevens dingen leeren, die in het rijk der <i>wezenlijkheid</i> -t’huis behooren, waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij -zullen kunnen trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den -vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme hoekje -van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten van -<i>Groenland</i>, <i>Straat Davids</i> en <i>Spitsbergen</i> willen -verwisselen, als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, -dit <i>Dagboek</i> behelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en -daarmede gepaard gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van -hetgeen tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende -te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen zaken in -voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van nationale nijverheid -opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren, redmiddelen en uitkomsten in -beschreven, die hem, die deze wateren eens wil bevaren, grootelijks te stade -kunnen komen; er heerscht, om mij zoo eens uittedrukken, een -<i>ouderwetsche</i> geest van mannelijke kloekmoedigheid, onvermurwde -standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht en geheel opregt en eenvoudig -vertrouwen op God en zijnen alvermogenden bijstand in, die der jeugd en ook -elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg voor oogen gesteld of te diep in het hart -geprent kunnen worden, vermits deze loopbaan zich door ontelbare -moeijelijkheden en gevaren henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met -het driedubbel erts van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder -de oogen kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een -Leesboek in handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot -deze belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen -genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God hem in -het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe weinig dit vak -van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke Letteroefeningen behoort), -aangezien hij zijn vaderland te lief heeft, om niet met de grootste -bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen steen aan het gebouw van deszelfs -herlevenden welstand in dit vak van <i>industrie</i> te leggen. Om het -oorspronkelijke niet te verminken, is er hier en daar slechts een weinigje aan -den stijl gevijld en de spelling naar de thans gewettigde gewijzigd. -Gemakkelijk had de uitgever het in eenen <i>dramatischen</i> vorm kunnen -gieten; doch dit had niet dan ten koste der eenvoudige waarheid kunnen -geschieden, welke het blanketsel der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig -gewaad, zoo als de brave Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest -behaagt. -</p> - -<p> -Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke wensch van -den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die zich met de uitgave -belastte. -</p> - -<p class="right"> -M. M. -</p> - -<p class="letter"> -1817. -</p> - -</div><!--end chapter--> - -<div class="chapter"> - -<h2><a name="chap02"></a><big>Dagboek</big><br/> -gehouden<br/> -door den kommandeur<br/> -<big>Hidde Dirks Kat.</big></h2> - -<p> -In den jare 1777, den 5 Maart, zeilde ik met de Brik <i>de Jufvrouw Klara</i>, -bestemd ter Walvisch- en Robbenvangst, en bemand met 38 koppen, van de stad -<i>Hamburg</i> naar <i>Groenland</i>, voor rekening van den Heer Boekhouder -D<small>AVID</small> H<small>ENDRIK</small> R<small>EWOEL</small>, te -<i>Hamburg</i>. -</p> - -<p> -Op den 7den ligtte ik het anker op de <i>Elve</i>, liep in zee, en zeilde met -eenen gunstigen wind en goed weêr tot den 13den, op welk tijdstip wij, na in -goeden staat de Noordzee te zijn doorgezeild, met eenen gunstigen wind -<i>Hitland</i> voorbijstevenden, vervolgens de reize voortzetten en op den 5 -April (N<sup>o</sup> 1.) voor het Westijs van <i>Groenland</i> op 71 graden 30 -minuten Noorder Breedte aankwamen, bij welk ijs wij ons tot den 30sten -ophielden, vangende op hetzelve 30 vaten robbespek. -</p> - -<p> -Den 1sten Mei geene robben meer kunnende vangen, zetten wij met verscheidene -schepen de reize om de Noord door het ijs voort, koers houdende op -<i>Spitsbergen</i>, en kwamen den 13 Mei (N<sup>o</sup> 2.) op 75 gr. 30 min. -N.B. tegen het Zuidijs; op den 17den (N<sup>o</sup> 3.) raakten wij met -verscheidene schepen door hetzelve heen op 78 gr. 30 min. N.B., en, van daar om -de West zeilende, kwamen wij op den 26sten aan de Westijsvelden; hier werden -door verscheidene schepen eenige Walvisschen gevangen. Vervolgens geraakten wij -van den koers af, dreven op goed geluk heen en maakten nu en dan de schepen aan -de ijsvelden of schotsen vast.—Op den 1 Julij (N<sup>o</sup> 4.) bevonden -wij ons op 72 gr. 30 min. N.B. In dien tusschentijd vingen wij eenen Walvisch -van 30 vaten spek. Nu eens dreven wij met 27 schepen in getal in het ijs, dan -bevonden wij ons weêr tusschen het ijs op vrij water. Sommige schepen vingen -toen nog eenige Walvisschen. Tot den 4den dreven wij onophoudelijk sterk om de -Zuid-west, uit hoofde van den stroom en den harden wind uit het Noord-oosten. -Tot hiertoe zagen wij geen land, drijvende bestendig met het ijs om de -Zuid-west tot den 12den. Toen geraakten wij met 27 schepen sterk in het ijs -bezet, en hadden 3 a 4 dagen zwaren storm uit het Noord-oosten en geen gezigt -wegens den dikken mist tot den 16den (N<sup>o</sup> 5.).—Toen opende zich -de lucht en kregen wij de kust van <i>Gale-Hamkes</i>, op eenen afstand van 10 -a 12 mijlen, ten Noord-westen, in het gezigt. Wij zagen toen nog 27 schepen -rondom ons en dreven sterk om de Zuid-west. Het weêr bedaarde. Van 16 Julij tot -1 Augustus geraakten eenige schepen uit ons gezigt. In dien tusschentijd vingen -wij nog eenen kleinen Walvisch in gemeenschap met Kommandeur -H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>. Voorts dreven wij zonder ophouden -door den sterken stroom en wind uit het Noord-oosten om de Zuid-west tot den 6 -Augustus (N<sup>o</sup> 6.). Toen geraakten eenige schepen uit ons gezigt, van -welke eenige met een gedeelte van het volk vergaan zijn. Wij bleven met 5 -schepen in het ijs ingesloten, liggende aan een klein ijsveld vast gemaakt, te -weten Kommandeur H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>, -P<small>IETER</small> A<small>NDERSEN</small>, H<small>ANS</small> -C<small>HRISTIAAN</small> J<small>ASPERS</small>, A<small>LBERT</small> -J<small>ANS</small> en H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> -K<small>AT</small>, alle vijf met <i>Hamburger</i> schepen. Dit was op 68 gr. -30 min. N.B. Hier zagen wij het land niet meer, maar niets dan ijsbergen, -welke, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men kan dezelve wel 16 a -18 mijlen ver zien. Even zoo vond ik naderhand het land op 62 gr. 30 min. N.B. -in de <i>Straat Davis</i> benoorden <i>Kaap Vaarwel</i>. Van den 6den tot den -16den dreven wij door den sterken Noord-oosten wind en den stroom met het ijs -om de Zuid-west. Tot den 18den werkte het ijs geweldig door malkander, hetwelk -te midden van den storm afgrijsselijk was te aanschouwen. In dien -schrikbarenden toestand werden de schepen van Kommandeur P<small>IETER</small> -A<small>NDERSEN</small> en A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> door het -ijs verbrijzeld. De manschap redde zich op het ijs, wordende een gedeelte van -den leeftogt door dezelve geborgen. Wij verdeelden de manschap met den leeftogt -op de drie overgeblevene schepen, welke nabij de verongelukte in het ijs -beklemd lagen, op ieder van welke zich nu 78 zielen bevonden. Dit gebeurde op -67 gr. N.B. Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het -Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af -kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons -zijnde schepen, wegens gebrek aan leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige, -die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop -van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van de tong als mede op andere -plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af. Volgens het oordeel van -Koopman A<small>NDREAS</small> O<small>ELZEN</small> had men het, vóór het -inzouten, ter deeg moeten laten uitvriezen, alsdan zoude het een onschadelijk -voedsel zijn geworden. De Beeren veroorloofden ons niet, om gedurende den nacht -van het een tot het ander schip te gaan en verlieten ons niet, vóór dat wij van -het omdrijvende spek verwijderd waren. Voorts dreven wij met onze drie in het -ijs bezette schepen gedurig om de West tot den 24 Augustus (N<sup>o</sup> 8.). -Toen konden wij uit den top van den mast het eiland <i>IJsland</i> zien en -tevens de vrije zee, hetwelk ons hoop gaf, dat wij met onze schepen dit eiland -zouden kunnen bereiken, in gevalle het ijs van elkander mogt trekken. Op dit -tijdstip, waarin de hoop klein begon te worden, kwam ik zeer dikwijls bij -mijnen vriend, den Kommandeur H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>, een -man van 67 jaren, die aan eene <i>scorbutieke</i> ziekte krank te bedde lag, om -met denzelven over de mogelijkheid, om het eiland <i>IJsland</i> te bereiken, -te raadplegen. Deze had insgelijks weinig hoop, gevoelende tevens zijn sterfuur -naderen. Bij vollen verstande beklaagde hij ons, daar wij in de kracht des -levens in zulk eenen naren toestand verkeerden; “Doch,” zeide hij, -“God is magtig! Hij zal nog wel eenigen onzer in het leven sparen, om -deze gewigtige gebeurtenis aan de nakomelingschap medetedeelen. Hetgeen ons te -beurt valt, is niet zonder wijze bedoeling der Voorzienigheid. Welligt kan het -nog van dienst zijn voor menschen, die naderhand in soortgelijke omstandigheden -komen te verkeeren.” Hij moedigde mij overigens sterk aan, om, bijaldien -onze drie schepen vergingen, vooral goeden moed en raad te houden, de -scheepssloepen, zooveel mogelijk, in goeden stand te brengen en van leeftogt te -voorzien. -</p> - -<p> -Ik legde mijne scheepskaart op het bedde van den kranken H<small>ANS</small> -P<small>IETERS</small>, en raadpleegde met hem in zijne jongste oogenblikken. -“Kommandeur K<small>AT</small>,” zeide hij, “houd goeden moed -en gedenk aan mijne gezegden! Poog, is het mogelijk, daar wij <i>IJsland</i> -reeds voorbijdrijven, bij den hoek van <i>Straat Davis</i>, <i>Statenhoek</i> -genaamd, te landen.” Hierop stierf hij welgemoed op den 3 September. Niet -lang daarna werd zijn schip verbrijzeld.—Van 24 tot 30 Augustus -(N<sup>o</sup> 9.) werden wij zeer sterk door stroom en wind om de Zuid-west -gedreven, zijnde bestendig ingesloten door het ijs met eene zware -<i>deining</i> of hooggaande zeeën, zoo dat wij ieder oogenblik vreesden met -man en muis te zullen vergaan, dat God tot hiertoe nog verhoedde. -</p> - -<p> -Van 30 Augustus tot 6 September (N<sup>o</sup>. 10.) stevenden wij tusschen het -eiland <i>IJsland</i> en het vaste land van <i>Nieuw-Groenland</i> door, op -eenen afstand van 14 mijlen van den wal, van rondom met ijs bezet. De drie -schepen waren bij elkander. Het woei een orkaan uit het Noord-oosten. Van -rondom was de werking van het ijs onbeschrijfelijk wreed en schrikbarende. Wij -zagen elk oogenblik den dood te gemoet. Dit viel voor op 66 gr. N.B. Wij zagen -toen noch Walvisschen, noch Robben (of Zeehonden), noch gevogelte meer. Dit -duurde van den 6den tot den 8sten September op gelijke schrikbarende wijze -voort. Toen bedaarde het weêr, en wij dreven sterk langs de kust (of de -ijsbergen) heen in eene Zuid-westelijke rigting op eenen afstand van 14 mijlen, -terwijl wij het land in het gezigt hadden. De wind woei bestendig uit het -Noord-oosten tot den 24 September (N<sup>o</sup> 11.).