summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/13595-8.txt6171
-rw-r--r--old/13595-8.zipbin0 -> 111174 bytes
-rw-r--r--old/13595-h.zipbin0 -> 304718 bytes
-rw-r--r--old/13595-h/13595-h.htm6056
-rw-r--r--old/13595-h/images/illustratie3.pngbin0 -> 58445 bytes
-rw-r--r--old/13595-h/images/illustratie59.pngbin0 -> 60121 bytes
-rw-r--r--old/13595-h/images/illustratie87.pngbin0 -> 53320 bytes
-rw-r--r--old/13595-h/images/titelpagina.pngbin0 -> 13853 bytes
-rw-r--r--old/13595.txt6171
-rw-r--r--old/13595.zipbin0 -> 110904 bytes
10 files changed, 18398 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/13595-8.txt b/old/13595-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..a7da32f
--- /dev/null
+++ b/old/13595-8.txt
@@ -0,0 +1,6171 @@
+The Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Avondstonden
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+Avondstonden
+
+
+
+INHOUD
+
+
+Quinten Massys
+
+De engel des goeds en de geest des kwaads
+
+De nieuwe Niobe
+
+Weetlust en geloof
+
+Het beulskind
+
+De geest
+
+De schoolmeester ten tijde van Maria Theresia
+
+De kwade hand
+
+Striata Formosissima of de Dahlia's-koorts
+
+
+
+
+[Illustratie: De abdisse nam het boek uit handen der non.]
+
+
+
+
+QUINTEN MASSYS
+
+
+Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen,
+eenige kleine huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden
+en aan geringe menschen werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond
+door ambachtsgezellen, die van hun arbeidsloon met moeite genoeg
+konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te betalen; of wel
+door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat
+zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven.
+
+In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene
+weduwe met haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de
+wereld bezat, hadden niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar
+dak gewoond; zij droeg hare armoede met het grootste geduld en zou
+niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren verruild hebben.
+Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de
+zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere
+moeder was en al het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon
+gekeerd had, was het haar een genoegzaam gelukzalig lot, zich door
+hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al hare zuchten was de
+naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had
+toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar
+zoon, die zijne moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en
+nacht om haar niets te laten ontbreken, en, wanneer hij maar gissen
+kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het zweet zijns aanschijns
+niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om zijne
+moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij
+zoodanig bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende,
+dat niemand hem in het smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven
+ging, en hij een ruim loon voor zijnen arbeid ontving. Dit was eene
+der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak versierd was
+en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter
+Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust
+vond, zong en was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten
+naam vergeten, om hem dien van _vroolijken smid_ te geven.
+
+Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit
+genoegen, al die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er
+vloeiden, zuchten die men er hoorde, en het zingen van den vroolijken
+smid was eene zaak, waaraan de geburen niet meer dachten, dan om zich
+gelukkige tijden te herinneren.
+
+Het was op eenen Maandag;--de weduwe zat met natbeschreide wangen bij
+het bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke
+zoovele jaren den voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die
+zooveel zweet voor zijne moeder had gestort, was nu als in een
+ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten hals
+gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne
+sleutelbeenderen lagen zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als
+met een doorschijnend lijnwaad waren overtrokken geweest: zijn gansch
+lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht droeg geen het
+minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op
+afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de
+flauwe oogen, die hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot
+tijd kwam er nog eene uitdrukking van zaligheid zijn mager aangezicht
+beglanzen: het was wel geen lach, maar iets onverstaanbaars, eene
+geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer van
+het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de
+bedrukte moeder, ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde
+en van doodende foltering in haren zoon omging, zijne beenige hand en
+zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde slechts van hare
+lippen, de naam van haren stervenden zoon:
+
+"Quinten! o, Quinten!..."
+
+Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe
+opnieuw overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe
+stemme:
+
+"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?"
+
+"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent
+gij om mij, en gij krenkt uwe gezondheid.--O, wat ben ik
+ongelukkig!--Ik zal sterven, dit voel ik; niet door de ziekte van
+mijn lichaam--dit zou mij misschien het leven sparen, maar er is
+iets, o God!--iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, iets,
+dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet
+wenschen.--O, moeder, moeder!"
+
+En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog
+veel vochts te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken
+over zijne dorre wangen.
+
+De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld
+verbergende, sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere
+drift in hare beide armen en zoende de tranen van zijn aangezicht.
+
+"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch
+aan uwe moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.--En
+dan, Quinten, dan zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit
+mogelijk!"
+
+Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog
+onbeweeglijker in de oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen
+ophielden van overvloediger op zijne wangen te rollen.
+
+"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw
+hart ligt. Ik bid u, in Gods naam, spreek!"
+
+Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten;
+hij bedekte zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem,
+die zulke geweldige ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen,
+dat zijn levensdraad ging breken:
+
+"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten.
+Denkt gij, dat ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;--ik
+zie u vergaan als eene schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind
+alleen!"
+
+"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde
+fierheid. "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet.
+Honger lijden voor u, mijn Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige,
+dat ik in voor mijn kind te lijden den eenigen troost vind, die mij
+nog op aarde overblijft."
+
+"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop,
+"naar den arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne
+moeder van honger vergaat, zonder haar een stuk zuur brood te kunnen
+bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade onwaardig, indien ik niet
+stierf!"
+
+Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat
+hij door drift had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met
+meer kalmte bij zijne eerste woorden:
+
+"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde
+heeft, niets, waarvoor men ons een brood geven zou?"
+
+"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb
+alles verkocht,--denk niet meer aan zulk middel."
+
+De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed,
+dat zijn gebeente onder het deksel kraakte.
+
+"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die
+reeds bij den dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O,
+neen, dit zal niet zijn.... Ho, ik zal opstaan en u doen zien, wat
+de liefde van eenen zoon tot zijne moeder vermag.--Geef mij mijne
+kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, niet gegeten
+hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder!
+de zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet
+vergramd.... Ik gevoel kracht! Ik leef!"
+
+Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne
+ziekte was opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot
+zwaren arbeid bereidt; en de bewegingen, welke hij deed, waren zoo
+los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet begrijpen kon wat dit
+beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van een
+mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem
+staren!
+
+Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen
+aangetogen; maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns
+lichaams te overwinnen, men kon echter genoeg zien, dat er weinig in
+zijnen toestand was veranderd; want zijne bewegingen werden
+allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij
+eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend
+omhelsde, en dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en
+riep:
+
+"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar--ik kan niet!"
+
+Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van
+het klooster van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad
+binnen.
+
+"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken
+Quinten.--Maar wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier
+gebeurd, dat gij beiden daar zit en weent?"
+
+De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk
+waren en nooit om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de
+schaamte hen, van over hunnen nood iets te kennen te geven.--Waar is
+toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn smeekend zal zeggen: ik
+heb honger?
+
+De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij
+plaatste den korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene
+flesch uit; dan schonk zij daaruit eene goede teug rooden wijn in
+eenen beker.
+
+"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u
+uitermate versterken: daar, drink het uit!"
+
+"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend
+gelaat, "beloof ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster
+Ursula!"
+
+"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker
+geven."
+
+"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan
+van vreugde in elk oog.
+
+Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug
+wijns genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens
+gezicht, zeggende:
+
+"Ho! ik heb nog al iets zie maar."
+
+Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief
+zijne armen ten hemel en riep:
+
+"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het
+toch zeggen, aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt
+laven en troosten. Zuster ... zuster, mijne oude moeder heeft in
+drie dagen niet gegeten."
+
+"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar,
+hier is een fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch."
+
+De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood
+nuttigen kon; hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde,
+want de gedronken wijn had haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de
+non bezig was met haar tot eten aan te manen, had Quinten
+ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich getrokken,
+zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte
+zij deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op
+gevoeld.
+
+"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?"
+
+"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op
+mij, indien ik uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van
+dankbaarheid en van eerbied!"
+
+De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van
+Quinten, dat alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene
+ongemeene kracht: men zou gezegd hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om
+zich uit die lastige gesteltenis te redden, begon zij eensklaps van
+wat anders te spreken.
+
+"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke
+menschen; hier in de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de
+wolwever Veken, de timmerman Balens en Hans de tapissier. Bij de twee
+eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens krijgen kan; maar
+de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...."
+
+"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig
+in de rede.
+
+"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der
+melaatschen," was het antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar
+omdat hij ziek is, zien wij daar niet nauw op.--Zie, daar zijn er,
+die ik juist bij hem heb afgehaald."
+
+Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten,
+die ze één voor één overzag.
+
+"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen."
+
+"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks
+beelden in zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar
+gij, die een smid zijt,--dit zou u niet gaan, geloof ik."
+
+Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid
+tot de non keerende, sprak hij:
+
+"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die
+eene pomp maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de
+Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het is waar, ik heb nooit met verven
+gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige beeldekens bederven;
+doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder
+arbeidt, geen gewoon werkman is.--Misschien zou ik kunnen gelukken;
+er is iets, dat mij het zegt."
+
+"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat
+gij kunt. Uwe moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven
+en penseelen medegeven."
+
+"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal
+ik kunnen werken,--en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik
+zeker, want gij zult om mij niet meer honger lijden. Ga gauw!"
+
+Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de
+beeldekens, het eene na het andere, door zijne handen gaan,
+overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood of groen maken zou. In
+die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat zijne
+magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij
+bewoog de vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij
+reeds aan het schilderen ware geweest. De beeltenissen, die hij onder
+het oog had, waren gebrekkelijk en slecht,--hij zag dit wel; want in
+zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst gemeen gemaakt, hetgeen
+genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer waren
+gesmeed.
+
+Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed,
+schikte een vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half
+zittende te schilderen. De oude weduwe was dermate nieuwsgierig, om
+te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, dat zij met angstige
+nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde.
+
+Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur
+tijds, eene print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten
+bedekt.
+
+Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij:
+
+"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,--het gaat mijne verwachting
+te boven!"
+
+De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel
+aanbood; doch zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en
+stond in bewondering en als verbaasd voor het geschilderd
+beeldeken.
+
+"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te
+laten zien!"
+
+"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit
+terug, opdat ik het vóór mij legge."
+
+"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?"
+
+"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het
+bezien, om ze in het tweede te verbeteren."
+
+De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een
+onuitsprekelijk geluk overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de
+beeldekens wel geschilderd had, want daar wist zij in het geheel
+niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van eenige
+stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed
+aanvaard werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren
+zoon, die nu, door de drift des arbeids ondersteund, in veel beteren
+staat scheen te zijn en na het voltooien der derde print de eerste
+woorden van een zijner vergetene liedekens, bij wijze van uitroeping,
+had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte moeder het
+werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende
+bemerkte:
+
+"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!"
+
+De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren
+zoon aan, om ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er
+in toestemde; en moeder Massys liep, zou gauw zij kon, naar het
+klooster, dat op eenige boogschoten in de nabijheid der stad lag. Zij
+klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men haar kwame
+openen.
+
+Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het
+eene geringe burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam
+open en vroeg:
+
+"Wat moet gij hebben, vrouw?"
+
+"Is zuster Ursula in het klooster?"
+
+"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;--kom morgen weer."
+
+Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een
+teeken, alsof zij zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!"
+
+Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster
+Ursula, en kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap
+doen om het klooster te verlaten.
+
+"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non.
+
+"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare
+huik halende, "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster
+Ursula te toonen en te zeggen, dat Quinten Massys, de smid, die
+gemaakt heeft."
+
+De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van
+misprijzen. De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar
+gelaat gaf dit genoeg te kennen.
+
+"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men
+walgt van ze te zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn
+kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan zuster Ursula toonen."
+
+"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder.
+
+"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord,
+dat zij kreeg.--En hiermede kon zij vertrekken.
+
+Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar
+haren zoon. Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende
+wanhoop dompelen? Maar kon zij hare tranen wederhouden en hare
+gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet te verraden, wat
+loon zij bekomen had?
+
+Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der
+non; want die hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys
+er aan toekende. Om dit te verstaan, moet men weten, dat de printen,
+die door Quinten geschilderd waren, allerlei melaatschen,
+gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid had
+deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel
+nog overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en
+door de waarheid er van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom
+riep: "foei, foei, het is schande!"
+
+De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze,
+waarop de printen geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de
+non beoordeeld was geworden.
+
+Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar
+reeds toeriep:
+
+"Welnu, moeder, wat zegt men er van?"
+
+De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon,
+uit overgroote droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare
+tranen streelde zij met dolle drift haren armen Quinten, die zijn
+hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. Hoe grooter, hoe
+ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger
+hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden
+getoond, wat pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat
+blijdschap hen vervoerde; want zij gaven elkaar de hevigste blijken
+eener vurige teederheid. Een innig gevoel van martelpijn dreef hen om
+elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden beiden de
+uitgestrektheid hunner bittere ellende.
+
+Eindelijk zuchtte Quinten:
+
+"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen
+verstooten, o God!"
+
+"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn
+dierbaar kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u
+als eene slavin gewerkt, toen gij nog jong waart.--Gij hebt mij ook
+bemind en als een goed zoon en door uw dagelijksch arbeidszweet voor
+uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan toch zijn
+moet,--indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger
+mij in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene
+zalige zekerheid over:--wij sterven samen!"
+
+Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in
+de kamer, dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene
+boezems en soms nog eene stille stem, die suisde:
+
+"Moeder, o, lieve moeder."
+
+Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de
+armen gedrukt; want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde
+tot elkaar als verengeld en hadden wellicht deze wereld gansch
+vergeten,--toen zij eensklaps aan de deur eene stem hoorden, die
+vroeg:
+
+"Waar woont de smid Quinten Massys?"
+
+De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en
+wilde de deur gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had,
+drongen vier personen te gelijk in de kamer.
+
+De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het
+klooster ter Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde.
+Achter hen kwamen zuster Ursula en eene andere non, een groot boek
+onder den arm dragende. Al deze personen stuurden met verwondering
+het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en beschaamd en
+bang op een bitter vonnis wachtte.
+
+De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen
+toonende, vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde:
+
+"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?"
+
+"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik
+hoop, indien ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer
+bekwaamheid krijgen zou. Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze
+bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam mijner ongelukkige moeder!"
+
+
+"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel
+ootmoedig, jongeling. Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit
+schooner beeldekens gezien heeft dan die, welke gij geschildert
+hebt!"
+
+Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten;
+eene kleur als doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne
+leden beefden, alsof hij door eene schielijke kwaal ware getroffen
+geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij zijne armen
+naar zijne moeder uit en riep:
+
+"O, moeder! lieve moeder!"
+
+De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend
+tegen de borst van haren zoon.
+
+Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier
+personen, die het aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne
+oogen zich met glinsterend vocht vervulden.
+
+"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen
+doen?"
+
+Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de
+nauwe omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en
+bleef bij hem staan. Quinten antwoordde in verrukking:
+
+"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar."
+
+De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den
+jongeling toonende, vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes
+Heeren, welke er in stonden, voor haar wilde schilderen. Quinten gaf
+voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit vrees van het kostelijk
+missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de Abdisse en
+den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg
+om dit groote werk te aanvaarden.
+
+Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen
+zich bereid om te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij
+Quinten en suisde hem in het oor:
+
+"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste
+voldaan,--zij kan er niet van zwijgen."
+
+En met zachtere stem voegde zij er bij:
+
+"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!"
+
+Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men
+kan begrijpen; hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en
+zuchtte:
+
+"Voor u,--voor u zal ik altijd bidden,--en mijne moeder ook!"
+
+Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige
+vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn
+schilderbord, roepende:
+
+"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij
+zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te
+halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen,
+mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk
+leven!"
+
+"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder
+arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het
+zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt.
+Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!".
+
+ * * * * *
+
+Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen
+het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in
+bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij
+kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van
+iedereen afmaakte.--Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen
+te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en,
+alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de
+hinderpalen, welke de kunst hem aanbood.
+
+Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten
+huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te
+leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij,
+voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder
+werd begroet.
+
+Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een
+goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat
+zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met
+zaligen vrede in zijne armen het leven ontging.
+
+
+
+
+DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS
+
+
+
+
+MIJMERING
+
+
+I
+
+
+(_Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene
+zitbank_)
+
+DE BROEDER.--Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen
+kussen achter dijnen[1] rug leggen;--laat dijn hoofdeken ter zijde
+rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome
+verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren
+hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste
+liederen aan....
+
+Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang
+en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in
+prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier
+in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt?
+
+DE ZUSTER, _zittende_.--Broeder, de natuur is schoon, niet waar?
+Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op
+aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en
+gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als
+zij zegt, dat een beter oord mij wacht?
+
+DE BROEDER.--Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele
+gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit
+moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt
+dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich,
+dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.
+
+DE ZUSTER.--Zal ik haast vertrekken, broeder?
+
+DE BROEDER.--God alleen weet het, Rosa.
+
+DE ZUSTER, _mijmerend_.--Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij!
+Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe
+vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne
+jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet
+waar, broeder?
+
+DE BROEDER, _met vochtige oogen_.--O, zuster, spreek zoo niet! Komt
+de Engel vroeger, du zals met hem gaan.
+
+DE ZUSTER.--Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen....
+Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?
+
+DE BROEDER.--Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet
+overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is
+dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen
+geest.
+
+DE ZUSTER, _de bloem aanschouwende_.--Arme roze, waarom dij zoo vroeg
+van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme
+zijn?
+
+DE BROEDER.--Zij zal verwelken en sterven, Rosa.
+
+DE ZUSTER.--Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven
+moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!
+
+DE BROEDER.--De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij
+zal hij lachend en minnelijk schijnen.
+
+DE ZUSTER.--En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat
+zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?
+
+DE BROEDER.--Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien
+verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten
+in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele
+juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen
+hemel heeft voorbereid.
+
+DE ZUSTER, _na lang stilzwijgen_.--Broeder, ik voel mijne oogen
+verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou
+mij verkwikken.
+
+DE BROEDER.--Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken
+bij dijnen zoeten slaap.
+
+DE ZUSTER.--Niet zóó, broeder.... het kussen aan de rechterzijde.
+Dáár moet immers des Heeren engel staan?--Zies du niets gelijk eene
+zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds dáár misschien?
+
+DE BROEDER.--Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen.
+Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn
+vermoeid hoofd ter ruste.
+
+DE ZUSTER; _zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert
+gedachteloos de bloem op hare hand._--Ontwaak mij, broeder, als ik te
+lang mocht slapen.
+
+DE BROEDER; _hij zit neder voor zijne zuster en weent._--Twee
+bloemen, die verwelken!--Arme roze, daar liggen nu dijne roode
+bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (_De
+zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend
+beekje_.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo
+juist!--Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken
+der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren
+gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,--kranslooze bloem
+op gebroken stengel,--nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den
+levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare
+ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat
+waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte
+zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des
+hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der
+maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal
+dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (_Hij buigt het
+hoofd en zwijgt_.)
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 1: Oudtijds, in plaats van _gij_, _u_ en _uw_, schreef men
+in het enkelvoud _du, dij, dijn_. Het is te bejammeren dat deze
+schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met _gij_, _u_ en _uw_ onze
+denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te
+worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene _s_ zet
+achter het werkwoord, zoodat men schreef _du habs, du wils_, voor ons
+hedendaags _gij hebt, gij wilt_.
+
+Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer
+mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud
+langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in
+zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig
+stuk zelf zal kunnen opmerken.
+
+Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:
+
+ M. V. O.
+ 1. dijn, dijne, dijn,
+ 2. dijnen, dijne, dijn,
+ 1. van dijnen, van dijne, van dijn,
+ of dijns, of dijner, of dijns,
+ aan dijnen, aan dijne, aan dijn,
+ of dijnen, dijne, dijn,
+ of dijner, of dijnen.
+ 1. naamval du,
+ " dij,
+ " dij, van, aan dij.
+
+
+
+
+
+II
+
+
+DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE
+
+
+DE ENGEL.--Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?
+
+DE DUIVEL.--Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder
+strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der
+menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.
+
+DE ENGEL.--Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?
+
+DE DUIVEL.--Is zij geene dochter Eva's?
+
+DE ENGEL.--Zij is het.
+
+DE DUIVEL.--Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en
+eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen,
+neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig
+gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland
+geschonken.--En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang
+reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij
+deze ziele!
+
+DE ENGEL.--Zij is rein, du kans ze niet raken.
+
+DE DUIVEL.--Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude
+waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar?
+(_Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem;
+de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond
+de maagd; vogelen zingen op het geboomte_.)
+
+DE ENGEL, _met droefheid en stil_.--O, du almachtige, verleen aan
+mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te
+doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het
+vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het
+verlies betreuren van het zoete maagdelijn!
+
+
+
+
+III
+
+
+DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.
+
+
+HET MEISJE; _zij ontwaakt met eenen glimlach_.--O, God, wat is dit?
+Genezen! Wat zoete begoocheling!
+
+Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig;
+warm bloed stroomt mij door de aderen.--Waar ben ik toch? Alles is
+hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het
+bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de
+engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (_De
+duivel vaart in eene roze_.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel
+tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij
+niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!
+
+DE ROZE, _waaruit de duivel spreekt_.--Zuster, ik kom en rust op
+dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du
+schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als
+de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik
+dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde
+zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik
+morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is
+dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen
+schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als
+de jongste morgenstraal!
+
+HET MEISJE.--Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem
+het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?
+
+DE ROOS.--Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du!
+Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens
+wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik
+sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden
+met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer
+verlate!
+
+HET MEISJE: _zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst_.--Blijf
+op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo
+bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen
+boezem!... Roze, dijne doornen wonden mij! (_Zij werpt de bloem
+weg_.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (_De duivel verbergt zich
+in het beekje_.)
+
+HET BEEKJE, _waaruit de duivel spreekt_.--O, du allerschoonste maagd,
+bekoorlijke Rosa!
+
+HET MEISJE.--Wie sprak mijnen naam?
+
+HET BEEKJE.--Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche
+boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig
+dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.
+
+HET MEISJE; _zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld
+in den gladden waterspiegel_.--Hoe rozevervig zijn heden mijne
+wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de
+gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch
+niet blanker dan mijn voorhoofd..... (_De duivel komt uit het
+beekje_.)
+
+DE DUIVEL, _spottende tot den engel_.--Ha, ha, engel des lichts, du
+begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal?
+Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet
+in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen
+gemoed,--ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der
+maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart!
+
+DE ENGEL.--Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene
+onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams
+heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet
+niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan
+de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de
+maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke
+foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.
+
+DE DUIVEL, _met woede_.--Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen
+boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon
+ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van
+mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;--ja, daar
+verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht....
+Let op, ik ga dij werks leveren! (_Hij keert terug in het beekje_.)
+
+HET MEISJE, _in de beek ziende_.--Lief beekje, heeft dijn zilveren
+plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?
+
+HET BEEKJE.--Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene
+enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar
+gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb
+gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne
+boorden,--voor haar knielden,--om eenen blik harer oogen smeekten en
+voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder
+dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"--En toch, engellijke
+Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam;
+nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie!
+(_Zij verlaat het beekje_.)
+
+HET MEISJE; _zij blijft lang in mijmering verzonken_.--De schoonste
+zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!... Maar, wat
+zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne
+krankheid;--zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....
+
+DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden
+vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft
+gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?
+
+HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne
+stem nu zoo treurig?
+
+DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne
+geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne
+wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens
+waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik
+bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de
+steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den
+mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde
+tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij
+wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten
+wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de
+hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du
+hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu,
+eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen
+hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.
+
+HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch,
+wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?
+
+DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.
+
+HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?
+
+DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd!
+
+DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe
+wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en
+snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden
+vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend
+lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij
+heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich
+verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de
+dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven
+heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een
+ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk
+eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God
+miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?
+
+HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de
+lichaamsschoonheid, door God mij verleend.
+
+DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel des lichts, eindig
+toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich
+vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?
+
+DE ENGEL, _tot het meisje_.--Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne
+woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en
+onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.
+
+HET MEISJE.--O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne
+droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal;
+anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik
+het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch
+mij ontbreekt de macht.
+
+DE ENGEL, _tot den duivel_.--Achteruit, du verleider, dijn looze
+strik gaat breken! (_Tot het meisje_.) Rosa, du hebs een gelaat, een
+lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd;
+maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden,
+rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft
+zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den
+Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee
+schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds
+du kiezen?
+
+HET MEISJE.--O, ik behielde immer de zieleschoonheid.
+
+DE ENGEL.--Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne
+lichtkroon in den hemel blinken!
+
+DE DUIVEL.--Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts;
+maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende
+worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke
+liefde.
+
+
+
+
+
+IV
+
+
+DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.
+
+
+HET MEISJE.--O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt
+den goeden God zelven,--het lichaam alleen den mensche.... (_Er komen
+twee tortelduiven op een wilgetak zitten_.) Gij, lieve tortelkens, ik
+wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen
+broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.
+
+DE DUIVEL, _tot de duivinne_.--Tot wanneer, o wreede, zals du
+ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en
+droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van
+steen?
+
+DE DUIVINNE.--Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om
+een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om
+eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du
+goede, trouwe vriend en beschermer.
+
+DE DUIVEL.--Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn;
+het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem;
+een ander vuur verteert mijn ingewand. (_De duiven vliegen weg_.)
+
+HET MEISJE.--Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch
+broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo
+sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik
+begreep hem niet;--hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,--en dan
+is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet
+verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....
+
+DE ENGEL, _tot den duivel_.--Mislukt is dijn aanslag op het
+spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!
+
+DE DUIVEL.--Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde
+slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik
+bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen.
+Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien!
+(_Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan_.)
+
+HET MEISJE; _zij ziet eenen jongeling naderen_.--Wie komt daar? O,
+hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O
+vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!
+
+DE DUIVEL, _in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat_.--Rosa,
+hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?
+
+HET MEISJE.--O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke
+vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft
+gedeeld.--Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine
+gezellinne niet vergeten?
+
+DE DUIVEL.--Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.
+
+HET MEISJE.--Waarom toch?
+
+DE DUIVEL.--Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van
+hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling;
+ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In
+onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen
+naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het
+gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen
+langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer
+vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende
+oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens,
+des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs
+du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden
+met mij, of ik sterf? (_Hij vat hare handen driftig in de zijne_.)
+
+HET MEISJE, _verschrikt_.--Los, los! dijne handen branden als vuur,
+dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen
+zielevrede.
+
+DE DUIVEL.--Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du
+zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat
+mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen
+trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O
+erbarmen, erbarmen! (_Hij knielt voor haar_.)
+
+HET MEISJE, _medelijdend_.--Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten
+verlichten, ik deed het gaarne.
+
+DE DUIVEL.--Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat
+du niemand boven mij bemins.
+
+HET MEISJE.--Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.
+
+DE DUIVEL.--Het zij zoo, bemin dijne moeder.
+
+HET MEISJE.--Ik heb eenen broeder.
+
+DE DUIVEL.--Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils
+zijn, dat du niets anders boven mij bemins.
+
+HET MEISJE.--En zoo ik het zegge, Lodewijk?
+
+DE DUIVEL.--O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne
+liefde!
+
+DE ENGEL.--Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen
+God?
+
+HET MEISJE.--O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme
+vriend; zou ik hem niet troosten?
+
+DE DUIVEL.--Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken:
+reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.
+
+HET MEISJE.--Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te
+vergrammen.
+
+DE DUIVEL.--O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in
+mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie,
+mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!
+
+DE ENGEL.--Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!
+
+HET MEISJE.--Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?
+
+DE ENGEL, _haastig_.--Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt
+een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.--In
+den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne
+liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen
+voor dijne zaligheid heeft vergoten....
+
+De DUIVEL.--O medelijden, medelijden met mij!
+
+HET MEISJE.--Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!
+
+DE ENGEL, _met wanhoop_.--Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie
+mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek
+dijn vonnis of dijne verzaliging.--Behoors du den jongeling en der
+wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele.
+Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen
+jongeling? Spreek!
+
+DE DUIVEL.--Ja, Rosa, spreek.
+
+HET MEISJE.--Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne
+liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....
+
+DE ENGEL.--Eilaas, zij valt.
+
+DE DUIVEL.--Zege, zege, mij de ziele!
+
+HET MEISJE.--En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne
+liefde en mijne ziele eeuwig aan God!
+
+DE ENGEL.--Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in
+den hooge!
+
+DE DUIVEL, _in zijne echte gedaante_.--Doemenis, doemenis, zij heeft
+overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil....
+Gevloekt, du engel des lichts! (_Hij vliegt heen in de ruimte_.)
+
+
+
+
+V
+
+
+DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER
+
+
+(_De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en
+staat op_.)
+
+DE ENGEL.--Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn
+hoofdeken in mijnen arm.
+
+HET MEISJE, _zij ontwaakt als uit eenen droom_.--Broeder, broeder!
+
+DE BROEDER.--Wat verlangs du, Rosa?
+
+HET MEISJE.--Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor
+dij, en eenen voor moeder.
+
+DE BROEDER.--O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?
+
+HET MEISJE.--Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in
+zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het
+hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!
+
+DE BROEDER.--Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.
+
+DE ZUSTER.--Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en
+kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden
+zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon.
+Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,--ik stijg op met hem
+langs de baan des lichts!
+
+DE BROEDER.--Dood!
+
+
+
+
+
+DE NIEUWE NIOBE
+
+
+VERHAAL
+
+
+
+ Wat onder Godes hand niet buygen
+ wil, dat breekt. J. CATS.
+
+
+Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen
+eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend
+schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien
+spelenden geest, dien de Franschen _esprit_ noemen, had zij zich,
+volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend
+geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche
+vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de
+ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van
+een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor
+alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een
+ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo
+niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen,
+zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste
+uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet
+naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige
+Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame,
+en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat
+zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar
+overkomen ware.
+
+Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer
+prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood
+damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een
+boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede
+zedelessen bevatte. Las zij er in?--Misschien wel; doch wie haar zag
+en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette
+de oogen gansch te openen.--Alles in die plaats gaf getuigenis van
+den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de
+schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze
+voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een
+raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs
+verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der
+weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar
+het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene
+flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige
+en verleidende verf te geven.
+
+Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes
+allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste
+gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een
+groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten
+elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit;
+want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen
+oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het
+oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het
+jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens
+en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een
+zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne
+handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal
+zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen
+zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak
+voorstellen.... Ja, het was wel zoo:--die fijne kinderwezens, dit
+helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,--die blonde
+haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet
+gezengd,--die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of
+overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare
+frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste
+bloemen der Lente!
+
+En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer
+vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche
+verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet
+gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot
+de wereld.
+
+Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen,
+zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur
+geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich
+en sprak:
+
+"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal
+aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb
+ze altijd afgewezen;--zij schijnt eene gemeene burgerin."
+
+"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben
+_onzichtbaar_ voor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt,
+laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge
+Franschman, die mij gisteren van het _concert_ naar huis geleidde?"
+
+De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:
+
+"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even
+sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart
+breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."
+
+Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of
+driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:
+
+"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is
+haar naam?"
+
+"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam
+van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."
+
+Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of
+eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het
+aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger
+vooruit en antwoordde met gramschap:
+
+"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat
+ik niet te huis ben. Ga!"
