diff options
Diffstat (limited to 'old/11205.txt')
| -rw-r--r-- | old/11205.txt | 7926 |
1 files changed, 7926 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11205.txt b/old/11205.txt new file mode 100644 index 0000000..b72c7ec --- /dev/null +++ b/old/11205.txt @@ -0,0 +1,7926 @@ +The Project Gutenberg EBook of 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond, by +Jules Verne + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond + Deel 1 van 2 + +Author: Jules Verne + +Release Date: February 29, 2008 [EBook #11205] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 20.000 MIJLEN ONDER ZEE: *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + Jules Verne. + + 20.000 + + Mijlen onder Zee + + Oostelijk Halfrond. + + + + +Inhoud. + + + + +I. Een onbeweeglijke klip +II. Het voor en tegen +III. De trouwe knecht +IV. Ned Land +V. Op avontuur +VI. Met vollen stoom +VII. Een vreemdsoortige walvisch +VIII. Mobilis in Mobile +IX. Woede van Ned Land +X. De man der zee +XI. De Nautilus +XII. Alles door electriciteit +XIII. Eenige cijfers +XIV. De zwarte stroom +XV. Eene schriftelijke uitnoodiging +XVI. Jachtavonturen +XVII. Een onderzeesch woud +XVIII. De Stille Zuidzee +XIX. Vanikoro +XX. De Torresstraat +XXI. Aan land +XXII. Nemo's Bliksem +XXIII. Slaapdronken +XXIV. Het rijk der koralen + + + + + + +HOOFDSTUK I + +Een beweeglijke klip. + + +Het jaar 1866 werd gekenmerkt door eene zonderlinge gebeurtenis, +namelijk eene onverklaarbare verschijning, welke niemand zeker +vergeten heeft. Zonder nog te gewagen van de praatjes, welke de +bewoners der zeeplaatsen ongerust maakten en over het algemeen hen, +die meer binnenslands woonden, in opgewonden toestand brachten, waren +het vooral de zeelieden, die bijzonder in angst verkeerden. Kooplieden, +reeders, scheepsbevelhebbers in Europa en Amerika, zeeofficieren van +allerlei natie en zelfs de regeeringen van de onderscheidene staten der +beide werelddeelen hielden zich met deze zaak in ernstige mate bezig. + +En inderdaad, sinds eenigen tijd hadden verscheidene schepen een +verbazend groot voorwerp ontmoet, dat den vorm had van eene spil, +soms licht van zich gaf, en oneindig veel grooter en sneller was dan +een walvisch. De scheepsjournalen kwamen vrij nauwkeurig met elkander +overeen in de beschrijving van den vorm van dat voorwerp of wezen, +van de onberekenbare snelheid zijner bewegingen, de verbazende kracht +waarmede het zich verplaatste, en zijne bijzondere levenswijze. Als +het een walvisch was, overtrof hij in grootte al wat de wetenschap +en het onderzoek tot nog toe hadden doen kennen; noch Cuvier, noch +Lacepede, noch Dumeril, noch Quatrefages zouden zoo iets geloofd +hebben--of zij moesten het monster hebben gezien, dat is te zeggen, +gezien met de oogen van een geleerde! + +Als men de gulden middelmaat betrachtte tusschen al de opmerkingen, die +nu en dan gemaakt waren, door zoowel de te kleine opgave te verwerpen, +welke aan dat voorwerp eene lengte gaf van slechts 200 voet, als de +overdreven meening dat het een kilometer breed en drie lang zou zijn, +zoo kon men toch wel aannemen dat dit buitengewone wezen in grootte +verreweg alle berekeningen overtrof, welke ichthyologen tot nog toe +gemaakt hadden, altijd--als het al bewezen kon worden, dat het bestond. + +Maar dat het bestond kon niet ontkend worden, en men zal zich een +denkbeeld kunnen vormen van de ontroering, welke deze bovennatuurlijke +verschijning in de geheele wereld te weeg bracht, als men slechts +in het oog houdt dat er in den menschelijken geest eene neiging voor +het wonderbaarlijke bestaat. + +Inderdaad had de stoomboot Gouverneur Higginson van de Calcutta- +en Burmah-Compagnie, op 20 Juli 1866, deze beweegbare massa op vijf +kilometers van de oostkust van Australie ontmoet. De kapitein Baker +geloofde eerst dat het een onbekende klip was; hij wilde er reeds de +juiste ligging van bepalen, toen het onverklaarbare ding sissend twee +waterstralen 50 meter hoog in de lucht spoot. Als dat nu geen klip +was waar een onderaardsche warme bron tusschenbeiden met geweld in +de hoogte werd gedreven, dan had de Gouverneur Higginson hier goed en +wel te doen met eenig tot nog toe onbekend zoogdier, dat waterstralen +met lucht en damp vermengd uit zijne kieuwen uitblies. + +Iets dergelijks werd 23 Juli van hetzelfde jaar in de Stille +Zuidzee opgemerkt door de Christobal Colon van de West-Indische en +Zuidzee-Compagnie. Derhalve kon die buitengewone visch zich met eene +verbazende snelheid van de eene plek naar de andere bewegen, want +genoemde schepen hadden het monster slechts drie dagen na elkander +op twee verschillende punten van den aardbol ontmoet, welke meer dan +2800 kilometer van elkander lagen. + +Veertien dagen daarna zeilden de Helvetia van de Nationale Compagnie +en de Shannon van de Koninklijke Mail op 800 kilometer afstand van +laatstbedoelde plek in elkanders nabijheid; zij zagen het monster op +42 deg. 15' N.B. en 60 deg. 35' W.L. van Greenwich. Bij deze gelijktijdige +ontmoeting meende men de lengte van het zoogdier op minstens 106 meter +te kunnen bepalen, daar beide schepen van kleiner afmeting waren, +hoewel zij van den voor- naar den achtersteven ongeveer 100 meter +lengte hadden. En de grootste walvisschen, die men in den omtrek der +Alcuten vindt, waren niet langer dan 56 meter, als zij die lengte +al hadden. + +Over het algemeen was men in gespannen verwachting door die berichten, +welke zoo snel na elkander kwamen. Aan boord van de Transatlantische +boot de Pereira had men het dier gezien; de Etna van de Inmanlinie +had het monster ontmoet; de officieren van het Fransche fregat de +Normandie hadden een proces-verbaal over eene ontmoeting opgesteld, +de officieren van den commodore Fitz-James aan boord van den Lord +Clyde hadden een zeer ernstig bericht gegeven, enz. In sommige landen +had de luchthartigheid der bewoners met het verschijnsel gespot, +maar in ernstiger en vooral practische landen, zooals Engeland, +Amerika en Duitschland, hield men zich er ernstig mede bezig. + +Overal kwam het monster in de mode: in koffiehuizen werd het +bezongen, in de dagbladen bespot, zelfs op het tooneel opgevoerd; +het gaf schoone gelegenheid om er tal van leugens op te verzinnen; +als de dagbladen gebrek aan stof hadden, werden wederom allerlei +denkbeeldige en reusachtige wezens besproken van den witten walvisch, +dien vreeslijken "Maby Dick" uit de poolstreken tot den onmetelijken +Kraken toe, wiens voelarmen een schip van 500 ton konden omvatten en +het in de diepten van den Oceaan medeslepen. Men haalde zelfs verhalen +op uit de oudheid, de meeningen van Aristoteles en Plinius, die aan het +bestaan van zulke monsters geloof hechtten, vervolgens de verhalen van +den Noorweegschen bisschop Pontoppidan, het relaas van Paul Heggede, +en eindelijk het verslag van Harrington, wiens goede trouw men niet +kan verdenken als hij de verzekering geeft dat hij in 1857 aan boord +van den Castillaan de groote zeeslang gezien heeft, welke tot nog toe +slechts in de verbeelding van vroegere dagbladschrijvers bestaan had. + +Nu ontstond er in geleerde genootschappen en wetenschappelijke bladen +een eindeloos twistgeschrijf tusschen geloovigen en ongeloovigen; het +vraagstuk van het monster ontvlamde de geestdrift. Dagbladschrijvers, +die zich slechts op wetenschappelijk terrein bewogen, verschreven +in den merkwaardigen strijd stroomen van inkt tegen sommigen hunner +confraters, die er zich op toelegden om geestig of vernuftig te zijn; +enkelen zelfs hadden er hun bloed veil voor, want bij het bespreken +van het zeegedrocht wierpen zij elkander de grofste beleedigingen +naar het hoofd. Gedurende zes maanden duurde die strijd onafgebroken +voort. De kleine bladen beantwoordden met onuitputtelijke geestigheid +de degelijke stukken van het aardrijkskundig instituut van Brazilie, +van de koninklijke academie van wetenschappen te Berlijn, van het +Britsch genootschap, van het Smithsoniaansch instituut te Washington, +zelfs het onderzoek van het tijdschrift "The Indian Archipelago," van +den "Cosmos" van den abt Moigno, van de "Mittheilungen" van Peterman en +de wetenschappelijke beoordeelingen van de groote dagbladen. Geestige +schrijvers parodieerden een gezegde van Linnaeus, dat door hunne +tegenstanders was aangehaald, en hielden vol dat "de natuur geen +gekken voortbracht," waarom zij hunnen tijdgenooten bezwoeren de natuur +niet tot leugenaarster te maken door aan het bestaan van een Kraken, +een zeeslang, een "Maby Dick" en andere buitensporigheden van dwaze +zeelieden te gelooven. Eindelijk richtte een gevierd schrijver in een +zeer gevreesd satiriek blaadje zijne pen tegen het monster en bracht +het onder een algemeen gelach den laatsten slag toe; het vernuft had +de wetenschap overwonnen. + +Gedurende de eerste maanden van 1867 scheen het vraagstuk dus in +den doofpot gestoken te zijn, zonder immer weder te voorschijn te +zullen komen, toen nieuwe gebeurtenissen de zaak evenwel anders +beslisten. Er was toen geen sprake meer van het oplossen van +een wetenschappelijk raadsel, maar wel van een ernstig gevaar, +dat vermeden moest worden. De zaak nam een geheel andere wending; +het monster werd wederom een eilandje, of rots, of klip, maar een +beweegbare, onbeschrijfelijke klip. + +In den nacht van den 5den Maart 1867 bevond zich de Moravian van +de Montreal Oceaan Compagnie op 27 deg. 30' N.B. en 72 deg. 15' W.L., toen +het schip aan stuurboordzijde op een rotspunt stootte, welke geene +zeekaart aanwees. Met behulp van een goeden wind en eene stoommachine +van 400 paardekracht, stoomde het schip met eene snelheid van dertien +knoopen. Zonder de voortreffelijkheid van den romp zou de Moravian +lek gestooten en met de 237 passagiers, die het schip uit Canada +medebracht, gezonken zijn. Dit ongeval had plaats ongeveer vijf uur +in den morgen, toen het daglicht begon door te breken. De officieren +van de wacht snelden naar het achterschip, en onderzochten nu de +zee in de rondte met de grootste nauwkeurigheid; zij zagen niets +behalve een sterk bewogen zog, dat op drie kabellengten afstands +eene branding vertoonde alsof de golven heftig in beweging waren +gebracht. De plaats werd nauwkeurig bepaald, en de Moravian vervolgde +zonder schijnbare averij haar koers. Men kon niet te weten komen of +het schip op een onderzeesche klip of op eenig groot voorwerp uit +eene schipbreuk herkomstig gestooten had. Toen men het in het dok +onderzocht, ontdekte men dat een gedeelte van de kiel gebroken was. + +Hoewel dit op zich zelve een zeer ernstig feit was, zou het wellicht +als zoovele andere zaken vergeten zijn, indien er niet drie weken +later iets dergelijks onder gelijksoortige omstandigheden had plaats +gehad. Doch deze gebeurtenis kreeg bijzonder groote ruchtbaarheid, +en door de herkomst van het schip, waarmede het plaats vond, en door +den grooten naam van de maatschappij, waartoe het behoorde. + +Iedereen kent den naam van den beroemden Engelschen reeder Cunard; +deze schrandere industrieel riep in 1840 een postdienst in het leven +tusschen Liverpool en Halifax, waarbij de dienst verricht werd door +drie houten raderstoombooten van 400 paardekracht met een inhoud +van 1162 ton. Acht jaar daarna kwamen er vier schepen bij van 650 +paardekracht en 1820 ton, en nog twee jaar later twee nog grooter +schepen. In 1853 liet de Cunard-maatschappij, wier octrooi voor het +brievenvervoer vernieuwd was, achtereenvolgens de Arabia, de Persia, de +China, de Scotia, de Java en de Russia bouwen; het waren allen schepen +van groote snelheid, en de grootste, welke behalve de Great-Eastern, +ooit de zee doorkliefd hadden. Zoo bezat de maatschappij derhalve +in 1867 acht rader- en vier schroefstoombooten. Ik geef deze korte +bijzonderheden op om te doen zien hoe belangrijk deze maatschappij is, +welke overal bekend is om hare soliditeit. Geene enkele onderneming +van overzeeschen stoombootdienst wordt met grooter bekwaamheid +geleid, geen enkele zaak is met beter uitslag bekroond. Gedurende +26 jaar hebben de schepen der Cunard-maatschappij, 2000 maal de reis +over den Oceaan gedaan, en nooit is eene reis mislukt, nimmer heeft +er oponthoud plaats gehad, en geen enkel schip, geen enkel mensch, +zelfs geen enkele brief is er ooit bij verloren gegaan. Daarom kiezen +passagiers niettegenstaande de groote concurrentie van eene Fransche +maatschappij, nog altijd bij voorkeur de schepen der Cunard-lijn, +zooals genoegzaam uit de verslagen der laatste jaren blijkt. Na dit +alles zal niemand zich verwonderen over de ruchtbaarheid, welke een +ongeval kreeg, dat een van hare grootste stoomschepen overkwam. + +De Scotia bevond zich 13 April 1867 bij kalme zee en flauwe koelte op +15 deg. 12' W.L. en 45 deg. 37' N.B., en liep met eene snelheid van dertien +en een halven knoop; de raderen bewogen zich zeer regelmatig; de +diepgang was toen 6,7 meter. Zeventien minuten over vieren, terwijl +de passagiers in het salon vereenigd waren om een lunch te gebruiken, +voelde men een niet zeer hevigen schok, die even achter het rad aan +bakboordszijde werd toegebracht. De Scotia had niet gestooten, maar +een stoot ontvangen van een werktuig dat eer snijdend of borend dan +kneuzend was. De schok was zoo gering geweest, dat niemand aan boord +er zich ernstig ongerust over maakte, toen de matrozen uit het ruim +naar boven stormden met den kreet: "wij zinken, wij zinken!" Eerst +waren de passagiers zeer ontsteld, maar kapitein Anderson stelde hen +spoedig gerust; en inderdaad, het gevaar kon zoo dreigend niet zijn; +de Scotia was door waterdichte beschotten in zeven afdeelingen verdeeld +en kon dus zonder vrees een lek velen. De kapitein ging onmiddellijk +naar beneden en bevond dat de vijfde afdeeling vol water liep; dit +geschiedde zoo snel, dat het lek zeer groot zijn moest. Gelukkig +bevond zich de machine niet in dit gedeelte, anders waren de vuren +aanstonds uitgegaan. De kapitein liet onmiddelijk stoppen, en een +matroos dook in het water om te onderzoeken welke averij men had +gekregen; hij vond dat er een gat van twee meter breed in de kiel +was. Zulk een lek kon niet gestopt worden, en de Scotia moest hare +reis vervolgen met de raderen voor de helft in 't water. Men was toen +nog op 300 kilometer van kaap Clear, doch eindelijk liep de boot toch +te Liverpool in het dok der maatschappij binnen; zij kwam drie dagen +te laat aan, waarover men zeer ongerust was geweest. + +Toen de Scotia in het droge dok was gehaald, onderzochten de +ingenieurs het schip; zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven; +op twee en een halven meter onder de waterlijn was een regelmatig +gat in de gedaante van een gelijkbeenigen driehoek. De breuk van +de ijzeren platen was bijzonder zuiver, en zou in de fabriek niet +beter plaats hebben gehad; het boorwerktuig waarmede dit geschied +was, moest dus van eene buitengewone hardheid zijn, en na met eene +verwonderlijke kracht voortgestooten te zijn om een ijzeren plaat +van vier centimeters dikte te kunnen doorboren, moest het er door +eene achterwaartsche en onverklaarbare beweging van zelf weder zijn +uitgekomen. Dit was een feit waardoor de openbare meening op nieuw in +heftige beweging kwam. Sinds dat oogenblik werden allerlei zeerampen, +welke geene bekende oorzaak hadden, op rekening van het monster +gesteld. Het ingebeelde gedrocht werd verantwoordelijk gesteld voor al +de schipbreuken, wier aantal ongelukkig genoeg zeer aanzienlijk is, +want van de 3000 schepen, welker verlies jaarlijks aan het bureau +Veritas wordt gemeld, bedraagt het getal zeil- of stoomschepen, +welke men veronderstelt dat bij het uitblijven van berichten met man +en muis vergaan zijn, niet minder dan 200! + +Rechtvaardig of onrechtvaardig beschuldigde men het monster van de +verdwijning dier schepen; de gemeenschap tusschen de verschillende +tanden werd, dank zij de vrees voor het gedrocht, hoe langer hoe +gevaarlijker, geen wonder dus dat het publiek er zich mede bemoeide +en op stelligen toon eischte, dat de zee eindelijk, het kostte wat +het wilde, van dit vervaarlijk dier zou bevrijd worden. + + + +HOOFDSTUK II + +Het voor en tegen. + +Toen deze gebeurtenissen plaats vonden, kwam ik juist terug van een +wetenschappelijken tocht door het gebied Nebraska in de Vereenigde +Staten. In mijne betrekking van hoogleeraar bij het museum van +natuurlijke historie te Parijs, had het Fransche gouvernement +mij aan die expeditie toegevoegd. Na zes maanden in Nebraska te +hebben doorgebracht kwam ik tegen het einde van Maart met kostbare +verzamelingen te New-York terug. Mijn vertrek naar Frankrijk was in +het begin van Mei bepaald; ik hield mij dus bezig met het rangschikken +mijner verzamelingen van planten, dieren en mineralen toen het geval +met de Scotia plaats had. + +Ik was volkomen op de hoogte van dit vraagstuk van den dag, hoe zou +het ook anders hebben kunnen zijn? Ik had alle Amerikaansche bladen +gelezen en herlezen, zonder er wijzer door geworden te zijn, dit +geheim intrigeerde mij. Het was mij onmogelijk eene vaste meening +te vormen, zoodat ik van het eene uiterste tot het andere verviel; +dat er iets bestond kon niet meer betwijfeld worden; de ongeloovigen +moesten dan het lek in de Scotia slechts eens gaan betasten. + +Toen ik te New-York kwam had de belangstelling haar hoogste standpunt +bereikt. Het denkbeeld van een drijvend eiland of van eene onbereikbare +klip, had men geheel en al laten varen; want als die klip geene +machine bevatte, hoe had zij zich dan met zulk eene verbazende snelheid +kunnen verplaatsen? + +Evenzeer had men het denkbeeld opgegeven dat het een drijvend wrak zou +zijn, altijd alweer om de snelheid van beweging. Er bleven dus twee +mogelijke oplossingen van die zaak over, zoodat men zich daaromtrent +in twee partijen verdeelde; de eene partij hield vol dat het een +monster was met ontzettende krachten, de andere beweerde dat het een +onderzeesch schip was met eene buitengewone beweegkracht. Deze laatste +veronderstelling was wel aannemelijk, maar hield geen steek tegenover +het onderzoek in beide werelddeelen; het was niet waarschijnlijk dat +een eenvoudig particulier zulk een werktuig ter zijner beschikking +had; waar en wanneer had hij het kunnen doen vervaardigen, hoe +zou hij het geheim gehouden hebben? Slechts eene regeering kon +zulk een vernielend werktuig bezitten, en in deze vernielzuchtige +tijden, waarin de mensch er slechts op bedacht is om de kracht en de +uitwerking der oorlogswapenen te verdubbelen, kon het mogelijk zijn +dat een staat buiten weten van anderen zulk een vreeselijk werktuig +liet beproeven. Na de chassepots, de torpedo's; na de torpedo's, +onderzeesche rammen; daarna reactie; ten minste 't is te hopen! + +De veronderstelling van een oorlogswerktuig viel geheel en al in +'t water na de verklaring der onderscheiden mogendheden. Omdat het +hier eene zaak van algemeen belang gold en de groote vaart over den +Oceaan er door leed, mocht men de oprechtheid der gouvernementen +niet in twijfel trekken. Hoe kon men overigens ook aannemen dat +zulk een schip gebouwd was zonder door iemand gezien te zijn? Om in +zulke omstandigheden een geheim te bewaren is reeds moeielijk voor +een bijzonder persoon, maar zeker onmogelijk voor eene regeering, +wier handelingen voortdurend door afgunstige mogendheden worden +gadegeslagen. Toen er dus een onderzoek was ingesteld in Engeland, +Frankrijk, Rusland, Pruisen, Spanje, Italie, Amerika, ja zelfs in +Turkije, werd de veronderstelling van een onderzeeschen Monitor voor +goed verworpen. Nu kwam het monster weder op de baan, ten spijt van +de aardigheden, waarmede het door kleine bladen overstelpt werd; het +is licht te begrijpen dat nu men zich eenmaal tot een levend wezen +bepalen moest, de verbeelding weldra de meest dwaze veronderstellingen +maakte op ichthyologisch gebied. + +Bij mijne komst te New-York hadden verschillende personen mij +de eer aangedaan om mij over het wonderbaarlijk verschijnsel +te raadplegen. Ik had in Frankrijk een werk uitgegeven in twee +kwartijnen, waarvan de titel luidde: "De geheimen van de diepten +der zee." Dit boek was nog al in den smaak der geleerden gevallen, +en verhief mij tot eene specialiteit in dat vrij onbekende deel der +natuurlijke geschiedenis. Men vroeg mij om raad; voor zoover als ik +het wezenlijke van de zaak begrijpen kon, bepaalde ik mij tot eene +volstrekte ontkenning; maar weldra dreef men mij zoo in het nauw, +dat ik mij bepaald moest uitdrukken; de "hoog geleerde Pierre Aronnax, +hoogleeraar aan het museum te Parijs" werd door den "New-York Herald" +genoodzaakt zijne meening uit te spreken. + +Eindelijk liet ik mij dwingen; ik sprak omdat ik niet meer zwijgen +kon; ik bekeek de zaak van alle kanten, zoowel staatkundig als +wetenschappelijk, en ik geef hier slechts het slot van een zeer +uitvoerig artikel, dat ik in het nommer van den 30sten April schreef: + +"Derhalve," zei de ik na alle veronderstellingen afzonderlijk te hebben +nagegaan, "nu elke veronderstelling verworpen is, moet men noodzakelijk +aan het bestaan van een zeedier gelooven dat met buitengewone krachten +begaafd is. De grootste diepten van den Oceaan zijn ons geheel +onbekend; het dieplood heeft ze niet kunnen peilen. Wat geschiedt er +in die afgronden? Welke wezens kunnen er 12 of 15 kilometer onder het +oppervlak der zee leven? Hoe is hun samenstel? Men kan er nauwelijks +naar gissen. De oplossing van het raadsel voor hetwelk wij staan, +kan tweeledig zijn. Of wij kennen al de verscheidenheid der dieren, +welke onze planeet bewonen, of wij kennen ze niet. Indien wij ze niet +allen kennen, indien de natuur nog geheimen voor ons heeft op het +gebied der ichthyologie, dan is niets aannemelijker dan te gelooven +aan het bestaan van walvisschen van eene geheel nieuwe soort, van een +bijzonder maaksel, dat hen geschikt maakt om in de grootste diepte te +leven, waar het dieplood nog niet is kunnen doordringen; een bijzonder +toeval, een gril, een luim, als men wil, brengt hen mogelijk van tijd +tot tijd, doch zeldzaam, aan het oppervlak van den Oceaan. + +"Indien wij integendeel alle levende soorten kennen, moet men het hier +bedoelde dier noodzakelijk zoeken onder de reeds bekende zeedieren, +en in dat geval zou ik geneigd zijn om aan het bestaan van een +reusachtigen eenhoorn te gelooven. + +"De gewone zee-eenhoorn bereikt soms eene lengte van zestig voet. Neem +die afmeting nu vijf- of zelfs tienvoudig; geef aan dit beest eene +kracht evenredig aan zijne grootte, verzwaar zijn hoorn en gij hebt +het bedoelde dier. Dan heeft het afmetingen zooals de officieren van +de Shannon die hebben beschreven, een hoorn sterk en zwaar genoeg +om een gat in de Scotia te booren, en kracht in overvloed om de kiel +van een stoomschip aan te tasten. + +"De eenhoorn toch is met een soort van ivoren spoor of met een +hellebaard gewapend, zooals sommige natuurkenners dit voorwerp +beschrijven. Het is een slagtand zoo hard als staal; men heeft +eenige van die tanden gevonden, waarmede het lichaam van walvisschen +doorboord was; deze visch namelijk wordt door den eenhoorn altijd +met goeden uitslag aangevallen. Anderen werden niet zonder inspanning +uit den romp van schepen getrokken, welke zij geheel doorboord hadden, +evenals een drilboor door een vat gaat. Het museum van de geneeskundige +faculteit te Parijs bezit een van die hoorns, welke eene lengte van +2.25 en onderaan eene breedte van O.48 meter heeft. + +"Welnu, veronderstel zulk een wapen tienmaal zoo sterk, en het dier +tienmaal zoo krachtig; verbeeld u, dat het zich met eene snelheid +van twintig kilometer in het uur beweegt; vermenigvuldig het gewicht +met de snelheid, en gij verkrijgt tot resultaat een schok, die wel +in staat is om het bedoelde ongeluk te veroorzaken. Voordat ik nader +word ingelicht houd ik het er dus voor dat het een zee-eenhoorn is +geweest van verbazende grootte, niet met een hellebaard, maar met eene +wezenlijke spoor gewapend, zooals gepantserde fregatten of ramschepen +die hebben. Zoo zou dit onverklaarbaar verschijnsel zijn opgelost, +of--er moet niets bestaan, in weerwil van al hetgeen men gegist, +gezien en gevoeld heeft, hetgeen ook nog wel mogelijk is." + +Die laatste woorden waren niet vrij van lafhartigheid, maar ik wilde +tot op zekere hoogte mijne waardigheid als professor ophouden, en door +de Amerikanen niet worden uitgelachen. Ik hield een achterdeurtje open, +doch in den grond der zaak geloofde ik aan het bestaan van een monster. + +Mijn stuk werd druk besproken, en kreeg daardoor heel wat +ruchtbaarheid; ik had een zeker aantal menschen op mijne hand; de +oplossing, welke ik gaf, leverde overigens stof genoeg op om aan de +verbeelding vrij spel te laten. De menschelijke geest schept behagen +in die grootsche gedachte aan bovennatuurlijke wezens. En de zee is +juist het beste verblijf voor zulke schepsels; zij is het, waar die +reuzen, waarbij landdieren als olifanten of neushoorns slechts dwergen +zijn, zich vrij kunnen ontwikkelen. Het water bevat de grootste +bekende zoogdieren, en misschien verbergt het nog schelpdieren +van onvergelijkelijken omvang, schaaldieren, afschuwelijk om te +aanschouwen, zooals bijvoorbeeld kreeften van honderd meter lengte of +krabben van twee honderd centenaar! waarom niet? In voorhistorische +tijden waren de landdieren, viervoetige, vierhandige, kruipende dieren, +vogels, enz. van reusachtige grootte. De schepper des heelals had ze +in een kolossalen vorm gegoten, welke door den tijd kleiner geworden +is. Waarom zou de zee in hare onbekende diepten geen staaltjes bewaard +hebben van die reusachtige wezens uit de geologische tijdperken der +aarde? de zee toch verandert nooit, terwijl de aardkorst elk oogenblik +verandering ondergaat. Waarom zou zij de laatste verscheidenheden +niet bevatten van die reuzen der voorwereld, voor welke jaren gelijk +zijn aan eeuwen, en eeuwen gelijk aan duizend jaren? + +Maar ik laat mij tot zulke droomerijen verleiden nu ik er niet +meer aan mag toegeven; ik laat die hersenschimmen varen, nu de tijd +ze voor mij in eene vreeselijke werkelijkheid veranderd heeft. Ik +herhaal het, men vormde zich toen eene meening over den aard van +het verschijnsel, en het publiek geloofde vrij algemeen aan het +bestaan van een wonderbaarlijk wezen, hetwelk niets gemeen had met +de fabelachtige zeeslangen. + +Indien sommigen het slechts beschouwden als een wetenschappelijk +raadsel, hetwelk moest worden opgelost, dan dachten anderen vooral in +Amerika en Engeland, met vrij wat practischer zin er aan om den Oceaan +van dit vreeselijk monster te bevrijden, om de groote vaart daardoor te +beveiligen. Dagbladen en tijdschriften aan de belangen van nijverheid +en handel maar vooral aan het assurantiewezen gewijd, behandelden +de zaak voornamelijk uit dit oogpunt, en waren hierin eenstemmig; +de verzekeringmaatschappijen dreigden zelfs hare premien te verhoogen. + +Toen de openbare meening uitspraak gedaan had, verklaarden de Vereenigde +Staten zich het eerst. Men maakte te New-York toebereidselen voor een +tocht om den eenhoorn te vervolgen. Een fregat met eene spoor voorzien +en van groote snelheid, de Abraham Lincoln, werd uitgerust om zoodra +mogelijk zee te kiezen. De kapitein Farragut had vrije beschikking +over de tuighuizen, en hij maakte daarvan een goed gebruik om zijn +fregat zoo snel mogelijk uit te russen. + +Zooals het wel eens meer gebeurt geschiedde het ook thans; toen +men besloten had om het monster te vervolgen, verscheen dit niet +meer. Gedurende twee maanden hoorde niemand er over spreken, +geen schip ontmoette het dier. Het was alsof die eenhoorn kennis +droeg van de samenzwering welke tegen hem gesmeed werd; men had er +zooveel over gesproken en zelfs door middel van den transatlantischen +telegraafkabel! Daarom beweerden enkele spotters dat die slimme kwant +eenig telegram had opgevangen, waarmede hij nu zijn voordeel deed. + +Derhalve wist men niet waarheen het fregat gezonden moest worden, nu +het voor een verren tocht uitgerust--en van verbazende vischtoestellen +voorzien was. Men werd hoe langer hoe ongeduldiger toen men den 2den +Juli vernam dat de Tampico, eene boot van San Francisco naar Shanghai, +het dier drie weken geleden wederom in het noordelijk gedeelte van +de Stille Zuidzee gezien had. De ontroering, welke deze tijding +veroorzaakte, was buitengemeen groot. Men liet den kapitein Farragut +geen vierentwintig uur beraad; zijne victualie was aan boord; +hij had kolen in overvloed, niemand ontbrak er op de scheepsrol, +hij behoefde zijn schip slechts onder stoom te brengen en het anker +te lichten; men zou hem een dag oponthoud kwalijk genomen hebben, +bovendien verlangde de kapitein niets liever dan te vertrekken. + +Drie uur voordat de Abraham Lincoln van de kaai van Brooklyn werd +losgemaakt, ontving ik den volgenden brief: + + +Mijnheer, 3 Juli 1867. + +"Indien gij lust gevoelt om den tocht met den Abraham Lincoln mede te +maken, zal de regeering der Vereenigde Staten met genoegen zien dat +Frankrijk daarbij door u vertegenwoordigd wordt. De Kapitein Faragut +heeft eene hut ter uwer beschikking. + +Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn. + +Uw. Dw. Dienaar, J. B. Hobson, Secretaris aan het Departement van +Marine. + +Den WelEdel Hoog Geleerden Heer den Heer Aronnax, professor aan het +museum te Parijs. Hotel der vijfde Avenue te New-York. + + +HOOFDSTUK III + +De trouwe knecht. + +Drie seconden voor ik den brief van den heer Hobson kreeg, dacht ik +er evenmin aan om den eenhoorn te vervolgen als om de Noordwestelijke +doorvaart te gaan zoeken, maar drie seconden na den brief te hebben +gelezen, begreep ik eindelijk dat mijne wezenlijke roeping, het +eenige doel van mijn leven was om dit onrustbarende monster op te +jagen en er de aarde van te bevrijden. Doch ik kwam pas van eene +moeilijke reis terug, was zeer afgemat en verlangde naar rust; +voor weinige oogenblikken reikhalsde ik er naar om mijn vaderland +en mijne vrienden terug te zien, en weder rustig in mijne kleine +woning in den Plantentuin te midden mijner kostbare verzamelingen te +zitten. Maar niets kon mij nu terughouden; ik vergat alle vermoeienis, +vrienden, verzamelingen, alles, en zonder er lang over te denken nam +ik het aanbod der Amerikaansche regeering aan. Overigens dacht ik, +dat elke andere weg mij ook wel naar Europa kon terugbrengen, en dat +de eenhoorn beleefd genoeg zou zijn om mij naar de Fransche kust te +voeren! Dat dier, hoopte ik, zou zich in de eene of andere Europeesche +zee, al was het alleen om mij genoegen te doen, wel laten vangen, +en dan bracht ik op zijn minst een halven meter van zijn ivoren hoorn +mede voor het museum van natuurlijke historie. + +Maar intusschen moest ik het dier in het noordelijk deel der +Stille Zuidzee helpen opzoeken, en dat was zoo wat de weg naar onze +tegenvoeters in plaats van naar Frankrijk. + +"Koen!" riep ik ongeduldig. + +Koenraad was mijn knecht, een trouwe jongen, die mij op al mijne +reizen vergezelde; een brave Vlaming van wien ik veel hield, en die +mij met gelijke munt betaalde; hij was zeer bedaard van natuur, +nauwgezet van beginselen, ijverig uit gewoonte, verwonderde zich +bijna nimmer over eenig toeval in dit leven, was zeer handig, +geschikt voor allerlei diensten, en gaf, in spijt van zijn naam, +nimmer eenigen raad, zelfs als men er hem om vroeg. Door zijn verkeer +te midden van de geleerden van den Plantentuin had Koenraad ten slotte +nog al een en ander geleerd. Ik bezat in hem eene specialiteit voor +het verdeelen in klassen van voorwerpen uit de natuurlijke historie; +hij was bijzonder vlug in het ordenen van alle vertakkingen, groepen, +klassen, orden, familien, geslachten, soorten, verscheidenheden, maar +daartoe bepaalde zich ook zijne geheele kennis. Klassenverdeeling was +zijn leven, en hij wist niets meer. Hoe bekwaam ook in de theorie der +klassen, was hij het volstrekt niet in de practijk, en ik geloof dat +hij geen potvisch van een walvisch had kunnen onderscheiden. En toch +was het een brave en flinke jongen! + +Koenraad was mij nu gedurende ongeveer tien jaar overal gevolgd waar +mijn wetenschappelijk onderzoek mij heen voerde. Nooit had hij eenige +aanmerking gemaakt over den langen duur of over de vermoeienis eener +reis; nimmer verstoutte hij zich een woord tegen te spreken als hij +zijn valies moest pakken om mij naar eenig land, China of Congo, +hoe ver afgelegen ook, te volgen. Hij trok overal mede heen, zonder +naar eenige reden te vragen. Overigens had hij een sterk gestel, +dat met alle kwalen den spot dreef; stevige spieren, maar geen zweem +van zenuwen--in zedelijken zin altijd. + +Die jongen was dertig jaar oud; zijn leeftijd stond tot die van zijn +meester als 3 tot 4, ik behoef dus niet te zeggen dat ik 40 jaar oud +was. Koenraad had slechts een gebrek; hij nam de vormen tot in het +bespottelijke in acht, zoodat hij mij altijd in den derden persoon +aansprak--soms tot tergens toe. + +"Koen!" riep ik nog eens, terwijl ik in koortsige haast toebereidselen +tot mijn vertrek begon te maken. + +Ik was zeker van den trouwen jongen; gewoonlijk vroeg ik hem nooit +of hij mij op mijne reizen verkoos te volgen of niet, maar ditmaal +gold het een tocht, die tot in 't oneindige kon duren, en dan nog wel +een zeer gevaarlijken tocht om een dier te vervolgen, dat in staat +was om een fregat als een notedop te doen zinken! Er was wel reden +om er eens over na te denken, zelfs voor den kalmsten mensch van de +wereld. Wat zou Koenraad wel zeggen? + +"Koen!" riep ik voor de derde maal. + +Koenraad verscheen. + +"Roept mijnheer mij?" vroeg hij binnenkomende. + +"Ja mijn jongen. Pak mijn goed, en maak u gereed; wij vertrekken over +twee uur." + +"Zoo als mijnheer belieft," antwoordde Koenraad bedaard. + +"Wij hebben geen oogenblik te verliezen; stop zonder te tellen al +mijne reisbenoodigdheden in mijn koffer; kleeren, hemden, laarzen +zooveel als gij maar kunt, en haast u!" + +"En mijnheers verzamelingen?" vroeg hij. + +"Daar zal ik mij later mede bemoeien." + +"Wat! de archiotheriums, hyracotheriums, oreodons, cheropotamussen +en andere skeletten?" + +"Men zal die in 't logement wel voor mij bewaren." + +"En mijnheers levende babiroussa?" + +"Men zal die in mijne afwezigheid wel voeren. Bovendien zal ik order +geven om onze geheele menagerie naar Frankrijk te zenden." + +"Keeren wij dus niet naar Parijs terug?" vroeg Koenraad. + +"Ja ... zeker...." antwoordde ik eenigszins ontwijkend, "maar langs +een omweg." + +"Zoo als mijnheer belieft." + +"'t Is maar eene kleinigheid, een eenigszins minder rechte weg, +dat is alles; wij gaan met den Abraham Lincoln." + +"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad bedaard. + +"Gij weet, mijn vriend, er is sprake van een monster ... een +verschrikkelijken eenhoorn,... wij gaan de zee er van bevrijden!... De +schrijver van een werk in twee quarto deelen over de "Geheimen van de +diepten der zee," mag niet nalaten om zich met kapitein Farragut in +te schepen. Een roemvolle tocht,... maar gevaarlijk ook. Men weet niet +waar men heen gaat. Die dieren kunnen allerlei grillen hebben; maar wij +gaan toch; wij hebben een kapitein, die goed uit zijne oogen kijkt." + +"Zooals mijnheer doet, doe ik ook," zeide Koenraad. + +"Denk er goed over na, want ik wil u niets verbergen; het is eene +reis waarvan men niet altijd terugkeert." + +"Zooals mijnheer goedvindt." + +Een kwartier daarna waren onze koffers gepakt: Koen was in een +ommezien gereed, en ik was zeker dat er niets vergeten was, want die +jongen rangschikte mijne hemden en bovenkleeren even goed als vogels +en zoogdieren. + +De hijschmachine van het hotel bracht ons in den grooten gang; ik ging +een paar trappen lager naar het kantoor om mijne rekening te betalen; +ik gaf bevel om mijne opgezette dieren en gedroogde planten naar Parijs +te verzenden en om de babiroussa te voeren, en stapte gevolgd door +Koenraad in een rijtuig. De wagen reed Broadway af naar Unionsquare, +volgde de Vierde Avenue tot aan hare vereeniging met de Bowerystraat, +sloeg toen de Katharinestraat in en hield bij den 34en steiger stil; +daarvandaan bracht ons de Katharinaboot met paarden en rijtuig over +naar Brooklyn, de groote voorhaven van New-York, hetwelk op den +linkeroever der Oost-rivier ligt, en in weinige minuten waren wij op +de kaai, waar de Abraham Lincoln vervaarlijke rookwolken door hare +beide schoorsteenen naar boven stuwde. + +Onze bagage werd onmiddellijk op het dek van het fregat gebracht. Ik +haastte mij aan boord te komen en vroeg naar den kapitein. Een der +matrozen bracht mij op de kampanje, waar ik een officier vond met +een goed voorkomen, die mij de hand toestak. + +"Mijnheer Pierre Aronnax?" vroeg hij. + +"Dat ben ik," antwoordde ik hem. "Kapitein Farragut?" + +"In eigen persoon. Wees welkom, mijnheer de professor; uw hut is voor +u gereed." + +Ik groette hem, en liet den kapitein verder voor het uitzeilen zorgen, +terwijl ik mij de hut deed aanwijzen, welke voor mij bestemd was. + +De Abraham Lincoln was voor hare nieuwe bestemming goed gekozen en +uitgerust. Het was een snelzeilend fregat, met eene machine, welke +eene stoomspanning van zeven atmosferen toeliet. Met deze drukking +had de Abraham Lincoln een gemiddelde snelheid van 18,3 kilometer +in het uur, eene aanzienlijke snelheid, maar onvoldoende om met den +reusachtigen visch te wedijveren. + +De inwendige inrichting van het fregat beantwoordde aan het overige. Ik +was zeer tevreden over mijne hut, welke zich in het achterschip bevond +en uitkwam in het officierssalon. + +"Wij zullen hier op ons gemak zijn," zeide ik tegen Koenraad. + +"Even goed als een slak in haar schelp!" antwoordde Koenraad. + +Ik liet Koenraad onze koffers behoorlijk plaatsen en ging zelf +weer naar boven om de toebereidselen tot de afvaart te zien. Op dit +oogenblik liet de kapitein de laatste trossen, welke het fregat aan +de kaai van Brooklyn bevestigden, losgooien. Als ik dus een kwartier +later gekomen was, zou het schip zonder mij vertrokken zijn, en ik +had dien buitengewonen, bovennatuurlijken en onwaarschijnlijken tocht +niet medegemaakt, waarvan het ware verhaal evenwel niet overal geloof +zal vinden. Maar de kapitein wilde geen dag, geen uur zelfs verliezen +om de zee te bereiken waar het dier het laatst gezien was. Hij liet +den machinist op het dek komen. + +"Hebben wij drukking genoeg?" vroeg hij. + +"Ja wel, mijnheer," antwoordde de machinist. + +"Go head!" riep daarop kapitein Farragut. + +Dit bevel werd naar de machinekamer overgebracht door middel van een +toestel met samengeperste lucht, en de onder-machinist draaide de kruk +om, welke de machine in beweging moest brengen; de stoom drong sissende +in de geopende pijpen; lange horizontale stampers zuchtten en brachten +de zuigerstang in beweging, de schroef draaide met toenemende snelheid +in het water rond, en de Abraham Lincoln stoomde statig voorwaarts, te +midden van een honderdtal kleine schepen en bootjes vol toeschouwers, +die het fregat uitgeleide deden. + +De kaaien van Brooklyn en van New-York langs de Oostrivier wemelden +van nieuwsgierigen. De hoezee's van 500,000 monden barstten +achtereenvolgens los. Duizenden zakdoeken wuifden boven de dichte +menigte en riepen de Abraham Lincoln een laatst vaarwel toe, +totdat het schip in de Hudson kwam, tegenover het uiteinde van het +schiereiland, waarop New-York gebouwd is. Toen volgde het aan de zijde +van New-Jersey den schoonen, met buitenplaatsen bezaaiden rechteroever +van den stroom, en stoomde tusschen de forten door, welke het met +kanonschoten begroetten. De Abraham Lincoln beantwoordde dien groet +met het driemaal hijschen van de Amerikaansche vlag, waarvan de 39 +sterren aan de bazaansmast prijkten; daarop verminderde het fregat +zijne snelheid om het afgebakende vaarwater te houden, hetwelk met +eene bocht door de binnenbaai bij Kaap Sandy-Hook loopt, en stoomde +strijkelings voorbij deze zandige landtong waar duizenden toeschouwers +het nog eens toewuifden. + +De vloot van scheepjes en booten volgde het fregat nog altijd en +verliet het niet eer dan op de hoogte van het vuurschip, welks beide +lichten den ingang van het nauwe vaarwater te New-York aanduiden. + +Het sloeg toen drie uur. De loods ging weer in zijne boot en roeide +naar den schoener, die hem onder den wind wachtte. De vuren werden +aangestookt, de schroef draaide sneller in de golven, het fregat liep +langs de gele en lage kust van Long-Island, en om acht uur des avonds +stoomde het met volle kracht over de grauwe golven van den Oceaan +voorwaarts na in het noordwesten de vuur-bakens van Fire-Island uit +het oog te hebben verloren. + + +HOOFDSTUK IV + +Ned Land. + +Kapitein Farragut was een flink zeeman, en het fregat waard dat hij +commandeerde. Zijn schip en hij vormden slechts een geheel; hij was +er de ziel van. Hij twijfelde geen oogenblik aan het bestaan van den +eenhoorn, en hij duldde niet dat men daarover aan boord twistte. Hij +geloofde er aan, zooals sommige oude wijven aan het bestaan van den +Leviathan gelooven, uit geloofsovertuiging, niet door redeneering. Het +monster bestond, hij zou er de zee van bevrijden, dit had hij +gezworen. Het was een soort van ridder van Rhodus, een Dieudonne +de Gozon, die de slang opzocht, welke dit eiland verwoestte. Of de +kapitein zou den eenhoorn dooden of dit dier zou den kapitein dooden; +een middelweg bestond er niet. De officieren deelden het gevoelen +van den commandant. Men had ze eens moeten hooren spreken over de +verschillende kansen eener ontmoeting, en den uitgestrekten Oceaan zien +bekijken. Meer dan een hield vrijwillig de wacht op de bramsteng, +die zulk een baantje onder andere omstandigheden zou verwenscht +hebben. Zoolang de zon hare dagelijksche loopbaan aan den hemel +beschreef, zat het want vol matrozen, wien de planken onder de voeten +brandden zoodat zij op het dek niet konden blijven staan. En toch +kliefde de Abraham Lincoln de golven van den Grooten Oceaan nog niet! + +Wat de equipage betrof, deze verlangde niets liever dan om den +eenhoorn te ontmoeten, hem te harpoenen, aan boord te hijschen en +aan stukken te snijden; de matrozen bekeken de zee met bijzondere +oplettendheid. Bovendien had de kapitein gesproken van eene som van +2000 dollars, welke uitbetaald zou worden aan iedereen, matroos of +kajuitsjongen, bootsman of officier, die het dier zou aanwijzen. Men +kan denken hoe de oogen aan boord van de Abraham Lincoln zich +inspanden. + +Ik voor mij bleef bij de overigen niet achter, en ik liet aan +niemand mijn aandeel in het dagelijksch uitkijken over. Het fregat +zou honderdmaal eerder Argus hebben moeten heeten. Koenraad alleen +was onverschillig voor de zaak, welke ons allen gespannen hield, +en deelde niet in de algemeene geestdrift. + +Ik heb reeds gezegd dat kapitein Farragut het fregat zorgvuldig +voorzien had van allerlei werktuigen om den grooten visch te +vangen. Een walvischvaarder zou niet beter zijn uitgerust. Wij hadden +alle mogelijke instrumenten, van den harpoen, die met de hand geworpen +wordt, tot de met weerhaken voorziene pijlen, die door donderbussen, en +de ontplofbare kogels, welke door ganzenroeren worden afgeschoten. Op +den voorsteven stond een voortreffelijk achterlaadkanon, met dikke +wanden en nauwe ziel, waarvan een model op de tentoonstelling van 1867 +zou worden ingezonden. Dit prachtige stuk geschut van Amerikaanschen +oorsprong slingerde een puntkogel van vier kilogram op een gemiddelden +afstand van zestien kilometer. + +De Abraham Lincoln miste dus geen enkel vernielingswerktuig, maar +zij had nog beter, namelijk Ned Land den koning der harpoeniers. + +Ned Land was uit Canada afkomstig, en wist zoo buitengemeen handig +met den harpoen om te gaan, dat hij in dat gevaarlijk bedrijf zijn +gelijke niet had. Hij was behendig en koelbloedig, stout en listig +in de hoogste mate, en het moest wel een slimme walvisch, of een +bijzonder listige potvisch zijn, die aan zijn harpoen ontsnapte. Ned +Land was omstreeks veertig jaar oud; hij had eene lengte van meer +dan zes Engelsche voet, was forsch gebouwd, had een ernstig gelaat, +sprak weinig, was soms erg driftig en werd zelfs woedend als men hem +tegenwerkte. Zijn persoon trok de opmerkzaamheid tot zich, en zijn +doordringend oog gaf eene zonderlinge uitdrukking aan zijn gelaat. + +Ik geloof dat de kapitein wijs gehandeld had met dien man voor den +tocht aan te werven. Hij was, wat de scherpte van zijn blik en de +kracht van zijn arm aangaat, alleen eene geheele equipage waard. Ik kan +hem nergens beter bij vergelijken dan bij een krachtigen verrekijker, +die tegelijk voor kanon kan dienen. + +Wie van Canada spreekt denkt aan Frankrijk, en hoe weinig Ned Land +zich ook met anderen bemoeide, moet ik toch bekennen dat hij eene +zekere vriendschap voor mij opvatte. Mijne afkomst trok hem zeker aan; +hij had daardoor gelegenheid die oude taal van Rabelais te spreken, +welke in sommige streken van Canada nog in gebruik is, en die ik +zoo gaarne hoorde. Het geslacht van den harpoenier was uit Quebec +afkomstig, en telde reeds tal van stoutmoedige visschers in den tijd +toen deze stad aan Frankrijk behoorde. + +Ned kreeg langzamerhand meer lust in het praten, en ik hoorde gaarne +het verhaal zijner avonturen in de Poolzeeen. In de verhalen van +zijne vischvangsten en gevechten ademde eene natuurlijke poezie; +zijne geschiedenissen kregen den vorm van heldendichten, en +tusschenbeiden dacht ik een Canadaschen Homerus te hooren, die de +Ilias der poolstreken zong. + +Ik beschrijf dien stoutmoedigen makker zooals ik hem nu ken. Wij +zijn