summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/11205.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/11205.txt')
-rw-r--r--old/11205.txt7926
1 files changed, 7926 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11205.txt b/old/11205.txt
new file mode 100644
index 0000000..b72c7ec
--- /dev/null
+++ b/old/11205.txt
@@ -0,0 +1,7926 @@
+The Project Gutenberg EBook of 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond, by
+Jules Verne
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
+ Deel 1 van 2
+
+Author: Jules Verne
+
+Release Date: February 29, 2008 [EBook #11205]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 20.000 MIJLEN ONDER ZEE: ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Jules Verne.
+
+ 20.000
+
+ Mijlen onder Zee
+
+ Oostelijk Halfrond.
+
+
+
+
+Inhoud.
+
+
+
+
+I. Een onbeweeglijke klip
+II. Het voor en tegen
+III. De trouwe knecht
+IV. Ned Land
+V. Op avontuur
+VI. Met vollen stoom
+VII. Een vreemdsoortige walvisch
+VIII. Mobilis in Mobile
+IX. Woede van Ned Land
+X. De man der zee
+XI. De Nautilus
+XII. Alles door electriciteit
+XIII. Eenige cijfers
+XIV. De zwarte stroom
+XV. Eene schriftelijke uitnoodiging
+XVI. Jachtavonturen
+XVII. Een onderzeesch woud
+XVIII. De Stille Zuidzee
+XIX. Vanikoro
+XX. De Torresstraat
+XXI. Aan land
+XXII. Nemo's Bliksem
+XXIII. Slaapdronken
+XXIV. Het rijk der koralen
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+Een beweeglijke klip.
+
+
+Het jaar 1866 werd gekenmerkt door eene zonderlinge gebeurtenis,
+namelijk eene onverklaarbare verschijning, welke niemand zeker
+vergeten heeft. Zonder nog te gewagen van de praatjes, welke de
+bewoners der zeeplaatsen ongerust maakten en over het algemeen hen,
+die meer binnenslands woonden, in opgewonden toestand brachten, waren
+het vooral de zeelieden, die bijzonder in angst verkeerden. Kooplieden,
+reeders, scheepsbevelhebbers in Europa en Amerika, zeeofficieren van
+allerlei natie en zelfs de regeeringen van de onderscheidene staten der
+beide werelddeelen hielden zich met deze zaak in ernstige mate bezig.
+
+En inderdaad, sinds eenigen tijd hadden verscheidene schepen een
+verbazend groot voorwerp ontmoet, dat den vorm had van eene spil,
+soms licht van zich gaf, en oneindig veel grooter en sneller was dan
+een walvisch. De scheepsjournalen kwamen vrij nauwkeurig met elkander
+overeen in de beschrijving van den vorm van dat voorwerp of wezen,
+van de onberekenbare snelheid zijner bewegingen, de verbazende kracht
+waarmede het zich verplaatste, en zijne bijzondere levenswijze. Als
+het een walvisch was, overtrof hij in grootte al wat de wetenschap
+en het onderzoek tot nog toe hadden doen kennen; noch Cuvier, noch
+Lacepede, noch Dumeril, noch Quatrefages zouden zoo iets geloofd
+hebben--of zij moesten het monster hebben gezien, dat is te zeggen,
+gezien met de oogen van een geleerde!
+
+Als men de gulden middelmaat betrachtte tusschen al de opmerkingen, die
+nu en dan gemaakt waren, door zoowel de te kleine opgave te verwerpen,
+welke aan dat voorwerp eene lengte gaf van slechts 200 voet, als de
+overdreven meening dat het een kilometer breed en drie lang zou zijn,
+zoo kon men toch wel aannemen dat dit buitengewone wezen in grootte
+verreweg alle berekeningen overtrof, welke ichthyologen tot nog toe
+gemaakt hadden, altijd--als het al bewezen kon worden, dat het bestond.
+
+Maar dat het bestond kon niet ontkend worden, en men zal zich een
+denkbeeld kunnen vormen van de ontroering, welke deze bovennatuurlijke
+verschijning in de geheele wereld te weeg bracht, als men slechts
+in het oog houdt dat er in den menschelijken geest eene neiging voor
+het wonderbaarlijke bestaat.
+
+Inderdaad had de stoomboot Gouverneur Higginson van de Calcutta-
+en Burmah-Compagnie, op 20 Juli 1866, deze beweegbare massa op vijf
+kilometers van de oostkust van Australie ontmoet. De kapitein Baker
+geloofde eerst dat het een onbekende klip was; hij wilde er reeds de
+juiste ligging van bepalen, toen het onverklaarbare ding sissend twee
+waterstralen 50 meter hoog in de lucht spoot. Als dat nu geen klip
+was waar een onderaardsche warme bron tusschenbeiden met geweld in
+de hoogte werd gedreven, dan had de Gouverneur Higginson hier goed en
+wel te doen met eenig tot nog toe onbekend zoogdier, dat waterstralen
+met lucht en damp vermengd uit zijne kieuwen uitblies.
+
+Iets dergelijks werd 23 Juli van hetzelfde jaar in de Stille
+Zuidzee opgemerkt door de Christobal Colon van de West-Indische en
+Zuidzee-Compagnie. Derhalve kon die buitengewone visch zich met eene
+verbazende snelheid van de eene plek naar de andere bewegen, want
+genoemde schepen hadden het monster slechts drie dagen na elkander
+op twee verschillende punten van den aardbol ontmoet, welke meer dan
+2800 kilometer van elkander lagen.
+
+Veertien dagen daarna zeilden de Helvetia van de Nationale Compagnie
+en de Shannon van de Koninklijke Mail op 800 kilometer afstand van
+laatstbedoelde plek in elkanders nabijheid; zij zagen het monster op
+42 deg. 15' N.B. en 60 deg. 35' W.L. van Greenwich. Bij deze gelijktijdige
+ontmoeting meende men de lengte van het zoogdier op minstens 106 meter
+te kunnen bepalen, daar beide schepen van kleiner afmeting waren,
+hoewel zij van den voor- naar den achtersteven ongeveer 100 meter
+lengte hadden. En de grootste walvisschen, die men in den omtrek der
+Alcuten vindt, waren niet langer dan 56 meter, als zij die lengte
+al hadden.
+
+Over het algemeen was men in gespannen verwachting door die berichten,
+welke zoo snel na elkander kwamen. Aan boord van de Transatlantische
+boot de Pereira had men het dier gezien; de Etna van de Inmanlinie
+had het monster ontmoet; de officieren van het Fransche fregat de
+Normandie hadden een proces-verbaal over eene ontmoeting opgesteld,
+de officieren van den commodore Fitz-James aan boord van den Lord
+Clyde hadden een zeer ernstig bericht gegeven, enz. In sommige landen
+had de luchthartigheid der bewoners met het verschijnsel gespot,
+maar in ernstiger en vooral practische landen, zooals Engeland,
+Amerika en Duitschland, hield men zich er ernstig mede bezig.
+
+Overal kwam het monster in de mode: in koffiehuizen werd het
+bezongen, in de dagbladen bespot, zelfs op het tooneel opgevoerd;
+het gaf schoone gelegenheid om er tal van leugens op te verzinnen;
+als de dagbladen gebrek aan stof hadden, werden wederom allerlei
+denkbeeldige en reusachtige wezens besproken van den witten walvisch,
+dien vreeslijken "Maby Dick" uit de poolstreken tot den onmetelijken
+Kraken toe, wiens voelarmen een schip van 500 ton konden omvatten en
+het in de diepten van den Oceaan medeslepen. Men haalde zelfs verhalen
+op uit de oudheid, de meeningen van Aristoteles en Plinius, die aan het
+bestaan van zulke monsters geloof hechtten, vervolgens de verhalen van
+den Noorweegschen bisschop Pontoppidan, het relaas van Paul Heggede,
+en eindelijk het verslag van Harrington, wiens goede trouw men niet
+kan verdenken als hij de verzekering geeft dat hij in 1857 aan boord
+van den Castillaan de groote zeeslang gezien heeft, welke tot nog toe
+slechts in de verbeelding van vroegere dagbladschrijvers bestaan had.
+
+Nu ontstond er in geleerde genootschappen en wetenschappelijke bladen
+een eindeloos twistgeschrijf tusschen geloovigen en ongeloovigen; het
+vraagstuk van het monster ontvlamde de geestdrift. Dagbladschrijvers,
+die zich slechts op wetenschappelijk terrein bewogen, verschreven
+in den merkwaardigen strijd stroomen van inkt tegen sommigen hunner
+confraters, die er zich op toelegden om geestig of vernuftig te zijn;
+enkelen zelfs hadden er hun bloed veil voor, want bij het bespreken
+van het zeegedrocht wierpen zij elkander de grofste beleedigingen
+naar het hoofd. Gedurende zes maanden duurde die strijd onafgebroken
+voort. De kleine bladen beantwoordden met onuitputtelijke geestigheid
+de degelijke stukken van het aardrijkskundig instituut van Brazilie,
+van de koninklijke academie van wetenschappen te Berlijn, van het
+Britsch genootschap, van het Smithsoniaansch instituut te Washington,
+zelfs het onderzoek van het tijdschrift "The Indian Archipelago," van
+den "Cosmos" van den abt Moigno, van de "Mittheilungen" van Peterman en
+de wetenschappelijke beoordeelingen van de groote dagbladen. Geestige
+schrijvers parodieerden een gezegde van Linnaeus, dat door hunne
+tegenstanders was aangehaald, en hielden vol dat "de natuur geen
+gekken voortbracht," waarom zij hunnen tijdgenooten bezwoeren de natuur
+niet tot leugenaarster te maken door aan het bestaan van een Kraken,
+een zeeslang, een "Maby Dick" en andere buitensporigheden van dwaze
+zeelieden te gelooven. Eindelijk richtte een gevierd schrijver in een
+zeer gevreesd satiriek blaadje zijne pen tegen het monster en bracht
+het onder een algemeen gelach den laatsten slag toe; het vernuft had
+de wetenschap overwonnen.
+
+Gedurende de eerste maanden van 1867 scheen het vraagstuk dus in
+den doofpot gestoken te zijn, zonder immer weder te voorschijn te
+zullen komen, toen nieuwe gebeurtenissen de zaak evenwel anders
+beslisten. Er was toen geen sprake meer van het oplossen van
+een wetenschappelijk raadsel, maar wel van een ernstig gevaar,
+dat vermeden moest worden. De zaak nam een geheel andere wending;
+het monster werd wederom een eilandje, of rots, of klip, maar een
+beweegbare, onbeschrijfelijke klip.
+
+In den nacht van den 5den Maart 1867 bevond zich de Moravian van
+de Montreal Oceaan Compagnie op 27 deg. 30' N.B. en 72 deg. 15' W.L., toen
+het schip aan stuurboordzijde op een rotspunt stootte, welke geene
+zeekaart aanwees. Met behulp van een goeden wind en eene stoommachine
+van 400 paardekracht, stoomde het schip met eene snelheid van dertien
+knoopen. Zonder de voortreffelijkheid van den romp zou de Moravian
+lek gestooten en met de 237 passagiers, die het schip uit Canada
+medebracht, gezonken zijn. Dit ongeval had plaats ongeveer vijf uur
+in den morgen, toen het daglicht begon door te breken. De officieren
+van de wacht snelden naar het achterschip, en onderzochten nu de
+zee in de rondte met de grootste nauwkeurigheid; zij zagen niets
+behalve een sterk bewogen zog, dat op drie kabellengten afstands
+eene branding vertoonde alsof de golven heftig in beweging waren
+gebracht. De plaats werd nauwkeurig bepaald, en de Moravian vervolgde
+zonder schijnbare averij haar koers. Men kon niet te weten komen of
+het schip op een onderzeesche klip of op eenig groot voorwerp uit
+eene schipbreuk herkomstig gestooten had. Toen men het in het dok
+onderzocht, ontdekte men dat een gedeelte van de kiel gebroken was.
+
+Hoewel dit op zich zelve een zeer ernstig feit was, zou het wellicht
+als zoovele andere zaken vergeten zijn, indien er niet drie weken
+later iets dergelijks onder gelijksoortige omstandigheden had plaats
+gehad. Doch deze gebeurtenis kreeg bijzonder groote ruchtbaarheid,
+en door de herkomst van het schip, waarmede het plaats vond, en door
+den grooten naam van de maatschappij, waartoe het behoorde.
+
+Iedereen kent den naam van den beroemden Engelschen reeder Cunard;
+deze schrandere industrieel riep in 1840 een postdienst in het leven
+tusschen Liverpool en Halifax, waarbij de dienst verricht werd door
+drie houten raderstoombooten van 400 paardekracht met een inhoud
+van 1162 ton. Acht jaar daarna kwamen er vier schepen bij van 650
+paardekracht en 1820 ton, en nog twee jaar later twee nog grooter
+schepen. In 1853 liet de Cunard-maatschappij, wier octrooi voor het
+brievenvervoer vernieuwd was, achtereenvolgens de Arabia, de Persia, de
+China, de Scotia, de Java en de Russia bouwen; het waren allen schepen
+van groote snelheid, en de grootste, welke behalve de Great-Eastern,
+ooit de zee doorkliefd hadden. Zoo bezat de maatschappij derhalve
+in 1867 acht rader- en vier schroefstoombooten. Ik geef deze korte
+bijzonderheden op om te doen zien hoe belangrijk deze maatschappij is,
+welke overal bekend is om hare soliditeit. Geene enkele onderneming
+van overzeeschen stoombootdienst wordt met grooter bekwaamheid
+geleid, geen enkele zaak is met beter uitslag bekroond. Gedurende
+26 jaar hebben de schepen der Cunard-maatschappij, 2000 maal de reis
+over den Oceaan gedaan, en nooit is eene reis mislukt, nimmer heeft
+er oponthoud plaats gehad, en geen enkel schip, geen enkel mensch,
+zelfs geen enkele brief is er ooit bij verloren gegaan. Daarom kiezen
+passagiers niettegenstaande de groote concurrentie van eene Fransche
+maatschappij, nog altijd bij voorkeur de schepen der Cunard-lijn,
+zooals genoegzaam uit de verslagen der laatste jaren blijkt. Na dit
+alles zal niemand zich verwonderen over de ruchtbaarheid, welke een
+ongeval kreeg, dat een van hare grootste stoomschepen overkwam.
+
+De Scotia bevond zich 13 April 1867 bij kalme zee en flauwe koelte op
+15 deg. 12' W.L. en 45 deg. 37' N.B., en liep met eene snelheid van dertien
+en een halven knoop; de raderen bewogen zich zeer regelmatig; de
+diepgang was toen 6,7 meter. Zeventien minuten over vieren, terwijl
+de passagiers in het salon vereenigd waren om een lunch te gebruiken,
+voelde men een niet zeer hevigen schok, die even achter het rad aan
+bakboordszijde werd toegebracht. De Scotia had niet gestooten, maar
+een stoot ontvangen van een werktuig dat eer snijdend of borend dan
+kneuzend was. De schok was zoo gering geweest, dat niemand aan boord
+er zich ernstig ongerust over maakte, toen de matrozen uit het ruim
+naar boven stormden met den kreet: "wij zinken, wij zinken!" Eerst
+waren de passagiers zeer ontsteld, maar kapitein Anderson stelde hen
+spoedig gerust; en inderdaad, het gevaar kon zoo dreigend niet zijn;
+de Scotia was door waterdichte beschotten in zeven afdeelingen verdeeld
+en kon dus zonder vrees een lek velen. De kapitein ging onmiddellijk
+naar beneden en bevond dat de vijfde afdeeling vol water liep; dit
+geschiedde zoo snel, dat het lek zeer groot zijn moest. Gelukkig
+bevond zich de machine niet in dit gedeelte, anders waren de vuren
+aanstonds uitgegaan. De kapitein liet onmiddelijk stoppen, en een
+matroos dook in het water om te onderzoeken welke averij men had
+gekregen; hij vond dat er een gat van twee meter breed in de kiel
+was. Zulk een lek kon niet gestopt worden, en de Scotia moest hare
+reis vervolgen met de raderen voor de helft in 't water. Men was toen
+nog op 300 kilometer van kaap Clear, doch eindelijk liep de boot toch
+te Liverpool in het dok der maatschappij binnen; zij kwam drie dagen
+te laat aan, waarover men zeer ongerust was geweest.
+
+Toen de Scotia in het droge dok was gehaald, onderzochten de
+ingenieurs het schip; zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven;
+op twee en een halven meter onder de waterlijn was een regelmatig
+gat in de gedaante van een gelijkbeenigen driehoek. De breuk van
+de ijzeren platen was bijzonder zuiver, en zou in de fabriek niet
+beter plaats hebben gehad; het boorwerktuig waarmede dit geschied
+was, moest dus van eene buitengewone hardheid zijn, en na met eene
+verwonderlijke kracht voortgestooten te zijn om een ijzeren plaat
+van vier centimeters dikte te kunnen doorboren, moest het er door
+eene achterwaartsche en onverklaarbare beweging van zelf weder zijn
+uitgekomen. Dit was een feit waardoor de openbare meening op nieuw in
+heftige beweging kwam. Sinds dat oogenblik werden allerlei zeerampen,
+welke geene bekende oorzaak hadden, op rekening van het monster
+gesteld. Het ingebeelde gedrocht werd verantwoordelijk gesteld voor al
+de schipbreuken, wier aantal ongelukkig genoeg zeer aanzienlijk is,
+want van de 3000 schepen, welker verlies jaarlijks aan het bureau
+Veritas wordt gemeld, bedraagt het getal zeil- of stoomschepen,
+welke men veronderstelt dat bij het uitblijven van berichten met man
+en muis vergaan zijn, niet minder dan 200!
+
+Rechtvaardig of onrechtvaardig beschuldigde men het monster van de
+verdwijning dier schepen; de gemeenschap tusschen de verschillende
+tanden werd, dank zij de vrees voor het gedrocht, hoe langer hoe
+gevaarlijker, geen wonder dus dat het publiek er zich mede bemoeide
+en op stelligen toon eischte, dat de zee eindelijk, het kostte wat
+het wilde, van dit vervaarlijk dier zou bevrijd worden.
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+Het voor en tegen.
+
+Toen deze gebeurtenissen plaats vonden, kwam ik juist terug van een
+wetenschappelijken tocht door het gebied Nebraska in de Vereenigde
+Staten. In mijne betrekking van hoogleeraar bij het museum van
+natuurlijke historie te Parijs, had het Fransche gouvernement
+mij aan die expeditie toegevoegd. Na zes maanden in Nebraska te
+hebben doorgebracht kwam ik tegen het einde van Maart met kostbare
+verzamelingen te New-York terug. Mijn vertrek naar Frankrijk was in
+het begin van Mei bepaald; ik hield mij dus bezig met het rangschikken
+mijner verzamelingen van planten, dieren en mineralen toen het geval
+met de Scotia plaats had.
+
+Ik was volkomen op de hoogte van dit vraagstuk van den dag, hoe zou
+het ook anders hebben kunnen zijn? Ik had alle Amerikaansche bladen
+gelezen en herlezen, zonder er wijzer door geworden te zijn, dit
+geheim intrigeerde mij. Het was mij onmogelijk eene vaste meening
+te vormen, zoodat ik van het eene uiterste tot het andere verviel;
+dat er iets bestond kon niet meer betwijfeld worden; de ongeloovigen
+moesten dan het lek in de Scotia slechts eens gaan betasten.
+
+Toen ik te New-York kwam had de belangstelling haar hoogste standpunt
+bereikt. Het denkbeeld van een drijvend eiland of van eene onbereikbare
+klip, had men geheel en al laten varen; want als die klip geene
+machine bevatte, hoe had zij zich dan met zulk eene verbazende snelheid
+kunnen verplaatsen?
+
+Evenzeer had men het denkbeeld opgegeven dat het een drijvend wrak zou
+zijn, altijd alweer om de snelheid van beweging. Er bleven dus twee
+mogelijke oplossingen van die zaak over, zoodat men zich daaromtrent
+in twee partijen verdeelde; de eene partij hield vol dat het een
+monster was met ontzettende krachten, de andere beweerde dat het een
+onderzeesch schip was met eene buitengewone beweegkracht. Deze laatste
+veronderstelling was wel aannemelijk, maar hield geen steek tegenover
+het onderzoek in beide werelddeelen; het was niet waarschijnlijk dat
+een eenvoudig particulier zulk een werktuig ter zijner beschikking
+had; waar en wanneer had hij het kunnen doen vervaardigen, hoe
+zou hij het geheim gehouden hebben? Slechts eene regeering kon
+zulk een vernielend werktuig bezitten, en in deze vernielzuchtige
+tijden, waarin de mensch er slechts op bedacht is om de kracht en de
+uitwerking der oorlogswapenen te verdubbelen, kon het mogelijk zijn
+dat een staat buiten weten van anderen zulk een vreeselijk werktuig
+liet beproeven. Na de chassepots, de torpedo's; na de torpedo's,
+onderzeesche rammen; daarna reactie; ten minste 't is te hopen!
+
+De veronderstelling van een oorlogswerktuig viel geheel en al in
+'t water na de verklaring der onderscheiden mogendheden. Omdat het
+hier eene zaak van algemeen belang gold en de groote vaart over den
+Oceaan er door leed, mocht men de oprechtheid der gouvernementen
+niet in twijfel trekken. Hoe kon men overigens ook aannemen dat
+zulk een schip gebouwd was zonder door iemand gezien te zijn? Om in
+zulke omstandigheden een geheim te bewaren is reeds moeielijk voor
+een bijzonder persoon, maar zeker onmogelijk voor eene regeering,
+wier handelingen voortdurend door afgunstige mogendheden worden
+gadegeslagen. Toen er dus een onderzoek was ingesteld in Engeland,
+Frankrijk, Rusland, Pruisen, Spanje, Italie, Amerika, ja zelfs in
+Turkije, werd de veronderstelling van een onderzeeschen Monitor voor
+goed verworpen. Nu kwam het monster weder op de baan, ten spijt van
+de aardigheden, waarmede het door kleine bladen overstelpt werd; het
+is licht te begrijpen dat nu men zich eenmaal tot een levend wezen
+bepalen moest, de verbeelding weldra de meest dwaze veronderstellingen
+maakte op ichthyologisch gebied.
+
+Bij mijne komst te New-York hadden verschillende personen mij
+de eer aangedaan om mij over het wonderbaarlijk verschijnsel
+te raadplegen. Ik had in Frankrijk een werk uitgegeven in twee
+kwartijnen, waarvan de titel luidde: "De geheimen van de diepten
+der zee." Dit boek was nog al in den smaak der geleerden gevallen,
+en verhief mij tot eene specialiteit in dat vrij onbekende deel der
+natuurlijke geschiedenis. Men vroeg mij om raad; voor zoover als ik
+het wezenlijke van de zaak begrijpen kon, bepaalde ik mij tot eene
+volstrekte ontkenning; maar weldra dreef men mij zoo in het nauw,
+dat ik mij bepaald moest uitdrukken; de "hoog geleerde Pierre Aronnax,
+hoogleeraar aan het museum te Parijs" werd door den "New-York Herald"
+genoodzaakt zijne meening uit te spreken.
+
+Eindelijk liet ik mij dwingen; ik sprak omdat ik niet meer zwijgen
+kon; ik bekeek de zaak van alle kanten, zoowel staatkundig als
+wetenschappelijk, en ik geef hier slechts het slot van een zeer
+uitvoerig artikel, dat ik in het nommer van den 30sten April schreef:
+
+"Derhalve," zei de ik na alle veronderstellingen afzonderlijk te hebben
+nagegaan, "nu elke veronderstelling verworpen is, moet men noodzakelijk
+aan het bestaan van een zeedier gelooven dat met buitengewone krachten
+begaafd is. De grootste diepten van den Oceaan zijn ons geheel
+onbekend; het dieplood heeft ze niet kunnen peilen. Wat geschiedt er
+in die afgronden? Welke wezens kunnen er 12 of 15 kilometer onder het
+oppervlak der zee leven? Hoe is hun samenstel? Men kan er nauwelijks
+naar gissen. De oplossing van het raadsel voor hetwelk wij staan,
+kan tweeledig zijn. Of wij kennen al de verscheidenheid der dieren,
+welke onze planeet bewonen, of wij kennen ze niet. Indien wij ze niet
+allen kennen, indien de natuur nog geheimen voor ons heeft op het
+gebied der ichthyologie, dan is niets aannemelijker dan te gelooven
+aan het bestaan van walvisschen van eene geheel nieuwe soort, van een
+bijzonder maaksel, dat hen geschikt maakt om in de grootste diepte te
+leven, waar het dieplood nog niet is kunnen doordringen; een bijzonder
+toeval, een gril, een luim, als men wil, brengt hen mogelijk van tijd
+tot tijd, doch zeldzaam, aan het oppervlak van den Oceaan.
+
+"Indien wij integendeel alle levende soorten kennen, moet men het hier
+bedoelde dier noodzakelijk zoeken onder de reeds bekende zeedieren,
+en in dat geval zou ik geneigd zijn om aan het bestaan van een
+reusachtigen eenhoorn te gelooven.
+
+"De gewone zee-eenhoorn bereikt soms eene lengte van zestig voet. Neem
+die afmeting nu vijf- of zelfs tienvoudig; geef aan dit beest eene
+kracht evenredig aan zijne grootte, verzwaar zijn hoorn en gij hebt
+het bedoelde dier. Dan heeft het afmetingen zooals de officieren van
+de Shannon die hebben beschreven, een hoorn sterk en zwaar genoeg
+om een gat in de Scotia te booren, en kracht in overvloed om de kiel
+van een stoomschip aan te tasten.
+
+"De eenhoorn toch is met een soort van ivoren spoor of met een
+hellebaard gewapend, zooals sommige natuurkenners dit voorwerp
+beschrijven. Het is een slagtand zoo hard als staal; men heeft
+eenige van die tanden gevonden, waarmede het lichaam van walvisschen
+doorboord was; deze visch namelijk wordt door den eenhoorn altijd
+met goeden uitslag aangevallen. Anderen werden niet zonder inspanning
+uit den romp van schepen getrokken, welke zij geheel doorboord hadden,
+evenals een drilboor door een vat gaat. Het museum van de geneeskundige
+faculteit te Parijs bezit een van die hoorns, welke eene lengte van
+2.25 en onderaan eene breedte van O.48 meter heeft.
+
+"Welnu, veronderstel zulk een wapen tienmaal zoo sterk, en het dier
+tienmaal zoo krachtig; verbeeld u, dat het zich met eene snelheid
+van twintig kilometer in het uur beweegt; vermenigvuldig het gewicht
+met de snelheid, en gij verkrijgt tot resultaat een schok, die wel
+in staat is om het bedoelde ongeluk te veroorzaken. Voordat ik nader
+word ingelicht houd ik het er dus voor dat het een zee-eenhoorn is
+geweest van verbazende grootte, niet met een hellebaard, maar met eene
+wezenlijke spoor gewapend, zooals gepantserde fregatten of ramschepen
+die hebben. Zoo zou dit onverklaarbaar verschijnsel zijn opgelost,
+of--er moet niets bestaan, in weerwil van al hetgeen men gegist,
+gezien en gevoeld heeft, hetgeen ook nog wel mogelijk is."
+
+Die laatste woorden waren niet vrij van lafhartigheid, maar ik wilde
+tot op zekere hoogte mijne waardigheid als professor ophouden, en door
+de Amerikanen niet worden uitgelachen. Ik hield een achterdeurtje open,
+doch in den grond der zaak geloofde ik aan het bestaan van een monster.
+
+Mijn stuk werd druk besproken, en kreeg daardoor heel wat
+ruchtbaarheid; ik had een zeker aantal menschen op mijne hand; de
+oplossing, welke ik gaf, leverde overigens stof genoeg op om aan de
+verbeelding vrij spel te laten. De menschelijke geest schept behagen
+in die grootsche gedachte aan bovennatuurlijke wezens. En de zee is
+juist het beste verblijf voor zulke schepsels; zij is het, waar die
+reuzen, waarbij landdieren als olifanten of neushoorns slechts dwergen
+zijn, zich vrij kunnen ontwikkelen. Het water bevat de grootste
+bekende zoogdieren, en misschien verbergt het nog schelpdieren
+van onvergelijkelijken omvang, schaaldieren, afschuwelijk om te
+aanschouwen, zooals bijvoorbeeld kreeften van honderd meter lengte of
+krabben van twee honderd centenaar! waarom niet? In voorhistorische
+tijden waren de landdieren, viervoetige, vierhandige, kruipende dieren,
+vogels, enz. van reusachtige grootte. De schepper des heelals had ze
+in een kolossalen vorm gegoten, welke door den tijd kleiner geworden
+is. Waarom zou de zee in hare onbekende diepten geen staaltjes bewaard
+hebben van die reusachtige wezens uit de geologische tijdperken der
+aarde? de zee toch verandert nooit, terwijl de aardkorst elk oogenblik
+verandering ondergaat. Waarom zou zij de laatste verscheidenheden
+niet bevatten van die reuzen der voorwereld, voor welke jaren gelijk
+zijn aan eeuwen, en eeuwen gelijk aan duizend jaren?
+
+Maar ik laat mij tot zulke droomerijen verleiden nu ik er niet
+meer aan mag toegeven; ik laat die hersenschimmen varen, nu de tijd
+ze voor mij in eene vreeselijke werkelijkheid veranderd heeft. Ik
+herhaal het, men vormde zich toen eene meening over den aard van
+het verschijnsel, en het publiek geloofde vrij algemeen aan het
+bestaan van een wonderbaarlijk wezen, hetwelk niets gemeen had met
+de fabelachtige zeeslangen.
+
+Indien sommigen het slechts beschouwden als een wetenschappelijk
+raadsel, hetwelk moest worden opgelost, dan dachten anderen vooral in
+Amerika en Engeland, met vrij wat practischer zin er aan om den Oceaan
+van dit vreeselijk monster te bevrijden, om de groote vaart daardoor te
+beveiligen. Dagbladen en tijdschriften aan de belangen van nijverheid
+en handel maar vooral aan het assurantiewezen gewijd, behandelden
+de zaak voornamelijk uit dit oogpunt, en waren hierin eenstemmig;
+de verzekeringmaatschappijen dreigden zelfs hare premien te verhoogen.
+
+Toen de openbare meening uitspraak gedaan had, verklaarden de Vereenigde
+Staten zich het eerst. Men maakte te New-York toebereidselen voor een
+tocht om den eenhoorn te vervolgen. Een fregat met eene spoor voorzien
+en van groote snelheid, de Abraham Lincoln, werd uitgerust om zoodra
+mogelijk zee te kiezen. De kapitein Farragut had vrije beschikking
+over de tuighuizen, en hij maakte daarvan een goed gebruik om zijn
+fregat zoo snel mogelijk uit te russen.
+
+Zooals het wel eens meer gebeurt geschiedde het ook thans; toen
+men besloten had om het monster te vervolgen, verscheen dit niet
+meer. Gedurende twee maanden hoorde niemand er over spreken,
+geen schip ontmoette het dier. Het was alsof die eenhoorn kennis
+droeg van de samenzwering welke tegen hem gesmeed werd; men had er
+zooveel over gesproken en zelfs door middel van den transatlantischen
+telegraafkabel! Daarom beweerden enkele spotters dat die slimme kwant
+eenig telegram had opgevangen, waarmede hij nu zijn voordeel deed.
+
+Derhalve wist men niet waarheen het fregat gezonden moest worden, nu
+het voor een verren tocht uitgerust--en van verbazende vischtoestellen
+voorzien was. Men werd hoe langer hoe ongeduldiger toen men den 2den
+Juli vernam dat de Tampico, eene boot van San Francisco naar Shanghai,
+het dier drie weken geleden wederom in het noordelijk gedeelte van
+de Stille Zuidzee gezien had. De ontroering, welke deze tijding
+veroorzaakte, was buitengemeen groot. Men liet den kapitein Farragut
+geen vierentwintig uur beraad; zijne victualie was aan boord;
+hij had kolen in overvloed, niemand ontbrak er op de scheepsrol,
+hij behoefde zijn schip slechts onder stoom te brengen en het anker
+te lichten; men zou hem een dag oponthoud kwalijk genomen hebben,
+bovendien verlangde de kapitein niets liever dan te vertrekken.
+
+Drie uur voordat de Abraham Lincoln van de kaai van Brooklyn werd
+losgemaakt, ontving ik den volgenden brief:
+
+
+Mijnheer, 3 Juli 1867.
+
+"Indien gij lust gevoelt om den tocht met den Abraham Lincoln mede te
+maken, zal de regeering der Vereenigde Staten met genoegen zien dat
+Frankrijk daarbij door u vertegenwoordigd wordt. De Kapitein Faragut
+heeft eene hut ter uwer beschikking.
+
+Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn.
+
+Uw. Dw. Dienaar, J. B. Hobson, Secretaris aan het Departement van
+Marine.
+
+Den WelEdel Hoog Geleerden Heer den Heer Aronnax, professor aan het
+museum te Parijs. Hotel der vijfde Avenue te New-York.
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+De trouwe knecht.
+
+Drie seconden voor ik den brief van den heer Hobson kreeg, dacht ik
+er evenmin aan om den eenhoorn te vervolgen als om de Noordwestelijke
+doorvaart te gaan zoeken, maar drie seconden na den brief te hebben
+gelezen, begreep ik eindelijk dat mijne wezenlijke roeping, het
+eenige doel van mijn leven was om dit onrustbarende monster op te
+jagen en er de aarde van te bevrijden. Doch ik kwam pas van eene
+moeilijke reis terug, was zeer afgemat en verlangde naar rust;
+voor weinige oogenblikken reikhalsde ik er naar om mijn vaderland
+en mijne vrienden terug te zien, en weder rustig in mijne kleine
+woning in den Plantentuin te midden mijner kostbare verzamelingen te
+zitten. Maar niets kon mij nu terughouden; ik vergat alle vermoeienis,
+vrienden, verzamelingen, alles, en zonder er lang over te denken nam
+ik het aanbod der Amerikaansche regeering aan. Overigens dacht ik,
+dat elke andere weg mij ook wel naar Europa kon terugbrengen, en dat
+de eenhoorn beleefd genoeg zou zijn om mij naar de Fransche kust te
+voeren! Dat dier, hoopte ik, zou zich in de eene of andere Europeesche
+zee, al was het alleen om mij genoegen te doen, wel laten vangen,
+en dan bracht ik op zijn minst een halven meter van zijn ivoren hoorn
+mede voor het museum van natuurlijke historie.
+
+Maar intusschen moest ik het dier in het noordelijk deel der
+Stille Zuidzee helpen opzoeken, en dat was zoo wat de weg naar onze
+tegenvoeters in plaats van naar Frankrijk.
+
+"Koen!" riep ik ongeduldig.
+
+Koenraad was mijn knecht, een trouwe jongen, die mij op al mijne
+reizen vergezelde; een brave Vlaming van wien ik veel hield, en die
+mij met gelijke munt betaalde; hij was zeer bedaard van natuur,
+nauwgezet van beginselen, ijverig uit gewoonte, verwonderde zich
+bijna nimmer over eenig toeval in dit leven, was zeer handig,
+geschikt voor allerlei diensten, en gaf, in spijt van zijn naam,
+nimmer eenigen raad, zelfs als men er hem om vroeg. Door zijn verkeer
+te midden van de geleerden van den Plantentuin had Koenraad ten slotte
+nog al een en ander geleerd. Ik bezat in hem eene specialiteit voor
+het verdeelen in klassen van voorwerpen uit de natuurlijke historie;
+hij was bijzonder vlug in het ordenen van alle vertakkingen, groepen,
+klassen, orden, familien, geslachten, soorten, verscheidenheden, maar
+daartoe bepaalde zich ook zijne geheele kennis. Klassenverdeeling was
+zijn leven, en hij wist niets meer. Hoe bekwaam ook in de theorie der
+klassen, was hij het volstrekt niet in de practijk, en ik geloof dat
+hij geen potvisch van een walvisch had kunnen onderscheiden. En toch
+was het een brave en flinke jongen!