+
+Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken,
+of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,--een gerucht
+als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.--Eene nog jonge
+vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van
+mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte,
+misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met
+trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de
+handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare
+kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:
+
+"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt
+gij?"
+
+De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van
+mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:
+
+"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en
+totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp
+op hare knieën afbidt...."
+
+De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden
+van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde
+zij met eene gemaakte koelheid:
+
+"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij
+iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw
+doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer
+geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort
+mogelijk."
+
+Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der
+jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene
+geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan:
+want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren
+schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond
+op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:
+
+"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit
+bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons
+vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn.
+Maar heb nu toch eens medelijden met ons,--o, red ons van schande en
+armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam
+zegenen als dien van eenen engel!"
+
+Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en
+deed ze twee-of driemaal klinken.
+
+"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen,
+"men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"
+
+En zich tot de weenende vrouw wendende:
+
+"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet
+hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"
+
+Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij
+weerhield zich en sprak met haastige woorden:
+
+"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood,
+nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met
+weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot
+is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij
+hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd.
+Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene
+goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons
+bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis
+om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het
+gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht,
+overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch
+spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer
+gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor
+mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met
+mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben
+zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe
+kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed
+zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene
+andere moeder ongetroost laten weggaan?"
+
+Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van
+maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.
+
+"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.
+
+"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de
+goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld
+verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het
+gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij
+over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende
+en schaamte zult hebben gered."
+
+Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van
+Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:
+
+"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw
+man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen
+toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de
+luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve
+uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij
+denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt
+gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"
+
+De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te
+storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte,
+ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor
+mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:
+
+"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe
+dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond
+den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als
+eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet
+meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom,
+dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel,
+hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij
+slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht
+heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"
+
+Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was
+neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:
+
+"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"
+
+"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van
+mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?--En
+hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij
+mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen
+vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in
+bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde,
+en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat
+kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt,
+edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken,
+en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet
+het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en
+verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij
+alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en
+dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."
+
+Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde
+zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende
+bedreigingen:
+
+"Wat gestolen?--Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis,
+dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de
+straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe
+lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel
+zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen."
+
+"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon,
+dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet.
+En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat
+gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij
+het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet
+willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe
+ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit
+genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele
+dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin,
+door laag bedrog, in ellende te dompelen...."
+
+Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen
+harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking
+harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de
+bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op
+hetgeen de jonge vrouw zeide:
+
+"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne
+erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij
+en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld
+verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde,
+uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."
+
+Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach
+en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak
+met klaardere stem:
+
+"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de
+hersens;--en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen.
+Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer
+zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet
+bij uw verstand...."
+
+"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt,
+kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke
+zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen
+te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!--Maar
+gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou,
+zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan
+alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen....
+Bemint gij ze dan niet?--Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo
+dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want
+ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een
+onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in
+mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare
+beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:
+
+"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor
+u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne
+kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij."
+
+"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster,
+zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke
+huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"
+
+De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van
+Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:
+
+"Welke plaag? Welke plaag?"
+
+"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel
+in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe
+armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den
+schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."
+
+Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van
+Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik
+daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare
+tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan
+naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:
+
+"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze
+lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet
+wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te
+spreken, want de deur blijft voor u gesloten."
+
+"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende.
+"Vaarwel!"
+
+Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook
+daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren
+geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug
+in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige
+overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij
+geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den
+ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo
+bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van
+Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:
+
+"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"
+
+"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen,
+wat ongeluk ons nadert."
+
+"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.
+
+"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer
+Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,--en dezen morgen zeide
+hij mij nog goeden dag!"
+
+Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van
+mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te
+vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:
+
+"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij!
+Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!"
+
+"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe
+kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;--ik zal ze gaan halen.
+Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid
+hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn
+er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn
+gevlucht."
+
+Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van
+mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke
+hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare
+kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte
+daaruit nog eenigen moed.
+
+De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij
+door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne
+liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt,
+dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo
+vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene
+nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag
+zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke
+bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar
+beven.
+
+"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.
+
+"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie
+altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in
+mijn lijf."
+
+Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare
+kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.
+
+"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om
+dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die
+gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene
+vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,--ik zal uwe
+moeite niet onbeloond laten!"
+
+De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar
+hare kinderen....
+
+Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare
+borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich
+rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner
+voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn
+hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.
+
+Ho!--hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was,
+bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen
+besproeide,--hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en
+geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te
+zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en
+met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het
+vervolgde, wilde ontvluchten;--en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij
+het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou
+gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene
+zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen
+onfeilbaar schild tegen den dood.--Het kind werd koud op de borst
+dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef;
+zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten
+ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water
+waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde
+en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand
+beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner
+moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem,
+die klonk als bevend glas:
+
+"Drinken, drinken! ik heb dorst!"
+
+De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het
+met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde
+zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.
+
+In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen
+niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar
+nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen
+haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de
+aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van
+schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met
+haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar
+roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij
+haar hoofd en sprak knielend....
+
+"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."
+
+Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik,
+sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en
+bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen.
+Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en
+schreiden met hartverscheurend snikken.
+
+Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon,
+wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit
+tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;--doch hij,
+die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee
+blinkende tranen uit zijne oogen.
+
+"Rampzaligen!" zuchtte hij.
+
+
+[Illustratie: Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.]
+
+
+Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van
+den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de
+knieën, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:
+
+"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods
+wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,--ik kus het stof uwer
+voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"
+
+De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne
+ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een
+teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden
+buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare
+oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,--en tot de lijdende
+kinderen gaande, sprak hij:
+
+"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik
+hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien
+niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar
+niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook
+schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over."
+
+De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal.
+De heer Schippers hernam:
+
+"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een
+vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw,
+die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid
+over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."
+
+Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan
+zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen,
+liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens
+huilend en riep met verpletterd wee:
+
+"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit
+meer zien...."
+
+Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de
+knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier
+kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in
+eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede
+zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten,
+of hare kinderen nog omtrent haar waren.
+
+De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch
+na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer,
+waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent
+zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van
+ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten
+als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te
+worden;--maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen
+grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem
+het kind uit de armen.
+
+"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne
+Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,--gij, die den naam uwer moeder
+draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des
+doods!"
+
+Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden
+van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel
+gezonken waren.
+
+"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe
+moeder nog eens, mijn arm kind;--gij ook verlaat mij, gij, mijn
+evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste
+schat.... Vaarwel, vaarwel!"
+
+En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en
+deerlijk huilend vallen liet.--Na eenigen tijd met starende oogen,
+misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in
+haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in
+haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieën, met de
+handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was
+onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde
+lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen
+hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en
+stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die
+biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min
+hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme
+den knecht, die onmiddellijk verscheen.
+
+"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met
+Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."
+
+De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.
+
+"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart.
+God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen
+almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne
+genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel,
+de beproeving is nog niet gedaan.--Pieter, mijn vriend, ik verzoek
+u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat
+hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen
+zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot
+vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen
+was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen.
+Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu
+ken ik ze!"
+
+De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk
+verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze
+beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat
+bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene
+uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou
+gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar
+hart vervangen had.--Maar die blijdschap moest van korten duur zijn.
+Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op
+hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds
+bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling
+viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond,
+en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing;
+zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden
+kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.
+
+U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware
+onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw
+zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan,
+indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht
+van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende
+eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de
+nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen
+steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk
+opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de
+geneesheeren zich bevonden.
+
+Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met
+haar kind op het tapijt.--Arme moeder! Zij had met een vluchtigen
+blik haren Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen.
+
+Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en
+in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer
+handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te
+roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek,
+en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij
+zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende
+kracht:
+
+"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens
+u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;--gij ziet het, ik
+ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in
+alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen
+op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het
+leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe
+vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg
+mij, vergeeft gij mijne misdaden?"
+
+De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:
+
+"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang
+vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en
+bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u
+niet verlaten, vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij
+zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne
+barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog
+moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven
+gij vreest."
+
+"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet,
+hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en
+onderbreek mij niet.--Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina.
+Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar,
+ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De
+opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den
+sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest
+ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam
+van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van
+God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot
+mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het
+ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner
+kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het
+onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van
+hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van
+heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...."
+
+"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.
+
+"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel,
+dat ik mij onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En
+ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart
+door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën
+uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe
+afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?--Het
+kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik
+vraag u geen woord,--slechts eenen kus van verzoening en
+vergiffenis,--en dat de Heer ons zie!"
+
+De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven
+lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er
+in die verzoening!
+
+ * * * * *
+
+Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de
+Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed;
+de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte
+tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan
+zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van
+het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de
+voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen
+en sprak weemoedig:
+
+"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en
+zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten
+heeft."
+
+Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene
+godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:
+
+"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"
+
+
+
+
+WEETLUST EN GELOOF
+
+
+ZINNEBEELD
+
+
+Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.
+
+De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd;
+het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,--en alles
+bracht sombere gedachten in mijn hart op.
+
+Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht,
+vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.
+
+Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber
+nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.
+
+Het levend raadselwoord stond vóór mij!
+
+Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam
+eens booms, door den storm ontworteld.
+
+De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude
+tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon
+schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij
+bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het
+smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen
+vinger vooruit en sprak:
+
+"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het
+geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.
+
+Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij
+verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.
+
+En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk
+_grondbeginsel_ gezocht.
+
+Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was
+zwaar om te dragen.
+
+Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner
+genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het
+troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem.
+
+Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de
+dienst Gods zelf.
+
+De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;--mijne
+wenkbrauwen zonken over mijne oogen;--twee breede rimpels
+verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende
+gepeinzen werden mijn aandeel.
+
+Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des
+Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben."
+
+ * * * * *
+
+Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:
+
+"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien
+de aarde uw hoofd tot zich trekt.
+
+Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere
+tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u
+niet verkwikken en ondersteunen,--dat gij weenend ten grave zinkt?"
+
+"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent
+des menschens leven niet!"
+
+Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op
+mijne wangen,--en alles lachte mij toe in de gulle natuur.
+
+Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.
+
+En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde
+ik.--Ik kon bidden en danken.
+
+Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,--als het schitterend
+dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend
+verheft en uitdooft--om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te
+schijnen.
+
+Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om
+het lijden te kunnen vergeten.
+
+En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.
+
+Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met
+de zielen der menschen geschapen was.
+
+Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.
+
+Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,--en ik riep
+mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig
+liefde in 's menschen hart is.
+
+Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.
+
+Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.
+
+Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte
+water op mijne wangen.
+
+En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.
+
+Ho!--op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,--mijn boezem
+klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...
+
+Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;
+
+En het gapend graf ontving zijn lichaam,--en de koude aarde bedekte
+den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....
+
+En het was voor eeuwig!
+
+Dan zocht ik het geluk in de min.
+
+Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,--en het
+arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.
+
+Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.
+
+En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.
+
+Aan God dacht ik niet!
+
+Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de
+wereld.--De zeise des doods liep over de aarde;
+
+En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden
+geslagen.
+
+Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen
+boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien
+liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.
+
+Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds
+tweemaal op zijne lippen was geweest,
+
+Dan bad ik den Heer om genade;
+
+Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;--want eene afgrijselijke
+stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den
+geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam.
+
+Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne
+zinneloosheid.
+
+De dooden hooren niet!...
+
+Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in
+mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!
+
+Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem
+geledigd....
+
+En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.
+
+Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.
+
+En ik bleef alleen in de wereld.
+
+Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de
+hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden.
+
+En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking
+met de droefheidsstonden--waren als 1 tot 1000!
+
+Ik riep spijtig en lasterend tot God:
+
+Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch
+hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen,
+opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...
+
+En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart
+werd koud:
+
+Geloof ontging mij gansch,--weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.
+
+En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de
+lippen houden;
+
+En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"
+
+ * * * * *
+
+De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.
+
+Zijn schedel helde zwaar voorover,--hij wandelde moeilijk en ging
+gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis.
+
+Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber
+aandenken.
+
+Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk
+mij te gemoet treden.
+
+Doch ik had nog betrouwen in God.
+
+Mijn oog ging smeekend ten hemel.
+
+En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking
+weg.
+
+Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking
+vroeg mijne ziel.
+
+Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.
+
+En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het
+beenderhuisje.
+
+Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met
+angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.
+
+Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,--want
+eene magere en beenige hand raakte de mijne.
+
+En de grijsaard stond weder nevens mij.
+
+ * * * * *
+
+"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel
+raakte, "ziet gij daar dit hoofd?--Dit was mijn vader!..."
+
+En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne
+stem.
+
+En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.
+
+Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen
+kleineren schedel en sprak:
+
+"Ziet gij daar?--Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was
+hij,--en hij stierf toch.
+
+Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.--Dit mijn vriend!...
+
+Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk
+en mijne zaligheid!
+
+Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het
+leven over.
+
+Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.
+
+En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel
+ook wit maken en bederven...."
+
+Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen
+lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn
+antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene
+schaduw voorbij.
+
+Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en
+zoo beminnelijk als de hoop zelve.
+
+Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.
+
+Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen
+op de aarde.
+
+De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:
+
+"O, kind, verstaat gij het leven nu?--Begrijpt gij nu dit
+raadselwoord van alles--_vernietiging_?"
+
+"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"
+
+Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God
+verlicht:
+
+"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,--van leven, van
+dood,--van geluk en rouw!...
+
+Ik ben ook door God bezocht geworden,--mij ook is een echtgenoot, een
+kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik
+nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:--God."
+
+Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.
+
+Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en
+verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.
+
+En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.
+
+Hij antwoordde: _Weetlust_!
+
+En de vrouw op deze vraag antwoordde: _Geloof_!
+
+Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte
+kon mij onder dat heilige scherm nog raken.
+
+Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.
+
+
+
+
+HET BEULSKIND
+
+
+VERHAAL
+
+
+I
+
+
+Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen
+zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand
+tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de
+stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis
+niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door
+eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms
+in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte
+heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich
+tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond
+was.
+
+Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden
+hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou
+bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den
+rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de
+armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag
+en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van
+tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle
+woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de
+sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof
+gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke
+zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende
+hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet
+dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft,
+maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste
+foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen
+vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk
+teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen,
+en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch
+zijner borst.
+
+O, ongelukkig,--duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel
+de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds
+twintig jaar de hel in zijn hart droeg?
+
+Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren
+liet,--dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het
+voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader
+gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om
+den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die
+vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.
+
+En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk
+opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht,
+bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel
+verried;--toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige
+teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde;
+alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon
+vergaderde.
+
+Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de
+spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht
+geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar
+uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging,
+waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich
+nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en
+hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene
+slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als
+een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het
+gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij
+biddend om troost en verlichting mocht smeeken.
+
+Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol
+zielepijn, dáár tegen den populierboom rustte....
+
+En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel
+vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en
+mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik
+verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:
+
+"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen
+heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd
+brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en
+vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en
+uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem."
+
+Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar
+gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle
+schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide
+de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang,
+en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte;
+want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om
+beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.--Op
+eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een
+geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:
+
+"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,--ik moet drinken!"
+
+Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef
+eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht
+straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde
+stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om
+zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor
+eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle
+vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op
+zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:
+
+"Ha! daar is niemand in,--ik zal kunnen drinken!"
+
+De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij
+dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar
+hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was
+met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op
+iets schenen acht te geven.
+
+Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en
+was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren
+kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster
+luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht
+gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden
+zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker
+nagezien.
+
+De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen,
+en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch
+ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en
+vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene
+kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met
+wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van
+zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd
+dieper en ontging dus haar onderzoek.
+
+Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde
+bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling
+gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in
+gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien,
+dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield
+den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig
+bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel
+rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte,
+en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid
+had opgewekt.
+
+De jongeling dronk met haast en ledigde in éénen teug de kan tot op
+de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van
+twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde
+teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der
+kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat
+ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling.
+
+"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons
+gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals
+en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen
+aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!"
+
+De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige
+zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en
+hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk
+te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de
+haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde,
+geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap
+van burgeren dorst begeven.
+
+De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het
+bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen
+zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem
+alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de
+waardinne:
+
+"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan
+verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.--Gij zoudt
+ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!"
+
+"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en
+gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken
+wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken
+mans huis komt?"
+
+En zich tot Geeraart keerende:
+
+"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij
+nog niet, beulenras?"
+
+De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij
+al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart
+opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te
+vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar
+met koelheid:
+
+"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen
+evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen,
+omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen
+pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven.
+Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond
+behandelt!"
+
+De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de
+waardin zich er over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het
+mogelijk was, dat iemand zoo zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo
+hard had behandeld. Een traan blonk in haar oog, en den Stooter van
+den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, zeggende:
+
+"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!"
+
+Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den
+Stooter van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met
+afschrik op eene tafel.
+
+"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!"
+
+Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik
+weder achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit
+bloed waanden voort te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en
+afgrijzen werd tegen Geeraart uitgegalmd.
+
+De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had
+denzelfden Stooter nog dien avond, tijdens het lof, van eene
+stoelenzetster in de kerk ontvangen. De onrechtvaardigheid zijner
+vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij zijne koelheid
+gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek.
+Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in
+woede tot bij de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle
+leeuw tegen zijne vijanden uit:
+
+"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk
+geld van eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle
+andere Stooters? Maar, neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt,
+dat ik een beulskind ben,--ja, zoo wilde het God!--doch gij zijt
+verachtelijker dan ik, en ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch
+bij naam, noch bij daad aan zulke bedorvene menschen, als gij zijt,
+gelijk!"
+
+Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen
+van alle kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan
+éénen vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne
+macht....
+
+Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en
+glazen vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken;
+de waardin riep om hulp....
+
+Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden
+der straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij
+had ontvangen. Hij schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen
+hoed, en vervolgde zijnen weg op dezelfde wijs als hij hem had
+begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. Veel schrikkelijker
+zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen uit.
+
+
+[Illustratie: Hij weerde zich dapper en dwong meer dan éénen vijand
+tot zwichten.]
+
+
+Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was
+er ergens eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid
+op de komst van het beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel
+haar zeide, dat iets hem moest miskomen. Zij alleen was een engel van
+troost en lafenis voor den ongelukkigen jongeling, en beminde hem
+uitermate,--omdat zij wist, dat hij van iedereen veracht en versmaad
+was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de
+verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes
+wederstaan. Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als
+een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger
+noemde, verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de
+zuiverheid harer liefde gevoelde en dacht, eene aan God aangename
+drift te voeden. Zij had gelijk, de goede maagd; want geen geld of
+goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare ongelukkige
+evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten
+schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste
+harer stadgenooten.
+
+Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene
+kleine kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.--een
+goeden jongen, die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te
+zweet werkte, een halven dag in de kerk ging bidden en anderhalven
+dag in de herberg met drinken en zingen doorbracht, van waar hij
+zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf dagen, die
+hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer
+timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een
+goed deel gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder
+liefhad.
+
+Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare
+moeder bij de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid
+slechts één licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate
+geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat
+verder, aan de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank,
+waarbij de arbeidzame Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de
+kamer zelve betreft, die was wel zuiver en met wit zand bestrooid,
+wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van heiligen versierd,
+doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, wonnen niet
+veel met het dagelijksch werk hunner handen.
+
+Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit
+nagelaten zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien
+uren, en hij was nog niet verschenen. Het meisje wist niet wat te
+denken, en was zoo mistroostig en zoo verstrooid, dat zij op eene
+vraag, welke hare moeder haar deed, niet antwoordde.
+
+"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag
+niet, dan komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?"
+
+"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal
+gebeurd zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo
+boos op hem"
+
+"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben
+altijd in den haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen
+doodgeslagen en den beul Hansken aan den Kroonenburgtoren
+verdronken?"
+
+"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?"
+
+"Dit weet ik niet,--niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen
+zoovele onnoozele menschen ophangen."
+
+"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom
+verdrinken ze dan liever den schout niet?"
+
+"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord,
+dat zegt, dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste
+altijd het minst eten krijgt en het meest gebeten wordt."
+
+"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...."
+
+Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het
+waken moede werd en tot hare dochter geeuwend sprak:
+
+"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!"
+
+Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts
+komst nog niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare
+moeder op te houden. Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover
+bepeinsd hebbende, waagde zij toch eene kleine leugen.
+
+"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en
+dan is mijne kant afgewerkt."
+
+"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe."
+
+"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit
+naaikussen afmaken voor de waardin uit het _Paardeken_; zij zal het
+morgen vroeg komen halen."
+
+"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach,
+"gij zult gewis op Zondag meer in het _Paardeken_ gedronken hebben,
+dan uwe beurze kon lijden. Werk dan maar om uwe schuld te
+betalen.--Ik ga te bed. Vergeet niet te bidden, eer gij slapen gaat."
+
+Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het
+mompelen van een stil _goeden nacht_.
+
+Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart
+aan de deur klopte en door Frans werd binnengelaten.
+
+Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit
+verwonderde Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars
+minnaars zonder de rimpelen van smartelijke gepeinzen gezien had. Met
+langzamen tred ging de jongeling tot de maagd, vatte stilzwijgend
+hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne borst. Dit was zijn
+gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij weinig
+gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste
+liefde.
+
+"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God!
+er is bloed aan uwen hals...."
+
+"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk
+bezeerd. Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam
+mocht lijden."
+
+Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de
+holle toon Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van
+Geeraarts scherpe blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws
+vreezen. Met liefderijken kommer reinigde zij zijn hoofd van het
+weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort was, en vatte
+ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem
+moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen
+gevoelen.
+
+Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd
+hebben, dat hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde
+met zulke kracht op haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel
+nederzinkende, hem toeriep:
+
+"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw
+gezicht...."
+
+De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra
+opnieuw beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen
+doodelijken angst verried en het hart van Lina wreedelijk
+verscheurde.
+
+Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen
+stoel voor haar nederzat, sprak hij:
+
+"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem
+hoort gij voor de laatste maal."
+
+Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij
+voort:
+
+"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet
+begrepen, en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd,
+trok ons tot malkaar. Dan wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het
+is de eerstgeborene van eenen beul te zijn; gij wist niet, dat
+degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer schande
+beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt
+worden. Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel
+wilde in de onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate
+mijn ongeluk zich voor uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook
+grooter, omdat gij wist, dat ik die liefde noodig had om niet te
+sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang gedood hebben,
+want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van den
+God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid
+uwer min.--De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed,
+dat gij nog op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen
+boozen haat; maar dit ware niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene
+enkele klacht voortbrengen, indien mijn lichaam tusschen twee steenen
+verpletterd werd,--maar de pijn,--de foltering zit dáár!"
+
+Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus
+voortging:
+
+"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid,
+door iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,--zonder ooit,
+ooit, door welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het
+aangezicht te krijgen. O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit
+meer is dan ik kan dragen, en dat mijn hart droog wordt bij die
+pletterende overtuiging?"
+
+"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe
+pijnen niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat
+mijn oog zich met het bitter water der smart bevochtige?..."
+
+Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te
+hooren, doch vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken:
+
+"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij
+van het beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in
+eene andere stad zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina,
+wij hebben gedroomd. Het noodlottig uur is gekomen,--morgen, ja reeds
+morgen zult gij uwen ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de
+vuist op het schavot zien. Daarom is de hand, die den doodslag geven
+moet, koud als ijs.--Daar, voel!"
+
+En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin.
+
+"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft
+mij bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!"
+
+Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan,
+hielden hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met
+blikken, die nog strakker dan de zijne waren, vroeg zij:
+
+"Welnu, wat eischt gij dan?"
+
+"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de
+verachting overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!"
+
+"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel
+ook droog geworden zijn?"
+
+"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van
+u vragen;--gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping
+der andere menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van
+eenen beul met uwe liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats
+te bevrijden; door u alleen heb ik het geluk gesmaakt, dat mij anders
+onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene martelaresse voor mij
+opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij tot hiertoe
+verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer
+een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij
+denken, dat ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden
+zal, dat men u verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?--Gelooft gij
+mij onedel genoeg om u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na
+morgen nog met mijne handen, aan te raken? met handen, die in
+menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat gij ten minste mij
+nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij weet,
+dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!"
+
+Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het
+meisje bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder
+twijfel uit een gevoel van blijdschap voortsproot, want hare oogen
+blonken met een helder vuur, en een zoete glimlach bewoog hare
+lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit oogenblik vervoerde,
+te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar hart, en
+gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich
+brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis:
+
+"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat
+edel gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke
+liefde toedraag, of dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe,
+morgen nog en voor eeuwig. Ik zal u beminnen, beul of niet,--hier of
+op het schavot. Geeraart, ik begrijp mijnen plicht: eens word ik uwe
+vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal over uw leven den
+balsem der genegenheid altijd doen vloeien."
+
+"Nooit,--nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik
+misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen
+vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting
+trekken? O, neen."
+
+"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw
+lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden.
+Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe
+trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met
+betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest,
+dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen."
+
+Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag
+met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn
+opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten
+prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en
+een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en
+riep:
+
+"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij
+eenen uwer engelen geschonken."
+
+Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar
+voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der
+trotschheid zien blinken.
+
+Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak
+gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht
+op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen
+afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met
+zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:
+
+"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest
+aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."
+
+Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde
+hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam
+zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij:
+
+"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."
+
+"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want
+zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar
+dan zal ik u bijstaan."
+
+De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de
+deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij
+wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op
+nadrukvollen toon:
+
+"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan
+wel!"
+
+En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van
+haren minnaar in de straat galmen en vergaan.
+
+
+
+
+II
+
+
+Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee
+gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel
+niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin
+scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had
+het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig
+meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.
+
+Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van
+de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het
+nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren
+dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter
+aanduidde.
+
+Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:
+
+"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"
+
+"Ja, hij gaat daareven weg.--Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen,
+dat hij u wacht."
+
+Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke
+vader op een bed lag uitgestrekt.
+
+De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende
+kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn
+hoofd had teruggetrokken.
+
+Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets
+dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan
+de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het
+lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zóó was het ook met
+den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo
+vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij
+naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet.
+
+Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het
+hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om
+de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij
+met bevende en dorre stem:
+
+"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn
+vonnis?--Zal ik beul zijn?"
+
+"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle
+pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats
+neme.--Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn,
+mijn ongelukkige zoon."
+
+De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die
+bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis
+liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met
+struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij
+verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte:
+
+"Het is dus morgen, morgen, vader,--dat de laatste hoop op geluk mij
+moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij
+terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop.....
+Betaalde moordenaar! Moordenaar!"
+
+"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u
+tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult
+afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er
+steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk
+ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden
+vergoedt."
+
+Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders
+toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:
+
+"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle
+dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen
+onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden,
+wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet
+haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en
+wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers,
+bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen
+kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul
+genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt."
+
+"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch
+nooit heb ik ze begrepen."
+
+"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke
+verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al
+de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge
+uitstorten--en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande
+overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten;
+want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne
+onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen
+enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij
+de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat
+ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal
+mij zelven verachten.--En geene hoop meer! Het moet zoo zijn."
+
+"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende,
+"neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op
+de openliggende bladzijde."
+
+Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij
+wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep:
+"Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne
+geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O,
+maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die
+vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul;
+men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en
+laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene
+slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij,
+terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het
+blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik
+zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het
+slijk der schande begraven te worden?"
+
+"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader
+zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds
+zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente
+volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer
+bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven
+vinden."
+
+"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die
+u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede
+gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij
+de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het
+uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet.
+En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk
+treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den
+rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel
+terugvinden."
+
+De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in
+het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit
+zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te
+begeven, zeide hij:
+
+"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog
+éénen raad geven.--Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan
+toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige
+nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven.
+Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt,
+en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer
+niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u
+verheffen;--en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God
+terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het
+noodlottig werk te volbrengen.--Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over
+u."
+
+Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou
+hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne
+vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne
+smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik
+zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit
+liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof
+hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:
+
+"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"
+
+In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel
+zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik
+naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien,
+bleef hij met beweeglooze oogleden zitten.
+
+Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam
+verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke
+oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed
+rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal
+hadde verlustigd.
+
+
+
+
+III
+
+
+Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met
+een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier
+en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der
+zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van
+Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de
+rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en
+aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en
+eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich
+boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur,
+haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken.
+
+Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om
+de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen
+de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het
+ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de
+steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het
+blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers
+deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de
+ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte
+geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne
+verbeelding tot den woon van God op te klimmen.
+
+Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden:
+eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge
+en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk
+gewaad en met blinkende wapenen.--Dezen ook voorbij zijnde, kwam er
+eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed
+geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te
+kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene
+schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te
+kennen:
+
+De omgang!--Daar is de omgang!
+
+En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water,
+dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den
+rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een
+teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch
+wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen
+sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en
+gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch
+te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed
+heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende,
+stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over
+hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen,
+zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner
+kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun
+baarde.
+
+Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en
+oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der
+hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van
+Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen,
+de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip,
+en meer andere schoone zinnebeelden.
+
+Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun
+handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel
+om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en
+mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle
+bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete
+lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen,
+hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun
+aangezicht blonk.
+
+Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig
+hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar
+onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol
+bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo
+diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde.
+
+De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend
+met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch,
+wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die
+jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat
+zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als
+zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in
+verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,--schrikkelijk
+teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld
+geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des
+gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste
+gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs één uur
+meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte
+haren rezen te berge op zijn hoofd.
+
+Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende
+Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen.
+
+"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen
+angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven.
+Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."
+
+Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte
+ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit
+stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:
+
+"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande
+scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt
+schepsel zijn;--mijne handen zal ik in het bloed van mijnen
+evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des
+levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren
+meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en
+der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,--eene vrouw, o,
+Lina, Lina!--indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten,
+dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed
+is besmet geweest!--Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik
+gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij
+moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand
+naar een mes uitgestrekt om mij te dooden--doch het scheen mij, dat
+uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de
+droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb
+geweend totdat het mes mij ontvallen is."
+
+Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van
+den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en
+het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig
+vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:
+
+"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij
+lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen
+gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn
+lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en
+gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld
+niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn
+lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij,
+wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen
+behelzen?"
+
+"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die
+den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.--Wat
+ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!
+
+Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen
+zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en
+omhelsde hem onder eenen tranenvloed.
+
+"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt
+behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als
+een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte
+ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de
+wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis
+niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?"
+
+De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was
+verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht
+eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de
+streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns
+plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid
+zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet,
+schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De
+gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht
+toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle
+pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden.
+Hij sprak:
+
+"Vader, o, vergeef mij,--ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven.
+Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de
+schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan
+tegen den haat en de verfoeiïng! Nu vrees ik niets meer; bereid om
+den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het
+bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in
+mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer,
+mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."
+
+Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat
+de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat
+mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te
+overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en
+zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de
+innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag
+te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even
+onmogelijk uit te voeren waren: òf zich den dood ten prooi te geven
+en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, òf wel beul
+te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus
+ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde
+sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer,
+vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij
+kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.