oude vrienden geworden, en verbonden door een onverbreekbaren +vriendschapsband, zooals slechts de verschrikkelijkste gebeurtenissen +kan in 't leven roepen! Ik zou honderd jaar willen leven, dappere Ned, +om mij uwer des te langer te kunnen herinneren! + +En hoedanig was nu het gevoelen van Ned Land over het zeemonster? Ik +moet bekennen dat hij niet aan den eenhoorn geloofde, en dat hij de +eenige aan boord was, die de algemeene overtuiging niet deelde. Hij +vermeed het zelfs om over die zaak te spreken, waarover ik evenwel +hoopte hem wel eens aan 't praten te krijgen. + +Op een prachtigen avond (30 Juni), drie weken na ons vertrek, was +ons fregat op de hoogte van de Witte Kaap, dertig kilometer van de +kust van Patagonie. Wij waren den Steenbokskeerkring gepasseerd, en +de straat van Magelhaen lag op iets minder dan 700 kilometer meer +zuidwaarts. Voor er acht dagen om waren zou de Abraham Lincoln de +golven der Stille Zuidzee klieven. + +Op de kampanje gezeten, praatten Ned Land en ik over koetjes +en kalfjes, terwijl wij onze blikken over die geheimzinnige zee +lieten dwalen, wier diepten tot nog toe voor den menschelijken blik +ondoordringbaar waren gebleven. Ik bracht zeer natuurlijk het gesprek +op den reusachtigen eenhoorn, en ik ging de verschillende kansen van +het al of niet gelukken onzer onderneming na. Toen ik zag dat Ned +mij slechts liet praten zonder zelf iets te zeggen, ging ik meer op +den man af. + +"Hoe komt het toch Ned," vroeg ik, "dat gij niet overtuigd zijt +van het bestaan van den eenhoorn, dien wij vervolgen? Hebt gij dan +bijzondere redenen om zoo ongeloovig te zijn?" + +De harpoenier keek mij eenige oogenblikken aan voor hij een antwoord +gaf; drukte zooals hij gewoonlijk deed de breede hand tegen het +voorhoofd, kneep de oogen toe als om een besluit te nemen, en zeide +eindelijk: + +"Misschien wel, mijnheer Aronnax." + +"Komaan Ned, gij een walvischvaarder van uw ambacht, gij die met +de groote zoogdieren der zee gemeenzaam geworden zijt, gij die u +gemakkelijk het bestaan van zulke monsters verbeelden kunt, gij moest +de laatste zijn van onder zulke omstandigheden nog twijfel te voeden." + +"Daarin bedriegt gij u juist, mijnheer de professor," antwoordde +Ned. "Het domme volk moge geloof slaan aan buitengewone kometen, die +door het hemelruim vliegen, of aan het bestaan van voorwereldlijke +monsters, die nog binnen in de aarde leven, ik laat dat gaan, maar +sterrekundigen noch geologen hechten aan zulke hersenschimmen; met een +walvischvaarder is dit hetzelfde geval. Ik heb er al heel wat vervolgd, +een groot aantal met mijn harpoen getroffen, verscheidene gedood, +maar hoe sterk of hoe goed gewapend zij ook waren, noch hun staart +noch hun tanden of andere verdedigingsmiddelen zouden de ijzeren +platen van een stoomschip ooit hebben kunnen aantasten." + +"Maar toch Ned noemt men schepen, die door den eenhoorn doorboord +zijn." + +"Houten schepen, dat is mogelijk, maar ik heb ze nooit gezien. Zoolang +ik niet van het tegendeel overtuigd word, ontken ik dat walvisschen, +potvisschen of eenhoorns zoo iets zouden kunnen doen." + +"Hoor eens Ned...." + +"Neen mijnheer, neen; al wat gij wilt, maar dat nooit. Misschien een +reusachtige polyp?" + +"Nog minder Ned. De polyp is een weekdier, en die naam alleen doet u +reeds hooren hoe weinig vastheid haar vleesch heeft. Al was zij ook 500 +voet lang, dan nog zou de polyp, die niet tot de klasse der gewervelde +dieren behoort, geheel onschadelijk zijn voor schepen als de Scotia +en de Abraham Lincoln. Verhalen van Kraken of andere monsters van die +soort moet men dan ook geheel naar het gebied der fabelen verbannen. + +"Dus mijnheer de natuurkenner, houdt gij het er voor," hernam Ned +Land met ietwat spotachtigs in zijn toon, "dat zulk een groote +eenhoorn bestaat...?" + +"Ja Ned, en ik herhaal dit met eene overtuiging, die op feiten +berust. Ik geloof aan het bestaan van een krachtig ontwikkeld zoogdier, +dat tot de gewervelde dieren behoort, zooals walvisschen, potvisschen, +en dolfijnen, en dat met een buitengewoon sterken hoorn voorzien is." + +De harpoenier liet een "hm!" hooren, terwijl hij met het hoofd schudde +als iemand, die zich niet wil laten overtuigen. + +"Vergeet niet," hernam ik, "dat als zulk een dier bestaat, als het +de diepten van den Oceaan bewoont, als het eenige kilometers onder +de oppervlakte der zee zwemmen kan, dat het dan noodzakelijk een +samenstel hebben moet, welks kracht alle vergelijking te boven gaat." + +"En waarom dan?" vroeg Ned. + +"Omdat er eene onberekenbare kracht noodig is om zich in zulk eene +groote diepte op te houden, en aan den druk van de massa water boven +zich weerstand te bieden." + +"Zoo?" zeide Ned terwijl hij mij aankeek en een oogje knipte. + +"Zeker, en eenige cijfers kunnen u dit gemakkelijk bewijzen." + +"O cijfers!" antwoordde Ned, "daar doet men mede wat men wil." + +"In handelszaken is dit mogelijk Ned, maar niet in de wiskunde. Hoor +slechts: laat ons aannemen dat de drukking van den dampkring wordt +voorgesteld door den druk van eene kolom water van 32 voet hoog; +in wezenlijkheid zou de kolom minder hoog zijn, omdat wij hier +te doen hebben met zeewater, waarvan de dichtheid veel grooter is +dan van zoet water; welnu Ned, evenveel maal 32 voet als gij naar +beneden duikt, even zooveel atmosferen drukken er dan op uw lichaam, +of een even groot aantal kilogrammen op elken vierkanten centimeter +van de oppervlakte uws lichaams. Daarom volgt dat op eene diepte van +320 voet die drukking gelijk staat met die van tien atmosferen, en +als men eene diepte van 32000 voet of ruim tien kilometer bereiken +kon, dan zouden er duizend atmosferen op u drukken; elke vierkante +centimeter derhalve van uwe lichaamsoppervlakte zou een gewicht te +dragen hebben van duizend kilogram; en weet gij nu wel, mijn dappere +Ned, hoeveel vierkante centimeters die oppervlakte bedraagt?" + +"In het geheel niet, mijnheer Aronnax." + +"Ongeveer 17000." + +"Nog zooveel?" + +"En daar in de werkelijkheid de drukking van den dampkring nog iets +meer is dan een kilogram op de vierkante centimeter, zoo dragen uwe +17000 vierkante centimeter op dit oogenblik een gewicht van 17568 +kilogram." + +"Zonder dat ik er iets van merk?" + +"Zonder dat gij het bemerkt. En dat gij door zulk een drukking niet +verpletterd wordt, komt omdat de lucht met een even groote drukking +in uw lichaam doordringt, van daar een volmaakt evenwicht hetwelk het +u gemakkelijk doet dragen; maar in het water is het een ander ding." + +"Ja wel, dat begrijp ik," antwoordde Ned, die wat oplettender was +geworden, "omdat het water mij omringt, en niet in mijn lichaam +doordringt." + +"Juist Ned; derhalve ondergaat gij 32 voet onder water eene drukking +van 17568 kilogram; en zoo voortgaande hebt gij bijvoorbeeld op +eene diepte van 32000 voet een gewicht op u van 17,568,000 kilogram, +gij zoudt dan zoo platgedrukt zijn, alsof gij uit eene hydraulische +pers kwaamt." + +"Drommels," zeide Ned. + +"Welnu mijn waarde harpoenier, als gewervelde dieren van eenige +honderden meter lang, en dik naar evenredigheid, zich in zulke diepten +ophielden, zouden zij omdat de oppervlakte van hun lichaam zooveel +grooter is, een gewicht van millioenen maal millioenen kilogrammen te +dragen hebben; en bereken dan maar eens welk een weerstandsvermogen +hun skelet en welke kracht hun samenstel hebben moet om zulk eene +drukking te weerstaan." + +"Dan zouden ze van achtduims staalplaten gemaakt moeten zijn, zooals +de gepantserde fregatten." + +"Zoo is het Ned, en denk dan eens aan de verwoesting, welke zulk een +massa kan te weeg brengen, als zij met de snelheid van een spoortrein +tegen den romp van een schip aankomt." + +"Ja ... inderdaad ... misschien", antwoordde Ned, in de war gebracht +door de cijfers, hoewel hij zich nog niet wilde gewonnen geven. + +"Welnu, heb ik u overtuigd?" + +"Gij hebt mij van eene zaak overtuigd, mijnheer de natuurkenner, +en dat is dat als zulke dieren in de diepten der zee bestaan, zij +noodzakelijk zoo sterk moeten zijn als gij zegt." + +"Maar als zij niet bestaan, koppige harpoenier, hoe verklaart gij +dan het ongeluk van de Scotia?" + +"Het is misschien...." zeide Ned aarzelend. + +"Wat dan?" + +"Omdat ... omdat het niet waar is!" antwoordde Ned, terwijl hij +zonder het te weten een beroemd antwoord van Arago herhaalde. Doch +dit antwoord bewees de stijfhoofdigheid van den harpoenier en anders +niets. Dien dag klampte ik hem niet verder aan boord. Het gebeurde +met de Scotia kon niet ontkend worden; het gat bestond, en men had dit +moeten dicht maken, dat wel het beste bewijs zal zijn voor het bestaan +van het lek. Dat gat was er niet van zelf ingekomen, en omdat het +niet door onderzeesche rotspunten of onzichtbare vernielingswerktuigen +er ingeboord was, moest het natuurlijk aan het werktuig van een dier +worden toegeschreven. + +Volgens mij was het dier om alle opgesomde redenen een eenhoorn; om +dien behoorlijk te kennen moest men het onbekende monster in stukken +kunnen snijden; om het stuk te snijden moest men het vangen; om het te +vangen harpoenen, en dat was de zaak van Ned Land, om het te harpoenen +zien, dat was de zaak van de equipage, en om het te zien ontmoeten, +dat was de zaak van het toeval. + + +HOOFDSTUK V + +Op avontuur. + +De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door +niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned +Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde, +en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon. + +Op de hoogte van de Malouinen, praaide het fregat op 30 Juni +Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van +den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van +de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij +om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze +kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien, +gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval +begunstigde Ned zoo zeer dat hij in plaats van een, twee walvisschen +harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen +maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als +het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk +geene weddenschap voor het monster hebben willen aangaan. + +Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust +van Amerika. Den 3den Juli waren wij voor de straat van Magelhaen +op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter +liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap +Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad, +was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat +ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet +door kon, "omdat het er te dik voor was!" + +Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om +de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover +het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de +Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn +gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag +kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee. + +"Nu de kijkgaten open!" zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln, +en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen +oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs +van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en +dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter +bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te +verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent +grooter werd. + +Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de +minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn +middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor +regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens voor +dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige +blikken op 't schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter +het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering +van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms +zijn zwarten rug uit de golven omhoog stak. In een oogenblik was +dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken +naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den +gang van het dier. Ik keek zelf alsof ik er mijn netvlies bij wilde +verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en +kalm tot mij zeide: + +"Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te +spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien." + +Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde +op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts +een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder +tal van verwenschingen verdween. + +Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste +omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in +die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand +Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten +afstand overzien. + +Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield +zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht +had--ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou +zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende +acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar +hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid. + +"Och, kom," antwoordde hij "er is niemendal, mijnheer Aronnax, +en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het +te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat +ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen; +maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd +is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet +van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer +gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor, +de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier +dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen, +als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat, +is het reeds ver weg." + +Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in +den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer +gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk +matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de +eenhoorn bestond en weldra zou opdagen. + +Den 20sten Juli passeerden wij op 105 deg. W.L. den Steenbokskeerkring, +en den 27sten van diezelfde maand den evenaar op 110 deg. W.L. Toen +hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar +het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten +Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste +gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de +eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te +vermijden, "zonder twijfel omdat hij daar geen water genoeg heeft," +zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het +fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de +Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132 deg. W.L., +en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in +die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de +waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart +klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg +eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde +in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood +een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet, +twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog +van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling, +en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend +in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig +eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende +drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham +Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het +fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging +soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle +stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet +geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En +niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets +wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots, +of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het +ook zij! + +Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester, +en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich +van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte +en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om +zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over +in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men +sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om +in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te +kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken +geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste +voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste +tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en +drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere +stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven +weder naar het zuiden hebben gewend. + +Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet; +de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was +om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaansch schip toonde ooit +zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten +worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren. + +Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield +zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet, +en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand +aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand +had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen +uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de +Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren. + +Deze belofte werd op den 2den November gedaan; zij had ten +minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig +door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde +oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan; +de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog +gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze +kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te +verschijnen. + +Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom; +men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier +op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het +geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke +stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot +groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting +rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt +der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4den November kwam, +zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des +middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein, +als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en +de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat +bevond zich toen op 31 deg. 15' N.B. en 136 deg. 42' W.L. De Japansche +kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis +viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der +maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm +tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik +op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij, +en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den +horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner +werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende +duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der +maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder +alle licht in de duisternis van den nacht. + +Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen +eenigermate onder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende +het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel +van nieuwsgierigheid. + +"Komaan Koen," zeide ik, "nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid +om 2000 dollars in uw zak te steken." + +"Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen," antwoordde Koenraad, +"dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie +kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen +duit armer door zijn geworden." + +"Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons +te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, +wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds +naar Frankrijk zijn teruggekeerd...." + +"In mijnheers kleine kamer," antwoordde Koenraad, "in mijnheers +museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben +gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin +reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken." + +"Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk +zal uitlachen." + +"Zeker," antwoordde Koenraad bedaard, "ik denk wel dat men mijnheer +zal uitlachen, en--mag ik het zeggen? + +"Wel zeker, Koen." + +"Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient." + +"Waarlijk?" + +"Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet +bloot aan...." + +Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene +stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land, +die schreeuwde: + +"Ohe, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!" + + +HOOFDSTUK VI + +Met vollen stoom. + +Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier; +kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs +de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den +steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep +nog slechts langzaam vooruit. + +Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook +waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezien had; +mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet +bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees. + +Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham +Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet +het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich +daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder +het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren +glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins +gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote +lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte +beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden +zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans +langzamerhand verminderde. + +"Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes," riep een +van de officieren. + +"Neen mijnheer," antwoordde ik met overtuiging, "nooit hebben +steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans +moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens, +het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren +... het snelt naar ons toe!" + +Een algemeene kreet verhief zich van het fregat. + +"Stilte," beval de kapitein, "het roer in den wind, achteruit!" + +De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze +werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde +wendende, beschreef een halven cirkel. + +"Roer recht! Vooruit!" riep de kapitein. + +Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde +zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het +wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met +dubbele snelheid. + +Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom +en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het +fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde +het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop +verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende +streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van +een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den +gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp +het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield +eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht +uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde +niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien +schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen +het aan de andere zijde van het fregat, hetzij dat het er omheen was +gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik +kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn. + +Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat; +het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf +vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op +zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing +te lezen. + +"Mijnheer Aronnax," antwoordde hij, "ik weet niet met welk +verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze +duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende +dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht +afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen." + +"Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?" + +"Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn, +maar een electrieke tevens." + +"Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?" + +"Misschien," antwoordde de kapitein, "maar als het electrieke kracht +bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper +ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer." + +De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht +aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet +wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder +halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich +door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van +den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of +liever om een juister uitdrukking te bezigen "ging hij uit" evenals +een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar +niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren, +gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens +met geweld wordt uitgespoten. + +De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje, +en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis. + +"Ned Land," vroeg de kapitein, "hebt gij dikwijls het geblaas van +walvisschen gehoord?" + +"Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alleen +mij 2000 dollars opbracht." + +"Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens, +is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij +het water door hunne kieuwen uitblazen?" + +"Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich +dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch, +die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein, +zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met +hem wisselen." + +"Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned," antwoordde ik op +ongeloovigen toon. + +"Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen," voegde +Ned er bij, "dan zal hij mij wel moeten aanhooren." + +"Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer +beschikking stellen?" hernam de kapitein. + +"Zeker kapitein." + +"Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel." + +"En het mijne!" antwoordde de harpoenier dood eenvoudig. + +Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw, +maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham +Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee, +hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan, +en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak +der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne +longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van +2000 paardekracht. + +"Nu," dacht ik, "een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij, +dat is nog al zoo iets!" + +Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en +bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de +verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen +laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren +met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs +voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen +klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand. + +Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van +het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om +zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om +zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren; +dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos. + +Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen +der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De +gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag +liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: "Daar is het ding +weer, achter ons, aan bakboord," riep de harpoenier. Aller blikken +richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven +kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven; +het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter +zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in +beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den +weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht. + +Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig +mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de +afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dat het beest +slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was, +maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed +gevormd te zijn. + +Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het +twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik +maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde +zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden, +wist ik nog niet, omdat er drie familien waren, waartoe het behooren +kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen, +waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familien is +weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten, +de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit +dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des +Hemels en van kapitein Farragut. + +De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen +deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen; +deze kwam: "Mijnheer," vroeg de kapitein, "hebt gij stoom genoeg!" + +"Jawel kapitein," was het antwoord. + +Drie hoezee's volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had +geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen +van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de +heftige beweging der machine. + +De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde +recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte +naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken, +maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand +te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder +dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk, +dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein +trok zich woedend aan den baard. + +"Ned Land!" riep hij; deze kwam op dit bevel. + +"Zeg eens, Land," vroeg de kapitein, "raadt gij mij nog aan de sloepen +in zee te laten?" + +"Neen kapitein," antwoordde Ned, "want dat dier zal zich niet laten +vangen dan als het wil." + +"Wat dan te doen?" + +"Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat +ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal +ik het mijn harpoen in 't lijf gooien." + +"Ga je gang," antwoordde de kapitein. "Machinist" riep hij toen, +"vermeerder de drukking!" + +Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt, +de schroef draaide 43 maal in de minuut en de stoom perste door +de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham +Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in 't uur liep; maar het +verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef +het fregat dezelfde snelheid behouden zonder een vadem te winnen. Het +was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche +vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op +het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te +geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij +kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens. + +"Hebt gij de hoogste drukking?" vroeg de kapitein driftig. + +"Ja kapitein," antwoordde de machinist. + +"En zijn de veiligheidskleppen belast?" + +"Tot op 6-1/2 atmosfeer." + +"Belast ze tot op tien atmosferen!" + +Dit was een echt Amerikaansch bevel; op den Mississippi zou men niet +anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen. + +"Weet gij wel Koen," zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast +mij stond, "dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?" + +"Zooals mijnheer belieft!" antwoordde Koenraad. + +Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans +te loopen. + +De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen; +de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid +van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne +geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke +rookwolken den doorgang verschaffen. + +De log werd ten tweeden male uitgeworpen. + +"Hoeveel, stuurman?" riep de kapitein. + +"19,3 kilometer, kapitein!" + +"Stook op!" beval Farragut. + +De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen; +maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3 +kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering +te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land +was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet +het dier zich naderen. + +"Wij halen hem in! Wij halen hem in!" riep Ned, maar op het oogenblik +dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik +op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen +wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het +fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons. + +Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur 's morgens. Toen +besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden. + +"Zoo," zeide hij, "loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln, +dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen +aan het voorstuk!" + +Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht; +het schot ging af, maar de kogel vloog eenige voeten te hoog en over +het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom. + +"Een ander die beter bij de hand is!" schreeuwde de kapitein, "500 +dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!" + +Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard +en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde, +en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier +getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de +ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee. + +"Wat drommel," riep de oude kanonnier woedend, "is die schelm dan +met zesduims platen gepantserd?" + +"Vervloekt!" riep de kapitein. + +De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide: +"ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt." + +"Gij hebt gelijk!" antwoordde ik. + +Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals +een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het +eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van +afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat +zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op +dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de +duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op +dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geeindigd was, en wij het +bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. 's +Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder +op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend +als den vorigen nacht. + +De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van +den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens +voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde +maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln +naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van +zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle +zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt, +en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder +op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas, +stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam +voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op +het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat +in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik +zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich met de +eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken +harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke +dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen +vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard +voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit, +en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende +stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde +alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok, +en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik +over de verschansing in zee geworpen. + + +HOOFDSTUK VII + +Een vreemdsoortige walvisch. + +Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen, +wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer +twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder +daarom nog zoo'n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat +van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een +paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens +naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning +opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een +sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren? + +Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte +massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten +langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren +was. "Help! help!" riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde, +om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij; +het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden +er door verlamd; ik zonk; ik stikte. + +"Help!" het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik +worstelde en zonk naar den afgrond.... + +Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen; +ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde--ja waarachtig +ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen: + +"Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen, +zal hij veel gemakkelijker zwemmen." + +Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad. + +"Hoe, zijt gij het?" vroeg ik. + +"Ik zelf mijnheer," antwoordde Koen, "tot mijnheers dienst." + +"Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?" + +"Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer +gevolgd." + +De brave jongen vond dit zeer natuurlijk. + +"En het fregat?" vroeg ik. + +"Het fregat," antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide, +"ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet." + +"Wat zegt gij?" + +"Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui +hoorde zeggen: "de schroef en het roer zijn stuk...." + +"Stuk?" + +"Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de +eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig +voor ons, omdat er geen stuur meer in zit." + +"Dan zijn wij verloren." + +"Misschien," antwoordde Koenraad bedaard; "maar wij hebben toch nog +eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren." + +De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer +kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon +ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. "Als mijnheer +mij veroorlooft ze los te snijden," zeide hij, en hij sneed met +zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok +hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op +mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna +weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al +vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al +was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet +naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden +dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort, +en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die +flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was! + +Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van +de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen +om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te +wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze +niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl +een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en +gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem +voorwaarts duwen. Wij zouden elk niet meer dan tien minuten die rol +van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij +nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven. + +Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart +zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk +lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik +aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon. + +De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur +'s avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang +acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander +aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den +golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien, +welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der +zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam +braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben, +dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen een uur 's morgens was ik +erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad +moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem +alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort +en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon. + +"Laat mij los, laat mij los!" + +"Mijnheer los laten? nooit," riep hij, "ik hoop nog voor mijnheer +te verdrinken." + +Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar +het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen; +dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn +hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het +was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen, +nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen; +wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen +lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen, +en ik hoorde hem eenige malen: "help! help!" roepen. Wij hielden ons +een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in +mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg, +of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf? + +"Hebt gij het gehoord?" stamelde ik. + +"Ja, ja!" en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal +vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord; +was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van +den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene +sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht? + +Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne +schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten +ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel +toen uitgeput weer neer. + +"Wat hebt gij gezien?" + +"Ik zag," stamelde hij, "ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten +wij al onze krachten bewaren?" + +Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor +de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren +toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat. + +Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het +hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke +ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten +waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op +mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol +zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het +hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte.... + +Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er +aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde; +ik haalde ruimer adem en viel in zwijm.... + +Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef; +ik opende de oogen.... + +"Koenraad!" fluisterde ik. + +"Heeft mijnheer mij gebeld?" antwoordde Koenraad. + +Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande +maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds +herkende. + +"Ned!" riep ik uit. + +"Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na," antwoordde Ned Land. + +"Zijt gij door den schok in zee geworpen?" + +"Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna +onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen." + +"Een eiland?" + +"Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn." + +"Verklaar u duidelijker Ned." + +"En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft +getroffen, en op zijn huid is afgesprongen." + +"Waarom dan Ned, waarom?" + +"Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is." + +Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn +herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen +nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen +omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste +gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken +en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den +voet op; het was klaarblijkelijk