—Toen konden wij -van het dek de opene zee aanschouwen, hetgeen ons hoop gaf, om uit het ijs te -komen. Onze schepen waren tot heden in eenen tamelijk goeden toestand en van -leeftogt voorzien; doch vermits stroom en wind dezelfde streek hielden, opende -het ijs zich niet, zoo dat onze schepen bestendig door het ijs ingesloten en nu -en dan in hetzelve beklemd waren. Dit duurde tot den 29 September -(N<sup>o</sup> 12.) wanneer zich een geweldige storm uit het Noord-oosten -verhief. Wij bevonden ons toen eene mijl ver van de opene zee. Onze 3 schepen -bleven gedurende denzelven zoo goed als onbeschadigd. Maar op den 30sten -September (N<sup>o</sup> 13.), toen de wind allengs begon aftenemen, werden -onze 3 schepen door de geweldige werking der hooggaande zeeën (<i>deining</i>) -tusschen het ijs ingedrongen, en door deszelfs ontzettende stooten in één -oogenblik verbrijzeld. De masten buitelden op het ijs. Elk zocht op de best -mogelijke wijze lijfsberging op de woedende schotsen. Na het vergaan van onze -schepen, hadden wij het geluk van een gedeelte van onzen leeftogt bij ons op -het ijs te bergen. Ook redde ik zeven sloepen. Hier stonden wij in dezen -angstvollen toestand onder den blooten kouden hemel, zonder schuilplaats, 21 -mijlen ver van land op het ijs, in zee, op 64 gr. N.B. Het land was uit ons -gezigt. Wij bevonden ons naar gissing 80 mijlen ten Westen van het eiland -<i>IJsland</i>. Ik en Kommandeur H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small> -bevonden ons met onze schepen, toen dezelve vergingen, digt bij elkander en -Kommandeur H.C. J<small>ASPERS</small> was twee mijlen verder landwaarts van -ons. In dit tijdstip werd diens schip ook verbrijzeld, nemende hij de vlugt -naar het schip van Kommandeur K<small>LAAS</small> J. K<small>ASTERKOM</small>, -hetwelk, schoon buiten ons gezigt, door hem gezien kon worden. Twee sloepen met -12 man bleven bij het verongelukte schip van H.C. J<small>ASPERS</small>, welke -daar verongelukten. Kommandeur K<small>ASTERKOM</small> bevond zich op zijn -schip met 286 man, toen het bij <i>Statenhoek</i> verging. Van dit getal zijn -slechts eenige te regt gekomen, alle de overige vergaan. -</p> - -<p> -Nu bevonden wij ons, van ieder schip 78 man, op het ijs. Ik H.D. -K<small>AT</small> redde zeven sloepen en eenigen leeftogt. De een zag den -ander met droefheid aan, in zware gepeinzen verdiept, hoe en waar wij, in dezen -treurigen toestand, waarin wij den dood voor oogen zagen, onze levensdagen -zouden eindigen. Wij hadden geene zeilen, om eene tent op het ijs opteslaan, -waaronder wij ons een weinig zouden hebben kunnen verschuilen. -</p> - -<p> -Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te zien of te -vinden. Wij stonden hopeloos op het geweldig stootend ijs, in vreeze, om ieder -oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden. Het land was buiten ons gezigt. -Wij waren nabij de opene zee en werden Zuid-westwaarts aan voortgeslingerd op -de schotsen. Dit duurde tot den 3den October (N<sup>o</sup> 14.) wanneer wij -ons nog met 78 zielen op eene ijsschots van ongeveer 200 vierkante voeten in de -opene zee bevonden. Rondom ons heen was de zee eene vierde mijl ver vol -ijsgruis. Dit was ons behoud, vermits wij door middel van hetzelve niet, bij -het slingeren van onze ijsschots door de hooggaande zeeën, van dezelve -afgespoeld werden. Ondertusschen ging zulks met groot gevaar vergezeld, zoo dat -wij alle oogenblikken vreesden om te zullen komen. -</p> - -<p> -Tegen den morgen hoorden wij door het scheepsvolk van Kommandeur -P<small>IETER</small> A<small>NDERSEN</small>, bestaande in 78 man, die zich op -eene tweede digt bij ons drijvende ijsschots bevonden (N<sup>o</sup> 3.) Gode -een gezang toezingen. Maar, toen de dageraad aanbrak, waren zij van de -ijsschots vergaan, uitgezonderd Kommandeur P<small>IETER</small> -A<small>NDERSEN</small> met eenige manschappen, die zich gered hadden. Om -middernacht was onze ijsschots midden doorgebroken ten gevolge van de geweldige -deining, waardoor wij 4 van onze sloepen verloren, benevens onze meeste -<i>victualie</i> (N<sup>o</sup> 2.); van mijne 78 man (N<sup>o</sup> 1.) -verloor ik op dit tijdstip niemand. Dit viel na gissing voor 40 mijlen ten -Oosten van <i>Statenhoek</i>. Gedurende den nacht waren wij door den stroom het -land sterk genaderd. -</p> - -<p> -In den ochtend van den 4 October (N<sup>o</sup> 15.) bevonden wij ons op -dezelfde ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant -verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af. Het weêr -was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van zee, zijnde aan -alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons bedunken, aan het land vast -lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te verlaten en, zoo mogelijk, te voet op -het land aantegaan, weshalve wij onzen overgeschoten leeftogt onder malkander -verdeelden, bestaande eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf -scheepsbeschuiten met een weinigje boter ontving. -</p> - -<p> -Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur A<small>LBERT</small> -J<small>ANS</small>, om onze drie sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God -ons, tot op heden, zoo wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. -Hiertoe besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk -afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land zijn -gekomen, is mij onbekend. -</p> - -<p> -In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk eene -zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen de ander -opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet zagen. Doch God was -ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met de 27 man niet naar land -waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog akelige gedaanten. De zee woedde -aan de buitenzijde tegen het ijs. De baren verhieven zich als torens in de -lucht, makende in den langen donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, -terwijl het zoute water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 -voeten in het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen -omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks konden -bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog onbeschadigd. -</p> - -<p> -In den ochtendstond van den 5 October (N<sup>o</sup> 16.) bedaarde het weêr, en -de zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen gereed, om -er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons voorkwam, en besloten, -om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100 voeten vierkant, (waarop God ons -tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt -zouden zijn, om dezelve te verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor -ons bestemd was.—Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 -scheepsbeschuiten hadden wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met -aan een stuk uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi -weêr, in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks -een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man, voor -ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid in de sloepen -viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend maakte, dat de zee over -onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve dreigde te zinken. Hierop opende -zich boven verwachting het ijs, zoo dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee -bevonden. Wij zetten toen onze zeiltjes bij (N<sup>o</sup> 16.) met eenen -gunstigen Noord-oosten wind en stevenden op <i>Statenhoek</i> aan. Wij hadden -een kompas, konden het land zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend -ijs. -</p> - -<p> -Onze schipbreuk (N<sup>o</sup> 13.) was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de -smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk (N<sup>o</sup> 14.) -en het verlies van de schots was niet minder schrikbarende. Wij zeilden bij het -ijs langs tot den 6 October (N<sup>o</sup> 17.). Des middags bevonden wij ons, -naar gissing, 6 mijlen beoosten <i>Statenhoek</i>. Hier dreven wij met het ijs -zeer verre in zee op; (N<sup>o</sup> 17.) zoo dat mijn volk uit onkunde en -vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk nogtans -noodzakelijk was, vermits dit ijs aan <i>Statenhoek</i> vast lag en ons om de -punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen land hebben bekomen, -schoon men zich bij deze onderneming het gevaar van wind en zee moest -getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel mogelijk, door het ijs te -werken, ten einde het land te bereiken. Hiermede vorderden wij niet meer dan -eene halve mijl, wanneer wij genooddrongen werden het werk te staken en de -sloepen op het ijs te halen. Hier vond ik eenen ijsberg (zie No 17.) welke, -naar gissing, 60 a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne -manschappen en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet -willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende ijspunt -heen te zeilen, wanneer wij op <i>Statenhoek</i>, waarschijnlijker wijze, -hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts bij onze drie -sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude en afgesold door -vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd genoten. -</p> - -<p> -Op den 7 October (N<sup>o</sup>. 18.) kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot -het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten, om te -zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken, aangezien wij -aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze leeftogt slechts bestond -in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór dat wij dit echter ondernamen, -braken wij eerst het hout uit de sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het -ijs, verwarmden onze ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer -een’ beet van zijne drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten -eenenmale. Na deze verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van -twee onzer lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten -hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. (N<sup>o</sup> 17.) -Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De laatste -groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer smartelijk. Wij -hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons gerijf, bij ons. -</p> - -<p> -Van 7, 8, 9 tot den 10 October (N<sup>o</sup> 19.) liepen wij, afgemat door -honger en koude, van het eene stuk ijs op het ander, om land te winnen. Het ijs -ging door de zeewelling of deining onophoudelijk met geweld open en toe. -Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten, -door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken en -werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af, -doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs -zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden -tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte. Ik had toen nog twee -scheepsbeschuiten. Men beseffe eens, welke kracht de goede God ons in deze -omstandigheden verleende! Ziende de zwarigheden, die wij nog moesten te boven -komen, was het schier niet om uit te houden.—Dagelijks overviel ons de -vrees voor wild gedierte, en onder het voortwandelen opende zich van tijd tot -tijd eene groote ijsspleet voor onze voeten, waarin velen onzer hun graf -vonden, vermits het ijs zich dadelijk, bij het terugkeeren van het water, -toesloot. Des avonds bevonden wij, dat wij nog twee mijlen van het land -verwijderd waren. Doch daar het ijs niet aan het land vast lag, moesten wij -hopende wachten, of het zich aan het land mogt aansluiten. Terwijl wij dezen -nacht met een diep neerslagtig hart doorbragten, lag de een en zat de ander op -het ijs, terwijl een derde stond. Ik zat in het midden van twee ter regter en -linker zijde naast mij liggende mannen, welke des morgens dood gevroren waren. -</p> - -<p> -In den morgenstond van 11 Oct. (N<sup>o</sup> 20.) bevond ik, dat Kommandeur -A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> met eenige manschappen, gedurende den -nacht, door de uitwerking van het draai-ijs van mij was verwijderd geraakt. Ik -zag dezelve hier niet weder. Dezen morgen dreef ons eene lange strook ijs voor -den mond eener rivier voorbij. Deze stiet tegen onze ijsschots. Wij stapten er -dadelijk op over, met uitzondering van één’ man, die niet verder voort -kon. Wij moesten hem met hartverscheurende smart verlaten. Deze lange strook -ijs bragt ons aan land. Wij hadden aan beide zijden van dezelve de opene zee, -en kwamen des na den middags bij <i>Statenhoek</i> aan. Deze hoek ligt op 59 -graden 30 minuten N. Breedte. Wij vonden in de valleijen eenige groente en -boompjes, waaraan blaauwe bessen groeiden. Wij plukten die bij menigte en aten -ze met veel smaak. Onze blijdschap, dat wij aan land waren gekomen zonder -vooruitzigt, waar wij belanden zouden, was onbeschrijfelijk groot. Hier -bevonden wij nog 18 in getale te zijn. Waar de overige gebleven zijn, behalve -de voorgemelde 27 man, die naar land waren gegaan, is ons ten deele onbekend. -Deze nacht viel ons lang en bang, door het vallen van menigvuldige sneeuw en -eenen harden kouden wind, alsmede door gebrek aan voedsel, drank en warmte. Ook -konden wij niet gaan leggen, aangezien onze kleederen doornat waren. In dezen -toestand konden wij ons eenigermate een denkbeeld vormen van het lijden van -onzen Heiland J<small>EZUS</small> C<small>HRISTUS</small>, althans hetzelve -behoorlijk waarderen, daar wij nu zelve lijden moesten ondergaan. -</p> - -<p> -De dageraad van den 12. October (N<sup>o</sup> 21.) verblijdde ons. Onze bij -voorraad voor