diff options
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/13595-8.txt | 6171 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13595-8.zip | bin | 0 -> 111174 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13595-h.zip | bin | 0 -> 304718 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13595-h/13595-h.htm | 6056 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13595-h/images/illustratie3.png | bin | 0 -> 58445 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13595-h/images/illustratie59.png | bin | 0 -> 60121 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13595-h/images/illustratie87.png | bin | 0 -> 53320 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13595-h/images/titelpagina.png | bin | 0 -> 13853 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/13595.txt | 6171 | ||||
| -rw-r--r-- | old/13595.zip | bin | 0 -> 110904 bytes |
10 files changed, 18398 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/13595-8.txt b/old/13595-8.txt new file mode 100644 index 0000000..a7da32f --- /dev/null +++ b/old/13595-8.txt @@ -0,0 +1,6171 @@ +The Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Avondstonden + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595] +[Last updated: August 27, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN *** + + + + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + + + + + + + + +HENDRIK CONSCIENCE + +Avondstonden + + + +INHOUD + + +Quinten Massys + +De engel des goeds en de geest des kwaads + +De nieuwe Niobe + +Weetlust en geloof + +Het beulskind + +De geest + +De schoolmeester ten tijde van Maria Theresia + +De kwade hand + +Striata Formosissima of de Dahlia's-koorts + + + + +[Illustratie: De abdisse nam het boek uit handen der non.] + + + + +QUINTEN MASSYS + + +Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen, +eenige kleine huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden +en aan geringe menschen werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond +door ambachtsgezellen, die van hun arbeidsloon met moeite genoeg +konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te betalen; of wel +door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat +zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven. + +In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene +weduwe met haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de +wereld bezat, hadden niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar +dak gewoond; zij droeg hare armoede met het grootste geduld en zou +niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren verruild hebben. +Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de +zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere +moeder was en al het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon +gekeerd had, was het haar een genoegzaam gelukzalig lot, zich door +hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al hare zuchten was de +naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had +toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar +zoon, die zijne moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en +nacht om haar niets te laten ontbreken, en, wanneer hij maar gissen +kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het zweet zijns aanschijns +niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om zijne +moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij +zoodanig bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende, +dat niemand hem in het smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven +ging, en hij een ruim loon voor zijnen arbeid ontving. Dit was eene +der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak versierd was +en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter +Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust +vond, zong en was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten +naam vergeten, om hem dien van _vroolijken smid_ te geven. + +Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit +genoegen, al die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er +vloeiden, zuchten die men er hoorde, en het zingen van den vroolijken +smid was eene zaak, waaraan de geburen niet meer dachten, dan om zich +gelukkige tijden te herinneren. + +Het was op eenen Maandag;--de weduwe zat met natbeschreide wangen bij +het bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke +zoovele jaren den voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die +zooveel zweet voor zijne moeder had gestort, was nu als in een +ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten hals +gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne +sleutelbeenderen lagen zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als +met een doorschijnend lijnwaad waren overtrokken geweest: zijn gansch +lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht droeg geen het +minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op +afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de +flauwe oogen, die hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot +tijd kwam er nog eene uitdrukking van zaligheid zijn mager aangezicht +beglanzen: het was wel geen lach, maar iets onverstaanbaars, eene +geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer van +het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de +bedrukte moeder, ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde +en van doodende foltering in haren zoon omging, zijne beenige hand en +zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde slechts van hare +lippen, de naam van haren stervenden zoon: + +"Quinten! o, Quinten!..." + +Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe +opnieuw overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe +stemme: + +"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?" + +"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent +gij om mij, en gij krenkt uwe gezondheid.--O, wat ben ik +ongelukkig!--Ik zal sterven, dit voel ik; niet door de ziekte van +mijn lichaam--dit zou mij misschien het leven sparen, maar er is +iets, o God!--iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, iets, +dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet +wenschen.--O, moeder, moeder!" + +En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog +veel vochts te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken +over zijne dorre wangen. + +De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld +verbergende, sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere +drift in hare beide armen en zoende de tranen van zijn aangezicht. + +"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch +aan uwe moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.--En +dan, Quinten, dan zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit +mogelijk!" + +Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog +onbeweeglijker in de oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen +ophielden van overvloediger op zijne wangen te rollen. + +"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw +hart ligt. Ik bid u, in Gods naam, spreek!" + +Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten; +hij bedekte zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem, +die zulke geweldige ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen, +dat zijn levensdraad ging breken: + +"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten. +Denkt gij, dat ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;--ik +zie u vergaan als eene schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind +alleen!" + +"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde +fierheid. "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet. +Honger lijden voor u, mijn Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige, +dat ik in voor mijn kind te lijden den eenigen troost vind, die mij +nog op aarde overblijft." + +"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop, +"naar den arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne +moeder van honger vergaat, zonder haar een stuk zuur brood te kunnen +bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade onwaardig, indien ik niet +stierf!" + +Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat +hij door drift had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met +meer kalmte bij zijne eerste woorden: + +"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde +heeft, niets, waarvoor men ons een brood geven zou?" + +"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb +alles verkocht,--denk niet meer aan zulk middel." + +De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed, +dat zijn gebeente onder het deksel kraakte. + +"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die +reeds bij den dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O, +neen, dit zal niet zijn.... Ho, ik zal opstaan en u doen zien, wat +de liefde van eenen zoon tot zijne moeder vermag.--Geef mij mijne +kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, niet gegeten +hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder! +de zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet +vergramd.... Ik gevoel kracht! Ik leef!" + +Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne +ziekte was opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot +zwaren arbeid bereidt; en de bewegingen, welke hij deed, waren zoo +los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet begrijpen kon wat dit +beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van een +mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem +staren! + +Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen +aangetogen; maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns +lichaams te overwinnen, men kon echter genoeg zien, dat er weinig in +zijnen toestand was veranderd; want zijne bewegingen werden +allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij +eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend +omhelsde, en dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en +riep: + +"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar--ik kan niet!" + +Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van +het klooster van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad +binnen. + +"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken +Quinten.--Maar wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier +gebeurd, dat gij beiden daar zit en weent?" + +De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk +waren en nooit om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de +schaamte hen, van over hunnen nood iets te kennen te geven.--Waar is +toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn smeekend zal zeggen: ik +heb honger? + +De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij +plaatste den korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene +flesch uit; dan schonk zij daaruit eene goede teug rooden wijn in +eenen beker. + +"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u +uitermate versterken: daar, drink het uit!" + +"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend +gelaat, "beloof ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster +Ursula!" + +"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker +geven." + +"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan +van vreugde in elk oog. + +Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug +wijns genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens +gezicht, zeggende: + +"Ho! ik heb nog al iets zie maar." + +Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief +zijne armen ten hemel en riep: + +"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het +toch zeggen, aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt +laven en troosten. Zuster ... zuster, mijne oude moeder heeft in +drie dagen niet gegeten." + +"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar, +hier is een fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch." + +De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood +nuttigen kon; hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde, +want de gedronken wijn had haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de +non bezig was met haar tot eten aan te manen, had Quinten +ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich getrokken, +zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte +zij deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op +gevoeld. + +"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?" + +"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op +mij, indien ik uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van +dankbaarheid en van eerbied!" + +De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van +Quinten, dat alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene +ongemeene kracht: men zou gezegd hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om +zich uit die lastige gesteltenis te redden, begon zij eensklaps van +wat anders te spreken. + +"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke +menschen; hier in de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de +wolwever Veken, de timmerman Balens en Hans de tapissier. Bij de twee +eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens krijgen kan; maar +de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...." + +"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig +in de rede. + +"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der +melaatschen," was het antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar +omdat hij ziek is, zien wij daar niet nauw op.--Zie, daar zijn er, +die ik juist bij hem heb afgehaald." + +Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten, +die ze één voor één overzag. + +"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen." + +"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks +beelden in zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar +gij, die een smid zijt,--dit zou u niet gaan, geloof ik." + +Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid +tot de non keerende, sprak hij: + +"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die +eene pomp maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de +Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het is waar, ik heb nooit met verven +gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige beeldekens bederven; +doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder +arbeidt, geen gewoon werkman is.--Misschien zou ik kunnen gelukken; +er is iets, dat mij het zegt." + +"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat +gij kunt. Uwe moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven +en penseelen medegeven." + +"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal +ik kunnen werken,--en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik +zeker, want gij zult om mij niet meer honger lijden. Ga gauw!" + +Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de +beeldekens, het eene na het andere, door zijne handen gaan, +overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood of groen maken zou. In +die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat zijne +magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij +bewoog de vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij +reeds aan het schilderen ware geweest. De beeltenissen, die hij onder +het oog had, waren gebrekkelijk en slecht,--hij zag dit wel; want in +zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst gemeen gemaakt, hetgeen +genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer waren +gesmeed. + +Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed, +schikte een vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half +zittende te schilderen. De oude weduwe was dermate nieuwsgierig, om +te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, dat zij met angstige +nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde. + +Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur +tijds, eene print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten +bedekt. + +Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij: + +"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,--het gaat mijne verwachting +te boven!" + +De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel +aanbood; doch zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en +stond in bewondering en als verbaasd voor het geschilderd +beeldeken. + +"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te +laten zien!" + +"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit +terug, opdat ik het vóór mij legge." + +"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?" + +"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het +bezien, om ze in het tweede te verbeteren." + +De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een +onuitsprekelijk geluk overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de +beeldekens wel geschilderd had, want daar wist zij in het geheel +niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van eenige +stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed +aanvaard werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren +zoon, die nu, door de drift des arbeids ondersteund, in veel beteren +staat scheen te zijn en na het voltooien der derde print de eerste +woorden van een zijner vergetene liedekens, bij wijze van uitroeping, +had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte moeder het +werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende +bemerkte: + +"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!" + +De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren +zoon aan, om ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er +in toestemde; en moeder Massys liep, zou gauw zij kon, naar het +klooster, dat op eenige boogschoten in de nabijheid der stad lag. Zij +klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men haar kwame +openen. + +Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het +eene geringe burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam +open en vroeg: + +"Wat moet gij hebben, vrouw?" + +"Is zuster Ursula in het klooster?" + +"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;--kom morgen weer." + +Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een +teeken, alsof zij zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!" + +Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster +Ursula, en kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap +doen om het klooster te verlaten. + +"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non. + +"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare +huik halende, "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster +Ursula te toonen en te zeggen, dat Quinten Massys, de smid, die +gemaakt heeft." + +De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van +misprijzen. De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar +gelaat gaf dit genoeg te kennen. + +"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men +walgt van ze te zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn +kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan zuster Ursula toonen." + +"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder. + +"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord, +dat zij kreeg.--En hiermede kon zij vertrekken. + +Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar +haren zoon. Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende +wanhoop dompelen? Maar kon zij hare tranen wederhouden en hare +gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet te verraden, wat +loon zij bekomen had? + +Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der +non; want die hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys +er aan toekende. Om dit te verstaan, moet men weten, dat de printen, +die door Quinten geschilderd waren, allerlei melaatschen, +gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid had +deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel +nog overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en +door de waarheid er van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom +riep: "foei, foei, het is schande!" + +De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze, +waarop de printen geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de +non beoordeeld was geworden. + +Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar +reeds toeriep: + +"Welnu, moeder, wat zegt men er van?" + +De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon, +uit overgroote droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare +tranen streelde zij met dolle drift haren armen Quinten, die zijn +hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. Hoe grooter, hoe +ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger +hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden +getoond, wat pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat +blijdschap hen vervoerde; want zij gaven elkaar de hevigste blijken +eener vurige teederheid. Een innig gevoel van martelpijn dreef hen om +elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden beiden de +uitgestrektheid hunner bittere ellende. + +Eindelijk zuchtte Quinten: + +"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen +verstooten, o God!" + +"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn +dierbaar kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u +als eene slavin gewerkt, toen gij nog jong waart.--Gij hebt mij ook +bemind en als een goed zoon en door uw dagelijksch arbeidszweet voor +uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan toch zijn +moet,--indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger +mij in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene +zalige zekerheid over:--wij sterven samen!" + +Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in +de kamer, dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene +boezems en soms nog eene stille stem, die suisde: + +"Moeder, o, lieve moeder." + +Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de +armen gedrukt; want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde +tot elkaar als verengeld en hadden wellicht deze wereld gansch +vergeten,--toen zij eensklaps aan de deur eene stem hoorden, die +vroeg: + +"Waar woont de smid Quinten Massys?" + +De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en +wilde de deur gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had, +drongen vier personen te gelijk in de kamer. + +De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het +klooster ter Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde. +Achter hen kwamen zuster Ursula en eene andere non, een groot boek +onder den arm dragende. Al deze personen stuurden met verwondering +het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en beschaamd en +bang op een bitter vonnis wachtte. + +De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen +toonende, vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde: + +"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?" + +"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik +hoop, indien ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer +bekwaamheid krijgen zou. Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze +bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam mijner ongelukkige moeder!" + + +"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel +ootmoedig, jongeling. Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit +schooner beeldekens gezien heeft dan die, welke gij geschildert +hebt!" + +Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten; +eene kleur als doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne +leden beefden, alsof hij door eene schielijke kwaal ware getroffen +geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij zijne armen +naar zijne moeder uit en riep: + +"O, moeder! lieve moeder!" + +De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend +tegen de borst van haren zoon. + +Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier +personen, die het aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne +oogen zich met glinsterend vocht vervulden. + +"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen +doen?" + +Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de +nauwe omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en +bleef bij hem staan. Quinten antwoordde in verrukking: + +"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar." + +De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den +jongeling toonende, vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes +Heeren, welke er in stonden, voor haar wilde schilderen. Quinten gaf +voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit vrees van het kostelijk +missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de Abdisse en +den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg +om dit groote werk te aanvaarden. + +Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen +zich bereid om te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij +Quinten en suisde hem in het oor: + +"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste +voldaan,--zij kan er niet van zwijgen." + +En met zachtere stem voegde zij er bij: + +"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!" + +Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men +kan begrijpen; hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en +zuchtte: + +"Voor u,--voor u zal ik altijd bidden,--en mijne moeder ook!" + +Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige +vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn +schilderbord, roepende: + +"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij +zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te +halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen, +mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk +leven!" + +"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder +arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het +zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt. +Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!". + + * * * * * + +Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen +het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in +bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij +kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van +iedereen afmaakte.--Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen +te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en, +alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de +hinderpalen, welke de kunst hem aanbood. + +Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten +huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te +leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij, +voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder +werd begroet. + +Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een +goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat +zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met +zaligen vrede in zijne armen het leven ontging. + + + + +DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS + + + + +MIJMERING + + +I + + +(_Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene +zitbank_) + +DE BROEDER.--Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen +kussen achter dijnen[1] rug leggen;--laat dijn hoofdeken ter zijde +rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome +verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren +hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste +liederen aan.... + +Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang +en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in +prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier +in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt? + +DE ZUSTER, _zittende_.--Broeder, de natuur is schoon, niet waar? +Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op +aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en +gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als +zij zegt, dat een beter oord mij wacht? + +DE BROEDER.--Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele +gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit +moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt +dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich, +dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe. + +DE ZUSTER.--Zal ik haast vertrekken, broeder? + +DE BROEDER.--God alleen weet het, Rosa. + +DE ZUSTER, _mijmerend_.--Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij! +Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe +vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne +jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet +waar, broeder? + +DE BROEDER, _met vochtige oogen_.--O, zuster, spreek zoo niet! Komt +de Engel vroeger, du zals met hem gaan. + +DE ZUSTER.--Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen.... +Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken? + +DE BROEDER.--Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet +overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is +dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen +geest. + +DE ZUSTER, _de bloem aanschouwende_.--Arme roze, waarom dij zoo vroeg +van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme +zijn? + +DE BROEDER.--Zij zal verwelken en sterven, Rosa. + +DE ZUSTER.--Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven +moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland! + +DE BROEDER.--De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij +zal hij lachend en minnelijk schijnen. + +DE ZUSTER.--En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat +zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik? + +DE BROEDER.--Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien +verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten +in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele +juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen +hemel heeft voorbereid. + +DE ZUSTER, _na lang stilzwijgen_.--Broeder, ik voel mijne oogen +verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou +mij verkwikken. + +DE BROEDER.--Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken +bij dijnen zoeten slaap. + +DE ZUSTER.--Niet zóó, broeder.... het kussen aan de rechterzijde. +Dáár moet immers des Heeren engel staan?--Zies du niets gelijk eene +zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds dáár misschien? + +DE BROEDER.--Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen. +Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn +vermoeid hoofd ter ruste. + +DE ZUSTER; _zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert +gedachteloos de bloem op hare hand._--Ontwaak mij, broeder, als ik te +lang mocht slapen. + +DE BROEDER; _hij zit neder voor zijne zuster en weent._--Twee +bloemen, die verwelken!--Arme roze, daar liggen nu dijne roode +bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (_De +zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend +beekje_.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo +juist!--Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken +der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren +gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,--kranslooze bloem +op gebroken stengel,--nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den +levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare +ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat +waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte +zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des +hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der +maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal +dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (_Hij buigt het +hoofd en zwijgt_.) + + +VOETNOTEN: + + 1: Oudtijds, in plaats van _gij_, _u_ en _uw_, schreef men +in het enkelvoud _du, dij, dijn_. Het is te bejammeren dat deze +schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met _gij_, _u_ en _uw_ onze +denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te +worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene _s_ zet +achter het werkwoord, zoodat men schreef _du habs, du wils_, voor ons +hedendaags _gij hebt, gij wilt_. + +Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer +mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud +langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in +zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig +stuk zelf zal kunnen opmerken. + +Ziehier hoe deze woorden verbogen worden: + + M. V. O. + 1. dijn, dijne, dijn, + 2. dijnen, dijne, dijn, + 1. van dijnen, van dijne, van dijn, + of dijns, of dijner, of dijns, + aan dijnen, aan dijne, aan dijn, + of dijnen, dijne, dijn, + of dijner, of dijnen. + 1. naamval du, + " dij, + " dij, van, aan dij. + + + + + +II + + +DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE + + +DE ENGEL.--Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken? + +DE DUIVEL.--Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder +strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der +menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging. + +DE ENGEL.--Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan? + +DE DUIVEL.--Is zij geene dochter Eva's? + +DE ENGEL.--Zij is het. + +DE DUIVEL.--Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en +eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, +neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig +gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland +geschonken.--En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang +reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij +deze ziele! + +DE ENGEL.--Zij is rein, du kans ze niet raken. + +DE DUIVEL.--Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude +waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? +(_Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; +de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond +de maagd; vogelen zingen op het geboomte_.) + +DE ENGEL, _met droefheid en stil_.--O, du almachtige, verleen aan +mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te +doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het +vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het +verlies betreuren van het zoete maagdelijn! + + + + +III + + +DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE. + + +HET MEISJE; _zij ontwaakt met eenen glimlach_.--O, God, wat is dit? +Genezen! Wat zoete begoocheling! + +Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; +warm bloed stroomt mij door de aderen.--Waar ben ik toch? Alles is +hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het +bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de +engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (_De +duivel vaart in eene roze_.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel +tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij +niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat! + +DE ROZE, _waaruit de duivel spreekt_.--Zuster, ik kom en rust op +dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du +schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als +de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik +dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde +zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik +morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is +dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen +schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als +de jongste morgenstraal! + +HET MEISJE.--Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem +het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen? + +DE ROOS.--Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! +Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens +wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik +sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden +met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer +verlate! + +HET MEISJE: _zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst_.--Blijf +op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo +bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen +boezem!... Roze, dijne doornen wonden mij! (_Zij werpt de bloem +weg_.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (_De duivel verbergt zich +in het beekje_.) + +HET BEEKJE, _waaruit de duivel spreekt_.--O, du allerschoonste maagd, +bekoorlijke Rosa! + +HET MEISJE.--Wie sprak mijnen naam? + +HET BEEKJE.--Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche +boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig +dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange. + +HET MEISJE; _zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld +in den gladden waterspiegel_.--Hoe rozevervig zijn heden mijne +wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de +gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch +niet blanker dan mijn voorhoofd..... (_De duivel komt uit het +beekje_.) + +DE DUIVEL, _spottende tot den engel_.--Ha, ha, engel des lichts, du +begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? +Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet +in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen +gemoed,--ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der +maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart! + +DE ENGEL.--Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene +onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams +heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet +niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan +de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de +maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke +foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan. + +DE DUIVEL, _met woede_.--Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen +boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon +ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van +mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;--ja, daar +verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht.... +Let op, ik ga dij werks leveren! (_Hij keert terug in het beekje_.) + +HET MEISJE, _in de beek ziende_.--Lief beekje, heeft dijn zilveren +plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk? + +HET BEEKJE.--Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene +enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar +gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb +gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne +boorden,--voor haar knielden,--om eenen blik harer oogen smeekten en +voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder +dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"--En toch, engellijke +Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; +nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! +(_Zij verlaat het beekje_.) + +HET MEISJE; _zij blijft lang in mijmering verzonken_.--De schoonste +zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!... Maar, wat +zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne +krankheid;--zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk.... + +DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden +vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft +gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken? + +HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne +stem nu zoo treurig? + +DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne +geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne +wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens +waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik +bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de +steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den +mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde +tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij +wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten +wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de +hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du +hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, +eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen +hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden. + +HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, +wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart? + +DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd. + +HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben? + +DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd! + +DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe +wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en +snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden +vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend +lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij +heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich +verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de +dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven +heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een +ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk +eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God +miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden? + +HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de +lichaamsschoonheid, door God mij verleend. + +DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel des lichts, eindig +toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich +vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren? + +DE ENGEL, _tot het meisje_.--Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne +woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en +onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene. + +HET MEISJE.--O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne +droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; +anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik +het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch +mij ontbreekt de macht. + +DE ENGEL, _tot den duivel_.--Achteruit, du verleider, dijn looze +strik gaat breken! (_Tot het meisje_.) Rosa, du hebs een gelaat, een +lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; +maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, +rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft +zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den +Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee +schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds +du kiezen? + +HET MEISJE.--O, ik behielde immer de zieleschoonheid. + +DE ENGEL.--Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne +lichtkroon in den hemel blinken! + +DE DUIVEL.--Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; +maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende +worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke +liefde. + + + + + +IV + + +DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING. + + +HET MEISJE.--O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt +den goeden God zelven,--het lichaam alleen den mensche.... (_Er komen +twee tortelduiven op een wilgetak zitten_.) Gij, lieve tortelkens, ik +wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen +broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins. + +DE DUIVEL, _tot de duivinne_.--Tot wanneer, o wreede, zals du +ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en +droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van +steen? + +DE DUIVINNE.--Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om +een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om +eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du +goede, trouwe vriend en beschermer. + +DE DUIVEL.--Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; +het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; +een ander vuur verteert mijn ingewand. (_De duiven vliegen weg_.) + +HET MEISJE.--Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch +broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo +sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik +begreep hem niet;--hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,--en dan +is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet +verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet..... + +DE ENGEL, _tot den duivel_.--Mislukt is dijn aanslag op het +spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd! + +DE DUIVEL.--Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde +slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik +bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. +Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! +(_Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan_.) + +HET MEISJE; _zij ziet eenen jongeling naderen_.--Wie komt daar? O, +hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O +vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk! + +DE DUIVEL, _in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat_.--Rosa, +hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht? + +HET MEISJE.--O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke +vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft +gedeeld.--Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine +gezellinne niet vergeten? + +DE DUIVEL.--Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen. + +HET MEISJE.--Waarom toch? + +DE DUIVEL.--Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van +hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; +ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In +onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen +naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het +gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen +langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer +vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende +oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, +des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs +du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden +met mij, of ik sterf? (_Hij vat hare handen driftig in de zijne_.) + +HET MEISJE, _verschrikt_.--Los, los! dijne handen branden als vuur, +dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen +zielevrede. + +DE DUIVEL.--Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du +zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat +mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen +trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O +erbarmen, erbarmen! (_Hij knielt voor haar_.) + +HET MEISJE, _medelijdend_.--Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten +verlichten, ik deed het gaarne. + +DE DUIVEL.--Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat +du niemand boven mij bemins. + +HET MEISJE.--Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook. + +DE DUIVEL.--Het zij zoo, bemin dijne moeder. + +HET MEISJE.--Ik heb eenen broeder. + +DE DUIVEL.--Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils +zijn, dat du niets anders boven mij bemins. + +HET MEISJE.--En zoo ik het zegge, Lodewijk? + +DE DUIVEL.--O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne +liefde! + +DE ENGEL.--Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen +God? + +HET MEISJE.--O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme +vriend; zou ik hem niet troosten? + +DE DUIVEL.--Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: +reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken. + +HET MEISJE.--Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te +vergrammen. + +DE DUIVEL.--O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in +mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, +mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord! + +DE ENGEL.--Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn! + +HET MEISJE.--Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend? + +DE ENGEL, _haastig_.--Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt +een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.--In +den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne +liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen +voor dijne zaligheid heeft vergoten.... + +De DUIVEL.--O medelijden, medelijden met mij! + +HET MEISJE.--Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk! + +DE ENGEL, _met wanhoop_.--Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie +mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek +dijn vonnis of dijne verzaliging.--Behoors du den jongeling en der +wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. +Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen +jongeling? Spreek! + +DE DUIVEL.--Ja, Rosa, spreek. + +HET MEISJE.--Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne +liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk.... + +DE ENGEL.--Eilaas, zij valt. + +DE DUIVEL.--Zege, zege, mij de ziele! + +HET MEISJE.--En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne +liefde en mijne ziele eeuwig aan God! + +DE ENGEL.--Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in +den hooge! + +DE DUIVEL, _in zijne echte gedaante_.--Doemenis, doemenis, zij heeft +overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... +Gevloekt, du engel des lichts! (_Hij vliegt heen in de ruimte_.) + + + + +V + + +DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER + + +(_De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en +staat op_.) + +DE ENGEL.--Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn +hoofdeken in mijnen arm. + +HET MEISJE, _zij ontwaakt als uit eenen droom_.--Broeder, broeder! + +DE BROEDER.--Wat verlangs du, Rosa? + +HET MEISJE.--Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor +dij, en eenen voor moeder. + +DE BROEDER.--O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten? + +HET MEISJE.--Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in +zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het +hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland! + +DE BROEDER.--Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen. + +DE ZUSTER.--Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en +kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden +zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. +Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,--ik stijg op met hem +langs de baan des lichts! + +DE BROEDER.--Dood! + + + + + +DE NIEUWE NIOBE + + +VERHAAL + + + + Wat onder Godes hand niet buygen + wil, dat breekt. J. CATS. + + +Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen +eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend +schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien +spelenden geest, dien de Franschen _esprit_ noemen, had zij zich, +volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend +geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche +vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de +ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van +een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor +alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een +ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo +niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, +zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste +uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet +naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige +Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, +en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat +zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar +overkomen ware. + +Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer +prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood +damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een +boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede +zedelessen bevatte. Las zij er in?--Misschien wel; doch wie haar zag +en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette +de oogen gansch te openen.--Alles in die plaats gaf getuigenis van +den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de +schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze +voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een +raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs +verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der +weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar +het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene +flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige +en verleidende verf te geven. + +Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes +allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste +gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een +groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten +elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit; +want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen +oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het +oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het +jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens +en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een +zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne +handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal +zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen +zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak +voorstellen.... Ja, het was wel zoo:--die fijne kinderwezens, dit +helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,--die blonde +haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet +gezengd,--die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of +overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare +frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste +bloemen der Lente! + +En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer +vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche +verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet +gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot +de wereld. + +Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, +zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur +geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich +en sprak: + +"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal +aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb +ze altijd afgewezen;--zij schijnt eene gemeene burgerin." + +"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben +_onzichtbaar_ voor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt, +laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge +Franschman, die mij gisteren van het _concert_ naar huis geleidde?" + +De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam: + +"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even +sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart +breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken." + +Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of +driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij: + +"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is +haar naam?" + +"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam +van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is." + +Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of +eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het +aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger +vooruit en antwoordde met gramschap: + +"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat +ik niet te huis ben. Ga!" + +Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, +of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,--een gerucht +als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.--Eene nog jonge +vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van +mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte, +misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met +trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de +handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare +kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende: + +"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt +gij?" + +De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van +mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend: + +"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en +totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp +op hare knieën afbidt...." + +De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden +van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde +zij met eene gemaakte koelheid: + +"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij +iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw +doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer +geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort +mogelijk." + +Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der +jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene +geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: +want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren +schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond +op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid: + +"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit +bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons +vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. +Maar heb nu toch eens medelijden met ons,--o, red ons van schande en +armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam +zegenen als dien van eenen engel!" + +Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en +deed ze twee-of driemaal klinken. + +"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, +"men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!" + +En zich tot de weenende vrouw wendende: + +"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet +hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!" + +Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij +weerhield zich en sprak met haastige woorden: + +"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, +nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met +weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot +is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij +hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd. +Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene +goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons +bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis +om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het +gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht, +overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch +spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer +gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor +mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met +mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben +zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe +kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed +zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene +andere moeder ongetroost laten weggaan?" + +Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van +maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos. + +"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid. + +"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de +goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld +verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het +gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij +over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende +en schaamte zult hebben gered." + +Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van +Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord: + +"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw +man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen +toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de +luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve +uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij +denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt +gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!" + +De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te +storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, +ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor +mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd: + +"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe +dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond +den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als +eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet +meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom, +dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, +hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij +slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht +heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?" + +Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was +neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem: + +"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?" + +"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van +mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?--En +hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij +mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen +vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in +bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde, +en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat +kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, +edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, +en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet +het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en +verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij +alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en +dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...." + +Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde +zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende +bedreigingen: + +"Wat gestolen?--Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, +dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de +straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe +lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel +zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen." + +"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, +dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. +En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat +gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij +het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet +willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe +ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit +genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele +dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin, +door laag bedrog, in ellende te dompelen...." + +Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen +harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking +harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de +bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op +hetgeen de jonge vrouw zeide: + +"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne +erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij +en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld +verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde, +uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten." + +Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach +en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak +met klaardere stem: + +"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de +hersens;--en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. +Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer +zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet +bij uw verstand...." + +"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, +kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke +zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen +te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!--Maar +gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou, +zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan +alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... +Bemint gij ze dan niet?--Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo +dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want +ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een +onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in +mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare +beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend: + +"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor +u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne +kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij." + +"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, +zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke +huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!" + +De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van +Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis: + +"Welke plaag? Welke plaag?" + +"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel +in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe +armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den +schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...." + +Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van +Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik +daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare +tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan +naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij: + +"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze +lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet +wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te +spreken, want de deur blijft voor u gesloten." + +"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. +"Vaarwel!" + +Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook +daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren +geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug +in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige +overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij +geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den +ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo +bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van +Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep: + +"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?" + +"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, +wat ongeluk ons nadert." + +"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in. + +"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer +Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,--en dezen morgen zeide +hij mij nog goeden dag!" + +Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van +mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te +vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep: + +"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! +Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!" + +"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe +kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;--ik zal ze gaan halen. +Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid +hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn +er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn +gevlucht." + +Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van +mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke +hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare +kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte +daaruit nog eenigen moed. + +De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij +door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne +liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, +dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo +vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene +nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag +zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke +bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar +beven. + +"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij. + +"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie +altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in +mijn lijf." + +Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare +kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen. + +"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om +dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die +gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene +vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,--ik zal uwe +moeite niet onbeloond laten!" + +De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar +hare kinderen.... + +Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare +borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich +rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner +voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn +hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk. + +Ho!--hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, +bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen +besproeide,--hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en +geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te +zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en +met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het +vervolgde, wilde ontvluchten;--en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij +het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou +gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene +zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen +onfeilbaar schild tegen den dood.--Het kind werd koud op de borst +dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef; +zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten +ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water +waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde +en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand +beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner +moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem, +die klonk als bevend glas: + +"Drinken, drinken! ik heb dorst!" + +De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het +met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde +zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug. + +In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen +niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar +nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen +haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de +aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van +schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met +haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar +roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij +haar hoofd en sprak knielend.... + +"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn." + +Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, +sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en +bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. +Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en +schreiden met hartverscheurend snikken. + +Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, +wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit +tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;--doch hij, +die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee +blinkende tranen uit zijne oogen. + +"Rampzaligen!" zuchtte hij. + + +[Illustratie: Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.] + + +Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van +den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de +knieën, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen: + +"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods +wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,--ik kus het stof uwer +voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?" + +De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne +ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een +teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden +buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare +oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,--en tot de lijdende +kinderen gaande, sprak hij: + +"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik +hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien +niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar +niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook +schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over." + +De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. +De heer Schippers hernam: + +"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een +vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, +die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid +over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben." + +Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan +zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, +liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens +huilend en riep met verpletterd wee: + +"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit +meer zien...." + +Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de +knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier +kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in +eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede +zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten, +of hare kinderen nog omtrent haar waren. + +De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch +na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, +waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent +zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van +ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten +als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te +worden;--maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen +grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem +het kind uit de armen. + +"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne +Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,--gij, die den naam uwer moeder +draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des +doods!" + +Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden +van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel +gezonken waren. + +"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe +moeder nog eens, mijn arm kind;--gij ook verlaat mij, gij, mijn +evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste +schat.... Vaarwel, vaarwel!" + +En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en +deerlijk huilend vallen liet.--Na eenigen tijd met starende oogen, +misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in +haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in +haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieën, met de +handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was +onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde +lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen +hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en +stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die +biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min +hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme +den knecht, die onmiddellijk verscheen. + +"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met +Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...." + +De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag. + +"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. +God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen +almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne +genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, +de beproeving is nog niet gedaan.--Pieter, mijn vriend, ik verzoek +u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat +hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen +zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot +vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen +was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. +Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu +ken ik ze!" + +De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk +verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze +beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat +bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene +uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou +gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar +hart vervangen had.--Maar die blijdschap moest van korten duur zijn. +Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op +hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds +bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling +viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond, +en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing; +zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden +kromden onder de trekkingen der akeligste krampen. + +U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware +onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw +zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, +indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht +van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende +eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de +nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen +steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk +opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de +geneesheeren zich bevonden. + +Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met +haar kind op het tapijt.--Arme moeder! Zij had met een vluchtigen +blik haren Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen. + +Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en +in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer +handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te +roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek, +en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij +zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende +kracht: + +"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens +u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;--gij ziet het, ik +ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in +alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen +op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het +leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe +vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg +mij, vergeeft gij mijne misdaden?" + +De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte: + +"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang +vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en +bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u +niet verlaten, vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij +zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne +barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog +moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven +gij vreest." + +"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, +hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en +onderbreek mij niet.--Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. +Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, +ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De +opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den +sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest +ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam +van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van +God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot +mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het +ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner +kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het +onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van +hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van +heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...." + +"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw. + +"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, +dat ik mij onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En +ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart +door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën +uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe +afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?--Het +kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik +vraag u geen woord,--slechts eenen kus van verzoening en +vergiffenis,--en dat de Heer ons zie!" + +De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven +lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er +in die verzoening! + + * * * * * + +Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de +Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; +de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte +tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan +zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van +het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de +voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen +en sprak weemoedig: + +"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en +zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten +heeft." + +Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene +godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem: + +"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!" + + + + +WEETLUST EN GELOOF + + +ZINNEBEELD + + +Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden. + +De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; +het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,--en alles +bracht sombere gedachten in mijn hart op. + +Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, +vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen. + +Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber +nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam. + +Het levend raadselwoord stond vóór mij! + +Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam +eens booms, door den storm ontworteld. + +De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude +tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon +schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij +bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het +smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen +vinger vooruit en sprak: + +"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het +geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart. + +Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij +verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd. + +En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk +_grondbeginsel_ gezocht. + +Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was +zwaar om te dragen. + +Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner +genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het +troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem. + +Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de +dienst Gods zelf. + +De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;--mijne +wenkbrauwen zonken over mijne oogen;--twee breede rimpels +verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende +gepeinzen werden mijn aandeel. + +Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des +Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben." + + * * * * * + +Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem: + +"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien +de aarde uw hoofd tot zich trekt. + +Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere +tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u +niet verkwikken en ondersteunen,--dat gij weenend ten grave zinkt?" + +"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent +des menschens leven niet!" + +Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op +mijne wangen,--en alles lachte mij toe in de gulle natuur. + +Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten. + +En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde +ik.--Ik kon bidden en danken. + +Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,--als het schitterend +dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend +verheft en uitdooft--om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te +schijnen. + +Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om +het lijden te kunnen vergeten. + +En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld. + +Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met +de zielen der menschen geschapen was. + +Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel. + +Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,--en ik riep +mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig +liefde in 's menschen hart is. + +Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop. + +Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen. + +Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte +water op mijne wangen. + +En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds. + +Ho!--op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,--mijn boezem +klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!... + +Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst; + +En het gapend graf ontving zijn lichaam,--en de koude aarde bedekte +den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde.... + +En het was voor eeuwig! + +Dan zocht ik het geluk in de min. + +Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,--en het +arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn. + +Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen. + +En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven. + +Aan God dacht ik niet! + +Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de +wereld.--De zeise des doods liep over de aarde; + +En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden +geslagen. + +Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen +boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien +liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen. + +Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds +tweemaal op zijne lippen was geweest, + +Dan bad ik den Heer om genade; + +Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;--want eene afgrijselijke +stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den +geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam. + +Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne +zinneloosheid. + +De dooden hooren niet!... + +Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in +mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest! + +Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem +geledigd.... + +En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave. + +Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op. + +En ik bleef alleen in de wereld. + +Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de +hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden. + +En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking +met de droefheidsstonden--waren als 1 tot 1000! + +Ik riep spijtig en lasterend tot God: + +Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch +hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, +opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?... + +En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart +werd koud: + +Geloof ontging mij gansch,--weenen kan ik niet meer, ook niet klagen. + +En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de +lippen houden; + +En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!" + + * * * * * + +De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan. + +Zijn schedel helde zwaar voorover,--hij wandelde moeilijk en ging +gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis. + +Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber +aandenken. + +Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk +mij te gemoet treden. + +Doch ik had nog betrouwen in God. + +Mijn oog ging smeekend ten hemel. + +En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking +weg. + +Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking +vroeg mijne ziel. + +Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad. + +En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het +beenderhuisje. + +Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met +angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels. + +Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,--want +eene magere en beenige hand raakte de mijne. + +En de grijsaard stond weder nevens mij. + + * * * * * + +"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel +raakte, "ziet gij daar dit hoofd?--Dit was mijn vader!..." + +En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne +stem. + +En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen. + +Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen +kleineren schedel en sprak: + +"Ziet gij daar?--Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was +hij,--en hij stierf toch. + +Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.--Dit mijn vriend!... + +Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk +en mijne zaligheid! + +Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het +leven over. + +Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind. + +En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel +ook wit maken en bederven...." + +Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen +lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn +antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene +schaduw voorbij. + +Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en +zoo beminnelijk als de hoop zelve. + +Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar. + +Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen +op de aarde. + +De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg: + +"O, kind, verstaat gij het leven nu?--Begrijpt gij nu dit +raadselwoord van alles--_vernietiging_?" + +"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!" + +Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God +verlicht: + +"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,--van leven, van +dood,--van geluk en rouw!... + +Ik ben ook door God bezocht geworden,--mij ook is een echtgenoot, een +kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik +nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:--God." + +Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling. + +Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en +verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard. + +En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam. + +Hij antwoordde: _Weetlust_! + +En de vrouw op deze vraag antwoordde: _Geloof_! + +Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte +kon mij onder dat heilige scherm nog raken. + +Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel. + + + + +HET BEULSKIND + + +VERHAAL + + +I + + +Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen +zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand +tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de +stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis +niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door +eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms +in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte +heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich +tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond +was. + +Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden +hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou +bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den +rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de +armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag +en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van +tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle +woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de +sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof +gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke +zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende +hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet +dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft, +maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste +foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen +vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk +teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen, +en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch +zijner borst. + +O, ongelukkig,--duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel +de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds +twintig jaar de hel in zijn hart droeg? + +Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren +liet,--dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het +voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader +gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om +den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die +vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde. + +En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk +opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht, +bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel +verried;--toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige +teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde; +alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon +vergaderde. + +Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de +spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht +geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar +uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging, +waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich +nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en +hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene +slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als +een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het +gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij +biddend om troost en verlichting mocht smeeken. + +Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol +zielepijn, dáár tegen den populierboom rustte.... + +En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel +vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en +mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik +verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief: + +"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen +heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd +brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en +vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en +uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem." + +Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar +gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle +schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide +de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang, +en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte; +want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om +beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.--Op +eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een +geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte: + +"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,--ik moet drinken!" + +Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef +eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht +straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde +stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om +zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor +eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle +vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op +zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds: + +"Ha! daar is niemand in,--ik zal kunnen drinken!" + +De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij +dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar +hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was +met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op +iets schenen acht te geven. + +Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en +was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren +kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster +luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht +gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden +zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker +nagezien. + +De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen, +en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch +ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en +vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene +kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met +wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van +zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd +dieper en ontging dus haar onderzoek. + +Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde +bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling +gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in +gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien, +dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield +den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig +bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel +rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte, +en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid +had opgewekt. + +De jongeling dronk met haast en ledigde in éénen teug de kan tot op +de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van +twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde +teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der +kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat +ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling. + +"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons +gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals +en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen +aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!" + +De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige +zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en +hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk +te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de +haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde, +geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap +van burgeren dorst begeven. + +De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het +bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen +zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem +alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de +waardinne: + +"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan +verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.