een hard, ondoordringbaar voorwerp en +niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren +is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn, +zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien +kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden +en alligators. + +Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten, +was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een +metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij +scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken +te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster, +het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had +gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden +had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veel +wonderlijker verschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden +gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie +zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des +Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets +onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door +'s menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand +geheel uit het veld te slaan! + +Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op +een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan +oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn +meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet +toe komen. + +"Maar dan bevat dit toestel," zeide ik, "een werktuig om het in +beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?" + +"Natuurlijk," antwoordde de harpoenier, "en toch heeft dit drijvend +eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van +leven gegeven." + +"Heeft het schip zich dan niet bewogen?" + +"Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen, +maar het beweegt zich niet." + +"Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote +snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die +snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen, +zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn." + +"Hm!" zeide Ned, zonder zich verder uit te laten. + +Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon +het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig +op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest +worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den +tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtig centimeter uit +het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo +buitengewoon groot. + +"Zoolang het ding horizontaal doorvaart," mompelde Ned Land, "heb ik +niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken, +dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid." + +Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk +om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook, +die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene +opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen +der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween +de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag +afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche +schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een +gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als +het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen +oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen; +en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van +tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht +te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste +van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde. + +Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered +te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende, +dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De +schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water, +en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met +groote kracht opspuiten. + +Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk +om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven +onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned's hand een grooten +ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons +stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne +herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar +eene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een +oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid, +een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te +hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar +welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens +leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met +zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen? + +De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te +scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van +horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het +vaartuig langzamerhand voelde wegzinken. + +"Duizend duivels," riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het +dof klinkende metaal stampte, "opent dan, ongastvrije schippers!" + +Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van +de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet +dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten +binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen, +gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige +oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat, +en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden. + + +HOOFDSTUK VIII + +Mobilis in Mobile. + +Dat naarbinnenslepen was vrij lomp, doch had met de snelheid van +den bliksem plaats gehad. Wij hadden den tijd niet gehad om tot +ons zelven te komen. Ik weet niet wat mijne makkers ondervonden, +toen zij in die drijvende gevangenis naar beneden werden gehaald, +maar wat mij aanging, ik voelde eene kille huivering door mijne leden +gaan. Met wie hadden wij te doen? Zonder twijfel met zeeroovers van +een nieuwe soort, die op hunne wijze de zee doorkruisten. + +Nauwelijks was het enge luik gesloten, of ik bevond mij in volslagen +duisternis. Mijne oogen, die nog verblind waren door het daglicht, +zagen niets. Ik voelde met mijne bloote voeten de treden van eene +ijzeren trap. Ned Land en Koen werden stevig aangegrepen en volgden +mij; onder aan de trap opende zich eene deur, die onmiddellijk achter +ons met dof geluid gesloten werd. Wij waren alleen. Waar? Ik kon het +niet zeggen, mij nauwelijks voorstellen. Alles was donker, maar zoo +volslagen donker, dat na eenige minuten wachtens mijne oogen zelfs +nog geen van die onbepaalde schemeringen zagen, welke men zelfs in +den donkersten nacht bemerkt. Ned Land was woedend over die wijze +van handelen, en liet zijne verontwaardiging den vrijen loop. + +"Duizend duivels," riep hij, "dat zijn lui aan wie de Caledoniers nog +een lesje in de gastvrijheid zouden kunnen geven! Het ontbreekt er nog +maar aan, dat het menscheneters zijn! Het zou mij niet verwonderen, +maar ik verklaar, dat ik mij niet zonder tegenstand zal laten opeten." + +"Bedaar, vriend Ned, bedaar," antwoordde Koenraad kalm. + +"Maak u voor den tijd niet boos; wij liggen nog niet in de pan +te braden!" + +"In de pan, neen," zeide Ned, "maar in den oven wel. Het is hier +waarachtig donker genoeg. Gelukkig heb ik mijn mes nog, en ik zie +genoeg om er mij van te bedienen." + +Ik liep al tastende vooruit; na vijf of zes stap stiet ik tegen een +ijzeren muur van platen met bouten vastgeklonken. Toen ik mij omkeerde +voelde ik eene houten tafel, waarbij verscheiden bankjes stonden. De +vloer was bedekt met eene dikke mat, welke het geluid onzer schreden +verdoofde. Aan de naakte wanden voelde ik niets wat op deur of venster +geleek. Koenraad, die langs den tegenovergestelden kant had rondgetast, +kwam weder bij mij, waaruit het ons bleek dat de hut zoo wat twintig +voet lang en tien voet breed zijn moest. Wat de hoogte aangaat, +Ned Land kon, hoewel hij nog al lang was, den zolder niet bereiken. + +Er was een half uur voorbijgegaan zonder dat de toestand veranderd +was, toen onze oogen van de diepste duisternis plotseling tot het +scherpste licht overgingen. Eensklaps werd onze gevangenis, verlicht, +dat is te zeggen, dat zij met zulk een schitterend licht vervuld werd, +dat ik het aan de oogen niet verdragen kon. Aan de helderheid en de +witheid herkende ik het als het electrieke schijnsel, dat rondom het +onderzeesche vaartuig dat prachtige lichtverschijnsel had teweeg +gebracht. Nadat ik de oogen eenige oogenblikken onwillekeurig had +gesloten gehouden, opende ik ze weer en zag dat het licht viel uit een +gepolijsten halven bol, welke in de zoldering der hut was aangebracht. + +"Nu kan men ten minste zien," riep Ned, die met zijn mes in de hand +zich ter verdediging gereed hield. + +"Ja," antwoordde ik, "maar onze toestand blijft er niettemin even +duister om." + +"Laat mijnheer slechts geduld nemen," zeide de kalme Koenraad. + +De plotselinge verlichting der hut liet mij die in de kleinste +bijzonderheden zien. Er waren slechts een tafel en vijf bankjes in te +vinden; de onzichtbare deur moest hermetisch gesloten zijn; geen het +minste geluid trof ons oor. Alles scheen dood in het vaartuig. Ging +het voorwaarts, dreef het aan de oppervlakte van den Oceaan, of was +het in de diepte gedaald? Ik kon het niet gissen. + +Echter was dat licht niet voor niets ontstoken. Ik hoopte dus dat +eenigen van de equipage zich weldra zouden vertoonen. Als men de +menschen wil vergeten, verlicht men hunne gevangenis niet. + +Ik bedroog mij niet; een geschuif van grendels deed zich hooren, +de deur ging open en twee mannen traden binnen. + +De een was klein maar sterk gespierd, breed van schouders, zwaar +gebouwd van leden, met een krachtig hoofd, zwaar en zwart haar, +en dikken knevel, en een levendig en doordringend oog. Zijn geheele +persoon drukte die zuidelijke levendigheid uit, welke in Frankrijk het +kenmerk is der bewoners van Provence. De tweede onbekende verdient +uitvoeriger beschrijving; een gelaatkundige zou op diens aangezicht +als in een open boek gelezen hebben. Ik herkende zonder aarzelen een +heerschzuchtig karakter, vol vertrouwen op zich zelven, want zijn +hoofd stond edel op zijne schouders, en zijne zwarte oogen zagen u +aan met koele zekerheid; hij was kalm van natuur, want aan de licht +gekleurde huid was het te zien, dat zijn bloed langzaam stroomde; hij +bezat geestkracht, blijkens het snel samentrekken zijner wenkbrauwen; +eindelijk moest hij moed bezitten, want zijne ademhaling bewees, +dat hij groote levenskracht bezat. Ik voeg er nog bij dat die man +trotsch was, dat zijn vaste en kalme blik groote gedachten verried, +en dat hij stellig openhartig zijn moest, omdat de uitdrukking zijner +bewegingen geheel met die van zijn gelaat overeen kwam. + +Onwillekeurig voelde ik mij in zijne tegenwoordigheid zeker, en ik +voorspelde mij veel goeds van die samenkomst. Was die man 35 of 50 +jaar; ik zou het niet juist hebben kunnen zeggen. Hij was lang van +gestalte, had een breed voorhoofd, een fijnen rechten neus, een scherp +geteekenden mond, prachtige tanden en schoone lange handen. Hij was +zeker wel de verwonderlijkste type, welke ik ooit ontmoet had. Als iets +bijzonders merkte ik op, dat zijne oogen, welke een weinig ver van +elkander stonden, tegelijk een vierde gedeelte van den gezichteinder +konden omvatten, waardoor, zooals mij later bewezen werd, zijn gezicht +nog veel scherper was dan dat van Ned Land. Als die onbekende naar +eenig voorwerp zag, fronste hij de wenkbrauwen, trok het oog zoo te +samen, dat slechts de pupil zichtbaar bleef, beperkte daardoor den +blik alleen tot het bedoelde voorwerp en keek. Maar met welk een +blik! Hoe werden de door den afstand kleiner wordende voorwerpen +verduidelijkt! Hoe drong die blik in de ziel door! Hoe drong hij ook +door in die vloeistof, welke voor ons oog ondoorzichtig is; hoe las +hij in de diepten der zee! + +De twee onbekenden hadden mutsen van bevervel op, en laarzen aan van +de huid van een walrus; zij droegen kleeren van bijzonder weefsel, +die de lichaamsvormen gunstig deden uitkomen, en groote vrijheid van +beweging toelieten. + +De grootste van de twee, waarschijnlijk de bevelhebber van het +vaartuig, bekeek ons met bijzondere opmerkzaamheid, zonder een +enkel woord te zeggen; toen wendde hij zich tot zijn makker en +onderhield zich met hem in eene mij geheel onbekende taal. Het was +eene welluidende, harmonische, buigzame taal, welker klinkers op +verschillende wijzen schenen te kunnen worden uitgesproken. De ander +antwoordde met een hoofdschudden, en voegde er slechts twee of drie +volkomen onverstaanbare woorden bij, daarop scheen hij mij met zijn +blik te willen ondervragen. Ik antwoordde in het Fransch, dat ik +zijne taal niet verstond, maar hij scheen mij niet te begrijpen; +die toestand werd vrij lastig. + +"Als mijnheer onze geschiedenis eens vertelde," zeide Koenraad, +"dan zouden die heeren er mogelijk eenige woorden van begrijpen." + +Ik begon het verhaal van onze lotgevallen, terwijl ik op al mijne +woorden een bijzonderen nadruk legde, en geen enkele bijzonderheid +vergat. Ik gaf onze namen en hoedanigheden op, daarop stelde ik hem +volgens de wetten der wellevendheid den hoogleeraar Aronnax, zijn +knecht Koenraad en meester Ned Land den harpoenier voor. + +De man met dien zachten en kalmen oogopslag, hoorde mij bedaard, +beleefd en met de grootste oplettendheid aan. Maar geen trek van zijn +gelaat verried, dat hij mij begrepen had. Toen ik gedaan had, sprak hij +geen woord. Ik kon nu nog beproeven hem in het Engelsch aan te spreken; +misschien verstond hij die taal; ik kende haar en ook Hoogduitsch; +maar beiden slechts genoeg om ze vlug te lezen, doch niet om ze vlot +te spreken. En hier kwam het er vooral op aan om mij te doen verstaan. + +"Nu is het uwe beurt," zeide ik tot den harpoenier, "praat gij nu +eens in het beste Engelsch, dat ooit een Angelsaks gesproken heeft, +en beproef eens of gij gelukkiger zijt dan ik." + +Ned liet het zich geen tweemaal zeggen en begon hetzelfde verhaal +als het mijne; het was in den grond hetzelfde, alleen de vorm +verschilde. De harpoenier door zijn driftig karakter medegesleept, +sprak met zeer veel vuur. Hij beklaagde zich hevig dat hij tegen +alle recht en billijkheid in gevangen werd gehouden, vroeg volgens +welke wet men hem vasthield, riep de habeas corpus-akte in, dreigde +hen te vervolgen, die hem onrechtvaardig opsloten, zwaaide met zijn +armen, schreeuwde en gaf eindelijk door zijne gebaren te kennen, +dat wij van honger stierven. Dit was volkomen waar, doch wij hadden +het bijna vergeten. + +Tot zijne groote verbazing scheen het dat Ned evenmin verstaan was als +ik. Onze bezoekers vertrokken zelfs geen wenkbrauw, het was duidelijk +dat zij Fransch, noch Engelsch verstonden. Ik was verlegen omdat wij +onze welsprekendheid te vergeefs hadden uitgeput, en wist niet meer +wat te doen, toen Koenraad mij vroeg: "als mijnheer het goedvindt, +zal ik de zaak eens in 't Hoogduitsch vertellen." + +"Wat, kent gij Duitsch?" riep ik uit. + +"Een weinig, zooals bijna elk Nederlander, mijnheer!" + +"Ga uw gang dan maar, mijn jongen." + +En Koenraad vertelde met de grootste bedaardheid voor de derde +maal onze lotgevallen. Maar niettegenstaande de fraaie volzinnen +en het schoone stemgeluid van den verteller, slaagde het Duitsch +evenmin. Eindelijk tot het uiterste gebracht, trachtte ik mij alles nog +te herinneren, wat mij van mijne eerste studien was bijgebleven, en ik +poogde hun onze geschiedenis in het Latijn te vertellen. Cicero zou +zich de ooren hebben toegestopt, en had mij naar de keuken gejaagd; +maar ik bracht het er redelijk wel af, de uitslag echter was even +ontmoedigend. + +Toen deze laatste poging bepaald mislukt was, wisselden de beide +onbekenden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal, en vertrokken +zonder ons zelfs met eenige geruststellende beweging te groeten. De +deur ging weer dicht. + +"'t Is een schandaal!" schreeuwde Ned Land, die voor de twintigste +maal losbarstte. "Wat, men spreekt hen in het Fransch, Engelsch, +Duitsch en Latijn aan, en geen van die schavuiten heeft de beleefdheid +van te antwoorden!" + +"Bedaar, vriend Ned," zeide ik tot den woedenden harpoenier, "uw +toorn leidt tot niets." + +"Weet gij dan wel, mijnheer de professor," hernam mijn lichtgeraakte +metgezel, "dat men in die ijzeren kooi best van honger kan sterven?" + +"Kom, kom!" zei Koenraad, "met een beetje philosophie kan men het +lang uithouden!" + +"Vrienden," zeide ik, men moet niet wanhopen; wij hebben reeds in +vrij wat erger omstandigheden verkeerd. Doet mij dus het genoegen +om nog te wachten, voordat gij een oordeel over den kapitein en de +equipage van dit vaartuig velt." + +"Mijn oordeel is reeds gevormd," antwoordde Ned Land, "het zijn +schelmen...." + +"Goed, en uit welk land?" + +"Uit het land van de schelmen!" + +"Mijn beste Ned, dat land staat op de wereldkaart nog niet juist +aangeteekend, en ik beken dat de afkomst van die beide onbekenden +moeielijk te bepalen is. Men kan alleen zeggen, dat het geen Franschen, +Engelschen of Duitschers zijn; evenwel houd ik het er voor, dat die +kapitein en zijn stuurman dicht bij den evenaar geboren zijn; er is +iets zuidelijks in hun voorkomen; maar hun gelaat en vormen kunnen +niet doen beslissen of het Spanjaarden, Turken, Arabieren of Indiers +zijn. Hunne taal is geheel onverstaanbaar." + +"Dat is nu het onaangename van niet alle talen te kennen," antwoordde +Koenraad, "of het nadeel van niet eene eenige wereldtaal te bezitten." + +"Dat zou tot niets leiden!" sprak Ned Land. "Hoort gij niet dat dit +volk eene taal op hun eigen hand heeft, een gerammel om iemand wanhopig +te maken, die om eten vraagt! Maar begrijpt men in alle landen van +de wereld niet, wat het beteekent als men den mond open doet, zijn +kakebeen op en neer beweegt, en met tanden en lippen klapt? Wil dat +niet overal, in Quebec en op de Pomotu-eilanden, te Parijs en in +Japan zeggen: ik heb honger, geef mij wat eten?" + +"Och," zeide Koenraad, "er zijn zulke onbegrijpelijke menschen." + +Toen hij dit zeide ging de deur open, er kwam een hofmeester binnen, +die kleeren bracht van eene stof vervaardigd, welke ik niet kende. Ik +haastte mij om ze aan te trekken, en mijne makkers volgden mijn +voorbeeld. + +Gedurende dien tijd had de hofmeester, misschien wel een doofstomme, +de tafel voor drie personen gedekt. + +"Dat lijkt toch ernst te zijn," zeide Koenraad, "een goed voorteeken!" + +"'t Zou wat," antwoordde de haatdragende harpoenier, "wat drommel +zouden wij hier te eten krijgen? Schildpaddenlever, haaiengebraad, +zeehondenbiefstuk!" + +"Dat zullen wij eens zien!" zeide Koenraad. + +Eenige schotels met zilveren deksels werden in orde op de tafel gezet, +en wij namen plaats. Het was zeker dat wij met beschaafde lieden +te doen hadden, en zonder het electrieke licht waaronder wij zaten, +zou ik gedacht hebben in een hotel aan de table d'hote te zitten. Ik +moet echter zeggen, dat brood en wijn geheel ontbraken. Het water +was frisch en helder, maar--water viel in 't geheel niet in den +smaak van Ned Land. Onder de opgediende gerechten herkende ik eenige +heerlijk klaargemaakte vischsoorten, maar over eenige overigens lekkere +schotels, kon ik geen oordeel uitspreken en ik zou zelfs niet hebben +kunnen zeggen of ze tot het planten- of dierenrijk behoorden. Het +servies en tafelzilver waren net en smaakvol. Elk stuk, lepel, vork, +mes, bord, enz., was met eene letter geteekend, waaromheen in een +kringetje eenige woorden stonden, op deze wijze: + +MOBILIS + +N + +IN MOBILE + +Mobilis in mobile [1], een devies, dat zeker sloeg op het vaartuig, +waarin wij ons bevonden; de letter N was waarschijnlijk de eerste +letter van den naam van den raadselachtigen persoon, die hier in de +diepte der zee bevel voerde. + +Ned en Koenraad maakten niet zooveel opmerkingen. Zij aten maar, en +ik volgde weldra hun voorbeeld. Ik was bovendien gerust in ons lot, +daar het duidelijk bleek, dat onze gastheeren ons niet van honger +wilden doen sterven. Alles eindigt evenwel hier beneden, alles, zelfs +de honger van menschen, die in geen vijftien uur gegeten hebben. Toen +onze honger gestild was, deed zich de behoefte aan slaap geducht +voelen. Het was zeer natuurlijk ook, na dien eindeloozen nacht, +gedurende welken wij met den dood geworsteld hadden. + +"Nu zal ik wel slapen," zeide Koenraad. + +"En ik slaap al!" bromde Ned Land, die even als Koenraad op de +vloermatten ging liggen, waar wij weldra vast sliepen. Ik kon +den slaap nog zoo gemakkelijk niet vatten; te veel denkbeelden +doorkruisten mijn geest, te veel onoplosbare vragen kwamen in mij +op, al te veel voorstellingen hielden mijne oogen geopend. Waar +bevonden wij ons? Welke vreemde macht sleepte ons mede. Ik voelde +of liever ik meende te voelen, dat het vaartuig in het diepste +gedeelte der zee daalde; vreeselijke nachtmerrien plaagden mij; +ik zag in die geheimzinnige diepte een wereld van onbekende dieren, +welker samenleving dit onderzeesche vaartuig scheen te deelen, levend, +zich bewegend, even afschuwelijk van gedaante als zij!... Toen werd +het kalmer in mijn geest, mijn denkvermogen loste zich op in eene +onbepaalde lusteloosheid, en ik viel weldra in een doffen slaap. + + +HOOFDSTUK IX + +Woede van Ned Land. + +Hoe lang die slaap duurde, weet ik niet; maar het moet lang geduurd +hebben, want wij waren geheel van onze vermoeienissen hersteld. Ik werd +het eerste wakker; mijne makkers bewogen zich nog niet en bleven als +wezenlooze wezens in hun hoek liggen. Nauwelijks was ik van mijn vrij +hard leger opgestaan, of mijn geest was weder helder, mijn denkvermogen +opgeklaard. Ik begon onze cel op nieuw nauwkeurig te onderzoeken. Niets +was er veranderd: wij waren gevangenen gebleven. Gedurende onzen slaap +had de hofmeester de tafel afgenomen; niets duidde dus aan dat onze +toestand spoedig zou veranderen, en ik vroeg mij ernstig af of wij +bestemd waren om altijd in die kooi te leven. Dit vooruitzicht scheen +mij des te onaangenamer toe, omdat, al was mijn hoofd helderder dan +den vorigen dag, ik eene zonderlinge gedruktheid op de borst voelde. Ik +haalde moeielijk adem: de zware lucht was voor mijne longen niet meer +voldoende; hoe groot onze cel ook was, het was duidelijk dat wij het +grootste deel van de daarin aanwezige zuurstof verbruikt hadden; ieder +mensch toch verbruikt in een uur de zuurstof, welke in honderd liter +lucht vervat is, en die lucht met eene bijna even groote hoeveelheid +koolzuur bezwangerd, wordt dan ongeschikt voor de ademhaling. + +Het was dus hoogst noodzakelijk om de lucht in onze gevangenis +te ververschen, en zonder twijfel ook de lucht in het geheele +vaartuig. Hier deed zich eene vraag bij mij op. Hoe handelde +de kapitein van dit drijvende toestel? Verkreeg hij lucht langs +scheikundigen weg, door de zuurstof door middel van warmte uit +chloorzure potasch af te zonderen, en koolzuur met bijtende potasch +te verbinden? In dat geval moest hij toch in eenige betrekking staan +met het land, ten einde zich de noodige grondstoffen te verschaffen, +welke hiertoe noodig waren. Of bepaalde hij er zich slechts toe +om de lucht onder deze drukking in bewaarplaatsen op te hoopen, +en die te verspreiden, naarmate het scheepsvolk er behoefte aan +had? Misschien. Of gebruikt hij een gemakkelijker, goedkooper en dus +ook waarschijnlijker middel, namelijk om aan het oppervlak der zee +als een walvisch te komen ademhalen, en zijn voorraad lucht voor 24 +uur te vernieuwen? Hoe het ook zij en welk zijn stelsel ware, het +kwam mij voor dat hij voorzichtig handelen zou als hij het zonder +lang te wachten in het werk stelde. + +Ik moest reeds sneller ademhalen om het weinigje zuurstof, hetwelk +de cel nog bevatte in mijne longen te brengen, toen ik plotseling +verfrischt werd door zuivere zeelucht. Ik opende den mond wagewijd, +en mijne longen werden met versche lucht verzadigd. Tegelijkertijd +voelde ik eene schommeling, een kleine slingering, maar welke volkomen +duidelijk te herkennen was. Het vaartuig, het metalen monster, was naar +de oppervlakte van den Oceaan gerezen om er evenals de walvisschen +adem te halen. De wijze van luchtverversching van het vaartuig had +ik dus duidelijk herkend. + +Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd, zocht ik +naar de geleidingsbuizen, welke dien weldadigen luchtstroom tot ons +deden komen, en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat, +waardoor een stroom versche lucht kon binnen komen, om de bedorven +atmosfeer van onze cel te ververschen. + +Zoover was ik met mijne opmerkingen gekomen, toen Ned en Koenraad +bijna tegelijk door dien stroom van versche lucht wakker werden. Zij +wreven zich de oogen, rekten de armen uit en waren in een oogenblik +op de been. + +"Heeft mijnheer goed geslapen?" vroeg Koenraad mij met zijne gewone +beleefdheid. + +"Heel goed, mijn jongen," antwoordde ik, "en gij Ned Land?" + +"Als een os, mijnheer de professor. Maar ik weet niet of ik mij vergis, +het is alsof ik zeelucht inadem." + +Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen, en ik vertelde wat er +gedurende hun slaap had plaats gehad. + +"Zoo," zeide hij, "dat verklaart volkomen het gebrul dat wij hoorden, +toen de Abraham Lincoln den zoogenaamden eenhoorn in het gezicht +kreeg." + +"Zoo is het Ned, het was zijne ademhaling." + +"Maar, mijnheer Aronnax, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe +laat het is, of het moest het uur van het middagmaal zijn?" + +"Het uur van ons middagmaal, brave harpoenier? Zeg liever het uur van +'t ontbijt, want wij zijn zeker reeds meer dan een dag hier." + +"Dat bewijst," antwoordde Koenraad, "dat wij vierentwintig uur +geslapen hebben." + +"Zoo denk ik er ook over," antwoordde ik. + +"Ik spreek u niet tegen," hernam Ned Land, "maar middagmaal of ontbijt, +de hofmeester zal welkom zijn als hij het een en ander brengt." + +"Het een en het ander," zeide Koenraad. + +"Juist," antwoordde Ned, "wij hebben recht op een dubbel maal, en +wat mij aangaat, ik zal aan beiden eer genoeg bewijzen." + +"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidelijk dat +die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven, want in dat +geval zou het eten van gisteren avond ongerijmd zijn." + +"Of men moest ons willen vetmesten," hernam Ned. + +"Dat spreek ik tegen," zeide ik, "wij zijn niet in handen van +menscheneters gevallen." + +"Eens is nog geene gewoonte," merkte de harpoenier ernstig op "Wie weet +of die kerels niet sinds lang naar versch vleesch hebben uitgezien, en +in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde menschen als mijnheer, +Koen en ik...." + +"Verban toch die gedachten Ned, en neem daaruit vooral geene aanleiding +om u boos te maken tegen die menschen, want dat zou onzen toestand +slechts verergeren." + +"In allen gevalle," sprak Ned, "heb ik een honger als de duivel, +en middagmaal of ontbijt, wij schijnen geen van beiden te krijgen." + +"Zeg eens Ned," gaf ik ten antwoord, "wij moeten ons aan de scheepswet +onderwerpen, en ik houd het er voor, dat onze maag voor is bij het +horloge van den kok." + +"Welnu dan zal ik haar gelijk zetten," sprak Koenraad bedaard. + +"Daaraan herken ik u weder, vriend Koen," zeide de ongeduldige Ned, +"gij zijt niet toornig of zenuwachtig; altijd bedaard! Gij zoudt in +staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger +te sterven dan u te beklagen." + +"Waartoe zou dat ook dienen?" vroeg Koenraad. + +"Alleen om maar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeeroovers +(ik noem ze zeeroovers, om mijnheer niet te ergeren, die verbiedt +om ze menscheneters te noemen), als die zeeroovers zich verbeelden +dat zij mij in die stinkende kooi zullen houden, zonder nog eerst +te hooren met welke verwenschingen ik aan mijne woede lucht geef, +dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, mijnheer, zoudt +gij denken dat zij ons lang in die ijzeren kooi houden?" + +"Om u de waarheid te zeggen Ned, weet ik er niet veel meer van +dan gij." + +"Maar wat veronderstelt gij dan?" + +"Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van +een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er +belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven +groot gevaar loopt. In het tegenovergestelde geval zal het monster, +dat ons heeft ingeslokt, ons wel weder op de bewoonde aarde uitspuwen." + +"Of men moest ons onder de equipage opnemen," zeide Koenraad, +"en ons zoo lang houden...." + +"Tot op het oogenblik," antwoordde Ned Land, "dat eenig fregat, +dat harder stoomt, en behendiger is dan de Abraham Lincoln, zich +van dit nest van zeeschuimers meester maakt, en de equipage en ons +aan het uiteinde van de groote ra voor de laatste maal een luchtje +laat scheppen." + +"Mooi gezegd, Ned," hervatte ik, "maar voor zoover ik weet, heeft men +ons nog geen voorstel in dien geest gedaan. Het is dus onnoodig om te +twisten over de partij, welke wij moeten nemen, als dit gebeurt. Ik +herhaal het u dat wij moeten wachten; laat ons met de omstandigheden +te rade gaan, en niets doen, omdat wij toch niets doen kunnen." + +"Integendeel, mijnheer de professor," zeide de harpoenier, die niet +van zijn stuk te brengen was, "men moet iets doen." + +"En wat dan, baas Land?" + +"Vluchten." + +"Om uit eene aardsche gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk, +maar om uit eene onderzeesche gevangenis te ontkomen schijnt mij +geheel onmogelijk." + +"Komaan, vriend Ned," vroeg Koenraad, "wat antwoordt gij daarop? Ik +kan niet gelooven dat een Amerikaan ooit ten einde raad is." + +De harpoenier was zichtbaar verlegen, en zweeg. Eene ontvluchting was +in ons geval bepaald onmogelijk. Maar een inboorling van Canada is +zoowat een halve Franschman, en dat bewees Ned Land door zijn antwoord. + +"Kunt gij dan niet raden, mijnheer," vroeg Ned na eenige oogenblikken +nadenkens, "wat mannen moeten doen, die niet uit hunne gevangenis +kunnen ontsnappen?" + +"Nog niet, mijn vriend." + +"Dat is dood eenvoudig, dan moeten zij beproeven om er zoo goed +mogelijk in te blijven." + +"Dat geloof ik wel," zeide Koenraad, "het is toch beter er in, dan +er op of er onder." + +"Maar als men cipier en oppassers er uit gooit," voegde Ned Land +er bij. + +"Wat, Ned? Zoudt gij er wezenlijk aan denken, om u van dit vaartuig +meester te maken?" + +"Zeker," antwoordde de harpoenier. + +"Dat is onmogelijk!" + +"Waarom, mijnheer? Misschien krijgen wij wel eens eene gunstige kans, +en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als +er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Franschen en +Ned Land toch voor zoo'n handjevol volks niet bang zijn?" + +Het was nog beter om het voorstel van den harpoenier aan te nemen +dan er over te twisten; daarom antwoordde ik: + +"Laat de kans eerst komen, en dan zullen wij eens zien. Maar tot +dien tijd toe verzoek ik u uw ongeduld te bedwingen; men kan slechts +met list handelen, en als gij u kwaad maakt, zult gij zeker geene +gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonden drift in +de omstandigheden te schikken?" + +"Ik beloof het u, mijnheer de professor," antwoordde Ned op weinig +geruststellenden toon. "Er zal geen driftig woord meer uit mijn mond +komen, geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als +wij niet zoo regelmatig als wij wenschen de tafel voor ons zullen +zien dekken." + +"Ik houd u aan uw woord, Ned!" zeide ik. + +Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijne overpeinzingen +over. Ik beken, dat ik niettegenstaande de verzekering van den +harpoenier, mij geene illusien maakte; ik geloofde niet aan die +gunstige kans, waarvan Ned Land gesproken had. Om zoo goed bestuurd +te worden, had het vaartuig zeker eene talrijke equipage noodig, +en daarom zouden wij bij eene worsteling met eene veel te groote +overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn, +en dat waren wij niet. Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed +gesloten ijzeren hut te geraken; en als de vreemde kapitein van dat +schip een geheim te bewaren had, wat mij ten minste waarschijnlijk +toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondloopen. Zou +hij zich nu met geweld van ons ontslaan, of zou hij ons te eeniger +tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die +veronderstellingen schenen mij even waarschijnlijk, en men moest een +harpoenier zijn om ooit op eene bevrijding te hopen. + +Overigens begreep ik dat Ned Lands verbittering toenam, naarmate zijne +overdenkingen zich geheel van zijne drift meester maakten. Ik hoorde +hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij +op nieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wild +dier in eene kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen den +muur. Bovendien verliep de tijd, de honger deed zich erg gevoelen en +de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen, +dan vergat men ons, ongelukkige schipbreukelingen, toch wat al te +lang. Ned Land, wiens sterke maag hem begon te plagen, werd hoe langer +hoe driftiger, en hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik +inderdaad eene uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen +kon krijgen. Zijn toorn vermeerderde nog gedurende twee lange uren; hij +riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik +hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood +scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen +wel bemerkt hebben, welke het draaien eener schroef veroorzaakt. Het +was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald en behoorde niet meer +tot deze aarde; die doodsche stilte was vreeselijk! Ik durfde er zelfs +niet naar te raden hoe lang onze verlatenheid, of onze eenzaamheid nog +duren zou; langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na onze +ontmoeting met den kapitein gekoesterd had. De zachte blik van dien +man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in +zijne houding, dit alles verdween uit mijne herinnering. Ik beschouwde +het raadselachtige wezen slechts als onmeedoogend en wreed: ik stelde +mij hem voor als onmenschelijk, ongevoelig voor eenig medelijden, +hard jegens zijne medemenschen aan wie hij een eeuwigen haat scheen +te hebben gezworen. Maar zou die man ons van honger doen sterven, +opgesloten in deze enge gevangenis, en overgegeven aan die vreeselijke +gedachten, welke woedende honger bij den mensch soms opwekt? Dit +ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid, +en in mijne verbeelding gevoelde ik, dat eene onzinnige vrees mij +bekroop. Koenraad bleef kalm, Ned Land brulde nu en dan van woede. + +Op dat oogenblik hoorden wij eenig geraas buiten onze gevangenis; +voetstappen weerklonken op den metalen vloer; sloten werden omgedraaid, +de deur ging open en de hofmeester verscheen. Voordat ik iets kon doen +om het te verhinderen, had Ned Land zich op den ongelukkige geworpen; +hij wierp hem op den grond en greep hem bij de keel; de hofmeester +stikte bijna onder die geweldige vuisten. Koenraad trachtte het +halfdoode slachtoffer aan de handen van den woedenden harpoenier +te onttrekken, en ik wilde hem helpen, toen ik plotseling aan mijne +plaats genageld bleef staan door het uitspreken van deze woorden in +de Fransche taal: + +"Wees bedaard, mijnheer Land, en gij, mijnheer de professor, hoor +mij aan." + + + +HOOFDSTUK X + +De man der zee. + +Hij, die zoo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig. + +Bij die woorden stond Ned Lang plotseling op; de bijna geworgde +hofmeester ging met wankelende schreden de deur uit, toen zijn meester +dit met een wenk beval; en zoo groot was de invloed van den kapitein +op zijne onderhoorigen, dat geen enkele trek op het gelaat van den +hofmeester de wraak aanduidde, welke die man tegen den harpoenier +moest koesteren. In de grootste verbazing wachtten Koenraad en ik af +hoe dit tooneel zou afloopen. De kapitein leunde tegen een hoek van +de tafel, sloeg de armen over elkander en bekeek ons met de grootste +aandacht. Aarzelde hij om te spreken, of had hij berouw over de pas +in het Fransch gesproken woorden? Ik kon het niet gelooven. Na eenige +oogenblikken van een stilzwijgen, dat geen onzer durfde af te breken, +zeide hij met bedaarde doch doordringende stem: + +"Mijne heeren, ik spreek Fransch, Engelsch, Hoogduitsch en Latijn. Ik +had u dus bij ons eerste samenzijn reeds kunnen antwoorden, doch ik +wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal, dat +in den grond volkomen gelijk was, heeft mij u doen kennen. Ik weet nu, +dat het toeval mij samen heeft gebracht met den heer Pierre Aronnax, +hoogleeraar in de natuurlijke geschiedenis aan het Museum te Parijs, +Koenraad zijn bediende en Ned Land uit Canada, harpoenier aan boord +van de Abraham Lincoln, een stoomschip van de nationale marine der +Vereenigde Staten." + +Ik boog ten teeken van toestemming; het was geene vraag, welke hij +mij deed; derhalve was er ook geen antwoord noodig. Die man sprak +met eene bijzondere gemakkelijkheid, zonder eenig merkbaar accent; +zijne volzinnen waren afgerond, zijne woorden juist gekozen, en hij +had eene opmerkelijk goede uitspraak, en toch gevoelde ik dat het +geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij aldus: + +"Gij hebt waarschijnlijk gedacht, mijnheer, dat het lang duurde voor +ik u een tweede bezoek bracht; dit was omdat ik, toen ik niet wist +wie gij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken, welke partij ik ten +uwen opzichte nemen moest; ik heb lang geaarzeld. De meest toevallige +omstandigheden hebben u bij een man gebracht, die met de menschheid +gebroken heeft. Gij zijt mijn leven komen storen...." + +"Onwillekeurig", zeide ik. + +"Hoe, onwillekeurig?" vroeg de onbekende met verheffing van stem. "Is +het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeen heeft +opgezocht? Is het onwillekeurig dat gij aan boord van dat fregat +gekomen zijt? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuit zijn +op den romp van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Ned Land zijn +harpoen op mij heeft afgeworpen?" + +Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toorn. Maar op die +beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord, en ik gaf dit +in deze woorden: "Gij weet zeker niet, mijnheer, welke twistvragen +er in Amerika en Europa ten uwen opzichte gerezen zijn; gij weet +waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren +van botsingen met uw onderzeesch vaartuig, de openbare meening in beide +werelddeelen hevig geschokt hebben. Ik zal u niet vermoeien met al de +veronderstellingen, welke men maakte om daarmede het onverklaarbare +verschijnsel te verklaren, waarvan gij alleen het geheim bezit, +maar gij zult mij wel willen gelooven als ik u verzeker, dat toen +de Abraham Lincoln u in het noorden der Stille Zuidzee vervolgde, +wij een sterk zeemonster meenden na te jagen, van hetwelk men den +Oceaan, het kostte wat het wilde, moest verlossen." + +Een glimlach speelde om de lippen van den kapitein, die op kalmer +toon vroeg: "Mijnheer Aronnax, zoudt gij durven verzekeren dat uw +fregat niet even goed een onderzeesch vaartuig als een monster zou +hebben vervolgd en beschoten?" + +Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Farragut zou +zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het +zijn plicht was om dit toestel even goed als een reusachtigen eenhoorn +te vernielen. + +"Gij begrijpt dus, mijnheer", hervatte de onbekende, "dat ik het +recht heb om u als vijanden te beschouwen." + +Ik antwoordde niets, en met reden; waarom zou ik over zulke woorden +twisten, als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan? + +"Ik heb lang geaarzeld", vervolgde de gezagvoerder, "niets noodzaakte +mij om u gastvrijheid te verleenen: als ik mij van u wilde ontdoen +had ik geen enkel belang om u te houden; ik had u dan weer op het plat +gezet, dat u reeds eens tot schuilplaats diende, ik zou het vaartuig +in zee hebben doen zinken, en ik zou vergeten hebben, dat gij ooit +bestaan hadt. Had ik daartoe geen recht?" + +"Dit was misschien het recht van een wilde", antwoordde ik, "maar +zeker niet van een beschaafd mensch." + +"Ik ben geen beschaafd mensch", hernam de kapitein driftig, "zooals gij +mij gelieft te noemen, mijnheer de professor; ik heb met de geheele +maatschappij gebroken om redenen, welke ik alleen het recht heb te +beoordeelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wetten dier maatschappij, +en ik verzoek u die nimmer in mijne tegenwoordigheid in te roepen." + +Dit was duidelijk; toorn en verachting straalden uit het oog van den +onbekende, en ik vermoedde dat die man een vreeselijk verleden achter +zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menschelijke +wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste +opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon. Wie toch +zou hem in de diepten der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de +oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een ijdel +spel bleken te zijn! Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan den +schok van dien onderzeeschen monitor? Welke pantsering, hoe dik ook, +zou een stoot van dit vaartuig weerstaan? Geen enkel mensch kon hem +rekenschap vragen van zijne daden; de eenige rechters, welke iets op +hem vermochten, waren God, zoo hij in Hem geloofde en zijn geweten, +indien hij er een had. Deze opmerkingen kwamen mij voor den geest, +terwijl die vreemde man eenige oogenblikken als in zich zelven gekeerd +zweeg. Ik beschouwde hem, waarschijnlijk evenals Oedipus den Sfinx, +met belangstelling en afgrijzen tevens. + +Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord: "Ik heb dus +geaarzeld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde +met dat natuurlijke medelijden, waarop elk sterveling recht heeft. Gij +zult bij mij aan boord blijven, omdat het toeval u daar toch heeft +heengevoerd; gij zult er vrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid, +welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts eene voorwaarde +op; het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft." + +"Spreek, mijnheer," antwoordde ik, "ik stel mij voor dat dit eene +voorwaarde is, welke elk eerlijk man zal kunnen aannemen." + +"Dat is zoo, mijnheer; het is de volgende: het is mogelijk, dat +zekere onvoorziene omstandigheden mij verplichten, om u gedurende +eenige dagen of uren in uwe hutten op te sluiten. Daar ik nimmer +geweld wil gebruiken, verwacht ik van u in dat geval nog meer dan +anders lijdelijke gehoorzaamheid. Door zoo te handelen ontsla ik u +van alle verantwoordelijkheid, want het is mijne zaak om u in de +onmogelijkheid te stellen van datgene te zien, wat gij niet zien +moogt. Neemt gij die voorwaarde aan?" + +Er gebeurden dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken, +welke niet gezien mochten worden door menschen, die zich nog niet +geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder +al de verrassingen, welke de toekomst voor ons opleverde, zou dit +zeker niet de minst belangrijke zijn. + +"Wij nemen haar aan," antwoordde ik; "ik verzoek u echter mij, te +vergunnen, mijnheer, u eene enkele vraag te doen." + +"Spreek op, mijnheer!" + +"Gij hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn?" + +"Geheel vrij!" + +"Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat." + +"Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan +wat hier gebeurt, uitgezonderd in eenige zeer enkele gevallen, kortom +de vrijheid, welke mijne makkers en ik zelf genieten." + +Het was duidelijk dat wij elkander begrepen. + +"Vergeef mij, mijnheer," hernam ik, "maar dat is slechts die vrijheid, +welke elke gevangene heeft om in zijne gevangenis rond te loopen; +dat is voor ons niet genoeg." + +"Gij zult u daarmede toch tevreden moeten stellen.". + +"Wat? moeten wij dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland, +onze vrienden en bloedverwanten terug te zien?" + +"Ja mijnheer: maar het is misschien niet zoo moeielijk als gij denkt, +om het onverdraaglijke aardsche juk af te schudden, hetwelk de menschen +meenen dat vrijheid is." + +"Welnu komaan," riep Ned Land, "ik zal nooit mijn woord van eer er +op geven, dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten." + +"Ik vraag uw woord van eer niet, meester Land," antwoordde de kapitein +koeltjes. + +"Mijnheer," hernam ik, terwijl ik onwillekeurig driftig werd, "gij +maakt misbruik van onzen toestand, dat is wreed." + +"Volstrekt niet, mijnheer, dat is goedheid. Gij zijt na den strijd +mijne gevangenen geworden; ik houd u, ofschoon ik u met een enkel +woord weder in zee kon doen werpen. Gij hebt mij aangevallen; gij +hebt een geheim ontdekt, hetwelk geen sterveling ooit mag doorgronden, +want het is het geheim van mijn bestaan; en gij gelooft nog dat ik u +naar de bewoonde aarde zou terug zenden, welke mij niet meer kennen +mag?... Nooit; als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mij zelven." + +Deze woorden duidden genoegzaam aan dat de kapitein eene partij +gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen. + +"Gij geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tusschen het leven en den +dood?" hernam ik. + +"Ja, dood eenvoudig." + +"Vrienden," zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te +antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein +van dit vaartuig." + +"Het is zooals gij zegt," antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde +hij met zachte stem: + +"Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u, +mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te +beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij +zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het +werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik +heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld, +wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt +niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd +niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult +eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk +voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij +niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend +wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde, +welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder +beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd +heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt +gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien +heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen, +en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien." + +Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk +op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een +oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren +vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst +om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: "Indien gij met de +menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij +van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen +het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan +boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het +belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen, +al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding +zou aanbieden." + +Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te +bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem. + +"Eene laatste vraag," zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare +wezen weg scheen te willen gaan. + +"Spreek op, mijnheer." + +"Hoe moet ik u noemen?" + +"Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor +mij slechts de passagiers van de Nautilus." + +De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne +vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop +wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: "Een maal wacht +u in uwe hut; volgt dien man slechts." + +"Dat weiger ik niet," antwoordde de harpoenier. + +Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan +dertig uur hadden opgesloten gezeten. + +"En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts +voorgaan." + +"Gaarne, kapitein." + +Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen +wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden +voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in +eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide +uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout +ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein +en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen, +die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren +het scherpe licht eenigszins temperden. + +In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo +wees mij een stoel aan. + +"Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven +moet." + +Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de +zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de +herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij +hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam +gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn, +en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen. + +De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne +gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde +om tot hem te richten. + +"De meesten van deze gerechten," zeide hij, "zijn u onbekend; evenwel +kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert +lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht +bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders +als ik." + +"Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?" vroeg ik. + +"Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften; +dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe +gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor +den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich +in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen, +evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in +de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen, +welke ik zelf doorzoek, en waarop 's Heeren hand steeds alle dingen +gezaaid heeft." + +Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: "Ik begrijp +volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen, +ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche +bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel +stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt." + +"Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren," antwoordde de kapitein. + +"En dit dan toch?" hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop +nog eenige plakken vleesch lagen. + +"Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets anders +als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld +eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden +hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze +verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van +al die gerechten: hier is een gelei van holothurien, welke een Maleier +onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk, +en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij +eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker +tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen." + +En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl +kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke +verhalen. + +"Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk +is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De +stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige +schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl +er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit +eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op +uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat +uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw +inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche +zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal +terug keeren!" + +"Bemint gij de zee, kapitein?" + +"Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden +van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke +woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom +zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk +en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is 'het +levende oneindige,' zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad, +mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-, +planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd +door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door +kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene +eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden +aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete +water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der +natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan +is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht +verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare +oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen, +elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde +overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld +op, daar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! O mijnheer, +leef, leef in de diepten der zee! Daar alleen is men onafhankelijk, +daar alleen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!" + +Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had +hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel +gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen +en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone +kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: "als gij nu de Nautilus +wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst." + + + +HOOFDSTUK XI + +De Nautilus. + +Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in +de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke +afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was +eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd +bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken; +zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met +bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars, +welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven, +waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder +te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en +eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over +het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het +plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal +met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven. + +"Kapitein Nemo," zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast +mij plaats nam, "dit is eene boekerij, welke meer dan een paleis op +het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat +gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren." + +"Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?" antwoordde +de kapitein. "Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?" + +"Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking +met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000 +deelen...." + +"12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de +aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat +ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de +laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is +het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die +boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt +er vrij gebruik van maken." + +Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat +nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei +wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei +talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen +streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken, +in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde +bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen +wat hem in de hand kwam. + +Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe +schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft +voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek, +van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais +tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei +takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en +natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke +geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den +kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault, +Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages, +Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de +verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende +aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen +zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst +aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste +tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865 +verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus +tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn +onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik +dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden +kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik +wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus +daarvoor niet ophouden. + +"Ik dank u, mijnheer," zeide ik tot den kapitein, "dat gij deze +bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten +van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken." + +"Deze zaal dient niet alleen tot boekerij, maar ook tot rookkamer," +zeide de kapitein. + +"Eene rookkamer!" riep ik uit, "wordt er dan aan boord gerookt?" + +"Zonder twijfel." + +"Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt, +kapitein." + +"Geenszins," antwoordde Nemo; "neem een van deze sigaren, mijnheer +Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken +als gij een kenner zijt." + +Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad; +ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet, +en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber, +die in geen twee dagen gerookt heeft. + +"Zij is voortreffelijk," zeide ik, "maar het is toch geen tabak?" + +"Neen," antwoordde de kapitein, "die tabak komt niet uit Havana +of uit Oost-Indie; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras, +dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana's +nog, mijnheer?" + +"Ik laat die van nu af staan, kapitein." + +"Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren +te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof +ik niet minder goed." + +"Integendeel." + +Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de +bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend +verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden +hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer +helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond +op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want +het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al +de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze, +welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt. + +Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs +de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt; +daartusschen hingen schitterende wapentropheeen. Ik zag daaronder +schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte +in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De +verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door +eene madonna van Rafael, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene +nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul +Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een +monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap +van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter, +zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen +merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer, +Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonste +modellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de +hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de +Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken. + +"Mijnheer de professor", zeide die vreemde man, "gij zult de weinige +complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht, +wel willen verontschuldigen." + +"Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer," antwoordde ik, +"zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?" + +"Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel +van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand +had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op +die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het +zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij +is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan +reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben +geen leeftijd." + +"En, die componisten?" vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber, +Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber, +Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model, +welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen. + +"Die componisten," antwoordde mij de kapitein, "zijn voor mij +tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de +herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor, +even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den +grond liggen." + +Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik +beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het +vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare +met mozaiek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij +mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde +verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de +kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke +plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere +voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk +zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch +verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele +schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk +uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan +die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek +kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee +reusachtige doopbekkens liet vervaardigen. + +Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de +kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eens +natuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen +ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou +misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes, +waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van +onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel +te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der +wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen +onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei, +welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus +onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein +had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven, +en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die +grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden +uit mijne mijmering werd opgewekt: + +Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een +natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer +zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee +op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb." + +"Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond +te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten +verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling +van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering +daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze +verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken +dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt, +om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar +bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen, +wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!" + +"Mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein, "ik heb u gezegd dat +gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de +Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden +in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw +gids te zijn." + +"Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik +maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze +natuurkundige werktuigen voor dienen?" + +"Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en +daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie +vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet +toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn." + +Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen +van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte, +en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer, met bed, +toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer +slechts danken. + +"Uwe kamer is naast de mijne," zeide hij, eene deur opendoende, +"en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben." + +Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als +eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere +benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams, +slechts het strikt noodige. Kapitein Nemo wees mij een stoel, ik ging +zitten en daarop begon hij aldus: + + +HOOFDSTUK XII + +Alles door electriciteit. + +"Mijnheer," zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan +den wand wees, "dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte +werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen; +zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in 't midden van den +Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de +temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van +de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer, +die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas, +waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt, +het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte +doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en +eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van +den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte +der zee drijft." + +"Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten," antwoordde ik; +"ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder +twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die +wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?" + +"Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking +hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig +zich beweegt." + +"En die dieplooden van nieuwe soort?" + +"Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van +de verschillende diepten der zee doen kennen." + +"En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?" + +"Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor," +zeide kapitein Nemo; "hoor mij dus aan." + +Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak +daarop het volgende: + +"Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en met +het grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te +schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die +kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel +van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit." + +"De electriciteit!" riep ik, ten hoogste verbaasd. + +"Ja, mijnheer." + +"Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen +moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare +beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts +weinig kunnen uitwerken!" + +"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "mijne electriciteit +is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van +kan zeggen." + +"Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen +met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag +evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden +ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt, +moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink, +omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?" + +"Uwe vraag zal beantwoord worden," antwoordde kapitein Nemo; "ik zal +beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-, +zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de +mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik +heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit +voort te brengen." + +"Aan de zee?" + +"Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik +zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de +verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik +ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven +aan een meer practisch middel." + +"En welk is dat?" + +"Gij kent de samenstelling van het zeewater; op een kilogram vindt +men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer +geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk, +zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus +dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium +haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen." + +"Uit sodium." + +"Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de +Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit +opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert +de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen, dat de +sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare +electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink." + +"Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden +voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed; +maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen +zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg, +dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte +hoeveelheid verre overtreffen." + +"Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik +daarvoor zeer eenvoudig steenkolen." + +"Die gij in den grond vindt?" vroeg ik. + +"Neen, in zee," antwoordde kapitein Nemo. + +"Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?" + +"Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag +u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner +u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben; +de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus +warmte, licht, beweging, kortom het leven." + +"Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?" + +"O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit +behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als +ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige +zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke +de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil, +mijn verblijf in de diepte kan verlengen." + +"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt +zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen +zonder twijfel later zullen vinden." + +"Ik weet niet of zij die wel zullen vinden," antwoordde de kapitein +koel. "Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk +ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid +en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk, +het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers; +ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld, +want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar +alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan +medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen." + +"Juist." + +"Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat +wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar +in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste +snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien +kilometer in 't uur." + +"Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt +om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt." + +"Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax," zeide kapitein +Nemo, terwijl hij opstond; "als gij mij wilt volgen, zullen wij den +achtersteven bezoeken." + +Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig, +hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze +wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek +gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen +kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien +meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des +kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van +twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en +een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in +'t geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren +aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten, +waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was, +voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam. + +Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam +in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen +twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand +vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor +die trap diende. + +"Daarlangs bereikt men de sloep," zeide hij. + +"Hoe hebt gij dan eene sloep?" vroeg ik, vrij verwonderd. + +Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan, +en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt." + +"Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte +der zee stijgen?" + +"Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus +bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is +van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen +vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste +omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep +gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in +de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de +sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst +met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een +luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt +den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar." + +"Maar hoe komt gij aan boord terug?" + +"Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe." + +"Op uw bevel?" + +"Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig; +ik telegrapheer en dat is genoeg." + +"Inderdaad niets is eenvoudiger," zeide ik, duizelend van het hooren +van al die wonderen. + +Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon +komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land +verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna +opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken +uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen. + +In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het +gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten +daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd +de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping +heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk +ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of +warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage; +maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet +kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man +er voor het besturen van de Nautilus noodig waren. + +Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de +machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte +waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen +voor de beweegkracht had geplaatst. + +Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig +meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte +de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de +schroef mededeelden. + +Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht, +welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: "het zijn +eenige gasachtige producten," zeide hij, "welke het gevolg zijn +van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het +geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen." + +Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines +van de Nautilus. + +"Gij ziet," zeide kapitein Nemo, "dat ik de elementen van Bunsen en +niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg +geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal, +maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat +beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij +door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder +stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen +op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt, +kan 120 omwentelingen in de seconde doen." + +"En gij verkrijgt aldus?" + +"Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur." + +Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te +weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam +die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene +spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door +overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van +hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon +doen toenemen? Dit kon ik niet begrijpen. + +"Kapitein Nemo," zeide ik, "ik zie de resultaten, en ik tracht niet +ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien +bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan +houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar +men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar +beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte, +waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden, +die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij +weder naar boven? In een woord, hoe blijft gij op de diepte, welke +gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?" + +"Geenszins, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, na eenige +aarzeling, "omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het +salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen, +wat gij omtrent de Nautilus weten moet." + + +HOOFDSTUK XIII + +Eenige cijfers. + +Een oogenblik daarna zaten wij in het salon met eene sigaar in den +mond. De kapitein legde mij eene teekening voor, waarop het plan van +de Nautilus in opstand en doorsnede was uitgewerkt; toen begon hij +zijn verhaal in deze woorden: + +"Hier hebt gij de verschillende afmetingen, mijnheer, van het vaartuig, +waarop gij u bevindt; het is een lange cylinder met kegelvormige +uiteinden; het ziet er zoo ongeveer uit als eene sigaar, een vorm, +welken men te Londen reeds bij verscheidene gelijksoortige constructien +gebruikt heeft. De lengte van den cylinder, van de eene punt tot +de andere, bedraagt juist 70 meter; de middellijn is op de grootste +breedte acht meter. In mijn vaartuig staat dus niet, zooals in uwe +groote stoomschepen, de breedte tot de lengte als een tot tien, maar +de zijden en de ronding zijn lang genoeg, om de verplaatste watermassa +geene enkele verhindering in zijne vaart te doen ondervinden. + +"Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de +oppervlakte en den inhoud van de Nautilus doen vinden; de oppervlakte +bedraagt 1011.45 vierkante meter, de inhoud 1500.2 kubieke meter, +dat wil zeggen, dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is, +er eene watermassa verplaatst wordt, die ongeveer 1500 ton weegt. + +"Toen ik mijne plannen maakte voor dit onderzeesche vaartuig, wilde +ik, dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negen tienden +daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom +moest het slechts negen tienden van zijn volumen verplaatsen, +derhalve 1350.18 kub. meter, dat is te zeggen een gewicht van een +gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijne constructie dit gewicht +niet te boven gaan. + +"De Nautilus heeft een dubbelen romp, welks platen door dwarsijzers +verbonden zijn, welke daaraan eene buitengewone sterkte geven; door +deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen, alsof +ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt; de ijzeren +pantserplaten zitten vast tegen elkander gedrukt, en door zulk een +bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeen te trotseeren. + +"Die beide omkleedsels zijn van stalen platen vervaardigd, welker +dichtheid, in vergelijking met die van het water, 7,8 bedraagt. De huid +is niet minder dan vijf centimeter dik en weegt 364.56 ton; de kiel, +welke slechts 50 centimeter hoog en 25 breed is, weegt alleen 62 ton; +de machine, de ballast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de +tusschenwanden en de binnenste stutten, hebben te zamen een gewicht +van 923.62 ton, hetwelk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd, +een totaal oplevert van 1350.18 ton. Begrepen?" + +"Begrepen," antwoordde ik. + +"Als dus de Nautilus drijft," vervolgde de kapitein, "dan steekt zij +voor een tiende deel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken +heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende +gedeelte, dat is van 150.02 ton, en als ik die met water vul, dan +zal het vaartuig geheel onder water zijn; dit gebeurt, mijnheer de +professor; die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de +Nautilus; ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld, +en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters." + +"Goed kapitein, maar nu stuiten wij juist op de grootste moeielijkheid; +dat gij juist onder het wateroppervlak drijven kunt, begrijp ik; maar +als gij lager wilt zakken, ontmoet uw vaartuig dan geen drukking van +beneden naar boven van een kilogram op den vierkanten centimeter?" + +"Juist, mijnheer." + +"Dan begrijp ik niet hoe gij de Nautilus zoo diep kunt doen indompelen +of gij moest haar geheel laten volloopen." + +"Gij moet de statica niet met de dynamica verwarren, professor," +antwoordde kapitein Nemo; "want dan begaat gij grove dwalingen. Er +is slechts weinig arbeidsvermogen noodig om de grootste diepten van +den Oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben eene neiging tot +zinken. Volg slechts mijne redeneering." + +"Ik ben geheel gehoor, kapitein." + +"Toen ik het toenemend gewicht wilde berekenen, dat ik aan de Nautilus +geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht +te geven op de vermindering in volumen, welke het zeewater ondergaat, +naarmate men dieper in zee daalt." + +"Dit is duidelijk," antwoordde ik. + +"Welnu, als het water al eenigszins kan worden samengedrukt, +dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate; en +inderdaad volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts +436/10000000 per atmosfeer, of op elke tien meter diepte. Wil ik dus +1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volumen +inkrimpt onder een druk van eene kolom water van 1000 meter hoog, +dat is onder dien van honderd atmosferen. Die vermindering zal dan +436/100000 zijn; ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermeerderen, +dat het vaartuig 1506.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton, het is +dus slechts eene vermeerdering van 6.54 ton." + +"Slechts?" + +"Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te +gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud +hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik +weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als +ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een +tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit." + +Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in +te brengen. + +"Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein," gaf ik ten antwoord, +"en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten, +omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik +voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid." + +"Welke, mijnheer?" + +"Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste +bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen; +als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt +verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking +overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij +hebt dus eene kracht noodig...." + +"Welke de electriciteit alleen mij kon geven," viel kapitein Nemo mij +haastig in de rede. "Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische +kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de +Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunkt mij reeds +moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom +op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik +mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van +1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te +sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie +kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare +bewegingen noodig." + +"Welke dan, kapitein?" vroeg ik. + +"Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd +wordt." + +"Ik brand van ongeduld om het te vernemen." + +"Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen +laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen, +daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging +wordt gebracht; maar ik kan de Nautilus ook van boven naar beneden, +en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door +middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit +het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei +standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig +gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden +zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der +vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op +dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil +komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water +doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een +luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft." + +"Bravo, kapitein!" riep ik uit. "Maar hoe kan de stuurman den weg +volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?" + +"De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus +eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien." + +"Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te +bieden?" + +"Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt, +heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke +men in 1864 in de Poolzeeen nam om bij electriek licht te visschen, +merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene +drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er +slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige +warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het +middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal +zooveel." + +"Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis +van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het +mogelijk is om onder in zee...." + +"Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst, +welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten." + +"Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigen +eenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is +natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus +en de Scotia, waarover zooveel gepraat is, door eene toevallige +ontmoeting werd veroorzaakt of niet?" + +"Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen +de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige +gevolgen heeft gehad." + +"Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln +aangaat?..." + +"Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke +Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij +verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat +in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen; +het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen +doen herstellen." + +"O kapitein," riep ik geheel overtuigd uit, "uw Nautilus is waarlijk +een wonder!" + +"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening, +"en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed +ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op +zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den +afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan +heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de +dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het +slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen, +welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die +door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip +van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken, +omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te +vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm +te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte +eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid, +mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in +zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan +de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik +voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein, +de ingenieur en de bouwmeester van ben." + +De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn +blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van +hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar +eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die +ook niet terughouden. + +"Zijt gij dan ingenieur, kapitein?" vroeg ik. + +"Ja, professor," antwoordde hij, "Ik heb te Londen, te Parijs en te +New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde." + +"Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen +bouwen?" + +"Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd +opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel +is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en +Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool, +de schroef bij Scott te Glasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en +Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de +werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van +de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers +kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien." + +"Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in +elkander zetten?" + +"Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne +werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht +en gevormd heb, hebben daar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd, +en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor +van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe +in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen." + +"Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus +buitensporig groot zijn geweest." + +"Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton; +de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.725 [2] franken, +dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten, +welke zij bevat." + +"Eene laatste vraag, kapitein." + +"Vraag, mijnheer." + +"Zijt gij dan zoo