den volgenden dag geplukte bessen, waren alle onder de -menigvuldig gevallen sneeuw verloren gegaan. Wij zetten nu onze reis landwaarts -in voort, om inwoners te ontdekken. De een zette zich hier, de ander dáár -vermoeid en moedeloos neder. Mij viel in de gedachten, om weder den zeekant te -kiezen, vermits de bewoners zich van de zee moesten generen. Terugkeerende -namen wij de hier en daar nedergezetenen weêr op. Zij hadden zich vermoeid en -afgemat nedergelegd, om te sterven—wij spraken hun moed in, zooveel onze -krachten en onze hoop, om nog eens geholpen te worden, toelieten. Wij kwamen -voorts te zamen weder aan den zeekant en volgden dezelve om de Noord, om -menschen te vinden. -</p> - -<p> -In het omloopen van eene rivier vonden wij, kort daarna, op een’ uithoek -aan den zeekant een spits heuveltje, door menschen handen van steenen op een -gestapeld. Dit gaf ons nieuwen moed, dat wij ten langen laatste inwoners zouden -vinden. Hier konden wij niet verder komen, vermits het strand ons verliet, -staande de zee tegen een steil gebergte aan. Ook lag hier bij het land geen -ijs, waarop men om deze punt heen konde loopen. Wij moesten hier dus -<i>halte</i> maken, op hoop dat wij, bij laag water, om den voet van het -gebergte heen zouden kunnen gaan. Doch ook met laag water was zulks onmogelijk. -Wij vonden tot onzen troost door Gods genade, bij de invallende ebbe, voedsel -voor onze afgematte ligchamen. Dit bestond in groote Mosselen, die wij gretig -verzamelden, om onzen overgrooten honger te stillen. Wij bragten deze Mosselen -bij eenen steen, die boven den vlakken grond uit het gebergte uitstak, welke -plaats wij tot schuilplaats uitkozen. Ook vonden wij hier, tot meerdere -vertroosting, een teeken, zijnde drie tent-plaatsen van 18 a 20 voet in het -vierkant, omringd van een groen begroeid dijkje van één voet hoogte. Men kon -zien, dat de wilden hier in den zomer hunne tenten opsloegen. Dit dijkje dient, -om het van het gebergte afvloeijende water aftekeeren. Wij stonden nu in -overweging, hoe aan vuur te komen; welke zwarigheid zeer onverwacht werd -weggenomen door een’ vuurslag, hetwelk een der Officieren, buiten zijn -weten, bij zich had. Op de hoogere plaatsen van het strand vonden wij vrij wat -droog hout, dat ons zeer verblijdde. Daarna beproefden wij met alle -omzigtigheid, om van drooge hemdslippen (voor zoo verre wij nog droog linnen -aan het lijf hadden,) eenen nieuwen voorraad van tonder te maken, hetwelk ons -door middel van den voornoemden vuurslag gelukte. Wij hadden (gelijk gezegd is) -een klein theeketeltje en een biermok. Toen nu ons vuur aan den gang was, -kookten wij van tijd tot tijd een keteltje vol Mosselen, die ons als honig -smaakten. Ook plukten wij middelerwijl bessen, die wij desgelijks kookten en -waarvan wij het sap dronken. Dit verkwikte ons ongemeen. Hier bleven wij drie -dagen. Wij waren nog 18 in getale. Door het gemis van rust verzwakten onze -ligchamen uitermate; te meer daar wij, bij dag en nacht, de koude van sneeuw, -wind en vorst moesten verduren. Wij hielden ons wel nabij het vuur, maar onze -oogen konden hetzelve niet verdragen. In den loop van deze drie dagen werd -iemand onzer, die zich bij nacht van het gezelschap verwijderd had, des morgens -dood op de klippen gevonden. Schoon onze moed dagelijks afnam, schonk het -slechte weêr ons somtijds weder hope, dat de Wilden, zoodra het weêr bedaarde, -wel op zouden komen dagen. -</p> - -<p> -Op den 15 October (N<sup>o</sup> 22.) kwam een der manschappen mij vragen, of -men niet eens eene kans zoude wagen, om over het hoog klippig gebergte heen te -klimmen, ten einde ons voornemen, om menschen om de Noord te ontdekken, voort -te zetten. Dit kwam mij onuitvoerlijk voor, aangezien eenige van mijn volk, ten -gevolge van de koude en het langdurig afmartelen van het ligchaam, opene handen -en voeten hadden. Des ongeacht nam de man, die zulks voorstelde, de reis over -het klipachtig ijsgebergte aan, wenschende ons een zeer aandoenlijk vaarwel. -(N<sup>o</sup> 34.) Geen eenig man van mijn volk was in de <i>Straat Davids</i> -geweest en verstond dus een enkel woord van de landtaal. Ik had in mijne jonge -jaren drie reizen uit <i>Holland</i> derwaarts gedaan, en eenige woorden van -die taal in het geheugen bewaard. Des namiddags ging een mijner Officieren, met -name P<small>IETER</small> H<small>ENDRIKS</small>, op eene hoogte van het -gebergte, om eens uittezien. Van daar ontdekte hij zeewaarts in, in den mond -van de rivier, drie voorwerpen in de gedaante van vogelen op het water. Hij -riep mij toe, wat men daar van denken moest? Ik liep met haast naar hem toe, en -zag terstond (doordien ik in vroegere dagen meer zulke vertooningen gezien -had), dat het Wilden of inboorlingen konden zijn. Nu kwam het geheel gezelschap -naar ons toe. Wij verhieven tweemaal een luid geschreeuw, dat door gezegde -Wilden gehoord werd, die diensvolgens op ons af kwamen. Wij liepen gezamenlijk -naar het zeestrand, om hen in onze armen te ontvangen. Ten gevolge van onze -overgroote blijdschap, dat wij, buiten ons, weêr menschen zagen, bleven die -lieden met hunne kleine schuitjes, die naauwelijks boven het vlak van de zee -uitstaken, op eenen afstand van ongeveer 100 roeden van de kust liggen. -Doordien ik de landtaal niet magtig was, en niet wist, hoe die Wilden omtrent -ons gezind waren, besloot ik mijn volk naar de voornoemde plaats terug te doen -keeren. Nu stond ik daar alleen, en noemde in mijne verlegenheid een woord, -waarvan ik zelf de beteekenis niet wist, te weten (<i>ome kageit</i>). Dit -woord beteekent, gelijk de <i>Hernhutters</i> mij naderhand zeiden, (<i>vriend -kom hier!</i>) Daarop kwamen zij, bij drieën in een schuitje, bij mij. Ik hielp -hen uit hunne schuitjes en omhelsde hen; hetwelk zij met wederliefde -beantwoordden. Dit waren ongedoopte Wilden. Ik vergezelde hen naar onze -verblijfplaats, waar mijne overige manschap zich bevond. -</p> - -<p> -Zij namen alles naauwkeurig op. Toen zij vernamen, dat wij noch voedsel noch -rustplaats hadden en onze ligchamen uitgemergeld waren, kon men zien, dat zij -medelijden met ons hadden. Met naar de Zon te wijzen gaven zij ons te kennen, -dat zij den eerstvolgenden dag weder zouden komen, om ons te helpen. Het weêr -was nu vrij goed, ’s avonds namen zij hun afscheid, en keerden naar hunne -woningen terug. Het baarde ons nu veel droefheid, dat één van ons volk ons -vrijwillig verlaten had, om over het gebergte te gaan, daar wij het nu met -malkander zoo ver gebragt hadden. Terwijl wij hem verloren schatten, begon onze -hoop van tijd tot tijd levendiger te worden, vermits wij nu menschen gevonden -hadden, die ons, zooveel wij hen begrijpen konden, wilden helpen. -</p> - -<p> -Den 16 October hadden wij storm met sneeuwjagt. Ofschoon wij met reikhalzend -verlangen uitzagen, ontdekten wij heden nog geene helpers. Wij schreven dit toe -aan het slechte weêr. Dit gaf ons troost. ’s Nachts bedaarde het weêr. -Wij bleven onder de voorschreven uitstekende steenklip van het gebergte. -</p> - -<p> -Den 17 October (N<sup>o</sup> 23.), des morgens was het mooi weêr; wij zagen -uit naar onze helpers en deze kwamen des voormiddags ten 11 ure bij ons, bij -drieën in een afzonderlijk schuitje. Ik gaf hun onze onmagt en ons gebrek aan -voedsel te verstaan. Zij begrepen dit en besloten mij medetenemen op de -volgende wijze. -</p> - -<p> -Ik plaatste mij (na vooraf afscheid van mijn volk genomen te hebben, onder -voorwaarde, dat zij zich van deze plaats niet zouden verwijderen, aangezien de -Wilden hen van daar zouden afhalen) des middags ten 12 ure, achter één’ -der Wilden op een schuitje, hetwelk zij vooraf op zijde van een ander -vastgebonden hadden, en zoo roeide de Wilde met mij voort, hebbende een -riemspaan in de hand, welks beide einden met een blad voorzien waren. Op deze -wijze bragten zij mij een vierde mijl voorbij het steil gebergte, daar wij -wegens de diepte niet om heen konden komen. Het schuitje, waarop ik mij bevond, -kan, van den voor- tot den achtersteven, lang geweest zijn ongeveer 20 voeten -en iets breeder dan de dikte van een gewoon mensch. De Wilde zit in een rond -gat in het midden op den bodem neder, met de voeten voorwaarts onder het dek. -Zijn ligchaam steekt dan, van de lendenen af gerekend, boven het dek uit. Hij -zit in een kleed (of rok) van leder, dat aan het schuitje vastgehecht is, zoo -dat er geen water aan zijn lijf of in het schuitje kan komen. Zijne handen en -gezigt alleen zijn bloot. De uiteinden van dit schuitje loopen van het midden -af spits toe. Wanneer de Wilde er in zit, ligt het schuitje in het midden van -het dek ongeveer 4 duim boven water. Het geheel is van Robben-vellen en de -inhouten van zeer dun en taai hout, dat daar te lande groeit, gemaakt. De Wilde -zette mij op de voorschreven plaats, doornat aan land. Vervolgens bragten zij -mij bij twee spelonken, in iedere van welke tien personen beschut konden wezen -tegen het onweder. Deze bergspelonken waren overdekt tegen allen aanval van -regen en sneeuw. Zij dienen den Wilden in den zomer tot het droogen van -Spiering en Zee-honden of Robbevellen en vleesch. Hier bleef ik alleen staan. -Hunne menschlievenheid dreef hen tot mijne achtergeblevene manschap, welke zij, -op gelijke wijze, overbragten, doch niet verder dan om de steile punt van het -hoog gebergte, om welke wij, wegens de diepte, niet hadden kunnen heen loopen. -Dit geschiedde wegens het vallen van den avond. Mijne togtgenooten liepen toen -aan den voet van het gebergte langs het strand en kwamen, één voor één, zoo als -zij overgezet werden, des avonds bij mij, met uitzondering van één man, die -terugbleef. Hier zijnde verzocht mijn volk mij, dat ik met de Wilden naar hunne -woningen op reis zoude gaan, om, dus doende, zooveel te spoediger bij de Wilden -ruste te vinden voor hunne afgematte ligchamen. Dit stonden de Wilden toe, en -alzoo ging ik met mijn’ Stuurman, de een na den ander, op twee -zamengebondene schuitjes achter de Wilden zitten. Maar wij moesten over eene -rivier, die twee mijlen breed was. Het kwam hier op stil zitten aan. Door het -toenemen van het onweder met sneeuwjagt werden wij tot over het hoofd doornat, -vermits wij, twee mijlen ver, bestendig in het water moesten zitten. Deze twee -schuitjes waren ieder met het gewigt van drie man beladen, en het water spoelde -onophoudelijk over de schuitjes heen. Wij waren schier dood gevroren en stijf -van de koude, ja geheel magteloos. De Wilden bleven droog in hunne schuitjes, -uitgezonderd hunne handen en aangezigten, uit hoofde van hunne wel gemaakte -lederen rokken. -</p> - -<p> -Men verbeelde zich eens de sterkte en geschiktheid dezer Wilden.—Twee -mannen, hebbende Kommandeur K<small>AT</small> achter zich zitten, deden deze -moeijelijke reis van twee mijlen, door eene onstuimige zee, met sterken wind, -in twee kleine of smalle schuitjes, door het gewigt van drie man zwaar beladen, -terwijl het water onophoudelijk over dezelve heenspoelde, en zulks ondanks den -voorafgaanden arbeid van dezen dag!—Des avonds ten 5 ure kwamen wij, de -een na den ander, over deze rivier aan land. Nadat zij het een en ander tegen -ons gezegd en ons eenige teekenen gegeven hadden, welke wij niet verstonden, -namen zij hun afscheid. Hier stonden wij nu doornat en verkleumd, uitgehongerd, -geheel zonder vuur, spijze en drank.—In deze verlegenheid namen wij het -besluit, om onze bevrorene en afgematte ligchamen, zooveel mogelijk, in -beweging te houden. Wij liepen dus langs den vlakken oever van de rivier, in -hope, dat wij licht in de woningen zouden aantreffen. Doch dit was, gelijk wij -des anderen daags ondervonden, verkeerd van ons gedaan. Na anderhalf uur -gewandeld te hebben, legden wij ons ’s avonds, ten 7 ure vermoeid en -afgemat neder, zonder iets ontdekt te hebben. Hier lagen wij nu magteloos op -steenen in de sneeuw, bereid zijnde, om dáár onzen geest aan onzen Formeerder -terug te geven.