+
+Koenraad was mij nu gedurende ongeveer tien jaar overal gevolgd waar
+mijn wetenschappelijk onderzoek mij heen voerde. Nooit had hij eenige
+aanmerking gemaakt over den langen duur of over de vermoeienis eener
+reis; nimmer verstoutte hij zich een woord tegen te spreken als hij
+zijn valies moest pakken om mij naar eenig land, China of Congo,
+hoe ver afgelegen ook, te volgen. Hij trok overal mede heen, zonder
+naar eenige reden te vragen. Overigens had hij een sterk gestel,
+dat met alle kwalen den spot dreef; stevige spieren, maar geen zweem
+van zenuwen--in zedelijken zin altijd.
+
+Die jongen was dertig jaar oud; zijn leeftijd stond tot die van zijn
+meester als 3 tot 4, ik behoef dus niet te zeggen dat ik 40 jaar oud
+was. Koenraad had slechts een gebrek; hij nam de vormen tot in het
+bespottelijke in acht, zoodat hij mij altijd in den derden persoon
+aansprak--soms tot tergens toe.
+
+"Koen!" riep ik nog eens, terwijl ik in koortsige haast toebereidselen
+tot mijn vertrek begon te maken.
+
+Ik was zeker van den trouwen jongen; gewoonlijk vroeg ik hem nooit
+of hij mij op mijne reizen verkoos te volgen of niet, maar ditmaal
+gold het een tocht, die tot in 't oneindige kon duren, en dan nog wel
+een zeer gevaarlijken tocht om een dier te vervolgen, dat in staat
+was om een fregat als een notedop te doen zinken! Er was wel reden
+om er eens over na te denken, zelfs voor den kalmsten mensch van de
+wereld. Wat zou Koenraad wel zeggen?
+
+"Koen!" riep ik voor de derde maal.
+
+Koenraad verscheen.
+
+"Roept mijnheer mij?" vroeg hij binnenkomende.
+
+"Ja mijn jongen. Pak mijn goed, en maak u gereed; wij vertrekken over
+twee uur."
+
+"Zoo als mijnheer belieft," antwoordde Koenraad bedaard.
+
+"Wij hebben geen oogenblik te verliezen; stop zonder te tellen al
+mijne reisbenoodigdheden in mijn koffer; kleeren, hemden, laarzen
+zooveel als gij maar kunt, en haast u!"
+
+"En mijnheers verzamelingen?" vroeg hij.
+
+"Daar zal ik mij later mede bemoeien."
+
+"Wat! de archiotheriums, hyracotheriums, oreodons, cheropotamussen
+en andere skeletten?"
+
+"Men zal die in 't logement wel voor mij bewaren."
+
+"En mijnheers levende babiroussa?"
+
+"Men zal die in mijne afwezigheid wel voeren. Bovendien zal ik order
+geven om onze geheele menagerie naar Frankrijk te zenden."
+
+"Keeren wij dus niet naar Parijs terug?" vroeg Koenraad.
+
+"Ja ... zeker...." antwoordde ik eenigszins ontwijkend, "maar langs
+een omweg."
+
+"Zoo als mijnheer belieft."
+
+"'t Is maar eene kleinigheid, een eenigszins minder rechte weg,
+dat is alles; wij gaan met den Abraham Lincoln."
+
+"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad bedaard.
+
+"Gij weet, mijn vriend, er is sprake van een monster ... een
+verschrikkelijken eenhoorn,... wij gaan de zee er van bevrijden!... De
+schrijver van een werk in twee quarto deelen over de "Geheimen van de
+diepten der zee," mag niet nalaten om zich met kapitein Farragut in
+te schepen. Een roemvolle tocht,... maar gevaarlijk ook. Men weet niet
+waar men heen gaat. Die dieren kunnen allerlei grillen hebben; maar wij
+gaan toch; wij hebben een kapitein, die goed uit zijne oogen kijkt."
+
+"Zooals mijnheer doet, doe ik ook," zeide Koenraad.
+
+"Denk er goed over na, want ik wil u niets verbergen; het is eene
+reis waarvan men niet altijd terugkeert."
+
+"Zooals mijnheer goedvindt."
+
+Een kwartier daarna waren onze koffers gepakt: Koen was in een
+ommezien gereed, en ik was zeker dat er niets vergeten was, want die
+jongen rangschikte mijne hemden en bovenkleeren even goed als vogels
+en zoogdieren.
+
+De hijschmachine van het hotel bracht ons in den grooten gang; ik ging
+een paar trappen lager naar het kantoor om mijne rekening te betalen;
+ik gaf bevel om mijne opgezette dieren en gedroogde planten naar Parijs
+te verzenden en om de babiroussa te voeren, en stapte gevolgd door
+Koenraad in een rijtuig. De wagen reed Broadway af naar Unionsquare,
+volgde de Vierde Avenue tot aan hare vereeniging met de Bowerystraat,
+sloeg toen de Katharinestraat in en hield bij den 34en steiger stil;
+daarvandaan bracht ons de Katharinaboot met paarden en rijtuig over
+naar Brooklyn, de groote voorhaven van New-York, hetwelk op den
+linkeroever der Oost-rivier ligt, en in weinige minuten waren wij op
+de kaai, waar de Abraham Lincoln vervaarlijke rookwolken door hare
+beide schoorsteenen naar boven stuwde.
+
+Onze bagage werd onmiddellijk op het dek van het fregat gebracht. Ik
+haastte mij aan boord te komen en vroeg naar den kapitein. Een der
+matrozen bracht mij op de kampanje, waar ik een officier vond met
+een goed voorkomen, die mij de hand toestak.
+
+"Mijnheer Pierre Aronnax?" vroeg hij.
+
+"Dat ben ik," antwoordde ik hem. "Kapitein Farragut?"
+
+"In eigen persoon. Wees welkom, mijnheer de professor; uw hut is voor
+u gereed."
+
+Ik groette hem, en liet den kapitein verder voor het uitzeilen zorgen,
+terwijl ik mij de hut deed aanwijzen, welke voor mij bestemd was.
+
+De Abraham Lincoln was voor hare nieuwe bestemming goed gekozen en
+uitgerust. Het was een snelzeilend fregat, met eene machine, welke
+eene stoomspanning van zeven atmosferen toeliet. Met deze drukking
+had de Abraham Lincoln een gemiddelde snelheid van 18,3 kilometer
+in het uur, eene aanzienlijke snelheid, maar onvoldoende om met den
+reusachtigen visch te wedijveren.
+
+De inwendige inrichting van het fregat beantwoordde aan het overige. Ik
+was zeer tevreden over mijne hut, welke zich in het achterschip bevond
+en uitkwam in het officierssalon.
+
+"Wij zullen hier op ons gemak zijn," zeide ik tegen Koenraad.
+
+"Even goed als een slak in haar schelp!" antwoordde Koenraad.
+
+Ik liet Koenraad onze koffers behoorlijk plaatsen en ging zelf
+weer naar boven om de toebereidselen tot de afvaart te zien. Op dit
+oogenblik liet de kapitein de laatste trossen, welke het fregat aan
+de kaai van Brooklyn bevestigden, losgooien. Als ik dus een kwartier
+later gekomen was, zou het schip zonder mij vertrokken zijn, en ik
+had dien buitengewonen, bovennatuurlijken en onwaarschijnlijken tocht
+niet medegemaakt, waarvan het ware verhaal evenwel niet overal geloof
+zal vinden. Maar de kapitein wilde geen dag, geen uur zelfs verliezen
+om de zee te bereiken waar het dier het laatst gezien was. Hij liet
+den machinist op het dek komen.
+
+"Hebben wij drukking genoeg?" vroeg hij.
+
+"Ja wel, mijnheer," antwoordde de machinist.
+
+"Go head!" riep daarop kapitein Farragut.
+
+Dit bevel werd naar de machinekamer overgebracht door middel van een
+toestel met samengeperste lucht, en de onder-machinist draaide de kruk
+om, welke de machine in beweging moest brengen; de stoom drong sissende
+in de geopende pijpen; lange horizontale stampers zuchtten en brachten
+de zuigerstang in beweging, de schroef draaide met toenemende snelheid
+in het water rond, en de Abraham Lincoln stoomde statig voorwaarts, te
+midden van een honderdtal kleine schepen en bootjes vol toeschouwers,
+die het fregat uitgeleide deden.
+
+De kaaien van Brooklyn en van New-York langs de Oostrivier wemelden
+van nieuwsgierigen. De hoezee's van 500,000 monden barstten
+achtereenvolgens los. Duizenden zakdoeken wuifden boven de dichte
+menigte en riepen de Abraham Lincoln een laatst vaarwel toe,
+totdat het schip in de Hudson kwam, tegenover het uiteinde van het
+schiereiland, waarop New-York gebouwd is. Toen volgde het aan de zijde
+van New-Jersey den schoonen, met buitenplaatsen bezaaiden rechteroever
+van den stroom, en stoomde tusschen de forten door, welke het met
+kanonschoten begroetten. De Abraham Lincoln beantwoordde dien groet
+met het driemaal hijschen van de Amerikaansche vlag, waarvan de 39
+sterren aan de bazaansmast prijkten; daarop verminderde het fregat
+zijne snelheid om het afgebakende vaarwater te houden, hetwelk met
+eene bocht door de binnenbaai bij Kaap Sandy-Hook loopt, en stoomde
+strijkelings voorbij deze zandige landtong waar duizenden toeschouwers
+het nog eens toewuifden.
+
+De vloot van scheepjes en booten volgde het fregat nog altijd en
+verliet het niet eer dan op de hoogte van het vuurschip, welks beide
+lichten den ingang van het nauwe vaarwater te New-York aanduiden.
+
+Het sloeg toen drie uur. De loods ging weer in zijne boot en roeide
+naar den schoener, die hem onder den wind wachtte. De vuren werden
+aangestookt, de schroef draaide sneller in de golven, het fregat liep
+langs de gele en lage kust van Long-Island, en om acht uur des avonds
+stoomde het met volle kracht over de grauwe golven van den Oceaan
+voorwaarts na in het noordwesten de vuur-bakens van Fire-Island uit
+het oog te hebben verloren.
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+Ned Land.
+
+Kapitein Farragut was een flink zeeman, en het fregat waard dat hij
+commandeerde. Zijn schip en hij vormden slechts een geheel; hij was
+er de ziel van. Hij twijfelde geen oogenblik aan het bestaan van den
+eenhoorn, en hij duldde niet dat men daarover aan boord twistte. Hij
+geloofde er aan, zooals sommige oude wijven aan het bestaan van den
+Leviathan gelooven, uit geloofsovertuiging, niet door redeneering. Het
+monster bestond, hij zou er de zee van bevrijden, dit had hij
+gezworen. Het was een soort van ridder van Rhodus, een Dieudonne
+de Gozon, die de slang opzocht, welke dit eiland verwoestte. Of de
+kapitein zou den eenhoorn dooden of dit dier zou den kapitein dooden;
+een middelweg bestond er niet. De officieren deelden het gevoelen
+van den commandant. Men had ze eens moeten hooren spreken over de
+verschillende kansen eener ontmoeting, en den uitgestrekten Oceaan zien
+bekijken. Meer dan een hield vrijwillig de wacht op de bramsteng,
+die zulk een baantje onder andere omstandigheden zou verwenscht
+hebben. Zoolang de zon hare dagelijksche loopbaan aan den hemel
+beschreef, zat het want vol matrozen, wien de planken onder de voeten
+brandden zoodat zij op het dek niet konden blijven staan. En toch
+kliefde de Abraham Lincoln de golven van den Grooten Oceaan nog niet!
+
+Wat de equipage betrof, deze verlangde niets liever dan om den
+eenhoorn te ontmoeten, hem te harpoenen, aan boord te hijschen en
+aan stukken te snijden; de matrozen bekeken de zee met bijzondere
+oplettendheid. Bovendien had de kapitein gesproken van eene som van
+2000 dollars, welke uitbetaald zou worden aan iedereen, matroos of
+kajuitsjongen, bootsman of officier, die het dier zou aanwijzen. Men
+kan denken hoe de oogen aan boord van de Abraham Lincoln zich
+inspanden.
+
+Ik voor mij bleef bij de overigen niet achter, en ik liet aan
+niemand mijn aandeel in het dagelijksch uitkijken over. Het fregat
+zou honderdmaal eerder Argus hebben moeten heeten. Koenraad alleen
+was onverschillig voor de zaak, welke ons allen gespannen hield,
+en deelde niet in de algemeene geestdrift.
+
+Ik heb reeds gezegd dat kapitein Farragut het fregat zorgvuldig
+voorzien had van allerlei werktuigen om den grooten visch te
+vangen. Een walvischvaarder zou niet beter zijn uitgerust. Wij hadden
+alle mogelijke instrumenten, van den harpoen, die met de hand geworpen
+wordt, tot de met weerhaken voorziene pijlen, die door donderbussen, en
+de ontplofbare kogels, welke door ganzenroeren worden afgeschoten. Op
+den voorsteven stond een voortreffelijk achterlaadkanon, met dikke
+wanden en nauwe ziel, waarvan een model op de tentoonstelling van 1867
+zou worden ingezonden. Dit prachtige stuk geschut van Amerikaanschen
+oorsprong slingerde een puntkogel van vier kilogram op een gemiddelden
+afstand van zestien kilometer.
+
+De Abraham Lincoln miste dus geen enkel vernielingswerktuig, maar
+zij had nog beter, namelijk Ned Land den koning der harpoeniers.
+
+Ned Land was uit Canada afkomstig, en wist zoo buitengemeen handig
+met den harpoen om te gaan, dat hij in dat gevaarlijk bedrijf zijn
+gelijke niet had. Hij was behendig en koelbloedig, stout en listig
+in de hoogste mate, en het moest wel een slimme walvisch, of een
+bijzonder listige potvisch zijn, die aan zijn harpoen ontsnapte. Ned
+Land was omstreeks veertig jaar oud; hij had eene lengte van meer
+dan zes Engelsche voet, was forsch gebouwd, had een ernstig gelaat,
+sprak weinig, was soms erg driftig en werd zelfs woedend als men hem
+tegenwerkte. Zijn persoon trok de opmerkzaamheid tot zich, en zijn
+doordringend oog gaf eene zonderlinge uitdrukking aan zijn gelaat.
+
+Ik geloof dat de kapitein wijs gehandeld had met dien man voor den
+tocht aan te werven. Hij was, wat de scherpte van zijn blik en de
+kracht van zijn arm aangaat, alleen eene geheele equipage waard. Ik kan
+hem nergens beter bij vergelijken dan bij een krachtigen verrekijker,
+die tegelijk voor kanon kan dienen.
+
+Wie van Canada spreekt denkt aan Frankrijk, en hoe weinig Ned Land
+zich ook met anderen bemoeide, moet ik toch bekennen dat hij eene
+zekere vriendschap voor mij opvatte. Mijne afkomst trok hem zeker aan;
+hij had daardoor gelegenheid die oude taal van Rabelais te spreken,
+welke in sommige streken van Canada nog in gebruik is, en die ik
+zoo gaarne hoorde. Het geslacht van den harpoenier was uit Quebec
+afkomstig, en telde reeds tal van stoutmoedige visschers in den tijd
+toen deze stad aan Frankrijk behoorde.
+
+Ned kreeg langzamerhand meer lust in het praten, en ik hoorde gaarne
+het verhaal zijner avonturen in de Poolzeeen. In de verhalen van
+zijne vischvangsten en gevechten ademde eene natuurlijke poezie;
+zijne geschiedenissen kregen den vorm van heldendichten, en
+tusschenbeiden dacht ik een Canadaschen Homerus te hooren, die de
+Ilias der poolstreken zong.
+
+Ik beschrijf dien stoutmoedigen makker zooals ik hem nu ken. Wij
+zijn oude vrienden geworden, en verbonden door een onverbreekbaren
+vriendschapsband, zooals slechts de verschrikkelijkste gebeurtenissen
+kan in 't leven roepen! Ik zou honderd jaar willen leven, dappere Ned,
+om mij uwer des te langer te kunnen herinneren!
+
+En hoedanig was nu het gevoelen van Ned Land over het zeemonster? Ik
+moet bekennen dat hij niet aan den eenhoorn geloofde, en dat hij de
+eenige aan boord was, die de algemeene overtuiging niet deelde. Hij
+vermeed het zelfs om over die zaak te spreken, waarover ik evenwel
+hoopte hem wel eens aan 't praten te krijgen.
+
+Op een prachtigen avond (30 Juni), drie weken na ons vertrek, was
+ons fregat op de hoogte van de Witte Kaap, dertig kilometer van de
+kust van Patagonie. Wij waren den Steenbokskeerkring gepasseerd, en
+de straat van Magelhaen lag op iets minder dan 700 kilometer meer
+zuidwaarts. Voor er acht dagen om waren zou de Abraham Lincoln de
+golven der Stille Zuidzee klieven.
+
+Op de kampanje gezeten, praatten Ned Land en ik over koetjes
+en kalfjes, terwijl wij onze blikken over die geheimzinnige zee
+lieten dwalen, wier diepten tot nog toe voor den menschelijken blik
+ondoordringbaar waren gebleven. Ik bracht zeer natuurlijk het gesprek
+op den reusachtigen eenhoorn, en ik ging de verschillende kansen van
+het al of niet gelukken onzer onderneming na. Toen ik zag dat Ned
+mij slechts liet praten zonder zelf iets te zeggen, ging ik meer op
+den man af.
+
+"Hoe komt het toch Ned," vroeg ik, "dat gij niet overtuigd zijt
+van het bestaan van den eenhoorn, dien wij vervolgen? Hebt gij dan
+bijzondere redenen om zoo ongeloovig te zijn?"
+
+De harpoenier keek mij eenige oogenblikken aan voor hij een antwoord
+gaf; drukte zooals hij gewoonlijk deed de breede hand tegen het
+voorhoofd, kneep de oogen toe als om een besluit te nemen, en zeide
+eindelijk:
+
+"Misschien wel, mijnheer Aronnax."
+
+"Komaan Ned, gij een walvischvaarder van uw ambacht, gij die met
+de groote zoogdieren der zee gemeenzaam geworden zijt, gij die u
+gemakkelijk het bestaan van zulke monsters verbeelden kunt, gij moest
+de laatste zijn van onder zulke omstandigheden nog twijfel te voeden."
+
+"Daarin bedriegt gij u juist, mijnheer de professor," antwoordde
+Ned. "Het domme volk moge geloof slaan aan buitengewone kometen, die
+door het hemelruim vliegen, of aan het bestaan van voorwereldlijke
+monsters, die nog binnen in de aarde leven, ik laat dat gaan, maar
+sterrekundigen noch geologen hechten aan zulke hersenschimmen; met een
+walvischvaarder is dit hetzelfde geval. Ik heb er al heel wat vervolgd,
+een groot aantal met mijn harpoen getroffen, verscheidene gedood,
+maar hoe sterk of hoe goed gewapend zij ook waren, noch hun staart
+noch hun tanden of andere verdedigingsmiddelen zouden de ijzeren
+platen van een stoomschip ooit hebben kunnen aantasten."
+
+"Maar toch Ned noemt men schepen, die door den eenhoorn doorboord
+zijn."
+
+"Houten schepen, dat is mogelijk, maar ik heb ze nooit gezien. Zoolang
+ik niet van het tegendeel overtuigd word, ontken ik dat walvisschen,
+potvisschen of eenhoorns zoo iets zouden kunnen doen."
+
+"Hoor eens Ned...."
+
+"Neen mijnheer, neen; al wat gij wilt, maar dat nooit. Misschien een
+reusachtige polyp?"
+
+"Nog minder Ned. De polyp is een weekdier, en die naam alleen doet u
+reeds hooren hoe weinig vastheid haar vleesch heeft. Al was zij ook 500
+voet lang, dan nog zou de polyp, die niet tot de klasse der gewervelde
+dieren behoort, geheel onschadelijk zijn voor schepen als de Scotia
+en de Abraham Lincoln. Verhalen van Kraken of andere monsters van die
+soort moet men dan ook geheel naar het gebied der fabelen verbannen.
+
+"Dus mijnheer de natuurkenner, houdt gij het er voor," hernam Ned
+Land met ietwat spotachtigs in zijn toon, "dat zulk een groote
+eenhoorn bestaat...?"
+
+"Ja Ned, en ik herhaal dit met eene overtuiging, die op feiten
+berust. Ik geloof aan het bestaan van een krachtig ontwikkeld zoogdier,
+dat tot de gewervelde dieren behoort, zooals walvisschen, potvisschen,
+en dolfijnen, en dat met een buitengewoon sterken hoorn voorzien is."
+
+De harpoenier liet een "hm!" hooren, terwijl hij met het hoofd schudde
+als iemand, die zich niet wil laten overtuigen.
+
+"Vergeet niet," hernam ik, "dat als zulk een dier bestaat, als het
+de diepten van den Oceaan bewoont, als het eenige kilometers onder
+de oppervlakte der zee zwemmen kan, dat het dan noodzakelijk een
+samenstel hebben moet, welks kracht alle vergelijking te boven gaat."
+
+"En waarom dan?" vroeg Ned.
+
+"Omdat er eene onberekenbare kracht noodig is om zich in zulk eene
+groote diepte op te houden, en aan den druk van de massa water boven
+zich weerstand te bieden."
+
+"Zoo?" zeide Ned terwijl hij mij aankeek en een oogje knipte.
+
+"Zeker, en eenige cijfers kunnen u dit gemakkelijk bewijzen."
+
+"O cijfers!" antwoordde Ned, "daar doet men mede wat men wil."
+
+"In handelszaken is dit mogelijk Ned, maar niet in de wiskunde. Hoor
+slechts: laat ons aannemen dat de drukking van den dampkring wordt
+voorgesteld door den druk van eene kolom water van 32 voet hoog;
+in wezenlijkheid zou de kolom minder hoog zijn, omdat wij hier
+te doen hebben met zeewater, waarvan de dichtheid veel grooter is
+dan van zoet water; welnu Ned, evenveel maal 32 voet als gij naar
+beneden duikt, even zooveel atmosferen drukken er dan op uw lichaam,
+of een even groot aantal kilogrammen op elken vierkanten centimeter
+van de oppervlakte uws lichaams. Daarom volgt dat op eene diepte van
+320 voet die drukking gelijk staat met die van tien atmosferen, en
+als men eene diepte van 32000 voet of ruim tien kilometer bereiken
+kon, dan zouden er duizend atmosferen op u drukken; elke vierkante
+centimeter derhalve van uwe lichaamsoppervlakte zou een gewicht te
+dragen hebben van duizend kilogram; en weet gij nu wel, mijn dappere
+Ned, hoeveel vierkante centimeters die oppervlakte bedraagt?"
+
+"In het geheel niet, mijnheer Aronnax."
+
+"Ongeveer 17000."
+
+"Nog zooveel?"
+
+"En daar in de werkelijkheid de drukking van den dampkring nog iets
+meer is dan een kilogram op de vierkante centimeter, zoo dragen uwe
+17000 vierkante centimeter op dit oogenblik een gewicht van 17568
+kilogram."
+
+"Zonder dat ik er iets van merk?"
+
+"Zonder dat gij het bemerkt. En dat gij door zulk een drukking niet
+verpletterd wordt, komt omdat de lucht met een even groote drukking
+in uw lichaam doordringt, van daar een volmaakt evenwicht hetwelk het
+u gemakkelijk doet dragen; maar in het water is het een ander ding."
+
+"Ja wel, dat begrijp ik," antwoordde Ned, die wat oplettender was
+geworden, "omdat het water mij omringt, en niet in mijn lichaam
+doordringt."
+
+"Juist Ned; derhalve ondergaat gij 32 voet onder water eene drukking
+van 17568 kilogram; en zoo voortgaande hebt gij bijvoorbeeld op
+eene diepte van 32000 voet een gewicht op u van 17,568,000 kilogram,
+gij zoudt dan zoo platgedrukt zijn, alsof gij uit eene hydraulische
+pers kwaamt."
+
+"Drommels," zeide Ned.
+
+"Welnu mijn waarde harpoenier, als gewervelde dieren van eenige
+honderden meter lang, en dik naar evenredigheid, zich in zulke diepten
+ophielden, zouden zij omdat de oppervlakte van hun lichaam zooveel
+grooter is, een gewicht van millioenen maal millioenen kilogrammen te
+dragen hebben; en bereken dan maar eens welk een weerstandsvermogen
+hun skelet en welke kracht hun samenstel hebben moet om zulk eene
+drukking te weerstaan."
+
+"Dan zouden ze van achtduims staalplaten gemaakt moeten zijn, zooals
+de gepantserde fregatten."
+
+"Zoo is het Ned, en denk dan eens aan de verwoesting, welke zulk een
+massa kan te weeg brengen, als zij met de snelheid van een spoortrein
+tegen den romp van een schip aankomt."
+
+"Ja ... inderdaad ... misschien", antwoordde Ned, in de war gebracht
+door de cijfers, hoewel hij zich nog niet wilde gewonnen geven.
+
+"Welnu, heb ik u overtuigd?"
+
+"Gij hebt mij van eene zaak overtuigd, mijnheer de natuurkenner,
+en dat is dat als zulke dieren in de diepten der zee bestaan, zij
+noodzakelijk zoo sterk moeten zijn als gij zegt."
+
+"Maar als zij niet bestaan, koppige harpoenier, hoe verklaart gij
+dan het ongeluk van de Scotia?"
+
+"Het is misschien...." zeide Ned aarzelend.
+
+"Wat dan?"
+
+"Omdat ... omdat het niet waar is!" antwoordde Ned, terwijl hij
+zonder het te weten een beroemd antwoord van Arago herhaalde. Doch
+dit antwoord bewees de stijfhoofdigheid van den harpoenier en anders
+niets. Dien dag klampte ik hem niet verder aan boord. Het gebeurde
+met de Scotia kon niet ontkend worden; het gat bestond, en men had dit
+moeten dicht maken, dat wel het beste bewijs zal zijn voor het bestaan
+van het lek. Dat gat was er niet van zelf ingekomen, en omdat het
+niet door onderzeesche rotspunten of onzichtbare vernielingswerktuigen
+er ingeboord was, moest het natuurlijk aan het werktuig van een dier
+worden toegeschreven.
+
+Volgens mij was het dier om alle opgesomde redenen een eenhoorn; om
+dien behoorlijk te kennen moest men het onbekende monster in stukken
+kunnen snijden; om het stuk te snijden moest men het vangen; om het te
+vangen harpoenen, en dat was de zaak van Ned Land, om het te harpoenen
+zien, dat was de zaak van de equipage, en om het te zien ontmoeten,
+dat was de zaak van het toeval.
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+Op avontuur.
+
+De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door
+niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned
+Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde,
+en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.
+
+Op de hoogte van de Malouinen, praaide het fregat op 30 Juni
+Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van
+den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van
+de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij
+om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze
+kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien,
+gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval
+begunstigde Ned zoo zeer dat hij in plaats van een, twee walvisschen
+harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen
+maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als
+het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk
+geene weddenschap voor het monster hebben willen aangaan.
+
+Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust
+van Amerika. Den 3den Juli waren wij voor de straat van Magelhaen
+op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter
+liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap
+Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad,
+was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat
+ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet
+door kon, "omdat het er te dik voor was!"
+
+Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om
+de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover
+het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de
+Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn
+gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag
+kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.
+
+"Nu de kijkgaten open!" zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln,
+en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen
+oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs
+van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en
+dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter
+bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te
+verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent
+grooter werd.
+
+Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de
+minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn
+middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor
+regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens voor
+dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige
+blikken op 't schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter
+het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering
+van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms
+zijn zwarten rug uit de golven omhoog stak. In een oogenblik was
+dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken
+naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den
+gang van het dier. Ik keek zelf alsof ik er mijn netvlies bij wilde
+verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en
+kalm tot mij zeide:
+
+"Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te
+spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien."
+
+Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde
+op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts
+een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder
+tal van verwenschingen verdween.
+
+Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste
+omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in
+die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand
+Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten
+afstand overzien.
+
+Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield
+zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht
+had--ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou
+zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende
+acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar
+hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.
+
+"Och, kom," antwoordde hij "er is niemendal, mijnheer Aronnax,
+en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het
+te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat
+ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen;
+maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd
+is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet
+van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer
+gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor,
+de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier
+dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen,
+als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat,
+is het reeds ver weg."
+
+Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in
+den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer
+gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk
+matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de
+eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.
+
+Den 20sten Juli passeerden wij op 105 deg. W.L. den Steenbokskeerkring,
+en den 27sten van diezelfde maand den evenaar op 110 deg. W.L. Toen
+hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar
+het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten
+Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste
+gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de
+eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te
+vermijden, "zonder twijfel omdat hij daar geen water genoeg heeft,"
+zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het
+fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de
+Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132 deg. W.L.,
+en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in
+die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de
+waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart
+klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg
+eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde
+in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood
+een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet,
+twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog
+van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling,
+en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend
+in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig
+eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende
+drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham
+Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het
+fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging
+soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle
+stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet
+geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En
+niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets
+wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots,
+of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het
+ook zij!
+
+Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester,
+en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich
+van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte
+en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om
+zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over
+in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men
+sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om
+in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te
+kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken
+geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste
+voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste
+tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en
+drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere
+stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven
+weder naar het zuiden hebben gewend.
+
+Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet;
+de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was
+om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaansch schip toonde ooit
+zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten
+worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.
+
+Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield
+zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet,
+en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand
+aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand
+had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen
+uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de
+Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.
+
+Deze belofte werd op den 2den November gedaan; zij had ten
+minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig
+door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde
+oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan;
+de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog
+gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze
+kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te
+verschijnen.
+
+Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom;
+men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier
+op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het
+geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke
+stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot
+groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting
+rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt
+der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4den November kwam,
+zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des
+middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein,
+als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en
+de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat
+bevond zich toen op 31 deg. 15' N.B. en 136 deg. 42' W.L. De Japansche
+kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis
+viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der
+maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm
+tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik
+op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij,
+en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den
+horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner
+werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende
+duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der
+maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder
+alle licht in de duisternis van den nacht.
+
+Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen
+eenigermate onder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende
+het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel
+van nieuwsgierigheid.
+
+"Komaan Koen," zeide ik, "nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid
+om 2000 dollars in uw zak te steken."
+
+"Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen," antwoordde Koenraad,
+"dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie
+kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen
+duit armer door zijn geworden."
+
+"Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons
+te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan,
+wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds
+naar Frankrijk zijn teruggekeerd...."
+
+"In mijnheers kleine kamer," antwoordde Koenraad, "in mijnheers
+museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben
+gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin
+reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken."
+
+"Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk
+zal uitlachen."
+
+"Zeker," antwoordde Koenraad bedaard, "ik denk wel dat men mijnheer
+zal uitlachen, en--mag ik het zeggen?
+
+"Wel zeker, Koen."
+
+"Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient."
+
+"Waarlijk?"
+
+"Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet
+bloot aan...."
+
+Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene
+stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land,
+die schreeuwde:
+
+"Ohe, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!"
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+Met vollen stoom.
+
+Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier;
+kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs
+de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den
+steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep
+nog slechts langzaam vooruit.
+
+Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook
+waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezien had;
+mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet
+bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.
+
+Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham
+Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet
+het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich
+daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder
+het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren
+glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins
+gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote
+lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte
+beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden
+zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans
+langzamerhand verminderde.
+
+"Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes," riep een
+van de officieren.
+
+"Neen mijnheer," antwoordde ik met overtuiging, "nooit hebben
+steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans
+moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens,
+het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren
+... het snelt naar ons toe!"
+
+Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.
+
+"Stilte," beval de kapitein, "het roer in den wind, achteruit!"
+
+De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze
+werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde
+wendende, beschreef een halven cirkel.
+
+"Roer recht! Vooruit!" riep de kapitein.
+
+Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde
+zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het
+wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met
+dubbele snelheid.
+
+Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom
+en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het
+fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde
+het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop
+verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende
+streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van
+een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den
+gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp
+het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield
+eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht
+uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde
+niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien
+schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen
+het aan de andere zijde van het fregat, hetzij dat het er omheen was
+gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik
+kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.
+
+Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat;
+het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf
+vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op
+zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing
+te lezen.
+
+"Mijnheer Aronnax," antwoordde hij, "ik weet niet met welk
+verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze
+duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende
+dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht
+afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen."
+
+"Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?"
+
+"Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn,
+maar een electrieke tevens."
+
+"Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?"
+
+"Misschien," antwoordde de kapitein, "maar als het electrieke kracht
+bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper
+ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer."
+
+De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht
+aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet
+wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder
+halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich
+door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van
+den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of
+liever om een juister uitdrukking te bezigen "ging hij uit" evenals
+een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar
+niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren,
+gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens
+met geweld wordt uitgespoten.
+
+De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje,
+en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.
+
+"Ned Land," vroeg de kapitein, "hebt gij dikwijls het geblaas van
+walvisschen gehoord?"
+
+"Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alleen
+mij 2000 dollars opbracht."
+
+"Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens,
+is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij
+het water door hunne kieuwen uitblazen?"
+
+"Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich
+dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch,
+die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein,
+zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met
+hem wisselen."
+
+"Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned," antwoordde ik op
+ongeloovigen toon.
+
+"Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen," voegde
+Ned er bij, "dan zal hij mij wel moeten aanhooren."
+
+"Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer
+beschikking stellen?" hernam de kapitein.
+
+"Zeker kapitein."
+
+"Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel."
+
+"En het mijne!" antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.
+
+Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw,
+maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham
+Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee,
+hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan,
+en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak
+der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne
+longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van
+2000 paardekracht.
+
+"Nu," dacht ik, "een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij,
+dat is nog al zoo iets!"
+
+Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en
+bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de
+verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen
+laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren
+met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs
+voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen
+klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.
+
+Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van
+het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om
+zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om
+zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren;
+dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.
+
+Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen
+der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De
+gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag
+liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: "Daar is het ding
+weer, achter ons, aan bakboord," riep de harpoenier. Aller blikken
+richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven
+kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven;
+het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter
+zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in
+beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den
+weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.
+
+Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig
+mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de
+afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dat het beest
+slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was,
+maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed
+gevormd te zijn.
+
+Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het
+twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik
+maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde
+zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden,
+wist ik nog niet, omdat er drie familien waren, waartoe het behooren
+kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen,
+waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familien is
+weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten,
+de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit
+dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des
+Hemels en van kapitein Farragut.
+
+De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen
+deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen;
+deze kwam: "Mijnheer," vroeg de kapitein, "hebt gij stoom genoeg!"
+
+"Jawel kapitein," was het antwoord.
+
+Drie hoezee's volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had
+geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen
+van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de
+heftige beweging der machine.
+
+De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde
+recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte
+naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken,
+maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand
+te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder
+dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk,
+dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein
+trok zich woedend aan den baard.
+
+"Ned Land!" riep hij; deze kwam op dit bevel.
+
+"Zeg eens, Land," vroeg de kapitein, "raadt gij mij nog aan de sloepen
+in zee te laten?"
+
+"Neen kapitein," antwoordde Ned, "want dat dier zal zich niet laten
+vangen dan als het wil."
+
+"Wat dan te doen?"
+
+"Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat
+ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal
+ik het mijn harpoen in 't lijf gooien."
+
+"Ga je gang," antwoordde de kapitein. "Machinist" riep hij toen,
+"vermeerder de drukking!"
+
+Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt,
+de schroef draaide 43 maal in de minuut en de stoom perste door
+de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham
+Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in 't uur liep; maar het
+verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef
+het fregat dezelfde snelheid behouden zonder een vadem te winnen. Het
+was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche
+vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op
+het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te
+geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij
+kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.