--Gij zoudt +ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!" + +"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en +gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken +wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken +mans huis komt?" + +En zich tot Geeraart keerende: + +"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij +nog niet, beulenras?" + +De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij +al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart +opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te +vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar +met koelheid: + +"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen +evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen, +omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen +pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven. +Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond +behandelt!" + +De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de +waardin zich er over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het +mogelijk was, dat iemand zoo zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo +hard had behandeld. Een traan blonk in haar oog, en den Stooter van +den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, zeggende: + +"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!" + +Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den +Stooter van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met +afschrik op eene tafel. + +"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!" + +Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik +weder achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit +bloed waanden voort te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en +afgrijzen werd tegen Geeraart uitgegalmd. + +De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had +denzelfden Stooter nog dien avond, tijdens het lof, van eene +stoelenzetster in de kerk ontvangen. De onrechtvaardigheid zijner +vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij zijne koelheid +gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek. +Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in +woede tot bij de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle +leeuw tegen zijne vijanden uit: + +"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk +geld van eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle +andere Stooters? Maar, neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt, +dat ik een beulskind ben,--ja, zoo wilde het God!--doch gij zijt +verachtelijker dan ik, en ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch +bij naam, noch bij daad aan zulke bedorvene menschen, als gij zijt, +gelijk!" + +Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen +van alle kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan +éénen vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne +macht.... + +Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en +glazen vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken; +de waardin riep om hulp.... + +Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden +der straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij +had ontvangen. Hij schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen +hoed, en vervolgde zijnen weg op dezelfde wijs als hij hem had +begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. Veel schrikkelijker +zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen uit. + + +[Illustratie: Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand +tot zwichten.] + + +Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was +er ergens eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid +op de komst van het beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel +haar zeide, dat iets hem moest miskomen. Zij alleen was een engel van +troost en lafenis voor den ongelukkigen jongeling, en beminde hem +uitermate,--omdat zij wist, dat hij van iedereen veracht en versmaad +was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de +verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes +wederstaan. Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als +een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger +noemde, verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de +zuiverheid harer liefde gevoelde en dacht, eene aan God aangename +drift te voeden. Zij had gelijk, de goede maagd; want geen geld of +goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare ongelukkige +evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten +schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste +harer stadgenooten. + +Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene +kleine kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.--een +goeden jongen, die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te +zweet werkte, een halven dag in de kerk ging bidden en anderhalven +dag in de herberg met drinken en zingen doorbracht, van waar hij +zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf dagen, die +hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer +timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een +goed deel gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder +liefhad. + +Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare +moeder bij de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid +slechts één licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate +geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat +verder, aan de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank, +waarbij de arbeidzame Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de +kamer zelve betreft, die was wel zuiver en met wit zand bestrooid, +wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van heiligen versierd, +doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, wonnen niet +veel met het dagelijksch werk hunner handen. + +Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit +nagelaten zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien +uren, en hij was nog niet verschenen. Het meisje wist niet wat te +denken, en was zoo mistroostig en zoo verstrooid, dat zij op eene +vraag, welke hare moeder haar deed, niet antwoordde. + +"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag +niet, dan komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?" + +"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal +gebeurd zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo +boos op hem" + +"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben +altijd in den haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen +doodgeslagen en den beul Hansken aan den Kroonenburgtoren +verdronken?" + +"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?" + +"Dit weet ik niet,--niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen +zoovele onnoozele menschen ophangen." + +"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom +verdrinken ze dan liever den schout niet?" + +"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord, +dat zegt, dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste +altijd het minst eten krijgt en het meest gebeten wordt." + +"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...." + +Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het +waken moede werd en tot hare dochter geeuwend sprak: + +"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!" + +Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts +komst nog niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare +moeder op te houden. Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover +bepeinsd hebbende, waagde zij toch eene kleine leugen. + +"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en +dan is mijne kant afgewerkt." + +"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe." + +"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit +naaikussen afmaken voor de waardin uit het _Paardeken_; zij zal het +morgen vroeg komen halen." + +"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach, +"gij zult gewis op Zondag meer in het _Paardeken_ gedronken hebben, +dan uwe beurze kon lijden. Werk dan maar om uwe schuld te +betalen.--Ik ga te bed. Vergeet niet te bidden, eer gij slapen gaat." + +Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het +mompelen van een stil _goeden nacht_. + +Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart +aan de deur klopte en door Frans werd binnengelaten. + +Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit +verwonderde Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars +minnaars zonder de rimpelen van smartelijke gepeinzen gezien had. Met +langzamen tred ging de jongeling tot de maagd, vatte stilzwijgend +hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne borst. Dit was zijn +gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij weinig +gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste +liefde. + +"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God! +er is bloed aan uwen hals...." + +"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk +bezeerd. Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam +mocht lijden." + +Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de +holle toon Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van +Geeraarts scherpe blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws +vreezen. Met liefderijken kommer reinigde zij zijn hoofd van het +weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort was, en vatte +ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem +moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen +gevoelen. + +Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd +hebben, dat hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde +met zulke kracht op haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel +nederzinkende, hem toeriep: + +"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw +gezicht...." + +De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra +opnieuw beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen +doodelijken angst verried en het hart van Lina wreedelijk +verscheurde. + +Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen +stoel voor haar nederzat, sprak hij: + +"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem +hoort gij voor de laatste maal." + +Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij +voort: + +"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet +begrepen, en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd, +trok ons tot malkaar. Dan wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het +is de eerstgeborene van eenen beul te zijn; gij wist niet, dat +degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer schande +beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt +worden. Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel +wilde in de onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate +mijn ongeluk zich voor uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook +grooter, omdat gij wist, dat ik die liefde noodig had om niet te +sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang gedood hebben, +want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van den +God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid +uwer min.--De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed, +dat gij nog op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen +boozen haat; maar dit ware niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene +enkele klacht voortbrengen, indien mijn lichaam tusschen twee steenen +verpletterd werd,--maar de pijn,--de foltering zit dáár!" + +Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus +voortging: + +"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid, +door iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,--zonder ooit, +ooit, door welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het +aangezicht te krijgen. O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit +meer is dan ik kan dragen, en dat mijn hart droog wordt bij die +pletterende overtuiging?" + +"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe +pijnen niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat +mijn oog zich met het bitter water der smart bevochtige?..." + +Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te +hooren, doch vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken: + +"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij +van het beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in +eene andere stad zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina, +wij hebben gedroomd. Het noodlottig uur is gekomen,--morgen, ja reeds +morgen zult gij uwen ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de +vuist op het schavot zien. Daarom is de hand, die den doodslag geven +moet, koud als ijs.--Daar, voel!" + +En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin. + +"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft +mij bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!" + +Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan, +hielden hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met +blikken, die nog strakker dan de zijne waren, vroeg zij: + +"Welnu, wat eischt gij dan?" + +"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de +verachting overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!" + +"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel +ook droog geworden zijn?" + +"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van +u vragen;--gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping +der andere menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van +eenen beul met uwe liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats +te bevrijden; door u alleen heb ik het geluk gesmaakt, dat mij anders +onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene martelaresse voor mij +opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij tot hiertoe +verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer +een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij +denken, dat ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden +zal, dat men u verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?--Gelooft gij +mij onedel genoeg om u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na +morgen nog met mijne handen, aan te raken? met handen, die in +menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat gij ten minste mij +nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij weet, +dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!" + +Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het +meisje bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder +twijfel uit een gevoel van blijdschap voortsproot, want hare oogen +blonken met een helder vuur, en een zoete glimlach bewoog hare +lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit oogenblik vervoerde, +te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar hart, en +gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich +brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis: + +"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat +edel gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke +liefde toedraag, of dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe, +morgen nog en voor eeuwig. Ik zal u beminnen, beul of niet,--hier of +op het schavot. Geeraart, ik begrijp mijnen plicht: eens word ik uwe +vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal over uw leven den +balsem der genegenheid altijd doen vloeien." + +"Nooit,--nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik +misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen +vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting +trekken? O, neen." + +"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw +lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden. +Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe +trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met +betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest, +dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen." + +Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag +met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn +opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten +prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en +een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en +riep: + +"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij +eenen uwer engelen geschonken." + +Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar +voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der +trotschheid zien blinken. + +Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak +gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht +op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen +afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met +zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij: + +"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest +aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome." + +Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde +hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam +zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij: + +"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan." + +"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want +zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar +dan zal ik u bijstaan." + +De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de +deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij +wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op +nadrukvollen toon: + +"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan +wel!" + +En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van +haren minnaar in de straat galmen en vergaan. + + + + +II + + +Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee +gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel +niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin +scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had +het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig +meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden. + +Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van +de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het +nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren +dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter +aanduidde. + +Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart: + +"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?" + +"Ja, hij gaat daareven weg.--Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, +dat hij u wacht." + +Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke +vader op een bed lag uitgestrekt. + +De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende +kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn +hoofd had teruggetrokken. + +Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets +dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan +de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het +lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met +den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo +vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij +naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet. + +Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het +hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om +de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij +met bevende en dorre stem: + +"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn +vonnis?--Zal ik beul zijn?" + +"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle +pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats +neme.--Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, +mijn ongelukkige zoon." + +De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die +bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis +liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met +struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij +verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte: + +"Het is dus morgen, morgen, vader,--dat de laatste hoop op geluk mij +moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij +terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop..... +Betaalde moordenaar! Moordenaar!" + +"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u +tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult +afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er +steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk +ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden +vergoedt." + +Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders +toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort: + +"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle +dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen +onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, +wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet +haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en +wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers, +bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen +kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul +genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt." + +"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch +nooit heb ik ze begrepen." + +"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke +verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al +de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge +uitstorten--en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande +overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten; +want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne +onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen +enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij +de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat +ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal +mij zelven verachten.--En geene hoop meer! Het moet zoo zijn." + +"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, +"neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op +de openliggende bladzijde." + +Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij +wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: +"Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne +geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O, +maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die +vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul; +men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en +laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene +slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, +terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het +blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik +zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het +slijk der schande begraven te worden?" + +"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader +zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds +zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente +volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer +bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven +vinden." + +"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die +u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede +gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij +de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het +uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet. +En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk +treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den +rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel +terugvinden." + +De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in +het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit +zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te +begeven, zeide hij: + +"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog +éénen raad geven.--Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan +toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige +nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. +Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, +en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer +niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u +verheffen;--en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God +terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het +noodlottig werk te volbrengen.--Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over +u." + +Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou +hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne +vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne +smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik +zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit +liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof +hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering: + +"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!" + +In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel +zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik +naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien, +bleef hij met beweeglooze oogleden zitten. + +Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam +verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke +oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed +rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal +hadde verlustigd. + + + + +III + + +Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met +een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier +en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der +zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van +Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de +rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en +aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en +eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich +boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur, +haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken. + +Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om +de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen +de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het +ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de +steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het +blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers +deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de +ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte +geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne +verbeelding tot den woon van God op te klimmen. + +Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden: +eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge +en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk +gewaad en met blinkende wapenen.--Dezen ook voorbij zijnde, kwam er +eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed +geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te +kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene +schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te +kennen: + +De omgang!--Daar is de omgang! + +En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water, +dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den +rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een +teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch +wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen +sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en +gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch +te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed +heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende, +stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over +hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen, +zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner +kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun +baarde. + +Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en +oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der +hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van +Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen, +de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip, +en meer andere schoone zinnebeelden. + +Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun +handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel +om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en +mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle +bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete +lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen, +hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun +aangezicht blonk. + +Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig +hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar +onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol +bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo +diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde. + +De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend +met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch, +wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die +jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat +zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als +zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in +verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,--schrikkelijk +teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld +geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des +gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste +gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs één uur +meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte +haren rezen te berge op zijn hoofd. + +Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende +Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen. + +"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen +angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. +Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken." + +Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte +ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit +stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij: + +"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande +scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt +schepsel zijn;--mijne handen zal ik in het bloed van mijnen +evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des +levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren +meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en +der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,--eene vrouw, o, +Lina, Lina!--indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, +dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed +is besmet geweest!--Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik +gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij +moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand +naar een mes uitgestrekt om mij te dooden--doch het scheen mij, dat +uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de +droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb +geweend totdat het mes mij ontvallen is." + +Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van +den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en +het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig +vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit: + +"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij +lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen +gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn +lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en +gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld +niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn +lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, +wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen +behelzen?" + +"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die +den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.--Wat +ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons! + +Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen +zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en +omhelsde hem onder eenen tranenvloed. + +"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt +behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als +een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte +ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de +wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis +niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?" + +De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was +verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht +eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de +streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns +plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid +zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, +schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De +gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht +toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle +pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. +Hij sprak: + +"Vader, o, vergeef mij,--ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. +Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de +schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan +tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om +den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het +bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in +mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, +mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart." + +Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat +de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat +mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te +overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en +zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de +innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag +te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even +onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven +en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul +te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus +ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde +sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, +vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij +kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen. + +In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te +troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder +reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart +schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die +eerste vonnisuitvoering kon volbrengen. + + + + +IV + + +Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper +Herman moest gerecht worden;--men had het tot dit uur uitgesteld, uit +hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad. + +Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen +volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede +vertooning bij te wonen.--Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan +het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot +afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt +verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het +vernietigen van den mensch verlustigt! + +De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering +trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid +en medelijden voor den veroordeelde.--Waarom? Om hunne hatelijke +natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij +gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid +verborgen ligt. + +Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand +en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude +grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, +had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden +tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener +onthoofding bij te wonen.--Het was een grievend vertoog te zien, hoe +schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen, +mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde +lichamen pronkten. + +Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; +het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij +daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden; +maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde, +hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder +Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden +hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle +burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van +Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had +onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die +eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest +gebeuren. + +Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, +waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te +maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de +beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch +aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat +met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het +groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein. + +Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet +mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken +nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het +zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen +zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat +men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en +droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. +Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, +dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, +anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met +scheldwoorden bejegend. + +De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en +was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets +bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag +Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens +deed doen. + +De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot +leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel +gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, +daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien +vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis, +die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre +achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, +vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen +zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te +roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en +men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den +scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien +met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen +wilde:--Meester, daar moet gij slaan! + +Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, +schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te +trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de +vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken +tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht +raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het +stuiptrekkend in de vuist wrong. + +De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch +Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de +knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk +liep: + +"Gauw! Meester, gauw!" + +Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, +hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een +waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de +ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht; +gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken +en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot +gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd +om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken +schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten +moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch +zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden. + +De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn +gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong +plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om +hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde. + +Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het +medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de +gewelddaden, die zij wilde plegen. + +"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men +hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet +menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden. + +De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen +over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil +sterven, riep hij met krachtige stem: + +"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!" + +Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers +vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer +op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met +ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde +afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een +geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke +hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt +denkbeeld van verwarring en woede. + +Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren +vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den +veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen +te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam +op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de +volgende woorden in het oor: + +"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog +eens komt spreken; zij staat daar beneden;--volg mij!" + +En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om +Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene +liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst +vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot +tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de +geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de +schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina +aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar: + +"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter +de tweede mik!" + +Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich +liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij +langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk +een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat +hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam +gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig +inzicht deed Frans niet dan roepen: + +"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam +moeten wij hebben." + +En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de +duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd +had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder +dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten +genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het +aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw +ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, +en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de +gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de +scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans +bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij +had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man +verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul +moest zijn. + +Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door +de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een +weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en +toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel +afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te +uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den +ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij +gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede +verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar +Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp +zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande, +weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de +wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet +behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne +lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die +eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van +het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag, +had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het +beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben, +schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen +toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden +van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul +zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders +ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd +geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene +geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand +kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch +uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend +was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord +van hetgeen er omging. + +Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem +bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de +schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den +grond. + +"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar +het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; +indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.--Spoed u!" + +Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met +zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast +te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans +niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen, +altijd zijn slachtoffer voortsleepende: + +"Zege, zege, hier is de beul!" + +"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de +schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen +liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de +broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij +den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun +toeroepende: + +"Daar is de beul!" + +"Slaat dood! slaat dood!" + +En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van +messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den +huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien +werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde, +van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas +versmolten.--Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen +werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig +gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke +gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was. + +Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na +eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam +van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem +smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, +dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van +gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene +gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het +aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich +zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de +zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en +zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te +drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden +geworden. + +Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij +geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar +Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen +hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging +hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad +onverwachts in zijne kamer. + +De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons +betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken +droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de +driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze +hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard, +scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne +leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; +zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min +beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen +zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op +en riep: + +"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van +martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle +schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood +... gij zijt dood, mijn zoon!" + +"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid +uit. + +"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de +vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;--de +hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene +geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als +ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor +altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...." + +Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien +eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield +zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht +slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit +oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om +zijn gevoel uit te drukken. + + * * * * * + +Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder +eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, +die hij even teeder bleef beminnen.--En wanneer hij, ook oud zijnde, +op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en +deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader. + + + + +DE GEEST + + +ZEDENSCHETS + + +Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. +Elke straat heeft er hare _sage_ of _legende_, doch het is uiterst +moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit +hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste +volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen. +Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met +vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard. + +Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, +zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen +erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog +onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener +asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans +verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af +te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. +De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt +hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of +smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de +fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene +losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter +gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef +van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen. + +Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen +keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; +de eerste, die sprak, was: + +KOBE.--Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2] +poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel, _Snoef_[3] die +trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4]. + +BALTE.--Die kan ekik. + +FRANS.--Is dâ die va Hanefroeike? + +Sus.--Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5] betooverd kornijn +in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka. +Kunde gij het nie, Balte? + +BALTE.--Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, +ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6] lampen veur +nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke +visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander, +as[8] ik ze maar wilde vertellen. + +FRANS.--Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (_Zij trekken, wie eerst +zal beginnen_.) + +KOBE.--Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' +kelder onder de Vierschaer. + +Sus.--Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van +tooverhekse' of van spooke'[9]. + +BALTE.--Ah wel, 'k zal eulie[10] 'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ +gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't +Fransch gezeed[11] _la pipe de lapin_. + +KOBE.--Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis. + +BALTE.--Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat, _pertang_![12] Neen, _poes_ +is 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe' +Franschman uit de Mannekestraet: _voleur de poes, de kattendief_! Dâ +wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie +op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vader _gardechou_ geweest, he? +Onder den tijd van de Marriene'?[13] Zwijgt nâ, zulle[14], want ik +begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê +vier _steugië_ zonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het +paleis van 'ne keunink[16]. + +Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en +het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in. + +Sus.--Ah! ah! da zal schoon zijn! + +BALTE, _gestoord_.--Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van +twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder +tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest +tege'slag van den _eene'_ achter de straetpoort staen en begost[17] +zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen +_compassie_ mê kreeg. + +KOBE, _met bange stem_.--Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht +gelaten hebt? + +FRANS.--Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken! + +BALTE.--A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de +keldermond. + +--Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de +geest niet dé[18] as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel! + +Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de +ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat +diën uit gierighad[19] ene groote schat had verbeurge. En ge we't +wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat +hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld +gevonde' weurd[20]. + +A's dâ nâ[21] zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene' +keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog. + +Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat +hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze +plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's +ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven. + +Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis +slapen! + +Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle +spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd! + +Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is +gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem. + +Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in +klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol +spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'. + +Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,--en a's hem dâ gegeven had, +trok Jan tege' den aved[23] mê zijn' _provisie_ in het huis. + +A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' +koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerste _steugie_, daer nog 'en +tafel stond mê twee stoele'. + +Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en +hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen. + +Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een +voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in +zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;--maer hij was toch nie' van +zijne' center[24] en hij wist heel goed wat hem zé of dé. + +Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost +zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij +lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.--Dan aen het kissen dat +'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't +_Landswelvaren_:--zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie. + +Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant +schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om +te draaije'. + +Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet +uit de schouw--en _pardoef_ in zijn' pan, en de koek in d'asse! + +Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en +daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene +zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige; +'t is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan +doen, op goê val hetd uit. + +Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt +van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde. + +Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, +dat uit de schouw gevalle' was. + +Raed nâ toch eens wat datd het was?--Het was en doodsbeen uit 'enen +arm! + +Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke' +ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel +geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27] +deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun' +flauwzen! + +Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét +hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze +mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij +steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er +'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan +'en de koek in d' asse! + +Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de +weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid +hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet +van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' +mensch nog nie' gerust laten ete'. + +Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael +beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch. + +Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen +oppakte en gelijk tege' de' muer aen _garzelemente'_ vaneen sloeg. + +Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd +'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit +de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in--en dat +duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel. + +Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo +ver als hem vliege' wou. + +Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken +op de tafel gezet om te gaen ete'. + +Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't +zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.--Jan telde, en 't was +twelf ure! + +Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem +de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen. + +Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, +en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.--En hij +was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge +zijn ingewand door zijnen buik kost zien. + +Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' +oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem +verruerde, dan zag hem _pormentelak_ dat het 'ene geest was. + +Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw gezondhad? Me +dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van +Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer +_armoyeus_ uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske +zou u deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken +deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'en _gilé_ die _à jour_ +gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij! + +De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, als +of hem zegge wilde: kom gij eens hier! + +Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen. + +Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe +morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik +ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel _roematiek_ en +ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat +tael spreekte gij? Zeg! is 't van _parlé fransé contre alle mense_! +Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!--Zijtde +van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!--Maar de geest bleef +staan en dé nie als mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou +kome'. + +Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer +om. + +Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de +geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer +Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger. + +Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest: + +Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo veul +spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we +weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u +die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.--Ge zoudt me geeren +den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge +kent me nog nie, manneke'! + +De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn +hand;--maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand. + +Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het +schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet +getrouwd, 'k Zal ouw dâ wel afleeren.--Arrê! dat is het eerste +koofke! + +En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van +zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak +op de' wind. + +Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en +op de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem +hem vast had, dan vuelden hem niemendalle. + +Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens +gauw gaen zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij +hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie +geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen. + +Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'. + +Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet zien +wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'. + +Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel +slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur--want had hem veur gegaen, +dan had het spook hem zeker den nek gebroke'. + +Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene +zark mé enen ijzere' rink, die er in vast was. + +Het spook wees aen Jan, dat hem dië zark moest opheffe'; maer Jan die +begost te lachen en hij zé: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als +ge geene _nikanik_[28] in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete' +rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie. + +De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer +drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld. + +En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'. + +Ziede dâ geld? vroeg het aen Jan. + +Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou +beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', +want 'k heb vijf jaer gediend--en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al +iet blinken dâ sterk op tienguldestukke' trekt. + +De geest haelde de drij potten uit de' put en zé mê 'en holle stem: + +Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was. + +Eer dâ ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Dâ +zoude nie zegge', 'k Geloof dâ ge me wat opwindt. + +Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij zé: Ik heb in d'hel +zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn--en +gij hebt me nou uit d'hel verlost. + +Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge +zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want +mijn bloed kokt al! + +Nou brand ik nie meer, zé de geest, _arrê_! daer is mijn hand, voelt, +nou is ze heel koud.... + +Bedankt veur de goedheid, zé Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer +stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik +ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij! + +Zie, zé het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er +eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur +mijn' ziel te doen, en.... + +Hola, riep Jan, dâ verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge +maekt gij geen' slechte rekening! En wâ zal ik dan hebbe'? Neen, maer +als er wâ drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij +ommers toch rijk genoeg, al is 't dâ ge zoo slecht gekleed gaet, en +dâ nog al in de' Winter.--Ah wel, wa zegde? + +Den derde pot, zé de geest, is veur ouw. + +Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot +van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken. + +En Jan sprong op van _arreusie_; maer hij strunkelde en hij viel in +de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer. + +Nâ was Jan in den donkere'. + +Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, +spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt +me nou ook wel uit deze put verlosse'. + +Maer het spook was weg. + +Jan die kroop dan mê veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers +op. + +Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog +twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep. + +'s Anderen daegs dé Jan hetgeen dat de geest hem gezéed had. Hij gaf +'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot +veur zijn eige'. + +En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen. + +En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en +hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle +dagen naer d'herberg.... + +En daer kwam 'e' varke mê 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit! + + +VOETNOTEN: + + 2: Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te +Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters +welluidendheidshalve _de_ of _den_ bezigt, zonder op het geval te +letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle +klinkers, gebruikt men _den_, zoowel in nominativo als in +accusativo. + + 3: Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters +voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel van +_marionetten_, die zij _poesjenellen_ noemen. _Snoef_ is een +personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de +aanschouwers te vermaken, evenals de _Arlequin_. Het is gewoonlijk de +geliefde _acteur_ van het geëerd publiek. + + 4: De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het +einde onfeilbaar met eene _keuninksdochter_, eene _princers_ van +Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt, +eenen grooten ijzeren pot met geld. + + 5: De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in +Antwerpen _Ene, En E_, de _e_ hebbende den klank van _e_ in het +Fransche _le._ Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en +voor de letter _H_ zijn ze _Enen, En, En_. + + 6: De uitgang _oude_ wordt verzacht en veranderd in _ouwe_, +als: wij _zouden_, wij _zouwen, koude Winter, kouwe Winter._ + + 7: Het woordje _niet_, zonder nadruk uitgesproken, verliest +de _i_. + + 8: De l in _als_ wordt niet uitgesproken; b.v. _as_ ik het +zag, zou ik het gelooven. + + 9: De _n_ wordt nooit gehoord in de uitgangen der +veelsilbige woorden, die op _en_ uitgaan. Men zegt _verbinde, honde, +zinge_, voor _verbinden, honden, zingen_. Voor de klinkers en de +letter _H_, die hier nooit _geaspireerd_ is, heeft de verkorting +geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle +opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten +eene _n_ of andere letter om de _euphonie_. Hij zegt dus: _ik +wilden-u-iets, hy maelden-u-immers_! + + 10: Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons +wordt gemaakt met het bijvoegen van _lie_, zijnde eene verkorting van +_lieden._ Men zegt _geulie_ of _gylie_ en _eulie_ of _ulie_; dit +laatste voor _aan u_, als ook voor de bezittende voornaamw. meervoud +_uw, uwe, uwen_; b.v. _Geulie weet het. Ik zal eulie straks euliën +boek teruggeven_. + + 11: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _zeggen_ +is als volgt: + +Ik zé, voor: ik zeide, enz. + + Gij zè + Hij zé + Wij zéën. + Gijl. zéet + Zij zéën. + +Het verleden deelwoord is _gezèed_. + + 12: Het Fransche woord _pourtant_. + + 13: Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf +of _Chantier_ gewerkt? Is ulieder vader _Garde-Chiourme_ of +slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoord +_zijn_ altijd met het hulpwoord _hebben_ vervoegd wordt. + + 14: _Zullen_ is een tusschenwerpsel, dat overmatig in de +Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekent _verstaat gij het? +Hoort gij het_? + + 15: _Nieuw, nieuwe, nieuwen_ is in Antwerpen _nief, nieve, +nieven_. + + 16: De _g_ na de _n_ op het einde eener silbe verandert +meest altijd in _k_, als _gang, gank; ding, dink; hij zong, hij +zonk_. + + 17: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord +_beginnen_ is: + +Ik begost, voor: ik begon, enz. + + Gij begost + Hij begost + Wij begosten + Gijl. begost + Zij begosten. + +Het verleden +deelwoord is _begost_. + + 18: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _doen_ +is: + + Ik dé, voor: ik deed, enz. + Gij dé + Hij dé + Wij déën + Gijl. dé of deed + Zij déën. + + 19: In de uitgangen _heid_ en _lijk_ verandert de klank der +_ij_ in _a_ en men spreekt, alsof er stond _had, lak, gezondhad, +gemakkelakhad_, voor _gezondheid, gemakkelijkheid_. + + 20: De _o_ in _or_ wordt uitgesproken als eene zachte _eu: +zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt_. + + 21: _Nu_ spreekt men gewoonlijk uit _na_; de _a_ heeft den +korten klank van a in _nat_. Met nadruk wordt _nu, nouw_. + + 22: Het persoonlijk voornaamwoord _hij_ wordt alleen +gebezigd onmiddellijk vóór het werkwoord, anders zegt men _hem. Zag +hem dat hem sliep_? beteekent _zag hij dat hij sliep_. Deze regel +heeft uitzonderingen. + + 23: Tegen den avond. + + 24: Een stuk in den kraag krijgen: _dronken worden_.--Van +zijnen center zijn, _van zijn verstand zijn_. + + 25: Honger krijgen. + + 26: Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene, +die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige +zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den +zieltjeskoek. + + 27: De plaats waar de paarden begraven worden. + + 28: Mécanique. + + + + +DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA + + +ZEDENSCHETS + + +(_Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en +lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en +eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest +tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer +met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes +in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat +het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en +weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, +anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig +met mannekens te maken of okentrek te doen_.) + +DE MEESTER, _met luider stem en langzaam_.--Past op dat gij de buiken +van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar +omhoog trekt! + +GEROEP VAN ALLE KANTEN.--Meester, versnijd mijne pen +eens!--_Monsieur, ma plume_ is te slap! De mijne is te stijf! _La +mienne est trop maigre_! De mijne is te vet! + +VICTOR, _een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit_.--Ik heb +gedaan, eh na! + +KAREL, _met zachte stem_.--Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen +krijgen. G'hebt weer altemaal _hanepooten_ gemaakt, gelijk gisteren. + +VICTOR, _zijne stem, zonder het te weten, verheffende_.--Dan moeten +ze mijn' pen maar vermaken.--Karel, willen we wat _pennekepik_ doen, +eh? + +DE MEESTER.--_Silence_ daar, met dat _lawijd_![29] Victor, pas op dat +uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel! + +EDWARD, _die nevens Victor zit_.--Mag ik meê _pennekepik_[30] doen? +'k Zal eene nieuwe pen geven. + +VICTOR, _bitsig_.--Neen, gij moogt niet meedoen, _aarzak_![31] + +EDWARD, _schreeuwende_.--Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, +meester, Victor en Karel doen altijd _pennekepik_! + +DE MEESTER, _met gramschap_.--Ha, ze zijn weer bezig,--ik had het +gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen +_pennekepikken_ meteen! (_Hij trekt Victor met zijn oor_.) 'k Zal u +leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in +plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer +ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden +betalen, omdat ge hier _pennekepik_ zoudt doen, _bedorvendans_? + +VICTOR, _zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de +vingers stopt_.--Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het +aan mijn' moeder zeggen--dan ga ik naar een ander' school, zie na! + +DE MEESTER, _streelend_.--Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij +zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het +is beter dan gisteren,--dat verdient eenen _Bon_[32]. (_Hij schrijft +eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich_.) + +VICTOR, _mompelende_.--Met zijne _bons_ altijd! Wat kan ik daarmee +doen? 'k Ben er vet mee, met zijne _bons_! Ai mij, mijn oor! + +EDWARD, _tot den meester_.--Meester, het is zijn geschrift van +gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten _Rubbens_ in zijn +_cahier_[33] gemaakt. + +DE MEESTER, _tot Edward_.--Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers +kan lijden. (_Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen_.) Geeft acht +op het _dicté_;--neemt uwe _cahiers_. Zijt gij er altemaal? + +AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.--Ja, ja, meester!--ik +niet!--ik wel!--ik kan mijn _cahier_ niet vinden,--mijn pen schrijft +niet,--ik heb geen papier! + +DE MEESTER, _dicteerende met slepende stem_.--"De wederspannige +Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...." + +VICTOR, _Edward bij zijn haar trekkende_.--Daar nu,--ga, zeg nu nog, +dat wij _pennekepik_ doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar +trek, schreeuwbakkes! + +DE MEESTER.--"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er +daar wat uitscheiden? + +EDWARD, _weenende_.--Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd +met mijn haar! + +DE MEESTER, _met ongeduld en tegen den grond stampende_.--Zij zullen +mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (_Dicteerende_) +"De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...." + +EDWARD, _roepende_.--Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak! + +DE MEESTER, _dicteerende_.--"Absolon trok op ... tegen...." Victor, +ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... +"trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet +gij mij zoo, Piet? Schrijf dan! + +PIET.--Frans heeft mijne pen weggenomen, meester. + +FRANS.--'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met +_pennekepik_ te doen. + +DE MEESTER, _in gramschap_.--Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar eens +twee kassen. Speel nu nog _pennekepik_, oudersverdriet, dat gij daar +zijt! (_Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en +doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet +weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en +alle soorten van spottende gezichten te trekken_.) + +_Dicteerende_: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige +God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van +..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven. + +VICTOR.--Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden. + +DE MEESTER, _met wanhoop_.--Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat +hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een _komplot_ +gemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;--maar 't zal +niet waar zijn, _revolutionairs_! Gij zult mij niet verjagen.... + +EDWARD, _schreeuwende_.--'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer +_okentrek_[34] gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart. + +DE MEESTER, _met ongeduld_.--Ha, zijt gij weer _okentrek_ aan 't +doen!--en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is +om iets van te krijgen! + +(_Hij wendt zich om naar de andere zijde der school_.) + +VICTOR, _eenen luiden kaakslag aan Edward gevende_.--Daar nu! zeg het +nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u +eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, +labbekak! (_Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot +gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en +trekt ze van elkaar_.) + +DE MEESTER, _met groote woede_.--Deugnieten! Schelmen! 't Is erger +dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult +mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het +u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school +afvliegt.... Past op! (_Groote stilte in de school. Victor steekt +zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze +durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke +uitdrukkingen op zijn gelaat_.) + +DE MEESTER, _bedaard_.--Waar waren wij? Ha! (_dicteerende_) "De +boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon +den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de +vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier +knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb? + +FRANS.--Heb! + +DE MEESTER, _verbitterd en spijtig_.--Wat, heb, ezel? Op de vlucht, +heb ik gezegd, (_dicteerende_) "en reed onder eenen boom door ... +doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... +van...." Frans, doe dat _manneken_ weg en schrijf ... "De takken van +den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen." + +(_Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne +tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt +het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen_.) + +VICTOR, _blijde_.--Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar! + +DE MEESTER, _vergramd_.--Frans, gij zult _noenoveral_[36] blijven +bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets +te knauwen hebben. (_Tot al de leerlingen_.) Het _dicté_ is +gedaan.--Victor! spel het laatste woord eens. + +VICTOR, _tot Edward_.--Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen, +of ik geef u eenen neep. + +EDWARD.--Neen, nu zeg ik het niet, zie na! + +VICTOR _nijpt hem in den rug_.--Zegt ge 't nog niet? + +EDWARD, _pijnlijk schreeuwende_.--Hangen! Hangen! + +DE MEESTER, _tot Edward_.--Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer. +Gij, Victor, spel het laatste woord. + +VICTOR, _onverstaanbaar en zeer gauw_.--*Abchg*--hang ... +chrstgen--gen--hangen. + +DE MEESTER, _het hoofd schuddende_.--Genoeg, genoeg. Wij zullen het +namiddag spellen.--De kleine Catechismussen weg.--De eerste les! + +(_Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne +cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne +catechismussen open op hunne knieën om beter te kunnen antwoorden. +Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel_.) + +DE MEESTER.--_Attention_ op de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn +er? + +EDWARD, _driftig en gauw_.--Drie,--'k wil zeggen twee,--neen, maar +één. + +DE MEESTER.--Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er? + +VICTOR, _zijn hoofd onder de tafel uitstekende_.--Zeven: +hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd.... + +De MEESTER.--Houd op, ketter! _Dat_ weet nog niet, hoeveel Goden dat +er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer? + +EDWARD.--Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester! + +FRANS.--Neen, wel, meester, ze doen _klontjen-trek_ en _witbier-zet_ +met krieksteenen![37] + +DE MEESTER _neemt een reglet en slaat in het wilde onder de +tafel_.--Schelmen, er uit!--gauw! of ik sla u armen en beenen +vaneen.... + +VICTOR en KAREL, _onder de tafel heen- en weer kruipende_--Ai mij! 't +is in mijn oog!--Ai ai, mijnen kop!--Och God, mijnen neus! + +(_Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood +en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben._) + +DE MEESTER, _bij Victor gaande, streelend_.--Victor, Victor, nu ziet +gij wat er van komt. (_Hij neemt hem zoetjes bij de hand._) Kom hier, +jongen; zit aan de groote tafel.--Ge moogt in de eerste klasse +gaan,--ik zal u een nieuw boek geven. + +VICTOR, _binnensmonds_.--Dief, dief, na. + +(_Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open._) + +VROUW VAN LAER, _moeder van Victor_.--Goeden dag, meester Verdonck. +Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt +geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al +noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, +zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er +tevreden over? + +DE MEESTER, _met fleemende stem_.--Ten uiterste, madam Van Laer. +Victor is wijs,--niet waar, Victor? Het is een mijner beste +leerlingen;--hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat +hij in _de Schat der kinderen_[38]. + +VR. VAN LAER.--Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo +rood! + +DE MEESTER.--Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet +aan Victor,--zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (_Tot Edward_) +Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de +school af, wees zeker! + +EDWARD, _morrende_.--G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw +reglet in zijn oog geslagen. + +DE MEESTER, _eenen gloeienden blik op Edward werpende_.--Zwijg, +franke ezel[39],--want er is toch niets goed van u te maken. Doe +gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn. + +EDWARD, _binnensmonds_.--Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's +niets, straks krijgt hij toch weer haver. + +VR. VAN LAER.--Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam +Laurier,--gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh +wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, +gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren? + +DE MEESTER.--De _geographie_, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar +hangt ze! (_hij wijst op de landkaart_.) Uw Victor is daar al heel +ver in,--hij is zelfs een van mijn' besten. + +VR. VAN LAER.--Dat wilde ik wel eens zien. + +DE MEESTER, _tot Victor_.--Kom hier voor de kaart, Victor, en laat +eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de _geographie_ zijt! +(_Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder_.) +Hoevele winden zijn er, Victor? + +VICTOR.--Vier. + +DE MEESTER.--Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij +gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens +wijzen, waar de vier winden zijn. + +VR. VAN LAER, _in verrukking_.--Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een +kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan +hij het onthouden! + +DE MEESTER, _hij wijst met een stokje boven de kaart_.--Victor, waar +is het Noorden? + +VICTOR, _met stoutheid_.--Van boven. + +DE MEESTER, _het stokje onder de kaart plaatsende_.--Waar is het +Zuiden? + +VICTOR.--Van onder. + +DE MEESTER, _met het stokje de rechterzijde der kaart toonende_.--En +het Oosten? + +VCTOR, _met koddigen ernst_.--Daar op zijde, waar gij met uw stoksken +wijst. + +VR. VAN LAER, _verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden +zag_.--Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus +geef. Gij zult nog minister worden, gij! + +DE MEESTER, _tot Victor_.--Waar wonen wij? In welk land staat deze +school? + +VICTOR, _zeer ernstig_.--Op de Paardenmarkt. + +DE MEESTER, _op zijne lippen bijtende en half beschaamd_.--Ja, ja, op +de Paardenmarkt, juist!--Maar in welk land zijn wij?--In Spanje, in +Turkije, in Lapland of in Belgenland? + +VICTOR.--In Belgenland. + +DE MEESTER, _vergenoegd_.--Ik wist wel, dat hij het niet vergeten +had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (_Victor, na lang +zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop_.) +Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel +vijfentwintig keeren gewezen. (_Tot vr. Van Laer_.) Madam, hij is +beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en +steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel +insteekt. + +KAREL, _tot Edward met zachte stem_.--Wat leelijke mouwstrijker dat +de meester is, eh? + +EDWARD.--Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij +geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten? + +FRANS.--Ik heb er eenen: let op, hij gaat! + +DE MEESTER, _roepende_.--_Silence_, daar in den hoek! + +VR. VAN LAER, _tot den meester_.--Ik heb het altijd gezegd, dat onze +Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne +koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware +hem eenen stiel te leeren;--maar ik zal wel maken, dat hij ten minste +pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren. + +DE MEESTER, _zich buigende_.--Daarin hebt gij het grootste gelijk van +de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of +eenen schoolmeester van maken. + +(_Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. +De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer_.) + +VR. VAN LAER, _verstoord_.--Wel wat afgrijselijke dingen!--Een mensch +met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe +slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed! + +DE MEESTER, _met groote woede_.--Wie heeft dit gedaan? Wie durft die +achtbare madam Van Laer met papier werpen? + +EDWARD, _roepende_.--Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft +gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed! + +DE MEESTER, _Frans bij den kraag naar de deur slepende_.--Hier gij, +schelm! De deur uit, deugnietenkind! (_Hij werpt hem aan de deur_.) + +FRANS, _buiten luidkeels schreeuwende_.--Ge meent, dat ik nog zal +weerkomen, eh?--maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... +(_Stilte_.) + +VR. VAN LAER.--Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw +naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou +gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij +wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te +mager zijn, volgens dat hij zegt. + +DE MEESTER.--Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem +op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij +het reeds kan. + +EDWARD, _tot Karel_.--Ja, _pennekepik_ kan hij beter, eh? + +KAREL, _roepende_.--Meester, Edward lacht u uit! + +EDWARD.--Neen wel, meester, hij is het zelf.--Hij zegt, dat Victor +beter _pennekepik_ kan! + +DE MEESTER, _dreigend_.--_Silence_, daar, zagemannen! of ik zet u de +school af.... (_Stilte_.) _Allons_, Victor, let wel op, ik zal het u +eens voordoen. (_Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend_:) +Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de +linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met +eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer +eene snee.... + +PIET, _schreeuwende_.--Meester, meester! daar vliegt een +_meuldener_[40] in de school! Pst! Pst! + +AL DE LEERLINGEN.--Hoera! Hoera!--Pakt hem!--Hoe na of ik had hem! +Hier, daar, pst! pst! + +(_Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het +onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers +schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk +vliegt de kever haar in het haar._) + +VR. VAN LAER, _met bange stem_.--Och! och! meester, verlos mij van +dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! +(_De meester neemt den kever van haar hoofd_.) Ai, mij! daar houd ik +eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, +wat beklaag ik u,--wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat +het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen. + +DE MEESTER, _met gramschap rondziende_.--Ik zal u straks spreken! +(_Stilte_.) _Allons_, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op +haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (_Hij geeft +eene pen en een pennemes aan Victor_.) + +VICTOR, _met ongeduld_.--Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar +buik? + +DE MEESTER.--Snijd er maar stoutelijk door, Victor.--Geef ze maar +eene goede snee. + +(_Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te +snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat +zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk._) + +VR. VAN LAER, _bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare +armen_.--Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.--Ziet eens wat +snee. (_Zij beziet den verbaasden meester met woede_.) Meester +Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een +mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.--Dis is +uwe schuld.... + +DE MEESTER, _met spijt_.--Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, +madam. + +VR. VAN LAER.--Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan +al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen +rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten +bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (_Zij +heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden_.) +Kom aan, Victor.--Kom naar huis, mijn kind. + +DE MEESTER.--Maar, madam, gelief.... + +(_Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog +eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit_.) + +DE MEESTER, _pijnlijk en met diepe droefheid tot den +leerlingen_.--_Eh bien_, serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen! +_Trêtert_[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie +bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, +niet waar?--Geeft mij nu nog eene geraaktheid,--maakt mij lam aan +armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult +gij lachen, eh, monsters? (_Hij bedaart een weinig en zegt met +neerslachtigheid_:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan +dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen +en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?--Hebt +gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt +om u te leeren.... + +EDWARD, _schreeuwende_.--Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met +een strooiken aan heur gat! + +DE MEESTER, _stampvoetend en met wanhoop_.--Ja, ja, ik weet het wel, +gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de +steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,--een hoop +ezels,--zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (_hij +hoest twee of driemalen met pijn_.) Ja, nagels van mijne +doodkist;--want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult +krijgen, moordenaars! (_Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst +tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het +op elf uren_!) Het is elf uren.--De school is uit! + +(_De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen +gedruis_.) + +DE LEERLINGEN, _van alle kanten roepende_.--Hoera! Hoera! De school +is uit!--Wie speelt er mee broekstavast?--Wie doet er mee in d'O? Wie +heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42] + +DE MEESTER, _zijne deur toesluitende en het hoofd +schuddende_.