rijk?" + +"Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele +nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!" + +Ik keek den zonderlingen man, die zoo sprak, strak aan; maakte hij ook +misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen. + + + +HOOFDSTUK XIV + +De zwarte stroom. + +Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat +van 3.751.322.76 vierkante myriameter of meer dan 37-1/2 millioen +hectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk +aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar +zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het +tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee; +toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen; +eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen, +kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen, +zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte +ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377 vierkante kilometer +of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het +water in vijf groote wereldzeeen verdeelen: de Noordelijke IJszee, +de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan +en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar +het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het +oosten tusschen Azie en Amerika uit, over eene lengte van 145 deg.. Het is +de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval +is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de +Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden +zou doen doorreizen. + +"Mijnheer de professor," zeide kapitein Nemo, "als gij wilt, zullen +wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek +voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder +naar de oppervlakte stijgen." + +De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven +het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door +verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat alles +stilstond. + +"Wij zijn er," zeide de kapitein. + +Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg +de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de +Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor- +en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het +vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte +dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige +overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep +dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers, +altijd voor een zeemonster gehouden werd. + +In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip +verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee +kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel +door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die +de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke +licht, dat het schip op zijn weg verlichtte. + +De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voelde +nauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht +oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels +en liet dus de beste opmetingen toe. Er was niets in het gezicht; geen +klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte. + +Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon +opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige +minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl +hij zijne observatien deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn +lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet +onbeweeglijker hebben kunnen zijn. + +"Middag," zeide hij. + +Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig +gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder +naar het salon. + +Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: "Mijnheer Aronnax, +wij zijn op 137 deg. 15' westerlengte...." + +"Van welken meridiaan?" vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord +van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land +hij afkomstig was. + +"Mijnheer," antwoordde hij; "ik heb verschillende chronometers, die +geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington; +maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen." + +Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde: + +"137 deg. 15' westerlengte van Parijs, 30 deg. 7' noorderbreedte, dat is te +zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8 +November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint." + +"God beware ons," zeide ik. + +"En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studien; +ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig +meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen +weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de +vergunning verzoek om mij te verwijderen." + +De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alleen; +ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit +te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde, +die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat +bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en +die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het +een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking +van Koenraad "verdriet had aangedaan," een nieuwerwetsche Galilei, +of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury, +wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik +kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan +boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch +gastvrij; hij had evenwel nimmer mijne hem toegestoken hand aangevat, +of mij de zijne toegestoken. + +Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor +mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het +oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette +den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden +elkander kruisten. + +De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere +stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke +de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft +op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, een in +het noorden en een in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee +anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde +in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk, +dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft, +toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren +verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden. + +Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde +zich een van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte +stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat +van Malakka en langs de kust van Azie stroomt, en dan in de Stille +Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert +kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door +de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de +golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde +dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten +Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen +Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten +bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen, +als hier opeen gestapeld lagen. + +"Waar zijn wij?" riep Ned uit; "in het museum te Quebec?" + +"Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de +Galeries de Zooelogie was," zeide Koenraad. + +"Vrienden," antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen, +"gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de +Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee." + +"Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert," zeide Koenraad; +"maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming +als mij verbaast." + +"Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die +zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft +als gij, is hier werk in overvloed...." + +Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boog zich over +de glazen kasten en mompelde allerlei woorden en namen uit de taal der +natuurkenners: "weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis," +enz., alles door elkander. + +Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad, +mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij +was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij +ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd +niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of +liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien +of gehoord had. + +"Niets gehoord of gezien," antwoordde hij: "ik heb zelfs niemand van +de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?" + +"Electriek!" + +"Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer +Aronnax," vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld +van overrompeling bleef, "zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze +hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?" + +"Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het +oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken +of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken +der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien +had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen +maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil, +en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt." + +"Zien!" riep de harpoenier, "maar men ziet niets, en zal nooit iets +zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde...." + +Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het +licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er +pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men +van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt. + +Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten +welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een +schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden +van de Nautilus in beweging kwamen. + +"Dat is nu het einde van alles!", zeide Ned. + +"Orde van de Hydromedusen!", mompelde Koen. + +Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee +ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom +electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee; +eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken, +maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een +bijna onbeperkt weerstandsvermogen. + +De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus +duidelijk zichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit +kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze +doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvan +in de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent +de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is +dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in +opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten +van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte +van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien, +en zelfs schijnen de zonnestralen nog tot op eene diepte van 300 meter +door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd +het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het +was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht. + +Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in +de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de +natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft; +ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van +het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoorzochte +afgronden; de duisternis van de zaal deed het licht buiten des te +beter uitkomen, en wij keken door de ramen alsof het de wanden van +een zeer groot aquarium waren. + +De Nautilus scheen zich niet te bewegen; het was omdat wij vaste +punten voor ons oog misten. Somwijlen echter vlogen strepen waters +met buitengewone snelheid ons voorbij, waardoor wij konden zien, +dat wij inderdaad zeer snel vooruitgingen. + +Verbaasd leunden wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een +onzer de stilte nog had afgebroken, toen Koenraad zeide: + +"Gij wildet zien, vriend Ned, welnu, zie!" + +"Prachtig!" zeide Ned, die zijn toorn en zijne ontvluchtingsplannen +vergetende, zich onwillekeurig aangetrokken gevoelde; "men zou er +zelfs ver om willen reizen, om zulk een schouwspel te bewonderen." + +"O!" riep ik uit, "nu begrijp ik het leven van dien man; hij heeft +zich een wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem hare grootste +wonderen bewaart!" + +"Maar waar zijn de visschen?" merkte de harpoenier op, "ik zie +er geen." + +"Wat gaat u dat aan, vriend Ned," antwoordde Koenraad, "omdat gij ze +toch niet kent." + +"Ik, een visscher!" zeide Ned Land. + +En daarop ontstond een soort van twistgesprek tusschen de beide +vrienden, want beiden kenden visschen, maar ieder op verschillende +wijze; Ned Land kende er wel onderscheid tusschen, doch Koenraad +wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier +geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij; +daarom zeide hij: "Gij zijt een visschendooder, mijn vriend, een zeer +handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende +dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen +verdeelt." + +"Welzeker," antwoordde de harpoenier ernstig, "in visschen die men eet, +en die men niet eet!" + +"Dat is de onderscheiding van een vraat," antwoordde Koenraad; "maar +zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en +kraakbeenachtige visschen?" + +"Misschien wel, Koen." + +"En de onderverdeeling van die beide groote klassen?" + +"Ik heb er nooit van gehoord," antwoordde Ned. + +"Welnu, hoor mij aan en onthoud het," en daarop begon hij eene geleerde +verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen +deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van +Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het +oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van +zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: "Ziet gij, mijn beste Ned, +als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets, +want de familien worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten, +verscheidenheden ...." + +"Welnu, vriend Koen," viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij +tegen het raam leunde, "daar heb je verscheidenheid genoeg." + +"Ja, allerlei visschen," zeide Koenraad, "men zou denken dat men voor +een aquarium zat." + +"Neen," voegde ik hem toe, "want een aquarium is een kooi en hier +zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht." + +"Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt," vroeg +Ned Land. + +"Ik?" antwoordde Koenraad, "daar ben ik niet toe in staat; dat is de +zaak van mijn meester." + +En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling +in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel +een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij +was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen +opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben +gevormd. + +Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de +Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat +het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid; +ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in +den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en +afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige +exemplaren. Onze verbazing was voortdurend ten hoogste gespannen; onze +uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad +deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne +bewegingen en de schoonheid hunner vormen. Nooit was mij het geluk te +beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element +te aanschouwen. + +Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onze +verbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en +Chineesche zeeen slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker +dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door +het schitterende electrieke licht. + +Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden +dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang +droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur +vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan; +de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte +van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien +kilometer in het uur maakten. + +Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf +uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer; +mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke +schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens +lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde, +en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak +lekkerder was dan van zalm. + +Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik +slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus +den snellen Zwarten stroom volgde. + + +HOOFDSTUK XV + +Eene schriftelijke uitnoodiging. + +Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur +wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of "mijnheer goed +geslapen had," en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend +Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan +had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem +te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid +van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet +weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug +te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige +opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van +de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten +der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone +stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warm +is. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder +ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen +ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand. + +Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen +ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die +opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd, +toch hare schoone kleuren hadden behouden. + +De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein +vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat +men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting +van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer, +de diepte tusschen de 50 en 60 meter. + +Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten +door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het +grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over +de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man +ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens +genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden +uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de +voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en +bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone +vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen. + +Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te +schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan +mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef, +hetwelk uit zeegras gemaakt was. + +Den 11den November bemerkte ik 's morgens reeds zeer vroeg aan de +versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het +oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht +te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het +was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna +geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten, +komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging +zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde +met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist +op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de +oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken, +welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol +afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan +voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus, +die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen +schoonen, vroolijken zonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde +komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn +tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat, +zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in +de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van +den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en +sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle +morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus; +"Nautron respoc lorni virch." Wat het beteekende zou ik niet kunnen +zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik +dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen; +ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer. + +Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde, +Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens +door denzelfden persoon uitgesproken. De kapitein verscheen niet. Ik +had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16den +November met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel +een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open, +hij was met eene duidelijke hand, doch met eenigszins gothische letters +geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type. + +Deze brief luidde aldus: + +"Aan den hoogleeraar Aronnax, + +"aan boord van de Nautilus. + +"16 November 1867. + +"Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij, +welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats +hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen, +terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem +vergezellen. + +"De kapitein van de Nautilus, + +"Nemo." + + +"Eene jachtpartij!" riep Ned. + +"En in de bosschen van het eiland Crespo?" voegde Koenraad er bij. + +"Maar hij gaat dan toch aan land?" hervatte Ned. + +"Ik geloof dat dit vrij duidelijk is," zeide ik, den brief nog eens +lezende. + +"Welnu, wij moeten aannemen," zeide Ned. "Als wij eens vasten grond +onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen; +overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken +versch wild tusschen de tanden krijg." + +Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken +afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodiging tot +eene boschjacht, en antwoordde dus: "Laat ons eerst eens zien wat +eiland Crespo is." + +Ik bekeek de kaart en vond op 32 deg. 40' N.B. en 167 deg. 50' O.L. een +eilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd, +op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata; +hetwelk "Zilverrots" beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800 +kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan, +terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar +het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots; +welke vergeten in 't midden van de Stille Zuidzee lag. + +"Indien kapitein Nemo soms aan land gaat," zeide ik, "dan kiest hij +ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn." + +Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad +weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig +als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid +te rusten. + +Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de +Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging +naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette +mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij +niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er +niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en +ik gereed waren hem te volgen. + +"Alleen mijnheer," voegde ik er bij, "zij het mij vergund u eene +vraag te doen." + +"Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden, +zal ik het doen." + +"Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met +het land hebt afgebroken, bosschen op het eiland Crespo bezit?" + +"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "de bosschen welke +ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen +leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken +ze alleen; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op +het land, maar onder de zee." + +"Onderzeesche bosschen!" riep ik uit. + +"Zooals gij zegt, mijnheer." + +"En gij wilt er mij in brengen?" + +"Juist." + +"En te voet?" + +"Zelfs droogvoets." + +"En op de jacht?" + +"Ja!" + +"Met het geweer in de hand?" + +"Met het geweer in de hand." + +"Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles +behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens +gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht +dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer; ik had toch +liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met +een gek! + +Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat +lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen, +en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in +de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. "Mijnheer Aronnax," zeide +de kapitein, "ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen +wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen +beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie +zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal." + +Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende +vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin +ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank +voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier +(rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te +spreken; toen hij gedaan had, zeide hij: + +"Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de +bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij +zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van +onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen +nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer." + +"Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat...." + +"Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij +voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden." + +"Ik luister." + +"Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven +kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken +onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan, +en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel +van perspompen en afvoerbuizen." + +"Dat zijn scaphanders," zeide ik. + +"Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet +vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van +caoutchouc lucht toevoert; het is als 't ware een keten, die hem aan +het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten +vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan." + +"En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?" vroeg ik. + +"Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze, +door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik +gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder +dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik +geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig +atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een +paar draagbanden op den rug vastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat +eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden, +niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het +toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn +twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte +naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn; +de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de +verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men +naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte +der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben +blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten +waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht." + +"Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig +verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is +zij bedorven." + +"Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen +van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen, +zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur." + +"Ik heb niets meer te zeggen," antwoordde ik, "alleen nog deze vraag: +hoe krijgt gij licht op groote diepten?" + +"Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag +ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een +Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee +overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte +electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel. + +"In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het +toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een +aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik." + +"Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein, +dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan +uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog +aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen." + +"Het is geen gewoon geweer met kruit en lood," antwoordde de kapitein. + +"Is het dan een windgeweer?" + +"Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak, +daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?" + +"Bovendien," zeide ik, "gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten +overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter +dan de lucht is." + +"Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen +Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den +Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van +slot, waarmede men onder water kan schieten; doch ik herhaal het u, +nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht, +welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen." + +"Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!" + +"Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik +heb slechts een buis aan te schroeven en een kraan open te +maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die +onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft." + +"Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht +doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk +zijn." + +"Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een +dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem +getroffen dood neder." + +"Waarom?" + +"Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes, +door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en +waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed, +terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als 't +ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote +spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich, +en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg +er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No 4, +en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten." + +"Ik maak geene opmerkingen meer," antwoordde ik opstaande, "ik heb mijn +geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein." + +Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen +wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen +om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde, +dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen. + + +HOOFDSTUK XIV + +Jachtavonturen. + +Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van +de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte +de wandelaars. + +Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan +te schieten. + +"Maar mijn beste Ned," zeide ik hem, "de bosschen van Crespo zijn +slechts onderzeesche bosschen." + +"Goed," mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van +versch vleesch in rook zag verdwijnen. "Gaat gij die dingen aantrekken, +mijnheer Aronnax?" + +"Ik moet wel, Ned." + +"Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer," antwoordde de harpoenier, +terwijl hij de schouders ophaalde, "maar wat mij aangaat, buiten +noodzaak steek er nooit een vin in." + +"Men zal u niet noodzaken, Ned," zeide de kapitein. + +"En zal Koen zich wagen?" vroeg Ned. + +"Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat," antwoordde Koenraad. + +Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware +ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc +zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden +lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting, +de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde +in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen +gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij +zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de +beweging der hand in geenen deele hinderden. + +Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed +van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18e eeuw uitgevonden +en zoo geprezen werden. + +De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene +verbazende kracht moest bezitten, Koenraad en ik hadden weldra de +scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te +zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de +geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen +gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol +en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht, +welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in +den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een +twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel +eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een +schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten. + +"Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein," +zeide ik. + +"Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?" + +"Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter +onder water, en wij behoeven slechts te gaan." + +"Maar hoe komen wij er uit?" + +"Dat zult gij zien." + +De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden, +terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een +goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen +kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik +glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het +hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat, +begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken, +en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den +gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken; +maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en +door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk +een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een +klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden +mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene +deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na +eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds +langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door +eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was +de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur, +welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons, +en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee. + +En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder +water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als +het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare +element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen? + +De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige +schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij +door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde +niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm, +waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die +voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met +de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de +voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen +werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote +vrijheid in mijne bewegingen. + +De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water +bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door, +en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen +op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten +en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend +blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde, +was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche +dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak. + +Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels +waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die +hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijke helderheid +terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee +doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker, +dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het +volle daglicht. + +Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met +millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de +Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht; +maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder +licht ons den weg naar boord aanwijzen. + +Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen +grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor +mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de +indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds +werd uitgewischt. + +Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand +nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de +schoonste zooephyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge +uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den +morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht +werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt, +ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom +alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het +was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en +schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel, +oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen +schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige +indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren +in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein +Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij +gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde +in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte, +met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht. + +Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan; +zeker was die brave jongen bij die massa zooephyten en molusken weder +aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch +lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren +er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden +van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik +ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk +riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte +volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was; +daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van +wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om +op te loopen, en konden met de zachtste, door menschenhanden geweven +tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich +uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich +nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen +behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der +planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene +planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode +op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste +diepten van den Oceaan gevonden werden. + +Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten; +het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand +der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle +kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred, +hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste +geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet +gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht, +en het plant zich met viervoudige snelheid voort. + +Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij +bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking +van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van +die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in +het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik +vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding, +waaraan ik zoo weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door +het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen. + +Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar +zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd, +zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch +zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet +noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen. + +Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik +bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa, +welke op kleinen afstand in de schemering te zien was. + +"Dit is het bosch van het eiland Crespo," dacht ik, en ik bedroog +mij niet. + + + +HOOFDSTUK XVII + +Een onderzeesch woud. + +Eindelijk waren wij aan den rand gekomen van het woud, dat zeker een +der schoonsten was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij +beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover +aan als de eerste menschen in de eerste tijden na de schepping op +alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesche +gebied betwist hebben? Welk ander zou even stoutmoedig als hij met +de bijl in de hand het sombere woud zijn komen ontginnen? + +Dit woud bestond uit groote boomplanten, en zoodra wij er in waren +doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door den zonderlingen stand +der takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt. + +Geen van de grassoorten, welke den grond bedekten, geen van de +takken, welke uit de struiken te voorschijn groeiden, was bochtig +of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar +het zeeoppervlak; geen sprietjes, geen takjes, zoo dun, of zij waren +recht als ijzeren staven en draden. Het zeewier en het riet groeiden +lijnrecht naar boven; als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen +die planten onmiddellijk haar vorigen stand. Hier scheen het rijk +van de rechtstandigheid te zijn. + +Weldra raakte ik gewoon aan dien zonderlingen stand der gewassen, +evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond +in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeielijk +konden vermijden. De onderzeesche flora scheen mij hier vrij volledig +te zijn en zelfs rijker dan zij het in noordelijke of keerkringsstreken +was. Doch gedurende eenige minuten warde ik planten en dieren dooreen; +en wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daar de fauna en de +flora elkander in die onderzeesche wereld zoo nabij komen. + +Ik zag dat al die voortbrengselen van het plantenrijk slechts even +aan de oppervlakte van den bodem gehecht waren; zonder wortels, bijna +niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen +zij aan zand of steen, aan schelp of hoorn slechts een steunpunt en +geen levenskracht; die planten groeien slechts uit zich zelf, en het +beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt +en voedt. De meeste planten hadden in plaats van bladeren, langwerpige +stelen van grilligen vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd +waren, namelijk het rozenrood, karmijn, groen, de olijf kleur, het vaal +en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van +planten en zooephyten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig +natuuronderzoeker eens kon uitroepen: "Zonderlinge tegenstrijdigheid, +wonderlijk element, waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt, en +het plantenrijk geen bloemen heeft!" + +Tegen een uur gaf de kapitein een teeken om halt te houden. Ik was +er zeer blijde om, en wij strekten ons onder een soort van prieel +op den grond uit. Dit oogenblik rust scheen mij heerlijk toe; wij +misten slechts het genoegen om met elkander te kunnen praten; maar +dit was onmogelijk; ik kwam met mijn grooten koperen helm slechts +even tegen dien van Koenraad aan; ik zag de oogen van den braven +jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij ten teeken van vreugde +zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewoog. + +Na vier uur gewandeld te hebben, was ik verwonderd geen ergen honger +te gevoelen. Waardoor deze zonderbare toestand van de maag ontstond, +zou ik niet kunnen zeggen; maar daarentegen had ik een onoverkomelijken +lust tot slapen, zooals dit met alle duikers het geval is. Mijne oogen +sloten zich weldra, en ik viel in een diepen slaap, welken de beweging +van het loopen alleen had kunnen beletten. Kapitein Nemo en zijn makker +strekten zich ook op den grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld. + +Hoe lang ik bleef slapen, kan ik niet zeggen; doch toen ik wakker werd, +scheen het mij toe, dat de zon naar den gezichteinder neigde. Kapitein +Nemo was reeds opgestaan en ik begon mij uit te rekken, toen eene +onverwachte verschijning mij eensklaps overeind joeg. + +Op eenige schreden afstands keek eene monsterachtige zeespin van een +meter hoog mij met hare loensche oogen aan, gereed om zich op mij +te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen den beet +van dit dier te beveiligen, kon ik eene beweging van afgrijzen niet +onderdrukken. Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat +oogenblik wakker. De kapitein wees zijnen makker het afschuwelijke +beest, dat door een kolfslag werd geveld, en ik zag het monster de +afgrijselijke pooten in vreeselijke stuiptrekkingen wringen. + +Deze ontmoeting deed mij er op bedacht zijn dat andere, vrij +wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewoonden, en dat mijn +scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen. Ik had er tot +op dit oogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijne hoede te +zijn. Overigens veronderstelde ik, dat deze rust het einde onzer +wandeling aanwees, maar ik bedroog mij, en in plaats van naar de +Nautilus terug te keeren, vervolgde de kapitein zijn stoutmoedigen +tocht. + +De bodem helde voortdurend, zoodat wij nog grooter diepten bereikten; +het zal omstreeks drie uur geweest zijn, toen wij in eene nauwe +vallei tusschen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte +kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onzer kleeding en +toestellen, waren wij dus 90 meter dieper afgedaald, dan de natuur tot +nog toe den mensch bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik +zeg 150 meter, hoewel ik dit met geen enkel werktuig kan bewijzen; +maar ik weet, dat zelfs in het helderste zeewater de zonnestralen niet +dieper kunnen doordringen. En juist nu begon hier ondoordringbare +duisternis te heerschen. Op geen tien pas afstands konden wij eenig +voorwerp onderscheiden; ik liep dus op den tast, toen ik plotseling een +vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn electriek +toestel in werking gebracht; zijn makker volgde zijn voorbeeld, +evenals Koenraad en ik; door een schroefje om te draaien, bracht ik +de klos met de glazen buis in gemeenschap, en de zee werd door onze +vier lantaarns in een omtrek van 25 meter helder verlicht. + +Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud, +waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd; ik merkte op dat +de planten eerder ophielden dan de dieren, en dat, terwijl de bodem +bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van +allerhande soort door elkander krioelde. + +Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen eenige bewoners dier +sombere diepten naar ons toe moesten lokken; maar als zij ons al +naderden, bleven zij toch op een te grooten afstand om er jacht op te +maken. Verscheiden malen zag ik kapitein Nemo aanleggen, maar telkens +liet hij het geweer weder zakken en vervolgde zijne wandeling. + +Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onzen +merkwaardigen tocht. Een muur van schoone rotsen van indrukwekkende +gedaante verhief zich voor ons reusachtige blokken graniet waren +hier op elkander gestapeld, met vele donkere holen daartusschen, +doch nergens was eene plaats te vinden, waar die rotsmuur bestegen +kon worden. Het waren de grondvesten van het eiland Crespo; hier was +dus land. De kapitein hield plotseling stil; door eene beweging met +de hand gebood hij ons hetzelfde te doen en hoe begeerig ik ook was +om over of om dien rotswand heen te komen, zoo moest ik toch blijven +staan. Hier eindigde het gebied van kapitein Nemo; hij wilde niet +verder gaan; deed hij het, dan kwam hij op een gedeelte van den +aardbol, dat hij niet meer wilde betreden. + +Onze terugtocht ving aan; de kapitein stelde zich weder aan ons hoofd, +en vervolgde steeds zonder aarzelen zijn weg. Ik meende op te merken, +dat wij niet denzelfden weg volgden als straks om de Nautilus weder +te bereiken; deze nieuwe weg, die vrij steil, en daardoor zeer +moeielijk was, bracht ons spoediger naar de oppervlakte der zee; +evenwel was dit stijgen niet zoo snel, dat de druk van het water +daardoor plotseling verminderde, waaruit anders nadeelen voor ons +lichaam konden ontstaan, zooals maar al te dikwijls bij duikers +het geval is. Het daglicht verscheen weder en werd sterker, doch +daar de zon ten ondergang neigde, schitterden de voorwerpen door de +straalbreking op nieuw in schoone kleurenpracht. + +Op tien meter diepte gingen wij midden door een zwerm kleine visschen +van allerhande soort, veel talrijker dan de vogels in de lucht, en +ook vlugger, doch geen enkel stuk waterwild, dat een schot waard was, +had zich nog aan ons voorgedaan, toen ik den kapitein plotseling +zijn geweer zag aanleggen en daarmede tusschen de waterplanten een +beweegbaar voorwerp volgen. Het schot ging af, ik hoorde een licht +gesis, en als door den bliksem getroffen viel op eenige passen voor +ons een dier neder. + +Het was een prachtige zeeotter, het eenige viervoetige dier dat +bepaald de zee bewoont. Het dier was anderhalven meter lang, en +waarschijnlijk zeer kostbaar; het vel was op den rug kastanjebruin +en aan den buik zilverwit; het was eene prachtige huid, welke op +de Russische en Chineesche markten zeer gezocht zou zijn geweest; +ik schatte die vacht om hare fijnheid en glans ten minste op 2000 +frank. Ik bekeek dit zonderlinge zoogdier nauwkeurig; het had een +ronden kop, korte oortjes, ronde oogen, witte snorren, zooals van een +kat, aan de pooten zwemvliezen en nagels, en een dikken staart. Dit +kostbare vleeschvretende dier, waarop de visschers fel jacht maken, +wordt hoe langer hoe zeldzamer, en huist thans voornamelijk in de +noordelijke streken van den Grooten Oceaan, waar het mogelijk weldra +geheel zal uitsterven. + +De matroos van de Nautilus nam het dier op, hing het over den schouder +en wij vervolgden onzen weg. + +Gedurende een uur hadden wij eene zandvlakte voor ons; er waren +somwijlen hoogten in, die de oppervlakte der zee tot op twee meter +naderden. Dan zag ik boven ons hoofd ons beeld zeer nauwkeurig +teruggekaatst doch natuurlijk onderste boven; het was een troepje dat +onze bewegingen en gebaren volkomen nabootste, doch het ging met de +beenen in de lucht en het hoofd naar beneden voorwaarts. + +Een ander verschijnsel was, dat ik dikwijls dikke wolken zeer snel +over ons heen meende te zien drijven; maar toen ik daar over nadacht, +begreep ik, dat die wolken slechts ontstonden door de zware golven, +wier met schuim bedekte koppen ik uit elkander zag stuiven. Zelfs +bemerkte ik van tijd tot tijd het snelle voorbijvliegen van groote +vogels, welke over het watervlak schoren. + +Bij die gelegenheid was ik getuige van een der schoonste schoten, +welke ooit een jagershart hebben doen kloppen. Een groote vogel +met breede vlucht dreef voor den wind op ons af. De makker van +den kapitein legde aan en schoot, toen de vogel nog op eenige meter +boven de oppervlakte was; het dier viel getroffen neder dicht bij den +behendigen schutter, die zich van zijn buit meester maakte; het was +een albatros van de schoonste soort. Onze tocht was door dit voorval +niet opgehouden; gedurende twee uur gingen wij over zandvlakten, of +weiden van zeegras, waar het loopen moeielijk viel. Om de waarheid +te zeggen, ik kon niet meer, toen ik op een halven kilometer afstand +een flauw licht in de duisternis zag schemeren. Het was de lantaarn +van de Nautilus; binnen twintig minuten moesten wij aan boord zijn, +en daar zou ik weder vrij kunnen ademhalen, want het scheen mij toe, +dat mijn toestel mij slechts zeer weinig zuurstofhoudende lucht meer +toevoerde. Ik rekende evenwel buiten eene ontmoeting, welke onze +komst aan boord eenigermate vertraagde. + +Ik was ongeveer twintig pas achtergebleven, toen ik den kapitein +plotseling naar mij zag toekomen. Met zijne krachtige hand drukte +hij mij op den grond, zooals zijn metgezel het Koenraad deed. Eerst +wist ik niet wat van dien plotselingen aanval te denken, doch werd +gerust gesteld, toen ik zag dat de kapitein naast mij ging liggen en +onbeweeglijk bleef. Zoo lagen wij achter een bos zeegras uitgestrekt, +toen ik het hoofd eens even ophief, en eene verbazend groote gedaante +met veel geplas over ons zag heengaan, welke een lichtglans van +zich gaf. Mijn bloed stolde mij in de aderen, want ik had de groote +haaien herkend, welke ons bedreigden. Het waren een paar tintoreas, +vreeselijke zeemonsters met grooten staart, en een dof en glazig oog, +die uit de gaatjes rondom hun bek eene lichtende stof afscheidden. Het +zijn monsterachtige lichtvliegen, die een mensch tusschen hunne ijzeren +kaken in eens verpletteren! Ik weet niet of Koenraad bezig was ze +in eene zekere klasse te ordenen, doch ik bekeek, wat mij aangaat, +hun zilverkleurigen buik, hun vreeselijken muil, vol scherpe tanden, +minder met een wetenschappelijk doel; en ik deed het eerder als +slachtoffer dan als natuuronderzoeker. + +Gelukkig zien die vraatzuchtige dieren zeer slecht. Zij zwommen +voorbij, zonder ons te zien, waarbij zij met hunne bruinachtige +zwemvliezen rakelings over ons heen gingen, zoodat wij als door een +wonder aan een gevaar ontsnapten, dat zeker veel erger was dan de +ontmoeting met een tijger in het dichtste van het woud. + +Een half uur daarna bereikten wij, door het electrieke licht van +de Nautilus geleid, het vaartuig. De buitendeur was open gebleven, +en de kapitein sloot haar zoodra wij binnen waren; daarna drukte hij +op een knop; ik hoorde de pompen in het vaartuig zich in beweging +stellen, ik voelde het water rondom mij weg loopen, en binnen weinige +oogenblikken was de cel ledig; de binnendeur werd open gedaan en wij +traden de kleedkamer binnen. Daar werden wij niet zonder moeite van +onze scaphanders bevrijd, en dood af, van vermoeienis en slaap bijna +in elkander zakkende, ging ik naar mijne hut nog verbaasd over den +wondervollen tocht in de diepten der zee. + + +HOOFDSTUK XVIII + +De Stille Zuidzee. + +Den volgenden dag, 18 November, was ik van mijne vermoeienis van +den vorigen dag geheel bekomen, ik besteeg het plat van de Nautilus, +op het oogenblik dat de tweede stuurman zijne dagelijksche formule +uitsprak. Ik verbeeldde mij toen, dat dit zag op den toestand +der zee, of liever dat het beteekende "wij hebben niets in het +gezicht." Inderdaad, de Oceaan was geheel verlaten, geen enkel +zeil verscheen aan den gezichteinder. De hoogten van het eiland +Crespo waren gedurende den nacht verdwenen. De zee had eene schoone +blauwe kleur aangenomen en eene zachte deining bracht er regelmatige +rimpels op. Ik bewonderde het prachtige gezicht op den Oceaan, toen +de kapitein verscheen; hij scheen mij niet te zien en begon eene +reeks sterrekundige waarnemingen. Toen hij gedaan had, ging hij op +de lantaarn liggen leunen, en liet zijne blikken over de zee dwalen. + +Ondertusschen waren een twintigtal matrozen, allen krachtige en +welgevormde mannen op het plat gekomen, om de netten op te halen, +welke zij gedurende den nacht hadden laten slepen. Die zeelieden +behoorden oogenschijnlijk tot verschillende natien, hoewel zij +allen duidelijk van Europeesche afkomst waren. Ik herkende zonder +aarzelen Ieren, Franschen, eenige Slavoniers, en zelfs een Griek of +een Candioot. Overigens spraken die mannen zeer weinig, en gebruikten +onder elkander slechts die vreemde taal, welker oorsprong ik zelfs +niet raden kon; derhalve moest ik er van afzien om hen te ondervragen. + +De netten werden ingehaald. Het waren een soort van zaknetten, zooals +men aan de kusten van Normandie gebruikt, welke door drijvend kurk of +door een ijzerdraad, dat door de voorste mazen gestoken is, open worden +gehouden. Die zakken worden met een ijzeren beugel langs den bodem der +zee gesleept, en vangen dan alles op wat zich op hun weg bevindt. Er +werden lampreien, makreelen, tonijnen en andere visschen opgehaald, +verscheiden in kleur en vorm zooals ik ze nog nimmer levend voor mij +had gezien. Ik houd het er voor dat er meer dan duizend pond visch in +de netten zat; het was eene schoone vangst, doch niet wonderbaarlijk +groot, want die netten worden gedurende eenige uren medegesleept +en bevatten dan eene geheele waterwereld. Wij hadden dus steeds +levensmiddelen van eene uitstekende hoedanigheid, welke de snelheid +en de aantrekkingskracht van zijn electriek licht onophoudelijk +konden vernieuwen. De verschillende zeeproducten werden door het +luik aanstonds naar de kombuis gebracht, waar zij bereid werden, +sommigen om aanstonds gegeten, anderen om bewaard te worden. Toen +de vischvangst afgeloopen en de lucht in het schip ververscht was, +dacht ik dat de Nautilus haar onderzeeschen tocht weder zou beginnen, +en ik maakte mij gereed om naar mijne hut te gaan, toen de kapitein +zich tot mij wendde en zeide: + +"Zie dien Oceaan eens aan, mijnheer de professor; is hij niet met een +wezenlijk leven begaafd? Kan hij niet toornig en teeder zijn? gisteren +is de zee ingeslapen als wij, en nu wordt hij na een kalmen nacht +weder wakker." + +Geen goeden morgen, of goeden avond! Zou men niet gezegd hebben dat +die vreemde man een reeds begonnen gesprek met mij vervolgde? + +"Zie," hernam hij, "zij wordt wakker onder de liefkozingen der zon; +zij gaat haar dagelijksch bestaan weder doorleven! Het is belangwekkend +om hare bewerktuiging gade te slaan. Zij bezit een pols en ademt, +en ik geef den geleerden Maury gelijk, die er eene beweging in heeft +ontdekt, welke op den bloedsomloop bij de dieren gelijkt." + +De kapitein wachtte van mij zeker geen antwoord, en het scheen mij dan +ook onnoodig toe om hem mijn: "Juist," "zeker," "waarlijk" en andere +woorden naar het hoofd te werpen. Hij sprak bijna tot zich zelven, +terwijl hij tusschen elke twee zinnen telkens vrij lang wachtte. Het +was eene overpeinzing met luider stemme. + +"Ja," zeide hij, "de Oceaan bezit een wezenlijken omloop, en om dien +te weeg te brengen, behoefde de Schepper van alle dingen er slechts +de warmte, het zout en de diertjes in te vermenigvuldigen. Warmte +toch doet verschillende dichtheid ontstaan, waardoor stroomen en +tegenstroomen geboren worden. De uitdamping, die in de noordelijke +streken niet bestaat, en in den omtrek van den evenaar veelvuldig +plaats vindt, brengt eene aanhoudende verwisseling te weeg tusschen +de wateren onder die keerkringen en aan de polen. Bovendien heb ik +stroomen van boven naar beneden en omgekeerd ontdekt, welke de ware +ademhaling van den Oceaan is. Ik heb opgemerkt dat elk waterdeeltje +aan de oppervlakte verwarmd wordt, weder naar de diepte zakt, zijn +hoogsten graad van dichtheid twee graden onder nul bereikt, daarna +verder afkoelt, lichter wordt en weder naar de oppervlakte stijgt. Aan +de polen is het gevolg van dat verschijnsel merkbaar, en daar begrijpt +gij, waarom door de wetten van de voorzienende natuur bevriezing niet +anders kan plaats hebben dan aan de oppervlakte des waters." + +Terwijl de kapitein die volzinnen uitsprak, zeide ik bij mij zelven: + +"De pool! Zou die stoutmoedige reiziger ons daar heen willen brengen?" + +Kapitein Nemo zweeg en bleef verzonken in de beschouwing van dat +element, hetwelk hij zoo goed en zoo onophoudelijk bestudeerd +had. Daarop hervatte hij: + +"Men zegt dat het zout in aanzienlijke hoeveelheid in de zee vervat is, +mijnheer; als gij er alles uit kondet halen, wat er in is opgelost, +zoudt gij eene massa hebben van 288 millioen kubieke kilometer, +dat over onzen aardbol uitgestrekt eene laag zou vormen van meer +dan tien meter dik. En geloof niet, dat die aanwezigheid van zout +eene gril van de natuur is; neen, neen! daardoor wordt het zeewater +minder verdampbaar, en de wind kan er daardoor eene minder groote +hoeveelheid dampen van opjagen, die als zij opgelost werden, de +gematigde luchtstreken zouden overstroomen. Het zout speelt dus +eene groote rol, namelijk de rol van het evenwicht in de algemeene +huishouding van den aardbol!" + +De kapitein zweeg, richtte zich op, stapte eenige malen op het plat +heen en weder, en kwam weder naar mij toe: "Wat de infusiediertjes +aangaat," hernam hij, "die millioenen beestjes die in oneindig getal +in een droppel leven, en waarvan er 800.000 een milligram wegen, zij +spelen eene niet minder belangrijke rol. Zij nemen het zeezout op, +verzamelen als het ware de vaste bestanddeelen van het water, en worden +daardoor de wezenlijke vervaardigers van kalkgrond, zij maken koralen +en zeesterren. En als dan de waterdroppel van zijne vaste bestanddeelen +beroofd, lichter wordt, dan stijgt hij naar de oppervlakte, neemt daar +weder het zout tot zich dat na uitdamping des waters achterblijft, +wordt wederom zwaarder, zakt en brengt aan de infusiediertjes nieuw +voedsel aan. Van daar een aanhoudend op- en nedergaande stroom, altijd +beweging, altijd leven! Een veel krachtiger, weelderiger, onbeperkter +leven als op het land, een leven dat vooral ontluikt op den Oceaan, +dat zooals men zegt, voor den mensch een element des doods is, maar +dat het element des levens is voor millioenen dieren en--voor mij!" + +Terwijl kapitein Nemo zoo sprak, veranderde hij geheel van gelaat en +wekte in mij eene buitengewone ontroering op. + +"Daar," voegde hij er nog bij, "is het ware leven! Ik zou haast kunnen +droomen van de stichting van zeesteden, verzamelingen van onderzeesche +huizen, die even als de Nautilus elken morgen aan de oppervlakte +der zee versche lucht zouden komen inademen, vrije onafhankelijke +steden zooals er nergens gevonden worden! En nog, wie weet of niet +eenig tiran...." + +De kapitein eindigde zijn volzin met een driftig gebaar; daarna richtte +hij zich rechtstreeks tot mij, als om sombere denkbeelden te verjagen, +en vroeg mij: + +"Mijnheer Aronnax, weet gij hoe diep de Oceaan is?" + +"Ik weet ten minste," zeide ik, "wat de voornaamste peilingen ons +geleerd hebben." + +"Zoudt gij mij die kunnen opnoemen, opdat ik ze des noods kan nagaan?" + +"Hier hebt ge er vast eenigen, welke mij te binnen schieten," +antwoordde ik. "Als ik mij niet bedrieg, heeft men in het noorden van +den Atlantischen Oceaan eene gemiddelde diepte gevonden van 8200 meter, +en in de Middellandsche Zee van 2500 meter. De merkwaardigste peilingen +zijn in het zuiden van den Atlantischen Oceaan bij den 35sten graad +gedaan; daar is het dieplood op 12000, 14091 en 15149 afgedaald. Men +berekent dat als de bodem der zee gelijk werd gemaakt hare gemiddelde +diepte ongeveer 7000 meter zou bedragen." + +"Zeer goed, mijnheer," antwoordde de kapitein, "doch wij zullen u hoop +ik iets beters toonen. Wat de gemiddelde diepte van dit gedeelte van +de Stille Zuidzee aangaat, zoo deel ik u mede dat zij slechts 4000 +meter bedraagt." + +Na deze woorden verdween de kapitein door het luik; ik volgde hem, +en trad het salon binnen; de schroef begon aanstonds te werken en de +log toonde eene snelheid van twintig kilometer in 't uur aan. + +Kapitein Nemo bezocht mij slechts zeer zelden in de daarop volgende +weken: nu en dan vertoonde hij zich een oogenblik. Zijn eerste stuurman +wees geregeld met punten op de kaart den weg aan, welken de Nautilus +volgde, zoodat ik dien geregeld kon nagaan. + +Koenraad en Land brachten een groot deel van den tijd met mij +door. Koenraad had aan zijn vriend wonderen van onze wandeling verteld, +en deze had er nu spijt van dat hij ons niet had vergezeld. Maar +ik hoopte dat de gelegenheid zich nog wel eens zou voordoen om die +onderzeesche bosschen te bezoeken. + +Bijna dagelijks openden zich gedurende eenige uren de wanden der zaal, +en wij werden niet moede om de geheimen van die onderzeesche wereld +te bespieden. + +Over het algemeen was de richting van de Nautilus zuidoostwaarts, en +zij bleef op eene gemiddelde diepte van 200 a 150 meter. Eens evenwel, +ik weet niet om welke reden, richtte het schip zich vrij snel naar +beneden en bereikte eene diepte van 2000 meter. De honderdgradige +thermometer wees eene temperatuur aan van 4 deg. 25', welke op deze diepte +onder alle breedten dezelfde schijnt te zijn. + +Den 26sten November ging de Nautilus op 172 deg. lengte over den +Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in +het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij +hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer +afgelegd. Toen ik 's morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer +onder den wind Hawai, het voornaamste der zeven eilanden waaruit +deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei +langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het +strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is, +daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt. + +De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op +142 deg. lengte den 1sten December over den evenaar; drie dagen later +kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel +voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie +kilometer afstand zag ik op 8 deg. 57' Z.B. en 139 deg. 32' W.L. het hooge +Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan +Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde +gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield +er niet van om dicht bij het land te komen. De netten leverden ons +daar evenals bij Hawai schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort +(choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker +van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder +schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder +bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten, +doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer; +op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen; +zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de +natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven +wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italie gegeten. + +In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger +van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze +bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere +luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen +en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen +en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de +grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de +tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos +van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer +de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan +een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen +verschillende soorten herkende, welke d'Orbigny voor den Grooten +Oceaan heeft opgegeven. + +Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen +vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk +oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor +niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar +element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan +doordringen. + +Den 11den December zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned +Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus +lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip +duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig +bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden +verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur. + +"Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?" vroeg hij met zonderlinge +stem. + +"Wat is er dan, Koenraad?" + +"Mijnheer moet maar eens zien." + +Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden +in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk +in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit +reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam +mij eene gedachte voor den geest. + +"Een schip!" riep ik uit. + +"Ja," zeide Ned Land, "een ontredderd vaartuig dat rechtstandig +gezonken is." + +De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons, +welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat +te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben +plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het +dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip +zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het +volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was +een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven, +maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met +touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een +nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de +kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was +nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk +hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt +had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven, +doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder +geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als +zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste +poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip +gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit; +zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen +geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen +verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen +sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar +bij het gezicht van die als 't ware op heeter daad betrapte schipbreuk, +welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd +was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen, +zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus +maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik +een oogenblik op den spiegel lezen kon: + +Florida, Sunderland. + + +HOOFDSTUK XIX + +Vanikoro. + +Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen, +welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedert wij in meer +bezochte zeeen kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke +drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen +kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die +door den roest werden verteerd. + +Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd +van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in +het gezicht. Het waren de "Gevaarlijke eilanden" van Bougainville, +die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten +naar het West-Noord-Westen tusschen 253 deg. 50' en 13 deg. 30' Z.B. en 151 deg. +30' en 125 deg. 30' W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het +eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte +van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een +zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de +Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn +allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam, +maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden +zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels, +en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland +en Nieuw-Caledonie tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt. + +Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide +hij koeltjes: + +"Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft, +maar nieuwe menschen!" + +Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland +Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep, +welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen +bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te +danken hebben. + +De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes, +welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne +kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier +vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de +kusten van Nieuw-Caledonie en van verschillende eilanden van den +Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en +Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht +oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is. + +Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende, +bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes +gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want +onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige +kalkformatie schitterde in ons electriek licht. + +Toen Koenraad mij vroeg, hoe lang het wel duurde eer zulke groote +rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat de geleerden +meenen, dat zij gedurende eene eeuw slechts een achtste centimeter +groeiden. + +"Om die muren te vormen," zeide hij aarzelend, "zijn er dus...?" + +"Wel 192,000 jaren noodig geweest, Koen, waardoor de tijdrekening +van den bijbel wel wat langer wordt. Overigens is er nog ontzaglijker +tijdsverloop noodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden +welke door zondvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt, en +tot afkoeling van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overvloede +bij, dat die dagen van den bijbel tijdvakken voorstellen, en geene +tijdruimte tusschen twee zonsopgangen, want volgens den bijbel zelven, +dagteekent de zon niet eens van den eersten scheppingsdag." + +Toen de Nautilus weder op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en +boschrijke eiland Clermont Tonnerre in zijn geheelen omvang zien. De +koraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar gemaakt. Eens +is zeker een zaadje door een orkaan van naburige eilanden op deze +kalkrotsen overgewaaid, waarop verrotte visschen en zeeplanten +vruchtbare aarde hadden gevormd. Een kokosnoot werd door de golven +voortgestuwd en op deze kust geworpen; de noot ontkiemde en schoot +wortels; de boom groeide op en hield den waterdamp tegen, zoo ontstond +een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe; eenige diertjes, +wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind +op andere eilanden had losgerukt. Schildpadden kwamen hare eieren +leggen, vogels nestelden in den jonge boomen. Zoo ontwikkelde zich +het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen +de mensch. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden. + +Tegen den avond verdween Clermont-Tonnerre in de verte, en de +richting van de Nautilus veranderde merkbaar. Na op 135 deg. lengte +den Steenbokskeerkring even te hebben aangeraakt, wendde zij zich +W.N.W. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wij geen +hinder van de warmte, daar de temperatuur op 30 of 40 meter onder +water zich niet boven tien of twaalf graad verhief. + +Op 15 December lieten wij den schoonen Archipel der Gezelschapseilanden +en het bevallige Taiti, de koningin der Stille Zuidzee oostwaarts +liggen, 's Morgens bemerkte ik eenige kilometer onder den wind de hooge +bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voortreffelijke +visch voor onze tafel. + +De Nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tusschen +den Archipel van Tonga-Tabou, waar de Argo, de Port-au-Prince en de +Duke of Portland vergingen, en dien van de Schippers-eilanden, waar +kapitein de Langle, de vriend van La Perouse, vermoord werd. Daarna +kwamen wij langs de Witi-eilanden, waar de wilden de matrozen van de +Union en kapitein Bureau van de Aimable Josephine vermoordden. Deze +Archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over eene lengte +van 400 en van het oosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt, +ligt tusschen 6 deg. en 2 deg. Z.B., en 174 deg. en 179' W.L. Hij bestaat uit een +groot aantal eilandjes en klippen, waaronder de eilanden Witi-Lewu +en Wanna-Lewu de voornaamste zijn. + +Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar, waarin Toricelli +den barometer uitvond, en dat Lodewijk XIV den troon beklom. Ik +laat daar, welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de +menschheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Entrecasteaux in +1793, en eindelijk in 1827 Durmont d'Urville, die dezen geographischen +chaos eerst goed onderzocht en beschreef. De Nautilus naderde de +baai van Wailea, het tooneel van de vreeselijke lotgevallen van dien +kapitein Dillon, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk +van La Perouse. + +Deze baai, waar wij verscheiden malen de netten uitwierpen, leverde +een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk +veel, en maakten ze volgens Seneca's voorschrift zelven aan tafel +open. De oesterbank van Wailea moet verbazend groot zijn; en zonder +veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die opeenstapeling van +schelpdieren eindigen met de geheele baai te vullen, omdat een dier +tot zelfs twee millioen eieren kan bevatten. Indien Ned Land bij +die gelegenheid geen berouw over zijne gulzigheid had, dan komt het +alleen daarvandaan, dat de oesters het eenige eten is dat minder eene +indigestie veroorzaakt. Inderdaad men moet niet minder dan zestien +dozijn van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend +voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijksch onderhoud van een +mensch noodig zijn. + +De Nautilus voer op 25 December midden door den Archipel der Nieuwe +Hebriden, welke Quiros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768 +nader onderzocht, en waaraan Cook in 1773 den tegenwoordigen naam +gaf. Deze groep bestaat uit negen groote eilanden en ligt in eene lijn +van 480 kilometer van het N.N.W. naar het Z.Z.O. tusschen 15 deg.en 2 deg. +Z.B. en 164 deg. en 168 deg. W.L. Wij gingen dicht genoeg langs het eiland +Aurou om te zien dat het bedekt was met bosschen, uit welker midden +een bergtop hoog uitstak. + +Het was dien dag Kerstmis, en het scheen mij toe dat Ned Land het zeer +betreurde, dat hij het bij de Engelschen zoo hoog geeerde Kerstfeest +niet te midden der zijnen vieren kon. + +Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien, toen hij 27 December +'s morgens in het salon kwam, met een gezicht als van iemand, die u +eerst vijf minuten te voren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart +den weg van de Nautilus na; de kapitein naderde mij, wees met den +vinger op de kaart, en zeide slechts dit eene woord: + +"Vanikoro." + +Die naam werkte als een tooverwoord; het was de naam van het eiland, +waar de schepen van La Perouse vergaan waren. Ik stond plotseling op. + +"Brengt de Nautilus ons naar Vanikoro?" vroeg ik. + +"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein. + +"Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken, waar de Boussole +en de Astrolabe te gronde gingen?" + +"Als dat u aangenaam is, ja, mijnheer de professor." + +"Wanneer komen wij bij Vanikoro?" + +"Wij zijn er al, mijnheer," was het lakonieke antwoord. + +Door den kapitein gevolgd, ging ik naar het plat, en keek met begeerige +blikken naar den gezichteinder. + +In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke +grootte, omringd door een koraalrif, dat veertig kilometer in omtrek +had. Wij waren bij het eigenlijk gezegde Vanikoro, waaraan Dumont +d'Urville den naam van Onderzoek-eiland gaf, en lagen juist voor +de kleine haven van Vanou; het eiland scheen van het strand tot op +de bergtoppen binnenslands met groen bedekt te zijn. In het midden +verhief zich de berg Kapogo, die eene hoogte had van 950 meter. + +Toen de Nautilus den buitensten rotsrand door eene zeer nauwe opening +was binnen gevaren, vonden wij daar binnen eene branding met dertig +tot veertig vademen diepte. Onder de dichte schaduw der palmboomen +zag ik een dozijn wilden staan, die hoogst verbaasd over onze komst +opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam, dat +slechts even boven water uitstak, een vreeselijk zeemonster was, +waarvoor zij zich in acht moesten nemen? + +Op dat oogenblik vroeg mij kapitein Nemo wat ik van de schipbreuk +van La Perouse wist. + +"Wat iedereen er van weet," antwoordde ik. + +"Zoudt gij mij dan kunnen vertellen wat iedereen weet?" vroeg hij +mij op eenigszins spotachtigen toon. + +"Zeer gemakkelijk." + +Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d'Urville hadden +medegedeeld. La Perouse en de kapitein de Langle werden in 1785 door +Lodewijk XVI uitgezonden om eene reis om de aarde te doen. Zij voerden +het bevel op de Boussole en de Astrolabe, en kwamen nooit terug. Toen +in 1791 de Fransche regeering met recht ongerust werd over het lot van +de twee korvetten, rustte zij twee groote schepen uit, de Recherche en +de Esperance; deze schepen zeilden 28 September uit Brest onder bevel +van Bruni d'Entrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekeren +Bowen, kapitein op de Albemarle, dat hij overblijfselen van schepen +gezien had op de kusten van Nieuw-Georgie; maar d'Entrecasteaux, die +deze overigens vrij onzekere mededeeling niet kende, richtte zich +naar de Admiraliteits-eilanden, welke in een verslag van kapitein +Hunter waren aangeduid als de plaats waar de schipbreuk van La Perouse +had plaats gehad. Zijn onderzoek was te vergeefs. De Esperance en de +Recherche zeilden zelfs voorbij Vanikoro zonder er zich op te houden, +en bovendien was deze reis zeer ongelukkig, daar zij het leven aan +d'Entrecasteaux, aan twee zijner stuurlieden en aan verscheiden +matrozen zijner equipage kostte. + +Het was een oude bekende op den Grooten Oceaan, de kapitein Dillon, +die het eerst de stelligste sporen van de schipbreuk vond. Den 15den +Mei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje +Tikopia, een van de Nieuwe Hebriden. Daar kwam een inlander in zijne +kano bij hem aan boord en verkocht hem een zilveren degengevest, +waarin letters gegraveerd stonden. Die inlander beweerde overigens +dat hij, zes jaar geleden bij eene reis naar Vanikoro, daar twee +Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen, +welke lang te voren op de klippen van het eiland vergaan waren. + +Dillon raadde dat dit de schepen van La Perouse konden zijn, wier +verdwijning de geheele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar +Vanikoro, waar volgens den Polynesier nog verschillende overblijfselen +van de schipbreuk gevonden werden; hij werd door tegenwind en +zeestroomingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta; +daar wist hij de Aziatische Maatschappij en de Indische compagnie +voor zijne ontdekking te winnen. Men stelde een schip waaraan men +den naam van Recherche gaf, ter zijner beschikking, en hij vertrok +23 Januari 1827 in gezelschap van een Fransch agent. + +Nadat de Recherche op verschillende punten van den Grooten Oceaan reeds +het anker had laten vallen, kwam het schip 7 Juli 1827 voor Vanikoro, +en in diezelfde haven van Vanou, waar de Nautilus op dit oogenblik lag. + +Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbreuk, +ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een +achttienponder, stukken van astronomische instrumenten, een bronzen +klok met het opschrift: "Bazin heeft mij gemaakt," en het merk van +de gieterij van het arsenaal van Brest met het jaartal 1785: er was +dus geen twijfel meer mogelijk. + +Dillon bleef om zijne inlichtingen te vermeerderen tot October op de +plaats des onheils. Daarop verliet hij Vanikoro, richtte den steven +naar Nieuw-Zeeland, liet het anker 7 April 1828 nogmaals voor Calcutta +vallen, en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X hartelijk +ontvangen werd. + +Maar op dit oogenblik was Dumont d'Urville, zonder iets van de reis +van Dillon te weten, reeds vertrokken, om elders het tooneel van de +schipbreuk te zoeken. En inderdaad, men had door een walvischvaarder +gehoord, dat er medailles en een kruis van den Heiligen Lodewijk +in handen van wilden van de Louisiaden en Nieuw-Caledonie gezien +waren. Dumont d'Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee +gestoken, en liet twee maanden nadat Dillon Vanikoro verlaten had, +het anker voor Hobarttown vallen. Daar vernam hij welke de uitslag +was geweest van Dillons onderzoekingen, en verder hoorde hij dat +zekere James Hobbs, stuurman van de Union van Calcutta eens op een +eilandje aan wal gegaan was, dat op 8 deg. 18' Z.B. en 156 deg. 30' O.L. lag, +en daar ijzeren staven en roode stoffen gezien had, welke de inlanders +gebruikten. + +Dumont d'Urville was uit het veld geslagen, en wist niet of hij +geloof moest hechten aan verhalen uit dagbladen, welke zoo weinig +geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons voetspoor te +volgen. De Astrolabe kwam 10 Februari 1828 voor Tikopia, nam als +gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich daar bevond, en +zeilde naar Vanikoro, dat hij 12 Februari in het gezicht kreeg; hij +zeilde langs de klippen tot den 14den liet eerst den 20sten het anker +binnen die klippen in de haven van Vanou vallen. Den 23sten deden +verscheiden officieren een tocht om het eiland, en brachten eenige +weinig beteekenende overblijfselen mede. De inboorlingen hadden een +stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen, en weigerden om hen +op de plaats van het onheil te brengen. Dit ellendige gedrag deed zien, +dat zij de schipbreukelingen hadden mishandeld, en dat zij schenen +te vreezen dat Dumont d'Urville gekomen was, om La Perouse en zijne +ongelukkige makkers te wreken. Den 26sten brachten zij, overgehaald +door geschenken en begrijpende dat zij geen weerwraak te vreezen +hadden, den stuurman Jaquinot naar de plaats waar de schipbreuk had +plaats gehad. Daar lagen op drie of vier vademen diepte tusschen de +klippen Pacou en Vanou ankers, stukken ijzer en lood, die reeds met +eene kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden +naar deze plek gezonden; de bemanning slaagde er met groote moeite +in om een anker, dat 1800 pond woog, een gegoten achtponder, een +looden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen. Dumont +d'Urville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Perouse, +na zijne beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien +vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmede hij een tweede maal +schipbreuk had geleden. Waar? dat wist men niet. + +Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen +een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en +zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide, +welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer +gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op +te wekken. Daarna wilde d'Urville vertrekken, doch zijne manschappen +hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf +ernstig ziek was, kon hij niet voor 17 Maart vertrekken. + +De Fransche regeering, bang dat d'Urville niet op de hoogte was +van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet de Bayonnaise, +onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat +oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De +Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het +anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men +dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Perouse hadden ontzien. + +Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed. + +"Dus weet men nog niet," zeide hij, "waar dit derde schip is vergaan, +hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?" + +"Neen, kapitein." + +Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te +volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden +openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en +andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de +dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers, +kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven, +kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met +hare levende bloemen overdekt had. + +Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de +kapitein op ernstigen toon: + +"Kapitein La Perouse vertrok 7 December 1785 met zijne +schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht +hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonie, richtte toen den +steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der +Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen +van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant +van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens +schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander +geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was, +hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de +inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder +en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het +groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen, +hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Perouse. Zij zetten koers naar +de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van +het voornaamste eiland dier groep." + +"En hoe weet gij dat?" vroeg ik. + +"Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb." + +Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van +Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was +ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch +nog leesbare papieren. Het waren de instructien van den Minister van +Marine aan La Perouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige +aanteekeningen had gemaakt. + +"Het is een schoone dood voor een zeeman!" zeide toen kapitein +Nemo. "Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de +hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!" + + + +HOOFDSTUK XX + +De Torrestraat. + +In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten +van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het +zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke +dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt. + +Den 1sten Januari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het +plat bij mij. + +"Mijnheer," zeide de brave jongen, "zal mij toch niet kwalijk nemen +als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?" + +"Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw +wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt +met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons +bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken +moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?" + +"Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden," zeide Koenraad. "Zeker +is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden +geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien +is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat, +weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene +gelegenheid nooit weder krijgen." + +"Nooit, Koen." + +"En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt, +ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond." + +"Het is zooals ge zegt, Koen." + +"Ik denk dus, als mijnheer 't mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig +jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien." + +"Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt +Ned Land er van?" + +"Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik," antwoordde +Koenraad. "Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, en maakt +een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten +is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen +bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoon was biefstuk te eten, +en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate." + +"Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan +mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken." + +"Ik ook," antwoordde Koenraad; "ik denk er dus even sterk over om te +blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor +mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op +die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch +mijnheer veel heil en zegen in 't nieuwe jaar." + +"Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen, +en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik +heb niets anders te geven." + +"Mijnheer is nooit zoo gul geweest," zeide Koenraad, en daarmede ging +hij heen. + +Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert +ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de +gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australie. Ons +vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank, +waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip +waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het +niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid, +dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten +in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten. + +Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen +de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat +oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van +die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen +met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren. + +Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4den Januari, +verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde +kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat +naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met +genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou. + +Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die +men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij +scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is +ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte +van 640,000 vierkante kilometer. Het ligt tusschen 0 deg. 19' en 10 deg. +2' Z.B. en tusschen 128 deg. 23' en 146 deg. 15' O.L. Om twaalf uur, toen +de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den +Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten +eindigde. + +Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd +achtereenvolgens bezocht door don Jose Meneses in 1526, door Grijalva +in 1527, door den Spaanschen generaal Alvar de Saavedra in 1528, door +Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret, +Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d'Urville en anderen. "Het +is de bakermat der Maleische kleurlingen," zeide de Rienzi, doch ik +dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou. + +De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van +den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door +durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torrez zich doorwaagde, +toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en +waar in 1840 de korvetten van Dumont d'Urville op het punt waren van +met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen +te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken. + +De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol +klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk +is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door +te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts +bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam. + +Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat +plaats genomen. Voor ons was het kastje van den stuurman, en ik moet +mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om +zijn Nautilus te besturen. + +Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met +de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en +bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven +kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten +gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te +voorschijn kwamen. + +"Dat is een leelijke zee!" zeide Ned Land. + +"Afschuwelijk," antwoordde ik, "zij is niet best voor de Nautilus." + +"Die vervloekte kapitein," hernam de Amerikaan, "moet wel zeker van +zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend +stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte." + +Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen +als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen +door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke +voor Dumont d'Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers +meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen +zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het +schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts +wendde en tusschen een groot aantal weinig bekende eilandjes en rotsen +door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij +zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen +doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d'Urville op de +rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde +en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep. + +Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde +het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor +mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er +langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus +had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen, +doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag +ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den +toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne +onverstaanbare taal. + +Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan +stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange +arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten +vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het +afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene +zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige +omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip +niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet +zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die +rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche +toestel van kapitein Nemo. + +Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder +eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde. + +"Een ongeluk?" vroeg ik. + +"Neen, een toeval," was zijn antwoord. + +"Maar een toeval," hernam ik, "dat u misschien verplichten zal om +het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen." + +De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met +het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen +om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: "Bovendien +mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen +van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog +zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden." + +"Maar toch kapitein," antwoordde ik, zonder acht te geven op de +spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, "de Nautilus is gaan +vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan +niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt +(hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder +vlot zult komen." + +"Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen +Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil +van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standen der +zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari, +en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten +verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was +om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een +dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben." + +Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman +weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar +vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden +ingemetseld. + +"Welnu mijnheer!" zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein +naar mij toe kwam. + +"Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten, +want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot +te maken." + +"Meent gij dat?" + +"Ja zeker." + +"En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te +brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van +die verwenschte klip te komen?" + +"Het tij is immers voldoende," antwoordde Koenraad bedaard. + +De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de +zeeman, die uit hem sprak. + +"Mijnheer," antwoordde hij, "geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk +ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij 't +pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om +dien kapitein Nemo de hakken te laten zien." + +"Vriend Ned," antwoordde ik, "ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke +vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen +in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te +vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in 't gezicht +hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is 't eene andere zaak; +het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als +de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen." + +"Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?" hernam Ned +Land. "Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die +boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben, +en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten." + +"Nu heeft vriend Land gelijk." zeide Koenraad, "en ik ben het met +hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof +kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om +de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten +op het vaste deel van onzen aardbodem?" + +"Ik kan het hem wel eens vragen," antwoordde ik, doch hij zal het +weigeren. + +"Het is in allen gevalle te wagen," zeide Koenraad, "en dan weten +wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid +te houden hebben." + +Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem +vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de +belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar +eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned +Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel +beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de +handen van de Papoea's te vallen! + +Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht +niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs +vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan, +en dat Ned Land de boot alleen zou moeten sturen. Overigens was het +land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen +gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor +groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen. + +Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat +in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in, +en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke +geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm; +een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op, +en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te +sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen, +hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is, +en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest. + +"Vleesch," riep hij herhaaldelijk, "vleesch zullen wij dan proeven, +en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed +is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild, +op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen." + +"Lekkerbek!" zeide Koenraad, "het water komt mij in den mond." + +"Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn," zeide ik, +"en of het wild er niet zoo groot is, dat het den jager wegjaagt." + +"Goed zoo, mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo +scherp als een bijl schenen te zijn, "maar ik zal zelfs een tijgerrib +eten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is." + +"Vriend Ned maakt ons bang," zeide Koenraad. + +"Hoe het ook zij," hernam de harpoenier, "het eerste dier op vier of +op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in +zijn ribben." + +"Goed!" antwoordde ik, "daar gaat de onverzichtigheid van meester +Land weer beginnen." + +"Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en +twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen." + +Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na +gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het +eiland Gueboroar omringden. + + +HOOFDSTUK XXI + +Aan land. + +Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte +op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar +twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein +Nemo, "passagiers op de Nautilus," maar inderdaad gevangenen van den +kapitein waren. + +Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands +van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel +koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik +stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire +aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen +belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren +verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een +licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en +onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en +welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van +de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename +voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige +vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit +met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren +met de gewone spijzen op de Nautilus. + +"Uitmuntend!" zeide Ned. + +"Uitstekend!" antwoordde Koenraad. + +"Ik geloof niet," zeide de Amerikaan, "dat uw vriend Nemo er zich tegen +verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?" + +"Ik geloof het ook niet," antwoordde ik, "maar hij zal er niet van +willen proeven." + +"Zooveel te erger voor hem," meende Koenraad. + +"En zooveel te beter voor ons," antwoordde Ned Land "des te meer +houden wij." + +"Een woord slechts, Ned," zeide ik tegen den harpoenier, die gereed +stond om een anderen kokosboom te plunderen, "de kokosnoot is goed, +maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij +eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige +zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok +van de Nautilus gretig ontvangen worden." + +"Mijnheer heeft gelijk," antwoordde Koenraad, "en ik stel voor om +in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, +eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog +het minste of geringste niet gezien heb." + +"Koen, wij moeten aan niets wanhopen," antwoordde Ned. + +"Laat ons dan verder gaan," hernam ik, "maar goed uit onze oogen zien, +want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens +wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van +wild waren!" + +"Nu, nu!" riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner +kakebeenen. + +"Wat, Ned?" riep Koenraad. + +"Ik begin waarachtig te begrijpen," hervatte de Amerikaan, "hoe +pleizierig het menscheneten zijn moet!" + +"Ned, Ned, wat zegt gij daar?" antwoordde Koen. "Gij een menscheneter: +maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut +moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?" + +"Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u +zonder noodzaak op te pruimen." + +"Ik vertrouw het maar half!" zeide Koenraad. "Komaan op de jacht; +wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden +te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden +dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen." + +Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het +sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei +richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, +en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte +ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den +broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze +boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter +hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote +gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten +van een decimeter lang, welke uitwendig zoo met stekels bezet waren, +dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is +een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan +ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, +gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft. + +Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen +meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij +ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet +langer bedwingen. + +"Ik mag sterven, mijnheer," zeide hij, "als ik niet van dien broodboom +eet." + +"Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te +beproeven; doe het dus." + +"Het zal niet lang duren!" zeide de Amerikaan, en met eene lens +gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder +opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten +van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar +dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren +geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt +te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een +twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in +schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij: + +"Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is." + +"Vooral als men in lang geen brood gehad heeft," zeide Koen. + +"Het is zelfs geen brood meer," voegde de Amerikaan er bij: "het is +een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?" + +"Neen, Ned." + +"Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als +gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers +niet meer." + +Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van +het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was +een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken +deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, +en ik at het met groot genoegen. + +"Ongelukkig," zeide ik, "kan men zulk een deeg niet versch houden, +en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om +mede te nemen." + +"Welnu komaan, mijnheer!" riep Ned Land uit, "gij spreekt als een +natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal +eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer +naar boord gaan." + +"En hoe maakt gij die gereed?" vroeg ik. + +"Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder te bederven +lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in +de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij +het toch wel lekker vinden." + +"Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?" + +"Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of +althans groenten er bij!" + +"Laat ons die dan zoeken." + +Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk +maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen +den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke +vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door +rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, +eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden +wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone +grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, +dien wij overigens niet behoefden te betreuren. + +Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl +hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen +uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken. + +"Ontbreekt u niets?" vroeg Koenraad. + +"Hem!" kuchte de Amerikaan. + +"Wat beklaagt gij u?" + +"Al die planten en vruchten maken geen maal uit," antwoordde +Ned. "Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, +en het gebraad, waar zijn die?" + +"Zeker, Ned," zeide ik, "gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot +het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren." + +"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "de jacht is niet alleen niet +geeindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, +wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is +het hier niet, dan is het ergens anders...." + +"En is het van daag niet, dan is het morgen," voegde Koen er bij, +"want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar +de sloep terug te keeren." + +"Wat, nu reeds?" riep Ned Land. + +"Wij moeten voor den nacht terug zijn," zeide ik. + +"Maar hoe laat is het dan!" vroeg de Amerikaan. + +"Ten minste twee uur," gaf Koenraad ten antwoord. + +"Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om," zuchtte Ned Land treurig. + +"Op weg," riep Koenraad. + +Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen +uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden +bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaar beladen, +toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet +genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij +ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van 8 tot 10 meter +hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als +de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen +Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven +voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen +loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke +boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht +zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, +wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik +keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, +die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors +van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange +vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort +van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, +welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd +wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam +in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij +behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, +en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten +hard worden. + +Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s'avonds met al onze +schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast +de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren +cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging +ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar +bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan +boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De +sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar +wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar +het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te +zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken. + +Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken +bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij +gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan +het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden +werk om hem met zijne lange beenen bij te houden. + +De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna +doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, +welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels +zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne +schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van +onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking +dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot +tijd menschen kwamen. + +Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij +aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een +groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk. + +"Dat zijn nog maar vogels," zeide Koenraad. + +"Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!" antwoordde de harpoenier. + +"Ik geloof het niet, vriend Ned," hervatte Koenraad, "want ik zie +niets dan papegaaien. + +"Vriend Koen," was het deftige antwoord van den Amerikaan, "de papegaai +is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft." + +"En ik zal er nog bijvoegen," zeide ik, "dat als hij goed wordt klaar +gemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is." + +En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van +papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger +opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden +zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe's, +die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl +schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind +wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat +met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid +van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over +het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze +verzameling nog een vogel, welke nooit over de grenzen van de +Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin. + +Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden +wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels +opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in +te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, +welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken +bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite. + +"Paradijsvogels!" riep ik uit. + +"Orde der musschen, afdeeling der...." antwoordde Koenraad. + +"Is het ook familie van de patrijzen?" viel Ned Land hem in de rede. + +"Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een +van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen." + +"Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon +ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan." + +De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels +drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu +geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen +der boomen; waarin de paradijsvogels bij voorkeur zich ophouden; dan +vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, +waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken. Wat ons betrof, wij moesten +ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een +te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie. + +Tegen elf uur 's morgens waren wij den eersten rand der bergen, +welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden +nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden +gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk +gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren +tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot +namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit +gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die +beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten +van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze +voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, +geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken. + +"Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten," zeide Koenraad. + +"En wat ontbreekt u nu nog, Ned?" vroeg ik den Amerikaan. + +"Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax," antwoordde Ned Land. "Al +die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook +niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan +ik karbonade kan eten." + +"En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb." + +"Laat ons de jacht dan voortzetten," antwoordde Koenraad, maar naar +den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik +geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren. + +Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn +voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; +eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels +verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan +om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich +eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen +paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam. + +"Bravo Koen, bravo!" riep ik. + +"Mijnheer is wel goed." antwoordde Koenraad. + +"Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om +een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!" + +"Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel +verdienste niet in steekt." + +"En waarom Koen?" + +"Omdat die vogel zoo dronken als een snip is." + +"Dronken?" + +"Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, +waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het +vreeselijk gevolg der onmatigheid is?" + +"Duizend duivels!" antwoordde de Amerikaan, "het is wel de moeite +waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden +gedronken heb!" + +Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich +niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig +om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen; +dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil +uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten, +welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige +paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang; +het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek +stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone +afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin, +de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals +lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven +den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte +schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge +fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend +fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk "den vogel der zon" +noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede +naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke +te geven, waar er geen enkele levend is. + +"Is hij dan zoo zeldzaam?" vroeg de Amerikaan op den toon van een +jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft. + +"Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend +te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een +belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een +middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten +namaakt." + +"Wat!" riep Koenraad, "maakt men valsche paradijsvogels?" + +"Ja, Koen." + +"En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?" + +"Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne +prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels +opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan +verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner +zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers." + +"Mooi zoo!" riep Ned Land, "al is het dan de vogel niet, dan zijn +het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt, +zie ik er geen kwaad in!" + +Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een +paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog +volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een +groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier +kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetig dier +te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den +electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen. + +De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed +hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal +wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken +moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden, +het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe's op, die +op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zoo +snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten. + +"O, mijnheer," riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd +begon te stijgen, "wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad +voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk +dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan +boord er niets van mede krijgen!" + +Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat +had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou +doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn +van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk +springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn; +maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht. + +Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke +Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland +terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren +berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard. + +'s Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag +op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op +twee mijl van de kust boven de zee uit. + +Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons +diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden +de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een +aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak +nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve +het mij zooals aan Ned Land! + +Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen +ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen +eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga's, een half +dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten, +waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige +makkers niet zoo heel helder meer waren. + +"Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?" zeide +Koenraad. + +"Als wij er eens nooit weder heen gingen?" voegde Ned er bij. + +Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte +een einde aan de voorstellen van het tweetal. + + + +HOOFDSTUK XXII + +Nemo's bliksem. + +Wij keken zonder op te staan naar den kant van het bosch; ik hield +mijne hand, welke een hap naar den mond bracht, stil, doch Ned Land +at door. + +"Een steen valt niet uit de lucht," zeide Koenraad, "of het moest +een aeroliet zijn." + +Een tweede zuiver ronde steen sloeg Koenraad een lekker duivenboutje +uit de hand, en bevestigde dus zijne opmerking. + +Wij sprongen alle drie overeind met het geweer in de hand en waren +gereed om elken aanval af te weren. + +"Zijn het apen?" vroeg Ned. + +"Bijna," antwoordde Koenraad, "het zijn wilden." + +"Naar de sloep!" riep ik, naar den zeekant loopende. Wij moesten +inderdaad vluchten, want een twintigtal inboorlingen, met bogen en +slingers gewapend, verschenen aan den rand van een boschje, dat op +nauwelijks honderd pas afstands ons aan den rechterkant het uitzicht +belette. Onze sloep lag tien vademen van ons af. De wilden naderden +langzaam, maar maakten de meest vijandige bewegingen; het regende +pijlen en steenen. + +Ned Land had zijn voorraad niet in den steek willen laten, en +niettegenstaande het dreigende van het gevaar liep hij met zijn varken +op den eenen, en de kangoeroe's op den anderen schouder zoo hard als +hij kon. In twee minuten waren wij op het strand, onze provisie en +onze wapens in de sloep werpen, die in zee brengen en de riemen +grijpen was het werk van een oogenblik. Wij waren nog geen twee +kabellengten ver, toen honderd wilden met geschreeuw en gebaren tot +aan het middel in het water liepen. Ik keek eens of hunne verschijning +ook enige mannen van de Nautilus op het plat zou tevoorschijn roepen; +maar neen, het kolossale vaartuig bleef verlaten. + +Twintig minuten daarna waren wij aan boord; het luik was open; nadat +wij de boot hadden vastgelegd, gingen wij naar binnen. Ik ging naar +het salon, waar ik enige accoorden hoorde aanslaan; kapitein Nemo +zat daar voor het orgel geheel in muzikale verrukking verloren. + +"Kapitein!" zeide ik. + +Hij hoorde mij niet. + +"Kapitein!" zeide ik nog eens, en raakte zijne hand aan. Hij sidderde, +en terwijl hij zich omkeerde, zeide hij: + +"O, zijt gij het mijnheer de professor? Welnu, hebt gij eene goede +jacht gehad, en schoone planten verzameld?" + +"Ja, kapitein," zeide ik, "maar wij hebben ongelukkig een troep +tweevoetige wezens achter ons aan gekregen, wier nabijheid ons vrij +verontrustend toeschijnt." + +"Wat soort van wezens?" + +"Wilden." + +"Wilden!" antwoordde de kapitein op spotachtigen toon. "En gij +verwondert u, mijnheer, dat als gij ergens voet aan wal zet er wilden +te vinden? Wilden, waar zijn die niet? En bovendien, zijn die wilden +erger dan alle anderen?" + +"Maar kapitein...." + +"Wat mij aangaat, mijnheer, ik heb overal wilden ontmoet." + +"Welnu," antwoordde ik, "als gij ze niet bij u aan boord wilt hebben, +dient gij eenige voorzorgsmaatregelen te nemen." + +"Wees gerust, mijnheer de professor, gij behoeft u daar zoo bang niet +voor te maken." + +"Maar die inboorlingen zijn talrijk." + +"Hoeveel hebt gij er geteld?" + +"Een honderdtal ten minste." + +"Mijnheer Aronnax," hernam de kapitein, die zijne vingers weer over +de toetsen van het orgel liet gaan; "als al de inboorlingen van +Nieuw-Guinea op dat strand bij elkander waren, dan zou de Nautilus, +niets van hunne aanvallen te vreezen hebben!" + +Zijne handen bewogen zich over de klavieren van zijn instrument, +waarbij ik opmerkte dat hij alleen de zwarte toetsen aanraakte, +zoodat de door hem gespeelde melodien bijzonder veel op Schotsche +geleken. Weldra had hij mijne tegenwoordigheid vergeten, en was in +droomerijen verdiept, waaruit ik hem niet zocht op te wekken. + +Ik ging weer op het plat. De nacht was reeds gevallen, want onder +deze breedte gaat de zon spoedig zonder schemering onder. Ik zag +het eiland Gueboroar slechts even; maar talrijke vuren op het strand +bewezen mij dat de inboorlingen er niet aan dachten om ons te verlaten. + +Ik bleef gedurende eenige uren alleen; dan dacht ik aan die +inboorlingen zonder ze te vreezen, want het onwrikbare vertrouwen van +den kapitein had zich ook van mij meester gemaakt; dan vergat ik ze +weer, om de pracht van den sterrenhemel in deze tropische gewesten +te bewonderen, ik vloog in gedachten met die sterren, welke mijn +vaderland binnen weinige uren zouden verlichten, naar Frankrijk +mede. De maan schitterde aan het uitspansel; ik dacht er aan dat +die trouwe wachter overmorgen op die zelfde plaats terug zou komen, +om het water te doen rijzen, en de Nautilus van de koraalklip los te +maken. Toen ik tegen middernacht zag dat alles op zee en onder het +geboomte op de kust rustig was, ging ik naar mijne hut en sliep kalm +in. De nacht ging zonder ongeval voorbij. De Papoea's waren zonder +twijfel bang voor het monster, dat in de baai lag, want het geopende +luik zou hun anders gemakkelijk den toegang verschaft hebben. + +Den 8sten Januari ging ik 's morgens om zes uur op het plat; de dag +brak aan; toen de morgennevel optrok, zag ik eerst het strand en toen +de toppen der bergen. De wilden waren er nog altijd, doch talrijker dan +den vorigen dag, vijf of zes honderd misschien. Eenigen maakten gebruik +van het lage tij, en waren van de eene klip op de andere springende tot +op twee kabellengten van de Nautilus gekomen; ik zag ze zeer duidelijk; +het waren wel degelijk Papoea's van athletische gedaante, menschen +van een schoon ras met een hoog en breed voorhoofd, een dikken, doch +geen platten neus, en met witte tanden. Hun wolachtig haar was rood +geverfd, en stak vreemd af tegen hunne huid, die zwart en glimmend +was als van de Nubiers. Aan hunne doorstoken en uitgerekte oorlellen +hingen trossen beentjes; zij waren over het algemeen naakt. Ik zag +eenige vrouwen onder hen, die eene wezenlijke crinoline van gedroogd +gras aan hadden, welke tot aan de knieen reikte. Sommige opperhoofden +hadden hun hals met een halve maan en met snoeren van roode en witte +glaskoralen versierd; bijna allen waren met bogen, pijlen en schilden +gewapend en droegen een soort van netje op den rug, waarin zij de ronde +steenen bewaarden, welke zij met groote behendigheid wisten te werpen. + +Een van die opperhoofden was dicht bij de Nautilus gekomen, en bekeek +het vaartuig nauwkeurig. Het moest er een van hoogen rang zijn, want +hij had eene mat van gedroogde banaanbladen om het lichaam geslagen, +welke met schitterende kleuren beschilderd was. Ik zou hem gemakkelijk +hebben kunnen neerschieten, omdat hij zich binnen het bereik van +mijn geweer bevond, doch ik meende dat het beter was om te wachten +tot dat zij zich wezenlijk vijandig toonden. Tusschen Europeanen en +wilden past het dat Europeanen zich verdedigen en nimmer aanvallen. + +Gedurende al den tijd, dat het lage tij duurde, zwierven de +inboorlingen in de nabijheid van de Nautilus, maar zij maakten geen +geraas. Ik hoorde hen dikwijls het woord "assai" roepen, en uit +hunne gebaren begreep ik dat zij mij uitnoodigden om aan land te +komen, eene uitnoodiging, welke ik meende te moeten weigeren. Dien +dag verliet de sloep derhalve de Nautilus niet, tot groot verdriet +van Ned Land die zijn voorraad niet kon volledig maken. De handige +Amerikaan gebruikte zijn tijd om het vleesch klaar te maken dat hij van +Gueboroar had medegebracht. Wat de wilden betreft, die gingen tegen +elf uur 's morgens weer naar land, toen de toppen der koraalriffen +bij het wassen van het tij onder de golven begonnen te verdwijnen; +doch ik zag dat hun aantal op het strand zeer toenam; waarschijnlijk +kwamen zij van de naburige eilanden, en van Nieuw-Guinea. Echter zag +ik geen enkele prauw. + +Daar ik niets beters te doen had, kreeg ik lust om eens in het heldere +water met een schepnet te visschen, daar ik schelpen en planten in +menigte op den bodem zag liggen. Het was bovendien de laatste dag, +dat de Nautilus in deze streken doorbracht, als zij ten minste den +volgenden dag, volgens de verzekering van kapitein Nemo, met hooge +zee zou losraken. + +Ik riep Koenraad, die mij een klein schepnet bracht, van de soort, +waarmede men gewoonlijk oesters vischt. + +"En die wilden?" vroeg Koenraad, "zij schijnen zoo erg boos niet." + +"Het zijn toch menscheneters, mijn jongen." + +"Men kan menscheneter en braaf zijn," hernam Koenraad, "even zooals men +gulzig en eerlijk man kan wezen. Het eene sluit het andere niet uit." + +"Goed, Koen, ik stem u toe, dat het eerlijke menscheneters zijn en dat +zij hunne gevangenen fatsoenlijk opeten; maar daar ik zelfs niet eens +fatsoenlijk wil opgegeten worden, zal ik oppassen, want de kapitein +schijnt geen de minste voorzorgen te nemen. En nu aan 't werk." + +Wij vischten ijverig gedurende twee uur, doch zonder eenig zeldzaam +stuk op te halen; ons net was telkens wel vol schelpen, maar niets +bijzonders, alleen een stuk of wat paarloesters en een dozijn kleine +schildpadden, die wij voor den kok bewaarden. Doch op 't oogenblik, dat +ik er het minst op verdacht was, kreeg ik een wonder, of liever gezegd +eene natuurlijke misvorming te zien welke men zelden ontmoet. Koen had +het net weder uitgeworpen en haalde het met zeer gewone schelpen op, +toen hij mij plotseling de hand in het net zag steken en er een schelp +uithalen, welke ik met een kreet van blijdschap in de hoogte hief. + +"Wat scheelt er aan, mijnheer?" vroeg hij zeer verwonderd. "Is +mijnheer gebeten?" + +"Neen mijn jongen, en toch zou ik voor zulk eene ontdekking wel een +lid van een vinger willen missen." + +"Welke ontdekking?" + +"Deze schelp," zeide ik, hem het voorwerp mijner blijdschap toonende. + +"Het is doodeenvoudig een purperolijf, klasse + +"Ja wel, Koen, maar in plaats van rechts naar links gedraaid te zijn, +is deze juist omgekeerd." + +"Omgekeerd?" + +"Ja mijn vriend, het is een linksche schelp!" + +"Een linksche schelp!" herhaalde Koenraad met een van vreugde +kloppend hart. + +"Zie maar eens." + +"Mijnheer kan mij gerust gelooven," zeide Koenraad, terwijl hij de +kostbare schelp met bevende hand aanvatte, "ik ben nog nooit zoo +blijde geweest." + +En er was wel reden toe; men weet toch dat rechts wenden volgens +de opmerkingen der natuuronderzoekers een wet van de natuur is. De +hemellichamen en hunne wachters bewegen zich bij hunne omwenteling +om de zon en om zich zelven van rechts naar links; de mensch gebruikt +liefst de rechterhand, zoodat allerlei werktuigen en inrichtingen als +trappen, sloten, horlogeveeren, enz. enz. zoodanig gemaakt zijn, dat +zij rechts kunnen gebruikt worden. De natuur heeft deze wet ook gevolgd +in het draaien der schelpen; zij