—Wij bragten echter dezen nacht in onze doornatte -kleederen, met diepe ellende, door. -</p> - -<p> -Op den 18 October (N<sup>o</sup> 24.) vroeg mijn Stuurman bij het aanbreken van -den dageraad: Kommandeur! leeft gij nog? Ik kon dit naauwelijks met ja -beantwoorden. Hij klaagde over zijne opgezwollene beenen en pijnlijk ligchaam; -en, wegens zijne smart, met veel moeite overeind gaande zitten, kon hij de -rivier, welke digt bij ons was, zien. De Wilden, die ons den vorigen avond een -eindweegs van <i>hier</i> aan land gezet hadden, zochten ons heden morgen, -zijnde vier in getal, ieder in een afzonderlijk schuitje, op dezelfde plaats -weder, maar vonden ons niet, doordien wij van die plaats verwijderd waren. Zij -voeren toen met hunne schuitjes voort langs de kust, om ons op te zoeken. Het -was <i>zeer opmerkelijk</i>, dat de overgroote pijn, welke de Stuurman liggende -doorstond, hem bewoog, om, met veel moeite, overeind te gaan zitten. Dit was -een groote zegen voor ons, doordien wij anders vermoeid zijnde niet zouden zijn -opgestaan. Nu ontdekte hij door zijn oprijzen de Wilden en maakte mij zulks -bekend. Ik kon naauwelijks overeind komen. Nadat ik mij met mijnen Stuurman met -veel moeite opgerigt had, hieven wij een luid geschreeuw aan, zoo dat de Wilden -ons hoorden, en dadelijk met hun vieren op ons toe kwamen. Wij stortten -oogenblikkelijk weder op den grond of liever op de steenen in de sneeuw neder, -door pijn en zwakheid geheel overmeesterd. De Wilden vonden ons bij hunne komst -bijna als dooden nederliggen. Zij namen ons onder de armen op en leidden ons -aan den oever van de rivier, alwaar eene vlakke rots was. Hier torschten zij -ons heen en weêr, om ons weder aan den gang te helpen. Na verloop van een uur -gelukte zulks. Onze bevroren ledematen werden weder buigzaam. Vervolgens bonden -de Wilden, met meer dan Christelijke hulpvaardigheid bezield, de vier -schuitjes, zijnde van de voren omschreven gedaante, twee aan twee te zamen, -zetten ons achter zich daarop, en voeren zoo met ons heen tot 3 ure in den -namiddag, op welk tijdstip wij allen, met levensgevaar, digt bij hunne woningen -aan land kwamen. Hunne vrouwen, die ons op eenen verren afstand van de klippen -of van het gebergte gezien hadden, kwamen toeloopen en hielpen ons van de -schuitjes in hare woningen. Dit was tusschen <i>Statenhoek</i> en <i>Kaap -Vaarwel</i>, doch het naast aan eerstgemelde, op 59 gr. 55 min. N. Breedte. -Hier vonden wij een huis, waarin vijf huisgezinnen zamen woonden, bestaande -naar gissing in twintig zielen zoo oude als jonge. De vrouwen trokken ons -oogenblikkelijk onze natte kleederen uit, omwonden ons met ruige -land-honden-vellen en leidden ons tot eene rustplaats op eenen brids, -één’ voet boven de aarde of den steenen bodem verheven. Hier ontdekten -wij, dat het onmogelijk was geweest, dat de Wilden ons, bij hunne eerste komst, -konden medenemen, vermits zij op eenen te verren afstand van hunne woning -verwijderd waren. Wij gevoelden ons als uit het graf verrezen. De overgroote -liefde dier wilde menschen, welke waarlijk die van vele Christenen te boven -gaat, maakte onze harten weemoedig en dankbaar tot God. Het schreijen van -kinderen te mogen hooren bevredigde ons met ons lot. Het scheen ons, als of wij -in ons eigen huis waren. Zij verkwikten ons met eene soort van soep van -Zeehonden- of Robbevleesch met water gekookt. Niemand, die zulks niet -ondervonden heeft, kan gelooven, hoe smakelijk wij daarvan aten. Wij bevonden -ons daarna zeer wel. Gedurende dezen nacht konden wij echter niet in slaap -geraken, doordien onze hersenen opgevuld waren van treurige nagedachten, en, -aan den anderen kant, van blijdschap, dat wij ons alreede onder goede menschen -bevonden, terwijl onze hoofden suisden als het razen van den wind. Wij -bespeurden hier groote warmte in huis en werden geplaagd van ongedierte. -</p> - -<p> -Op den 19 October (N<sup>o</sup> 25.) gingen eenige mannen en vrouwen in den -ochtendstond, bij goed weêr, met twee vrouwe-schuiten (in de taal der Wilden -<i>koene booten</i> genaamd) in zee, om mijn achtergebleven volk uit de -voornoemde spelonken te halen. Intusschen geraakte ik met mijn’ Stuurman -in slaap, drie uren lang. Wij bevonden ons na den slaap vrij wat verkwikt. Des -avonds, om half vier ure, kwam mijn achtergebleven volk, bestaande in dertien -man, met de vrouwe-schuiten bij ons. Wij waren van weêrzijde hartelijk blijde. -Zij zeiden mij, dat J<small>AN</small> W<small>IT</small>, die drie jaren met -mij gevaren had, na de overvaart om de steile klip (gelijk voorheen gezegd is) -niet bij hen was gekomen. Zij wisten niets van hem. Voorts kregen deze dertien -man dezelfde verkwikking, welke wij genoten hadden; doch, vermits zij niet -doornat waren, werden zij, na zich alvorens gewarmd te hebben, zonder -honden-vellen, bij ons gebragt. Wij verhaalden hun ons doorgestaan lijden, -sedert wij door de Wilden waren afgehaald geworden. Nu verheugden wij ons te -zamen, dat wij, na drie weken alle mogelijke gevaar en lijden onder den blooten -hemel doorgestaan te hebben, zoo verre geholpen waren. -</p> - -<p> -Na drie dagen lang bij de Wilden vertoefd en alle bedenkelijke vriendschap van -hen genoten te hebben, reisden wij, den 22 October (N<sup>o</sup> 26.) des -morgens, vijftien man in getale, onder het geleide van twee Wilden, over eene -groote vlakte om de Noord, alwaar wij des namiddags aan den zeekant twee huizen -vonden. Hier ontmoette ik tot mijne groote blijdschap, mijnen vriend -A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> met eenige manschappen, die, gelijk -gezegd is, op den 11 October met zijne ijsschots van mij was afgedwaald. Ik -verstond van hem, dat hij in den avond van den 11 October op zijne ijsschots -voor de woningen der Wilden was aangeland, waar de Wilden hem te hulp waren -gekomen. Hij verklaarde, mij niet meer te kennen, zoodanig was ik, gedurende -den tijd van acht dagen, waarin hij mij gemist had, door mijn omzwerven en -doorgestane ellende veranderd. Maar, toen hij vernam, wat wij in dien tijd van -acht dagen hadden uitgestaan, deed het hem geen wonder, ons in dien toestand te -ontmoeten. Hier kreeg ik mijn horologie weder, dat ik hem, een’ tijd lang -geleden, had gegeven, bij gelegenheid, dat ik doornat was van zout water. Den -nacht sleten wij hier gezamenlijk in de woning dezer Wilden, welke nog -ongedoopt waren. Ook kregen wij iets van hun armoedig voedsel, zoo dat ik de -liefde der Wilden, aan ons bewezen, niet genoeg kan roemen. -</p> - -<p> -Den 23 October (N<sup>o</sup> 27.) verdeelden wij ons des morgens in partijen, -van drie, vier en vijf man, zijnde hier geen voorraad van spijze voorhanden. -Des namiddags gingen wij met vrouwe-booten op reis. Mij, benevens vier man, -viel het lot te beurt binnen <i>Kaap Vaarwel</i> door, mijnen Stuurman -J<small>ENS</small> J<small>ESSEN</small>, desgelijks met vier man op <i>Kaap -Vaarwel</i> te trekken en de overige werden in de woningen, waarin wij ons -bevonden, verdeeld. Des avonds kwam ik binnen <i>Kaap Vaarwel</i>, alwaar ik -een huis vond, waarin zes woonplaatsen afgeschut waren. Wij waren daar met -mannen, vrouwen en kinderen een en twintig zielen sterk. Wij bleven vier dagen -bij deze ongedoopte Wilden, die ons zeer vriendelijk bejegenden, en ons zooveel -voedsel van Robbe-vleesch gaven, als zij konden missen. Wij konden wel meer -Robbe-spek krijgen; doch daaraan moesten wij eerst door grooten honger -gewennen, om het te kunnen verdragen. De Robbe-lever en nieren smaakten ons -wel. Het zout ontbrak ons eeniglijk. -</p> - -<p class="center"> -<i>De Huizen en Levenswijze der Wilden</i> -</p> - -<p class="noindent"> -zijn als volgt: -</p> - -<div class="fig" style="width:100%;"> -<img src="images/img02.jpg" width="500" height="337" alt="[Illustration]" /> -</div> - -<p> -De huizen hebben de gedaante van de letter T. BB is de lengte, b.v. 100 voeten, -dan is de breedte 16 en de hoogte 8 voeten. Zij zijn gebouwd van zwart potleem. -De muren zijn naar gissing dik 3 voeten, het dak met sparren is een weinig -schuins gelegd en met zwarte aarde overgepleisterd. Voorts is het met -Zeehonden-vellen digt gemaakt. De streep van A tot C verbeeldt den gang, die -naar het huis loopt. Dezelve is 14 voeten lang en zoo laag, dat men er op -handen en voeten door moet kruipen, om in het huis te komen. De twee openingen -tot den gang zijn bij de letters DD en de daarbij geplaatste stipjes. In het -huis zelf kan men regt overeind gaan. Het is afgedeeld met schermen van -Robbe-vellen van ongeveer 5 voeten hoogte en 7 voeten lengte. Het overige -gedeelte der ruimte langs het huis heen voor alle deze zes afgeschutte -woonplaatsen langs is met steenen belegd, waarop zij hunnen arbeid verrigten, -hebbende ter wederzijde van den langen gang één venster nevens de stipjes in -den winkelhoek van de T. Ieder venster heeft 3 voeten in het vierkant. De -glazen zijn gedroogde en aan elkander genaaide Zeehonds-darmen. Aan het einde -van dezen gang is nevens A een rond gat, waardoor zij de schuitjes uit en in -huis steken. Ook worden dezelve binnen ’s huis vervaardigd op de met -steenen belegde plaats, die voor de schermen langs loopt. Hunne lampen zijn van -eenen uitgeholden steen gemaakt, waarin zij traan branden, zijnde de pitten van -mos. Ook maken zij zelve potten van zwarte aarde, die zij met traan en mos -vullen, bekleedende zulks de plaats van een vuur, waarover zij koken. Deze -vuurpot hangt voor hunne slaapplaats, waarover zij in eenen kleinen pot hun -Robbevleesch en Visch koken. Hunne lampen geven goed licht, maar het een en -ander veroorzaakt veel stank in huis, vermits alle rook den gang uit moet, -langs welken zij in huis gaan of kruipen. Zij hebben geen’ -schoorsteen—dus is het zeer benaauwd in huis. Door den langen gang in -huis komende, vindt men aan de eene zijde van het <i>Huis</i> of <i>Poortje</i> -zonder deur eene door hen zelve vervaardigde ton met loopend water, waarin een -stuk ijs staat, om het koel en smakelijk te houden. Dit is hunne drank, waarop -zij zeer gesteld zijn. Aan de andere zijde van dit Poortje staat eene groote -balie met hun eigen water of <i>urine</i>. Mannen, vrouwen en kinderen zijn -gewoon zich alle avonden in dat stinkende water te wasschen. De vrouwen binden -het haar, daarmede gewasschen, in een’ top op het hoofd te zamen. Zij -zijn klein van statuur, doch in ’t gemeen zijn de vrouwen grooter dan de -mannen. De mannen zijn platachtig van aangezigt en neus, en bruin van tint, -hebbende in ’t gemeen bruine oogen en geenen baard, dien zij, naar men -zegt, uitplukken. Doch ik heb zulks niet gezien. Mannen en vrouwen hebben deels -lang bruin of zwart grof haar. Hunne tanden zijn wit. Ouders en kinderen liggen -door malkander met een ruig honden-vel overdekt, zijnde hetzelve als een deken -gevormd. Bij vermeerdering van gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut. -Staande dat tijdstip zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw -gaat gemeenlijk met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn -hun voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten onder -hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en dadelijk met -alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te winnen, onder de -steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle avonden een vierde uur -lang over de afgestorvenen en wel met tranen. Daarna zijn zij vrolijk en leven -zeer vreedzaam. Zij zingen niet. Spreken en lagchen is hun vermaak. In den -zomer slaan zij hunne tenten op langs de kust. Dan komen zij bij elkander, -bedrijven vreugde, huppelen en springen en leggen in hunne eenvoudigheid groote -vergenoegdheid aan den dag. Schoon de zindelijke mensch groote morsigheid in -hunne levenswijze opmerkt, ziet men in tegendeel, dat zij veel vernuft bezitten -in het konstig maken van hunne kleederen, in het bereiden der vellen en in de -wijze, waarop zij hunne kleederen naaijen. Op de nevensgaande Kaart ziet men -eenen Wildeman in zijn schuitje afgebeeld. Dit stuk is bewonderenswaardig. -Hetzelve ligt, als de Wildeman er in zit, met het middelste gedeelte, 4 duimen -boven water. Hij heeft de zwarte <i>halve geut</i> (of run) A in zijn’ -regterhand nevens het hoofd. B verbeeldt den pijl, waaraan nog drie kleine -pijltjes (of harpoentjes) beneden aan de schacht zitten. C verbeeldt een -blaasje, dat op den pijl vastgemaakt is. De Wildeman is zoo sterk en geschikt, -dat hij, op eenen verren afstand, met zijne regterhand den pijl B wegschiet uit -de <i>halve geut</i> (of run) A, en den vogel treft. Is het misgeschoten, dan -drijft de pijl B op het water aan het blaasje C, hetwelk aan den pijl is -vastgemaakt. Hij schiet den pijl over den mast van een schip heen. D is een -pijl of harpoen, welks punt in den voorsteven van het schuitje rust. Het ander -einde rust op een tafeltje, dat drie pootjes heeft, waarop de lijn G in goede -orde in bogten is gelegd. Deze lijn is van een Robbe-vel vervaardigd en zeer -kunstig in het rond uitgesneden. Dezelve is vastgemaakt aan den langen harpoen -en het ander einde aan de blaas E, welke door een houtje, als eene veer, op het -schuitje achter den Wildeman wordt vastgehouden. Zoodra de Wildeman met den -langen harpoen D eenen Zeehond (of Rob) schiet, dan loopt de lijn van het -tafeltje en rukt de blaas E van het schuitje of onder de houten springveêr H -weg, hetwelk zoo kunstig is gemaakt, dat, slipte de blaas niet goed van het -schuitje, zoo zoude hetzelve in wanorde komen en de Wildeman zou moeten -verdrinken. Nadat de Rob moê of afgemat is, slepende de blaas E achter zich, -wordt hij gevangen en voorts afgemaakt. De blaas E is een welbereid Robbevel, -of een geheele Rob, zeer kunstig bereid en voorzien met eene beenen <i>bus</i>, -welke daarin vastgemaakt is, en waardoor een gaatje loopt, waardoor zij de -blaas vol wind blazen, er een pennetje in stekende, om er den wind in te -houden. Zij komen met hunne welgemaakte schuitjes (hoedanige ik op bladz. 