--_Aures habent et non audient_! Alweer twee leerlingen +kwijt! Preek dan al voor dit gespuis! + + +VOETNOTEN: + + 29: _Lawijd_. Gerucht. + + 30: _Pennekepik_. Ieder brengt ééne of meer pennen in het +spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie +eene pen aanpikt, wint ze. + + 31: _Aarzak_. Bedrieger, krakeelzoeker. + + 32: Goedkeuring of goede noot. + + 33: Schrijfboek. + + 34: _Okentrek_. Men schrijft een getal okens kegelwijs +nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al +de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie +te mogen raken. + + 35: Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen. + + 36: Des middags niet mogen naar huis gaan. _Bakken_, voor +straffe later dan de anderen op de school moeten blijven. + + 37: Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze +schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle +zijde naar boven, dan heeft men _klontjen-trek_, en men trekt een +getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle +zijde naar boven, dan heeft men _witbier-zet_, en men is verplicht +een getal krieksteenen in te zetten. + + 38: Een oud schoolboek. + + 39: _Frank_, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd. + + 40: Een Meikever of Molenaar. + + 41: Plagen, tergen. + + 42: Verschillende kinderspelen. + + + +DE KWADE HAND + + +VERHAAL + + +Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die +het menschelijk verstand te boven gaan,--voorvallen, die alle +wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen +droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende +macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat +op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft. + +In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent +achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won +het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene +gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid +en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar +van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen +schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten +der aarde. + +Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk +meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij +bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan, +om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. +Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om +langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; +want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen +onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet +geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging +losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij +poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de +doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, +dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder +voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart +angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen. + +Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende +donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de +uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte +nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die +haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen +en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor +haar stond en weder vroeg: + +"Welnu, dochter, wat uur is het?" + +Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia: + +"Acht uren." + +Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude +wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij: + +"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den +zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs +deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!" + +Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia +en ging haren weg--Onder de aanraking van het oude wijf werd het +ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering +over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band +klemmen. + +Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd +op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op +het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; +maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat +Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag +de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden +stortte. + +Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in +hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen. + +Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om +haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet +in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw +achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, +roepende: + +"Theresia is dood!" + +Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de +tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij +insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, +begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, +roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de +bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas +en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel +afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der +bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, +hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo +onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia +al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar +gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich +verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; +integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel +zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en +schudden. + +Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat +gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het +achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare +oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer +en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen +te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden +weenden. + +Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die +onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog +bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van +den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht: + +"O, bid voor mij: ik ben betooverd!" + +Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte +deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het +verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle +bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de +overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was. + +Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte +te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even +glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere +verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende +vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de +dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en +welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het +uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene +slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. +In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en +lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden +vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen +zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar +schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij +vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op +slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks +zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, +op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te +pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder +dat zij schreeuwen kon of opstaan. + +Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, +de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij +sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren +ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met +een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op +hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo +akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de +kamer waren ontvlucht. + +Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar +gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar +onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met +geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve +onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat +alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier +waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in +bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was +met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee +doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar +hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren +worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst +een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles +hielp echter niets:--de tooverheks ging voort met alle nachten het +ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen. + +Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en +uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar +laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen +van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare +glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken +zoovele ratelende beentjes. + +Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er +tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke +woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en +verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien +onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had +gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden +besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet +helpen kon. + +Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze +kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij +was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, +ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene +zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. +Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht +onophoudend ten gronde gevestigd. + +Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich +daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde +zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met +onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging +beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden +mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze +over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar +eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende +ondervragingen met zonderlinge stem: + +"Dochter, er is eene kwade hand aan u?" + +"Ik weet het wel, man." + +"Hebt gij niets op uwe _conscientie_?" + +"Och neen, ik ga alle maanden te biechten." + +"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?" + +"Nog veel minder." + +"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of +vermaledijd hebben?" + +"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg +gestorven." + +"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?" + +"Neen." + +"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?" + +"Nooit." + +"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het +oude wijf u betooverd heeft." + +"O, daar ben ik zeker van." + +"Wilt gij verlost zijn?" + +"Moet gij dit vragen?" + +"Antwoord mij!" + +"Ja, ik wil verlost zijn." + +De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken +zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen +onzichtbaren geest scheen te spreken. + +Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde +vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen +elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten +zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben +durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij +wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. +Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven +verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om +niet te hoesten. + +Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder +voor het meisje komende, begon hij dit gesprek: + +"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u +gelegd heeft." + +"Is het de oude tooverheks, of niet?" + +"Het is de oude tooverheks." + +"O, ik weet het wel." + +"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. +Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand +van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? +Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?" + +"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost." + +"Is dit uw goed woord?" + +"Ja." + +De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak: + +"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit +werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat +ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van +Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen +doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor +gegeven wordt." + +"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met +zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat +gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen." + +"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid +zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet +in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en +waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar +moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan +afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij +een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis +te betalen." + +Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man +gegeven. Hij hernam: + +"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, +dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo +zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit +wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien +voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, +dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: +een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de +deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien +er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend +ten venster uitvliegen.--Men behoort dat daarom open te laten. Er is +niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht." + +Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam +zijnen gaanstok en sprak tot de zieke: + +"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de +kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond +worden." + +Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard +en verliet de kamer. + +In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of +driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat +hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar +elders zich begeven had. + +Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg +waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had +men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht +te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou. + +Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik +inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik +zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen. + +Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en +ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en +omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene +tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans +kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het +een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd +ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook +het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep +met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, +zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene +zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den +tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en +werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot +middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot +zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met +onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte +nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich +met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op +Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de +komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op +eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna +niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der +vlam.... + +Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle +klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten +ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden +onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. +Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met +opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de +tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps +op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene +ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp +los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat +wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks +bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan +overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende +stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak: + +"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!--O, neen, neen, scheur mijn +hart niet met uwe nagelen.--Geef mij den slag van gratie, dat ik +sterve!" + +Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken +had: + +"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat +mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, +dat ik niet wil,--ik zal den ouden man verjagen...." + +Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons +inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans +had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te +herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en +wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een +zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare +oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep +als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij +achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de +kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning +moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons +omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die +met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over +hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op +het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel +in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan. + +Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen +nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u +wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het +insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van +ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en +bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen. + +Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat +was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te +verroeren. + +Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde +ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen +en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven +worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende +hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit +rog of vloot gekookt was geworden. + +Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag +juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in +den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die +kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, +vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest +gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had +om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, +dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. +Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen +zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon. + +Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven +in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. +Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak +der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. +Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te +laten vinden. + +Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp +brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een +bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een +groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in +eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende +tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw +gebonden, op wat stroo te slapen. + +De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het +vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende +ledematen. + +Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half +twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij +de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, +deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk +papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig +doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere +woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen +spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het +overige wierp hij in den ziedenden ketel. + +Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij: + +"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar +ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf +uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en +bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet +doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal +hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren +of zien moogt!" + +De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd +uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene +doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel +in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid +om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere +te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk +gevestigd. + +Nog vijf minuten! + +In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu +begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, +borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op +sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder +de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven +ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; +de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen. + +Nog twee minuten! + +De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den +breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk +gevestigd, stond hij gereed om te steken.... + +Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, +als van iemand, die met eenen stok gaat. + +"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij +elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek +overhoop nedervielen. + +De deur ging open.--Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den +toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes +en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid +klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met +geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de +hand. + +Nog ééne minuut! + +"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris. + +"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend. + +"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de +geneeskunde uit. Dit is verboden." + +De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf +uren ging slaan. + +"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort +oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of +gij doodt iemand met uwe handen!" + +"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet +volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote +pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!" + +Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; +hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich +vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk +nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!... + +Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos +in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is +dood!" + +Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de +deur ingeloopen, roepende: + +"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en +ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!" + +De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden +man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, +als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later +tot eenige maanden gevangenis verwezen. + +--Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles +tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien +het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe +legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? +Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die +onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij +aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; +want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle +geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een +zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen +beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat +onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde +betoovering? + + +VOETNOTEN: + + 43: Eene gemeente bij Antwerpen. + + 44: Eene gemeente bij Antwerpen. + + + +STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS + + +ZEDENSCHETS + + +Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia +bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de +plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het +bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij +u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe +redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, +alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat +gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het +zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt +Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst. + +Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers +en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de +meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend +een toets dienen in deze beschrijving. + +Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste +gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, +zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van +iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne +bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het +hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué, +de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer +nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat +het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en +rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene +Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en +tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en +begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt +hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te +weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne +vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. +Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, +steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een +blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, +totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht +ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne +huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; +en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, +gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij +doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene +Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van +buiten kent,--en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, +maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren. + +Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over +gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en +brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: +"Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van +tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de +Dahlia?"--Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp +te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn +aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene +artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is +afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal +ze zeker onder den voet geloopen hebben:--dit zou spijt +zijn!"--Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers +voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia +schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!" + +--Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij +zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling +meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's. + +--En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den +ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren +van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. +Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op +een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in +Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts _enkele_ bloemen als +starren geeft,--dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen +Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,--dat deze +plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden +door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen +kruidenhof,--dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 +verkreeg, enz. + +Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den +liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de +Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, +gedurende zijn gansche leven, het _goeden dag_ weigeren.--Hij, die +anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij +zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer +het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een +blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch +niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft +toegesteld.--Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen +onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de +geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige +bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat +uit de ontwortelde planten van Okulei,--Pioen,--Tuiltje,--Vingerhoed,-- +Violier,--Beverken,--Veldklok,--Knaptand,--Lelie,--Brikel[48] +en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door +onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid +gehaat. + +Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in +zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden +lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen +liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de _Marmot_ een dier is, dat +gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te +slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt +begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: +zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen +in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone +van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne +bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des +geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit +levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne +lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor +vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne +veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed +mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den +invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste +maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen +langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne +oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en +nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd +gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die +trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De +Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds +van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene +natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; +hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken +toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van +eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en +springt den hof in. + +Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; +hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de +losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de +verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de +bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat +de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen +weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, +gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de +lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond +iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde +overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de +plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige +oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de +lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich +met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt +ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater +spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne +lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve +Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, +als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de +natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij +de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis: + +"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu +gaan wij weer leven!" + +De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij +een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich +te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader +geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit +steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de +andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders +zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat +in een ander vertrek, zonder nog te spreken. + +De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer +Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een +middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en +vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de +razernij der Dahlia's. + +U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met +spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten +bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839. + +M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige +kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, +benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens +doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als +volgt: + +"_Anna Maria_ plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, +met muizenoorkens en met purperen punten. _Buonaparte_, met haren +stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens +_Waterloo_ met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik _Défiance_ +nog planten? Die Dahlia _doet het bijna nooit_[50]. Het is anders nog +al eene aardige: chocolade met melk.--Ik zal haar in het midden +zetten met _Englands pride_, _don Carlos_, _Formosa_ en _Hortense +Knyff_. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet +ik mijne _Striata Formosissima?_[51] Ik mag daar niet losselijk over +beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan +in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen +slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers +moede gezien, eer zij aan mijne _Striata Formosissima_ komen. Dit mag +ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre +niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?" + +Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, +dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de +tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar +vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering +opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen +heeft. + +"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ +planten?" + +Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder +antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer +wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, +de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, +zeggende: + +"Dat zijn weerkens, eh?[52]" + +M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden +van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en +herhaalde als met gramschap zijne vraag: + +"Waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ toch planten?" + +M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen +genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende +gesprek: + +BIELENS.--Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet +moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij +onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik +zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit +met rijp oordeel beslissen. + +FRUYTS, _blijmoedig_.--Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet +wat bloemken mijne _Striata Formosissima_ is. Niemand heeft haar in +honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes +medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens +kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien. + +BIELENS.--Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge +zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb? + +FRUYTS.--Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder +geweest. + +BIELENS, _invallende_.--Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu +eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu +niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang +genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan +nog meer met uitstel plagen? + +FRUYTS, _hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen_.--Zie, +Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne +Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia. + +BIELENS, _in het boeksken lezende_.--"N° 756, _British Queen_, +Well's.--Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, +overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve +steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu +vastgesteld na Paschen." + +FRUYTS, _in gedachte dwalende_.--Dit moet eene schoone bloem zijn, +eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken +aan! Raadt gij mij hem te koopen? + +BIELENS, _met ongeduld_.--Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen +Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze +kinderen na Paschen, ja of neen? + +FRUYTS, _hij schudt het hoofd met spijt_.--Wel ja, ja zeker. Zijt gij +nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de _British +Queen_ nu koopen, zeg? + +BIELENS.--Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook +wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe +dochter wel een rond sommeken medegeven? + +FRUYTS.--Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe +liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd +vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand +gegeven.--Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder +gehaald, Bielens? + +BIELENS.--Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien +gelegd.--Ik ga _boeturen_[54]. + +FRUYTS.--De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg +zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken. + +BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand +op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, +gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u +zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen? + +FRUYTS.--Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden +dan _ja_. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, +dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, +wees gerust. Tot namiddag. + +Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking +over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige +haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door +de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de +schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, +daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en +handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw +en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote +bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering +deden gissen. + +"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? +Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu +nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het +zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte +kramer. Ik zou beschaamd zijn!" + +De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak +met bevende stem: + +"Den sleutel, zeg ik!" + +"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. +Dáár is de sleutel." + +M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner +vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf +in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn +oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen +geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden +plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij +kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en +voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen +ouderdom. + +Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne +verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen +halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen +bloei, in hoogste praal! Daar staat _Miss Colt_, de satijnen roos, +daar _Conqueror_, het fijn geplooid bruin fluweel; hier _Fireball_, +de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige _Nonpareil_; verder de +gulden _Topaas_, de zilveren _Virgin Queen_ en de zwarte _Sambo_. +Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne +veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, +doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, +dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen +vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende +lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één +woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, +Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar! + +De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende +begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij +eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den +kelder, op de hoogste schab stond,--en sprak mompelend: + +"Dáár, in dat houten baksken, ligt mijne _Striata Formosissima_ zoo +gerust op een bed van zemelen te slapen. _Striata Formosissima!_ +edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de _Striped perfection_ niet +zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe +bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij +durven de doffe vlekken van _Striped perfection_ bij uwe +anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd +verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal +wegrukken...." + +Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen +laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge +verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen. +Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was, +twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van +zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet, +of zij voegde er haastig bij: + +"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen. +Zult gij hem wat helpen?" + +De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer +dochter en antwoordde: + +"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan +komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig +met zijne Dahlia's uit den kelder te halen." + +Dit nieuws scheen de dochter te verheugen. + +"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?" + +"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw +glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,--wees daar +niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een +eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op +zijn kantoor.--Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na +Paschen." + +Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich +stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort +eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen +Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van +gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon +men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen +lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder +zeide: + +"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn +tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het +hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken. +Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik +zou hem gaarne alleen spreken." + +"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder +schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten +worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een +weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen." + +Zij naderde de kelderdeur en riep: + +"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!" + +Een gemor, dat wel op een _ja_ geleek, antwoordde op haren roep. Zij +verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende: + +"Hij zal terstond komen." + +Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de +verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder +een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen +tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den +muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is +er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M. +Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in +grievende galmen klinkt de naam van _Striata Formosissima_ herhaalde +malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der +bevende gelieven klinken. + +Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man +over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en +hetgeen zij ziet, belet haar te spreken. + +Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van +Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn +half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe +hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met +slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken +der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene +hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de +zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende +kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn +gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:--de wenkbrauwen over de ogen +gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de +bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met +schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt +zijn gezicht in het wilde rond.--De vrouwen staan verbaasd en +sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder +met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze +is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu +geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een +grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de +verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw: + +"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te +slokken?" + +De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt +niet. + +DE MOEDER.--Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze +grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (_Zij +verzacht hare stem spottend_.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe +hand gevallen? Och arme!--Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor +zulke vodden? + +DE DOCHTER; _zij wil den arm haars vaders vatten_.--Och, vader, wat +is er gebeurd? Zeg het aan mij. + +DE VADER; _hij stoot ze weg_.--Laat mij gerust! Spreek mij niet aan! +Uit mijne oogen! (_Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar +zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt_.) Lomp, +lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen +of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost +geven? + +DE MOEDER, _met gramschap_.--Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot? +Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden +te doen? (_Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en +snauwt hem toe_.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die +belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij +het? + +Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde +zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij +sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het +oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber +sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen +aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon +echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem +besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij +uit: + +"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker +vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar +ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia +in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan +stukken stampen." + +DE JONGELING, _met spijtige kalmte_.--Ik weet niet, Mijnheer Fruyts, +dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede +vrienden! + +DE VADER, _bitsig_.--Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke +verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet +aandoen. + +DE JONGELING.--Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan, +Mijnheer Fruyts? + +DE VADER.--Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's +niet doen sterven--uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille, +die hij won, niet van mij gestolen, zeg? + +DE JONGELING, _verwonderd_.--Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen +sterven? Dit wist ik niet. + +DE VADER, _met klimmende woede_.--Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat +ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?--En is het +zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56] + +DE JONGELING.--Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen; +maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen +hebben zijne Dahlia's ook afgebeten. + +DE VADER, _bulderend_.--Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij +dan de medaille gewonnen, zeg?--Valschheid en bedrog, ja! Maar dit +was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij +mij duur betalen. En zeg hem maar:--van nu af aan geene vriendschap +meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar +uit mijn huis blijven.--Als mijne dochter u nog durft aanspreken, +steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (_De dochter begint +te weenen_.) + +DE MOEDER, _met spotternij_.--Maar hoe kan een mensch van +vijfenveertig jaar toch zoo zagen!--Wanneer zullen wij nu eens weten, +wie er dood is? + +DE VADER.--Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet. +Dat weet _ik_, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten. +Tien jaren verkorting van mijn leven! + +DE JONGELING.--Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw +ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft? + +DE VADER, _in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne +oogen_.--Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er +geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat +hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar, +o schelmerij! (_Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon_.) Jan, +zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe _Striata Formosissima_ +in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.--En wat is +er geschied?--Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen.... + +DE VROUW.--Welnu, wat is er geschied, zageman? + +DE MAN, _met droefheid_.--Wat er geschied is! Luister, wat +verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest +opgegeten waren, hebben zij mijne _Striata Formosissima_ ook +opgeknabbeld. Weet gij het nu? + +DE VROUW, _hem uitlachende_.--Wel, wel, is het anders niet? Blijven +er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo +te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk +uwer dochter overgebeten hebben? + +DE VADER.--Anders niet, anders niet! (_Tot den jongeling_.) Mijn huis +uit, flierefluiter.--Gauw! + +DE DOCHTER, _weenend_.--Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt +beloofd, dat wij mochten trouwen. + +DE VADER.--Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,--met +den valschaard, die mijne _Striata Formosissima_ aan de ratten +overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den +bult van Okeren. + +DE MOEDER.--Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens +kort spel mede maken. (_Zij vat haren man bij den schouder en zet hem +ten huize uit. Zij sluit de deur toe_.) + +M. Fruyts bleef eenige oogenblikken vóór de deur staan; doch ziende, +dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen +naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te +planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne _Striata +Formosissima_ in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne +gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder; +zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen, +overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel, +dat hij onder zijn gezicht bracht: + +"_Striata Formosissima_! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie +mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene +medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de +ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in +mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder +opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen. +Maar te laat is dit beklaagd,--gij zijt voor mij verloren. O ramp!" + +En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk +wortel over het wijde veld. + +Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend, +door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien +dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de +gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene +macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen. + +Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te +midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne +tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te +gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den +jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de +Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw +bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het +hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm +tot zich zag komen. + +Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:--de +deur uit, gauw!--maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem +een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem +aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach. + +Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M. +Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht, +die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke +tijding.--Hij leest: + +"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik +heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de +echte _Striata Formosissima_." + +Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten +bloemenkweeker. + +"Gij bezit eenen wortel van de _Striata Formosissima_!" riep M. +Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is +waarheid! Laat zien dien wortel!" + +Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier +en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo +zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze +betasting vond. + +"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene _Striata +Formosissima_." + +Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat. + +"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia +hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert." + +"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer +V---- sedert vier dagen een wortel van de _Striata Formosissima_ +gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden +uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was. +De heer V---- heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand +bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in België, dan ik +alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs +mijner mededeeling in uwe droefheid?" + +Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts; +hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de +eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen +Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te +weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte +met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk +te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:--"Zijt gij daar, +flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht +gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend: + +"Hoera! Hoera! Ik heb mijne _Striata Formosissima_ weer! Toe, vrouw! +laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw +eene goede flesch uit den kelder,--van het patersvaatje! En gij, +mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende, +"vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.--Kom hier, +Frans, mijn zoon!" + +Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep: + +"Vivat _Striata Formosissima_! Leeft lang en trouwt na Paschen!" + + +VOETNOTEN: + + 45: Een gewichtig verdrag tusschen België en Holland. + + 46: Dianthus Caryophyllus. + + 47: Lychnis Dinica. + + 48: Aquilegia--Paeonia--Dianthus barbatus--Digitalis +pupurea--Cheiranthus--Astrantia--Campanula--Anthirrinum--Lilium--Primula +Auricula. + + 49: Galanthus Nivalis. + + 50: Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en vele +mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen +komen, zooals zij zijn moeten. + + 51: Allerschoonste gestreepte. + + 52: Dit is een fraai weder. + + 53: Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk +Dahlia's-liefhebbers wonen. + + 54: _Boeturen_ beteekent: jonge Dahlia's kweeken bij middel +van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt. + + 55: Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus of +Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd. + + 56: Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol +(Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met +paardenmest gevet zijn. + + + +EINDE + + + + + + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN *** + +***** This file should be named 13595-8.txt or 13595-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13595/ + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/13595-8.zip b/old/13595-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b41f18f --- /dev/null +++ b/old/13595-8.zip diff --git a/old/13595-h.zip b/old/13595-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d9ff731 --- /dev/null +++ b/old/13595-h.zip diff --git a/old/13595-h/13595-h.htm b/old/13595-h/13595-h.htm new file mode 100644 index 0000000..f4a95c3 --- /dev/null +++ b/old/13595-h/13595-h.htm @@ -0,0 +1,6056 @@ +<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"> +<html> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content= + "text/html; charset=iso-8859-1"> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + P { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + H1,H2,H3,H4,H5,H6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + } + HR { width: 33%; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; + } + BODY{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */ + .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */ + .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */ + .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;} + .poem .caesura {vertical-align: -200%;} + div.center {text-align: center;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> + + <body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Avondstonden + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595] +[Last updated: August 27, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN *** + + + + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + + + + + +</pre> + + <h1>HENDRIK CONSCIENCE</h1> + + <h1>Avondstonden</h1> + + <div class="center"> + <img src="images/titelpagina.png" width="400" alt="Titelpagina" /> + </div> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h2>INHOUDSOPGAVE</h2> + + <div class="center"> + <a href='#QUINTEN_MASSYS'><b>QUINTEN MASSYS</b></a><br /> + <a href='#DE_ENGEL_DES_GOEDS_EN_DE_GEEST_DES_KWAADS'><b>DE ENGEL DES GOEDS EN DE + GEEST DES KWAADS</b></a><br /> + <a href='#DE_NIEUWE_NIOBE'><b>DE NIEUWE NIOBE</b></a><br /> + <a href='#WEETLUST_EN_GELOOF'><b>WEETLUST EN GELOOF</b></a><br /> + <a href='#HET_BEULSKIND'><b>HET BEULSKIND</b></a><br /> + <a href='#DE_GEEST'><b>DE GEEST</b></a><br /> + <a href='#DE_SCHOOLMEESTER_TEN_TIJDE_VAN_MARIA_THERESIA'><b>DE SCHOOLMEESTER TEN + TIJDE VAN MARIA THERESIA</b></a><br /> + <a href='#DE_KWADE_HAND'><b>DE KWADE HAND</b></a><br /> + <a href='#STRIATA_FORMOSISSIMA'><b>STRIATA FORMOSISSIMA OF DE + DAHLIA'S-KOORTS</b></a><br /> + </div> + <hr style='width: 65%;' /> + + <div class="center"> + <img src='images/illustratie3.png' width='400' + alt='De abdisse nam het boek uit handen der non.' + title='De abdisse nam het boek uit handen der non.' /><br /> + <i>De abdisse nam het boek uit handen der non.</i> + </div> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="QUINTEN_MASSYS" name='QUINTEN_MASSYS'></a> + + <h2>QUINTEN MASSYS</h2> + <br /> + + + <p>Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen, eenige kleine + huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden en aan geringe menschen + werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond door ambachtsgezellen, die van hun + arbeidsloon met moeite genoeg konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te + betalen; of wel door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat + zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven.</p> + + <p>In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene weduwe met + haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de wereld bezat, hadden + niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar dak gewoond; zij droeg hare armoede + met het grootste geduld en zou niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren + verruild hebben. Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de + zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere moeder was en al + het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon gekeerd had, was het haar een + genoegzaam gelukzalig lot, zich door hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al + hare zuchten was de naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had + toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar zoon, die zijne + moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en nacht om haar niets te laten + ontbreken, en, wanneer hij maar gissen kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het + zweet zijns aanschijns niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om + zijne moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij zoodanig + bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende, dat niemand hem in het + smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven ging, en hij een ruim loon voor zijnen + arbeid ontving. Dit was eene der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak + versierd was en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter + Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust vond, zong en + was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten naam vergeten, om hem dien van + <i>vroolijken smid</i> te geven.</p> + + <p>Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit genoegen, al + die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er vloeiden, zuchten die men er + hoorde, en het zingen van den vroolijken smid was eene zaak, waaraan de geburen niet + meer dachten, dan om zich gelukkige tijden te herinneren.</p> + + <p>Het was op eenen Maandag;—de weduwe zat met natbeschreide wangen bij het + bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke zoovele jaren den + voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die zooveel zweet voor zijne moeder had + gestort, was nu als in een ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten + hals gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne sleutelbeenderen lagen + zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als met een doorschijnend lijnwaad waren + overtrokken geweest: zijn gansch lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht + droeg geen het minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op + afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de flauwe oogen, die + hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot tijd kwam er nog eene uitdrukking van + zaligheid zijn mager aangezicht beglanzen: het was wel geen lach, maar iets + onverstaanbaars, eene geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer + van het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de bedrukte moeder, + ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde en van doodende foltering in haren + zoon omging, zijne beenige hand en zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde + slechts van hare lippen, de naam van haren stervenden zoon:</p> + + <p>"Quinten! o, Quinten!..."</p> + + <p>Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe opnieuw + overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe stemme:</p> + + <p>"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?"</p> + + <p>"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent gij om mij, en + gij krenkt uwe gezondheid.—O, wat ben ik ongelukkig!—Ik zal sterven, dit + voel ik; niet door de ziekte van mijn lichaam—dit zou mij misschien het leven + sparen, maar er is iets, o God!—iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, + iets, dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet + wenschen.—O, moeder, moeder!"</p> + + <p>En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog veel vochts + te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken over zijne dorre wangen.</p> + + <p>De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld verbergende, + sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere drift in hare beide armen en + zoende de tranen van zijn aangezicht.</p> + + <p>"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch aan uwe + moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.—En dan, Quinten, dan + zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit mogelijk!"</p> + + <p>Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog onbeweeglijker in de + oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen ophielden van overvloediger op zijne + wangen te rollen.</p> + + <p>"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw hart ligt. Ik + bid u, in Gods naam, spreek!"</p> + + <p>Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten; hij bedekte + zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem, die zulke geweldige + ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen, dat zijn levensdraad ging + breken:</p> + + <p>"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten. Denkt gij, dat + ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;—ik zie u vergaan als eene + schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind alleen!"</p> + + <p>"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde fierheid. + "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet. Honger lijden voor u, mijn + Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige, dat ik in voor mijn kind te lijden den + eenigen troost vind, die mij nog op aarde overblijft."</p> + + <p>"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop, "naar den + arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne moeder van honger vergaat, + zonder haar een stuk zuur brood te kunnen bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade + onwaardig, indien ik niet stierf!"</p> + + <p>Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat hij door drift + had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met meer kalmte bij zijne eerste + woorden:</p> + + <p>"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde heeft, niets, + waarvoor men ons een brood geven zou?"</p> + + <p>"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb alles + verkocht,—denk niet meer aan zulk middel."</p> + + <p>De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed, dat zijn + gebeente onder het deksel kraakte.</p> + + <p>"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die reeds bij den + dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O, neen, dit zal niet zijn.... Ho, + ik zal opstaan en u doen zien, wat de liefde van eenen zoon tot zijne moeder + vermag.—Geef mij mijne kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, + niet gegeten hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder! de + zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet vergramd.... Ik gevoel kracht! + Ik leef!"</p> + + <p>Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne ziekte was + opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot zwaren arbeid bereidt; en + de bewegingen, welke hij deed, waren zoo los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet + begrijpen kon wat dit beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van + een mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem staren!</p> + + <p>Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen aangetogen; + maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns lichaams te overwinnen, men kon + echter genoeg zien, dat er weinig in zijnen toestand was veranderd; want zijne + bewegingen werden allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij + eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend omhelsde, en + dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en riep:</p> + + <p>"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar—ik kan niet!"</p> + + <p>Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van het klooster + van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad binnen.</p> + + <p>"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken Quinten.—Maar + wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier gebeurd, dat gij beiden daar zit en + weent?"</p> + + <p>De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk waren en nooit + om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de schaamte hen, van over hunnen nood + iets te kennen te geven.—Waar is toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn + smeekend zal zeggen: ik heb honger?</p> + + <p>De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij plaatste den + korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene flesch uit; dan schonk zij daaruit + eene goede teug rooden wijn in eenen beker.</p> + + <p>"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u uitermate + versterken: daar, drink het uit!"</p> + + <p>"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend gelaat, "beloof + ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster Ursula!"</p> + + <p>"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker geven."</p> + + <p>"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan van vreugde in + elk oog.</p> + + <p>Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug wijns + genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens gezicht, zeggende:</p> + + <p>"Ho! ik heb nog al iets zie maar."</p> + + <p>Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief zijne armen ten + hemel en riep:</p> + + <p>"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het toch zeggen, + aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt laven en troosten. Zuster ... + zuster, mijne oude moeder heeft in drie dagen niet gegeten."</p> + + <p>"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar, hier is een + fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch."</p> + + <p>De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood nuttigen kon; + hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde, want de gedronken wijn had + haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de non bezig was met haar tot eten aan te + manen, had Quinten ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich + getrokken, zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte zij + deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op gevoeld.</p> + + <p>"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?"</p> + + <p>"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op mij, indien ik + uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van dankbaarheid en van eerbied!"</p> + + <p>De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van Quinten, dat + alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene ongemeene kracht: men zou gezegd + hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om zich uit die lastige gesteltenis te redden, + begon zij eensklaps van wat anders te spreken.</p> + + <p>"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke menschen; hier in + de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de wolwever Veken, de timmerman Balens en + Hans de tapissier. Bij de twee eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens + krijgen kan; maar de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...."</p> + + <p>"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig in de + rede.</p> + + <p>"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der melaatschen," was het + antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar omdat hij ziek is, zien wij daar niet + nauw op.—Zie, daar zijn er, die ik juist bij hem heb afgehaald."</p> + + <p>Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten, die ze + één voor één overzag.</p> + + <p>"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen."</p> + + <p>"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks beelden in + zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar gij, die een smid + zijt,—dit zou u niet gaan, geloof ik."</p> + + <p>Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid tot de non + keerende, sprak hij:</p> + + <p>"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die eene pomp + maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het + is waar, ik heb nooit met verven gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige + beeldekens bederven; doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder + arbeidt, geen gewoon werkman is.—Misschien zou ik kunnen gelukken; er is iets, + dat mij het zegt."</p> + + <p>"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat gij kunt. Uwe + moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven en penseelen medegeven."</p> + + <p>"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal ik kunnen + werken,—en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik zeker, want gij zult om + mij niet meer honger lijden. Ga gauw!"</p> + + <p>Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de beeldekens, het eene + na het andere, door zijne handen gaan, overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood + of groen maken zou. In die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat + zijne magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij bewoog de + vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij reeds aan het schilderen ware + geweest. De beeltenissen, die hij onder het oog had, waren gebrekkelijk en + slecht,—hij zag dit wel; want in zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst + gemeen gemaakt, hetgeen genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer + waren gesmeed.</p> + + <p>Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed, schikte een + vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half zittende te schilderen. De oude + weduwe was dermate nieuwsgierig, om te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, + dat zij met angstige nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde.</p> + + <p>Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur tijds, eene + print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten bedekt.</p> + + <p>Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij:</p> + + <p>"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,—het gaat mijne verwachting te + boven!"</p> + + <p>De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel aanbood; doch + zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en stond in bewondering en als + verbaasd voor het geschilderd beeldeken.</p> + + <p>"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te laten + zien!"</p> + + <p>"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit terug, opdat + ik het vóór mij legge."</p> + + <p>"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?"</p> + + <p>"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het bezien, om ze + in het tweede te verbeteren."</p> + + <p>De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een onuitsprekelijk geluk + overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de beeldekens wel geschilderd had, want + daar wist zij in het geheel niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van + eenige stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed aanvaard + werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren zoon, die nu, door de + drift des arbeids ondersteund, in veel beteren staat scheen te zijn en na het + voltooien der derde print de eerste woorden van een zijner vergetene liedekens, bij + wijze van uitroeping, had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte + moeder het werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende + bemerkte:</p> + + <p>"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!"</p> + + <p>De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren zoon aan, om + ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er in toestemde; en moeder + Massys liep, zou gauw zij kon, naar het klooster, dat op eenige boogschoten in de + nabijheid der stad lag. Zij klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men + haar kwame openen.</p> + + <p>Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het eene geringe + burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam open en vroeg:</p> + + <p>"Wat moet gij hebben, vrouw?"</p> + + <p>"Is zuster Ursula in het klooster?"</p> + + <p>"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;—kom morgen weer."</p> + + <p>Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een teeken, alsof zij + zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!"</p> + + <p>Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster Ursula, en + kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap doen om het klooster te + verlaten.</p> + + <p>"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non.</p> + + <p>"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare huik halende, + "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster Ursula te toonen en te zeggen, + dat Quinten Massys, de smid, die gemaakt heeft."</p> + + <p>De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van misprijzen. + De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar gelaat gaf dit genoeg te + kennen.</p> + + <p>"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men walgt van ze te + zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan + zuster Ursula toonen."</p> + + <p>"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder.</p> + + <p>"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord, dat zij + kreeg.—En hiermede kon zij vertrekken.</p> + + <p>Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar haren zoon. + Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende wanhoop dompelen? Maar kon zij + hare tranen wederhouden en hare gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet + te verraden, wat loon zij bekomen had?</p> + + <p>Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der non; want die + hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys er aan toekende. Om dit te + verstaan, moet men weten, dat de printen, die door Quinten geschilderd waren, + allerlei melaatschen, gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid + had deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel nog + overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en door de waarheid er + van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom riep: "foei, foei, het is + schande!"</p> + + <p>De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze, waarop de printen + geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de non beoordeeld was geworden.</p> + + <p>Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar reeds + toeriep:</p> + + <p>"Welnu, moeder, wat zegt men er van?"</p> + + <p>De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon, uit overgroote + droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare tranen streelde zij met dolle + drift haren armen Quinten, die zijn hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. + Hoe grooter, hoe ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger + hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden getoond, wat + pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat blijdschap hen vervoerde; want + zij gaven elkaar de hevigste blijken eener vurige teederheid. Een innig gevoel van + martelpijn dreef hen om elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden + beiden de uitgestrektheid hunner bittere ellende.</p> + + <p>Eindelijk zuchtte Quinten:</p> + + <p>"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen verstooten, o + God!"</p> + + <p>"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn dierbaar + kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u als eene slavin gewerkt, + toen gij nog jong waart.—Gij hebt mij ook bemind en als een goed zoon en door + uw dagelijksch arbeidszweet voor uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan + toch zijn moet,—indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger mij + in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene zalige zekerheid + over:—wij sterven samen!"</p> + + <p>Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in de kamer, + dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene boezems en soms nog eene + stille stem, die suisde:</p> + + <p>"Moeder, o, lieve moeder."</p> + + <p>Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de armen gedrukt; + want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde tot elkaar als verengeld en + hadden wellicht deze wereld gansch vergeten,—toen zij eensklaps aan de deur + eene stem hoorden, die vroeg:</p> + + <p>"Waar woont de smid Quinten Massys?"</p> + + <p>De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en wilde de deur + gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had, drongen vier personen te gelijk in + de kamer.</p> + + <p>De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het klooster ter + Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde. Achter hen kwamen zuster + Ursula en eene andere non, een groot boek onder den arm dragende. Al deze personen + stuurden met verwondering het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en + beschaamd en bang op een bitter vonnis wachtte.</p> + + <p>De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen toonende, + vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde:</p> + + <p>"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?"</p> + + <p>"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik hoop, indien + ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer bekwaamheid krijgen zou. + Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam + mijner ongelukkige moeder!"</p> + <br /> + + + <p>"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel ootmoedig, jongeling. + Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit schooner beeldekens gezien heeft dan + die, welke gij geschildert hebt!"</p> + + <p>Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten; eene kleur als + doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne leden beefden, alsof hij door eene + schielijke kwaal ware getroffen geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij + zijne armen naar zijne moeder uit en riep:</p> + + <p>"O, moeder! lieve moeder!"</p> + + <p>De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend tegen de + borst van haren zoon.</p> + + <p>Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier personen, die het + aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne oogen zich met glinsterend vocht + vervulden.</p> + + <p>"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen doen?"</p> + + <p>Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de nauwe + omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en bleef bij hem staan. + Quinten antwoordde in verrukking:</p> + + <p>"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar."</p> + + <p>De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den jongeling toonende, + vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes Heeren, welke er in stonden, voor + haar wilde schilderen. Quinten gaf voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit + vrees van het kostelijk missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de + Abdisse en den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg om + dit groote werk te aanvaarden.</p> + + <p>Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen zich bereid om + te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij Quinten en suisde hem in het + oor:</p> + + <p>"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste voldaan,—zij + kan er niet van zwijgen."</p> + + <p>En met zachtere stem voegde zij er bij:</p> + + <p>"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!"</p> + + <p>Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men kan begrijpen; + hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en zuchtte:</p> + + <p>"Voor u,—voor u zal ik altijd bidden,—en mijne moeder ook!"</p> + + <p>Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige vrouw zich tot + haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn schilderbord, roepende:</p> + + <p>"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij zijn rijk, mijn + kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te halen, dat u in uwe ziekte + ontbroken heeft!... En gij zult genezen, mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu + zullen wij weer vroolijk leven!"</p> + + <p>"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder arbeidt, geen + gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het zien van uwen nood moest + uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt. Het is God zelf, die daarom mijne zwakke + hand bestierde!".</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <p>Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen het werk + voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in bespeuren, waarom hem ook + eene milde belooning geschonken werd. Hij kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij + ter voldoening van iedereen afmaakte.—Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte + printen te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en, alhoewel hem + dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de hinderpalen, welke de kunst hem + aanbood.</p> + + <p>Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten huis gaan; maar + dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te leeren, wat hem door de milde natuur + niet geschonken was, dat hij, voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een + befaamd schilder werd begroet.</p> + + <p>Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een goed + burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat zij, haren zoon den + roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met zaligen vrede in zijne armen het leven + ontging.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="DE_ENGEL_DES_GOEDS_EN_DE_GEEST_DES_KWAADS" + name='DE_ENGEL_DES_GOEDS_EN_DE_GEEST_DES_KWAADS'></a> + + <h2>DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS</h2> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h2>I</h2> + + <h3>MIJMERING</h3> + <br /> + <br /> + + + <p>(<i>Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene + zitbank</i>)</p> + + <p>DE BROEDER.—Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen kussen + achter dijnen<a id="FNanchor_1_1" name='FNanchor_1_1'></a><a + href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a> rug leggen;—laat dijn hoofdeken ter + zijde rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome verlustigen. + Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren hunne kelken naar dijn + aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste liederen aan....</p> + + <p>Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang en murmelt + zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in prachtigen purpergloed ... o, voels + du niet, hoe de aangelokte zefier in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals + dartelt en speelt?</p> + + <p>DE ZUSTER, <i>zittende</i>.—Broeder, de natuur is schoon, niet waar? Alles + lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op aarde! Waarom spreekt onze + moeder mij dan immer van een schooner en gelukkiger vaderland? En waarom blinken er + tranen in haar oog, als zij zegt, dat een beter oord mij wacht?</p> + + <p>DE BROEDER.—Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele gesteenten + met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit moeders oogen witte en zwarte + waterparelen zien vallen. Zij betreurt dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, + doch verblijdt zich, dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.</p> + + <p>DE ZUSTER.—Zal ik haast vertrekken, broeder?</p> + + <p>DE BROEDER.—God alleen weet het, Rosa.</p> + + <p>DE ZUSTER, <i>mijmerend</i>.—Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij! Hij + heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe vroolijk ontvangt hem + zijn schaterend huisgezin.... Als zijne jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge + vaderland zijn, niet waar, broeder?</p> + + <p>DE BROEDER, <i>met vochtige oogen</i>.—O, zuster, spreek zoo niet! Komt de + Engel vroeger, du zals met hem gaan.</p> + + <p>DE ZUSTER.—Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen.... Zal ik + vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?</p> + + <p>DE BROEDER.—Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet + overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is dijn beeld en + draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen geest.</p> + + <p>DE ZUSTER, <i>de bloem aanschouwende</i>.—Arme roze, waarom dij zoo vroeg + van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme zijn?</p> + + <p>DE BROEDER.—Zij zal verwelken en sterven, Rosa.</p> + + <p>DE ZUSTER.—Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven moet ik + insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!</p> + + <p>DE BROEDER.—De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij zal hij + lachend en minnelijk schijnen.</p> + + <p>DE ZUSTER.—En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat zal er + toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?</p> + + <p>DE BROEDER.—Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien + verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten in zijne armen, + zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele juichend opstijgen tot God, die dij + eene schoone plaatse in zijnen hemel heeft voorbereid.</p> + + <p>DE ZUSTER, <i>na lang stilzwijgen</i>.—Broeder, ik voel mijne oogen + verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou mij + verkwikken.</p> + + <p>DE BROEDER.—Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken bij + dijnen zoeten slaap.</p> + + <p>DE ZUSTER.—Niet zóó, broeder.... het kussen aan de + rechterzijde. Dáár moet immers des Heeren engel staan?—Zies du + niets gelijk eene zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds dáár + misschien?</p> + + <p>DE BROEDER.—Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen. Verjaag die + bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn vermoeid hoofd ter ruste.</p> + + <p>DE ZUSTER; <i>zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert gedachteloos de bloem + op hare hand.</i>—Ontwaak mij, broeder, als ik te lang mocht slapen.</p> + + <p>DE BROEDER; <i>hij zit neder voor zijne zuster en weent.</i>—Twee bloemen, + die verwelken!—Arme roze, daar liggen nu dijne roode bladeren als bloedvlekken + op de sneeuw harer handen gestort. (<i>De zuster beweegt hare hand; de rozebladeren + vallen in het stroomend beekje</i>.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend + beeld zoo juist!—Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken + der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren gul en blijde + zien blinken en verdwijnen; maar nu,—kranslooze bloem op gebroken + stengel,—nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den levensstroome te + schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare ziel maakt zich los van het + kranke lichaam, en misschien staat waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag + toch die ziekte zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des + hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der maagden eene + voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal dus met de engelen zingen + voor des Heeren troon.... (<i>Hij buigt het hoofd en zwijgt</i>.)</p> + <br /> + + + <h3>VOETNOTEN:</h3> + + <p><a id="Footnote_1_1" name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a> + Oudtijds, in plaats van <i>gij</i>, <i>u</i> en <i>uw</i>, schreef men in het + enkelvoud <i>du, dij, dijn</i>. Het is te bejammeren dat deze schrijfwijze is + verloren gegaan, daar wij met <i>gij</i>, <i>u</i> en <i>uw</i> onze denkbeelden niet + juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te worden, dat in den tweeden persoon + enkelvoud men altijd eene <i>s</i> zet achter het werkwoord, zoodat men schreef <i>du + habs, du wils</i>, voor ons hedendaags <i>gij hebt, gij wilt</i>.</p> + + <p>Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer mijmering, hebben + zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud langzaam in de schrifttaal herin te + voeren. Onze taal zal er in zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg + uit onderhavig stuk zelf zal kunnen opmerken.</p> + + <p>Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:</p> + + <p><br /> + </p> + + <p><br /> + </p> + + <div class="center"> + <table align='center' border='0' cellpadding='2' cellspacing='0' summary=''> + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>M.</td> + + <td align='left'>V.</td> + + <td align='left'>O.</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'>1.</td> + + <td align='left'>dijn,</td> + + <td align='left'>dijne,</td> + + <td align='left'>dijn,</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'>2.</td> + + <td align='left'>dijnen,</td> + + <td align='left'>dijne,</td> + + <td align='left'>dijn,</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'>1.</td> + + <td align='left'>van dijnen,</td> + + <td align='left'>van dijne,</td> + + <td align='left'>van dijn,</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>of dijns,</td> + + <td align='left'>of dijner,</td> + + <td align='left'>of dijns,</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>aan dijnen,</td> + + <td align='left'>aan dijne,</td> + + <td align='left'>aan dijn,</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>of dijnen,</td> + + <td align='left'>dijne,</td> + + <td align='left'>dijn,</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>X</td> + + <td align='left'>of dijner,</td> + + <td align='left'>of dijnen.</td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'>1.</td> + + <td align='left'>naamval</td> + + <td align='left'>du,</td> + + <td align='left'> </td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>"</td> + + <td align='left'>dij,</td> + + <td align='left'> </td> + </tr> + + <tr> + <td align='left'> </td> + + <td align='left'>"</td> + + <td align='left'>dij, van, aan dij.</td> + + <td align='left'> </td> + </tr> + </table> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h2>II</h2> + <br /> + + + <h3>DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE</h3> + <br /> + + + <p>DE ENGEL.—Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?</p> + + <p>DE DUIVEL.—Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder + strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn + haat drijft mij tot hunne vervolging.</p> + + <p>DE ENGEL.—Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?</p> + + <p>DE DUIVEL.—Is zij geene dochter Eva's?</p> + + <p>DE ENGEL.—Zij is het.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene + plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den + afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is + mijn ontnomen vaderland geschonken.—En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? + O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze + ziele!</p> + + <p>DE ENGEL.—Zij is rein, du kans ze niet raken.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik + de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (<i>Een diepe slaap overvalt + den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend; + schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het + geboomte</i>.)</p> + + <p>DE ENGEL, <i>met droefheid en stil</i>.—O, du almachtige, verleen aan mijn + arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor + dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge + ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h2>III</h2> + <br /> + + + <h3>DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.</h3> + <br /> + + + <p>HET MEISJE; <i>zij ontwaakt met eenen glimlach</i>.—O, God, wat is dit? + Genezen! Wat zoete begoocheling!</p> + + <p>Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; warm bloed + stroomt mij door de aderen.—Waar ben ik toch? Alles is hier zoo hemelsch + schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het bloemtapijt, hoe verleidend de + stemmen der lieve vogeltjes! Zou de engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben + opgevoerd? (<i>De duivel vaart in eene roze</i>.) Zie, daar buigt eene roze haren + stengel tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij niet + plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!</p> + + <p>DE ROZE, <i>waaruit de duivel spreekt</i>.—Zuster, ik kom en rust op + dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du schoon! Geene + onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als de kleur dijner wangen. O, + verhef dijne lange wimpers nog, dat ik dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik + benijd dijnen lieven monde zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo + verwelkte ik morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is + dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen schitteren. + Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als de jongste + morgenstraal!</p> + + <p>HET MEISJE.—Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem het + lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?</p> + + <p>DE ROOS.—Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! Ziedaar, aan + dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens wederhoudt om dijn beeld te + herspiegelen en te streelen, O, mocht ik sterven op dijne warme borst of in dijne + zijden haren. Heb medelijden met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat + zij u nimmer verlate!</p> + + <p>HET MEISJE: <i>zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst</i>.—Blijf op + mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo bekorend prijken.... + Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen boezem!.... Roze, dijne doornen wonden + mij! (<i>Zij werpt de bloem weg</i>.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (<i>De + duivel verbergt zich in het beekje</i>.)</p> + + <p>HET BEEKJE, <i>waaruit de duivel spreekt</i>.—O, du allerschoonste maagd, + bekoorlijke Rosa!</p> + + <p>HET MEISJE.—Wie sprak mijnen naam?</p> + + <p>HET BEEKJE.—Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche boorden + zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig dijnen zwanenhals over + mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.</p> + + <p>HET MEISJE; <i>zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld in den + gladden waterspiegel</i>.—Hoe rozevervig zijn heden mijne wangen! De meerle + heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de gitsteen glanst toch niet + vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch niet blanker dan mijn voorhoofd..... + (<i>De duivel komt uit het beekje</i>.)</p> + + <p>DE DUIVEL, <i>spottende tot den engel</i>.—Ha, ha, engel des lichts, du + begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? Neen, niet waar? + Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet in mijn bezit de twee onfeilbare + sleutelen van der vrouwen gemoed,—ijdelheid en liefde? Één + sleutel heeft reeds den boezem der maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar + hart!</p> + + <p>DE ENGEL.—Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene + onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams heeft den mensch + aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet niet, booze, dat de beproefden in + 's Heeren glorie hooger staan dan de onbevochtenen. Du bereids dus eene + schitterende plaats aan de maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven + onuitsprekelijke foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.</p> + + <p>DE DUIVEL, <i>met woede</i>.—Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen + boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon ik deze maagd + doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van mijn vreugdegehuil.... Maar + zij zal vallen; zij struikelt;—ja, daar verheft zij op zich zelve. Zie, hoe + zij hare beeltenis toelacht.... Let op, ik ga dij werks leveren! (<i>Hij keert + terug in het beekje</i>.)</p> + + <p>HET MEISJE, <i>in de beek ziende</i>.—Lief beekje, heeft dijn zilveren + plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?</p> + + <p>HET BEEKJE.—Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene enkele + was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar gewaad, frissche bloemen + wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb gezien, hoe twintig schoone jongelingen + haar volgden tot op mijne boorden,—voor haar knielden,—om eenen blik + harer oogen smeekten en voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! + onder dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"—En toch, engellijke Rosa, + bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; nevens dij ware zij + eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! (<i>Zij verlaat het + beekje</i>.)</p> + + <p>HET MEISJE; <i>zij blijft lang in mijmering verzonken</i>.—De schoonste + zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!.... Maar, wat zoete stem suist + aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne krankheid;—zij is nu zoo + treurig en zoo smartelijk....</p> + + <p>DE ENGEL, <i>met diepe droefheid</i>.—Rosa, hebs du gansch dijnen goeden + vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om + dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?</p> + + <p>HET MEISJE.—Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem + nu zoo treurig?</p> + + <p>DE ENGEL.—Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot + heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den + zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn + beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes + de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch + verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele.... + O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste + spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht + in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du + hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu + is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen + ... mijn hart breekt van lijden.</p> + + <p>HET MEISJE.—Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb + ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?</p> + + <p>DE ENGEL.—Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.</p> + + <p>HET MEISJE.—Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?</p> + + <p>DE DUIVEL.—Ha, ha, wel gezegd!</p> + + <p>DE ENGEL.—Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen + schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,—den + zwane den ranken hals,—den pauwe het gulden vederkleed,—der duive de + zoete oogen,—den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de + gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de + mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, + en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft, + en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar + juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? + Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?</p> + + <p>HET MEISJE.—Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de + lichaamsschoonheid, door God mij verleend.</p> + + <p>DE DUIVEL, <i>tot den engel schertsend</i>.—Engel des lichts, eindig toch + den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich vaster in mijne + strikken: mij zal ze toebehooren?</p> + + <p>DE ENGEL, <i>tot het meisje</i>.—Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne + woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en onervarenheid + dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.</p> + + <p>HET MEISJE.—O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne droefheid + en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; anders, hoe zou het dij + smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik het verjagen uit mijnen boezem, ik deed + het om dij te troosten; doch mij ontbreekt de macht.</p> + + <p>DE ENGEL, <i>tot den duivel</i>.—Achteruit, du verleider, dijn looze strik + gaat breken! (<i>Tot het meisje</i>.) Rosa, du hebs een gelaat, een lichaam, + volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; maar luister, wat du nog + hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, rein en zuiver als een diamant; zij + behaagt dijnen Gode, en, blijft zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het + aanschijn van den Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne + dezer twee schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds du + kiezen?</p> + + <p>HET MEISJE.—O, ik behielde immer de zieleschoonheid.</p> + + <p>DE ENGEL.—Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne + lichtkroon in den hemel blinken!</p> + + <p>DE DUIVEL.—Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; maar + niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende worsteling. Beproeven + wij de ziel op den steen der wereldlijke liefde.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h2>IV</h2> + <br /> + + + <h3>DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.</h3> + <br /> + + + <p>HET MEISJE.—O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den + goeden God zelven,—het lichaam alleen den mensche.... (<i>Er komen twee + tortelduiven op een wilgetak zitten</i>.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en + vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo + teeder als du dijnen broeder bemins.</p> + + <p>DE DUIVEL, <i>tot de duivinne</i>.—Tot wanneer, o wreede, zals du + ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du + blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?</p> + + <p>DE DUIVINNE.—Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een + onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder + te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en + beschermer.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het + koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur + verteert mijn ingewand. (<i>De duiven vliegen weg</i>.)</p> + + <p>H*</p> + + <p>HET MEISJE.—Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder + zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij + die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;—hij wilde ook mijn + broeder niet meer zijn,—en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat + ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....</p> + + <p>DE ENGEL, <i>tot den duivel</i>.—Mislukt is dijn aanslag op het + spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!</p> + + <p>DE DUIVEL.—Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in + haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der + maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet + verloren is. Du zals gaan zien! (<i>Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van + eenen jongeling aan</i>.)</p> + + <p>HET MEISJE; <i>zij ziet eenen jongeling naderen</i>.—Wie komt daar? O, + hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk, + goede Lodewijk!</p> + + <p>DE DUIVEL, <i>in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat</i>.—Rosa, + hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?</p> + + <p>HET MEISJE.—O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken, + noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.—Maar du Lodewijk, hebs + du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?</p> + + <p>DE DUIVEL.—Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.</p> + + <p>HET MEISJE.—Waarom toch?</p> + + <p>DE DUIVEL.—Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier + vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als + een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne + smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid + verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne + tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd; + niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede + gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des + nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O, + engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (<i>Hij vat hare handen + driftig in de zijne</i>.)</p> + + <p>HET MEISJE, <i>verschrikt</i>.—Los, los! dijne handen branden als vuur, + dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds + den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van + pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets + ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (<i>Hij knielt voor + haar</i>.)</p> + + <p>HET MEISJE, <i>medelijdend</i>.—Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten + verlichten, ik deed het gaarne.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du + niemand boven mij bemins.</p> + + <p>HET MEISJE.—Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Het zij zoo, bemin dijne moeder.</p> + + <p>HET MEISJE.—Ik heb eenen broeder.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn, + dat du niets anders boven mij bemins.</p> + + <p>HET MEISJE.—En zoo ik het zegge, Lodewijk?</p> + + <p>DE DUIVEL.—O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne + liefde!</p> + + <p>DE ENGEL.—Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?</p> + + <p>HET MEISJE.—O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou + ik hem niet troosten?</p> + + <p>DE DUIVEL.—Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel + ik den dood in mijnen boezem zinken.</p> + + <p>HET MEISJE.—Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te + vergrammen.</p> + + <p>DE DUIVEL.—O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen + dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter + aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!</p> + + <p>DE ENGEL.—Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!</p> + + <p>HET MEISJE.—Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?</p> + + <p>DE ENGEL, <i>haastig</i>.—Rosa, beslis over dijn lot; daar + vóór u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te + sterven.—In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij + zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor + dijne zaligheid heeft vergoten....</p> + + <p>De DUIVEL.—O medelijden, medelijden met mij!</p> + + <p>HET MEISJE.—Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!</p> + + <p>DE ENGEL, <i>met wanhoop</i>.—Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie + mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek + dijn vonnis of dijne verzaliging.—Behoors du den jongeling en der wereld, of + dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. Wien, wien zals du + behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen jongeling? Spreek!</p> + + <p>DE DUIVEL.—Ja, Rosa, spreek.</p> + + <p>HET MEISJE.—Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne + liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....</p> + + <p>DE ENGEL.—Eilaas, zij valt.</p> + + <p>DE DUIVEL.—Zege, zege, mij de ziele!</p> + + <p>HET MEISJE.—En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne + liefde en mijne ziele eeuwig aan God!</p> + + <p>DE ENGEL.—Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in den + hooge!</p> + + <p>DE DUIVEL, <i>in zijne echte gedaante</i>.—Doemenis, doemenis, zij heeft + overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... Gevloekt, du + engel des lichts! (<i>Hij vliegt heen in de ruimte</i>.)</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h2>V</h2> + <br /> + + + <h3>DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER</h3> + <br /> + + + <p>(<i>De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en staat + op</i>.)</p> + + <p>DE ENGEL.—Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn + hoofdeken in mijnen arm.</p> + + <p>HET MEISJE, <i>zij ontwaakt als uit eenen droom</i>.—Broeder, broeder!</p> + + <p>DE BROEDER.—Wat verlangs du, Rosa?</p> + + <p>HET MEISJE.—Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor dij, + en eenen voor moeder.</p> + + <p>DE BROEDER.—O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?</p> + + <p>HET MEISJE.—Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in zijnen + arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het hemelkoor zingt mij + tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!</p> + + <p>DE BROEDER.—Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.</p> + + <p>DE ZUSTER.—Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en kom du + insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden zult gekomen zijn, + zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. Vaarwel, daar slaat de engel + zijne vlerken uit,—ik stijg op met hem langs de baan des lichts!</p> + + <p>DE BROEDER.—Dood!</p> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="DE_NIEUWE_NIOBE" name='DE_NIEUWE_NIOBE'></a> + + <h2>DE NIEUWE NIOBE</h2> + <br /> + + + <h3>VERHAAL</h3> + Wat onder Godes hand niet buygen<br /> + wil, dat breekt. <i>J. CATS.</i><br /> + + + <p>Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen eene rijke + weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend schoon van aangezicht en + van leden was en niet beroofd van dien spelenden geest, dien de Franschen + <i>esprit</i> noemen, had zij zich, volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien + als uitsluitend geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche + vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de ernstige gedachten, + de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van een zoet en droomig leven: ook was + zij ongevoelig geworden voor alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid + behoorde. Een ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo + niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, zag zij niet + met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste uit den boezem eener vrouw + vervliegt.... Maar een kleed, dat niet naar haren zin gemaakt was, het breken eener + nietswaardige Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, + en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat zij somwijlen + er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar overkomen ware.</p> + + <p>Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer prachtige + woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood damast en hield de oogen + weifelend gevestigd op de bladen van een boek, dat met de schildering van het + Parijsche leven niet veel goede zedelessen bevatte. Las zij er in?—Misschien + wel; doch wie haar zag en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar + belette de oogen gansch te openen.—Alles in die plaats gaf getuigenis van den + rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de schouwplaat en de + venstertafelen waren overladen met die brooze voorwerpen, welker gebruik voor + eigenaars en aanschouwers een raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds + alleen in prijs verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf + der weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar het werd + hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene flauwe, roosachtige + tint te hervormen, en aan alles eene wellustige en verleidende verf te geven.</p> + + <p>Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes + allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste gerucht te durven + maken, op het grondtapijt bezig waren met in een groot boek beeldekens te zoeken. + Zij durfden niet spreken en drukten elkander hunne blijdschap of verwondering met + teekens en gebaren uit; want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder + hen oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het oudste dier + lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het jongste slechts zijn derde jaar + bereikte. Zij waren drie broederkens en drie zusterkens, en schenen elkander vurig + te beminnen; want een zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, + en hunne handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal zulke + tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen zinnebeeldigerwijze een + zuiver en nog onnoozel vermaak voorstellen.... Ja, het was wel zoo:—die fijne + kinderwezens, dit helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,—die + blonde haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet + gezengd,—die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of overdaad nog + niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare frischheid, zoo groen en zoo + lief als de eerste kruiden, de eerste bloemen der Lente!</p> + + <p>En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer vermaak op + hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche verdorvenheid? Neen, zij + bezag hen niet. En toch was haar hart niet gansch ledig van moederliefde; maar het + was vervuld met de liefde tot de wereld.</p> + + <p>Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, zonder zich + verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur geklopt, en een knecht trad, na + gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich en sprak:</p> + + <p>"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal aangeboden, + om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb ze altijd + afgewezen;—zij schijnt eene gemeene burgerin."</p> + + <p>"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben <i>onzichtbaar</i> + voor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt, laat hem binnen, en + betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge Franschman, die mij gisteren van + het <i>concert</i> naar huis geleidde?"</p> + + <p>De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:</p> + + <p>"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even sprak, in de + voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart breken zou, en schijnt van + uwe goedheid iets te willen afsmeeken."</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of driemaal met + ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:</p> + + <p>"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is haar + naam?"</p> + + <p>"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam van + Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."</p> + + <p>Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of eene roode + kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het aangezicht van mevrouw + Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger vooruit en antwoordde met gramschap:</p> + + <p>"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat ik niet te + huis ben. Ga!"</p> + + <p>Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, of men + hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,—een gerucht als van eene + worsteling. De deur der zaal vloog open.—Eene nog jonge vrouw sprong er + binnen en viel op hare knieën voor de voeten van mevrouw Van Valburg. Deze was + rood van toorn of van schaamte, misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij + hief het hoofd met trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de + handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare kinderen de zaal + uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:</p> + + <p>"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt gij?"</p> + + <p>De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van mevrouw Van + Valburg, en zuchtte weenend:</p> + + <p>"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en totterdood toe + bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp op hare knieën + afbidt...."</p> + + <p>De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden van haar weg; + dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde zij met eene gemaakte + koelheid:</p> + + <p>"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij iets van + mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw doel te komen; en mits + ik wel zie, dat ik het verhaal uwer geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en + maak het zoo kort mogelijk."</p> + + <p>Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der jonge vrouw, + dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene geheime oorzaak dwong haar + ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: want zij bewoog hare armen met pijnlijk + ongeduld, en hare gebaren schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het + verkroppen!" Zij stond op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:</p> + + <p>"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit bezoek te + brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons vereenigen, in u veeleer + eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. Maar heb nu toch eens medelijden met + ons,—o, red ons van schande en armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos + zijn.... en ik zal uwen naam zegenen als dien van eenen engel!"</p> + + <p>Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en deed ze + twee-of driemaal klinken.</p> + + <p>"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, "men spanne + mijn rijtuig in. Spoedig!"</p> + + <p>En zich tot de weenende vrouw wendende:</p> + + <p>"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet hebben zal om u + aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"</p> + + <p>Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij weerhield + zich en sprak met haastige woorden:</p> + + <p>"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, nooit uwe + hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met weinig tevreden; doch de + hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot is zijne bediening reeds sedert twee + jaren kwijt geraakt, en wij hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en + hoop geleefd. Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven + en daartoe eene goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons + bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis om den + vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het gasthuis, mijn huisraad + wordt Vrijdag door de Wet verkocht, overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. + Ik heb geld noch spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer + gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor mijn ander + kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met mij, binnen twee dagen, de + straat voor woning en voor bedstede hebben zal. O, mevrouw! zult gij in deze + omstandigheid vergeten, dat uwe kinderen en mijne kinderen niet van een geheel + verschillend bloed zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene + andere moeder ongetroost laten weggaan?"</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van maagschap + durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.</p> + + <p>"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.</p> + + <p>"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de goedheid ons + eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld verlos ik mijnen man uit + de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het gasthuis en betaal de huur mijner + woning.... Denk, wat zegeningen wij over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken + diepen kolk van ellende en schaamte zult hebben gered."</p> + + <p>Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van Valburg haar + zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:</p> + + <p>"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw man zoo + lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen toestand zijn. Hoop dus niet, + dat ik mijn geld besteden zal om de luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; + zie, dat gij u zelve uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien + gij denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt gij niet + gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"</p> + + <p>De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te storten. + Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, ging verstikken; doch + op eens brak zij in woede los, en zich voor mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak + zij met opgeheven hoofd:</p> + + <p>"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe dienstknechten te + doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond den laster op haar ongeluk werpen + en ze ter deure doen uitjagen als eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis + vergeten? Weet gij niet meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den + rijkdom, dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, + hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij slechts de + inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht heb dan gij, aangezien gij + het nooit erven kunt, maar ik wel?"</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was neergevallen, richtte + zich haastig op en riep met bevende stem:</p> + + <p>"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"</p> + + <p>"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van mijnen oom + mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?—En hebt gij, door uwen + valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij mijn erfdeel te ontrooven? Ja, + ja: want gedurende de laatste dagen vóór den dood mijns ooms hebt gij + en mijn broeder zijne woning in bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij + niet zien wilde, en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat + kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, edele dame, om + mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, en mij van alles, wat zijne + liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet het, want ik heb mijnen broeder op zijn + sterfbed vergiffenis en verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... + Gij alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en dit laat + zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."</p> + + <p>Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde zich + gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende bedreigingen:</p> + + <p>"Wat gestolen?—Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, dolle + schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de straat werpen. Gij zult + hier zonder schaamte mijne woning door uwe lasterlijke beschuldigingen komen + onteeren! Gaat gij?... of deze bel zal u welhaast, met of tegen dank, doen + verhuizen."</p> + + <p>"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, dien gij + mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. En denk niet, dat ik + door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat gij aan mijne ootmoedige bede hebt + geweigerd; neen, gij moogt vrij het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou + mijne hand niet willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe + ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit genoegen, dat ik mij + zelve grooter en beter acht dan eene onedele dame, die het zich geene misdaad + gerekend heeft een gansch huisgezin, door laag bedrog, in ellende te + dompelen...."</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen harer + beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking harer oogen gaf hare + beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de bel niet klinken uit vrees van + grootere schande, en luisterde op hetgeen de jonge vrouw zeide:</p> + + <p>"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne erfgoederen, die + nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij en mijne kinderen vervallen, + indien de uwe eerder deze wereld verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den + Heere zoo beliefde, uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."</p> + + <p>Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach en schenen + haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak met klaardere stem:</p> + + <p>"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de hersens;—en nu + ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, + dat uwe twee magere zonen langer zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde + kinderen? Gij zijt niet bij uw verstand...."</p> + + <p>"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, kent mijne + wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke zonde achten zou, den dood + van een uwer lieve en onnoozele kinderen te verlangen. O, neen! de hemel beware u + een talrijk kroost!—Maar gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode + onmogelijk zijn zou, zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij + dan alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... Bemint gij ze + dan niet?—Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo dikwijls met tranend oog op + mijne twee kranke wichtjes gestaard; want ik vrees voor den geesel des hemels, de + plaag, die zich als een onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte + was in mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare beschuldigingen + had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:</p> + + <p>"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor u een + gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne kinderen zijn niet + gereed om te sterven, geloof het vrij."</p> + + <p>"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, zuster! laster + God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke huisgezinnen, waarvan de + namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"</p> + + <p>De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van Valburg; + zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:</p> + + <p>"Welke plaag? Welke plaag?"</p> + + <p>"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel in uwe + liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe armen gesloten hebben, + om ze, indien het mogelijk ware, van den schrikkelijken cholera-morbus te + bevrijden...."</p> + + <p>Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van Valburg, en zij + gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik daarna, zich beschaamd + gevoelende over eene aandoening, welke hare tegenstreefster voor zwakheid kon + aanzien, herstelde zij zich. Dan naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak + zij:</p> + + <p>"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze + lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet wilt, + dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te spreken, want de deur + blijft voor u gesloten."</p> + + <p>"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. "Vaarwel!"</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook daartoe + deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren geest bannen; de woorden + der jonge vrouw klonken één voor één terug in hare + ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige overweging. Zij belde eene + tweede maal; want de knecht, dien zij geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, + vertoonde hij zich bij den ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn + gelaat zoo bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van Valburg, + hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:</p> + + <p>"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"</p> + + <p>"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, wat ongeluk + ons nadert."</p> + + <p>"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.</p> + + <p>"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer Tesseniers; zijn + zoon Victor is reeds dood,—en dezen morgen zeide hij mij nog goeden dag!"</p> + + <p>Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van mevrouw Van + Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te vervullen. Zij sloeg hare + beide handen aan het hoofd en riep:</p> + + <p>"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! Doe de meid + en de kamerdienaars hier komen!"</p> + + <p>"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe kinderen zijn in + den hof en schijnen gezond;—ik zal ze gaan halen. Maar wat uwe dienstboden + betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid hen door haar gekerm zoo verschrikt + heeft, dat het onnoodig zou zijn er éénen te zoeken: zij hebben allen + uw huis verlaten en zijn gevlucht."</p> + + <p>Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van mevrouw Van + Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke hulp ontbloot zag; nochtans + ondersteunde haar de hoop, dat hare kinderen niet door de plaag zouden geraakt + worden, en zij putte daaruit nog eenigen moed.</p> + + <p>De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij door hunne + moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne liefkoozingen de droefheid + van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, dat haar oudste zoon de laatste tot haar + gekomen was en zich niet zoo vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen + dan met eene nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag + zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke bleekheid over zijn + gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar beven.</p> + + <p>"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.</p> + + <p>"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie altemaal + lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in mijn lijf."</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare kracht op den + knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.</p> + + <p>"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om dokters + en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die gij vindt; en vergeet + mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u + buiten adem,—ik zal uwe moeite niet onbeloond laten!"</p> + + <p>De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar hare + kinderen....</p> + + <p>Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare borst + opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich rekkende, + alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner voetjes wrongen zich + krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn hoofd en gaven hem het voorkomen van + een levend lijk.</p> + + <p>Ho!—hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, bij + haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen besproeide,—hoe zij + haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en geweld deed, om een deel harer ziel + in zijn lijdend lichaam over te zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van + wanhoop zij opstond en met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, + die het vervolgde, wilde ontvluchten;—en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij + het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou gewis de helft + van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene zoo zieldoodende smart te + redden. Maar de liefde eener moeder is geen onfeilbaar schild tegen den + dood.—Het kind werd koud op de borst dergene, die bevend hare handen over + zijne kromgespannen leden dreef; zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de + huid versmolten ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water + waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde en werd dor! + Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand beroofd; want tusschen al zijne + pijnen had het de liefde zijner moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep + het met eene stem, die klonk als bevend glas:</p> + + <p>"Drinken, drinken! ik heb dorst!"</p> + + <p>De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het met het + eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde zij met altijd groeiend + verdriet in de zaal terug.</p> + + <p>In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet + gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich + aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar + vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar + iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij + eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar + roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en + sprak knielend....</p> + + <p>"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."</p> + + <p>Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm + om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend, + tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid + hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.</p> + + <p>Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding + geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de + komst van den bode des doods;—doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog + het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen.</p> + + <p>"Rampzaligen!" zuchtte hij.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <div class="center"> + <img src='images/illustratie59.png' width='400' + alt='Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.' + title='Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.' /><br /> + <i>Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.</i> + <hr style='width: 65%;' /> + + <p>Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van den + grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de knieën, hief + de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:</p> + + <p>"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods wil, + red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,—ik kus het stof uwer voeten als + eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"</p> + + <p>De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne ontroering + bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een teeken van liefde wilde + geven, maar hij was door hevig medelijden buiten zich zelven. Hij bleef een + oogenblik stilzwijgend in hare oogen staren, doch herriep weldra zijnen + moed,—en tot de lijdende kinderen gaande, sprak hij:</p> + + <p>"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik hier al + mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien niet zoo erg, als + gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar niet altijd doodelijk; en + hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook schrikkelijk zij, blijft mij + niettemin nog eenige hoop over."</p> + + <p>De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. De heer + Schippers hernam:</p> + + <p>"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een vertrek, + dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, die maatregel is + noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid over; zij kan een + schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."</p> + + <p>Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan zijne + meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, liep zij nog eens + naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens huilend en riep met verpletterd + wee:</p> + + <p>"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit meer + zien...."</p> + + <p>Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de knecht ontving + haar in zijne armen en bracht ze met hare vier kinderen in eene afgelegene kamer. + Hier viel zij als zonder gevoel in eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de + borst hangen, en verroede zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen + eens te tasten, of hare kinderen nog omtrent haar waren.</p> + + <p>De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch na eenige + oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, waar mevrouw Van + Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent zijne meesteresse en nam het + oudste meisje, dat reeds teekens van ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging + op de punten zijner voeten als een dief, en deed alle moeite, om niet door de + moeder gemerkt te worden;—maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen + met eenen grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem + het kind uit de armen.</p> + + <p>"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne Clotilde, + gij, mijn allerliefste telg,—gij, die den naam uwer moeder draagt ... gij + zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des doods!"</p> + + <p>Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden van het + kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel gezonken waren.</p> + + <p>"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe moeder nog + eens, mijn arm kind;—gij ook verlaat mij, gij, mijn evenbeeld! Het zij dan + zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste schat.... Vaarwel, vaarwel!"</p> + + <p>En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en deerlijk + huilend vallen liet.—Na eenigen tijd met starende oogen, misschien in zwijm + daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in haar, en het was merkbaar, dat + schokkende gedachten beurtelings in haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij + zich op de knieën, met de handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den + hemel toezond, was onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, + zonde lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen hooren. Zij + geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en stortte bloedtranen over + haren ganschen levensloop. Dit gebed, die biecht tot God, duurde lang; dan + eindelijk stond zij op met niet min hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en + riep met luider stemme den knecht, die onmiddellijk verscheen.</p> + + <p>"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met + Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."</p> + + <p>De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.</p> + + <p>"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. God wil + het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen almachtigen wil te + onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne genade, Zijne barmhartigheid + winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, de beproeving is nog niet + gedaan.—Pieter, mijn vriend, ik verzoek u, dat gij u spoedig naar mijnen + zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat hij heden nog den wissel betale van mijnheer + Soeteveld, die gevangen zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. + Draag ze tot vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen + was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. Verhaal haar + mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu ken ik ze!"</p> + + <p>De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk + verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze beurtelings met + gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat bemerkende, begon zij hen te + zoenen en te streelen met eene uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; + want men zou gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in + haar hart vervangen had.—Maar die blijdschap moest van korten duur zijn. + Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op hare + overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds bezig met zijnen + gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling viel de jonge Frederik als een + looden beeld achterover op den grond, en spartelde met ijselijke grimmingen en + met eene ratelende ademing; zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al + zijne leden kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.</p> + + <p>U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware + onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw zonder sterven + die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, indien men niet wist, dat kort + opeenvolgende schokken de veerkracht van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw + Van Valburg zag gedurende eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen + en met de nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen + steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk opsprong, en + het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de geneesheeren zich + bevonden.</p> + + <p>Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met haar kind + op het tapijt.—Arme moeder! Zij had met een vluchtigen blik haren + Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen.</p> + + <p>Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en in den + stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer handen en was met + teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te roepen. Mevrouw Van Valburg zond + hare oogen dwalend rond het vertrek, en scheen hare herinneringen bijeen te + rapen; hare twee kinderen bij zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met + altijd groeiende kracht:</p> + + <p>"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens u. Uwe + woorden zijn als eene voorzegging geweest;—gij ziet het, ik ben rampzalig + en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in alles, wat mij dierbaar is. + Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen op de wereld zal laten; misschien zal + Hij in zijne goedheid mij het leven van een mijner kinderen schenken; maar + daartoe heb ik uwe vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! + Zeg mij, vergeeft gij mijne misdaden?"</p> + + <p>De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:</p> + + <p>"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang vergund. + Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en bemin de kinderen + mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u niet verlaten, + vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij zullen te zamen + weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne barmhartigheid over ons + laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog moeder zijn, en u verblijden in den + lach dergenen, voor wier leven gij vreest."</p> + + <p>"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, hoe + bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en onderbreek mij + niet.—Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. Het is waar, ik heb u + de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, ik was eene wulpsche, hoovaardige + en wreede vrouw.... De opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk + scheurt den sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest + ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam van zuster + gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van God en den troost van + het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot mijne verzoening met Hem, die mij + straft. Hoor, ik kan u het ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden + mijner kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het + onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van hunnen + godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van heden af, de helft + mijner inkomsten u toebehoort...."</p> + + <p>"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.</p> + + <p>"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, dat ik mij + onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En ik bid u, + Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart door uwe verwerping + verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën uwe toestemming afsmeek, is + het, omdat ik zwak en tot lamheid toe afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! + Gij antwoordt niet?—Het kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te + aanvaarden? Welnu, ik vraag u geen woord,—slechts eenen kus van verzoening + en vergiffenis,—en dat de Heer ons zie!"</p> + + <p>De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven lang in + dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er in die + verzoening!</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <p>Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de Schoenmarkt: + eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; de andere scheen jonger en + min droef. Een klein jongsken stapte tusschen beiden en hield van elk eene hand. + De hoofdkerk ingegaan zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de + kapel van het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de voetbank + voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen en sprak + weemoedig:</p> + + <p>"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en zusterkens, + en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten heeft."</p> + + <p>Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene godvruchtige + houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:</p> + + <p>"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"</p> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="WEETLUST_EN_GELOOF" name='WEETLUST_EN_GELOOF'></a> + + <h2>WEETLUST EN GELOOF</h2> + <br /> + + + <h3>ZINNEBEELD</h3> + <br /> + + + <p>Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.</p> + + <p>De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; het + geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,—en alles bracht sombere + gedachten in mijn hart op.</p> + + <p>Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, vertraagden de + jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.</p> + + <p>Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber nadenken + verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.</p> + + <p>Het levend raadselwoord stond vóór mij!</p> + + <p>Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam eens + booms, door den storm ontworteld.</p> + + <p>De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude tranen + rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon schoot hare schuinsche + stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij bracht zijne beenige en magere hand aan + zijn ooglid, en, terwijl het smartwater op zijne wang droogde, wees hij met + zijnen vochtigen vinger vooruit en sprak:</p> + + <p>"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het geboomte, + zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.</p> + + <p>Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij + verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.</p> + + <p>En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk + <i>grondbeginsel</i> gezocht.</p> + + <p>Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was zwaar om + te dragen.</p> + + <p>Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner + genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het troostend geloof + en het steunend betrouwen in mijnen boezem.</p> + + <p>Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de dienst + Gods zelf.</p> + + <p>De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;—mijne + wenkbrauwen zonken over mijne oogen;—twee breede rimpels verwisselden + elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende gepeinzen werden mijn + aandeel.</p> + + <p>Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des Zomers of de + vruchten van den Herfst gezien te bebben."</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <p>Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:</p> + + <p>"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien de aarde + uw hoofd tot zich trekt.</p> + + <p>Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere tijden + troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u niet verkwikken en + ondersteunen,—dat gij weenend ten grave zinkt?"</p> + + <p>"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent des + menschens leven niet!"</p> + + <p>Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op mijne + wangen,—en alles lachte mij toe in de gulle natuur.</p> + + <p>Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.</p> + + <p>En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde ik.—Ik + kon bidden en danken.</p> + + <p>Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,—als het schitterend + dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend verheft en + uitdooft—om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te schijnen.</p> + + <p>Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om het + lijden te kunnen vergeten.</p> + + <p>En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.</p> + + <p>Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met de + zielen der menschen geschapen was.</p> + + <p>Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.</p> + + <p>Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,—en ik riep + mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig liefde in 's + menschen hart is.</p> + + <p>Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.</p> + + <p>Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.</p> + + <p>Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte water op + mijne wangen.</p> + + <p>En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.</p> + + <p>Ho!—op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,—mijn boezem + klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...</p> + + <p>Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;</p> + + <p>En het gapend graf ontving zijn lichaam,—en de koude aarde bedekte den + eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....</p> + + <p>En het was voor eeuwig!</p> + + <p>Dan zocht ik het geluk in de min.</p> + + <p>Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,—en het arbeidszweet + vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.</p> + + <p>Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.</p> + + <p>En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.</p> + + <p>Aan God dacht ik niet!</p> + + <p>Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de wereld.—De + zeise des doods liep over de aarde;</p> + + <p>En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden + geslagen.</p> + + <p>Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen boezem + den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien liggen en + sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.</p> + + <p>Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds tweemaal + op zijne lippen was geweest,</p> + + <p>Dan bad ik den Heer om genade;</p> + + <p>Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;—want eene afgrijselijke + stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den geest, die hem + bezielde, uit het zwakke lichaam.</p> + + <p>Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne + zinneloosheid.</p> + + <p>De dooden hooren niet!...</p> + + <p>Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in mijne longen. + Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!</p> + + <p>Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem geledigd....</p> + + <p>En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.</p> + + <p>Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.</p> + + <p>En ik bleef alleen in de wereld.</p> + + <p>Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de hoeveelheid + mijner pijnen en mijner vreugden.</p> + + <p>En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking met de + droefheidsstonden—waren als 1 tot 1000!</p> + + <p>Ik riep spijtig en lasterend tot God:</p> + + <p>Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch hebt + gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, opdat rust en + vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...</p> + + <p>En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart werd + koud:</p> + + <p>Geloof ontging mij gansch,—weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.</p> + + <p>En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de lippen + houden;</p> + + <p>En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <p>De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.</p> + + <p>Zijn schedel helde zwaar voorover,—hij wandelde moeilijk en ging gebogen + onder het gewicht zijner droeve heugenis.</p> + + <p>Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber aandenken.</p> + + <p>Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk mij te + gemoet treden.</p> + + <p>Doch ik had nog betrouwen in God.</p> + + <p>Mijn oog ging smeekend ten hemel.</p> + + <p>En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking weg.</p> + + <p>Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking vroeg + mijne ziel.</p> + + <p>Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.</p> + + <p>En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het beenderhuisje.</p> + + <p>Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik + viel met angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.</p> + + <p>Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,—want eene + magere en beenige hand raakte de mijne.</p> + + <p>En de grijsaard stond weder nevens mij.</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <p>"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel raakte, + "ziet gij daar dit hoofd?—Dit was mijn vader!..."</p> + + <p>En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne stem.</p> + + <p>En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.</p> + + <p>Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen kleineren schedel + en sprak:</p> + + <p>"Ziet gij daar?—Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was + hij,—en hij stierf toch.</p> + + <p>Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.—Dit mijn vriend!...</p> + + <p>Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk en mijne + zaligheid!</p> + + <p>Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het leven + over.</p> + + <p>Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.</p> + + <p>En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel ook wit + maken en bederven...."</p> + + <p>Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen lastigen + droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn antwoord. Eene vrouw + met bleeke wangen sloop zachtjes als eene schaduw voorbij.</p> + + <p>Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en zoo + beminnelijk als de hoop zelve.</p> + + <p>Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.</p> + + <p>Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen op de + aarde.</p> + + <p>De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:</p> + + <p>"O, kind, verstaat gij het leven nu?—Begrijpt gij nu dit raadselwoord + van alles—<i>vernietiging</i>?</p> + + <p>"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"</p> + + <p>Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God + verlicht:</p> + + <p>"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,—van leven, + van dood,—van geluk en rouw!...</p> + + <p>Ik ben ook door God bezocht geworden,—mij ook is een echtgenoot, een + kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik nog troost + gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:—God."</p> + + <p>Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.</p> + + <p>Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en verlicht + had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.</p> + + <p>En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.</p> + + <p>Hij antwoordde: <i>Weetlust</i>!</p> + + <p>En de vrouw op deze vraag antwoordde: <i>Geloof</i>!</p> + + <p>Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte kon mij + onder dat heilige scherm nog raken.</p> + + <p>Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="HET_BEULSKIND" name='HET_BEULSKIND'></a> + + <h2>HET BEULSKIND</h2> + <br /> + + + <h3>VERHAAL</h3> + <br /> + + + <h3>I</h3> + <br /> + + + <p>Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te + Antwerpen zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand tastbaar; + het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de stad en tot op haren + grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis niets dan het nedervallen der + druppelen water van de daken, die door eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen + werden bevochtigd; en soms in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De + diepste stilte heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren + zich tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond was.</p> + + <p>Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden hebben en + den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou bij den muur van dit + gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den rug tegen eenen populierboom + leunde en, met de oogen wijd open en de armen op de borst gekruist, zich gedroeg, + alsof hij in den klaren dag en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde + overgegeven. Van tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle + woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de sombere + uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof gezucht, eene + ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke zijn pak nederwerpt. Indien + men dan het gelaat van den onbekende hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op + hebben aangetroffen, niet dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te + kennen geeft, maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste + foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen vervult. Hij + lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk teeken van blijdschap + droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen, en zijne rechterhand wroette met + wreeden wellust in het vleesch zijner borst.</p> + + <p>O, ongelukkig,—duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel de + verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds twintig jaar de hel + in zijn hart droeg?</p> + + <p>Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren liet,—dan + plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het voorhoofd; neen, zij stiet + haar kind van zich weg. Zijn vader gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij + bad den Hemel weenend om den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij + weende over die vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.</p> + + <p>En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk opgevoed, + zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht, bespot, geplaagd, alsof + zijn aangezicht eenen boozen duivel verried;—toch was het zoo zoet en + verduldig, dat het nooit eenige teekens van gramschap of van drift tegen zijne + vervolgers toonde; alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen + zoon vergaderde.</p> + + <p>Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de spieren + zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht geschonken. Hij + gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar uitstorting des harten, naar + achting; maar de haat en de vervolging, waaraan hij gewijd was, hadden hem niet + verlaten: hij mocht zich nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, + spotternij en hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene + slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als een hond met + slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het gebed alleen was hem + toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij biddend om troost en verlichting + mocht smeeken.</p> + + <p>Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol zielepijn, + dáár tegen den populierboom rustte....</p> + + <p>En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel vernuft + en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en mannelijk, zijne stem + zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik verstaanbaar tot den Hemel, + terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:</p> + + <p>"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen heeft, geef + mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd brandt! Mijne zinnen + verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en vertwijfeling! Laat mij de + troostende gedachte uwer goedheid ... en uwer rechtvaardigheid, want doodende + twijfel zinkt in mijnen boezem."</p> + + <p>Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar gemor; dan, + zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle schreden door de + Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide de Houtstraat in. Van dan af + vertraagde hij allengskens zijnen gang, en men kon bemerken, dat eene dwingende + gedachte hem beheerschte; want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk + iemand, die, om beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden + wederhoudt.—Op eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, + een geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:</p> + + <p>"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,—ik moet drinken!"</p> + + <p>Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef eene korte + poos staan voor al de vensters, waaruit het licht straalde; doch telkens + vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde stemmen van menschen in de huizen + klinken, en dit was hem genoeg om zich met spoed te verwijderen. In de + St-Jansstraat hield hij voor eene herberg wat langer stil en luisterde met meer + acht aan alle vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op + zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:</p> + + <p>"Ha! daar is niemand in,—ik zal kunnen drinken!"</p> + + <p>De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij dacht, dat + niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar hoe vond hij zich + bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was met allerlei personen, die met + de kan in de hand rondom eene tafel op iets schenen acht te geven.</p> + + <p>Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en was juist + bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren kunstgreep te bereiden, + toen de onbekende wandelaar voor het venster luisterde. Daar de omstanders op de + handen van den speler acht gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te + ontdekken, hadden zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen + makker nagezien.</p> + + <p>De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen, en deed + eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch ziende, dat de + hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en vreezende vervolgd te worden, + ging hij tot den toog en eischte eene kan bier van de waardinne. Deze bezag den + geheimen gast met wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van + zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd dieper en + ontging dus haar onderzoek.</p> + + <p>Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde bier te + halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling gewend, en spraken + elkander suizend in het oor; een van hen scheen in gramschap ontstoken en deed + door zijne toornige gebaren genoeg zien, dat hij groote begeerte had den + onbekende te mishandelen. Deze hield den rug tot hen gekeerd en wachtte + beweegloos naar het bier, zoodanig bevende van angst en vrees, dat zijne lenden + onder zijnen mantel rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar + gewoonte, en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid + had opgewekt.</p> + + <p>De jongeling dronk met haast en ledigde in éénen teug de kan tot + op de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van twee + stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde teruggeven, kwam een + der gasten met drift van de andere zijde der kamer toegesprongen, vatte de kan + van den toog en smeet het bier, dat ze nog bevatte, in het aangezicht van den + bevenden jongeling.</p> + + <p>"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons gezelschap komen + drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals en beenen breke? Maar gij + zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen aan uw lijf niet wil vuil maken, + radbraker!"</p> + + <p>De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige zoon van + den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en hij was weinig boven + de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk te verstaan, waarom hij zoo van + de menschen schrikte, aangezien de haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen + hem nu gebeurde, geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een + gezelschap van burgeren dorst begeven.</p> + + <p>De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het bier, dat + van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen zijnen wreeden vijand te + spreken. Deze hield echter niet op van hem alle hoonende scheldwoorden toe te + werpen, en riep eindelijk tegen de waardinne:</p> + + <p>"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan verhuizen: + wij zullen ons geld hier niet meer verteren.—Gij zoudt ons misschien morgen + wel uit de kan van den beul doen drinken!"</p> + + <p>"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en gramschap, + terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken wierp. "Kan ik daar aan + doen, dat dit galgekind in eens eerlijken mans huis komt?"</p> + + <p>En zich tot Geeraart keerende:</p> + + <p>"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij nog niet, + beulenras?"</p> + + <p>De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij al die + bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart opgekomen, en in + stede van op het geschreeuw der waardin te vertrekken, hief hij het rijzig hoofd + in de hoogte en antwoordde haar met koelheid:</p> + + <p>"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen evenmensch + meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen, omdat de wet en de + menschen hem er toe dwingen, maar gij allen pijnigt mij zonder nood en zonder dat + ik u ooit iets hebbe misdreven. Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij + mij als eenen hond behandelt!"</p> + + <p>De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de waardin zich er + over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat iemand zoo + zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo hard had behandeld. Een traan blonk in haar + oog. en den Stooter van den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, + zeggende:</p> + + <p>"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!"</p> + + <p>Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den Stooter + van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met afschrik op eene + tafel.</p> + + <p>"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!"</p> + + <p>Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik weder + achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit bloed waanden voort + te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en afgrijzen werd tegen Geeraart + uitgegalmd.</p> + + <p>De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had denzelfden Stooter + nog dien avond, tijdens het lof, van eene stoelenzetster in de kerk ontvangen. De + onrechtvaardigheid zijner vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij + zijne koelheid gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek. + Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in woede tot bij + de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle leeuw tegen zijne + vijanden uit:</p> + + <p>"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk geld van + eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle andere Stooters? Maar, + neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt, dat ik een beulskind + ben,—ja, zoo wilde het God!—doch gij zijt verachtelijker dan ik, en + ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch bij naam, noch bij daad aan zulke + bedorvene menschen, als gij zijt, gelijk!"</p> + + <p>Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen van alle + kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen + vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne macht....</p> + + <p>Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en glazen + vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken; de waardin riep om + hulp....</p> + + <p>Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden der + straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij had ontvangen. Hij + schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen hoed, en vervolgde zijnen weg + op dezelfde wijs als hij hem had begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. + Veel schrikkelijker zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen + uit.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <div class="center"> + <img src='images/illustratie87.png' width='400' + alt='Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand tot zwichten.' + title='Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand tot zwichten.' /> + <br /> + <i>Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand tot + zwichten.</i> + </div> + <hr style='width: 65%;' /> + + <p>Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was er ergens + eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid op de komst van het + beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel haar zeide, dat iets hem moest + miskomen. Zij alleen was een engel van troost en lafenis voor den ongelukkigen + jongeling, en beminde hem uitermate,—omdat zij wist, dat hij van iedereen + veracht en versmaad was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de + verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes wederstaan. + Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als</p> + een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger noemde, + verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de zuiverheid harer liefde + gevoelde en dacht, eene aan God aangename drift te voeden. Zij had gelijk, de + goede maagd; want geen geld of goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare + ongelukkige evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten + schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste harer + stadgenooten.<br /> + <br /> + + + <p>Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene kleine + kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.—een goeden jongen, + die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te zweet werkte, een halven dag + in de kerk ging bidden en anderhalven dag in de herberg met drinken en zingen + doorbracht, van waar hij zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf + dagen, die hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer + timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een goed deel + gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder liefhad.</p> + + <p>Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare moeder bij + de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid slechts + één licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate + geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat verder, aan + de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank, waarbij de arbeidzame + Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de kamer zelve betreft, die was wel + zuiver en met wit zand bestrooid, wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van + heiligen versierd, doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, + wonnen niet veel met het dagelijksch werk hunner handen.</p> + + <p>Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit nagelaten + zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien uren, en hij was nog + niet verschenen. Het meisje wist niet wat te denken, en was zoo mistroostig en + zoo verstrooid, dat zij op eene vraag, welke hare moeder haar deed, niet + antwoordde.</p> + + <p>"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag niet, dan + komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?"</p> + + <p>"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal gebeurd + zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo boos op hem"</p> + + <p>"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben altijd in den + haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen doodgeslagen en den beul Hansken + aan den Kroonenburgtoren verdronken?"</p> + + <p>"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?"</p> + + <p>"Dit weet ik niet,—niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen + zoovele onnoozele menschen ophangen."</p> + + <p>"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom verdrinken + ze dan liever den schout niet?"</p> + + <p>"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord, dat zegt, + dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste altijd het minst eten + krijgt en het meest gebeten wordt."</p> + + <p>"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...."</p> + + <p>Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het waken moede + werd en tot hare dochter geeuwend sprak:</p> + + <p>"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!"</p> + + <p>Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts komst nog + niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare moeder op te houden. + Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover bepeinsd hebbende, waagde zij toch + eene kleine leugen.</p> + + <p>"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en dan is + mijne kant afgewerkt."</p> + + <p>"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe."</p> + + <p>"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit + naaikussen afmaken voor de waardin uit het <i>Paardeken</i>; zij zal het morgen + vroeg komen halen."</p> + + <p>"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach, "gij zult + gewis op Zondag meer in het <i>Paardeken</i> gedronken hebben, dan uwe beurze kon + lijden. Werk dan maar om uwe schuld te betalen.—Ik ga te bed. Vergeet niet + te bidden, eer gij slapen gaat."</p> + + <p>Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het mompelen van + een stil <i>goeden nacht</i>.</p> + + <p>Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart aan de deur + klopte en door Frans werd binnengelaten.</p> + + <p>Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit verwonderde + Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars minnaars zonder de rimpelen van + smartelijke gepeinzen gezien had. Met langzamen tred ging de jongeling tot de + maagd, vatte stilzwijgend hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne + borst. Dit was zijn gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij + weinig gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste + liefde.</p> + + <p>"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God! er is + bloed aan uwen hals...."</p> + + <p>"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk bezeerd. + Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam mocht lijden."</p> + + <p>Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de holle toon + Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van Geeraarts scherpe + blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws vreezen. Met liefderijken kommer + reinigde zij zijn hoofd van het weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort + was, en vatte ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem + moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen gevoelen.</p> + + <p>Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd hebben, dat + hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde met zulke kracht op + haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel nederzinkende, hem toeriep:</p> + + <p>"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw + gezicht...."</p> + + <p>De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra opnieuw + beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen doodelijken angst verried en + het hart van Lina wreedelijk verscheurde.</p> + + <p>Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen stoel voor + haar nederzat, sprak hij:</p> + + <p>"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem hoort gij + voor de laatste maal."</p> + + <p>Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij voort:</p> + + <p>"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet begrepen, + en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd, trok ons tot malkaar. Dan + wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het is de eerstgeborene van eenen beul te + zijn; gij wist niet, dat degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer + schande beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt worden. + Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel wilde in de + onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate mijn ongeluk zich voor + uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook grooter, omdat gij wist, dat ik die + liefde noodig had om niet te sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang + gedood hebben, want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van + den God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid uwer + min.—De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed, dat gij nog + op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen boozen haat; maar dit ware + niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene enkele klacht voortbrengen, indien mijn + lichaam tusschen twee steenen verpletterd werd,—maar de pijn,—de + foltering zit dáár!"</p> + + <p>Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus voortging:</p> + + <p>"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid, door + iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,—zonder ooit, ooit, door + welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het aangezicht te krijgen. + O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit meer is dan ik kan dragen, en dat + mijn hart droog wordt bij die pletterende overtuiging?"</p> + + <p>"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe pijnen + niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat mijn oog zich met + het bitter water der smart bevochtige?..."</p> + + <p>Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te hooren, doch + vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken:</p> + + <p>"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij van het + beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in eene andere stad + zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina, wij hebben gedroomd. Het + noodlottig uur is gekomen,—morgen, ja reeds morgen zult gij uwen + ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de vuist op het schavot zien. Daarom + is de hand, die den doodslag geven moet, koud als ijs.—Daar, voel!"</p> + + <p>En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin.</p> + + <p>"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft mij + bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!"</p> + + <p>Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan, hielden + hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met blikken, die nog + strakker dan de zijne waren, vroeg zij:</p> + + <p>"Welnu, wat eischt gij dan?"</p> + + <p>"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de verachting + overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!"</p> + + <p>"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel ook droog + geworden zijn?"</p> + + <p>"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van u + vragen;—gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping der andere + menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van eenen beul met uwe + liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats te bevrijden; door u alleen heb + ik het geluk gesmaakt, dat mij anders onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene + martelaresse voor mij opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij + tot hiertoe verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer + een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij denken, dat + ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden zal, dat men u + verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?—Gelooft gij mij onedel genoeg om + u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na morgen nog met mijne handen, aan + te raken? met handen, die in menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat + gij ten minste mij nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij + weet, dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!"</p> + + <p>Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het meisje + bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder twijfel uit een gevoel + van blijdschap voortsproot, want hare oogen blonken met een helder vuur, en een + zoete glimlach bewoog hare lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit + oogenblik vervoerde, te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar + hart, en gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich + brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis:</p> + + <p>"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat edel + gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke liefde toedraag, of + dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe, morgen nog en voor eeuwig. Ik + zal u beminnen, beul of niet,—hier of op het schavot. Geeraart, ik begrijp + mijnen plicht: eens word ik uwe vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal + over uw leven den balsem der genegenheid altijd doen vloeien."</p> + + <p>"Nooit,—nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik + misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen vloek. Zou ik + met u mij in den poel van schande en verachting trekken? O, neen."</p> + + <p>"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw lot, en gij + zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden. Gelooft gij, dat ik u wil + laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op + dezen stond! Ho, ik zal met betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel + in mijnen geest, dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal + beloonen."</p> + + <p>Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag met + verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn opofferde en + zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten prooi geven. Ditmaal schetste + een waar geluk zich op zijn gelaat, en een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij + hief de oogen ten hemel en riep:</p> + + <p>"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij eenen + uwer engelen geschonken."</p> + + <p>Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar voorhoofd + het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der trotschheid zien + blinken.</p> + + <p>Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak gesleten + hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht op zijne zuster en + Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen afgemaakt was, begon het waken hem + schrikkelijk te vervelen. Met zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:</p> + + <p>"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest aan + Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."</p> + + <p>Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde hij echter + den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam zijnen hoed, en zich + bereidende om uit te gaan, zeide hij:</p> + + <p>"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."</p> + + <p>"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want zoo gij + misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar dan zal ik u + bijstaan."</p> + + <p>De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de deur om + het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij wierp zich om + zijnen hals en sprak de volgende woorden op nadrukvollen toon:</p> + + <p>"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan wel!"</p> + + <p>En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van haren + minnaar in de straat galmen en vergaan.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h3>II</h3> + <br /> + + + <p>Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee gelieven + verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel niet meer herhaald, + willende haar meer pijnen sparen; desniettemin scheen dit vaarwel aan den jongen + beul onwederroepelijk, want hij had het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het + zuiver en edelmoedig meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.</p> + + <p>Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van de + Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het nog bemerkte, + bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren dag, door hare bloedroode + verf, het huis van den scherprechter aanduidde.</p> + + <p>Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:</p> + + <p>"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"</p> + + <p>"Ja, hij gaat daareven weg.—Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, dat + hij u wacht."</p> + + <p>Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke vader op een + bed lag uitgestrekt.</p> + + <p>De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende kwaal + zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn hoofd had + teruggetrokken.</p> + + <p>Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets dan de + beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan de ziel al hare + krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het lichaam vergaat, het + denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met den ouden beul: + ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo vrij als van een gezond + mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij naar hem zijne blinkende oogen, + doch sprak niet.</p> + + <p>Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het hoofdeinde van + het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om de magere hand van zijn + vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij met bevende en dorre stem:</p> + + <p>"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn + vonnis?—Zal ik beul zijn?"</p> + + <p>"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle pogingen + uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats neme.—Geld noch gebeden + kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, mijn ongelukkige zoon."</p> + + <p>De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die + bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis liep over zijn + gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met struiptrekkende kracht. Die + beweging was slechts oogenblikkelijk; hij verviel welhaast in zijne gewone + droefgeestigheid en zuchtte:</p> + + <p>"Het is dus morgen, morgen, vader,—dat de laatste hoop op geluk mij moet + ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij terugspatten. Nu + begint voor mij die schandelijke levensloop..... Betaalde moordenaar! + Moordenaar!"</p> + + <p>"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u tot een + leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult afslaan, zal als een + steen op uw hart terugvallen, en wanneer er steenen genoeg op uw hart zullen + liggen, dan zult gij sterven gelijk ik nu sterf..... Maar er is hierboven een + Rechter, die het lijden vergoedt."</p> + + <p>Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders toe, + zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:</p> + + <p>"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle dagen + geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen onnoozele of eenen + misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, wat er op dit oogenblik in mijn + hart omgaat, zij zouden mij niet haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in + bloedvergieten; en wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens + slachtoffers, bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen + kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul genoeg is en dat + het medelijden hem verzwakt."</p> + + <p>"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch nooit heb + ik ze begrepen."</p> + + <p>"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke verzameling van + menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al de wreedheid, al de haat, + die in de harten verborgen ligt, zich moge uitstorten—en dan wordt die + lijder door de maatschappij met schande overladen, opdat men hem zonder berouw + moge mishandelen en verachten; want het is door meer boosheid, dat de mensch + zijne onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen enkel + onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij de gedachte van + menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat ik morgen waarlijk een + verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal mij zelven verachten.—En geene + hoop meer! Het moet zoo zijn."</p> + + <p>"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, "neem dit + boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op de openliggende + bladzijde."</p> + + <p>Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij wierp het + boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: "Vervloekt zij de + onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne geboorte tot bloedvergieten en tot + schande veroordeeld heeft! O, maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne + wieg geroepen: die vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen + beul; men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en + laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene slang, welker + gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, terwijl men dit vonnis over + mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, + gelooven zij dan, dat ik zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo + onder het slijk der schande begraven te worden?"</p> + + <p>"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader zuchtend. "Ik + versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds zoolang aangekleefd; maar + gedenk, dat de beul in eene gemeente volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het + lot, u door den Heer bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter + leven vinden."</p> + + <p>"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die u ten + grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede gij het hoofd van + uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij de schrikkelijkheid van mijn + lot niet; gij hebt den moed gehad om het uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, + ik gevoel mij zoo sterk niet. En toch, sterven is sterven: indien de dood ons + morgen te gelijk treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den + rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel + terugvinden."</p> + + <p>De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in het hart + van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit zijne woorden. Willende + hem dan aandrijven om zich tot de rust te begeven, zeide hij:</p> + + <p>"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog + éénen raad geven.—Wanneer gij morgen op het schavot klimt, + bezie dan toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige + nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. Beeld u in, + dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, en neem de maat van uwen + slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer niet in eens doodt, zullen duizende + stemmen zich tegen u verheffen;—en ik zou u wellicht niet levend wederzien. + Ik zal God terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het + noodlottig werk te volbrengen.—Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over u."</p> + + <p>Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou hij nog + lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne vader eenen traan zich + uit het oog veegde, en besloot zijne smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij + meende te zeggen: "O, ik zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield + hij zich uit liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof + hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:</p> + + <p>"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"</p> + + <p>In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel zitten en + legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik naar de zijde van zijn + bed, en zonder dit of iets anders te bezien, bleef hij met beweeglooze oogleden + zitten.</p> + + <p>Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam verlichten, + vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke oogen op een bloot mes + gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed rollen, alsof hij zich in het + herblikkeren van het glimmend staal hadde verlustigd.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h3>III</h3> + <br /> + + + <p>Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met een + koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier en daar door een + gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der zuivere lucht werkte krachtig op + de gemoederen der burgers van Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende + personen, die de rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en + aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en eene menigte + kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich boven de stad verspreid + hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur, haren schoot ontsluitende, hun het + leven had teruggeschonken.</p> + + <p>Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om de + Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen de prachtige + vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het ALLERHEILIGSTE hen + genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de steenen der markt en knielden + vol eerbied neder. Terwijl al het blikkerend goud der kazuifelen en stolen de + oogen der aanschouwers deed schemeren, kwam een statig gezang van zware + mannestemmen de ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de + menigte geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne + verbeelding tot den woon van God op te klimmen.</p> + + <p>Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden: eerst de + broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge en oude Voetboog, en + de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk gewaad en met blinkende + wapenen.—Dezen ook voorbij zijnde, kwam er eensklaps eene onstuimige + beweging onder het volk; iedereen deed geweld om zich grooter te maken en het + hoofd boven de anderen te kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en + een algemeene schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te + kennen:</p> + + <p>De omgang!