summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes4
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/68111-0.txt1900
-rw-r--r--old/68111-0.zipbin42301 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h.zipbin1403583 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h/68111-h.htm2188
-rw-r--r--old/68111-h/images/cover.jpgbin189973 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h/images/img01.jpgbin193485 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h/images/img02.jpgbin34161 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h/images/img03.jpgbin8428 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h/images/img04.jpgbin15069 -> 0 bytes
-rw-r--r--old/68111-h/images/map.jpgbin931610 -> 0 bytes
13 files changed, 17 insertions, 4088 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..d7b82bc
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,4 @@
+*.txt text eol=lf
+*.htm text eol=lf
+*.html text eol=lf
+*.md text eol=lf
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..3f2eb43
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #68111 (https://www.gutenberg.org/ebooks/68111)
diff --git a/old/68111-0.txt b/old/68111-0.txt
deleted file mode 100644
index 63ba4fc..0000000
--- a/old/68111-0.txt
+++ /dev/null
@@ -1,1900 +0,0 @@
-The Project Gutenberg eBook of Dagboek eener reize ter walvisch- en
-robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat, by Hidde
-Kat
-
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
-www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
-will have to check the laws of the country where you are located before
-using this eBook.
-
-Title: Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren
- 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat
-
-Author: Hidde Kat
-
-Release Date: May 17, 2022 [eBook #68111]
-
-Language: Dutch
-
-*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGBOEK EENER REIZE TER
-WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS
-KAT ***
-
-
-
-
-
-Dagboek
-eener
-reize
-ter
-walvisch- en robbenvangst,
-
-gedaan in de jaren 1777 en 1778
-door
-den kommandeur
-
-Hidde Dirks Kat
-
-met eene kaart van Groenland
-
-[Illustration]
-
-
-
-
-Wat zeeman, die de kiel naar ’t barre Noorden stuurde,
-Bestond er ooit op aard’, die zooveel ramps verduurde
-Als KAT, die fiere KAT, die ’s lijdens beker heeft
-Tot aan den boôm geleêgd, en toch, God dank! nog leeft?
-
-
-
-
- Voorberigt.
- Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat.
- Vervolg mijner reize. 1778.
- Naberigt.
-
-
-[Illustration]
-
-
-
-
-Voorberigt.
-
-
-De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat
-hij den Heer Kommandeur HIDDE DIRKS KAT, thans een zeventigjarig
-grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen levens op het eiland
-_Ameland_ slijt, verlof vroeg, om het door den druk gemeen te mogen
-maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik zijn Ed.
-te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend
-geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men
-zich ook verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo
-te wijzigen, dat het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde
-zou het, mijns inziens, ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Als
-_waarachtig verhaal_ verdient het niet alleen, om de hoogst
-merkwaardige en zeldzame ontmoetingen, welke daarin voorkomen, de
-aandacht van leergierige _ouden_ en _jongen_, maar heeft het, na de
-lezing, de eigenaardige kracht, dat het niet, gelijk zoovele andere uit
-het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in het rijk der
-wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard
-azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar als
-_geschiedverhaal van daadzaken_ voortduurt en lessen en wenken bevat,
-die zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met
-name ons Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen,
-waaruit weleer zoo aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen
-opdroogen, maar zich, op het voetspoor van onvermoeid werkzame en
-stoutmoedige voorgangers, geene geringe schatting te doen betalen van
-de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans. Geschiedverhalen van dezen
-stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij oud of jong (want op
-dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote overeenkomst) iets
-bijzonder aantrekkelijks. Het _avontuurlijke_, weet men, valt in veler
-smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen lezen—en tevens
-dingen leeren, die in het rijk der _wezenlijkheid_ t’huis behooren,
-waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij zullen kunnen
-trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den
-vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme
-hoekje van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten
-van _Groenland_, _Straat Davids_ en _Spitsbergen_ willen verwisselen,
-als er maar geld bij te verdienen valt.—’t Is waar, dit _Dagboek_
-behelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en daarmede gepaard
-gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van hetgeen
-tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende
-te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen
-zaken in voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van
-nationale nijverheid opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren,
-redmiddelen en uitkomsten in beschreven, die hem, die deze wateren eens
-wil bevaren, grootelijks te stade kunnen komen; er heerscht, om mij zoo
-eens uittedrukken, een _ouderwetsche_ geest van mannelijke
-kloekmoedigheid, onvermurwde standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht
-en geheel opregt en eenvoudig vertrouwen op God en zijnen alvermogenden
-bijstand in, die der jeugd en ook elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg
-voor oogen gesteld of te diep in het hart geprent kunnen worden,
-vermits deze loopbaan zich door ontelbare moeijelijkheden en gevaren
-henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met het driedubbel erts
-van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder de oogen
-kan zien.—Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een Leesboek in
-handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot deze
-belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen
-genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God
-hem in het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe
-weinig dit vak van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke
-Letteroefeningen behoort), aangezien hij zijn vaderland te lief heeft,
-om niet met de grootste bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen
-steen aan het gebouw van deszelfs herlevenden welstand in dit vak van
-_industrie_ te leggen. Om het oorspronkelijke niet te verminken, is er
-hier en daar slechts een weinigje aan den stijl gevijld en de spelling
-naar de thans gewettigde gewijzigd. Gemakkelijk had de uitgever het in
-eenen _dramatischen_ vorm kunnen gieten; doch dit had niet dan ten
-koste der eenvoudige waarheid kunnen geschieden, welke het blanketsel
-der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig gewaad, zoo als de brave
-Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest behaagt.
-
-Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke
-wensch van den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die
-zich met de uitgave belastte.
-
-M. M.
-
-
-1817.
-
-
-
-
-Dagboek
-gehouden
-door den kommandeur
-Hidde Dirks Kat.
-
-
-In den jare 1777, den 5 Maart, zeilde ik met de Brik _de Jufvrouw
-Klara_, bestemd ter Walvisch- en Robbenvangst, en bemand met 38 koppen,
-van de stad _Hamburg_ naar _Groenland_, voor rekening van den Heer
-Boekhouder DAVID HENDRIK REWOEL, te _Hamburg_.
-
-Op den 7den ligtte ik het anker op de _Elve_, liep in zee, en zeilde
-met eenen gunstigen wind en goed weêr tot den 13den, op welk tijdstip
-wij, na in goeden staat de Noordzee te zijn doorgezeild, met eenen
-gunstigen wind _Hitland_ voorbijstevenden, vervolgens de reize
-voortzetten en op den 5 April (No 1.) voor het Westijs van _Groenland_
-op 71 graden 30 minuten Noorder Breedte aankwamen, bij welk ijs wij ons
-tot den 30sten ophielden, vangende op hetzelve 30 vaten robbespek.
-
-Den 1sten Mei geene robben meer kunnende vangen, zetten wij met
-verscheidene schepen de reize om de Noord door het ijs voort, koers
-houdende op _Spitsbergen_, en kwamen den 13 Mei (No 2.) op 75 gr. 30
-min. N.B. tegen het Zuidijs; op den 17den (No 3.) raakten wij met
-verscheidene schepen door hetzelve heen op 78 gr. 30 min. N.B., en, van
-daar om de West zeilende, kwamen wij op den 26sten aan de
-Westijsvelden; hier werden door verscheidene schepen eenige Walvisschen
-gevangen. Vervolgens geraakten wij van den koers af, dreven op goed
-geluk heen en maakten nu en dan de schepen aan de ijsvelden of schotsen
-vast.—Op den 1 Julij (No 4.) bevonden wij ons op 72 gr. 30 min. N.B. In
-dien tusschentijd vingen wij eenen Walvisch van 30 vaten spek. Nu eens
-dreven wij met 27 schepen in getal in het ijs, dan bevonden wij ons
-weêr tusschen het ijs op vrij water. Sommige schepen vingen toen nog
-eenige Walvisschen. Tot den 4den dreven wij onophoudelijk sterk om de
-Zuid-west, uit hoofde van den stroom en den harden wind uit het
-Noord-oosten. Tot hiertoe zagen wij geen land, drijvende bestendig met
-het ijs om de Zuid-west tot den 12den. Toen geraakten wij met 27
-schepen sterk in het ijs bezet, en hadden 3 a 4 dagen zwaren storm uit
-het Noord-oosten en geen gezigt wegens den dikken mist tot den 16den
-(No 5.).—Toen opende zich de lucht en kregen wij de kust van
-_Gale-Hamkes_, op eenen afstand van 10 a 12 mijlen, ten Noord-westen,
-in het gezigt. Wij zagen toen nog 27 schepen rondom ons en dreven sterk
-om de Zuid-west. Het weêr bedaarde. Van 16 Julij tot 1 Augustus
-geraakten eenige schepen uit ons gezigt. In dien tusschentijd vingen
-wij nog eenen kleinen Walvisch in gemeenschap met Kommandeur HANS
-PIETERS. Voorts dreven wij zonder ophouden door den sterken stroom en
-wind uit het Noord-oosten om de Zuid-west tot den 6 Augustus (No 6.).
-Toen geraakten eenige schepen uit ons gezigt, van welke eenige met een
-gedeelte van het volk vergaan zijn. Wij bleven met 5 schepen in het ijs
-ingesloten, liggende aan een klein ijsveld vast gemaakt, te weten
-Kommandeur HANS PIETERS, PIETER ANDERSEN, HANS CHRISTIAAN JASPERS,
-ALBERT JANS en HIDDE DIRKS KAT, alle vijf met _Hamburger_ schepen. Dit
-was op 68 gr. 30 min. N.B. Hier zagen wij het land niet meer, maar
-niets dan ijsbergen, welke, met de toppen in de wolken, het land
-bedekken. Men kan dezelve wel 16 a 18 mijlen ver zien. Even zoo vond ik
-naderhand het land op 62 gr. 30 min. N.B. in de _Straat Davis_
-benoorden _Kaap Vaarwel_. Van den 6den tot den 16den dreven wij door
-den sterken Noord-oosten wind en den stroom met het ijs om de
-Zuid-west. Tot den 18den werkte het ijs geweldig door malkander,
-hetwelk te midden van den storm afgrijsselijk was te aanschouwen. In
-dien schrikbarenden toestand werden de schepen van Kommandeur PIETER
-ANDERSEN en ALBERT JANS door het ijs verbrijzeld. De manschap redde
-zich op het ijs, wordende een gedeelte van den leeftogt door dezelve
-geborgen. Wij verdeelden de manschap met den leeftogt op de drie
-overgeblevene schepen, welke nabij de verongelukte in het ijs beklemd
-lagen, op ieder van welke zich nu 78 zielen bevonden. Dit gebeurde op
-67 gr. N.B. Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het
-Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in
-menigte af kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk
-van de twee bij ons zijnde schepen, wegens gebrek aan leeftogt, werden
-ingezouten. De zoodanige, die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch
-niet onsmakelijk, maar na verloop van twee dagen, ging hun het vel in
-den mond en van de tong als mede op andere plaatsen van het ligchaam en
-van handen en voeten af. Volgens het oordeel van Koopman ANDREAS OELZEN
-had men het, vóór het inzouten, ter deeg moeten laten uitvriezen,
-alsdan zoude het een onschadelijk voedsel zijn geworden. De Beeren
-veroorloofden ons niet, om gedurende den nacht van het een tot het
-ander schip te gaan en verlieten ons niet, vóór dat wij van het
-omdrijvende spek verwijderd waren. Voorts dreven wij met onze drie in
-het ijs bezette schepen gedurig om de West tot den 24 Augustus (No 8.).
-Toen konden wij uit den top van den mast het eiland _IJsland_ zien en
-tevens de vrije zee, hetwelk ons hoop gaf, dat wij met onze schepen dit
-eiland zouden kunnen bereiken, in gevalle het ijs van elkander mogt
-trekken. Op dit tijdstip, waarin de hoop klein begon te worden, kwam ik
-zeer dikwijls bij mijnen vriend, den Kommandeur HANS PIETERS, een man
-van 67 jaren, die aan eene _scorbutieke_ ziekte krank te bedde lag, om
-met denzelven over de mogelijkheid, om het eiland _IJsland_ te
-bereiken, te raadplegen. Deze had insgelijks weinig hoop, gevoelende
-tevens zijn sterfuur naderen. Bij vollen verstande beklaagde hij ons,
-daar wij in de kracht des levens in zulk eenen naren toestand
-verkeerden; “Doch,” zeide hij, “God is magtig! Hij zal nog wel eenigen
-onzer in het leven sparen, om deze gewigtige gebeurtenis aan de
-nakomelingschap medetedeelen. Hetgeen ons te beurt valt, is niet zonder
-wijze bedoeling der Voorzienigheid. Welligt kan het nog van dienst zijn
-voor menschen, die naderhand in soortgelijke omstandigheden komen te
-verkeeren.” Hij moedigde mij overigens sterk aan, om, bijaldien onze
-drie schepen vergingen, vooral goeden moed en raad te houden, de
-scheepssloepen, zooveel mogelijk, in goeden stand te brengen en van
-leeftogt te voorzien.
-
-Ik legde mijne scheepskaart op het bedde van den kranken HANS PIETERS,
-en raadpleegde met hem in zijne jongste oogenblikken. “Kommandeur KAT,”
-zeide hij, “houd goeden moed en gedenk aan mijne gezegden! Poog, is het
-mogelijk, daar wij _IJsland_ reeds voorbijdrijven, bij den hoek van
-_Straat Davis_, _Statenhoek_ genaamd, te landen.” Hierop stierf hij
-welgemoed op den 3 September. Niet lang daarna werd zijn schip
-verbrijzeld.—Van 24 tot 30 Augustus (No 9.) werden wij zeer sterk door
-stroom en wind om de Zuid-west gedreven, zijnde bestendig ingesloten
-door het ijs met eene zware _deining_ of hooggaande zeeën, zoo dat wij
-ieder oogenblik vreesden met man en muis te zullen vergaan, dat God tot
-hiertoe nog verhoedde.
-
-Van 30 Augustus tot 6 September (No. 10.) stevenden wij tusschen het
-eiland _IJsland_ en het vaste land van _Nieuw-Groenland_ door, op eenen
-afstand van 14 mijlen van den wal, van rondom met ijs bezet. De drie
-schepen waren bij elkander. Het woei een orkaan uit het Noord-oosten.
-Van rondom was de werking van het ijs onbeschrijfelijk wreed en
-schrikbarende. Wij zagen elk oogenblik den dood te gemoet. Dit viel
-voor op 66 gr. N.B. Wij zagen toen noch Walvisschen, noch Robben (of
-Zeehonden), noch gevogelte meer. Dit duurde van den 6den tot den 8sten
-September op gelijke schrikbarende wijze voort. Toen bedaarde het weêr,
-en wij dreven sterk langs de kust (of de ijsbergen) heen in eene
-Zuid-westelijke rigting op eenen afstand van 14 mijlen, terwijl wij het
-land in het gezigt hadden. De wind woei bestendig uit het Noord-oosten
-tot den 24 September (No 11.).—Toen konden wij van het dek de opene zee
-aanschouwen, hetgeen ons hoop gaf, om uit het ijs te komen. Onze
-schepen waren tot heden in eenen tamelijk goeden toestand en van
-leeftogt voorzien; doch vermits stroom en wind dezelfde streek hielden,
-opende het ijs zich niet, zoo dat onze schepen bestendig door het ijs
-ingesloten en nu en dan in hetzelve beklemd waren. Dit duurde tot den
-29 September (No 12.) wanneer zich een geweldige storm uit het
-Noord-oosten verhief. Wij bevonden ons toen eene mijl ver van de opene
-zee. Onze 3 schepen bleven gedurende denzelven zoo goed als
-onbeschadigd. Maar op den 30sten September (No 13.), toen de wind
-allengs begon aftenemen, werden onze 3 schepen door de geweldige
-werking der hooggaande zeeën (_deining_) tusschen het ijs ingedrongen,
-en door deszelfs ontzettende stooten in één oogenblik verbrijzeld. De
-masten buitelden op het ijs. Elk zocht op de best mogelijke wijze
-lijfsberging op de woedende schotsen. Na het vergaan van onze schepen,
-hadden wij het geluk van een gedeelte van onzen leeftogt bij ons op het
-ijs te bergen. Ook redde ik zeven sloepen. Hier stonden wij in dezen
-angstvollen toestand onder den blooten kouden hemel, zonder
-schuilplaats, 21 mijlen ver van land op het ijs, in zee, op 64 gr. N.B.
-Het land was uit ons gezigt. Wij bevonden ons naar gissing 80 mijlen
-ten Westen van het eiland _IJsland_. Ik en Kommandeur HANS PIETERS
-bevonden ons met onze schepen, toen dezelve vergingen, digt bij
-elkander en Kommandeur H.C. JASPERS was twee mijlen verder landwaarts
-van ons. In dit tijdstip werd diens schip ook verbrijzeld, nemende hij
-de vlugt naar het schip van Kommandeur KLAAS J. KASTERKOM, hetwelk,
-schoon buiten ons gezigt, door hem gezien kon worden. Twee sloepen met
-12 man bleven bij het verongelukte schip van H.C. JASPERS, welke daar
-verongelukten. Kommandeur KASTERKOM bevond zich op zijn schip met 286
-man, toen het bij _Statenhoek_ verging. Van dit getal zijn slechts
-eenige te regt gekomen, alle de overige vergaan.
-
-Nu bevonden wij ons, van ieder schip 78 man, op het ijs. Ik H.D. KAT
-redde zeven sloepen en eenigen leeftogt. De een zag den ander met
-droefheid aan, in zware gepeinzen verdiept, hoe en waar wij, in dezen
-treurigen toestand, waarin wij den dood voor oogen zagen, onze
-levensdagen zouden eindigen. Wij hadden geene zeilen, om eene tent op
-het ijs opteslaan, waaronder wij ons een weinig zouden hebben kunnen
-verschuilen.
-
-Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te
-zien of te vinden. Wij stonden hopeloos op het geweldig stootend ijs,
-in vreeze, om ieder oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden. Het
-land was buiten ons gezigt. Wij waren nabij de opene zee en werden
-Zuid-westwaarts aan voortgeslingerd op de schotsen. Dit duurde tot den
-3den October (No 14.) wanneer wij ons nog met 78 zielen op eene
-ijsschots van ongeveer 200 vierkante voeten in de opene zee bevonden.
-Rondom ons heen was de zee eene vierde mijl ver vol ijsgruis. Dit was
-ons behoud, vermits wij door middel van hetzelve niet, bij het
-slingeren van onze ijsschots door de hooggaande zeeën, van dezelve
-afgespoeld werden. Ondertusschen ging zulks met groot gevaar vergezeld,
-zoo dat wij alle oogenblikken vreesden om te zullen komen.
-
-Tegen den morgen hoorden wij door het scheepsvolk van Kommandeur PIETER
-ANDERSEN, bestaande in 78 man, die zich op eene tweede digt bij ons
-drijvende ijsschots bevonden (No 3.) Gode een gezang toezingen. Maar,
-toen de dageraad aanbrak, waren zij van de ijsschots vergaan,
-uitgezonderd Kommandeur PIETER ANDERSEN met eenige manschappen, die
-zich gered hadden. Om middernacht was onze ijsschots midden
-doorgebroken ten gevolge van de geweldige deining, waardoor wij 4 van
-onze sloepen verloren, benevens onze meeste _victualie_ (No 2.); van
-mijne 78 man (No 1.) verloor ik op dit tijdstip niemand. Dit viel na
-gissing voor 40 mijlen ten Oosten van _Statenhoek_. Gedurende den nacht
-waren wij door den stroom het land sterk genaderd.
-
-In den ochtend van den 4 October (No 15.) bevonden wij ons op dezelfde
-ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant
-verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af.
-Het weêr was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van
-zee, zijnde aan alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons
-bedunken, aan het land vast lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te
-verlaten en, zoo mogelijk, te voet op het land aantegaan, weshalve wij
-onzen overgeschoten leeftogt onder malkander verdeelden, bestaande
-eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf scheepsbeschuiten
-met een weinigje boter ontving.
-
-Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur ALBERT JANS, om onze drie
-sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God ons, tot op heden, zoo
-wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten. Hiertoe
-besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk
-afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land
-zijn gekomen, is mij onbekend.
-
-In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk
-eene zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen
-de ander opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet
-zagen. Doch God was ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met
-de 27 man niet naar land waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog
-akelige gedaanten. De zee woedde aan de buitenzijde tegen het ijs. De
-baren verhieven zich als torens in de lucht, makende in den langen
-donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning, terwijl het zoute
-water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100 voeten in
-het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen
-omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks
-konden bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog
-onbeschadigd.
-
-In den ochtendstond van den 5 October (No 16.) bedaarde het weêr, en de
-zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen
-gereed, om er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons
-voorkwam, en besloten, om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100
-voeten vierkant, (waarop God ons tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard
-had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt zouden zijn, om dezelve te
-verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor ons bestemd
-was.—Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5 scheepsbeschuiten hadden
-wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met aan een stuk
-uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi weêr,
-in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks
-een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man,
-voor ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid
-in de sloepen viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend
-maakte, dat de zee over onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve
-dreigde te zinken. Hierop opende zich boven verwachting het ijs, zoo
-dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee bevonden. Wij zetten toen
-onze zeiltjes bij (No 16.) met eenen gunstigen Noord-oosten wind en
-stevenden op _Statenhoek_ aan. Wij hadden een kompas, konden het land
-zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend ijs.
-
-Onze schipbreuk (No 13.) was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de
-smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk (No 14.) en
-het verlies van de schots was niet minder schrikbarende. Wij zeilden
-bij het ijs langs tot den 6 October (No 17.). Des middags bevonden wij
-ons, naar gissing, 6 mijlen beoosten _Statenhoek_. Hier dreven wij met
-het ijs zeer verre in zee op; (No 17.) zoo dat mijn volk uit onkunde en
-vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk
-nogtans noodzakelijk was, vermits dit ijs aan _Statenhoek_ vast lag en
-ons om de punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen
-land hebben bekomen, schoon men zich bij deze onderneming het gevaar
-van wind en zee moest getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel
-mogelijk, door het ijs te werken, ten einde het land te bereiken.
-Hiermede vorderden wij niet meer dan eene halve mijl, wanneer wij
-genooddrongen werden het werk te staken en de sloepen op het ijs te
-halen. Hier vond ik eenen ijsberg (zie No 17.) welke, naar gissing, 60
-a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne manschappen
-en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet
-willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende
-ijspunt heen te zeilen, wanneer wij op _Statenhoek_, waarschijnlijker
-wijze, hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts
-bij onze drie sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude
-en afgesold door vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd
-genoten.
-
-Op den 7 October (No. 18.) kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot
-het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten,
-om te zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken,
-aangezien wij aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze
-leeftogt slechts bestond in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór
-dat wij dit echter ondernamen, braken wij eerst het hout uit de
-sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het ijs, verwarmden onze
-ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer een’ beet van zijne
-drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten eenenmale. Na deze
-verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van twee onzer
-lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten
-hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. (No 17.)
-Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De
-laatste groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer
-smartelijk. Wij hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons
-gerijf, bij ons.
-
-Van 7, 8, 9 tot den 10 October (No 19.) liepen wij, afgemat door honger
-en koude, van het eene stuk ijs op het ander, om land te winnen. Het
-ijs ging door de zeewelling of deining onophoudelijk met geweld open en
-toe. Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen,
-geraakten, door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het
-water, verdronken en werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf
-geraakte tweemaal van het ijs af, doch werd telkens weêr opgehaald en
-gered door de twee haken, vóór dat het ijs zich weêr toesloot, en moest
-zoo met mijne natte kleederen al den volgenden tijd gaan, hetwelk mij
-ongemeen verzwakte. Ik had toen nog twee scheepsbeschuiten. Men beseffe
-eens, welke kracht de goede God ons in deze omstandigheden verleende!
-Ziende de zwarigheden, die wij nog moesten te boven komen, was het
-schier niet om uit te houden.—Dagelijks overviel ons de vrees voor wild
-gedierte, en onder het voortwandelen opende zich van tijd tot tijd eene
-groote ijsspleet voor onze voeten, waarin velen onzer hun graf vonden,
-vermits het ijs zich dadelijk, bij het terugkeeren van het water,
-toesloot. Des avonds bevonden wij, dat wij nog twee mijlen van het land
-verwijderd waren. Doch daar het ijs niet aan het land vast lag, moesten
-wij hopende wachten, of het zich aan het land mogt aansluiten. Terwijl
-wij dezen nacht met een diep neerslagtig hart doorbragten, lag de een
-en zat de ander op het ijs, terwijl een derde stond. Ik zat in het
-midden van twee ter regter en linker zijde naast mij liggende mannen,
-welke des morgens dood gevroren waren.
-
-In den morgenstond van 11 Oct. (No 20.) bevond ik, dat Kommandeur
-ALBERT JANS met eenige manschappen, gedurende den nacht, door de
-uitwerking van het draai-ijs van mij was verwijderd geraakt. Ik zag
-dezelve hier niet weder. Dezen morgen dreef ons eene lange strook ijs
-voor den mond eener rivier voorbij. Deze stiet tegen onze ijsschots.
-Wij stapten er dadelijk op over, met uitzondering van één’ man, die
-niet verder voort kon. Wij moesten hem met hartverscheurende smart
-verlaten. Deze lange strook ijs bragt ons aan land. Wij hadden aan
-beide zijden van dezelve de opene zee, en kwamen des na den middags bij
-_Statenhoek_ aan. Deze hoek ligt op 59 graden 30 minuten N. Breedte.
-Wij vonden in de valleijen eenige groente en boompjes, waaraan blaauwe
-bessen groeiden. Wij plukten die bij menigte en aten ze met veel smaak.
-Onze blijdschap, dat wij aan land waren gekomen zonder vooruitzigt,
-waar wij belanden zouden, was onbeschrijfelijk groot. Hier bevonden wij
-nog 18 in getale te zijn. Waar de overige gebleven zijn, behalve de
-voorgemelde 27 man, die naar land waren gegaan, is ons ten deele
-onbekend. Deze nacht viel ons lang en bang, door het vallen van
-menigvuldige sneeuw en eenen harden kouden wind, alsmede door gebrek
-aan voedsel, drank en warmte. Ook konden wij niet gaan leggen,
-aangezien onze kleederen doornat waren. In dezen toestand konden wij
-ons eenigermate een denkbeeld vormen van het lijden van onzen Heiland
-JEZUS CHRISTUS, althans hetzelve behoorlijk waarderen, daar wij nu
-zelve lijden moesten ondergaan.
-
-De dageraad van den 12. October (No 21.) verblijdde ons. Onze bij
-voorraad voor den volgenden dag geplukte bessen, waren alle onder de
-menigvuldig gevallen sneeuw verloren gegaan. Wij zetten nu onze reis
-landwaarts in voort, om inwoners te ontdekken. De een zette zich hier,
-de ander dáár vermoeid en moedeloos neder. Mij viel in de gedachten, om
-weder den zeekant te kiezen, vermits de bewoners zich van de zee
-moesten generen. Terugkeerende namen wij de hier en daar nedergezetenen
-weêr op. Zij hadden zich vermoeid en afgemat nedergelegd, om te
-sterven—wij spraken hun moed in, zooveel onze krachten en onze hoop, om
-nog eens geholpen te worden, toelieten. Wij kwamen voorts te zamen
-weder aan den zeekant en volgden dezelve om de Noord, om menschen te
-vinden.