+
+In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te
+troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder
+reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart
+schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die
+eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper
+Herman moest gerecht worden;--men had het tot dit uur uitgesteld, uit
+hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.
+
+Langen tijd vóór het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen
+volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede
+vertooning bij te wonen.--Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan
+het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot
+afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt
+verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het
+vernietigen van den mensch verlustigt!
+
+De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering
+trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid
+en medelijden voor den veroordeelde.--Waarom? Om hunne hatelijke
+natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij
+gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid
+verborgen ligt.
+
+Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand
+en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude
+grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was,
+had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden
+tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener
+onthoofding bij te wonen.--Het was een grievend vertoog te zien, hoe
+schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen,
+mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde
+lichamen pronkten.
+
+Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina;
+het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij
+daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden;
+maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde,
+hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder
+Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden
+hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle
+burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van
+Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had
+onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die
+eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest
+gebeuren.
+
+Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden,
+waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te
+maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de
+beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch
+aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat
+met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het
+groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.
+
+Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet
+mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken
+nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het
+zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen
+zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat
+men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en
+droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest.
+Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar,
+dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden,
+anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met
+scheldwoorden bejegend.
+
+De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en
+was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets
+bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag
+Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens
+deed doen.
+
+De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot
+leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel
+gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren,
+daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien
+vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis,
+die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre
+achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk,
+vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen
+zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te
+roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en
+men deed hem vooraan op de knieën zitten; de knecht van den
+scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien
+met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen
+wilde:--Meester, daar moet gij slaan!
+
+Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest,
+schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te
+trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de
+vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken
+tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht
+raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het
+stuiptrekkend in de vuist wrong.
+
+De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch
+Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de
+knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk
+liep:
+
+"Gauw! Meester, gauw!"
+
+Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende,
+hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een
+waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de
+ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht;
+gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken
+en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot
+gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd
+om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken
+schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten
+moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch
+zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.
+
+De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn
+gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong
+plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om
+hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.
+
+Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het
+medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de
+gewelddaden, die zij wilde plegen.
+
+"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men
+hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet
+menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.
+
+De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen
+over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil
+sterven, riep hij met krachtige stem:
+
+"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"
+
+Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers
+vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer
+op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met
+ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde
+afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een
+geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke
+hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt
+denkbeeld van verwarring en woede.
+
+Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren
+vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den
+veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen
+te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam
+op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de
+volgende woorden in het oor:
+
+"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog
+eens komt spreken; zij staat daar beneden;--volg mij!"
+
+En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om
+Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene
+liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst
+vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot
+tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de
+geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de
+schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina
+aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:
+
+"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter
+de tweede mik!"
+
+Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich
+liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij
+langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk
+een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat
+hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam
+gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig
+inzicht deed Frans niet dan roepen:
+
+"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam
+moeten wij hebben."
+
+En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de
+duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd
+had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder
+dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten
+genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het
+aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw
+ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen,
+en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de
+gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de
+scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans
+bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij
+had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man
+verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul
+moest zijn.
+
+Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door
+de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een
+weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en
+toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel
+afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te
+uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den
+ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij
+gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede
+verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar
+Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp
+zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande,
+weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de
+wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet
+behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne
+lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die
+eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van
+het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag,
+had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het
+beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben,
+schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen
+toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden
+van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul
+zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders
+ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd
+geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene
+geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand
+kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch
+uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend
+was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord
+van hetgeen er omging.
+
+Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem
+bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de
+schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den
+grond.
+
+"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar
+het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch;
+indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.--Spoed u!"
+
+Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met
+zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast
+te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans
+niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen,
+altijd zijn slachtoffer voortsleepende:
+
+"Zege, zege, hier is de beul!"
+
+"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de
+schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen
+liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de
+broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij
+den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun
+toeroepende:
+
+"Daar is de beul!"
+
+"Slaat dood! slaat dood!"
+
+En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van
+messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den
+huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien
+werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde,
+van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas
+versmolten.--Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen
+werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig
+gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke
+gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.
+
+Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na
+eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam
+van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem
+smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond,
+dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van
+gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene
+gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het
+aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich
+zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de
+zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en
+zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te
+drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden
+geworden.
+
+Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij
+geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar
+Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen
+hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging
+hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad
+onverwachts in zijne kamer.
+
+De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons
+betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken
+droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de
+driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze
+hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard,
+scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne
+leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte;
+zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min
+beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen
+zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op
+en riep:
+
+"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van
+martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle
+schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood
+... gij zijt dood, mijn zoon!"
+
+"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid
+uit.
+
+"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de
+vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;--de
+hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene
+geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als
+ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor
+altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."
+
+Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien
+eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield
+zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht
+slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit
+oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om
+zijn gevoel uit te drukken.
+
+ * * * * *
+
+Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder
+eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina,
+die hij even teeder bleef beminnen.--En wanneer hij, ook oud zijnde,
+op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en
+deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.
+
+
+
+
+DE GEEST
+
+
+ZEDENSCHETS
+
+
+Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen.
+Elke straat heeft er hare _sage_ of _legende_, doch het is uiterst
+moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit
+hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste
+volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen.
+Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met
+vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.
+
+Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor,
+zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen
+erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog
+onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener
+asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans
+verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af
+te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon.
+De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt
+hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of
+smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de
+fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene
+losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter
+gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef
+van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.
+
+Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen
+keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen;
+de eerste, die sprak, was:
+
+KOBE.--Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2]
+poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel, _Snoef_[3] die
+trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekijë[4].
+
+BALTE.--Die kan ekik.
+
+FRANS.--Is dâ die va Hanefroeike?
+
+Sus.--Och néë, we't het nie meer? Daar komtd'en[5] betooverd kornijn
+in, dâ diën brief op diën tore' draegt, aen de Princers van Améreka.
+Kunde gij het nie, Balte?
+
+BALTE.--Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen,
+ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6] lampen veur
+nief, ik kan den Betooverden hond, en dâ van 't Steen, en Visserke
+visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander,
+as[8] ik ze maar wilde vertellen.
+
+FRANS.--Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (_Zij trekken, wie eerst
+zal beginnen_.)
+
+KOBE.--Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de'
+kelder onder de Vierschaer.
+
+Sus.--Néë, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van
+tooverhekse' of van spooke'[9].
+
+BALTE.--Ah wel, 'k zal eulie[10] 'e waerachtig vertelsel vertellen, dâ
+gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't
+Fransch gezeed[11] _la pipe de lapin_.
+
+KOBE.--Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.
+
+BALTE.--Zie, dâ gauwke! Lapin is 'en kat, _pertang_![12] Neen, _poes_
+is 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' diën ouwe'
+Franschman uit de Mannekestraet: _voleur de poes, de kattendief_! Dâ
+wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie
+op de Chantjië gewerkt? Heeft eulie vader _gardechou_ geweest, he?
+Onder den tijd van de Marriene'?[13] Zwijgt nâ, zulle[14], want ik
+begin op e' nief[15]. Nâ-w-in die straet daer stond eens 'en huis mê
+vier _steugië_ zonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het
+paleis van 'ne keunink[16].
+
+Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en
+het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.
+
+Sus.--Ah! ah! da zal schoon zijn!
+
+BALTE, _gestoord_.--Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van
+twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder
+tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest
+tege'slag van den _eene'_ achter de straetpoort staen en begost[17]
+zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen
+_compassie_ mê kreeg.
+
+KOBE, _met bange stem_.--Zijt de gij dâ, Sus, die daer 'ne zucht
+gelaten hebt?
+
+FRANS.--Eê! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wâ kieken!
+
+BALTE.--A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de
+keldermond.
+
+--Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de
+geest niet dé[18] as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!
+
+Daer wierd dan gézéed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de
+ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat
+diën uit gierighad[19] ene groote schat had verbeurge. En ge we't
+wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat
+hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld
+gevonde' weurd[20].
+
+A's dâ nâ[21] zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene'
+keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.
+
+Dië soldaet heette sterke Jan, en dien had gezéed in 'en herberg, dat
+hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze
+plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's
+ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.
+
+Den huisbaes die zé tege' Jan: Is dâ waer? Derfde gij in datd huis
+slapen!
+
+Ja, zé Jan zoo, want ik geef wâ schoon de knoppen, zé hem, van alle
+spooken en dûvels. Dâ God bewaert, is wel bewaerd!
+
+Ah wel, zé den huisbaes, geef me d'hand daer op, zé hem[22]; 't is
+gedaen. Wâ moet ik u geven, vroeg hem.
+
+Hoort, zé Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in
+klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol
+spijs en 'en goêi pan om mijn koeken in te bakke'.
+
+Dâ zulde gij hebbe', zé den huisbaes,--en a's hem dâ gegeven had,
+trok Jan tege' den aved[23] mê zijn' _provisie_ in het huis.
+
+A's het nâ vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne'
+koekpot mê spijs in 'en kamer op d'eerste _steugie_, daer nog 'en
+tafel stond mê twee stoele'.
+
+Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en
+hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.
+
+Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een
+voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in
+zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;--maer hij was toch nie' van
+zijne' center[24] en hij wist heel goed wat hem zé of dé.
+
+Dâ was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost
+zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij
+lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.--Dan aen het kissen dat
+'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't
+_Landswelvaren_:--zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.
+
+Ah wel, dâ was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant
+schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om
+te draaije'.
+
+Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet
+uit de schouw--en _pardoef_ in zijn' pan, en de koek in d'asse!
+
+Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en
+daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer lé nou mene
+zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeét hem in zijn eige;
+'t is nâ toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan
+doen, op goê val hetd uit.
+
+Nâ, hij doet dâ, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt
+van gekregen hebben al was 't dâ g'in geen drij dage' geten hadde.
+
+Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op,
+dat uit de schouw gevalle' was.
+
+Raed nâ toch eens wat datd het was?--Het was en doodsbeen uit 'enen
+arm!
+
+Jan die schiet in 'ene' lach en hij zé, zoo al lachende: Ja, denke'
+ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel
+geleverd mê hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27]
+deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; mê hun'
+flauwzen!
+
+Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeét
+hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze
+mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij
+steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er
+'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan
+'en de koek in d' asse!
+
+Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de
+weêrlicht zien gaen? Wat is dâ nou weêr daer ze daer mê gegoeid
+hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet
+van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne'
+mensch nog nie' gerust laten ete'.
+
+Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael
+beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.
+
+Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen
+oppakte en gelijk tege' de' muer aen _garzelemente'_ vaneen sloeg.
+
+Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd
+'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit
+de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in--en dat
+duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.
+
+Jan die schoot in 'ene' franse koleère en hij goeide den doodskop zoo
+ver als hem vliege' wou.
+
+Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken
+op de tafel gezet om te gaen ete'.
+
+Als hem nâ goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't
+zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.--Jan telde, en 't was
+twelf ure!
+
+Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem
+de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.
+
+Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen,
+en daer stond nâ de geest mê 'e' wit laken op zijne' rug.--En hij
+was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' dâ ge
+zijn ingewand door zijnen buik kost zien.
+
+Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn'
+oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem
+verruerde, dan zag hem _pormentelak_ dat het 'ene geest was.
+
+Ha, zé Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget mê uw gezondhad? Me
+dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van
+Sinte Willebors, mê het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer
+_armoyeus_ uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske
+zou u deugd doen. Maer wâ zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken
+deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'en _gilé_ die _à jour_
+gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!
+
+De geest die sprak nie; maer hij dé 'en teeke' mê zijne' vinger, als
+of hem zegge wilde: kom gij eens hier!
+
+Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.
+
+Aperopo, zé hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe
+morge', dâ kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik
+ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel _roematiek_ en
+ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat
+tael spreekte gij? Zeg! is 't van _parlé fransé contre alle mense_!
+Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!--Zijtde
+van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!--Maar de geest bleef
+staan en dé nie als mé zijne' vinger wenken om dâ Jan bij hem zou
+kome'.
+
+Maer Jan ging gerust voort mê eten, en hij zag naer 't spook nie meer
+om.
+
+Als dâ zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de
+geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer
+Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd mê zene' vinger.
+
+Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:
+
+Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer één ding te zegge: ge meugt zoo veul
+spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we
+weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u
+die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.--Ge zoudt me geeren
+den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge
+kent me nog nie, manneke'!
+
+De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er mê aen Jan zijn
+hand;--maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.
+
+Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis mé mij make'? Het
+schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet
+getrouwd, 'k Zal ouw dâ wel afleeren.--Arrê! dat is het eerste
+koofke!
+
+En Jan sloeg het spook mê 'en' lege fles vlak op het scheel van
+zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak
+op de' wind.
+
+Dan wierd Jan eerst voor goê kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en
+op de' grond slage', maer dâ liep nie af; want als hem docht dat hem
+hem vast had, dan vuelden hem niemendalle.
+
+Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens
+gauw gaen zegge' wat dâ ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij
+hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers mê ouw of mê uw heel familie
+geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen.
+
+Maer de geest dé nie a's wenken en naer de deur wijze'.
+
+Jan pakte dan zijnen kandelêr en zé tege' de' geest; allo! laet zien
+wat dâ g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.
+
+Het spook dé de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel
+slummer, en hij zé altijd: ga zelf veur--want had hem veur gegaen,
+dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.
+
+Ze kwamen dan te lange leste beneën, in de gank, en daer lag 'ene
+zark mé enen ijzere' rink, die er in vast was.
+
+Het spook wees aen Jan, dat hem dië zark moest opheffe'; maer Jan die
+begost te lachen en hij zé: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als
+ge geene _nikanik_[28] in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete'
+rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.
+
+De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer
+drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.
+
+En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.
+
+Ziede dâ geld? vroeg het aen Jan.
+
+Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou
+beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle',
+want 'k heb vijf jaer gediend--en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al
+iet blinken dâ sterk op tienguldestukke' trekt.
+
+De geest haelde de drij potten uit de' put en zé mê 'en holle stem:
+
+Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.
+
+Eer dâ ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Dâ
+zoude nie zegge', 'k Geloof dâ ge me wat opwindt.
+
+Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij zé: Ik heb in d'hel
+zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn--en
+gij hebt me nou uit d'hel verlost.
+
+Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge
+zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want
+mijn bloed kokt al!
+
+Nou brand ik nie meer, zé de geest, _arrê_! daer is mijn hand, voelt,
+nou is ze heel koud....
+
+Bedankt veur de goedheid, zé Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer
+stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik
+ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij!
+
+Zie, zé het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er
+eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur
+mijn' ziel te doen, en....
+
+Hola, riep Jan, dâ verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge
+maekt gij geen' slechte rekening! En wâ zal ik dan hebbe'? Neen, maer
+als er wâ drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij
+ommers toch rijk genoeg, al is 't dâ ge zoo slecht gekleed gaet, en
+dâ nog al in de' Winter.--Ah wel, wa zegde?
+
+Den derde pot, zé de geest, is veur ouw.
+
+Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot
+van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.
+
+En Jan sprong op van _arreusie_; maer hij strunkelde en hij viel in
+de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.
+
+Nâ was Jan in den donkere'.
+
+Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He,
+spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt
+me nou ook wel uit deze put verlosse'.
+
+Maer het spook was weg.
+
+Jan die kroop dan mê veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers
+op.
+
+Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog
+twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.
+
+'s Anderen daegs dé Jan hetgeen dat de geest hem gezéed had. Hij gaf
+'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot
+veur zijn eige'.
+
+En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.
+
+En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en
+hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle
+dagen naer d'herberg....
+
+En daer kwam 'e' varke mê 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 2: Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te
+Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters
+welluidendheidshalve _de_ of _den_ bezigt, zonder op het geval te
+letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle
+klinkers, gebruikt men _den_, zoowel in nominativo als in
+accusativo.
+
+ 3: Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters
+voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel van
+_marionetten_, die zij _poesjenellen_ noemen. _Snoef_ is een
+personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de
+aanschouwers te vermaken, evenals de _Arlequin_. Het is gewoonlijk de
+geliefde _acteur_ van het geëerd publiek.
+
+ 4: De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het
+einde onfeilbaar met eene _keuninksdochter_, eene _princers_ van
+Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt,
+eenen grooten ijzeren pot met geld.
+
+ 5: De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in
+Antwerpen _Ene, En E_, de _e_ hebbende den klank van _e_ in het
+Fransche _le._ Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en
+voor de letter _H_ zijn ze _Enen, En, En_.
+
+ 6: De uitgang _oude_ wordt verzacht en veranderd in _ouwe_,
+als: wij _zouden_, wij _zouwen, koude Winter, kouwe Winter._
+
+ 7: Het woordje _niet_, zonder nadruk uitgesproken, verliest
+de _i_.
+
+ 8: De l in _als_ wordt niet uitgesproken; b.v. _as_ ik het
+zag, zou ik het gelooven.
+
+ 9: De _n_ wordt nooit gehoord in de uitgangen der
+veelsilbige woorden, die op _en_ uitgaan. Men zegt _verbinde, honde,
+zinge_, voor _verbinden, honden, zingen_. Voor de klinkers en de
+letter _H_, die hier nooit _geaspireerd_ is, heeft de verkorting
+geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle
+opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten
+eene _n_ of andere letter om de _euphonie_. Hij zegt dus: _ik
+wilden-u-iets, hy maelden-u-immers_!
+
+ 10: Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons
+wordt gemaakt met het bijvoegen van _lie_, zijnde eene verkorting van
+_lieden._ Men zegt _geulie_ of _gylie_ en _eulie_ of _ulie_; dit
+laatste voor _aan u_, als ook voor de bezittende voornaamw. meervoud
+_uw, uwe, uwen_; b.v. _Geulie weet het. Ik zal eulie straks euliën
+boek teruggeven_.
+
+ 11: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _zeggen_
+is als volgt:
+
+Ik zé, voor: ik zeide, enz.
+
+ Gij zè
+ Hij zé
+ Wij zéën.
+ Gijl. zéet
+ Zij zéën.
+
+Het verleden deelwoord is _gezèed_.
+
+ 12: Het Fransche woord _pourtant_.
+
+ 13: Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf
+of _Chantier_ gewerkt? Is ulieder vader _Garde-Chiourme_ of
+slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoord
+_zijn_ altijd met het hulpwoord _hebben_ vervoegd wordt.
+
+ 14: _Zullen_ is een tusschenwerpsel, dat overmatig in de
+Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekent _verstaat gij het?
+Hoort gij het_?
+
+ 15: _Nieuw, nieuwe, nieuwen_ is in Antwerpen _nief, nieve,
+nieven_.
+
+ 16: De _g_ na de _n_ op het einde eener silbe verandert
+meest altijd in _k_, als _gang, gank; ding, dink; hij zong, hij
+zonk_.
+
+ 17: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord
+_beginnen_ is:
+
+Ik begost, voor: ik begon, enz.
+
+ Gij begost
+ Hij begost
+ Wij begosten
+ Gijl. begost
+ Zij begosten.
+
+Het verleden
+deelwoord is _begost_.
+
+ 18: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _doen_
+is:
+
+ Ik dé, voor: ik deed, enz.
+ Gij dé
+ Hij dé
+ Wij déën
+ Gijl. dé of deed
+ Zij déën.
+
+ 19: In de uitgangen _heid_ en _lijk_ verandert de klank der
+_ij_ in _a_ en men spreekt, alsof er stond _had, lak, gezondhad,
+gemakkelakhad_, voor _gezondheid, gemakkelijkheid_.
+
+ 20: De _o_ in _or_ wordt uitgesproken als eene zachte _eu:
+zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt_.
+
+ 21: _Nu_ spreekt men gewoonlijk uit _na_; de _a_ heeft den
+korten klank van a in _nat_. Met nadruk wordt _nu, nouw_.
+
+ 22: Het persoonlijk voornaamwoord _hij_ wordt alleen
+gebezigd onmiddellijk vóór het werkwoord, anders zegt men _hem. Zag
+hem dat hem sliep_? beteekent _zag hij dat hij sliep_. Deze regel
+heeft uitzonderingen.
+
+ 23: Tegen den avond.
+
+ 24: Een stuk in den kraag krijgen: _dronken worden_.--Van
+zijnen center zijn, _van zijn verstand zijn_.
+
+ 25: Honger krijgen.
+
+ 26: Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene,
+die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige
+zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den
+zieltjeskoek.
+
+ 27: De plaats waar de paarden begraven worden.
+
+ 28: Mécanique.
+
+
+
+
+DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA
+
+
+ZEDENSCHETS
+
+
+(_Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en
+lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en
+eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest
+tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer
+met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes
+in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat
+het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en
+weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen,
+anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig
+met mannekens te maken of okentrek te doen_.)
+
+DE MEESTER, _met luider stem en langzaam_.--Past op dat gij de buiken
+van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar
+omhoog trekt!
+
+GEROEP VAN ALLE KANTEN.--Meester, versnijd mijne pen
+eens!--_Monsieur, ma plume_ is te slap! De mijne is te stijf! _La
+mienne est trop maigre_! De mijne is te vet!
+
+VICTOR, _een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit_.--Ik heb
+gedaan, eh na!
+
+KAREL, _met zachte stem_.--Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen
+krijgen. G'hebt weer altemaal _hanepooten_ gemaakt, gelijk gisteren.
+
+VICTOR, _zijne stem, zonder het te weten, verheffende_.--Dan moeten
+ze mijn' pen maar vermaken.--Karel, willen we wat _pennekepik_ doen,
+eh?
+
+DE MEESTER.--_Silence_ daar, met dat _lawijd_![29] Victor, pas op dat
+uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel!
+
+EDWARD, _die nevens Victor zit_.--Mag ik meê _pennekepik_[30] doen?
+'k Zal eene nieuwe pen geven.
+
+VICTOR, _bitsig_.--Neen, gij moogt niet meedoen, _aarzak_![31]
+
+EDWARD, _schreeuwende_.--Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester,
+meester, Victor en Karel doen altijd _pennekepik_!
+
+DE MEESTER, _met gramschap_.--Ha, ze zijn weer bezig,--ik had het
+gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen
+_pennekepikken_ meteen! (_Hij trekt Victor met zijn oor_.) 'k Zal u
+leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in
+plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer
+ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden
+betalen, omdat ge hier _pennekepik_ zoudt doen, _bedorvendans_?
+
+VICTOR, _zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de
+vingers stopt_.--Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het
+aan mijn' moeder zeggen--dan ga ik naar een ander' school, zie na!
+
+DE MEESTER, _streelend_.--Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij
+zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het
+is beter dan gisteren,--dat verdient eenen _Bon_[32]. (_Hij schrijft
+eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich_.)
+
+VICTOR, _mompelende_.--Met zijne _bons_ altijd! Wat kan ik daarmee
+doen? 'k Ben er vet mee, met zijne _bons_! Ai mij, mijn oor!
+
+EDWARD, _tot den meester_.--Meester, het is zijn geschrift van
+gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten _Rubbens_ in zijn
+_cahier_[33] gemaakt.
+
+DE MEESTER, _tot Edward_.--Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers
+kan lijden. (_Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen_.) Geeft acht
+op het _dicté_;--neemt uwe _cahiers_. Zijt gij er altemaal?
+
+AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.--Ja, ja, meester!--ik
+niet!--ik wel!--ik kan mijn _cahier_ niet vinden,--mijn pen schrijft
+niet,--ik heb geen papier!
+
+DE MEESTER, _dicteerende met slepende stem_.--"De wederspannige
+Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."
+
+VICTOR, _Edward bij zijn haar trekkende_.--Daar nu,--ga, zeg nu nog,
+dat wij _pennekepik_ doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar
+trek, schreeuwbakkes!
+
+DE MEESTER.--"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er
+daar wat uitscheiden?
+
+EDWARD, _weenende_.--Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd
+met mijn haar!
+
+DE MEESTER, _met ongeduld en tegen den grond stampende_.--Zij zullen
+mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (_Dicteerende_)
+"De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."
+
+EDWARD, _roepende_.--Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!
+
+DE MEESTER, _dicteerende_.--"Absolon trok op ... tegen...." Victor,
+ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!...
+"trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet
+gij mij zoo, Piet? Schrijf dan!
+
+PIET.--Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.
+
+FRANS.--'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met
+_pennekepik_ te doen.
+
+DE MEESTER, _in gramschap_.--Hier gij! Op uwe knieën. Geef daar eens
+twee kassen. Speel nu nog _pennekepik_, oudersverdriet, dat gij daar
+zijt! (_Hij plaatst Piet op de knieën in het midden der school en
+doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet
+weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en
+alle soorten van spottende gezichten te trekken_.)
+
+_Dicteerende_: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige
+God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van
+..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.
+
+VICTOR.--Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.
+
+DE MEESTER, _met wanhoop_.--Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat
+hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een _komplot_
+gemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;--maar 't zal
+niet waar zijn, _revolutionairs_! Gij zult mij niet verjagen....
+
+EDWARD, _schreeuwende_.--'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer
+_okentrek_[34] gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart.
+
+DE MEESTER, _met ongeduld_.--Ha, zijt gij weer _okentrek_ aan 't
+doen!--en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is
+om iets van te krijgen!
+
+(_Hij wendt zich om naar de andere zijde der school_.)
+
+VICTOR, _eenen luiden kaakslag aan Edward gevende_.--Daar nu! zeg het
+nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u
+eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar,
+labbekak! (_Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot
+gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en
+trekt ze van elkaar_.)
+
+DE MEESTER, _met groote woede_.--Deugnieten! Schelmen! 't Is erger
+dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult
+mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het
+u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school
+afvliegt.... Past op! (_Groote stilte in de school. Victor steekt
+zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze
+durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke
+uitdrukkingen op zijn gelaat_.)
+
+DE MEESTER, _bedaard_.--Waar waren wij? Ha! (_dicteerende_) "De
+boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon
+den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de
+vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier
+knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb?
+
+FRANS.--Heb!
+
+DE MEESTER, _verbitterd en spijtig_.--Wat, heb, ezel? Op de vlucht,
+heb ik gezegd, (_dicteerende_) "en reed onder eenen boom door ...
+doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ...
+van...." Frans, doe dat _manneken_ weg en schrijf ... "De takken van
+den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen."
+
+(_Frans heeft gedurende het dicté eenen bal papier tusschen zijne
+tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt
+het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen_.)
+
+VICTOR, _blijde_.--Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar!
+
+DE MEESTER, _vergramd_.--Frans, gij zult _noenoveral_[36] blijven
+bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets
+te knauwen hebben. (_Tot al de leerlingen_.) Het _dicté_ is
+gedaan.--Victor! spel het laatste woord eens.
+
+VICTOR, _tot Edward_.--Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen,
+of ik geef u eenen neep.
+
+EDWARD.--Neen, nu zeg ik het niet, zie na!
+
+VICTOR _nijpt hem in den rug_.--Zegt ge 't nog niet?
+
+EDWARD, _pijnlijk schreeuwende_.--Hangen! Hangen!
+
+DE MEESTER, _tot Edward_.--Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer.
+Gij, Victor, spel het laatste woord.
+
+VICTOR, _onverstaanbaar en zeer gauw_.--*Abchg*--hang ...
+chrstgen--gen--hangen.
+
+DE MEESTER, _het hoofd schuddende_.--Genoeg, genoeg. Wij zullen het
+namiddag spellen.--De kleine Catechismussen weg.--De eerste les!
+
+(_Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne
+cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne
+catechismussen open op hunne knieën om beter te kunnen antwoorden.
+Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel_.)
+
+DE MEESTER.--_Attention_ op de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn
+er?
+
+EDWARD, _driftig en gauw_.--Drie,--'k wil zeggen twee,--neen, maar
+één.
+
+DE MEESTER.--Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?
+
+VICTOR, _zijn hoofd onder de tafel uitstekende_.--Zeven:
+hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....
+
+De MEESTER.--Houd op, ketter! _Dat_ weet nog niet, hoeveel Goden dat
+er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?
+
+EDWARD.--Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!
+
+FRANS.--Neen, wel, meester, ze doen _klontjen-trek_ en _witbier-zet_
+met krieksteenen![37]
+
+DE MEESTER _neemt een reglet en slaat in het wilde onder de
+tafel_.--Schelmen, er uit!--gauw! of ik sla u armen en beenen
+vaneen....
+
+VICTOR en KAREL, _onder de tafel heen- en weer kruipende_--Ai mij! 't
+is in mijn oog!--Ai ai, mijnen kop!--Och God, mijnen neus!
+
+(_Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood
+en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben._)
+
+DE MEESTER, _bij Victor gaande, streelend_.--Victor, Victor, nu ziet
+gij wat er van komt. (_Hij neemt hem zoetjes bij de hand._) Kom hier,
+jongen; zit aan de groote tafel.--Ge moogt in de eerste klasse
+gaan,--ik zal u een nieuw boek geven.
+
+VICTOR, _binnensmonds_.--Dief, dief, na.
+
+(_Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open._)
+
+VROUW VAN LAER, _moeder van Victor_.--Goeden dag, meester Verdonck.
+Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt
+geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al
+noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht,
+zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er
+tevreden over?
+
+DE MEESTER, _met fleemende stem_.--Ten uiterste, madam Van Laer.
+Victor is wijs,--niet waar, Victor? Het is een mijner beste
+leerlingen;--hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat
+hij in _de Schat der kinderen_[38].
+
+VR. VAN LAER.--Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo
+rood!
+
+DE MEESTER.--Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet
+aan Victor,--zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (_Tot Edward_)
+Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de
+school af, wees zeker!
+
+EDWARD, _morrende_.--G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw
+reglet in zijn oog geslagen.
+
+DE MEESTER, _eenen gloeienden blik op Edward werpende_.--Zwijg,
+franke ezel[39],--want er is toch niets goed van u te maken. Doe
+gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.
+
+EDWARD, _binnensmonds_.--Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's
+niets, straks krijgt hij toch weer haver.
+
+VR. VAN LAER.--Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam
+Laurier,--gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh
+wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen,
+gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?
+
+DE MEESTER.--De _geographie_, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar
+hangt ze! (_hij wijst op de landkaart_.) Uw Victor is daar al heel
+ver in,--hij is zelfs een van mijn' besten.
+
+VR. VAN LAER.--Dat wilde ik wel eens zien.
+
+DE MEESTER, _tot Victor_.--Kom hier voor de kaart, Victor, en laat
+eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de _geographie_ zijt!
+(_Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder_.)
+Hoevele winden zijn er, Victor?
+
+VICTOR.--Vier.
+
+DE MEESTER.--Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij
+gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens
+wijzen, waar de vier winden zijn.
+
+VR. VAN LAER, _in verrukking_.--Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een
+kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan
+hij het onthouden!
+
+DE MEESTER, _hij wijst met een stokje boven de kaart_.--Victor, waar
+is het Noorden?
+
+VICTOR, _met stoutheid_.--Van boven.
+
+DE MEESTER, _het stokje onder de kaart plaatsende_.--Waar is het
+Zuiden?
+
+VICTOR.--Van onder.
+
+DE MEESTER, _met het stokje de rechterzijde der kaart toonende_.--En
+het Oosten?
+
+VCTOR, _met koddigen ernst_.--Daar op zijde, waar gij met uw stoksken
+wijst.
+
+VR. VAN LAER, _verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden
+zag_.--Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus
+geef. Gij zult nog minister worden, gij!
+
+DE MEESTER, _tot Victor_.--Waar wonen wij? In welk land staat deze
+school?