—Daar is de omgang!</p> + + <p>En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water, dreef + langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den rug van het + zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een teeken zijner machtige + hand de twee waterbronnen, welke de walvisch wel dertig voet hoog uit zijne + neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe + de burgers lachend en gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen + walvisch te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed heenkomen, + hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende, stuurde dan den natten + straal tot hen en stortte emmers water over hunne hoofden. Men geloove niet, dat + zij daarom bedroefd waren; neen, zij juichten heviger en gaven geene acht op de + schade hunner kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun + baarde.</p> + + <p>Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en oogen + verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der hoogste huizen blikt. + Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van Neptunus, Europa op den stier, de + Parnassusberg met de Zanggodinnen, de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, + het Koopvaardijschip, en meer andere schoone zinnebeelden.</p> + + <p>Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun + handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel om vrienden + of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en mits de omgang zeer lang + was, klommen er vreugdekreten op uit alle bijzondere straten der stad. Onder den + invloed van het zoete lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid + genegen, hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun + aangezicht blonk.</p> + + <p>Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig hield en + van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar onbekend ware, was er + ergens een mensch, wiens leven steeds vol bitterheid geweest was, en die nu, + eilaas, in den poel der smart zoo diep verzonken lag, dat hij den grond er van + gevoelde.</p> + + <p>De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend met de + armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch, wiens spieren hunne + veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die jongeling met de schoone zwarte + haren, die aan zijn bleek gelaat zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij + zoo oud geworden als zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken + in verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,—schrikkelijk + teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld geworden: zijne + haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des gemoeds was zijn zenuwstel + dermate gevoelig geworden, dat het minste gerucht hem deed beven; en telkens dat + de klok van St.-Jacobs één uur meer uitriep, liep koud zweet hem + van het aangezicht, en zijne witte haren rezen te berge op zijn hoofd.</p> + + <p>Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor + de zesde of zevende maal kwam treffen.</p> + + <p>"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede, + misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo + lang zonder spreken."</p> + + <p>Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze + bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen + hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:</p> + + <p>"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog + vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;—mijne + handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke + zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is + geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der + schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,—eene vrouw, o, + Lina, Lina!—indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik + hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet + geweest!—Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen + zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen + afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te + dooden—doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik + dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb + geweend totdat het mes mij ontvallen is."</p> + + <p>Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den + ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar + aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde. + Met smeekende stem riep hij uit:</p> + + <p>"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet + bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood + aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende + menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide + ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en + scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, + wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?"</p> + + <p>"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden + vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.—Wat ijselijk geheim vond + hij in het hart zijns zoons!</p> + + <p>Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot + zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder + eenen tranenvloed.</p> + + <p>"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in + deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig + slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik, + die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de + smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw + voornemen gedacht, Geeraart?</p> + + <p>De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij + beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad + aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van + het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en + droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, + schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte, + dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit + liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig + viel, te behouden. Hij sprak:</p> + + <p>"Vader, o, vergeef mij,—ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. + Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande, + welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de + verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid + te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een + gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween + niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."</p> + + <p>Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de + afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem + de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet. + Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts + voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich + gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even + onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven en + zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul te zijn + met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg + zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en + toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne + eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te + vallen.</p> + + <p>In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch + vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen + moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem + voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + + <h3>IV</h3> + <br /> + + + <p>Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper Herman moest + gerecht worden;—men had het tot dit uur uitgesteld, uit hoofde der + volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.</p> + + <p>Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke + hoopen volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede vertooning + bij te wonen.—Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan het beloofd + gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot afrolt, terwijl vergoten + bloed den grond met dampend rood komt verven. Wat boos vermaak! Wat booze + nieuwsgierigheid, die zich in het vernietigen van den mensch verlustigt!</p> + + <p>De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering trillen: + zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid en medelijden voor + den veroordeelde.—Waarom? Om hunne hatelijke natuur voor zich zelven en + voor anderen te verbergen; want zij gevoelen ook de wreedheid, die in hunne + schandelijke nieuwsgierigheid verborgen ligt.</p> + + <p>Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand en + ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude grijsaard, die + anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, had zijne laatste krachten + verspild, om nog eens zijne stijve leden tot onder het schavot te dragen, en het + bloedig schouwspel eener onthoofding bij te wonen.—Het was een grievend + vertoog te zien, hoe schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl + galgen, mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde + lichamen pronkten.</p> + + <p>Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; het hart + klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij daar geweend hebben + niettegenstaande degenen, die haar omringden; maar zij was gekomen om Geeraart + aan te moedigen, en zij gevoelde, hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon + bereiken. Haar broeder Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met + eenen breeden hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle + burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van Geeraart + uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had onwederroepelijk + gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die eenen steen naar den jongen beul + werpen zou, indien dit moest gebeuren.</p> + + <p>Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, waren de + beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te maken, en men wachtte + niet lang meer; want op dit oogenblik drong de beulskar door het volk en werd + door een algemeen geruisch aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart + lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen; + Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den + voortrein.</p> + + <p>Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet mogelijk, + vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken nederwaarts gevestigd + en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het zwaard hem niet had doen herkennen, + zou men niet hebben kunnen zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de + veroordeelde was. Wat men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door + schaamte en droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. + Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, dat hem een + al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, anders hadde de menigte hem + reeds bij zijne komst bespot en met scheldwoorden bejegend.</p> + + <p>De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en was + zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets bescheiden, voor zijne + oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag Lina ook niet, alhoewel deze hem door + haren broeder meermalen teekens deed doen.</p> + + <p>De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot leiden; + doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel gesproken had en dat hij nu + eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, daar hij wel zag, dat er geen uitkomen + meer aan was. Misschien vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande + duisternis, die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre + achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, vreezende, dat + de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen zou onttrekken, begon + overluid om de uitvoering van het vonnis te roepen. Dan bracht men den + veroordeelde met geweld op het schavot, en men deed hem vooraan op de knieën + zitten; de knecht van den scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer + en toonde dien met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen + wilde:—Meester, daar moet gij slaan!</p> + + <p>Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, schoot + Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te trillen, dat het + schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de vuist; echter werd dit voor + alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken tot de uitvoering van het vonnis nog + niet gegeven was. De knecht raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen + meester, die het stuiptrekkend in de vuist wrong.</p> + + <p>De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch Geeraart + hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de knecht, terwijl er + reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk liep:</p> + + <p>"Gauw! Meester, gauw!"</p> + + <p>Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, hief + Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een waar voornemen + om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de ongelukkige, waar hij zich bevond, + wat hij deed, of wat hij dacht; gansch verloren van schaamte en schrik, was hij + in razernij ontstoken en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het + schavot gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd om, + en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken schreeuw. Dan + verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten moed, en hij liet het zwaard + op het lichaam van Herman vallen, doch zonder kracht en zelfs zonder hem te + wonden.</p> + + <p>De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn gansch + zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong plotseling recht, en + zijne armen tot het volk reikende, riep hij om hulp, schreeuwende, dat men hem + moedwillig martelde.</p> + + <p>Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het medelijden + gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de gewelddaden, die zij wilde + plegen.</p> + + <p>"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men hoorde. + Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet menigvuldig, want steenen + waren er weinig op het Galgeveld te vinden.</p> + + <p>De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen over + elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil sterven, riep hij met + krachtige stem:</p> + + <p>"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"</p> + + <p>Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers vluchtten + langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer op dan het schuim der + stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met ongemeen geweld naar het schavot + toedrong en den beul er wilde afhalen, ondanks den tegenstand der + gerechtsdienaars. Het was een geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; + eene zee, welke hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt + denkbeeld van verwarring en woede.</p> + + <p>Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren vergaderd, met + inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den veroordeelde vast te houden, + die nu met geweld poogde uit de handen te geraken. Op dit oogenblik klom een + geheime persoon zeer langzaam op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, + suisde hij hem de volgende woorden in het oor:</p> + + <p>"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog eens + komt spreken; zij staat daar beneden;—volg mij!"</p> + + <p>En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om Geeraart de + plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene liefdegedachte en + besloot zijne goede minnares ten minste een laatst vaarwel te zeggen, eer hij nu + sterven ging; hij liep van het schavot tot bij Lina, die daar dicht nevens stond + te weenen. Frans, de geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen + mantel op de schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van + Lina aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:</p> + + <p>"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter de tweede + mik!"</p> + + <p>Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich liet + leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij langs den + tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk een geschreeuw en + gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat hij den beul onder handen had, + onstuimiglijk naar die zijde kwam gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en + Geeraart. Met een listig inzicht deed Frans niet dan roepen:</p> + + <p>"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam moeten wij + hebben."</p> + + <p>En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de duisternis, die nu + reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd had, lieten Lina toe haren + minnaar uit het gedrang te leiden, zonder dat men hem herkende; want de mantel en + de hoed van Frans bedekten genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee + gelieven het aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw + ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, en men + wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de gerechtsdienaren mishandelde, + om hen te doen zeggen, waar de scherprechter zich bevond, was er een man die de + daad van Frans bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: + hij had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man verdwenen was, + en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul moest zijn.</p> + + <p>Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door de wegen + van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een weinig verder, achter + een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en toorn, kwam hij op de bevende + gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel afrukkende, zag hij het beulsgewaad. + Zonder meer scheldwoorden te uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte + en gaf den ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij + gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede verder nog + op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar Lina, die nu eerst van hare + verslagenheid was teruggekomen, wierp zich vooruit naar hem, en hare twee armen + om zijn lichaam slaande, weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De + wanhoop en de wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet + behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne lenden, dat zij + hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die eene machtige prooi in hare + kronkels wil verworgen. Het gezicht van het lichaam haars minnaars, dat daar voor + levenloos voor haar lag, had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. + Begrijpende, dat het beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te + hebben, schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen + toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden van het + Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul zocht, het geschreeuw + van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders ware Lina gewis in korten tijd + van een aantal andere vijanden omringd geweest. Op het oogenblik, dat zij hare + laatste krachten in eene geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet + langer tegenstand kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het + kreupelbosch uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend + was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord van hetgeen + er omging.</p> + + <p>Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem bemerkt + had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de schouders van den onbekende + leggende, rukte hij hem achterover op den grond.</p> + + <p>"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar het + Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; indien hij nog + leeft, is hij voor altijd gered en verlost.—Spoed u!"</p> + + <p>Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met zooveel + snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast te grijpen en + weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans niet te midden van het volk + geraakt, of hij begon overluid te roepen, altijd zijn slachtoffer + voortsleepende:</p> + + <p>"Zege, zege, hier is de beul!"</p> + + <p>"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de schreeuw van + dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen liepen achter Frans om de + slachting te mogen bijwonen. Wanneer de broeder van Lina zich van genoeg razend + volk omringd zag, wierp hij den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden + onder hen, hun toeroepende:</p> + + <p>"Daar is de beul!"</p> + + <p>"Slaat dood! slaat dood!"</p> + + <p>En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van messen, + van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den huilenden man, die in de + duisternis voor den echten beul aangezien werd; te meer daar de woorden van + verschooning, welke hij uitgalmde, van niemand gehoord werden, maar in het + algemeen geraas versmolten.—Hij leefde geen vierendeel uurs later; de + kleederen werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig + gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke gedaante behield, + en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.</p> + + <p>Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na eenigen + tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam van haren minnaar + geknield nederzat en den Heer om genade voor hem smeekte; hij, Geeraarts + gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, dat zijn hart nog klopte en dat + slechts eene bedwelming hem van gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep + hij naar eene gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het + aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich zelven + kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de zoen van zijne lieve + Lina, die nu schier van blijdschap verging en zelfs geene woorden zou gevonden + hebben om haar gevoel uit te drukken, al ware het spreken haar niet door haren + broeder verboden geworden.</p> + + <p>Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij + geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar Geeraart zich in + het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen hield. Toen de klokken het + gevreesde middernacht aankondigden, ging hij, van Frans vergezeld, naar de woning + zijns vaders en trad onverwachts in zijne kamer.</p> + + <p>De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons betreurde, gaf + geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken droom, eene begoocheling van + zijnen geest aanzag; maar wanneer de driftige omhelzingen van Geeraart hem + overtuigd hadden, en dat deze hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing + had verklaard, scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; + zijne leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; zijne + oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min beweegloos en met eene + ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, + richtte hij zich met geweld op en riep:</p> + + <p>"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van martelie + zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle schande. De vloek, die + over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood ... gij zijt dood, mijn zoon!"</p> + + <p>"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid uit.</p> + + <p>"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de vader, + "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;—de hemel + verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene geborene beulen + zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als ik over u geweend heb. De + schatten onzer vaderen behoeden u voor altijd tegen armoede; gebruik ze wel en + leef gelukkig...."</p> + + <p>Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien eene al + te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield zich vastgeklemd aan + het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht slechts onderbrokene + dankzeggingen voort; want hij kon, in dit oogenblik van verrukking en blijdschap, + moeilijk woorden vinden om zijn gevoel uit te drukken.</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <p>Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder eenen + anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, die hij even + teeder bleef beminnen.—En wanneer hij, ook oud zijnde, op het doodbed + eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en deugdzame kinderen de legerstede + van hunnen vader.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="DE_GEEST" name='DE_GEEST'></a> + + <h2>DE GEEST</h2> + <br /> + + + <h3>ZEDENSCHETS</h3> + <br /> + + + <p>Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. Elke straat + heeft er hare <i>sage</i> of <i>legende</i>, doch het is uiterst moeilijk tot de + kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit hoofde dat zij meest geweten + en verteld worden onder de allerlaagste volksklasse, en zelfs niet tot den + geringsten burgerstand opklimmen. Het is met dit vak der nationale overleveringen + toegegaan als met vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel + bewaard.</p> + + <p>Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, +zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen +erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog +onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener +asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans +verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af +te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. + De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt hadden, en bij + dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of smeden arbeidden. Gewis, + hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch een van hen vertelde met + eenen zekeren zwier, met eene losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en + kluchtig karakter gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene + proef van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.</p> + + <p>Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen keldermond of val + gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; de eerste, die sprak, was:</p> + + <p>KOBE.—Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'<a + id="FNanchor_2_2" name='FNanchor_2_2'></a><a + href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a> poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge + w'et wel, <i>Snoef</i><a id="FNanchor_3_3" name='FNanchor_3_3'></a><a + href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a> die trouwtd op 't leste met de keunigin + van Teurrekijë<a id="FNanchor_4_4" name='FNanchor_4_4'></a><a + href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>.</p> + + <p>BALTE.—Die kan ekik.</p> + + <p>FRANS.—Is dâ die va Hanefroeike?</p> + + <p>Sus.—Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en<a + id="FNanchor_5_5" name='FNanchor_5_5'></a><a + href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a> betooverd kornijn in, dâ diën + brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka. Kunde gij + het nie, Balte?</p> + + <p>BALTE.—Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, ik + kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw<a id="FNanchor_6_6" + name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a> lampen veur + nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke visserke + vangt me nie<a id="FNanchor_7_7" name='FNanchor_7_7'></a><a + href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a>, en, och eer, ik kan er wel honderd + ander, as<a id="FNanchor_8_8" name='FNanchor_8_8'></a><a + href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a> ik ze maar wilde vertellen.</p> + + <p>FRANS.—Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (<i>Zij trekken, wie eerst + zal beginnen</i>.)</p> + + <p>KOBE.—Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' + kelder onder de Vierschaer.</p> + + <p>Sus.—Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel + of van tooverhekse' of van spooke'<a id="FNanchor_9_9" name='FNanchor_9_9'></a><a + href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>.</p> + + <p>BALTE.—Ah wel, 'k zal eulie<a id="FNanchor_10_10" + name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a> 'e + waerachtig vertelsel vertellen, dâ gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje + verder a's de Kornijnepijp, in 't Fransch gezeed<a id="FNanchor_11_11" + name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a> <i>la + pipe de lapin</i>.</p> + + <p>KOBE.—Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.</p> + + <p>BALTE.—Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat, <i>pertang</i>!<a + id="FNanchor_12_12" name='FNanchor_12_12'></a><a + href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a> Neen, <i>poes</i> is 'en kat in 't + Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe' Franschman uit de + Mannekestraet: <i>voleur de poes, de kattendief</i>! Dâ wilt tege' mij + Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie op de Chantjië + gewerkt? Heeft eulie vader <i>gardechou</i> geweest, he? Onder den tijd van de + Marriene'?<a id="FNanchor_13_13" name='FNanchor_13_13'></a><a + href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a> Zwijgt nâ, zulle<a + id="FNanchor_14_14" name='FNanchor_14_14'></a><a + href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a>, want ik begin op e' nief<a + id="FNanchor_15_15" name='FNanchor_15_15'></a><a + href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. Nâ-w-in die straet daer stond + eens 'en huis mê vier <i>steugië</i> zonder de zolder, zoo groot en + zoo schoon a's het paleis van 'ne keunink<a id="FNanchor_16_16" + name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>.</p> + + <p>Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en het bleef + jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.</p> + + <p>Sus.—Ah! ah! da zal schoon zijn!</p> + + <p>BALTE, <i>gestoord</i>.—Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van + twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder tot boven + afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest tege'slag van den + <i>eene'</i> achter de straetpoort staen en begost<a id="FNanchor_17_17" + name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a> zoo + jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen <i>compassie</i> mê + kreeg.</p> + + <p>KOBE, <i>met bange stem</i>.—Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne + zucht gelaten hebt?</p> + + <p>FRANS.—Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ + kieken!</p> + + <p>BALTE.—A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de + keldermond.</p> + + <p>—Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de geest + niet dé<a id="FNanchor_18_18" name='FNanchor_18_18'></a><a + href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a> as roepen: verlost mijn' ziel! verlost + mijn' ziel!</p> + + <p>Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het + de ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat diën + uit gierighad<a id="FNanchor_19_19" name='FNanchor_19_19'></a><a + href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a> ene groote schat had verbeurge. En ge + we't wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat hij dan + zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld gevonde' weurd<a + id="FNanchor_20_20" name='FNanchor_20_20'></a><a + href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>.</p> + + <p>A's dâ nâ<a id="FNanchor_21_21" name='FNanchor_21_21'></a><a + href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a> zoo al heel lank geduerd had, dan kwam + er eens 'ene' keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.</p> + + <p>Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, + dat hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze plesier, +'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's ze hem + honderd gulden op veurhand wilde' geven.</p> + + <p>Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd + huis slapen!</p> + + <p>Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, + van alle spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!</p> + + <p>Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem<a + id="FNanchor_22_22" name='FNanchor_22_22'></a><a + href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>; 't is gedaen. Wâ moet ik u + geven, vroeg hem.</p> + + <p>Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in + klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol spijs en 'en + goêi pan om mijn koeken in te bakke'.</p> + + <p>Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,—en a's hem dâ + gegeven had, trok Jan tege' den aved<a id="FNanchor_23_23" + name='FNanchor_23_23'></a><a href='#Footnote_23_23'><sup>[23]</sup></a> mê + zijn' <i>provisie</i> in het huis.</p> + + <p>A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' koekpot + mê spijs in 'en kamer op d'eerste <i>steugie</i>, daer nog 'en tafel stond + mê twee stoele'.</p> + + <p>Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en hij + zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.</p> + + <p>Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een voor een + den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in zijne' kraeg gelak + 'enen' ouwe Zwitser;—maer hij was toch nie' van zijne' center<a + id="FNanchor_24_24" name='FNanchor_24_24'></a><a + href='#Footnote_24_24'><sup>[24]</sup></a> en hij wist heel goed wat hem + zé of dé.</p> + + <p>Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost zijnen + beer te danse'<a id="FNanchor_25_25" name='FNanchor_25_25'></a><a + href='#Footnote_25_25'><sup>[25]</sup></a>. Hij zette dan zijn pan op 't vier en + hij lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.—Dan aen het kissen dat 'e' + pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't + <i>Landswelvaren</i>:—zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.</p> + + <p>Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant schoon + bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om te draaije'.</p> + + <p>Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet uit de + schouw—en <i>pardoef</i> in zijn' pan, en de koek in d'asse!</p> + + <p>Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en daer nie' + verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene zieltjeskoek<a + id="FNanchor_26_26" name='FNanchor_26_26'></a><a + href='#Footnote_26_26'><sup>[26]</sup></a>. Maer wa wil ik er aen doen? + zeét hem in zijn eige; 't is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve + pollepel spijs in de pan doen, op goê val hetd uit.</p> + + <p>Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger + zoudt van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten + hadde.</p> + + <p>Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, dat uit de + schouw gevalle' was.</p> + + <p>Raed nâ toch eens wat datd het was?—Het was en doodsbeen uit 'enen + arm!</p> + + <p>Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke' ze + mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel geleverd mê + hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot<a id="FNanchor_27_27" + name='FNanchor_27_27'></a><a href='#Footnote_27_27'><sup>[27]</sup></a> deur de + schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun' flauwzen!</p> + + <p>Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét hem + zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze mannen! 'k Zal de' + koek liever half rauw binne' spele'.... En hij steekt zijn hand uit om de koek te + pakken, maer in eene' keer valt er 'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en + pardoef in Jan zijn pan 'en de koek in d' asse!</p> + + <p>Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de + weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê + gegoeid hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet van + 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' mensch nog nie' + gerust laten ete'.</p> + + <p>Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael beentjes aen + 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.</p> + + <p>Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen oppakte en + gelijk tege' de' muer aen <i>garzelemente'</i> vaneen sloeg.</p> + + <p>Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd 'ene' + nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit de pan neme', + viel er 't een of 't ander menschenbeen in—en dat duerde zoo lank tot dat + er op 't leste 'nen doodskop in viel.</p> + + <p>Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo + ver als hem vliege' wou.</p> + + <p>Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken op de + tafel gezet om te gaen ete'.</p> + + <p>Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't + zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.—Jan telde, en 't was twelf + ure!</p> + + <p>Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem de beene' + gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.</p> + + <p>Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, en daer + stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.—En hij was, + och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge zijn ingewand + door zijnen buik kost zien.</p> + + <p>Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' oogen, want + hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem verruerde, dan zag hem + <i>pormentelak</i> dat het 'ene geest was.</p> + + <p>Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw + gezondhad? Me dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van + Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer + <i>armoyeus</i> uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske zou u + deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken deur uwen + buik zouwe valle'! want ge draegt 'en <i>gilé</i> die <i>à jour</i> + gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!</p> + + <p>De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, + als of hem zegge wilde: kom gij eens hier!</p> + + <p>Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.</p> + + <p>Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe + morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik ging + wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel <i>roematiek</i> en ge moest zoo + eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat tael spreekte gij? Zeg! is + 't van <i>parlé fransé contre alle mense</i>! Ook al niet? Gaet dan + maer naer uw doodkist terug, droogzak!—Zijtde van God, sprekt; zijtde van + den duvel, vertrekt!—Maar de geest bleef staan en dé nie als + mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou kome'.</p> + + <p>Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer + om.</p> + + <p>Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de + geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer Jan gegaen en + hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger.</p> + + <p>Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:</p> + + <p>Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo + veul spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we weurre kwaei + vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u die fles eens op uw + leelijk gezicht kapot slage'.—Ge zoudt me geeren den nek breken, eh? 'k + weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge kent me nog nie, manneke'!</p> + + <p>De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn + hand;—maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.</p> + + <p>Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het schijnt + da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet getrouwd, 'k Zal ouw + dâ wel afleeren.—Arrê! dat is het eerste koofke!</p> + + <p>En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van zijne' + kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak op de' wind.</p> + + <p>Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en op + de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem hem vast + had, dan vuelden hem niemendalle.</p> + + <p>Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens gauw gaen + zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij hier ruzie + zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie geen affaire? + Laat me dan gerust en gaat aen.</p> + + <p>Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'.</p> + + <p>Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet + zien wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.</p> + + <p>Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel + slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur—want had hem veur gegaen, + dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.</p> + + <p>Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene zark + mé enen ijzere' rink, die er in vast was.</p> + + <p>Het spook wees aen Jan, dat hem dië zark moest opheffe'; maer Jan die + begost te lachen en hij zé: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als ge + geene <i>nikanik</i><a id="FNanchor_28_28" name='FNanchor_28_28'></a><a + href='#Footnote_28_28'><sup>[28]</sup></a> in ouwe zak hebt, zulde nog al lank + moete' rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.</p> + + <p>De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer drij + groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.</p> + + <p>En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.</p> + + <p>Ziede dâ geld? vroeg het aen Jan.</p> + + <p>Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou beginne' we + malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', want 'k heb vijf jaer + gediend—en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al iet blinken dâ sterk op + tienguldestukke' trekt.</p> + + <p>De geest haelde de drij potten uit de' put en zé mê 'en holle + stem:</p> + + <p>Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.</p> + + <p>Eer dâ ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Dâ + zoude nie zegge', 'k Geloof dâ ge me wat opwindt.</p> + + <p>Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij zé: Ik heb in d'hel + zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn—en gij hebt + me nou uit d'hel verlost.</p> + + <p>Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge zijt dan + toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want mijn bloed kokt + al!</p> + + <p>Nou brand ik nie meer, zé de geest, <i>arrê</i>! daer is mijn + hand, voelt, nou is ze heel koud....</p> + + <p>Bedankt veur de goedheid, zé Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer + stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik ken u, vogel, + gij zijt den duvel te plat, gij!</p> + + <p>Zie, zé het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er eenen + aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur mijn' ziel te doen, + en....</p> + + <p>Hola, riep Jan, dâ verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge maekt + gij geen' slechte rekening! En wâ zal ik dan hebbe'? Neen, maer als er + wâ drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij ommers toch + rijk genoeg, al is 't dâ ge zoo slecht gekleed gaet, en dâ nog al in + de' Winter.—Ah wel, wa zegde?</p> + + <p>Den derde pot, zé de geest, is veur ouw.</p> + + <p>Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot van. Kom + hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.</p> + + <p>En Jan sprong op van <i>arreusie</i>; maer hij strunkelde en hij viel in de + put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.</p> + + <p>Nâ was Jan in den donkere'.</p> + + <p>Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, spookske lief, + kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt me nou ook wel uit deze put + verlosse'.</p> + + <p>Maer het spook was weg.</p> + + <p>Jan die kroop dan mê veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers + op.</p> + + <p>Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog twee + fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.</p> + + <p>'s Anderen daegs dé Jan hetgeen dat de geest hem gezéed had. Hij + gaf 'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot veur zijn + eige'.</p> + + <p>En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.</p> + + <p>En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en hij sliep + op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle dagen naer + d'herberg....</p> + + <p>En daer kwam 'e' varke mê 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!</p> + <br /> + + + <h3>VOETNOTEN:</h3> + + <p><a id="Footnote_2_2" name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a> + Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te Antwerpen geene andere + verbuiging, dan dat men voor zekere letters welluidendheidshalve <i>de</i> of + <i>den</i> bezigt, zonder op het geval te letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R + en T, als ook voor alle klinkers, gebruikt men <i>den</i>, zoowel in nominativo + als in accusativo.</p> + + <p><a id="Footnote_3_3" name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a> + Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters voor kinderen allerlei + vertelsels verbeeld worden, bij middel van <i>marionetten</i>, die zij + <i>poesjenellen</i> noemen. <i>Snoef</i> is een personage, die in alle stukken + voorkomt en die bijzonder belast is de aanschouwers te vermaken, evenals de + <i>Arlequin</i>. Het is gewoonlijk de geliefde <i>acteur</i> van het geëerd + publiek.</p> + + <p><a id="Footnote_4_4" name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a> + De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het einde onfeilbaar met + eene <i>keuninksdochter</i>, eene <i>princers</i> van Turkije, Amerika of Spanje, + of wel zij vinden, indien het er spookt, eenen grooten ijzeren pot met geld.</p> + + <p><a id="Footnote_5_5" name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a> + De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in Antwerpen <i>Ene, En E</i>, de + <i>e</i> hebbende den klank van <i>e</i>in het Fransche <i>le.</i> Voorbeeld: En + man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en voor de letter <i>H</i> zijn ze <i>Enen, + En, En</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_6_6" name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a> + De uitgang <i>oude</i> wordt verzacht en veranderd in <i>ouwe</i>, als: wij + <i>zouden</i>, wij <i>zouwen, koude Winter, kouwe Winter.</i></p> + + <p><a id="Footnote_7_7" name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a> + Het woordje <i>niet</i>, zonder nadruk uitgesproken, verliest de <i>i</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_8_8" name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a> + De l in <i>als</i> wordt niet uitgesproken; b.v. <i>as</i> ik het zag, zou ik het + gelooven.</p> + + <p><a id="Footnote_9_9" name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a> + De <i>n</i> wordt nooit gehoord in de uitgangen der veelsilbige woorden, die op + <i>en</i> uitgaan. Men zegt <i>verbinde, honde, zinge</i>, voor <i>verbinden, + honden, zingen</i>. Voor de klinkers en de letter <i>H</i>, die hier nooit + <i>geaspireerd</i> is, heeft de verkorting geene plaats. Zelf stelt de + Antwerpenaar tusschen alle opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van + zelf versmelten eene <i>n</i> of andere letter om de <i>euphonie</i>. Hij zegt + dus: <i>ik wilden-u-iets, hy maelden-u-immers</i>!</p> + + <p><a id="Footnote_10_10" name='Footnote_10_10'></a><a + href='#FNanchor_10_10'>[10]</a> Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden + persoons wordt gemaakt met het bijvoegen van <i>lie</i>, zijnde eene verkorting + van <i>lieden.</i> Men zegt <i>geulie</i> of <i>gylie</i> en <i>eulie</i> of + <i>ulie</i>; dit laatste voor <i>aan u</i>, als ook voor de bezittende voornaamw. + meervoud <i>uw, uwe, uwen</i>; b.v. <i>Geulie weet het. Ik zal eulie straks + euliën boek teruggeven</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_11_11" name='Footnote_11_11'></a><a + href='#FNanchor_11_11'>[11]</a> De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord + <i>zeggen</i> is als volgt:<br /> + <br /> + Ik zé, voor: ik zeide, enz.<br /> + Gij zè<br /> + Hij zé<br /> + Wij zéën.<br /> + Gijl. zéet<br /> + Zij zéën.<br /> + <br /> + Het verleden deelwoord is <i>gezèed</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_12_12" name='Footnote_12_12'></a><a + href='#FNanchor_12_12'>[12]</a> Het Fransche woord <i>pourtant</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_13_13" name='Footnote_13_13'></a><a + href='#FNanchor_13_13'>[13]</a> Hebt gijlieden onder Napoleon op de + scheepstimmerwerf of <i>Chantier</i> gewerkt? Is ulieder vader + <i>Garde-Chiourme</i> of slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het + werkwoord <i>zijn</i> altijd met het hulpwoord <i>hebben</i> vervoegd wordt.</p> + + <p><a id="Footnote_14_14" name='Footnote_14_14'></a><a + href='#FNanchor_14_14'>[14]</a> <i>Zullen</i> is een tusschenwerpsel, dat + overmatig in de Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekent <i>verstaat gij + het? Hoort gij het</i>?</p> + + <p><a id="Footnote_15_15" name='Footnote_15_15'></a><a + href='#FNanchor_15_15'>[15]</a> <i>Nieuw, nieuwe, nieuwen</i> is in Antwerpen + <i>nief, nieve, nieven</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_16_16" name='Footnote_16_16'></a><a + href='#FNanchor_16_16'>[16]</a> De <i>g</i> na de <i>n</i> op het einde eener + silbe verandert meest altijd in <i>k</i>, als <i>gang, gank; ding, dink; hij + zong, hij zonk</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_17_17" name='Footnote_17_17'></a><a + href='#FNanchor_17_17'>[17]</a> De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord + <i>beginnen</i> is:<br /> + <br /> + Ik begost, voor: ik begon, enz.<br /> + Gij begost<br /> + Hij begost<br /> + Wij begosten<br /> + Gijl. begost<br /> + Zij begosten.<br /> + <br /> + Het verleden deelwoord is <i>begost</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_18_18" name='Footnote_18_18'></a><a + href='#FNanchor_18_18'>[18]</a> De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord + <i>doen</i> is:<br /> + <br /> + Ik dé, voor: ik deed, enz.<br /> + Gij dé<br /> + Hij dé<br /> + Wij déën<br /> + Gijl. dé of deed<br /> + Zij déën.<br /> + <br /> + </p> + + <p><a id="Footnote_19_19" name='Footnote_19_19'></a><a + href='#FNanchor_19_19'>[19]</a> In de uitgangen <i>heid</i> en <i>lijk</i> + verandert de klank der <i>ij</i> in <i>a</i> en men spreekt, alsof er stond + <i>had, lak, gezondhad, gemakkelakhad</i>, voor <i>gezondheid, + gemakkelijkheid</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_20_20" name='Footnote_20_20'></a><a + href='#FNanchor_20_20'>[20]</a> De <i>o</i> in <i>or</i> wordt uitgesproken als + eene zachte <i>eu: zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij + weurdt</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_21_21" name='Footnote_21_21'></a><a + href='#FNanchor_21_21'>[21]</a> <i>Nu</i> spreekt men gewoonlijk uit <i>na</i>; + de <i>a</i> heeft den korten klank van a in <i>nat</i>. Met nadruk wordt <i>nu, + nouw</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_22_22" name='Footnote_22_22'></a><a + href='#FNanchor_22_22'>[22]</a> Het persoonlijk voornaamwoord <i>hij</i> wordt + alleen gebezigd onmiddellijk vóór het werkwoord, anders zegt men + <i>hem. Zag hem dat hem sliep</i>? beteekent <i>zag hij dat hij sliep</i>. Deze + regel heeft uitzonderingen.</p> + + <p><a id="Footnote_23_23" name='Footnote_23_23'></a><a + href='#FNanchor_23_23'>[23]</a> Tegen den avond.</p> + + <p><a id="Footnote_24_24" name='Footnote_24_24'></a><a + href='#FNanchor_24_24'>[24]</a> Een stuk in den kraag krijgen: <i>dronken + worden</i>.—Van zijnen center zijn, <i>van zijn verstand zijn</i>.</p> + + <p><a id="Footnote_25_25" name='Footnote_25_25'></a><a + href='#FNanchor_25_25'>[25]</a> Honger krijgen.</p> + + <p><a id="Footnote_26_26" name='Footnote_26_26'></a><a + href='#FNanchor_26_26'>[26]</a> Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet + degene, die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige + zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den zieltjeskoek.</p> + + <p><a id="Footnote_27_27" name='Footnote_27_27'></a><a + href='#FNanchor_27_27'>[27]</a> De plaats waar de paarden begraven worden.</p> + + <p><a id="Footnote_28_28" name='Footnote_28_28'></a><a + href='#FNanchor_28_28'>[28]</a> Mécanique.</p> + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="DE_SCHOOLMEESTER_TEN_TIJDE_VAN_MARIA_THERESIA" + name='DE_SCHOOLMEESTER_TEN_TIJDE_VAN_MARIA_THERESIA'></a> + + <h2>DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA</h2> + <br /> + + + <h3>ZEDENSCHETS</h3> + <br /> + + + <p>(<i>Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en lange + lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en eene wereldkaart. + Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest tusschen acht en twaalf jaar oud. + De schoolmeester gaat heen en weer met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; + hij houdt een pennemes in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is + zichtbaar, dat het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, + en weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, anderen + vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig met mannekens te + maken of okentrek te doen</i>.)</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met luider stem en langzaam</i>.—Past op dat gij de + buiken van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar + omhoog trekt!</p> + + <p>GEROEP VAN ALLE KANTEN.—Meester, versnijd mijne pen + eens!—<i>Monsieur, ma plume</i> is te slap! De mijne is te stijf! <i>La + mienne est trop maigre</i>! De mijne is te vet!</p> + + <p>VICTOR, <i>een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit</i>.—Ik heb + gedaan, eh na!</p> + + <p>KAREL, <i>met zachte stem</i>.—Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen + krijgen. G'hebt weer altemaal <i>hanepooten</i> gemaakt, gelijk gisteren.</p> + + <p>VICTOR, <i>zijne stem, zonder het te weten, verheffende</i>.—Dan moeten + ze mijn' pen maar vermaken.—Karel, willen we wat <i>pennekepik</i> doen, + eh?</p> + + <p>DE MEESTER.—<i>Silence</i> daar, met dat<i>lawijd</i>!<a + id="FNanchor_29_29" name='FNanchor_29_29'></a><a + href='#Footnote_29_29'><sup>[29]</sup></a> Victor, pas op dat uw geschrift niet + goed is, gij zult het beklagen, vogel!</p> + + <p>EDWARD, <i>die nevens Victor zit</i>.—Mag ik meê + <i>pennekepik</i><a id="FNanchor_30_30" name='FNanchor_30_30'></a><a + href='#Footnote_30_30'><sup>[30]</sup></a> doen? 'k Zal eene nieuwe pen + geven.</p> + + <p>VICTOR, <i>bitsig</i>.—Neen, gij moogt niet meedoen, <i>aarzak</i>!<a + id="FNanchor_31_31" name='FNanchor_31_31'></a><a + href='#Footnote_31_31'><sup>[31]</sup></a></p> + + <p>EDWARD, <i>schreeuwende</i>.—Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, + meester, Victor en Karel doen altijd <i>pennekepik</i>!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met gramschap</i>.—Ha, ze zijn weer bezig,—ik had + het gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen <i>pennekepikken</i> + meteen! (<i>Hij trekt Victor met zijn oor</i>.) 'k Zal u leeren, luie vlegel. Dat + ligt daar den heelen dag te spelen, in plaats van te leeren. Zijt ge niet + beschaamd, dat gij het geld uwer ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij + daarom alle maanden betalen, omdat ge hier <i>pennekepik</i> zoudt doen, + <i>bedorvendans</i>?</p> + + <p>VICTOR, <i>zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de vingers + stopt</i>.—Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het aan mijn' + moeder zeggen—dan ga ik naar een ander' school, zie na!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>streelend</i>.—Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij + zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het is beter dan + gisteren,—dat verdient eenen <i>Bon</i><a id="FNanchor_32_32" + name='FNanchor_32_32'></a><a href='#Footnote_32_32'><sup>[32]</sup></a>. (<i>Hij + schrijft eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich</i>.)</p> + + <p>VICTOR, <i>mompelende</i>.—Met zijne <i>bons</i> altijd! Wat kan ik + daarmee doen? 'k Ben er vet mee, met zijne <i>bons</i>! Ai mij, mijn oor!</p> + + <p>EDWARD, <i>tot den meester</i>.—Meester, het is zijn geschrift van + gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten <i>Rubbens</i> in zijn + <i>cahier</i><a id="FNanchor_33_33" name='FNanchor_33_33'></a><a + href='#Footnote_33_33'><sup>[33]</sup></a> gemaakt.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>tot Edward</i>.—Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers + kan lijden. (<i>Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen</i>.) Geeft acht op het + <i>dicté</i>;—neemt uwe <i>cahiers</i>. Zijt gij er altemaal?</p> + + <p>AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.—Ja, ja, meester!—ik + niet!—ik wel!—ik kan mijn <i>cahier</i> niet vinden,—mijn pen + schrijft niet,—ik heb geen papier!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>dicteerende met slepende stem</i>.—"De wederspannige + Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."</p> + + <p>VICTOR, <i>Edward bij zijn haar trekkende</i>.—Daar nu,—ga, zeg nu + nog, dat wij <i>pennekepik</i> doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar + trek, schreeuwbakkes!</p> + + <p>DE MEESTER.—"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er + daar wat uitscheiden?</p> + + <p>EDWARD, <i>weenende</i>.—Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd + met mijn haar!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met ongeduld en tegen den grond stampende</i>.—Zij zullen + mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (<i>Dicteerende</i>) "De + wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."</p> + + <p>EDWARD, <i>roepende</i>.—Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>dicteerende</i>.—"Absolon trok op ... tegen...." Victor, + ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... "trok op + tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet gij mij zoo, Piet? + Schrijf dan!</p> + + <p>PIET.—Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.</p> + + <p>FRANS.—'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met + <i>pennekepik</i> te doen.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>in gramschap</i>.—Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar + eens twee kassen. Speel nu nog <i>pennekepik</i>, oudersverdriet, dat gij daar + zijt! (<i>Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en doet hem + met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet weent en snikt; doch dit + belet hem niet, zijne tong uit de steken en alle soorten van spottende gezichten + te trekken</i>.)</p> + + <p><i>Dicteerende</i>: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige God + ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van ..." Victor, wat + doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.</p> + + <p>VICTOR.—Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met wanhoop</i>.—Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat + hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een <i>komplot</i> gemaakt + hebben om mij van de school te doen gaan loopen;—maar 't zal niet waar + zijn, <i>revolutionairs</i>! Gij zult mij niet verjagen....</p> + + <p>EDWARD, <i>schreeuwende</i>.—'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer + <i>okentrek</i><a id="FNanchor_34_34" name='FNanchor_34_34'></a><a + href='#Footnote_34_34'><sup>[34]</sup></a> gedaan, terwijl dat g'aan het + dicteeren waart.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met ongeduld</i>.—Ha, zijt gij weer <i>okentrek</i> aan + 't doen!—en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is om + iets van te krijgen!</p> + + <p>(<i>Hij wendt zich om naar de andere zijde der school</i>.)</p> + + <p>VICTOR, <i>eenen luiden kaakslag aan Edward gevende</i>.—Daar nu! zeg + het nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u eens in de + goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, labbekak! (<i>Zij + vatten elkander bij het haar en vechten met groot gerucht. De meester springt er + naar toe, grijpt hen bij den kraag en trekt ze van elkaar</i>.)</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met groote woede</i>.—Deugnieten! Schelmen! 't Is erger + dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang<a id="FNanchor_35_35" + name='FNanchor_35_35'></a><a href='#Footnote_35_35'><sup>[35]</sup></a>. Gij zult + mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het u: zijt + zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school afvliegt.... Past + op! (<i>Groote stilte in de school. Victor steekt zijne hand onder de tafel en + nijpt in de beenen van Edward; doch deze durft zich niet roeren. De pijn schetst + zich in belachelijke uitdrukkingen op zijn gelaat</i>.)</p> + + <p>DE MEESTER, <i>bedaard</i>.—Waar waren wij? Ha! (<i>dicteerende</i>) "De + boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon den veldslag + ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de vlucht...." Frans, gij let + er niet op. Gij zijt weer bezig met papier knauwen! Laat eens hooren wat ik het + laatst gezegd heb?</p> + + <p>FRANS.—Heb!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>verbitterd en spijtig</i>.—Wat, heb, ezel? Op de vlucht, + heb ik gezegd, (<i>dicteerende</i>) "en reed onder eenen boom door ... doch zijn + lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... van...." Frans, doe dat + <i>manneken</i> weg en schrijf ... "De takken van den boom ... boom, en Absolon + bleef er aan hangen."</p> + + <p>(<i>Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne + tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt het tegen + den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen</i>.)</p> + + <p>VICTOR, <i>blijde</i>.—Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang + haar!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>vergramd</i>.—Frans, gij zult <i>noenoveral</i><a + id="FNanchor_36_36" name='FNanchor_36_36'></a><a + href='#Footnote_36_36'><sup>[36]</sup></a> blijven bakken. 'k Zal u leeren papier + knauwen! Nu zult gij dezen noen niets te knauwen hebben. (<i>Tot al de + leerlingen</i>.) Het <i>dicté</i> is gedaan.—Victor! spel het + laatste woord eens.</p> + + <p>VICTOR, <i>tot Edward</i>.—Wat is het laatste woord? Gaat gij het + zeggen, of ik geef u eenen neep.</p> + + <p>EDWARD.—Neen, nu zeg ik het niet, zie na!</p> + + <p>VICTOR <i>nijpt hem in den rug</i>.—Zegt ge 't nog niet?</p> + + <p>EDWARD, <i>pijnlijk schreeuwende</i>.—Hangen! Hangen!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>tot Edward</i>.—Het wordt aan u niet gevraagd, + schreeuwer. Gij, Victor, spel het laatste woord.</p> + + <p>VICTOR, <i>onverstaanbaar en zeer gauw</i>.—<b>Abchg</b>—hang ... + chrstgen—gen—hangen.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>het hoofd schuddende</i>.—Genoeg, genoeg. Wij zullen het + namiddag spellen.—De kleine Catechismussen weg.—De eerste les!</p> + + <p>(<i>Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne cahiers in + de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne catechismussen open op hunne + knieën om beter te kunnen antwoorden. Victor en Karel ziet men niet; zij + zitten onder de schrijtafel</i>.)</p> + + <p>DE MEESTER.—<i>Attention</i> op de eerste les! Edward, hoevele Goden + zijn er?</p> + + <p>EDWARD, <i>driftig en gauw</i>.—Drie,—'k wil zeggen + twee,—neen, maar één.</p> + + <p>DE MEESTER.—Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?</p> + + <p>VICTOR, <i>zijn hoofd onder de tafel uitstekende</i>.—Zeven: + hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....</p> + + <p>De MEESTER.—Houd op, ketter! <i>Dat</i> weet nog niet, hoeveel Goden dat + er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?</p> + + <p>EDWARD.—Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!</p> + + <p>FRANS.—Neen, wel, meester, ze doen <i>klontjen-trek</i> en + <i>witbier-zet</i> met krieksteenen!<a id="FNanchor_37_37" + name='FNanchor_37_37'></a><a href='#Footnote_37_37'><sup>[37]</sup></a></p> + + <p>DE MEESTER <i>neemt een reglet en slaat in het wilde onder de + tafel</i>.—Schelmen, er uit!—gauw! of ik sla u armen en beenen + vaneen....</p> + + <p>VICTOR en KAREL, <i>onder de tafel heen- en weer kruipende</i>—Ai mij! + 't is in mijn oog!—Ai ai, mijnen kop!—Och God, mijnen neus!</p> + + <p>(<i>Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood en + schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben.</i>)</p> + + <p>DE MEESTER, <i>bij Victor gaande, streelend</i>.—Victor, Victor, nu ziet + gij wat er van komt. (<i>Hij neemt hem zoetjes bij de hand.</i>) Kom hier, + jongen; zit aan de groote tafel.—Ge moogt in de eerste klasse + gaan,—ik zal u een nieuw boek geven.</p> + + <p>VICTOR, <i>binnensmonds</i>.—Dief, dief, na.</p> + + <p>(<i>Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open.</i>)</p> + + <p>VROUW VAN LAER, <i>moeder van Victor</i>.—Goeden dag, meester Verdonck. + Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt geweest, om wat + selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al noodig heeft in zijn + huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, zeide ik, ik zal eens naar + mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er tevreden over?</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met fleemende stem</i>.—Ten uiterste, madam Van Laer. + Victor is wijs,—niet waar, Victor? Het is een mijner beste + leerlingen;—hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat hij in + <i>de Schat der kinderen</i><a id="FNanchor_38_38" name='FNanchor_38_38'></a><a + href='#Footnote_38_38'><sup>[38]</sup></a>.</p> + + <p>VR. VAN LAER.—Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo + rood!</p> + + <p>DE MEESTER.—Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet aan + Victor,—zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (<i>Tot Edward</i>) + Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de school af, wees + zeker!</p> + + <p>EDWARD, <i>morrende</i>.—G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw + reglet in zijn oog geslagen.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>eenen gloeienden blik op Edward werpende</i>.—Zwijg, + franke ezel<a id="FNanchor_39_39" name='FNanchor_39_39'></a><a + href='#Footnote_39_39'><sup>[39]</sup></a>,—want er is toch niets goed van + u te maken. Doe gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.</p> + + <p>EDWARD, <i>binnensmonds</i>.—Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's + niets, straks krijgt hij toch weer haver.</p> + + <p>VR. VAN LAER.—Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam + Laurier,—gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh wel, + die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, gelijk een philosoof. + Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?</p> + + <p>DE MEESTER.—De <i>geographie</i>, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar + hangt ze! (<i>hij wijst op de landkaart</i>.) Uw Victor is daar al heel ver + in,—hij is zelfs een van mijn' besten.</p> + + <p>VR. VAN LAER.—Dat wilde ik wel eens zien.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>tot Victor</i>.—Kom hier voor de kaart, Victor, en laat + eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de <i>geographie</i> zijt! (<i>Victor + gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder</i>.) Hoevele winden zijn + er, Victor?</p> + + <p>VICTOR.—Vier.</p> + + <p>DE MEESTER.—Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij + gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens wijzen, waar de + vier winden zijn.</p> + + <p>VR. VAN LAER, <i>in verrukking</i>.—Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een + kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan hij het + onthouden!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>hij wijst met een stokje boven de kaart</i>.—Victor, waar + is het Noorden?</p> + + <p>VICTOR, <i>met stoutheid</i>.—Van boven.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>het stokje onder de kaart plaatsende</i>.—Waar is het + Zuiden?</p> + + <p>VICTOR.—Van onder.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met het stokje de rechterzijde der kaart toonende</i>.—En + het Oosten?</p> + + <p>VCTOR, <i>met koddigen ernst</i>.—Daar op zijde, waar gij met uw + stoksken wijst.</p> + + <p>VR. VAN LAER, <i>verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden + zag</i>.—Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus geef. + Gij zult nog minister worden, gij!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>tot Victor</i>.—Waar wonen wij? In welk land staat deze + school?</p> + + <p>VICTOR, <i>zeer ernstig</i>.—Op de Paardenmarkt.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>op zijne lippen bijtende en half beschaamd</i>.—Ja, ja, + op de Paardenmarkt, juist!—Maar in welk land zijn wij?—In Spanje, in + Turkije, in Lapland of in Belgenland?</p> + + <p>VICTOR.—In Belgenland.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>vergenoegd</i>.—Ik wist wel, dat hij het niet vergeten + had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (<i>Victor, na lang zoeken, + wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop</i>.) Dat is mis, + Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren + gewezen. (<i>Tot vr. Van Laer</i>.) Madam, hij is beschaamd in uwe + tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen + toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.</p> + + <p>KAREL, <i>tot Edward met zachte stem</i>.—Wat leelijke mouwstrijker dat + de meester is, eh?</p> + + <p>EDWARD.—Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij + geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?</p> + + <p>FRANS.—Ik heb er eenen: let op, hij gaat!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>roepende</i>.—<i>Silence</i>, daar in den hoek!</p> + + <p>VR. VAN LAER, <i>tot den meester</i>.—Ik heb het altijd gezegd, dat onze + Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid + hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te + leeren;—maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt + ... want het kind is er zeker toe geboren.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>zich buigende</i>.—Daarin hebt gij het grootste gelijk + van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen + schoolmeester van maken.</p> + + <p>(<i>Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal + vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer</i>.)</p> + + <p>VR. VAN LAER, <i>verstoord</i>.—Wel wat afgrijselijke dingen!—Een + mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht + dat sommige kinderen zijn opgevoed!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met groote woede</i>.—Wie heeft dit gedaan? Wie durft die + achtbare madam Van Laer met papier werpen?</p> + + <p>EDWARD, <i>roepende</i>.—Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft + gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>Frans bij den kraag naar de deur slepende</i>.—Hier gij, + schelm! De deur uit, deugnietenkind! (<i>Hij werpt hem aan de deur</i>.)</p> + + <p>FRANS, <i>buiten luidkeels schreeuwende</i>.—Ge meent, dat ik nog zal + weerkomen, eh?—maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... + (<i>Stilte</i>.)</p> + + <p>VR. VAN LAER.—Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar + huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij + mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat + zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.</p> + + <p>DE MEESTER.—Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op + het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds + kan.</p> + + <p>EDWARD, <i>tot Karel</i>.—Ja, <i>pennekepik</i> kan hij beter, eh?</p> + + <p>KAREL, <i>roepende</i>.—Meester, Edward lacht u uit!</p> + + <p>EDWARD.—Neen wel, meester, hij is het zelf.—Hij zegt, dat Victor + beter <i>pennekepik</i> kan!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>dreigend</i>.—<i>Silence</i>, daar, zagemannen! of ik zet + u de school af.... (<i>Stilte</i>.) <i>Allons</i>, Victor, let wel op, ik zal het + u eens voordoen. (<i>Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend</i>:) Gij + neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt + gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij + ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....</p> + + <p>PIET, <i>schreeuwende</i>.—Meester, meester! daar vliegt een + <i>meuldener</i><a id="FNanchor_40_40" name='FNanchor_40_40'></a><a + href='#Footnote_40_40'><sup>[40]</sup></a> in de school! Pst! Pst!</p> + + <p>AL DE LEERLINGEN.—Hoera! Hoera!—Pakt hem!—Hoe na of ik had + hem! Hier, daar, pst! pst!</p> + + <p>(<i>Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het + onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet, + waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het + haar.</i>)</p> + + <p>VR. VAN LAER, <i>met bange stem</i>.—Och! och! meester, verlos mij van + dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (<i>De meester + neemt den kever van haar hoofd</i>.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het + zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,—wat moet + gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders + leeren dansen.</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met gramschap rondziende</i>.—Ik zal u straks spreken! + (<i>Stilte</i>.) <i>Allons</i>, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren + rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (<i>Hij geeft eene pen en een + pennemes aan Victor</i>.)</p> + + <p>VICTOR, <i>met ongeduld</i>.—Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar + buik?</p> + + <p>DE MEESTER.—Snijd er maar stoutelijk door, Victor.—Geef ze maar + eene goede snee.</p> + + <p>(<i>Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden, + geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend + achterover vallen. Hij bloedt sterk.</i>)</p> + + <p>VR. VAN LAER, <i>bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare + armen</i>.—Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.—Ziet eens wat + snee. (<i>Zij beziet den verbaasden meester met woede</i>.) Meester Verdonck, ik + weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te + geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.—Dis is uwe schuld....</p> + + <p>DE MEESTER, <i>met spijt</i>.—Hij kon toch geene pen vermaken zonder + mes, madam.</p> + + <p>VR. VAN LAER.—Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al + die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik! + Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij + zal naar eene andere school gaan. (<i>Zij heeft al sprekende haren zoon een + doeksken om den vinger gewonden</i>.) Kom aan, Victor.—Kom naar huis, mijn + kind.</p> + + <p>DE MEESTER.—Maar, madam, gelief....</p> + + <p>(<i>Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om + en steekt zijne tong spottend tot de meester uit</i>.)</p> + + <p>DE MEESTER, <i>pijnlijk en met diepe droefheid tot den + leerlingen</i>.—<i>Eh bien</i>,serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen! + <i>Trêtert</i><a id="FNanchor_41_41" name='FNanchor_41_41'></a><a + href='#Footnote_41_41'><sup>[41]</sup></a> mij dood ... toe, spaart mij niet.... + Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet + waar?—Geeft mij nu nog eene geraaktheid,—maakt mij lam aan armen en + beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh, + monsters? (<i>Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid</i>:) Hoe kunt + gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf + doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der + samenleving te maken?—Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die + zich ziek schreeuwt om u te leeren....</p> + + <p>EDWARD, <i>schreeuwende</i>.—Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met + een strooiken aan heur gat!</p> + + <p>DE MEESTER, <i>stampvoetend en met wanhoop</i>.—Ja, ja, ik weet het wel, + gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de + straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,—een hoop ezels,—zoo bot als + visschen. Nagels van mijne doodkist!... (<i>hij hoest twee of driemalen met + pijn</i>.) Ja, nagels van mijne doodkist;—want ik gevoel wel, dat gij mij + onder den grond zult krijgen, moordenaars! (<i>Hij haalt zijn uurwerk uit den + zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij + het op elf uren</i>!) Het is elf uren.—De school is uit!</p> + + <p>(<i>De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen + gedruis</i>.)</p> + + <p>DE LEERLINGEN, <i>van alle kanten roepende</i>.—Hoera! Hoera! De school + is uit!—Wie speelt er mee broekstavast?—Wie doet er mee in d'O? Wie + heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?<a id="FNanchor_42_42" + name='FNanchor_42_42'></a><a href='#Footnote_42_42'><sup>[42]</sup></a></p> + + <p>DE MEESTER, <i>zijne deur toesluitende en het hoofd + schuddende</i>.—<i>Aures habent et non audient</i>! Alweer twee leerlingen + kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!</p> + <br /> + + + <h3>VOETNOTEN:</h3> + + <p><a id="Footnote_29_29" name='Footnote_29_29'></a><a + href='#FNanchor_29_29'>[29]</a> <i>Lawijd</i>. Gerucht.</p> + + <p><a id="Footnote_30_30" name='Footnote_30_30'></a><a + href='#FNanchor_30_30'>[30]</a> <i>Pennekepik</i>. Ieder brengt + ééne of meer pennen in het spel; men steekt of pikt er beurteling + naar met een pennemes. Wie eene pen aanpikt, wint ze.</p> + + <p><a id="Footnote_31_31" name='Footnote_31_31'></a><a + href='#FNanchor_31_31'>[31]</a> <i>Aarzak</i>. Bedrieger, krakeelzoeker.</p> + + <p><a id="Footnote_32_32" name='Footnote_32_32'></a><a + href='#FNanchor_32_32'>[32]</a> Goedkeuring of goede noot.</p> + + <p><a id="Footnote_33_33" name='Footnote_33_33'></a><a + href='#FNanchor_33_33'>[33]</a> Schrijfboek.</p> + + <p><a id="Footnote_34_34" name='Footnote_34_34'></a><a + href='#FNanchor_34_34'>[34]</a> <i>Okentrek</i>. Men schrijft een getal okens + kegelwijs nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al de + O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie te mogen + raken.</p> + + <p><a id="Footnote_35_35" name='Footnote_35_35'></a><a + href='#FNanchor_35_35'>[35]</a> Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.</p> + + <p><a id="Footnote_36_36" name='Footnote_36_36'></a><a + href='#FNanchor_36_36'>[36]</a> Des middags niet mogen naar huis gaan. + <i>Bakken</i>, voor straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.</p> + + <p><a id="Footnote_37_37" name='Footnote_37_37'></a><a + href='#FNanchor_37_37'>[37]</a> Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met + deze schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle zijde + naar boven, dan heeft men <i>klontjen-trek</i>, en men trekt een getal + krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle zijde naar boven, + dan heeft men <i>witbier-zet</i>, en men is verplicht een getal krieksteenen in + te zetten.</p> + + <p><a id="Footnote_38_38" name='Footnote_38_38'></a><a + href='#FNanchor_38_38'>[38]</a> Een oud schoolboek.</p> + + <p><a id="Footnote_39_39" name='Footnote_39_39'></a><a + href='#FNanchor_39_39'>[39]</a> <i>Frank</i>, Vrijpostig, stoutmoedig, + onbeschaamd.</p> + + <p><a id="Footnote_40_40" name='Footnote_40_40'></a><a + href='#FNanchor_40_40'>[40]</a> Een Meikever of Molenaar.</p> + + <p><a id="Footnote_41_41" name='Footnote_41_41'></a><a + href='#FNanchor_41_41'>[41]</a> Plagen, tergen.</p> + + <p><a id="Footnote_42_42" name='Footnote_42_42'></a><a + href='#FNanchor_42_42'>[42]</a> Verschillende kinderspelen.</p> + <br /> + + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="DE_KWADE_HAND" name='DE_KWADE_HAND'></a> + + <h2>DE KWADE HAND</h2> + <br /> + + + <h3>VERHAAL</h3> + <br /> + + + <p>Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het + menschelijk verstand te boven gaan,—voorvallen, die alle wetenschappelijke + kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten + en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik + ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten + heeft.</p> + + <p>In het jaar 1834 woonde te Borgerhout<a id="FNanchor_43_43" + name='FNanchor_43_43'></a><a href='#Footnote_43_43'><sup>[43]</sup></a> eene + weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, + won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer. + Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar + eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij + zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht + onder de gelukkigsten der aarde.</p> + + <p>Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje + een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer + voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem<a id="FNanchor_44_44" + name='FNanchor_44_44'></a><a href='#Footnote_44_44'><sup>[44]</sup></a> gegaan, + om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den + avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen + huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte + wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was + dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk + onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij + poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche + stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de + verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze + schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde + hare stappen.</p> + + <p>Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder + schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid + de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich + eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje + liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat + lachend voor haar stond en weder vroeg:</p> + + <p>"Welnu, dochter, wat uur is het?"</p> + + <p>Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:</p> + + <p>"Acht uren."</p> + + <p>Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf + betrekken, en zij riep als met booze spotternij:</p> + + <p>"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot + houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan. + Gij weet niet wat u kan overkomen!"</p> + + <p>Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging + haren weg—Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje + ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en + haar hart als tusschen eenen band klemmen.</p> + + <p>Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op + dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op + het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het + wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te + volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in + stroomen over de velden stortte.</p> + + <p>Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare + woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.</p> + + <p>Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den + maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst, + of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te + midden van het huisgezin, roepende:</p> + + <p>"Theresia is dood!"</p> + + <p>Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en + klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te + zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te + twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo + slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel + doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel + afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen + wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig + daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande + het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een + onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich + verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen + hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep + en gevoelloos voor nijpen en schudden.</p> + + <p>Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende + twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte + zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft, + bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo + overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit + medelijden weenden.</p> + + <p>Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die + onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te + weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij + eindelijk met eenen snijdenden zucht:</p> + + <p>"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"</p> + + <p>Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze + woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer + ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve + aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.</p> + + <p>Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te + bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen + even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene + altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat + de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om + zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting + met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste, + telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke + dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten + en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen + zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld + dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren + wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan + en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd + zijnde, op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën + de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder + dat zij schreeuwen kon of opstaan.</p> + + <p>Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de + stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen + de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare + blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een + onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, + en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer + waren ontvlucht.</p> + + <p>Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon + handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en + alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal + te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men + begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij + hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en + onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde + in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar + voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen + somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare + borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp + echter niets:—de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige + meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.</p> + + <p>Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat + zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen + zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare + wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange + vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.</p> + + <p>Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen + Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht + had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen. + Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het + kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de + gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia + niet helpen kon.</p> + + <p>Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang + praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle + zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep + gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets + slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn + gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.</p> + + <p>Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige + oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst + van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij, + zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige + onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, + legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar + eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met + zonderlinge stem:</p> + + <p>"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"</p> + + <p>"Ik weet het wel, man."</p> + + <p>"Hebt gij niets op uwe <i>conscientie</i>?"</p> + + <p>"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."</p> + + <p>"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"</p> + + <p>"Nog veel minder."</p> + + <p>"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd + hebben?"</p> + + <p>"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven."</p> + + <p>"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"</p> + + <p>"Neen."</p> + + <p>"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"</p> + + <p>"Nooit."</p> + + <p>"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u + betooverd heeft."</p> + + <p>"O, daar ben ik zeker van."</p> + + <p>"Wilt gij verlost zijn?"</p> + + <p>"Moet gij dit vragen?"</p> + + <p>"Antwoord mij!"</p> + + <p>"Ja, ik wil verlost zijn."</p> + + <p>De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en + blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest + scheen te spreken.</p> + + <p>Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af + te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met + ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer + verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende + kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover + onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme + wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet + te hoesten.</p> + + <p>Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het + meisje komende, begon hij dit gesprek:</p> + + <p>"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd + heeft."</p> + + <p>"Is het de oude tooverheks, of niet?"</p> + + <p>"Het is de oude tooverheks."</p> + + <p>"O, ik weet het wel."</p> + + <p>"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij, + indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten, + zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel + leggen?"</p> + + <p>"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."</p> + + <p>"Is dit uw goed woord?"</p> + + <p>"Ja."</p> + + <p>De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:</p> + + <p>"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk + volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden + kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik + zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met + geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt."</p> + + <p>"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte + kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet? + Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."</p> + + <p>"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op + een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland + een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen + in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een + nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, + wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te + betalen."</p> + + <p>Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven. + Hij hernam:</p> + + <p>"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie + onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet + belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en + pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft + mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij + moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de + deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene + erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster + uitvliegen.—Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen, + want zij heeft op de wakers geene macht."</p> + + <p>Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen + gaanstok en sprak tot de zieke:</p> + + <p>"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand + gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."</p> + + <p>Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en + verliet de kamer.</p> + + <p>In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar + den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat + men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.</p> + + <p>Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in + de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee + aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op + voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.</p> + + <p>Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad + geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen + den last mijner goede faam te dragen.</p> + + <p>Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door + eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie + spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten, + zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met + stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch + brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen + rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met + gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij + niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze + gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze + vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf + tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat + wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen + waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze + oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur + op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der + tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te + branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende + sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....</p> + + <p>Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze + ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien, + welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in + het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan + vóór ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, + niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht + eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene + ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te + geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te + werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te + pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met + zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:</p> + + <p>"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!—O, neen, neen, scheur mijn hart + niet met uwe nagelen.—Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"</p> + + <p>Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:</p> + + <p>"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los, + trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil, + —ik zal den ouden man verjagen...."</p> + + <p>Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij + waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg + tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte + eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons + nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare + oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te + voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last + volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten + verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen + stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat + zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over + hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of + liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en + kwam langzaam op ons aan.</p> + + <p>Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen + nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen, + wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde, + bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas + eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.</p> + + <p>Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en + met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.</p> + + <p>Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan, + dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia + verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het + ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en + een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.