-
-In het omloopen van eene rivier vonden wij, kort daarna, op een’
-uithoek aan den zeekant een spits heuveltje, door menschen handen van
-steenen op een gestapeld. Dit gaf ons nieuwen moed, dat wij ten langen
-laatste inwoners zouden vinden. Hier konden wij niet verder komen,
-vermits het strand ons verliet, staande de zee tegen een steil gebergte
-aan. Ook lag hier bij het land geen ijs, waarop men om deze punt heen
-konde loopen. Wij moesten hier dus _halte_ maken, op hoop dat wij, bij
-laag water, om den voet van het gebergte heen zouden kunnen gaan. Doch
-ook met laag water was zulks onmogelijk. Wij vonden tot onzen troost
-door Gods genade, bij de invallende ebbe, voedsel voor onze afgematte
-ligchamen. Dit bestond in groote Mosselen, die wij gretig verzamelden,
-om onzen overgrooten honger te stillen. Wij bragten deze Mosselen bij
-eenen steen, die boven den vlakken grond uit het gebergte uitstak,
-welke plaats wij tot schuilplaats uitkozen. Ook vonden wij hier, tot
-meerdere vertroosting, een teeken, zijnde drie tent-plaatsen van 18 a
-20 voet in het vierkant, omringd van een groen begroeid dijkje van één
-voet hoogte. Men kon zien, dat de wilden hier in den zomer hunne tenten
-opsloegen. Dit dijkje dient, om het van het gebergte afvloeijende water
-aftekeeren. Wij stonden nu in overweging, hoe aan vuur te komen; welke
-zwarigheid zeer onverwacht werd weggenomen door een’ vuurslag, hetwelk
-een der Officieren, buiten zijn weten, bij zich had. Op de hoogere
-plaatsen van het strand vonden wij vrij wat droog hout, dat ons zeer
-verblijdde. Daarna beproefden wij met alle omzigtigheid, om van drooge
-hemdslippen (voor zoo verre wij nog droog linnen aan het lijf hadden,)
-eenen nieuwen voorraad van tonder te maken, hetwelk ons door middel van
-den voornoemden vuurslag gelukte. Wij hadden (gelijk gezegd is) een
-klein theeketeltje en een biermok. Toen nu ons vuur aan den gang was,
-kookten wij van tijd tot tijd een keteltje vol Mosselen, die ons als
-honig smaakten. Ook plukten wij middelerwijl bessen, die wij desgelijks
-kookten en waarvan wij het sap dronken. Dit verkwikte ons ongemeen.
-Hier bleven wij drie dagen. Wij waren nog 18 in getale. Door het gemis
-van rust verzwakten onze ligchamen uitermate; te meer daar wij, bij dag
-en nacht, de koude van sneeuw, wind en vorst moesten verduren. Wij
-hielden ons wel nabij het vuur, maar onze oogen konden hetzelve niet
-verdragen. In den loop van deze drie dagen werd iemand onzer, die zich
-bij nacht van het gezelschap verwijderd had, des morgens dood op de
-klippen gevonden. Schoon onze moed dagelijks afnam, schonk het slechte
-weêr ons somtijds weder hope, dat de Wilden, zoodra het weêr bedaarde,
-wel op zouden komen dagen.
-
-Op den 15 October (No 22.) kwam een der manschappen mij vragen, of men
-niet eens eene kans zoude wagen, om over het hoog klippig gebergte heen
-te klimmen, ten einde ons voornemen, om menschen om de Noord te
-ontdekken, voort te zetten. Dit kwam mij onuitvoerlijk voor, aangezien
-eenige van mijn volk, ten gevolge van de koude en het langdurig
-afmartelen van het ligchaam, opene handen en voeten hadden. Des
-ongeacht nam de man, die zulks voorstelde, de reis over het klipachtig
-ijsgebergte aan, wenschende ons een zeer aandoenlijk vaarwel. (No 34.)
-Geen eenig man van mijn volk was in de _Straat Davids_ geweest en
-verstond dus een enkel woord van de landtaal. Ik had in mijne jonge
-jaren drie reizen uit _Holland_ derwaarts gedaan, en eenige woorden van
-die taal in het geheugen bewaard. Des namiddags ging een mijner
-Officieren, met name PIETER HENDRIKS, op eene hoogte van het gebergte,
-om eens uittezien. Van daar ontdekte hij zeewaarts in, in den mond van
-de rivier, drie voorwerpen in de gedaante van vogelen op het water. Hij
-riep mij toe, wat men daar van denken moest? Ik liep met haast naar hem
-toe, en zag terstond (doordien ik in vroegere dagen meer zulke
-vertooningen gezien had), dat het Wilden of inboorlingen konden zijn.
-Nu kwam het geheel gezelschap naar ons toe. Wij verhieven tweemaal een
-luid geschreeuw, dat door gezegde Wilden gehoord werd, die diensvolgens
-op ons af kwamen. Wij liepen gezamenlijk naar het zeestrand, om hen in
-onze armen te ontvangen. Ten gevolge van onze overgroote blijdschap,
-dat wij, buiten ons, weêr menschen zagen, bleven die lieden met hunne
-kleine schuitjes, die naauwelijks boven het vlak van de zee uitstaken,
-op eenen afstand van ongeveer 100 roeden van de kust liggen. Doordien
-ik de landtaal niet magtig was, en niet wist, hoe die Wilden omtrent
-ons gezind waren, besloot ik mijn volk naar de voornoemde plaats terug
-te doen keeren. Nu stond ik daar alleen, en noemde in mijne
-verlegenheid een woord, waarvan ik zelf de beteekenis niet wist, te
-weten (_ome kageit_). Dit woord beteekent, gelijk de _Hernhutters_ mij
-naderhand zeiden, (_vriend kom hier!_) Daarop kwamen zij, bij drieën in
-een schuitje, bij mij. Ik hielp hen uit hunne schuitjes en omhelsde
-hen; hetwelk zij met wederliefde beantwoordden. Dit waren ongedoopte
-Wilden. Ik vergezelde hen naar onze verblijfplaats, waar mijne overige
-manschap zich bevond.
-
-Zij namen alles naauwkeurig op. Toen zij vernamen, dat wij noch voedsel
-noch rustplaats hadden en onze ligchamen uitgemergeld waren, kon men
-zien, dat zij medelijden met ons hadden. Met naar de Zon te wijzen
-gaven zij ons te kennen, dat zij den eerstvolgenden dag weder zouden
-komen, om ons te helpen. Het weêr was nu vrij goed, ’s avonds namen zij
-hun afscheid, en keerden naar hunne woningen terug. Het baarde ons nu
-veel droefheid, dat één van ons volk ons vrijwillig verlaten had, om
-over het gebergte te gaan, daar wij het nu met malkander zoo ver
-gebragt hadden. Terwijl wij hem verloren schatten, begon onze hoop van
-tijd tot tijd levendiger te worden, vermits wij nu menschen gevonden
-hadden, die ons, zooveel wij hen begrijpen konden, wilden helpen.
-
-Den 16 October hadden wij storm met sneeuwjagt. Ofschoon wij met
-reikhalzend verlangen uitzagen, ontdekten wij heden nog geene helpers.
-Wij schreven dit toe aan het slechte weêr. Dit gaf ons troost. ’s
-Nachts bedaarde het weêr. Wij bleven onder de voorschreven uitstekende
-steenklip van het gebergte.
-
-Den 17 October (No 23.), des morgens was het mooi weêr; wij zagen uit
-naar onze helpers en deze kwamen des voormiddags ten 11 ure bij ons,
-bij drieën in een afzonderlijk schuitje. Ik gaf hun onze onmagt en ons
-gebrek aan voedsel te verstaan. Zij begrepen dit en besloten mij
-medetenemen op de volgende wijze.
-
-Ik plaatste mij (na vooraf afscheid van mijn volk genomen te hebben,
-onder voorwaarde, dat zij zich van deze plaats niet zouden verwijderen,
-aangezien de Wilden hen van daar zouden afhalen) des middags ten 12
-ure, achter één’ der Wilden op een schuitje, hetwelk zij vooraf op
-zijde van een ander vastgebonden hadden, en zoo roeide de Wilde met mij
-voort, hebbende een riemspaan in de hand, welks beide einden met een
-blad voorzien waren. Op deze wijze bragten zij mij een vierde mijl
-voorbij het steil gebergte, daar wij wegens de diepte niet om heen
-konden komen. Het schuitje, waarop ik mij bevond, kan, van den voor-
-tot den achtersteven, lang geweest zijn ongeveer 20 voeten en iets
-breeder dan de dikte van een gewoon mensch. De Wilde zit in een rond
-gat in het midden op den bodem neder, met de voeten voorwaarts onder
-het dek. Zijn ligchaam steekt dan, van de lendenen af gerekend, boven
-het dek uit. Hij zit in een kleed (of rok) van leder, dat aan het
-schuitje vastgehecht is, zoo dat er geen water aan zijn lijf of in het
-schuitje kan komen. Zijne handen en gezigt alleen zijn bloot. De
-uiteinden van dit schuitje loopen van het midden af spits toe. Wanneer
-de Wilde er in zit, ligt het schuitje in het midden van het dek
-ongeveer 4 duim boven water. Het geheel is van Robben-vellen en de
-inhouten van zeer dun en taai hout, dat daar te lande groeit, gemaakt.
-De Wilde zette mij op de voorschreven plaats, doornat aan land.
-Vervolgens bragten zij mij bij twee spelonken, in iedere van welke tien
-personen beschut konden wezen tegen het onweder. Deze bergspelonken
-waren overdekt tegen allen aanval van regen en sneeuw. Zij dienen den
-Wilden in den zomer tot het droogen van Spiering en Zee-honden of
-Robbevellen en vleesch. Hier bleef ik alleen staan. Hunne
-menschlievenheid dreef hen tot mijne achtergeblevene manschap, welke
-zij, op gelijke wijze, overbragten, doch niet verder dan om de steile
-punt van het hoog gebergte, om welke wij, wegens de diepte, niet hadden
-kunnen heen loopen. Dit geschiedde wegens het vallen van den avond.
-Mijne togtgenooten liepen toen aan den voet van het gebergte langs het
-strand en kwamen, één voor één, zoo als zij overgezet werden, des
-avonds bij mij, met uitzondering van één man, die terugbleef. Hier
-zijnde verzocht mijn volk mij, dat ik met de Wilden naar hunne woningen
-op reis zoude gaan, om, dus doende, zooveel te spoediger bij de Wilden
-ruste te vinden voor hunne afgematte ligchamen. Dit stonden de Wilden
-toe, en alzoo ging ik met mijn’ Stuurman, de een na den ander, op twee
-zamengebondene schuitjes achter de Wilden zitten. Maar wij moesten over
-eene rivier, die twee mijlen breed was. Het kwam hier op stil zitten
-aan. Door het toenemen van het onweder met sneeuwjagt werden wij tot
-over het hoofd doornat, vermits wij, twee mijlen ver, bestendig in het
-water moesten zitten. Deze twee schuitjes waren ieder met het gewigt
-van drie man beladen, en het water spoelde onophoudelijk over de
-schuitjes heen. Wij waren schier dood gevroren en stijf van de koude,
-ja geheel magteloos. De Wilden bleven droog in hunne schuitjes,
-uitgezonderd hunne handen en aangezigten, uit hoofde van hunne wel
-gemaakte lederen rokken.
-
-Men verbeelde zich eens de sterkte en geschiktheid dezer Wilden.—Twee
-mannen, hebbende Kommandeur KAT achter zich zitten, deden deze
-moeijelijke reis van twee mijlen, door eene onstuimige zee, met sterken
-wind, in twee kleine of smalle schuitjes, door het gewigt van drie man
-zwaar beladen, terwijl het water onophoudelijk over dezelve
-heenspoelde, en zulks ondanks den voorafgaanden arbeid van dezen
-dag!—Des avonds ten 5 ure kwamen wij, de een na den ander, over deze
-rivier aan land. Nadat zij het een en ander tegen ons gezegd en ons
-eenige teekenen gegeven hadden, welke wij niet verstonden, namen zij
-hun afscheid. Hier stonden wij nu doornat en verkleumd, uitgehongerd,
-geheel zonder vuur, spijze en drank.—In deze verlegenheid namen wij het
-besluit, om onze bevrorene en afgematte ligchamen, zooveel mogelijk, in
-beweging te houden. Wij liepen dus langs den vlakken oever van de
-rivier, in hope, dat wij licht in de woningen zouden aantreffen. Doch
-dit was, gelijk wij des anderen daags ondervonden, verkeerd van ons
-gedaan. Na anderhalf uur gewandeld te hebben, legden wij ons ’s avonds,
-ten 7 ure vermoeid en afgemat neder, zonder iets ontdekt te hebben.
-Hier lagen wij nu magteloos op steenen in de sneeuw, bereid zijnde, om
-dáár onzen geest aan onzen Formeerder terug te geven.—Wij bragten
-echter dezen nacht in onze doornatte kleederen, met diepe ellende,
-door.
-
-Op den 18 October (No 24.) vroeg mijn Stuurman bij het aanbreken van
-den dageraad: Kommandeur! leeft gij nog? Ik kon dit naauwelijks met ja
-beantwoorden. Hij klaagde over zijne opgezwollene beenen en pijnlijk
-ligchaam; en, wegens zijne smart, met veel moeite overeind gaande
-zitten, kon hij de rivier, welke digt bij ons was, zien. De Wilden, die
-ons den vorigen avond een eindweegs van _hier_ aan land gezet hadden,
-zochten ons heden morgen, zijnde vier in getal, ieder in een
-afzonderlijk schuitje, op dezelfde plaats weder, maar vonden ons niet,
-doordien wij van die plaats verwijderd waren. Zij voeren toen met hunne
-schuitjes voort langs de kust, om ons op te zoeken. Het was _zeer
-opmerkelijk_, dat de overgroote pijn, welke de Stuurman liggende
-doorstond, hem bewoog, om, met veel moeite, overeind te gaan zitten.
-Dit was een groote zegen voor ons, doordien wij anders vermoeid zijnde
-niet zouden zijn opgestaan. Nu ontdekte hij door zijn oprijzen de
-Wilden en maakte mij zulks bekend. Ik kon naauwelijks overeind komen.
-Nadat ik mij met mijnen Stuurman met veel moeite opgerigt had, hieven
-wij een luid geschreeuw aan, zoo dat de Wilden ons hoorden, en dadelijk
-met hun vieren op ons toe kwamen. Wij stortten oogenblikkelijk weder op
-den grond of liever op de steenen in de sneeuw neder, door pijn en
-zwakheid geheel overmeesterd. De Wilden vonden ons bij hunne komst
-bijna als dooden nederliggen. Zij namen ons onder de armen op en
-leidden ons aan den oever van de rivier, alwaar eene vlakke rots was.
-Hier torschten zij ons heen en weêr, om ons weder aan den gang te
-helpen. Na verloop van een uur gelukte zulks. Onze bevroren ledematen
-werden weder buigzaam. Vervolgens bonden de Wilden, met meer dan
-Christelijke hulpvaardigheid bezield, de vier schuitjes, zijnde van de
-voren omschreven gedaante, twee aan twee te zamen, zetten ons achter
-zich daarop, en voeren zoo met ons heen tot 3 ure in den namiddag, op
-welk tijdstip wij allen, met levensgevaar, digt bij hunne woningen aan
-land kwamen. Hunne vrouwen, die ons op eenen verren afstand van de
-klippen of van het gebergte gezien hadden, kwamen toeloopen en hielpen
-ons van de schuitjes in hare woningen. Dit was tusschen _Statenhoek_ en
-_Kaap Vaarwel_, doch het naast aan eerstgemelde, op 59 gr. 55 min. N.
-Breedte. Hier vonden wij een huis, waarin vijf huisgezinnen zamen
-woonden, bestaande naar gissing in twintig zielen zoo oude als jonge.
-De vrouwen trokken ons oogenblikkelijk onze natte kleederen uit,
-omwonden ons met ruige land-honden-vellen en leidden ons tot eene
-rustplaats op eenen brids, één’ voet boven de aarde of den steenen
-bodem verheven. Hier ontdekten wij, dat het onmogelijk was geweest, dat
-de Wilden ons, bij hunne eerste komst, konden medenemen, vermits zij op
-eenen te verren afstand van hunne woning verwijderd waren. Wij
-gevoelden ons als uit het graf verrezen. De overgroote liefde dier
-wilde menschen, welke waarlijk die van vele Christenen te boven gaat,
-maakte onze harten weemoedig en dankbaar tot God. Het schreijen van
-kinderen te mogen hooren bevredigde ons met ons lot. Het scheen ons,
-als of wij in ons eigen huis waren. Zij verkwikten ons met eene soort
-van soep van Zeehonden- of Robbevleesch met water gekookt. Niemand, die
-zulks niet ondervonden heeft, kan gelooven, hoe smakelijk wij daarvan
-aten. Wij bevonden ons daarna zeer wel. Gedurende dezen nacht konden
-wij echter niet in slaap geraken, doordien onze hersenen opgevuld waren
-van treurige nagedachten, en, aan den anderen kant, van blijdschap, dat
-wij ons alreede onder goede menschen bevonden, terwijl onze hoofden
-suisden als het razen van den wind. Wij bespeurden hier groote warmte
-in huis en werden geplaagd van ongedierte.
-
-Op den 19 October (No 25.) gingen eenige mannen en vrouwen in den
-ochtendstond, bij goed weêr, met twee vrouwe-schuiten (in de taal der
-Wilden _koene booten_ genaamd) in zee, om mijn achtergebleven volk uit
-de voornoemde spelonken te halen. Intusschen geraakte ik met mijn’
-Stuurman in slaap, drie uren lang. Wij bevonden ons na den slaap vrij
-wat verkwikt. Des avonds, om half vier ure, kwam mijn achtergebleven
-volk, bestaande in dertien man, met de vrouwe-schuiten bij ons. Wij
-waren van weêrzijde hartelijk blijde. Zij zeiden mij, dat JAN WIT, die
-drie jaren met mij gevaren had, na de overvaart om de steile klip
-(gelijk voorheen gezegd is) niet bij hen was gekomen. Zij wisten niets
-van hem. Voorts kregen deze dertien man dezelfde verkwikking, welke wij
-genoten hadden; doch, vermits zij niet doornat waren, werden zij, na
-zich alvorens gewarmd te hebben, zonder honden-vellen, bij ons gebragt.
-Wij verhaalden hun ons doorgestaan lijden, sedert wij door de Wilden
-waren afgehaald geworden. Nu verheugden wij ons te zamen, dat wij, na
-drie weken alle mogelijke gevaar en lijden onder den blooten hemel
-doorgestaan te hebben, zoo verre geholpen waren.
-
-Na drie dagen lang bij de Wilden vertoefd en alle bedenkelijke
-vriendschap van hen genoten te hebben, reisden wij, den 22 October (No
-26.) des morgens, vijftien man in getale, onder het geleide van twee
-Wilden, over eene groote vlakte om de Noord, alwaar wij des namiddags
-aan den zeekant twee huizen vonden. Hier ontmoette ik tot mijne groote
-blijdschap, mijnen vriend ALBERT JANS met eenige manschappen, die,
-gelijk gezegd is, op den 11 October met zijne ijsschots van mij was
-afgedwaald. Ik verstond van hem, dat hij in den avond van den 11
-October op zijne ijsschots voor de woningen der Wilden was aangeland,
-waar de Wilden hem te hulp waren gekomen. Hij verklaarde, mij niet meer
-te kennen, zoodanig was ik, gedurende den tijd van acht dagen, waarin
-hij mij gemist had, door mijn omzwerven en doorgestane ellende
-veranderd. Maar, toen hij vernam, wat wij in dien tijd van acht dagen
-hadden uitgestaan, deed het hem geen wonder, ons in dien toestand te
-ontmoeten. Hier kreeg ik mijn horologie weder, dat ik hem, een’ tijd
-lang geleden, had gegeven, bij gelegenheid, dat ik doornat was van zout
-water. Den nacht sleten wij hier gezamenlijk in de woning dezer Wilden,
-welke nog ongedoopt waren. Ook kregen wij iets van hun armoedig
-voedsel, zoo dat ik de liefde der Wilden, aan ons bewezen, niet genoeg
-kan roemen.
-
-Den 23 October (No 27.) verdeelden wij ons des morgens in partijen, van
-drie, vier en vijf man, zijnde hier geen voorraad van spijze
-voorhanden. Des namiddags gingen wij met vrouwe-booten op reis. Mij,
-benevens vier man, viel het lot te beurt binnen _Kaap Vaarwel_ door,
-mijnen Stuurman JENS JESSEN, desgelijks met vier man op _Kaap Vaarwel_
-te trekken en de overige werden in de woningen, waarin wij ons
-bevonden, verdeeld. Des avonds kwam ik binnen _Kaap Vaarwel_, alwaar ik
-een huis vond, waarin zes woonplaatsen afgeschut waren. Wij waren daar
-met mannen, vrouwen en kinderen een en twintig zielen sterk. Wij bleven
-vier dagen bij deze ongedoopte Wilden, die ons zeer vriendelijk
-bejegenden, en ons zooveel voedsel van Robbe-vleesch gaven, als zij
-konden missen. Wij konden wel meer Robbe-spek krijgen; doch daaraan
-moesten wij eerst door grooten honger gewennen, om het te kunnen
-verdragen. De Robbe-lever en nieren smaakten ons wel. Het zout ontbrak
-ons eeniglijk.
-
-_De Huizen en Levenswijze der Wilden_
-
-
-zijn als volgt:
-
-[Illustration]
-
-De huizen hebben de gedaante van de letter T. BB is de lengte, b.v. 100
-voeten, dan is de breedte 16 en de hoogte 8 voeten. Zij zijn gebouwd
-van zwart potleem. De muren zijn naar gissing dik 3 voeten, het dak met
-sparren is een weinig schuins gelegd en met zwarte aarde
-overgepleisterd. Voorts is het met Zeehonden-vellen digt gemaakt. De
-streep van A tot C verbeeldt den gang, die naar het huis loopt. Dezelve
-is 14 voeten lang en zoo laag, dat men er op handen en voeten door moet
-kruipen, om in het huis te komen. De twee openingen tot den gang zijn
-bij de letters DD en de daarbij geplaatste stipjes. In het huis zelf
-kan men regt overeind gaan. Het is afgedeeld met schermen van
-Robbe-vellen van ongeveer 5 voeten hoogte en 7 voeten lengte. Het
-overige gedeelte der ruimte langs het huis heen voor alle deze zes
-afgeschutte woonplaatsen langs is met steenen belegd, waarop zij hunnen
-arbeid verrigten, hebbende ter wederzijde van den langen gang één
-venster nevens de stipjes in den winkelhoek van de T. Ieder venster
-heeft 3 voeten in het vierkant. De glazen zijn gedroogde en aan
-elkander genaaide Zeehonds-darmen. Aan het einde van dezen gang is
-nevens A een rond gat, waardoor zij de schuitjes uit en in huis steken.
-Ook worden dezelve binnen ’s huis vervaardigd op de met steenen belegde
-plaats, die voor de schermen langs loopt. Hunne lampen zijn van eenen
-uitgeholden steen gemaakt, waarin zij traan branden, zijnde de pitten
-van mos. Ook maken zij zelve potten van zwarte aarde, die zij met traan
-en mos vullen, bekleedende zulks de plaats van een vuur, waarover zij
-koken. Deze vuurpot hangt voor hunne slaapplaats, waarover zij in eenen
-kleinen pot hun Robbevleesch en Visch koken. Hunne lampen geven goed
-licht, maar het een en ander veroorzaakt veel stank in huis, vermits
-alle rook den gang uit moet, langs welken zij in huis gaan of kruipen.
-Zij hebben geen’ schoorsteen—dus is het zeer benaauwd in huis. Door den
-langen gang in huis komende, vindt men aan de eene zijde van het _Huis_
-of _Poortje_ zonder deur eene door hen zelve vervaardigde ton met
-loopend water, waarin een stuk ijs staat, om het koel en smakelijk te
-houden. Dit is hunne drank, waarop zij zeer gesteld zijn. Aan de andere
-zijde van dit Poortje staat eene groote balie met hun eigen water of
-_urine_. Mannen, vrouwen en kinderen zijn gewoon zich alle avonden in
-dat stinkende water te wasschen. De vrouwen binden het haar, daarmede
-gewasschen, in een’ top op het hoofd te zamen. Zij zijn klein van
-statuur, doch in ’t gemeen zijn de vrouwen grooter dan de mannen. De
-mannen zijn platachtig van aangezigt en neus, en bruin van tint,
-hebbende in ’t gemeen bruine oogen en geenen baard, dien zij, naar men
-zegt, uitplukken. Doch ik heb zulks niet gezien. Mannen en vrouwen
-hebben deels lang bruin of zwart grof haar. Hunne tanden zijn wit.
-Ouders en kinderen liggen door malkander met een ruig honden-vel
-overdekt, zijnde hetzelve als een deken gevormd. Bij vermeerdering van
-gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut. Staande dat tijdstip
-zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw gaat gemeenlijk
-met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn hun
-voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten
-onder hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en
-dadelijk met alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te
-winnen, onder de steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle
-avonden een vierde uur lang over de afgestorvenen en wel met tranen.
-Daarna zijn zij vrolijk en leven zeer vreedzaam. Zij zingen niet.
-Spreken en lagchen is hun vermaak. In den zomer slaan zij hunne tenten
-op langs de kust. Dan komen zij bij elkander, bedrijven vreugde,
-huppelen en springen en leggen in hunne eenvoudigheid groote
-vergenoegdheid aan den dag. Schoon de zindelijke mensch groote
-morsigheid in hunne levenswijze opmerkt, ziet men in tegendeel, dat zij
-veel vernuft bezitten in het konstig maken van hunne kleederen, in het
-bereiden der vellen en in de wijze, waarop zij hunne kleederen naaijen.
-Op de nevensgaande Kaart ziet men eenen Wildeman in zijn schuitje
-afgebeeld. Dit stuk is bewonderenswaardig. Hetzelve ligt, als de
-Wildeman er in zit, met het middelste gedeelte, 4 duimen boven water.
-Hij heeft de zwarte _halve geut_ (of run) A in zijn’ regterhand nevens
-het hoofd. B verbeeldt den pijl, waaraan nog drie kleine pijltjes (of
-harpoentjes) beneden aan de schacht zitten. C verbeeldt een blaasje,
-dat op den pijl vastgemaakt is. De Wildeman is zoo sterk en geschikt,
-dat hij, op eenen verren afstand, met zijne regterhand den pijl B
-wegschiet uit de _halve geut_ (of run) A, en den vogel treft. Is het
-misgeschoten, dan drijft de pijl B op het water aan het blaasje C,
-hetwelk aan den pijl is vastgemaakt. Hij schiet den pijl over den mast
-van een schip heen. D is een pijl of harpoen, welks punt in den
-voorsteven van het schuitje rust. Het ander einde rust op een tafeltje,
-dat drie pootjes heeft, waarop de lijn G in goede orde in bogten is
-gelegd. Deze lijn is van een Robbe-vel vervaardigd en zeer kunstig in
-het rond uitgesneden. Dezelve is vastgemaakt aan den langen harpoen en
-het ander einde aan de blaas E, welke door een houtje, als eene veer,
-op het schuitje achter den Wildeman wordt vastgehouden. Zoodra de
-Wildeman met den langen harpoen D eenen Zeehond (of Rob) schiet, dan
-loopt de lijn van het tafeltje en rukt de blaas E van het schuitje of
-onder de houten springveêr H weg, hetwelk zoo kunstig is gemaakt, dat,
-slipte de blaas niet goed van het schuitje, zoo zoude hetzelve in
-wanorde komen en de Wildeman zou moeten verdrinken. Nadat de Rob moê of
-afgemat is, slepende de blaas E achter zich, wordt hij gevangen en
-voorts afgemaakt. De blaas E is een welbereid Robbevel, of een geheele
-Rob, zeer kunstig bereid en voorzien met eene beenen _bus_, welke
-daarin vastgemaakt is, en waardoor een gaatje loopt, waardoor zij de
-blaas vol wind blazen, er een pennetje in stekende, om er den wind in
-te houden. Zij komen met hunne welgemaakte schuitjes (hoedanige ik op
-bladz. 25 beschreven heb) zelfs bij stormachtig weêr bij onze schepen
-in zee, wanneer wij genoodzaakt zijn, om voor klein zeil te zeilen. De
-zee spoelt gedurig op hunne zitplaats over het schuitje heen. Zij
-liggen als een vogel op zee, zoo wel en luchtig zijn dezelve gemaakt.