+
+VICTOR, _zeer ernstig_.--Op de Paardenmarkt.
+
+DE MEESTER, _op zijne lippen bijtende en half beschaamd_.--Ja, ja, op
+de Paardenmarkt, juist!--Maar in welk land zijn wij?--In Spanje, in
+Turkije, in Lapland of in Belgenland?
+
+VICTOR.--In Belgenland.
+
+DE MEESTER, _vergenoegd_.--Ik wist wel, dat hij het niet vergeten
+had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (_Victor, na lang
+zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop_.)
+Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel
+vijfentwintig keeren gewezen. (_Tot vr. Van Laer_.) Madam, hij is
+beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en
+steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel
+insteekt.
+
+KAREL, _tot Edward met zachte stem_.--Wat leelijke mouwstrijker dat
+de meester is, eh?
+
+EDWARD.--Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij
+geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?
+
+FRANS.--Ik heb er eenen: let op, hij gaat!
+
+DE MEESTER, _roepende_.--_Silence_, daar in den hoek!
+
+VR. VAN LAER, _tot den meester_.--Ik heb het altijd gezegd, dat onze
+Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne
+koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware
+hem eenen stiel te leeren;--maar ik zal wel maken, dat hij ten minste
+pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.
+
+DE MEESTER, _zich buigende_.--Daarin hebt gij het grootste gelijk van
+de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of
+eenen schoolmeester van maken.
+
+(_Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen.
+De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer_.)
+
+VR. VAN LAER, _verstoord_.--Wel wat afgrijselijke dingen!--Een mensch
+met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe
+slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!
+
+DE MEESTER, _met groote woede_.--Wie heeft dit gedaan? Wie durft die
+achtbare madam Van Laer met papier werpen?
+
+EDWARD, _roepende_.--Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft
+gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!
+
+DE MEESTER, _Frans bij den kraag naar de deur slepende_.--Hier gij,
+schelm! De deur uit, deugnietenkind! (_Hij werpt hem aan de deur_.)
+
+FRANS, _buiten luidkeels schreeuwende_.--Ge meent, dat ik nog zal
+weerkomen, eh?--maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!...
+(_Stilte_.)
+
+VR. VAN LAER.--Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw
+naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou
+gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij
+wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te
+mager zijn, volgens dat hij zegt.
+
+DE MEESTER.--Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem
+op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij
+het reeds kan.
+
+EDWARD, _tot Karel_.--Ja, _pennekepik_ kan hij beter, eh?
+
+KAREL, _roepende_.--Meester, Edward lacht u uit!
+
+EDWARD.--Neen wel, meester, hij is het zelf.--Hij zegt, dat Victor
+beter _pennekepik_ kan!
+
+DE MEESTER, _dreigend_.--_Silence_, daar, zagemannen! of ik zet u de
+school af.... (_Stilte_.) _Allons_, Victor, let wel op, ik zal het u
+eens voordoen. (_Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend_:)
+Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de
+linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met
+eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer
+eene snee....
+
+PIET, _schreeuwende_.--Meester, meester! daar vliegt een
+_meuldener_[40] in de school! Pst! Pst!
+
+AL DE LEERLINGEN.--Hoera! Hoera!--Pakt hem!--Hoe na of ik had hem!
+Hier, daar, pst! pst!
+
+(_Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het
+onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers
+schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk
+vliegt de kever haar in het haar._)
+
+VR. VAN LAER, _met bange stem_.--Och! och! meester, verlos mij van
+dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn!
+(_De meester neemt den kever van haar hoofd_.) Ai, mij! daar houd ik
+eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester,
+wat beklaag ik u,--wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat
+het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.
+
+DE MEESTER, _met gramschap rondziende_.--Ik zal u straks spreken!
+(_Stilte_.) _Allons_, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op
+haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (_Hij geeft
+eene pen en een pennemes aan Victor_.)
+
+VICTOR, _met ongeduld_.--Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar
+buik?
+
+DE MEESTER.--Snijd er maar stoutelijk door, Victor.--Geef ze maar
+eene goede snee.
+
+(_Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te
+snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat
+zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk._)
+
+VR. VAN LAER, _bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare
+armen_.--Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.--Ziet eens wat
+snee. (_Zij beziet den verbaasden meester met woede_.) Meester
+Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een
+mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.--Dis is
+uwe schuld....
+
+DE MEESTER, _met spijt_.--Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes,
+madam.
+
+VR. VAN LAER.--Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan
+al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen
+rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten
+bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (_Zij
+heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden_.)
+Kom aan, Victor.--Kom naar huis, mijn kind.
+
+DE MEESTER.--Maar, madam, gelief....
+
+(_Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog
+eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit_.)
+
+DE MEESTER, _pijnlijk en met diepe droefheid tot den
+leerlingen_.--_Eh bien_, serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!
+_Trêtert_[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie
+bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg,
+niet waar?--Geeft mij nu nog eene geraaktheid,--maakt mij lam aan
+armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult
+gij lachen, eh, monsters? (_Hij bedaart een weinig en zegt met
+neerslachtigheid_:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan
+dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen
+en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?--Hebt
+gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt
+om u te leeren....
+
+EDWARD, _schreeuwende_.--Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met
+een strooiken aan heur gat!
+
+DE MEESTER, _stampvoetend en met wanhoop_.--Ja, ja, ik weet het wel,
+gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de
+steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,--een hoop
+ezels,--zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (_hij
+hoest twee of driemalen met pijn_.) Ja, nagels van mijne
+doodkist;--want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult
+krijgen, moordenaars! (_Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst
+tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het
+op elf uren_!) Het is elf uren.--De school is uit!
+
+(_De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen
+gedruis_.)
+
+DE LEERLINGEN, _van alle kanten roepende_.--Hoera! Hoera! De school
+is uit!--Wie speelt er mee broekstavast?--Wie doet er mee in d'O? Wie
+heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]
+
+DE MEESTER, _zijne deur toesluitende en het hoofd
+schuddende_.--_Aures habent et non audient_! Alweer twee leerlingen
+kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 29: _Lawijd_. Gerucht.
+
+ 30: _Pennekepik_. Ieder brengt ééne of meer pennen in het
+spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie
+eene pen aanpikt, wint ze.
+
+ 31: _Aarzak_. Bedrieger, krakeelzoeker.
+
+ 32: Goedkeuring of goede noot.
+
+ 33: Schrijfboek.
+
+ 34: _Okentrek_. Men schrijft een getal okens kegelwijs
+nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al
+de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie
+te mogen raken.
+
+ 35: Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.
+
+ 36: Des middags niet mogen naar huis gaan. _Bakken_, voor
+straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.
+
+ 37: Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze
+schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle
+zijde naar boven, dan heeft men _klontjen-trek_, en men trekt een
+getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle
+zijde naar boven, dan heeft men _witbier-zet_, en men is verplicht
+een getal krieksteenen in te zetten.
+
+ 38: Een oud schoolboek.
+
+ 39: _Frank_, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.
+
+ 40: Een Meikever of Molenaar.
+
+ 41: Plagen, tergen.
+
+ 42: Verschillende kinderspelen.
+
+
+
+DE KWADE HAND
+
+
+VERHAAL
+
+
+Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die
+het menschelijk verstand te boven gaan,--voorvallen, die alle
+wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen
+droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende
+macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat
+op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.
+
+In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent
+achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won
+het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene
+gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid
+en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar
+van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen
+schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten
+der aarde.
+
+Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk
+meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij
+bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan,
+om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen.
+Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om
+langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer;
+want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen
+onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet
+geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging
+losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij
+poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de
+doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik,
+dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder
+voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart
+angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.
+
+Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende
+donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de
+uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte
+nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die
+haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen
+en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor
+haar stond en weder vroeg:
+
+"Welnu, dochter, wat uur is het?"
+
+Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:
+
+"Acht uren."
+
+Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude
+wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:
+
+"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den
+zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs
+deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"
+
+Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia
+en ging haren weg--Onder de aanraking van het oude wijf werd het
+ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering
+over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band
+klemmen.
+
+Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd
+op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op
+het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken;
+maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat
+Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag
+de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden
+stortte.
+
+Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in
+hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.
+
+Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om
+haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet
+in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw
+achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin,
+roepende:
+
+"Theresia is dood!"
+
+Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de
+tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij
+insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde,
+begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar,
+roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de
+bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas
+en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel
+afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der
+bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan,
+hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo
+onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia
+al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar
+gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich
+verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was;
+integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel
+zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en
+schudden.
+
+Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat
+gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het
+achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare
+oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer
+en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen
+te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden
+weenden.
+
+Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die
+onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog
+bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van
+den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:
+
+"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"
+
+Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte
+deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het
+verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle
+bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de
+overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.
+
+Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte
+te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even
+glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere
+verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende
+vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de
+dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en
+welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het
+uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene
+slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde.
+In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en
+lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden
+vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen
+zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar
+schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij
+vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op
+slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks
+zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde,
+op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te
+pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder
+dat zij schreeuwen kon of opstaan.
+
+Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden,
+de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij
+sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren
+ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met
+een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op
+hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo
+akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de
+kamer waren ontvlucht.
+
+Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar
+gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar
+onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met
+geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve
+onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat
+alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier
+waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in
+bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was
+met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee
+doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar
+hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren
+worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst
+een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles
+hielp echter niets:--de tooverheks ging voort met alle nachten het
+ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.
+
+Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en
+uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar
+laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen
+van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare
+glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken
+zoovele ratelende beentjes.
+
+Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er
+tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke
+woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en
+verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien
+onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had
+gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden
+besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet
+helpen kon.
+
+Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze
+kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij
+was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar,
+ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene
+zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen.
+Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht
+onophoudend ten gronde gevestigd.
+
+Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich
+daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde
+zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met
+onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging
+beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden
+mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze
+over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar
+eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende
+ondervragingen met zonderlinge stem:
+
+"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"
+
+"Ik weet het wel, man."
+
+"Hebt gij niets op uwe _conscientie_?"
+
+"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."
+
+"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"
+
+"Nog veel minder."
+
+"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of
+vermaledijd hebben?"
+
+"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg
+gestorven."
+
+"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"
+
+"Neen."
+
+"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"
+
+"Nooit."
+
+"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het
+oude wijf u betooverd heeft."
+
+"O, daar ben ik zeker van."
+
+"Wilt gij verlost zijn?"
+
+"Moet gij dit vragen?"
+
+"Antwoord mij!"
+
+"Ja, ik wil verlost zijn."
+
+De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken
+zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen
+onzichtbaren geest scheen te spreken.
+
+Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde
+vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen
+elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten
+zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben
+durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij
+wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt.
+Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven
+verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om
+niet te hoesten.
+
+Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder
+voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:
+
+"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u
+gelegd heeft."
+
+"Is het de oude tooverheks, of niet?"
+
+"Het is de oude tooverheks."
+
+"O, ik weet het wel."
+
+"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood.
+Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand
+van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten?
+Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?"
+
+"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."
+
+"Is dit uw goed woord?"
+
+"Ja."
+
+De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:
+
+"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit
+werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat
+ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van
+Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen
+doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor
+gegeven wordt."
+
+"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met
+zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat
+gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."
+
+"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid
+zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet
+in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en
+waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar
+moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan
+afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij
+een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis
+te betalen."
+
+Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man
+gegeven. Hij hernam:
+
+"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben,
+dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo
+zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit
+wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien
+voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe,
+dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen:
+een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de
+deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien
+er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend
+ten venster uitvliegen.--Men behoort dat daarom open te laten. Er is
+niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."
+
+Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam
+zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:
+
+"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de
+kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond
+worden."
+
+Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard
+en verliet de kamer.
+
+In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of
+driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat
+hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar
+elders zich begeven had.
+
+Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg
+waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had
+men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht
+te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.
+
+Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik
+inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik
+zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.
+
+Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en
+ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en
+omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene
+tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans
+kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het
+een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd
+ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook
+het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep
+met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest,
+zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene
+zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den
+tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en
+werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot
+middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot
+zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met
+onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte
+nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich
+met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op
+Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de
+komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op
+eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna
+niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der
+vlam....
+
+Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle
+klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten
+ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden
+onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten.
+Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met
+opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de
+tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps
+op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene
+ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp
+los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat
+wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks
+bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan
+overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende
+stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:
+
+"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!--O, neen, neen, scheur mijn
+hart niet met uwe nagelen.--Geef mij den slag van gratie, dat ik
+sterve!"
+
+Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken
+had:
+
+"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat
+mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen,
+dat ik niet wil,--ik zal den ouden man verjagen...."
+
+Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons
+inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans
+had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te
+herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en
+wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een
+zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare
+oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep
+als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij
+achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de
+kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning
+moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons
+omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die
+met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over
+hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op
+het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel
+in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.
+
+Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen
+nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u
+wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het
+insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van
+ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en
+bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.
+
+Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat
+was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te
+verroeren.
+
+Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde
+ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen
+en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven
+worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende
+hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit
+rog of vloot gekookt was geworden.
+
+Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag
+juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in
+den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die
+kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven,
+vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest
+gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had
+om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men,
+dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken.
+Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen
+zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.
+
+Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven
+in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning.
+Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak
+der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend.
+Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te
+laten vinden.
+
+Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp
+brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een
+bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een
+groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in
+eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende
+tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw
+gebonden, op wat stroo te slapen.
+
+De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het
+vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende
+ledematen.
+
+Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half
+twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij
+de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak,
+deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk
+papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig
+doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere
+woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen
+spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het
+overige wierp hij in den ziedenden ketel.
+
+Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:
+
+"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar
+ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf
+uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en
+bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet
+doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal
+hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren
+of zien moogt!"
+
+De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd
+uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene
+doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel
+in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid
+om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere
+te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk
+gevestigd.
+
+Nog vijf minuten!
+
+In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu
+begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte,
+borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op
+sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder
+de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven
+ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren;
+de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.
+
+Nog twee minuten!
+
+De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den
+breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk
+gevestigd, stond hij gereed om te steken....
+
+Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen,
+als van iemand, die met eenen stok gaat.
+
+"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij
+elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek
+overhoop nedervielen.
+
+De deur ging open.--Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den
+toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes
+en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid
+klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met
+geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de
+hand.
+
+Nog ééne minuut!
+
+"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.
+
+"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.
+
+"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de
+geneeskunde uit. Dit is verboden."
+
+De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf
+uren ging slaan.
+
+"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort
+oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of
+gij doodt iemand met uwe handen!"
+
+"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet
+volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote
+pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"
+
+Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren;
+hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich
+vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk
+nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...
+
+Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos
+in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is
+dood!"
+
+Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de
+deur ingeloopen, roepende:
+
+"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en
+ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"
+
+De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden
+man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd,
+als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later
+tot eenige maanden gevangenis verwezen.
+
+--Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles
+tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien
+het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe
+legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit?
+Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die
+onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij
+aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken;
+want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle
+geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een
+zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen
+beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat
+onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde
+betoovering?
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 43: Eene gemeente bij Antwerpen.
+
+ 44: Eene gemeente bij Antwerpen.
+
+
+
+STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS
+
+
+ZEDENSCHETS
+
+
+Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia
+bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de
+plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het
+bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij
+u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe
+redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn,
+alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat
+gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het
+zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt
+Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.
+
+Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers
+en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de
+meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend
+een toets dienen in deze beschrijving.
+
+Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste
+gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin,
+zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van
+iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne
+bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het
+hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué,
+de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer
+nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat
+het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en
+rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene
+Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en
+tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en
+begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt
+hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te
+weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne
+vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in.
+Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op,
+steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een
+blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door,
+totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht
+ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne
+huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet;
+en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is,
+gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij
+doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene
+Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van
+buiten kent,--en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen,
+maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.
+
+Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over
+gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en
+brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken:
+"Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van
+tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de
+Dahlia?"--Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp
+te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn
+aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene
+artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is
+afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal
+ze zeker onder den voet geloopen hebben:--dit zou spijt
+zijn!"--Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers
+voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia
+schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"
+
+--Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij
+zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling
+meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.
+
+--En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den
+ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren
+van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten.
+Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op
+een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in
+Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts _enkele_ bloemen als
+starren geeft,--dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen
+Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,--dat deze
+plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden
+door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen
+kruidenhof,--dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802
+verkreeg, enz.
+
+Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den
+liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de
+Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs,
+gedurende zijn gansche leven, het _goeden dag_ weigeren.--Hij, die
+anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij
+zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer
+het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een
+blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch
+niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft
+toegesteld.--Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen
+onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de
+geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige
+bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat
+uit de ontwortelde planten van Okulei,--Pioen,--Tuiltje,--Vingerhoed,--
+Violier,--Beverken,--Veldklok,--Knaptand,--Lelie,--Brikel[48]
+en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door
+onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid
+gehaat.
+
+Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in
+zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden
+lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen
+liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de _Marmot_ een dier is, dat
+gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te
+slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt
+begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier:
+zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen
+in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone
+van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne
+bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des
+geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit
+levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne
+lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor
+vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne
+veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed
+mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den
+invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste
+maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen
+langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne
+oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en
+nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd
+gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die
+trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De
+Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds
+van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene
+natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt;
+hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken
+toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van
+eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en
+springt den hof in.
+
+Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat;
+hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de
+losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de
+verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de
+bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat
+de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen
+weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze,
+gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de
+lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond
+iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde
+overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de
+plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige
+oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de
+lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich
+met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt
+ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater
+spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne
+lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve
+Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft,
+als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de
+natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij
+de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:
+
+"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu
+gaan wij weer leven!"
+
+De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij
+een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich
+te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader
+geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit
+steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de
+andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders
+zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat
+in een ander vertrek, zonder nog te spreken.
+
+De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer
+Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een
+middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en
+vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de
+razernij der Dahlia's.
+
+U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met
+spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten
+bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.
+
+M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige
+kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood,
+benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens
+doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als
+volgt:
+
+"_Anna Maria_ plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem,
+met muizenoorkens en met purperen punten. _Buonaparte_, met haren
+stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens
+_Waterloo_ met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik _Défiance_
+nog planten? Die Dahlia _doet het bijna nooit_[50]. Het is anders nog
+al eene aardige: chocolade met melk.--Ik zal haar in het midden
+zetten met _Englands pride_, _don Carlos_, _Formosa_ en _Hortense
+Knyff_. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet
+ik mijne _Striata Formosissima?_[51] Ik mag daar niet losselijk over
+beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan
+in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen
+slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers
+moede gezien, eer zij aan mijne _Striata Formosissima_ komen. Dit mag
+ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre
+niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"
+
+Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd,
+dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de
+tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar
+vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering
+opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen
+heeft.
+
+"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne _Striata Formosissima_
+planten?"
+
+Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder
+antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer
+wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber,
+de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit,
+zeggende:
+
+"Dat zijn weerkens, eh?[52]"
+
+M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden
+van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en
+herhaalde als met gramschap zijne vraag:
+
+"Waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ toch planten?"
+
+M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen
+genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende
+gesprek:
+
+BIELENS.--Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet
+moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij
+onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik
+zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit
+met rijp oordeel beslissen.
+
+FRUYTS, _blijmoedig_.--Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet
+wat bloemken mijne _Striata Formosissima_ is. Niemand heeft haar in
+honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes
+medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens
+kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.
+
+BIELENS.--Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge
+zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?
+
+FRUYTS.--Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder
+geweest.
+
+BIELENS, _invallende_.--Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu
+eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu
+niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang
+genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan
+nog meer met uitstel plagen?
+
+FRUYTS, _hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen_.--Zie,
+Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne
+Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.
+
+BIELENS, _in het boeksken lezende_.--"N° 756, _British Queen_,
+Well's.--Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond,
+overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve
+steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu
+vastgesteld na Paschen."
+
+FRUYTS, _in gedachte dwalende_.--Dit moet eene schoone bloem zijn,
+eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken
+aan! Raadt gij mij hem te koopen?
+
+BIELENS, _met ongeduld_.--Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen
+Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze
+kinderen na Paschen, ja of neen?
+
+FRUYTS, _hij schudt het hoofd met spijt_.--Wel ja, ja zeker. Zijt gij
+nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de _British
+Queen_ nu koopen, zeg?
+
+BIELENS.--Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook
+wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe
+dochter wel een rond sommeken medegeven?
+
+FRUYTS.--Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe
+liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd
+vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand
+gegeven.--Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder
+gehaald, Bielens?
+
+BIELENS.--Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien
+gelegd.--Ik ga _boeturen_[54].
+
+FRUYTS.--De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg
+zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.
+
+BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand
+op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen,
+gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u
+zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?
+
+FRUYTS.--Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden
+dan _ja_. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb,
+dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus,
+wees gerust. Tot namiddag.
+
+Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking
+over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige
+haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door
+de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de
+schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord,
+daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en
+handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw
+en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote
+bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering
+deden gissen.
+
+"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag?
+Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu
+nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het
+zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte
+kramer. Ik zou beschaamd zijn!"
+
+De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak
+met bevende stem:
+
+"Den sleutel, zeg ik!"
+
+"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet.
+Dáár is de sleutel."
+
+M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner
+vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf
+in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn
+oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen
+geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden
+plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij
+kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en
+voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen
+ouderdom.
+
+Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne
+verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen
+halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen
+bloei, in hoogste praal! Daar staat _Miss Colt_, de satijnen roos,
+daar _Conqueror_, het fijn geplooid bruin fluweel; hier _Fireball_,
+de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige _Nonpareil_; verder de
+gulden _Topaas_, de zilveren _Virgin Queen_ en de zwarte _Sambo_.
+Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne
+veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt,
+doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem,
+dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen
+vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende
+lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één
+woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O,
+Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!
+
+De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende
+begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij
+eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den
+kelder, op de hoogste schab stond,--en sprak mompelend:
+
+"Dáár, in dat houten baksken, ligt mijne _Striata Formosissima_ zoo
+gerust op een bed van zemelen te slapen. _Striata Formosissima!_
+edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de _Striped perfection_ niet
+zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe
+bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij
+durven de doffe vlekken van _Striped perfection_ bij uwe
+anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd
+verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal
+wegrukken...."
+
+Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen
+laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge
+verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen.
+Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was,
+twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van
+zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet,
+of zij voegde er haastig bij:
+
+"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen.
+Zult gij hem wat helpen?"
+
+De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer
+dochter en antwoordde:
+
+"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan
+komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig
+met zijne Dahlia's uit den kelder te halen."
+
+Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.
+
+"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"
+
+"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw
+glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,--wees daar
+niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een
+eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op
+zijn kantoor.--Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na
+Paschen."
+
+Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich
+stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort
+eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen
+Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van
+gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon
+men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen
+lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder
+zeide:
+
+"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn
+tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het
+hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken.
+Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik
+zou hem gaarne alleen spreken."
+
+"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder
+schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten
+worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een
+weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen."
+
+Zij naderde de kelderdeur en riep:
+
+"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"
+
+Een gemor, dat wel op een _ja_ geleek, antwoordde op haren roep. Zij
+verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:
+
+"Hij zal terstond komen."
+
+Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de
+verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder
+een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen
+tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den
+muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is
+er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M.
+Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in
+grievende galmen klinkt de naam van _Striata Formosissima_ herhaalde
+malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der
+bevende gelieven klinken.
+
+Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man
+over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en
+hetgeen zij ziet, belet haar te spreken.
+
+Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van
+Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn
+half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe
+hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met
+slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken
+der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene
+hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de
+zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende
+kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn
+gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:--de wenkbrauwen over de ogen
+gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de
+bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met
+schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt
+zijn gezicht in het wilde rond.--De vrouwen staan verbaasd en
+sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder
+met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze
+is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu
+geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een
+grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de
+verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:
+
+"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te
+slokken?"
+
+De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt
+niet.
+
+DE MOEDER.--Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze
+grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (_Zij
+verzacht hare stem spottend_.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe
+hand gevallen? Och arme!--Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor
+zulke vodden?
+
+DE DOCHTER; _zij wil den arm haars vaders vatten_.--Och, vader, wat
+is er gebeurd? Zeg het aan mij.
+
+DE VADER; _hij stoot ze weg_.--Laat mij gerust! Spreek mij niet aan!
+Uit mijne oogen! (_Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar
+zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt_.) Lomp,
+lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen
+of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost
+geven?
+
+DE MOEDER, _met gramschap_.--Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot?
+Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden
+te doen? (_Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en
+snauwt hem toe_.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die
+belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij
+het?
+
+Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde
+zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij
+sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het
+oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber
+sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen
+aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon
+echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem
+besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij
+uit:
+
+"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker
+vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar
+ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia
+in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan
+stukken stampen."
+
+DE JONGELING, _met spijtige kalmte_.--Ik weet niet, Mijnheer Fruyts,
+dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede
+vrienden!
+
+DE VADER, _bitsig_.--Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke
+verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet
+aandoen.
+
+DE JONGELING.--Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan,
+Mijnheer Fruyts?
+
+DE VADER.--Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's
+niet doen sterven--uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille,
+die hij won, niet van mij gestolen, zeg?
+
+DE JONGELING, _verwonderd_.--Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen
+sterven? Dit wist ik niet.
+
+DE VADER, _met klimmende woede_.--Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat
+ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?--En is het
+zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56]
+
+DE JONGELING.--Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen;
+maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen
+hebben zijne Dahlia's ook afgebeten.
+
+DE VADER, _bulderend_.--Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij
+dan de medaille gewonnen, zeg?--Valschheid en bedrog, ja! Maar dit
+was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij
+mij duur betalen. En zeg hem maar:--van nu af aan geene vriendschap
+meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar
+uit mijn huis blijven.--Als mijne dochter u nog durft aanspreken,
+steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (_De dochter begint
+te weenen_.)
+
+DE MOEDER, _met spotternij_.--Maar hoe kan een mensch van
+vijfenveertig jaar toch zoo zagen!--Wanneer zullen wij nu eens weten,
+wie er dood is?
+
+DE VADER.--Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet.
+Dat weet _ik_, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten.
+Tien jaren verkorting van mijn leven!
+
+DE JONGELING.--Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw
+ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft?
+
+DE VADER, _in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne
+oogen_.--Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er
+geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat
+hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar,
+o schelmerij! (_Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon_.) Jan,
+zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe _Striata Formosissima_
+in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.--En wat is
+er geschied?--Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen....
+
+DE VROUW.--Welnu, wat is er geschied, zageman?
+
+DE MAN, _met droefheid_.--Wat er geschied is! Luister, wat
+verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest
+opgegeten waren, hebben zij mijne _Striata Formosissima_ ook
+opgeknabbeld. Weet gij het nu?
+
+DE VROUW, _hem uitlachende_.--Wel, wel, is het anders niet? Blijven
+er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo
+te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk
+uwer dochter overgebeten hebben?
+
+DE VADER.--Anders niet, anders niet! (_Tot den jongeling_.) Mijn huis
+uit, flierefluiter.--Gauw!
+
+DE DOCHTER, _weenend_.--Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt
+beloofd, dat wij mochten trouwen.
+
+DE VADER.--Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,--met
+den valschaard, die mijne _Striata Formosissima_ aan de ratten
+overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den
+bult van Okeren.
+
+DE MOEDER.--Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens
+kort spel mede maken. (_Zij vat haren man bij den schouder en zet hem
+ten huize uit. Zij sluit de deur toe_.)
+
+M. Fruyts bleef eenige oogenblikken vóór de deur staan; doch ziende,
+dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen
+naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te
+planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne _Striata
+Formosissima_ in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne
+gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder;
+zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen,
+overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel,
+dat hij onder zijn gezicht bracht:
+
+"_Striata Formosissima_! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie
+mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene
+medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de
+ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in
+mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder
+opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen.
+Maar te laat is dit beklaagd,--gij zijt voor mij verloren. O ramp!"
+
+En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk
+wortel over het wijde veld.
+
+Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend,
+door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien
+dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de
+gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene
+macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen.
+
+Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te
+midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne
+tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te
+gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den
+jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de
+Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw
+bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het
+hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm
+tot zich zag komen.
+
+Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:--de
+deur uit, gauw!--maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem
+een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem
+aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach.
+
+Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M.
+Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht,
+die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke
+tijding.--Hij leest:
+
+"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik
+heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de
+echte _Striata Formosissima_."
+
+Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten
+bloemenkweeker.
+
+"Gij bezit eenen wortel van de _Striata Formosissima_!" riep M.
+Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is
+waarheid! Laat zien dien wortel!"
+
+Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier
+en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo
+zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze
+betasting vond.
+
+"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene _Striata
+Formosissima_."
+
+Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.
+
+"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia
+hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."
+
+"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer
+V---- sedert vier dagen een wortel van de _Striata Formosissima_
+gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden
+uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was.
+De heer V---- heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand
+bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in België, dan ik
+alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs
+mijner mededeeling in uwe droefheid?"
+
+Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts;
+hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de
+eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen
+Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te
+weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte
+met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk
+te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:--"Zijt gij daar,
+flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht
+gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:
+
+"Hoera! Hoera! Ik heb mijne _Striata Formosissima_ weer! Toe, vrouw!
+laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw
+eene goede flesch uit den kelder,--van het patersvaatje! En gij,
+mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende,
+"vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.--Kom hier,
+Frans, mijn zoon!"
+
+Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:
+
+"Vivat _Striata Formosissima_! Leeft lang en trouwt na Paschen!"
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 45: Een gewichtig verdrag tusschen België en Holland.
+
+ 46: Dianthus Caryophyllus.
+
+ 47: Lychnis Dinica.
+
+ 48: Aquilegia--Paeonia--Dianthus barbatus--Digitalis
+pupurea--Cheiranthus--Astrantia--Campanula--Anthirrinum--Lilium--Primula
+Auricula.
+
+ 49: Galanthus Nivalis.
+
+ 50: Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en vele
+mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen
+komen, zooals zij zijn moeten.
+
+ 51: Allerschoonste gestreepte.
+
+ 52: Dit is een fraai weder.
+
+ 53: Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk
+Dahlia's-liefhebbers wonen.
+
+ 54: _Boeturen_ beteekent: jonge Dahlia's kweeken bij middel
+van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt.
+
+ 55: Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus of
+Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd.
+
+ 56: Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol
+(Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met
+paardenmest gevet zijn.