25 -beschreven heb) zelfs bij stormachtig weêr bij onze schepen in zee, wanneer wij -genoodzaakt zijn, om voor klein zeil te zeilen. De zee spoelt gedurig op hunne -zitplaats over het schuitje heen. Zij liggen als een vogel op zee, zoo wel en -luchtig zijn dezelve gemaakt. Eén man kan zulk een schuitje dragen. Hoe vlug -deze Wilden zijn, kan men daaruit opmaken, dat zij, zittende in het schuitje -(zie de figuur) zich met hetzelve in het water kunnen kantelen en zeer snel met -den riem F weder oprigten, of liever, zij tuimelen met het schuitje eenen slag -in het rond, hetwelk eene verwonderenswaardige vertooning oplevert. I is een in -zee zwemmende Zeehond of <i>Rob</i>.—F is de roeispaan, welken zij met de -linkerhand vasthouden, liggende dwars over het schuitje heen. Aan de einden van -het schuitje is een beenen knopje en aan de voorstevens een stukje been, -hebbende ten doel, om het schuitje tegen het aanstooten van het ijs te wapenen. -Al dit kunstwerk is zeer bewonderenswaardig. Hunne schuitjes zijn zoo geschikt, -om er in onstuimig water mede te werken, dat geen bouwmeester hier te lande in -staat is, iets dergelijks van leder zoo waterdigt te maken. Hunne welbereide en -zeer kunstig genaaide kleederen zijn even verwonderenswaardig. -</p> - -<p> -Ik vond in de valleijen van het gebergte boompjes, doch niet hooger dan -ongeveer 10 voeten, zonder vrucht, sommige lage boompjes (of heesters) met -blaauwe bessen. Des morgens gaan de mannen met hunne voornoemde schuitjes naar -zee op de Robben- of Zeehonden-vangst, en, des avonds komen zij weder -t’huis. Dan halen de vrouwen de gevangene Robben op het land, snijden ze -in lange reepen en deelen daarvan mede aan hunne kinderen, gelijk wij er mede -onze portie van kregen. Hiervan eten zij met smaak en het bekomt hun ook wel. -Wij, door grooten honger geperst, gebruikten er desgelijks van, vermits wij -niets anders konden krijgen. Doch het bragt bij ons een’ fellen buikloop -te weeg, waardoor wij ongemeen verzwakten. Aangezien wij door den traan zeer -morsig waren, vonden wij ons genoodzaakt, om ons met het voornoemde stinkende -water uit de balie te wasschen, welks stank en sterkte wij ter naauwernood met -neus en oogen konden verduren. Doch wij gingen, na het wasschen, naar buiten en -wieschen ons vervolgens met water en sneeuw af, hetwelk ons dan weder frisch -maakte. Zoo moesten wij ons aan hunne levenswijze gewennen. Dit gebeurde binnen -<i>Kaap Vaarwel</i> op 60 gr. 15 minuten N. Breedte. Uit hoofde van het slechte -weder moesten wij hier met de te voren genoemde vier dagen, in het geheel -vijfentwintig dagen doorbrengen. -</p> - -<p> -Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij tabak voor -mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van nabij, het zij op eenen -verren afstand, Christenen op deze kusten moesten wonen. Op sterk aanstaan -besloten zij eindelijk hiertoe en namen de moeijelijke reis met hunne snel -varende schuitjes aan. Zij gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik -gebruikte daartoe een wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met -vermelding van mijnen toestand, met Robbenbloed. -</p> - -<p> -Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde van eene -gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een geschenk. Hierop gingen -zij naar de volkplanting op reis. -</p> - -<p> -Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat -Kommandeur M<small>ARTEN</small> J<small>ANZEN</small> en -J<small>ELDERT</small> J<small>ANS DE</small> G<small>ROOT</small> bij hem -waren geweest. Zij waren gelukkig om <i>Kaap Vaarwel</i> met twee vrouwe-booten -heengekomen. -</p> - -<p> -Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 uren 20 -mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een eind weegs zij -konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van drie dagen, weder -terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat zij iets voor ons hadden en -droegen hunne schuitjes naar hunne woning, waaruit zij mij, uit het -achtereinde, eenen brief, benevens pennen, inkt, papier en tabak overreikten. -Dit alles kwam van eenen Hernhutter met name J<small>AN</small> -S<small>IBRANDS</small>. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door -een’ Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. Dezelve -is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij tevens -vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, wegens gebrek -aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor in plaats Robbenbloed -met zout water gekookt, hetgeen ons echter in ’t geheel niet voldeed. -</p> - -<p> -De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede Wilden -bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer de gelegenheid -gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht weêr en harde vorst -bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog tot den 19 October -(N<sup>o</sup> 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed weder, met eene -vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen en vrouwen, die deels -in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes nevens ons roeiden, vertrokken. -Des avonds waren wij bijna dood gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij -andere Wilden om de Noord behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te -verstaan, dat hij een Christen was, met name L<small>ODEWIJK</small>. Hij bragt -ons in den nacht in zijn huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven -maaksel. In dit huis woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles -met verwondering. Aan een’ pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik -onder andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten -hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan denzelfden -pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche <i>Courant</i>. Een mijner -vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, tot mijn innig leedwezen, dat -mijn zwager, Kapitein K<small>ORNELIS</small> H<small>IDDES</small>, van -<i>Amsterdam</i> uitgevaren naar de <i>Middellandsche Zee</i>, door den -<i>Turk</i> genomen, en te <i>Larassy</i> in <i>Turkije</i> opgebragt was. Dit -verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder -J<small>AN</small> S<small>IBRANDS</small> bij mij in huis en verwelkomde mij -met groote liefde. Hij nam mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, -van steenen gebouwd was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw -reinigde mij van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer -verkwikte. Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren, -hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de streelende -gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te beurt viel! Dit is in -waarheid onbeschrijfelijk.—Eerst verwelkomden zij mij met een glaasje -<i>liqueur</i>, daarna in den nacht met melkspijs, welke wij met zilveren -lepels aten—vervolgens sliep ik op een zacht bed van veren.—Ach! -hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens den goeden -barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade geleid had. Ik genoot -dezen nacht goede rust. -</p> - -<p> -Op den 20 November werd ik des morgens bij het opstaan, onthaald op een kopje -koffij met eene boterham.—Nu naar alles vragende, verhaalden zij mij, wie -daar al van tijd tot tijd geweest waren. Ik deelde hun hierop het verhaal -mijner lotgevallen, tot hiertoe, mede. Zij namen zeer veel deel in ons -wedervaren. Deze volkplanters betoonden ons Christelijke vriendschap, doch deze -overtrof in geenen deele het onthaal, hetwelk wij genoten hadden bij de arme -Wilden, bij welke wij het eerst waren aangeland. Hier zullen ongeveer twee -honderd gedoopte menschen zijn geweest. De Duitsche broeder J<small>AN</small> -S<small>IBRANDS</small> verhaalde mij, dat hij, vierendertig jaren geleden, met -zijne vrouw, door Kommandeur I<small>TS</small> A<small>LDERTS</small> van -<i>Amsterdam</i> derwaarts gebragt was. Hij had een aantal schapen. Het land -was aan den benedenkant van het gebergte vlak en groen. Ik onthield mij hier -drie dagen lang met veel genoegen. Hem verzoekende, of ik aldaar met mijne vier -mannen, gedurende den winter zou kunnen blijven, vermits wij niet verder om de -Noord meenden te kunnen reizen, weigerde hij zulks, oordeelende het beter te -zijn, dat wij ons verder Noordwaarts op naar <i>Juliaans Hoop</i> begaven, -zijnde een <i>Deensche</i> volkplanting op 61 graden. Ik kreeg van deze -Hernhutters mijn horologie weder, dat zij van de Wilden, aan welke ik het ten -geschenk had gegeven, ingeruild hadden tegen tabak, schietgeweer, spelden en -naalden. Deze Hernhutters voorzagen ons voorts van leeftogt voor zeven dagen. -</p> - -<p> -Den 21 November (N<sup>o</sup> 29.) gingen wij op vrouwe-booten op reis, -vergezeld van Christen-wilden, namelijk één man en eenige vrouwen, en voorts, -tot hulp en gezelschap, nog twee mannen, ieder in een afzonderlijk schuitje. Na -eene reis van zeven dagen bereikten wij de voornoemde volkplanting <i>Juliaans -Hoop</i>. -</p> - -<p> -Op den 28 November kwamen wij bij den Koopman A<small>NDRIES</small> -O<small>ELZEN</small>. Wij hadden, gedurende deze reis van zeven dagen, ons -nachtverblijf bij Wilden, die geene Christenen waren, maar ons vriendelijk -bejegenden en ons dikwijls van hunne armoede nog iets mededeelden, als -Robbevleesch en gedroogde spiering. Gedachte Koopman A<small>NDRIES</small> -O<small>ELZEN</small> was met eene inlandsche vrouw gehuwd. Hij had bij dezelve -tien kinderen, vijf zonen en vijf dochters, van welke twee zonen en drie -dochters in leven waren. Hij en één zijner zonen waren zeer ervaren in de -muzijk, spelende op verscheidene instrumenten. Hij had zesendertig jaren lang -in <i>Straat Davids</i> geweest. Zoodra ik hem zag, herkende ik hem. Hij was in -het jaar 1763, toen ik met Kommandeur H<small>ANS</small> -B<small>ARENDS</small> van <i>Holland</i> voer, met zijne vrouw en kinderen in -de rivier of baai, <i>de Suikertoppen</i> genaamd, bij ons aan boord geweest. -Hij herinnerde zich zulks terstond. Ook bragt ik hem te binnen, dat hij -destijds het behoud van ons schip was geweest. Vermits ons scheepsvolk, -vermoeid van de Walvisch-vangst, zich ter ruste had begeven, had hij brand in -den schoorsteen ontdekt, welke alreede zoo ver gevorderd was, dat het dek -gevaar liep vlam te vatten. Ook dit herinnerde hij zich zeer duidelijk. Het was -bewonderenswaardig, dat wij elkander na zoovele jaren, op deze wijze -ontmoetten!