-Eén man kan zulk een schuitje dragen. Hoe vlug deze Wilden zijn, kan
-men daaruit opmaken, dat zij, zittende in het schuitje (zie de figuur)
-zich met hetzelve in het water kunnen kantelen en zeer snel met den
-riem F weder oprigten, of liever, zij tuimelen met het schuitje eenen
-slag in het rond, hetwelk eene verwonderenswaardige vertooning
-oplevert. I is een in zee zwemmende Zeehond of _Rob_.—F is de
-roeispaan, welken zij met de linkerhand vasthouden, liggende dwars over
-het schuitje heen. Aan de einden van het schuitje is een beenen knopje
-en aan de voorstevens een stukje been, hebbende ten doel, om het
-schuitje tegen het aanstooten van het ijs te wapenen. Al dit kunstwerk
-is zeer bewonderenswaardig. Hunne schuitjes zijn zoo geschikt, om er in
-onstuimig water mede te werken, dat geen bouwmeester hier te lande in
-staat is, iets dergelijks van leder zoo waterdigt te maken. Hunne
-welbereide en zeer kunstig genaaide kleederen zijn even
-verwonderenswaardig.
-
-Ik vond in de valleijen van het gebergte boompjes, doch niet hooger dan
-ongeveer 10 voeten, zonder vrucht, sommige lage boompjes (of heesters)
-met blaauwe bessen. Des morgens gaan de mannen met hunne voornoemde
-schuitjes naar zee op de Robben- of Zeehonden-vangst, en, des avonds
-komen zij weder t’huis. Dan halen de vrouwen de gevangene Robben op het
-land, snijden ze in lange reepen en deelen daarvan mede aan hunne
-kinderen, gelijk wij er mede onze portie van kregen. Hiervan eten zij
-met smaak en het bekomt hun ook wel. Wij, door grooten honger geperst,
-gebruikten er desgelijks van, vermits wij niets anders konden krijgen.
-Doch het bragt bij ons een’ fellen buikloop te weeg, waardoor wij
-ongemeen verzwakten. Aangezien wij door den traan zeer morsig waren,
-vonden wij ons genoodzaakt, om ons met het voornoemde stinkende water
-uit de balie te wasschen, welks stank en sterkte wij ter naauwernood
-met neus en oogen konden verduren. Doch wij gingen, na het wasschen,
-naar buiten en wieschen ons vervolgens met water en sneeuw af, hetwelk
-ons dan weder frisch maakte. Zoo moesten wij ons aan hunne levenswijze
-gewennen. Dit gebeurde binnen _Kaap Vaarwel_ op 60 gr. 15 minuten N.
-Breedte. Uit hoofde van het slechte weder moesten wij hier met de te
-voren genoemde vier dagen, in het geheel vijfentwintig dagen
-doorbrengen.
-
-Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij
-tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van
-nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten
-moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en
-namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij
-gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een
-wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen
-toestand, met Robbenbloed.
-
-Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde
-van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een
-geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis.
-
-Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat
-Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren
-geweest. Zij waren gelukkig om _Kaap Vaarwel_ met twee vrouwe-booten
-heengekomen.
-
-Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12
-uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een
-eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van
-drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat
-zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning,
-waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen,
-inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter
-met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door
-een’ Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap.
-Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij
-tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch,
-wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor
-in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in ’t
-geheel niet voldeed.
-
-De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede
-Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer
-de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht
-weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog
-tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed
-weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen
-en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes
-nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood
-gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord
-behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een
-Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn
-huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis
-woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met
-verwondering. Aan een’ pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder
-andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten
-hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan
-denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche
-_Courant_. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit,
-tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES,
-van _Amsterdam_ uitgevaren naar de _Middellandsche Zee_, door den
-_Turk_ genomen, en te _Larassy_ in _Turkije_ opgebragt was. Dit
-verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN
-SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam
-mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd
-was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij
-van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte.
-Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren,
-hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de
-streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te
-beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk.—Eerst verwelkomden zij
-mij met een glaasje _liqueur_, daarna in den nacht met melkspijs, welke
-wij met zilveren lepels aten—vervolgens sliep ik op een zacht bed van
-veren.—Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens
-den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade
-geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust.
-
-Op den 20 November werd ik des morgens bij het opstaan, onthaald op een
-kopje koffij met eene boterham.—Nu naar alles vragende, verhaalden zij
-mij, wie daar al van tijd tot tijd geweest waren. Ik deelde hun hierop
-het verhaal mijner lotgevallen, tot hiertoe, mede. Zij namen zeer veel
-deel in ons wedervaren. Deze volkplanters betoonden ons Christelijke
-vriendschap, doch deze overtrof in geenen deele het onthaal, hetwelk
-wij genoten hadden bij de arme Wilden, bij welke wij het eerst waren
-aangeland. Hier zullen ongeveer twee honderd gedoopte menschen zijn
-geweest. De Duitsche broeder JAN SIBRANDS verhaalde mij, dat hij,
-vierendertig jaren geleden, met zijne vrouw, door Kommandeur ITS
-ALDERTS van _Amsterdam_ derwaarts gebragt was. Hij had een aantal
-schapen. Het land was aan den benedenkant van het gebergte vlak en
-groen. Ik onthield mij hier drie dagen lang met veel genoegen. Hem
-verzoekende, of ik aldaar met mijne vier mannen, gedurende den winter
-zou kunnen blijven, vermits wij niet verder om de Noord meenden te
-kunnen reizen, weigerde hij zulks, oordeelende het beter te zijn, dat
-wij ons verder Noordwaarts op naar _Juliaans Hoop_ begaven, zijnde een
-_Deensche_ volkplanting op 61 graden. Ik kreeg van deze Hernhutters
-mijn horologie weder, dat zij van de Wilden, aan welke ik het ten
-geschenk had gegeven, ingeruild hadden tegen tabak, schietgeweer,
-spelden en naalden. Deze Hernhutters voorzagen ons voorts van leeftogt
-voor zeven dagen.
-
-Den 21 November (No 29.) gingen wij op vrouwe-booten op reis, vergezeld
-van Christen-wilden, namelijk één man en eenige vrouwen, en voorts, tot
-hulp en gezelschap, nog twee mannen, ieder in een afzonderlijk
-schuitje. Na eene reis van zeven dagen bereikten wij de voornoemde
-volkplanting _Juliaans Hoop_.
-
-Op den 28 November kwamen wij bij den Koopman ANDRIES OELZEN. Wij
-hadden, gedurende deze reis van zeven dagen, ons nachtverblijf bij
-Wilden, die geene Christenen waren, maar ons vriendelijk bejegenden en
-ons dikwijls van hunne armoede nog iets mededeelden, als Robbevleesch
-en gedroogde spiering. Gedachte Koopman ANDRIES OELZEN was met eene
-inlandsche vrouw gehuwd. Hij had bij dezelve tien kinderen, vijf zonen
-en vijf dochters, van welke twee zonen en drie dochters in leven waren.
-Hij en één zijner zonen waren zeer ervaren in de muzijk, spelende op
-verscheidene instrumenten. Hij had zesendertig jaren lang in _Straat
-Davids_ geweest. Zoodra ik hem zag, herkende ik hem. Hij was in het
-jaar 1763, toen ik met Kommandeur HANS BARENDS van _Holland_ voer, met
-zijne vrouw en kinderen in de rivier of baai, _de Suikertoppen_
-genaamd, bij ons aan boord geweest. Hij herinnerde zich zulks terstond.
-Ook bragt ik hem te binnen, dat hij destijds het behoud van ons schip
-was geweest. Vermits ons scheepsvolk, vermoeid van de Walvisch-vangst,
-zich ter ruste had begeven, had hij brand in den schoorsteen ontdekt,
-welke alreede zoo ver gevorderd was, dat het dek gevaar liep vlam te
-vatten. Ook dit herinnerde hij zich zeer duidelijk. Het was
-bewonderenswaardig, dat wij elkander na zoovele jaren, op deze wijze
-ontmoetten!—
-
-Bij dezen Koopman vonden wij eenige manschap van de andere verongelukte
-schepen, die met vrouwe-booten verder om de Noord dachten te reizen.
-Bij deze bevond zich Kommandeur ALBERT JANS. Ik gebruikte bij ANDRIES
-OELZEN het avondbrood en vernachtte aldaar. Hij bejegende mij zeer
-vriendelijk.
-
-Op den 29 November (No 30.) ontmoette ik zeven mannen, die voor dezen
-Koopman, langs de kust om de Noord, handel dreven in Vosse- en
-Robbevellen en traan. Ik verzocht den Koopman ANDRIES OELZEN, of ik den
-winter bij hem zou kunnen doorbrengen. Dit werd mij geweigerd, doordien
-hij gebrek had aan levensmiddelen, en aldaar in twee jaren geen schip
-was geweest met proviant. Toen Kommandeur ALBERT JANS mij in de
-volkplanting _Juliaans Hoop_ verliet, gaf ik hem twee brieven mede,
-welke in de maand Junij van het volgende jaar beide in het vaderland te
-regt zijn gekomen. Ik trad vervolgens, na overleg met den Koopman, met
-de voornoemde zeven mannen in onderhandeling. Deze wilden mij vier
-mijlen ver mede terugnemen. Ik zou mij dan zoo lang bij de Wilden
-ophouden, tot dat de overige manschap van hier vertrokken zou zijn. Zij
-wilden mij dan naderhand van de plaats, waarheen zij voornemens waren
-ons nu te brengen, weder afhalen. Toen ontzonk mij de moed. Ik moest
-met mijne vier mannen van de Christenen weder terug naar de Wilden, die
-ons vervolgens tien dagen lang, in hunne woning, met Robbenvleesch en
-Spek, waarbij wij niet dan met veel tegenzin het leven rekten,
-onderhielden.
-
-Den 9 December (No 31.) schreef ik eenen brief aan voormelden Koopman
-ANDRIES OELZEN in de Kolonie _Juliaans Hoop_, waarin ik hem verzocht,
-om voor mij aan den Hernhutter JAN SIBRANDS te schrijven, of ik bij
-dezen niet zou kunnen overwinteren, aangezien ik hier den winter niet
-kon doorkomen. Na de ontvangst van dezen brief zond Koopman OELZEN mij
-dadelijk zijnen zoon en dochters en meer anderen, die mij en mijn volk
-van daar afhaalden.
-
-Wij kwamen den 10 December voor de tweedemaal in het huis van Koopman
-ANDRIES OELZEN. Kommandeur ALBERT JANS was toen met zijn volk om de
-Noord vertrokken, zijnde Kommandeur HANS CHRISTIAAN JASPERS daar
-gebleven. Hier kon ik nu, op aanbod van Koopman ANDRIES OELZEN, bij hem
-den winter doorbrengen, zijnde de voornoemde manschap vertrokken, onder
-voorwaarde, dat ik des middags Robbevleesch voor lief zoude nemen,
-zullende hij mij tot avondeten vaderlandschen kost, te weten, gebroken
-gort en witte erwten, voordienen. Ik nam zulks met blijdschap aan, en
-verdeelde mijne manschap onder de Wilden, die zich met derzelver kost
-moesten vergenoegen.
-
-Terwijl ik intusschen kennis maakte met de arbeiders in de
-volkplanting, welke wekelijks hun rantsoen vaderlandschen kost van den
-Koopman ontvingen, kocht ik zulks van hen, onder voorwaarde, dat ik
-hen, te _Kopenhagen_ komende, zoude voldoen. Dit stelde mij in staat,
-om mijn volk alle Zon- en Woensdagen bij mij ten eten te vragen, om hen
-op voornoemden voorraad te onthalen.
-
-De Kolonisten wetende, dat Koopman ANDRIES OELZEN nog een vaatje bier
-in zijn’ kelder had, verlangden zeer, om daarvan eens te proeven,
-zeggende, dat mij zulks ook wel zoude smaken;—doch de kelderdeur bleef
-gesloten. Maar op den 11 Januarij 1778 (No 32.) vierde de zoon van
-ANDRIES OELZEN, die met een inlandsch meisje ging trouwen, zijne
-bruiloft. De trouwplegtigheid werd waargenomen door eenen inlandschen
-Kandidaat, die desgelijks met eene inlandsche vrouw gehuwd was en
-aldaar woonde. Vóór deze bruiloft riepen deze Kolonisten mijne
-tusschenkomst in ter verkrijging van eenen dronk biers. Ten einde zulk
-te bewerken, verzocht ik den Koopman verlof, om ons op de bruiloft
-vrolijk te mogen maken, hetwelk hij mij met blijdschap toestond.
-
-Bruidegom, Bruid, Kandidaat en Vrienden kwamen nu met muzijk ter
-bruiloft, en begonnen eenen vrolijken wilden dans. Het huis was van
-binnen vervuld en van buiten omringd met vrolijk gezelschap, en, bij
-die gelegenheid werd het vaatje bier uit den kelder gehaald. Op deze
-wijze kreeg elk eenen dronk bier ter eere van het jonge paar. Zeer
-toevallig kwamen in den voornacht drie Wilden met hunne schuitjes van
-de volkplanting _Frederiks Hoop_, (alwaar het Proviantschip van den
-Koopman, op eenen afstand van 30 mijlen om de Noord, bevroren lag)
-brengende mede eenige ponden suiker, koffij en thee, welke den Koopman,
-het jonge paar en ons allen zeer te stade kwamen. Zij hadden in langen
-tijd niets van dien aard gehad. Thans werd de koffij spoedig gebrand en
-gebruikte men op de bruiloft koffij en thee met boterhammen, hetwelk
-ons ongemeen verkwikte en vervrolijkte.
-
-Wij bragten den winter, na zooveel doorgestane ellende, op _Juliaans
-Hoop_, met zooveel opgeruimdheid, als mogelijk was, door. Des nachts
-zagen wij de schoonste vertooning van het afwisselend en spelend
-Noorderlicht (No 41.) dat zich zoo wonderbaarlijk met alle kleuren aan
-het oog opdoet, dat geene pen in staat is, zulks te beschrijven; zijnde
-het voor menschen, die er niet aan gewoon zijn, zeer schrikbarende.
-
-Waarschijnlijk ontstaat het Noorderlicht door de wederomkaatsing van
-het glad in zee omdrijvend ijs, hetwelk op 71 gr. 30 min. en verder
-Noordwaarts op naar de pool gevonden wordt en door stroom en wind in
-eene sterke beweging is, daar het in de lucht uitstekende hoog
-ijsgebergte met alle zijne zeer diepe dalen en blinkende brandpunten
-zich in de lucht spiegelt en zich, rondom de Noordpool des hemels, in
-de vloeibare deelen vertoont; welke spiegelende en spelende vertooning
-zich misschien ook wel gedeeltelijk aan ons oog opdoet, doordien de
-aarde zich alle 24 uren zeer snel om hare as wentelt.
-
-Dit althans is proefondervindelijk. Wanneer men in _Groenland_ van
-rondom in het ijs is ingevroren, en geen water kan zien, dan ontdekt
-men de gaten, welke, groot of klein, zonder dat men dezelve kan zien,
-op eenen afstand van 1, 2, 3 ja van 10 mijlen enz. in het ijs scheuren,
-op gelijke wijze aan de lucht, als dezelve natuurlijk in het ijs zijn.
-
-Gedurende dezen winter lag het ijs bestendig aan het land aangesloten
-tot aan de maand Mei, zoo dat het proviant-schip niet bij ons kon
-komen, hetwelk 30 mijlen van ons om de Noord lag ingevroren, maar in
-het laatste van Junij ontving onze Koopman ANDRIES OELZEN op _Juliaans
-Hoop_ eenen brief van Koopman KAREL BRUIN van de Kolonie _Frederiks
-Hoop_, waarin deze hem meldde, dat 16 mijlen benoorden ons twee
-vrouwe-schuiten (of _koene booten_) lagen, welke hij met levensmiddelen
-naar ons had afgezonden, en welke Koopman OELZEN, wanneer de
-gelegenheid zulks toeliet, van daar moest laten afhalen. Ook berigtte
-hij, dat het proviant-schip nog tusschen het land en het ijs in zijn
-gezigt lag, met bestek, om de reis naar _Juliaans Hoop_ voorttezetten.
-Wij bragten daarop de Noordsche Jol van onzen Koopman in gereedheid en
-HANS CHRISTIAANS en ik voeren beide mede tot hulp. Na verloop van vijf
-dagen kwamen wij op eene plaats, alwaar wij voornoemden Koopman BRUIN
-dachten te vinden; doch wij ontvingen berigt, dat Koopman KAREL BRUIN
-den voorgaanden dag met twee geladene koene-booten terug was gegaan
-naar de Kolonie _Frederiks Hoop_. Wij achtervolgden hem, en, na verloop
-van nog vier dagen (zijnde naar gissing de 9 Julij (No 33.) kwamen wij
-bij den Koopman KAREL BRUIN in de Kolonie _Frederiks Hoop_, vindende
-daar tevens het Proviant-schip, dat anderhalf jaar in dit land was
-geweest, vermits het, uit hoofde van de bezetting van het ijs, de
-proviant niet ter bestemde plaats had kunnen vervoeren. Wij verblijdden
-ons hartelijk, dat wij het schip bereikt hadden, en hoopten met het
-genoemde vaartuig dit jaar naar het vaderland te kunnen terugkeeren.
-
-Vóór het ontvangen van boven genoemden brief door Koopman ANDRIES
-OELZEN gebeurde nog het navolgende. Omtrent het midden van Maart, ging
-ik, met eenige van mijne manschap, onder het geleide van gedoopte wilde
-mannen en vrouwen met eene _koene-boot_ of vrouwen-schuit naar
-_Juliaans Hoop_ met proviant voor veertien dagen, om den overgrooten
-honger van mijn achtergebleven volk, die zes mijlen Zuidelijker
-geplaatst waren eenigzins te gemoet te komen. Dit was voor _ons_ een
-zeer aandoenlijk tooneel. Aldaar komende vond ik vijf man in getale,
-die van harte gezond waren, maar door den honger zoodanig verzwakt, dat
-slechts drie hunner nog eenigzins konden loopen, terwijl de twee andere
-bij de ongedoopte Wilden in huis op handen en voeten kropen. Toen wij
-elkander zagen, schreiden wij van overgroote blijdschap na zooveel
-doorgeworsteld lijden. Het is mij niet mogelijk de aandoeningen te
-beschrijven, die onze harten overstelpten, en ik kon mij over de
-gretigheid, waarmede zij, als geheel uitgehongerd zijnde, naar het
-voedsel, dat ik hun toereikte, grepen, niet genoeg verwonderen. Zij
-verzochten mij, om den nacht bij hen te blijven, maar wij waren
-genoodzaakt, om zulks te weigeren, vermits, naar ons inzien, het ijs
-den volgenden dag onze terugreize had kunnen beletten. Na hun moed en
-troost te hebben toegesproken, namen wij een zeer aandoenlijk afscheid,
-met belofte, dat, zoodra wij op _Juliaans Hoop_ leeftogt ontvingen van
-een schip, dat 30 mijlen om de Noord van ons af lag, ik hun daarvan,
-zooveel mogelijk, zoude toezenden, en tevens, dat ik alle pogingen
-zoude aanwenden, dat wij met hetzelve schip naar ons vaderland
-terugkeerden. Vervolgens namen wij met ons gezelschap de terugreize
-weder aan.
-
-Twee dagen voor mijn vertrek van de Kolonie _Juliaans Hoop_ (No 29.)
-kwamen twee Wilden, die mij het eerst (gelijk voorheen gezegd is, 17 en
-18 October), op _Statenhoek_, naast God, het leven gered hadden, bij
-den Koopman ANDRIES OELZEN en berigtten hem, dat zij nog éénen man van
-mijn volk hadden gevonden, die nog gezond was. De Koopman vroeg mij
-hierop, of er nog van mijn volk achtergebleven waren, waarop ik hem
-berigtte (zoo als 12 October gemeld is) dat één van mijn volk aldaar
-gestorven was en een ander beproefd had, om over het hoog gebergte heen
-te klimmen, van welken ik tot hiertoe niets had vernomen, en dat
-eindelijk een derde, met name JAN WIT, bij het overbrengen om de steile
-klip (zoo als ik den 17 October verhaald heb) vermist werd. Ik
-verblijdde mij, denkende, dat de man, nopens welken de Wilden berigt
-bragten, JAN WIT zoude wezen. Ik verzocht daarop den Koopman ANDRIES
-OELZEN om een weinigje tabak en schreef eenen brief, dien ik aan JAN
-WIT adresseerde. Het een en ander zond ik met deze Wilden naar hem toe.
-De Wilden, bij hem komende, gaven hem den brief, met het weinigje
-tabak, dat hem verkwikte. Maar helaas! hij kon den brief niet lezen en
-dus bleef de inhoud hem onbekend. Naderhand ontdekten wij, dat het JAN
-WIT niet was, zijnde het de man, die (zoo als op den 12 October gezegd
-is) van ons over het hooge gebergte was gegaan, en dien wij alreede in
-het ijsgebergte verloren hadden geschat. Na verloop van twee dagen
-wandelde die man bij de woning dier Wilden om en zag drie mannen in
-eene vrouwe- of koene-boot met de Wilden bij hem aan land komen. Hij
-verwelkomde dezelve en verstond, dat zij van het verongelukte schip van
-Kommandeur KASTERKOM waren. Zij verhaalden hem, hoeveel zij door honger
-en koude geleden hadden, doordien hunne Wilden gebrek aan voedsel
-hadden. Zij vroegen hem, hoe hij daar gekomen was? Hij antwoordde
-hierop: met Kommandeur KAT, vermoedende voor het overige, dat deszelfs
-togtgenooten wel al dood zouden zijn, nademaal zij, wegens de diepte,
-om het steil gebergte niet heen konden komen; zijnde hij van hen
-afgegaan en over het hoog gebergte heen gewandeld. Zeven dagen had hij
-in hetzelve doorgebragt, zijnde hij eindelijk hier gekomen, na veel
-lijden te hebben doorgestaan.
-
-Hij verblijdde hen met te zeggen: ik heb eenen brief met een weinigje
-tabak ontvangen, maar ik kan niet lezen en weet dus niets van deszelfs
-inhoud. Zij lazen hem toen den brief voor, waaruit zij verstonden, dat
-dezelve door HIDDE DIRKS KAT geschreven was, wordende daarin gemeld,
-hoe hij zich te gedragen had, om bij dezen te komen. Dit was voor hen
-allen eene blijde tijding, hetwelk zij met vreugde-tranen aan den dag
-legden, daar hun zulks nieuwe hoop gaf, om eindelijk eens weêr te regt
-te komen.
-
-Kort voor mijn vertrek van _Frederiks Hoop_ kwam deze man, met de boven
-genoemde drie mannen, die bij hem waren, bij mij, waarover wij ons zeer
-verheugden. Nu vernam ik, dat het JAN WIT niet geweest was, maar de
-man, die (zoo als ik den 12 October gemeld heb) van ons was gegaan over
-het hoog ijsgebergte. Hij verhaalde mij, dat hij, onder het verduren
-van honger, koude en wanhoop, ja somtijds in volslagene magteloosheid,
-zeven etmalen in het ijsgebergte omgezworven had, hebbende bij wijlen
-op de ijsbergen of op de klippen in de sneeuw uitgerust, als zijnde
-dezelve grootendeels met ijs en sneeuw bedekt. Hij had in dien tijd nu
-en dan aan den oever van de zee, of de rivier, voedsel gevonden, te
-weten Mosselen; waarop hij zich, ten langen laatste, geheel afgesold,
-op het strand had nedergezet, om te sterven.—Op dit oogenblik had hij
-iets, in de gedaante van eenen vogel, op de rivier gezien, dat op hem
-afkwam. Ziende, dat het een Wildeman in zijn schuitje was (iets,
-hetwelk hij nooit voorheen gezien had) had hij het ergste gevreesd.
-Toen deze Wilde bij hem aan den wal kwam, had hij hem, uit vrees van
-gewelddadig aangevallen te zullen worden, eenen zijden halsdoek
-toegereikt, dien deze had aangenomen. Hierop was zijne vrees in vreugde
-veranderd. Deze goede Wildeman had hem opgerigt, ondersteund en in zijn
-huis geleid, dat, buiten zijn weten, in zijne nabijheid, in het
-klipachtig gebergte stond. Zij bewezen mij (vervolgde deze man) alle
-liefde, gaven mij van hun voedsel en verwarmden mij. Hier bleef ik tot
-op het tijdstip, dat ik den brief van u, Kommandeur KAT, benevens de
-hier vermelde hulp ontving. Door middel van denzelven ben ik thans bij
-u.
-
-
-
-
-Vervolg mijner reize.
-1778.
-
-
-Toen ik mij op _Frederiks Hoop_ bevond, ging de boot, die mij daar
-gebragt had, met leeftogt terug naar de Kolonie _Juliaans Hoop_ (No.
-29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman ANDRIES OELZEN
-mede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene liefde bedankte;
-hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár geblevene
-manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar mij
-toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft.
-
-Hier op _Frederiks Hoop_ (No 33.) verzocht ik den Koopman KAREL BRUIN
-om, benevens mijn volk, met dit schip naar ons vaderland te mogen
-vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig toestemmend antwoord.
-Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier blijven tot op
-het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het
-achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende
-dezen tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden.
-
-Omstreeks den 10 Augustus (No 33.) waren wij gereed en zagen wij kans,
-om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor
-acht weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van
-tweeëntwintig passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen
-op reis. In zee komende bevonden wij het ijs twee mijlen van het land,
-digt aan een gesloten. Om hier door te komen laveerden wij langs het
-ijs om de Noord tusschen het groot ijsgebergte door. Met zeer veel
-gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen tijds om de Noord en wel
-tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel bezeild. Eindelijk
-kwamen wij voor de Kolonie _Gorthoop_ genaamd (No 35.). Hier deden wij
-twee schoten, waarop twee Wilden bij ons aan boord kwamen. Wij schreven
-eenen brief aan den Koopman van die Kolonie, dat, bijaldien wij niet
-door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar binnen te loopen,
-in welk geval wij zijnen bijstand verzochten.
-
-Op den 18 Augustus (No 36.) hadden wij des namiddags mooi weêr, kregen
-eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de
-Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.)
-tusschen het ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu
-konden wij onze reis doorzetten. Des namiddags zagen wij een
-Galjas-schip ten westen van ons. Wij zeilden er heen en ontvingen het
-berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar de Noord-Kolonien bestemd
-was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en kochten eenen
-kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant tot onze
-verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij
-kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij
-eenen goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens
-zagen wij de _Orkadische_ eilanden. Toen hadden wij harden wind uit het
-Zuidwesten tot den 9 September (No 38.).
-
-Den 10 September (No 39.) stevenden wij _Hitland_ voorbij met zwaar
-weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier
-dagen passeerden wij op den 13 September (No 40.) _Schagen_ in het
-_Kattegat_, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op
-de plaats van onze bestemming, te weten _Kopenhagen_, alwaar ik met
-mijn volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar
-Kommandeur HANS JOHANNES, die weleer drie jaren lang als stuurman met
-mij van _Hamburg_ gevaren had. Deze bragt mij bij de _Groenlandsche
-Directeuren_. Ik gaf dezen mijne rekening over van de schuld, die ik
-voor mij en mijn volk in de _Straat Davids_ en in de _Kolonien_ gemaakt
-had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat ik aan deze
-Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik afscheid;
-betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging ik
-met Kommandeur HANS JOHANNES naar deszelfs huis. Ik verhaalde denzelven
-ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald.