+
+"Hebt gij de hoogste drukking?" vroeg de kapitein driftig.
+
+"Ja kapitein," antwoordde de machinist.
+
+"En zijn de veiligheidskleppen belast?"
+
+"Tot op 6-1/2 atmosfeer."
+
+"Belast ze tot op tien atmosferen!"
+
+Dit was een echt Amerikaansch bevel; op den Mississippi zou men niet
+anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.
+
+"Weet gij wel Koen," zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast
+mij stond, "dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?"
+
+"Zooals mijnheer belieft!" antwoordde Koenraad.
+
+Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans
+te loopen.
+
+De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen;
+de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid
+van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne
+geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke
+rookwolken den doorgang verschaffen.
+
+De log werd ten tweeden male uitgeworpen.
+
+"Hoeveel, stuurman?" riep de kapitein.
+
+"19,3 kilometer, kapitein!"
+
+"Stook op!" beval Farragut.
+
+De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen;
+maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3
+kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering
+te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land
+was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet
+het dier zich naderen.
+
+"Wij halen hem in! Wij halen hem in!" riep Ned, maar op het oogenblik
+dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik
+op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen
+wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het
+fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.
+
+Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur 's morgens. Toen
+besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden.
+
+"Zoo," zeide hij, "loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln,
+dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen
+aan het voorstuk!"
+
+Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht;
+het schot ging af, maar de kogel vloog eenige voeten te hoog en over
+het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.
+
+"Een ander die beter bij de hand is!" schreeuwde de kapitein, "500
+dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!"
+
+Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard
+en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde,
+en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier
+getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de
+ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.
+
+"Wat drommel," riep de oude kanonnier woedend, "is die schelm dan
+met zesduims platen gepantserd?"
+
+"Vervloekt!" riep de kapitein.
+
+De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide:
+"ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt."
+
+"Gij hebt gelijk!" antwoordde ik.
+
+Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals
+een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het
+eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van
+afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat
+zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op
+dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de
+duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op
+dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geeindigd was, en wij het
+bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. 's
+Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder
+op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend
+als den vorigen nacht.
+
+De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van
+den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens
+voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde
+maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln
+naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van
+zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle
+zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt,
+en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder
+op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas,
+stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam
+voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op
+het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat
+in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik
+zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich met de
+eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken
+harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke
+dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen
+vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard
+voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit,
+en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende
+stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde
+alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok,
+en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik
+over de verschansing in zee geworpen.
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+Een vreemdsoortige walvisch.
+
+Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen,
+wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer
+twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder
+daarom nog zoo'n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat
+van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een
+paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens
+naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning
+opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een
+sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?
+
+Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte
+massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten
+langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren
+was. "Help! help!" riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde,
+om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij;
+het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden
+er door verlamd; ik zonk; ik stikte.
+
+"Help!" het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik
+worstelde en zonk naar den afgrond....
+
+Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen;
+ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde--ja waarachtig
+ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen:
+
+"Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen,
+zal hij veel gemakkelijker zwemmen."
+
+Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.
+
+"Hoe, zijt gij het?" vroeg ik.
+
+"Ik zelf mijnheer," antwoordde Koen, "tot mijnheers dienst."
+
+"Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?"
+
+"Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer
+gevolgd."
+
+De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.
+
+"En het fregat?" vroeg ik.
+
+"Het fregat," antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide,
+"ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet."
+
+"Wat zegt gij?"
+
+"Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui
+hoorde zeggen: "de schroef en het roer zijn stuk...."
+
+"Stuk?"
+
+"Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de
+eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig
+voor ons, omdat er geen stuur meer in zit."
+
+"Dan zijn wij verloren."
+
+"Misschien," antwoordde Koenraad bedaard; "maar wij hebben toch nog
+eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren."
+
+De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer
+kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon
+ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. "Als mijnheer
+mij veroorlooft ze los te snijden," zeide hij, en hij sneed met
+zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok
+hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op
+mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna
+weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al
+vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al
+was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet
+naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden
+dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort,
+en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die
+flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!
+
+Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van
+de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen
+om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te
+wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze
+niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl
+een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en
+gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem
+voorwaarts duwen. Wij zouden elk niet meer dan tien minuten die rol
+van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij
+nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.
+
+Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart
+zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk
+lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik
+aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.
+
+De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur
+'s avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang
+acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander
+aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den
+golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien,
+welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der
+zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam
+braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben,
+dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen een uur 's morgens was ik
+erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad
+moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem
+alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort
+en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon.
+
+"Laat mij los, laat mij los!"
+
+"Mijnheer los laten? nooit," riep hij, "ik hoop nog voor mijnheer
+te verdrinken."
+
+Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar
+het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen;
+dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn
+hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het
+was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen,
+nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen;
+wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen
+lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen,
+en ik hoorde hem eenige malen: "help! help!" roepen. Wij hielden ons
+een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in
+mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg,
+of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf?
+
+"Hebt gij het gehoord?" stamelde ik.
+
+"Ja, ja!" en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal
+vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord;
+was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van
+den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene
+sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht?
+
+Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne
+schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten
+ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel
+toen uitgeput weer neer.
+
+"Wat hebt gij gezien?"
+
+"Ik zag," stamelde hij, "ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten
+wij al onze krachten bewaren?"
+
+Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor
+de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren
+toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat.
+
+Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het
+hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke
+ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten
+waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op
+mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol
+zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het
+hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte....
+
+Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er
+aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde;
+ik haalde ruimer adem en viel in zwijm....
+
+Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef;
+ik opende de oogen....
+
+"Koenraad!" fluisterde ik.
+
+"Heeft mijnheer mij gebeld?" antwoordde Koenraad.
+
+Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande
+maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds
+herkende.
+
+"Ned!" riep ik uit.
+
+"Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na," antwoordde Ned Land.
+
+"Zijt gij door den schok in zee geworpen?"
+
+"Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna
+onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen."
+
+"Een eiland?"
+
+"Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn."
+
+"Verklaar u duidelijker Ned."
+
+"En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft
+getroffen, en op zijn huid is afgesprongen."
+
+"Waarom dan Ned, waarom?"
+
+"Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is."
+
+Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn
+herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen
+nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen
+omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste
+gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken
+en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den
+voet op; het was klaarblijkelijk een hard, ondoordringbaar voorwerp en
+niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren
+is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn,
+zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien
+kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden
+en alligators.
+
+Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten,
+was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een
+metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij
+scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken
+te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster,
+het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had
+gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden
+had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veel
+wonderlijker verschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden
+gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie
+zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des
+Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets
+onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door
+'s menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand
+geheel uit het veld te slaan!
+
+Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op
+een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan
+oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn
+meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet
+toe komen.
+
+"Maar dan bevat dit toestel," zeide ik, "een werktuig om het in
+beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?"
+
+"Natuurlijk," antwoordde de harpoenier, "en toch heeft dit drijvend
+eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van
+leven gegeven."
+
+"Heeft het schip zich dan niet bewogen?"
+
+"Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen,
+maar het beweegt zich niet."
+
+"Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote
+snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die
+snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen,
+zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn."
+
+"Hm!" zeide Ned, zonder zich verder uit te laten.
+
+Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon
+het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig
+op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest
+worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den
+tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtig centimeter uit
+het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo
+buitengewoon groot.
+
+"Zoolang het ding horizontaal doorvaart," mompelde Ned Land, "heb ik
+niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken,
+dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid."
+
+Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk
+om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook,
+die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene
+opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen
+der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween
+de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag
+afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche
+schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een
+gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als
+het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen
+oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen;
+en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van
+tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht
+te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste
+van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.
+
+Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered
+te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende,
+dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De
+schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water,
+en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met
+groote kracht opspuiten.
+
+Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk
+om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven
+onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned's hand een grooten
+ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons
+stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne
+herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar
+eene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een
+oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid,
+een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te
+hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar
+welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens
+leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met
+zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen?
+
+De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te
+scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van
+horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het
+vaartuig langzamerhand voelde wegzinken.
+
+"Duizend duivels," riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het
+dof klinkende metaal stampte, "opent dan, ongastvrije schippers!"
+
+Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van
+de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet
+dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten
+binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen,
+gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige
+oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat,
+en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden.
+
+
+HOOFDSTUK VIII
+
+Mobilis in Mobile.
+
+Dat naarbinnenslepen was vrij lomp, doch had met de snelheid van
+den bliksem plaats gehad. Wij hadden den tijd niet gehad om tot
+ons zelven te komen. Ik weet niet wat mijne makkers ondervonden,
+toen zij in die drijvende gevangenis naar beneden werden gehaald,
+maar wat mij aanging, ik voelde eene kille huivering door mijne leden
+gaan. Met wie hadden wij te doen? Zonder twijfel met zeeroovers van
+een nieuwe soort, die op hunne wijze de zee doorkruisten.
+
+Nauwelijks was het enge luik gesloten, of ik bevond mij in volslagen
+duisternis. Mijne oogen, die nog verblind waren door het daglicht,
+zagen niets. Ik voelde met mijne bloote voeten de treden van eene
+ijzeren trap. Ned Land en Koen werden stevig aangegrepen en volgden
+mij; onder aan de trap opende zich eene deur, die onmiddellijk achter
+ons met dof geluid gesloten werd. Wij waren alleen. Waar? Ik kon het
+niet zeggen, mij nauwelijks voorstellen. Alles was donker, maar zoo
+volslagen donker, dat na eenige minuten wachtens mijne oogen zelfs
+nog geen van die onbepaalde schemeringen zagen, welke men zelfs in
+den donkersten nacht bemerkt. Ned Land was woedend over die wijze
+van handelen, en liet zijne verontwaardiging den vrijen loop.
+
+"Duizend duivels," riep hij, "dat zijn lui aan wie de Caledoniers nog
+een lesje in de gastvrijheid zouden kunnen geven! Het ontbreekt er nog
+maar aan, dat het menscheneters zijn! Het zou mij niet verwonderen,
+maar ik verklaar, dat ik mij niet zonder tegenstand zal laten opeten."
+
+"Bedaar, vriend Ned, bedaar," antwoordde Koenraad kalm.
+
+"Maak u voor den tijd niet boos; wij liggen nog niet in de pan
+te braden!"
+
+"In de pan, neen," zeide Ned, "maar in den oven wel. Het is hier
+waarachtig donker genoeg. Gelukkig heb ik mijn mes nog, en ik zie
+genoeg om er mij van te bedienen."
+
+Ik liep al tastende vooruit; na vijf of zes stap stiet ik tegen een
+ijzeren muur van platen met bouten vastgeklonken. Toen ik mij omkeerde
+voelde ik eene houten tafel, waarbij verscheiden bankjes stonden. De
+vloer was bedekt met eene dikke mat, welke het geluid onzer schreden
+verdoofde. Aan de naakte wanden voelde ik niets wat op deur of venster
+geleek. Koenraad, die langs den tegenovergestelden kant had rondgetast,
+kwam weder bij mij, waaruit het ons bleek dat de hut zoo wat twintig
+voet lang en tien voet breed zijn moest. Wat de hoogte aangaat,
+Ned Land kon, hoewel hij nog al lang was, den zolder niet bereiken.
+
+Er was een half uur voorbijgegaan zonder dat de toestand veranderd
+was, toen onze oogen van de diepste duisternis plotseling tot het
+scherpste licht overgingen. Eensklaps werd onze gevangenis, verlicht,
+dat is te zeggen, dat zij met zulk een schitterend licht vervuld werd,
+dat ik het aan de oogen niet verdragen kon. Aan de helderheid en de
+witheid herkende ik het als het electrieke schijnsel, dat rondom het
+onderzeesche vaartuig dat prachtige lichtverschijnsel had teweeg
+gebracht. Nadat ik de oogen eenige oogenblikken onwillekeurig had
+gesloten gehouden, opende ik ze weer en zag dat het licht viel uit een
+gepolijsten halven bol, welke in de zoldering der hut was aangebracht.
+
+"Nu kan men ten minste zien," riep Ned, die met zijn mes in de hand
+zich ter verdediging gereed hield.
+
+"Ja," antwoordde ik, "maar onze toestand blijft er niettemin even
+duister om."
+
+"Laat mijnheer slechts geduld nemen," zeide de kalme Koenraad.
+
+De plotselinge verlichting der hut liet mij die in de kleinste
+bijzonderheden zien. Er waren slechts een tafel en vijf bankjes in te
+vinden; de onzichtbare deur moest hermetisch gesloten zijn; geen het
+minste geluid trof ons oor. Alles scheen dood in het vaartuig. Ging
+het voorwaarts, dreef het aan de oppervlakte van den Oceaan, of was
+het in de diepte gedaald? Ik kon het niet gissen.
+
+Echter was dat licht niet voor niets ontstoken. Ik hoopte dus dat
+eenigen van de equipage zich weldra zouden vertoonen. Als men de
+menschen wil vergeten, verlicht men hunne gevangenis niet.
+
+Ik bedroog mij niet; een geschuif van grendels deed zich hooren,
+de deur ging open en twee mannen traden binnen.
+
+De een was klein maar sterk gespierd, breed van schouders, zwaar
+gebouwd van leden, met een krachtig hoofd, zwaar en zwart haar,
+en dikken knevel, en een levendig en doordringend oog. Zijn geheele
+persoon drukte die zuidelijke levendigheid uit, welke in Frankrijk het
+kenmerk is der bewoners van Provence. De tweede onbekende verdient
+uitvoeriger beschrijving; een gelaatkundige zou op diens aangezicht
+als in een open boek gelezen hebben. Ik herkende zonder aarzelen een
+heerschzuchtig karakter, vol vertrouwen op zich zelven, want zijn
+hoofd stond edel op zijne schouders, en zijne zwarte oogen zagen u
+aan met koele zekerheid; hij was kalm van natuur, want aan de licht
+gekleurde huid was het te zien, dat zijn bloed langzaam stroomde; hij
+bezat geestkracht, blijkens het snel samentrekken zijner wenkbrauwen;
+eindelijk moest hij moed bezitten, want zijne ademhaling bewees,
+dat hij groote levenskracht bezat. Ik voeg er nog bij dat die man
+trotsch was, dat zijn vaste en kalme blik groote gedachten verried,
+en dat hij stellig openhartig zijn moest, omdat de uitdrukking zijner
+bewegingen geheel met die van zijn gelaat overeen kwam.
+
+Onwillekeurig voelde ik mij in zijne tegenwoordigheid zeker, en ik
+voorspelde mij veel goeds van die samenkomst. Was die man 35 of 50
+jaar; ik zou het niet juist hebben kunnen zeggen. Hij was lang van
+gestalte, had een breed voorhoofd, een fijnen rechten neus, een scherp
+geteekenden mond, prachtige tanden en schoone lange handen. Hij was
+zeker wel de verwonderlijkste type, welke ik ooit ontmoet had. Als iets
+bijzonders merkte ik op, dat zijne oogen, welke een weinig ver van
+elkander stonden, tegelijk een vierde gedeelte van den gezichteinder
+konden omvatten, waardoor, zooals mij later bewezen werd, zijn gezicht
+nog veel scherper was dan dat van Ned Land. Als die onbekende naar
+eenig voorwerp zag, fronste hij de wenkbrauwen, trok het oog zoo te
+samen, dat slechts de pupil zichtbaar bleef, beperkte daardoor den
+blik alleen tot het bedoelde voorwerp en keek. Maar met welk een
+blik! Hoe werden de door den afstand kleiner wordende voorwerpen
+verduidelijkt! Hoe drong die blik in de ziel door! Hoe drong hij ook
+door in die vloeistof, welke voor ons oog ondoorzichtig is; hoe las
+hij in de diepten der zee!
+
+De twee onbekenden hadden mutsen van bevervel op, en laarzen aan van
+de huid van een walrus; zij droegen kleeren van bijzonder weefsel,
+die de lichaamsvormen gunstig deden uitkomen, en groote vrijheid van
+beweging toelieten.
+
+De grootste van de twee, waarschijnlijk de bevelhebber van het
+vaartuig, bekeek ons met bijzondere opmerkzaamheid, zonder een
+enkel woord te zeggen; toen wendde hij zich tot zijn makker en
+onderhield zich met hem in eene mij geheel onbekende taal. Het was
+eene welluidende, harmonische, buigzame taal, welker klinkers op
+verschillende wijzen schenen te kunnen worden uitgesproken. De ander
+antwoordde met een hoofdschudden, en voegde er slechts twee of drie
+volkomen onverstaanbare woorden bij, daarop scheen hij mij met zijn
+blik te willen ondervragen. Ik antwoordde in het Fransch, dat ik
+zijne taal niet verstond, maar hij scheen mij niet te begrijpen;
+die toestand werd vrij lastig.
+
+"Als mijnheer onze geschiedenis eens vertelde," zeide Koenraad,
+"dan zouden die heeren er mogelijk eenige woorden van begrijpen."
+
+Ik begon het verhaal van onze lotgevallen, terwijl ik op al mijne
+woorden een bijzonderen nadruk legde, en geen enkele bijzonderheid
+vergat. Ik gaf onze namen en hoedanigheden op, daarop stelde ik hem
+volgens de wetten der wellevendheid den hoogleeraar Aronnax, zijn
+knecht Koenraad en meester Ned Land den harpoenier voor.
+
+De man met dien zachten en kalmen oogopslag, hoorde mij bedaard,
+beleefd en met de grootste oplettendheid aan. Maar geen trek van zijn
+gelaat verried, dat hij mij begrepen had. Toen ik gedaan had, sprak hij
+geen woord. Ik kon nu nog beproeven hem in het Engelsch aan te spreken;
+misschien verstond hij die taal; ik kende haar en ook Hoogduitsch;
+maar beiden slechts genoeg om ze vlug te lezen, doch niet om ze vlot
+te spreken. En hier kwam het er vooral op aan om mij te doen verstaan.
+
+"Nu is het uwe beurt," zeide ik tot den harpoenier, "praat gij nu
+eens in het beste Engelsch, dat ooit een Angelsaks gesproken heeft,
+en beproef eens of gij gelukkiger zijt dan ik."
+
+Ned liet het zich geen tweemaal zeggen en begon hetzelfde verhaal
+als het mijne; het was in den grond hetzelfde, alleen de vorm
+verschilde. De harpoenier door zijn driftig karakter medegesleept,
+sprak met zeer veel vuur. Hij beklaagde zich hevig dat hij tegen
+alle recht en billijkheid in gevangen werd gehouden, vroeg volgens
+welke wet men hem vasthield, riep de habeas corpus-akte in, dreigde
+hen te vervolgen, die hem onrechtvaardig opsloten, zwaaide met zijn
+armen, schreeuwde en gaf eindelijk door zijne gebaren te kennen,
+dat wij van honger stierven. Dit was volkomen waar, doch wij hadden
+het bijna vergeten.
+
+Tot zijne groote verbazing scheen het dat Ned evenmin verstaan was als
+ik. Onze bezoekers vertrokken zelfs geen wenkbrauw, het was duidelijk
+dat zij Fransch, noch Engelsch verstonden. Ik was verlegen omdat wij
+onze welsprekendheid te vergeefs hadden uitgeput, en wist niet meer
+wat te doen, toen Koenraad mij vroeg: "als mijnheer het goedvindt,
+zal ik de zaak eens in 't Hoogduitsch vertellen."
+
+"Wat, kent gij Duitsch?" riep ik uit.
+
+"Een weinig, zooals bijna elk Nederlander, mijnheer!"
+
+"Ga uw gang dan maar, mijn jongen."
+
+En Koenraad vertelde met de grootste bedaardheid voor de derde
+maal onze lotgevallen. Maar niettegenstaande de fraaie volzinnen
+en het schoone stemgeluid van den verteller, slaagde het Duitsch
+evenmin. Eindelijk tot het uiterste gebracht, trachtte ik mij alles nog
+te herinneren, wat mij van mijne eerste studien was bijgebleven, en ik
+poogde hun onze geschiedenis in het Latijn te vertellen. Cicero zou
+zich de ooren hebben toegestopt, en had mij naar de keuken gejaagd;
+maar ik bracht het er redelijk wel af, de uitslag echter was even
+ontmoedigend.
+
+Toen deze laatste poging bepaald mislukt was, wisselden de beide
+onbekenden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal, en vertrokken
+zonder ons zelfs met eenige geruststellende beweging te groeten. De
+deur ging weer dicht.
+
+"'t Is een schandaal!" schreeuwde Ned Land, die voor de twintigste
+maal losbarstte. "Wat, men spreekt hen in het Fransch, Engelsch,
+Duitsch en Latijn aan, en geen van die schavuiten heeft de beleefdheid
+van te antwoorden!"
+
+"Bedaar, vriend Ned," zeide ik tot den woedenden harpoenier, "uw
+toorn leidt tot niets."
+
+"Weet gij dan wel, mijnheer de professor," hernam mijn lichtgeraakte
+metgezel, "dat men in die ijzeren kooi best van honger kan sterven?"
+
+"Kom, kom!" zei Koenraad, "met een beetje philosophie kan men het
+lang uithouden!"
+
+"Vrienden," zeide ik, men moet niet wanhopen; wij hebben reeds in
+vrij wat erger omstandigheden verkeerd. Doet mij dus het genoegen
+om nog te wachten, voordat gij een oordeel over den kapitein en de
+equipage van dit vaartuig velt."
+
+"Mijn oordeel is reeds gevormd," antwoordde Ned Land, "het zijn
+schelmen...."
+
+"Goed, en uit welk land?"
+
+"Uit het land van de schelmen!"
+
+"Mijn beste Ned, dat land staat op de wereldkaart nog niet juist
+aangeteekend, en ik beken dat de afkomst van die beide onbekenden
+moeielijk te bepalen is. Men kan alleen zeggen, dat het geen Franschen,
+Engelschen of Duitschers zijn; evenwel houd ik het er voor, dat die
+kapitein en zijn stuurman dicht bij den evenaar geboren zijn; er is
+iets zuidelijks in hun voorkomen; maar hun gelaat en vormen kunnen
+niet doen beslissen of het Spanjaarden, Turken, Arabieren of Indiers
+zijn. Hunne taal is geheel onverstaanbaar."
+
+"Dat is nu het onaangename van niet alle talen te kennen," antwoordde
+Koenraad, "of het nadeel van niet eene eenige wereldtaal te bezitten."
+
+"Dat zou tot niets leiden!" sprak Ned Land. "Hoort gij niet dat dit
+volk eene taal op hun eigen hand heeft, een gerammel om iemand wanhopig
+te maken, die om eten vraagt! Maar begrijpt men in alle landen van
+de wereld niet, wat het beteekent als men den mond open doet, zijn
+kakebeen op en neer beweegt, en met tanden en lippen klapt? Wil dat
+niet overal, in Quebec en op de Pomotu-eilanden, te Parijs en in
+Japan zeggen: ik heb honger, geef mij wat eten?"
+
+"Och," zeide Koenraad, "er zijn zulke onbegrijpelijke menschen."
+
+Toen hij dit zeide ging de deur open, er kwam een hofmeester binnen,
+die kleeren bracht van eene stof vervaardigd, welke ik niet kende. Ik
+haastte mij om ze aan te trekken, en mijne makkers volgden mijn
+voorbeeld.
+
+Gedurende dien tijd had de hofmeester, misschien wel een doofstomme,
+de tafel voor drie personen gedekt.
+
+"Dat lijkt toch ernst te zijn," zeide Koenraad, "een goed voorteeken!"
+
+"'t Zou wat," antwoordde de haatdragende harpoenier, "wat drommel
+zouden wij hier te eten krijgen? Schildpaddenlever, haaiengebraad,
+zeehondenbiefstuk!"
+
+"Dat zullen wij eens zien!" zeide Koenraad.
+
+Eenige schotels met zilveren deksels werden in orde op de tafel gezet,
+en wij namen plaats. Het was zeker dat wij met beschaafde lieden
+te doen hadden, en zonder het electrieke licht waaronder wij zaten,
+zou ik gedacht hebben in een hotel aan de table d'hote te zitten. Ik
+moet echter zeggen, dat brood en wijn geheel ontbraken. Het water
+was frisch en helder, maar--water viel in 't geheel niet in den
+smaak van Ned Land. Onder de opgediende gerechten herkende ik eenige
+heerlijk klaargemaakte vischsoorten, maar over eenige overigens lekkere
+schotels, kon ik geen oordeel uitspreken en ik zou zelfs niet hebben
+kunnen zeggen of ze tot het planten- of dierenrijk behoorden. Het
+servies en tafelzilver waren net en smaakvol. Elk stuk, lepel, vork,
+mes, bord, enz., was met eene letter geteekend, waaromheen in een
+kringetje eenige woorden stonden, op deze wijze:
+
+MOBILIS
+
+N
+
+IN MOBILE
+
+Mobilis in mobile [1], een devies, dat zeker sloeg op het vaartuig,
+waarin wij ons bevonden; de letter N was waarschijnlijk de eerste
+letter van den naam van den raadselachtigen persoon, die hier in de
+diepte der zee bevel voerde.
+
+Ned en Koenraad maakten niet zooveel opmerkingen. Zij aten maar, en
+ik volgde weldra hun voorbeeld. Ik was bovendien gerust in ons lot,
+daar het duidelijk bleek, dat onze gastheeren ons niet van honger
+wilden doen sterven. Alles eindigt evenwel hier beneden, alles, zelfs
+de honger van menschen, die in geen vijftien uur gegeten hebben. Toen
+onze honger gestild was, deed zich de behoefte aan slaap geducht
+voelen. Het was zeer natuurlijk ook, na dien eindeloozen nacht,
+gedurende welken wij met den dood geworsteld hadden.
+
+"Nu zal ik wel slapen," zeide Koenraad.
+
+"En ik slaap al!" bromde Ned Land, die even als Koenraad op de
+vloermatten ging liggen, waar wij weldra vast sliepen. Ik kon
+den slaap nog zoo gemakkelijk niet vatten; te veel denkbeelden
+doorkruisten mijn geest, te veel onoplosbare vragen kwamen in mij
+op, al te veel voorstellingen hielden mijne oogen geopend. Waar
+bevonden wij ons? Welke vreemde macht sleepte ons mede. Ik voelde
+of liever ik meende te voelen, dat het vaartuig in het diepste
+gedeelte der zee daalde; vreeselijke nachtmerrien plaagden mij;
+ik zag in die geheimzinnige diepte een wereld van onbekende dieren,
+welker samenleving dit onderzeesche vaartuig scheen te deelen, levend,
+zich bewegend, even afschuwelijk van gedaante als zij!... Toen werd
+het kalmer in mijn geest, mijn denkvermogen loste zich op in eene
+onbepaalde lusteloosheid, en ik viel weldra in een doffen slaap.
+
+
+HOOFDSTUK IX
+
+Woede van Ned Land.
+
+Hoe lang die slaap duurde, weet ik niet; maar het moet lang geduurd
+hebben, want wij waren geheel van onze vermoeienissen hersteld. Ik werd
+het eerste wakker; mijne makkers bewogen zich nog niet en bleven als
+wezenlooze wezens in hun hoek liggen. Nauwelijks was ik van mijn vrij
+hard leger opgestaan, of mijn geest was weder helder, mijn denkvermogen
+opgeklaard. Ik begon onze cel op nieuw nauwkeurig te onderzoeken. Niets
+was er veranderd: wij waren gevangenen gebleven. Gedurende onzen slaap
+had de hofmeester de tafel afgenomen; niets duidde dus aan dat onze
+toestand spoedig zou veranderen, en ik vroeg mij ernstig af of wij
+bestemd waren om altijd in die kooi te leven. Dit vooruitzicht scheen
+mij des te onaangenamer toe, omdat, al was mijn hoofd helderder dan
+den vorigen dag, ik eene zonderlinge gedruktheid op de borst voelde. Ik
+haalde moeielijk adem: de zware lucht was voor mijne longen niet meer
+voldoende; hoe groot onze cel ook was, het was duidelijk dat wij het
+grootste deel van de daarin aanwezige zuurstof verbruikt hadden; ieder
+mensch toch verbruikt in een uur de zuurstof, welke in honderd liter
+lucht vervat is, en die lucht met eene bijna even groote hoeveelheid
+koolzuur bezwangerd, wordt dan ongeschikt voor de ademhaling.
+
+Het was dus hoogst noodzakelijk om de lucht in onze gevangenis
+te ververschen, en zonder twijfel ook de lucht in het geheele
+vaartuig. Hier deed zich eene vraag bij mij op. Hoe handelde
+de kapitein van dit drijvende toestel? Verkreeg hij lucht langs
+scheikundigen weg, door de zuurstof door middel van warmte uit
+chloorzure potasch af te zonderen, en koolzuur met bijtende potasch
+te verbinden? In dat geval moest hij toch in eenige betrekking staan
+met het land, ten einde zich de noodige grondstoffen te verschaffen,
+welke hiertoe noodig waren. Of bepaalde hij er zich slechts toe
+om de lucht onder deze drukking in bewaarplaatsen op te hoopen,
+en die te verspreiden, naarmate het scheepsvolk er behoefte aan
+had? Misschien. Of gebruikt hij een gemakkelijker, goedkooper en dus
+ook waarschijnlijker middel, namelijk om aan het oppervlak der zee
+als een walvisch te komen ademhalen, en zijn voorraad lucht voor 24
+uur te vernieuwen? Hoe het ook zij en welk zijn stelsel ware, het
+kwam mij voor dat hij voorzichtig handelen zou als hij het zonder
+lang te wachten in het werk stelde.
+
+Ik moest reeds sneller ademhalen om het weinigje zuurstof, hetwelk
+de cel nog bevatte in mijne longen te brengen, toen ik plotseling
+verfrischt werd door zuivere zeelucht. Ik opende den mond wagewijd,
+en mijne longen werden met versche lucht verzadigd. Tegelijkertijd
+voelde ik eene schommeling, een kleine slingering, maar welke volkomen
+duidelijk te herkennen was. Het vaartuig, het metalen monster, was naar
+de oppervlakte van den Oceaan gerezen om er evenals de walvisschen
+adem te halen. De wijze van luchtverversching van het vaartuig had
+ik dus duidelijk herkend.
+
+Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd, zocht ik
+naar de geleidingsbuizen, welke dien weldadigen luchtstroom tot ons
+deden komen, en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat,
+waardoor een stroom versche lucht kon binnen komen, om de bedorven
+atmosfeer van onze cel te ververschen.
+
+Zoover was ik met mijne opmerkingen gekomen, toen Ned en Koenraad
+bijna tegelijk door dien stroom van versche lucht wakker werden. Zij
+wreven zich de oogen, rekten de armen uit en waren in een oogenblik
+op de been.
+
+"Heeft mijnheer goed geslapen?" vroeg Koenraad mij met zijne gewone
+beleefdheid.
+
+"Heel goed, mijn jongen," antwoordde ik, "en gij Ned Land?"
+
+"Als een os, mijnheer de professor. Maar ik weet niet of ik mij vergis,
+het is alsof ik zeelucht inadem."
+
+Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen, en ik vertelde wat er
+gedurende hun slaap had plaats gehad.
+
+"Zoo," zeide hij, "dat verklaart volkomen het gebrul dat wij hoorden,
+toen de Abraham Lincoln den zoogenaamden eenhoorn in het gezicht
+kreeg."
+
+"Zoo is het Ned, het was zijne ademhaling."
+
+"Maar, mijnheer Aronnax, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe
+laat het is, of het moest het uur van het middagmaal zijn?"
+
+"Het uur van ons middagmaal, brave harpoenier? Zeg liever het uur van
+'t ontbijt, want wij zijn zeker reeds meer dan een dag hier."
+
+"Dat bewijst," antwoordde Koenraad, "dat wij vierentwintig uur
+geslapen hebben."
+
+"Zoo denk ik er ook over," antwoordde ik.
+
+"Ik spreek u niet tegen," hernam Ned Land, "maar middagmaal of ontbijt,
+de hofmeester zal welkom zijn als hij het een en ander brengt."
+
+"Het een en het ander," zeide Koenraad.
+
+"Juist," antwoordde Ned, "wij hebben recht op een dubbel maal, en
+wat mij aangaat, ik zal aan beiden eer genoeg bewijzen."
+
+"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidelijk dat
+die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven, want in dat
+geval zou het eten van gisteren avond ongerijmd zijn."
+
+"Of men moest ons willen vetmesten," hernam Ned.
+
+"Dat spreek ik tegen," zeide ik, "wij zijn niet in handen van
+menscheneters gevallen."
+
+"Eens is nog geene gewoonte," merkte de harpoenier ernstig op "Wie weet
+of die kerels niet sinds lang naar versch vleesch hebben uitgezien, en
+in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde menschen als mijnheer,
+Koen en ik...."
+
+"Verban toch die gedachten Ned, en neem daaruit vooral geene aanleiding
+om u boos te maken tegen die menschen, want dat zou onzen toestand
+slechts verergeren."
+
+"In allen gevalle," sprak Ned, "heb ik een honger als de duivel,
+en middagmaal of ontbijt, wij schijnen geen van beiden te krijgen."
+
+"Zeg eens Ned," gaf ik ten antwoord, "wij moeten ons aan de scheepswet
+onderwerpen, en ik houd het er voor, dat onze maag voor is bij het
+horloge van den kok."
+
+"Welnu dan zal ik haar gelijk zetten," sprak Koenraad bedaard.
+
+"Daaraan herken ik u weder, vriend Koen," zeide de ongeduldige Ned,
+"gij zijt niet toornig of zenuwachtig; altijd bedaard! Gij zoudt in
+staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger
+te sterven dan u te beklagen."
+
+"Waartoe zou dat ook dienen?" vroeg Koenraad.
+
+"Alleen om maar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeeroovers
+(ik noem ze zeeroovers, om mijnheer niet te ergeren, die verbiedt
+om ze menscheneters te noemen), als die zeeroovers zich verbeelden
+dat zij mij in die stinkende kooi zullen houden, zonder nog eerst
+te hooren met welke verwenschingen ik aan mijne woede lucht geef,
+dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, mijnheer, zoudt
+gij denken dat zij ons lang in die ijzeren kooi houden?"
+
+"Om u de waarheid te zeggen Ned, weet ik er niet veel meer van
+dan gij."
+
+"Maar wat veronderstelt gij dan?"
+
+"Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van
+een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er
+belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven
+groot gevaar loopt. In het tegenovergestelde geval zal het monster,
+dat ons heeft ingeslokt, ons wel weder op de bewoonde aarde uitspuwen."
+
+"Of men moest ons onder de equipage opnemen," zeide Koenraad,
+"en ons zoo lang houden...."
+
+"Tot op het oogenblik," antwoordde Ned Land, "dat eenig fregat,
+dat harder stoomt, en behendiger is dan de Abraham Lincoln, zich
+van dit nest van zeeschuimers meester maakt, en de equipage en ons
+aan het uiteinde van de groote ra voor de laatste maal een luchtje
+laat scheppen."
+
+"Mooi gezegd, Ned," hervatte ik, "maar voor zoover ik weet, heeft men
+ons nog geen voorstel in dien geest gedaan. Het is dus onnoodig om te
+twisten over de partij, welke wij moeten nemen, als dit gebeurt. Ik
+herhaal het u dat wij moeten wachten; laat ons met de omstandigheden
+te rade gaan, en niets doen, omdat wij toch niets doen kunnen."
+
+"Integendeel, mijnheer de professor," zeide de harpoenier, die niet
+van zijn stuk te brengen was, "men moet iets doen."
+
+"En wat dan, baas Land?"
+
+"Vluchten."
+
+"Om uit eene aardsche gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk,
+maar om uit eene onderzeesche gevangenis te ontkomen schijnt mij
+geheel onmogelijk."
+
+"Komaan, vriend Ned," vroeg Koenraad, "wat antwoordt gij daarop? Ik
+kan niet gelooven dat een Amerikaan ooit ten einde raad is."