— -</p> - -<p> -Bij dezen Koopman vonden wij eenige manschap van de andere verongelukte -schepen, die met vrouwe-booten verder om de Noord dachten te reizen. Bij deze -bevond zich Kommandeur A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small>. Ik gebruikte -bij A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> het avondbrood en vernachtte -aldaar. Hij bejegende mij zeer vriendelijk. -</p> - -<p> -Op den 29 November (N<sup>o</sup> 30.) ontmoette ik zeven mannen, die voor -dezen Koopman, langs de kust om de Noord, handel dreven in Vosse- en -Robbevellen en traan. Ik verzocht den Koopman A<small>NDRIES</small> -O<small>ELZEN</small>, of ik den winter bij hem zou kunnen doorbrengen. Dit -werd mij geweigerd, doordien hij gebrek had aan levensmiddelen, en aldaar in -twee jaren geen schip was geweest met proviant. Toen Kommandeur -A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> mij in de volkplanting <i>Juliaans -Hoop</i> verliet, gaf ik hem twee brieven mede, welke in de maand Junij van het -volgende jaar beide in het vaderland te regt zijn gekomen. Ik trad vervolgens, -na overleg met den Koopman, met de voornoemde zeven mannen in onderhandeling. -Deze wilden mij vier mijlen ver mede terugnemen. Ik zou mij dan zoo lang bij de -Wilden ophouden, tot dat de overige manschap van hier vertrokken zou zijn. Zij -wilden mij dan naderhand van de plaats, waarheen zij voornemens waren ons nu te -brengen, weder afhalen. Toen ontzonk mij de moed. Ik moest met mijne vier -mannen van de Christenen weder terug naar de Wilden, die ons vervolgens tien -dagen lang, in hunne woning, met Robbenvleesch en Spek, waarbij wij niet dan -met veel tegenzin het leven rekten, onderhielden. -</p> - -<p> -Den 9 December (N<sup>o</sup> 31.) schreef ik eenen brief aan voormelden -Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> in de Kolonie <i>Juliaans -Hoop</i>, waarin ik hem verzocht, om voor mij aan den Hernhutter -J<small>AN</small> S<small>IBRANDS</small> te schrijven, of ik bij dezen niet -zou kunnen overwinteren, aangezien ik hier den winter niet kon doorkomen. Na de -ontvangst van dezen brief zond Koopman O<small>ELZEN</small> mij dadelijk -zijnen zoon en dochters en meer anderen, die mij en mijn volk van daar -afhaalden. -</p> - -<p> -Wij kwamen den 10 December voor de tweedemaal in het huis van Koopman -A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>. Kommandeur A<small>LBERT</small> -J<small>ANS</small> was toen met zijn volk om de Noord vertrokken, zijnde -Kommandeur H<small>ANS</small> C<small>HRISTIAAN</small> J<small>ASPERS</small> -daar gebleven. Hier kon ik nu, op aanbod van Koopman A<small>NDRIES</small> -O<small>ELZEN</small>, bij hem den winter doorbrengen, zijnde de voornoemde -manschap vertrokken, onder voorwaarde, dat ik des middags Robbevleesch voor -lief zoude nemen, zullende hij mij tot avondeten vaderlandschen kost, te weten, -gebroken gort en witte erwten, voordienen. Ik nam zulks met blijdschap aan, en -verdeelde mijne manschap onder de Wilden, die zich met derzelver kost moesten -vergenoegen. -</p> - -<p> -Terwijl ik intusschen kennis maakte met de arbeiders in de volkplanting, welke -wekelijks hun rantsoen vaderlandschen kost van den Koopman ontvingen, kocht ik -zulks van hen, onder voorwaarde, dat ik hen, te <i>Kopenhagen</i> komende, -zoude voldoen. Dit stelde mij in staat, om mijn volk alle Zon- en Woensdagen -bij mij ten eten te vragen, om hen op voornoemden voorraad te onthalen. -</p> - -<p> -De Kolonisten wetende, dat Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> -nog een vaatje bier in zijn’ kelder had, verlangden zeer, om daarvan eens -te proeven, zeggende, dat mij zulks ook wel zoude smaken;—doch de -kelderdeur bleef gesloten. Maar op den 11 Januarij 1778 (N<sup>o</sup> 32.) -vierde de zoon van A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>, die met een -inlandsch meisje ging trouwen, zijne bruiloft. De trouwplegtigheid werd -waargenomen door eenen inlandschen Kandidaat, die desgelijks met eene -inlandsche vrouw gehuwd was en aldaar woonde. Vóór deze bruiloft riepen deze -Kolonisten mijne tusschenkomst in ter verkrijging van eenen dronk biers. Ten -einde zulk te bewerken, verzocht ik den Koopman verlof, om ons op de bruiloft -vrolijk te mogen maken, hetwelk hij mij met blijdschap toestond. -</p> - -<p> -Bruidegom, Bruid, Kandidaat en Vrienden kwamen nu met muzijk ter bruiloft, en -begonnen eenen vrolijken wilden dans. Het huis was van binnen vervuld en van -buiten omringd met vrolijk gezelschap, en, bij die gelegenheid werd het vaatje -bier uit den kelder gehaald. Op deze wijze kreeg elk eenen dronk bier ter eere -van het jonge paar. Zeer toevallig kwamen in den voornacht drie Wilden met -hunne schuitjes van de volkplanting <i>Frederiks Hoop</i>, (alwaar het -Proviantschip van den Koopman, op eenen afstand van 30 mijlen om de Noord, -bevroren lag) brengende mede eenige ponden suiker, koffij en thee, welke den -Koopman, het jonge paar en ons allen zeer te stade kwamen. Zij hadden in langen -tijd niets van dien aard gehad. Thans werd de koffij spoedig gebrand en -gebruikte men op de bruiloft koffij en thee met boterhammen, hetwelk ons -ongemeen verkwikte en vervrolijkte. -</p> - -<p> -Wij bragten den winter, na zooveel doorgestane ellende, op <i>Juliaans -Hoop</i>, met zooveel opgeruimdheid, als mogelijk was, door. Des nachts zagen -wij de schoonste vertooning van het afwisselend en spelend Noorderlicht -(N<sup>o</sup> 41.) dat zich zoo wonderbaarlijk met alle kleuren aan het oog -opdoet, dat geene pen in staat is, zulks te beschrijven; zijnde het voor -menschen, die er niet aan gewoon zijn, zeer schrikbarende. -</p> - -<p> -Waarschijnlijk ontstaat het Noorderlicht door de wederomkaatsing van het glad -in zee omdrijvend ijs, hetwelk op 71 gr. 30 min. en verder Noordwaarts op naar -de pool gevonden wordt en door stroom en wind in eene sterke beweging is, daar -het in de lucht uitstekende hoog ijsgebergte met alle zijne zeer diepe dalen en -blinkende brandpunten zich in de lucht spiegelt en zich, rondom de Noordpool -des hemels, in de vloeibare deelen vertoont; welke spiegelende en spelende -vertooning zich misschien ook wel gedeeltelijk aan ons oog opdoet, doordien de -aarde zich alle 24 uren zeer snel om hare as wentelt. -</p> - -<p> -Dit althans is proefondervindelijk. Wanneer men in <i>Groenland</i> van rondom -in het ijs is ingevroren, en geen water kan zien, dan ontdekt men de gaten, -welke, groot of klein, zonder dat men dezelve kan zien, op eenen afstand van 1, -2, 3 ja van 10 mijlen enz. in het ijs scheuren, op gelijke wijze aan de lucht, -als dezelve natuurlijk in het ijs zijn. -</p> - -<p> -Gedurende dezen winter lag het ijs bestendig aan het land aangesloten tot aan -de maand Mei, zoo dat het proviant-schip niet bij ons kon komen, hetwelk 30 -mijlen van ons om de Noord lag ingevroren, maar in het laatste van Junij -ontving onze Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> op -<i>Juliaans Hoop</i> eenen brief van Koopman K<small>AREL</small> -B<small>RUIN</small> van de Kolonie <i>Frederiks Hoop</i>, waarin deze hem -meldde, dat 16 mijlen benoorden ons twee vrouwe-schuiten (of <i>koene -booten</i>) lagen, welke hij met levensmiddelen naar ons had afgezonden, en -welke Koopman O<small>ELZEN</small>, wanneer de gelegenheid zulks toeliet, van -daar moest laten afhalen. Ook berigtte hij, dat het proviant-schip nog tusschen -het land en het ijs in zijn gezigt lag, met bestek, om de reis naar <i>Juliaans -Hoop</i> voorttezetten. Wij bragten daarop de Noordsche Jol van onzen Koopman -in gereedheid en H<small>ANS</small> C<small>HRISTIAANS</small> en ik voeren -beide mede tot hulp. Na verloop van vijf dagen kwamen wij op eene plaats, -alwaar wij voornoemden Koopman B<small>RUIN</small> dachten te vinden; doch wij -ontvingen berigt, dat Koopman K<small>AREL</small> B<small>RUIN</small> den -voorgaanden dag met twee geladene koene-booten terug was gegaan naar de Kolonie -<i>Frederiks Hoop</i>. Wij achtervolgden hem, en, na verloop van nog vier dagen -(zijnde naar gissing de 9 Julij (N<sup>o</sup> 33.) kwamen wij bij den Koopman -K<small>AREL</small> B<small>RUIN</small> in de Kolonie <i>Frederiks Hoop</i>, -vindende daar tevens het Proviant-schip, dat anderhalf jaar in dit land was -geweest, vermits het, uit hoofde van de bezetting van het ijs, de proviant niet -ter bestemde plaats had kunnen vervoeren. Wij verblijdden ons hartelijk, dat -wij het schip bereikt hadden, en hoopten met het genoemde vaartuig dit jaar -naar het vaderland te kunnen terugkeeren. -</p> - -<p> -Vóór het ontvangen van boven genoemden brief door Koopman -A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> gebeurde nog het navolgende. -Omtrent het midden van Maart, ging ik, met eenige van mijne manschap, onder het -geleide van gedoopte wilde mannen en vrouwen met eene <i>koene-boot</i> of -vrouwen-schuit naar <i>Juliaans Hoop</i> met proviant voor veertien dagen, om -den overgrooten honger van mijn achtergebleven volk, die zes mijlen Zuidelijker -geplaatst waren eenigzins te gemoet te komen. Dit was voor <i>ons</i> een zeer -aandoenlijk tooneel. Aldaar komende vond ik vijf man in getale, die van harte -gezond waren, maar door den honger zoodanig verzwakt, dat slechts drie hunner -nog eenigzins konden loopen, terwijl de twee andere bij de ongedoopte Wilden in -huis op handen en voeten kropen. Toen wij elkander zagen, schreiden wij van -overgroote blijdschap na zooveel doorgeworsteld lijden. Het is mij niet -mogelijk de aandoeningen te beschrijven, die onze harten overstelpten, en ik -kon mij over de gretigheid, waarmede zij, als geheel uitgehongerd zijnde, naar -het voedsel, dat ik hun toereikte, grepen, niet genoeg verwonderen. Zij -verzochten mij, om den nacht bij hen te blijven, maar wij waren genoodzaakt, om -zulks te weigeren, vermits, naar ons inzien, het ijs den volgenden dag onze -terugreize had kunnen beletten. Na hun moed en troost te hebben toegesproken, -namen wij een zeer aandoenlijk afscheid, met belofte, dat, zoodra wij op -<i>Juliaans Hoop</i> leeftogt ontvingen van een schip, dat 30 mijlen om de -Noord van ons af lag, ik hun daarvan, zooveel mogelijk, zoude toezenden, en -tevens, dat ik alle pogingen zoude aanwenden, dat wij met hetzelve schip naar -ons vaderland terugkeerden. Vervolgens namen wij met ons gezelschap de -terugreize weder aan. -</p> - -<p> -Twee dagen voor mijn vertrek van de Kolonie <i>Juliaans Hoop</i> (N<sup>o</sup> -29.) kwamen twee Wilden, die mij het eerst (gelijk voorheen gezegd is, 17 en 18 -October), op <i>Statenhoek</i>, naast God, het leven gered hadden, bij den -Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> en berigtten hem, dat zij -nog éénen man van mijn volk hadden gevonden, die nog gezond was. De Koopman -vroeg mij hierop, of er nog van mijn volk achtergebleven waren, waarop ik hem -berigtte (zoo als 12 October gemeld is) dat één van mijn volk aldaar gestorven -was en een ander beproefd had, om over het hoog gebergte heen te klimmen, van -welken ik tot hiertoe niets had vernomen, en dat eindelijk een derde, met name -J<small>AN</small> W<small>IT</small>, bij het overbrengen om de steile klip -(zoo als ik den 17 October verhaald heb) vermist werd. Ik verblijdde mij, -denkende, dat de man, nopens welken de Wilden berigt bragten, -J<small>AN</small> W<small>IT</small> zoude wezen. Ik verzocht daarop den -Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> om een weinigje tabak en -schreef eenen brief, dien ik aan J<small>AN</small> W<small>IT</small> -adresseerde. Het een en ander zond ik met deze Wilden naar hem toe. De Wilden, -bij hem komende, gaven hem den brief, met het weinigje tabak, dat hem -verkwikte. Maar helaas! hij kon den brief niet lezen en dus bleef de inhoud hem -onbekend. Naderhand ontdekten wij, dat het J<small>AN</small> -W<small>IT</small> niet was, zijnde het de man, die (zoo als op den 12 October -gezegd is) van ons over het hooge gebergte was gegaan, en dien wij alreede in -het ijsgebergte verloren hadden geschat. Na verloop van twee dagen wandelde die -man bij de woning dier Wilden om en zag drie mannen in eene vrouwe- of -koene-boot met de Wilden bij hem aan land komen. Hij verwelkomde dezelve en -verstond, dat zij van het verongelukte schip van Kommandeur -K<small>ASTERKOM</small> waren. Zij verhaalden hem, hoeveel zij door honger en -koude geleden hadden, doordien hunne Wilden gebrek aan voedsel hadden. Zij -vroegen hem, hoe hij daar gekomen was? Hij antwoordde hierop: met Kommandeur -K<small>AT</small>, vermoedende voor het overige, dat deszelfs togtgenooten wel -al dood zouden zijn, nademaal zij, wegens de diepte, om het steil gebergte niet -heen konden komen; zijnde hij van hen afgegaan en over het hoog gebergte heen -gewandeld. Zeven dagen had hij in hetzelve doorgebragt, zijnde hij eindelijk -hier gekomen, na veel lijden te hebben doorgestaan. -</p> - -<p> -Hij verblijdde hen met te zeggen: ik heb eenen brief met een weinigje tabak -ontvangen, maar ik kan niet lezen en weet dus niets van deszelfs inhoud. Zij -lazen hem toen den brief voor, waaruit zij verstonden, dat dezelve door -H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> geschreven was, -wordende daarin gemeld, hoe hij zich te gedragen had, om bij dezen te komen. -Dit was voor hen allen eene blijde tijding, hetwelk zij met vreugde-tranen aan -den dag legden, daar hun zulks nieuwe hoop gaf, om eindelijk eens weêr te regt -te komen. -</p> - -<p> -Kort voor mijn vertrek van <i>Frederiks Hoop</i> kwam deze man, met de boven -genoemde drie mannen, die bij hem waren, bij mij, waarover wij ons zeer -verheugden. Nu vernam ik, dat het J<small>AN</small> W<small>IT</small> niet -geweest was, maar de man, die (zoo als ik den 12 October gemeld heb) van ons -was gegaan over het hoog ijsgebergte. Hij verhaalde mij, dat hij, onder het -verduren van honger, koude en wanhoop, ja somtijds in volslagene magteloosheid, -zeven etmalen in het ijsgebergte omgezworven had, hebbende bij wijlen op de -ijsbergen of op de klippen in de sneeuw uitgerust, als zijnde dezelve -grootendeels met ijs en sneeuw bedekt. Hij had in dien tijd nu en dan aan den -oever van de zee, of de rivier, voedsel gevonden, te weten Mosselen; waarop hij -zich, ten langen laatste, geheel afgesold, op het strand had nedergezet, om te -sterven.