-
-Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met
-een schip naar _Lubeck_, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap
-aan den wal stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den
-Heer D.H. REWOEL te _Hamburg;_ en vervolgens aldaar bij mijnen zwager,
-den Kommandeur C.J. NEY komende, vernam ik, tot mijne overgroote
-blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was,
-zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.
-
-Daarna kwam ik den 27 September met een vaartuig op het eiland
-_Ameland_ en ontmoette vrouw en kind in goede gezondheid. Het is mij
-onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven. De menschen op
-straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne
-terugkomst toe.
-
-God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij HIDDE
-DIRKS KAT bewezen!
-
-[Illustration]
-
-
-
-
-Naberigt.
-
-
-Men vindt in de beschrijving van JELDERT JANZEN GROOT, die op den 10
-April 1777 van _Amsterdam_ naar _Groenland_ gevaren is, en ten zelfden
-tijd met Kommandeur HIDDE DIRKS KAT zijn schip tusschen _Statenhoek_ en
-_IJsland_ verloren heeft (welke beschrijving hij, na zijne terugkomst
-van de _Straat Davids_, in het licht heeft gegeven) schier dezelfde
-berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne bijzondere ontmoetingen
-had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het verblijf op het
-ijs en aan den wal. Gemelde J.J. GROOT teekent mede aan, dat de wilde
-mannen zeer ervaren zijn _in_ en voorkennis hebben _van_ den aan- en
-afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen zoo verre ging,
-dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon maken.
-Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne
-godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij ’s morgens niet
-uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben,
-verrigtende zij des avonds bij hunne t’huiskomst wederom hetzelfde. Wij
-bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en
-zelfs aan _Statenhoek_ wonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en
-de gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene
-godsdienst-kennis; maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een
-weinigje veel meer inruilen, dan bij de gedoopte, zoo dat het
-Christen-worden dier menschen geene mededeelzaamheid heeft aangebragt.
-Dit verschil was in het oog loopende.
-
-BERIGT AAN DEN ZEEMAN.
-
-
-De kust van _Gale Hamkes_ 10 a 12 mijlen van land vertoont zich
-bergachtig en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen
-land meer en niets dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het
-land bedekken. Men ziet dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18
-mijlen. Van gelijken aard vond ik naderhand het land op eene N. Breedte
-van 62 gr. 30 minuten in de _Straat Davids_ benoorden _Kaap Vaarwel_.
-
-Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer.
-De stroom loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel
-sterker dan gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten
-woei en met den stroom in dezelfde lijn liep.
-
-De reden, waarom het eene _IJsveld_ veel sneller drijft dan het ander,
-is deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde de
-_IJsbergen_ somtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer
-laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen
-vastraken, worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de
-vastgeraakte ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar
-gelang van den stroom.
-
-In de _Straat Davids_, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij,
-tusschen _Juliaans Hoop_ en _Frederiks Hoop_ eene _IJsvallei_
-voorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in.
-Aan deze groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in
-de lucht. Deze hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet,
-zijn een zeer goed kenmerk van den weg, dien men in de _straat_ heeft
-afgelegd. Men ziet diezelfde vallei desgelijks ten Oosten van
-_Statenhoek_, vermits die opening, waarin de vallei ligt, het land
-doorsnijdt, zijnde eene rivier die, naar uitwijzing van de Kaart, van
-het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is het voorkomen der
-ijsbergen tusschen _Jan Maaijen Eiland_ en _IJsland_ op 68 gr. 30
-minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op mijne vraag, hoe ver
-zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naar _Spitsbergen_
-uitstrekken, verstond ik van den Koopman ANDRIES OELZEN, dat dezelve
-zich zoo verre uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof.
-
-KORT UITTREKSEL
-
-
-Uit het kort doch echt verhaal van Kommandeur MARTEN JANZEN[1] wegens
-het verongelukken van zijn schip, genaamd _Het witte Paard_ en van nog
-negen andere schepen door de bezetting van het West-ijs in _Groenland_
-ten jare 1777.—_Leeuwarden_ bij _Tresling_ 1778.
-
- [1] Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag
- gemaakt. _De Uitg_.
-
-
-(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur
-HIDDE DIRKS KAT aan zijne huisvrouwe, geschreven uit _Straat Davids_.
-Daar deze echter onderscheidene in het _Dagboek zelve_ voorkomende
-bijzonderheden bevat, heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven
-hier mede te deelen. Het navolgende _kort Uittreksel_ dient tot nadere
-bevestiging van het door ons medegedeelde Dagboek van den Kommandeur
-HIDDE DIRKS KAT.
-
-
-“Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware
-kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur KASTRIKOM van
-achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij moesten toen vijf pompen
-aan den gang houden, en zetten de _victualie_ en ’s volks goed op eene
-schots. In den avond verloor Kommandeur GROOT zijn schip, waarvan wij
-ter naauwernood de _victualie_ borgen. Den 8sten stopten wij het lek
-van ons schip, waardoor wij lens kregen en het met ééne pomp gaande
-konden houden. Toen namen wij de _victualie_ weder in en het volk werd
-op de twee nog overig zijnde schepen verdeeld. Het schip van Kommandeur
-BROERTJES was nog digt. Den 9 September kregen wij een weinig ruimte,
-doch hadden zware deining en eene hooge zee, waardoor wij van elkander
-raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en ontramponeerd. Het zag er
-toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf schepen bemand, en
-nog eenig volk van het schip van Kommandeur KLAAS KUIKEN, dat al vroeg
-gebleven was, met zich voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65
-gr. N. Breedte en dreven nog al hard Westwaarts op, alle dagen het land
-in het gezigt hebbende. Nu begon ons de moed te ontvallen. Wij konden
-daags slechts tweemaal een klein rantsoen schaffen, en dagelijks
-vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen door dreven.
-Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af,
-onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem
-behagen ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September
-vermeerderden onze smarten, doordien Kommandeur BROERTJES ook zijn
-schip verloor. Hij kwam met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden,
-den 1 October bij ons aan boord. Zij hadden van hunne _victualie_ niets
-kunnen bergen, doordien het ijs aan losse schotsen lag.
-
-“Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinig _victualie_
-hebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht)
-schepen. Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord HANS
-CHRISTIAANSZ. van _Hamburg_ met vijftig mannen, die hun schip op den 30
-September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons, dat er
-nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur HIDDE DIRKS KAT
-en HANS PIETERS van _Hamburg_. Doch die waren uit hun gezigt geraakt.
-Een harponier van HANS CHRISTIAANSZ. was met dertien mannen aan den
-buitenkant van het ijs bij het wrak gebleven, met voornemen om
-_IJsland_ op te zoeken. Wij waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard
-om de Zuid-west bij het land langs. Met 286 zielen, welke zich thans
-bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags niets meer dan ieder tien
-lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den honger te stillen,
-het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat en de
-Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen
-van land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste
-land niet krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen
-vonden. Dit was op 63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons
-schip kraakte gedurig door het kruijen van het ijs. Doch dit alles was
-slechts een begin van onze rampen, dewijl de dag van den 11 October ons
-lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij verloren toen ons laatste
-schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en verpletterd. Wij borgen
-ter naauwernood nog de _victualie_ op eene schots ijs. Wij moesten van
-de eene schots op de andere springen om ons leven te behouden. Alle
-vervoegden wij ons op de schots, daar de _victualie_ op stond. Onze
-toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm
-gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op
-de schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij
-waren in gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij
-draaiden ons alle nog gelukkig voorbij.
-
-“Den 12 October dreven wij op de schots met een’ harden gang om de Zuid
-tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr
-geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van
-redding en dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of
-door de schotsen weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door
-ijsbergen heen dreven. Den 13den dito des morgens lag het ijs weder
-digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen bij ons, maar konden er geen
-gebruik van maken. Wij besloten het ijs te verlaten en naar land te
-zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en hiermede gingen de
-Kommandeurs JELDERT JANS GROOT, HANS CHRISTIAANSZ. en ik (MARTEN
-JANZEN) met nog veertig mannen over het ijs naar den wal. Wij kwamen
-toen op een eiland, waar wij den nacht blijven moesten. Een gedeelte
-van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige kwamen,
-bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten
-er eenige onder de schotsen.
-
-“Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den
-vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen
-konden zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de
-inboorlingen aan land staan. Ik (MARTEN JANZEN) die eenige woorden van
-hunne taal kan spreken, terwijl ik op _Straat Davids_ gevaren heb,
-smeekte hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en
-bragten ons aan land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde
-Spiering en gedroogd Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen
-groeide, te eten gaven. Er waren twee huizen, waarin wij geplaatst
-werden. Wij bevonden deze menschen van eene goede inborst. Tot den
-17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder doornat te
-worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen van
-ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter
-zake terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met
-hunne schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een’ westen wind
-moesten hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte
-van onze plunje eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur
-GROOT met vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind
-W.Z.W. Toen bragten de Wilden ons met twee schuiten naar _Statenhoek_,
-waar Kommandeur GROOT weder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen
-en werden wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de
-inboorlingen ons niet verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind
-uit den Noorden met harde vorst. Toen kwamen nog dertien mannen van ons
-volk bij ons met berigt, dat zij iets noordelijker, dan ter plaatse,
-waar wij geland waren, bij veel volk waren geweest, denkende zij, dat
-die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij drie Kommandeurs met
-eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook konden vinden—doch
-dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene schuit van de Wilden
-in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het goed weêr Toen
-gingen Kommandeur GROOT, ik en nog achtentwintig mannen met twee
-schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen aldaar. Des
-avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en
-Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze
-Wilden weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder
-met twee loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des
-nachts in tenten of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen
-kwamen wij aan een huis, daar wij zes man van het volk van Kommandeur
-HIDDE DIRKS KAT vonden, die op _Kaap Vaarwel_ aan land gekomen waren.
-Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur ALBERT JANS,
-in eene bogt lag en nog zeventien mannen bij zich had. Den 6den was het
-slecht weêr, en konden wij weinig eten krijgen. Den 7den gingen wij op
-reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en kregen wij gaten in onze
-schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te vernachten. De
-Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat te eten
-kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den
-achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche Kolonie
-_Juliaans Hoop_. Des Koopmans naam aldaar was ANDRIES OELZEN. Hier
-werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost onthaald. Ook gaven
-zij ons kleederen, om ons te verwarmen.”
-
-[Illustration]
-
-
-*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGBOEK EENER REIZE TER
-WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS
-KAT ***
-
-Updated editions will replace the previous one--the old editions will
-be renamed.
-
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
-United States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-
-START: FULL LICENSE
-
-THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
-PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
-
-To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase "Project
-Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
-Gutenberg-tm electronic works
-
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
-person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
-1.E.8.
-
-1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
-Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
-you share it without charge with others.
-
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
-on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
-phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
- most other parts of the world at no cost and with almost no
- restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
- under the terms of the Project Gutenberg License included with this
- eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
- United States, you will have to check the laws of the country where
- you are located before using this eBook.
-
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
-Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
-
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg-tm License.
-
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
-other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg-tm website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
-Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
-
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
-provided that:
-
-* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation."
-
-* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
- works.
-
-* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
-
-* You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg-tm works.
-
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-
-1.F.
-
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
-of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
-Defect you cause.
-
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
-
-Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
-goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
-www.gutenberg.org
-
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation
-
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state's laws.
-
-The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation's website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
-Literary Archive Foundation
-
-Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
-widespread public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
-state visit www.gutenberg.org/donate
-
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-
-Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
-
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-
-Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: www.gutenberg.org
-
-This website includes information about Project Gutenberg-tm,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/68111-0.zip b/old/68111-0.zip
deleted file mode 100644
index 11da888..0000000
--- a/old/68111-0.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h.zip b/old/68111-h.zip
deleted file mode 100644
index 344795e..0000000
--- a/old/68111-h.zip
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h/68111-h.htm b/old/68111-h/68111-h.htm
deleted file mode 100644
index 29bf5b8..0000000
--- a/old/68111-h/68111-h.htm
+++ /dev/null
@@ -1,2188 +0,0 @@
-<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
-"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
-<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
-<head>
-<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
-<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
-<title>The Project Gutenberg eBook of Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, by Hidde Dirks Kat</title>
-<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" />
-<style type="text/css">
-
-body { margin-left: 20%;
- margin-right: 20%;
- text-align: justify; }
-
-h1, h2, h3, h4, h5 {text-align: center; font-style: normal; font-weight:
-normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; margin-bottom: .5em;}
-
-h1 {font-size: 300%;
- margin-top: 0.6em;
- margin-bottom: 0.6em;
- letter-spacing: 0.12em;
- word-spacing: 0.2em;
- text-indent: 0em;}
-h2 {font-size: 150%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em;}
-h3 {font-size: 130%; margin-top: 1em;}
-h4 {font-size: 120%;}
-h5 {font-size: 110%;}
-
-.no-break {page-break-before: avoid;} /* for epubs */
-
-div.chapter {page-break-before: always; margin-top: 4em;}
-
-hr {width: 80%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;}
-
-p {text-indent: 1em;
- margin-top: 0.25em;
- margin-bottom: 0.25em; }
-
-p.letter {text-indent: 0%;
- margin-left: 10%;
- margin-right: 10%;
- margin-top: 1em;
- margin-bottom: 1em; }
-
-p.noindent {text-indent: 0% }
-
-p.center {text-align: center;
- text-indent: 0em;
- margin-top: 1em;
- margin-bottom: 1em; }
-
-p.right {text-align: right;
- margin-right: 10%;
- margin-top: 1em;
- margin-bottom: 1em; }
-
-p.footnote {font-size: 90%;
- text-indent: 0%;
- margin-left: 10%;
- margin-right: 10%;
- margin-top: 1em;
- margin-bottom: 1em; }
-
-sup { vertical-align: top; font-size: 0.9em; }
-
-div.fig { display:block;
- margin:0 auto;
- text-align:center;
- margin-top: 1em;
- margin-bottom: 1em;}
-
-a:link {color:blue; text-decoration:none}
-a:visited {color:blue; text-decoration:none}
-a:hover {color:red}
-
-</style>
-
-</head>
-
-<body>
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<p style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of <span lang='nl' xml:lang='nl'>Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat</span>, by Hidde Kat</p>
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
-most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
-whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
-of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
-at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
-are not located in the United States, you will have to check the laws of the
-country where you are located before using this eBook.
-</div>
-</div>
-
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: <span lang='nl' xml:lang='nl'>Dagboek eener reize ter walvisch- en robbenvangst, in de jaren 1777 en 1778 door Hidde Dirks Kat</span></p>
-<p style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:0; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Hidde Kat</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Release Date: May 17, 2022 [eBook #68111]</p>
-<p style='display:block; text-indent:0; margin:1em 0'>Language: Dutch</p>
-<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>DAGBOEK EENER REIZE TER WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS KAT</span> ***</div>
-
-<h1>Dagboek<br/>
-<small><small>eener</small></small><br/>
-reize<br/>
-<small><small>ter</small></small><br/>
-walvisch- en robbenvangst,</h1>
-
-<h2 class="no-break"><small>gedaan in de jaren 1777 en 1778<br/>
-door<br/>
-den kommandeur</small><br/>
-<big><big>Hidde Dirks Kat</big></big></h2>
-
-<h3>met eene kaart van Groenland</h3>
-
-<div class="fig" style="width:100%;">
-<img src="images/img01.jpg" width="331" height="400" alt="[Illustration]" />
-</div>
-
-<hr />
-
-<div class="chapter">
-
-<p class="letter">
-Wat zeeman, die de kiel naar &rsquo;t barre Noorden stuurde,<br />
-Bestond er ooit op aard&rsquo;, die zooveel ramps verduurde<br />
-Als K<small>AT</small>, die fiere K<small>AT</small>, die &rsquo;s lijdens beker heeft<br />
-Tot aan den boôm geleêgd, en toch, God dank! nog leeft?
-</p>
-
-</div><!--end chapter-->
-
-<div class="chapter">
-
-<table summary="" style="">
-
-<tr>
-<td> <a href="#chap01">Voorberigt.</a></td>
-</tr>
-
-<tr>
-<td> <a href="#chap02">Dagboek gehouden door den kommandeur Hidde Dirks Kat.</a></td>
-</tr>
-
-<tr>
-<td> <a href="#chap03">Vervolg mijner reize. 1778.</a></td>
-</tr>
-
-<tr>
-<td> <a href="#chap04">Naberigt.</a></td>
-</tr>
-
-</table>
-
-<div class="fig" style="width:100%;">
-<a href="images/map.jpg">
-<img src="images/map.jpg" width="800" height="559" alt="Illustration:" /></a>
-</div>
-
-</div><!--end chapter-->
-
-<div class="chapter">
-
-<h2><a name="chap01"></a>Voorberigt.</h2>
-
-<p>
-De uitgever van dit Dagboek vond het na de lezing zoo belangrijk, dat hij den
-Heer Kommandeur H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small>,
-thans een zeventigjarig grijsaard, die den avondstond zijns merkwaardigen
-levens op het eiland <i>Ameland</i> slijt, verlof vroeg, om het door den druk
-gemeen te mogen maken. Zijn Ed. vond daarin geene zwarigheid; vooral, daar ik
-zijn Ed. te kennen had gegeven, dat zoowel de meer bejaarden als het opkomend
-geslacht er welligt nut uit zouden kunnen trekken; te meer wanneer men zich ook
-verledigen wilde, om, ten dienste der scholen dit verhaal zoo te wijzigen, dat
-het een Leesboek voor de jeugd vormde. Tot dat einde zou het, mijns inziens,
-ook eene zeer doelmatige strekking hebben. Als <i>waarachtig verhaal</i>
-verdient het niet alleen, om de hoogst merkwaardige en zeldzame ontmoetingen,
-welke daarin voorkomen, de aandacht van leergierige <i>ouden</i> en
-<i>jongen</i>, maar heeft het, na de lezing, de eigenaardige kracht, dat het
-niet, gelijk zoovele andere uit het onuitputtelijk rijk der hersenschimmen in
-het rijk der wezenlijkheid overgevoerde en de op nieuwigheden van allerlei aard
-azende menigte verrukkende droomen, in rook en damp verdwijnt, maar als
-<i>geschiedverhaal van daadzaken</i> voortduurt en lessen en wenken bevat, die
-zoo lang van waarde zullen zijn, als de Zeevarende Natiën, en met name ons
-Vaderland, het van haar belang zullen rekenen, om bronnen, waaruit weleer zoo
-aanzienlijke rijkdommen opwelden, niet te doen opdroogen, maar zich, op het
-voetspoor van onvermoeid werkzame en stoutmoedige voorgangers, geene geringe
-schatting te doen betalen van de gedrogtelijke bewoners des IJs-oceaans.
-Geschiedverhalen van dezen stempel hebben bovendien voor den mensch, hij zij
-oud of jong (want op dit punt heerscht er bij ouden en jongen groote
-overeenkomst) iets bijzonder aantrekkelijks. Het <i>avontuurlijke</i>, weet
-men, valt in veler smaak. Zij zullen daarom dit stuk bij voorkeur willen
-lezen&mdash;en tevens dingen leeren, die in het rijk der <i>wezenlijkheid</i>
-t&rsquo;huis behooren, waarvan sommige misschien, te avond of morgen, partij
-zullen kunnen trekken. Op onze eilanden en aan onze zeekusten, ja rondom op den
-vaderlandschen bodem ontbreekt het niet aan jongelingen, die het warme hoekje
-van den haard wel gaarne eens met de frische lucht aan de kusten van
-<i>Groenland</i>, <i>Straat Davids</i> en <i>Spitsbergen</i> willen
-verwisselen, als er maar geld bij te verdienen valt.&mdash;&rsquo;t Is waar,
-dit <i>Dagboek</i> behelst meer eene aaneenschakeling van ongelukken en
-daarmede gepaard gaande zeer zeldzame Lotgevallen dan wel een kort overzigt van
-hetgeen tot de Walvisch- en Robben-vangst behoort. Wanneer men dit hier meende
-te ontmoeten, zoude men zich te leur gesteld vinden. Maar er komen zaken in
-voor, die de Jeugd tot dit weleer zoo gewigtig vak van nationale nijverheid
-opleiden, er worden ontmoetingen, gevaren, redmiddelen en uitkomsten in
-beschreven, die hem, die deze wateren eens wil bevaren, grootelijks te stade
-kunnen komen; er heerscht, om mij zoo eens uittedrukken, een
-<i>ouderwetsche</i> geest van mannelijke kloekmoedigheid, onvermurwde
-standvastigheid, ongeverniste Godsvrucht en geheel opregt en eenvoudig
-vertrouwen op God en zijnen alvermogenden bijstand in, die der jeugd en ook
-elken leeftijd nimmer zigtbaar genoeg voor oogen gesteld of te diep in het hart
-geprent kunnen worden, vermits deze loopbaan zich door ontelbare
-moeijelijkheden en gevaren henen kronkelt, die alleen de man, wiens borst met
-het driedubbel erts van ware Godsdienstigheid beslagen is, onverschrokken onder
-de oogen kan zien.&mdash;Het ware misschien niet ondienstig der jeugd een
-Leesboek in handen te geven, waarin zij zich, op eene doelmatige wijze, tot
-deze belangrijke taak zou kunnen voorbereiden. Zoo de uitgever daartoe eenen
-genoegzaam bemoedigenden wenk ontving, zou hij zich daartoe (spaart God hem in
-het leven) gaarne in zijne snipperuren willen verledigen (hoe weinig dit vak
-van wetenschap ook tot den omtrek zijner eigenlijke Letteroefeningen behoort),
-aangezien hij zijn vaderland te lief heeft, om niet met de grootste
-bereidvaardigheid, ten minste eenen enkelen steen aan het gebouw van deszelfs
-herlevenden welstand in dit vak van <i>industrie</i> te leggen. Om het
-oorspronkelijke niet te verminken, is er hier en daar slechts een weinigje aan
-den stijl gevijld en de spelling naar de thans gewettigde gewijzigd.
-Gemakkelijk had de uitgever het in eenen <i>dramatischen</i> vorm kunnen
-gieten; doch dit had niet dan ten koste der eenvoudige waarheid kunnen
-geschieden, welke het blanketsel der kunst niet behoeft, maar in een eenvoudig
-gewaad, zoo als de brave Kommandeur dezelve heeft ingekleed, altoos het meest
-behaagt.
-</p>
-
-<p>
-Dat ouden en jongen hier iets nuttigs mogen vinden, is de hartelijke wensch van
-den Schoolopziener van het 3de District in Vriesland, die zich met de uitgave
-belastte.
-</p>
-
-<p class="right">
-M. M.
-</p>
-
-<p class="letter">
-1817.
-</p>
-
-</div><!--end chapter-->
-
-<div class="chapter">
-
-<h2><a name="chap02"></a><big>Dagboek</big><br/>
-gehouden<br/>
-door den kommandeur<br/>
-<big>Hidde Dirks Kat.</big></h2>
-
-<p>
-In den jare 1777, den 5 Maart, zeilde ik met de Brik <i>de Jufvrouw Klara</i>,
-bestemd ter Walvisch- en Robbenvangst, en bemand met 38 koppen, van de stad
-<i>Hamburg</i> naar <i>Groenland</i>, voor rekening van den Heer Boekhouder
-D<small>AVID</small> H<small>ENDRIK</small> R<small>EWOEL</small>, te
-<i>Hamburg</i>.
-</p>
-
-<p>
-Op den 7den ligtte ik het anker op de <i>Elve</i>, liep in zee, en zeilde met
-eenen gunstigen wind en goed weêr tot den 13den, op welk tijdstip wij, na in
-goeden staat de Noordzee te zijn doorgezeild, met eenen gunstigen wind
-<i>Hitland</i> voorbijstevenden, vervolgens de reize voortzetten en op den 5
-April (N<sup>o</sup> 1.) voor het Westijs van <i>Groenland</i> op 71 graden 30
-minuten Noorder Breedte aankwamen, bij welk ijs wij ons tot den 30sten
-ophielden, vangende op hetzelve 30 vaten robbespek.
-</p>
-
-<p>
-Den 1sten Mei geene robben meer kunnende vangen, zetten wij met verscheidene
-schepen de reize om de Noord door het ijs voort, koers houdende op
-<i>Spitsbergen</i>, en kwamen den 13 Mei (N<sup>o</sup> 2.) op 75 gr. 30 min.
-N.B. tegen het Zuidijs; op den 17den (N<sup>o</sup> 3.) raakten wij met
-verscheidene schepen door hetzelve heen op 78 gr. 30 min. N.B., en, van daar om
-de West zeilende, kwamen wij op den 26sten aan de Westijsvelden; hier werden
-door verscheidene schepen eenige Walvisschen gevangen. Vervolgens geraakten wij
-van den koers af, dreven op goed geluk heen en maakten nu en dan de schepen aan
-de ijsvelden of schotsen vast.&mdash;Op den 1 Julij (N<sup>o</sup> 4.) bevonden
-wij ons op 72 gr. 30 min. N.B. In dien tusschentijd vingen wij eenen Walvisch
-van 30 vaten spek. Nu eens dreven wij met 27 schepen in getal in het ijs, dan
-bevonden wij ons weêr tusschen het ijs op vrij water. Sommige schepen vingen
-toen nog eenige Walvisschen. Tot den 4den dreven wij onophoudelijk sterk om de
-Zuid-west, uit hoofde van den stroom en den harden wind uit het Noord-oosten.
-Tot hiertoe zagen wij geen land, drijvende bestendig met het ijs om de
-Zuid-west tot den 12den. Toen geraakten wij met 27 schepen sterk in het ijs
-bezet, en hadden 3 a 4 dagen zwaren storm uit het Noord-oosten en geen gezigt
-wegens den dikken mist tot den 16den (N<sup>o</sup> 5.).&mdash;Toen opende zich
-de lucht en kregen wij de kust van <i>Gale-Hamkes</i>, op eenen afstand van 10
-a 12 mijlen, ten Noord-westen, in het gezigt. Wij zagen toen nog 27 schepen
-rondom ons en dreven sterk om de Zuid-west. Het weêr bedaarde. Van 16 Julij tot
-1 Augustus geraakten eenige schepen uit ons gezigt. In dien tusschentijd vingen
-wij nog eenen kleinen Walvisch in gemeenschap met Kommandeur
-H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>. Voorts dreven wij zonder ophouden
-door den sterken stroom en wind uit het Noord-oosten om de Zuid-west tot den 6
-Augustus (N<sup>o</sup> 6.). Toen geraakten eenige schepen uit ons gezigt, van
-welke eenige met een gedeelte van het volk vergaan zijn. Wij bleven met 5
-schepen in het ijs ingesloten, liggende aan een klein ijsveld vast gemaakt, te
-weten Kommandeur H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>,
-P<small>IETER</small> A<small>NDERSEN</small>, H<small>ANS</small>
-C<small>HRISTIAAN</small> J<small>ASPERS</small>, A<small>LBERT</small>
-J<small>ANS</small> en H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small>
-K<small>AT</small>, alle vijf met <i>Hamburger</i> schepen. Dit was op 68 gr.
-30 min. N.B. Hier zagen wij het land niet meer, maar niets dan ijsbergen,
-welke, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men kan dezelve wel 16 a
-18 mijlen ver zien. Even zoo vond ik naderhand het land op 62 gr. 30 min. N.B.