+
+De harpoenier was zichtbaar verlegen, en zweeg. Eene ontvluchting was
+in ons geval bepaald onmogelijk. Maar een inboorling van Canada is
+zoowat een halve Franschman, en dat bewees Ned Land door zijn antwoord.
+
+"Kunt gij dan niet raden, mijnheer," vroeg Ned na eenige oogenblikken
+nadenkens, "wat mannen moeten doen, die niet uit hunne gevangenis
+kunnen ontsnappen?"
+
+"Nog niet, mijn vriend."
+
+"Dat is dood eenvoudig, dan moeten zij beproeven om er zoo goed
+mogelijk in te blijven."
+
+"Dat geloof ik wel," zeide Koenraad, "het is toch beter er in, dan
+er op of er onder."
+
+"Maar als men cipier en oppassers er uit gooit," voegde Ned Land
+er bij.
+
+"Wat, Ned? Zoudt gij er wezenlijk aan denken, om u van dit vaartuig
+meester te maken?"
+
+"Zeker," antwoordde de harpoenier.
+
+"Dat is onmogelijk!"
+
+"Waarom, mijnheer? Misschien krijgen wij wel eens eene gunstige kans,
+en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als
+er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Franschen en
+Ned Land toch voor zoo'n handjevol volks niet bang zijn?"
+
+Het was nog beter om het voorstel van den harpoenier aan te nemen
+dan er over te twisten; daarom antwoordde ik:
+
+"Laat de kans eerst komen, en dan zullen wij eens zien. Maar tot
+dien tijd toe verzoek ik u uw ongeduld te bedwingen; men kan slechts
+met list handelen, en als gij u kwaad maakt, zult gij zeker geene
+gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonden drift in
+de omstandigheden te schikken?"
+
+"Ik beloof het u, mijnheer de professor," antwoordde Ned op weinig
+geruststellenden toon. "Er zal geen driftig woord meer uit mijn mond
+komen, geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als
+wij niet zoo regelmatig als wij wenschen de tafel voor ons zullen
+zien dekken."
+
+"Ik houd u aan uw woord, Ned!" zeide ik.
+
+Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijne overpeinzingen
+over. Ik beken, dat ik niettegenstaande de verzekering van den
+harpoenier, mij geene illusien maakte; ik geloofde niet aan die
+gunstige kans, waarvan Ned Land gesproken had. Om zoo goed bestuurd
+te worden, had het vaartuig zeker eene talrijke equipage noodig,
+en daarom zouden wij bij eene worsteling met eene veel te groote
+overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn,
+en dat waren wij niet. Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed
+gesloten ijzeren hut te geraken; en als de vreemde kapitein van dat
+schip een geheim te bewaren had, wat mij ten minste waarschijnlijk
+toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondloopen. Zou
+hij zich nu met geweld van ons ontslaan, of zou hij ons te eeniger
+tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die
+veronderstellingen schenen mij even waarschijnlijk, en men moest een
+harpoenier zijn om ooit op eene bevrijding te hopen.
+
+Overigens begreep ik dat Ned Lands verbittering toenam, naarmate zijne
+overdenkingen zich geheel van zijne drift meester maakten. Ik hoorde
+hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij
+op nieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wild
+dier in eene kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen den
+muur. Bovendien verliep de tijd, de honger deed zich erg gevoelen en
+de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen,
+dan vergat men ons, ongelukkige schipbreukelingen, toch wat al te
+lang. Ned Land, wiens sterke maag hem begon te plagen, werd hoe langer
+hoe driftiger, en hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik
+inderdaad eene uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen
+kon krijgen. Zijn toorn vermeerderde nog gedurende twee lange uren; hij
+riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik
+hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood
+scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen
+wel bemerkt hebben, welke het draaien eener schroef veroorzaakt. Het
+was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald en behoorde niet meer
+tot deze aarde; die doodsche stilte was vreeselijk! Ik durfde er zelfs
+niet naar te raden hoe lang onze verlatenheid, of onze eenzaamheid nog
+duren zou; langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na onze
+ontmoeting met den kapitein gekoesterd had. De zachte blik van dien
+man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in
+zijne houding, dit alles verdween uit mijne herinnering. Ik beschouwde
+het raadselachtige wezen slechts als onmeedoogend en wreed: ik stelde
+mij hem voor als onmenschelijk, ongevoelig voor eenig medelijden,
+hard jegens zijne medemenschen aan wie hij een eeuwigen haat scheen
+te hebben gezworen. Maar zou die man ons van honger doen sterven,
+opgesloten in deze enge gevangenis, en overgegeven aan die vreeselijke
+gedachten, welke woedende honger bij den mensch soms opwekt? Dit
+ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid,
+en in mijne verbeelding gevoelde ik, dat eene onzinnige vrees mij
+bekroop. Koenraad bleef kalm, Ned Land brulde nu en dan van woede.
+
+Op dat oogenblik hoorden wij eenig geraas buiten onze gevangenis;
+voetstappen weerklonken op den metalen vloer; sloten werden omgedraaid,
+de deur ging open en de hofmeester verscheen. Voordat ik iets kon doen
+om het te verhinderen, had Ned Land zich op den ongelukkige geworpen;
+hij wierp hem op den grond en greep hem bij de keel; de hofmeester
+stikte bijna onder die geweldige vuisten. Koenraad trachtte het
+halfdoode slachtoffer aan de handen van den woedenden harpoenier
+te onttrekken, en ik wilde hem helpen, toen ik plotseling aan mijne
+plaats genageld bleef staan door het uitspreken van deze woorden in
+de Fransche taal:
+
+"Wees bedaard, mijnheer Land, en gij, mijnheer de professor, hoor
+mij aan."
+
+
+
+HOOFDSTUK X
+
+De man der zee.
+
+Hij, die zoo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig.
+
+Bij die woorden stond Ned Lang plotseling op; de bijna geworgde
+hofmeester ging met wankelende schreden de deur uit, toen zijn meester
+dit met een wenk beval; en zoo groot was de invloed van den kapitein
+op zijne onderhoorigen, dat geen enkele trek op het gelaat van den
+hofmeester de wraak aanduidde, welke die man tegen den harpoenier
+moest koesteren. In de grootste verbazing wachtten Koenraad en ik af
+hoe dit tooneel zou afloopen. De kapitein leunde tegen een hoek van
+de tafel, sloeg de armen over elkander en bekeek ons met de grootste
+aandacht. Aarzelde hij om te spreken, of had hij berouw over de pas
+in het Fransch gesproken woorden? Ik kon het niet gelooven. Na eenige
+oogenblikken van een stilzwijgen, dat geen onzer durfde af te breken,
+zeide hij met bedaarde doch doordringende stem:
+
+"Mijne heeren, ik spreek Fransch, Engelsch, Hoogduitsch en Latijn. Ik
+had u dus bij ons eerste samenzijn reeds kunnen antwoorden, doch ik
+wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal, dat
+in den grond volkomen gelijk was, heeft mij u doen kennen. Ik weet nu,
+dat het toeval mij samen heeft gebracht met den heer Pierre Aronnax,
+hoogleeraar in de natuurlijke geschiedenis aan het Museum te Parijs,
+Koenraad zijn bediende en Ned Land uit Canada, harpoenier aan boord
+van de Abraham Lincoln, een stoomschip van de nationale marine der
+Vereenigde Staten."
+
+Ik boog ten teeken van toestemming; het was geene vraag, welke hij
+mij deed; derhalve was er ook geen antwoord noodig. Die man sprak
+met eene bijzondere gemakkelijkheid, zonder eenig merkbaar accent;
+zijne volzinnen waren afgerond, zijne woorden juist gekozen, en hij
+had eene opmerkelijk goede uitspraak, en toch gevoelde ik dat het
+geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij aldus:
+
+"Gij hebt waarschijnlijk gedacht, mijnheer, dat het lang duurde voor
+ik u een tweede bezoek bracht; dit was omdat ik, toen ik niet wist
+wie gij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken, welke partij ik ten
+uwen opzichte nemen moest; ik heb lang geaarzeld. De meest toevallige
+omstandigheden hebben u bij een man gebracht, die met de menschheid
+gebroken heeft. Gij zijt mijn leven komen storen...."
+
+"Onwillekeurig", zeide ik.
+
+"Hoe, onwillekeurig?" vroeg de onbekende met verheffing van stem. "Is
+het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeen heeft
+opgezocht? Is het onwillekeurig dat gij aan boord van dat fregat
+gekomen zijt? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuit zijn
+op den romp van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Ned Land zijn
+harpoen op mij heeft afgeworpen?"
+
+Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toorn. Maar op die
+beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord, en ik gaf dit
+in deze woorden: "Gij weet zeker niet, mijnheer, welke twistvragen
+er in Amerika en Europa ten uwen opzichte gerezen zijn; gij weet
+waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren
+van botsingen met uw onderzeesch vaartuig, de openbare meening in beide
+werelddeelen hevig geschokt hebben. Ik zal u niet vermoeien met al de
+veronderstellingen, welke men maakte om daarmede het onverklaarbare
+verschijnsel te verklaren, waarvan gij alleen het geheim bezit,
+maar gij zult mij wel willen gelooven als ik u verzeker, dat toen
+de Abraham Lincoln u in het noorden der Stille Zuidzee vervolgde,
+wij een sterk zeemonster meenden na te jagen, van hetwelk men den
+Oceaan, het kostte wat het wilde, moest verlossen."
+
+Een glimlach speelde om de lippen van den kapitein, die op kalmer
+toon vroeg: "Mijnheer Aronnax, zoudt gij durven verzekeren dat uw
+fregat niet even goed een onderzeesch vaartuig als een monster zou
+hebben vervolgd en beschoten?"
+
+Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Farragut zou
+zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het
+zijn plicht was om dit toestel even goed als een reusachtigen eenhoorn
+te vernielen.
+
+"Gij begrijpt dus, mijnheer", hervatte de onbekende, "dat ik het
+recht heb om u als vijanden te beschouwen."
+
+Ik antwoordde niets, en met reden; waarom zou ik over zulke woorden
+twisten, als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan?
+
+"Ik heb lang geaarzeld", vervolgde de gezagvoerder, "niets noodzaakte
+mij om u gastvrijheid te verleenen: als ik mij van u wilde ontdoen
+had ik geen enkel belang om u te houden; ik had u dan weer op het plat
+gezet, dat u reeds eens tot schuilplaats diende, ik zou het vaartuig
+in zee hebben doen zinken, en ik zou vergeten hebben, dat gij ooit
+bestaan hadt. Had ik daartoe geen recht?"
+
+"Dit was misschien het recht van een wilde", antwoordde ik, "maar
+zeker niet van een beschaafd mensch."
+
+"Ik ben geen beschaafd mensch", hernam de kapitein driftig, "zooals gij
+mij gelieft te noemen, mijnheer de professor; ik heb met de geheele
+maatschappij gebroken om redenen, welke ik alleen het recht heb te
+beoordeelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wetten dier maatschappij,
+en ik verzoek u die nimmer in mijne tegenwoordigheid in te roepen."
+
+Dit was duidelijk; toorn en verachting straalden uit het oog van den
+onbekende, en ik vermoedde dat die man een vreeselijk verleden achter
+zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menschelijke
+wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste
+opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon. Wie toch
+zou hem in de diepten der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de
+oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een ijdel
+spel bleken te zijn! Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan den
+schok van dien onderzeeschen monitor? Welke pantsering, hoe dik ook,
+zou een stoot van dit vaartuig weerstaan? Geen enkel mensch kon hem
+rekenschap vragen van zijne daden; de eenige rechters, welke iets op
+hem vermochten, waren God, zoo hij in Hem geloofde en zijn geweten,
+indien hij er een had. Deze opmerkingen kwamen mij voor den geest,
+terwijl die vreemde man eenige oogenblikken als in zich zelven gekeerd
+zweeg. Ik beschouwde hem, waarschijnlijk evenals Oedipus den Sfinx,
+met belangstelling en afgrijzen tevens.
+
+Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord: "Ik heb dus
+geaarzeld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde
+met dat natuurlijke medelijden, waarop elk sterveling recht heeft. Gij
+zult bij mij aan boord blijven, omdat het toeval u daar toch heeft
+heengevoerd; gij zult er vrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid,
+welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts eene voorwaarde
+op; het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft."
+
+"Spreek, mijnheer," antwoordde ik, "ik stel mij voor dat dit eene
+voorwaarde is, welke elk eerlijk man zal kunnen aannemen."
+
+"Dat is zoo, mijnheer; het is de volgende: het is mogelijk, dat
+zekere onvoorziene omstandigheden mij verplichten, om u gedurende
+eenige dagen of uren in uwe hutten op te sluiten. Daar ik nimmer
+geweld wil gebruiken, verwacht ik van u in dat geval nog meer dan
+anders lijdelijke gehoorzaamheid. Door zoo te handelen ontsla ik u
+van alle verantwoordelijkheid, want het is mijne zaak om u in de
+onmogelijkheid te stellen van datgene te zien, wat gij niet zien
+moogt. Neemt gij die voorwaarde aan?"
+
+Er gebeurden dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken,
+welke niet gezien mochten worden door menschen, die zich nog niet
+geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder
+al de verrassingen, welke de toekomst voor ons opleverde, zou dit
+zeker niet de minst belangrijke zijn.
+
+"Wij nemen haar aan," antwoordde ik; "ik verzoek u echter mij, te
+vergunnen, mijnheer, u eene enkele vraag te doen."
+
+"Spreek op, mijnheer!"
+
+"Gij hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn?"
+
+"Geheel vrij!"
+
+"Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat."
+
+"Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan
+wat hier gebeurt, uitgezonderd in eenige zeer enkele gevallen, kortom
+de vrijheid, welke mijne makkers en ik zelf genieten."
+
+Het was duidelijk dat wij elkander begrepen.
+
+"Vergeef mij, mijnheer," hernam ik, "maar dat is slechts die vrijheid,
+welke elke gevangene heeft om in zijne gevangenis rond te loopen;
+dat is voor ons niet genoeg."
+
+"Gij zult u daarmede toch tevreden moeten stellen.".
+
+"Wat? moeten wij dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland,
+onze vrienden en bloedverwanten terug te zien?"
+
+"Ja mijnheer: maar het is misschien niet zoo moeielijk als gij denkt,
+om het onverdraaglijke aardsche juk af te schudden, hetwelk de menschen
+meenen dat vrijheid is."
+
+"Welnu komaan," riep Ned Land, "ik zal nooit mijn woord van eer er
+op geven, dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten."
+
+"Ik vraag uw woord van eer niet, meester Land," antwoordde de kapitein
+koeltjes.
+
+"Mijnheer," hernam ik, terwijl ik onwillekeurig driftig werd, "gij
+maakt misbruik van onzen toestand, dat is wreed."
+
+"Volstrekt niet, mijnheer, dat is goedheid. Gij zijt na den strijd
+mijne gevangenen geworden; ik houd u, ofschoon ik u met een enkel
+woord weder in zee kon doen werpen. Gij hebt mij aangevallen; gij
+hebt een geheim ontdekt, hetwelk geen sterveling ooit mag doorgronden,
+want het is het geheim van mijn bestaan; en gij gelooft nog dat ik u
+naar de bewoonde aarde zou terug zenden, welke mij niet meer kennen
+mag?... Nooit; als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mij zelven."
+
+Deze woorden duidden genoegzaam aan dat de kapitein eene partij
+gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen.
+
+"Gij geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tusschen het leven en den
+dood?" hernam ik.
+
+"Ja, dood eenvoudig."
+
+"Vrienden," zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te
+antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein
+van dit vaartuig."
+
+"Het is zooals gij zegt," antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde
+hij met zachte stem:
+
+"Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u,
+mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te
+beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij
+zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het
+werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik
+heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld,
+wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt
+niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd
+niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult
+eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk
+voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij
+niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend
+wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde,
+welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder
+beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd
+heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt
+gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien
+heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen,
+en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien."
+
+Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk
+op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een
+oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren
+vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst
+om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: "Indien gij met de
+menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij
+van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen
+het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan
+boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het
+belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen,
+al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding
+zou aanbieden."
+
+Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te
+bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem.
+
+"Eene laatste vraag," zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare
+wezen weg scheen te willen gaan.
+
+"Spreek op, mijnheer."
+
+"Hoe moet ik u noemen?"
+
+"Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor
+mij slechts de passagiers van de Nautilus."
+
+De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne
+vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop
+wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: "Een maal wacht
+u in uwe hut; volgt dien man slechts."
+
+"Dat weiger ik niet," antwoordde de harpoenier.
+
+Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan
+dertig uur hadden opgesloten gezeten.
+
+"En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts
+voorgaan."
+
+"Gaarne, kapitein."
+
+Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen
+wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden
+voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in
+eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide
+uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout
+ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein
+en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen,
+die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren
+het scherpe licht eenigszins temperden.
+
+In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo
+wees mij een stoel aan.
+
+"Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven
+moet."
+
+Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de
+zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de
+herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij
+hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam
+gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn,
+en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen.
+
+De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne
+gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde
+om tot hem te richten.
+
+"De meesten van deze gerechten," zeide hij, "zijn u onbekend; evenwel
+kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert
+lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht
+bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders
+als ik."
+
+"Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?" vroeg ik.
+
+"Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften;
+dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe
+gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor
+den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich
+in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen,
+evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in
+de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen,
+welke ik zelf doorzoek, en waarop 's Heeren hand steeds alle dingen
+gezaaid heeft."
+
+Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: "Ik begrijp
+volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen,
+ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche
+bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel
+stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt."
+
+"Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren," antwoordde de kapitein.
+
+"En dit dan toch?" hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop
+nog eenige plakken vleesch lagen.
+
+"Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets anders
+als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld
+eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden
+hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze
+verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van
+al die gerechten: hier is een gelei van holothurien, welke een Maleier
+onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk,
+en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij
+eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker
+tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen."
+
+En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl
+kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke
+verhalen.
+
+"Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk
+is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De
+stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige
+schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl
+er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit
+eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op
+uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat
+uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw
+inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche
+zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal
+terug keeren!"
+
+"Bemint gij de zee, kapitein?"
+
+"Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden
+van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke
+woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom
+zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk
+en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is 'het
+levende oneindige,' zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad,
+mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-,
+planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd
+door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door
+kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene
+eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden
+aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete
+water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der
+natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan
+is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht
+verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare
+oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen,
+elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde
+overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld
+op, daar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! O mijnheer,
+leef, leef in de diepten der zee! Daar alleen is men onafhankelijk,
+daar alleen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!"
+
+Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had
+hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel
+gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen
+en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone
+kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: "als gij nu de Nautilus
+wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst."
+
+
+
+HOOFDSTUK XI
+
+De Nautilus.
+
+Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in
+de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke
+afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was
+eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd
+bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken;
+zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met
+bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars,
+welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven,
+waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder
+te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en
+eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over
+het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het
+plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal
+met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.
+
+"Kapitein Nemo," zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast
+mij plaats nam, "dit is eene boekerij, welke meer dan een paleis op
+het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat
+gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren."
+
+"Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?" antwoordde
+de kapitein. "Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?"
+
+"Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking
+met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000
+deelen...."
+
+"12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de
+aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat
+ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de
+laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is
+het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die
+boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt
+er vrij gebruik van maken."
+
+Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat
+nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei
+wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei
+talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen
+streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken,
+in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde
+bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen
+wat hem in de hand kwam.
+
+Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe
+schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft
+voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek,
+van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais
+tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei
+takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en
+natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke
+geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den
+kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault,
+Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages,
+Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de
+verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende
+aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen
+zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst
+aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste
+tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865
+verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus
+tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn
+onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik
+dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden
+kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik
+wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus
+daarvoor niet ophouden.
+
+"Ik dank u, mijnheer," zeide ik tot den kapitein, "dat gij deze
+bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten
+van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken."
+
+"Deze zaal dient niet alleen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,"
+zeide de kapitein.
+
+"Eene rookkamer!" riep ik uit, "wordt er dan aan boord gerookt?"
+
+"Zonder twijfel."
+
+"Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt,
+kapitein."
+
+"Geenszins," antwoordde Nemo; "neem een van deze sigaren, mijnheer
+Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken
+als gij een kenner zijt."
+
+Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad;
+ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet,
+en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber,
+die in geen twee dagen gerookt heeft.
+
+"Zij is voortreffelijk," zeide ik, "maar het is toch geen tabak?"
+
+"Neen," antwoordde de kapitein, "die tabak komt niet uit Havana
+of uit Oost-Indie; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras,
+dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana's
+nog, mijnheer?"
+
+"Ik laat die van nu af staan, kapitein."
+
+"Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren
+te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof
+ik niet minder goed."
+
+"Integendeel."
+
+Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de
+bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend
+verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden
+hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer
+helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond
+op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want
+het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al
+de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze,
+welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.
+
+Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs
+de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt;
+daartusschen hingen schitterende wapentropheeen. Ik zag daaronder
+schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte
+in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De
+verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door
+eene madonna van Rafael, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene
+nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul
+Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een
+monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap
+van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter,
+zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen
+merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer,
+Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonste
+modellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de
+hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de
+Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.
+
+"Mijnheer de professor", zeide die vreemde man, "gij zult de weinige
+complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht,
+wel willen verontschuldigen."
+
+"Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer," antwoordde ik,
+"zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?"
+
+"Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel
+van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand
+had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op
+die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het
+zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij
+is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan
+reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben
+geen leeftijd."
+
+"En, die componisten?" vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber,
+Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber,
+Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model,
+welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.
+
+"Die componisten," antwoordde mij de kapitein, "zijn voor mij
+tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de
+herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor,
+even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den
+grond liggen."
+
+Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik
+beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het
+vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare
+met mozaiek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij
+mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde
+verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de
+kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke
+plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere
+voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk
+zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch
+verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele
+schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk
+uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan
+die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek
+kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee
+reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.
+
+Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de
+kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eens
+natuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen
+ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou
+misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes,
+waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van
+onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel
+te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der
+wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen
+onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei,
+welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus
+onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein
+had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven,
+en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die
+grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden
+uit mijne mijmering werd opgewekt:
+
+Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een
+natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer
+zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee
+op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb."
+
+"Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond
+te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten
+verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling
+van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering
+daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze
+verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken
+dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt,
+om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar
+bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen,
+wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!"
+
+"Mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein, "ik heb u gezegd dat
+gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de
+Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden
+in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw
+gids te zijn."
+
+"Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik
+maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze
+natuurkundige werktuigen voor dienen?"
+
+"Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en
+daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie
+vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet
+toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn."
+
+Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen
+van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte,
+en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer, met bed,
+toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer
+slechts danken.
+
+"Uwe kamer is naast de mijne," zeide hij, eene deur opendoende,
+"en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben."
+
+Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als
+eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere
+benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams,
+slechts het strikt noodige. Kapitein Nemo wees mij een stoel, ik ging
+zitten en daarop begon hij aldus:
+
+
+HOOFDSTUK XII
+
+Alles door electriciteit.
+
+"Mijnheer," zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan
+den wand wees, "dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte
+werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen;
+zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in 't midden van den
+Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de
+temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van
+de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer,
+die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas,
+waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt,
+het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte
+doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en
+eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van
+den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte
+der zee drijft."
+
+"Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten," antwoordde ik;
+"ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder
+twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die
+wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?"
+
+"Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking
+hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig
+zich beweegt."
+
+"En die dieplooden van nieuwe soort?"
+
+"Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van
+de verschillende diepten der zee doen kennen."
+
+"En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?"
+
+"Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor,"
+zeide kapitein Nemo; "hoor mij dus aan."
+
+Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak
+daarop het volgende:
+
+"Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en met
+het grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te
+schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die
+kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel
+van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit."
+
+"De electriciteit!" riep ik, ten hoogste verbaasd.
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen
+moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare
+beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts
+weinig kunnen uitwerken!"
+
+"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "mijne electriciteit
+is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van
+kan zeggen."
+
+"Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen
+met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag
+evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden
+ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt,
+moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink,
+omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?"
+
+"Uwe vraag zal beantwoord worden," antwoordde kapitein Nemo; "ik zal
+beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-,
+zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de
+mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik
+heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit
+voort te brengen."
+
+"Aan de zee?"
+
+"Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik
+zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de
+verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik
+ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven
+aan een meer practisch middel."
+
+"En welk is dat?"
+
+"Gij kent de samenstelling van het zeewater; op een kilogram vindt
+men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer
+geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk,
+zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus
+dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium
+haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen."
+
+"Uit sodium."
+
+"Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de
+Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit
+opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert
+de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen, dat de
+sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare
+electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink."
+
+"Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden
+voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed;
+maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen
+zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg,
+dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte
+hoeveelheid verre overtreffen."
+
+"Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik
+daarvoor zeer eenvoudig steenkolen."
+
+"Die gij in den grond vindt?" vroeg ik.
+
+"Neen, in zee," antwoordde kapitein Nemo.
+
+"Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?"
+
+"Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag
+u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner
+u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben;
+de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus
+warmte, licht, beweging, kortom het leven."
+
+"Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?"
+
+"O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit
+behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als
+ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige
+zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke
+de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil,
+mijn verblijf in de diepte kan verlengen."
+
+"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt
+zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen
+zonder twijfel later zullen vinden."
+
+"Ik weet niet of zij die wel zullen vinden," antwoordde de kapitein
+koel. "Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk
+ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid
+en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk,
+het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers;
+ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld,
+want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar
+alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan
+medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen."
+
+"Juist."
+
+"Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat
+wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar
+in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste
+snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien
+kilometer in 't uur."
+
+"Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt
+om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt."
+
+"Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax," zeide kapitein
+Nemo, terwijl hij opstond; "als gij mij wilt volgen, zullen wij den
+achtersteven bezoeken."
+
+Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig,
+hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze
+wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek
+gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen
+kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien
+meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des
+kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van
+twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en
+een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in
+'t geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren
+aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten,
+waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was,
+voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam.
+
+Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam
+in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen
+twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand
+vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor
+die trap diende.
+
+"Daarlangs bereikt men de sloep," zeide hij.
+
+"Hoe hebt gij dan eene sloep?" vroeg ik, vrij verwonderd.
+
+Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan,
+en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt."
+
+"Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte
+der zee stijgen?"
+
+"Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus
+bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is
+van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen
+vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste
+omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep
+gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in
+de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de
+sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst
+met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een
+luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt
+den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar."
+
+"Maar hoe komt gij aan boord terug?"
+
+"Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe."
+
+"Op uw bevel?"
+
+"Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig;
+ik telegrapheer en dat is genoeg."
+
+"Inderdaad niets is eenvoudiger," zeide ik, duizelend van het hooren
+van al die wonderen.
+
+Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon
+komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land
+verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna
+opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken
+uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen.
+
+In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het
+gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten
+daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd
+de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping
+heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk
+ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of
+warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage;
+maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet
+kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man
+er voor het besturen van de Nautilus noodig waren.
+
+Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de
+machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte
+waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen
+voor de beweegkracht had geplaatst.
+
+Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig
+meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte
+de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de
+schroef mededeelden.
+
+Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht,
+welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: "het zijn
+eenige gasachtige producten," zeide hij, "welke het gevolg zijn
+van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het
+geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen."
+
+Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines
+van de Nautilus.
+
+"Gij ziet," zeide kapitein Nemo, "dat ik de elementen van Bunsen en
+niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg
+geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal,
+maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat
+beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij
+door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder
+stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen
+op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt,
+kan 120 omwentelingen in de seconde doen."
+
+"En gij verkrijgt aldus?"
+
+"Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur."
+
+Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te
+weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam
+die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene
+spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door
+overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van
+hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon
+doen toenemen? Dit kon ik niet begrijpen.
+
+"Kapitein Nemo," zeide ik, "ik zie de resultaten, en ik tracht niet
+ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien
+bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan
+houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar
+men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar
+beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte,
+waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden,
+die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij
+weder naar boven? In een woord, hoe blijft gij op de diepte, welke
+gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?"
+
+"Geenszins, mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, na eenige
+aarzeling, "omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het
+salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen,
+wat gij omtrent de Nautilus weten moet."
+
+
+HOOFDSTUK XIII
+
+Eenige cijfers.
+
+Een oogenblik daarna zaten wij in het salon met eene sigaar in den
+mond. De kapitein legde mij eene teekening voor, waarop het plan van
+de Nautilus in opstand en doorsnede was uitgewerkt; toen begon hij
+zijn verhaal in deze woorden:
+
+"Hier hebt gij de verschillende afmetingen, mijnheer, van het vaartuig,
+waarop gij u bevindt; het is een lange cylinder met kegelvormige
+uiteinden; het ziet er zoo ongeveer uit als eene sigaar, een vorm,
+welken men te Londen reeds bij verscheidene gelijksoortige constructien
+gebruikt heeft. De lengte van den cylinder, van de eene punt tot
+de andere, bedraagt juist 70 meter; de middellijn is op de grootste
+breedte acht meter. In mijn vaartuig staat dus niet, zooals in uwe
+groote stoomschepen, de breedte tot de lengte als een tot tien, maar
+de zijden en de ronding zijn lang genoeg, om de verplaatste watermassa
+geene enkele verhindering in zijne vaart te doen ondervinden.
+
+"Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de
+oppervlakte en den inhoud van de Nautilus doen vinden; de oppervlakte
+bedraagt 1011.45 vierkante meter, de inhoud 1500.2 kubieke meter,
+dat wil zeggen, dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is,
+er eene watermassa verplaatst wordt, die ongeveer 1500 ton weegt.
+
+"Toen ik mijne plannen maakte voor dit onderzeesche vaartuig, wilde
+ik, dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negen tienden
+daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom
+moest het slechts negen tienden van zijn volumen verplaatsen,
+derhalve 1350.18 kub. meter, dat is te zeggen een gewicht van een
+gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijne constructie dit gewicht
+niet te boven gaan.
+
+"De Nautilus heeft een dubbelen romp, welks platen door dwarsijzers
+verbonden zijn, welke daaraan eene buitengewone sterkte geven; door
+deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen, alsof
+ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt; de ijzeren
+pantserplaten zitten vast tegen elkander gedrukt, en door zulk een
+bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeen te trotseeren.
+
+"Die beide omkleedsels zijn van stalen platen vervaardigd, welker
+dichtheid, in vergelijking met die van het water, 7,8 bedraagt. De huid
+is niet minder dan vijf centimeter dik en weegt 364.56 ton; de kiel,
+welke slechts 50 centimeter hoog en 25 breed is, weegt alleen 62 ton;
+de machine, de ballast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de
+tusschenwanden en de binnenste stutten, hebben te zamen een gewicht
+van 923.62 ton, hetwelk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd,
+een totaal oplevert van 1350.18 ton. Begrepen?"
+
+"Begrepen," antwoordde ik.
+
+"Als dus de Nautilus drijft," vervolgde de kapitein, "dan steekt zij
+voor een tiende deel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken
+heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende
+gedeelte, dat is van 150.02 ton, en als ik die met water vul, dan
+zal het vaartuig geheel onder water zijn; dit gebeurt, mijnheer de
+professor; die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de
+Nautilus; ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld,
+en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters."
+
+"Goed kapitein, maar nu stuiten wij juist op de grootste moeielijkheid;
+dat gij juist onder het wateroppervlak drijven kunt, begrijp ik; maar
+als gij lager wilt zakken, ontmoet uw vaartuig dan geen drukking van
+beneden naar boven van een kilogram op den vierkanten centimeter?"
+
+"Juist, mijnheer."
+
+"Dan begrijp ik niet hoe gij de Nautilus zoo diep kunt doen indompelen
+of gij moest haar geheel laten volloopen."
+
+"Gij moet de statica niet met de dynamica verwarren, professor,"
+antwoordde kapitein Nemo; "want dan begaat gij grove dwalingen. Er
+is slechts weinig arbeidsvermogen noodig om de grootste diepten van
+den Oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben eene neiging tot
+zinken. Volg slechts mijne redeneering."
+
+"Ik ben geheel gehoor, kapitein."
+
+"Toen ik het toenemend gewicht wilde berekenen, dat ik aan de Nautilus
+geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht
+te geven op de vermindering in volumen, welke het zeewater ondergaat,
+naarmate men dieper in zee daalt."
+
+"Dit is duidelijk," antwoordde ik.
+
+"Welnu, als het water al eenigszins kan worden samengedrukt,
+dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate; en
+inderdaad volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts
+436/10000000 per atmosfeer, of op elke tien meter diepte. Wil ik dus
+1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volumen
+inkrimpt onder een druk van eene kolom water van 1000 meter hoog,
+dat is onder dien van honderd atmosferen. Die vermindering zal dan
+436/100000 zijn; ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermeerderen,
+dat het vaartuig 1506.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton, het is
+dus slechts eene vermeerdering van 6.54 ton."
+
+"Slechts?"
+
+"Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te
+gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud
+hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik
+weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als
+ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een
+tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit."
+
+Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in
+te brengen.
+
+"Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein," gaf ik ten antwoord,
+"en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten,
+omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik
+voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid."
+
+"Welke, mijnheer?"
+
+"Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste
+bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen;
+als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt
+verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking
+overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij
+hebt dus eene kracht noodig...."
+
+"Welke de electriciteit alleen mij kon geven," viel kapitein Nemo mij
+haastig in de rede. "Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische
+kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de
+Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunkt mij reeds
+moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom
+op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik
+mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van
+1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te
+sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie
+kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare
+bewegingen noodig."
+
+"Welke dan, kapitein?" vroeg ik.
+
+"Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd
+wordt."
+
+"Ik brand van ongeduld om het te vernemen."
+
+"Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen
+laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen,
+daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging
+wordt gebracht; maar ik kan de Nautilus ook van boven naar beneden,
+en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door
+middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit
+het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei
+standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig
+gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden
+zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der
+vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op
+dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil
+komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water
+doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een
+luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft."
+
+"Bravo, kapitein!" riep ik uit. "Maar hoe kan de stuurman den weg
+volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?"
+
+"De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus
+eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien."
+
+"Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te
+bieden?"
+
+"Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt,
+heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke
+men in 1864 in de Poolzeeen nam om bij electriek licht te visschen,
+merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene
+drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er
+slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige
+warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het
+middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal
+zooveel."
+
+"Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis
+van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het
+mogelijk is om onder in zee...."
+
+"Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst,
+welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten."
+
+"Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigen
+eenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is
+natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus
+en de Scotia, waarover zooveel gepraat is, door eene toevallige
+ontmoeting werd veroorzaakt of niet?"
+
+"Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen
+de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige
+gevolgen heeft gehad."
+
+"Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln
+aangaat?..."
+
+"Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke
+Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij
+verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat
+in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen;
+het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen
+doen herstellen."
+
+"O kapitein," riep ik geheel overtuigd uit, "uw Nautilus is waarlijk
+een wonder!"
+
+"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening,
+"en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed
+ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op
+zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den
+afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan
+heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de
+dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het
+slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen,
+welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die
+door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip
+van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken,
+omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te
+vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm
+te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte
+eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid,
+mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in
+zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan
+de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik
+voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein,
+de ingenieur en de bouwmeester van ben."
+
+De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn
+blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van
+hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar
+eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die
+ook niet terughouden.
+
+"Zijt gij dan ingenieur, kapitein?" vroeg ik.
+
+"Ja, professor," antwoordde hij, "Ik heb te Londen, te Parijs en te
+New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde."
+
+"Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen
+bouwen?"
+
+"Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd
+opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel
+is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en
+Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool,
+de schroef bij Scott te Glasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en
+Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de
+werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van
+de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers
+kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien."
+
+"Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in
+elkander zetten?"