—Op dit oogenblik had hij iets, in de gedaante van eenen vogel, -op de rivier gezien, dat op hem afkwam. Ziende, dat het een Wildeman in zijn -schuitje was (iets, hetwelk hij nooit voorheen gezien had) had hij het ergste -gevreesd. Toen deze Wilde bij hem aan den wal kwam, had hij hem, uit vrees van -gewelddadig aangevallen te zullen worden, eenen zijden halsdoek toegereikt, -dien deze had aangenomen. Hierop was zijne vrees in vreugde veranderd. Deze -goede Wildeman had hem opgerigt, ondersteund en in zijn huis geleid, dat, -buiten zijn weten, in zijne nabijheid, in het klipachtig gebergte stond. Zij -bewezen mij (vervolgde deze man) alle liefde, gaven mij van hun voedsel en -verwarmden mij. Hier bleef ik tot op het tijdstip, dat ik den brief van u, -Kommandeur K<small>AT</small>, benevens de hier vermelde hulp ontving. Door -middel van denzelven ben ik thans bij u. -</p> - -</div><!--end chapter--> - -<div class="chapter"> - -<h2><a name="chap03"></a>Vervolg mijner reize.<br/> -1778.</h2> - -<p> -Toen ik mij op <i>Frederiks Hoop</i> bevond, ging de boot, die mij daar gebragt -had, met leeftogt terug naar de Kolonie <i>Juliaans Hoop</i> (N<sup>o</sup>. -29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman A<small>NDRIES</small> -O<small>ELZEN</small> mede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene -liefde bedankte; hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár -geblevene manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar -mij toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft. -</p> - -<p> -Hier op <i>Frederiks Hoop</i> (N<sup>o</sup> 33.) verzocht ik den Koopman -K<small>AREL</small> B<small>RUIN</small> om, benevens mijn volk, met dit schip -naar ons vaderland te mogen vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig -toestemmend antwoord. Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier -blijven tot op het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het -achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende dezen -tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden. -</p> - -<p> -Omstreeks den 10 Augustus (N<sup>o</sup> 33.) waren wij gereed en zagen wij -kans, om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor acht -weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van tweeëntwintig -passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen op reis. In zee komende -bevonden wij het ijs twee mijlen van het land, digt aan een gesloten. Om hier -door te komen laveerden wij langs het ijs om de Noord tusschen het groot -ijsgebergte door. Met zeer veel gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen -tijds om de Noord en wel tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel -bezeild. Eindelijk kwamen wij voor de Kolonie <i>Gorthoop</i> genaamd -(N<sup>o</sup> 35.). Hier deden wij twee schoten, waarop twee Wilden bij ons -aan boord kwamen. Wij schreven eenen brief aan den Koopman van die Kolonie, -dat, bijaldien wij niet door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar -binnen te loopen, in welk geval wij zijnen bijstand verzochten. -</p> - -<p> -Op den 18 Augustus (N<sup>o</sup> 36.) hadden wij des namiddags mooi weêr, -kregen eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de -Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.) tusschen het -ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu konden wij onze reis -doorzetten. Des namiddags zagen wij een Galjas-schip ten westen van ons. Wij -zeilden er heen en ontvingen het berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar -de Noord-Kolonien bestemd was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en -kochten eenen kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant -tot onze verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij -kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij eenen -goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens zagen wij de -<i>Orkadische</i> eilanden. Toen hadden wij harden wind uit het Zuidwesten tot -den 9 September (N<sup>o</sup> 38.). -</p> - -<p> -Den 10 September (N<sup>o</sup> 39.) stevenden wij <i>Hitland</i> voorbij met -zwaar weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier -dagen passeerden wij op den 13 September (N<sup>o</sup> 40.) <i>Schagen</i> in -het <i>Kattegat</i>, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op -de plaats van onze bestemming, te weten <i>Kopenhagen</i>, alwaar ik met mijn -volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar Kommandeur -H<small>ANS</small> J<small>OHANNES</small>, die weleer drie jaren lang als -stuurman met mij van <i>Hamburg</i> gevaren had. Deze bragt mij bij de -<i>Groenlandsche Directeuren</i>. Ik gaf dezen mijne rekening over van de -schuld, die ik voor mij en mijn volk in de <i>Straat Davids</i> en in de -<i>Kolonien</i> gemaakt had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat -ik aan deze Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik -afscheid; betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging -ik met Kommandeur H<small>ANS</small> J<small>OHANNES</small> naar deszelfs -huis. Ik verhaalde denzelven ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald. -</p> - -<p> -Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met een schip -naar <i>Lubeck</i>, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap aan den wal -stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den Heer D.H. -R<small>EWOEL</small> te <i>Hamburg;</i> en vervolgens aldaar bij mijnen -zwager, den Kommandeur C.J. N<small>EY</small> komende, vernam ik, tot mijne -overgroote blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was, -zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven. -</p> - -<p> -Daarna kwam ik den 27 September met -een vaartuig op het eiland <i>Ameland</i> en ontmoette vrouw en kind in goede -gezondheid. Het is mij onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. -De menschen op straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne -terugkomst toe. -</p> - -<p> -God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij -H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> bewezen! -</p> - -<div class="fig" style="width:100%;"> -<img src="images/img03.jpg" width="127" height="165" alt="[Illustration]" /> -</div> - -</div><!--end chapter--> - -<div class="chapter"> - -<h2><a name="chap04"></a>Naberigt.</h2> - -<p> -Men vindt in de beschrijving van J<small>ELDERT</small> J<small>ANZEN</small> -G<small>ROOT</small>, die op den 10 April 1777 van <i>Amsterdam</i> naar -<i>Groenland</i> gevaren is, en ten zelfden tijd met Kommandeur -H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> zijn schip -tusschen <i>Statenhoek</i> en <i>IJsland</i> verloren heeft (welke beschrijving -hij, na zijne terugkomst van de <i>Straat Davids</i>, in het licht heeft -gegeven) schier dezelfde berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne -bijzondere ontmoetingen had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het -verblijf op het ijs en aan den wal. Gemelde J.J. G<small>ROOT</small> teekent -mede aan, dat de wilde mannen zeer ervaren zijn <i>in</i> en voorkennis hebben -<i>van</i> den aan- en afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen -zoo verre ging, dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon -maken. Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne -godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij ’s morgens niet -uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben, -verrigtende zij des avonds bij hunne t’huiskomst wederom hetzelfde. Wij -bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en zelfs -aan <i>Statenhoek</i> wonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en de -gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene godsdienst-kennis; -maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een weinigje veel meer inruilen, -dan bij de gedoopte, zoo dat het Christen-worden dier menschen geene -mededeelzaamheid heeft aangebragt. Dit verschil was in het oog loopende. -</p> - -<p class="center"> -B<small>ERIGT AAN DEN</small> Z<small>EEMAN</small>. -</p> - -<p> -De kust van <i>Gale Hamkes</i> 10 a 12 mijlen van land vertoont zich bergachtig -en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen land meer en niets -dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men ziet -dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18 mijlen. Van gelijken aard vond ik -naderhand het land op eene N. Breedte van 62 gr. 30 minuten in de <i>Straat -Davids</i> benoorden <i>Kaap Vaarwel</i>. -</p> - -<p> -Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer. De stroom -loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel sterker dan -gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten woei en met den stroom -in dezelfde lijn liep. -</p> - -<p> -De reden, waarom het eene <i>IJsveld</i> veel sneller drijft dan het ander, is -deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde de -<i>IJsbergen</i> somtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer -laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen vastraken, -worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de vastgeraakte -ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar gelang van den stroom. -</p> - -<p> -In de <i>Straat Davids</i>, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij, -tusschen <i>Juliaans Hoop</i> en <i>Frederiks Hoop</i> eene <i>IJsvallei</i> -voorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in. Aan deze -groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in de lucht. Deze -hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet, zijn een zeer goed -kenmerk van den weg, dien men in de <i>straat</i> heeft afgelegd. Men ziet -diezelfde vallei desgelijks ten Oosten van <i>Statenhoek</i>, vermits die -opening, waarin de vallei ligt, het land doorsnijdt, zijnde eene rivier die, -naar uitwijzing van de Kaart, van het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is -het voorkomen der ijsbergen tusschen <i>Jan Maaijen Eiland</i> en -<i>IJsland</i> op 68 gr. 30 minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op -mijne vraag, hoe ver zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naar -<i>Spitsbergen</i> uitstrekken, verstond ik van den Koopman -A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>, dat dezelve zich zoo verre -uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof. -</p> - -<p class="center"> -K<small>ORT UITTREKSEL</small> -</p> - -<p> -Uit het kort doch echt verhaal van Kommandeur M<small>ARTEN</small> -J<small>ANZEN</small><a href="#fn1" name="fnref1"><sup>[1]</sup></a> wegens het -verongelukken van zijn schip, genaamd <i>Het witte Paard</i> en van nog negen -andere schepen door de bezetting van het West-ijs in <i>Groenland</i> ten jare -1777.—<i>Leeuwarden</i> bij <i>Tresling</i> 1778. -</p> - -<p class="footnote"> -<a name="fn1"></a> <a href="#fnref1">[1]</a> -Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag gemaakt. <i>De -Uitg</i>. -</p> - -<p> -(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur -H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> aan zijne -huisvrouwe, geschreven uit <i>Straat Davids</i>. Daar deze echter -onderscheidene in het <i>Dagboek zelve</i> voorkomende bijzonderheden bevat, -heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven hier mede te deelen. Het -navolgende <i>kort Uittreksel</i> dient tot nadere bevestiging van het door ons -medegedeelde Dagboek van den Kommandeur H<small>IDDE</small> -D<small>IRKS</small> K<small>AT</small>. -</p> - -<hr /> - -<p> -“Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware -kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur -K<small>ASTRIKOM</small> van achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij -moesten toen vijf pompen aan den gang houden, en zetten de <i>victualie</i> en -’s volks goed op eene schots. In den avond verloor Kommandeur -G<small>ROOT</small> zijn schip, waarvan wij ter naauwernood de -<i>victualie</i> borgen. Den 8sten stopten wij het lek van ons schip, waardoor -wij lens kregen en het met ééne pomp gaande konden houden. Toen namen wij de -<i>victualie</i> weder in en het volk werd op de twee nog overig zijnde schepen -verdeeld. Het schip van Kommandeur B<small>ROERTJES</small> was nog digt. Den 9 -September kregen wij een weinig ruimte, doch hadden zware deining en eene hooge -zee, waardoor wij van elkander raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en -ontramponeerd. Het zag er toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf -schepen bemand, en nog eenig volk van het schip van Kommandeur -K<small>LAAS</small> K<small>UIKEN</small>, dat al vroeg gebleven was, met zich -voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65 gr. N. Breedte en dreven nog -al hard Westwaarts op, alle dagen het land in het gezigt hebbende. Nu begon ons -de moed te ontvallen. Wij konden daags slechts tweemaal een klein rantsoen -schaffen, en dagelijks vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen -door dreven. Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af, -onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem behagen -ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September vermeerderden onze smarten, -doordien Kommandeur B<small>ROERTJES</small> ook zijn schip verloor. Hij kwam -met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden, den 1 October bij ons aan boord. -Zij hadden van hunne <i>victualie</i> niets kunnen bergen, doordien het ijs aan -losse schotsen lag. -</p> - -<p> -“Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinig <i>victualie</i> -hebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht) schepen. -Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord H<small>ANS</small> -C<small>HRISTIAANSZ</small>. van <i>Hamburg</i> met vijftig mannen, die hun -schip op den 30 September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons, -dat er nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur -H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> en -H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small> van <i>Hamburg</i>. Doch die waren -uit hun gezigt geraakt. Een harponier van H<small>ANS</small> -C<small>HRISTIAANSZ</small>. was met dertien mannen aan den buitenkant van het -ijs bij het wrak gebleven, met voornemen om <i>IJsland</i> op te zoeken. Wij -waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard om de Zuid-west bij het land langs. -Met 286 zielen, welke zich thans bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags -niets meer dan ieder tien lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den -honger te stillen, het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat -en de Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen van -land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste land niet -krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen vonden. Dit was op -63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons schip kraakte gedurig door het -kruijen van het ijs. Doch dit alles was slechts een begin van onze rampen, -dewijl de dag van den 11 October ons lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij -verloren toen ons laatste schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en -verpletterd. Wij borgen ter naauwernood nog de <i>victualie</i> op eene schots -ijs. Wij moesten van de eene schots op de andere springen om ons leven te -behouden. Alle vervoegden wij ons op de schots, daar de <i>victualie</i> op -stond. Onze toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm -gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op de -schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij waren in -gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij draaiden ons alle -nog gelukkig voorbij. -</p> - -<p> -“Den 12 October dreven wij op de schots met een’ harden gang om de -Zuid tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr -geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van redding en -dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of door de schotsen -weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door ijsbergen heen dreven. Den 13den -dito des morgens lag het ijs weder digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen -bij ons, maar konden er geen gebruik van maken. Wij besloten het ijs te -verlaten en naar land te zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en -hiermede gingen de Kommandeurs J<small>ELDERT</small> J<small>ANS</small> -G<small>ROOT</small>, H<small>ANS</small> C<small>HRISTIAANSZ</small>. en ik -(M<small>ARTEN</small> J<small>ANZEN</small>) met nog veertig mannen over het -ijs naar den wal. Wij kwamen toen op een eiland, waar wij den nacht blijven -moesten. Een gedeelte van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige -kwamen, bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten -er eenige onder de schotsen. -</p> -<p> -“Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den -vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen konden -zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de inboorlingen aan land -staan. Ik (M<small>ARTEN</small> J<small>ANZEN</small>) die eenige woorden van -hunne taal kan spreken, terwijl ik op <i>Straat Davids</i> gevaren heb, smeekte -hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en bragten ons aan -land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde Spiering en gedroogd -Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen groeide, te eten gaven. Er waren -twee huizen, waarin wij geplaatst werden. Wij bevonden deze menschen van eene -goede inborst. Tot den 17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder -doornat te worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen -van ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter zake -terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met hunne -schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een’ westen wind moesten -hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte van onze plunje -eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur G<small>ROOT</small> met -vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind W.Z.W. Toen bragten -de Wilden ons met twee schuiten naar <i>Statenhoek</i>, waar Kommandeur -G<small>ROOT</small> weder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen en werden -wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de inboorlingen ons niet -verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind uit den Noorden met harde vorst. -Toen kwamen nog dertien mannen van ons volk bij ons met berigt, dat zij iets -noordelijker, dan ter plaatse, waar wij geland waren, bij veel volk waren -geweest, denkende zij, dat die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij -drie Kommandeurs met eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook -konden vinden—doch dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene -schuit van de Wilden in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het -goed weêr Toen gingen Kommandeur G<small>ROOT</small>, ik en nog achtentwintig -mannen met twee schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen -aldaar. Des avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en -Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze Wilden -weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder met twee -loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des nachts in tenten -of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen kwamen wij aan een huis, -daar wij zes man van het volk van Kommandeur H<small>IDDE</small> -D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> vonden, die op <i>Kaap Vaarwel</i> aan -land gekomen waren. Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur -A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small>, in eene bogt lag en nog zeventien -mannen bij zich had. Den 6den was het slecht weêr, en konden wij weinig eten -krijgen. Den 7den gingen wij op reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en -kregen wij gaten in onze schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te -vernachten. De Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat -te eten kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den -achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche Kolonie <i>Juliaans -Hoop</i>. Des Koopmans naam aldaar was A<small>NDRIES</small> -O<small>ELZEN</small>. Hier werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost -onthaald. Ook gaven zij ons kleederen, om ons te verwarmen.” -</p> - -<div class="fig" style="width:100%;"> -<img src="images/img04.jpg" width="178" height="168" alt="[Illustration]" /> -</div> - -</div><!--end chapter--> - -<div lang='en' xml:lang='en'> -<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>DAGBOEK EENER REIZE TER WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS KAT</span> ***</div> -<div style='text-align:left'> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Updated editions will replace the previous one—the old editions will -be renamed. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United -States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. -</div> - -<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div> -<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div> -<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase “Project -Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg™ License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person -or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ -electronic works. See paragraph 1.E below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the -Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg™ License when -you share it without charge with others. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work -on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the -phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: -</div> - -<blockquote> - <div style='display:block; margin:1em 0'> - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most - other parts of the world at no cost and with almost no restrictions - whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms - of the Project Gutenberg License included with this eBook or online - at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you - are not located in the United States, you will have to check the laws - of the country where you are located before using this eBook. - </div> -</blockquote> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase “Project -Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg™. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg™ License. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format -other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg™ website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain -Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works -provided that: -</div> - -<div style='margin-left:0.7em;'> - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation.” - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ - works. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - </div> - - <div style='text-indent:-0.7em'> - • You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg™ works. - </div> -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right -of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any -Defect you cause. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s -goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg™ and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state’s laws. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation’s website -and official page at www.gutenberg.org/contact -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread -public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state -visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate -</div> - -<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> -Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of -volunteer support. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -Most people start at our website which has the main PG search -facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. -</div> - -<div style='display:block; margin:1em 0'> -This website includes information about Project Gutenberg™, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. -</div> - -</div> -</div> -</body> - -</html> - - diff --git a/old/68111-h/images/cover.jpg b/old/68111-h/images/cover.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a32c384..0000000 --- a/old/68111-h/images/cover.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h/images/img01.jpg b/old/68111-h/images/img01.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 95ea4ca..0000000 --- a/old/68111-h/images/img01.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h/images/img02.jpg b/old/68111-h/images/img02.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 943496e..0000000 --- a/old/68111-h/images/img02.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h/images/img03.jpg b/old/68111-h/images/img03.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index a3e0218..0000000 --- a/old/68111-h/images/img03.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h/images/img04.jpg b/old/68111-h/images/img04.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index 99314fa..0000000 --- a/old/68111-h/images/img04.jpg +++ /dev/null diff --git a/old/68111-h/images/map.jpg b/old/68111-h/images/map.jpg Binary files differdeleted file mode 100644 index b1b09d9..0000000 --- a/old/68111-h/images/map.jpg +++ /dev/null |