-in de <i>Straat Davis</i> benoorden <i>Kaap Vaarwel</i>. Van den 6den tot den
-16den dreven wij door den sterken Noord-oosten wind en den stroom met het ijs
-om de Zuid-west. Tot den 18den werkte het ijs geweldig door malkander, hetwelk
-te midden van den storm afgrijsselijk was te aanschouwen. In dien
-schrikbarenden toestand werden de schepen van Kommandeur P<small>IETER</small>
-A<small>NDERSEN</small> en A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> door het
-ijs verbrijzeld. De manschap redde zich op het ijs, wordende een gedeelte van
-den leeftogt door dezelve geborgen. Wij verdeelden de manschap met den leeftogt
-op de drie overgeblevene schepen, welke nabij de verongelukte in het ijs
-beklemd lagen, op ieder van welke zich nu 78 zielen bevonden. Dit gebeurde op
-67 gr. N.B. Nadat wij van de 5, 2 schepen verloren hadden, dreef het
-Walvisch-spek en de Traan om ons heen, op welker reuk de Beeren in menigte af
-kwamen, waarvan wij eenige dood schoten, die door het volk van de twee bij ons
-zijnde schepen, wegens gebrek aan leeftogt, werden ingezouten. De zoodanige,
-die er dadelijk van aten, vonden dit vleesch niet onsmakelijk, maar na verloop
-van twee dagen, ging hun het vel in den mond en van de tong als mede op andere
-plaatsen van het ligchaam en van handen en voeten af. Volgens het oordeel van
-Koopman A<small>NDREAS</small> O<small>ELZEN</small> had men het, vóór het
-inzouten, ter deeg moeten laten uitvriezen, alsdan zoude het een onschadelijk
-voedsel zijn geworden. De Beeren veroorloofden ons niet, om gedurende den nacht
-van het een tot het ander schip te gaan en verlieten ons niet, vóór dat wij van
-het omdrijvende spek verwijderd waren. Voorts dreven wij met onze drie in het
-ijs bezette schepen gedurig om de West tot den 24 Augustus (N<sup>o</sup> 8.).
-Toen konden wij uit den top van den mast het eiland <i>IJsland</i> zien en
-tevens de vrije zee, hetwelk ons hoop gaf, dat wij met onze schepen dit eiland
-zouden kunnen bereiken, in gevalle het ijs van elkander mogt trekken. Op dit
-tijdstip, waarin de hoop klein begon te worden, kwam ik zeer dikwijls bij
-mijnen vriend, den Kommandeur H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>, een
-man van 67 jaren, die aan eene <i>scorbutieke</i> ziekte krank te bedde lag, om
-met denzelven over de mogelijkheid, om het eiland <i>IJsland</i> te bereiken,
-te raadplegen. Deze had insgelijks weinig hoop, gevoelende tevens zijn sterfuur
-naderen. Bij vollen verstande beklaagde hij ons, daar wij in de kracht des
-levens in zulk eenen naren toestand verkeerden; &ldquo;Doch,&rdquo; zeide hij,
-&ldquo;God is magtig! Hij zal nog wel eenigen onzer in het leven sparen, om
-deze gewigtige gebeurtenis aan de nakomelingschap medetedeelen. Hetgeen ons te
-beurt valt, is niet zonder wijze bedoeling der Voorzienigheid. Welligt kan het
-nog van dienst zijn voor menschen, die naderhand in soortgelijke omstandigheden
-komen te verkeeren.&rdquo; Hij moedigde mij overigens sterk aan, om, bijaldien
-onze drie schepen vergingen, vooral goeden moed en raad te houden, de
-scheepssloepen, zooveel mogelijk, in goeden stand te brengen en van leeftogt te
-voorzien.
-</p>
-
-<p>
-Ik legde mijne scheepskaart op het bedde van den kranken H<small>ANS</small>
-P<small>IETERS</small>, en raadpleegde met hem in zijne jongste oogenblikken.
-&ldquo;Kommandeur K<small>AT</small>,&rdquo; zeide hij, &ldquo;houd goeden moed
-en gedenk aan mijne gezegden! Poog, is het mogelijk, daar wij <i>IJsland</i>
-reeds voorbijdrijven, bij den hoek van <i>Straat Davis</i>, <i>Statenhoek</i>
-genaamd, te landen.&rdquo; Hierop stierf hij welgemoed op den 3 September. Niet
-lang daarna werd zijn schip verbrijzeld.&mdash;Van 24 tot 30 Augustus
-(N<sup>o</sup> 9.) werden wij zeer sterk door stroom en wind om de Zuid-west
-gedreven, zijnde bestendig ingesloten door het ijs met eene zware
-<i>deining</i> of hooggaande zeeën, zoo dat wij ieder oogenblik vreesden met
-man en muis te zullen vergaan, dat God tot hiertoe nog verhoedde.
-</p>
-
-<p>
-Van 30 Augustus tot 6 September (N<sup>o</sup>. 10.) stevenden wij tusschen het
-eiland <i>IJsland</i> en het vaste land van <i>Nieuw-Groenland</i> door, op
-eenen afstand van 14 mijlen van den wal, van rondom met ijs bezet. De drie
-schepen waren bij elkander. Het woei een orkaan uit het Noord-oosten. Van
-rondom was de werking van het ijs onbeschrijfelijk wreed en schrikbarende. Wij
-zagen elk oogenblik den dood te gemoet. Dit viel voor op 66 gr. N.B. Wij zagen
-toen noch Walvisschen, noch Robben (of Zeehonden), noch gevogelte meer. Dit
-duurde van den 6den tot den 8sten September op gelijke schrikbarende wijze
-voort. Toen bedaarde het weêr, en wij dreven sterk langs de kust (of de
-ijsbergen) heen in eene Zuid-westelijke rigting op eenen afstand van 14 mijlen,
-terwijl wij het land in het gezigt hadden. De wind woei bestendig uit het
-Noord-oosten tot den 24 September (N<sup>o</sup> 11.).&mdash;Toen konden wij
-van het dek de opene zee aanschouwen, hetgeen ons hoop gaf, om uit het ijs te
-komen. Onze schepen waren tot heden in eenen tamelijk goeden toestand en van
-leeftogt voorzien; doch vermits stroom en wind dezelfde streek hielden, opende
-het ijs zich niet, zoo dat onze schepen bestendig door het ijs ingesloten en nu
-en dan in hetzelve beklemd waren. Dit duurde tot den 29 September
-(N<sup>o</sup> 12.) wanneer zich een geweldige storm uit het Noord-oosten
-verhief. Wij bevonden ons toen eene mijl ver van de opene zee. Onze 3 schepen
-bleven gedurende denzelven zoo goed als onbeschadigd. Maar op den 30sten
-September (N<sup>o</sup> 13.), toen de wind allengs begon aftenemen, werden
-onze 3 schepen door de geweldige werking der hooggaande zeeën (<i>deining</i>)
-tusschen het ijs ingedrongen, en door deszelfs ontzettende stooten in één
-oogenblik verbrijzeld. De masten buitelden op het ijs. Elk zocht op de best
-mogelijke wijze lijfsberging op de woedende schotsen. Na het vergaan van onze
-schepen, hadden wij het geluk van een gedeelte van onzen leeftogt bij ons op
-het ijs te bergen. Ook redde ik zeven sloepen. Hier stonden wij in dezen
-angstvollen toestand onder den blooten kouden hemel, zonder schuilplaats, 21
-mijlen ver van land op het ijs, in zee, op 64 gr. N.B. Het land was uit ons
-gezigt. Wij bevonden ons naar gissing 80 mijlen ten Westen van het eiland
-<i>IJsland</i>. Ik en Kommandeur H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small>
-bevonden ons met onze schepen, toen dezelve vergingen, digt bij elkander en
-Kommandeur H.C. J<small>ASPERS</small> was twee mijlen verder landwaarts van
-ons. In dit tijdstip werd diens schip ook verbrijzeld, nemende hij de vlugt
-naar het schip van Kommandeur K<small>LAAS</small> J. K<small>ASTERKOM</small>,
-hetwelk, schoon buiten ons gezigt, door hem gezien kon worden. Twee sloepen met
-12 man bleven bij het verongelukte schip van H.C. J<small>ASPERS</small>, welke
-daar verongelukten. Kommandeur K<small>ASTERKOM</small> bevond zich op zijn
-schip met 286 man, toen het bij <i>Statenhoek</i> verging. Van dit getal zijn
-slechts eenige te regt gekomen, alle de overige vergaan.
-</p>
-
-<p>
-Nu bevonden wij ons, van ieder schip 78 man, op het ijs. Ik H.D.
-K<small>AT</small> redde zeven sloepen en eenigen leeftogt. De een zag den
-ander met droefheid aan, in zware gepeinzen verdiept, hoe en waar wij, in dezen
-treurigen toestand, waarin wij den dood voor oogen zagen, onze levensdagen
-zouden eindigen. Wij hadden geene zeilen, om eene tent op het ijs opteslaan,
-waaronder wij ons een weinig zouden hebben kunnen verschuilen.
-</p>
-
-<p>
-Op den 1 October was er van onze verbrijzelde schepen niets meer te zien of te
-vinden. Wij stonden hopeloos op het geweldig stootend ijs, in vreeze, om ieder
-oogenblik door hetzelve vermorzeld te worden. Het land was buiten ons gezigt.
-Wij waren nabij de opene zee en werden Zuid-westwaarts aan voortgeslingerd op
-de schotsen. Dit duurde tot den 3den October (N<sup>o</sup> 14.) wanneer wij
-ons nog met 78 zielen op eene ijsschots van ongeveer 200 vierkante voeten in de
-opene zee bevonden. Rondom ons heen was de zee eene vierde mijl ver vol
-ijsgruis. Dit was ons behoud, vermits wij door middel van hetzelve niet, bij
-het slingeren van onze ijsschots door de hooggaande zeeën, van dezelve
-afgespoeld werden. Ondertusschen ging zulks met groot gevaar vergezeld, zoo dat
-wij alle oogenblikken vreesden om te zullen komen.
-</p>
-
-<p>
-Tegen den morgen hoorden wij door het scheepsvolk van Kommandeur
-P<small>IETER</small> A<small>NDERSEN</small>, bestaande in 78 man, die zich op
-eene tweede digt bij ons drijvende ijsschots bevonden (N<sup>o</sup> 3.) Gode
-een gezang toezingen. Maar, toen de dageraad aanbrak, waren zij van de
-ijsschots vergaan, uitgezonderd Kommandeur P<small>IETER</small>
-A<small>NDERSEN</small> met eenige manschappen, die zich gered hadden. Om
-middernacht was onze ijsschots midden doorgebroken ten gevolge van de geweldige
-deining, waardoor wij 4 van onze sloepen verloren, benevens onze meeste
-<i>victualie</i> (N<sup>o</sup> 2.); van mijne 78 man (N<sup>o</sup> 1.)
-verloor ik op dit tijdstip niemand. Dit viel na gissing voor 40 mijlen ten
-Oosten van <i>Statenhoek</i>. Gedurende den nacht waren wij door den stroom het
-land sterk genaderd.
-</p>
-
-<p>
-In den ochtend van den 4 October (N<sup>o</sup> 15.) bevonden wij ons op
-dezelfde ijsschots, die nu op de helft van 200 tot 100 voeten in het vierkant
-verkleind was, op eenen afstand van 10 mijlen dwars van het land af. Het weêr
-was nu goed. Ook hadden wij geene deining of verheffing van zee, zijnde aan
-alle kanten ingesloten door drijfijs, dat, naar ons bedunken, aan het land vast
-lag. Nu besloten wij onze drie sloepen te verlaten en, zoo mogelijk, te voet op
-het land aantegaan, weshalve wij onzen overgeschoten leeftogt onder malkander
-verdeelden, bestaande eeniglijk in brood, waarvan ieder man omtrent vijf
-scheepsbeschuiten met een weinigje boter ontving.
-</p>
-
-<p>
-Bij nader inzien begrepen ik en Kommandeur A<small>LBERT</small>
-J<small>ANS</small>, om onze drie sloepen op onze kleiner ijsschots, waarop God
-ons, tot op heden, zoo wonderbaar bewaard had, voor als nog, niet te verlaten.
-Hiertoe besloten nog 49 andere, terwijl de overige 27 man een zeer aandoenlijk
-afscheid van ons namen en over ijs naar land gingen. Of deze aan land zijn
-gekomen, is mij onbekend.
-</p>
-
-<p>
-In dezen nacht veroorzaakte eene hooggaande zee met weinig wind, zulk eene
-zware deining in het ijs, dat de schotsen om ons heen de een tegen de ander
-opstegen, zoo dat wij ieder oogenblik den dood te gemoet zagen. Doch God was
-ons genadig. Het speet ons toen zeer, dat wij met de 27 man niet naar land
-waren gegaan. Deze nacht vertoonde aan ons oog akelige gedaanten. De zee woedde
-aan de buitenzijde tegen het ijs. De baren verhieven zich als torens in de
-lucht, makende in den langen donkeren nacht eene verschrikkelijke vertooning,
-terwijl het zoute water vurige stralen uitschoot. Onze kleine ijsschots van 100
-voeten in het vierkant was als met eene borstwering van kleine ijsschotsen
-omgeven. Deze schoven zoodanig op elkander, dat wij ons naauwelijks konden
-bergen. Doch wij bleven dezen nacht met onze 3 sloepen nog onbeschadigd.
-</p>
-
-<p>
-In den ochtendstond van den 5 October (N<sup>o</sup> 16.) bedaarde het weêr, en
-de zee werd hand over hand kalmer. Nu maakten wij onze drie sloepen gereed, om
-er gebruik van te kunnen maken, als de gelegenheid ons voorkwam, en besloten,
-om zoo lang op onze kleine ijsschots van 100 voeten vierkant, (waarop God ons
-tot hiertoe zoo wonderbaar bewaard had) te blijven, tot dat wij genoodzaakt
-zouden zijn, om dezelve te verlaten. Het kwam ons voor, als of die schots voor
-ons bestemd was.&mdash;Ons voedsel was zeer gering. Van onze 5
-scheepsbeschuiten hadden wij niet veel meer overig. Den dorst leschten wij met
-aan een stuk uitgevroren ijs te zuigen. Des namiddags legde ik mij, bij mooi
-weêr, in eene der sloepen neder, om een weinig te rusten. Ik was naauwelijks
-een weinig ingesluimerd, toen het volk, (hetwelk in hoopen van 17 man, voor
-ieder der drie sloepen één, verdeeld was) met groote verbaasdheid in de sloepen
-viel, en mij, met een luidruchtig geschreeuw, bekend maakte, dat de zee over
-onze ijsschots heen liep, waardoor dezelve dreigde te zinken. Hierop opende
-zich boven verwachting het ijs, zoo dat wij ons zeer schielijk op de vrije zee
-bevonden. Wij zetten toen onze zeiltjes bij (N<sup>o</sup> 16.) met eenen
-gunstigen Noord-oosten wind en stevenden op <i>Statenhoek</i> aan. Wij hadden
-een kompas, konden het land zien en zeilden des nachts langs het wit blinkend
-ijs.
-</p>
-
-<p>
-Onze schipbreuk (N<sup>o</sup> 13.) was zeer verschrikkelijk, vergezeld van de
-smartelijkste gevolgen tot den 5 dezer, maar onze ijsbreuk (N<sup>o</sup> 14.)
-en het verlies van de schots was niet minder schrikbarende. Wij zeilden bij het
-ijs langs tot den 6 October (N<sup>o</sup> 17.). Des middags bevonden wij ons,
-naar gissing, 6 mijlen beoosten <i>Statenhoek</i>. Hier dreven wij met het ijs
-zeer verre in zee op; (N<sup>o</sup> 17.) zoo dat mijn volk uit onkunde en
-vrees weigerde, om langer langs het ijs zeewaarts in te zeilen, hetwelk nogtans
-noodzakelijk was, vermits dit ijs aan <i>Statenhoek</i> vast lag en ons om de
-punt heen leidde. Wij zouden alzoo doende met onze sloepen land hebben bekomen,
-schoon men zich bij deze onderneming het gevaar van wind en zee moest
-getroosten. Nu was men genoodzaakt, om, zooveel mogelijk, door het ijs te
-werken, ten einde het land te bereiken. Hiermede vorderden wij niet meer dan
-eene halve mijl, wanneer wij genooddrongen werden het werk te staken en de
-sloepen op het ijs te halen. Hier vond ik eenen ijsberg (zie No 17.) welke,
-naar gissing, 60 a 70 voeten hoog was. Dezen beklom ik met eenige van mijne
-manschappen en toonde hun de dwaasheid hunner keuze, hebbende mijnen raad niet
-willen volgen, om met onze sloepen rondom de ver in zee uitstekende ijspunt
-heen te zeilen, wanneer wij op <i>Statenhoek</i>, waarschijnlijker wijze,
-hadden kunnen landen. Dit was nu te laat. Wij hielden ons voorts bij onze drie
-sloepen op het ijs, gekweld door grooten honger en koude en afgesold door
-vermoeidheid, doordien wij geene rust hoegenaamd genoten.
-</p>
-
-<p>
-Op den 7 October (N<sup>o</sup>. 18.) kwamen wij des morgens bij goed weêr, tot
-het verbazend en ijsselijk besluit, om onze drie sloepen te verlaten, om te
-zien, of wij te voet over ijs het land zouden kunnen bereiken, aangezien wij
-aan alle zijden door het ijs ingesloten waren, en onze leeftogt slechts bestond
-in 3 scheepsbeschuiten voor ieder hoofd. Vóór dat wij dit echter ondernamen,
-braken wij eerst het hout uit de sloepen, maakten daarvan een vuur aan op het
-ijs, verwarmden onze ingewanden met wat heet theewater en nam elk onzer
-een&rsquo; beet van zijne drie beschuiten. Sterke drank ontbrak ons ten
-eenenmale. Na deze verkwikking namen wij een zeer aandoenelijk afscheid van
-twee onzer lotgenooten, welken wij Gods groote genade toewenschten. Wij moesten
-hen, door dien zij niet gaan konden, bij de sloepen laten. (N<sup>o</sup> 17.)
-Vervolgens gingen wij, ten getale van 49 man, op het land aan. De laatste
-groete aan deze twee achterblijvende mannen viel ons zeer smartelijk. Wij
-hadden 2 haken, 1 theeketel en 1 biermok, tot ons gerijf, bij ons.
-</p>
-
-<p>
-Van 7, 8, 9 tot den 10 October (N<sup>o</sup> 19.) liepen wij, afgemat door
-honger en koude, van het eene stuk ijs op het ander, om land te winnen. Het ijs
-ging door de zeewelling of deining onophoudelijk met geweld open en toe.
-Sommige onzer, pogende van de eene op de andere schots te komen, geraakten,
-door de gladheid van het ijs, tusschen de schotsen, in het water, verdronken en
-werden tusschen het ijs verpletterd. Ik zelf geraakte tweemaal van het ijs af,
-doch werd telkens weêr opgehaald en gered door de twee haken, vóór dat het ijs
-zich weêr toesloot, en moest zoo met mijne natte kleederen al den volgenden
-tijd gaan, hetwelk mij ongemeen verzwakte. Ik had toen nog twee
-scheepsbeschuiten. Men beseffe eens, welke kracht de goede God ons in deze
-omstandigheden verleende! Ziende de zwarigheden, die wij nog moesten te boven
-komen, was het schier niet om uit te houden.&mdash;Dagelijks overviel ons de
-vrees voor wild gedierte, en onder het voortwandelen opende zich van tijd tot
-tijd eene groote ijsspleet voor onze voeten, waarin velen onzer hun graf
-vonden, vermits het ijs zich dadelijk, bij het terugkeeren van het water,
-toesloot. Des avonds bevonden wij, dat wij nog twee mijlen van het land
-verwijderd waren. Doch daar het ijs niet aan het land vast lag, moesten wij
-hopende wachten, of het zich aan het land mogt aansluiten. Terwijl wij dezen
-nacht met een diep neerslagtig hart doorbragten, lag de een en zat de ander op
-het ijs, terwijl een derde stond. Ik zat in het midden van twee ter regter en
-linker zijde naast mij liggende mannen, welke des morgens dood gevroren waren.
-</p>
-
-<p>
-In den morgenstond van 11 Oct. (N<sup>o</sup> 20.) bevond ik, dat Kommandeur
-A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> met eenige manschappen, gedurende den
-nacht, door de uitwerking van het draai-ijs van mij was verwijderd geraakt. Ik
-zag dezelve hier niet weder. Dezen morgen dreef ons eene lange strook ijs voor
-den mond eener rivier voorbij. Deze stiet tegen onze ijsschots. Wij stapten er
-dadelijk op over, met uitzondering van één&rsquo; man, die niet verder voort
-kon. Wij moesten hem met hartverscheurende smart verlaten. Deze lange strook
-ijs bragt ons aan land. Wij hadden aan beide zijden van dezelve de opene zee,
-en kwamen des na den middags bij <i>Statenhoek</i> aan. Deze hoek ligt op 59
-graden 30 minuten N. Breedte. Wij vonden in de valleijen eenige groente en
-boompjes, waaraan blaauwe bessen groeiden. Wij plukten die bij menigte en aten
-ze met veel smaak. Onze blijdschap, dat wij aan land waren gekomen zonder
-vooruitzigt, waar wij belanden zouden, was onbeschrijfelijk groot. Hier
-bevonden wij nog 18 in getale te zijn. Waar de overige gebleven zijn, behalve
-de voorgemelde 27 man, die naar land waren gegaan, is ons ten deele onbekend.
-Deze nacht viel ons lang en bang, door het vallen van menigvuldige sneeuw en
-eenen harden kouden wind, alsmede door gebrek aan voedsel, drank en warmte. Ook
-konden wij niet gaan leggen, aangezien onze kleederen doornat waren. In dezen
-toestand konden wij ons eenigermate een denkbeeld vormen van het lijden van
-onzen Heiland J<small>EZUS</small> C<small>HRISTUS</small>, althans hetzelve
-behoorlijk waarderen, daar wij nu zelve lijden moesten ondergaan.
-</p>
-
-<p>
-De dageraad van den 12. October (N<sup>o</sup> 21.) verblijdde ons. Onze bij
-voorraad voor den volgenden dag geplukte bessen, waren alle onder de
-menigvuldig gevallen sneeuw verloren gegaan. Wij zetten nu onze reis landwaarts
-in voort, om inwoners te ontdekken. De een zette zich hier, de ander dáár
-vermoeid en moedeloos neder. Mij viel in de gedachten, om weder den zeekant te
-kiezen, vermits de bewoners zich van de zee moesten generen. Terugkeerende
-namen wij de hier en daar nedergezetenen weêr op. Zij hadden zich vermoeid en
-afgemat nedergelegd, om te sterven&mdash;wij spraken hun moed in, zooveel onze
-krachten en onze hoop, om nog eens geholpen te worden, toelieten. Wij kwamen
-voorts te zamen weder aan den zeekant en volgden dezelve om de Noord, om
-menschen te vinden.
-</p>
-
-<p>
-In het omloopen van eene rivier vonden wij, kort daarna, op een&rsquo; uithoek
-aan den zeekant een spits heuveltje, door menschen handen van steenen op een
-gestapeld. Dit gaf ons nieuwen moed, dat wij ten langen laatste inwoners zouden
-vinden. Hier konden wij niet verder komen, vermits het strand ons verliet,
-staande de zee tegen een steil gebergte aan. Ook lag hier bij het land geen
-ijs, waarop men om deze punt heen konde loopen. Wij moesten hier dus
-<i>halte</i> maken, op hoop dat wij, bij laag water, om den voet van het
-gebergte heen zouden kunnen gaan. Doch ook met laag water was zulks onmogelijk.
-Wij vonden tot onzen troost door Gods genade, bij de invallende ebbe, voedsel
-voor onze afgematte ligchamen. Dit bestond in groote Mosselen, die wij gretig
-verzamelden, om onzen overgrooten honger te stillen. Wij bragten deze Mosselen
-bij eenen steen, die boven den vlakken grond uit het gebergte uitstak, welke
-plaats wij tot schuilplaats uitkozen. Ook vonden wij hier, tot meerdere
-vertroosting, een teeken, zijnde drie tent-plaatsen van 18 a 20 voet in het
-vierkant, omringd van een groen begroeid dijkje van één voet hoogte. Men kon
-zien, dat de wilden hier in den zomer hunne tenten opsloegen. Dit dijkje dient,
-om het van het gebergte afvloeijende water aftekeeren. Wij stonden nu in
-overweging, hoe aan vuur te komen; welke zwarigheid zeer onverwacht werd
-weggenomen door een&rsquo; vuurslag, hetwelk een der Officieren, buiten zijn
-weten, bij zich had. Op de hoogere plaatsen van het strand vonden wij vrij wat
-droog hout, dat ons zeer verblijdde. Daarna beproefden wij met alle
-omzigtigheid, om van drooge hemdslippen (voor zoo verre wij nog droog linnen
-aan het lijf hadden,) eenen nieuwen voorraad van tonder te maken, hetwelk ons
-door middel van den voornoemden vuurslag gelukte. Wij hadden (gelijk gezegd is)
-een klein theeketeltje en een biermok. Toen nu ons vuur aan den gang was,
-kookten wij van tijd tot tijd een keteltje vol Mosselen, die ons als honig
-smaakten. Ook plukten wij middelerwijl bessen, die wij desgelijks kookten en
-waarvan wij het sap dronken. Dit verkwikte ons ongemeen. Hier bleven wij drie
-dagen. Wij waren nog 18 in getale. Door het gemis van rust verzwakten onze
-ligchamen uitermate; te meer daar wij, bij dag en nacht, de koude van sneeuw,
-wind en vorst moesten verduren. Wij hielden ons wel nabij het vuur, maar onze
-oogen konden hetzelve niet verdragen. In den loop van deze drie dagen werd
-iemand onzer, die zich bij nacht van het gezelschap verwijderd had, des morgens
-dood op de klippen gevonden. Schoon onze moed dagelijks afnam, schonk het
-slechte weêr ons somtijds weder hope, dat de Wilden, zoodra het weêr bedaarde,
-wel op zouden komen dagen.
-</p>
-
-<p>
-Op den 15 October (N<sup>o</sup> 22.) kwam een der manschappen mij vragen, of
-men niet eens eene kans zoude wagen, om over het hoog klippig gebergte heen te
-klimmen, ten einde ons voornemen, om menschen om de Noord te ontdekken, voort
-te zetten. Dit kwam mij onuitvoerlijk voor, aangezien eenige van mijn volk, ten
-gevolge van de koude en het langdurig afmartelen van het ligchaam, opene handen
-en voeten hadden. Des ongeacht nam de man, die zulks voorstelde, de reis over
-het klipachtig ijsgebergte aan, wenschende ons een zeer aandoenlijk vaarwel.
-(N<sup>o</sup> 34.) Geen eenig man van mijn volk was in de <i>Straat Davids</i>
-geweest en verstond dus een enkel woord van de landtaal. Ik had in mijne jonge
-jaren drie reizen uit <i>Holland</i> derwaarts gedaan, en eenige woorden van
-die taal in het geheugen bewaard. Des namiddags ging een mijner Officieren, met
-name P<small>IETER</small> H<small>ENDRIKS</small>, op eene hoogte van het
-gebergte, om eens uittezien. Van daar ontdekte hij zeewaarts in, in den mond
-van de rivier, drie voorwerpen in de gedaante van vogelen op het water. Hij
-riep mij toe, wat men daar van denken moest? Ik liep met haast naar hem toe, en
-zag terstond (doordien ik in vroegere dagen meer zulke vertooningen gezien
-had), dat het Wilden of inboorlingen konden zijn. Nu kwam het geheel gezelschap
-naar ons toe. Wij verhieven tweemaal een luid geschreeuw, dat door gezegde
-Wilden gehoord werd, die diensvolgens op ons af kwamen. Wij liepen gezamenlijk
-naar het zeestrand, om hen in onze armen te ontvangen. Ten gevolge van onze
-overgroote blijdschap, dat wij, buiten ons, weêr menschen zagen, bleven die
-lieden met hunne kleine schuitjes, die naauwelijks boven het vlak van de zee
-uitstaken, op eenen afstand van ongeveer 100 roeden van de kust liggen.