+
+"Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne
+werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht
+en gevormd heb, hebben daar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd,
+en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor
+van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe
+in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen."
+
+"Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus
+buitensporig groot zijn geweest."
+
+"Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton;
+de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.725 [2] franken,
+dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten,
+welke zij bevat."
+
+"Eene laatste vraag, kapitein."
+
+"Vraag, mijnheer."
+
+"Zijt gij dan zoo rijk?"
+
+"Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele
+nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!"
+
+Ik keek den zonderlingen man, die zoo sprak, strak aan; maakte hij ook
+misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen.
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV
+
+De zwarte stroom.
+
+Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat
+van 3.751.322.76 vierkante myriameter of meer dan 37-1/2 millioen
+hectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk
+aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar
+zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het
+tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee;
+toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen;
+eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen,
+kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen,
+zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte
+ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377 vierkante kilometer
+of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het
+water in vijf groote wereldzeeen verdeelen: de Noordelijke IJszee,
+de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan
+en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar
+het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het
+oosten tusschen Azie en Amerika uit, over eene lengte van 145 deg.. Het is
+de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval
+is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de
+Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden
+zou doen doorreizen.
+
+"Mijnheer de professor," zeide kapitein Nemo, "als gij wilt, zullen
+wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek
+voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder
+naar de oppervlakte stijgen."
+
+De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven
+het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door
+verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat alles
+stilstond.
+
+"Wij zijn er," zeide de kapitein.
+
+Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg
+de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de
+Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor-
+en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het
+vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte
+dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige
+overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep
+dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers,
+altijd voor een zeemonster gehouden werd.
+
+In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip
+verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee
+kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel
+door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die
+de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke
+licht, dat het schip op zijn weg verlichtte.
+
+De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voelde
+nauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht
+oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels
+en liet dus de beste opmetingen toe. Er was niets in het gezicht; geen
+klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.
+
+Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon
+opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige
+minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl
+hij zijne observatien deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn
+lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet
+onbeweeglijker hebben kunnen zijn.
+
+"Middag," zeide hij.
+
+Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig
+gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder
+naar het salon.
+
+Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: "Mijnheer Aronnax,
+wij zijn op 137 deg. 15' westerlengte...."
+
+"Van welken meridiaan?" vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord
+van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land
+hij afkomstig was.
+
+"Mijnheer," antwoordde hij; "ik heb verschillende chronometers, die
+geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington;
+maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen."
+
+Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde:
+
+"137 deg. 15' westerlengte van Parijs, 30 deg. 7' noorderbreedte, dat is te
+zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8
+November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint."
+
+"God beware ons," zeide ik.
+
+"En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studien;
+ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig
+meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen
+weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de
+vergunning verzoek om mij te verwijderen."
+
+De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alleen;
+ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit
+te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde,
+die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat
+bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en
+die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het
+een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking
+van Koenraad "verdriet had aangedaan," een nieuwerwetsche Galilei,
+of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury,
+wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik
+kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan
+boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch
+gastvrij; hij had evenwel nimmer mijne hem toegestoken hand aangevat,
+of mij de zijne toegestoken.
+
+Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor
+mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het
+oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette
+den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden
+elkander kruisten.
+
+De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere
+stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke
+de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft
+op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, een in
+het noorden en een in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee
+anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde
+in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk,
+dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft,
+toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren
+verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden.
+
+Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde
+zich een van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte
+stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat
+van Malakka en langs de kust van Azie stroomt, en dan in de Stille
+Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert
+kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door
+de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de
+golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde
+dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten
+Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen
+Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten
+bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen,
+als hier opeen gestapeld lagen.
+
+"Waar zijn wij?" riep Ned uit; "in het museum te Quebec?"
+
+"Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de
+Galeries de Zooelogie was," zeide Koenraad.
+
+"Vrienden," antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen,
+"gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de
+Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee."
+
+"Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert," zeide Koenraad;
+"maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming
+als mij verbaast."
+
+"Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die
+zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft
+als gij, is hier werk in overvloed...."
+
+Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boog zich over
+de glazen kasten en mompelde allerlei woorden en namen uit de taal der
+natuurkenners: "weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis,"
+enz., alles door elkander.
+
+Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad,
+mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij
+was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij
+ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd
+niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of
+liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien
+of gehoord had.
+
+"Niets gehoord of gezien," antwoordde hij: "ik heb zelfs niemand van
+de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?"
+
+"Electriek!"
+
+"Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer
+Aronnax," vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld
+van overrompeling bleef, "zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze
+hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?"
+
+"Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het
+oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken
+of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken
+der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien
+had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen
+maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil,
+en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt."
+
+"Zien!" riep de harpoenier, "maar men ziet niets, en zal nooit iets
+zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde...."
+
+Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het
+licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er
+pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men
+van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt.
+
+Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten
+welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een
+schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden
+van de Nautilus in beweging kwamen.
+
+"Dat is nu het einde van alles!", zeide Ned.
+
+"Orde van de Hydromedusen!", mompelde Koen.
+
+Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee
+ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom
+electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee;
+eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken,
+maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een
+bijna onbeperkt weerstandsvermogen.
+
+De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus
+duidelijk zichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit
+kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze
+doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvan
+in de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent
+de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is
+dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in
+opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten
+van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte
+van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien,
+en zelfs schijnen de zonnestralen nog tot op eene diepte van 300 meter
+door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd
+het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het
+was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht.
+
+Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in
+de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de
+natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft;
+ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van
+het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoorzochte
+afgronden; de duisternis van de zaal deed het licht buiten des te
+beter uitkomen, en wij keken door de ramen alsof het de wanden van
+een zeer groot aquarium waren.
+
+De Nautilus scheen zich niet te bewegen; het was omdat wij vaste
+punten voor ons oog misten. Somwijlen echter vlogen strepen waters
+met buitengewone snelheid ons voorbij, waardoor wij konden zien,
+dat wij inderdaad zeer snel vooruitgingen.
+
+Verbaasd leunden wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een
+onzer de stilte nog had afgebroken, toen Koenraad zeide:
+
+"Gij wildet zien, vriend Ned, welnu, zie!"
+
+"Prachtig!" zeide Ned, die zijn toorn en zijne ontvluchtingsplannen
+vergetende, zich onwillekeurig aangetrokken gevoelde; "men zou er
+zelfs ver om willen reizen, om zulk een schouwspel te bewonderen."
+
+"O!" riep ik uit, "nu begrijp ik het leven van dien man; hij heeft
+zich een wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem hare grootste
+wonderen bewaart!"
+
+"Maar waar zijn de visschen?" merkte de harpoenier op, "ik zie
+er geen."
+
+"Wat gaat u dat aan, vriend Ned," antwoordde Koenraad, "omdat gij ze
+toch niet kent."
+
+"Ik, een visscher!" zeide Ned Land.
+
+En daarop ontstond een soort van twistgesprek tusschen de beide
+vrienden, want beiden kenden visschen, maar ieder op verschillende
+wijze; Ned Land kende er wel onderscheid tusschen, doch Koenraad
+wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier
+geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij;
+daarom zeide hij: "Gij zijt een visschendooder, mijn vriend, een zeer
+handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende
+dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen
+verdeelt."
+
+"Welzeker," antwoordde de harpoenier ernstig, "in visschen die men eet,
+en die men niet eet!"
+
+"Dat is de onderscheiding van een vraat," antwoordde Koenraad; "maar
+zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en
+kraakbeenachtige visschen?"
+
+"Misschien wel, Koen."
+
+"En de onderverdeeling van die beide groote klassen?"
+
+"Ik heb er nooit van gehoord," antwoordde Ned.
+
+"Welnu, hoor mij aan en onthoud het," en daarop begon hij eene geleerde
+verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen
+deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van
+Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het
+oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van
+zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: "Ziet gij, mijn beste Ned,
+als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets,
+want de familien worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten,
+verscheidenheden ...."
+
+"Welnu, vriend Koen," viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij
+tegen het raam leunde, "daar heb je verscheidenheid genoeg."
+
+"Ja, allerlei visschen," zeide Koenraad, "men zou denken dat men voor
+een aquarium zat."
+
+"Neen," voegde ik hem toe, "want een aquarium is een kooi en hier
+zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht."
+
+"Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt," vroeg
+Ned Land.
+
+"Ik?" antwoordde Koenraad, "daar ben ik niet toe in staat; dat is de
+zaak van mijn meester."
+
+En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling
+in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel
+een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij
+was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen
+opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben
+gevormd.
+
+Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de
+Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat
+het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid;
+ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in
+den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en
+afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige
+exemplaren. Onze verbazing was voortdurend ten hoogste gespannen; onze
+uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad
+deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne
+bewegingen en de schoonheid hunner vormen. Nooit was mij het geluk te
+beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element
+te aanschouwen.
+
+Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onze
+verbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en
+Chineesche zeeen slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker
+dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door
+het schitterende electrieke licht.
+
+Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden
+dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang
+droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur
+vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan;
+de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte
+van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien
+kilometer in het uur maakten.
+
+Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf
+uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer;
+mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke
+schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens
+lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde,
+en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak
+lekkerder was dan van zalm.
+
+Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik
+slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus
+den snellen Zwarten stroom volgde.
+
+
+HOOFDSTUK XV
+
+Eene schriftelijke uitnoodiging.
+
+Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur
+wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of "mijnheer goed
+geslapen had," en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend
+Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan
+had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem
+te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid
+van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet
+weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug
+te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige
+opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van
+de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten
+der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone
+stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warm
+is. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder
+ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen
+ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.
+
+Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen
+ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die
+opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd,
+toch hare schoone kleuren hadden behouden.
+
+De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein
+vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat
+men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting
+van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer,
+de diepte tusschen de 50 en 60 meter.
+
+Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten
+door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het
+grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over
+de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man
+ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens
+genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden
+uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de
+voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en
+bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone
+vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.
+
+Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te
+schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan
+mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef,
+hetwelk uit zeegras gemaakt was.
+
+Den 11den November bemerkte ik 's morgens reeds zeer vroeg aan de
+versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het
+oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht
+te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het
+was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna
+geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten,
+komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging
+zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde
+met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist
+op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de
+oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken,
+welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol
+afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan
+voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus,
+die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen
+schoonen, vroolijken zonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde
+komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn
+tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat,
+zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in
+de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van
+den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en
+sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle
+morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus;
+"Nautron respoc lorni virch." Wat het beteekende zou ik niet kunnen
+zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik
+dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen;
+ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.
+
+Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde,
+Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens
+door denzelfden persoon uitgesproken. De kapitein verscheen niet. Ik
+had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16den
+November met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel
+een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open,
+hij was met eene duidelijke hand, doch met eenigszins gothische letters
+geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.
+
+Deze brief luidde aldus:
+
+"Aan den hoogleeraar Aronnax,
+
+"aan boord van de Nautilus.
+
+"16 November 1867.
+
+"Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij,
+welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats
+hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen,
+terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem
+vergezellen.
+
+"De kapitein van de Nautilus,
+
+"Nemo."
+
+
+"Eene jachtpartij!" riep Ned.
+
+"En in de bosschen van het eiland Crespo?" voegde Koenraad er bij.
+
+"Maar hij gaat dan toch aan land?" hervatte Ned.
+
+"Ik geloof dat dit vrij duidelijk is," zeide ik, den brief nog eens
+lezende.
+
+"Welnu, wij moeten aannemen," zeide Ned. "Als wij eens vasten grond
+onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen;
+overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken
+versch wild tusschen de tanden krijg."
+
+Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken
+afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodiging tot
+eene boschjacht, en antwoordde dus: "Laat ons eerst eens zien wat
+eiland Crespo is."
+
+Ik bekeek de kaart en vond op 32 deg. 40' N.B. en 167 deg. 50' O.L. een
+eilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd,
+op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata;
+hetwelk "Zilverrots" beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800
+kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan,
+terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar
+het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots;
+welke vergeten in 't midden van de Stille Zuidzee lag.
+
+"Indien kapitein Nemo soms aan land gaat," zeide ik, "dan kiest hij
+ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn."
+
+Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad
+weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig
+als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid
+te rusten.
+
+Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de
+Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging
+naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette
+mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij
+niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er
+niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en
+ik gereed waren hem te volgen.
+
+"Alleen mijnheer," voegde ik er bij, "zij het mij vergund u eene
+vraag te doen."
+
+"Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden,
+zal ik het doen."
+
+"Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met
+het land hebt afgebroken, bosschen op het eiland Crespo bezit?"
+
+"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "de bosschen welke
+ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen
+leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken
+ze alleen; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op
+het land, maar onder de zee."
+
+"Onderzeesche bosschen!" riep ik uit.
+
+"Zooals gij zegt, mijnheer."
+
+"En gij wilt er mij in brengen?"
+
+"Juist."
+
+"En te voet?"
+
+"Zelfs droogvoets."
+
+"En op de jacht?"
+
+"Ja!"
+
+"Met het geweer in de hand?"
+
+"Met het geweer in de hand."
+
+"Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles
+behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens
+gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht
+dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer; ik had toch
+liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met
+een gek!
+
+Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat
+lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen,
+en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in
+de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. "Mijnheer Aronnax," zeide
+de kapitein, "ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen
+wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen
+beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie
+zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal."
+
+Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende
+vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin
+ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank
+voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier
+(rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te
+spreken; toen hij gedaan had, zeide hij:
+
+"Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de
+bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij
+zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van
+onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen
+nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer."
+
+"Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat...."
+
+"Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij
+voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden."
+
+"Ik luister."
+
+"Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven
+kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken
+onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan,
+en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel
+van perspompen en afvoerbuizen."
+
+"Dat zijn scaphanders," zeide ik.
+
+"Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet
+vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van
+caoutchouc lucht toevoert; het is als 't ware een keten, die hem aan
+het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten
+vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan."
+
+"En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?" vroeg ik.
+
+"Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze,
+door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik
+gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder
+dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik
+geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig
+atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een
+paar draagbanden op den rug vastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat
+eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden,
+niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het
+toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn
+twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte
+naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn;
+de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de
+verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men
+naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte
+der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben
+blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten
+waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht."
+
+"Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig
+verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is
+zij bedorven."
+
+"Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen
+van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen,
+zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur."
+
+"Ik heb niets meer te zeggen," antwoordde ik, "alleen nog deze vraag:
+hoe krijgt gij licht op groote diepten?"
+
+"Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag
+ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een
+Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee
+overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte
+electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel.
+
+"In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het
+toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een
+aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik."
+
+"Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein,
+dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan
+uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog
+aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen."
+
+"Het is geen gewoon geweer met kruit en lood," antwoordde de kapitein.
+
+"Is het dan een windgeweer?"
+
+"Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak,
+daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?"
+
+"Bovendien," zeide ik, "gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten
+overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter
+dan de lucht is."
+
+"Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen
+Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den
+Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van
+slot, waarmede men onder water kan schieten; doch ik herhaal het u,
+nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht,
+welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen."
+
+"Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!"
+
+"Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik
+heb slechts een buis aan te schroeven en een kraan open te
+maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die
+onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft."
+
+"Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht
+doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk
+zijn."
+
+"Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een
+dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem
+getroffen dood neder."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes,
+door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en
+waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed,
+terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als 't
+ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote
+spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich,
+en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg
+er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No 4,
+en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten."
+
+"Ik maak geene opmerkingen meer," antwoordde ik opstaande, "ik heb mijn
+geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein."
+
+Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen
+wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen
+om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde,
+dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen.
+
+
+HOOFDSTUK XIV
+
+Jachtavonturen.
+
+Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van
+de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte
+de wandelaars.
+
+Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan
+te schieten.
+
+"Maar mijn beste Ned," zeide ik hem, "de bosschen van Crespo zijn
+slechts onderzeesche bosschen."
+
+"Goed," mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van
+versch vleesch in rook zag verdwijnen. "Gaat gij die dingen aantrekken,
+mijnheer Aronnax?"
+
+"Ik moet wel, Ned."
+
+"Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer," antwoordde de harpoenier,
+terwijl hij de schouders ophaalde, "maar wat mij aangaat, buiten
+noodzaak steek er nooit een vin in."
+
+"Men zal u niet noodzaken, Ned," zeide de kapitein.
+
+"En zal Koen zich wagen?" vroeg Ned.
+
+"Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat," antwoordde Koenraad.
+
+Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware
+ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc
+zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden
+lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting,
+de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde
+in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen
+gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij
+zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de
+beweging der hand in geenen deele hinderden.
+
+Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed
+van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18e eeuw uitgevonden
+en zoo geprezen werden.
+
+De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene
+verbazende kracht moest bezitten, Koenraad en ik hadden weldra de
+scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te
+zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de
+geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen
+gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol
+en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht,
+welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in
+den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een
+twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel
+eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een
+schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten.
+
+"Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein,"
+zeide ik.
+
+"Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?"
+
+"Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter
+onder water, en wij behoeven slechts te gaan."
+
+"Maar hoe komen wij er uit?"
+
+"Dat zult gij zien."
+
+De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden,
+terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een
+goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen
+kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik
+glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het
+hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat,
+begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken,
+en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den
+gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken;
+maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en
+door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk
+een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een
+klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden
+mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene
+deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na
+eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds
+langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door
+eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was
+de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur,
+welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons,
+en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee.
+
+En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder
+water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als
+het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare
+element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen?
+
+De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige
+schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij
+door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde
+niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm,
+waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die
+voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met
+de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de
+voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen
+werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote
+vrijheid in mijne bewegingen.
+
+De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water
+bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door,
+en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen
+op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten
+en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend
+blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde,
+was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche
+dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.
+
+Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels
+waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die
+hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijke helderheid
+terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee
+doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker,
+dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het
+volle daglicht.
+
+Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met
+millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de
+Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht;
+maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder
+licht ons den weg naar boord aanwijzen.
+
+Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen
+grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor
+mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de
+indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds
+werd uitgewischt.
+
+Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand
+nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de
+schoonste zooephyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge
+uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den
+morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht
+werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt,
+ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom
+alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het
+was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en
+schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel,
+oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen
+schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige
+indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren
+in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein
+Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij
+gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde
+in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte,
+met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.
+
+Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan;
+zeker was die brave jongen bij die massa zooephyten en molusken weder
+aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch
+lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren
+er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden
+van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik
+ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk
+riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte
+volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was;
+daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van
+wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om
+op te loopen, en konden met de zachtste, door menschenhanden geweven
+tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich
+uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich
+nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen
+behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der
+planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene
+planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode
+op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste
+diepten van den Oceaan gevonden werden.
+
+Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten;
+het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand
+der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle
+kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred,
+hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste
+geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet
+gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht,
+en het plant zich met viervoudige snelheid voort.
+
+Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij
+bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking
+van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van
+die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in
+het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik
+vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding,
+waaraan ik zoo weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door
+het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen.
+
+Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar
+zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd,
+zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch
+zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet
+noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen.
+
+Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik
+bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa,
+welke op kleinen afstand in de schemering te zien was.
+
+"Dit is het bosch van het eiland Crespo," dacht ik, en ik bedroog
+mij niet.
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII
+
+Een onderzeesch woud.
+
+Eindelijk waren wij aan den rand gekomen van het woud, dat zeker een
+der schoonsten was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij
+beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover
+aan als de eerste menschen in de eerste tijden na de schepping op
+alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesche
+gebied betwist hebben? Welk ander zou even stoutmoedig als hij met
+de bijl in de hand het sombere woud zijn komen ontginnen?
+
+Dit woud bestond uit groote boomplanten, en zoodra wij er in waren
+doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door den zonderlingen stand
+der takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt.
+
+Geen van de grassoorten, welke den grond bedekten, geen van de
+takken, welke uit de struiken te voorschijn groeiden, was bochtig
+of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar
+het zeeoppervlak; geen sprietjes, geen takjes, zoo dun, of zij waren
+recht als ijzeren staven en draden. Het zeewier en het riet groeiden
+lijnrecht naar boven; als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen
+die planten onmiddellijk haar vorigen stand. Hier scheen het rijk
+van de rechtstandigheid te zijn.
+
+Weldra raakte ik gewoon aan dien zonderlingen stand der gewassen,
+evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond
+in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeielijk
+konden vermijden. De onderzeesche flora scheen mij hier vrij volledig
+te zijn en zelfs rijker dan zij het in noordelijke of keerkringsstreken
+was. Doch gedurende eenige minuten warde ik planten en dieren dooreen;
+en wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daar de fauna en de
+flora elkander in die onderzeesche wereld zoo nabij komen.
+
+Ik zag dat al die voortbrengselen van het plantenrijk slechts even
+aan de oppervlakte van den bodem gehecht waren; zonder wortels, bijna
+niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen
+zij aan zand of steen, aan schelp of hoorn slechts een steunpunt en
+geen levenskracht; die planten groeien slechts uit zich zelf, en het
+beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt
+en voedt. De meeste planten hadden in plaats van bladeren, langwerpige
+stelen van grilligen vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd
+waren, namelijk het rozenrood, karmijn, groen, de olijf kleur, het vaal
+en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van
+planten en zooephyten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig
+natuuronderzoeker eens kon uitroepen: "Zonderlinge tegenstrijdigheid,
+wonderlijk element, waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt, en
+het plantenrijk geen bloemen heeft!"
+
+Tegen een uur gaf de kapitein een teeken om halt te houden. Ik was
+er zeer blijde om, en wij strekten ons onder een soort van prieel
+op den grond uit. Dit oogenblik rust scheen mij heerlijk toe; wij
+misten slechts het genoegen om met elkander te kunnen praten; maar
+dit was onmogelijk; ik kwam met mijn grooten koperen helm slechts
+even tegen dien van Koenraad aan; ik zag de oogen van den braven
+jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij ten teeken van vreugde
+zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewoog.
+
+Na vier uur gewandeld te hebben, was ik verwonderd geen ergen honger
+te gevoelen. Waardoor deze zonderbare toestand van de maag ontstond,
+zou ik niet kunnen zeggen; maar daarentegen had ik een onoverkomelijken
+lust tot slapen, zooals dit met alle duikers het geval is. Mijne oogen
+sloten zich weldra, en ik viel in een diepen slaap, welken de beweging
+van het loopen alleen had kunnen beletten. Kapitein Nemo en zijn makker
+strekten zich ook op den grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld.
+
+Hoe lang ik bleef slapen, kan ik niet zeggen; doch toen ik wakker werd,
+scheen het mij toe, dat de zon naar den gezichteinder neigde. Kapitein
+Nemo was reeds opgestaan en ik begon mij uit te rekken, toen eene
+onverwachte verschijning mij eensklaps overeind joeg.
+
+Op eenige schreden afstands keek eene monsterachtige zeespin van een
+meter hoog mij met hare loensche oogen aan, gereed om zich op mij
+te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen den beet
+van dit dier te beveiligen, kon ik eene beweging van afgrijzen niet
+onderdrukken. Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat
+oogenblik wakker. De kapitein wees zijnen makker het afschuwelijke
+beest, dat door een kolfslag werd geveld, en ik zag het monster de
+afgrijselijke pooten in vreeselijke stuiptrekkingen wringen.
+
+Deze ontmoeting deed mij er op bedacht zijn dat andere, vrij
+wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewoonden, en dat mijn
+scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen. Ik had er tot
+op dit oogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijne hoede te
+zijn. Overigens veronderstelde ik, dat deze rust het einde onzer
+wandeling aanwees, maar ik bedroog mij, en in plaats van naar de
+Nautilus terug te keeren, vervolgde de kapitein zijn stoutmoedigen
+tocht.
+
+De bodem helde voortdurend, zoodat wij nog grooter diepten bereikten;
+het zal omstreeks drie uur geweest zijn, toen wij in eene nauwe
+vallei tusschen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte
+kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onzer kleeding en
+toestellen, waren wij dus 90 meter dieper afgedaald, dan de natuur tot
+nog toe den mensch bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik
+zeg 150 meter, hoewel ik dit met geen enkel werktuig kan bewijzen;
+maar ik weet, dat zelfs in het helderste zeewater de zonnestralen niet
+dieper kunnen doordringen. En juist nu begon hier ondoordringbare
+duisternis te heerschen. Op geen tien pas afstands konden wij eenig
+voorwerp onderscheiden; ik liep dus op den tast, toen ik plotseling een
+vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn electriek
+toestel in werking gebracht; zijn makker volgde zijn voorbeeld,
+evenals Koenraad en ik; door een schroefje om te draaien, bracht ik
+de klos met de glazen buis in gemeenschap, en de zee werd door onze
+vier lantaarns in een omtrek van 25 meter helder verlicht.
+
+Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud,
+waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd; ik merkte op dat
+de planten eerder ophielden dan de dieren, en dat, terwijl de bodem
+bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van
+allerhande soort door elkander krioelde.
+
+Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen eenige bewoners dier
+sombere diepten naar ons toe moesten lokken; maar als zij ons al
+naderden, bleven zij toch op een te grooten afstand om er jacht op te
+maken. Verscheiden malen zag ik kapitein Nemo aanleggen, maar telkens
+liet hij het geweer weder zakken en vervolgde zijne wandeling.
+
+Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onzen
+merkwaardigen tocht. Een muur van schoone rotsen van indrukwekkende
+gedaante verhief zich voor ons reusachtige blokken graniet waren
+hier op elkander gestapeld, met vele donkere holen daartusschen,
+doch nergens was eene plaats te vinden, waar die rotsmuur bestegen
+kon worden. Het waren de grondvesten van het eiland Crespo; hier was
+dus land. De kapitein hield plotseling stil; door eene beweging met
+de hand gebood hij ons hetzelfde te doen en hoe begeerig ik ook was
+om over of om dien rotswand heen te komen, zoo moest ik toch blijven
+staan. Hier eindigde het gebied van kapitein Nemo; hij wilde niet
+verder gaan; deed hij het, dan kwam hij op een gedeelte van den
+aardbol, dat hij niet meer wilde betreden.
+
+Onze terugtocht ving aan; de kapitein stelde zich weder aan ons hoofd,
+en vervolgde steeds zonder aarzelen zijn weg. Ik meende op te merken,
+dat wij niet denzelfden weg volgden als straks om de Nautilus weder
+te bereiken; deze nieuwe weg, die vrij steil, en daardoor zeer
+moeielijk was, bracht ons spoediger naar de oppervlakte der zee;
+evenwel was dit stijgen niet zoo snel, dat de druk van het water
+daardoor plotseling verminderde, waaruit anders nadeelen voor ons
+lichaam konden ontstaan, zooals maar al te dikwijls bij duikers
+het geval is. Het daglicht verscheen weder en werd sterker, doch
+daar de zon ten ondergang neigde, schitterden de voorwerpen door de
+straalbreking op nieuw in schoone kleurenpracht.
+
+Op tien meter diepte gingen wij midden door een zwerm kleine visschen
+van allerhande soort, veel talrijker dan de vogels in de lucht, en
+ook vlugger, doch geen enkel stuk waterwild, dat een schot waard was,
+had zich nog aan ons voorgedaan, toen ik den kapitein plotseling
+zijn geweer zag aanleggen en daarmede tusschen de waterplanten een
+beweegbaar voorwerp volgen. Het schot ging af, ik hoorde een licht
+gesis, en als door den bliksem getroffen viel op eenige passen voor
+ons een dier neder.
+
+Het was een prachtige zeeotter, het eenige viervoetige dier dat
+bepaald de zee bewoont. Het dier was anderhalven meter lang, en
+waarschijnlijk zeer kostbaar; het vel was op den rug kastanjebruin
+en aan den buik zilverwit; het was eene prachtige huid, welke op
+de Russische en Chineesche markten zeer gezocht zou zijn geweest;
+ik schatte die vacht om hare fijnheid en glans ten minste op 2000
+frank. Ik bekeek dit zonderlinge zoogdier nauwkeurig; het had een
+ronden kop, korte oortjes, ronde oogen, witte snorren, zooals van een
+kat, aan de pooten zwemvliezen en nagels, en een dikken staart. Dit
+kostbare vleeschvretende dier, waarop de visschers fel jacht maken,
+wordt hoe langer hoe zeldzamer, en huist thans voornamelijk in de
+noordelijke streken van den Grooten Oceaan, waar het mogelijk weldra
+geheel zal uitsterven.
+
+De matroos van de Nautilus nam het dier op, hing het over den schouder
+en wij vervolgden onzen weg.
+
+Gedurende een uur hadden wij eene zandvlakte voor ons; er waren
+somwijlen hoogten in, die de oppervlakte der zee tot op twee meter
+naderden. Dan zag ik boven ons hoofd ons beeld zeer nauwkeurig
+teruggekaatst doch natuurlijk onderste boven; het was een troepje dat
+onze bewegingen en gebaren volkomen nabootste, doch het ging met de
+beenen in de lucht en het hoofd naar beneden voorwaarts.
+
+Een ander verschijnsel was, dat ik dikwijls dikke wolken zeer snel
+over ons heen meende te zien drijven; maar toen ik daar over nadacht,
+begreep ik, dat die wolken slechts ontstonden door de zware golven,
+wier met schuim bedekte koppen ik uit elkander zag stuiven. Zelfs
+bemerkte ik van tijd tot tijd het snelle voorbijvliegen van groote
+vogels, welke over het watervlak schoren.
+
+Bij die gelegenheid was ik getuige van een der schoonste schoten,
+welke ooit een jagershart hebben doen kloppen. Een groote vogel
+met breede vlucht dreef voor den wind op ons af. De makker van
+den kapitein legde aan en schoot, toen de vogel nog op eenige meter
+boven de oppervlakte was; het dier viel getroffen neder dicht bij den
+behendigen schutter, die zich van zijn buit meester maakte; het was
+een albatros van de schoonste soort. Onze tocht was door dit voorval
+niet opgehouden; gedurende twee uur gingen wij over zandvlakten, of
+weiden van zeegras, waar het loopen moeielijk viel. Om de waarheid
+te zeggen, ik kon niet meer, toen ik op een halven kilometer afstand
+een flauw licht in de duisternis zag schemeren. Het was de lantaarn
+van de Nautilus; binnen twintig minuten moesten wij aan boord zijn,
+en daar zou ik weder vrij kunnen ademhalen, want het scheen mij toe,
+dat mijn toestel mij slechts zeer weinig zuurstofhoudende lucht meer
+toevoerde. Ik rekende evenwel buiten eene ontmoeting, welke onze
+komst aan boord eenigermate vertraagde.
+
+Ik was ongeveer twintig pas achtergebleven, toen ik den kapitein
+plotseling naar mij zag toekomen. Met zijne krachtige hand drukte
+hij mij op den grond, zooals zijn metgezel het Koenraad deed. Eerst
+wist ik niet wat van dien plotselingen aanval te denken, doch werd
+gerust gesteld, toen ik zag dat de kapitein naast mij ging liggen en
+onbeweeglijk bleef. Zoo lagen wij achter een bos zeegras uitgestrekt,
+toen ik het hoofd eens even ophief, en eene verbazend groote gedaante
+met veel geplas over ons zag heengaan, welke een lichtglans van
+zich gaf. Mijn bloed stolde mij in de aderen, want ik had de groote
+haaien herkend, welke ons bedreigden. Het waren een paar tintoreas,
+vreeselijke zeemonsters met grooten staart, en een dof en glazig oog,
+die uit de gaatjes rondom hun bek eene lichtende stof afscheidden. Het
+zijn monsterachtige lichtvliegen, die een mensch tusschen hunne ijzeren
+kaken in eens verpletteren! Ik weet niet of Koenraad bezig was ze
+in eene zekere klasse te ordenen, doch ik bekeek, wat mij aangaat,
+hun zilverkleurigen buik, hun vreeselijken muil, vol scherpe tanden,
+minder met een wetenschappelijk doel; en ik deed het eerder als
+slachtoffer dan als natuuronderzoeker.
+
+Gelukkig zien die vraatzuchtige dieren zeer slecht. Zij zwommen
+voorbij, zonder ons te zien, waarbij zij met hunne bruinachtige
+zwemvliezen rakelings over ons heen gingen, zoodat wij als door een
+wonder aan een gevaar ontsnapten, dat zeker veel erger was dan de
+ontmoeting met een tijger in het dichtste van het woud.
+
+Een half uur daarna bereikten wij, door het electrieke licht van
+de Nautilus geleid, het vaartuig. De buitendeur was open gebleven,
+en de kapitein sloot haar zoodra wij binnen waren; daarna drukte hij
+op een knop; ik hoorde de pompen in het vaartuig zich in beweging
+stellen, ik voelde het water rondom mij weg loopen, en binnen weinige
+oogenblikken was de cel ledig; de binnendeur werd open gedaan en wij
+traden de kleedkamer binnen. Daar werden wij niet zonder moeite van
+onze scaphanders bevrijd, en dood af, van vermoeienis en slaap bijna
+in elkander zakkende, ging ik naar mijne hut nog verbaasd over den
+wondervollen tocht in de diepten der zee.
+
+
+HOOFDSTUK XVIII
+
+De Stille Zuidzee.
+
+Den volgenden dag, 18 November, was ik van mijne vermoeienis van
+den vorigen dag geheel bekomen, ik besteeg het plat van de Nautilus,
+op het oogenblik dat de tweede stuurman zijne dagelijksche formule
+uitsprak. Ik verbeeldde mij toen, dat dit zag op den toestand
+der zee, of liever dat het beteekende "wij hebben niets in het
+gezicht." Inderdaad, de Oceaan was geheel verlaten, geen enkel
+zeil verscheen aan den gezichteinder. De hoogten van het eiland
+Crespo waren gedurende den nacht verdwenen. De zee had eene schoone
+blauwe kleur aangenomen en eene zachte deining bracht er regelmatige
+rimpels op. Ik bewonderde het prachtige gezicht op den Oceaan, toen
+de kapitein verscheen; hij scheen mij niet te zien en begon eene
+reeks sterrekundige waarnemingen. Toen hij gedaan had, ging hij op
+de lantaarn liggen leunen, en liet zijne blikken over de zee dwalen.
+
+Ondertusschen waren een twintigtal matrozen, allen krachtige en
+welgevormde mannen op het plat gekomen, om de netten op te halen,
+welke zij gedurende den nacht hadden laten slepen. Die zeelieden
+behoorden oogenschijnlijk tot verschillende natien, hoewel zij
+allen duidelijk van Europeesche afkomst waren. Ik herkende zonder
+aarzelen Ieren, Franschen, eenige Slavoniers, en zelfs een Griek of
+een Candioot. Overigens spraken die mannen zeer weinig, en gebruikten
+onder elkander slechts die vreemde taal, welker oorsprong ik zelfs
+niet raden kon; derhalve moest ik er van afzien om hen te ondervragen.
+
+De netten werden ingehaald. Het waren een soort van zaknetten, zooals
+men aan de kusten van Normandie gebruikt, welke door drijvend kurk of
+door een ijzerdraad, dat door de voorste mazen gestoken is, open worden
+gehouden. Die zakken worden met een ijzeren beugel langs den bodem der
+zee gesleept, en vangen dan alles op wat zich op hun weg bevindt. Er
+werden lampreien, makreelen, tonijnen en andere visschen opgehaald,
+verscheiden in kleur en vorm zooals ik ze nog nimmer levend voor mij
+had gezien. Ik houd het er voor dat er meer dan duizend pond visch in
+de netten zat; het was eene schoone vangst, doch niet wonderbaarlijk
+groot, want die netten worden gedurende eenige uren medegesleept
+en bevatten dan eene geheele waterwereld. Wij hadden dus steeds
+levensmiddelen van eene uitstekende hoedanigheid, welke de snelheid
+en de aantrekkingskracht van zijn electriek licht onophoudelijk
+konden vernieuwen. De verschillende zeeproducten werden door het
+luik aanstonds naar de kombuis gebracht, waar zij bereid werden,
+sommigen om aanstonds gegeten, anderen om bewaard te worden. Toen
+de vischvangst afgeloopen en de lucht in het schip ververscht was,
+dacht ik dat de Nautilus haar onderzeeschen tocht weder zou beginnen,
+en ik maakte mij gereed om naar mijne hut te gaan, toen de kapitein
+zich tot mij wendde en zeide:
+
+"Zie dien Oceaan eens aan, mijnheer de professor; is hij niet met een
+wezenlijk leven begaafd? Kan hij niet toornig en teeder zijn? gisteren
+is de zee ingeslapen als wij, en nu wordt hij na een kalmen nacht
+weder wakker."