+
+
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***
+
+***** This file should be named 13595-8.txt or 13595-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13595/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/13595-8.zip b/old/13595-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..b41f18f
--- /dev/null
+++ b/old/13595-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/13595-h.zip b/old/13595-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..d9ff731
--- /dev/null
+++ b/old/13595-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/13595-h/13595-h.htm b/old/13595-h/13595-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..f4a95c3
--- /dev/null
+++ b/old/13595-h/13595-h.htm
@@ -0,0 +1,6056 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ P { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ H1,H2,H3,H4,H5,H6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;
+ }
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em; margin-bottom: 1em;} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;} /* block indent */
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; margin-bottom: 1em; margin-top: 1em; padding-left: 1em; font-size: smaller; float: right; clear: right;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span {display: block; margin: 0; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ div.center {text-align: center;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+
+ <body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Avondstonden
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+ <h1>HENDRIK CONSCIENCE</h1>
+
+ <h1>Avondstonden</h1>
+
+ <div class="center">
+ <img src="images/titelpagina.png" width="400" alt="Titelpagina" />
+ </div>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h2>INHOUDSOPGAVE</h2>
+
+ <div class="center">
+ <a href='#QUINTEN_MASSYS'><b>QUINTEN MASSYS</b></a><br />
+ <a href='#DE_ENGEL_DES_GOEDS_EN_DE_GEEST_DES_KWAADS'><b>DE ENGEL DES GOEDS EN DE
+ GEEST DES KWAADS</b></a><br />
+ <a href='#DE_NIEUWE_NIOBE'><b>DE NIEUWE NIOBE</b></a><br />
+ <a href='#WEETLUST_EN_GELOOF'><b>WEETLUST EN GELOOF</b></a><br />
+ <a href='#HET_BEULSKIND'><b>HET BEULSKIND</b></a><br />
+ <a href='#DE_GEEST'><b>DE GEEST</b></a><br />
+ <a href='#DE_SCHOOLMEESTER_TEN_TIJDE_VAN_MARIA_THERESIA'><b>DE SCHOOLMEESTER TEN
+ TIJDE VAN MARIA THERESIA</b></a><br />
+ <a href='#DE_KWADE_HAND'><b>DE KWADE HAND</b></a><br />
+ <a href='#STRIATA_FORMOSISSIMA'><b>STRIATA FORMOSISSIMA OF DE
+ DAHLIA'S-KOORTS</b></a><br />
+ </div>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/illustratie3.png' width='400'
+ alt='De abdisse nam het boek uit handen der non.'
+ title='De abdisse nam het boek uit handen der non.' /><br />
+ <i>De abdisse nam het boek uit handen der non.</i>
+ </div>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="QUINTEN_MASSYS" name='QUINTEN_MASSYS'></a>
+
+ <h2>QUINTEN MASSYS</h2>
+ <br />
+
+
+ <p>Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen, eenige kleine
+ huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden en aan geringe menschen
+ werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond door ambachtsgezellen, die van hun
+ arbeidsloon met moeite genoeg konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te
+ betalen; of wel door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat
+ zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven.</p>
+
+ <p>In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene weduwe met
+ haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de wereld bezat, hadden
+ niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar dak gewoond; zij droeg hare armoede
+ met het grootste geduld en zou niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren
+ verruild hebben. Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de
+ zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere moeder was en al
+ het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon gekeerd had, was het haar een
+ genoegzaam gelukzalig lot, zich door hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al
+ hare zuchten was de naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had
+ toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar zoon, die zijne
+ moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en nacht om haar niets te laten
+ ontbreken, en, wanneer hij maar gissen kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het
+ zweet zijns aanschijns niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om
+ zijne moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij zoodanig
+ bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende, dat niemand hem in het
+ smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven ging, en hij een ruim loon voor zijnen
+ arbeid ontving. Dit was eene der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak
+ versierd was en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter
+ Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust vond, zong en
+ was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten naam vergeten, om hem dien van
+ <i>vroolijken smid</i> te geven.</p>
+
+ <p>Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit genoegen, al
+ die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er vloeiden, zuchten die men er
+ hoorde, en het zingen van den vroolijken smid was eene zaak, waaraan de geburen niet
+ meer dachten, dan om zich gelukkige tijden te herinneren.</p>
+
+ <p>Het was op eenen Maandag;&mdash;de weduwe zat met natbeschreide wangen bij het
+ bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke zoovele jaren den
+ voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die zooveel zweet voor zijne moeder had
+ gestort, was nu als in een ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten
+ hals gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne sleutelbeenderen lagen
+ zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als met een doorschijnend lijnwaad waren
+ overtrokken geweest: zijn gansch lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht
+ droeg geen het minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op
+ afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de flauwe oogen, die
+ hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot tijd kwam er nog eene uitdrukking van
+ zaligheid zijn mager aangezicht beglanzen: het was wel geen lach, maar iets
+ onverstaanbaars, eene geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer
+ van het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de bedrukte moeder,
+ ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde en van doodende foltering in haren
+ zoon omging, zijne beenige hand en zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde
+ slechts van hare lippen, de naam van haren stervenden zoon:</p>
+
+ <p>"Quinten! o, Quinten!..."</p>
+
+ <p>Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe opnieuw
+ overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe stemme:</p>
+
+ <p>"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?"</p>
+
+ <p>"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent gij om mij, en
+ gij krenkt uwe gezondheid.&mdash;O, wat ben ik ongelukkig!&mdash;Ik zal sterven, dit
+ voel ik; niet door de ziekte van mijn lichaam&mdash;dit zou mij misschien het leven
+ sparen, maar er is iets, o God!&mdash;iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt,
+ iets, dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet
+ wenschen.&mdash;O, moeder, moeder!"</p>
+
+ <p>En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog veel vochts
+ te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken over zijne dorre wangen.</p>
+
+ <p>De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld verbergende,
+ sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere drift in hare beide armen en
+ zoende de tranen van zijn aangezicht.</p>
+
+ <p>"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch aan uwe
+ moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.&mdash;En dan, Quinten, dan
+ zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit mogelijk!"</p>
+
+ <p>Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog onbeweeglijker in de
+ oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen ophielden van overvloediger op zijne
+ wangen te rollen.</p>
+
+ <p>"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw hart ligt. Ik
+ bid u, in Gods naam, spreek!"</p>
+
+ <p>Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten; hij bedekte
+ zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem, die zulke geweldige
+ ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen, dat zijn levensdraad ging
+ breken:</p>
+
+ <p>"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten. Denkt gij, dat
+ ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;&mdash;ik zie u vergaan als eene
+ schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind alleen!"</p>
+
+ <p>"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde fierheid.
+ "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet. Honger lijden voor u, mijn
+ Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige, dat ik in voor mijn kind te lijden den
+ eenigen troost vind, die mij nog op aarde overblijft."</p>
+
+ <p>"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop, "naar den
+ arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne moeder van honger vergaat,
+ zonder haar een stuk zuur brood te kunnen bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade
+ onwaardig, indien ik niet stierf!"</p>
+
+ <p>Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat hij door drift
+ had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met meer kalmte bij zijne eerste
+ woorden:</p>
+
+ <p>"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde heeft, niets,
+ waarvoor men ons een brood geven zou?"</p>
+
+ <p>"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb alles
+ verkocht,&mdash;denk niet meer aan zulk middel."</p>
+
+ <p>De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed, dat zijn
+ gebeente onder het deksel kraakte.</p>
+
+ <p>"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die reeds bij den
+ dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O, neen, dit zal niet zijn.... Ho,
+ ik zal opstaan en u doen zien, wat de liefde van eenen zoon tot zijne moeder
+ vermag.&mdash;Geef mij mijne kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn,
+ niet gegeten hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder! de
+ zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet vergramd.... Ik gevoel kracht!
+ Ik leef!"</p>
+
+ <p>Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne ziekte was
+ opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot zwaren arbeid bereidt; en
+ de bewegingen, welke hij deed, waren zoo los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet
+ begrijpen kon wat dit beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van
+ een mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem staren!</p>
+
+ <p>Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen aangetogen;
+ maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns lichaams te overwinnen, men kon
+ echter genoeg zien, dat er weinig in zijnen toestand was veranderd; want zijne
+ bewegingen werden allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij
+ eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend omhelsde, en
+ dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en riep:</p>
+
+ <p>"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar&mdash;ik kan niet!"</p>
+
+ <p>Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van het klooster
+ van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad binnen.</p>
+
+ <p>"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken Quinten.&mdash;Maar
+ wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier gebeurd, dat gij beiden daar zit en
+ weent?"</p>
+
+ <p>De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk waren en nooit
+ om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de schaamte hen, van over hunnen nood
+ iets te kennen te geven.&mdash;Waar is toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn
+ smeekend zal zeggen: ik heb honger?</p>
+
+ <p>De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij plaatste den
+ korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene flesch uit; dan schonk zij daaruit
+ eene goede teug rooden wijn in eenen beker.</p>
+
+ <p>"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u uitermate
+ versterken: daar, drink het uit!"</p>
+
+ <p>"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend gelaat, "beloof
+ ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster Ursula!"</p>
+
+ <p>"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker geven."</p>
+
+ <p>"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan van vreugde in
+ elk oog.</p>
+
+ <p>Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug wijns
+ genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens gezicht, zeggende:</p>
+
+ <p>"Ho! ik heb nog al iets zie maar."</p>
+
+ <p>Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief zijne armen ten
+ hemel en riep:</p>
+
+ <p>"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het toch zeggen,
+ aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt laven en troosten. Zuster ...
+ zuster, mijne oude moeder heeft in drie dagen niet gegeten."</p>
+
+ <p>"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar, hier is een
+ fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch."</p>
+
+ <p>De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood nuttigen kon;
+ hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde, want de gedronken wijn had
+ haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de non bezig was met haar tot eten aan te
+ manen, had Quinten ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich
+ getrokken, zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte zij
+ deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op gevoeld.</p>
+
+ <p>"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?"</p>
+
+ <p>"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op mij, indien ik
+ uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van dankbaarheid en van eerbied!"</p>
+
+ <p>De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van Quinten, dat
+ alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene ongemeene kracht: men zou gezegd
+ hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om zich uit die lastige gesteltenis te redden,
+ begon zij eensklaps van wat anders te spreken.</p>
+
+ <p>"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke menschen; hier in
+ de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de wolwever Veken, de timmerman Balens en
+ Hans de tapissier. Bij de twee eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens
+ krijgen kan; maar de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...."</p>
+
+ <p>"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig in de
+ rede.</p>
+
+ <p>"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der melaatschen," was het
+ antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar omdat hij ziek is, zien wij daar niet
+ nauw op.&mdash;Zie, daar zijn er, die ik juist bij hem heb afgehaald."</p>
+
+ <p>Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten, die ze
+ &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n overzag.</p>
+
+ <p>"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen."</p>
+
+ <p>"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks beelden in
+ zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar gij, die een smid
+ zijt,&mdash;dit zou u niet gaan, geloof ik."</p>
+
+ <p>Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid tot de non
+ keerende, sprak hij:</p>
+
+ <p>"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die eene pomp
+ maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het
+ is waar, ik heb nooit met verven gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige
+ beeldekens bederven; doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder
+ arbeidt, geen gewoon werkman is.&mdash;Misschien zou ik kunnen gelukken; er is iets,
+ dat mij het zegt."</p>
+
+ <p>"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat gij kunt. Uwe
+ moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven en penseelen medegeven."</p>
+
+ <p>"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal ik kunnen
+ werken,&mdash;en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik zeker, want gij zult om
+ mij niet meer honger lijden. Ga gauw!"</p>
+
+ <p>Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de beeldekens, het eene
+ na het andere, door zijne handen gaan, overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood
+ of groen maken zou. In die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat
+ zijne magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij bewoog de
+ vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij reeds aan het schilderen ware
+ geweest. De beeltenissen, die hij onder het oog had, waren gebrekkelijk en
+ slecht,&mdash;hij zag dit wel; want in zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst
+ gemeen gemaakt, hetgeen genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer
+ waren gesmeed.</p>
+
+ <p>Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed, schikte een
+ vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half zittende te schilderen. De oude
+ weduwe was dermate nieuwsgierig, om te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou,
+ dat zij met angstige nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde.</p>
+
+ <p>Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur tijds, eene
+ print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten bedekt.</p>
+
+ <p>Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij:</p>
+
+ <p>"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,&mdash;het gaat mijne verwachting te
+ boven!"</p>
+
+ <p>De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel aanbood; doch
+ zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en stond in bewondering en als
+ verbaasd voor het geschilderd beeldeken.</p>
+
+ <p>"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te laten
+ zien!"</p>
+
+ <p>"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit terug, opdat
+ ik het v&oacute;&oacute;r mij legge."</p>
+
+ <p>"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?"</p>
+
+ <p>"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het bezien, om ze
+ in het tweede te verbeteren."</p>
+
+ <p>De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een onuitsprekelijk geluk
+ overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de beeldekens wel geschilderd had, want
+ daar wist zij in het geheel niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van
+ eenige stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed aanvaard
+ werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren zoon, die nu, door de
+ drift des arbeids ondersteund, in veel beteren staat scheen te zijn en na het
+ voltooien der derde print de eerste woorden van een zijner vergetene liedekens, bij
+ wijze van uitroeping, had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte
+ moeder het werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende
+ bemerkte:</p>
+
+ <p>"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!"</p>
+
+ <p>De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren zoon aan, om
+ ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er in toestemde; en moeder
+ Massys liep, zou gauw zij kon, naar het klooster, dat op eenige boogschoten in de
+ nabijheid der stad lag. Zij klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men
+ haar kwame openen.</p>
+
+ <p>Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het eene geringe
+ burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam open en vroeg:</p>
+
+ <p>"Wat moet gij hebben, vrouw?"</p>
+
+ <p>"Is zuster Ursula in het klooster?"</p>
+
+ <p>"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;&mdash;kom morgen weer."</p>
+
+ <p>Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een teeken, alsof zij
+ zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!"</p>
+
+ <p>Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster Ursula, en
+ kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap doen om het klooster te
+ verlaten.</p>
+
+ <p>"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non.</p>
+
+ <p>"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare huik halende,
+ "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster Ursula te toonen en te zeggen,
+ dat Quinten Massys, de smid, die gemaakt heeft."</p>
+
+ <p>De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van misprijzen.
+ De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar gelaat gaf dit genoeg te
+ kennen.</p>
+
+ <p>"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men walgt van ze te
+ zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan
+ zuster Ursula toonen."</p>
+
+ <p>"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder.</p>
+
+ <p>"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord, dat zij
+ kreeg.&mdash;En hiermede kon zij vertrekken.</p>
+
+ <p>Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar haren zoon.
+ Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende wanhoop dompelen? Maar kon zij
+ hare tranen wederhouden en hare gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet
+ te verraden, wat loon zij bekomen had?</p>
+
+ <p>Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der non; want die
+ hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys er aan toekende. Om dit te
+ verstaan, moet men weten, dat de printen, die door Quinten geschilderd waren,
+ allerlei melaatschen, gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid
+ had deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel nog
+ overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en door de waarheid er
+ van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom riep: "foei, foei, het is
+ schande!"</p>
+
+ <p>De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze, waarop de printen
+ geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de non beoordeeld was geworden.</p>
+
+ <p>Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar reeds
+ toeriep:</p>
+
+ <p>"Welnu, moeder, wat zegt men er van?"</p>
+
+ <p>De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon, uit overgroote
+ droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare tranen streelde zij met dolle
+ drift haren armen Quinten, die zijn hoofd op de borst zijner moeder had verborgen.
+ Hoe grooter, hoe ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger
+ hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden getoond, wat
+ pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat blijdschap hen vervoerde; want
+ zij gaven elkaar de hevigste blijken eener vurige teederheid. Een innig gevoel van
+ martelpijn dreef hen om elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden
+ beiden de uitgestrektheid hunner bittere ellende.</p>
+
+ <p>Eindelijk zuchtte Quinten:</p>
+
+ <p>"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen verstooten, o
+ God!"</p>
+
+ <p>"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn dierbaar
+ kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u als eene slavin gewerkt,
+ toen gij nog jong waart.&mdash;Gij hebt mij ook bemind en als een goed zoon en door
+ uw dagelijksch arbeidszweet voor uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan
+ toch zijn moet,&mdash;indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger mij
+ in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene zalige zekerheid
+ over:&mdash;wij sterven samen!"</p>
+
+ <p>Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in de kamer,
+ dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene boezems en soms nog eene
+ stille stem, die suisde:</p>
+
+ <p>"Moeder, o, lieve moeder."</p>
+
+ <p>Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de armen gedrukt;
+ want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde tot elkaar als verengeld en
+ hadden wellicht deze wereld gansch vergeten,&mdash;toen zij eensklaps aan de deur
+ eene stem hoorden, die vroeg:</p>
+
+ <p>"Waar woont de smid Quinten Massys?"</p>
+
+ <p>De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en wilde de deur
+ gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had, drongen vier personen te gelijk in
+ de kamer.</p>
+
+ <p>De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het klooster ter
+ Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde. Achter hen kwamen zuster
+ Ursula en eene andere non, een groot boek onder den arm dragende. Al deze personen
+ stuurden met verwondering het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en
+ beschaamd en bang op een bitter vonnis wachtte.</p>
+
+ <p>De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen toonende,
+ vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde:</p>
+
+ <p>"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?"</p>
+
+ <p>"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik hoop, indien
+ ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer bekwaamheid krijgen zou.
+ Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam
+ mijner ongelukkige moeder!"</p>
+ <br />
+
+
+ <p>"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel ootmoedig, jongeling.
+ Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit schooner beeldekens gezien heeft dan
+ die, welke gij geschildert hebt!"</p>
+
+ <p>Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten; eene kleur als
+ doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne leden beefden, alsof hij door eene
+ schielijke kwaal ware getroffen geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij
+ zijne armen naar zijne moeder uit en riep:</p>
+
+ <p>"O, moeder! lieve moeder!"</p>
+
+ <p>De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend tegen de
+ borst van haren zoon.</p>
+
+ <p>Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier personen, die het
+ aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne oogen zich met glinsterend vocht
+ vervulden.</p>
+
+ <p>"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen doen?"</p>
+
+ <p>Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de nauwe
+ omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en bleef bij hem staan.
+ Quinten antwoordde in verrukking:</p>
+
+ <p>"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar."</p>
+
+ <p>De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den jongeling toonende,
+ vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes Heeren, welke er in stonden, voor
+ haar wilde schilderen. Quinten gaf voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit
+ vrees van het kostelijk missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de
+ Abdisse en den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg om
+ dit groote werk te aanvaarden.</p>
+
+ <p>Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen zich bereid om
+ te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij Quinten en suisde hem in het
+ oor:</p>
+
+ <p>"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste voldaan,&mdash;zij
+ kan er niet van zwijgen."</p>
+
+ <p>En met zachtere stem voegde zij er bij:</p>
+
+ <p>"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!"</p>
+
+ <p>Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men kan begrijpen;
+ hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en zuchtte:</p>
+
+ <p>"Voor u,&mdash;voor u zal ik altijd bidden,&mdash;en mijne moeder ook!"</p>
+
+ <p>Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige vrouw zich tot
+ haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn schilderbord, roepende:</p>
+
+ <p>"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij zijn rijk, mijn
+ kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te halen, dat u in uwe ziekte
+ ontbroken heeft!... En gij zult genezen, mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu
+ zullen wij weer vroolijk leven!"</p>
+
+ <p>"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder arbeidt, geen
+ gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het zien van uwen nood moest
+ uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt. Het is God zelf, die daarom mijne zwakke
+ hand bestierde!".</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <p>Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen het werk
+ voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in bespeuren, waarom hem ook
+ eene milde belooning geschonken werd. Hij kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij
+ ter voldoening van iedereen afmaakte.&mdash;Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte
+ printen te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en, alhoewel hem
+ dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de hinderpalen, welke de kunst hem
+ aanbood.</p>
+
+ <p>Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten huis gaan; maar
+ dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te leeren, wat hem door de milde natuur
+ niet geschonken was, dat hij, voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een
+ befaamd schilder werd begroet.</p>
+
+ <p>Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een goed
+ burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat zij, haren zoon den
+ roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met zaligen vrede in zijne armen het leven
+ ontging.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="DE_ENGEL_DES_GOEDS_EN_DE_GEEST_DES_KWAADS"
+ name='DE_ENGEL_DES_GOEDS_EN_DE_GEEST_DES_KWAADS'></a>
+
+ <h2>DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS</h2>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h2>I</h2>
+
+ <h3>MIJMERING</h3>
+ <br />
+ <br />
+
+
+ <p>(<i>Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene
+ zitbank</i>)</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen kussen
+ achter dijnen<a id="FNanchor_1_1" name='FNanchor_1_1'></a><a
+ href='#Footnote_1_1'><sup>[1]</sup></a> rug leggen;&mdash;laat dijn hoofdeken ter
+ zijde rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome verlustigen.
+ Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren hunne kelken naar dijn
+ aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste liederen aan....</p>
+
+ <p>Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang en murmelt
+ zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in prachtigen purpergloed ... o, voels
+ du niet, hoe de aangelokte zefier in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals
+ dartelt en speelt?</p>
+
+ <p>DE ZUSTER, <i>zittende</i>.&mdash;Broeder, de natuur is schoon, niet waar? Alles
+ lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op aarde! Waarom spreekt onze
+ moeder mij dan immer van een schooner en gelukkiger vaderland? En waarom blinken er
+ tranen in haar oog, als zij zegt, dat een beter oord mij wacht?</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele gesteenten
+ met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit moeders oogen witte en zwarte
+ waterparelen zien vallen. Zij betreurt dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland,
+ doch verblijdt zich, dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER.&mdash;Zal ik haast vertrekken, broeder?</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;God alleen weet het, Rosa.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER, <i>mijmerend</i>.&mdash;Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij! Hij
+ heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe vroolijk ontvangt hem
+ zijn schaterend huisgezin.... Als zijne jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge
+ vaderland zijn, niet waar, broeder?</p>
+
+ <p>DE BROEDER, <i>met vochtige oogen</i>.&mdash;O, zuster, spreek zoo niet! Komt de
+ Engel vroeger, du zals met hem gaan.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER.&mdash;Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen.... Zal ik
+ vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet
+ overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is dijn beeld en
+ draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen geest.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER, <i>de bloem aanschouwende</i>.&mdash;Arme roze, waarom dij zoo vroeg
+ van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme zijn?</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Zij zal verwelken en sterven, Rosa.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER.&mdash;Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven moet ik
+ insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij zal hij
+ lachend en minnelijk schijnen.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER.&mdash;En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat zal er
+ toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien
+ verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten in zijne armen,
+ zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele juichend opstijgen tot God, die dij
+ eene schoone plaatse in zijnen hemel heeft voorbereid.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER, <i>na lang stilzwijgen</i>.&mdash;Broeder, ik voel mijne oogen
+ verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou mij
+ verkwikken.</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken bij
+ dijnen zoeten slaap.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER.&mdash;Niet z&oacute;&oacute;, broeder.... het kussen aan de
+ rechterzijde. D&aacute;&aacute;r moet immers des Heeren engel staan?&mdash;Zies du
+ niets gelijk eene zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds d&aacute;&aacute;r
+ misschien?</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen. Verjaag die
+ bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn vermoeid hoofd ter ruste.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER; <i>zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert gedachteloos de bloem
+ op hare hand.</i>&mdash;Ontwaak mij, broeder, als ik te lang mocht slapen.</p>
+
+ <p>DE BROEDER; <i>hij zit neder voor zijne zuster en weent.</i>&mdash;Twee bloemen,
+ die verwelken!&mdash;Arme roze, daar liggen nu dijne roode bladeren als bloedvlekken
+ op de sneeuw harer handen gestort. (<i>De zuster beweegt hare hand; de rozebladeren
+ vallen in het stroomend beekje</i>.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend
+ beeld zoo juist!&mdash;Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken
+ der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren gul en blijde
+ zien blinken en verdwijnen; maar nu,&mdash;kranslooze bloem op gebroken
+ stengel,&mdash;nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den levensstroome te
+ schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare ziel maakt zich los van het
+ kranke lichaam, en misschien staat waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag
+ toch die ziekte zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des
+ hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der maagden eene
+ voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal dus met de engelen zingen
+ voor des Heeren troon.... (<i>Hij buigt het hoofd en zwijgt</i>.)</p>
+ <br />
+
+
+ <h3>VOETNOTEN:</h3>
+
+ <p><a id="Footnote_1_1" name='Footnote_1_1'></a><a href='#FNanchor_1_1'>[1]</a>
+ Oudtijds, in plaats van <i>gij</i>, <i>u</i> en <i>uw</i>, schreef men in het
+ enkelvoud <i>du, dij, dijn</i>. Het is te bejammeren dat deze schrijfwijze is
+ verloren gegaan, daar wij met <i>gij</i>, <i>u</i> en <i>uw</i> onze denkbeelden niet
+ juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te worden, dat in den tweeden persoon
+ enkelvoud men altijd eene <i>s</i> zet achter het werkwoord, zoodat men schreef <i>du
+ habs, du wils</i>, voor ons hedendaags <i>gij hebt, gij wilt</i>.</p>
+
+ <p>Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer mijmering, hebben
+ zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud langzaam in de schrifttaal herin te
+ voeren. Onze taal zal er in zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg
+ uit onderhavig stuk zelf zal kunnen opmerken.</p>
+
+ <p>Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:</p>
+
+ <p><br />
+ </p>
+
+ <p><br />
+ </p>
+
+ <div class="center">
+ <table align='center' border='0' cellpadding='2' cellspacing='0' summary=''>
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>M.</td>
+
+ <td align='left'>V.</td>
+
+ <td align='left'>O.</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>1.</td>
+
+ <td align='left'>dijn,</td>
+
+ <td align='left'>dijne,</td>
+
+ <td align='left'>dijn,</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>2.</td>
+
+ <td align='left'>dijnen,</td>
+
+ <td align='left'>dijne,</td>
+
+ <td align='left'>dijn,</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>1.</td>
+
+ <td align='left'>van dijnen,</td>
+
+ <td align='left'>van dijne,</td>
+
+ <td align='left'>van dijn,</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>of dijns,</td>
+
+ <td align='left'>of dijner,</td>
+
+ <td align='left'>of dijns,</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>aan dijnen,</td>
+
+ <td align='left'>aan dijne,</td>
+
+ <td align='left'>aan dijn,</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>of dijnen,</td>
+
+ <td align='left'>dijne,</td>
+
+ <td align='left'>dijn,</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>X</td>
+
+ <td align='left'>of dijner,</td>
+
+ <td align='left'>of dijnen.</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>1.</td>
+
+ <td align='left'>naamval</td>
+
+ <td align='left'>du,</td>
+
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>"</td>
+
+ <td align='left'>dij,</td>
+
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+ </tr>
+
+ <tr>
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+
+ <td align='left'>"</td>
+
+ <td align='left'>dij, van, aan dij.</td>
+
+ <td align='left'>&nbsp;</td>
+ </tr>
+ </table>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h2>II</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder
+ strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn
+ haat drijft mij tot hunne vervolging.</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Is zij geene dochter Eva's?</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Zij is het.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene
+ plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den
+ afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is
+ mijn ontnomen vaderland geschonken.&mdash;En ik zou hem niet haten, niet vervolgen?
+ O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze
+ ziele!</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Zij is rein, du kans ze niet raken.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik
+ de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (<i>Een diepe slaap overvalt
+ den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend;
+ schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het
+ geboomte</i>.)</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>met droefheid en stil</i>.&mdash;O, du almachtige, verleen aan mijn
+ arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor
+ dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge
+ ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h2>III</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>HET MEISJE; <i>zij ontwaakt met eenen glimlach</i>.&mdash;O, God, wat is dit?
+ Genezen! Wat zoete begoocheling!</p>
+
+ <p>Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; warm bloed
+ stroomt mij door de aderen.&mdash;Waar ben ik toch? Alles is hier zoo hemelsch
+ schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het bloemtapijt, hoe verleidend de
+ stemmen der lieve vogeltjes! Zou de engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben
+ opgevoerd? (<i>De duivel vaart in eene roze</i>.) Zie, daar buigt eene roze haren
+ stengel tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij niet
+ plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!</p>
+
+ <p>DE ROZE, <i>waaruit de duivel spreekt</i>.&mdash;Zuster, ik kom en rust op
+ dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du schoon! Geene
+ onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als de kleur dijner wangen. O,
+ verhef dijne lange wimpers nog, dat ik dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik
+ benijd dijnen lieven monde zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo
+ verwelkte ik morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is
+ dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen schitteren.
+ Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als de jongste
+ morgenstraal!</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem het
+ lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?</p>
+
+ <p>DE ROOS.&mdash;Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! Ziedaar, aan
+ dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens wederhoudt om dijn beeld te
+ herspiegelen en te streelen, O, mocht ik sterven op dijne warme borst of in dijne
+ zijden haren. Heb medelijden met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat
+ zij u nimmer verlate!</p>
+
+ <p>HET MEISJE: <i>zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst</i>.&mdash;Blijf op
+ mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo bekorend prijken....
+ Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen boezem!.... Roze, dijne doornen wonden
+ mij! (<i>Zij werpt de bloem weg</i>.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (<i>De
+ duivel verbergt zich in het beekje</i>.)</p>
+
+ <p>HET BEEKJE, <i>waaruit de duivel spreekt</i>.&mdash;O, du allerschoonste maagd,
+ bekoorlijke Rosa!</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Wie sprak mijnen naam?</p>
+
+ <p>HET BEEKJE.&mdash;Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche boorden
+ zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig dijnen zwanenhals over
+ mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.</p>
+
+ <p>HET MEISJE; <i>zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld in den
+ gladden waterspiegel</i>.&mdash;Hoe rozevervig zijn heden mijne wangen! De meerle
+ heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de gitsteen glanst toch niet
+ vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch niet blanker dan mijn voorhoofd.....
+ (<i>De duivel komt uit het beekje</i>.)</p>
+
+ <p>DE DUIVEL, <i>spottende tot den engel</i>.&mdash;Ha, ha, engel des lichts, du
+ begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? Neen, niet waar?
+ Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet in mijn bezit de twee onfeilbare
+ sleutelen van der vrouwen gemoed,&mdash;ijdelheid en liefde? &Eacute;&eacute;n
+ sleutel heeft reeds den boezem der maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar
+ hart!</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene
+ onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams heeft den mensch
+ aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet niet, booze, dat de beproefden in
+ 's Heeren glorie hooger staan dan de onbevochtenen. Du bereids dus eene
+ schitterende plaats aan de maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven
+ onuitsprekelijke foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL, <i>met woede</i>.&mdash;Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen
+ boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon ik deze maagd
+ doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van mijn vreugdegehuil.... Maar
+ zij zal vallen; zij struikelt;&mdash;ja, daar verheft zij op zich zelve. Zie, hoe
+ zij hare beeltenis toelacht.... Let op, ik ga dij werks leveren! (<i>Hij keert
+ terug in het beekje</i>.)</p>
+
+ <p>HET MEISJE, <i>in de beek ziende</i>.&mdash;Lief beekje, heeft dijn zilveren
+ plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?</p>
+
+ <p>HET BEEKJE.&mdash;Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene enkele
+ was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar gewaad, frissche bloemen
+ wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb gezien, hoe twintig schoone jongelingen
+ haar volgden tot op mijne boorden,&mdash;voor haar knielden,&mdash;om eenen blik
+ harer oogen smeekten en voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne!