-Doordien ik de landtaal niet magtig was, en niet wist, hoe die Wilden omtrent
-ons gezind waren, besloot ik mijn volk naar de voornoemde plaats terug te doen
-keeren. Nu stond ik daar alleen, en noemde in mijne verlegenheid een woord,
-waarvan ik zelf de beteekenis niet wist, te weten (<i>ome kageit</i>). Dit
-woord beteekent, gelijk de <i>Hernhutters</i> mij naderhand zeiden, (<i>vriend
-kom hier!</i>) Daarop kwamen zij, bij drieën in een schuitje, bij mij. Ik hielp
-hen uit hunne schuitjes en omhelsde hen; hetwelk zij met wederliefde
-beantwoordden. Dit waren ongedoopte Wilden. Ik vergezelde hen naar onze
-verblijfplaats, waar mijne overige manschap zich bevond.
-</p>
-
-<p>
-Zij namen alles naauwkeurig op. Toen zij vernamen, dat wij noch voedsel noch
-rustplaats hadden en onze ligchamen uitgemergeld waren, kon men zien, dat zij
-medelijden met ons hadden. Met naar de Zon te wijzen gaven zij ons te kennen,
-dat zij den eerstvolgenden dag weder zouden komen, om ons te helpen. Het weêr
-was nu vrij goed, &rsquo;s avonds namen zij hun afscheid, en keerden naar hunne
-woningen terug. Het baarde ons nu veel droefheid, dat één van ons volk ons
-vrijwillig verlaten had, om over het gebergte te gaan, daar wij het nu met
-malkander zoo ver gebragt hadden. Terwijl wij hem verloren schatten, begon onze
-hoop van tijd tot tijd levendiger te worden, vermits wij nu menschen gevonden
-hadden, die ons, zooveel wij hen begrijpen konden, wilden helpen.
-</p>
-
-<p>
-Den 16 October hadden wij storm met sneeuwjagt. Ofschoon wij met reikhalzend
-verlangen uitzagen, ontdekten wij heden nog geene helpers. Wij schreven dit toe
-aan het slechte weêr. Dit gaf ons troost. &rsquo;s Nachts bedaarde het weêr.
-Wij bleven onder de voorschreven uitstekende steenklip van het gebergte.
-</p>
-
-<p>
-Den 17 October (N<sup>o</sup> 23.), des morgens was het mooi weêr; wij zagen
-uit naar onze helpers en deze kwamen des voormiddags ten 11 ure bij ons, bij
-drieën in een afzonderlijk schuitje. Ik gaf hun onze onmagt en ons gebrek aan
-voedsel te verstaan. Zij begrepen dit en besloten mij medetenemen op de
-volgende wijze.
-</p>
-
-<p>
-Ik plaatste mij (na vooraf afscheid van mijn volk genomen te hebben, onder
-voorwaarde, dat zij zich van deze plaats niet zouden verwijderen, aangezien de
-Wilden hen van daar zouden afhalen) des middags ten 12 ure, achter één&rsquo;
-der Wilden op een schuitje, hetwelk zij vooraf op zijde van een ander
-vastgebonden hadden, en zoo roeide de Wilde met mij voort, hebbende een
-riemspaan in de hand, welks beide einden met een blad voorzien waren. Op deze
-wijze bragten zij mij een vierde mijl voorbij het steil gebergte, daar wij
-wegens de diepte niet om heen konden komen. Het schuitje, waarop ik mij bevond,
-kan, van den voor- tot den achtersteven, lang geweest zijn ongeveer 20 voeten
-en iets breeder dan de dikte van een gewoon mensch. De Wilde zit in een rond
-gat in het midden op den bodem neder, met de voeten voorwaarts onder het dek.
-Zijn ligchaam steekt dan, van de lendenen af gerekend, boven het dek uit. Hij
-zit in een kleed (of rok) van leder, dat aan het schuitje vastgehecht is, zoo
-dat er geen water aan zijn lijf of in het schuitje kan komen. Zijne handen en
-gezigt alleen zijn bloot. De uiteinden van dit schuitje loopen van het midden
-af spits toe. Wanneer de Wilde er in zit, ligt het schuitje in het midden van
-het dek ongeveer 4 duim boven water. Het geheel is van Robben-vellen en de
-inhouten van zeer dun en taai hout, dat daar te lande groeit, gemaakt. De Wilde
-zette mij op de voorschreven plaats, doornat aan land. Vervolgens bragten zij
-mij bij twee spelonken, in iedere van welke tien personen beschut konden wezen
-tegen het onweder. Deze bergspelonken waren overdekt tegen allen aanval van
-regen en sneeuw. Zij dienen den Wilden in den zomer tot het droogen van
-Spiering en Zee-honden of Robbevellen en vleesch. Hier bleef ik alleen staan.
-Hunne menschlievenheid dreef hen tot mijne achtergeblevene manschap, welke zij,
-op gelijke wijze, overbragten, doch niet verder dan om de steile punt van het
-hoog gebergte, om welke wij, wegens de diepte, niet hadden kunnen heen loopen.
-Dit geschiedde wegens het vallen van den avond. Mijne togtgenooten liepen toen
-aan den voet van het gebergte langs het strand en kwamen, één voor één, zoo als
-zij overgezet werden, des avonds bij mij, met uitzondering van één man, die
-terugbleef. Hier zijnde verzocht mijn volk mij, dat ik met de Wilden naar hunne
-woningen op reis zoude gaan, om, dus doende, zooveel te spoediger bij de Wilden
-ruste te vinden voor hunne afgematte ligchamen. Dit stonden de Wilden toe, en
-alzoo ging ik met mijn&rsquo; Stuurman, de een na den ander, op twee
-zamengebondene schuitjes achter de Wilden zitten. Maar wij moesten over eene
-rivier, die twee mijlen breed was. Het kwam hier op stil zitten aan. Door het
-toenemen van het onweder met sneeuwjagt werden wij tot over het hoofd doornat,
-vermits wij, twee mijlen ver, bestendig in het water moesten zitten. Deze twee
-schuitjes waren ieder met het gewigt van drie man beladen, en het water spoelde
-onophoudelijk over de schuitjes heen. Wij waren schier dood gevroren en stijf
-van de koude, ja geheel magteloos. De Wilden bleven droog in hunne schuitjes,
-uitgezonderd hunne handen en aangezigten, uit hoofde van hunne wel gemaakte
-lederen rokken.
-</p>
-
-<p>
-Men verbeelde zich eens de sterkte en geschiktheid dezer Wilden.&mdash;Twee
-mannen, hebbende Kommandeur K<small>AT</small> achter zich zitten, deden deze
-moeijelijke reis van twee mijlen, door eene onstuimige zee, met sterken wind,
-in twee kleine of smalle schuitjes, door het gewigt van drie man zwaar beladen,
-terwijl het water onophoudelijk over dezelve heenspoelde, en zulks ondanks den
-voorafgaanden arbeid van dezen dag!&mdash;Des avonds ten 5 ure kwamen wij, de
-een na den ander, over deze rivier aan land. Nadat zij het een en ander tegen
-ons gezegd en ons eenige teekenen gegeven hadden, welke wij niet verstonden,
-namen zij hun afscheid. Hier stonden wij nu doornat en verkleumd, uitgehongerd,
-geheel zonder vuur, spijze en drank.&mdash;In deze verlegenheid namen wij het
-besluit, om onze bevrorene en afgematte ligchamen, zooveel mogelijk, in
-beweging te houden. Wij liepen dus langs den vlakken oever van de rivier, in
-hope, dat wij licht in de woningen zouden aantreffen. Doch dit was, gelijk wij
-des anderen daags ondervonden, verkeerd van ons gedaan. Na anderhalf uur
-gewandeld te hebben, legden wij ons &rsquo;s avonds, ten 7 ure vermoeid en
-afgemat neder, zonder iets ontdekt te hebben. Hier lagen wij nu magteloos op
-steenen in de sneeuw, bereid zijnde, om dáár onzen geest aan onzen Formeerder
-terug te geven.&mdash;Wij bragten echter dezen nacht in onze doornatte
-kleederen, met diepe ellende, door.
-</p>
-
-<p>
-Op den 18 October (N<sup>o</sup> 24.) vroeg mijn Stuurman bij het aanbreken van
-den dageraad: Kommandeur! leeft gij nog? Ik kon dit naauwelijks met ja
-beantwoorden. Hij klaagde over zijne opgezwollene beenen en pijnlijk ligchaam;
-en, wegens zijne smart, met veel moeite overeind gaande zitten, kon hij de
-rivier, welke digt bij ons was, zien. De Wilden, die ons den vorigen avond een
-eindweegs van <i>hier</i> aan land gezet hadden, zochten ons heden morgen,
-zijnde vier in getal, ieder in een afzonderlijk schuitje, op dezelfde plaats
-weder, maar vonden ons niet, doordien wij van die plaats verwijderd waren. Zij
-voeren toen met hunne schuitjes voort langs de kust, om ons op te zoeken. Het
-was <i>zeer opmerkelijk</i>, dat de overgroote pijn, welke de Stuurman liggende
-doorstond, hem bewoog, om, met veel moeite, overeind te gaan zitten. Dit was
-een groote zegen voor ons, doordien wij anders vermoeid zijnde niet zouden zijn
-opgestaan. Nu ontdekte hij door zijn oprijzen de Wilden en maakte mij zulks
-bekend. Ik kon naauwelijks overeind komen. Nadat ik mij met mijnen Stuurman met
-veel moeite opgerigt had, hieven wij een luid geschreeuw aan, zoo dat de Wilden
-ons hoorden, en dadelijk met hun vieren op ons toe kwamen. Wij stortten
-oogenblikkelijk weder op den grond of liever op de steenen in de sneeuw neder,
-door pijn en zwakheid geheel overmeesterd. De Wilden vonden ons bij hunne komst
-bijna als dooden nederliggen. Zij namen ons onder de armen op en leidden ons
-aan den oever van de rivier, alwaar eene vlakke rots was. Hier torschten zij
-ons heen en weêr, om ons weder aan den gang te helpen. Na verloop van een uur
-gelukte zulks. Onze bevroren ledematen werden weder buigzaam. Vervolgens bonden
-de Wilden, met meer dan Christelijke hulpvaardigheid bezield, de vier
-schuitjes, zijnde van de voren omschreven gedaante, twee aan twee te zamen,
-zetten ons achter zich daarop, en voeren zoo met ons heen tot 3 ure in den
-namiddag, op welk tijdstip wij allen, met levensgevaar, digt bij hunne woningen
-aan land kwamen. Hunne vrouwen, die ons op eenen verren afstand van de klippen
-of van het gebergte gezien hadden, kwamen toeloopen en hielpen ons van de
-schuitjes in hare woningen. Dit was tusschen <i>Statenhoek</i> en <i>Kaap
-Vaarwel</i>, doch het naast aan eerstgemelde, op 59 gr. 55 min. N. Breedte.
-Hier vonden wij een huis, waarin vijf huisgezinnen zamen woonden, bestaande
-naar gissing in twintig zielen zoo oude als jonge. De vrouwen trokken ons
-oogenblikkelijk onze natte kleederen uit, omwonden ons met ruige
-land-honden-vellen en leidden ons tot eene rustplaats op eenen brids,
-één&rsquo; voet boven de aarde of den steenen bodem verheven. Hier ontdekten
-wij, dat het onmogelijk was geweest, dat de Wilden ons, bij hunne eerste komst,
-konden medenemen, vermits zij op eenen te verren afstand van hunne woning
-verwijderd waren. Wij gevoelden ons als uit het graf verrezen. De overgroote
-liefde dier wilde menschen, welke waarlijk die van vele Christenen te boven
-gaat, maakte onze harten weemoedig en dankbaar tot God. Het schreijen van
-kinderen te mogen hooren bevredigde ons met ons lot. Het scheen ons, als of wij
-in ons eigen huis waren. Zij verkwikten ons met eene soort van soep van
-Zeehonden- of Robbevleesch met water gekookt. Niemand, die zulks niet
-ondervonden heeft, kan gelooven, hoe smakelijk wij daarvan aten. Wij bevonden
-ons daarna zeer wel. Gedurende dezen nacht konden wij echter niet in slaap
-geraken, doordien onze hersenen opgevuld waren van treurige nagedachten, en,
-aan den anderen kant, van blijdschap, dat wij ons alreede onder goede menschen
-bevonden, terwijl onze hoofden suisden als het razen van den wind. Wij
-bespeurden hier groote warmte in huis en werden geplaagd van ongedierte.
-</p>
-
-<p>
-Op den 19 October (N<sup>o</sup> 25.) gingen eenige mannen en vrouwen in den
-ochtendstond, bij goed weêr, met twee vrouwe-schuiten (in de taal der Wilden
-<i>koene booten</i> genaamd) in zee, om mijn achtergebleven volk uit de
-voornoemde spelonken te halen. Intusschen geraakte ik met mijn&rsquo; Stuurman
-in slaap, drie uren lang. Wij bevonden ons na den slaap vrij wat verkwikt. Des
-avonds, om half vier ure, kwam mijn achtergebleven volk, bestaande in dertien
-man, met de vrouwe-schuiten bij ons. Wij waren van weêrzijde hartelijk blijde.
-Zij zeiden mij, dat J<small>AN</small> W<small>IT</small>, die drie jaren met
-mij gevaren had, na de overvaart om de steile klip (gelijk voorheen gezegd is)
-niet bij hen was gekomen. Zij wisten niets van hem. Voorts kregen deze dertien
-man dezelfde verkwikking, welke wij genoten hadden; doch, vermits zij niet
-doornat waren, werden zij, na zich alvorens gewarmd te hebben, zonder
-honden-vellen, bij ons gebragt. Wij verhaalden hun ons doorgestaan lijden,
-sedert wij door de Wilden waren afgehaald geworden. Nu verheugden wij ons te
-zamen, dat wij, na drie weken alle mogelijke gevaar en lijden onder den blooten
-hemel doorgestaan te hebben, zoo verre geholpen waren.
-</p>
-
-<p>
-Na drie dagen lang bij de Wilden vertoefd en alle bedenkelijke vriendschap van
-hen genoten te hebben, reisden wij, den 22 October (N<sup>o</sup> 26.) des
-morgens, vijftien man in getale, onder het geleide van twee Wilden, over eene
-groote vlakte om de Noord, alwaar wij des namiddags aan den zeekant twee huizen
-vonden. Hier ontmoette ik tot mijne groote blijdschap, mijnen vriend
-A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> met eenige manschappen, die, gelijk
-gezegd is, op den 11 October met zijne ijsschots van mij was afgedwaald. Ik
-verstond van hem, dat hij in den avond van den 11 October op zijne ijsschots
-voor de woningen der Wilden was aangeland, waar de Wilden hem te hulp waren
-gekomen. Hij verklaarde, mij niet meer te kennen, zoodanig was ik, gedurende
-den tijd van acht dagen, waarin hij mij gemist had, door mijn omzwerven en
-doorgestane ellende veranderd. Maar, toen hij vernam, wat wij in dien tijd van
-acht dagen hadden uitgestaan, deed het hem geen wonder, ons in dien toestand te
-ontmoeten. Hier kreeg ik mijn horologie weder, dat ik hem, een&rsquo; tijd lang
-geleden, had gegeven, bij gelegenheid, dat ik doornat was van zout water. Den
-nacht sleten wij hier gezamenlijk in de woning dezer Wilden, welke nog
-ongedoopt waren. Ook kregen wij iets van hun armoedig voedsel, zoo dat ik de
-liefde der Wilden, aan ons bewezen, niet genoeg kan roemen.
-</p>
-
-<p>
-Den 23 October (N<sup>o</sup> 27.) verdeelden wij ons des morgens in partijen,
-van drie, vier en vijf man, zijnde hier geen voorraad van spijze voorhanden.
-Des namiddags gingen wij met vrouwe-booten op reis. Mij, benevens vier man,
-viel het lot te beurt binnen <i>Kaap Vaarwel</i> door, mijnen Stuurman
-J<small>ENS</small> J<small>ESSEN</small>, desgelijks met vier man op <i>Kaap
-Vaarwel</i> te trekken en de overige werden in de woningen, waarin wij ons
-bevonden, verdeeld. Des avonds kwam ik binnen <i>Kaap Vaarwel</i>, alwaar ik
-een huis vond, waarin zes woonplaatsen afgeschut waren. Wij waren daar met
-mannen, vrouwen en kinderen een en twintig zielen sterk. Wij bleven vier dagen
-bij deze ongedoopte Wilden, die ons zeer vriendelijk bejegenden, en ons zooveel
-voedsel van Robbe-vleesch gaven, als zij konden missen. Wij konden wel meer
-Robbe-spek krijgen; doch daaraan moesten wij eerst door grooten honger
-gewennen, om het te kunnen verdragen. De Robbe-lever en nieren smaakten ons
-wel. Het zout ontbrak ons eeniglijk.
-</p>
-
-<p class="center">
-<i>De Huizen en Levenswijze der Wilden</i>
-</p>
-
-<p class="noindent">
-zijn als volgt:
-</p>
-
-<div class="fig" style="width:100%;">
-<img src="images/img02.jpg" width="500" height="337" alt="[Illustration]" />
-</div>
-
-<p>
-De huizen hebben de gedaante van de letter T. BB is de lengte, b.v. 100 voeten,
-dan is de breedte 16 en de hoogte 8 voeten. Zij zijn gebouwd van zwart potleem.
-De muren zijn naar gissing dik 3 voeten, het dak met sparren is een weinig
-schuins gelegd en met zwarte aarde overgepleisterd. Voorts is het met
-Zeehonden-vellen digt gemaakt. De streep van A tot C verbeeldt den gang, die
-naar het huis loopt. Dezelve is 14 voeten lang en zoo laag, dat men er op
-handen en voeten door moet kruipen, om in het huis te komen. De twee openingen
-tot den gang zijn bij de letters DD en de daarbij geplaatste stipjes. In het
-huis zelf kan men regt overeind gaan. Het is afgedeeld met schermen van
-Robbe-vellen van ongeveer 5 voeten hoogte en 7 voeten lengte. Het overige
-gedeelte der ruimte langs het huis heen voor alle deze zes afgeschutte
-woonplaatsen langs is met steenen belegd, waarop zij hunnen arbeid verrigten,
-hebbende ter wederzijde van den langen gang één venster nevens de stipjes in
-den winkelhoek van de T. Ieder venster heeft 3 voeten in het vierkant. De
-glazen zijn gedroogde en aan elkander genaaide Zeehonds-darmen. Aan het einde
-van dezen gang is nevens A een rond gat, waardoor zij de schuitjes uit en in
-huis steken. Ook worden dezelve binnen &rsquo;s huis vervaardigd op de met
-steenen belegde plaats, die voor de schermen langs loopt. Hunne lampen zijn van
-eenen uitgeholden steen gemaakt, waarin zij traan branden, zijnde de pitten van
-mos. Ook maken zij zelve potten van zwarte aarde, die zij met traan en mos
-vullen, bekleedende zulks de plaats van een vuur, waarover zij koken. Deze
-vuurpot hangt voor hunne slaapplaats, waarover zij in eenen kleinen pot hun
-Robbevleesch en Visch koken. Hunne lampen geven goed licht, maar het een en
-ander veroorzaakt veel stank in huis, vermits alle rook den gang uit moet,
-langs welken zij in huis gaan of kruipen. Zij hebben geen&rsquo;
-schoorsteen&mdash;dus is het zeer benaauwd in huis. Door den langen gang in
-huis komende, vindt men aan de eene zijde van het <i>Huis</i> of <i>Poortje</i>
-zonder deur eene door hen zelve vervaardigde ton met loopend water, waarin een
-stuk ijs staat, om het koel en smakelijk te houden. Dit is hunne drank, waarop
-zij zeer gesteld zijn. Aan de andere zijde van dit Poortje staat eene groote
-balie met hun eigen water of <i>urine</i>. Mannen, vrouwen en kinderen zijn
-gewoon zich alle avonden in dat stinkende water te wasschen. De vrouwen binden
-het haar, daarmede gewasschen, in een&rsquo; top op het hoofd te zamen. Zij
-zijn klein van statuur, doch in &rsquo;t gemeen zijn de vrouwen grooter dan de
-mannen. De mannen zijn platachtig van aangezigt en neus, en bruin van tint,
-hebbende in &rsquo;t gemeen bruine oogen en geenen baard, dien zij, naar men
-zegt, uitplukken. Doch ik heb zulks niet gezien. Mannen en vrouwen hebben deels
-lang bruin of zwart grof haar. Hunne tanden zijn wit. Ouders en kinderen liggen
-door malkander met een ruig honden-vel overdekt, zijnde hetzelve als een deken
-gevormd. Bij vermeerdering van gezin wordt de slaapplaats met vellen afgeschut.
-Staande dat tijdstip zijn de mannen en kinderen verwijderd. Zulk eene vrouw
-gaat gemeenlijk met drie a vier dagen weder aan haar werk. Steenpuisten zijn
-hun voornaamste ongemak. Kinderpokjes kennen zij niet. Van andere ziekten onder
-hen weet ik niet. De dooden worden in een vel of vacht genaaid en dadelijk met
-alle de gereedschappen, waarmede zij den kost plagten te winnen, onder de
-steenen begraven. Zij schreijen alle morgens en alle avonden een vierde uur
-lang over de afgestorvenen en wel met tranen. Daarna zijn zij vrolijk en leven
-zeer vreedzaam. Zij zingen niet. Spreken en lagchen is hun vermaak. In den
-zomer slaan zij hunne tenten op langs de kust. Dan komen zij bij elkander,
-bedrijven vreugde, huppelen en springen en leggen in hunne eenvoudigheid groote
-vergenoegdheid aan den dag. Schoon de zindelijke mensch groote morsigheid in
-hunne levenswijze opmerkt, ziet men in tegendeel, dat zij veel vernuft bezitten
-in het konstig maken van hunne kleederen, in het bereiden der vellen en in de
-wijze, waarop zij hunne kleederen naaijen. Op de nevensgaande Kaart ziet men
-eenen Wildeman in zijn schuitje afgebeeld. Dit stuk is bewonderenswaardig.
-Hetzelve ligt, als de Wildeman er in zit, met het middelste gedeelte, 4 duimen
-boven water. Hij heeft de zwarte <i>halve geut</i> (of run) A in zijn&rsquo;
-regterhand nevens het hoofd. B verbeeldt den pijl, waaraan nog drie kleine
-pijltjes (of harpoentjes) beneden aan de schacht zitten. C verbeeldt een
-blaasje, dat op den pijl vastgemaakt is. De Wildeman is zoo sterk en geschikt,
-dat hij, op eenen verren afstand, met zijne regterhand den pijl B wegschiet uit
-de <i>halve geut</i> (of run) A, en den vogel treft. Is het misgeschoten, dan
-drijft de pijl B op het water aan het blaasje C, hetwelk aan den pijl is
-vastgemaakt. Hij schiet den pijl over den mast van een schip heen. D is een
-pijl of harpoen, welks punt in den voorsteven van het schuitje rust. Het ander
-einde rust op een tafeltje, dat drie pootjes heeft, waarop de lijn G in goede
-orde in bogten is gelegd. Deze lijn is van een Robbe-vel vervaardigd en zeer
-kunstig in het rond uitgesneden. Dezelve is vastgemaakt aan den langen harpoen
-en het ander einde aan de blaas E, welke door een houtje, als eene veer, op het
-schuitje achter den Wildeman wordt vastgehouden. Zoodra de Wildeman met den
-langen harpoen D eenen Zeehond (of Rob) schiet, dan loopt de lijn van het
-tafeltje en rukt de blaas E van het schuitje of onder de houten springveêr H
-weg, hetwelk zoo kunstig is gemaakt, dat, slipte de blaas niet goed van het
-schuitje, zoo zoude hetzelve in wanorde komen en de Wildeman zou moeten
-verdrinken. Nadat de Rob moê of afgemat is, slepende de blaas E achter zich,
-wordt hij gevangen en voorts afgemaakt. De blaas E is een welbereid Robbevel,
-of een geheele Rob, zeer kunstig bereid en voorzien met eene beenen <i>bus</i>,
-welke daarin vastgemaakt is, en waardoor een gaatje loopt, waardoor zij de
-blaas vol wind blazen, er een pennetje in stekende, om er den wind in te
-houden. Zij komen met hunne welgemaakte schuitjes (hoedanige ik op bladz. 25
-beschreven heb) zelfs bij stormachtig weêr bij onze schepen in zee, wanneer wij
-genoodzaakt zijn, om voor klein zeil te zeilen. De zee spoelt gedurig op hunne
-zitplaats over het schuitje heen. Zij liggen als een vogel op zee, zoo wel en
-luchtig zijn dezelve gemaakt. Eén man kan zulk een schuitje dragen. Hoe vlug
-deze Wilden zijn, kan men daaruit opmaken, dat zij, zittende in het schuitje
-(zie de figuur) zich met hetzelve in het water kunnen kantelen en zeer snel met
-den riem F weder oprigten, of liever, zij tuimelen met het schuitje eenen slag
-in het rond, hetwelk eene verwonderenswaardige vertooning oplevert. I is een in
-zee zwemmende Zeehond of <i>Rob</i>.&mdash;F is de roeispaan, welken zij met de
-linkerhand vasthouden, liggende dwars over het schuitje heen. Aan de einden van
-het schuitje is een beenen knopje en aan de voorstevens een stukje been,
-hebbende ten doel, om het schuitje tegen het aanstooten van het ijs te wapenen.
-Al dit kunstwerk is zeer bewonderenswaardig. Hunne schuitjes zijn zoo geschikt,
-om er in onstuimig water mede te werken, dat geen bouwmeester hier te lande in
-staat is, iets dergelijks van leder zoo waterdigt te maken. Hunne welbereide en
-zeer kunstig genaaide kleederen zijn even verwonderenswaardig.
-</p>
-
-<p>
-Ik vond in de valleijen van het gebergte boompjes, doch niet hooger dan
-ongeveer 10 voeten, zonder vrucht, sommige lage boompjes (of heesters) met
-blaauwe bessen. Des morgens gaan de mannen met hunne voornoemde schuitjes naar
-zee op de Robben- of Zeehonden-vangst, en, des avonds komen zij weder
-t&rsquo;huis. Dan halen de vrouwen de gevangene Robben op het land, snijden ze
-in lange reepen en deelen daarvan mede aan hunne kinderen, gelijk wij er mede
-onze portie van kregen. Hiervan eten zij met smaak en het bekomt hun ook wel.
-Wij, door grooten honger geperst, gebruikten er desgelijks van, vermits wij
-niets anders konden krijgen. Doch het bragt bij ons een&rsquo; fellen buikloop
-te weeg, waardoor wij ongemeen verzwakten. Aangezien wij door den traan zeer
-morsig waren, vonden wij ons genoodzaakt, om ons met het voornoemde stinkende
-water uit de balie te wasschen, welks stank en sterkte wij ter naauwernood met
-neus en oogen konden verduren. Doch wij gingen, na het wasschen, naar buiten en
-wieschen ons vervolgens met water en sneeuw af, hetwelk ons dan weder frisch
-maakte. Zoo moesten wij ons aan hunne levenswijze gewennen. Dit gebeurde binnen
-<i>Kaap Vaarwel</i> op 60 gr. 15 minuten N. Breedte. Uit hoofde van het slechte
-weder moesten wij hier met de te voren genoemde vier dagen, in het geheel
-vijfentwintig dagen doorbrengen.
-</p>
-
-<p>
-Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij tabak voor
-mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van nabij, het zij op eenen
-verren afstand, Christenen op deze kusten moesten wonen. Op sterk aanstaan
-besloten zij eindelijk hiertoe en namen de moeijelijke reis met hunne snel
-varende schuitjes aan. Zij gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik
-gebruikte daartoe een wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met
-vermelding van mijnen toestand, met Robbenbloed.