zijn allen rechts op zeer zeldzame +uitzonderingen na, en als er soms gevonden worden die links gedraaid +zijn, dan betalen de liefhebbers die soms met haar gewicht in goud. + +Koen en ik waren dus verrukt op het gezicht van onzen schat, en ik +vatte het plan reeds op om er ons Museum mede te verrijken, toen +een noodlottige steen, door een inboorling geworpen, het kostbare +voorwerp in Koenraads hand in stukken sloeg. Ik stiet een wanhopigen +kreet uit! Koenraad greep mijn geweer en mikte op den wilde, die +zijn slinger op tien meter van ons af nog in de hand had. Ik wilde +hem tegenhouden, doch het schot ging af en verbrijzelde den armband +van amuletten, welke om den arm van den Papoea geslingerd zat. + +"Koen!" riep ik, "Koen!" + +"Wat, ziet mijnheer dan niet dat die kannibaal ons aanvalt" + +"Een schelp is geen menschenleven waard!" zeide ik. + +"O, die schavuit! ik wilde liever dat hij mij den arm had verbrijzeld." + +Koenraad meende het oprecht, maar ik was het niet met hem eens; +echter was de toestand sinds eenige minuten veranderd, zooals wij +bemerkten. Een twintigtal prauwen omringden ons; die vaartuigen van +uitgeholde boomstammen gemaakt, waren lang, smal, vlug in de vaart, +en bleven recht op het water liggen door twee bamboezen zwaarden, +welke aan weerszijden op het water steunden. Zij werden door halfnaakte +wilden gepagaaid, en ik zag ze niet zonder ongerustheid naderen. + +Het was duidelijk dat die Papoea's reeds met Europeanen in aanraking +waren geweest, en hunne schepen kenden. Maar wat moesten zij wel denken +van dien langen ijzeren cylinder, zonder mast of schoorsteen? Niets +goeds, want zij waren eerst op eerbiedigen afstand gebleven; +toen zij hem echter onbeweeglijk zagen liggen, vatten zij moed, +en wilden er nader kennis mede maken; doch juist die kennismaking +moest belet worden. Onze geweren, wier schot geen knal gaf, konden +dien inboorlingen slechts weinig vrees inboezemen, daar zij slechts +eerbied hebben voor geraasmakende vuurwapenen. De bliksem zou ook +zonder den donder de menschen niet verschrikken, hoewel het gevaar +in het eerste en niet in het geraas gelegen is. + +Op dit oogenblik naderden de prauwen dichter bij de Nautilus, en het +regende pijlen om ons heen. + +"Te drommel, het hagelt," riep Koenraad, "misschien is het wel +vergiftigde hagel!" + +"Ik zal den kapitein waarschuwen," zeide ik, naar binnengaande. + +Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waagde ik het om +aan de deur van Nemo's kamer te tikken. + +"Binnen!" riep men; ik trad binnen en vond den kapitein verdiept in +eene berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol +speelden. + +"Hinder ik u ook?" vroeg ik uit beleefdheid + +"Ja, mijnheer," was het korte antwoord; "doch ik geloof dat gij +ernstige redenen hebt om bij mij te komen!" + +"Inderdaad; wij zijn omringd door prauwen, en zullen binnen weinige +minuten zeker door honderden wilden worden aangevallen.'" + +"Zoo," zeide de kapitein bedaard, "zijn zij met hunne prauwen gekomen?" + +"Ja kapitein." + +"Welnu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt?" + +"Juist, en ik kwam u zeggen...." + +"Niets is gemakkelijker," zeide Nemo, en op een electrieken knop +drukkende, gaf hij daartoe aan de wachthebbende matrozen bevel. + +"Het is reeds geschied, mijnheer," zeide hij na eenige +oogenblikken. "De sloep is op hare plaats en het luik is dicht. Gij +vreest toch zeker niet dat die heeren de wanden van mijn vaartuig +verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw fregat zelfs geen schade +aan toebrachten!" + +"Neen, kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar." + +"Welk, mijnheer?" + +"Morgen ochtend moet gij het luik weder openen om de lucht in de +Nautilus te ververschen." + +"Zeker, mijnheer, omdat ons vaartuig evenals de walvisschen ademt." + +"Maar als op dat oogenblik de Papoea's op het plat zijn, dan zie ik +niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen." + +"Denkt gij dan mijnheer, dat zij aan boord zullen komen?" + +"Ik ben er zeker van." + +"Welnu, laat ze komen; ik zie geen enkele reden om hun dat te +beletten; het zijn toch arme duivels, die Papoea's en, ik wil niet +dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die +ongelukkigen kost." + +Na deze woorden wilde ik heengaan, doch de kapitein hield mij terug, en +verzocht mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling +naar onzen tocht op het land, naar onze jacht, en scheen niet te +begrijpen hoe die Amerikaan zoo vurig naar vleesch verlangde. Daarna +spraken wij over verschillende onderwerpen, en zonder daarom veel +mede te deelen, was de kapitein inderdaad veel hartelijker. + +Onder anderen spraken wij over de ligging van de Nautilus, die juist +gestrand was in die zeestraat, waar Dumont d'Urville op het punt was +geweest van te vergaan. + +"Die d'Urville was een van uwe grootste zeelieden," zeide de +kapitein, "een van de verstandigste zeevaarders, Het is een +Fransche Cook. Ongelukkige geleerde! De ijsbanken aan de zuidpool, +de koraalriffen en de kannibalen in den Grooten Oceaan getrotseerd te +hebben om ellendig in een spoortrein om te komen! Als die krachtige +man in de laatste oogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken, +wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn?" + +Zoo sprekende, scheen Nemo bewogen. + +Daarna gingen wij, met de kaart in de hand, de tochten van den +Franschen zeereiziger na, zijne reis om de aarde, zijne beide pogingen +om aan de zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en +Lodewijk Filips ontdekt werden, en eindelijk zijne opmetingen van de +voornaamste eilanden in den Grooten Oceaan. + +"Wat uw d'Urville aan de oppervlakte de zee verricht heeft," zeide +kapitein Nemo, "dat doe ik onder zee, en veel gemakkelijker en +vollediger dan hij. De Astrolabe en de Zelee werden onophoudelijk +door de golven heen en weder geslingerd en konden dus niet tegen de +Nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stil ligt, en dus +een kalme studeerkamer heeten mag." + +"En toch," zeide ik, "is er een punt van overeenkomst tusschen de +korvetten van Dumont d'Urville en de Nautilus." + +"Welk, mijnheer?" + +"Dat de Nautilus evenals zij gestrand is." + +"De Nautilus is niet gestrand, mijnheer," antwoordde de kapitein +bedaard; "de Nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen, +en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke d'Urville +met zijn korvetten aanving om weder vlot te raken. De Astrolabe en +de Zelee zijn vergaan, doch mijn Nautilus loopt geen gevaar. Morgen +zal het hoogtij op het bepaalde uur het vaartuig oplichten, en wij +zullen onzen tocht door de zee kunnen voortzetten." + +"Kapitein," zeide ik, "ik twijfel niet...." + +"Morgen," voegde de kapitein er bij, terwijl hij opstond, "morgen +middag twintig minuten voor drieen, zal de Nautilus vlot worden, +en zonder schade de Torrestraat verlaten." + +Toen hij deze woorden kortaf gezegd had, maakte hij eene lichte +buiging; hij gaf mij dus mijn afscheid, en ik ging naar mijne hut. Daar +vond ik Koenraad, die wenschte te weten welken uitslag mijn gesprek +met den kapitein gehad had. + +"Mijn jongen," zeide ik, "toen ik de meening uitte dat zijn Nautilus +door de wilden bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertsenden +toon geantwoord. Ik kan u dus slechts een ding antwoorden: vertrouw +op hem, en ga gerust slapen." + +"Heeft mijnheer mij niet noodig?" + +"Neen, mijn vriend, maar wat doet Ned Land?" + +"Vriend Ned maakt eene kangoeroe-pastij klaar, die verbazend lekker +moet worden," antwoordde Koenraad. + +Ik bleet alleen, en ging naar bed, doch sliep vrij slecht. Ik hoorde +de wilden op het plat heen en weder loopen en tusschen beiden een +oorverdoovend geschreeuw aanheffen. Zoo ging de nacht voorbij, +zonder dat de equipage uit hare gewone traagheid scheen opgewekt +te worden. Zij scheen zich evenmin om die wilden te bekreunen, +als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen, die over de +blindeering loopen. + +Ik stond 's morgens om zes uur op. Het luik was niet open. De lucht +werd dus niet ververscht, maar de vergaarbakken, welke om alle +mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, gevuld waren, begonnen te +werken en brachten eenige kubieke meter zuurstof in de Nautilus. + +Ik bleef tot twaalf uur in mijne kamer zitten werken, zonder den +kapitein slechts een oogenblik gezien te hebben. Men scheen aan boord +geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog +eenigen tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie; +in tien minuten moest de vloed zijne grootste hoogte bereikt hebben, +en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de Nautilus +onmiddellijk vlot raken; anders zouden er heel wat maanden verloopen, +voordat zij deze klippen verlaten kon. + +Weldra voelde ik echter eenige trilling in het vaartuig; ik hoorde +de kalk- en koraalpunten tegen den buitenwand schuren. + +Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon. + +"Wij gaan vertrekken," zeide hij. + +"Zoo?" antwoordde ik. + +"Ik heb bevel gegeven, om het luik te openen." + +"En de Papoea's?" + +"De Papoea's?" antwoordde de kapitein schouderophalend. + +"Zullen zij niet in de Nautilus komen?" + +"Hoe zoo?" + +"Wel, door het luik, als gij het laat open zetten." + +"Mijnheer Aronnax," zeide Nemo bedaard, "men komt het luik van de +Nautilus zoo maar niet binnen, al staat het open." + +Ik keek hem eens aan. + +"Begrijpt gij mij niet?" vroeg hij. + +"Geenszins." + +"Welnu, kom dan mede en zie." + +Ik ging naar de groote middeltrap; daar stonden Ned Land en Koenraad +zeer nieuwsgierig naar eenige matrozen te kijken die het luik +openden, terwijl kreten van woede en afgrijselijk geschreeuw daar +buiten weerklonken. Eindelijk was het luik open, en een twintigtal +afschuwelijke tronies verschenen. Maar de eerste van die wilden, +die de hand aan de trapleuning sloeg, werd door ik weet niet welke +onzichtbare kracht achteruitgeworpen, en vluchtte onder vreeselijk +geschreeuw en met ontzaglijke sprongen. Tien van zijne makkers wilden +ook naar binnen komen, en ondergingen hetzelfde lot. + +Koenraad was in verrukking; Ned Land, slechts aan zijne hevige driften +gehoor gevende, vloog naar de trap, maar, nauwelijks had hij de +trapleuning aangegrepen, of hij werd op zijne beurt terug geslingerd. + +"Duizend duivels!" riep hij, "ik ben door den bliksem getroffen!" Die +uitroep verklaarde mij alles; het was geene trapleuning meer, maar +een metalen ketting met electriciteit geladen, welke tot op het plat +ging. Ieder die er aan raakte kreeg een vreeslijken schok, en zulk een +schok zou doodelijk geweest zijn als de kapitein dien geleider met +den geheelen electrieken stroom van zijne machine geladen had. Men +kon letterlijk zeggen dat hij tusschen zijne aanvallers en zich een +elektriek net gespannen had, waar niemand ongestraft over heen kon. + +Ondertusschen hadden de ontstelde Papoea's de vlucht genomen; wij +troostten en wreven half lachende den ongelukkigen Ned Land, die +vloekte als een bezetene. Doch op dit oogenblik werd de Nautilus +door de laatste vloedgolven opgelicht van het rif, en dat juist op +dezelfde minuut waarop de kapitein het voorspeld had. De schroef begon +langzaam te werken; de snelheid nam hand over hand toe, en aan de +oppervlakte van het water blijvende verliet het vaartuig onbeschadigd +de gevaarlijke Torresstraat. + + + +HOOFDSTUK XXIII + +Slaapdronken. + +Den volgenden dag, 10 Januari, hervatte de Nautilus haar tocht weer +onder water, maar met zulk eene snelheid dat ik haar op niet minder +dan 35 kilometer in het uur schatte. De snelheid van de schroef was +zoo groot dat ik de omwentelingen niet tellen kon. + +Als ik er aan dacht dat deze voortreffelijke electrieke machine, +beweging, warmte en licht aan de Nautilus schonk, en haar bovendien +nog verdedigde tegen aanvallen van buiten, zoodat het vaartuig in +eene heilige ark veranderd werd, welke niemand kon aanraken zonder +verpletterd te worden, kende mijne bewondering geene grenzen meer, +en van de machine ging die over op den bouwmeester, die dit alles +gewrocht had. + +Wij liepen recht naar het westen en den 11den Januari voeren wij om +Kaap Wessel, die op 135 deg. O.L. en 10 deg. N.B. de westpunt van de golf van +Carpentaria vormt. Er waren nog tal van klippen, doch zij lagen verder +uit elkander, en waren op de kaart met buitengewone nauwkeurigheid +aangeteekend. De Nautilus vermeed gemakkelijk de branding van Money +aan bakboord, en de klippen Victoria aan stuurboord, en bleef den +tienden parallel volgen. + +Den 13den Januari kwamen wij in de zee van Timor, en de kapitein +verkende het eiland van dien naam op 122 deg. O.L. Dit eiland, dat eene +oppervlakte heeft van 36000 vierkante kilometer, wordt door radjah's +bestuurd. Die vorsten noemen zich zonen van krokodillen, dat is te +zeggen van de hoogste geboorte waarop een sterveling aanspraak kan +maken. Ook wemelt het van die dieren in de stroomen van dit eiland, +waar zij bijzonder vereerd worden. Men beschermt en vereert ze, +men bidt ze aan en voedt ze; men geeft hun zelfs jonge meisjes ten +voedsel, en wee den vreemdeling, die de hand aan een dier gewijde +monsters slaat. + +Maar de Nautilus had niets met die leelijke dieren uit te staan. Timor +was voor een oogenblik slechts zichtbaar, namelijk om twaalf uur, toen +de eerste stuurman de hoogte der zon nam. Ook zag ik slechts even het +kleine eiland Rotti, dat tot dezelfde groep behoort, en welks vrouwen +op de Maleische slavenmarkten een grooten naam van schoonheid bezitten. + +Van nu af richtte de Nautilus zich naar het zuidwesten, en zette +koers naar den Indischen Oceaan. Waar zou de kapitein ons nu heen +voeren? Zou hij de Aziatische kust weder opzoeken, of zou hij naar +Europa gaan? Dit was niet zeer waarschijnlijk van iemand, die het +bewoonde land vermeed. Zou hij den steven zuidwaarts richten? Zou +hij om de Kaap de Goede Hoop en verder om Kaap Hoorn varen om tot +aan de Zuidpool door te dringen. Zou hij soms ook naar den Grooten +Oceaan terug keeren waar zijn Nautilus zulk een gemakkelijk vaarwater +vond? De toekomst zou het ons leeren. + +Den 14den Januari waren wij tusschen alle klippen en eilanden door +eindelijk weder in volle zee. De snelheid van de Nautilus werd +aanmerkelijk minder, en zeer wispelturig in hare bewegingen, dreef +zij dan eens onder dan op de zee. + +Gedurende dit gedeelte der reis nam de kapitein belangrijke +proeven voor den verschillenden warmtegraad der zee op onderscheiden +diepte. Gewoonlijk verkrijgt men die gegevens met vrij samengestelde +instrumenten, wier opgaven op zijn minst genomen twijfelachtig zijn, +hetzij men daartoe peilingen doet met thermometers; wier glazen +buizen dikwijls door den druk van het water breken, hetzij men dit +ten uitvoer brengt met werktuigen wier samenstelling gegrond is op +de veranderlijkheid van weerstand der metalen tegen de electrieke +stroomen. De aldus verkregen resultaten kunnen niet genoegzaam worden +nagerekend. Kapitein Nemo ging die temperatuur daarentegen in de +diepten der zee zelve zoeken; zijn thermometer daar met het water +in aanraking gebracht, gaf hem aanstonds en met groote juistheid de +verlangde aanwijzing. + +Zoo ging de Nautilus soms langzaam, soms snel naar beneden, en bereikte +achtereenvolgens eene diepte van drie, vier, vijf, zeven, negen tot +zelfs tienduizend meter, en de uitslag van deze proeven was, dat de zee +op duizend meter diepte onder alle breedten eene vaste temperatuur van +4 1/2 deg. had. Ik volgde die proefnemingen met de grootste belangstelling: +de kapitein legde er zich met den meesten ijver op toe. Dikwijls vroeg +ik mij zelven af, waarom hij deze proeven nam; was het ten voordeel van +zijne natuurgenooten? Dit was niet waarschijnlijk, want den eenen of +anderen dag zouden zijne aanteekeningen met hem in eenige onbekende +zee verzinken. Of hij moest den uitslag zijner onderzoekingen soms +voor mij bestemmen. Doch dit kon niets beteekenen als ik niet aannam +dat mijne reis eens eindigen zou, en dat einde zag ik nog niet. + +Hoe het ook zij, de kapitein deelde mij ook verschillende cijfers +mede, welke het resultaat waren van zijn onderzoek naar de dichtheid +van het water in verschillende zeeen der aarde. Eens op een morgen, +het was op den 15den Januari, wandelde ik met den kapitein op het plat; +hij vroeg mij of ik de verschillende dichtheid van het zeewater kende; +ik antwoordde ontkennend, en voegde er bij dat de wetenschap daarvoor +nog geen juiste gegevens had. + +"Ik heb de proeven genomen," zeide hij, "en ik kan de zekerheid mijner +gegevens bevestigen." + +"Goed," antwoordde ik, "maar de Nautilus is eene wereld op zich zelf, +en de geheimen van uwe geleerdheid zullen op de bewoonde aarde nooit +bekend worden." + +"Gij hebt gelijk, mijnheer," zeide hij, na eenige oogenblikken gezwegen +te hebben; "het is eene wereld op zich zelf. Mijn vaartuig is voor de +aarde hetzelfde als de planeten, welke haar om de zon vergezellen; +men zal immers de werken der geleerden die op Saturnus of Jupiter +leven, ook nooit op aarde leeren kennen? Omdat het toeval ons bij +elkander gebracht heeft, kan ik u den uitslag van mijn onderzoek +echter wel mededeelen." + +"Ik luister, kapitein." + +"Gij weet, mijnheer, dat het zeewater meer dichtheid bezit dan het +zoetwater, maar die dichtheid is niet overal dezelfde. Als ik bij +voorbeeld de dichtheid van zoetwater gelijk een stel, dan vind ik +1.028 voor het water van den Atlantischen, en 1.026 voor dat van den +Grooten Oceaan, 1.03 voor het water der Middellandsche Zee....." + +"O," dacht ik, "hij waagt zich in die zee." + +"Voor het water der Jonische Zee 1.018, en voor dat der Adriatische +1.029." + +De Nautilus ontvlood dus de drukst bevaren zeeen van Europa niet, en ik +maakte daaruit op, dat hij ons misschien binnen kort naar beschaafde +streken zou voeren. Ik dacht wel dat Ned Land die bijzonderheid zeer +natuurlijk met groote vreugde zou hooren. + +Gedurende verscheiden dagen brachten wij den tijd door met het nemen +van allerlei proeven omtrent het zoutgehalte op verschillende diepte, +omtrent het geleidend vermogen, de kleur en de doorschijnendheid +van het zeewater, en bij dit alles ontwikkelde de kapitein eene +bekwaamheid, welke slechts geevenaard werd door zijne welwillendheid +jegens mij. Daarop zag ik hem gedurende eenige dagen weder niet, +en bleef ik als verlaten zitten. + +Den 16den Januari scheen de Nautilus op eenige meters diepte als +ingeslapen; de electrieke toestellen waren werkeloos, en het vaartuig +werd slechts door den zeestroom voortgestuwd, terwijl de schroef +onbeweeglijk bleef. Ik veronderstelde dat de equipage bezig was in +het inwendige eenige herstellingen te verrichten, welke noodig waren +geworden wegens de bijzonder snelle beweging van de laatste dagen. + +Wij waren toen getuigen van een zonderling schouwspel. De wanden in +het salon waren weggeschoven, en daar de electrieke lantaarn van de +Nautilus geen licht gaf, heerschte er eene onbepaalde duisternis in +het water. De met dikke wolken bedekte hemel deed slechts weinig licht +in de zee doordringen. Ik zat naar dit sombere schouwspel te kijken, +en de grootste visschen schenen mij niet meer dan zeer onduidelijke +schaduwen, toen de Nautilus plotseling in het volle licht kwam. Eerst +dacht ik dat de lantaarn aangestoken was en het electrieke licht in +het water scheen; ik bedroog mij en herkende spoedig mijne dwaling; +de Nautilus dreef in 't midden eener lichtgevende streep of laag +in het water, welke, in deze duisternis schitterend werd. Deze werd +veroorzaakt door duizenden lichtgevende diertjes, wier schittering nog +toenam als zij langs de metalen wanden van ons vaartuig streken. Dan +zag ik zelfs flikkeringen in deze lichtende omgeving alsof een stroom +kokend lood in een vuurhaard geworpen, of een stuk metaal tot roode +gloeihitte gebracht werd; dit was zelfs zoo sterk, dat eenige deelen +van dezen schitterenden stroom nog schaduw wierpen, hoewel alle schaduw +daaruit verbannen scheen. Neen, dit was de kalme flikkering niet van +ons gewone lichttoestel, hier zag men kracht en eene ongewone beweging; +men gevoelde dat dit licht leefde! + +Inderdaad, het was eene oneindig groote opeenstapeling van weekdieren, +van millioenen lichtgevende diertjes, ware bolletjes van doorschijnende +gelei, met voelarmen zoo fijn als draadjes, en van welke men er +ruim 800 in een kubieken centimeter water geteld heeft. De Nautilus +dreef gedurend verscheidene uren in dien schitterenden stroom, +en onze verbazing steeg ten top toen wij groote zeemonsters en +allerlei visschen daarin zagen rondspartelen en spelen, evenals de +legende vertelt dat de salamanders in het vuur doen. Te midden van +dit onbrandbare vuur zwommen vlugge bruinvisschen, die onvermoeide +clowns onder het visschenheir, en zwaardvisschen van drie meter +lengte, die voorloopers van orkanen, wier vreeselijk zwaard soms het +glas raakte. Het was een betooverend schouwspel! Misschien werd de +sterkte van het licht door den toestand van de atmosfeer vergroot: +misschien woedde een hevig onweer boven het zeevlak; doch op eenige +meters diepte bemerkte de Nautilus niets van den woedenden storm en +dreef kalm te midden van het stille water. + +Zoo gingen wij voort en werden elk oogenblik door nieuwe wonderen +in verrukking gebracht. Koenraad keek zijne oogen uit, en deed +niets als zooephyten, geleede dieren, weekdieren en visschen in +klassen ordenen. De dagen gingen snel voorbij, ik telde ze niet eens +meer. Volgens zijne gewoonte trachtte Ned voortdurend ons menu af te +wisselen. Wij hadden veel van slakken, die voor deze schelp gemaakt +waren, en ik moet bekennen dat het op die wijze gemakkelijk is om eene +slak te worden. Wij sleten dus een gemakkelijk en natuurlijk leven, en +verbeeldden ons dat dit niet zeer verschilde van het leven op het land, +toen eene gebeurtenis ons het vreemde van onzen toestand herinnerde. + +De Nautilus bevond zich den 18den Januari op 150 deg. O. L. en 15 deg. Z. B.; +het weder was ruw, en de zee onstuimig; het woei vrij sterk uit +het oosten; de barometer, die sinds eenige dagen daalde, kondigde +een naderenden strijd der elementen aan. Ik stond op het plat op +het oogenblik dat de tweede stuurman de hoogte nam; ik wachtte +zooals gewoonlijk de dagelijks uitgesproken formule; maar in plaats +daarvan riep hij eenige andere niet minder onbegrijpelijke woorden; +bijna onmiddellijk verscheen de kapitein, die een kijker naar +den gezichteinder richtte. Hij bleef gedurende eenige oogenblikken +onbeweeglijk, zonder zijne blikken van een bepaald punt af te wenden; +toen liet hij zijn kijker zakken en wisselde eenige woorden met den +stuurman; deze scheen ten prooi aan eene ontroering, welke hij te +vergeefs trachtte te onderdrukken. De kapitein scheen zich zelven +beter te kunnen beheerschen en bleef koel; overigens scheen hij den +stuurman eenige tegenwerpingen te maken, waarop deze met bepaalde +zekerheid scheen te antwoorden; ten minste ik begreep het zoo uit +verschil van stem en gebaren. Wat mij aangaat, ik keek nauwkeurig in +de aangeduide richting, echter zonder iets te zien. Water en lucht +vloeiden aan den gezichteinder volmaakt in elkander. + +De kapitein liep echter zonder mij aan te zien, misschien zelfs zonder +mijne tegenwoordigheid te bemerken, op het plat heen en weder. Hij +stapte met vaste schreden, doch minder geregeld dan gewoonlijk over +het plat; soms stond hij met over de borst gekruiste armen stil, en +liet zijn blik over de zee weiden. Wat zocht hij op die onmetelijke +ruimte? De Nautilus bevond zich toen op eenige honderden kilometer +van de naaste kust verwijderd. + +De stuurman had den kijker weder ter hand genomen en keek onophoudelijk +naar den gezichteinder; hij liep heen en weder, stampte met den voet, +en was in tegenstelling met zijn meester in zenuwachtige spanning. Het +geheim zou echter weldra worden opgelost, want op een wenk van kapitein +Nemo vermeerderde de machine hare snelheid. Op dat oogenblik maakte +de stuurman den kapitein op nieuw opmerkzaam; deze staakte zijne +wandeling en richtte den kijker nog eens naar het aangewezen punt; +hij keek lang, ik was zeer nieuwsgierig en ging naar het salon, +van waar ik een uitmuntenden kijker medebracht, dien ik gewoonlijk +gebruikte; ik legde dien op de lantaarn en maakte mij gereed om den +gezichteinder te doorloopen, toen ik, nog voor ik den kijker goed +aan het oog had gebracht, hem mij met drift uit de hand voelde rukken. + +Ik keerde mij om; kapitein Nemo stond voor mij, doch ik herkende +hem niet. Zijn gelaat was geheel veranderd, zijn oog schitterde +met doffen glans en was onder de samengetrokken wenkbrauwen bijna +onzichtbaar; zijne geopende lippen lieten de op elkander geperste +tanden gedeeltelijk zien; hij stond recht overeind met gebalde vuisten, +en opgetrokken schouders. Zijn geheele persoon teekende vreeselijken +haat; hij stond onbeweeglijk; hij had mijn kijker aan zijne voeten +laten vallen. Had ik zonder het te willen dien toorn opgewekt? Meende +die ondoorgrondelijke man dat ik eenig geheim doorgrond had, hetwelk +voor de gasten van de Nautilus verborgen moest blijven? Neen, ik +was het voorwerp niet van dien haat, want hij keek mij niet aan, +maar hield het oog gevestigd op het voor mij onzichtbare punt aan +den gezichteinder. Eindelijk werd kapitein Nemo zich zelven weer +meester. Zijn gelaat, dat zoo vreeselijk veranderd was, hernam zijne +gewone kalme uitdrukking. Hij zeide eenige woorden in vreemde taal +tegen zijn stuurman, en wendde zich toen, tot mij. + +"Mijnheer Aronnax," zeide hij op gebiedenden toon, "ik eisch van u +de vervulling van eene voorwaarde, welke u aan mij bindt." + +"Welke, kapitein?" + +"Gij moet u met uwe makkers laten opsluiten tot op het oogenblik dat +het mij zal goeddunken u de vrijheid terug te geven." + +"Gij zijt heer en meester," antwoordde ik hem, en keek hem strak aan; +"doch mag ik u eene vraag doen?" + +"Neen, mijnheer." + +Er viel hiertegen niets te zeggen, maar slechts te gehoorzamen, +omdat alle tegenstand onmogelijk was. Ik ging naar de hut van Ned +Land en Koenraad, wie ik het besluit van den kapitein mededeelde. Men +kan denken hoe die mededeeling door den Amerikaan ontvangen werd; +wij hadden overigens geen tijd tot eenige verklaring; vier matrozen +wachtten aan de deur, en brachten ons naar het vertrek, waar wij den +eersten nacht aan boord van de Nautilus hadden doorgebracht. Ned Land +wilde zich verzetten, doch als antwoord ging de deur achter ons dicht. + +"Zal mijnheer mij kunnen zeggen, wat dit beteekent?" vroeg Koenraad. + +Ik vertelde mijne makkers wat er gebeurd was. Zij waren evenals ik +verwonderd, maar begrepen er niets van. Ik bleef in een maalstroom +van gedachten verdiept, en de vreemde uitdrukking van het gelaat +des kapiteins wilde mij maar niet uit het hoofd. Ik was niet in +staat om geregeld te denken, en ik raakte verward in de meest dwaze +veronderstellingen, toen ik uit mijne droomerijen werd wakker geschud +door deze woorden van Ned Land: + +"Kijk eens, het ontbijt staat op tafel." + +Inderdaad, de tafel was gedekt; het was duidelijk dat de kapitein +daartoe bevel gegeven had op hetzelfde oogenblik toen hij den gang +van den Nautilus deed versnellen. + +"Zal mijnheer het mij niet kwalijk nemen als ik hem een raad +geef?" vroeg Koenraad. + +"Neen, mijn jongen!" antwoordde ik. + +"Welnu, dan moet mijnheer ontbijten. Het is voorzichtig, want wij +weten niet wat er gebeuren kan." + +"Gij hebt gelijk, Koen." + +"Ongelukkig," zeide Ned Land, "heeft men ons slechts de gewone +scheepskost voorgezet." + +"Zeg eens, vriend Ned," merkte Koenraad op, "wat zoudt ge wel gezegd +hebben, als er in het geheel niets stond?" + +Deze woorden stopten den harpoenier den mond. Wij gingen aan tafel +en aten zonder verder een woord te spreken. Ik at weinig; Koenraad +deed zich, altijd uit voorzichtigheid, geweld aan, en hoezeer +Ned ook geprutteld had, zoo liet hij het zich toch goed smaken; +en toen het ontbijt gedaan was, ging ieder in een hoek zitten. Op +dat oogenblik ging het licht, waaronder wij zaten, plotseling uit, +en liet ons in de diepste duisternis. Ned sliep weldra in, en wat mij +vooral verwonderde, was dat Koenraad eveneens in slaap viel. Ik vroeg +mijzelven af, wat hem zoo vast had doen inslapen, toen ik zelf eenige +zwaarte op mijne oogleden begon te gevoelen. Mijne oogen, die ik met +geweld wilde open houden, sloten zich onwillekeurig. Ik was ten prooi +aan eene smartelijke zinsverbijstering; zeker had men een slaapmiddel +in de door ons genuttigde spijzen gemengd. Het was dus niet genoeg +om ons op te sluiten, ten einde ons het zien te beletten, men moest +ons ook in slaap hebben, om niets van des kapiteins plannen te hooren! + +Ik hoorde het luik sluiten, en bemerkte dat het lichte slingeren van +het vaartuig door de deining der zee ophield. Zakte de Nautilus naar +de diepte? + +Ik wilde aan den slaap weerstand bieden, doch dit was onmogelijk; +mijne ademhaling werd zwakker; ik voelde eene kille huivering door +mijn loome en als verlamde ledematen. Mijne oogleden vielen, alsof ze +van lood waren, over mijne oogen; ik kon ze niet meer oplichten; een +doffe slaap, vol allerlei droombeelden maakte zich van mij meester; +toen verdwenen mijne visioenen en ik bleef als dood liggen. + + +HOOFDSTUK XXIV + +Het rijk der koralen. + +Den volgenden morgen werd ik zonder hoofdpijn wakker; tot mijne groote +verbazing was ik in mijne kamer. Mijne makkers waren waarschijnlijk ook +weder in de hunne gebracht, zonder er iets van gemerkt te hebben. Zij +wisten evenmin als ik wat er gedurende den nacht gebeurd was, en ik +kon slechts op een toeval rekenen om ooit achter dit geheim te komen. + +Ik wilde gaarne mijne kamer verlaten, doch zou ik daartoe wel de +vrijheid hebben? Ik opende de deur, ik was volkomen vrij! Ik ging +door den gang naar de trap; het luik was weder geopend, en ik kwam op +het plat. Ned Land en Koenraad wachtten er mij reeds; ik ondervroeg +hen; zij wisten niets. In een zwaren slaap gedompeld, welke hun alle +herinnering ontnam: waren zij zeer verwonderd geweest in hunne hut +op bed te liggen. + +De Nautilus was kalm en geheimzinnig als altijd; zij dreef op de +oppervlakte, en ging slechts met matige snelheid vooruit. Niets scheen +aan boord veranderd te zijn. + +Ned Land liet zijn doordringend oog over de zee dwalen, maar deze +was geheel verlaten; de Amerikaan zag niets aan den gezichteinder, +noch land, noch schip. Er woei een stevige westewind, en groote golven +door dien bries opgedreven deden het schip vrij erg slingeren. Nadat +de Nautilus de lucht had ververscht, bleef zij op eene diepte van +vijftien meter drijven, zoodat zij in elk geval spoedig weder aan de +oppervlakte der zee verschijnen kon, iets wat tegen de gewoonte dien +dag verscheidene malen gebeurde. Dan ging de stuurman op het plat, +en sprak den gewonen volzin uit. De kapitein verscheen niet; van het +scheepsvolk zag ik alleen den strakken hofmeester, die mij met zijne +gewone nauwkeurigheid en stilzwijgendheid bediende. + +Tegen twee uur was ik in de salon bezig om aanteekeningen te maken, +toen de deur openging en de kapitein verscheen. Ik groette hem; +hij groette slechts even terug zonder te spreken. Ik ging weder aan +mijn werk, hopende dat hij mij eenige verklaring zoude geven van de +gebeurtenissen van den vorigen nacht, doch niets daarvan; ik zag hem +eens aan. Hij scheen vermoeid, zijne roode oogen bewezen dat hij niet +geslapen had; zijn gelaat drukte diepe droefheid, eene wezenlijke +smart uit. Hij wandelde heen en weder, ging zitten en stond weer op, +nam een boek op en legde het aanstonds weer neer, beschouwde zijne +instrumenten, zonder daarbij zijne gewone aanteekeningen te maken, +en scheen geen oogenblik stil te kunnen blijven. + +Eindelijk kwam hij naar mij toe en zeide: + +"Zijt gij geneesheer, mijnheer Aronnax?" + +Ik was zoo weinig op die vraag verdacht, dat ik hem eenigen tijd +zonder antwoord te geven, aankeek. + +"Zijt gij geneesheer?" vroeg hij nog eens. "De meesten uwer +ambtgenooten, zooals Gratiolet, Tandon en anderen, hebben in de +medicijnen gestudeerd." + +"Ik was inderdaad dokter aan het hospitaal," zeide ik. "Ik heb +verscheiden jaren de praktijk uitgeoefend, voor ik aan het Museum +geplaatst werd." + +"Goed, mijnheer." + +Mijn antwoord scheen den kapitein te voldoen, maar niet wetende wat +zijne vraag te beduiden had, wachtte ik en nam mij voor overeenkomstig +de omstandigheden te antwoorden. + +"Mijnheer Aronnax," zeide de kapitein, "zoudt gij een van mijne +manschappen willen behandelen?" + +"Hebt gij dan een zieke aan boord?" + +"Ja." + +"Ik ben gereed om u te volgen." + +"Kom dan." + +Ik beken dat mijn hart klopte; ik weet niet waarom ik eenig verband +maakte tusschen de ziekte van dien man en de gebeurtenissen van +den vorigen dag; dit geheim maakte mij niet minder nieuwsgierig dan +de zieke. + +De kapitein bracht mij naar het achterschip in eene hut dicht bij +het matrozenverblijf. Daar lag een veertigjarig man met een krachtig +gelaat, dat zijne Angelsaksische afkomst verried. Ik boog mij over +hem heen; het was geene zieke maar een gewonde. Zijn hoofd was met +bloedige zwachtels omwonden, en rustte op een kussen. Ik maakte het +verband los; de gewonde opende zijne groote glazige oogen, en liet +mij begaan zonder eenig geluid te geven. + +Het was eene vreeselijke wond; de hersenpan was door een kneuzend +werktuig verbrijzeld; de hersens lagen bloot, en hadden erg +geleden. Geronnen bloed was in de hersens geloopen, en gaf daaraan +de kleur van wijnmoer; de hersens waren dus niet alleen gekneusd, +maar ook erg beleedigd; de zieke haalde langzaam adem; de spieren +van zijn gelaat trokken zich nu en dan krampachtig te zamen. Hij +had hersenontsteking in den hevigsten graad, hetwelk verlamming en +gevoelloosheid te weeg bracht. + +Ik voelde hem den pols; deze was tusschenpoozend, het uiteinde zijner +ledematen werd reeds koud, en ik zag dat de dood naderde, zonder +dat het mogelijk was er iets tegen te doen. Toen ik den ongelukkigen +verbonden en goed gelegd had, keerde ik mij naar den kapitein. + +"Hoe is deze wond toegebracht?" vroeg ik hem. + +"Wat doet dat er toe?" was zijn ontwijkend antwoord. "Een schok van +de Nautilus heeft een der hefboomen van de machine doen breken, +en deze man werd er door getroffen. De stuurman stond naast hem, +hij wilde hem met zijn lichaam beschermen.... Een broeder, die zich +voor zijn broeder, een vriend, die zich voor zijn vriend opoffert; +wat is eenvoudiger; het is eene algemeene wet op de Nautilus. Maar +wat zegt gij van zijn toestand?" + +Ik aarzelde om te spreken. + +"Gij kunt gerust spreken," zeide de kapitein, "die man verstaat +geen Fransch." + +Ik keek den gewonde nog eens aan, en antwoordde: + +"Die man zal binnen twee uur dood zijn." + +"Kan niets hem meer redden?" + +"Niets." + +De hand van den kapitein wrong zich krampachtig samen, en eenige +tranen sprongen hem uit de oogen, welke ik niet dacht dat ooit tranen +konden storten. Ik beschouwde nogmaals den stervende, wiens leven +langzaam wegvlood; zijne bleekheid werd nog vermeerderd door het +electrieke licht, hetwelk dit doodbed bescheen. Ik vestigde het oog +op het schrandere gelaat, waarin tal van rimpels, door het ongeluk, +misschien door de ellende gegrift waren. Ik trachtte door te dringen +in het geheim van dit leven door middel, van enkele woorden, welke +over zijn lippen kwamen! + +"Gij kunt vertrekken, mijnheer Aronnax," zeide kapitein Nemo. + +Ik liet den kapitein in de hut van den stervende en ging ontroerd +van dit tooneel naar mijne kamer. Ik werd gedurende den ganschen +dag door sombere voorgevoelens gekweld. Dien nacht sliep ik slecht, +en in mijn dikwijls afgebroken slaap meende ik in de verte te hooren +zuchten en lijkzangen zingen. Was dit soms het gebed voor stervenden +in die taal, welke ik niet begreep? + +Den volgenden morgen ging ik op het plat; de kapitein was er reeds; +toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe. + +"Mijnheer de professor," zeide hij, "hebt gij lust om heden eene +wandeling onder zee te maken?" + +"Met mijne makkers?" + +"Als zij lust hebben." + +"Wij zijn tot uw dienst, kapitein." + +"Ga dan uwe scaphanders aandoen." + +Van den stervende werd er niet gesproken. Ik ging naar Ned Land +en Koenraad, en deelde hun des kapiteins voorstel mede. De laatste +haastte zich om het aan te nemen, en ditmaal was ook de Amerikaan +genegen om ons te volgen. + +Het was acht uur 's morgens; een half uur daarna waren wij +voor onze nieuwe wandeling gereed; en voorzien van licht- en +ademhalingstoestellen. De dubbele deuren werden geopend, en in +gezelschap van den kapitein, die door een twaalftal mannen gevolgd +werd, stonden wij weldra op tien meter diepte op den vasten bodem, +waarop ook de Nautilus lag. Eene lichte helling voerde ons naar een +heuvelachtig terrein, dat op vijftien vademen diepte lag; dit was +geheel verschillend van de streek, welke wij bij onzen eersten tocht +gezien hadden. Hier was geen fijn zand, geen onderzeesch weiland, geen +woud van zeeplanten; ik herkende onmiddellijk de verwonderlijke streek, +waar kapitein Nemo ons zou rondleiden; het was het rijk der koralen. + +De koraal is eene vereeniging van zeer kleine diertjes, welke zich +om de brooze en steenachtige huls van een polyp verzamelen. Die +polypen hebben een eenigen oorsprong en ontstaan door uitbotting; +zij hebben een bijzondere natuur. Het is dus een soort van natuurlijk +socialisme. Ik kende de laatste werken, welke over die zonderling +gevormde schepsels geschreven waren, en niets kon mij dus meer belang +inboezemen, dan een van die versteende wouden te bezoeken, welke de +natuur op den bodem der zee geplant heeft. + +Onze toestellen van Ruhmkorff werden in orde gebracht, en wij volgden +eene koraalbank, welke nog bezig was met zich te vormen, en eens +mettertijd dit gedeelte van den Indischen Oceaan zal afsluiten. Onze +weg was omzoomd met onuitroeibare struiken, welke gevormd werden door +heesters, die met witte stervormige bloemen als bezaaid werden. Echter +groeiden die heesters, in tegenstelling van de planten op het vaste +land, van boven naar beneden en zaten aan de rotsen vast. + +Het licht veroorzaakte schitterende kleurschakeeringen tusschen +die heldere takjes; het was als zag ik die cylindervormige pijpjes +door de golving van het water trillen; ik had lust om die frissche +bloemknoppen te plukken, waarvan sommige pas geopend waren en andere +ternauwernood uitbotten, terwijl kleine vischjes, als ware het een +zwerm vogeltjes, met vlugge vin er tusschen doorschoten; doch als ik +met de hand naar die levende bloemen, naar die bezielde takjes greep, +dan was alles eensklaps in opschudding; de witte knoppen weken in roode +kokertjes terug, de bloemen verdwenen en het heestertje veranderde +in een met kleine uitwassen begroeid stuk steen. Het toeval had mij +bij de kostbaarste zooephyten gebracht. Deze koraalsoort was minstens +evenveel waard, als die welke in de Middellandsche zee op de Fransche, +Italiaansche en Afrikaansche kusten gevonden wordt. De dichters geven +haar met recht de namen van "bloedbloem" en "bloedschuim," welke in +den handel als de beste soort worden beschouwd. Die koralen kosten tot +honderd rijksdaalders het kilogram, en op deze plek lag de fortuin +van een wereld van koralenvisschers onder de zee bedolven. Tusschen +deze kostbare stof, welke hier vast opeengepakt en bijna niet los te +rukken was, vond ik van tijd tot tijd wonderschoone rozeroode koralen. + +Weldra echter stonden de struiken dichter op elkander, en de takken +werden grooter. Wij hadden wezenlijke versteende boschjes en lange +galerijen van eene phantastische architectuur voor ons. + +De kapitein trad eene sombere galerij binnen, welke ons langs eene +helling tot op meer dan honderd meter diepte voerde. Het licht onzer +lantaarns bracht soms eene tooverachtige werking te weeg als het op de +ruwe punten van dit natuurlijke gewelf en op de hangende koraalbrokken +scheen, wier uiteinden dan op vurige punten geleken. + +Na twee uur te zijn voortgegaan, hadden wij eene diepte van +omstreeks driehonderd meter bereikt; dit was ongeveer de grens der +koralenvorming. Maar hier waren het niet meer enkele struikjes, +of nederige boschjes, het was het groote woud, het waren kolossale +voortbrengselen uit het delfstoffenrijk, prachtig versteende boomen, +welke door bevallige slingers verbonden waren, waarop het licht met +zijne schoonste kleuren speelde. Wij gingen vrij onder de hooge takken +door, terwijl voor onzen voet zich kleinere koralen als een bloemtapijt +vertoonden. Welk een onbeschrijfelijk schouwspel! Hoe jammer dat wij +elkander onze gewaarwordingen niet konden mededeelen! Waarom waren +wij onder dit hulsel van metaal en glas verborgen? Waarom konden +wij met elkander niet spreken? Waarom leefden wij niet als visschen; +welke het water bevolken, of nog liever als amphibien, die uren lang +zooals zij verkiezen op het land of in het water kunnen doorbrengen? + +Ondertusschen bleef de kapitein stilstaan. Mijne makkers en ik hielden +eveneens halt, en toen ik mij omkeerde zag ik dat de ons volgende +manschappen een halven kring om hun aanvoerder vormden. Toen ik +nauwkeuriger toekeek, zag ik dat vier hunner een langwerpig voorwerp +op hunne schouders droegen. + +Wij stonden hier op eene ruime open plek, welke door groote boomen van +dit onderzeesche woud omringd was. Onze lampen gaven in deze ruimte een +soort van schemerachtig licht, dat lange schaduwen wierp. Een weinig +verder heerschte dikke duisternis; hier en daar slechts afgewisseld +door de gloeiende puntjes der koraalriffen, waarop het licht zijn +schijnsel wierp. + +Ned Land en Koenraad stonden naast mij; wij keken toe, en dachten +wel dat wij een vreemd schouwspel zouden bijwonen. Toen ik den grond +beschouwde zag ik dat er op regelmatige afstanden kleine verhevenheden +lagen, welke met stukken kalksteen en koraal bedekt waren, hetwelk +verried dat dit door menschenhanden geschied was. + +In het midden stond op een grondstuk van ruwe rotsblokken een kruis +van koraal, dat zijne lange armen uitstrekte alsof het versteend +bloed ware. + +Op een teeken van den kapitein naderde een der mannen, die op eenige +voeten van het kruis een gat begon te graven met eene schop, welke +hij aan zijn gordel gedragen had. Toen begreep ik alles! Deze open +plek was een kerkhof, die kuil een graf, dat lange voorwerp het +lijk van den man, die 's nachts gestorven was. De kapitein en zijne +manschappen kwamen hier hun makker begraven op den bodem van den +ontoegankelijken Oceaan! + +Neen, nimmer was mijn geest zoo ontroerd! Nooit hadden indrukwekkender +gedachten zich van mij meester gemaakt! Ik wilde niet zien, wat ik +toch voor oogen zag! + +Het graf werd intusschen langzaam gegraven. De visschen vluchten +links en rechts uit hunne verontruste schuilhoeken; ik hoorde het +houweelijzer weerklinken op den kalkachtigen bodem, waaruit soms +vonken te voorschijn sprongen als het metaal een stuk kiezel trof, +dat hier op den bodem der zee lag. Het gat werd langer en breeder, +en weldra was het ook diep genoeg om het lijk te bevatten. Toen +naderden de dragers. Het lijk in een wit kleed gehuld werd in zijn +vochtig graf nedergelegd. De kapitein kruiste de armen over de borst +en knielde met al zijne volgelingen naast het lijk van hun vriend +in eene biddende houding neder. Mijne beide makkers en ik bogen +eerbiedig het hoofd. Toen werd het graf bedekt met de rotsstukken, +welke uit den grond waren gehakt, zoodat het evenzeer eene kleine +verhevenheid vormde. + +Nadat dit afgeloopen was, richtten de kapitein en zijne makkers zich +op; toen naderden zij nogmaals het graf, bogen nog eenmaal de knie +en staken de hand als tot een laatste vaarwel uit.... Daarop nam de +treurige stoet den terugtocht naar de Nautilus aan, ging nogmaals +onder het woudgewelf te midden van de heesters en koraalstruiken door, +en steeg weder naar boven. Eindelijk zagen wij het scheepslicht, +dat ons naar de Nautilus ten gids strekte. Om een uur waren wij terug. + +Toen ik van kleeding veranderd had, ging ik naar het plat en zette +mij bij de lantaarn neder, ten prooi aan de somberste gedachten. + +De kapitein kwam bij mij; ik stond op en zeide: + +"Die man is dan toch, zooals ik voorzien had, heden nacht overleden?" + +"Ja, mijnheer," antwoordde Nemo. + +"En nu rust hij bij zijne makkers, op het koralen kerkhof?" + +"Ja door allen, behalve door ons vergeten! Wij graven het graf, en +de polypen zorgen er voor om er onze dooden voor de eeuwigheid in +te sluiten." + +En terwijl hij plotseling het gelaat in de krampachtig samengetrokken +handen verborg, trachtte de kapitein te vergeefs om zijn snikken te +onderdrukken. Toen voegde hij er bij: + +"Dat is ons vreedzaam kerkhof, eenige honderden voeten onder het vlak +der zee!" + +"Uwe dooden sluimeren er ten minste gerust, kapitein, buiten het +bereik der haaien!" + +"Ja mijnheer," antwoordde kapitein Nemo ernstig, "buiten het bereik +der haaien en ... der menschen!" [3] + + + +NOTEN + +[1] Beweeglijk in het onbeweeglijke. + +[2] Dus eene som van f 797.396.90. + +[3] Zie Westelijk halfrond. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk +Halfrond, by Jules Verne + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 20.000 MIJLEN ONDER ZEE: *** + +***** This file should be named 11205.txt or 11205.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/1/2/0/11205/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