+
+Geen goeden morgen, of goeden avond! Zou men niet gezegd hebben dat
+die vreemde man een reeds begonnen gesprek met mij vervolgde?
+
+"Zie," hernam hij, "zij wordt wakker onder de liefkozingen der zon;
+zij gaat haar dagelijksch bestaan weder doorleven! Het is belangwekkend
+om hare bewerktuiging gade te slaan. Zij bezit een pols en ademt,
+en ik geef den geleerden Maury gelijk, die er eene beweging in heeft
+ontdekt, welke op den bloedsomloop bij de dieren gelijkt."
+
+De kapitein wachtte van mij zeker geen antwoord, en het scheen mij dan
+ook onnoodig toe om hem mijn: "Juist," "zeker," "waarlijk" en andere
+woorden naar het hoofd te werpen. Hij sprak bijna tot zich zelven,
+terwijl hij tusschen elke twee zinnen telkens vrij lang wachtte. Het
+was eene overpeinzing met luider stemme.
+
+"Ja," zeide hij, "de Oceaan bezit een wezenlijken omloop, en om dien
+te weeg te brengen, behoefde de Schepper van alle dingen er slechts
+de warmte, het zout en de diertjes in te vermenigvuldigen. Warmte
+toch doet verschillende dichtheid ontstaan, waardoor stroomen en
+tegenstroomen geboren worden. De uitdamping, die in de noordelijke
+streken niet bestaat, en in den omtrek van den evenaar veelvuldig
+plaats vindt, brengt eene aanhoudende verwisseling te weeg tusschen
+de wateren onder die keerkringen en aan de polen. Bovendien heb ik
+stroomen van boven naar beneden en omgekeerd ontdekt, welke de ware
+ademhaling van den Oceaan is. Ik heb opgemerkt dat elk waterdeeltje
+aan de oppervlakte verwarmd wordt, weder naar de diepte zakt, zijn
+hoogsten graad van dichtheid twee graden onder nul bereikt, daarna
+verder afkoelt, lichter wordt en weder naar de oppervlakte stijgt. Aan
+de polen is het gevolg van dat verschijnsel merkbaar, en daar begrijpt
+gij, waarom door de wetten van de voorzienende natuur bevriezing niet
+anders kan plaats hebben dan aan de oppervlakte des waters."
+
+Terwijl de kapitein die volzinnen uitsprak, zeide ik bij mij zelven:
+
+"De pool! Zou die stoutmoedige reiziger ons daar heen willen brengen?"
+
+Kapitein Nemo zweeg en bleef verzonken in de beschouwing van dat
+element, hetwelk hij zoo goed en zoo onophoudelijk bestudeerd
+had. Daarop hervatte hij:
+
+"Men zegt dat het zout in aanzienlijke hoeveelheid in de zee vervat is,
+mijnheer; als gij er alles uit kondet halen, wat er in is opgelost,
+zoudt gij eene massa hebben van 288 millioen kubieke kilometer,
+dat over onzen aardbol uitgestrekt eene laag zou vormen van meer
+dan tien meter dik. En geloof niet, dat die aanwezigheid van zout
+eene gril van de natuur is; neen, neen! daardoor wordt het zeewater
+minder verdampbaar, en de wind kan er daardoor eene minder groote
+hoeveelheid dampen van opjagen, die als zij opgelost werden, de
+gematigde luchtstreken zouden overstroomen. Het zout speelt dus
+eene groote rol, namelijk de rol van het evenwicht in de algemeene
+huishouding van den aardbol!"
+
+De kapitein zweeg, richtte zich op, stapte eenige malen op het plat
+heen en weder, en kwam weder naar mij toe: "Wat de infusiediertjes
+aangaat," hernam hij, "die millioenen beestjes die in oneindig getal
+in een droppel leven, en waarvan er 800.000 een milligram wegen, zij
+spelen eene niet minder belangrijke rol. Zij nemen het zeezout op,
+verzamelen als het ware de vaste bestanddeelen van het water, en worden
+daardoor de wezenlijke vervaardigers van kalkgrond, zij maken koralen
+en zeesterren. En als dan de waterdroppel van zijne vaste bestanddeelen
+beroofd, lichter wordt, dan stijgt hij naar de oppervlakte, neemt daar
+weder het zout tot zich dat na uitdamping des waters achterblijft,
+wordt wederom zwaarder, zakt en brengt aan de infusiediertjes nieuw
+voedsel aan. Van daar een aanhoudend op- en nedergaande stroom, altijd
+beweging, altijd leven! Een veel krachtiger, weelderiger, onbeperkter
+leven als op het land, een leven dat vooral ontluikt op den Oceaan,
+dat zooals men zegt, voor den mensch een element des doods is, maar
+dat het element des levens is voor millioenen dieren en--voor mij!"
+
+Terwijl kapitein Nemo zoo sprak, veranderde hij geheel van gelaat en
+wekte in mij eene buitengewone ontroering op.
+
+"Daar," voegde hij er nog bij, "is het ware leven! Ik zou haast kunnen
+droomen van de stichting van zeesteden, verzamelingen van onderzeesche
+huizen, die even als de Nautilus elken morgen aan de oppervlakte
+der zee versche lucht zouden komen inademen, vrije onafhankelijke
+steden zooals er nergens gevonden worden! En nog, wie weet of niet
+eenig tiran...."
+
+De kapitein eindigde zijn volzin met een driftig gebaar; daarna richtte
+hij zich rechtstreeks tot mij, als om sombere denkbeelden te verjagen,
+en vroeg mij:
+
+"Mijnheer Aronnax, weet gij hoe diep de Oceaan is?"
+
+"Ik weet ten minste," zeide ik, "wat de voornaamste peilingen ons
+geleerd hebben."
+
+"Zoudt gij mij die kunnen opnoemen, opdat ik ze des noods kan nagaan?"
+
+"Hier hebt ge er vast eenigen, welke mij te binnen schieten,"
+antwoordde ik. "Als ik mij niet bedrieg, heeft men in het noorden van
+den Atlantischen Oceaan eene gemiddelde diepte gevonden van 8200 meter,
+en in de Middellandsche Zee van 2500 meter. De merkwaardigste peilingen
+zijn in het zuiden van den Atlantischen Oceaan bij den 35sten graad
+gedaan; daar is het dieplood op 12000, 14091 en 15149 afgedaald. Men
+berekent dat als de bodem der zee gelijk werd gemaakt hare gemiddelde
+diepte ongeveer 7000 meter zou bedragen."
+
+"Zeer goed, mijnheer," antwoordde de kapitein, "doch wij zullen u hoop
+ik iets beters toonen. Wat de gemiddelde diepte van dit gedeelte van
+de Stille Zuidzee aangaat, zoo deel ik u mede dat zij slechts 4000
+meter bedraagt."
+
+Na deze woorden verdween de kapitein door het luik; ik volgde hem,
+en trad het salon binnen; de schroef begon aanstonds te werken en de
+log toonde eene snelheid van twintig kilometer in 't uur aan.
+
+Kapitein Nemo bezocht mij slechts zeer zelden in de daarop volgende
+weken: nu en dan vertoonde hij zich een oogenblik. Zijn eerste stuurman
+wees geregeld met punten op de kaart den weg aan, welken de Nautilus
+volgde, zoodat ik dien geregeld kon nagaan.
+
+Koenraad en Land brachten een groot deel van den tijd met mij
+door. Koenraad had aan zijn vriend wonderen van onze wandeling verteld,
+en deze had er nu spijt van dat hij ons niet had vergezeld. Maar
+ik hoopte dat de gelegenheid zich nog wel eens zou voordoen om die
+onderzeesche bosschen te bezoeken.
+
+Bijna dagelijks openden zich gedurende eenige uren de wanden der zaal,
+en wij werden niet moede om de geheimen van die onderzeesche wereld
+te bespieden.
+
+Over het algemeen was de richting van de Nautilus zuidoostwaarts, en
+zij bleef op eene gemiddelde diepte van 200 a 150 meter. Eens evenwel,
+ik weet niet om welke reden, richtte het schip zich vrij snel naar
+beneden en bereikte eene diepte van 2000 meter. De honderdgradige
+thermometer wees eene temperatuur aan van 4 deg. 25', welke op deze diepte
+onder alle breedten dezelfde schijnt te zijn.
+
+Den 26sten November ging de Nautilus op 172 deg. lengte over den
+Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in
+het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij
+hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer
+afgelegd. Toen ik 's morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer
+onder den wind Hawai, het voornaamste der zeven eilanden waaruit
+deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei
+langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het
+strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is,
+daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt.
+
+De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op
+142 deg. lengte den 1sten December over den evenaar; drie dagen later
+kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel
+voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie
+kilometer afstand zag ik op 8 deg. 57' Z.B. en 139 deg. 32' W.L. het hooge
+Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan
+Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde
+gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield
+er niet van om dicht bij het land te komen. De netten leverden ons
+daar evenals bij Hawai schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort
+(choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker
+van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder
+schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder
+bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten,
+doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer;
+op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen;
+zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de
+natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven
+wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italie gegeten.
+
+In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger
+van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze
+bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere
+luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen
+en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen
+en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de
+grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de
+tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos
+van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer
+de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan
+een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen
+verschillende soorten herkende, welke d'Orbigny voor den Grooten
+Oceaan heeft opgegeven.
+
+Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen
+vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk
+oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor
+niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar
+element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan
+doordringen.
+
+Den 11den December zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned
+Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus
+lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip
+duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig
+bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden
+verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur.
+
+"Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?" vroeg hij met zonderlinge
+stem.
+
+"Wat is er dan, Koenraad?"
+
+"Mijnheer moet maar eens zien."
+
+Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden
+in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk
+in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit
+reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam
+mij eene gedachte voor den geest.
+
+"Een schip!" riep ik uit.
+
+"Ja," zeide Ned Land, "een ontredderd vaartuig dat rechtstandig
+gezonken is."
+
+De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons,
+welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat
+te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben
+plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het
+dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip
+zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het
+volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was
+een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven,
+maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met
+touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een
+nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de
+kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was
+nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk
+hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt
+had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven,
+doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder
+geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als
+zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste
+poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip
+gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit;
+zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen
+geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen
+verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen
+sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar
+bij het gezicht van die als 't ware op heeter daad betrapte schipbreuk,
+welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd
+was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen,
+zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus
+maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik
+een oogenblik op den spiegel lezen kon:
+
+Florida, Sunderland.
+
+
+HOOFDSTUK XIX
+
+Vanikoro.
+
+Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen,
+welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedert wij in meer
+bezochte zeeen kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke
+drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen
+kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die
+door den roest werden verteerd.
+
+Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd
+van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in
+het gezicht. Het waren de "Gevaarlijke eilanden" van Bougainville,
+die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten
+naar het West-Noord-Westen tusschen 253 deg. 50' en 13 deg. 30' Z.B. en 151 deg.
+30' en 125 deg. 30' W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het
+eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte
+van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een
+zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de
+Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn
+allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam,
+maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden
+zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels,
+en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland
+en Nieuw-Caledonie tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt.
+
+Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide
+hij koeltjes:
+
+"Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft,
+maar nieuwe menschen!"
+
+Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland
+Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep,
+welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen
+bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te
+danken hebben.
+
+De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes,
+welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne
+kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier
+vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de
+kusten van Nieuw-Caledonie en van verschillende eilanden van den
+Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en
+Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht
+oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is.
+
+Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende,
+bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes
+gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want
+onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige
+kalkformatie schitterde in ons electriek licht.
+
+Toen Koenraad mij vroeg, hoe lang het wel duurde eer zulke groote
+rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat de geleerden
+meenen, dat zij gedurende eene eeuw slechts een achtste centimeter
+groeiden.
+
+"Om die muren te vormen," zeide hij aarzelend, "zijn er dus...?"
+
+"Wel 192,000 jaren noodig geweest, Koen, waardoor de tijdrekening
+van den bijbel wel wat langer wordt. Overigens is er nog ontzaglijker
+tijdsverloop noodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden
+welke door zondvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt, en
+tot afkoeling van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overvloede
+bij, dat die dagen van den bijbel tijdvakken voorstellen, en geene
+tijdruimte tusschen twee zonsopgangen, want volgens den bijbel zelven,
+dagteekent de zon niet eens van den eersten scheppingsdag."
+
+Toen de Nautilus weder op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en
+boschrijke eiland Clermont Tonnerre in zijn geheelen omvang zien. De
+koraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar gemaakt. Eens
+is zeker een zaadje door een orkaan van naburige eilanden op deze
+kalkrotsen overgewaaid, waarop verrotte visschen en zeeplanten
+vruchtbare aarde hadden gevormd. Een kokosnoot werd door de golven
+voortgestuwd en op deze kust geworpen; de noot ontkiemde en schoot
+wortels; de boom groeide op en hield den waterdamp tegen, zoo ontstond
+een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe; eenige diertjes,
+wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind
+op andere eilanden had losgerukt. Schildpadden kwamen hare eieren
+leggen, vogels nestelden in den jonge boomen. Zoo ontwikkelde zich
+het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen
+de mensch. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden.
+
+Tegen den avond verdween Clermont-Tonnerre in de verte, en de
+richting van de Nautilus veranderde merkbaar. Na op 135 deg. lengte
+den Steenbokskeerkring even te hebben aangeraakt, wendde zij zich
+W.N.W. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wij geen
+hinder van de warmte, daar de temperatuur op 30 of 40 meter onder
+water zich niet boven tien of twaalf graad verhief.
+
+Op 15 December lieten wij den schoonen Archipel der Gezelschapseilanden
+en het bevallige Taiti, de koningin der Stille Zuidzee oostwaarts
+liggen, 's Morgens bemerkte ik eenige kilometer onder den wind de hooge
+bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voortreffelijke
+visch voor onze tafel.
+
+De Nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tusschen
+den Archipel van Tonga-Tabou, waar de Argo, de Port-au-Prince en de
+Duke of Portland vergingen, en dien van de Schippers-eilanden, waar
+kapitein de Langle, de vriend van La Perouse, vermoord werd. Daarna
+kwamen wij langs de Witi-eilanden, waar de wilden de matrozen van de
+Union en kapitein Bureau van de Aimable Josephine vermoordden. Deze
+Archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over eene lengte
+van 400 en van het oosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt,
+ligt tusschen 6 deg. en 2 deg. Z.B., en 174 deg. en 179' W.L. Hij bestaat uit een
+groot aantal eilandjes en klippen, waaronder de eilanden Witi-Lewu
+en Wanna-Lewu de voornaamste zijn.
+
+Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar, waarin Toricelli
+den barometer uitvond, en dat Lodewijk XIV den troon beklom. Ik
+laat daar, welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de
+menschheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Entrecasteaux in
+1793, en eindelijk in 1827 Durmont d'Urville, die dezen geographischen
+chaos eerst goed onderzocht en beschreef. De Nautilus naderde de
+baai van Wailea, het tooneel van de vreeselijke lotgevallen van dien
+kapitein Dillon, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk
+van La Perouse.
+
+Deze baai, waar wij verscheiden malen de netten uitwierpen, leverde
+een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk
+veel, en maakten ze volgens Seneca's voorschrift zelven aan tafel
+open. De oesterbank van Wailea moet verbazend groot zijn; en zonder
+veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die opeenstapeling van
+schelpdieren eindigen met de geheele baai te vullen, omdat een dier
+tot zelfs twee millioen eieren kan bevatten. Indien Ned Land bij
+die gelegenheid geen berouw over zijne gulzigheid had, dan komt het
+alleen daarvandaan, dat de oesters het eenige eten is dat minder eene
+indigestie veroorzaakt. Inderdaad men moet niet minder dan zestien
+dozijn van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend
+voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijksch onderhoud van een
+mensch noodig zijn.
+
+De Nautilus voer op 25 December midden door den Archipel der Nieuwe
+Hebriden, welke Quiros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768
+nader onderzocht, en waaraan Cook in 1773 den tegenwoordigen naam
+gaf. Deze groep bestaat uit negen groote eilanden en ligt in eene lijn
+van 480 kilometer van het N.N.W. naar het Z.Z.O. tusschen 15 deg.en 2 deg.
+Z.B. en 164 deg. en 168 deg. W.L. Wij gingen dicht genoeg langs het eiland
+Aurou om te zien dat het bedekt was met bosschen, uit welker midden
+een bergtop hoog uitstak.
+
+Het was dien dag Kerstmis, en het scheen mij toe dat Ned Land het zeer
+betreurde, dat hij het bij de Engelschen zoo hoog geeerde Kerstfeest
+niet te midden der zijnen vieren kon.
+
+Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien, toen hij 27 December
+'s morgens in het salon kwam, met een gezicht als van iemand, die u
+eerst vijf minuten te voren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart
+den weg van de Nautilus na; de kapitein naderde mij, wees met den
+vinger op de kaart, en zeide slechts dit eene woord:
+
+"Vanikoro."
+
+Die naam werkte als een tooverwoord; het was de naam van het eiland,
+waar de schepen van La Perouse vergaan waren. Ik stond plotseling op.
+
+"Brengt de Nautilus ons naar Vanikoro?" vroeg ik.
+
+"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein.
+
+"Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken, waar de Boussole
+en de Astrolabe te gronde gingen?"
+
+"Als dat u aangenaam is, ja, mijnheer de professor."
+
+"Wanneer komen wij bij Vanikoro?"
+
+"Wij zijn er al, mijnheer," was het lakonieke antwoord.
+
+Door den kapitein gevolgd, ging ik naar het plat, en keek met begeerige
+blikken naar den gezichteinder.
+
+In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke
+grootte, omringd door een koraalrif, dat veertig kilometer in omtrek
+had. Wij waren bij het eigenlijk gezegde Vanikoro, waaraan Dumont
+d'Urville den naam van Onderzoek-eiland gaf, en lagen juist voor
+de kleine haven van Vanou; het eiland scheen van het strand tot op
+de bergtoppen binnenslands met groen bedekt te zijn. In het midden
+verhief zich de berg Kapogo, die eene hoogte had van 950 meter.
+
+Toen de Nautilus den buitensten rotsrand door eene zeer nauwe opening
+was binnen gevaren, vonden wij daar binnen eene branding met dertig
+tot veertig vademen diepte. Onder de dichte schaduw der palmboomen
+zag ik een dozijn wilden staan, die hoogst verbaasd over onze komst
+opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam, dat
+slechts even boven water uitstak, een vreeselijk zeemonster was,
+waarvoor zij zich in acht moesten nemen?
+
+Op dat oogenblik vroeg mij kapitein Nemo wat ik van de schipbreuk
+van La Perouse wist.
+
+"Wat iedereen er van weet," antwoordde ik.
+
+"Zoudt gij mij dan kunnen vertellen wat iedereen weet?" vroeg hij
+mij op eenigszins spotachtigen toon.
+
+"Zeer gemakkelijk."
+
+Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d'Urville hadden
+medegedeeld. La Perouse en de kapitein de Langle werden in 1785 door
+Lodewijk XVI uitgezonden om eene reis om de aarde te doen. Zij voerden
+het bevel op de Boussole en de Astrolabe, en kwamen nooit terug. Toen
+in 1791 de Fransche regeering met recht ongerust werd over het lot van
+de twee korvetten, rustte zij twee groote schepen uit, de Recherche en
+de Esperance; deze schepen zeilden 28 September uit Brest onder bevel
+van Bruni d'Entrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekeren
+Bowen, kapitein op de Albemarle, dat hij overblijfselen van schepen
+gezien had op de kusten van Nieuw-Georgie; maar d'Entrecasteaux, die
+deze overigens vrij onzekere mededeeling niet kende, richtte zich
+naar de Admiraliteits-eilanden, welke in een verslag van kapitein
+Hunter waren aangeduid als de plaats waar de schipbreuk van La Perouse
+had plaats gehad. Zijn onderzoek was te vergeefs. De Esperance en de
+Recherche zeilden zelfs voorbij Vanikoro zonder er zich op te houden,
+en bovendien was deze reis zeer ongelukkig, daar zij het leven aan
+d'Entrecasteaux, aan twee zijner stuurlieden en aan verscheiden
+matrozen zijner equipage kostte.
+
+Het was een oude bekende op den Grooten Oceaan, de kapitein Dillon,
+die het eerst de stelligste sporen van de schipbreuk vond. Den 15den
+Mei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje
+Tikopia, een van de Nieuwe Hebriden. Daar kwam een inlander in zijne
+kano bij hem aan boord en verkocht hem een zilveren degengevest,
+waarin letters gegraveerd stonden. Die inlander beweerde overigens
+dat hij, zes jaar geleden bij eene reis naar Vanikoro, daar twee
+Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen,
+welke lang te voren op de klippen van het eiland vergaan waren.
+
+Dillon raadde dat dit de schepen van La Perouse konden zijn, wier
+verdwijning de geheele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar
+Vanikoro, waar volgens den Polynesier nog verschillende overblijfselen
+van de schipbreuk gevonden werden; hij werd door tegenwind en
+zeestroomingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta;
+daar wist hij de Aziatische Maatschappij en de Indische compagnie
+voor zijne ontdekking te winnen. Men stelde een schip waaraan men
+den naam van Recherche gaf, ter zijner beschikking, en hij vertrok
+23 Januari 1827 in gezelschap van een Fransch agent.
+
+Nadat de Recherche op verschillende punten van den Grooten Oceaan reeds
+het anker had laten vallen, kwam het schip 7 Juli 1827 voor Vanikoro,
+en in diezelfde haven van Vanou, waar de Nautilus op dit oogenblik lag.
+
+Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbreuk,
+ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een
+achttienponder, stukken van astronomische instrumenten, een bronzen
+klok met het opschrift: "Bazin heeft mij gemaakt," en het merk van
+de gieterij van het arsenaal van Brest met het jaartal 1785: er was
+dus geen twijfel meer mogelijk.
+
+Dillon bleef om zijne inlichtingen te vermeerderen tot October op de
+plaats des onheils. Daarop verliet hij Vanikoro, richtte den steven
+naar Nieuw-Zeeland, liet het anker 7 April 1828 nogmaals voor Calcutta
+vallen, en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X hartelijk
+ontvangen werd.
+
+Maar op dit oogenblik was Dumont d'Urville, zonder iets van de reis
+van Dillon te weten, reeds vertrokken, om elders het tooneel van de
+schipbreuk te zoeken. En inderdaad, men had door een walvischvaarder
+gehoord, dat er medailles en een kruis van den Heiligen Lodewijk
+in handen van wilden van de Louisiaden en Nieuw-Caledonie gezien
+waren. Dumont d'Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee
+gestoken, en liet twee maanden nadat Dillon Vanikoro verlaten had,
+het anker voor Hobarttown vallen. Daar vernam hij welke de uitslag
+was geweest van Dillons onderzoekingen, en verder hoorde hij dat
+zekere James Hobbs, stuurman van de Union van Calcutta eens op een
+eilandje aan wal gegaan was, dat op 8 deg. 18' Z.B. en 156 deg. 30' O.L. lag,
+en daar ijzeren staven en roode stoffen gezien had, welke de inlanders
+gebruikten.
+
+Dumont d'Urville was uit het veld geslagen, en wist niet of hij
+geloof moest hechten aan verhalen uit dagbladen, welke zoo weinig
+geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons voetspoor te
+volgen. De Astrolabe kwam 10 Februari 1828 voor Tikopia, nam als
+gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich daar bevond, en
+zeilde naar Vanikoro, dat hij 12 Februari in het gezicht kreeg; hij
+zeilde langs de klippen tot den 14den liet eerst den 20sten het anker
+binnen die klippen in de haven van Vanou vallen. Den 23sten deden
+verscheiden officieren een tocht om het eiland, en brachten eenige
+weinig beteekenende overblijfselen mede. De inboorlingen hadden een
+stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen, en weigerden om hen
+op de plaats van het onheil te brengen. Dit ellendige gedrag deed zien,
+dat zij de schipbreukelingen hadden mishandeld, en dat zij schenen
+te vreezen dat Dumont d'Urville gekomen was, om La Perouse en zijne
+ongelukkige makkers te wreken. Den 26sten brachten zij, overgehaald
+door geschenken en begrijpende dat zij geen weerwraak te vreezen
+hadden, den stuurman Jaquinot naar de plaats waar de schipbreuk had
+plaats gehad. Daar lagen op drie of vier vademen diepte tusschen de
+klippen Pacou en Vanou ankers, stukken ijzer en lood, die reeds met
+eene kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden
+naar deze plek gezonden; de bemanning slaagde er met groote moeite
+in om een anker, dat 1800 pond woog, een gegoten achtponder, een
+looden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen. Dumont
+d'Urville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Perouse,
+na zijne beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien
+vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmede hij een tweede maal
+schipbreuk had geleden. Waar? dat wist men niet.
+
+Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen
+een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en
+zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide,
+welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer
+gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op
+te wekken. Daarna wilde d'Urville vertrekken, doch zijne manschappen
+hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf
+ernstig ziek was, kon hij niet voor 17 Maart vertrekken.
+
+De Fransche regeering, bang dat d'Urville niet op de hoogte was
+van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet de Bayonnaise,
+onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat
+oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De
+Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het
+anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men
+dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Perouse hadden ontzien.
+
+Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed.
+
+"Dus weet men nog niet," zeide hij, "waar dit derde schip is vergaan,
+hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?"
+
+"Neen, kapitein."
+
+Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te
+volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden
+openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en
+andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de
+dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers,
+kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven,
+kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met
+hare levende bloemen overdekt had.
+
+Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de
+kapitein op ernstigen toon:
+
+"Kapitein La Perouse vertrok 7 December 1785 met zijne
+schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht
+hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonie, richtte toen den
+steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der
+Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen
+van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant
+van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens
+schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander
+geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was,
+hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de
+inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder
+en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het
+groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen,
+hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Perouse. Zij zetten koers naar
+de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van
+het voornaamste eiland dier groep."
+
+"En hoe weet gij dat?" vroeg ik.
+
+"Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb."
+
+Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van
+Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was
+ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch
+nog leesbare papieren. Het waren de instructien van den Minister van
+Marine aan La Perouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige
+aanteekeningen had gemaakt.
+
+"Het is een schoone dood voor een zeeman!" zeide toen kapitein
+Nemo. "Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de
+hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!"
+
+
+
+HOOFDSTUK XX
+
+De Torrestraat.
+
+In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten
+van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het
+zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke
+dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt.
+
+Den 1sten Januari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het
+plat bij mij.
+
+"Mijnheer," zeide de brave jongen, "zal mij toch niet kwalijk nemen
+als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?"
+
+"Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw
+wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt
+met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons
+bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken
+moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?"
+
+"Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden," zeide Koenraad. "Zeker
+is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden
+geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien
+is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat,
+weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene
+gelegenheid nooit weder krijgen."
+
+"Nooit, Koen."
+
+"En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt,
+ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond."
+
+"Het is zooals ge zegt, Koen."
+
+"Ik denk dus, als mijnheer 't mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig
+jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien."
+
+"Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt
+Ned Land er van?"
+
+"Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik," antwoordde
+Koenraad. "Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, en maakt
+een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten
+is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen
+bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoon was biefstuk te eten,
+en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate."
+
+"Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan
+mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken."
+
+"Ik ook," antwoordde Koenraad; "ik denk er dus even sterk over om te
+blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor
+mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op
+die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch
+mijnheer veel heil en zegen in 't nieuwe jaar."
+
+"Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen,
+en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik
+heb niets anders te geven."
+
+"Mijnheer is nooit zoo gul geweest," zeide Koenraad, en daarmede ging
+hij heen.
+
+Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert
+ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de
+gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australie. Ons
+vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank,
+waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip
+waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het
+niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid,
+dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten
+in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten.
+
+Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen
+de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat
+oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van
+die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen
+met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren.
+
+Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4den Januari,
+verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde
+kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat
+naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met
+genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou.
+
+Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die
+men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij
+scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is
+ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte
+van 640,000 vierkante kilometer. Het ligt tusschen 0 deg. 19' en 10 deg.
+2' Z.B. en tusschen 128 deg. 23' en 146 deg. 15' O.L. Om twaalf uur, toen
+de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den
+Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten
+eindigde.
+
+Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd
+achtereenvolgens bezocht door don Jose Meneses in 1526, door Grijalva
+in 1527, door den Spaanschen generaal Alvar de Saavedra in 1528, door
+Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret,
+Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d'Urville en anderen. "Het
+is de bakermat der Maleische kleurlingen," zeide de Rienzi, doch ik
+dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou.
+
+De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van
+den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door
+durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torrez zich doorwaagde,
+toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en
+waar in 1840 de korvetten van Dumont d'Urville op het punt waren van
+met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen
+te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.
+
+De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol
+klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk
+is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door
+te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts
+bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.
+
+Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat
+plaats genomen. Voor ons was het kastje van den stuurman, en ik moet
+mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om
+zijn Nautilus te besturen.
+
+Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met
+de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en
+bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven
+kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten
+gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te
+voorschijn kwamen.
+
+"Dat is een leelijke zee!" zeide Ned Land.
+
+"Afschuwelijk," antwoordde ik, "zij is niet best voor de Nautilus."
+
+"Die vervloekte kapitein," hernam de Amerikaan, "moet wel zeker van
+zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend
+stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte."
+
+Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen
+als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen
+door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke
+voor Dumont d'Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers
+meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen
+zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het
+schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts
+wendde en tusschen een groot aantal weinig bekende eilandjes en rotsen
+door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij
+zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen
+doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d'Urville op de
+rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde
+en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.
+
+Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde
+het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor
+mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er
+langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus
+had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen,
+doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag
+ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den
+toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne
+onverstaanbare taal.
+
+Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan
+stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange
+arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten
+vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het
+afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene
+zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige
+omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip
+niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet
+zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die
+rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche
+toestel van kapitein Nemo.
+
+Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder
+eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.
+
+"Een ongeluk?" vroeg ik.
+
+"Neen, een toeval," was zijn antwoord.
+
+"Maar een toeval," hernam ik, "dat u misschien verplichten zal om
+het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen."
+
+De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met
+het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen
+om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: "Bovendien
+mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen
+van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog
+zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden."
+
+"Maar toch kapitein," antwoordde ik, zonder acht te geven op de
+spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, "de Nautilus is gaan
+vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan
+niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt
+(hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder
+vlot zult komen."
+
+"Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen
+Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil
+van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standen der
+zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari,
+en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten
+verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was
+om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een
+dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben."
+
+Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman
+weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar
+vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden
+ingemetseld.
+
+"Welnu mijnheer!" zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein
+naar mij toe kwam.
+
+"Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten,
+want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot
+te maken."
+
+"Meent gij dat?"
+
+"Ja zeker."
+
+"En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te
+brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van
+die verwenschte klip te komen?"
+
+"Het tij is immers voldoende," antwoordde Koenraad bedaard.
+
+De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de
+zeeman, die uit hem sprak.
+
+"Mijnheer," antwoordde hij, "geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk
+ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij 't
+pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om
+dien kapitein Nemo de hakken te laten zien."
+
+"Vriend Ned," antwoordde ik, "ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke
+vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen
+in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te
+vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in 't gezicht
+hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is 't eene andere zaak;
+het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als
+de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen."
+
+"Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?" hernam Ned
+Land. "Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die
+boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben,
+en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten."
+
+"Nu heeft vriend Land gelijk." zeide Koenraad, "en ik ben het met
+hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof
+kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om
+de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten
+op het vaste deel van onzen aardbodem?"
+
+"Ik kan het hem wel eens vragen," antwoordde ik, doch hij zal het
+weigeren.
+
+"Het is in allen gevalle te wagen," zeide Koenraad, "en dan weten
+wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid
+te houden hebben."
+
+Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem
+vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de
+belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar
+eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned
+Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel
+beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de
+handen van de Papoea's te vallen!
+
+Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht
+niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs
+vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan,
+en dat Ned Land de boot alleen zou moeten sturen. Overigens was het
+land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen
+gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor
+groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.
+
+Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat
+in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in,
+en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke
+geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm;
+een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op,
+en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te
+sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen,
+hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is,
+en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.
+
+"Vleesch," riep hij herhaaldelijk, "vleesch zullen wij dan proeven,
+en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed
+is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild,
+op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen."
+
+"Lekkerbek!" zeide Koenraad, "het water komt mij in den mond."
+
+"Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn," zeide ik,
+"en of het wild er niet zoo groot is, dat het den jager wegjaagt."
+
+"Goed zoo, mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo
+scherp als een bijl schenen te zijn, "maar ik zal zelfs een tijgerrib
+eten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is."
+
+"Vriend Ned maakt ons bang," zeide Koenraad.
+
+"Hoe het ook zij," hernam de harpoenier, "het eerste dier op vier of
+op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in
+zijn ribben."
+
+"Goed!" antwoordde ik, "daar gaat de onverzichtigheid van meester
+Land weer beginnen."
+
+"Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en
+twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen."
+
+Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na
+gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het
+eiland Gueboroar omringden.
+
+
+HOOFDSTUK XXI
+
+Aan land.
+
+Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte
+op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar
+twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein
+Nemo, "passagiers op de Nautilus," maar inderdaad gevangenen van den
+kapitein waren.
+
+Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands
+van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel
+koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik
+stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire
+aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen
+belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren
+verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een
+licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en
+onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en
+welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van
+de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename
+voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige
+vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit
+met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren
+met de gewone spijzen op de Nautilus.
+
+"Uitmuntend!" zeide Ned.
+
+"Uitstekend!" antwoordde Koenraad.
+
+"Ik geloof niet," zeide de Amerikaan, "dat uw vriend Nemo er zich tegen
+verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?"
+
+"Ik geloof het ook niet," antwoordde ik, "maar hij zal er niet van
+willen proeven."
+
+"Zooveel te erger voor hem," meende Koenraad.
+
+"En zooveel te beter voor ons," antwoordde Ned Land "des te meer
+houden wij."
+
+"Een woord slechts, Ned," zeide ik tegen den harpoenier, die gereed
+stond om een anderen kokosboom te plunderen, "de kokosnoot is goed,
+maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij
+eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige
+zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok
+van de Nautilus gretig ontvangen worden."
+
+"Mijnheer heeft gelijk," antwoordde Koenraad, "en ik stel voor om
+in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten,
+eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog
+het minste of geringste niet gezien heb."
+
+"Koen, wij moeten aan niets wanhopen," antwoordde Ned.
+
+"Laat ons dan verder gaan," hernam ik, "maar goed uit onze oogen zien,
+want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens
+wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van
+wild waren!"
+
+"Nu, nu!" riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner
+kakebeenen.
+
+"Wat, Ned?" riep Koenraad.
+
+"Ik begin waarachtig te begrijpen," hervatte de Amerikaan, "hoe
+pleizierig het menscheneten zijn moet!"
+
+"Ned, Ned, wat zegt gij daar?" antwoordde Koen. "Gij een menscheneter:
+maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut
+moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?"
+
+"Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u
+zonder noodzaak op te pruimen."
+
+"Ik vertrouw het maar half!" zeide Koenraad. "Komaan op de jacht;
+wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden
+te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden
+dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen."