</p> + + <p>Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist + hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den + ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was + niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van + Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er + trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, + dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man + begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van + ouderdom bijna niet meer voort kon.</p> + + <p>Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het + huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige + verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de + schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet + verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.</p> + + <p>Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene + kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware + breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met + ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne + hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een + touw gebonden, op wat stroo te slapen.</p> + + <p>De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de + halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.</p> + + <p>Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf + aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan + haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte + zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat + hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken + van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen + spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij + in den ziedenden ketel.</p> + + <p>Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:</p> + + <p>"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is + het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den + breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te + trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op + dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij + hooren of zien moogt!"</p> + + <p>De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu + begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij + elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der + vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de + tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van + het uurwerk gevestigd.</p> + + <p>Nog vijf minuten!</p> + + <p>In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de + arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een + klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende + galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen + kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als + te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.</p> + + <p>Nog twee minuten!</p> + + <p>De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem + in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed + om te steken....</p> + + <p>Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van + iemand, die met eenen stok gaat.</p> + + <p>"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met + hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.</p> + + <p>De deur ging open.—Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den + toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de + commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes + den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem + insgelijks den breipriem uit de hand.</p> + + <p>Nog ééne minuut!</p> + + <p>"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.</p> + + <p>"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.</p> + + <p>"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde + uit. Dit is verboden."</p> + + <p>De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging + slaan.</p> + + <p>"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, + één kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! + Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!"</p> + + <p>"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen, + of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn + veroorzaken.... Zoo, kom aan!"</p> + + <p>Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij + worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de + tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag + van twaalf uur ging af!...</p> + + <p>Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de + armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"</p> + + <p>Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur + ingeloopen, roepende:</p> + + <p>"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is + zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"</p> + + <p>De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede + naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de + geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis + verwezen.</p> + + <p>—Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot + louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de + Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het + nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van + de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia + bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer + aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle + geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde + uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal + men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan + tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?</p> + <br /> + + + <h3>VOETNOTEN:</h3> + + <p><a id="Footnote_43_43" name='Footnote_43_43'></a><a + href='#FNanchor_43_43'>[43]</a> Eene gemeente bij Antwerpen.</p> + + <p><a id="Footnote_44_44" name='Footnote_44_44'></a><a + href='#FNanchor_44_44'>[44]</a> Eene gemeente bij Antwerpen.</p> + <br /> + + <hr style='width: 65%;' /> + <a id="STRIATA_FORMOSISSIMA" name='STRIATA_FORMOSISSIMA'></a> + + <h2>STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS</h2> + <br /> + + + <h3>ZEDENSCHETS</h3> + <br /> + + + <p>Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem; + misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der + poëtische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen + plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber + noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om + Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe + u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge + schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt + Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.</p> + + <p>Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme + menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de + Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze + beschrijving.</p> + + <p>Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte + des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden + verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des + nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd + Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een + andere Josué, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis + nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het + bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en + rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene + Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in + zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne + bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en + slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet + ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den + hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt + daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er + eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de + verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat + hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar + van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, + gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in + tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij + reeds sedert eenige maanden van buiten kent,—en gaat eindelijk zeer vroeg + te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen + mijmeren.</p> + + <p>Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over + gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij + zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh? + Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets + schooners op de wereld dan de Dahlia?"—Vruchteloos doet gij pogingen om hem + op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen<a + id="FNanchor_45_45" name='FNanchor_45_45'></a><a + href='#Footnote_45_45'><sup>[45]</sup></a> zijn aangenomen, hij beziet u als een + inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen + besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men + zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:—dit zou spijt + zijn!"—Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid, + hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen? + Onmogelijk! onmogelijk!"</p> + + <p>—Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal + beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde + gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.</p> + + <p>—En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den + ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia + aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de + geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia + oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts + <i>enkele</i> bloemen als starren geeft,—dat zij haren naam ontleent van + Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd + opgedragen,—dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje + werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen + kruidenhof,—dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 + verkreeg, enz.</p> + + <p>Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber + te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij + zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, het + <i>goeden dag</i> weigeren.—Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij + zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten + en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit + met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet: + het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft + toegesteld.—Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder + zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier<a + id="FNanchor_46_46" name='FNanchor_46_46'></a><a + href='#Footnote_46_46'><sup>[46]</sup></a> vertrapt hij met voeten; de + overvloedige bloemende Wolroos<a id="FNanchor_47_47" name='FNanchor_47_47'></a><a + href='#Footnote_47_47'><sup>[47]</sup></a> geeft hij aan zijne geit; zijn + mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei, —Pioen, + —Tuiltje, —Vingerhoed, —Violier, —Beverken, + —Veldklok, —Knaptand, —Lelie, —Brikel<a + id="FNanchor_48_48" name='FNanchor_48_48'></a><a + href='#Footnote_48_48'><sup>[48]</sup></a> en uit andere lieve, zonderlinge of + glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den + Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.</p> + + <p>Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne + alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit + verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat + de <i>Marmot</i> een dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en + zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de + aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan + dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in + den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven; + zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij + vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente. + Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens + zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en + kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en + verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo + onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is + de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen + langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den + verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een + floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke + afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde + Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij + voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene + natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt + zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het + venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf + de trap af, opent de deur en springt den hof in.</p> + + <p>Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de + hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat + hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij + opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden + hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen + weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam + aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren + bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een + onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer + vriezen zal, en dat de plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber + blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de + lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge + stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo + blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij + staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom. + Dáár, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken<a + id="FNanchor_49_49" name='FNanchor_49_49'></a><a + href='#Footnote_49_49'><sup>[49]</sup></a> met zes zilveren bellekens te pralen. + Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de + natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere + bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:</p> + + <p>"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij + weer leven!"</p> + + <p>De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog + ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten + schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens + voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er + de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het + hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en + gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.</p> + + <p>De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en + woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger + van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van + inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.</p> + + <p>U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt + verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit + gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.</p> + + <p>M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine + boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat + er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot + tijd tot zich zelven als volgt:</p> + + <p>"<i>Anna Maria</i> plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met + muizenoorkens en met purperen punten. <i>Buonaparte</i>, met haren stijven steel + en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens <i>Waterloo</i> met hare + fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik <i>Défiance</i> nog planten? Die + Dahlia <i>doet het bijna nooit</i><a id="FNanchor_50_50" + name='FNanchor_50_50'></a><a href='#Footnote_50_50'><sup>[50]</sup></a>. Het is + anders nog al eene aardige: chocolade met melk.—Ik zal haar in het midden + zetten met <i>Englands pride</i>, <i>don Carlos</i>, <i>Formosa</i> en + <i>Hortense Knyff</i>. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar + zet ik mijne <i>Striata Formosissima?</i><a id="FNanchor_51_51" + name='FNanchor_51_51'></a><a href='#Footnote_51_51'><sup>[51]</sup></a> Ik mag + daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik + haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen + slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede + gezien, eer zij aan mijne <i>Striata Formosissima</i> komen. Dit mag ook niet + zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar + zal ik haar dan zetten?"</p> + + <p>Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het + kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef + zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij + eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven + als iemand, die geslapen heeft.</p> + + <p>"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne <i>Striata Formosissima</i> + planten?"</p> + + <p>Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord. + Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te + slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak + zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:</p> + + <p>"Dat zijn weerkens, eh?<a id="FNanchor_52_52" name='FNanchor_52_52'></a><a + href='#Footnote_52_52'><sup>[52]</sup></a>"</p> + + <p>M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het + vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en + herhaalde als met gramschap zijne vraag:</p> + + <p>"Waar zal ik mijne <i>Striata Formosissima</i> toch planten?"</p> + + <p>M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te + lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:</p> + + <p>BIELENS.—Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen + dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze + Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van + mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel + beslissen.</p> + + <p>FRUYTS, <i>blijmoedig</i>.—Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet + wat bloemken mijne <i>Striata Formosissima</i> is. Niemand heeft haar in honderd + uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de + liefhebbers van Merxem<a id="FNanchor_53_53" name='FNanchor_53_53'></a><a + href='#Footnote_53_53'><sup>[53]</sup></a> ditmaal eens kloppen, dat zij uit + hunne oogen niet meer zullen zien.</p> + + <p>BIELENS.—Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge + zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?</p> + + <p>FRUYTS.—Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder + geweest.</p> + + <p>BIELENS, <i>invallende</i>.—Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu + eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den + Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er + niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?</p> + + <p>FRUYTS, <i>hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen</i>.—Zie, + Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche + lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.</p> + + <p>BIELENS, <i>in het boeksken lezende</i>.—"N° 756, <i>British + Queen</i>, Well's.—Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, + overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het + huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen.</p> + + <p>FRUYTS, <i>in gedachte dwalende</i>.—Dit moet eene schoone bloem zijn, + eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt + gij mij hem te koopen?</p> + + <p>BIELENS, <i>met ongeduld</i>.—Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen + Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze + kinderen na Paschen, ja of neen?</p> + + <p>FRUYTS, <i>hij schudt het hoofd met spijt</i>.—Wel ja, ja zeker. Zijt + gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de <i>British Queen</i> + nu koopen, zeg?</p> + + <p>BIELENS.—Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet + gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe + dochter wel een rond sommeken medegeven?</p> + + <p>FRUYTS.—Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe + liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij + alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.—Maar zeg, hebt gij uwe + Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?</p> + + <p>BIELENS.—Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien + gelegd.—Ik ga <i>boeturen</i><a id="FNanchor_54_54" + name='FNanchor_54_54'></a><a href='#Footnote_54_54'><sup>[54]</sup></a>.</p> + + <p>FRUYTS.—De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt, + zal ik ze eens gaan bezoeken.</p> + + <p>BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het + huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het + behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te + vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?</p> + + <p>FRUYTS.—Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden dan + <i>ja</i>. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan + niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot + namiddag.</p> + + <p>Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het + gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets + klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit + dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond + een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken + en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg + den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar + oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen.</p> + + <p>"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal + het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd + bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat + staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"</p> + + <p>De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met + bevende stem:</p> + + <p>"Den sleutel, zeg ik!"</p> + + <p>"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. + Dáár is de sleutel."</p> + + <p>M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch + gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk + en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs + de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een + getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber + gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en + voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.</p> + + <p>Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding + werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen + halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste + praal! Daar staat <i>Miss Colt</i>, de satijnen roos, daar <i>Conqueror</i>, het + fijn geplooid bruin fluweel; hier <i>Fireball</i>, de gloeiende vuurbol, en de + tweekleurige <i>Nonpareil</i>; verder de gulden <i>Topaas</i>, de zilveren + <i>Virgin Queen</i> en de zwarte <i>Sambo</i>. Duizende andere Dahlia's vertoonen + zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord + dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt + hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen + kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door + eenen verleidenden geur bewierooken. In één woord, een Paradijs van + ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont + gij uwen dienaar!</p> + + <p>De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende + begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen + fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de + hoogste schab stond,—en sprak mompelend:</p> + + <p>"Dáár, in dat houten baksken, ligt mijne <i>Striata + Formosissima</i> zoo gerust op een bed van zemelen te slapen. <i>Striata + Formosissima!</i> edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de <i>Striped + perfection</i> niet zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe + uwe bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij durven de + doffe vlekken van <i>Striped perfection</i> bij uwe anjelierische bestreping + vergelijken<a id="FNanchor_55_55" name='FNanchor_55_55'></a><a + href='#Footnote_55_55'><sup>[55]</sup></a>. O, zij dwalen: de nijd verblindt hen; + maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal wegrukken...."</p> + + <p>Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen laten, + om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge verloofde van Bielens zoon + was juist uit de stad te huis gekomen. Daar zij voorbij de woning van haren + toekomenden man gegaan was, twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige + woorden van zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet, + of zij voegde er haastig bij:</p> + + <p>"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen. Zult gij + hem wat helpen?"</p> + + <p>De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer dochter en + antwoordde:</p> + + <p>"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan komt het + er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig met zijne Dahlia's uit + den kelder te halen."</p> + + <p>Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.</p> + + <p>"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"</p> + + <p>"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw glimlachend op. + "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,—wees daar niet bang voor. Ik zeg + toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een eerlijk burgerskind; hij past op + en heeft al eenen goeden trek op zijn kantoor.—Gij hebt u beiden altijd + braaf gedragen. Ja, ja, na Paschen."</p> + + <p>Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich stil en + overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort eenig klein huiswerk te + verrichten. Weinig tijds daarna verscheen Frans Bielens, gekleed als een jong + heerken, tamelijk fraai van gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. + Ternauwernood kon men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met + eenen lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder zeide:</p> + + <p>"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn tevreden; + gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het hangt dus van M. Fruyts + alleen af, ons blijde en gelukkig te maken. Heb de goedheid hem voor mij een + oogenblik gehoor te verzoeken; ik zou hem gaarne alleen spreken."</p> + + <p>"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder schertsend. "Ik zie + wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten worden. Gij hebt gelijk, het is dat + gij elkander bemint. Wacht een weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan + roepen."</p> + + <p>Zij naderde de kelderdeur en riep:</p> + + <p>"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"</p> + + <p>Een gemor, dat wel op een <i>ja</i> geleek, antwoordde op haren roep. Zij + verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:</p> + + <p>"Hij zal terstond komen."</p> + + <p>Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de verschijning + van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder een groot gerucht: het + schijnt, dat men een paar ledige flesschen tegen den muur aan stukken slaat; de + schabben worden krakend van den muur gerukt, en van den eenen kant naar den + anderen geworpen. Het is er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de + stem van M. Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in + grievende galmen klinkt de naam van <i>Striata Formosissima</i> herhaalde malen + de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der bevende gelieven + klinken.</p> + + <p>Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man over zijn + breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en hetgeen zij ziet, belet + haar te spreken.</p> + + <p>Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van Fruyts. Zijn + haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn half hemd is uit zijn + ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe hij in zijne borst moet gewroet + hebben; zijne broek is bedekt met slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen + kleven nog de stukken der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. + In de eene hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de + zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende kracht een + stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn gelaat getuigt van de + uiterste wanhoop:—de wenkbrauwen over de ogen gezonken, de hoeken van den + mond stuiptrekkend naar achter, en de bloote tanden opeengesloten als van iemand, + die bijten zal.... Met schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit + en stuurt zijn gezicht in het wilde rond.—De vrouwen staan verbaasd en + sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder met de + handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze is verbitterd over + den gekken toestand, in welken hij zich nu geplaatst ziet. Gewis kan hij de + oorzaak er van raden, want een grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. + De vrouw begint de verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:</p> + + <p>"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te + slokken?"</p> + + <p>De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt niet.</p> + + <p>DE MOEDER.—Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze + grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (<i>Zij verzacht hare + stem spottend</i>.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe hand gevallen? Och + arme!—Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor zulke vodden?</p> + + <p>DE DOCHTER; <i>zij wil den arm haars vaders vatten</i>.—Och, vader, wat + is er gebeurd? Zeg het aan mij.</p> + + <p>DE VADER; <i>hij stoot ze weg</i>.—Laat mij gerust! Spreek mij niet aan! + Uit mijne oogen! (<i>Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar zulken + geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt</i>.) Lomp, lui beest! Gij + tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen of gij krijgt eenen steen + aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost geven?</p> + + <p>DE MOEDER, <i>met gramschap</i>.—Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot? + Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden te doen? + (<i>Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en snauwt hem toe</i>.) + Zijt gij van zin er uit te scheiden met die belachelijke komedie, of ik zal u + eens aan de deur zetten, hoort gij het?</p> + + <p>Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde zijne + vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij sprakeloos door de + kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het oogenblik zijner verkoeling + afwachtten. De ongelukkige liefhebber sloeg zich van tijd tot tijd met de hand + voor het hoofd, en scheen aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. + Dan, hij kon echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem + besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij uit:</p> + + <p>"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker vermaak + scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar ik zal uwen lekkeren + vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia in zijn hof houden, al moest ik + dieven betalen om ze te gaan aan stukken stampen."</p> + + <p>DE JONGELING, <i>met spijtige kalmte</i>.—Ik weet niet, Mijnheer Fruyts, + dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede vrienden!</p> + + <p>DE VADER, <i>bitsig</i>.—Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke + verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet aandoen.</p> + + <p>DE JONGELING.—Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan, Mijnheer + Fruyts?</p> + + <p>DE VADER.—Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's niet + doen sterven—uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille, die hij won, + niet van mij gestolen, zeg?</p> + + <p>DE JONGELING, <i>verwonderd</i>.—Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen + sterven? Dit wist ik niet.</p> + + <p>DE VADER, <i>met klimmende woede</i>.—Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat + ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?—En is het zijne + schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?<a id="FNanchor_56_56" + name='FNanchor_56_56'></a><a href='#Footnote_56_56'><sup>[56]</sup></a></p> + + <p>DE JONGELING.—Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen; maar + gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen hebben zijne + Dahlia's ook afgebeten.</p> + + <p>DE VADER, <i>bulderend</i>.—Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij + dan de medaille gewonnen, zeg?—Valschheid en bedrog, ja! Maar dit was al + lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij mij duur betalen. En + zeg hem maar:—van nu af aan geene vriendschap meer; en gij, die den stille + en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar uit mijn huis blijven.—Als mijne + dochter u nog durft aanspreken, steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. + (<i>De dochter begint te weenen</i>.)</p> + + <p>DE MOEDER, <i>met spotternij</i>.—Maar hoe kan een mensch van + vijfenveertig jaar toch zoo zagen!—Wanneer zullen wij nu eens weten, wie er + dood is?</p> + + <p>DE VADER.—Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet. Dat + weet <i>ik</i>, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten. Tien jaren + verkorting van mijn leven!</p> + + <p>DE JONGELING.—Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw ongeluk + mijn vader u veroorzaakt heeft?</p> + + <p>DE VADER, <i>in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne + oogen</i>.—Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er + geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat hij wel kon + denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar, o schelmerij! (<i>Hij + geeft aan zijne stem een fleemenden toon</i>.) Jan, zegt hij met eenen loozen + treek, Jan, leg uwe <i>Striata Formosissima</i> in eenen bak met zemelen; dan zal + zij goed droog blijven.—En wat is er geschied?—Zie, ik kan mijne + gramschap niet bedwingen....</p> + + <p>DE VROUW.—Welnu, wat is er geschied, zageman?</p> + + <p>DE MAN, <i>met droefheid</i>.—Wat er geschied is! Luister, wat + verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest opgegeten + waren, hebben zij mijne <i>Striata Formosissima</i> ook opgeknabbeld. Weet gij + het nu?</p> + + <p>DE VROUW, <i>hem uitlachende</i>.—Wel, wel, is het anders niet? Blijven + er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo te werk gaan + en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk uwer dochter overgebeten + hebben?</p> + + <p>DE VADER.—Anders niet, anders niet! (<i>Tot den jongeling</i>.) Mijn + huis uit, flierefluiter.—Gauw!</p> + + <p>DE DOCHTER, <i>weenend</i>.—Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt + beloofd, dat wij mochten trouwen.</p> + + <p>DE VADER.—Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,—met + den valschaard, die mijne <i>Striata Formosissima</i> aan de ratten overgeleverd + heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den bult van Okeren.</p> + + <p>DE MOEDER.—Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens kort + spel mede maken. (<i>Zij vat haren man bij den schouder en zet hem ten huize uit. + Zij sluit de deur toe</i>.)</p> + + <p>M. Fruyts bleef eenige oogenblikken vóór de deur staan; doch + ziende, dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen naar + de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te planten. Hij hield + nog altijd het stuk wortel van zijne <i>Striata Formosissima</i> in de hand, en + wrong het stuiptrekkend tusschen zijne gespannen vingeren. Zijn hoofd hing + krachteloos op zijnen schouder; zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de + Dahlia's-plek gekomen, overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk + wortel, dat hij onder zijn gezicht bracht:</p> + + <p>"<i>Striata Formosissima</i>! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie mijne + vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene medaille zal ik + hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de ratten geweten, dat iedere + beet, dien zij u toebrachten, een beet in mijn hart was! Hadde ik het kunnen + voorzien, ik hadde mijnen kelder opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende + dieren te verzadigen. Maar te laat is dit beklaagd,—gij zijt voor mij + verloren. O ramp!"</p> + + <p>En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk wortel + over het wijde veld.</p> + + <p>Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend, door de + paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien dag weigerde te + eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de gebeden zijner dochter, al de + berispingen zijner vrouw hadden geene macht genoeg om hem in huis en bij het vuur + te doen komen.</p> + + <p>Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te midden van + zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne tanden klapperen. In + deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te gevoelen over de barschheid, met + welke hij zijne dochter en den jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, + dat men hem onder de Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw + bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het hoofd + opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm tot zich zag + komen.</p> + + <p>Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:—de deur + uit, gauw!—maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem een gevouwen + briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem aan en ontvouwde de + plooien met eenen spottenden grimlach.</p> + + <p>Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M. Fruyts? Wat + roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht, die zijne borst + ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke tijding.—Hij + leest:</p> + + <p>"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik heden aan + den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de echte <i>Striata + Formosissima</i>."</p> + + <p>Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten + bloemenkweeker.</p> + + <p>"Gij bezit eenen wortel van de <i>Striata Formosissima</i>!" riep M. Fruyts in + verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is waarheid! Laat zien + dien wortel!"</p> + + <p>Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier en het + mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo zoeten glimlach, + dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze betasting vond.</p> + + <p>"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene <i>Striata + Formosissima</i>."</p> + + <p>Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.</p> + + <p>"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia hebt, gij + kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."</p> + + <p>"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer + V—— sedert vier dagen een wortel van de <i>Striata Formosissima</i> + gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden uitslag mijner + pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was. De heer V—— + heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand bezit hem nu in de omstreken, + misschien niet in België, dan ik alleen. Zoudt gij hem van mij willen + aanvaarden, als een bewijs mijner mededeeling in uwe droefheid?"</p> + + <p>Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts; hij deed + eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de eene hand tegen zijn + hart, terwijl hij met de andere den jongen Bielens naar het huis voorttrok. Hier + zat de dochter bij de stoof te weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. + Vrouw Fruyts rustte met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van + aantrekkelijk te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:—"Zijt gij + daar, flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht gevende, hief + den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:</p> + + <p>"Hoera! Hoera! Ik heb mijne <i>Striata Formosissima</i> weer! Toe, vrouw! laat + ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw eene goede + flesch uit den kelder,—van het patersvaatje! En gij, mijne lieve Trees," + sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende, "vergeef mij ook, mijn kind, dat + ik zoo boos ben geweest.—Kom hier, Frans, mijn zoon!"</p> + + <p>Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:</p> + + <p>"Vivat <i>Striata Formosissima</i>! Leeft lang en trouwt na Paschen!"</p> + <br /> + + + <h3>VOETNOTEN:</h3> + + <p><a id="Footnote_45_45" name='Footnote_45_45'></a><a + href='#FNanchor_45_45'>[45]</a> Een gewichtig verdrag tusschen België en + Holland.</p> + + <p><a id="Footnote_46_46" name='Footnote_46_46'></a><a + href='#FNanchor_46_46'>[46]</a> Dianthus Caryophyllus.</p> + + <p><a id="Footnote_47_47" name='Footnote_47_47'></a><a + href='#FNanchor_47_47'>[47]</a> Lychnis Dinica.</p> + + <p><a id="Footnote_48_48" name='Footnote_48_48'></a><a + href='#FNanchor_48_48'>[48]</a> Aquilegia—Paeonia—Dianthus + barbatus—Digitalis + pupurea—Cheiranthus—Astrantia—Campanula—Anthirrinum—Lilium—Primula + Auricula.</p> + + <p><a id="Footnote_49_49" name='Footnote_49_49'></a><a + href='#FNanchor_49_49'>[49]</a> Galanthus Nivalis.</p> + + <p><a id="Footnote_50_50" name='Footnote_50_50'></a><a + href='#FNanchor_50_50'>[50]</a> Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en + vele mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen komen, + zooals zij zijn moeten.</p> + + <p><a id="Footnote_51_51" name='Footnote_51_51'></a><a + href='#FNanchor_51_51'>[51]</a> Allerschoonste gestreepte.</p> + + <p><a id="Footnote_52_52" name='Footnote_52_52'></a><a + href='#FNanchor_52_52'>[52]</a> Dit is een fraai weder.</p> + + <p><a id="Footnote_53_53" name='Footnote_53_53'></a><a + href='#FNanchor_53_53'>[53]</a> Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk + Dahlia's-liefhebbers wonen.</p> + + <p><a id="Footnote_54_54" name='Footnote_54_54'></a><a + href='#FNanchor_54_54'>[54]</a> <i>Boeturen</i> beteekent: jonge Dahlia's kweeken + bij middel van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt.</p> + + <p><a id="Footnote_55_55" name='Footnote_55_55'></a><a + href='#FNanchor_55_55'>[55]</a> Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus + of Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd.</p> + + <p><a id="Footnote_56_56" name='Footnote_56_56'></a><a + href='#FNanchor_56_56'>[56]</a>Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol + (Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met paardenmest gevet + zijn.</p> + <br /> + + + <h2>EINDE</h2> + </div> + </div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN *** + +***** This file should be named 13595-h.htm or 13595-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13595/ + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + + </body> +</html> + + + diff --git a/old/13595-h/images/illustratie3.png b/old/13595-h/images/illustratie3.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8d09c42 --- /dev/null +++ b/old/13595-h/images/illustratie3.png diff --git a/old/13595-h/images/illustratie59.png b/old/13595-h/images/illustratie59.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4088286 --- /dev/null +++ b/old/13595-h/images/illustratie59.png diff --git a/old/13595-h/images/illustratie87.png b/old/13595-h/images/illustratie87.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f798157 --- /dev/null +++ b/old/13595-h/images/illustratie87.png diff --git a/old/13595-h/images/titelpagina.png b/old/13595-h/images/titelpagina.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bcc1e03 --- /dev/null +++ b/old/13595-h/images/titelpagina.png diff --git a/old/13595.txt b/old/13595.txt new file mode 100644 index 0000000..807965d --- /dev/null +++ b/old/13595.txt @@ -0,0 +1,6171 @@ +The Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Avondstonden + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595] +[Last updated: August 27, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN *** + + + + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + + + + + + + + +HENDRIK CONSCIENCE + +Avondstonden + + + +INHOUD + + +Quinten Massys + +De engel des goeds en de geest des kwaads + +De nieuwe Niobe + +Weetlust en geloof + +Het beulskind + +De geest + +De schoolmeester ten tijde van Maria Theresia + +De kwade hand + +Striata Formosissima of de Dahlia's-koorts + + + + +[Illustratie: De abdisse nam het boek uit handen der non.] + + + + +QUINTEN MASSYS + + +Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen, +eenige kleine huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden +en aan geringe menschen werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond +door ambachtsgezellen, die van hun arbeidsloon met moeite genoeg +konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te betalen; of wel +door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat +zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven. + +In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene +weduwe met haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de +wereld bezat, hadden niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar +dak gewoond; zij droeg hare armoede met het grootste geduld en zou +niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren verruild hebben. +Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de +zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere +moeder was en al het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon +gekeerd had, was het haar een genoegzaam gelukzalig lot, zich door +hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al hare zuchten was de +naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had +toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar +zoon, die zijne moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en +nacht om haar niets te laten ontbreken, en, wanneer hij maar gissen +kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het zweet zijns aanschijns +niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om zijne +moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij +zoodanig bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende, +dat niemand hem in het smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven +ging, en hij een ruim loon voor zijnen arbeid ontving. Dit was eene +der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak versierd was +en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter +Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust +vond, zong en was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten +naam vergeten, om hem dien van _vroolijken smid_ te geven. + +Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit +genoegen, al die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er +vloeiden, zuchten die men er hoorde, en het zingen van den vroolijken +smid was eene zaak, waaraan de geburen niet meer dachten, dan om zich +gelukkige tijden te herinneren. + +Het was op eenen Maandag;--de weduwe zat met natbeschreide wangen bij +het bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke +zoovele jaren den voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die +zooveel zweet voor zijne moeder had gestort, was nu als in een +ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten hals +gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne +sleutelbeenderen lagen zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als +met een doorschijnend lijnwaad waren overtrokken geweest: zijn gansch +lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht droeg geen het +minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op +afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de +flauwe oogen, die hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot +tijd kwam er nog eene uitdrukking van zaligheid zijn mager aangezicht +beglanzen: het was wel geen lach, maar iets onverstaanbaars, eene +geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer van +het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de +bedrukte moeder, ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde +en van doodende foltering in haren zoon omging, zijne beenige hand en +zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde slechts van hare +lippen, de naam van haren stervenden zoon: + +"Quinten! o, Quinten!..." + +Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe +opnieuw overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe +stemme: + +"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?" + +"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent +gij om mij, en gij krenkt uwe gezondheid.--O, wat ben ik +ongelukkig!--Ik zal sterven, dit voel ik; niet door de ziekte van +mijn lichaam--dit zou mij misschien het leven sparen, maar er is +iets, o God!--iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, iets, +dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet +wenschen.--O, moeder, moeder!" + +En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog +veel vochts te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken +over zijne dorre wangen. + +De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld +verbergende, sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere +drift in hare beide armen en zoende de tranen van zijn aangezicht. + +"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch +aan uwe moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.--En +dan, Quinten, dan zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit +mogelijk!" + +Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog +onbeweeglijker in de oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen +ophielden van overvloediger op zijne wangen te rollen. + +"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw +hart ligt. Ik bid u, in Gods naam, spreek!" + +Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten; +hij bedekte zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem, +die zulke geweldige ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen, +dat zijn levensdraad ging breken: + +"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten. +Denkt gij, dat ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;--ik +zie u vergaan als eene schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind +alleen!" + +"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde +fierheid. "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet. +Honger lijden voor u, mijn Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige, +dat ik in voor mijn kind te lijden den eenigen troost vind, die mij +nog op aarde overblijft." + +"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop, +"naar den arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne +moeder van honger vergaat, zonder haar een stuk zuur brood te kunnen +bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade onwaardig, indien ik niet +stierf!" + +Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat +hij door drift had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met +meer kalmte bij zijne eerste woorden: + +"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde +heeft, niets, waarvoor men ons een brood geven zou?" + +"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb +alles verkocht,--denk niet meer aan zulk middel." + +De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed, +dat zijn gebeente onder het deksel kraakte. + +"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die +reeds bij den dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O, +neen, dit zal niet zijn.... Ho, ik zal opstaan en u doen zien, wat +de liefde van eenen zoon tot zijne moeder vermag.--Geef mij mijne +kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, niet gegeten +hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder! +de zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet +vergramd.... Ik gevoel kracht! Ik leef!" + +Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne +ziekte was opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot +zwaren arbeid bereidt; en de bewegingen, welke hij deed, waren zoo +los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet begrijpen kon wat dit +beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van een +mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem +staren! + +Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen +aangetogen; maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns +lichaams te overwinnen, men kon echter genoeg zien, dat er weinig in +zijnen toestand was veranderd; want zijne bewegingen werden +allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij +eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend +omhelsde, en dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en +riep: + +"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar--ik kan niet!" + +Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van +het klooster van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad +binnen. + +"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken +Quinten.--Maar wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier +gebeurd, dat gij beiden daar zit en weent?" + +De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk +waren en nooit om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de +schaamte hen, van over hunnen nood iets te kennen te geven.--Waar is +toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn smeekend zal zeggen: ik +heb honger? + +De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij +plaatste den korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene +flesch uit; dan schonk zij daaruit eene goede teug rooden wijn in +eenen beker. + +"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u +uitermate versterken: daar, drink het uit!" + +"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend +gelaat, "beloof ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster +Ursula!" + +"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker +geven." + +"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan +van vreugde in elk oog. + +Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug +wijns genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens +gezicht, zeggende: + +"Ho! ik heb nog al iets zie maar." + +Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief +zijne armen ten hemel en riep: + +"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het +toch zeggen, aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt +laven en troosten. Zuster ... zuster, mijne oude moeder heeft in +drie dagen niet gegeten." + +"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar, +hier is een fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch." + +De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood +nuttigen kon; hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde, +want de gedronken wijn had haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de +non bezig was met haar tot eten aan te manen, had Quinten +ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich getrokken, +zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte +zij deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op +gevoeld. + +"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?" + +"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op +mij, indien ik uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van +dankbaarheid en van eerbied!" + +De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van +Quinten, dat alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene +ongemeene kracht: men zou gezegd hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om +zich uit die lastige gesteltenis te redden, begon zij eensklaps van +wat anders te spreken. + +"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke +menschen; hier in de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de +wolwever Veken, de timmerman Balens en Hans de tapissier. Bij de twee +eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens krijgen kan; maar +de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...." + +"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig +in de rede. + +"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der +melaatschen," was het antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar +omdat hij ziek is, zien wij daar niet nauw op.--Zie, daar zijn er, +die ik juist bij hem heb afgehaald." + +Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten, +die ze een voor een overzag. + +"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen." + +"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks +beelden in zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar +gij, die een smid zijt,--dit zou u niet gaan, geloof ik." + +Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid +tot de non keerende, sprak hij: + +"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die +eene pomp maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de +Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het is waar, ik heb nooit met verven +gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige beeldekens bederven; +doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder +arbeidt, geen gewoon werkman is.--Misschien zou ik kunnen gelukken; +er is iets, dat mij het zegt." + +"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat +gij kunt. Uwe moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven +en penseelen medegeven." + +"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal +ik kunnen werken,--en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik +zeker, want gij zult om mij niet meer honger lijden. Ga gauw!" + +Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de +beeldekens, het eene na het andere, door zijne handen gaan, +overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood of groen maken zou. In +die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat zijne +magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij +bewoog de vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij +reeds aan het schilderen ware geweest. De beeltenissen, die hij onder +het oog had, waren gebrekkelijk en slecht,--hij zag dit wel; want in +zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst gemeen gemaakt, hetgeen +genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer waren +gesmeed. + +Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed, +schikte een vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half +zittende te schilderen. De oude weduwe was dermate nieuwsgierig, om +te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, dat zij met angstige +nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde. + +Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur +tijds, eene print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten +bedekt. + +Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij: + +"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,--het gaat mijne verwachting +te boven!" + +De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel +aanbood; doch zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en +stond in bewondering en als verbaasd voor het geschilderd +beeldeken. + +"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te +laten zien!" + +"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit +terug, opdat ik het voor mij legge." + +"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?" + +"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het +bezien, om ze in het tweede te verbeteren." + +De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een +onuitsprekelijk geluk overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de +beeldekens wel geschilderd had, want daar wist zij in het geheel +niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van eenige +stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed +aanvaard werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren +zoon, die nu, door de drift des arbeids ondersteund, in veel beteren +staat scheen te zijn en na het voltooien der derde print de eerste +woorden van een zijner vergetene liedekens, bij wijze van uitroeping, +had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte moeder het +werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende +bemerkte: + +"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!" + +De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren +zoon aan, om ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er +in toestemde; en moeder Massys liep, zou gauw zij kon, naar het +klooster, dat op eenige boogschoten in de nabijheid der stad lag. Zij +klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men haar kwame +openen. + +Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het +eene geringe burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam +open en vroeg: + +"Wat moet gij hebben, vrouw?" + +"Is zuster Ursula in het klooster?" + +"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;--kom morgen weer." + +Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een +teeken, alsof zij zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!" + +Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster +Ursula, en kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap +doen om het klooster te verlaten. + +"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non. + +"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare +huik halende, "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster +Ursula te toonen en te zeggen, dat Quinten Massys, de smid, die +gemaakt heeft." + +De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van +misprijzen. De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar +gelaat gaf dit genoeg te kennen. + +"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men +walgt van ze te zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn +kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan zuster Ursula toonen." + +"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder. + +"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord, +dat zij kreeg.--En hiermede kon zij vertrekken. + +Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar +haren zoon. Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende +wanhoop dompelen? Maar kon zij hare tranen wederhouden en hare +gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet te verraden, wat +loon zij bekomen had? + +Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der +non; want die hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys +er aan toekende. Om dit te verstaan, moet men weten, dat de printen, +die door Quinten geschilderd waren, allerlei melaatschen, +gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid had +deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel +nog overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en +door de waarheid er van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom +riep: "foei, foei, het is schande!" + +De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze, +waarop de printen geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de +non beoordeeld was geworden. + +Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar +reeds toeriep: + +"Welnu, moeder, wat zegt men er van?" + +De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon, +uit overgroote droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare +tranen streelde zij met dolle drift haren armen Quinten, die zijn +hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. Hoe grooter, hoe +ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger +hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden +getoond, wat pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat +blijdschap hen vervoerde; want zij gaven elkaar de hevigste blijken +eener vurige teederheid. Een innig gevoel van martelpijn dreef hen om +elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden beiden de +uitgestrektheid hunner bittere ellende. + +Eindelijk zuchtte Quinten: + +"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen +verstooten, o God!" + +"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn +dierbaar kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u +als eene slavin gewerkt, toen gij nog jong waart.--Gij hebt mij ook +bemind en als een goed zoon en door uw dagelijksch arbeidszweet voor +uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan toch zijn +moet,--indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger +mij in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene +zalige zekerheid over:--wij sterven samen!" + +Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in +de kamer, dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene +boezems en soms nog eene stille stem, die suisde: + +"Moeder, o, lieve moeder." + +Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de +armen gedrukt; want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde +tot elkaar als verengeld en hadden wellicht deze wereld gansch +vergeten,--toen zij eensklaps aan de deur eene stem hoorden, die +vroeg: + +"Waar woont de smid Quinten Massys?" + +De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en +wilde de deur gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had, +drongen vier personen te gelijk in de kamer. + +De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het +klooster ter Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde. +Achter hen kwamen zuster Ursula en eene andere non, een groot boek +onder den arm dragende. Al deze personen stuurden met verwondering +het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en beschaamd en +bang op een bitter vonnis wachtte. + +De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen +toonende, vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde: + +"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?" + +"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik +hoop, indien ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer +bekwaamheid krijgen zou. Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze +bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam mijner ongelukkige moeder!" + + +"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel +ootmoedig, jongeling. Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit +schooner beeldekens gezien heeft dan die, welke gij geschildert +hebt!" + +Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten; +eene kleur als doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne +leden beefden, alsof hij door eene schielijke kwaal ware getroffen +geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij zijne armen +naar zijne moeder uit en riep: + +"O, moeder! lieve moeder!" + +De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend +tegen de borst van haren zoon. + +Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier +personen, die het aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne +oogen zich met glinsterend vocht vervulden. + +"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen +doen?" + +Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de +nauwe omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en +bleef bij hem staan. Quinten antwoordde in verrukking: + +"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar." + +De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den +jongeling toonende, vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes +Heeren, welke er in stonden, voor haar wilde schilderen. Quinten gaf +voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit vrees van het kostelijk +missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de Abdisse en +den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg +om dit groote werk te aanvaarden. + +Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen +zich bereid om te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij +Quinten en suisde hem in het oor: + +"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste +voldaan,--zij kan er niet van zwijgen." + +En met zachtere stem voegde zij er bij: + +"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!" + +Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men +kan begrijpen; hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en +zuchtte: + +"Voor u,--voor u zal ik altijd bidden,--en mijne moeder ook!" + +Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige +vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn +schilderbord, roepende: + +"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij +zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te +halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen, +mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk +leven!" + +"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder +arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het +zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt. +Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!". + + * * * * * + +Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen +het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in +bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij +kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van +iedereen afmaakte.--Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen +te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en, +alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de +hinderpalen, welke de kunst hem aanbood. + +Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten +huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te +leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij, +voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder +werd begroet. + +Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een +goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat +zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met +zaligen vrede in zijne armen het leven ontging. + + + + +DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS + + + + +MIJMERING + + +I + + +(_Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene +zitbank_) + +DE BROEDER.--Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen +kussen achter dijnen[1] rug leggen;--laat dijn hoofdeken ter zijde +rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome +verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren +hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste +liederen aan.... + +Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang +en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in +prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier +in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt? + +DE ZUSTER, _zittende_.--Broeder, de natuur is schoon, niet waar? +Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op +aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en +gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als +zij zegt, dat een beter oord mij wacht? + +DE BROEDER.--Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele +gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit +moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt +dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich, +dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe. + +DE ZUSTER.--Zal ik haast vertrekken, broeder? + +DE BROEDER.--God alleen weet het, Rosa. + +DE ZUSTER, _mijmerend_.--Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij! +Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe +vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne +jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet +waar, broeder? + +DE BROEDER, _met vochtige oogen_.--O, zuster, spreek zoo niet! Komt +de Engel vroeger, du zals met hem gaan. + +DE ZUSTER.--Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen.... +Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken? + +DE BROEDER.--Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet +overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is +dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen +geest. + +DE ZUSTER, _de bloem aanschouwende_.--Arme roze, waarom dij zoo vroeg +van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme +zijn? + +DE BROEDER.--Zij zal verwelken en sterven, Rosa. + +DE ZUSTER.--Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven +moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland! + +DE BROEDER.--De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij +zal hij lachend en minnelijk schijnen. + +DE ZUSTER.--En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat +zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik? + +DE BROEDER.--Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien +verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten +in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele +juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen +hemel heeft voorbereid. + +DE ZUSTER, _na lang stilzwijgen_.--Broeder, ik voel mijne oogen +verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou +mij verkwikken. + +DE BROEDER.--Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken +bij dijnen zoeten slaap. + +DE ZUSTER.--Niet zoo, broeder.... het kussen aan de rechterzijde. +Daar moet immers des Heeren engel staan?--Zies du niets gelijk eene +zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds daar misschien? + +DE BROEDER.--Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen. +Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn +vermoeid hoofd ter ruste. + +DE ZUSTER; _zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert +gedachteloos de bloem op hare hand._--Ontwaak mij, broeder, als ik te +lang mocht slapen. + +DE BROEDER; _hij zit neder voor zijne zuster en weent._--Twee +bloemen, die verwelken!--Arme roze, daar liggen nu dijne roode +bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (_De +zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend +beekje_.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo +juist!--Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken +der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren +gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,--kranslooze bloem +op gebroken stengel,--nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den +levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare +ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat +waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte +zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des +hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der +maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal +dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (_Hij buigt het +hoofd en zwijgt_.) + + +VOETNOTEN: + + 1: Oudtijds, in plaats van _gij_, _u_ en _uw_, schreef men +in het enkelvoud _du, dij, dijn_. Het is te bejammeren dat deze +schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met _gij_, _u_ en _uw_ onze +denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te +worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene _s_ zet +achter het werkwoord, zoodat men schreef _du habs, du wils_, voor ons +hedendaags _gij hebt, gij wilt_. + +Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer +mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud +langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in +zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig +stuk zelf zal kunnen opmerken. + +Ziehier hoe deze woorden verbogen worden: + + M. V. O. + 1. dijn, dijne, dijn, + 2. dijnen, dijne, dijn, + 1. van dijnen, van dijne, van dijn, + of dijns, of dijner, of dijns, + aan dijnen, aan dijne, aan dijn, + of dijnen, dijne, dijn, + of dijner, of dijnen. + 1. naamval du, + " dij, + " dij, van, aan dij. + + + + + +II + + +DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE + + +DE ENGEL.--Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken? + +DE DUIVEL.--Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder +strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der +menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging. + +DE ENGEL.--Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan? + +DE DUIVEL.--Is zij geene dochter Eva's? + +DE ENGEL.--Zij is het. + +DE DUIVEL.--Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en +eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, +neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig +gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland +geschonken.--En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang +reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij +deze ziele! + +DE ENGEL.--Zij is rein, du kans ze niet raken. + +DE DUIVEL.--Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude +waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? +(_Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; +de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond +de maagd; vogelen zingen op het geboomte_.) + +DE ENGEL, _met droefheid en stil_.--O, du almachtige, verleen aan +mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te +doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het +vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het +verlies betreuren van het zoete maagdelijn! + + + + +III + + +DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE. + + +HET MEISJE; _zij ontwaakt met eenen glimlach_.--O, God, wat is dit? +Genezen! Wat zoete begoocheling! + +Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; +warm bloed stroomt mij door de aderen.--Waar ben ik toch? Alles is +hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het +bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de +engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (_De +duivel vaart in eene roze_.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel +tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij +niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat! + +DE ROZE, _waaruit de duivel spreekt_.--Zuster, ik kom en rust op +dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du +schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als +de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik +dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde +zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik +morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is +dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen +schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als +de jongste morgenstraal! + +HET MEISJE.--Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem +het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen? + +DE ROOS.--Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! +Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens +wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik +sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden +met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer +verlate! + +HET MEISJE: _zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst_.--Blijf +op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo +bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen +boezem!... Roze, dijne doornen wonden mij! (_Zij werpt de bloem +weg_.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (_De duivel verbergt zich +in het beekje_.) + +HET BEEKJE, _waaruit de duivel spreekt_.--O, du allerschoonste maagd, +bekoorlijke Rosa! + +HET MEISJE.--Wie sprak mijnen naam? + +HET BEEKJE.--Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche +boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig +dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange. + +HET MEISJE; _zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld +in den gladden waterspiegel_.--Hoe rozevervig zijn heden mijne +wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de +gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch +niet blanker dan mijn voorhoofd..... (_De duivel komt uit het +beekje_.) + +DE DUIVEL, _spottende tot den engel_.--Ha, ha, engel des lichts, du +begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? +Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet +in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen +gemoed,--ijdelheid en liefde? Een sleutel heeft reeds den boezem der +maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart! + +DE ENGEL.--Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene +onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams +heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet +niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan +de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de +maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke +foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan. + +DE DUIVEL, _met woede_.--Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen +boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon +ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van +mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;--ja, daar +verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht.... +Let op, ik ga dij werks leveren! (_Hij keert terug in het beekje_.) + +HET MEISJE, _in de beek ziende_.--Lief beekje, heeft dijn zilveren +plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk? + +HET BEEKJE.--Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene +enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar +gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb +gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne +boorden,--voor haar knielden,--om eenen blik harer oogen smeekten en +voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder +dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"--En toch, engellijke +Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; +nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! +(_Zij verlaat het beekje_.) + +HET MEISJE; _zij blijft lang in mijmering verzonken_.--De schoonste +zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!... Maar, wat +zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne +krankheid;--zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk.... + +DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden +vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft +gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken? + +HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne +stem nu zoo treurig? + +DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne +geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne +wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens +waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik +bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de +steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den +mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde +tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij +wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten +wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de +hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du +hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, +eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen +hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden. + +HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, +wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart? + +DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd. + +HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben? + +DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd! + +DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe +wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en +snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden +vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend +lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij +heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich +verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de +dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven +heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een +ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk +eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God +miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden? + +HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de +lichaamsschoonheid, door God mij verleend. + +DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel des lichts, eindig +toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich +vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren? + +DE ENGEL, _tot het meisje_.--Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne +woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en +onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene. + +HET MEISJE.--O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne +droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; +anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik +het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch +mij ontbreekt de macht. + +DE ENGEL, _tot den duivel_.--Achteruit, du verleider, dijn looze +strik gaat breken! (_Tot het meisje_.) Rosa, du hebs een gelaat, een +lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; +maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, +rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft +zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den +Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts eene dezer twee +schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds +du kiezen? + +HET MEISJE.--O, ik behielde immer de zieleschoonheid. + +DE ENGEL.--Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne +lichtkroon in den hemel blinken! + +DE DUIVEL.--Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; +maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende +worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke +liefde. + + + + + +IV + + +DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING. + + +HET MEISJE.--O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt +den goeden God zelven,--het lichaam alleen den mensche.... (_Er komen +twee tortelduiven op een wilgetak zitten_.) Gij, lieve tortelkens, ik +wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen +broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins. + +DE DUIVEL, _tot de duivinne_.--Tot wanneer, o wreede, zals du +ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en +droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van +steen? + +DE DUIVINNE.--Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om +een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om +eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du +goede, trouwe vriend en beschermer. + +DE DUIVEL.--Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; +het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; +een ander vuur verteert mijn ingewand. (_De duiven vliegen weg_.) + +HET MEISJE.--Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch +broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo +sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik +begreep hem niet;--hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,--en dan +is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet +verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet..... + +DE ENGEL, _tot den duivel_.--Mislukt is dijn aanslag op het +spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd! + +DE DUIVEL.--Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde +slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik +bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. +Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! +(_Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan_.) + +HET MEISJE; _zij ziet eenen jongeling naderen_.--Wie komt daar? O, +hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O +vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk! + +DE DUIVEL, _in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat_.--Rosa, +hebs du wel eenmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht? + +HET MEISJE.--O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke +vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft +gedeeld.--Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine +gezellinne niet vergeten? + +DE DUIVEL.--Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen. + +HET MEISJE.--Waarom toch? + +DE DUIVEL.--Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van +hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; +ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In +onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen +naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het +gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen +langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer +vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende +oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, +des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs +du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden +met mij, of ik sterf? (_Hij vat hare handen driftig in de zijne_.) + +HET MEISJE, _verschrikt_.--Los, los! dijne handen branden als vuur, +dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen +zielevrede. + +DE DUIVEL.--Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du +zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat +mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen +trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O +erbarmen, erbarmen! (_Hij knielt voor haar_.) + +HET MEISJE, _medelijdend_.--Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten +verlichten, ik deed het gaarne. + +DE DUIVEL.--Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat +du niemand boven mij bemins. + +HET MEISJE.--Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook. + +DE DUIVEL.--Het zij zoo, bemin dijne moeder. + +HET MEISJE.--Ik heb eenen broeder. + +DE DUIVEL.--Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils +zijn, dat du niets anders boven mij bemins. + +HET MEISJE.--En zoo ik het zegge, Lodewijk? + +DE DUIVEL.--O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne +liefde! + +DE ENGEL.--Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen +God? + +HET MEISJE.--O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme +vriend; zou ik hem niet troosten? + +DE DUIVEL.--Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: +reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken. + +HET MEISJE.--Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te +vergrammen. + +DE DUIVEL.--O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in +mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, +mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord! + +DE ENGEL.--Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn! + +HET MEISJE.--Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend? + +DE ENGEL, _haastig_.--Rosa, beslis over dijn lot; daar voor u ligt +een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.--In +den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne +liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen +voor dijne zaligheid heeft vergoten.... + +De DUIVEL.--O medelijden, medelijden met mij! + +HET MEISJE.--Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk! + +DE ENGEL, _met wanhoop_.--Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie +mijne vlietende tranen! Daar, daar is de dood.... Haastig, spreek +dijn vonnis of dijne verzaliging.--Behoors du den jongeling en der +wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. +Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen +jongeling? Spreek! + +DE DUIVEL.--Ja, Rosa, spreek. + +HET MEISJE.--Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne +liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk.... + +DE ENGEL.--Eilaas, zij valt. + +DE DUIVEL.--Zege, zege, mij de ziele! + +HET MEISJE.--En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne +liefde en mijne ziele eeuwig aan God! + +DE ENGEL.--Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in +den hooge! + +DE DUIVEL, _in zijne echte gedaante_.--Doemenis, doemenis, zij heeft +overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... +Gevloekt, du engel des lichts! (_Hij vliegt heen in de ruimte_.) + + + + +V + + +DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER + + +(_De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en +staat op_.) + +DE ENGEL.--Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn +hoofdeken in mijnen arm. + +HET MEISJE, _zij ontwaakt als uit eenen droom_.--Broeder, broeder! + +DE BROEDER.--Wat verlangs du, Rosa? + +HET MEISJE.--Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor +dij, en eenen voor moeder. + +DE BROEDER.--O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten? + +HET MEISJE.--Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in +zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het +hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland! + +DE BROEDER.--Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen. + +DE ZUSTER.--Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en +kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden +zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. +Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,--ik stijg op met hem +langs de baan des lichts! + +DE BROEDER.--Dood! + + + + + +DE NIEUWE NIOBE + + +VERHAAL + + + + Wat onder Godes hand niet buygen + wil, dat breekt. J. CATS. + + +Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen +eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend +schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien +spelenden geest, dien de Franschen _esprit_ noemen, had zij zich, +volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend +geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche +vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de +ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van +een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor +alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een +ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo +niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, +zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste +uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet +naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige +Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, +en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat +zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar +overkomen ware. + +Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer +prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood +damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een +boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede +zedelessen bevatte. Las zij er in?--Misschien wel; doch wie haar zag +en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette +de oogen gansch te openen.--Alles in die plaats gaf getuigenis van +den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de +schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze +voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een +raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs +verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der +weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar +het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene +flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige +en verleidende verf te geven. + +Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes +allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste +gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een +groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten +elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit; +want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen +oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het +oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het +jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens +en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een +zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne +handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal +zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen +zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak +voorstellen.... Ja, het was wel zoo:--die fijne kinderwezens, dit +helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,--die blonde +haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet +gezengd,--die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of +overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare +frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste +bloemen der Lente! + +En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer +vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche +verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet +gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot +de wereld. + +Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, +zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur +geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich +en sprak: + +"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal +aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb +ze altijd afgewezen;--zij schijnt eene gemeene burgerin." + +"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben +_onzichtbaar_ voor zulke lieden. Maar indien Eugene De Valenge komt, +laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge +Franschman, die mij gisteren van het _concert_ naar huis geleidde?" + +De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam: + +"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even +sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart +breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken." + +Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of +driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij: + +"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is +haar naam?" + +"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam +van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is." + +Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of +eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het +aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger +vooruit en antwoordde met gramschap: + +"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat +ik niet te huis ben. Ga!" + +Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, +of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,--een gerucht +als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.