+ onder dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"&mdash;En toch, engellijke Rosa,
+ bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; nevens dij ware zij
+ eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! (<i>Zij verlaat het
+ beekje</i>.)</p>
+
+ <p>HET MEISJE; <i>zij blijft lang in mijmering verzonken</i>.&mdash;De schoonste
+ zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!.... Maar, wat zoete stem suist
+ aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne krankheid;&mdash;zij is nu zoo
+ treurig en zoo smartelijk....</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>met diepe droefheid</i>.&mdash;Rosa, hebs du gansch dijnen goeden
+ vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om
+ dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem
+ nu zoo treurig?</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot
+ heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den
+ zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn
+ beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes
+ de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch
+ verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele....
+ O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste
+ spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht
+ in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du
+ hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu
+ is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen
+ ... mijn hart breekt van lijden.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb
+ ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Ha, ha, wel gezegd!</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen
+ schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,&mdash;den
+ zwane den ranken hals,&mdash;den pauwe het gulden vederkleed,&mdash;der duive de
+ zoete oogen,&mdash;den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de
+ gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de
+ mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams,
+ en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft,
+ en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar
+ juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel?
+ Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de
+ lichaamsschoonheid, door God mij verleend.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL, <i>tot den engel schertsend</i>.&mdash;Engel des lichts, eindig toch
+ den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich vaster in mijne
+ strikken: mij zal ze toebehooren?</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>tot het meisje</i>.&mdash;Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne
+ woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en onervarenheid
+ dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne droefheid
+ en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; anders, hoe zou het dij
+ smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik het verjagen uit mijnen boezem, ik deed
+ het om dij te troosten; doch mij ontbreekt de macht.</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>tot den duivel</i>.&mdash;Achteruit, du verleider, dijn looze strik
+ gaat breken! (<i>Tot het meisje</i>.) Rosa, du hebs een gelaat, een lichaam,
+ volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; maar luister, wat du nog
+ hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, rein en zuiver als een diamant; zij
+ behaagt dijnen Gode, en, blijft zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het
+ aanschijn van den Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts &eacute;&eacute;ne
+ dezer twee schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds du
+ kiezen?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;O, ik behielde immer de zieleschoonheid.</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne
+ lichtkroon in den hemel blinken!</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; maar
+ niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende worsteling. Beproeven
+ wij de ziel op den steen der wereldlijke liefde.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h2>IV</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den
+ goeden God zelven,&mdash;het lichaam alleen den mensche.... (<i>Er komen twee
+ tortelduiven op een wilgetak zitten</i>.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en
+ vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo
+ teeder als du dijnen broeder bemins.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL, <i>tot de duivinne</i>.&mdash;Tot wanneer, o wreede, zals du
+ ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du
+ blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?</p>
+
+ <p>DE DUIVINNE.&mdash;Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een
+ onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder
+ te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en
+ beschermer.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het
+ koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur
+ verteert mijn ingewand. (<i>De duiven vliegen weg</i>.)</p>
+
+ <p>H*</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder
+ zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij
+ die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;&mdash;hij wilde ook mijn
+ broeder niet meer zijn,&mdash;en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat
+ ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>tot den duivel</i>.&mdash;Mislukt is dijn aanslag op het
+ spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in
+ haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der
+ maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet
+ verloren is. Du zals gaan zien! (<i>Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van
+ eenen jongeling aan</i>.)</p>
+
+ <p>HET MEISJE; <i>zij ziet eenen jongeling naderen</i>.&mdash;Wie komt daar? O,
+ hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk,
+ goede Lodewijk!</p>
+
+ <p>DE DUIVEL, <i>in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat</i>.&mdash;Rosa,
+ hebs du wel &eacute;&eacute;nmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken,
+ noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.&mdash;Maar du Lodewijk, hebs
+ du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Waarom toch?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier
+ vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als
+ een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne
+ smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid
+ verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne
+ tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd;
+ niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede
+ gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des
+ nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O,
+ engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (<i>Hij vat hare handen
+ driftig in de zijne</i>.)</p>
+
+ <p>HET MEISJE, <i>verschrikt</i>.&mdash;Los, los! dijne handen branden als vuur,
+ dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds
+ den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van
+ pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets
+ ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (<i>Hij knielt voor
+ haar</i>.)</p>
+
+ <p>HET MEISJE, <i>medelijdend</i>.&mdash;Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten
+ verlichten, ik deed het gaarne.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du
+ niemand boven mij bemins.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Het zij zoo, bemin dijne moeder.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Ik heb eenen broeder.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn,
+ dat du niets anders boven mij bemins.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;En zoo ik het zegge, Lodewijk?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne
+ liefde!</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou
+ ik hem niet troosten?</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel
+ ik den dood in mijnen boezem zinken.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te
+ vergrammen.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen
+ dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter
+ aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>haastig</i>.&mdash;Rosa, beslis over dijn lot; daar
+ v&oacute;&oacute;r u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te
+ sterven.&mdash;In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij
+ zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor
+ dijne zaligheid heeft vergoten....</p>
+
+ <p>De DUIVEL.&mdash;O medelijden, medelijden met mij!</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!</p>
+
+ <p>DE ENGEL, <i>met wanhoop</i>.&mdash;Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie
+ mijne vlietende tranen! D&aacute;&aacute;r, daar is de dood.... Haastig, spreek
+ dijn vonnis of dijne verzaliging.&mdash;Behoors du den jongeling en der wereld, of
+ dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. Wien, wien zals du
+ behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen jongeling? Spreek!</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Ja, Rosa, spreek.</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne
+ liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Eilaas, zij valt.</p>
+
+ <p>DE DUIVEL.&mdash;Zege, zege, mij de ziele!</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne
+ liefde en mijne ziele eeuwig aan God!</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in den
+ hooge!</p>
+
+ <p>DE DUIVEL, <i>in zijne echte gedaante</i>.&mdash;Doemenis, doemenis, zij heeft
+ overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... Gevloekt, du
+ engel des lichts! (<i>Hij vliegt heen in de ruimte</i>.)</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h2>V</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>(<i>De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en staat
+ op</i>.)</p>
+
+ <p>DE ENGEL.&mdash;Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn
+ hoofdeken in mijnen arm.</p>
+
+ <p>HET MEISJE, <i>zij ontwaakt als uit eenen droom</i>.&mdash;Broeder, broeder!</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Wat verlangs du, Rosa?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor dij,
+ en eenen voor moeder.</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?</p>
+
+ <p>HET MEISJE.&mdash;Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in zijnen
+ arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het hemelkoor zingt mij
+ tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.</p>
+
+ <p>DE ZUSTER.&mdash;Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en kom du
+ insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden zult gekomen zijn,
+ zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. Vaarwel, daar slaat de engel
+ zijne vlerken uit,&mdash;ik stijg op met hem langs de baan des lichts!</p>
+
+ <p>DE BROEDER.&mdash;Dood!</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="DE_NIEUWE_NIOBE" name='DE_NIEUWE_NIOBE'></a>
+
+ <h2>DE NIEUWE NIOBE</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>VERHAAL</h3>
+ Wat onder Godes hand niet buygen<br />
+ wil, dat breekt.&nbsp; &nbsp; <i>J. CATS.</i><br />
+
+
+ <p>Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen eene rijke
+ weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend schoon van aangezicht en
+ van leden was en niet beroofd van dien spelenden geest, dien de Franschen
+ <i>esprit</i> noemen, had zij zich, volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien
+ als uitsluitend geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche
+ vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de ernstige gedachten,
+ de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van een zoet en droomig leven: ook was
+ zij ongevoelig geworden voor alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid
+ behoorde. Een ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo
+ niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, zag zij niet
+ met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste uit den boezem eener vrouw
+ vervliegt.... Maar een kleed, dat niet naar haren zin gemaakt was, het breken eener
+ nietswaardige Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame,
+ en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat zij somwijlen
+ er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar overkomen ware.</p>
+
+ <p>Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer prachtige
+ woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood damast en hield de oogen
+ weifelend gevestigd op de bladen van een boek, dat met de schildering van het
+ Parijsche leven niet veel goede zedelessen bevatte. Las zij er in?&mdash;Misschien
+ wel; doch wie haar zag en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar
+ belette de oogen gansch te openen.&mdash;Alles in die plaats gaf getuigenis van den
+ rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de schouwplaat en de
+ venstertafelen waren overladen met die brooze voorwerpen, welker gebruik voor
+ eigenaars en aanschouwers een raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds
+ alleen in prijs verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf
+ der weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar het werd
+ hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene flauwe, roosachtige
+ tint te hervormen, en aan alles eene wellustige en verleidende verf te geven.</p>
+
+ <p>Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes
+ allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste gerucht te durven
+ maken, op het grondtapijt bezig waren met in een groot boek beeldekens te zoeken.
+ Zij durfden niet spreken en drukten elkander hunne blijdschap of verwondering met
+ teekens en gebaren uit; want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder
+ hen oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het oudste dier
+ lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het jongste slechts zijn derde jaar
+ bereikte. Zij waren drie broederkens en drie zusterkens, en schenen elkander vurig
+ te beminnen; want een zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten,
+ en hunne handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal zulke
+ tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen zinnebeeldigerwijze een
+ zuiver en nog onnoozel vermaak voorstellen.... Ja, het was wel zoo:&mdash;die fijne
+ kinderwezens, dit helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,&mdash;die
+ blonde haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet
+ gezengd,&mdash;die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of overdaad nog
+ niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare frischheid, zoo groen en zoo
+ lief als de eerste kruiden, de eerste bloemen der Lente!</p>
+
+ <p>En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer vermaak op
+ hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche verdorvenheid? Neen, zij
+ bezag hen niet. En toch was haar hart niet gansch ledig van moederliefde; maar het
+ was vervuld met de liefde tot de wereld.</p>
+
+ <p>Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, zonder zich
+ verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur geklopt, en een knecht trad, na
+ gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich en sprak:</p>
+
+ <p>"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal aangeboden,
+ om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb ze altijd
+ afgewezen;&mdash;zij schijnt eene gemeene burgerin."</p>
+
+ <p>"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben <i>onzichtbaar</i>
+ voor zulke lieden. Maar indien Eug&egrave;ne De Valenge komt, laat hem binnen, en
+ betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge Franschman, die mij gisteren van
+ het <i>concert</i> naar huis geleidde?"</p>
+
+ <p>De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:</p>
+
+ <p>"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even sprak, in de
+ voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart breken zou, en schijnt van
+ uwe goedheid iets te willen afsmeeken."</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of driemaal met
+ ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:</p>
+
+ <p>"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is haar
+ naam?"</p>
+
+ <p>"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam van
+ Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."</p>
+
+ <p>Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of eene roode
+ kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het aangezicht van mevrouw
+ Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger vooruit en antwoordde met gramschap:</p>
+
+ <p>"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat ik niet te
+ huis ben. Ga!"</p>
+
+ <p>Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, of men
+ hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,&mdash;een gerucht als van eene
+ worsteling. De deur der zaal vloog open.&mdash;Eene nog jonge vrouw sprong er
+ binnen en viel op hare knie&euml;n voor de voeten van mevrouw Van Valburg. Deze was
+ rood van toorn of van schaamte, misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij
+ hief het hoofd met trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de
+ handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare kinderen de zaal
+ uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:</p>
+
+ <p>"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt gij?"</p>
+
+ <p>De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van mevrouw Van
+ Valburg, en zuchtte weenend:</p>
+
+ <p>"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en totterdood toe
+ bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp op hare knie&euml;n
+ afbidt...."</p>
+
+ <p>De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden van haar weg;
+ dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde zij met eene gemaakte
+ koelheid:</p>
+
+ <p>"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij iets van
+ mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw doel te komen; en mits
+ ik wel zie, dat ik het verhaal uwer geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en
+ maak het zoo kort mogelijk."</p>
+
+ <p>Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der jonge vrouw,
+ dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene geheime oorzaak dwong haar
+ ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: want zij bewoog hare armen met pijnlijk
+ ongeduld, en hare gebaren schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het
+ verkroppen!" Zij stond op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:</p>
+
+ <p>"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit bezoek te
+ brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons vereenigen, in u veeleer
+ eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. Maar heb nu toch eens medelijden met
+ ons,&mdash;o, red ons van schande en armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos
+ zijn.... en ik zal uwen naam zegenen als dien van eenen engel!"</p>
+
+ <p>Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en deed ze
+ twee-of driemaal klinken.</p>
+
+ <p>"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, "men spanne
+ mijn rijtuig in. Spoedig!"</p>
+
+ <p>En zich tot de weenende vrouw wendende:</p>
+
+ <p>"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet hebben zal om u
+ aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"</p>
+
+ <p>Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij weerhield
+ zich en sprak met haastige woorden:</p>
+
+ <p>"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, nooit uwe
+ hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met weinig tevreden; doch de
+ hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot is zijne bediening reeds sedert twee
+ jaren kwijt geraakt, en wij hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en
+ hoop geleefd. V&oacute;&oacute;r maanden hebben wij eenigen handel willen drijven
+ en daartoe eene goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons
+ bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis om den
+ vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het gasthuis, mijn huisraad
+ wordt Vrijdag door de Wet verkocht, overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd.
+ Ik heb geld noch spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer
+ gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor mijn ander
+ kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met mij, binnen twee dagen, de
+ straat voor woning en voor bedstede hebben zal. O, mevrouw! zult gij in deze
+ omstandigheid vergeten, dat uwe kinderen en mijne kinderen niet van een geheel
+ verschillend bloed zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene
+ andere moeder ongetroost laten weggaan?"</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van maagschap
+ durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.</p>
+
+ <p>"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.</p>
+
+ <p>"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de goedheid ons
+ eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld verlos ik mijnen man uit
+ de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het gasthuis en betaal de huur mijner
+ woning.... Denk, wat zegeningen wij over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken
+ diepen kolk van ellende en schaamte zult hebben gered."</p>
+
+ <p>Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van Valburg haar
+ zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:</p>
+
+ <p>"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw man zoo
+ lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen toestand zijn. Hoop dus niet,
+ dat ik mijn geld besteden zal om de luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken;
+ zie, dat gij u zelve uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien
+ gij denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt gij niet
+ gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? D&aacute;&aacute;r is de deur!"</p>
+
+ <p>De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te storten.
+ Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, ging verstikken; doch
+ op eens brak zij in woede los, en zich voor mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak
+ zij met opgeheven hoofd:</p>
+
+ <p>"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe dienstknechten te
+ doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond den laster op haar ongeluk werpen
+ en ze ter deure doen uitjagen als eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis
+ vergeten? Weet gij niet meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den
+ rijkdom, dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel,
+ hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij slechts de
+ inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht heb dan gij, aangezien gij
+ het nooit erven kunt, maar ik wel?"</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was neergevallen, richtte
+ zich haastig op en riep met bevende stem:</p>
+
+ <p>"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"</p>
+
+ <p>"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van mijnen oom
+ mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?&mdash;En hebt gij, door uwen
+ valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij mijn erfdeel te ontrooven? Ja,
+ ja: want gedurende de laatste dagen v&oacute;&oacute;r den dood mijns ooms hebt gij
+ en mijn broeder zijne woning in bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij
+ niet zien wilde, en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat
+ kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, edele dame, om
+ mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, en mij van alles, wat zijne
+ liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet het, want ik heb mijnen broeder op zijn
+ sterfbed vergiffenis en verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak....
+ Gij alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en dit laat
+ zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."</p>
+
+ <p>Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde zich
+ gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende bedreigingen:</p>
+
+ <p>"Wat gestolen?&mdash;Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, dolle
+ schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de straat werpen. Gij zult
+ hier zonder schaamte mijne woning door uwe lasterlijke beschuldigingen komen
+ onteeren! Gaat gij?... of deze bel zal u welhaast, met of tegen dank, doen
+ verhuizen."</p>
+
+ <p>"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, dien gij
+ mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. En denk niet, dat ik
+ door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat gij aan mijne ootmoedige bede hebt
+ geweigerd; neen, gij moogt vrij het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou
+ mijne hand niet willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe
+ ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit genoegen, dat ik mij
+ zelve grooter en beter acht dan eene onedele dame, die het zich geene misdaad
+ gerekend heeft een gansch huisgezin, door laag bedrog, in ellende te
+ dompelen...."</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen harer
+ beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking harer oogen gaf hare
+ beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de bel niet klinken uit vrees van
+ grootere schande, en luisterde op hetgeen de jonge vrouw zeide:</p>
+
+ <p>"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne erfgoederen, die
+ nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij en mijne kinderen vervallen,
+ indien de uwe eerder deze wereld verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den
+ Heere zoo beliefde, uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."</p>
+
+ <p>Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach en schenen
+ haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak met klaardere stem:</p>
+
+ <p>"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de hersens;&mdash;en nu
+ ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. Hoopt gij dan in uwe dwaasheid,
+ dat uwe twee magere zonen langer zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde
+ kinderen? Gij zijt niet bij uw verstand...."</p>
+
+ <p>"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, kent mijne
+ wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke zonde achten zou, den dood
+ van een uwer lieve en onnoozele kinderen te verlangen. O, neen! de hemel beware u
+ een talrijk kroost!&mdash;Maar gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode
+ onmogelijk zijn zou, zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij
+ dan alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... Bemint gij ze
+ dan niet?&mdash;Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo dikwijls met tranend oog op
+ mijne twee kranke wichtjes gestaard; want ik vrees voor den geesel des hemels, de
+ plaag, die zich als een onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte
+ was in mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare beschuldigingen
+ had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:</p>
+
+ <p>"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor u een
+ gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne kinderen zijn niet
+ gereed om te sterven, geloof het vrij."</p>
+
+ <p>"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, zuster! laster
+ God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke huisgezinnen, waarvan de
+ namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"</p>
+
+ <p>De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van Valburg;
+ zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:</p>
+
+ <p>"Welke plaag? Welke plaag?"</p>
+
+ <p>"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel in uwe
+ liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe armen gesloten hebben,
+ om ze, indien het mogelijk ware, van den schrikkelijken cholera-morbus te
+ bevrijden...."</p>
+
+ <p>Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van Valburg, en zij
+ gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik daarna, zich beschaamd
+ gevoelende over eene aandoening, welke hare tegenstreefster voor zwakheid kon
+ aanzien, herstelde zij zich. Dan naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak
+ zij:</p>
+
+ <p>"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze
+ lamentati&euml;n moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet wilt,
+ dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te spreken, want de deur
+ blijft voor u gesloten."</p>
+
+ <p>"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. "Vaarwel!"</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook daartoe
+ deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren geest bannen; de woorden
+ der jonge vrouw klonken &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n terug in hare
+ ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige overweging. Zij belde eene
+ tweede maal; want de knecht, dien zij geroepen had, verscheen niet. Eindelijk,
+ vertoonde hij zich bij den ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn
+ gelaat zoo bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van Valburg,
+ hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:</p>
+
+ <p>"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"</p>
+
+ <p>"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, wat ongeluk
+ ons nadert."</p>
+
+ <p>"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.</p>
+
+ <p>"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer Tesseniers; zijn
+ zoon Victor is reeds dood,&mdash;en dezen morgen zeide hij mij nog goeden dag!"</p>
+
+ <p>Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van mevrouw Van
+ Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te vervullen. Zij sloeg hare
+ beide handen aan het hoofd en riep:</p>
+
+ <p>"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! Doe de meid
+ en de kamerdienaars hier komen!"</p>
+
+ <p>"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe kinderen zijn in
+ den hof en schijnen gezond;&mdash;ik zal ze gaan halen. Maar wat uwe dienstboden
+ betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid hen door haar gekerm zoo verschrikt
+ heeft, dat het onnoodig zou zijn er &eacute;&eacute;nen te zoeken: zij hebben allen
+ uw huis verlaten en zijn gevlucht."</p>
+
+ <p>Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van mevrouw Van
+ Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke hulp ontbloot zag; nochtans
+ ondersteunde haar de hoop, dat hare kinderen niet door de plaag zouden geraakt
+ worden, en zij putte daaruit nog eenigen moed.</p>
+
+ <p>De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij door hunne
+ moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne liefkoozingen de droefheid
+ van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, dat haar oudste zoon de laatste tot haar
+ gekomen was en zich niet zoo vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen
+ dan met eene nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag
+ zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke bleekheid over zijn
+ gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar beven.</p>
+
+ <p>"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.</p>
+
+ <p>"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie altemaal
+ lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in mijn lijf."</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare kracht op den
+ knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.</p>
+
+ <p>"O, Pieter," huilde zij, "Eug&egrave;ne heeft de cholera. Gauw, loop om dokters
+ en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die gij vindt; en vergeet
+ mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u
+ buiten adem,&mdash;ik zal uwe moeite niet onbeloond laten!"</p>
+
+ <p>De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar hare
+ kinderen....</p>
+
+ <p>Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare borst
+ opsteeg! D&aacute;&aacute;r lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich rekkende,
+ alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner voetjes wrongen zich
+ krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn hoofd en gaven hem het voorkomen van
+ een levend lijk.</p>
+
+ <p>Ho!&mdash;hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, bij
+ haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen besproeide,&mdash;hoe zij
+ haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en geweld deed, om een deel harer ziel
+ in zijn lijdend lichaam over te zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van
+ wanhoop zij opstond en met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood,
+ die het vervolgde, wilde ontvluchten;&mdash;en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij
+ het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou gewis de helft
+ van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene zoo zieldoodende smart te
+ redden. Maar de liefde eener moeder is geen onfeilbaar schild tegen den
+ dood.&mdash;Het kind werd koud op de borst dergene, die bevend hare handen over
+ zijne kromgespannen leden dreef; zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de
+ huid versmolten ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water
+ waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde en werd dor!
+ Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand beroofd; want tusschen al zijne
+ pijnen had het de liefde zijner moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep
+ het met eene stem, die klonk als bevend glas:</p>
+
+ <p>"Drinken, drinken! ik heb dorst!"</p>
+
+ <p>De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het met het
+ eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde zij met altijd groeiend
+ verdriet in de zaal terug.</p>
+
+ <p>In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet
+ gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich
+ aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar
+ vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar
+ iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij
+ eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar
+ roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en
+ sprak knielend....</p>
+
+ <p>"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."</p>
+
+ <p>Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm
+ om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend,
+ tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid
+ hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.</p>
+
+ <p>Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding
+ geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de
+ komst van den bode des doods;&mdash;doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog
+ het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen.</p>
+
+ <p>"Rampzaligen!" zuchtte hij.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/illustratie59.png' width='400'
+ alt='Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.'
+ title='Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.' /><br />
+ <i>Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.</i>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <p>Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van den
+ grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de knie&euml;n, hief
+ de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:</p>
+
+ <p>"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods wil,
+ red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,&mdash;ik kus het stof uwer voeten als
+ eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"</p>
+
+ <p>De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne ontroering
+ bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een teeken van liefde wilde
+ geven, maar hij was door hevig medelijden buiten zich zelven. Hij bleef een
+ oogenblik stilzwijgend in hare oogen staren, doch herriep weldra zijnen
+ moed,&mdash;en tot de lijdende kinderen gaande, sprak hij:</p>
+
+ <p>"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik hier al
+ mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien niet zoo erg, als
+ gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar niet altijd doodelijk; en
+ hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook schrikkelijk zij, blijft mij
+ niettemin nog eenige hoop over."</p>
+
+ <p>De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. De heer
+ Schippers hernam:</p>
+
+ <p>"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een vertrek,
+ dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, die maatregel is
+ noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid over; zij kan een
+ schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."</p>
+
+ <p>Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan zijne
+ meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, liep zij nog eens
+ naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens huilend en riep met verpletterd
+ wee:</p>
+
+ <p>"Eug&egrave;ne! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit meer
+ zien...."</p>
+
+ <p>Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de knecht ontving
+ haar in zijne armen en bracht ze met hare vier kinderen in eene afgelegene kamer.
+ Hier viel zij als zonder gevoel in eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de
+ borst hangen, en verroede zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen
+ eens te tasten, of hare kinderen nog omtrent haar waren.</p>
+
+ <p>De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch na eenige
+ oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, waar mevrouw Van
+ Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent zijne meesteresse en nam het
+ oudste meisje, dat reeds teekens van ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging
+ op de punten zijner voeten als een dief, en deed alle moeite, om niet door de
+ moeder gemerkt te worden;&mdash;maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen
+ met eenen grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem
+ het kind uit de armen.</p>
+
+ <p>"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne Clotilde,
+ gij, mijn allerliefste telg,&mdash;gij, die den naam uwer moeder draagt ... gij
+ zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des doods!"</p>
+
+ <p>Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden van het
+ kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel gezonken waren.</p>
+
+ <p>"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe moeder nog
+ eens, mijn arm kind;&mdash;gij ook verlaat mij, gij, mijn evenbeeld! Het zij dan
+ zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste schat.... Vaarwel, vaarwel!"</p>
+
+ <p>En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en deerlijk
+ huilend vallen liet.&mdash;Na eenigen tijd met starende oogen, misschien in zwijm
+ daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in haar, en het was merkbaar, dat
+ schokkende gedachten beurtelings in haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij
+ zich op de knie&euml;n, met de handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den
+ hemel toezond, was onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid,
+ zonde lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen hooren. Zij
+ geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en stortte bloedtranen over
+ haren ganschen levensloop. Dit gebed, die biecht tot God, duurde lang; dan
+ eindelijk stond zij op met niet min hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en
+ riep met luider stemme den knecht, die onmiddellijk verscheen.</p>
+
+ <p>"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eug&egrave;ne, met Virginia, met
+ Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."</p>
+
+ <p>De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.</p>
+
+ <p>"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. God wil
+ het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen almachtigen wil te
+ onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne genade, Zijne barmhartigheid
+ winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, de beproeving is nog niet
+ gedaan.&mdash;Pieter, mijn vriend, ik verzoek u, dat gij u spoedig naar mijnen
+ zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat hij heden nog den wissel betale van mijnheer
+ Soeteveld, die gevangen zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken.
+ Draag ze tot vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen
+ was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. Verhaal haar
+ mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu ken ik ze!"</p>
+
+ <p>De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk
+ verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze beurtelings met
+ gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat bemerkende, begon zij hen te
+ zoenen en te streelen met eene uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried;
+ want men zou gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in
+ haar hart vervangen had.&mdash;Maar die blijdschap moest van korten duur zijn.
+ Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op hare
+ overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds bezig met zijnen
+ gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling viel de jonge Frederik als een
+ looden beeld achterover op den grond, en spartelde met ijselijke grimmingen en
+ met eene ratelende ademing; zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al
+ zijne leden kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.</p>
+
+ <p>U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware
+ onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw zonder sterven
+ die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, indien men niet wist, dat kort
+ opeenvolgende schokken de veerkracht van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw
+ Van Valburg zag gedurende eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen
+ en met de nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen
+ steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk opsprong, en
+ het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de geneesheeren zich
+ bevonden.</p>
+
+ <p>Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met haar kind
+ op het tapijt.&mdash;Arme moeder! Zij had met een vluchtigen blik haren
+ Eug&egrave;ne en hare Virginia gelijkt zien liggen.</p>
+
+ <p>Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en in den
+ stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer handen en was met
+ teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te roepen. Mevrouw Van Valburg zond
+ hare oogen dwalend rond het vertrek, en scheen hare herinneringen bijeen te
+ rapen; hare twee kinderen bij zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met
+ altijd groeiende kracht:</p>
+
+ <p>"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens u. Uwe
+ woorden zijn als eene voorzegging geweest;&mdash;gij ziet het, ik ben rampzalig
+ en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in alles, wat mij dierbaar is.
+ Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen op de wereld zal laten; misschien zal
+ Hij in zijne goedheid mij het leven van een mijner kinderen schenken; maar
+ daartoe heb ik uwe vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen!
+ Zeg mij, vergeeft gij mijne misdaden?"</p>
+
+ <p>De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:</p>
+
+ <p>"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang vergund.
+ Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en bemin de kinderen
+ mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u niet verlaten,
+ v&oacute;&oacute;rdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij zullen te zamen
+ weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne barmhartigheid over ons
+ laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog moeder zijn, en u verblijden in den
+ lach dergenen, voor wier leven gij vreest."</p>
+
+ <p>"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, hoe
+ bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en onderbreek mij
+ niet.&mdash;Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. Het is waar, ik heb u
+ de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, ik was eene wulpsche, hoovaardige
+ en wreede vrouw.... De opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk
+ scheurt den sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest
+ ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam van zuster
+ gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van God en den troost van
+ het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot mijne verzoening met Hem, die mij
+ straft. Hoor, ik kan u het ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden
+ mijner kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het
+ onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van hunnen
+ godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van heden af, de helft
+ mijner inkomsten u toebehoort...."</p>
+
+ <p>"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.</p>
+
+ <p>"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, dat ik mij
+ onrechtvaardig heb toege&euml;igend, niet meer aanraken zal! En ik bid u,
+ Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart door uwe verwerping
+ verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knie&euml;n uwe toestemming afsmeek, is
+ het, omdat ik zwak en tot lamheid toe afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het!
+ Gij antwoordt niet?&mdash;Het kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te
+ aanvaarden? Welnu, ik vraag u geen woord,&mdash;slechts eenen kus van verzoening
+ en vergiffenis,&mdash;en dat de Heer ons zie!"</p>
+
+ <p>De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven lang in
+ dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er in die
+ verzoening!</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <p>Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de Schoenmarkt:
+ eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; de andere scheen jonger en
+ min droef. Een klein jongsken stapte tusschen beiden en hield van elk eene hand.