+
+Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het
+sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei
+richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten,
+en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte
+ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den
+broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze
+boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter
+hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote
+gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten
+van een decimeter lang, welke uitwendig zoo met stekels bezet waren,
+dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is
+een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan
+ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen,
+gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.
+
+Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen
+meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij
+ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet
+langer bedwingen.
+
+"Ik mag sterven, mijnheer," zeide hij, "als ik niet van dien broodboom
+eet."
+
+"Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te
+beproeven; doe het dus."
+
+"Het zal niet lang duren!" zeide de Amerikaan, en met eene lens
+gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder
+opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten
+van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar
+dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren
+geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt
+te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een
+twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in
+schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:
+
+"Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is."
+
+"Vooral als men in lang geen brood gehad heeft," zeide Koen.
+
+"Het is zelfs geen brood meer," voegde de Amerikaan er bij: "het is
+een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?"
+
+"Neen, Ned."
+
+"Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als
+gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers
+niet meer."
+
+Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van
+het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was
+een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken
+deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk,
+en ik at het met groot genoegen.
+
+"Ongelukkig," zeide ik, "kan men zulk een deeg niet versch houden,
+en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om
+mede te nemen."
+
+"Welnu komaan, mijnheer!" riep Ned Land uit, "gij spreekt als een
+natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal
+eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer
+naar boord gaan."
+
+"En hoe maakt gij die gereed?" vroeg ik.
+
+"Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder te bederven
+lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in
+de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij
+het toch wel lekker vinden."
+
+"Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?"
+
+"Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of
+althans groenten er bij!"
+
+"Laat ons die dan zoeken."
+
+Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk
+maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen
+den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke
+vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door
+rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven,
+eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden
+wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone
+grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd,
+dien wij overigens niet behoefden te betreuren.
+
+Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl
+hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen
+uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.
+
+"Ontbreekt u niets?" vroeg Koenraad.
+
+"Hem!" kuchte de Amerikaan.
+
+"Wat beklaagt gij u?"
+
+"Al die planten en vruchten maken geen maal uit," antwoordde
+Ned. "Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep,
+en het gebraad, waar zijn die?"
+
+"Zeker, Ned," zeide ik, "gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot
+het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren."
+
+"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "de jacht is niet alleen niet
+geeindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar,
+wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is
+het hier niet, dan is het ergens anders...."
+
+"En is het van daag niet, dan is het morgen," voegde Koen er bij,
+"want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar
+de sloep terug te keeren."
+
+"Wat, nu reeds?" riep Ned Land.
+
+"Wij moeten voor den nacht terug zijn," zeide ik.
+
+"Maar hoe laat is het dan!" vroeg de Amerikaan.
+
+"Ten minste twee uur," gaf Koenraad ten antwoord.
+
+"Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om," zuchtte Ned Land treurig.
+
+"Op weg," riep Koenraad.
+
+Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen
+uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden
+bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaar beladen,
+toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet
+genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij
+ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van 8 tot 10 meter
+hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als
+de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen
+Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven
+voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen
+loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke
+boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht
+zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen,
+wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik
+keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand,
+die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors
+van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange
+vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort
+van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago,
+welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd
+wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam
+in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij
+behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen,
+en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten
+hard worden.
+
+Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s'avonds met al onze
+schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast
+de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren
+cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging
+ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar
+bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan
+boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De
+sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar
+wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar
+het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te
+zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.
+
+Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken
+bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij
+gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan
+het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden
+werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.
+
+De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna
+doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte,
+welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels
+zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne
+schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van
+onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking
+dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot
+tijd menschen kwamen.
+
+Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij
+aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een
+groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.
+
+"Dat zijn nog maar vogels," zeide Koenraad.
+
+"Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!" antwoordde de harpoenier.
+
+"Ik geloof het niet, vriend Ned," hervatte Koenraad, "want ik zie
+niets dan papegaaien.
+
+"Vriend Koen," was het deftige antwoord van den Amerikaan, "de papegaai
+is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft."
+
+"En ik zal er nog bijvoegen," zeide ik, "dat als hij goed wordt klaar
+gemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is."
+
+En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van
+papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger
+opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden
+zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe's,
+die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl
+schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind
+wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat
+met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid
+van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over
+het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze
+verzameling nog een vogel, welke nooit over de grenzen van de
+Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.
+
+Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden
+wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels
+opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in
+te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten,
+welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken
+bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.
+
+"Paradijsvogels!" riep ik uit.
+
+"Orde der musschen, afdeeling der...." antwoordde Koenraad.
+
+"Is het ook familie van de patrijzen?" viel Ned Land hem in de rede.
+
+"Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een
+van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen."
+
+"Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon
+ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan."
+
+De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels
+drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu
+geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen
+der boomen; waarin de paradijsvogels bij voorkeur zich ophouden; dan
+vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water,
+waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken. Wat ons betrof, wij moesten
+ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een
+te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.
+
+Tegen elf uur 's morgens waren wij den eersten rand der bergen,
+welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden
+nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden
+gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk
+gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren
+tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot
+namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit
+gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die
+beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten
+van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze
+voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden,
+geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.
+
+"Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten," zeide Koenraad.
+
+"En wat ontbreekt u nu nog, Ned?" vroeg ik den Amerikaan.
+
+"Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax," antwoordde Ned Land. "Al
+die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook
+niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan
+ik karbonade kan eten."
+
+"En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb."
+
+"Laat ons de jacht dan voortzetten," antwoordde Koenraad, maar naar
+den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik
+geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.
+
+Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn
+voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen;
+eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels
+verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan
+om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich
+eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen
+paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.
+
+"Bravo Koen, bravo!" riep ik.
+
+"Mijnheer is wel goed." antwoordde Koenraad.
+
+"Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om
+een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!"
+
+"Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel
+verdienste niet in steekt."
+
+"En waarom Koen?"
+
+"Omdat die vogel zoo dronken als een snip is."
+
+"Dronken?"
+
+"Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom,
+waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het
+vreeselijk gevolg der onmatigheid is?"
+
+"Duizend duivels!" antwoordde de Amerikaan, "het is wel de moeite
+waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden
+gedronken heb!"
+
+Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich
+niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig
+om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen;
+dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil
+uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten,
+welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige
+paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang;
+het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek
+stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone
+afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin,
+de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals
+lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven
+den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte
+schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge
+fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend
+fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk "den vogel der zon"
+noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede
+naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke
+te geven, waar er geen enkele levend is.
+
+"Is hij dan zoo zeldzaam?" vroeg de Amerikaan op den toon van een
+jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft.
+
+"Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend
+te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een
+belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een
+middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten
+namaakt."
+
+"Wat!" riep Koenraad, "maakt men valsche paradijsvogels?"
+
+"Ja, Koen."
+
+"En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?"
+
+"Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne
+prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels
+opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan
+verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner
+zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers."
+
+"Mooi zoo!" riep Ned Land, "al is het dan de vogel niet, dan zijn
+het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt,
+zie ik er geen kwaad in!"
+
+Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een
+paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog
+volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een
+groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier
+kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetig dier
+te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den
+electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen.
+
+De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed
+hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal
+wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken
+moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden,
+het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe's op, die
+op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zoo
+snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten.
+
+"O, mijnheer," riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd
+begon te stijgen, "wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad
+voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk
+dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan
+boord er niets van mede krijgen!"
+
+Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat
+had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou
+doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn
+van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk
+springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn;
+maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht.
+
+Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke
+Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland
+terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren
+berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard.
+
+'s Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag
+op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op
+twee mijl van de kust boven de zee uit.
+
+Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons
+diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden
+de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een
+aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak
+nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve
+het mij zooals aan Ned Land!
+
+Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen
+ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen
+eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga's, een half
+dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten,
+waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige
+makkers niet zoo heel helder meer waren.
+
+"Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?" zeide
+Koenraad.
+
+"Als wij er eens nooit weder heen gingen?" voegde Ned er bij.
+
+Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte
+een einde aan de voorstellen van het tweetal.
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII
+
+Nemo's bliksem.
+
+Wij keken zonder op te staan naar den kant van het bosch; ik hield
+mijne hand, welke een hap naar den mond bracht, stil, doch Ned Land
+at door.
+
+"Een steen valt niet uit de lucht," zeide Koenraad, "of het moest
+een aeroliet zijn."
+
+Een tweede zuiver ronde steen sloeg Koenraad een lekker duivenboutje
+uit de hand, en bevestigde dus zijne opmerking.
+
+Wij sprongen alle drie overeind met het geweer in de hand en waren
+gereed om elken aanval af te weren.
+
+"Zijn het apen?" vroeg Ned.
+
+"Bijna," antwoordde Koenraad, "het zijn wilden."
+
+"Naar de sloep!" riep ik, naar den zeekant loopende. Wij moesten
+inderdaad vluchten, want een twintigtal inboorlingen, met bogen en
+slingers gewapend, verschenen aan den rand van een boschje, dat op
+nauwelijks honderd pas afstands ons aan den rechterkant het uitzicht
+belette. Onze sloep lag tien vademen van ons af. De wilden naderden
+langzaam, maar maakten de meest vijandige bewegingen; het regende
+pijlen en steenen.
+
+Ned Land had zijn voorraad niet in den steek willen laten, en
+niettegenstaande het dreigende van het gevaar liep hij met zijn varken
+op den eenen, en de kangoeroe's op den anderen schouder zoo hard als
+hij kon. In twee minuten waren wij op het strand, onze provisie en
+onze wapens in de sloep werpen, die in zee brengen en de riemen
+grijpen was het werk van een oogenblik. Wij waren nog geen twee
+kabellengten ver, toen honderd wilden met geschreeuw en gebaren tot
+aan het middel in het water liepen. Ik keek eens of hunne verschijning
+ook enige mannen van de Nautilus op het plat zou tevoorschijn roepen;
+maar neen, het kolossale vaartuig bleef verlaten.
+
+Twintig minuten daarna waren wij aan boord; het luik was open; nadat
+wij de boot hadden vastgelegd, gingen wij naar binnen. Ik ging naar
+het salon, waar ik enige accoorden hoorde aanslaan; kapitein Nemo
+zat daar voor het orgel geheel in muzikale verrukking verloren.
+
+"Kapitein!" zeide ik.
+
+Hij hoorde mij niet.
+
+"Kapitein!" zeide ik nog eens, en raakte zijne hand aan. Hij sidderde,
+en terwijl hij zich omkeerde, zeide hij:
+
+"O, zijt gij het mijnheer de professor? Welnu, hebt gij eene goede
+jacht gehad, en schoone planten verzameld?"
+
+"Ja, kapitein," zeide ik, "maar wij hebben ongelukkig een troep
+tweevoetige wezens achter ons aan gekregen, wier nabijheid ons vrij
+verontrustend toeschijnt."
+
+"Wat soort van wezens?"
+
+"Wilden."
+
+"Wilden!" antwoordde de kapitein op spotachtigen toon. "En gij
+verwondert u, mijnheer, dat als gij ergens voet aan wal zet er wilden
+te vinden? Wilden, waar zijn die niet? En bovendien, zijn die wilden
+erger dan alle anderen?"
+
+"Maar kapitein...."
+
+"Wat mij aangaat, mijnheer, ik heb overal wilden ontmoet."
+
+"Welnu," antwoordde ik, "als gij ze niet bij u aan boord wilt hebben,
+dient gij eenige voorzorgsmaatregelen te nemen."
+
+"Wees gerust, mijnheer de professor, gij behoeft u daar zoo bang niet
+voor te maken."
+
+"Maar die inboorlingen zijn talrijk."
+
+"Hoeveel hebt gij er geteld?"
+
+"Een honderdtal ten minste."
+
+"Mijnheer Aronnax," hernam de kapitein, die zijne vingers weer over
+de toetsen van het orgel liet gaan; "als al de inboorlingen van
+Nieuw-Guinea op dat strand bij elkander waren, dan zou de Nautilus,
+niets van hunne aanvallen te vreezen hebben!"
+
+Zijne handen bewogen zich over de klavieren van zijn instrument,
+waarbij ik opmerkte dat hij alleen de zwarte toetsen aanraakte,
+zoodat de door hem gespeelde melodien bijzonder veel op Schotsche
+geleken. Weldra had hij mijne tegenwoordigheid vergeten, en was in
+droomerijen verdiept, waaruit ik hem niet zocht op te wekken.
+
+Ik ging weer op het plat. De nacht was reeds gevallen, want onder
+deze breedte gaat de zon spoedig zonder schemering onder. Ik zag
+het eiland Gueboroar slechts even; maar talrijke vuren op het strand
+bewezen mij dat de inboorlingen er niet aan dachten om ons te verlaten.
+
+Ik bleef gedurende eenige uren alleen; dan dacht ik aan die
+inboorlingen zonder ze te vreezen, want het onwrikbare vertrouwen van
+den kapitein had zich ook van mij meester gemaakt; dan vergat ik ze
+weer, om de pracht van den sterrenhemel in deze tropische gewesten
+te bewonderen, ik vloog in gedachten met die sterren, welke mijn
+vaderland binnen weinige uren zouden verlichten, naar Frankrijk
+mede. De maan schitterde aan het uitspansel; ik dacht er aan dat
+die trouwe wachter overmorgen op die zelfde plaats terug zou komen,
+om het water te doen rijzen, en de Nautilus van de koraalklip los te
+maken. Toen ik tegen middernacht zag dat alles op zee en onder het
+geboomte op de kust rustig was, ging ik naar mijne hut en sliep kalm
+in. De nacht ging zonder ongeval voorbij. De Papoea's waren zonder
+twijfel bang voor het monster, dat in de baai lag, want het geopende
+luik zou hun anders gemakkelijk den toegang verschaft hebben.
+
+Den 8sten Januari ging ik 's morgens om zes uur op het plat; de dag
+brak aan; toen de morgennevel optrok, zag ik eerst het strand en toen
+de toppen der bergen. De wilden waren er nog altijd, doch talrijker dan
+den vorigen dag, vijf of zes honderd misschien. Eenigen maakten gebruik
+van het lage tij, en waren van de eene klip op de andere springende tot
+op twee kabellengten van de Nautilus gekomen; ik zag ze zeer duidelijk;
+het waren wel degelijk Papoea's van athletische gedaante, menschen
+van een schoon ras met een hoog en breed voorhoofd, een dikken, doch
+geen platten neus, en met witte tanden. Hun wolachtig haar was rood
+geverfd, en stak vreemd af tegen hunne huid, die zwart en glimmend
+was als van de Nubiers. Aan hunne doorstoken en uitgerekte oorlellen
+hingen trossen beentjes; zij waren over het algemeen naakt. Ik zag
+eenige vrouwen onder hen, die eene wezenlijke crinoline van gedroogd
+gras aan hadden, welke tot aan de knieen reikte. Sommige opperhoofden
+hadden hun hals met een halve maan en met snoeren van roode en witte
+glaskoralen versierd; bijna allen waren met bogen, pijlen en schilden
+gewapend en droegen een soort van netje op den rug, waarin zij de ronde
+steenen bewaarden, welke zij met groote behendigheid wisten te werpen.
+
+Een van die opperhoofden was dicht bij de Nautilus gekomen, en bekeek
+het vaartuig nauwkeurig. Het moest er een van hoogen rang zijn, want
+hij had eene mat van gedroogde banaanbladen om het lichaam geslagen,
+welke met schitterende kleuren beschilderd was. Ik zou hem gemakkelijk
+hebben kunnen neerschieten, omdat hij zich binnen het bereik van
+mijn geweer bevond, doch ik meende dat het beter was om te wachten
+tot dat zij zich wezenlijk vijandig toonden. Tusschen Europeanen en
+wilden past het dat Europeanen zich verdedigen en nimmer aanvallen.
+
+Gedurende al den tijd, dat het lage tij duurde, zwierven de
+inboorlingen in de nabijheid van de Nautilus, maar zij maakten geen
+geraas. Ik hoorde hen dikwijls het woord "assai" roepen, en uit
+hunne gebaren begreep ik dat zij mij uitnoodigden om aan land te
+komen, eene uitnoodiging, welke ik meende te moeten weigeren. Dien
+dag verliet de sloep derhalve de Nautilus niet, tot groot verdriet
+van Ned Land die zijn voorraad niet kon volledig maken. De handige
+Amerikaan gebruikte zijn tijd om het vleesch klaar te maken dat hij van
+Gueboroar had medegebracht. Wat de wilden betreft, die gingen tegen
+elf uur 's morgens weer naar land, toen de toppen der koraalriffen
+bij het wassen van het tij onder de golven begonnen te verdwijnen;
+doch ik zag dat hun aantal op het strand zeer toenam; waarschijnlijk
+kwamen zij van de naburige eilanden, en van Nieuw-Guinea. Echter zag
+ik geen enkele prauw.
+
+Daar ik niets beters te doen had, kreeg ik lust om eens in het heldere
+water met een schepnet te visschen, daar ik schelpen en planten in
+menigte op den bodem zag liggen. Het was bovendien de laatste dag,
+dat de Nautilus in deze streken doorbracht, als zij ten minste den
+volgenden dag, volgens de verzekering van kapitein Nemo, met hooge
+zee zou losraken.
+
+Ik riep Koenraad, die mij een klein schepnet bracht, van de soort,
+waarmede men gewoonlijk oesters vischt.
+
+"En die wilden?" vroeg Koenraad, "zij schijnen zoo erg boos niet."
+
+"Het zijn toch menscheneters, mijn jongen."
+
+"Men kan menscheneter en braaf zijn," hernam Koenraad, "even zooals men
+gulzig en eerlijk man kan wezen. Het eene sluit het andere niet uit."
+
+"Goed, Koen, ik stem u toe, dat het eerlijke menscheneters zijn en dat
+zij hunne gevangenen fatsoenlijk opeten; maar daar ik zelfs niet eens
+fatsoenlijk wil opgegeten worden, zal ik oppassen, want de kapitein
+schijnt geen de minste voorzorgen te nemen. En nu aan 't werk."
+
+Wij vischten ijverig gedurende twee uur, doch zonder eenig zeldzaam
+stuk op te halen; ons net was telkens wel vol schelpen, maar niets
+bijzonders, alleen een stuk of wat paarloesters en een dozijn kleine
+schildpadden, die wij voor den kok bewaarden. Doch op 't oogenblik, dat
+ik er het minst op verdacht was, kreeg ik een wonder, of liever gezegd
+eene natuurlijke misvorming te zien welke men zelden ontmoet. Koen had
+het net weder uitgeworpen en haalde het met zeer gewone schelpen op,
+toen hij mij plotseling de hand in het net zag steken en er een schelp
+uithalen, welke ik met een kreet van blijdschap in de hoogte hief.
+
+"Wat scheelt er aan, mijnheer?" vroeg hij zeer verwonderd. "Is
+mijnheer gebeten?"
+
+"Neen mijn jongen, en toch zou ik voor zulk eene ontdekking wel een
+lid van een vinger willen missen."
+
+"Welke ontdekking?"
+
+"Deze schelp," zeide ik, hem het voorwerp mijner blijdschap toonende.
+
+"Het is doodeenvoudig een purperolijf, klasse
+
+"Ja wel, Koen, maar in plaats van rechts naar links gedraaid te zijn,
+is deze juist omgekeerd."
+
+"Omgekeerd?"
+
+"Ja mijn vriend, het is een linksche schelp!"
+
+"Een linksche schelp!" herhaalde Koenraad met een van vreugde
+kloppend hart.
+
+"Zie maar eens."
+
+"Mijnheer kan mij gerust gelooven," zeide Koenraad, terwijl hij de
+kostbare schelp met bevende hand aanvatte, "ik ben nog nooit zoo
+blijde geweest."
+
+En er was wel reden toe; men weet toch dat rechts wenden volgens
+de opmerkingen der natuuronderzoekers een wet van de natuur is. De
+hemellichamen en hunne wachters bewegen zich bij hunne omwenteling
+om de zon en om zich zelven van rechts naar links; de mensch gebruikt
+liefst de rechterhand, zoodat allerlei werktuigen en inrichtingen als
+trappen, sloten, horlogeveeren, enz. enz. zoodanig gemaakt zijn, dat
+zij rechts kunnen gebruikt worden. De natuur heeft deze wet ook gevolgd
+in het draaien der schelpen; zij zijn allen rechts op zeer zeldzame
+uitzonderingen na, en als er soms gevonden worden die links gedraaid
+zijn, dan betalen de liefhebbers die soms met haar gewicht in goud.
+
+Koen en ik waren dus verrukt op het gezicht van onzen schat, en ik
+vatte het plan reeds op om er ons Museum mede te verrijken, toen
+een noodlottige steen, door een inboorling geworpen, het kostbare
+voorwerp in Koenraads hand in stukken sloeg. Ik stiet een wanhopigen
+kreet uit! Koenraad greep mijn geweer en mikte op den wilde, die
+zijn slinger op tien meter van ons af nog in de hand had. Ik wilde
+hem tegenhouden, doch het schot ging af en verbrijzelde den armband
+van amuletten, welke om den arm van den Papoea geslingerd zat.
+
+"Koen!" riep ik, "Koen!"
+
+"Wat, ziet mijnheer dan niet dat die kannibaal ons aanvalt"
+
+"Een schelp is geen menschenleven waard!" zeide ik.
+
+"O, die schavuit! ik wilde liever dat hij mij den arm had verbrijzeld."
+
+Koenraad meende het oprecht, maar ik was het niet met hem eens;
+echter was de toestand sinds eenige minuten veranderd, zooals wij
+bemerkten. Een twintigtal prauwen omringden ons; die vaartuigen van
+uitgeholde boomstammen gemaakt, waren lang, smal, vlug in de vaart,
+en bleven recht op het water liggen door twee bamboezen zwaarden,
+welke aan weerszijden op het water steunden. Zij werden door halfnaakte
+wilden gepagaaid, en ik zag ze niet zonder ongerustheid naderen.
+
+Het was duidelijk dat die Papoea's reeds met Europeanen in aanraking
+waren geweest, en hunne schepen kenden. Maar wat moesten zij wel denken
+van dien langen ijzeren cylinder, zonder mast of schoorsteen? Niets
+goeds, want zij waren eerst op eerbiedigen afstand gebleven;
+toen zij hem echter onbeweeglijk zagen liggen, vatten zij moed,
+en wilden er nader kennis mede maken; doch juist die kennismaking
+moest belet worden. Onze geweren, wier schot geen knal gaf, konden
+dien inboorlingen slechts weinig vrees inboezemen, daar zij slechts
+eerbied hebben voor geraasmakende vuurwapenen. De bliksem zou ook
+zonder den donder de menschen niet verschrikken, hoewel het gevaar
+in het eerste en niet in het geraas gelegen is.
+
+Op dit oogenblik naderden de prauwen dichter bij de Nautilus, en het
+regende pijlen om ons heen.
+
+"Te drommel, het hagelt," riep Koenraad, "misschien is het wel
+vergiftigde hagel!"
+
+"Ik zal den kapitein waarschuwen," zeide ik, naar binnengaande.
+
+Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waagde ik het om
+aan de deur van Nemo's kamer te tikken.
+
+"Binnen!" riep men; ik trad binnen en vond den kapitein verdiept in
+eene berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol
+speelden.
+
+"Hinder ik u ook?" vroeg ik uit beleefdheid
+
+"Ja, mijnheer," was het korte antwoord; "doch ik geloof dat gij
+ernstige redenen hebt om bij mij te komen!"
+
+"Inderdaad; wij zijn omringd door prauwen, en zullen binnen weinige
+minuten zeker door honderden wilden worden aangevallen.'"
+
+"Zoo," zeide de kapitein bedaard, "zijn zij met hunne prauwen gekomen?"
+
+"Ja kapitein."
+
+"Welnu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt?"
+
+"Juist, en ik kwam u zeggen...."
+
+"Niets is gemakkelijker," zeide Nemo, en op een electrieken knop
+drukkende, gaf hij daartoe aan de wachthebbende matrozen bevel.
+
+"Het is reeds geschied, mijnheer," zeide hij na eenige
+oogenblikken. "De sloep is op hare plaats en het luik is dicht. Gij
+vreest toch zeker niet dat die heeren de wanden van mijn vaartuig
+verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw fregat zelfs geen schade
+aan toebrachten!"
+
+"Neen, kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar."
+
+"Welk, mijnheer?"
+
+"Morgen ochtend moet gij het luik weder openen om de lucht in de
+Nautilus te ververschen."
+
+"Zeker, mijnheer, omdat ons vaartuig evenals de walvisschen ademt."
+
+"Maar als op dat oogenblik de Papoea's op het plat zijn, dan zie ik
+niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen."
+
+"Denkt gij dan mijnheer, dat zij aan boord zullen komen?"
+
+"Ik ben er zeker van."
+
+"Welnu, laat ze komen; ik zie geen enkele reden om hun dat te
+beletten; het zijn toch arme duivels, die Papoea's en, ik wil niet
+dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die
+ongelukkigen kost."
+
+Na deze woorden wilde ik heengaan, doch de kapitein hield mij terug, en
+verzocht mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling
+naar onzen tocht op het land, naar onze jacht, en scheen niet te
+begrijpen hoe die Amerikaan zoo vurig naar vleesch verlangde. Daarna
+spraken wij over verschillende onderwerpen, en zonder daarom veel
+mede te deelen, was de kapitein inderdaad veel hartelijker.
+
+Onder anderen spraken wij over de ligging van de Nautilus, die juist
+gestrand was in die zeestraat, waar Dumont d'Urville op het punt was
+geweest van te vergaan.
+
+"Die d'Urville was een van uwe grootste zeelieden," zeide de
+kapitein, "een van de verstandigste zeevaarders, Het is een
+Fransche Cook. Ongelukkige geleerde! De ijsbanken aan de zuidpool,
+de koraalriffen en de kannibalen in den Grooten Oceaan getrotseerd te
+hebben om ellendig in een spoortrein om te komen! Als die krachtige
+man in de laatste oogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken,
+wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn?"
+
+Zoo sprekende, scheen Nemo bewogen.
+
+Daarna gingen wij, met de kaart in de hand, de tochten van den
+Franschen zeereiziger na, zijne reis om de aarde, zijne beide pogingen
+om aan de zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en
+Lodewijk Filips ontdekt werden, en eindelijk zijne opmetingen van de
+voornaamste eilanden in den Grooten Oceaan.
+
+"Wat uw d'Urville aan de oppervlakte de zee verricht heeft," zeide
+kapitein Nemo, "dat doe ik onder zee, en veel gemakkelijker en
+vollediger dan hij. De Astrolabe en de Zelee werden onophoudelijk
+door de golven heen en weder geslingerd en konden dus niet tegen de
+Nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stil ligt, en dus
+een kalme studeerkamer heeten mag."
+
+"En toch," zeide ik, "is er een punt van overeenkomst tusschen de
+korvetten van Dumont d'Urville en de Nautilus."
+
+"Welk, mijnheer?"
+
+"Dat de Nautilus evenals zij gestrand is."
+
+"De Nautilus is niet gestrand, mijnheer," antwoordde de kapitein
+bedaard; "de Nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen,
+en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke d'Urville
+met zijn korvetten aanving om weder vlot te raken. De Astrolabe en
+de Zelee zijn vergaan, doch mijn Nautilus loopt geen gevaar. Morgen
+zal het hoogtij op het bepaalde uur het vaartuig oplichten, en wij
+zullen onzen tocht door de zee kunnen voortzetten."
+
+"Kapitein," zeide ik, "ik twijfel niet...."
+
+"Morgen," voegde de kapitein er bij, terwijl hij opstond, "morgen
+middag twintig minuten voor drieen, zal de Nautilus vlot worden,
+en zonder schade de Torrestraat verlaten."
+
+Toen hij deze woorden kortaf gezegd had, maakte hij eene lichte
+buiging; hij gaf mij dus mijn afscheid, en ik ging naar mijne hut. Daar
+vond ik Koenraad, die wenschte te weten welken uitslag mijn gesprek
+met den kapitein gehad had.
+
+"Mijn jongen," zeide ik, "toen ik de meening uitte dat zijn Nautilus
+door de wilden bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertsenden
+toon geantwoord. Ik kan u dus slechts een ding antwoorden: vertrouw
+op hem, en ga gerust slapen."
+
+"Heeft mijnheer mij niet noodig?"
+
+"Neen, mijn vriend, maar wat doet Ned Land?"
+
+"Vriend Ned maakt eene kangoeroe-pastij klaar, die verbazend lekker
+moet worden," antwoordde Koenraad.
+
+Ik bleet alleen, en ging naar bed, doch sliep vrij slecht. Ik hoorde
+de wilden op het plat heen en weder loopen en tusschen beiden een
+oorverdoovend geschreeuw aanheffen. Zoo ging de nacht voorbij,
+zonder dat de equipage uit hare gewone traagheid scheen opgewekt
+te worden. Zij scheen zich evenmin om die wilden te bekreunen,
+als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen, die over de
+blindeering loopen.
+
+Ik stond 's morgens om zes uur op. Het luik was niet open. De lucht
+werd dus niet ververscht, maar de vergaarbakken, welke om alle
+mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, gevuld waren, begonnen te
+werken en brachten eenige kubieke meter zuurstof in de Nautilus.
+
+Ik bleef tot twaalf uur in mijne kamer zitten werken, zonder den
+kapitein slechts een oogenblik gezien te hebben. Men scheen aan boord
+geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog
+eenigen tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie;
+in tien minuten moest de vloed zijne grootste hoogte bereikt hebben,
+en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de Nautilus
+onmiddellijk vlot raken; anders zouden er heel wat maanden verloopen,
+voordat zij deze klippen verlaten kon.
+
+Weldra voelde ik echter eenige trilling in het vaartuig; ik hoorde
+de kalk- en koraalpunten tegen den buitenwand schuren.
+
+Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon.
+
+"Wij gaan vertrekken," zeide hij.
+
+"Zoo?" antwoordde ik.
+
+"Ik heb bevel gegeven, om het luik te openen."
+
+"En de Papoea's?"
+
+"De Papoea's?" antwoordde de kapitein schouderophalend.
+
+"Zullen zij niet in de Nautilus komen?"
+
+"Hoe zoo?"
+
+"Wel, door het luik, als gij het laat open zetten."
+
+"Mijnheer Aronnax," zeide Nemo bedaard, "men komt het luik van de
+Nautilus zoo maar niet binnen, al staat het open."
+
+Ik keek hem eens aan.
+
+"Begrijpt gij mij niet?" vroeg hij.
+
+"Geenszins."
+
+"Welnu, kom dan mede en zie."
+
+Ik ging naar de groote middeltrap; daar stonden Ned Land en Koenraad
+zeer nieuwsgierig naar eenige matrozen te kijken die het luik
+openden, terwijl kreten van woede en afgrijselijk geschreeuw daar
+buiten weerklonken. Eindelijk was het luik open, en een twintigtal
+afschuwelijke tronies verschenen. Maar de eerste van die wilden,
+die de hand aan de trapleuning sloeg, werd door ik weet niet welke
+onzichtbare kracht achteruitgeworpen, en vluchtte onder vreeselijk
+geschreeuw en met ontzaglijke sprongen. Tien van zijne makkers wilden
+ook naar binnen komen, en ondergingen hetzelfde lot.
+
+Koenraad was in verrukking; Ned Land, slechts aan zijne hevige driften
+gehoor gevende, vloog naar de trap, maar, nauwelijks had hij de
+trapleuning aangegrepen, of hij werd op zijne beurt terug geslingerd.
+
+"Duizend duivels!" riep hij, "ik ben door den bliksem getroffen!" Die
+uitroep verklaarde mij alles; het was geene trapleuning meer, maar
+een metalen ketting met electriciteit geladen, welke tot op het plat
+ging. Ieder die er aan raakte kreeg een vreeslijken schok, en zulk een
+schok zou doodelijk geweest zijn als de kapitein dien geleider met
+den geheelen electrieken stroom van zijne machine geladen had. Men
+kon letterlijk zeggen dat hij tusschen zijne aanvallers en zich een
+elektriek net gespannen had, waar niemand ongestraft over heen kon.
+
+Ondertusschen hadden de ontstelde Papoea's de vlucht genomen; wij
+troostten en wreven half lachende den ongelukkigen Ned Land, die
+vloekte als een bezetene. Doch op dit oogenblik werd de Nautilus
+door de laatste vloedgolven opgelicht van het rif, en dat juist op
+dezelfde minuut waarop de kapitein het voorspeld had. De schroef begon
+langzaam te werken; de snelheid nam hand over hand toe, en aan de
+oppervlakte van het water blijvende verliet het vaartuig onbeschadigd
+de gevaarlijke Torresstraat.
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII
+
+Slaapdronken.
+
+Den volgenden dag, 10 Januari, hervatte de Nautilus haar tocht weer
+onder water, maar met zulk eene snelheid dat ik haar op niet minder
+dan 35 kilometer in het uur schatte. De snelheid van de schroef was
+zoo groot dat ik de omwentelingen niet tellen kon.
+
+Als ik er aan dacht dat deze voortreffelijke electrieke machine,
+beweging, warmte en licht aan de Nautilus schonk, en haar bovendien
+nog verdedigde tegen aanvallen van buiten, zoodat het vaartuig in
+eene heilige ark veranderd werd, welke niemand kon aanraken zonder
+verpletterd te worden, kende mijne bewondering geene grenzen meer,
+en van de machine ging die over op den bouwmeester, die dit alles
+gewrocht had.
+
+Wij liepen recht naar het westen en den 11den Januari voeren wij om
+Kaap Wessel, die op 135 deg. O.L. en 10 deg. N.B. de westpunt van de golf van
+Carpentaria vormt. Er waren nog tal van klippen, doch zij lagen verder
+uit elkander, en waren op de kaart met buitengewone nauwkeurigheid
+aangeteekend. De Nautilus vermeed gemakkelijk de branding van Money
+aan bakboord, en de klippen Victoria aan stuurboord, en bleef den
+tienden parallel volgen.
+
+Den 13den Januari kwamen wij in de zee van Timor, en de kapitein
+verkende het eiland van dien naam op 122 deg. O.L. Dit eiland, dat eene
+oppervlakte heeft van 36000 vierkante kilometer, wordt door radjah's
+bestuurd. Die vorsten noemen zich zonen van krokodillen, dat is te
+zeggen van de hoogste geboorte waarop een sterveling aanspraak kan
+maken. Ook wemelt het van die dieren in de stroomen van dit eiland,
+waar zij bijzonder vereerd worden. Men beschermt en vereert ze,
+men bidt ze aan en voedt ze; men geeft hun zelfs jonge meisjes ten
+voedsel, en wee den vreemdeling, die de hand aan een dier gewijde
+monsters slaat.
+
+Maar de Nautilus had niets met die leelijke dieren uit te staan. Timor
+was voor een oogenblik slechts zichtbaar, namelijk om twaalf uur, toen
+de eerste stuurman de hoogte der zon nam. Ook zag ik slechts even het
+kleine eiland Rotti, dat tot dezelfde groep behoort, en welks vrouwen
+op de Maleische slavenmarkten een grooten naam van schoonheid bezitten.
+
+Van nu af richtte de Nautilus zich naar het zuidwesten, en zette
+koers naar den Indischen Oceaan. Waar zou de kapitein ons nu heen
+voeren? Zou hij de Aziatische kust weder opzoeken, of zou hij naar
+Europa gaan? Dit was niet zeer waarschijnlijk van iemand, die het
+bewoonde land vermeed. Zou hij den steven zuidwaarts richten? Zou
+hij om de Kaap de Goede Hoop en verder om Kaap Hoorn varen om tot
+aan de Zuidpool door te dringen. Zou hij soms ook naar den Grooten
+Oceaan terug keeren waar zijn Nautilus zulk een gemakkelijk vaarwater
+vond? De toekomst zou het ons leeren.