-</p>
-
-<p>
-Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde van eene
-gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een geschenk. Hierop gingen
-zij naar de volkplanting op reis.
-</p>
-
-<p>
-Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat
-Kommandeur M<small>ARTEN</small> J<small>ANZEN</small> en
-J<small>ELDERT</small> J<small>ANS DE</small> G<small>ROOT</small> bij hem
-waren geweest. Zij waren gelukkig om <i>Kaap Vaarwel</i> met twee vrouwe-booten
-heengekomen.
-</p>
-
-<p>
-Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 uren 20
-mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een eind weegs zij
-konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van drie dagen, weder
-terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat zij iets voor ons hadden en
-droegen hunne schuitjes naar hunne woning, waaruit zij mij, uit het
-achtereinde, eenen brief, benevens pennen, inkt, papier en tabak overreikten.
-Dit alles kwam van eenen Hernhutter met name J<small>AN</small>
-S<small>IBRANDS</small>. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door
-een&rsquo; Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. Dezelve
-is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij tevens
-vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, wegens gebrek
-aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor in plaats Robbenbloed
-met zout water gekookt, hetgeen ons echter in &rsquo;t geheel niet voldeed.
-</p>
-
-<p>
-De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede Wilden
-bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer de gelegenheid
-gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht weêr en harde vorst
-bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog tot den 19 October
-(N<sup>o</sup> 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed weder, met eene
-vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen en vrouwen, die deels
-in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes nevens ons roeiden, vertrokken.
-Des avonds waren wij bijna dood gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij
-andere Wilden om de Noord behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te
-verstaan, dat hij een Christen was, met name L<small>ODEWIJK</small>. Hij bragt
-ons in den nacht in zijn huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven
-maaksel. In dit huis woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles
-met verwondering. Aan een&rsquo; pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik
-onder andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten
-hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan denzelfden
-pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche <i>Courant</i>. Een mijner
-vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, tot mijn innig leedwezen, dat
-mijn zwager, Kapitein K<small>ORNELIS</small> H<small>IDDES</small>, van
-<i>Amsterdam</i> uitgevaren naar de <i>Middellandsche Zee</i>, door den
-<i>Turk</i> genomen, en te <i>Larassy</i> in <i>Turkije</i> opgebragt was. Dit
-verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder
-J<small>AN</small> S<small>IBRANDS</small> bij mij in huis en verwelkomde mij
-met groote liefde. Hij nam mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande,
-van steenen gebouwd was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw
-reinigde mij van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer
-verkwikte. Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren,
-hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de streelende
-gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te beurt viel! Dit is in
-waarheid onbeschrijfelijk.&mdash;Eerst verwelkomden zij mij met een glaasje
-<i>liqueur</i>, daarna in den nacht met melkspijs, welke wij met zilveren
-lepels aten&mdash;vervolgens sliep ik op een zacht bed van veren.&mdash;Ach!
-hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens den goeden
-barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade geleid had. Ik genoot
-dezen nacht goede rust.
-</p>
-
-<p>
-Op den 20 November werd ik des morgens bij het opstaan, onthaald op een kopje
-koffij met eene boterham.&mdash;Nu naar alles vragende, verhaalden zij mij, wie
-daar al van tijd tot tijd geweest waren. Ik deelde hun hierop het verhaal
-mijner lotgevallen, tot hiertoe, mede. Zij namen zeer veel deel in ons
-wedervaren. Deze volkplanters betoonden ons Christelijke vriendschap, doch deze
-overtrof in geenen deele het onthaal, hetwelk wij genoten hadden bij de arme
-Wilden, bij welke wij het eerst waren aangeland. Hier zullen ongeveer twee
-honderd gedoopte menschen zijn geweest. De Duitsche broeder J<small>AN</small>
-S<small>IBRANDS</small> verhaalde mij, dat hij, vierendertig jaren geleden, met
-zijne vrouw, door Kommandeur I<small>TS</small> A<small>LDERTS</small> van
-<i>Amsterdam</i> derwaarts gebragt was. Hij had een aantal schapen. Het land
-was aan den benedenkant van het gebergte vlak en groen. Ik onthield mij hier
-drie dagen lang met veel genoegen. Hem verzoekende, of ik aldaar met mijne vier
-mannen, gedurende den winter zou kunnen blijven, vermits wij niet verder om de
-Noord meenden te kunnen reizen, weigerde hij zulks, oordeelende het beter te
-zijn, dat wij ons verder Noordwaarts op naar <i>Juliaans Hoop</i> begaven,
-zijnde een <i>Deensche</i> volkplanting op 61 graden. Ik kreeg van deze
-Hernhutters mijn horologie weder, dat zij van de Wilden, aan welke ik het ten
-geschenk had gegeven, ingeruild hadden tegen tabak, schietgeweer, spelden en
-naalden. Deze Hernhutters voorzagen ons voorts van leeftogt voor zeven dagen.
-</p>
-
-<p>
-Den 21 November (N<sup>o</sup> 29.) gingen wij op vrouwe-booten op reis,
-vergezeld van Christen-wilden, namelijk één man en eenige vrouwen, en voorts,
-tot hulp en gezelschap, nog twee mannen, ieder in een afzonderlijk schuitje. Na
-eene reis van zeven dagen bereikten wij de voornoemde volkplanting <i>Juliaans
-Hoop</i>.
-</p>
-
-<p>
-Op den 28 November kwamen wij bij den Koopman A<small>NDRIES</small>
-O<small>ELZEN</small>. Wij hadden, gedurende deze reis van zeven dagen, ons
-nachtverblijf bij Wilden, die geene Christenen waren, maar ons vriendelijk
-bejegenden en ons dikwijls van hunne armoede nog iets mededeelden, als
-Robbevleesch en gedroogde spiering. Gedachte Koopman A<small>NDRIES</small>
-O<small>ELZEN</small> was met eene inlandsche vrouw gehuwd. Hij had bij dezelve
-tien kinderen, vijf zonen en vijf dochters, van welke twee zonen en drie
-dochters in leven waren. Hij en één zijner zonen waren zeer ervaren in de
-muzijk, spelende op verscheidene instrumenten. Hij had zesendertig jaren lang
-in <i>Straat Davids</i> geweest. Zoodra ik hem zag, herkende ik hem. Hij was in
-het jaar 1763, toen ik met Kommandeur H<small>ANS</small>
-B<small>ARENDS</small> van <i>Holland</i> voer, met zijne vrouw en kinderen in
-de rivier of baai, <i>de Suikertoppen</i> genaamd, bij ons aan boord geweest.
-Hij herinnerde zich zulks terstond. Ook bragt ik hem te binnen, dat hij
-destijds het behoud van ons schip was geweest. Vermits ons scheepsvolk,
-vermoeid van de Walvisch-vangst, zich ter ruste had begeven, had hij brand in
-den schoorsteen ontdekt, welke alreede zoo ver gevorderd was, dat het dek
-gevaar liep vlam te vatten. Ook dit herinnerde hij zich zeer duidelijk. Het was
-bewonderenswaardig, dat wij elkander na zoovele jaren, op deze wijze
-ontmoetten!&mdash;
-</p>
-
-<p>
-Bij dezen Koopman vonden wij eenige manschap van de andere verongelukte
-schepen, die met vrouwe-booten verder om de Noord dachten te reizen. Bij deze
-bevond zich Kommandeur A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small>. Ik gebruikte
-bij A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> het avondbrood en vernachtte
-aldaar. Hij bejegende mij zeer vriendelijk.
-</p>
-
-<p>
-Op den 29 November (N<sup>o</sup> 30.) ontmoette ik zeven mannen, die voor
-dezen Koopman, langs de kust om de Noord, handel dreven in Vosse- en
-Robbevellen en traan. Ik verzocht den Koopman A<small>NDRIES</small>
-O<small>ELZEN</small>, of ik den winter bij hem zou kunnen doorbrengen. Dit
-werd mij geweigerd, doordien hij gebrek had aan levensmiddelen, en aldaar in
-twee jaren geen schip was geweest met proviant. Toen Kommandeur
-A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small> mij in de volkplanting <i>Juliaans
-Hoop</i> verliet, gaf ik hem twee brieven mede, welke in de maand Junij van het
-volgende jaar beide in het vaderland te regt zijn gekomen. Ik trad vervolgens,
-na overleg met den Koopman, met de voornoemde zeven mannen in onderhandeling.
-Deze wilden mij vier mijlen ver mede terugnemen. Ik zou mij dan zoo lang bij de
-Wilden ophouden, tot dat de overige manschap van hier vertrokken zou zijn. Zij
-wilden mij dan naderhand van de plaats, waarheen zij voornemens waren ons nu te
-brengen, weder afhalen. Toen ontzonk mij de moed. Ik moest met mijne vier
-mannen van de Christenen weder terug naar de Wilden, die ons vervolgens tien
-dagen lang, in hunne woning, met Robbenvleesch en Spek, waarbij wij niet dan
-met veel tegenzin het leven rekten, onderhielden.
-</p>
-
-<p>
-Den 9 December (N<sup>o</sup> 31.) schreef ik eenen brief aan voormelden
-Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> in de Kolonie <i>Juliaans
-Hoop</i>, waarin ik hem verzocht, om voor mij aan den Hernhutter
-J<small>AN</small> S<small>IBRANDS</small> te schrijven, of ik bij dezen niet
-zou kunnen overwinteren, aangezien ik hier den winter niet kon doorkomen. Na de
-ontvangst van dezen brief zond Koopman O<small>ELZEN</small> mij dadelijk
-zijnen zoon en dochters en meer anderen, die mij en mijn volk van daar
-afhaalden.
-</p>
-
-<p>
-Wij kwamen den 10 December voor de tweedemaal in het huis van Koopman
-A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>. Kommandeur A<small>LBERT</small>
-J<small>ANS</small> was toen met zijn volk om de Noord vertrokken, zijnde
-Kommandeur H<small>ANS</small> C<small>HRISTIAAN</small> J<small>ASPERS</small>
-daar gebleven. Hier kon ik nu, op aanbod van Koopman A<small>NDRIES</small>
-O<small>ELZEN</small>, bij hem den winter doorbrengen, zijnde de voornoemde
-manschap vertrokken, onder voorwaarde, dat ik des middags Robbevleesch voor
-lief zoude nemen, zullende hij mij tot avondeten vaderlandschen kost, te weten,
-gebroken gort en witte erwten, voordienen. Ik nam zulks met blijdschap aan, en
-verdeelde mijne manschap onder de Wilden, die zich met derzelver kost moesten
-vergenoegen.
-</p>
-
-<p>
-Terwijl ik intusschen kennis maakte met de arbeiders in de volkplanting, welke
-wekelijks hun rantsoen vaderlandschen kost van den Koopman ontvingen, kocht ik
-zulks van hen, onder voorwaarde, dat ik hen, te <i>Kopenhagen</i> komende,
-zoude voldoen. Dit stelde mij in staat, om mijn volk alle Zon- en Woensdagen
-bij mij ten eten te vragen, om hen op voornoemden voorraad te onthalen.
-</p>
-
-<p>
-De Kolonisten wetende, dat Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>
-nog een vaatje bier in zijn&rsquo; kelder had, verlangden zeer, om daarvan eens
-te proeven, zeggende, dat mij zulks ook wel zoude smaken;&mdash;doch de
-kelderdeur bleef gesloten. Maar op den 11 Januarij 1778 (N<sup>o</sup> 32.)
-vierde de zoon van A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>, die met een
-inlandsch meisje ging trouwen, zijne bruiloft. De trouwplegtigheid werd
-waargenomen door eenen inlandschen Kandidaat, die desgelijks met eene
-inlandsche vrouw gehuwd was en aldaar woonde. Vóór deze bruiloft riepen deze
-Kolonisten mijne tusschenkomst in ter verkrijging van eenen dronk biers. Ten
-einde zulk te bewerken, verzocht ik den Koopman verlof, om ons op de bruiloft
-vrolijk te mogen maken, hetwelk hij mij met blijdschap toestond.
-</p>
-
-<p>
-Bruidegom, Bruid, Kandidaat en Vrienden kwamen nu met muzijk ter bruiloft, en
-begonnen eenen vrolijken wilden dans. Het huis was van binnen vervuld en van
-buiten omringd met vrolijk gezelschap, en, bij die gelegenheid werd het vaatje
-bier uit den kelder gehaald. Op deze wijze kreeg elk eenen dronk bier ter eere
-van het jonge paar. Zeer toevallig kwamen in den voornacht drie Wilden met
-hunne schuitjes van de volkplanting <i>Frederiks Hoop</i>, (alwaar het
-Proviantschip van den Koopman, op eenen afstand van 30 mijlen om de Noord,
-bevroren lag) brengende mede eenige ponden suiker, koffij en thee, welke den
-Koopman, het jonge paar en ons allen zeer te stade kwamen. Zij hadden in langen
-tijd niets van dien aard gehad. Thans werd de koffij spoedig gebrand en
-gebruikte men op de bruiloft koffij en thee met boterhammen, hetwelk ons
-ongemeen verkwikte en vervrolijkte.
-</p>
-
-<p>
-Wij bragten den winter, na zooveel doorgestane ellende, op <i>Juliaans
-Hoop</i>, met zooveel opgeruimdheid, als mogelijk was, door. Des nachts zagen
-wij de schoonste vertooning van het afwisselend en spelend Noorderlicht
-(N<sup>o</sup> 41.) dat zich zoo wonderbaarlijk met alle kleuren aan het oog
-opdoet, dat geene pen in staat is, zulks te beschrijven; zijnde het voor
-menschen, die er niet aan gewoon zijn, zeer schrikbarende.
-</p>
-
-<p>
-Waarschijnlijk ontstaat het Noorderlicht door de wederomkaatsing van het glad
-in zee omdrijvend ijs, hetwelk op 71 gr. 30 min. en verder Noordwaarts op naar
-de pool gevonden wordt en door stroom en wind in eene sterke beweging is, daar
-het in de lucht uitstekende hoog ijsgebergte met alle zijne zeer diepe dalen en
-blinkende brandpunten zich in de lucht spiegelt en zich, rondom de Noordpool
-des hemels, in de vloeibare deelen vertoont; welke spiegelende en spelende
-vertooning zich misschien ook wel gedeeltelijk aan ons oog opdoet, doordien de
-aarde zich alle 24 uren zeer snel om hare as wentelt.
-</p>
-
-<p>
-Dit althans is proefondervindelijk. Wanneer men in <i>Groenland</i> van rondom
-in het ijs is ingevroren, en geen water kan zien, dan ontdekt men de gaten,
-welke, groot of klein, zonder dat men dezelve kan zien, op eenen afstand van 1,
-2, 3 ja van 10 mijlen enz. in het ijs scheuren, op gelijke wijze aan de lucht,
-als dezelve natuurlijk in het ijs zijn.
-</p>
-
-<p>
-Gedurende dezen winter lag het ijs bestendig aan het land aangesloten tot aan
-de maand Mei, zoo dat het proviant-schip niet bij ons kon komen, hetwelk 30
-mijlen van ons om de Noord lag ingevroren, maar in het laatste van Junij
-ontving onze Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> op
-<i>Juliaans Hoop</i> eenen brief van Koopman K<small>AREL</small>
-B<small>RUIN</small> van de Kolonie <i>Frederiks Hoop</i>, waarin deze hem
-meldde, dat 16 mijlen benoorden ons twee vrouwe-schuiten (of <i>koene
-booten</i>) lagen, welke hij met levensmiddelen naar ons had afgezonden, en
-welke Koopman O<small>ELZEN</small>, wanneer de gelegenheid zulks toeliet, van
-daar moest laten afhalen. Ook berigtte hij, dat het proviant-schip nog tusschen
-het land en het ijs in zijn gezigt lag, met bestek, om de reis naar <i>Juliaans
-Hoop</i> voorttezetten. Wij bragten daarop de Noordsche Jol van onzen Koopman
-in gereedheid en H<small>ANS</small> C<small>HRISTIAANS</small> en ik voeren
-beide mede tot hulp. Na verloop van vijf dagen kwamen wij op eene plaats,
-alwaar wij voornoemden Koopman B<small>RUIN</small> dachten te vinden; doch wij
-ontvingen berigt, dat Koopman K<small>AREL</small> B<small>RUIN</small> den
-voorgaanden dag met twee geladene koene-booten terug was gegaan naar de Kolonie
-<i>Frederiks Hoop</i>. Wij achtervolgden hem, en, na verloop van nog vier dagen
-(zijnde naar gissing de 9 Julij (N<sup>o</sup> 33.) kwamen wij bij den Koopman
-K<small>AREL</small> B<small>RUIN</small> in de Kolonie <i>Frederiks Hoop</i>,
-vindende daar tevens het Proviant-schip, dat anderhalf jaar in dit land was
-geweest, vermits het, uit hoofde van de bezetting van het ijs, de proviant niet
-ter bestemde plaats had kunnen vervoeren. Wij verblijdden ons hartelijk, dat
-wij het schip bereikt hadden, en hoopten met het genoemde vaartuig dit jaar
-naar het vaderland te kunnen terugkeeren.
-</p>
-
-<p>
-Vóór het ontvangen van boven genoemden brief door Koopman
-A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> gebeurde nog het navolgende.
-Omtrent het midden van Maart, ging ik, met eenige van mijne manschap, onder het
-geleide van gedoopte wilde mannen en vrouwen met eene <i>koene-boot</i> of
-vrouwen-schuit naar <i>Juliaans Hoop</i> met proviant voor veertien dagen, om
-den overgrooten honger van mijn achtergebleven volk, die zes mijlen Zuidelijker
-geplaatst waren eenigzins te gemoet te komen. Dit was voor <i>ons</i> een zeer
-aandoenlijk tooneel. Aldaar komende vond ik vijf man in getale, die van harte
-gezond waren, maar door den honger zoodanig verzwakt, dat slechts drie hunner
-nog eenigzins konden loopen, terwijl de twee andere bij de ongedoopte Wilden in
-huis op handen en voeten kropen. Toen wij elkander zagen, schreiden wij van
-overgroote blijdschap na zooveel doorgeworsteld lijden. Het is mij niet
-mogelijk de aandoeningen te beschrijven, die onze harten overstelpten, en ik
-kon mij over de gretigheid, waarmede zij, als geheel uitgehongerd zijnde, naar
-het voedsel, dat ik hun toereikte, grepen, niet genoeg verwonderen. Zij
-verzochten mij, om den nacht bij hen te blijven, maar wij waren genoodzaakt, om
-zulks te weigeren, vermits, naar ons inzien, het ijs den volgenden dag onze
-terugreize had kunnen beletten. Na hun moed en troost te hebben toegesproken,
-namen wij een zeer aandoenlijk afscheid, met belofte, dat, zoodra wij op
-<i>Juliaans Hoop</i> leeftogt ontvingen van een schip, dat 30 mijlen om de
-Noord van ons af lag, ik hun daarvan, zooveel mogelijk, zoude toezenden, en
-tevens, dat ik alle pogingen zoude aanwenden, dat wij met hetzelve schip naar
-ons vaderland terugkeerden. Vervolgens namen wij met ons gezelschap de
-terugreize weder aan.
-</p>
-
-<p>
-Twee dagen voor mijn vertrek van de Kolonie <i>Juliaans Hoop</i> (N<sup>o</sup>
-29.) kwamen twee Wilden, die mij het eerst (gelijk voorheen gezegd is, 17 en 18
-October), op <i>Statenhoek</i>, naast God, het leven gered hadden, bij den
-Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> en berigtten hem, dat zij
-nog éénen man van mijn volk hadden gevonden, die nog gezond was. De Koopman
-vroeg mij hierop, of er nog van mijn volk achtergebleven waren, waarop ik hem
-berigtte (zoo als 12 October gemeld is) dat één van mijn volk aldaar gestorven
-was en een ander beproefd had, om over het hoog gebergte heen te klimmen, van
-welken ik tot hiertoe niets had vernomen, en dat eindelijk een derde, met name
-J<small>AN</small> W<small>IT</small>, bij het overbrengen om de steile klip
-(zoo als ik den 17 October verhaald heb) vermist werd. Ik verblijdde mij,
-denkende, dat de man, nopens welken de Wilden berigt bragten,
-J<small>AN</small> W<small>IT</small> zoude wezen. Ik verzocht daarop den
-Koopman A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small> om een weinigje tabak en
-schreef eenen brief, dien ik aan J<small>AN</small> W<small>IT</small>
-adresseerde. Het een en ander zond ik met deze Wilden naar hem toe. De Wilden,
-bij hem komende, gaven hem den brief, met het weinigje tabak, dat hem
-verkwikte. Maar helaas! hij kon den brief niet lezen en dus bleef de inhoud hem
-onbekend. Naderhand ontdekten wij, dat het J<small>AN</small>
-W<small>IT</small> niet was, zijnde het de man, die (zoo als op den 12 October
-gezegd is) van ons over het hooge gebergte was gegaan, en dien wij alreede in
-het ijsgebergte verloren hadden geschat. Na verloop van twee dagen wandelde die
-man bij de woning dier Wilden om en zag drie mannen in eene vrouwe- of
-koene-boot met de Wilden bij hem aan land komen. Hij verwelkomde dezelve en
-verstond, dat zij van het verongelukte schip van Kommandeur
-K<small>ASTERKOM</small> waren. Zij verhaalden hem, hoeveel zij door honger en
-koude geleden hadden, doordien hunne Wilden gebrek aan voedsel hadden. Zij
-vroegen hem, hoe hij daar gekomen was? Hij antwoordde hierop: met Kommandeur
-K<small>AT</small>, vermoedende voor het overige, dat deszelfs togtgenooten wel
-al dood zouden zijn, nademaal zij, wegens de diepte, om het steil gebergte niet
-heen konden komen; zijnde hij van hen afgegaan en over het hoog gebergte heen
-gewandeld. Zeven dagen had hij in hetzelve doorgebragt, zijnde hij eindelijk
-hier gekomen, na veel lijden te hebben doorgestaan.
-</p>
-
-<p>
-Hij verblijdde hen met te zeggen: ik heb eenen brief met een weinigje tabak
-ontvangen, maar ik kan niet lezen en weet dus niets van deszelfs inhoud. Zij
-lazen hem toen den brief voor, waaruit zij verstonden, dat dezelve door
-H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> geschreven was,
-wordende daarin gemeld, hoe hij zich te gedragen had, om bij dezen te komen.
-Dit was voor hen allen eene blijde tijding, hetwelk zij met vreugde-tranen aan
-den dag legden, daar hun zulks nieuwe hoop gaf, om eindelijk eens weêr te regt
-te komen.
-</p>
-
-<p>
-Kort voor mijn vertrek van <i>Frederiks Hoop</i> kwam deze man, met de boven
-genoemde drie mannen, die bij hem waren, bij mij, waarover wij ons zeer
-verheugden. Nu vernam ik, dat het J<small>AN</small> W<small>IT</small> niet
-geweest was, maar de man, die (zoo als ik den 12 October gemeld heb) van ons
-was gegaan over het hoog ijsgebergte. Hij verhaalde mij, dat hij, onder het
-verduren van honger, koude en wanhoop, ja somtijds in volslagene magteloosheid,
-zeven etmalen in het ijsgebergte omgezworven had, hebbende bij wijlen op de
-ijsbergen of op de klippen in de sneeuw uitgerust, als zijnde dezelve
-grootendeels met ijs en sneeuw bedekt. Hij had in dien tijd nu en dan aan den
-oever van de zee, of de rivier, voedsel gevonden, te weten Mosselen; waarop hij
-zich, ten langen laatste, geheel afgesold, op het strand had nedergezet, om te
-sterven.&mdash;Op dit oogenblik had hij iets, in de gedaante van eenen vogel,
-op de rivier gezien, dat op hem afkwam. Ziende, dat het een Wildeman in zijn
-schuitje was (iets, hetwelk hij nooit voorheen gezien had) had hij het ergste
-gevreesd. Toen deze Wilde bij hem aan den wal kwam, had hij hem, uit vrees van
-gewelddadig aangevallen te zullen worden, eenen zijden halsdoek toegereikt,
-dien deze had aangenomen. Hierop was zijne vrees in vreugde veranderd. Deze
-goede Wildeman had hem opgerigt, ondersteund en in zijn huis geleid, dat,
-buiten zijn weten, in zijne nabijheid, in het klipachtig gebergte stond. Zij
-bewezen mij (vervolgde deze man) alle liefde, gaven mij van hun voedsel en
-verwarmden mij. Hier bleef ik tot op het tijdstip, dat ik den brief van u,
-Kommandeur K<small>AT</small>, benevens de hier vermelde hulp ontving. Door
-middel van denzelven ben ik thans bij u.
-</p>
-
-</div><!--end chapter-->
-
-<div class="chapter">
-
-<h2><a name="chap03"></a>Vervolg mijner reize.<br/>
-1778.</h2>
-
-<p>
-Toen ik mij op <i>Frederiks Hoop</i> bevond, ging de boot, die mij daar gebragt
-had, met leeftogt terug naar de Kolonie <i>Juliaans Hoop</i> (N<sup>o</sup>.
-29.). Ik gaf met dezelve eenen brief aan den Koopman A<small>NDRIES</small>
-O<small>ELZEN</small> mede, waarin ik hem voor alle zijne aan ons bewezene
-liefde bedankte; hem tevens verzoekende, om, zoodra mogelijk, mijne dáár
-geblevene manschap met de genen, die nog verder op in leven mogten zijn, naar
-mij toe te zenden, hetwelk hij, in het vervolg van tijd, volbragt heeft.
-</p>
-
-<p>
-Hier op <i>Frederiks Hoop</i> (N<sup>o</sup> 33.) verzocht ik den Koopman
-K<small>AREL</small> B<small>RUIN</small> om, benevens mijn volk, met dit schip
-naar ons vaderland te mogen vertrekken. Ik ontving hierop een gunstig
-toestemmend antwoord. Doordien het ijs tegen den wal aan lag, moesten wij hier
-blijven tot op het einde van de maand Julij. In dien tusschentijd kwam het
-achtergebleven volk bij mij, bestaande in tweeëntwintig man; gedurende dezen
-tijd kregen wij rantsoen, waarbij wij het leven konden houden.
-</p>
-
-<p>
-Omstreeks den 10 Augustus (N<sup>o</sup> 33.) waren wij gereed en zagen wij
-kans, om met het schip zee te kregen. Wij ontvingen tot ons onderhoud voor acht
-weken proviant mede en maakten te zamen een gezelschap uit van tweeëntwintig
-passagiers, buiten de scheeps-equipage. Wij gingen toen op reis. In zee komende
-bevonden wij het ijs twee mijlen van het land, digt aan een gesloten. Om hier
-door te komen laveerden wij langs het ijs om de Noord tusschen het groot
-ijsgebergte door. Met zeer veel gevaar kwamen wij 15 mijlen in de acht dagen
-tijds om de Noord en wel tegen den Noorden-wind in. Ons schip was goed en wel
-bezeild. Eindelijk kwamen wij voor de Kolonie <i>Gorthoop</i> genaamd
-(N<sup>o</sup> 35.). Hier deden wij twee schoten, waarop twee Wilden bij ons
-aan boord kwamen. Wij schreven eenen brief aan den Koopman van die Kolonie,
-dat, bijaldien wij niet door het ijs konden komen, wij voornemens waren daar
-binnen te loopen, in welk geval wij zijnen bijstand verzochten.