--Eene nog jonge +vrouw sprong er binnen en viel op hare knieen voor de voeten van +mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte, +misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met +trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de +handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare +kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende: + +"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt +gij?" + +De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van +mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend: + +"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en +totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp +op hare knieen afbidt...." + +De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden +van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde +zij met eene gemaakte koelheid: + +"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij +iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw +doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer +geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort +mogelijk." + +Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der +jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene +geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: +want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren +schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond +op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid: + +"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit +bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons +vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. +Maar heb nu toch eens medelijden met ons,--o, red ons van schande en +armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam +zegenen als dien van eenen engel!" + +Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en +deed ze twee-of driemaal klinken. + +"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, +"men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!" + +En zich tot de weenende vrouw wendende: + +"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet +hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!" + +Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij +weerhield zich en sprak met haastige woorden: + +"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, +nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met +weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot +is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij +hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd. +Voor maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene +goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons +bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis +om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het +gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht, +overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch +spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer +gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor +mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met +mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben +zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe +kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed +zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene +andere moeder ongetroost laten weggaan?" + +Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van +maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos. + +"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid. + +"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de +goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld +verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het +gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij +over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende +en schaamte zult hebben gered." + +Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van +Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord: + +"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw +man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen +toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de +luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve +uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij +denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt +gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Daar is de deur!" + +De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te +storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, +ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor +mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd: + +"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe +dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond +den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als +eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet +meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom, +dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, +hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij +slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht +heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?" + +Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was +neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem: + +"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?" + +"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van +mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?--En +hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij +mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen +voor den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in +bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde, +en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat +kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, +edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, +en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet +het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en +verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij +alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en +dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...." + +Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde +zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende +bedreigingen: + +"Wat gestolen?--Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, +dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de +straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe +lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel +zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen." + +"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, +dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. +En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat +gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij +het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet +willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe +ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit +genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele +dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin, +door laag bedrog, in ellende te dompelen...." + +Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen +harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking +harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de +bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op +hetgeen de jonge vrouw zeide: + +"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne +erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij +en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld +verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde, +uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten." + +Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach +en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak +met klaardere stem: + +"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de +hersens;--en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. +Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer +zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet +bij uw verstand...." + +"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, +kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke +zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen +te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!--Maar +gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou, +zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan +alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... +Bemint gij ze dan niet?--Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo +dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want +ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een +onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in +mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare +beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend: + +"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor +u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne +kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij." + +"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, +zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke +huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!" + +De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van +Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis: + +"Welke plaag? Welke plaag?" + +"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel +in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe +armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den +schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...." + +Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van +Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik +daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare +tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan +naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij: + +"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze +lamentatien moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet +wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te +spreken, want de deur blijft voor u gesloten." + +"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. +"Vaarwel!" + +Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook +daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren +geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken een voor een terug +in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige +overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij +geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den +ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo +bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van +Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep: + +"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?" + +"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, +wat ongeluk ons nadert." + +"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in. + +"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer +Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,--en dezen morgen zeide +hij mij nog goeden dag!" + +Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van +mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te +vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep: + +"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! +Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!" + +"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe +kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;--ik zal ze gaan halen. +Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid +hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn +er eenen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn +gevlucht." + +Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van +mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke +hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare +kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte +daaruit nog eenigen moed. + +De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij +door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne +liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, +dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo +vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene +nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag +zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke +bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar +beven. + +"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij. + +"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie +altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in +mijn lijf." + +Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare +kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen. + +"O, Pieter," huilde zij, "Eugene heeft de cholera. Gauw, loop om +dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die +gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene +vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,--ik zal uwe +moeite niet onbeloond laten!" + +De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar +hare kinderen.... + +Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare +borst opsteeg! Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich +rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner +voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn +hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk. + +Ho!--hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, +bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen +besproeide,--hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en +geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te +zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en +met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het +vervolgde, wilde ontvluchten;--en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij +het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou +gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene +zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen +onfeilbaar schild tegen den dood.--Het kind werd koud op de borst +dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef; +zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten +ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water +waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde +en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand +beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner +moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem, +die klonk als bevend glas: + +"Drinken, drinken! ik heb dorst!" + +De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het +met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde +zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug. + +In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen +niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar +nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen +haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de +aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van +schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met +haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar +roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij +haar hoofd en sprak knielend.... + +"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn." + +Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, +sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en +bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. +Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en +schreiden met hartverscheurend snikken. + +Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, +wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit +tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;--doch hij, +die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee +blinkende tranen uit zijne oogen. + +"Rampzaligen!" zuchtte hij. + + +[Illustratie: Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.] + + +Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van +den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de +knieen, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen: + +"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods +wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,--ik kus het stof uwer +voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?" + +De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne +ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een +teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden +buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare +oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,--en tot de lijdende +kinderen gaande, sprak hij: + +"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik +hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien +niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar +niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook +schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over." + +De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. +De heer Schippers hernam: + +"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een +vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, +die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid +over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben." + +Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan +zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, +liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens +huilend en riep met verpletterd wee: + +"Eugene! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit +meer zien...." + +Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de +knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier +kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in +eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede +zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten, +of hare kinderen nog omtrent haar waren. + +De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch +na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, +waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent +zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van +ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten +als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te +worden;--maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen +grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem +het kind uit de armen. + +"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne +Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,--gij, die den naam uwer moeder +draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des +doods!" + +Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden +van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel +gezonken waren. + +"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe +moeder nog eens, mijn arm kind;--gij ook verlaat mij, gij, mijn +evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste +schat.... Vaarwel, vaarwel!" + +En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en +deerlijk huilend vallen liet.--Na eenigen tijd met starende oogen, +misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in +haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in +haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieen, met de +handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was +onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde +lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen +hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en +stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die +biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min +hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme +den knecht, die onmiddellijk verscheen. + +"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugene, met Virginia, met +Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...." + +De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag. + +"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. +God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen +almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne +genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, +de beproeving is nog niet gedaan.--Pieter, mijn vriend, ik verzoek +u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat +hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen +zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot +vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen +was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. +Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu +ken ik ze!" + +De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk +verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze +beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat +bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene +uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou +gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar +hart vervangen had.--Maar die blijdschap moest van korten duur zijn. +Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op +hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds +bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling +viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond, +en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing; +zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden +kromden onder de trekkingen der akeligste krampen. + +U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware +onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw +zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, +indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht +van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende +eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de +nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen +steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk +opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de +geneesheeren zich bevonden. + +Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met +haar kind op het tapijt.--Arme moeder! Zij had met een vluchtigen +blik haren Eugene en hare Virginia gelijkt zien liggen. + +Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en +in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer +handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te +roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek, +en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij +zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende +kracht: + +"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens +u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;--gij ziet het, ik +ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in +alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen +op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het +leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe +vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg +mij, vergeeft gij mijne misdaden?" + +De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte: + +"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang +vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en +bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u +niet verlaten, voordat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij +zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne +barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog +moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven +gij vreest." + +"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, +hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en +onderbreek mij niet.--Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. +Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, +ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De +opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den +sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest +ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam +van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van +God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot +mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het +ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner +kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het +onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van +hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van +heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...." + +"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw. + +"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, +dat ik mij onrechtvaardig heb toegeeigend, niet meer aanraken zal! En +ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart +door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieen +uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe +afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?--Het +kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik +vraag u geen woord,--slechts eenen kus van verzoening en +vergiffenis,--en dat de Heer ons zie!" + +De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven +lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er +in die verzoening! + + * * * * * + +Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de +Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; +de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte +tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan +zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van +het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de +voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen +en sprak weemoedig: + +"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en +zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten +heeft." + +Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene +godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem: + +"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!" + + + + +WEETLUST EN GELOOF + + +ZINNEBEELD + + +Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden. + +De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; +het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,--en alles +bracht sombere gedachten in mijn hart op. + +Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, +vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen. + +Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber +nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam. + +Het levend raadselwoord stond voor mij! + +Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam +eens booms, door den storm ontworteld. + +De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude +tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon +schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij +bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het +smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen +vinger vooruit en sprak: + +"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het +geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart. + +Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij +verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd. + +En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk +_grondbeginsel_ gezocht. + +Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was +zwaar om te dragen. + +Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner +genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het +troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem. + +Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de +dienst Gods zelf. + +De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;--mijne +wenkbrauwen zonken over mijne oogen;--twee breede rimpels +verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende +gepeinzen werden mijn aandeel. + +Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des +Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben." + + * * * * * + +Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem: + +"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien +de aarde uw hoofd tot zich trekt. + +Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere +tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u +niet verkwikken en ondersteunen,--dat gij weenend ten grave zinkt?" + +"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent +des menschens leven niet!" + +Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op +mijne wangen,--en alles lachte mij toe in de gulle natuur. + +Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten. + +En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde +ik.--Ik kon bidden en danken. + +Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,--als het schitterend +dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend +verheft en uitdooft--om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te +schijnen. + +Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om +het lijden te kunnen vergeten. + +En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld. + +Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met +de zielen der menschen geschapen was. + +Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel. + +Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,--en ik riep +mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig +liefde in 's menschen hart is. + +Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop. + +Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen. + +Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte +water op mijne wangen. + +En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds. + +Ho!--op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,--mijn boezem +klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!... + +Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst; + +En het gapend graf ontving zijn lichaam,--en de koude aarde bedekte +den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde.... + +En het was voor eeuwig! + +Dan zocht ik het geluk in de min. + +Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,--en het +arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn. + +Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen. + +En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven. + +Aan God dacht ik niet! + +Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de +wereld.--De zeise des doods liep over de aarde; + +En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden +geslagen. + +Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen +boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieen zien +liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen. + +Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds +tweemaal op zijne lippen was geweest, + +Dan bad ik den Heer om genade; + +Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;--want eene afgrijselijke +stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den +geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam. + +Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne +zinneloosheid. + +De dooden hooren niet!... + +Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in +mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest! + +Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem +geledigd.... + +En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave. + +Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op. + +En ik bleef alleen in de wereld. + +Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de +hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden. + +En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking +met de droefheidsstonden--waren als 1 tot 1000! + +Ik riep spijtig en lasterend tot God: + +Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch +hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, +opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?... + +En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart +werd koud: + +Geloof ontging mij gansch,--weenen kan ik niet meer, ook niet klagen. + +En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de +lippen houden; + +En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!" + + * * * * * + +De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan. + +Zijn schedel helde zwaar voorover,--hij wandelde moeilijk en ging +gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis. + +Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber +aandenken. + +Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk +mij te gemoet treden. + +Doch ik had nog betrouwen in God. + +Mijn oog ging smeekend ten hemel. + +En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking +weg. + +Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking +vroeg mijne ziel. + +Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad. + +En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het +beenderhuisje. + +Daar ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met +angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels. + +Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,--want +eene magere en beenige hand raakte de mijne. + +En de grijsaard stond weder nevens mij. + + * * * * * + +"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel +raakte, "ziet gij daar dit hoofd?--Dit was mijn vader!..." + +En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne +stem. + +En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen. + +Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen +kleineren schedel en sprak: + +"Ziet gij daar?--Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was +hij,--en hij stierf toch. + +Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.--Dit mijn vriend!... + +Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk +en mijne zaligheid! + +Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het +leven over. + +Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind. + +En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel +ook wit maken en bederven...." + +Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen +lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn +antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene +schaduw voorbij. + +Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en +zoo beminnelijk als de hoop zelve. + +Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar. + +Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen +op de aarde. + +De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg: + +"O, kind, verstaat gij het leven nu?--Begrijpt gij nu dit +raadselwoord van alles--_vernietiging_?" + +"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!" + +Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God +verlicht: + +"Daar woont het eeuwige raadselwoord van alles,--van leven, van +dood,--van geluk en rouw!... + +Ik ben ook door God bezocht geworden,--mij ook is een echtgenoot, een +kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik +nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:--God." + +Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling. + +Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en +verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard. + +En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam. + +Hij antwoordde: _Weetlust_! + +En de vrouw op deze vraag antwoordde: _Geloof_! + +Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte +kon mij onder dat heilige scherm nog raken. + +Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel. + + + + +HET BEULSKIND + + +VERHAAL + + +I + + +Den avond voor Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen +zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand +tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de +stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis +niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door +eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms +in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte +heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich +tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond +was. + +Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden +hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou +bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den +rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de +armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag +en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van +tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle +woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de +sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof +gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke +zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende +hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet +dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft, +maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste +foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen +vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk +teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen, +en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch +zijner borst. + +O, ongelukkig,--duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel +de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds +twintig jaar de hel in zijn hart droeg? + +Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren +liet,--dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het +voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader +gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om +den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die +vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde. + +En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk +opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht, +bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel +verried;--toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige +teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde; +alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon +vergaderde. + +Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de +spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht +geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar +uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging, +waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich +nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en +hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene +slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als +een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het +gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij +biddend om troost en verlichting mocht smeeken. + +Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol +zielepijn, daar tegen den populierboom rustte.... + +En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel +vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en +mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik +verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief: + +"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen +heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd +brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en +vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en +uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem." + +Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar +gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle +schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide +de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang, +en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte; +want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om +beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.--Op +eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een +geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte: + +"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,--ik moet drinken!" + +Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef +eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht +straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde +stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om +zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor +eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle +vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op +zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds: + +"Ha! daar is niemand in,--ik zal kunnen drinken!" + +De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij +dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar +hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was +met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op +iets schenen acht te geven. + +Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en +was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren +kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster +luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht +gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden +zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker +nagezien. + +De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen, +en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch +ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en +vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene +kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met +wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van +zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd +dieper en ontging dus haar onderzoek. + +Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde +bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling +gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in +gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien, +dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield +den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig +bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel +rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte, +en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid +had opgewekt. + +De jongeling dronk met haast en ledigde in eenen teug de kan tot op +de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van +twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde +teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der +kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat +ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling. + +"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons +gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals +en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen +aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!" + +De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige +zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en +hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk +te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de +haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde, +geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap +van burgeren dorst begeven. + +De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het +bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen +zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem +alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de +waardinne: + +"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan +verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.--Gij zoudt +ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!" + +"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en +gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken +wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken +mans huis komt?" + +En zich tot Geeraart keerende: + +"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij +nog niet, beulenras?" + +De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij +al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart +opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te +vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar +met koelheid: + +"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen +evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen, +omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen +pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven. +Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond +behandelt!" + +De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de +waardin zich er over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het +mogelijk was, dat iemand zoo zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo +hard had behandeld. Een traan blonk in haar oog, en den Stooter van +den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, zeggende: + +"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!" + +Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den +Stooter van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met +afschrik op eene tafel. + +"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!" + +Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik +weder achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit +bloed waanden voort te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en +afgrijzen werd tegen Geeraart uitgegalmd. + +De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had +denzelfden Stooter nog dien avond, tijdens het lof, van eene +stoelenzetster in de kerk ontvangen. De onrechtvaardigheid zijner +vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij zijne koelheid +gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek. +Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in +woede tot bij de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle +leeuw tegen zijne vijanden uit: + +"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk +geld van eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle +andere Stooters? Maar, neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt, +dat ik een beulskind ben,--ja, zoo wilde het God!--doch gij zijt +verachtelijker dan ik, en ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch +bij naam, noch bij daad aan zulke bedorvene menschen, als gij zijt, +gelijk!" + +Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen +van alle kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan +eenen vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne +macht.... + +Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en +glazen vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken; +de waardin riep om hulp.... + +Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden +der straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij +had ontvangen. Hij schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen +hoed, en vervolgde zijnen weg op dezelfde wijs als hij hem had +begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. Veel schrikkelijker +zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen uit. + + +[Illustratie: Hij weerde zich dapper en dwong meer dan eenen vijand +tot zwichten.] + + +Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was +er ergens eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid +op de komst van het beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel +haar zeide, dat iets hem moest miskomen. Zij alleen was een engel van +troost en lafenis voor den ongelukkigen jongeling, en beminde hem +uitermate,--omdat zij wist, dat hij van iedereen veracht en versmaad +was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de +verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes +wederstaan. Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als +een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger +noemde, verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de +zuiverheid harer liefde gevoelde en dacht, eene aan God aangename +drift te voeden. Zij had gelijk, de goede maagd; want geen geld of +goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare ongelukkige +evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten +schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste +harer stadgenooten. + +Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene +kleine kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.--een +goeden jongen, die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te +zweet werkte, een halven dag in de kerk ging bidden en anderhalven +dag in de herberg met drinken en zingen doorbracht, van waar hij +zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf dagen, die +hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer +timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een +goed deel gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder +liefhad. + +Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare +moeder bij de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid +slechts een licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate +geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat +verder, aan de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank, +waarbij de arbeidzame Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de +kamer zelve betreft, die was wel zuiver en met wit zand bestrooid, +wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van heiligen versierd, +doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, wonnen niet +veel met het dagelijksch werk hunner handen. + +Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit +nagelaten zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien +uren, en hij was nog niet verschenen. Het meisje wist niet wat te +denken, en was zoo mistroostig en zoo verstrooid, dat zij op eene +vraag, welke hare moeder haar deed, niet antwoordde. + +"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag +niet, dan komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?" + +"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal +gebeurd zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo +boos op hem" + +"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben +altijd in den haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen +doodgeslagen en den beul Hansken aan den Kroonenburgtoren +verdronken?" + +"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?" + +"Dit weet ik niet,--niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen +zoovele onnoozele menschen ophangen." + +"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom +verdrinken ze dan liever den schout niet?" + +"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord, +dat zegt, dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste +altijd het minst eten krijgt en het meest gebeten wordt." + +"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...." + +Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het +waken moede werd en tot hare dochter geeuwend sprak: + +"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!" + +Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts +komst nog niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare +moeder op te houden. Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover +bepeinsd hebbende, waagde zij toch eene kleine leugen. + +"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en +dan is mijne kant afgewerkt." + +"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe." + +"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit +naaikussen afmaken voor de waardin uit het _Paardeken_; zij zal het +morgen vroeg komen halen." + +"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach, +"gij zult gewis op Zondag meer in het _Paardeken_ gedronken hebben, +dan uwe beurze kon lijden. Werk dan maar om uwe schuld te +betalen.--Ik ga te bed. Vergeet niet te bidden, eer gij slapen gaat." + +Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het +mompelen van een stil _goeden nacht_. + +Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart +aan de deur klopte en door Frans werd binnengelaten. + +Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit +verwonderde Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars +minnaars zonder de rimpelen van smartelijke gepeinzen gezien had. Met +langzamen tred ging de jongeling tot de maagd, vatte stilzwijgend +hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne borst. Dit was zijn +gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij weinig +gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste +liefde. + +"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God! +er is bloed aan uwen hals...." + +"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk +bezeerd. Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam +mocht lijden." + +Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de +holle toon Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van +Geeraarts scherpe blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws +vreezen. Met liefderijken kommer reinigde zij zijn hoofd van het +weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort was, en vatte +ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem +moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen +gevoelen. + +Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd +hebben, dat hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde +met zulke kracht op haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel +nederzinkende, hem toeriep: + +"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw +gezicht...." + +De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra +opnieuw beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen +doodelijken angst verried en het hart van Lina wreedelijk +verscheurde. + +Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen +stoel voor haar nederzat, sprak hij: + +"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem +hoort gij voor de laatste maal." + +Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij +voort: + +"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet +begrepen, en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd, +trok ons tot malkaar. Dan wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het +is de eerstgeborene van eenen beul te zijn; gij wist niet, dat +degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer schande +beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt +worden. Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel +wilde in de onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate +mijn ongeluk zich voor uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook +grooter, omdat gij wist, dat ik die liefde noodig had om niet te +sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang gedood hebben, +want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van den +God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid +uwer min.--De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed, +dat gij nog op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen +boozen haat; maar dit ware niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene +enkele klacht voortbrengen, indien mijn lichaam tusschen twee steenen +verpletterd werd,--maar de pijn,--de foltering zit daar!" + +Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus +voortging: + +"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid, +door iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,--zonder ooit, +ooit, door welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het +aangezicht te krijgen. O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit +meer is dan ik kan dragen, en dat mijn hart droog wordt bij die +pletterende overtuiging?" + +"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe +pijnen niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat +mijn oog zich met het bitter water der smart bevochtige?..." + +Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te +hooren, doch vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken: + +"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij +van het beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in +eene andere stad zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina, +wij hebben gedroomd. Het noodlottig uur is gekomen,--morgen, ja reeds +morgen zult gij uwen ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de +vuist op het schavot zien. Daarom is de hand, die den doodslag geven +moet, koud als ijs.--Daar, voel!" + +En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin. + +"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft +mij bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!" + +Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan, +hielden hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met +blikken, die nog strakker dan de zijne waren, vroeg zij: + +"Welnu, wat eischt gij dan?" + +"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de +verachting overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!" + +"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel +ook droog geworden zijn?" + +"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van +u vragen;--gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping +der andere menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van +eenen beul met uwe liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats +te bevrijden; door u alleen heb ik het geluk gesmaakt, dat mij anders +onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene martelaresse voor mij +opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij tot hiertoe +verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer +een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij +denken, dat ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden +zal, dat men u verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?--Gelooft gij +mij onedel genoeg om u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na +morgen nog met mijne handen, aan te raken? met handen, die in +menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat gij ten minste mij +nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij weet, +dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!" + +Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het +meisje bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder +twijfel uit een gevoel van blijdschap voortsproot, want hare oogen +blonken met een helder vuur, en een zoete glimlach bewoog hare +lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit oogenblik vervoerde, +te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar hart, en +gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich +brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis: + +"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat +edel gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke +liefde toedraag, of dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe, +morgen nog en voor eeuwig. Ik zal u beminnen, beul of niet,--hier of +op het schavot. Geeraart, ik begrijp mijnen plicht: eens word ik uwe +vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal over uw leven den +balsem der genegenheid altijd doen vloeien." + +"Nooit,--nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik +misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen +vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting +trekken? O, neen." + +"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw +lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden. +Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe +trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met +betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest, +dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen." + +Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag +met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn +opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten +prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en +een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en +riep: + +"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij +eenen uwer engelen geschonken." + +Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar +voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der +trotschheid zien blinken. + +Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak +gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht +op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen +afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met +zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij: + +"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest +aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome." + +Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde +hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam +zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij: + +"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan." + +"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want +zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar +dan zal ik u bijstaan." + +De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de +deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij +wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op +nadrukvollen toon: + +"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan +wel!" + +En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van +haren minnaar in de straat galmen en vergaan. + + + + +II + + +Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee +gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel +niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin +scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had +het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig +meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden. + +Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van +de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het +nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren +dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter +aanduidde. + +Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart: + +"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?" + +"Ja, hij gaat daareven weg.--Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, +dat hij u wacht." + +Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke +vader op een bed lag uitgestrekt. + +De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende +kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn +hoofd had teruggetrokken. + +Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets +dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan +de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het +lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zoo was het ook met +den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo +vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij +naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet. + +Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het +hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om +de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij +met bevende en dorre stem: + +"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn +vonnis?--Zal ik beul zijn?" + +"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle +pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats +neme.--Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, +mijn ongelukkige zoon." + +De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die +bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis +liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met +struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij +verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte: + +"Het is dus morgen, morgen, vader,--dat de laatste hoop op geluk mij +moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij +terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop..... +Betaalde moordenaar! Moordenaar!" + +"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u +tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult +afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er +steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk +ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden +vergoedt." + +Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders +toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort: + +"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle +dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen +onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, +wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet +haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en +wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers, +bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen +kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul +genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt." + +"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch +nooit heb ik ze begrepen." + +"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke +verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al +de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge +uitstorten--en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande +overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten; +want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne +onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen +enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij +de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat +ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal +mij zelven verachten.--En geene hoop meer! Het moet zoo zijn." + +"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, +"neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op +de openliggende bladzijde." + +Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij +wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: +"Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne +geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O, +maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die +vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul; +men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en +laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene +slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, +terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het +blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik +zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het +slijk der schande begraven te worden?" + +"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader +zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds +zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente +volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer +bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven +vinden." + +"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die +u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede +gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij +de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het +uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet. +En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk +treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den +rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel +terugvinden." + +De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in +het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit +zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te +begeven, zeide hij: + +"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog +eenen raad geven.--Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan +toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige +nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. +Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, +en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer +niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u +verheffen;--en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God +terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het +noodlottig werk te volbrengen.--Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over +u." + +Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou +hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne +vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne +smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik +zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit +liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof +hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering: + +"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!" + +In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel +zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik +naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien, +bleef hij met beweeglooze oogleden zitten. + +Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam +verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke +oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed +rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal +hadde verlustigd. + + + + +III + + +Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met +een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier +en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der +zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van +Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de +rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en +aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en +eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich +boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur, +haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken. + +Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om +de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen +de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het +ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de +steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het +blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers +deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de +ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte +geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne +verbeelding tot den woon van God op te klimmen. + +Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden: +eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge +en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk +gewaad en met blinkende wapenen.--Dezen ook voorbij zijnde, kwam er +eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed +geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te +kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene +schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te +kennen: + +De omgang!--Daar is de omgang! + +En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water, +dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den +rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een +teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch +wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen +sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en +gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch +te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed +heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende, +stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over +hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen, +zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner +kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun +baarde. + +Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en +oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der +hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van +Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen, +de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip, +en meer andere schoone zinnebeelden. + +Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun +handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel +om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en +mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle +bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete +lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen, +hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun +aangezicht blonk. + +Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig +hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar +onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol +bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo +diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde. + +De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend +met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch, +wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die +jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat +zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als +zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in +verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,--schrikkelijk +teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld +geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des +gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste +gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs een uur +meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte +haren rezen te berge op zijn hoofd. + +Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende +Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen. + +"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen +angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. +Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken." + +Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte +ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit +stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij: + +"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande +scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt +schepsel zijn;--mijne handen zal ik in het bloed van mijnen +evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des +levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren +meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en +der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,--eene vrouw, o, +Lina, Lina!--indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, +dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed +is besmet geweest!--Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik +gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij +moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand +naar een mes uitgestrekt om mij te dooden--doch het scheen mij, dat +uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de +droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb +geweend totdat het mes mij ontvallen is." + +Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van +den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en +het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig +vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit: + +"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij +lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen +gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn +lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en +gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld +niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn +lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij, +wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen +behelzen?" + +"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die +den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.--Wat +ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons! + +Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen +zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en +omhelsde hem onder eenen tranenvloed. + +"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt +behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als +een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte +ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de +wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis +niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?" + +De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was +verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht +eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de +streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns +plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid +zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet, +schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De +gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht +toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle +pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden. +Hij sprak: + +"Vader, o, vergeef mij,--ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven. +Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de +schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan +tegen den haat en de verfoeiing! Nu vrees ik niets meer; bereid om +den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het +bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in +mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer, +mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart." + +Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat +de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat +mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te +overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en +zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de +innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag +te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even +onmogelijk uit te voeren waren: of zich den dood ten prooi te geven +en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, of wel beul +te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus +ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde +sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer, +vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij +kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen. + +In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te +troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder +reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart +schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die +eerste vonnisuitvoering kon volbrengen. + + + + +IV + + +Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper +Herman moest gerecht worden;--men had het tot dit uur uitgesteld, uit +hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad. + +Langen tijd voor het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen +volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede +vertooning bij te wonen.--Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan +het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot +afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt +verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het +vernietigen van den mensch verlustigt! + +De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering +trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid +en medelijden voor den veroordeelde.--Waarom? Om hunne hatelijke +natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij +gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid +verborgen ligt. + +Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand +en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude +grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, +had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden +tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener +onthoofding bij te wonen.--Het was een grievend vertoog te zien, hoe +schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen, +mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde +lichamen pronkten. + +Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; +het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij +daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden; +maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde, +hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder +Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden +hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle +burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van +Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had +onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die +eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest +gebeuren. + +Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, +waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te +maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de +beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch +aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat +met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het +groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein. + +Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet +mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken +nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het +zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen +zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat +men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en +droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest. +Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, +dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, +anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met +scheldwoorden bejegend. + +De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en +was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets +bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag +Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens +deed doen. + +De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot +leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel +gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, +daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien +vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis, +die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre +achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, +vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen +zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te +roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en +men deed hem vooraan op de knieen zitten; de knecht van den +scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien +met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen +wilde:--Meester, daar moet gij slaan! + +Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, +schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te +trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de +vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken +tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht +raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het +stuiptrekkend in de vuist wrong. + +De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch +Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de +knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk +liep: + +"Gauw! Meester, gauw!" + +Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, +hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een +waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de +ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht; +gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken +en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot +gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd +om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken +schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten +moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch +zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden. + +De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn +gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong +plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om +hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde. + +Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het +medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de +gewelddaden, die zij wilde plegen. + +"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men +hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet +menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden. + +De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen +over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil +sterven, riep hij met krachtige stem: + +"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!" + +Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers +vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer +op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met +ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde +afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een +geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke +hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt +denkbeeld van verwarring en woede. + +Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren +vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den +veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen +te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam +op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de +volgende woorden in het oor: + +"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog +eens komt spreken; zij staat daar beneden;--volg mij!" + +En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om +Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene +liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst +vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot +tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de +geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de +schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina +aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar: + +"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter +de tweede mik!" + +Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich +liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij +langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk +een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat +hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam +gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig +inzicht deed Frans niet dan roepen: + +"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam +moeten wij hebben." + +En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de +duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd +had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder +dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten +genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het +aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw +ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, +en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de +gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de +scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans +bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij +had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man +verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul +moest zijn. + +Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door +de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een +weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en +toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel +afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te +uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den +ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij +gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede +verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar +Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp +zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande, +weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de +wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet +behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne +lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die +eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van +het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag, +had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het +beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben, +schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen +toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden +van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul +zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders +ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd +geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene +geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand +kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch +uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend +was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord +van hetgeen er omging. + +Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem +bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de +schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den +grond. + +"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar +het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; +indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.--Spoed u!" + +Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met +zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast +te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans +niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen, +altijd zijn slachtoffer voortsleepende: + +"Zege, zege, hier is de beul!" + +"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de +schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen +liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de +broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij +den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun +toeroepende: + +"Daar is de beul!" + +"Slaat dood! slaat dood!" + +En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van +messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den +huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien +werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde, +van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas +versmolten.--Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen +werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig +gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke +gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was. + +Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na +eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam +van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem +smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, +dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van +gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene +gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het +aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich +zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de +zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en +zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te +drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden +geworden. + +Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij +geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar +Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen +hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging +hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad +onverwachts in zijne kamer. + +De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons +betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken +droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de +driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze +hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard, +scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne +leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; +zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min +beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen +zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op +en riep: + +"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van +martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle +schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood +... gij zijt dood, mijn zoon!" + +"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid +uit. + +"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de +vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;--de +hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene +geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als +ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor +altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...." + +Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien +eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield +zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht +slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit +oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om +zijn gevoel uit te drukken. + + * * * * * + +Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder +eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, +die hij even teeder bleef beminnen.--En wanneer hij, ook oud zijnde, +op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en +deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader. + + + + +DE GEEST + + +ZEDENSCHETS + + +Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. +Elke straat heeft er hare _sage_ of _legende_, doch het is uiterst +moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit +hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste +volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen. +Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met +vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard. + +Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor, +zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen +erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog +onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener +asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans +verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af +te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon. +De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt +hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of +smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de +fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene +losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter +gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef +van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen. + +Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen +keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; +de eerste, die sprak, was: + +KOBE.--Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2] +poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel, _Snoef_[3] die +trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekije[4]. + +BALTE.--Die kan ekik. + +FRANS.--Is da die va Hanefroeike? + +Sus.--Och nee, we't het nie meer? Daar komtd'en[5] betooverd kornijn +in, da dien brief op dien tore' draegt, aen de Princers van Amereka. +Kunde gij het nie, Balte? + +BALTE.--Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, +ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6] lampen veur +nief, ik kan den Betooverden hond, en da van 't Steen, en Visserke +visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander, +as[8] ik ze maar wilde vertellen. + +FRANS.--Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (_Zij trekken, wie eerst +zal beginnen_.) + +KOBE.--Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de' +kelder onder de Vierschaer. + +Sus.--Nee, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van +tooverhekse' of van spooke'[9]. + +BALTE.--Ah wel, 'k zal eulie[10] 'e waerachtig vertelsel vertellen, da +gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't +Fransch gezeed[11] _la pipe de lapin_. + +KOBE.--Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis. + +BALTE.--Zie, da gauwke! Lapin is 'en kat, _pertang_![12] Neen, _poes_ +is 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' dien ouwe' +Franschman uit de Mannekestraet: _voleur de poes, de kattendief_! Da +wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie +op de Chantjie gewerkt? Heeft eulie vader _gardechou_ geweest, he? +Onder den tijd van de Marriene'?[13] Zwijgt na, zulle[14], want ik +begin op e' nief[15]. Na-w-in die straet daer stond eens 'en huis me +vier _steugie_ zonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het +paleis van 'ne keunink[16]. + +Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en +het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in. + +Sus.--Ah! ah! da zal schoon zijn! + +BALTE, _gestoord_.--Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van +twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder +tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest +tege'slag van den _eene'_ achter de straetpoort staen en begost[17] +zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen +_compassie_ me kreeg. + +KOBE, _met bange stem_.--Zijt de gij da, Sus, die daer 'ne zucht +gelaten hebt? + +FRANS.--Ee! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wa kieken! + +BALTE.--A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de +keldermond. + +--Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de +geest niet de[18] as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel! + +Daer wierd dan gezeed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de +ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat +dien uit gierighad[19] ene groote schat had verbeurge. En ge we't +wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat +hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld +gevonde' weurd[20]. + +A's da na[21] zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene' +keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog. + +Die soldaet heette sterke Jan, en dien had gezeed in 'en herberg, dat +hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze +plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's +ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven. + +Den huisbaes die ze tege' Jan: Is da waer? Derfde gij in datd huis +slapen! + +Ja, ze Jan zoo, want ik geef wa schoon de knoppen, ze hem, van alle +spooken en duvels. Da God bewaert, is wel bewaerd! + +Ah wel, ze den huisbaes, geef me d'hand daer op, ze hem[22]; 't is +gedaen. Wa moet ik u geven, vroeg hem. + +Hoort, ze Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in +klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol +spijs en 'en goei pan om mijn koeken in te bakke'. + +Da zulde gij hebbe', ze den huisbaes,--en a's hem da gegeven had, +trok Jan tege' den aved[23] me zijn' _provisie_ in het huis. + +A's het na vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' +koekpot me spijs in 'en kamer op d'eerste _steugie_, daer nog 'en +tafel stond me twee stoele'. + +Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en +hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen. + +Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een +voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in +zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;--maer hij was toch nie' van +zijne' center[24] en hij wist heel goed wat hem ze of de. + +Da was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost +zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij +lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.--Dan aen het kissen dat +'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't +_Landswelvaren_:--zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie. + +Ah wel, da was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant +schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om +te draaije'. + +Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet +uit de schouw--en _pardoef_ in zijn' pan, en de koek in d'asse! + +Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en +daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer le nou mene +zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeet hem in zijn eige; +'t is na toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan +doen, op goe val hetd uit. + +Na, hij doet da, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt +van gekregen hebben al was 't da g'in geen drij dage' geten hadde. + +Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, +dat uit de schouw gevalle' was. + +Raed na toch eens wat datd het was?--Het was en doodsbeen uit 'enen +arm! + +Jan die schiet in 'ene' lach en hij ze, zoo al lachende: Ja, denke' +ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel +geleverd me hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27] +deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; me hun' +flauwzen! + +Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeet +hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze +mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij +steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er +'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan +'en de koek in d' asse! + +Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de +weerlicht zien gaen? Wat is da nou weer daer ze daer me gegoeid +hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet +van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' +mensch nog nie' gerust laten ete'. + +Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael +beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch. + +Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen +oppakte en gelijk tege' de' muer aen _garzelemente'_ vaneen sloeg. + +Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd +'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit +de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in--en dat +duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel. + +Jan die schoot in 'ene' franse koleere en hij goeide den doodskop zoo +ver als hem vliege' wou. + +Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken +op de tafel gezet om te gaen ete'. + +Als hem na goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't +zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.--Jan telde, en 't was +twelf ure! + +Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem +de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen. + +Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, +en daer stond na de geest me 'e' wit laken op zijne' rug.--En hij +was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' da ge +zijn ingewand door zijnen buik kost zien. + +Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' +oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem +verruerde, dan zag hem _pormentelak_ dat het 'ene geest was. + +Ha, ze Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget me uw gezondhad? Me +dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van +Sinte Willebors, me het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer +_armoyeus_ uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske +zou u deugd doen. Maer wa zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken +deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'en _gile_ die _a jour_ +gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij! + +De geest die sprak nie; maer hij de 'en teeke' me zijne' vinger, als +of hem zegge wilde: kom gij eens hier! + +Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen. + +Aperopo, ze hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe +morge', da kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik +ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel _roematiek_ en +ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat +tael spreekte gij? Zeg! is 't van _parle franse contre alle mense_! +Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!--Zijtde +van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!--Maar de geest bleef +staan en de nie als me zijne' vinger wenken om da Jan bij hem zou +kome'. + +Maer Jan ging gerust voort me eten, en hij zag naer 't spook nie meer +om. + +Als da zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de +geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer +Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd me zene' vinger. + +Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest: + +Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer een ding te zegge: ge meugt zoo veul +spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we +weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u +die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.--Ge zoudt me geeren +den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge +kent me nog nie, manneke'! + +De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er me aen Jan zijn +hand;--maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand. + +Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis me mij make'? Het +schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet +getrouwd, 'k Zal ouw da wel afleeren.--Arre! dat is het eerste +koofke! + +En Jan sloeg het spook me 'en' lege fles vlak op het scheel van +zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak +op de' wind. + +Dan wierd Jan eerst voor goe kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en +op de' grond slage', maer da liep nie af; want als hem docht dat hem +hem vast had, dan vuelden hem niemendalle. + +Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens +gauw gaen zegge' wat da ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij +hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers me ouw of me uw heel familie +geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen. + +Maer de geest de nie a's wenken en naer de deur wijze'. + +Jan pakte dan zijnen kandeler en ze tege' de' geest; allo! laet zien +wat da g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'. + +Het spook de de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel +slummer, en hij ze altijd: ga zelf veur--want had hem veur gegaen, +dan had het spook hem zeker den nek gebroke'. + +Ze kwamen dan te lange leste beneen, in de gank, en daer lag 'ene +zark me enen ijzere' rink, die er in vast was. + +Het spook wees aen Jan, dat hem die zark moest opheffe'; maer Jan die +begost te lachen en hij ze: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als +ge geene _nikanik_[28] in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete' +rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie. + +De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer +drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld. + +En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'. + +Ziede da geld? vroeg het aen Jan. + +Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou +beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', +want 'k heb vijf jaer gediend--en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al +iet blinken da sterk op tienguldestukke' trekt. + +De geest haelde de drij potten uit de' put en ze me 'en holle stem: + +Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was. + +Eer da ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Da +zoude nie zegge', 'k Geloof da ge me wat opwindt. + +Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij ze: Ik heb in d'hel +zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn--en +gij hebt me nou uit d'hel verlost. + +Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge +zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want +mijn bloed kokt al! + +Nou brand ik nie meer, ze de geest, _arre_! daer is mijn hand, voelt, +nou is ze heel koud.... + +Bedankt veur de goedheid, ze Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer +stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik +ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij! + +Zie, ze het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er +eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur +mijn' ziel te doen, en.... + +Hola, riep Jan, da verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge +maekt gij geen' slechte rekening! En wa zal ik dan hebbe'? Neen, maer +als er wa drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij +ommers toch rijk genoeg, al is 't da ge zoo slecht gekleed gaet, en +da nog al in de' Winter.--Ah wel, wa zegde? + +Den derde pot, ze de geest, is veur ouw. + +Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot +van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken. + +En Jan sprong op van _arreusie_; maer hij strunkelde en hij viel in +de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer. + +Na was Jan in den donkere'. + +Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, +spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt +me nou ook wel uit deze put verlosse'. + +Maer het spook was weg. + +Jan die kroop dan me veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers +op. + +Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog +twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep. + +'s Anderen daegs de Jan hetgeen dat de geest hem gezeed had. Hij gaf +'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot +veur zijn eige'. + +En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen. + +En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en +hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle +dagen naer d'herberg.... + +En daer kwam 'e' varke me 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit! + + +VOETNOTEN: + + 2: Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te +Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters +welluidendheidshalve _de_ of _den_ bezigt, zonder op het geval te +letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle +klinkers, gebruikt men _den_, zoowel in nominativo als in +accusativo. + + 3: Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters +voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel van +_marionetten_, die zij _poesjenellen_ noemen. _Snoef_ is een +personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de +aanschouwers te vermaken, evenals de _Arlequin_. Het is gewoonlijk de +geliefde _acteur_ van het geeerd publiek. + + 4: De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het +einde onfeilbaar met eene _keuninksdochter_, eene _princers_ van +Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt, +eenen grooten ijzeren pot met geld. + + 5: De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in +Antwerpen _Ene, En E_, de _e_ hebbende den klank van _e_ in het +Fransche _le._ Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en +voor de letter _H_ zijn ze _Enen, En, En_. + + 6: De uitgang _oude_ wordt verzacht en veranderd in _ouwe_, +als: wij _zouden_, wij _zouwen, koude Winter, kouwe Winter._ + + 7: Het woordje _niet_, zonder nadruk uitgesproken, verliest +de _i_. + + 8: De l in _als_ wordt niet uitgesproken; b.v. _as_ ik het +zag, zou ik het gelooven. + + 9: De _n_ wordt nooit gehoord in de uitgangen der +veelsilbige woorden, die op _en_ uitgaan. Men zegt _verbinde, honde, +zinge_, voor _verbinden, honden, zingen_. Voor de klinkers en de +letter _H_, die hier nooit _geaspireerd_ is, heeft de verkorting +geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle +opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten +eene _n_ of andere letter om de _euphonie_. Hij zegt dus: _ik +wilden-u-iets, hy maelden-u-immers_! + + 10: Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons +wordt gemaakt met het bijvoegen van _lie_, zijnde eene verkorting van +_lieden._ Men zegt _geulie_ of _gylie_ en _eulie_ of _ulie_; dit +laatste voor _aan u_, als ook voor de bezittende voornaamw. meervoud +_uw, uwe, uwen_; b.v. _Geulie weet het. Ik zal eulie straks eulien +boek teruggeven_. + + 11: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _zeggen_ +is als volgt: + +Ik ze, voor: ik zeide, enz. + + Gij ze + Hij ze + Wij zeen. + Gijl. zeet + Zij zeen. + +Het verleden deelwoord is _gezeed_. + + 12: Het Fransche woord _pourtant_. + + 13: Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf +of _Chantier_ gewerkt? Is ulieder vader _Garde-Chiourme_ of +slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoord +_zijn_ altijd met het hulpwoord _hebben_ vervoegd wordt. + + 14: _Zullen_ is een tusschenwerpsel, dat overmatig in de +Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekent _verstaat gij het? +Hoort gij het_? + + 15: _Nieuw, nieuwe, nieuwen_ is in Antwerpen _nief, nieve, +nieven_. + + 16: De _g_ na de _n_ op het einde eener silbe verandert +meest altijd in _k_, als _gang, gank; ding, dink; hij zong, hij +zonk_. + + 17: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord +_beginnen_ is: + +Ik begost, voor: ik begon, enz. + + Gij begost + Hij begost + Wij begosten + Gijl. begost + Zij begosten. + +Het verleden +deelwoord is _begost_. + + 18: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _doen_ +is: + + Ik de, voor: ik deed, enz. + Gij de + Hij de + Wij deen + Gijl. de of deed + Zij deen. + + 19: In de uitgangen _heid_ en _lijk_ verandert de klank der +_ij_ in _a_ en men spreekt, alsof er stond _had, lak, gezondhad, +gemakkelakhad_, voor _gezondheid, gemakkelijkheid_. + + 20: De _o_ in _or_ wordt uitgesproken als eene zachte _eu: +zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt_. + + 21: _Nu_ spreekt men gewoonlijk uit _na_; de _a_ heeft den +korten klank van a in _nat_. Met nadruk wordt _nu, nouw_. + + 22: Het persoonlijk voornaamwoord _hij_ wordt alleen +gebezigd onmiddellijk voor het werkwoord, anders zegt men _hem. Zag +hem dat hem sliep_? beteekent _zag hij dat hij sliep_. Deze regel +heeft uitzonderingen. + + 23: Tegen den avond. + + 24: Een stuk in den kraag krijgen: _dronken worden_.--Van +zijnen center zijn, _van zijn verstand zijn_. + + 25: Honger krijgen. + + 26: Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene, +die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige +zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den +zieltjeskoek. + + 27: De plaats waar de paarden begraven worden. + + 28: Mecanique. + + + + +DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA + + +ZEDENSCHETS + + +(_Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en +lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en +eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest +tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer +met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes +in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat +het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en +weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, +anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig +met mannekens te maken of okentrek te doen_.) + +DE MEESTER, _met luider stem en langzaam_.--Past op dat gij de buiken +van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar +omhoog trekt! + +GEROEP VAN ALLE KANTEN.--Meester, versnijd mijne pen +eens!--_Monsieur, ma plume_ is te slap! De mijne is te stijf! _La +mienne est trop maigre_! De mijne is te vet! + +VICTOR, _een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit_.--Ik heb +gedaan, eh na! + +KAREL, _met zachte stem_.--Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen +krijgen. G'hebt weer altemaal _hanepooten_ gemaakt, gelijk gisteren. + +VICTOR, _zijne stem, zonder het te weten, verheffende_.--Dan moeten +ze mijn' pen maar vermaken.--Karel, willen we wat _pennekepik_ doen, +eh? + +DE MEESTER.--_Silence_ daar, met dat _lawijd_![29] Victor, pas op dat +uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel! + +EDWARD, _die nevens Victor zit_.--Mag ik mee _pennekepik_[30] doen? +'k Zal eene nieuwe pen geven. + +VICTOR, _bitsig_.--Neen, gij moogt niet meedoen, _aarzak_![31] + +EDWARD, _schreeuwende_.--Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester, +meester, Victor en Karel doen altijd _pennekepik_! + +DE MEESTER, _met gramschap_.--Ha, ze zijn weer bezig,--ik had het +gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen +_pennekepikken_ meteen! (_Hij trekt Victor met zijn oor_.) 'k Zal u +leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in +plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer +ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden +betalen, omdat ge hier _pennekepik_ zoudt doen, _bedorvendans_? + +VICTOR, _zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de +vingers stopt_.--Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het +aan mijn' moeder zeggen--dan ga ik naar een ander' school, zie na! + +DE MEESTER, _streelend_.--Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij +zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het +is beter dan gisteren,--dat verdient eenen _Bon_[32]. (_Hij schrijft +eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich_.) + +VICTOR, _mompelende_.--Met zijne _bons_ altijd! Wat kan ik daarmee +doen? 'k Ben er vet mee, met zijne _bons_! Ai mij, mijn oor! + +EDWARD, _tot den meester_.--Meester, het is zijn geschrift van +gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten _Rubbens_ in zijn +_cahier_[33] gemaakt. + +DE MEESTER, _tot Edward_.--Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers +kan lijden. (_Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen_.) Geeft acht +op het _dicte_;--neemt uwe _cahiers_. Zijt gij er altemaal? + +AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.--Ja, ja, meester!--ik +niet!--ik wel!--ik kan mijn _cahier_ niet vinden,--mijn pen schrijft +niet,--ik heb geen papier! + +DE MEESTER, _dicteerende met slepende stem_.--"De wederspannige +Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...." + +VICTOR, _Edward bij zijn haar trekkende_.--Daar nu,--ga, zeg nu nog, +dat wij _pennekepik_ doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar +trek, schreeuwbakkes! + +DE MEESTER.--"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er +daar wat uitscheiden? + +EDWARD, _weenende_.--Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd +met mijn haar! + +DE MEESTER, _met ongeduld en tegen den grond stampende_.--Zij zullen +mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (_Dicteerende_) +"De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...." + +EDWARD, _roepende_.--Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak! + +DE MEESTER, _dicteerende_.--"Absolon trok op ... tegen...." Victor, +ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... +"trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet +gij mij zoo, Piet? Schrijf dan! + +PIET.--Frans heeft mijne pen weggenomen, meester. + +FRANS.--'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met +_pennekepik_ te doen. + +DE MEESTER, _in gramschap_.--Hier gij! Op uwe knieen. Geef daar eens +twee kassen. Speel nu nog _pennekepik_, oudersverdriet, dat gij daar +zijt! (_Hij plaatst Piet op de knieen in het midden der school en +doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet +weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en +alle soorten van spottende gezichten te trekken_.) + +_Dicteerende_: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige +God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van +..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven. + +VICTOR.--Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden. + +DE MEESTER, _met wanhoop_.--Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat +hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een _komplot_ +gemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;--maar 't zal +niet waar zijn, _revolutionairs_! Gij zult mij niet verjagen.... + +EDWARD, _schreeuwende_.--'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer +_okentrek_[34] gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart. + +DE MEESTER, _met ongeduld_.--Ha, zijt gij weer _okentrek_ aan 't +doen!--en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is +om iets van te krijgen! + +(_Hij wendt zich om naar de andere zijde der school_.) + +VICTOR, _eenen luiden kaakslag aan Edward gevende_.--Daar nu! zeg het +nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u +eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, +labbekak! (_Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot +gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en +trekt ze van elkaar_.) + +DE MEESTER, _met groote woede_.--Deugnieten! Schelmen! 't Is erger +dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult +mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het +u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school +afvliegt.... Past op! (_Groote stilte in de school. Victor steekt +zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze +durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke +uitdrukkingen op zijn gelaat_.) + +DE MEESTER, _bedaard_.--Waar waren wij? Ha! (_dicteerende_) "De +boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon +den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de +vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier +knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb? + +FRANS.--Heb! + +DE MEESTER, _verbitterd en spijtig_.--Wat, heb, ezel? Op de vlucht, +heb ik gezegd, (_dicteerende_) "en reed onder eenen boom door ... +doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... +van...." Frans, doe dat _manneken_ weg en schrijf ... "De takken van +den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen." + +(_Frans heeft gedurende het dicte eenen bal papier tusschen zijne +tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt +het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen_.) + +VICTOR, _blijde_.--Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar! + +DE MEESTER, _vergramd_.--Frans, gij zult _noenoveral_[36] blijven +bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets +te knauwen hebben. (_Tot al de leerlingen_.) Het _dicte_ is +gedaan.--Victor! spel het laatste woord eens. + +VICTOR, _tot Edward_.--Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen, +of ik geef u eenen neep. + +EDWARD.--Neen, nu zeg ik het niet, zie na! + +VICTOR _nijpt hem in den rug_.--Zegt ge 't nog niet? + +EDWARD, _pijnlijk schreeuwende_.--Hangen! Hangen! + +DE MEESTER, _tot Edward_.--Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer. +Gij, Victor, spel het laatste woord. + +VICTOR, _onverstaanbaar en zeer gauw_.--*Abchg*--hang ... +chrstgen--gen--hangen. + +DE MEESTER, _het hoofd schuddende_.--Genoeg, genoeg. Wij zullen het +namiddag spellen.--De kleine Catechismussen weg.--De eerste les! + +(_Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne +cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne +catechismussen open op hunne knieen om beter te kunnen antwoorden. +Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel_.) + +DE MEESTER.--_Attention_ op de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn +er? + +EDWARD, _driftig en gauw_.--Drie,--'k wil zeggen twee,--neen, maar +een. + +DE MEESTER.--Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er? + +VICTOR, _zijn hoofd onder de tafel uitstekende_.--Zeven: +hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd.... + +De MEESTER.--Houd op, ketter! _Dat_ weet nog niet, hoeveel Goden dat +er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer? + +EDWARD.--Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester! + +FRANS.--Neen, wel, meester, ze doen _klontjen-trek_ en _witbier-zet_ +met krieksteenen![37] + +DE MEESTER _neemt een reglet en slaat in het wilde onder de +tafel_.--Schelmen, er uit!--gauw! of ik sla u armen en beenen +vaneen.... + +VICTOR en KAREL, _onder de tafel heen- en weer kruipende_--Ai mij! 't +is in mijn oog!--Ai ai, mijnen kop!--Och God, mijnen neus! + +(_Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood +en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben._) + +DE MEESTER, _bij Victor gaande, streelend_.--Victor, Victor, nu ziet +gij wat er van komt. (_Hij neemt hem zoetjes bij de hand._) Kom hier, +jongen; zit aan de groote tafel.--Ge moogt in de eerste klasse +gaan,--ik zal u een nieuw boek geven. + +VICTOR, _binnensmonds_.--Dief, dief, na. + +(_Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open._) + +VROUW VAN LAER, _moeder van Victor_.--Goeden dag, meester Verdonck. +Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt +geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al +noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, +zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er +tevreden over? + +DE MEESTER, _met fleemende stem_.--Ten uiterste, madam Van Laer. +Victor is wijs,--niet waar, Victor? Het is een mijner beste +leerlingen;--hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat +hij in _de Schat der kinderen_[38]. + +VR. VAN LAER.--Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo +rood! + +DE MEESTER.--Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet +aan Victor,--zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (_Tot Edward_) +Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de +school af, wees zeker! + +EDWARD, _morrende_.--G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw +reglet in zijn oog geslagen. + +DE MEESTER, _eenen gloeienden blik op Edward werpende_.--Zwijg, +franke ezel[39],--want er is toch niets goed van u te maken. Doe +gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn. + +EDWARD, _binnensmonds_.--Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's +niets, straks krijgt hij toch weer haver. + +VR. VAN LAER.--Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam +Laurier,--gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh +wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, +gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren? + +DE MEESTER.--De _geographie_, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar +hangt ze! (_hij wijst op de landkaart_.) Uw Victor is daar al heel +ver in,--hij is zelfs een van mijn' besten. + +VR. VAN LAER.--Dat wilde ik wel eens zien. + +DE MEESTER, _tot Victor_.--Kom hier voor de kaart, Victor, en laat +eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de _geographie_ zijt! +(_Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder_.) +Hoevele winden zijn er, Victor? + +VICTOR.--Vier. + +DE MEESTER.--Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij +gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens +wijzen, waar de vier winden zijn. + +VR. VAN LAER, _in verrukking_.--Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een +kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan +hij het onthouden! + +DE MEESTER, _hij wijst met een stokje boven de kaart_.--Victor, waar +is het Noorden? + +VICTOR, _met stoutheid_.--Van boven. + +DE MEESTER, _het stokje onder de kaart plaatsende_.--Waar is het +Zuiden? + +VICTOR.--Van onder. + +DE MEESTER, _met het stokje de rechterzijde der kaart toonende_.--En +het Oosten? + +VCTOR, _met koddigen ernst_.--Daar op zijde, waar gij met uw stoksken +wijst. + +VR. VAN LAER, _verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden +zag_.--Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus +geef. Gij zult nog minister worden, gij! + +DE MEESTER, _tot Victor_.--Waar wonen wij? In welk land staat deze +school? + +VICTOR, _zeer ernstig_.--Op de Paardenmarkt. + +DE MEESTER, _op zijne lippen bijtende en half beschaamd_.--Ja, ja, op +de Paardenmarkt, juist!--Maar in welk land zijn wij?--In Spanje, in +Turkije, in Lapland of in Belgenland? + +VICTOR.--In Belgenland. + +DE MEESTER, _vergenoegd_.--Ik wist wel, dat hij het niet vergeten +had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (_Victor, na lang +zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop_.) +Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel +vijfentwintig keeren gewezen. (_Tot vr. Van Laer_.) Madam, hij is +beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en +steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel +insteekt. + +KAREL, _tot Edward met zachte stem_.--Wat leelijke mouwstrijker dat +de meester is, eh? + +EDWARD.--Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij +geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten? + +FRANS.--Ik heb er eenen: let op, hij gaat! + +DE MEESTER, _roepende_.--_Silence_, daar in den hoek! + +VR. VAN LAER, _tot den meester_.--Ik heb het altijd gezegd, dat onze +Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne +koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware +hem eenen stiel te leeren;--maar ik zal wel maken, dat hij ten minste +pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren. + +DE MEESTER, _zich buigende_.--Daarin hebt gij het grootste gelijk van +de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of +eenen schoolmeester van maken. + +(_Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. +De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer_.) + +VR. VAN LAER, _verstoord_.--Wel wat afgrijselijke dingen!--Een mensch +met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe +slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed! + +DE MEESTER, _met groote woede_.--Wie heeft dit gedaan? Wie durft die +achtbare madam Van Laer met papier werpen? + +EDWARD, _roepende_.--Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft +gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed! + +DE MEESTER, _Frans bij den kraag naar de deur slepende_.--Hier gij, +schelm! De deur uit, deugnietenkind! (_Hij werpt hem aan de deur_.) + +FRANS, _buiten luidkeels schreeuwende_.--Ge meent, dat ik nog zal +weerkomen, eh?--maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... +(_Stilte_.) + +VR. VAN LAER.--Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw +naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou +gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij +wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te +mager zijn, volgens dat hij zegt. + +DE MEESTER.--Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem +op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij +het reeds kan. + +EDWARD, _tot Karel_.--Ja, _pennekepik_ kan hij beter, eh? + +KAREL, _roepende_.--Meester, Edward lacht u uit! + +EDWARD.--Neen wel, meester, hij is het zelf.--Hij zegt, dat Victor +beter _pennekepik_ kan! + +DE MEESTER, _dreigend_.--_Silence_, daar, zagemannen! of ik zet u de +school af.... (_Stilte_.) _Allons_, Victor, let wel op, ik zal het u +eens voordoen. (_Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend_:) +Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de +linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met +eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer +eene snee.... + +PIET, _schreeuwende_.--Meester, meester! daar vliegt een +_meuldener_[40] in de school! Pst! Pst! + +AL DE LEERLINGEN.--Hoera! Hoera!--Pakt hem!--Hoe na of ik had hem! +Hier, daar, pst! pst! + +(_Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het +onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers +schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk +vliegt de kever haar in het haar._) + +VR. VAN LAER, _met bange stem_.--Och! och! meester, verlos mij van +dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! +(_De meester neemt den kever van haar hoofd_.) Ai, mij! daar houd ik +eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, +wat beklaag ik u,--wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat +het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen. + +DE MEESTER, _met gramschap rondziende_.--Ik zal u straks spreken! +(_Stilte_.) _Allons_, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op +haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (_Hij geeft +eene pen en een pennemes aan Victor_.) + +VICTOR, _met ongeduld_.--Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar +buik? + +DE MEESTER.--Snijd er maar stoutelijk door, Victor.--Geef ze maar +eene goede snee. + +(_Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te +snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat +zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk._) + +VR. VAN LAER, _bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare +armen_.--Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.--Ziet eens wat +snee. (_Zij beziet den verbaasden meester met woede_.) Meester +Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een +mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.--Dis is +uwe schuld.... + +DE MEESTER, _met spijt_.--Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, +madam. + +VR. VAN LAER.--Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan +al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen +rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten +bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (_Zij +heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden_.) +Kom aan, Victor.--Kom naar huis, mijn kind. + +DE MEESTER.--Maar, madam, gelief.... + +(_Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog +eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit_.) + +DE MEESTER, _pijnlijk en met diepe droefheid tot den +leerlingen_.--_Eh bien_, serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen! +_Tretert_[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie +bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, +niet waar?--Geeft mij nu nog eene geraaktheid,--maakt mij lam aan +armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult +gij lachen, eh, monsters? (_Hij bedaart een weinig en zegt met +neerslachtigheid_:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan +dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen +en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?--Hebt +gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt +om u te leeren.... + +EDWARD, _schreeuwende_.--Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met +een strooiken aan heur gat! + +DE MEESTER, _stampvoetend en met wanhoop_.--Ja, ja, ik weet het wel, +gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de +steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,--een hoop +ezels,--zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (_hij +hoest twee of driemalen met pijn_.) Ja, nagels van mijne +doodkist;--want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult +krijgen, moordenaars! (_Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst +tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het +op elf uren_!) Het is elf uren.--De school is uit! + +(_De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen +gedruis_.) + +DE LEERLINGEN, _van alle kanten roepende_.--Hoera! Hoera! De school +is uit!--Wie speelt er mee broekstavast?--Wie doet er mee in d'O? Wie +heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42] + +DE MEESTER, _zijne deur toesluitende en het hoofd +schuddende_.--_Aures habent et non audient_! Alweer twee leerlingen +kwijt! Preek dan al voor dit gespuis! + + +VOETNOTEN: + + 29: _Lawijd_. Gerucht. + + 30: _Pennekepik_. Ieder brengt eene of meer pennen in het +spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie +eene pen aanpikt, wint ze. + + 31: _Aarzak_. Bedrieger, krakeelzoeker. + + 32: Goedkeuring of goede noot. + + 33: Schrijfboek. + + 34: _Okentrek_. Men schrijft een getal okens kegelwijs +nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al +de O's met linien verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie +te mogen raken. + + 35: Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen. + + 36: Des middags niet mogen naar huis gaan. _Bakken_, voor +straffe later dan de anderen op de school moeten blijven. + + 37: Men klooft eenen krieksteen in tweeen. Met deze +schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle +zijde naar boven, dan heeft men _klontjen-trek_, en men trekt een +getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle +zijde naar boven, dan heeft men _witbier-zet_, en men is verplicht +een getal krieksteenen in te zetten. + + 38: Een oud schoolboek. + + 39: _Frank_, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd. + + 40: Een Meikever of Molenaar. + + 41: Plagen, tergen. + + 42: Verschillende kinderspelen. + + + +DE KWADE HAND + + +VERHAAL + + +Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die +het menschelijk verstand te boven gaan,--voorvallen, die alle +wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen +droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende +macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat +op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft. + +In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent +achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won +het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene +gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid +en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar +van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen +schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten +der aarde. + +Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk +meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij +bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan, +om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. +Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om +langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; +want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen +onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet +geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging +losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij +poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de +doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, +dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder +voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart +angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen. + +Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende +donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de +uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte +nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die +haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen +en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor +haar stond en weder vroeg: + +"Welnu, dochter, wat uur is het?" + +Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia: + +"Acht uren." + +Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude +wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij: + +"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den +zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs +deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!" + +Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia +en ging haren weg--Onder de aanraking van het oude wijf werd het +ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering +over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band +klemmen. + +Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd +op dezelfde plaats, voordat haar de gedachte inviel het oude wijf op +het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; +maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat +Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag +de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden +stortte. + +Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in +hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen. + +Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om +haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet +in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw +achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, +roepende: + +"Theresia is dood!" + +Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de +tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij +insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, +begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, +roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de +bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas +en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel +afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der +bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, +hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo +onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia +al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar +gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich +verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; +integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel +zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en +schudden. + +Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat +gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het +achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare +oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer +en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen +te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden +weenden. + +Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die +onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog +bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van +den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht: + +"O, bid voor mij: ik ben betooverd!" + +Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte +deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het +verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle +bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de +overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was. + +Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte +te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even +glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere +verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende +vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de +dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en +welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het +uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene +slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. +In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en +lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden +vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen +zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar +schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij +vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op +slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks +zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, +op haar lichaam klom en haar tot een uur met de knieen de borst te +pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder +dat zij schreeuwen kon of opstaan. + +Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, +de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij +sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren +ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met +een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op +hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo +akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de +kamer waren ontvlucht. + +Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar +gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar +onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met +geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve +onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat +alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier +waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in +bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was +met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee +doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar +hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren +worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst +een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles +hielp echter niets:--de tooverheks ging voort met alle nachten het +ongelukkige meisje onder hare knieen te pletten en te martelen. + +Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en +uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar +laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen +van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare +glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken +zoovele ratelende beentjes. + +Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er +tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke +woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en +verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien +onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had +gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden +besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet +helpen kon. + +Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze +kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij +was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, +ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene +zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. +Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht +onophoudend ten gronde gevestigd. + +Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich +daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde +zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met +onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging +beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden +mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze +over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar +eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende +ondervragingen met zonderlinge stem: + +"Dochter, er is eene kwade hand aan u?" + +"Ik weet het wel, man." + +"Hebt gij niets op uwe _conscientie_?" + +"Och neen, ik ga alle maanden te biechten." + +"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?" + +"Nog veel minder." + +"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of +vermaledijd hebben?" + +"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg +gestorven." + +"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?" + +"Neen." + +"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?" + +"Nooit." + +"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het +oude wijf u betooverd heeft." + +"O, daar ben ik zeker van." + +"Wilt gij verlost zijn?" + +"Moet gij dit vragen?" + +"Antwoord mij!" + +"Ja, ik wil verlost zijn." + +De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken +zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen +onzichtbaren geest scheen te spreken. + +Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde +vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen +elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten +zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben +durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij +wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. +Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven +verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om +niet te hoesten. + +Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder +voor het meisje komende, begon hij dit gesprek: + +"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u +gelegd heeft." + +"Is het de oude tooverheks, of niet?" + +"Het is de oude tooverheks." + +"O, ik weet het wel." + +"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. +Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand +van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? +Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?" + +"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost." + +"Is dit uw goed woord?" + +"Ja." + +De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak: + +"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit +werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat +ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van +Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen +doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor +gegeven wordt." + +"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met +zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat +gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen." + +"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid +zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet +in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en +waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar +moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan +afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij +een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis +te betalen." + +Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man +gegeven. Hij hernam: + +"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, +dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo +zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit +wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien +voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, +dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: +een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de +deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien +er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend +ten venster uitvliegen.--Men behoort dat daarom open te laten. Er is +niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht." + +Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam +zijnen gaanstok en sprak tot de zieke: + +"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de +kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond +worden." + +Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard +en verliet de kamer. + +In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of +driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat +hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar +elders zich begeven had. + +Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg +waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had +men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht +te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou. + +Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik +inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik +zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen. + +Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en +ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en +omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene +tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans +kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het +een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd +ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook +het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep +met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, +zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene +zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den +tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en +werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot +middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot +zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met +onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte +nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich +met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op +Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de +komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op +eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna +niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der +vlam.... + +Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle +klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten +ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden +onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. +Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan voor ons staan. Met +opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de +tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps +op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene +ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp +los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat +wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks +bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan +overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende +stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak: + +"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!--O, neen, neen, scheur mijn +hart niet met uwe nagelen.--Geef mij den slag van gratie, dat ik +sterve!" + +Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken +had: + +"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat +mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, +dat ik niet wil,--ik zal den ouden man verjagen...." + +Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons +inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans +had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te +herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en +wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een +zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare +oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep +als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij +achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de +kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning +moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons +omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die +met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over +hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op +het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel +in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan. + +Een onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen +nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u +wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het +insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van +ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en +bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen. + +Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat +was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te +verroeren. + +Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde +ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen +en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven +worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende +hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit +rog of vloot gekookt was geworden. + +Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag +juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in +den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die +kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, +vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest +gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had +om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, +dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. +Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen +zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon. + +Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven +in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. +Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak +der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. +Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te +laten vinden. + +Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp +brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een +bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een +groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in +eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende +tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw +gebonden, op wat stroo te slapen. + +De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het +vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende +ledematen. + +Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half +twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij +de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, +deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk +papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig +doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere +woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen +spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het +overige wierp hij in den ziedenden ketel. + +Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij: + +"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar +ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf +uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en +bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet +doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal +hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren +of zien moogt!" + +De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd +uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene +doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel +in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid +om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere +te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk +gevestigd. + +Nog vijf minuten! + +In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu +begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, +borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op +sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder +de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven +ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; +de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen. + +Nog twee minuten! + +De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den +breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk +gevestigd, stond hij gereed om te steken.... + +Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, +als van iemand, die met eenen stok gaat. + +"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij +elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek +overhoop nedervielen. + +De deur ging open.--Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den +toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes +en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid +klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met +geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de +hand. + +Nog eene minuut! + +"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris. + +"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend. + +"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de +geneeskunde uit. Dit is verboden." + +De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf +uren ging slaan. + +"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog een oogenblik, een kort +oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of +gij doodt iemand met uwe handen!" + +"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet +volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote +pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!" + +Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; +hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich +vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk +nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!... + +Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos +in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is +dood!" + +Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de +deur ingeloopen, roepende: + +"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en +ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!" + +De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden +man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, +als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later +tot eenige maanden gevangenis verwezen. + +--Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles +tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien +het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe +legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? +Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die +onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij +aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; +want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle +geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een +zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen +beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat +onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde +betoovering? + + +VOETNOTEN: + + 43: Eene gemeente bij Antwerpen. + + 44: Eene gemeente bij Antwerpen. + + + +STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS + + +ZEDENSCHETS + + +Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia +bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de +plaats der poetische en verleidende Roos, op den troon van het +bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij +u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe +redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, +alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat +gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het +zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt +Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst. + +Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers +en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de +meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend +een toets dienen in deze beschrijving. + +Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste +gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, +zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van +iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne +bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het +hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josue, +de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer +nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat +het bed, voordat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en +rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene +Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en +tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en +begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt +hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te +weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne +vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. +Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, +steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een +blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, +totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht +ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne +huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; +en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, +gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij +doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene +Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van +buiten kent,--en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, +maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren. + +Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over +gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en +brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: +"Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van +tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de +Dahlia?"--Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp +te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn +aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene +artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is +afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal +ze zeker onder den voet geloopen hebben:--dit zou spijt +zijn!"--Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers +voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia +schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!" + +--Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij +zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling +meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's. + +--En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den +ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren +van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. +Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op +een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in +Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts _enkele_ bloemen als +starren geeft,--dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen +Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,--dat deze +plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden +door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen +kruidenhof,--dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 +verkreeg, enz. + +Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den +liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de +Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, +gedurende zijn gansche leven, het _goeden dag_ weigeren.--Hij, die +anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij +zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer +het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een +blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch +niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft +toegesteld.--Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen +onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de +geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige +bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat +uit de ontwortelde planten van Okulei,--Pioen,--Tuiltje,--Vingerhoed,-- +Violier,--Beverken,--Veldklok,--Knaptand,--Lelie,--Brikel[48] +en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door +onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid +gehaat. + +Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in +zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden +lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen +liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de _Marmot_ een dier is, dat +gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te +slapen, en niet ontwaakt voordat de zon de aarde met kruiden komt +begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: +zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen +in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone +van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne +bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des +geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit +levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne +lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor +vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne +veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed +mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den +invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste +maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen +langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne +oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en +nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd +gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die +trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De +Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds +van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene +natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; +hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken +toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van +eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en +springt den hof in. + +Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; +hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de +losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de +verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de +bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat +de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen +weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, +gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de +lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond +iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde +overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de +plantenslaap geeindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige +oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de +lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich +met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt +ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater +spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne +lippen stamelen een bevallig welkom. Daar, voor hem, staat het lieve +Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, +als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de +natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij +de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis: + +"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu +gaan wij weer leven!" + +De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij +een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich +te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader +geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit +steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de +andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders +zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat +in een ander vertrek, zonder nog te spreken. + +De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer +Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een +middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en +vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de +razernij der Dahlia's. + +U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met +spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten +bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839. + +M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige +kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, +benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens +doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als +volgt: + +"_Anna Maria_ plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, +met muizenoorkens en met purperen punten. _Buonaparte_, met haren +stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens +_Waterloo_ met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik _Defiance_ +nog planten? Die Dahlia _doet het bijna nooit_[50]. Het is anders nog +al eene aardige: chocolade met melk.--Ik zal haar in het midden +zetten met _Englands pride_, _don Carlos_, _Formosa_ en _Hortense +Knyff_. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet +ik mijne _Striata Formosissima?_[51] Ik mag daar niet losselijk over +beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan +in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen +slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers +moede gezien, eer zij aan mijne _Striata Formosissima_ komen. Dit mag +ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre +niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?" + +Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, +dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de +tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar +vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering +opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen +heeft. + +"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ +planten?" + +Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder +antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer +wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, +de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, +zeggende: + +"Dat zijn weerkens, eh?[52]" + +M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden +van het vertrek, plantte zich voor hem, zag hem strak in de oogen en +herhaalde als met gramschap zijne vraag: + +"Waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ toch planten?" + +M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen +genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende +gesprek: + +BIELENS.--Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op eenen dag niet +moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij +onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik +zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit +met rijp oordeel beslissen. + +FRUYTS, _blijmoedig_.--Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet +wat bloemken mijne _Striata Formosissima_ is. Niemand heeft haar in +honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes +medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens +kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien. + +BIELENS.--Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge +zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb? + +FRUYTS.--Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder +geweest. + +BIELENS, _invallende_.--Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu +eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu +niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang +genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan +nog meer met uitstel plagen? + +FRUYTS, _hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen_.--Zie, +Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne +Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze eene Dahlia. + +BIELENS, _in het boeksken lezende_.--"Nº 756, _British Queen_, +Well's.--Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, +overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve +steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu +vastgesteld na Paschen." + +FRUYTS, _in gedachte dwalende_.--Dit moet eene schoone bloem zijn, +eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken +aan! Raadt gij mij hem te koopen? + +BIELENS, _met ongeduld_.--Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen +Dahlia's meer, voordat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze +kinderen na Paschen, ja of neen? + +FRUYTS, _hij schudt het hoofd met spijt_.--Wel ja, ja zeker. Zijt gij +nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de _British +Queen_ nu koopen, zeg? + +BIELENS.--Ja, maar zoo trouwen is de regel niet, dat weet gij ook +wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe +dochter wel een rond sommeken medegeven? + +FRUYTS.--Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe +liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd +vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand +gegeven.--Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder +gehaald, Bielens? + +BIELENS.--Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien +gelegd.--Ik ga _boeturen_[54]. + +FRUYTS.--De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg +zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken. + +BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand +op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, +gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u +zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen? + +FRUYTS.--Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden +dan _ja_. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, +dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, +wees gerust. Tot namiddag. + +Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking +over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige +haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door +de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de +schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, +daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en +handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw +en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote +bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering +deden gissen. + +"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? +Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu +nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het +zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte +kramer. Ik zou beschaamd zijn!" + +De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak +met bevende stem: + +"Den sleutel, zeg ik!" + +"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. +Daar is de sleutel." + +M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner +vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf +in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn +oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen +geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden +plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij +kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en +voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen +ouderdom. + +Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne +verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert voor hem, in zijnen +halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen +bloei, in hoogste praal! Daar staat _Miss Colt_, de satijnen roos, +daar _Conqueror_, het fijn geplooid bruin fluweel; hier _Fireball_, +de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige _Nonpareil_; verder de +gulden _Topaas_, de zilveren _Virgin Queen_ en de zwarte _Sambo_. +Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne +veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, +doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, +dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen +vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende +lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In een +woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, +Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar! + +De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende +begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij +eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den +kelder, op de hoogste schab stond,--en sprak mompelend: + +"Daar, in dat houten baksken, ligt mijne _Striata Formosissima_ zoo +gerust op een bed van zemelen te slapen. _Striata Formosissima!_ +edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de _Striped perfection_ niet +zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe +bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij +durven de doffe vlekken van _Striped perfection_ bij uwe +anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd +verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal +wegrukken...." + +Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen +laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge +verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen. +Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was, +twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van +zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet, +of zij voegde er haastig bij: + +"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen. +Zult gij hem wat helpen?" + +De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer +dochter en antwoordde: + +"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan +komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig +met zijne Dahlia's uit den kelder te halen." + +Dit nieuws scheen de dochter te verheugen. + +"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?" + +"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw +glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,--wees daar +niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een +eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op +zijn kantoor.--Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na +Paschen." + +Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich +stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort +eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen +Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van +gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon +men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen +lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder +zeide: + +"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn +tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het +hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken. +Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik +zou hem gaarne alleen spreken." + +"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder +schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten +worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een +weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen." + +Zij naderde de kelderdeur en riep: + +"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!" + +Een gemor, dat wel op een _ja_ geleek, antwoordde op haren roep. Zij +verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende: + +"Hij zal terstond komen." + +Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de +verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder +een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen +tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den +muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is +er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M. +Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in +grievende galmen klinkt de naam van _Striata Formosissima_ herhaalde +malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der +bevende gelieven klinken. + +Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man +over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en +hetgeen zij ziet, belet haar te spreken. + +Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van +Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn +half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe +hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met +slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken +der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene +hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de +zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende +kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn +gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:--de wenkbrauwen over de ogen +gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de +bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met +schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt +zijn gezicht in het wilde rond.--De vrouwen staan verbaasd en +sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder +met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze +is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu +geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een +grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de +verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw: + +"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te +slokken?" + +De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt +niet. + +DE MOEDER.--Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze +grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (_Zij +verzacht hare stem spottend_.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe +hand gevallen? Och arme!--Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor +zulke vodden? + +DE DOCHTER; _zij wil den arm haars vaders vatten_.--Och, vader, wat +is er gebeurd? Zeg het aan mij. + +DE VADER; _hij stoot ze weg_.--Laat mij gerust! Spreek mij niet aan! +Uit mijne oogen! (_Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar +zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt_.) Lomp, +lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen +of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost +geven? + +DE MOEDER, _met gramschap_.--Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot? +Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden +te doen? (_Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en +snauwt hem toe_.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die +belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij +het? + +Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde +zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij +sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het +oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber +sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen +aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon +echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem +besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij +uit: + +"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker +vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar +ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia +in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan +stukken stampen." + +DE JONGELING, _met spijtige kalmte_.--Ik weet niet, Mijnheer Fruyts, +dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede +vrienden! + +DE VADER, _bitsig_.--Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke +verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet +aandoen. + +DE JONGELING.--Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan, +Mijnheer Fruyts? + +DE VADER.--Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's +niet doen sterven--uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille, +die hij won, niet van mij gestolen, zeg? + +DE JONGELING, _verwonderd_.--Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen +sterven? Dit wist ik niet. + +DE VADER, _met klimmende woede_.--Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat +ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?--En is het +zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56] + +DE JONGELING.--Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen; +maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen +hebben zijne Dahlia's ook afgebeten. + +DE VADER, _bulderend_.--Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij +dan de medaille gewonnen, zeg?--Valschheid en bedrog, ja! Maar dit +was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij +mij duur betalen. En zeg hem maar:--van nu af aan geene vriendschap +meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar +uit mijn huis blijven.--Als mijne dochter u nog durft aanspreken, +steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (_De dochter begint +te weenen_.) + +DE MOEDER, _met spotternij_.--Maar hoe kan een mensch van +vijfenveertig jaar toch zoo zagen!--Wanneer zullen wij nu eens weten, +wie er dood is? + +DE VADER.--Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet. +Dat weet _ik_, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten. +Tien jaren verkorting van mijn leven! + +DE JONGELING.--Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw +ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft? + +DE VADER, _in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne +oogen_.--Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er +geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat +hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar, +o schelmerij! (_Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon_.) Jan, +zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe _Striata Formosissima_ +in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.--En wat is +er geschied?--Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen.... + +DE VROUW.--Welnu, wat is er geschied, zageman? + +DE MAN, _met droefheid_.--Wat er geschied is! Luister, wat +verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest +opgegeten waren, hebben zij mijne _Striata Formosissima_ ook +opgeknabbeld. Weet gij het nu? + +DE VROUW, _hem uitlachende_.--Wel, wel, is het anders niet? Blijven +er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo +te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk +uwer dochter overgebeten hebben? + +DE VADER.--Anders niet, anders niet! (_Tot den jongeling_.) Mijn huis +uit, flierefluiter.--Gauw! + +DE DOCHTER, _weenend_.--Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt +beloofd, dat wij mochten trouwen. + +DE VADER.--Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,--met +den valschaard, die mijne _Striata Formosissima_ aan de ratten +overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den +bult van Okeren. + +DE MOEDER.--Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens +kort spel mede maken. (_Zij vat haren man bij den schouder en zet hem +ten huize uit. Zij sluit de deur toe_.) + +M. Fruyts bleef eenige oogenblikken voor de deur staan; doch ziende, +dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen +naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te +planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne _Striata +Formosissima_ in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne +gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder; +zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen, +overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel, +dat hij onder zijn gezicht bracht: + +"_Striata Formosissima_! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie +mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene +medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de +ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in +mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder +opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen. +Maar te laat is dit beklaagd,--gij zijt voor mij verloren. O ramp!" + +En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk +wortel over het wijde veld. + +Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend, +door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien +dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de +gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene +macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen. + +Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te +midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne +tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te +gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den +jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de +Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw +bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het +hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm +tot zich zag komen. + +Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:--de +deur uit, gauw!--maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem +een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem +aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach. + +Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M. +Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht, +die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke +tijding.--Hij leest: + +"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik +heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de +echte _Striata Formosissima_." + +Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten +bloemenkweeker. + +"Gij bezit eenen wortel van de _Striata Formosissima_!" riep M. +Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is +waarheid! Laat zien dien wortel!" + +Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier +en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo +zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze +betasting vond. + +"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene _Striata +Formosissima_." + +Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat. + +"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia +hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert." + +"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer +V---- sedert vier dagen een wortel van de _Striata Formosissima_ +gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden +uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was. +De heer V---- heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand +bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in Belgie, dan ik +alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs +mijner mededeeling in uwe droefheid?" + +Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts; +hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de +eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen +Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te +weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte +met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk +te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:--"Zijt gij daar, +flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht +gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend: + +"Hoera! Hoera! Ik heb mijne _Striata Formosissima_ weer! Toe, vrouw! +laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw +eene goede flesch uit den kelder,--van het patersvaatje! En gij, +mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende, +"vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.--Kom hier, +Frans, mijn zoon!" + +Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep: + +"Vivat _Striata Formosissima_! Leeft lang en trouwt na Paschen!" + + +VOETNOTEN: + + 45: Een gewichtig verdrag tusschen Belgie en Holland. + + 46: Dianthus Caryophyllus. + + 47: Lychnis Dinica. + + 48: Aquilegia--Paeonia--Dianthus barbatus--Digitalis +pupurea--Cheiranthus--Astrantia--Campanula--Anthirrinum--Lilium--Primula +Auricula. + + 49: Galanthus Nivalis. + + 50: Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en vele +mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen +komen, zooals zij zijn moeten. + + 51: Allerschoonste gestreepte. + + 52: Dit is een fraai weder. + + 53: Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk +Dahlia's-liefhebbers wonen. + + 54: _Boeturen_ beteekent: jonge Dahlia's kweeken bij middel +van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt. + + 55: Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus of +Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd. + + 56: Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol +(Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met +paardenmest gevet zijn. + + + +EINDE + + + + + + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN *** + +***** This file should be named 13595-8.txt or 13595-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13595/ + +Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG +Online Distributed Proofreading Team. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/13595.zip b/old/13595.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..6b2cbe8 --- /dev/null +++ b/old/13595.zip |