+
+Den 14den Januari waren wij tusschen alle klippen en eilanden door
+eindelijk weder in volle zee. De snelheid van de Nautilus werd
+aanmerkelijk minder, en zeer wispelturig in hare bewegingen, dreef
+zij dan eens onder dan op de zee.
+
+Gedurende dit gedeelte der reis nam de kapitein belangrijke
+proeven voor den verschillenden warmtegraad der zee op onderscheiden
+diepte. Gewoonlijk verkrijgt men die gegevens met vrij samengestelde
+instrumenten, wier opgaven op zijn minst genomen twijfelachtig zijn,
+hetzij men daartoe peilingen doet met thermometers; wier glazen
+buizen dikwijls door den druk van het water breken, hetzij men dit
+ten uitvoer brengt met werktuigen wier samenstelling gegrond is op
+de veranderlijkheid van weerstand der metalen tegen de electrieke
+stroomen. De aldus verkregen resultaten kunnen niet genoegzaam worden
+nagerekend. Kapitein Nemo ging die temperatuur daarentegen in de
+diepten der zee zelve zoeken; zijn thermometer daar met het water
+in aanraking gebracht, gaf hem aanstonds en met groote juistheid de
+verlangde aanwijzing.
+
+Zoo ging de Nautilus soms langzaam, soms snel naar beneden, en bereikte
+achtereenvolgens eene diepte van drie, vier, vijf, zeven, negen tot
+zelfs tienduizend meter, en de uitslag van deze proeven was, dat de zee
+op duizend meter diepte onder alle breedten eene vaste temperatuur van
+4 1/2 deg. had. Ik volgde die proefnemingen met de grootste belangstelling:
+de kapitein legde er zich met den meesten ijver op toe. Dikwijls vroeg
+ik mij zelven af, waarom hij deze proeven nam; was het ten voordeel van
+zijne natuurgenooten? Dit was niet waarschijnlijk, want den eenen of
+anderen dag zouden zijne aanteekeningen met hem in eenige onbekende
+zee verzinken. Of hij moest den uitslag zijner onderzoekingen soms
+voor mij bestemmen. Doch dit kon niets beteekenen als ik niet aannam
+dat mijne reis eens eindigen zou, en dat einde zag ik nog niet.
+
+Hoe het ook zij, de kapitein deelde mij ook verschillende cijfers
+mede, welke het resultaat waren van zijn onderzoek naar de dichtheid
+van het water in verschillende zeeen der aarde. Eens op een morgen,
+het was op den 15den Januari, wandelde ik met den kapitein op het plat;
+hij vroeg mij of ik de verschillende dichtheid van het zeewater kende;
+ik antwoordde ontkennend, en voegde er bij dat de wetenschap daarvoor
+nog geen juiste gegevens had.
+
+"Ik heb de proeven genomen," zeide hij, "en ik kan de zekerheid mijner
+gegevens bevestigen."
+
+"Goed," antwoordde ik, "maar de Nautilus is eene wereld op zich zelf,
+en de geheimen van uwe geleerdheid zullen op de bewoonde aarde nooit
+bekend worden."
+
+"Gij hebt gelijk, mijnheer," zeide hij, na eenige oogenblikken gezwegen
+te hebben; "het is eene wereld op zich zelf. Mijn vaartuig is voor de
+aarde hetzelfde als de planeten, welke haar om de zon vergezellen;
+men zal immers de werken der geleerden die op Saturnus of Jupiter
+leven, ook nooit op aarde leeren kennen? Omdat het toeval ons bij
+elkander gebracht heeft, kan ik u den uitslag van mijn onderzoek
+echter wel mededeelen."
+
+"Ik luister, kapitein."
+
+"Gij weet, mijnheer, dat het zeewater meer dichtheid bezit dan het
+zoetwater, maar die dichtheid is niet overal dezelfde. Als ik bij
+voorbeeld de dichtheid van zoetwater gelijk een stel, dan vind ik
+1.028 voor het water van den Atlantischen, en 1.026 voor dat van den
+Grooten Oceaan, 1.03 voor het water der Middellandsche Zee....."
+
+"O," dacht ik, "hij waagt zich in die zee."
+
+"Voor het water der Jonische Zee 1.018, en voor dat der Adriatische
+1.029."
+
+De Nautilus ontvlood dus de drukst bevaren zeeen van Europa niet, en ik
+maakte daaruit op, dat hij ons misschien binnen kort naar beschaafde
+streken zou voeren. Ik dacht wel dat Ned Land die bijzonderheid zeer
+natuurlijk met groote vreugde zou hooren.
+
+Gedurende verscheiden dagen brachten wij den tijd door met het nemen
+van allerlei proeven omtrent het zoutgehalte op verschillende diepte,
+omtrent het geleidend vermogen, de kleur en de doorschijnendheid
+van het zeewater, en bij dit alles ontwikkelde de kapitein eene
+bekwaamheid, welke slechts geevenaard werd door zijne welwillendheid
+jegens mij. Daarop zag ik hem gedurende eenige dagen weder niet,
+en bleef ik als verlaten zitten.
+
+Den 16den Januari scheen de Nautilus op eenige meters diepte als
+ingeslapen; de electrieke toestellen waren werkeloos, en het vaartuig
+werd slechts door den zeestroom voortgestuwd, terwijl de schroef
+onbeweeglijk bleef. Ik veronderstelde dat de equipage bezig was in
+het inwendige eenige herstellingen te verrichten, welke noodig waren
+geworden wegens de bijzonder snelle beweging van de laatste dagen.
+
+Wij waren toen getuigen van een zonderling schouwspel. De wanden in
+het salon waren weggeschoven, en daar de electrieke lantaarn van de
+Nautilus geen licht gaf, heerschte er eene onbepaalde duisternis in
+het water. De met dikke wolken bedekte hemel deed slechts weinig licht
+in de zee doordringen. Ik zat naar dit sombere schouwspel te kijken,
+en de grootste visschen schenen mij niet meer dan zeer onduidelijke
+schaduwen, toen de Nautilus plotseling in het volle licht kwam. Eerst
+dacht ik dat de lantaarn aangestoken was en het electrieke licht in
+het water scheen; ik bedroog mij en herkende spoedig mijne dwaling;
+de Nautilus dreef in 't midden eener lichtgevende streep of laag
+in het water, welke, in deze duisternis schitterend werd. Deze werd
+veroorzaakt door duizenden lichtgevende diertjes, wier schittering nog
+toenam als zij langs de metalen wanden van ons vaartuig streken. Dan
+zag ik zelfs flikkeringen in deze lichtende omgeving alsof een stroom
+kokend lood in een vuurhaard geworpen, of een stuk metaal tot roode
+gloeihitte gebracht werd; dit was zelfs zoo sterk, dat eenige deelen
+van dezen schitterenden stroom nog schaduw wierpen, hoewel alle schaduw
+daaruit verbannen scheen. Neen, dit was de kalme flikkering niet van
+ons gewone lichttoestel, hier zag men kracht en eene ongewone beweging;
+men gevoelde dat dit licht leefde!
+
+Inderdaad, het was eene oneindig groote opeenstapeling van weekdieren,
+van millioenen lichtgevende diertjes, ware bolletjes van doorschijnende
+gelei, met voelarmen zoo fijn als draadjes, en van welke men er
+ruim 800 in een kubieken centimeter water geteld heeft. De Nautilus
+dreef gedurend verscheidene uren in dien schitterenden stroom,
+en onze verbazing steeg ten top toen wij groote zeemonsters en
+allerlei visschen daarin zagen rondspartelen en spelen, evenals de
+legende vertelt dat de salamanders in het vuur doen. Te midden van
+dit onbrandbare vuur zwommen vlugge bruinvisschen, die onvermoeide
+clowns onder het visschenheir, en zwaardvisschen van drie meter
+lengte, die voorloopers van orkanen, wier vreeselijk zwaard soms het
+glas raakte. Het was een betooverend schouwspel! Misschien werd de
+sterkte van het licht door den toestand van de atmosfeer vergroot:
+misschien woedde een hevig onweer boven het zeevlak; doch op eenige
+meters diepte bemerkte de Nautilus niets van den woedenden storm en
+dreef kalm te midden van het stille water.
+
+Zoo gingen wij voort en werden elk oogenblik door nieuwe wonderen
+in verrukking gebracht. Koenraad keek zijne oogen uit, en deed
+niets als zooephyten, geleede dieren, weekdieren en visschen in
+klassen ordenen. De dagen gingen snel voorbij, ik telde ze niet eens
+meer. Volgens zijne gewoonte trachtte Ned voortdurend ons menu af te
+wisselen. Wij hadden veel van slakken, die voor deze schelp gemaakt
+waren, en ik moet bekennen dat het op die wijze gemakkelijk is om eene
+slak te worden. Wij sleten dus een gemakkelijk en natuurlijk leven, en
+verbeeldden ons dat dit niet zeer verschilde van het leven op het land,
+toen eene gebeurtenis ons het vreemde van onzen toestand herinnerde.
+
+De Nautilus bevond zich den 18den Januari op 150 deg. O. L. en 15 deg. Z. B.;
+het weder was ruw, en de zee onstuimig; het woei vrij sterk uit
+het oosten; de barometer, die sinds eenige dagen daalde, kondigde
+een naderenden strijd der elementen aan. Ik stond op het plat op
+het oogenblik dat de tweede stuurman de hoogte nam; ik wachtte
+zooals gewoonlijk de dagelijks uitgesproken formule; maar in plaats
+daarvan riep hij eenige andere niet minder onbegrijpelijke woorden;
+bijna onmiddellijk verscheen de kapitein, die een kijker naar
+den gezichteinder richtte. Hij bleef gedurende eenige oogenblikken
+onbeweeglijk, zonder zijne blikken van een bepaald punt af te wenden;
+toen liet hij zijn kijker zakken en wisselde eenige woorden met den
+stuurman; deze scheen ten prooi aan eene ontroering, welke hij te
+vergeefs trachtte te onderdrukken. De kapitein scheen zich zelven
+beter te kunnen beheerschen en bleef koel; overigens scheen hij den
+stuurman eenige tegenwerpingen te maken, waarop deze met bepaalde
+zekerheid scheen te antwoorden; ten minste ik begreep het zoo uit
+verschil van stem en gebaren. Wat mij aangaat, ik keek nauwkeurig in
+de aangeduide richting, echter zonder iets te zien. Water en lucht
+vloeiden aan den gezichteinder volmaakt in elkander.
+
+De kapitein liep echter zonder mij aan te zien, misschien zelfs zonder
+mijne tegenwoordigheid te bemerken, op het plat heen en weder. Hij
+stapte met vaste schreden, doch minder geregeld dan gewoonlijk over
+het plat; soms stond hij met over de borst gekruiste armen stil, en
+liet zijn blik over de zee weiden. Wat zocht hij op die onmetelijke
+ruimte? De Nautilus bevond zich toen op eenige honderden kilometer
+van de naaste kust verwijderd.
+
+De stuurman had den kijker weder ter hand genomen en keek onophoudelijk
+naar den gezichteinder; hij liep heen en weder, stampte met den voet,
+en was in tegenstelling met zijn meester in zenuwachtige spanning. Het
+geheim zou echter weldra worden opgelost, want op een wenk van kapitein
+Nemo vermeerderde de machine hare snelheid. Op dat oogenblik maakte
+de stuurman den kapitein op nieuw opmerkzaam; deze staakte zijne
+wandeling en richtte den kijker nog eens naar het aangewezen punt;
+hij keek lang, ik was zeer nieuwsgierig en ging naar het salon,
+van waar ik een uitmuntenden kijker medebracht, dien ik gewoonlijk
+gebruikte; ik legde dien op de lantaarn en maakte mij gereed om den
+gezichteinder te doorloopen, toen ik, nog voor ik den kijker goed
+aan het oog had gebracht, hem mij met drift uit de hand voelde rukken.
+
+Ik keerde mij om; kapitein Nemo stond voor mij, doch ik herkende
+hem niet. Zijn gelaat was geheel veranderd, zijn oog schitterde
+met doffen glans en was onder de samengetrokken wenkbrauwen bijna
+onzichtbaar; zijne geopende lippen lieten de op elkander geperste
+tanden gedeeltelijk zien; hij stond recht overeind met gebalde vuisten,
+en opgetrokken schouders. Zijn geheele persoon teekende vreeselijken
+haat; hij stond onbeweeglijk; hij had mijn kijker aan zijne voeten
+laten vallen. Had ik zonder het te willen dien toorn opgewekt? Meende
+die ondoorgrondelijke man dat ik eenig geheim doorgrond had, hetwelk
+voor de gasten van de Nautilus verborgen moest blijven? Neen, ik
+was het voorwerp niet van dien haat, want hij keek mij niet aan,
+maar hield het oog gevestigd op het voor mij onzichtbare punt aan
+den gezichteinder. Eindelijk werd kapitein Nemo zich zelven weer
+meester. Zijn gelaat, dat zoo vreeselijk veranderd was, hernam zijne
+gewone kalme uitdrukking. Hij zeide eenige woorden in vreemde taal
+tegen zijn stuurman, en wendde zich toen, tot mij.
+
+"Mijnheer Aronnax," zeide hij op gebiedenden toon, "ik eisch van u
+de vervulling van eene voorwaarde, welke u aan mij bindt."
+
+"Welke, kapitein?"
+
+"Gij moet u met uwe makkers laten opsluiten tot op het oogenblik dat
+het mij zal goeddunken u de vrijheid terug te geven."
+
+"Gij zijt heer en meester," antwoordde ik hem, en keek hem strak aan;
+"doch mag ik u eene vraag doen?"
+
+"Neen, mijnheer."
+
+Er viel hiertegen niets te zeggen, maar slechts te gehoorzamen,
+omdat alle tegenstand onmogelijk was. Ik ging naar de hut van Ned
+Land en Koenraad, wie ik het besluit van den kapitein mededeelde. Men
+kan denken hoe die mededeeling door den Amerikaan ontvangen werd;
+wij hadden overigens geen tijd tot eenige verklaring; vier matrozen
+wachtten aan de deur, en brachten ons naar het vertrek, waar wij den
+eersten nacht aan boord van de Nautilus hadden doorgebracht. Ned Land
+wilde zich verzetten, doch als antwoord ging de deur achter ons dicht.
+
+"Zal mijnheer mij kunnen zeggen, wat dit beteekent?" vroeg Koenraad.
+
+Ik vertelde mijne makkers wat er gebeurd was. Zij waren evenals ik
+verwonderd, maar begrepen er niets van. Ik bleef in een maalstroom
+van gedachten verdiept, en de vreemde uitdrukking van het gelaat
+des kapiteins wilde mij maar niet uit het hoofd. Ik was niet in
+staat om geregeld te denken, en ik raakte verward in de meest dwaze
+veronderstellingen, toen ik uit mijne droomerijen werd wakker geschud
+door deze woorden van Ned Land:
+
+"Kijk eens, het ontbijt staat op tafel."
+
+Inderdaad, de tafel was gedekt; het was duidelijk dat de kapitein
+daartoe bevel gegeven had op hetzelfde oogenblik toen hij den gang
+van den Nautilus deed versnellen.
+
+"Zal mijnheer het mij niet kwalijk nemen als ik hem een raad
+geef?" vroeg Koenraad.
+
+"Neen, mijn jongen!" antwoordde ik.
+
+"Welnu, dan moet mijnheer ontbijten. Het is voorzichtig, want wij
+weten niet wat er gebeuren kan."
+
+"Gij hebt gelijk, Koen."
+
+"Ongelukkig," zeide Ned Land, "heeft men ons slechts de gewone
+scheepskost voorgezet."
+
+"Zeg eens, vriend Ned," merkte Koenraad op, "wat zoudt ge wel gezegd
+hebben, als er in het geheel niets stond?"
+
+Deze woorden stopten den harpoenier den mond. Wij gingen aan tafel
+en aten zonder verder een woord te spreken. Ik at weinig; Koenraad
+deed zich, altijd uit voorzichtigheid, geweld aan, en hoezeer
+Ned ook geprutteld had, zoo liet hij het zich toch goed smaken;
+en toen het ontbijt gedaan was, ging ieder in een hoek zitten. Op
+dat oogenblik ging het licht, waaronder wij zaten, plotseling uit,
+en liet ons in de diepste duisternis. Ned sliep weldra in, en wat mij
+vooral verwonderde, was dat Koenraad eveneens in slaap viel. Ik vroeg
+mijzelven af, wat hem zoo vast had doen inslapen, toen ik zelf eenige
+zwaarte op mijne oogleden begon te gevoelen. Mijne oogen, die ik met
+geweld wilde open houden, sloten zich onwillekeurig. Ik was ten prooi
+aan eene smartelijke zinsverbijstering; zeker had men een slaapmiddel
+in de door ons genuttigde spijzen gemengd. Het was dus niet genoeg
+om ons op te sluiten, ten einde ons het zien te beletten, men moest
+ons ook in slaap hebben, om niets van des kapiteins plannen te hooren!
+
+Ik hoorde het luik sluiten, en bemerkte dat het lichte slingeren van
+het vaartuig door de deining der zee ophield. Zakte de Nautilus naar
+de diepte?
+
+Ik wilde aan den slaap weerstand bieden, doch dit was onmogelijk;
+mijne ademhaling werd zwakker; ik voelde eene kille huivering door
+mijn loome en als verlamde ledematen. Mijne oogleden vielen, alsof ze
+van lood waren, over mijne oogen; ik kon ze niet meer oplichten; een
+doffe slaap, vol allerlei droombeelden maakte zich van mij meester;
+toen verdwenen mijne visioenen en ik bleef als dood liggen.
+
+
+HOOFDSTUK XXIV
+
+Het rijk der koralen.
+
+Den volgenden morgen werd ik zonder hoofdpijn wakker; tot mijne groote
+verbazing was ik in mijne kamer. Mijne makkers waren waarschijnlijk ook
+weder in de hunne gebracht, zonder er iets van gemerkt te hebben. Zij
+wisten evenmin als ik wat er gedurende den nacht gebeurd was, en ik
+kon slechts op een toeval rekenen om ooit achter dit geheim te komen.
+
+Ik wilde gaarne mijne kamer verlaten, doch zou ik daartoe wel de
+vrijheid hebben? Ik opende de deur, ik was volkomen vrij! Ik ging
+door den gang naar de trap; het luik was weder geopend, en ik kwam op
+het plat. Ned Land en Koenraad wachtten er mij reeds; ik ondervroeg
+hen; zij wisten niets. In een zwaren slaap gedompeld, welke hun alle
+herinnering ontnam: waren zij zeer verwonderd geweest in hunne hut
+op bed te liggen.
+
+De Nautilus was kalm en geheimzinnig als altijd; zij dreef op de
+oppervlakte, en ging slechts met matige snelheid vooruit. Niets scheen
+aan boord veranderd te zijn.
+
+Ned Land liet zijn doordringend oog over de zee dwalen, maar deze
+was geheel verlaten; de Amerikaan zag niets aan den gezichteinder,
+noch land, noch schip. Er woei een stevige westewind, en groote golven
+door dien bries opgedreven deden het schip vrij erg slingeren. Nadat
+de Nautilus de lucht had ververscht, bleef zij op eene diepte van
+vijftien meter drijven, zoodat zij in elk geval spoedig weder aan de
+oppervlakte der zee verschijnen kon, iets wat tegen de gewoonte dien
+dag verscheidene malen gebeurde. Dan ging de stuurman op het plat,
+en sprak den gewonen volzin uit. De kapitein verscheen niet; van het
+scheepsvolk zag ik alleen den strakken hofmeester, die mij met zijne
+gewone nauwkeurigheid en stilzwijgendheid bediende.
+
+Tegen twee uur was ik in de salon bezig om aanteekeningen te maken,
+toen de deur openging en de kapitein verscheen. Ik groette hem;
+hij groette slechts even terug zonder te spreken. Ik ging weder aan
+mijn werk, hopende dat hij mij eenige verklaring zoude geven van de
+gebeurtenissen van den vorigen nacht, doch niets daarvan; ik zag hem
+eens aan. Hij scheen vermoeid, zijne roode oogen bewezen dat hij niet
+geslapen had; zijn gelaat drukte diepe droefheid, eene wezenlijke
+smart uit. Hij wandelde heen en weder, ging zitten en stond weer op,
+nam een boek op en legde het aanstonds weer neer, beschouwde zijne
+instrumenten, zonder daarbij zijne gewone aanteekeningen te maken,
+en scheen geen oogenblik stil te kunnen blijven.
+
+Eindelijk kwam hij naar mij toe en zeide:
+
+"Zijt gij geneesheer, mijnheer Aronnax?"
+
+Ik was zoo weinig op die vraag verdacht, dat ik hem eenigen tijd
+zonder antwoord te geven, aankeek.
+
+"Zijt gij geneesheer?" vroeg hij nog eens. "De meesten uwer
+ambtgenooten, zooals Gratiolet, Tandon en anderen, hebben in de
+medicijnen gestudeerd."
+
+"Ik was inderdaad dokter aan het hospitaal," zeide ik. "Ik heb
+verscheiden jaren de praktijk uitgeoefend, voor ik aan het Museum
+geplaatst werd."
+
+"Goed, mijnheer."
+
+Mijn antwoord scheen den kapitein te voldoen, maar niet wetende wat
+zijne vraag te beduiden had, wachtte ik en nam mij voor overeenkomstig
+de omstandigheden te antwoorden.
+
+"Mijnheer Aronnax," zeide de kapitein, "zoudt gij een van mijne
+manschappen willen behandelen?"
+
+"Hebt gij dan een zieke aan boord?"
+
+"Ja."
+
+"Ik ben gereed om u te volgen."
+
+"Kom dan."
+
+Ik beken dat mijn hart klopte; ik weet niet waarom ik eenig verband
+maakte tusschen de ziekte van dien man en de gebeurtenissen van
+den vorigen dag; dit geheim maakte mij niet minder nieuwsgierig dan
+de zieke.
+
+De kapitein bracht mij naar het achterschip in eene hut dicht bij
+het matrozenverblijf. Daar lag een veertigjarig man met een krachtig
+gelaat, dat zijne Angelsaksische afkomst verried. Ik boog mij over
+hem heen; het was geene zieke maar een gewonde. Zijn hoofd was met
+bloedige zwachtels omwonden, en rustte op een kussen. Ik maakte het
+verband los; de gewonde opende zijne groote glazige oogen, en liet
+mij begaan zonder eenig geluid te geven.
+
+Het was eene vreeselijke wond; de hersenpan was door een kneuzend
+werktuig verbrijzeld; de hersens lagen bloot, en hadden erg
+geleden. Geronnen bloed was in de hersens geloopen, en gaf daaraan
+de kleur van wijnmoer; de hersens waren dus niet alleen gekneusd,
+maar ook erg beleedigd; de zieke haalde langzaam adem; de spieren
+van zijn gelaat trokken zich nu en dan krampachtig te zamen. Hij
+had hersenontsteking in den hevigsten graad, hetwelk verlamming en
+gevoelloosheid te weeg bracht.
+
+Ik voelde hem den pols; deze was tusschenpoozend, het uiteinde zijner
+ledematen werd reeds koud, en ik zag dat de dood naderde, zonder
+dat het mogelijk was er iets tegen te doen. Toen ik den ongelukkigen
+verbonden en goed gelegd had, keerde ik mij naar den kapitein.
+
+"Hoe is deze wond toegebracht?" vroeg ik hem.
+
+"Wat doet dat er toe?" was zijn ontwijkend antwoord. "Een schok van
+de Nautilus heeft een der hefboomen van de machine doen breken,
+en deze man werd er door getroffen. De stuurman stond naast hem,
+hij wilde hem met zijn lichaam beschermen.... Een broeder, die zich
+voor zijn broeder, een vriend, die zich voor zijn vriend opoffert;
+wat is eenvoudiger; het is eene algemeene wet op de Nautilus. Maar
+wat zegt gij van zijn toestand?"
+
+Ik aarzelde om te spreken.
+
+"Gij kunt gerust spreken," zeide de kapitein, "die man verstaat
+geen Fransch."
+
+Ik keek den gewonde nog eens aan, en antwoordde:
+
+"Die man zal binnen twee uur dood zijn."
+
+"Kan niets hem meer redden?"
+
+"Niets."
+
+De hand van den kapitein wrong zich krampachtig samen, en eenige
+tranen sprongen hem uit de oogen, welke ik niet dacht dat ooit tranen
+konden storten. Ik beschouwde nogmaals den stervende, wiens leven
+langzaam wegvlood; zijne bleekheid werd nog vermeerderd door het
+electrieke licht, hetwelk dit doodbed bescheen. Ik vestigde het oog
+op het schrandere gelaat, waarin tal van rimpels, door het ongeluk,
+misschien door de ellende gegrift waren. Ik trachtte door te dringen
+in het geheim van dit leven door middel, van enkele woorden, welke
+over zijn lippen kwamen!
+
+"Gij kunt vertrekken, mijnheer Aronnax," zeide kapitein Nemo.
+
+Ik liet den kapitein in de hut van den stervende en ging ontroerd
+van dit tooneel naar mijne kamer. Ik werd gedurende den ganschen
+dag door sombere voorgevoelens gekweld. Dien nacht sliep ik slecht,
+en in mijn dikwijls afgebroken slaap meende ik in de verte te hooren
+zuchten en lijkzangen zingen. Was dit soms het gebed voor stervenden
+in die taal, welke ik niet begreep?
+
+Den volgenden morgen ging ik op het plat; de kapitein was er reeds;
+toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe.
+
+"Mijnheer de professor," zeide hij, "hebt gij lust om heden eene
+wandeling onder zee te maken?"
+
+"Met mijne makkers?"
+
+"Als zij lust hebben."
+
+"Wij zijn tot uw dienst, kapitein."
+
+"Ga dan uwe scaphanders aandoen."
+
+Van den stervende werd er niet gesproken. Ik ging naar Ned Land
+en Koenraad, en deelde hun des kapiteins voorstel mede. De laatste
+haastte zich om het aan te nemen, en ditmaal was ook de Amerikaan
+genegen om ons te volgen.
+
+Het was acht uur 's morgens; een half uur daarna waren wij
+voor onze nieuwe wandeling gereed; en voorzien van licht- en
+ademhalingstoestellen. De dubbele deuren werden geopend, en in
+gezelschap van den kapitein, die door een twaalftal mannen gevolgd
+werd, stonden wij weldra op tien meter diepte op den vasten bodem,
+waarop ook de Nautilus lag. Eene lichte helling voerde ons naar een
+heuvelachtig terrein, dat op vijftien vademen diepte lag; dit was
+geheel verschillend van de streek, welke wij bij onzen eersten tocht
+gezien hadden. Hier was geen fijn zand, geen onderzeesch weiland, geen
+woud van zeeplanten; ik herkende onmiddellijk de verwonderlijke streek,
+waar kapitein Nemo ons zou rondleiden; het was het rijk der koralen.
+
+De koraal is eene vereeniging van zeer kleine diertjes, welke zich
+om de brooze en steenachtige huls van een polyp verzamelen. Die
+polypen hebben een eenigen oorsprong en ontstaan door uitbotting;
+zij hebben een bijzondere natuur. Het is dus een soort van natuurlijk
+socialisme. Ik kende de laatste werken, welke over die zonderling
+gevormde schepsels geschreven waren, en niets kon mij dus meer belang
+inboezemen, dan een van die versteende wouden te bezoeken, welke de
+natuur op den bodem der zee geplant heeft.
+
+Onze toestellen van Ruhmkorff werden in orde gebracht, en wij volgden
+eene koraalbank, welke nog bezig was met zich te vormen, en eens
+mettertijd dit gedeelte van den Indischen Oceaan zal afsluiten. Onze
+weg was omzoomd met onuitroeibare struiken, welke gevormd werden door
+heesters, die met witte stervormige bloemen als bezaaid werden. Echter
+groeiden die heesters, in tegenstelling van de planten op het vaste
+land, van boven naar beneden en zaten aan de rotsen vast.
+
+Het licht veroorzaakte schitterende kleurschakeeringen tusschen
+die heldere takjes; het was als zag ik die cylindervormige pijpjes
+door de golving van het water trillen; ik had lust om die frissche
+bloemknoppen te plukken, waarvan sommige pas geopend waren en andere
+ternauwernood uitbotten, terwijl kleine vischjes, als ware het een
+zwerm vogeltjes, met vlugge vin er tusschen doorschoten; doch als ik
+met de hand naar die levende bloemen, naar die bezielde takjes greep,
+dan was alles eensklaps in opschudding; de witte knoppen weken in roode
+kokertjes terug, de bloemen verdwenen en het heestertje veranderde
+in een met kleine uitwassen begroeid stuk steen. Het toeval had mij
+bij de kostbaarste zooephyten gebracht. Deze koraalsoort was minstens
+evenveel waard, als die welke in de Middellandsche zee op de Fransche,
+Italiaansche en Afrikaansche kusten gevonden wordt. De dichters geven
+haar met recht de namen van "bloedbloem" en "bloedschuim," welke in
+den handel als de beste soort worden beschouwd. Die koralen kosten tot
+honderd rijksdaalders het kilogram, en op deze plek lag de fortuin
+van een wereld van koralenvisschers onder de zee bedolven. Tusschen
+deze kostbare stof, welke hier vast opeengepakt en bijna niet los te
+rukken was, vond ik van tijd tot tijd wonderschoone rozeroode koralen.
+
+Weldra echter stonden de struiken dichter op elkander, en de takken
+werden grooter. Wij hadden wezenlijke versteende boschjes en lange
+galerijen van eene phantastische architectuur voor ons.
+
+De kapitein trad eene sombere galerij binnen, welke ons langs eene
+helling tot op meer dan honderd meter diepte voerde. Het licht onzer
+lantaarns bracht soms eene tooverachtige werking te weeg als het op de
+ruwe punten van dit natuurlijke gewelf en op de hangende koraalbrokken
+scheen, wier uiteinden dan op vurige punten geleken.
+
+Na twee uur te zijn voortgegaan, hadden wij eene diepte van
+omstreeks driehonderd meter bereikt; dit was ongeveer de grens der
+koralenvorming. Maar hier waren het niet meer enkele struikjes,
+of nederige boschjes, het was het groote woud, het waren kolossale
+voortbrengselen uit het delfstoffenrijk, prachtig versteende boomen,
+welke door bevallige slingers verbonden waren, waarop het licht met
+zijne schoonste kleuren speelde. Wij gingen vrij onder de hooge takken
+door, terwijl voor onzen voet zich kleinere koralen als een bloemtapijt
+vertoonden. Welk een onbeschrijfelijk schouwspel! Hoe jammer dat wij
+elkander onze gewaarwordingen niet konden mededeelen! Waarom waren
+wij onder dit hulsel van metaal en glas verborgen? Waarom konden
+wij met elkander niet spreken? Waarom leefden wij niet als visschen;
+welke het water bevolken, of nog liever als amphibien, die uren lang
+zooals zij verkiezen op het land of in het water kunnen doorbrengen?
+
+Ondertusschen bleef de kapitein stilstaan. Mijne makkers en ik hielden
+eveneens halt, en toen ik mij omkeerde zag ik dat de ons volgende
+manschappen een halven kring om hun aanvoerder vormden. Toen ik
+nauwkeuriger toekeek, zag ik dat vier hunner een langwerpig voorwerp
+op hunne schouders droegen.
+
+Wij stonden hier op eene ruime open plek, welke door groote boomen van
+dit onderzeesche woud omringd was. Onze lampen gaven in deze ruimte een
+soort van schemerachtig licht, dat lange schaduwen wierp. Een weinig
+verder heerschte dikke duisternis; hier en daar slechts afgewisseld
+door de gloeiende puntjes der koraalriffen, waarop het licht zijn
+schijnsel wierp.
+
+Ned Land en Koenraad stonden naast mij; wij keken toe, en dachten
+wel dat wij een vreemd schouwspel zouden bijwonen. Toen ik den grond
+beschouwde zag ik dat er op regelmatige afstanden kleine verhevenheden
+lagen, welke met stukken kalksteen en koraal bedekt waren, hetwelk
+verried dat dit door menschenhanden geschied was.
+
+In het midden stond op een grondstuk van ruwe rotsblokken een kruis
+van koraal, dat zijne lange armen uitstrekte alsof het versteend
+bloed ware.
+
+Op een teeken van den kapitein naderde een der mannen, die op eenige
+voeten van het kruis een gat begon te graven met eene schop, welke
+hij aan zijn gordel gedragen had. Toen begreep ik alles! Deze open
+plek was een kerkhof, die kuil een graf, dat lange voorwerp het
+lijk van den man, die 's nachts gestorven was. De kapitein en zijne
+manschappen kwamen hier hun makker begraven op den bodem van den
+ontoegankelijken Oceaan!
+
+Neen, nimmer was mijn geest zoo ontroerd! Nooit hadden indrukwekkender
+gedachten zich van mij meester gemaakt! Ik wilde niet zien, wat ik
+toch voor oogen zag!
+
+Het graf werd intusschen langzaam gegraven. De visschen vluchten
+links en rechts uit hunne verontruste schuilhoeken; ik hoorde het
+houweelijzer weerklinken op den kalkachtigen bodem, waaruit soms
+vonken te voorschijn sprongen als het metaal een stuk kiezel trof,
+dat hier op den bodem der zee lag. Het gat werd langer en breeder,
+en weldra was het ook diep genoeg om het lijk te bevatten. Toen
+naderden de dragers. Het lijk in een wit kleed gehuld werd in zijn
+vochtig graf nedergelegd. De kapitein kruiste de armen over de borst
+en knielde met al zijne volgelingen naast het lijk van hun vriend
+in eene biddende houding neder. Mijne beide makkers en ik bogen
+eerbiedig het hoofd. Toen werd het graf bedekt met de rotsstukken,
+welke uit den grond waren gehakt, zoodat het evenzeer eene kleine
+verhevenheid vormde.
+
+Nadat dit afgeloopen was, richtten de kapitein en zijne makkers zich
+op; toen naderden zij nogmaals het graf, bogen nog eenmaal de knie
+en staken de hand als tot een laatste vaarwel uit.... Daarop nam de
+treurige stoet den terugtocht naar de Nautilus aan, ging nogmaals
+onder het woudgewelf te midden van de heesters en koraalstruiken door,
+en steeg weder naar boven. Eindelijk zagen wij het scheepslicht,
+dat ons naar de Nautilus ten gids strekte. Om een uur waren wij terug.
+
+Toen ik van kleeding veranderd had, ging ik naar het plat en zette
+mij bij de lantaarn neder, ten prooi aan de somberste gedachten.
+
+De kapitein kwam bij mij; ik stond op en zeide:
+
+"Die man is dan toch, zooals ik voorzien had, heden nacht overleden?"
+
+"Ja, mijnheer," antwoordde Nemo.
+
+"En nu rust hij bij zijne makkers, op het koralen kerkhof?"
+
+"Ja door allen, behalve door ons vergeten! Wij graven het graf, en
+de polypen zorgen er voor om er onze dooden voor de eeuwigheid in
+te sluiten."
+
+En terwijl hij plotseling het gelaat in de krampachtig samengetrokken
+handen verborg, trachtte de kapitein te vergeefs om zijn snikken te
+onderdrukken. Toen voegde hij er bij:
+
+"Dat is ons vreedzaam kerkhof, eenige honderden voeten onder het vlak
+der zee!"
+
+"Uwe dooden sluimeren er ten minste gerust, kapitein, buiten het
+bereik der haaien!"
+
+"Ja mijnheer," antwoordde kapitein Nemo ernstig, "buiten het bereik
+der haaien en ... der menschen!" [3]
+
+
+
+NOTEN
+
+[1] Beweeglijk in het onbeweeglijke.
+
+[2] Dus eene som van f 797.396.90.
+
+[3] Zie Westelijk halfrond.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk
+Halfrond, by Jules Verne
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK 20.000 MIJLEN ONDER ZEE: ***
+
+***** This file should be named 11205.txt or 11205.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/1/2/0/11205/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.