-</p>
-
-<p>
-Op den 18 Augustus (N<sup>o</sup> 36.) hadden wij des namiddags mooi weêr,
-kregen eenen zuidelijken wind en zetten toen onzen koers nog 8 mijlen om de
-Noord. Die afgelegd hebbende, kwamen wij den 19 Augustus (no 37.) tusschen het
-ijs en het land door behouden in zee, op vrij water. Nu konden wij onze reis
-doorzetten. Des namiddags zagen wij een Galjas-schip ten westen van ons. Wij
-zeilden er heen en ontvingen het berigt, dat hetzelve met levensmiddelen naar
-de Noord-Kolonien bestemd was. Wij gingen met onze sloep bij hem aan boord en
-kochten eenen kleinen voorraad van suiker, thee en koffij en eenige proviant
-tot onze verkwikking, waarna wij ons afscheid namen. Vervolgens bleven wij
-kruisen tegen den zuiden-wind. Na verloop van eenige dagen kregen wij eenen
-goeden wind, en zetten toen onze reis door. Na drie weken zeilens zagen wij de
-<i>Orkadische</i> eilanden. Toen hadden wij harden wind uit het Zuidwesten tot
-den 9 September (N<sup>o</sup> 38.).
-</p>
-
-<p>
-Den 10 September (N<sup>o</sup> 39.) stevenden wij <i>Hitland</i> voorbij met
-zwaar weêr uit het Westen en West-zuid-westen. Na verloop van drie of vier
-dagen passeerden wij op den 13 September (N<sup>o</sup> 40.) <i>Schagen</i> in
-het <i>Kattegat</i>, en kwamen na verloop van eenige dagen den 18 September op
-de plaats van onze bestemming, te weten <i>Kopenhagen</i>, alwaar ik met mijn
-volk aan den wal stapte en in eene herberg ging. Ik vond daar Kommandeur
-H<small>ANS</small> J<small>OHANNES</small>, die weleer drie jaren lang als
-stuurman met mij van <i>Hamburg</i> gevaren had. Deze bragt mij bij de
-<i>Groenlandsche Directeuren</i>. Ik gaf dezen mijne rekening over van de
-schuld, die ik voor mij en mijn volk in de <i>Straat Davids</i> en in de
-<i>Kolonien</i> gemaakt had. Dezelve ontsloegen mij daarvan ten volle, en nadat
-ik aan deze Heeren alles, wat mij wedervaren was, verhaald had, nam ik
-afscheid; betalende mijne schuld, met hun mijnen dank te betuigen. Voorts ging
-ik met Kommandeur H<small>ANS</small> J<small>OHANNES</small> naar deszelfs
-huis. Ik verhaalde denzelven ook mijne lotgevallen en werd met liefde onthaald.
-</p>
-
-<p>
-Na verloop van twee dagen vertrok ik op den 20 September van daar met een schip
-naar <i>Lubeck</i>, alwaar ik den 22 September met mijn gezelschap aan den wal
-stapte. Den 23 September kwam ik bij mijnen patroon, den Heer D.H.
-R<small>EWOEL</small> te <i>Hamburg;</i> en vervolgens aldaar bij mijnen
-zwager, den Kommandeur C.J. N<small>EY</small> komende, vernam ik, tot mijne
-overgroote blijdschap, dat mijne vrouw met één kind nog in leven en gezond was,
-zijnde een van mijne kinderen in mijne afwezigheid gestorven.
-</p>
-
-<p>
-Daarna kwam ik den 27 September met
-een vaartuig op het eiland <i>Ameland</i> en ontmoette vrouw en kind in goede
-gezondheid. Het is mij onmogelijk deze zielroerende blijdschap te beschrijven.
-De menschen op straat hieven een vreugdegejuich aan en riepen elkander mijne
-terugkomst toe.
-</p>
-
-<p>
-God zij hartgrondig gedankt voor alle onverdiende genade, aan mij
-H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> bewezen!
-</p>
-
-<div class="fig" style="width:100%;">
-<img src="images/img03.jpg" width="127" height="165" alt="[Illustration]" />
-</div>
-
-</div><!--end chapter-->
-
-<div class="chapter">
-
-<h2><a name="chap04"></a>Naberigt.</h2>
-
-<p>
-Men vindt in de beschrijving van J<small>ELDERT</small> J<small>ANZEN</small>
-G<small>ROOT</small>, die op den 10 April 1777 van <i>Amsterdam</i> naar
-<i>Groenland</i> gevaren is, en ten zelfden tijd met Kommandeur
-H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> zijn schip
-tusschen <i>Statenhoek</i> en <i>IJsland</i> verloren heeft (welke beschrijving
-hij, na zijne terugkomst van de <i>Straat Davids</i>, in het licht heeft
-gegeven) schier dezelfde berigten, niet tegenstaande elk hunner zijne
-bijzondere ontmoetingen had bij het verlies van schepen en manschap, en bij het
-verblijf op het ijs en aan den wal. Gemelde J.J. G<small>ROOT</small> teekent
-mede aan, dat de wilde mannen zeer ervaren zijn <i>in</i> en voorkennis hebben
-<i>van</i> den aan- en afloop van het ijs, als mede van weêr en wind, hetgeen
-zoo verre ging, dat men op deze hunne voorspellingen vrij gerust staat kon
-maken. Wijders meldt hij, dat de bekeerde of de gedoopte Groenlanders hunne
-godsdienst-oefening stiptelijk onderhouden, dat zij &rsquo;s morgens niet
-uitgaan, vóór dat zij hun gebed gedaan en eenen Psalm gezongen hebben,
-verrigtende zij des avonds bij hunne t&rsquo;huiskomst wederom hetzelfde. Wij
-bevonden, (zegt hij) dat de Groenlanders, die het verste om de Zuid en zelfs
-aan <i>Statenhoek</i> wonen, de eenvoudigste, de menschlievendste, en de
-gulhartigste zijn. Bij de ongedoopte Wilden bevond men geene godsdienst-kennis;
-maar bij de ongedoopte Wilden konden wij voor een weinigje veel meer inruilen,
-dan bij de gedoopte, zoo dat het Christen-worden dier menschen geene
-mededeelzaamheid heeft aangebragt. Dit verschil was in het oog loopende.
-</p>
-
-<p class="center">
-B<small>ERIGT AAN DEN</small> Z<small>EEMAN</small>.
-</p>
-
-<p>
-De kust van <i>Gale Hamkes</i> 10 a 12 mijlen van land vertoont zich bergachtig
-en hoog; op de breedte van 68 gr. 30 minuten zagen wij geen land meer en niets
-dan ijsbergen, die, met de toppen in de wolken, het land bedekken. Men ziet
-dezelve reeds op eenen afstand van 16 a 18 mijlen. Van gelijken aard vond ik
-naderhand het land op eene N. Breedte van 62 gr. 30 minuten in de <i>Straat
-Davids</i> benoorden <i>Kaap Vaarwel</i>.
-</p>
-
-<p>
-Op 66 gr. zagen wij noch Walvisschen noch Robben noch gevogelte meer. De stroom
-loopt bestendig om de Zuid-west, en toen wij er waren, veel sterker dan
-gewoonlijk, omdat de wind bestendig uit het Noord-oosten woei en met den stroom
-in dezelfde lijn liep.
-</p>
-
-<p>
-De reden, waarom het eene <i>IJsveld</i> veel sneller drijft dan het ander, is
-deze: het ijs is somtijds van 2 tot 6 vademen en meer dik, zijnde de
-<i>IJsbergen</i> somtijds wel 10 a 30 vademen en meer diep. Wanneer
-laatstgemelde nu op droogten of hoog uitstaande blinde klippen vastraken,
-worden dezelve gestopt. Op deze wijze drijft het vlot-ijs de vastgeraakte
-ijsklompen voorbij met meerdere of mindere snelheid naar gelang van den stroom.
-</p>
-
-<p>
-In de <i>Straat Davids</i>, op de N. Breedte van 61 gr. 40 minuten zijn wij,
-tusschen <i>Juliaans Hoop</i> en <i>Frederiks Hoop</i> eene <i>IJsvallei</i>
-voorbijgevaren. Deze was eene halve mijl lang, loopende landwaarts in. Aan deze
-groote vallei lagen de ijsbergen met hunne blinkende toppen in de lucht. Deze
-hooge ijsbergen, welke men vroeger dan het land ziet, zijn een zeer goed
-kenmerk van den weg, dien men in de <i>straat</i> heeft afgelegd. Men ziet
-diezelfde vallei desgelijks ten Oosten van <i>Statenhoek</i>, vermits die
-opening, waarin de vallei ligt, het land doorsnijdt, zijnde eene rivier die,
-naar uitwijzing van de Kaart, van het Oosten naar het Westen loopt. Zoodanig is
-het voorkomen der ijsbergen tusschen <i>Jan Maaijen Eiland</i> en
-<i>IJsland</i> op 68 gr. 30 minuten N. Breedte, zoo als voorheen gezegd is. Op
-mijne vraag, hoe ver zich de woonplaatsen der Wilden om de Noord naar
-<i>Spitsbergen</i> uitstrekken, verstond ik van den Koopman
-A<small>NDRIES</small> O<small>ELZEN</small>, dat dezelve zich zoo verre
-uitstrekken, als men kraaijen of raven aantrof.
-</p>
-
-<p class="center">
-K<small>ORT UITTREKSEL</small>
-</p>
-
-<p>
-Uit het kort doch echt verhaal van Kommandeur M<small>ARTEN</small>
-J<small>ANZEN</small><a href="#fn1" name="fnref1"><sup>[1]</sup></a> wegens het
-verongelukken van zijn schip, genaamd <i>Het witte Paard</i> en van nog negen
-andere schepen door de bezetting van het West-ijs in <i>Groenland</i> ten jare
-1777.&mdash;<i>Leeuwarden</i> bij <i>Tresling</i> 1778.
-</p>
-
-<p class="footnote">
-<a name="fn1"></a> <a href="#fnref1">[1]</a>
-Van dezen Kommandeur wordt op bladz. 42 van dit Dagboek gewag gemaakt. <i>De
-Uitg</i>.
-</p>
-
-<p>
-(In dit verhaal wordt mede gevonden een gedrukte brief van Kommandeur
-H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> aan zijne
-huisvrouwe, geschreven uit <i>Straat Davids</i>. Daar deze echter
-onderscheidene in het <i>Dagboek zelve</i> voorkomende bijzonderheden bevat,
-heeft de uitgever het overtollig geacht denzelven hier mede te deelen. Het
-navolgende <i>kort Uittreksel</i> dient tot nadere bevestiging van het door ons
-medegedeelde Dagboek van den Kommandeur H<small>IDDE</small>
-D<small>IRKS</small> K<small>AT</small>.
-</p>
-
-<hr />
-
-<p>
-&ldquo;Den 17 September (1777) hadden wij harden wind uit het O.N.O. en zware
-kruijing van het ijs, waardoor het schip van Kommandeur
-K<small>ASTRIKOM</small> van achteren een gat kreeg en heel lek werd. Wij
-moesten toen vijf pompen aan den gang houden, en zetten de <i>victualie</i> en
-&rsquo;s volks goed op eene schots. In den avond verloor Kommandeur
-G<small>ROOT</small> zijn schip, waarvan wij ter naauwernood de
-<i>victualie</i> borgen. Den 8sten stopten wij het lek van ons schip, waardoor
-wij lens kregen en het met ééne pomp gaande konden houden. Toen namen wij de
-<i>victualie</i> weder in en het volk werd op de twee nog overig zijnde schepen
-verdeeld. Het schip van Kommandeur B<small>ROERTJES</small> was nog digt. Den 9
-September kregen wij een weinig ruimte, doch hadden zware deining en eene hooge
-zee, waardoor wij van elkander raakten. Ook werd ons schip weder zeer lek en
-ontramponeerd. Het zag er toen voor onze beide schepen, met het volk van vijf
-schepen bemand, en nog eenig volk van het schip van Kommandeur
-K<small>LAAS</small> K<small>UIKEN</small>, dat al vroeg gebleven was, met zich
-voerende, zeer droevig uit. Wij waren toen op 65 gr. N. Breedte en dreven nog
-al hard Westwaarts op, alle dagen het land in het gezigt hebbende. Nu begon ons
-de moed te ontvallen. Wij konden daags slechts tweemaal een klein rantsoen
-schaffen, en dagelijks vertoonden zich zeer groote ijsbergen, daar wij tusschen
-door dreven. Het schip kraakte geweldig, en wij moesten, bij het zinken af,
-onophoudelijk pompen. Wij bevalen ons Gode aan en baden het mogt Hem behagen
-ons uitkomst en redding te geven. Den 30 September vermeerderden onze smarten,
-doordien Kommandeur B<small>ROERTJES</small> ook zijn schip verloor. Hij kwam
-met zijn volk, zoo als zij gingen en stonden, den 1 October bij ons aan boord.
-Zij hadden van hunne <i>victualie</i> niets kunnen bergen, doordien het ijs aan
-losse schotsen lag.
-</p>
-
-<p>
-&ldquo;Nu was ons schip er maar alleen, en waren wij, weinig <i>victualie</i>
-hebbende, belast met al de manschap van alle de geblevene (acht) schepen.
-Dienzelfden achter middag kwam nog bij ons aan boord H<small>ANS</small>
-C<small>HRISTIAANSZ</small>. van <i>Hamburg</i> met vijftig mannen, die hun
-schip op den 30 September aan den zeekant verloren hadden. Zij berigtten ons,
-dat er nog twee schepen bij hen geweest waren als Kommandeur
-H<small>IDDE</small> D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> en
-H<small>ANS</small> P<small>IETERS</small> van <i>Hamburg</i>. Doch die waren
-uit hun gezigt geraakt. Een harponier van H<small>ANS</small>
-C<small>HRISTIAANSZ</small>. was met dertien mannen aan den buitenkant van het
-ijs bij het wrak gebleven, met voornemen om <i>IJsland</i> op te zoeken. Wij
-waren toen op 64 gr. en dreven nog al hard om de Zuid-west bij het land langs.
-Met 286 zielen, welke zich thans bij ons aan boord bevonden, hadden wij daags
-niets meer dan ieder tien lepels eten tot rantsoen, waarom het volk, om den
-honger te stillen, het tandvleesch, dat tusschen de Walvisch-baarden zit, opat
-en de Scheeps-honden slagtte. Wij dreven toen in eene bogt tot op 5 mijlen van
-land. Twaalf mannen enterden naar den wal, doch konden het vaste land niet
-krijgen, maar kwamen op een eiland, daar zij zwarte bessen vonden. Dit was op
-63 gr. Wij dreven nog al hard Zuidwaarts en ons schip kraakte gedurig door het
-kruijen van het ijs. Doch dit alles was slechts een begin van onze rampen,
-dewijl de dag van den 11 October ons lot geheel scheen te zullen beslissen. Wij
-verloren toen ons laatste schip. Het werd geheel aan stukken gekruid en
-verpletterd. Wij borgen ter naauwernood nog de <i>victualie</i> op eene schots
-ijs. Wij moesten van de eene schots op de andere springen om ons leven te
-behouden. Alle vervoegden wij ons op de schots, daar de <i>victualie</i> op
-stond. Onze toestand was toen naar. Er werd een vreesselijk gejammer en gekerm
-gehoord, en wij zonden onze gebeden hemelwaarts om hulp. Wij sloegen op de
-schots twee tenten op, om ons verblijf daarin te houden; doch wij waren in
-gedurige vreeze van onder de ijsbergen door te gaan, maar zij draaiden ons alle
-nog gelukkig voorbij.
-</p>
-
-<p>
-&ldquo;Den 12 October dreven wij op de schots met een&rsquo; harden gang om de
-Zuid tot 60 gr. 50 min. N. Breedte. Het ijs was somtijds digt en dan weêr
-geheel open met eene hooge deining. Wij zagen geene uitkomst van redding en
-dachten niet anders dan van honger te zullen sterven, of door de schotsen
-weggespoeld te worden, dewijl wij gedurig door ijsbergen heen dreven. Den 13den
-dito des morgens lag het ijs weder digt gesloten. Wij hadden nog drie sloepen
-bij ons, maar konden er geen gebruik van maken. Wij besloten het ijs te
-verlaten en naar land te zoeken. Ieder man had nu dertien beschuitenbrood, en
-hiermede gingen de Kommandeurs J<small>ELDERT</small> J<small>ANS</small>
-G<small>ROOT</small>, H<small>ANS</small> C<small>HRISTIAANSZ</small>. en ik
-(M<small>ARTEN</small> J<small>ANZEN</small>) met nog veertig mannen over het
-ijs naar den wal. Wij kwamen toen op een eiland, waar wij den nacht blijven
-moesten. Een gedeelte van het volk bleef op de schots bij de tenten, en eenige
-kwamen, bezuiden ons, op de eilanden, daar het ijs bij langs liep. Ook raakten
-er eenige onder de schotsen.
-</p>
-<p>
-&ldquo;Den 14 October enterden wij van het eiland, zoo wij meenden, naar den
-vasten wal, maar bevonden het gebroken land te zijn, daar wij over heen konden
-zien. Wij zagen ook tot onze verwondering volk van de inboorlingen aan land
-staan. Ik (M<small>ARTEN</small> J<small>ANZEN</small>) die eenige woorden van
-hunne taal kan spreken, terwijl ik op <i>Straat Davids</i> gevaren heb, smeekte
-hen om bijstand. Zij kwamen ons met hunne schuiten te hulp en bragten ons aan
-land en in hunne woningen, daar zij ons gedroogde Spiering en gedroogd
-Robbenvleesch met salade, die bij hunne huizen groeide, te eten gaven. Er waren
-twee huizen, waarin wij geplaatst werden. Wij bevonden deze menschen van eene
-goede inborst. Tot den 17den regende het dagelijks zoo sterk, dat wij, zonder
-doornat te worden, niet buiten konden komen. Den 19den gingen achttien mannen
-van ons af, om eenen weg te zoeken, doch zij kwamen des avonds onverrigter zake
-terug. Het ijs lag ook zoo digt aan den wal, dat de Wilden ons met hunne
-schuiten niet konden vervoeren, dewijl wij eerst een&rsquo; westen wind moesten
-hebben, die het ijs afzette. Wij handelden voor een gedeelte van onze plunje
-eene wildemans vrouwenschuit in, waarmede Kommandeur G<small>ROOT</small> met
-vijftien mannen op reis ging. Den 22sten dito was de wind W.Z.W. Toen bragten
-de Wilden ons met twee schuiten naar <i>Statenhoek</i>, waar Kommandeur
-G<small>ROOT</small> weder bij ons kwam. Hier vonden wij twee huizen en werden
-wel ontvangen. Den 23 en 24 woei het hard, waarom de inboorlingen ons niet
-verder wilden brengen. Den 25sten woei de wind uit den Noorden met harde vorst.
-Toen kwamen nog dertien mannen van ons volk bij ons met berigt, dat zij iets
-noordelijker, dan ter plaatse, waar wij geland waren, bij veel volk waren
-geweest, denkende zij, dat die landwaarts gegaan waren. Den 26sten gingen wij
-drie Kommandeurs met eene schuit op reis, om te zien, of wij dat volk ook
-konden vinden&mdash;doch dit was vergeefs. Dien avond handelde ik nog eene
-schuit van de Wilden in, om daarin onze plunje te bergen. Den 27sten was het
-goed weêr Toen gingen Kommandeur G<small>ROOT</small>, ik en nog achtentwintig
-mannen met twee schuiten op reis, blijvende de overige vijfentwintig mannen
-aldaar. Des avonds kwamen wij weder aan een huis, waar wij Spiering en
-Robbenvleesch kochten voor knoopen, doeken, wanten enz. Wij vonden deze Wilden
-weder eene goede soort van menschen. Den 28sten gingen wij weder met twee
-loodsen op reis en voeren dus eenigen tijd voort, telkens des nachts in tenten
-of huizen vernachtende tot op den 25 November. Toen kwamen wij aan een huis,
-daar wij zes man van het volk van Kommandeur H<small>IDDE</small>
-D<small>IRKS</small> K<small>AT</small> vonden, die op <i>Kaap Vaarwel</i> aan
-land gekomen waren. Zij zeiden ons, dat de gemelde Kommandeur met Kommandeur
-A<small>LBERT</small> J<small>ANS</small>, in eene bogt lag en nog zeventien
-mannen bij zich had. Den 6den was het slecht weêr, en konden wij weinig eten
-krijgen. Den 7den gingen wij op reis tot den 10den. Toen was het zeer koud, en
-kregen wij gaten in onze schuiten, hetwelk ons deed besluiten, om aan land te
-vernachten. De Wilden vingen vele Robben, vogels en visch, waarvan wij ook wat
-te eten kregen. Den 12 November reisden wij weder voort en kwamen in den
-achtermiddag ten 3 ure in eene groote bogt bij de Deensche Kolonie <i>Juliaans
-Hoop</i>. Des Koopmans naam aldaar was A<small>NDRIES</small>
-O<small>ELZEN</small>. Hier werden wij wel ontvangen en op vaderlandschen kost
-onthaald. Ook gaven zij ons kleederen, om ons te verwarmen.&rdquo;
-</p>
-
-<div class="fig" style="width:100%;">
-<img src="images/img04.jpg" width="178" height="168" alt="[Illustration]" />
-</div>
-
-</div><!--end chapter-->
-
-<div lang='en' xml:lang='en'>
-<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK <span lang='nl' xml:lang='nl'>DAGBOEK EENER REIZE TER WALVISCH- EN ROBBENVANGST, IN DE JAREN 1777 EN 1778 DOOR HIDDE DIRKS KAT</span> ***</div>
-<div style='text-align:left'>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
-be renamed.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
-law means that no one owns a United States copyright in these works,
-so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
-States without permission and without paying copyright
-royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
-of this license, apply to copying and distributing Project
-Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
-concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
-and may not be used if you charge for an eBook, except by following
-the terms of the trademark license, including paying royalties for use
-of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
-copies of this eBook, complying with the trademark license is very
-easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
-of derivative works, reports, performances and research. Project
-Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
-do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
-by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
-license, especially commercial redistribution.
-</div>
-
-<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
-<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
-distribution of electronic works, by using or distributing this work
-(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
-Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
-www.gutenberg.org/license.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
-electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
-and accept all the terms of this license and intellectual property
-(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
-the terms of this agreement, you must cease using and return or
-destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
-possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
-Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
-by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
-or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
-used on or associated in any way with an electronic work by people who
-agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
-things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
-even without complying with the full terms of this agreement. See
-paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
-Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
-agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
-electronic works. See paragraph 1.E below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
-Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
-of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
-works in the collection are in the public domain in the United
-States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
-United States and you are located in the United States, we do not
-claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
-displaying or creating derivative works based on the work as long as
-all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
-that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
-free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
-works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
-Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
-comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
-same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
-you share it without charge with others.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
-what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
-in a constant state of change. If you are outside the United States,
-check the laws of your country in addition to the terms of this
-agreement before downloading, copying, displaying, performing,
-distributing or creating derivative works based on this work or any
-other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
-representations concerning the copyright status of any work in any
-country other than the United States.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
-immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
-prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
-on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
-phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
-performed, viewed, copied or distributed:
-</div>
-
-<blockquote>
- <div style='display:block; margin:1em 0'>
- This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
- other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
- whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
- of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
- at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
- are not located in the United States, you will have to check the laws
- of the country where you are located before using this eBook.
- </div>
-</blockquote>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
-derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
-contain a notice indicating that it is posted with permission of the
-copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
-the United States without paying any fees or charges. If you are
-redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
-Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
-either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
-obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
-trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
-with the permission of the copyright holder, your use and distribution
-must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
-additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
-will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
-posted with the permission of the copyright holder found at the
-beginning of this work.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
-License terms from this work, or any files containing a part of this
-work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
-electronic work, or any part of this electronic work, without
-prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
-active links or immediate access to the full terms of the Project
-Gutenberg&#8482; License.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
-compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
-any word processing or hypertext form. However, if you provide access
-to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
-other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
-version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
-(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
-to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
-of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
-Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
-full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
-performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
-unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
-access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
-provided that:
-</div>
-
-<div style='margin-left:0.7em;'>
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
- the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
- you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
- to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
- agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
- within 60 days following each date on which you prepare (or are
- legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
- payments should be clearly marked as such and sent to the Project
- Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
- Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
- Literary Archive Foundation.&#8221;
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
- you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
- does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
- License. You must require such a user to return or destroy all
- copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
- all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
- works.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
- any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
- electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
- receipt of the work.
- </div>
-
- <div style='text-indent:-0.7em'>
- &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
- distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
- </div>
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
-are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
-from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
-the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
-forth in Section 3 below.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
-effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
-works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
-Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, and the medium on which they may be stored, may
-contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
-or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
-intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
-other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
-cannot be read by your equipment.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
-of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
-Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
-Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
-liability to you for damages, costs and expenses, including legal
-fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
-LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
-PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
-TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
-LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
-INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
-DAMAGE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
-defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
-receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
-written explanation to the person you received the work from. If you
-received the work on a physical medium, you must return the medium
-with your written explanation. The person or entity that provided you
-with the defective work may elect to provide a replacement copy in
-lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
-or entity providing it to you may choose to give you a second
-opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
-the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
-without further opportunities to fix the problem.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
-in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
-OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
-LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
-warranties or the exclusion or limitation of certain types of
-damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
-violates the law of the state applicable to this agreement, the
-agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
-limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
-unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
-remaining provisions.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
-trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
-providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
-accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
-production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
-electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
-including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
-the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
-or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
-additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
-Defect you cause.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
-electronic works in formats readable by the widest variety of
-computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
-exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
-from people in all walks of life.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Volunteers and financial support to provide volunteers with the
-assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
-goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
-remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
-Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
-and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
-generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
-Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
-501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
-state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
-Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
-number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
-U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
-Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
-to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
-and official page at www.gutenberg.org/contact
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
-public support and donations to carry out its mission of
-increasing the number of public domain and licensed works that can be
-freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
-array of equipment including outdated equipment. Many small donations
-($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
-status with the IRS.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-The Foundation is committed to complying with the laws regulating
-charities and charitable donations in all 50 states of the United
-States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
-considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
-with these requirements. We do not solicit donations in locations
-where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
-DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
-visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-While we cannot and do not solicit contributions from states where we
-have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
-against accepting unsolicited donations from donors in such states who
-approach us with offers to donate.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-International donations are gratefully accepted, but we cannot make
-any statements concerning tax treatment of donations received from
-outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
-methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
-ways including checks, online payments and credit card donations. To
-donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
-</div>
-
-<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
-Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
-Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
-freely shared with anyone. For forty years, he produced and
-distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
-volunteer support.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
-editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
-the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
-necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
-edition.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-Most people start at our website which has the main PG search
-facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
-</div>
-
-<div style='display:block; margin:1em 0'>
-This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
-including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
-Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
-subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
-</div>
-
-</div>
-</div>
-</body>
-
-</html>
-
-
diff --git a/old/68111-h/images/cover.jpg b/old/68111-h/images/cover.jpg
deleted file mode 100644
index a32c384..0000000
--- a/old/68111-h/images/cover.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h/images/img01.jpg b/old/68111-h/images/img01.jpg
deleted file mode 100644
index 95ea4ca..0000000
--- a/old/68111-h/images/img01.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h/images/img02.jpg b/old/68111-h/images/img02.jpg
deleted file mode 100644
index 943496e..0000000
--- a/old/68111-h/images/img02.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h/images/img03.jpg b/old/68111-h/images/img03.jpg
deleted file mode 100644
index a3e0218..0000000
--- a/old/68111-h/images/img03.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h/images/img04.jpg b/old/68111-h/images/img04.jpg
deleted file mode 100644
index 99314fa..0000000
--- a/old/68111-h/images/img04.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ
diff --git a/old/68111-h/images/map.jpg b/old/68111-h/images/map.jpg
deleted file mode 100644
index b1b09d9..0000000
--- a/old/68111-h/images/map.jpg
+++ /dev/null
Binary files differ