+ De hoofdkerk ingegaan zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de
+ kapel van het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de voetbank
+ voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen en sprak
+ weemoedig:</p>
+
+ <p>"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en zusterkens,
+ en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten heeft."</p>
+
+ <p>Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene godvruchtige
+ houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:</p>
+
+ <p>"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="WEETLUST_EN_GELOOF" name='WEETLUST_EN_GELOOF'></a>
+
+ <h2>WEETLUST EN GELOOF</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>ZINNEBEELD</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.</p>
+
+ <p>De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; het
+ geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,&mdash;en alles bracht sombere
+ gedachten in mijn hart op.</p>
+
+ <p>Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, vertraagden de
+ jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.</p>
+
+ <p>Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber nadenken
+ verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.</p>
+
+ <p>Het levend raadselwoord stond v&oacute;&oacute;r mij!</p>
+
+ <p>Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam eens
+ booms, door den storm ontworteld.</p>
+
+ <p>De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude tranen
+ rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon schoot hare schuinsche
+ stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij bracht zijne beenige en magere hand aan
+ zijn ooglid, en, terwijl het smartwater op zijne wang droogde, wees hij met
+ zijnen vochtigen vinger vooruit en sprak:</p>
+
+ <p>"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het geboomte,
+ zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.</p>
+
+ <p>Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij
+ verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.</p>
+
+ <p>En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk
+ <i>grondbeginsel</i> gezocht.</p>
+
+ <p>Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was zwaar om
+ te dragen.</p>
+
+ <p>Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner
+ genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het troostend geloof
+ en het steunend betrouwen in mijnen boezem.</p>
+
+ <p>Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de dienst
+ Gods zelf.</p>
+
+ <p>De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;&mdash;mijne
+ wenkbrauwen zonken over mijne oogen;&mdash;twee breede rimpels verwisselden
+ elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende gepeinzen werden mijn
+ aandeel.</p>
+
+ <p>Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des Zomers of de
+ vruchten van den Herfst gezien te bebben."</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <p>Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:</p>
+
+ <p>"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien de aarde
+ uw hoofd tot zich trekt.</p>
+
+ <p>Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere tijden
+ troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u niet verkwikken en
+ ondersteunen,&mdash;dat gij weenend ten grave zinkt?"</p>
+
+ <p>"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent des
+ menschens leven niet!"</p>
+
+ <p>Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op mijne
+ wangen,&mdash;en alles lachte mij toe in de gulle natuur.</p>
+
+ <p>Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.</p>
+
+ <p>En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde ik.&mdash;Ik
+ kon bidden en danken.</p>
+
+ <p>Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,&mdash;als het schitterend
+ dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend verheft en
+ uitdooft&mdash;om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te schijnen.</p>
+
+ <p>Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om het
+ lijden te kunnen vergeten.</p>
+
+ <p>En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.</p>
+
+ <p>Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met de
+ zielen der menschen geschapen was.</p>
+
+ <p>Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.</p>
+
+ <p>Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,&mdash;en ik riep
+ mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig liefde in 's
+ menschen hart is.</p>
+
+ <p>Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.</p>
+
+ <p>Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.</p>
+
+ <p>Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte water op
+ mijne wangen.</p>
+
+ <p>En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.</p>
+
+ <p>Ho!&mdash;op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,&mdash;mijn boezem
+ klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...</p>
+
+ <p>Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;</p>
+
+ <p>En het gapend graf ontving zijn lichaam,&mdash;en de koude aarde bedekte den
+ eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....</p>
+
+ <p>En het was voor eeuwig!</p>
+
+ <p>Dan zocht ik het geluk in de min.</p>
+
+ <p>Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,&mdash;en het arbeidszweet
+ vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.</p>
+
+ <p>Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.</p>
+
+ <p>En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.</p>
+
+ <p>Aan God dacht ik niet!</p>
+
+ <p>Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de wereld.&mdash;De
+ zeise des doods liep over de aarde;</p>
+
+ <p>En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden
+ geslagen.</p>
+
+ <p>Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen boezem
+ den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knie&euml;n zien liggen en
+ sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.</p>
+
+ <p>Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds tweemaal
+ op zijne lippen was geweest,</p>
+
+ <p>Dan bad ik den Heer om genade;</p>
+
+ <p>Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;&mdash;want eene afgrijselijke
+ stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den geest, die hem
+ bezielde, uit het zwakke lichaam.</p>
+
+ <p>Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne
+ zinneloosheid.</p>
+
+ <p>De dooden hooren niet!...</p>
+
+ <p>Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in mijne longen.
+ Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!</p>
+
+ <p>Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem geledigd....</p>
+
+ <p>En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.</p>
+
+ <p>Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.</p>
+
+ <p>En ik bleef alleen in de wereld.</p>
+
+ <p>Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de hoeveelheid
+ mijner pijnen en mijner vreugden.</p>
+
+ <p>En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking met de
+ droefheidsstonden&mdash;waren als 1 tot 1000!</p>
+
+ <p>Ik riep spijtig en lasterend tot God:</p>
+
+ <p>Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch hebt
+ gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, opdat rust en
+ vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...</p>
+
+ <p>En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart werd
+ koud:</p>
+
+ <p>Geloof ontging mij gansch,&mdash;weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.</p>
+
+ <p>En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de lippen
+ houden;</p>
+
+ <p>En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <p>De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.</p>
+
+ <p>Zijn schedel helde zwaar voorover,&mdash;hij wandelde moeilijk en ging gebogen
+ onder het gewicht zijner droeve heugenis.</p>
+
+ <p>Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber aandenken.</p>
+
+ <p>Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk mij te
+ gemoet treden.</p>
+
+ <p>Doch ik had nog betrouwen in God.</p>
+
+ <p>Mijn oog ging smeekend ten hemel.</p>
+
+ <p>En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking weg.</p>
+
+ <p>Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking vroeg
+ mijne ziel.</p>
+
+ <p>Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.</p>
+
+ <p>En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het beenderhuisje.</p>
+
+ <p>D&aacute;&aacute;r ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik
+ viel met angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.</p>
+
+ <p>Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,&mdash;want eene
+ magere en beenige hand raakte de mijne.</p>
+
+ <p>En de grijsaard stond weder nevens mij.</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <p>"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel raakte,
+ "ziet gij daar dit hoofd?&mdash;Dit was mijn vader!..."</p>
+
+ <p>En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne stem.</p>
+
+ <p>En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.</p>
+
+ <p>Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen kleineren schedel
+ en sprak:</p>
+
+ <p>"Ziet gij daar?&mdash;Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was
+ hij,&mdash;en hij stierf toch.</p>
+
+ <p>Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.&mdash;Dit mijn vriend!...</p>
+
+ <p>Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk en mijne
+ zaligheid!</p>
+
+ <p>Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het leven
+ over.</p>
+
+ <p>Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.</p>
+
+ <p>En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel ook wit
+ maken en bederven...."</p>
+
+ <p>Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen lastigen
+ droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn antwoord. Eene vrouw
+ met bleeke wangen sloop zachtjes als eene schaduw voorbij.</p>
+
+ <p>Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en zoo
+ beminnelijk als de hoop zelve.</p>
+
+ <p>Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.</p>
+
+ <p>Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen op de
+ aarde.</p>
+
+ <p>De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:</p>
+
+ <p>"O, kind, verstaat gij het leven nu?&mdash;Begrijpt gij nu dit raadselwoord
+ van alles&mdash;<i>vernietiging</i>?</p>
+
+ <p>"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"</p>
+
+ <p>Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God
+ verlicht:</p>
+
+ <p>"D&aacute;&aacute;r woont het eeuwige raadselwoord van alles,&mdash;van leven,
+ van dood,&mdash;van geluk en rouw!...</p>
+
+ <p>Ik ben ook door God bezocht geworden,&mdash;mij ook is een echtgenoot, een
+ kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik nog troost
+ gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:&mdash;God."</p>
+
+ <p>Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.</p>
+
+ <p>Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en verlicht
+ had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.</p>
+
+ <p>En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.</p>
+
+ <p>Hij antwoordde: <i>Weetlust</i>!</p>
+
+ <p>En de vrouw op deze vraag antwoordde: <i>Geloof</i>!</p>
+
+ <p>Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte kon mij
+ onder dat heilige scherm nog raken.</p>
+
+ <p>Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="HET_BEULSKIND" name='HET_BEULSKIND'></a>
+
+ <h2>HET BEULSKIND</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>VERHAAL</h3>
+ <br />
+
+
+ <h3>I</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Den avond v&oacute;&oacute;r Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te
+ Antwerpen zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand tastbaar;
+ het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de stad en tot op haren
+ grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis niets dan het nedervallen der
+ druppelen water van de daken, die door eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen
+ werden bevochtigd; en soms in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De
+ diepste stilte heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren
+ zich tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond was.</p>
+
+ <p>Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden hebben en
+ den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou bij den muur van dit
+ gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den rug tegen eenen populierboom
+ leunde en, met de oogen wijd open en de armen op de borst gekruist, zich gedroeg,
+ alsof hij in den klaren dag en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde
+ overgegeven. Van tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle
+ woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de sombere
+ uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof gezucht, eene
+ ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke zijn pak nederwerpt. Indien
+ men dan het gelaat van den onbekende hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op
+ hebben aangetroffen, niet dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te
+ kennen geeft, maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste
+ foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen vervult. Hij
+ lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk teeken van blijdschap
+ droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen, en zijne rechterhand wroette met
+ wreeden wellust in het vleesch zijner borst.</p>
+
+ <p>O, ongelukkig,&mdash;duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel de
+ verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds twintig jaar de hel
+ in zijn hart droeg?</p>
+
+ <p>Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren liet,&mdash;dan
+ plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het voorhoofd; neen, zij stiet
+ haar kind van zich weg. Zijn vader gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij
+ bad den Hemel weenend om den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij
+ weende over die vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.</p>
+
+ <p>En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk opgevoed,
+ zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht, bespot, geplaagd, alsof
+ zijn aangezicht eenen boozen duivel verried;&mdash;toch was het zoo zoet en
+ verduldig, dat het nooit eenige teekens van gramschap of van drift tegen zijne
+ vervolgers toonde; alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen
+ zoon vergaderde.</p>
+
+ <p>Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de spieren
+ zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht geschonken. Hij
+ gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar uitstorting des harten, naar
+ achting; maar de haat en de vervolging, waaraan hij gewijd was, hadden hem niet
+ verlaten: hij mocht zich nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster,
+ spotternij en hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene
+ slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als een hond met
+ slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het gebed alleen was hem
+ toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij biddend om troost en verlichting
+ mocht smeeken.</p>
+
+ <p>Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol zielepijn,
+ d&aacute;&aacute;r tegen den populierboom rustte....</p>
+
+ <p>En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel vernuft
+ en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en mannelijk, zijne stem
+ zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik verstaanbaar tot den Hemel,
+ terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:</p>
+
+ <p>"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen heeft, geef
+ mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd brandt! Mijne zinnen
+ verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en vertwijfeling! Laat mij de
+ troostende gedachte uwer goedheid ... en uwer rechtvaardigheid, want doodende
+ twijfel zinkt in mijnen boezem."</p>
+
+ <p>Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar gemor; dan,
+ zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle schreden door de
+ Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide de Houtstraat in. Van dan af
+ vertraagde hij allengskens zijnen gang, en men kon bemerken, dat eene dwingende
+ gedachte hem beheerschte; want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk
+ iemand, die, om beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden
+ wederhoudt.&mdash;Op eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op,
+ een geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:</p>
+
+ <p>"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,&mdash;ik moet drinken!"</p>
+
+ <p>Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef eene korte
+ poos staan voor al de vensters, waaruit het licht straalde; doch telkens
+ vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde stemmen van menschen in de huizen
+ klinken, en dit was hem genoeg om zich met spoed te verwijderen. In de
+ St-Jansstraat hield hij voor eene herberg wat langer stil en luisterde met meer
+ acht aan alle vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op
+ zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:</p>
+
+ <p>"Ha! daar is niemand in,&mdash;ik zal kunnen drinken!"</p>
+
+ <p>De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij dacht, dat
+ niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar hoe vond hij zich
+ bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was met allerlei personen, die met
+ de kan in de hand rondom eene tafel op iets schenen acht te geven.</p>
+
+ <p>Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en was juist
+ bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren kunstgreep te bereiden,
+ toen de onbekende wandelaar voor het venster luisterde. Daar de omstanders op de
+ handen van den speler acht gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te
+ ontdekken, hadden zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen
+ makker nagezien.</p>
+
+ <p>De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen, en deed
+ eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch ziende, dat de
+ hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en vreezende vervolgd te worden,
+ ging hij tot den toog en eischte eene kan bier van de waardinne. Deze bezag den
+ geheimen gast met wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van
+ zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd dieper en
+ ontging dus haar onderzoek.</p>
+
+ <p>Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde bier te
+ halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling gewend, en spraken
+ elkander suizend in het oor; een van hen scheen in gramschap ontstoken en deed
+ door zijne toornige gebaren genoeg zien, dat hij groote begeerte had den
+ onbekende te mishandelen. Deze hield den rug tot hen gekeerd en wachtte
+ beweegloos naar het bier, zoodanig bevende van angst en vrees, dat zijne lenden
+ onder zijnen mantel rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar
+ gewoonte, en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid
+ had opgewekt.</p>
+
+ <p>De jongeling dronk met haast en ledigde in &eacute;&eacute;nen teug de kan tot
+ op de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van twee
+ stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde teruggeven, kwam een
+ der gasten met drift van de andere zijde der kamer toegesprongen, vatte de kan
+ van den toog en smeet het bier, dat ze nog bevatte, in het aangezicht van den
+ bevenden jongeling.</p>
+
+ <p>"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons gezelschap komen
+ drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals en beenen breke? Maar gij
+ zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen aan uw lijf niet wil vuil maken,
+ radbraker!"</p>
+
+ <p>De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige zoon van
+ den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en hij was weinig boven
+ de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk te verstaan, waarom hij zoo van
+ de menschen schrikte, aangezien de haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen
+ hem nu gebeurde, geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een
+ gezelschap van burgeren dorst begeven.</p>
+
+ <p>De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het bier, dat
+ van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen zijnen wreeden vijand te
+ spreken. Deze hield echter niet op van hem alle hoonende scheldwoorden toe te
+ werpen, en riep eindelijk tegen de waardinne:</p>
+
+ <p>"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan verhuizen:
+ wij zullen ons geld hier niet meer verteren.&mdash;Gij zoudt ons misschien morgen
+ wel uit de kan van den beul doen drinken!"</p>
+
+ <p>"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en gramschap,
+ terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken wierp. "Kan ik daar aan
+ doen, dat dit galgekind in eens eerlijken mans huis komt?"</p>
+
+ <p>En zich tot Geeraart keerende:</p>
+
+ <p>"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij nog niet,
+ beulenras?"</p>
+
+ <p>De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij al die
+ bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart opgekomen, en in
+ stede van op het geschreeuw der waardin te vertrekken, hief hij het rijzig hoofd
+ in de hoogte en antwoordde haar met koelheid:</p>
+
+ <p>"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen evenmensch
+ meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen, omdat de wet en de
+ menschen hem er toe dwingen, maar gij allen pijnigt mij zonder nood en zonder dat
+ ik u ooit iets hebbe misdreven. Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij
+ mij als eenen hond behandelt!"</p>
+
+ <p>De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de waardin zich er
+ over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het mogelijk was, dat iemand zoo
+ zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo hard had behandeld. Een traan blonk in haar
+ oog. en den Stooter van den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe,
+ zeggende:</p>
+
+ <p>"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!"</p>
+
+ <p>Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den Stooter
+ van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met afschrik op eene
+ tafel.</p>
+
+ <p>"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!"</p>
+
+ <p>Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik weder
+ achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit bloed waanden voort
+ te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en afgrijzen werd tegen Geeraart
+ uitgegalmd.</p>
+
+ <p>De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had denzelfden Stooter
+ nog dien avond, tijdens het lof, van eene stoelenzetster in de kerk ontvangen. De
+ onrechtvaardigheid zijner vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij
+ zijne koelheid gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek.
+ Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in woede tot bij
+ de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle leeuw tegen zijne
+ vijanden uit:</p>
+
+ <p>"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk geld van
+ eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle andere Stooters? Maar,
+ neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt, dat ik een beulskind
+ ben,&mdash;ja, zoo wilde het God!&mdash;doch gij zijt verachtelijker dan ik, en
+ ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch bij naam, noch bij daad aan zulke
+ bedorvene menschen, als gij zijt, gelijk!"</p>
+
+ <p>Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen van alle
+ kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan &eacute;&eacute;nen
+ vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne macht....</p>
+
+ <p>Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en glazen
+ vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken; de waardin riep om
+ hulp....</p>
+
+ <p>Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden der
+ straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij had ontvangen. Hij
+ schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen hoed, en vervolgde zijnen weg
+ op dezelfde wijs als hij hem had begonnen, zonder nog aan dien twist te denken.
+ Veel schrikkelijker zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen
+ uit.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <div class="center">
+ <img src='images/illustratie87.png' width='400'
+ alt='Hij weerde zich dapper en dwong meer dan &eacute;&eacute;nen vijand tot zwichten.'
+ title='Hij weerde zich dapper en dwong meer dan &eacute;&eacute;nen vijand tot zwichten.' />
+ <br />
+ <i>Hij weerde zich dapper en dwong meer dan &eacute;&eacute;nen vijand tot
+ zwichten.</i>
+ </div>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <p>Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was er ergens
+ eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid op de komst van het
+ beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel haar zeide, dat iets hem moest
+ miskomen. Zij alleen was een engel van troost en lafenis voor den ongelukkigen
+ jongeling, en beminde hem uitermate,&mdash;omdat zij wist, dat hij van iedereen
+ veracht en versmaad was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de
+ verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes wederstaan.
+ Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als</p>
+ een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger noemde,
+ verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de zuiverheid harer liefde
+ gevoelde en dacht, eene aan God aangename drift te voeden. Zij had gelijk, de
+ goede maagd; want geen geld of goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare
+ ongelukkige evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten
+ schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste harer
+ stadgenooten.<br />
+ <br />
+
+
+ <p>Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene kleine
+ kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.&mdash;een goeden jongen,
+ die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te zweet werkte, een halven dag
+ in de kerk ging bidden en anderhalven dag in de herberg met drinken en zingen
+ doorbracht, van waar hij zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf
+ dagen, die hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer
+ timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een goed deel
+ gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder liefhad.</p>
+
+ <p>Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare moeder bij
+ de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid slechts
+ &eacute;&eacute;n licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate
+ geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat verder, aan
+ de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank, waarbij de arbeidzame
+ Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de kamer zelve betreft, die was wel
+ zuiver en met wit zand bestrooid, wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van
+ heiligen versierd, doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden,
+ wonnen niet veel met het dagelijksch werk hunner handen.</p>
+
+ <p>Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit nagelaten
+ zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien uren, en hij was nog
+ niet verschenen. Het meisje wist niet wat te denken, en was zoo mistroostig en
+ zoo verstrooid, dat zij op eene vraag, welke hare moeder haar deed, niet
+ antwoordde.</p>
+
+ <p>"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag niet, dan
+ komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?"</p>
+
+ <p>"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal gebeurd
+ zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo boos op hem"</p>
+
+ <p>"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben altijd in den
+ haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen doodgeslagen en den beul Hansken
+ aan den Kroonenburgtoren verdronken?"</p>
+
+ <p>"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?"</p>
+
+ <p>"Dit weet ik niet,&mdash;niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen
+ zoovele onnoozele menschen ophangen."</p>
+
+ <p>"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom verdrinken
+ ze dan liever den schout niet?"</p>
+
+ <p>"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord, dat zegt,
+ dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste altijd het minst eten
+ krijgt en het meest gebeten wordt."</p>
+
+ <p>"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...."</p>
+
+ <p>Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het waken moede
+ werd en tot hare dochter geeuwend sprak:</p>
+
+ <p>"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!"</p>
+
+ <p>Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts komst nog
+ niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare moeder op te houden.
+ Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover bepeinsd hebbende, waagde zij toch
+ eene kleine leugen.</p>
+
+ <p>"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en dan is
+ mijne kant afgewerkt."</p>
+
+ <p>"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe."</p>
+
+ <p>"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit
+ naaikussen afmaken voor de waardin uit het <i>Paardeken</i>; zij zal het morgen
+ vroeg komen halen."</p>
+
+ <p>"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach, "gij zult
+ gewis op Zondag meer in het <i>Paardeken</i> gedronken hebben, dan uwe beurze kon
+ lijden. Werk dan maar om uwe schuld te betalen.&mdash;Ik ga te bed. Vergeet niet
+ te bidden, eer gij slapen gaat."</p>
+
+ <p>Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het mompelen van
+ een stil <i>goeden nacht</i>.</p>
+
+ <p>Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart aan de deur
+ klopte en door Frans werd binnengelaten.</p>
+
+ <p>Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit verwonderde
+ Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars minnaars zonder de rimpelen van
+ smartelijke gepeinzen gezien had. Met langzamen tred ging de jongeling tot de
+ maagd, vatte stilzwijgend hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne
+ borst. Dit was zijn gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij
+ weinig gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste
+ liefde.</p>
+
+ <p>"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God! er is
+ bloed aan uwen hals...."</p>
+
+ <p>"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk bezeerd.
+ Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam mocht lijden."</p>
+
+ <p>Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de holle toon
+ Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van Geeraarts scherpe
+ blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws vreezen. Met liefderijken kommer
+ reinigde zij zijn hoofd van het weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort
+ was, en vatte ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem
+ moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen gevoelen.</p>
+
+ <p>Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd hebben, dat
+ hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde met zulke kracht op
+ haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel nederzinkende, hem toeriep:</p>
+
+ <p>"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw
+ gezicht...."</p>
+
+ <p>De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra opnieuw
+ beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen doodelijken angst verried en
+ het hart van Lina wreedelijk verscheurde.</p>
+
+ <p>Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen stoel voor
+ haar nederzat, sprak hij:</p>
+
+ <p>"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem hoort gij
+ voor de laatste maal."</p>
+
+ <p>Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij voort:</p>
+
+ <p>"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet begrepen,
+ en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd, trok ons tot malkaar. Dan
+ wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het is de eerstgeborene van eenen beul te
+ zijn; gij wist niet, dat degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer
+ schande beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt worden.
+ Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel wilde in de
+ onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate mijn ongeluk zich voor
+ uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook grooter, omdat gij wist, dat ik die
+ liefde noodig had om niet te sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang
+ gedood hebben, want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van
+ den God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid uwer
+ min.&mdash;De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed, dat gij nog
+ op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen boozen haat; maar dit ware
+ niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene enkele klacht voortbrengen, indien mijn
+ lichaam tusschen twee steenen verpletterd werd,&mdash;maar de pijn,&mdash;de
+ foltering zit d&aacute;&aacute;r!"</p>
+
+ <p>Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus voortging:</p>
+
+ <p>"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid, door
+ iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,&mdash;zonder ooit, ooit, door
+ welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het aangezicht te krijgen.
+ O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit meer is dan ik kan dragen, en dat
+ mijn hart droog wordt bij die pletterende overtuiging?"</p>
+
+ <p>"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe pijnen
+ niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat mijn oog zich met
+ het bitter water der smart bevochtige?..."</p>
+
+ <p>Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te hooren, doch
+ vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken:</p>
+
+ <p>"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij van het
+ beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in eene andere stad
+ zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina, wij hebben gedroomd. Het
+ noodlottig uur is gekomen,&mdash;morgen, ja reeds morgen zult gij uwen
+ ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de vuist op het schavot zien. Daarom
+ is de hand, die den doodslag geven moet, koud als ijs.&mdash;Daar, voel!"</p>
+
+ <p>En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin.</p>
+
+ <p>"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft mij
+ bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!"</p>
+
+ <p>Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan, hielden
+ hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met blikken, die nog
+ strakker dan de zijne waren, vroeg zij:</p>
+
+ <p>"Welnu, wat eischt gij dan?"</p>
+
+ <p>"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de verachting
+ overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!"</p>
+
+ <p>"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel ook droog
+ geworden zijn?"</p>
+
+ <p>"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van u
+ vragen;&mdash;gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping der andere
+ menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van eenen beul met uwe
+ liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats te bevrijden; door u alleen heb
+ ik het geluk gesmaakt, dat mij anders onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene
+ martelaresse voor mij opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij
+ tot hiertoe verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer
+ een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij denken, dat
+ ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden zal, dat men u
+ verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?&mdash;Gelooft gij mij onedel genoeg om
+ u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na morgen nog met mijne handen, aan
+ te raken? met handen, die in menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat
+ gij ten minste mij nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij
+ weet, dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!"</p>
+
+ <p>Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het meisje
+ bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder twijfel uit een gevoel
+ van blijdschap voortsproot, want hare oogen blonken met een helder vuur, en een
+ zoete glimlach bewoog hare lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit
+ oogenblik vervoerde, te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar
+ hart, en gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich
+ brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis:</p>
+
+ <p>"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat edel
+ gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke liefde toedraag, of
+ dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe, morgen nog en voor eeuwig. Ik
+ zal u beminnen, beul of niet,&mdash;hier of op het schavot. Geeraart, ik begrijp
+ mijnen plicht: eens word ik uwe vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal
+ over uw leven den balsem der genegenheid altijd doen vloeien."</p>
+
+ <p>"Nooit,&mdash;nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik
+ misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen vloek. Zou ik
+ met u mij in den poel van schande en verachting trekken? O, neen."</p>
+
+ <p>"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw lot, en gij
+ zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden. Gelooft gij, dat ik u wil
+ laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op
+ dezen stond! Ho, ik zal met betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel
+ in mijnen geest, dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal
+ beloonen."</p>
+
+ <p>Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag met
+ verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn opofferde en
+ zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten prooi geven. Ditmaal schetste
+ een waar geluk zich op zijn gelaat, en een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij
+ hief de oogen ten hemel en riep:</p>
+
+ <p>"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij eenen
+ uwer engelen geschonken."</p>
+
+ <p>Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar voorhoofd
+ het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der trotschheid zien
+ blinken.</p>
+
+ <p>Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak gesleten
+ hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht op zijne zuster en
+ Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen afgemaakt was, begon het waken hem
+ schrikkelijk te vervelen. Met zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:</p>
+
+ <p>"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest aan
+ Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."</p>
+
+ <p>Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde hij echter
+ den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam zijnen hoed, en zich
+ bereidende om uit te gaan, zeide hij:</p>
+
+ <p>"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."</p>
+
+ <p>"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want zoo gij
+ misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar dan zal ik u
+ bijstaan."</p>
+
+ <p>De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de deur om
+ het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij wierp zich om
+ zijnen hals en sprak de volgende woorden op nadrukvollen toon:</p>
+
+ <p>"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan wel!"</p>
+
+ <p>En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van haren
+ minnaar in de straat galmen en vergaan.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h3>II</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee gelieven
+ verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel niet meer herhaald,
+ willende haar meer pijnen sparen; desniettemin scheen dit vaarwel aan den jongen
+ beul onwederroepelijk, want hij had het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het
+ zuiver en edelmoedig meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.</p>
+
+ <p>Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van de
+ Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het nog bemerkte,
+ bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren dag, door hare bloedroode
+ verf, het huis van den scherprechter aanduidde.</p>
+
+ <p>Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:</p>
+
+ <p>"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"</p>
+
+ <p>"Ja, hij gaat daareven weg.&mdash;Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen, dat
+ hij u wacht."</p>
+
+ <p>Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke vader op een
+ bed lag uitgestrekt.</p>
+
+ <p>De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende kwaal
+ zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn hoofd had
+ teruggetrokken.</p>
+
+ <p>Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets dan de
+ beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan de ziel al hare
+ krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het lichaam vergaat, het
+ denkvermogen sterker wordt. Z&oacute;&oacute; was het ook met den ouden beul:
+ ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo vrij als van een gezond
+ mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij naar hem zijne blinkende oogen,
+ doch sprak niet.</p>
+
+ <p>Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het hoofdeinde van
+ het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om de magere hand van zijn
+ vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij met bevende en dorre stem:</p>
+
+ <p>"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn
+ vonnis?&mdash;Zal ik beul zijn?"</p>
+
+ <p>"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle pogingen
+ uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats neme.&mdash;Geld noch gebeden
+ kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn, mijn ongelukkige zoon."</p>
+
+ <p>De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die
+ bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis liep over zijn
+ gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met struiptrekkende kracht. Die
+ beweging was slechts oogenblikkelijk; hij verviel welhaast in zijne gewone
+ droefgeestigheid en zuchtte:</p>
+
+ <p>"Het is dus morgen, morgen, vader,&mdash;dat de laatste hoop op geluk mij moet
+ ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij terugspatten. Nu
+ begint voor mij die schandelijke levensloop..... Betaalde moordenaar!
+ Moordenaar!"</p>
+
+ <p>"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u tot een
+ leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult afslaan, zal als een
+ steen op uw hart terugvallen, en wanneer er steenen genoeg op uw hart zullen
+ liggen, dan zult gij sterven gelijk ik nu sterf..... Maar er is hierboven een
+ Rechter, die het lijden vergoedt."</p>
+
+ <p>Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders toe,
+ zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:</p>
+
+ <p>"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle dagen
+ geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen onnoozele of eenen
+ misdadige? En nochtans, indien zij zien konden, wat er op dit oogenblik in mijn
+ hart omgaat, zij zouden mij niet haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in
+ bloedvergieten; en wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens
+ slachtoffers, bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen
+ kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul genoeg is en dat
+ het medelijden hem verzwakt."</p>
+
+ <p>"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch nooit heb
+ ik ze begrepen."</p>
+
+ <p>"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke verzameling van
+ menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al de wreedheid, al de haat,
+ die in de harten verborgen ligt, zich moge uitstorten&mdash;en dan wordt die
+ lijder door de maatschappij met schande overladen, opdat men hem zonder berouw
+ moge mishandelen en verachten; want het is door meer boosheid, dat de mensch
+ zijne onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen enkel
+ onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij de gedachte van
+ menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat ik morgen waarlijk een
+ verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal mij zelven verachten.&mdash;En geene
+ hoop meer! Het moet zoo zijn."</p>
+
+ <p>"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende, "neem dit
+ boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op de openliggende
+ bladzijde."</p>
+
+ <p>Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij wierp het
+ boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep: "Vervloekt zij de
+ onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne geboorte tot bloedvergieten en tot
+ schande veroordeeld heeft! O, maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne
+ wieg geroepen: die vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen
+ beul; men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en
+ laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene slang, welker
+ gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij, terwijl men dit vonnis over
+ mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader,
+ gelooven zij dan, dat ik zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo
+ onder het slijk der schande begraven te worden?"</p>
+
+ <p>"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader zuchtend. "Ik
+ versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds zoolang aangekleefd; maar
+ gedenk, dat de beul in eene gemeente volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het
+ lot, u door den Heer bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter
+ leven vinden."</p>
+
+ <p>"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die u ten
+ grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede gij het hoofd van
+ uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij de schrikkelijkheid van mijn
+ lot niet; gij hebt den moed gehad om het uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader,
+ ik gevoel mij zoo sterk niet. En toch, sterven is sterven: indien de dood ons
+ morgen te gelijk treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den
+ rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel
+ terugvinden."</p>
+
+ <p>De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in het hart
+ van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit zijne woorden. Willende
+ hem dan aandrijven om zich tot de rust te begeven, zeide hij:</p>
+
+ <p>"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog
+ &eacute;&eacute;nen raad geven.&mdash;Wanneer gij morgen op het schavot klimt,
+ bezie dan toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige
+ nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven. Beeld u in,
+ dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt, en neem de maat van uwen
+ slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer niet in eens doodt, zullen duizende
+ stemmen zich tegen u verheffen;&mdash;en ik zou u wellicht niet levend wederzien.
+ Ik zal God terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het
+ noodlottig werk te volbrengen.&mdash;Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over u."</p>
+
+ <p>Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou hij nog
+ lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne vader eenen traan zich
+ uit het oog veegde, en besloot zijne smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij
+ meende te zeggen: "O, ik zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield
+ hij zich uit liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof
+ hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:</p>
+
+ <p>"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"</p>
+
+ <p>In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel zitten en
+ legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik naar de zijde van zijn
+ bed, en zonder dit of iets anders te bezien, bleef hij met beweeglooze oogleden
+ zitten.</p>
+
+ <p>Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam verlichten,
+ vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke oogen op een bloot mes
+ gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed rollen, alsof hij zich in het
+ herblikkeren van het glimmend staal hadde verlustigd.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h3>III</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met een
+ koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier en daar door een
+ gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der zuivere lucht werkte krachtig op
+ de gemoederen der burgers van Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende
+ personen, die de rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en
+ aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en eene menigte
+ kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich boven de stad verspreid
+ hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur, haren schoot ontsluitende, hun het
+ leven had teruggeschonken.</p>
+
+ <p>Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om de
+ Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen de prachtige
+ vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het ALLERHEILIGSTE hen
+ genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de steenen der markt en knielden
+ vol eerbied neder. Terwijl al het blikkerend goud der kazuifelen en stolen de
+ oogen der aanschouwers deed schemeren, kwam een statig gezang van zware
+ mannestemmen de ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de
+ menigte geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne
+ verbeelding tot den woon van God op te klimmen.</p>
+
+ <p>Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden: eerst de
+ broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge en oude Voetboog, en
+ de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk gewaad en met blinkende
+ wapenen.&mdash;Dezen ook voorbij zijnde, kwam er eensklaps eene onstuimige
+ beweging onder het volk; iedereen deed geweld om zich grooter te maken en het
+ hoofd boven de anderen te kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en
+ een algemeene schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te
+ kennen:</p>
+
+ <p>De omgang!&mdash;Daar is de omgang!</p>
+
+ <p>En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water, dreef
+ langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den rug van het
+ zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een teeken zijner machtige
+ hand de twee waterbronnen, welke de walvisch wel dertig voet hoog uit zijne
+ neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe
+ de burgers lachend en gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen
+ walvisch te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed heenkomen,
+ hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende, stuurde dan den natten
+ straal tot hen en stortte emmers water over hunne hoofden. Men geloove niet, dat
+ zij daarom bedroefd waren; neen, zij juichten heviger en gaven geene acht op de
+ schade hunner kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun
+ baarde.</p>
+
+ <p>Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en oogen
+ verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der hoogste huizen blikt.
+ Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van Neptunus, Europa op den stier, de
+ Parnassusberg met de Zanggodinnen, de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant,
+ het Koopvaardijschip, en meer andere schoone zinnebeelden.</p>
+
+ <p>Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun
+ handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel om vrienden
+ of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en mits de omgang zeer lang
+ was, klommen er vreugdekreten op uit alle bijzondere straten der stad. Onder den
+ invloed van het zoete lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid
+ genegen, hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun
+ aangezicht blonk.</p>
+
+ <p>Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig hield en
+ van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar onbekend ware, was er
+ ergens een mensch, wiens leven steeds vol bitterheid geweest was, en die nu,
+ eilaas, in den poel der smart zoo diep verzonken lag, dat hij den grond er van
+ gevoelde.</p>
+
+ <p>De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend met de
+ armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch, wiens spieren hunne
+ veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die jongeling met de schoone zwarte
+ haren, die aan zijn bleek gelaat zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij
+ zoo oud geworden als zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken
+ in verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,&mdash;schrikkelijk
+ teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld geworden: zijne
+ haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des gemoeds was zijn zenuwstel
+ dermate gevoelig geworden, dat het minste gerucht hem deed beven; en telkens dat
+ de klok van St.-Jacobs &eacute;&eacute;n uur meer uitriep, liep koud zweet hem
+ van het aangezicht, en zijne witte haren rezen te berge op zijn hoofd.</p>
+
+ <p>Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende Geeraert voor
+ de zesde of zevende maal kwam treffen.</p>
+
+ <p>"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen angst mede,
+ misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven. Gij zit daar reeds zoo
+ lang zonder spreken."</p>
+
+ <p>Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte ze
+ bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit stilzwijgen
+ hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:</p>
+
+ <p>"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande scheidt. Nog
+ vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt schepsel zijn;&mdash;mijne
+ handen zal ik in het bloed van mijnen evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke
+ zekerheid! Dan is de weg des levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is
+ geen terugkeeren meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der
+ schande en der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,&mdash;eene vrouw, o,
+ Lina, Lina!&mdash;indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten, dat ik
+ hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed is besmet
+ geweest!&mdash;Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik gevoel; mijne zinnen
+ zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij moogt daarbij mijne pijnen
+ afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand naar een mes uitgestrekt om mij te
+ dooden&mdash;doch het scheen mij, dat uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik
+ dacht dan aan de droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb
+ geweend totdat het mes mij ontvallen is."</p>
+
+ <p>Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van den
+ ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en het was zichtbaar
+ aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig vooruitzicht hem bedroefde.
+ Met smeekende stem riep hij uit:</p>
+
+ <p>"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij lijden moet
+ bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen gewissen dood
+ aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn lichaam door eene razende
+ menigte aan stukken getrokken worden, en gij, mijn vader, zult mijne verstrooide
+ ledematen op het Galgeveld niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en
+ scheuren, en mijn lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij,
+ wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen behelzen?"</p>
+
+ <p>"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die den ouden
+ vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.&mdash;Wat ijselijk geheim vond
+ hij in het hart zijns zoons!</p>
+
+ <p>Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen zoon tot
+ zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en omhelsde hem onder
+ eenen tranenvloed.</p>
+
+ <p>"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt behagen in
+ deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als een vrijwillig
+ slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte ten beste geven ... en ik,
+ die oud en krank ben, ik zal alleen op de wereld blijven? Gij zoudt mij aan de
+ smart overlaten? Gij hebt gewis niet aan de wreede ondankbaarheid van uw
+ voornemen gedacht, Geeraart?</p>
+
+ <p>De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was verwonderlijk: hij
+ beefde als een beschuldigde, wien men te recht eene grove en schandige misdaad
+ aantijgt. Ziende, hoever de streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van
+ het gevoel zijns plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en
+ droefheid zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet,
+ schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De gedachte,
+ dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht toegelachen, en nu moest hij, uit
+ liefde tot zijnen vader, alle pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig
+ viel, te behouden. Hij sprak:</p>
+
+ <p>"Vader, o, vergeef mij,&mdash;ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven.
+ Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de schande,
+ welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan tegen den haat en de
+ verfoei&iuml;ng! Nu vrees ik niets meer; bereid om den slag met onverschilligheid
+ te geven, zal ik mijne hand in het bloed mijner broederen doopen, zonder dat een
+ gevoel van afgrijzen in mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween
+ niet meer, mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."</p>
+
+ <p>Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat de
+ afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat mannelijke moed hem
+ de macht gegeven had om dien schrik te overwinnen; maar het was zoo niet.
+ Geeraart bedroog zich zelven en zijnen vader, en zijne woorden waren slechts
+ voortgesproten uit de innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich
+ gedwongen zag te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even
+ onmogelijk uit te voeren waren: &ograve;f zich den dood ten prooi te geven en
+ zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, &ograve;f wel beul te zijn
+ met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus ontstaan, was genoeg
+ zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde sterker dan hij ooit gedaan had, en
+ toen hij zeide: ween niet meer, vader! borsten overvloedige tranen uit zijne
+ eigene oogen, en hij kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te
+ vallen.</p>
+
+ <p>In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te troosten, doch
+ vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder reden, dat zijn zoon geenen
+ moed genoeg hebben zou; en Geeraart schrikte van een leven als hetgeen hem
+ voorbereid was, indien hij die eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+
+ <h3>IV</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper Herman moest
+ gerecht worden;&mdash;men had het tot dit uur uitgesteld, uit hoofde der
+ volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.</p>
+
+ <p>Langen tijd v&oacute;&oacute;r het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke
+ hoopen volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede vertooning
+ bij te wonen.&mdash;Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan het beloofd
+ gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot afrolt, terwijl vergoten
+ bloed den grond met dampend rood komt verven. Wat boos vermaak! Wat booze
+ nieuwsgierigheid, die zich in het vernietigen van den mensch verlustigt!</p>
+
+ <p>De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering trillen:
+ zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid en medelijden voor
+ den veroordeelde.&mdash;Waarom? Om hunne hatelijke natuur voor zich zelven en
+ voor anderen te verbergen; want zij gevoelen ook de wreedheid, die in hunne
+ schandelijke nieuwsgierigheid verborgen ligt.</p>
+
+ <p>Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand en
+ ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude grijsaard, die
+ anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was, had zijne laatste krachten
+ verspild, om nog eens zijne stijve leden tot onder het schavot te dragen, en het
+ bloedig schouwspel eener onthoofding bij te wonen.&mdash;Het was een grievend
+ vertoog te zien, hoe schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl
+ galgen, mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde
+ lichamen pronkten.</p>
+
+ <p>Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina; het hart
+ klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij daar geweend hebben
+ niettegenstaande degenen, die haar omringden; maar zij was gekomen om Geeraart
+ aan te moedigen, en zij gevoelde, hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon
+ bereiken. Haar broeder Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met
+ eenen breeden hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle
+ burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van Geeraart
+ uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had onwederroepelijk
+ gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die eenen steen naar den jongen beul
+ werpen zou, indien dit moest gebeuren.</p>
+
+ <p>Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden, waren de
+ beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te maken, en men wachtte
+ niet lang meer; want op dit oogenblik drong de beulskar door het volk en werd
+ door een algemeen geruisch aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart
+ lijnwaad gekleed, zat met eenen priester achter in het ruim van den wagen;
+ Geeraart met het groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den
+ voortrein.</p>
+
+ <p>Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet mogelijk,
+ vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken nederwaarts gevestigd
+ en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het zwaard hem niet had doen herkennen,
+ zou men niet hebben kunnen zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de
+ veroordeelde was. Wat men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door
+ schaamte en droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest.
+ Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar, dat hem een
+ al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden, anders hadde de menigte hem
+ reeds bij zijne komst bespot en met scheldwoorden bejegend.</p>
+
+ <p>De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en was
+ zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets bescheiden, voor zijne
+ oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag Lina ook niet, alhoewel deze hem door
+ haren broeder meermalen teekens deed doen.</p>
+
+ <p>De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot leiden;
+ doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel gesproken had en dat hij nu
+ eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren, daar hij wel zag, dat er geen uitkomen
+ meer aan was. Misschien vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande
+ duisternis, die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre
+ achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk, vreezende, dat
+ de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen zou onttrekken, begon
+ overluid om de uitvoering van het vonnis te roepen. Dan bracht men den
+ veroordeelde met geweld op het schavot, en men deed hem vooraan op de knie&euml;n
+ zitten; de knecht van den scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer
+ en toonde dien met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen
+ wilde:&mdash;Meester, daar moet gij slaan!</p>
+
+ <p>Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest, schoot
+ Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te trillen, dat het
+ schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de vuist; echter werd dit voor
+ alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken tot de uitvoering van het vonnis nog
+ niet gegeven was. De knecht raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen
+ meester, die het stuiptrekkend in de vuist wrong.</p>
+
+ <p>De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch Geeraart
+ hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de knecht, terwijl er
+ reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk liep:</p>
+
+ <p>"Gauw! Meester, gauw!"</p>
+
+ <p>Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende, hief
+ Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een waar voornemen
+ om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de ongelukkige, waar hij zich bevond,
+ wat hij deed, of wat hij dacht; gansch verloren van schaamte en schrik, was hij
+ in razernij ontstoken en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het
+ schavot gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd om,
+ en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken schreeuw. Dan
+ verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten moed, en hij liet het zwaard
+ op het lichaam van Herman vallen, doch zonder kracht en zelfs zonder hem te
+ wonden.</p>
+
+ <p>De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn gansch
+ zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong plotseling recht, en
+ zijne armen tot het volk reikende, riep hij om hulp, schreeuwende, dat men hem
+ moedwillig martelde.</p>
+
+ <p>Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het medelijden
+ gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de gewelddaden, die zij wilde
+ plegen.</p>
+
+ <p>"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men hoorde.
+ Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet menigvuldig, want steenen
+ waren er weinig op het Galgeveld te vinden.</p>
+
+ <p>De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen over
+ elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil sterven, riep hij met
+ krachtige stem:</p>
+
+ <p>"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"</p>
+
+ <p>Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers vluchtten
+ langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer op dan het schuim der
+ stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met ongemeen geweld naar het schavot
+ toedrong en den beul er wilde afhalen, ondanks den tegenstand der
+ gerechtsdienaars. Het was een geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag;
+ eene zee, welke hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt
+ denkbeeld van verwarring en woede.</p>
+
+ <p>Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren vergaderd, met
+ inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den veroordeelde vast te houden,
+ die nu met geweld poogde uit de handen te geraken. Op dit oogenblik klom een
+ geheime persoon zeer langzaam op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde,
+ suisde hij hem de volgende woorden in het oor:</p>
+
+ <p>"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog eens
+ komt spreken; zij staat daar beneden;&mdash;volg mij!"</p>
+
+ <p>En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om Geeraart de
+ plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene liefdegedachte en
+ besloot zijne goede minnares ten minste een laatst vaarwel te zeggen, eer hij nu
+ sterven ging; hij liep van het schavot tot bij Lina, die daar dicht nevens stond
+ te weenen. Frans, de geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen
+ mantel op de schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van
+ Lina aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:</p>
+
+ <p>"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter de tweede
+ mik!"</p>
+
+ <p>Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich liet
+ leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij langs den
+ tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk een geschreeuw en
+ gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat hij den beul onder handen had,
+ onstuimiglijk naar die zijde kwam gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en
+ Geeraart. Met een listig inzicht deed Frans niet dan roepen:</p>
+
+ <p>"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam moeten wij
+ hebben."</p>
+
+ <p>En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de duisternis, die nu
+ reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd had, lieten Lina toe haren
+ minnaar uit het gedrang te leiden, zonder dat men hem herkende; want de mantel en
+ de hoed van Frans bedekten genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee
+ gelieven het aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw
+ ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen, en men
+ wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de gerechtsdienaren mishandelde,
+ om hen te doen zeggen, waar de scherprechter zich bevond, was er een man die de
+ daad van Frans bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp:
+ hij had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man verdwenen was,
+ en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul moest zijn.</p>
+
+ <p>Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door de wegen
+ van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een weinig verder, achter
+ een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en toorn, kwam hij op de bevende
+ gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel afrukkende, zag hij het beulsgewaad.
+ Zonder meer scheldwoorden te uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte
+ en gaf den ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij
+ gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede verder nog
+ op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar Lina, die nu eerst van hare
+ verslagenheid was teruggekomen, wierp zich vooruit naar hem, en hare twee armen
+ om zijn lichaam slaande, weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De
+ wanhoop en de wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet
+ behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne lenden, dat zij
+ hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die eene machtige prooi in hare
+ kronkels wil verworgen. Het gezicht van het lichaam haars minnaars, dat daar voor
+ levenloos voor haar lag, had haar tot die ongemeene razernij vervoerd.
+ Begrijpende, dat het beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te
+ hebben, schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen
+ toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden van het
+ Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul zocht, het geschreeuw
+ van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders ware Lina gewis in korten tijd
+ van een aantal andere vijanden omringd geweest. Op het oogenblik, dat zij hare
+ laatste krachten in eene geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet
+ langer tegenstand kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het
+ kreupelbosch uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend
+ was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord van hetgeen
+ er omging.</p>
+
+ <p>Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem bemerkt
+ had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de schouders van den onbekende
+ leggende, rukte hij hem achterover op den grond.</p>
+
+ <p>"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar het
+ Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch; indien hij nog
+ leeft, is hij voor altijd gered en verlost.&mdash;Spoed u!"</p>
+
+ <p>Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met zooveel
+ snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast te grijpen en
+ weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans niet te midden van het volk
+ geraakt, of hij begon overluid te roepen, altijd zijn slachtoffer
+ voortsleepende:</p>
+
+ <p>"Zege, zege, hier is de beul!"</p>
+
+ <p>"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de schreeuw van
+ dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen liepen achter Frans om de
+ slachting te mogen bijwonen. Wanneer de broeder van Lina zich van genoeg razend
+ volk omringd zag, wierp hij den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden
+ onder hen, hun toeroepende:</p>
+
+ <p>"Daar is de beul!"</p>
+
+ <p>"Slaat dood! slaat dood!"</p>
+
+ <p>En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van messen,
+ van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den huilenden man, die in de
+ duisternis voor den echten beul aangezien werd; te meer daar de woorden van
+ verschooning, welke hij uitgalmde, van niemand gehoord werden, maar in het
+ algemeen geraas versmolten.&mdash;Hij leefde geen vierendeel uurs later; de
+ kleederen werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig
+ gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke gedaante behield,
+ en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.</p>
+
+ <p>Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na eenigen
+ tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam van haren minnaar
+ geknield nederzat en den Heer om genade voor hem smeekte; hij, Geeraarts
+ gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond, dat zijn hart nog klopte en dat
+ slechts eene bedwelming hem van gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep
+ hij naar eene gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het
+ aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich zelven
+ kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de zoen van zijne lieve
+ Lina, die nu schier van blijdschap verging en zelfs geene woorden zou gevonden
+ hebben om haar gevoel uit te drukken, al ware het spreken haar niet door haren
+ broeder verboden geworden.</p>
+
+ <p>Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij
+ geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar Geeraart zich in
+ het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen hield. Toen de klokken het
+ gevreesde middernacht aankondigden, ging hij, van Frans vergezeld, naar de woning
+ zijns vaders en trad onverwachts in zijne kamer.</p>
+
+ <p>De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons betreurde, gaf
+ geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken droom, eene begoocheling van
+ zijnen geest aanzag; maar wanneer de driftige omhelzingen van Geeraart hem
+ overtuigd hadden, en dat deze hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing
+ had verklaard, scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken;
+ zijne leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte; zijne
+ oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min beweegloos en met eene
+ ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende,
+ richtte hij zich met geweld op en riep:</p>
+
+ <p>"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van martelie
+ zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle schande. De vloek, die
+ over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood ... gij zijt dood, mijn zoon!"</p>
+
+ <p>"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid uit.</p>
+
+ <p>"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de vader,
+ "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;&mdash;de hemel
+ verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene geborene beulen
+ zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als ik over u geweend heb. De
+ schatten onzer vaderen behoeden u voor altijd tegen armoede; gebruik ze wel en
+ leef gelukkig...."</p>
+
+ <p>Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien eene al
+ te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield zich vastgeklemd aan
+ het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht slechts onderbrokene
+ dankzeggingen voort; want hij kon, in dit oogenblik van verrukking en blijdschap,
+ moeilijk woorden vinden om zijn gevoel uit te drukken.</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <p>Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder eenen
+ anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina, die hij even
+ teeder bleef beminnen.&mdash;En wanneer hij, ook oud zijnde, op het doodbed
+ eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en deugdzame kinderen de legerstede
+ van hunnen vader.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="DE_GEEST" name='DE_GEEST'></a>
+
+ <h2>DE GEEST</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>ZEDENSCHETS</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen. Elke straat
+ heeft er hare <i>sage</i> of <i>legende</i>, doch het is uiterst moeilijk tot de
+ kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit hoofde dat zij meest geweten
+ en verteld worden onder de allerlaagste volksklasse, en zelfs niet tot den
+ geringsten burgerstand opklimmen. Het is met dit vak der nationale overleveringen
+ toegegaan als met vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel
+ bewaard.</p>
+
+ <p>Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor,
+zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen
+erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog
+onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener
+asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans
+verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af
+te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon.
+ De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt hadden, en bij
+ dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of smeden arbeidden. Gewis,
+ hunne wijze van verhalen was niet van de fraaiste, doch een van hen vertelde met
+ eenen zekeren zwier, met eene losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en
+ kluchtig karakter gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene
+ proef van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.</p>
+
+ <p>Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen keldermond of val
+ gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen; de eerste, die sprak, was:</p>
+
+ <p>KOBE.&mdash;Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'<a
+ id="FNanchor_2_2" name='FNanchor_2_2'></a><a
+ href='#Footnote_2_2'><sup>[2]</sup></a> poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge
+ w'et wel, <i>Snoef</i><a id="FNanchor_3_3" name='FNanchor_3_3'></a><a
+ href='#Footnote_3_3'><sup>[3]</sup></a> die trouwtd op 't leste met de keunigin
+ van Teurrekij&euml;<a id="FNanchor_4_4" name='FNanchor_4_4'></a><a
+ href='#Footnote_4_4'><sup>[4]</sup></a>.</p>
+
+ <p>BALTE.&mdash;Die kan ekik.</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;Is d&acirc; die va Hanefroeike?</p>
+
+ <p>Sus.&mdash;Och n&eacute;&euml;, we't het nie meer? Daar komtd'en<a
+ id="FNanchor_5_5" name='FNanchor_5_5'></a><a
+ href='#Footnote_5_5'><sup>[5]</sup></a> betooverd kornijn in, d&acirc; di&euml;n
+ brief op di&euml;n tore' draegt, aen de Princers van Am&eacute;reka. Kunde gij
+ het nie, Balte?</p>
+
+ <p>BALTE.&mdash;Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen, ik
+ kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw<a id="FNanchor_6_6"
+ name='FNanchor_6_6'></a><a href='#Footnote_6_6'><sup>[6]</sup></a> lampen veur
+ nief, ik kan den Betooverden hond, en d&acirc; van 't Steen, en Visserke visserke
+ vangt me nie<a id="FNanchor_7_7" name='FNanchor_7_7'></a><a
+ href='#Footnote_7_7'><sup>[7]</sup></a>, en, och eer, ik kan er wel honderd
+ ander, as<a id="FNanchor_8_8" name='FNanchor_8_8'></a><a
+ href='#Footnote_8_8'><sup>[8]</sup></a> ik ze maar wilde vertellen.</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (<i>Zij trekken, wie eerst
+ zal beginnen</i>.)</p>
+
+ <p>KOBE.&mdash;Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de'
+ kelder onder de Vierschaer.</p>
+
+ <p>Sus.&mdash;N&eacute;&euml;, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel
+ of van tooverhekse' of van spooke'<a id="FNanchor_9_9" name='FNanchor_9_9'></a><a
+ href='#Footnote_9_9'><sup>[9]</sup></a>.</p>
+
+ <p>BALTE.&mdash;Ah wel, 'k zal eulie<a id="FNanchor_10_10"
+ name='FNanchor_10_10'></a><a href='#Footnote_10_10'><sup>[10]</sup></a> 'e
+ waerachtig vertelsel vertellen, d&acirc; gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje
+ verder a's de Kornijnepijp, in 't Fransch gezeed<a id="FNanchor_11_11"
+ name='FNanchor_11_11'></a><a href='#Footnote_11_11'><sup>[11]</sup></a> <i>la
+ pipe de lapin</i>.</p>
+
+ <p>KOBE.&mdash;Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.</p>
+
+ <p>BALTE.&mdash;Zie, d&acirc; gauwke! Lapin is 'en kat, <i>pertang</i>!<a
+ id="FNanchor_12_12" name='FNanchor_12_12'></a><a
+ href='#Footnote_12_12'><sup>[12]</sup></a> Neen, <i>poes</i> is 'en kat in 't
+ Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' di&euml;n ouwe' Franschman uit de
+ Mannekestraet: <i>voleur de poes, de kattendief</i>! D&acirc; wilt tege' mij
+ Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie op de Chantji&euml;
+ gewerkt? Heeft eulie vader <i>gardechou</i> geweest, he? Onder den tijd van de
+ Marriene'?<a id="FNanchor_13_13" name='FNanchor_13_13'></a><a
+ href='#Footnote_13_13'><sup>[13]</sup></a> Zwijgt n&acirc;, zulle<a
+ id="FNanchor_14_14" name='FNanchor_14_14'></a><a
+ href='#Footnote_14_14'><sup>[14]</sup></a>, want ik begin op e' nief<a
+ id="FNanchor_15_15" name='FNanchor_15_15'></a><a
+ href='#Footnote_15_15'><sup>[15]</sup></a>. N&acirc;-w-in die straet daer stond
+ eens 'en huis m&ecirc; vier <i>steugi&euml;</i> zonder de zolder, zoo groot en
+ zoo schoon a's het paleis van 'ne keunink<a id="FNanchor_16_16"
+ name='FNanchor_16_16'></a><a href='#Footnote_16_16'><sup>[16]</sup></a>.</p>
+
+ <p>Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en het bleef
+ jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.</p>
+
+ <p>Sus.&mdash;Ah! ah! da zal schoon zijn!</p>
+
+ <p>BALTE, <i>gestoord</i>.&mdash;Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van
+ twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder tot boven
+ afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest tege'slag van den
+ <i>eene'</i> achter de straetpoort staen en begost<a id="FNanchor_17_17"
+ name='FNanchor_17_17'></a><a href='#Footnote_17_17'><sup>[17]</sup></a> zoo
+ jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen <i>compassie</i> m&ecirc;
+ kreeg.</p>
+
+ <p>KOBE, <i>met bange stem</i>.&mdash;Zijt de gij d&acirc;, Sus, die daer 'ne
+ zucht gelaten hebt?</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;E&ecirc;! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel w&acirc;
+ kieken!</p>
+
+ <p>BALTE.&mdash;A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de
+ keldermond.</p>
+
+ <p>&mdash;Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de geest
+ niet d&eacute;<a id="FNanchor_18_18" name='FNanchor_18_18'></a><a
+ href='#Footnote_18_18'><sup>[18]</sup></a> as roepen: verlost mijn' ziel! verlost
+ mijn' ziel!</p>
+
+ <p>Daer wierd dan g&eacute;z&eacute;ed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het
+ de ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat di&euml;n
+ uit gierighad<a id="FNanchor_19_19" name='FNanchor_19_19'></a><a
+ href='#Footnote_19_19'><sup>[19]</sup></a> ene groote schat had verbeurge. En ge
+ we't wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat hij dan
+ zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld gevonde' weurd<a
+ id="FNanchor_20_20" name='FNanchor_20_20'></a><a
+ href='#Footnote_20_20'><sup>[20]</sup></a>.</p>
+
+ <p>A's d&acirc; n&acirc;<a id="FNanchor_21_21" name='FNanchor_21_21'></a><a
+ href='#Footnote_21_21'><sup>[21]</sup></a> zoo al heel lank geduerd had, dan kwam
+ er eens 'ene' keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.</p>
+
+ <p>Di&euml; soldaet heette sterke Jan, en dien had gez&eacute;ed in 'en herberg,
+ dat hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze plesier,
+'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's ze hem
+ honderd gulden op veurhand wilde' geven.</p>
+
+ <p>Den huisbaes die z&eacute; tege' Jan: Is d&acirc; waer? Derfde gij in datd
+ huis slapen!</p>
+
+ <p>Ja, z&eacute; Jan zoo, want ik geef w&acirc; schoon de knoppen, z&eacute; hem,
+ van alle spooken en d&ucirc;vels. D&acirc; God bewaert, is wel bewaerd!</p>
+
+ <p>Ah wel, z&eacute; den huisbaes, geef me d'hand daer op, z&eacute; hem<a
+ id="FNanchor_22_22" name='FNanchor_22_22'></a><a
+ href='#Footnote_22_22'><sup>[22]</sup></a>; 't is gedaen. W&acirc; moet ik u
+ geven, vroeg hem.</p>
+
+ <p>Hoort, z&eacute; Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in
+ klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol spijs en 'en
+ go&ecirc;i pan om mijn koeken in te bakke'.</p>
+
+ <p>D&acirc; zulde gij hebbe', z&eacute; den huisbaes,&mdash;en a's hem d&acirc;
+ gegeven had, trok Jan tege' den aved<a id="FNanchor_23_23"
+ name='FNanchor_23_23'></a><a href='#Footnote_23_23'><sup>[23]</sup></a> m&ecirc;
+ zijn' <i>provisie</i> in het huis.</p>
+
+ <p>A's het n&acirc; vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne' koekpot
+ m&ecirc; spijs in 'en kamer op d'eerste <i>steugie</i>, daer nog 'en tafel stond
+ m&ecirc; twee stoele'.</p>
+
+ <p>Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en hij
+ zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.</p>
+
+ <p>Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een voor een
+ den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in zijne' kraeg gelak
+ 'enen' ouwe Zwitser;&mdash;maer hij was toch nie' van zijne' center<a
+ id="FNanchor_24_24" name='FNanchor_24_24'></a><a
+ href='#Footnote_24_24'><sup>[24]</sup></a> en hij wist heel goed wat hem
+ z&eacute; of d&eacute;.</p>
+
+ <p>D&acirc; was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost zijnen
+ beer te danse'<a id="FNanchor_25_25" name='FNanchor_25_25'></a><a
+ href='#Footnote_25_25'><sup>[25]</sup></a>. Hij zette dan zijn pan op 't vier en
+ hij lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.&mdash;Dan aen het kissen dat 'e'
+ pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't
+ <i>Landswelvaren</i>:&mdash;zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.</p>
+
+ <p>Ah wel, d&acirc; was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant schoon
+ bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om te draaije'.</p>
+
+ <p>Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet uit de
+ schouw&mdash;en <i>pardoef</i> in zijn' pan, en de koek in d'asse!</p>
+
+ <p>Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en daer nie'
+ verwense? Bruin en zoo lakker! Daer l&eacute; nou mene zieltjeskoek<a
+ id="FNanchor_26_26" name='FNanchor_26_26'></a><a
+ href='#Footnote_26_26'><sup>[26]</sup></a>. Maer wa wil ik er aen doen?
+ ze&eacute;t hem in zijn eige; 't is n&acirc; toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve
+ pollepel spijs in de pan doen, op go&ecirc; val hetd uit.</p>
+
+ <p>N&acirc;, hij doet d&acirc;, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger
+ zoudt van gekregen hebben al was 't d&acirc; g'in geen drij dage' geten
+ hadde.</p>
+
+ <p>Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op, dat uit de
+ schouw gevalle' was.</p>
+
+ <p>Raed n&acirc; toch eens wat datd het was?&mdash;Het was en doodsbeen uit 'enen
+ arm!</p>
+
+ <p>Jan die schiet in 'ene' lach en hij z&eacute;, zoo al lachende: Ja, denke' ze
+ mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel geleverd m&ecirc;
+ hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot<a id="FNanchor_27_27"
+ name='FNanchor_27_27'></a><a href='#Footnote_27_27'><sup>[27]</sup></a> deur de
+ schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; m&ecirc; hun' flauwzen!</p>
+
+ <p>Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, ze&eacute;t hem
+ zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze mannen! 'k Zal de'
+ koek liever half rauw binne' spele'.... En hij steekt zijn hand uit om de koek te
+ pakken, maer in eene' keer valt er 'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en
+ pardoef in Jan zijn pan 'en de koek in d' asse!</p>
+
+ <p>Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de
+ we&ecirc;rlicht zien gaen? Wat is d&acirc; nou we&ecirc;r daer ze daer m&ecirc;
+ gegoeid hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet van
+ 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne' mensch nog nie'
+ gerust laten ete'.</p>
+
+ <p>Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael beentjes aen
+ 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.</p>
+
+ <p>Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen oppakte en
+ gelijk tege' de' muer aen <i>garzelemente'</i> vaneen sloeg.</p>
+
+ <p>Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd 'ene'
+ nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit de pan neme',
+ viel er 't een of 't ander menschenbeen in&mdash;en dat duerde zoo lank tot dat
+ er op 't leste 'nen doodskop in viel.</p>
+
+ <p>Jan die schoot in 'ene' franse kole&egrave;re en hij goeide den doodskop zoo
+ ver als hem vliege' wou.</p>
+
+ <p>Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken op de
+ tafel gezet om te gaen ete'.</p>
+
+ <p>Als hem n&acirc; goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't
+ zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.&mdash;Jan telde, en 't was twelf
+ ure!</p>
+
+ <p>Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem de beene'
+ gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.</p>
+
+ <p>Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen, en daer
+ stond n&acirc; de geest m&ecirc; 'e' wit laken op zijne' rug.&mdash;En hij was,
+ och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' d&acirc; ge zijn ingewand
+ door zijnen buik kost zien.</p>
+
+ <p>Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn' oogen, want
+ hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem verruerde, dan zag hem
+ <i>pormentelak</i> dat het 'ene geest was.</p>
+
+ <p>Ha, z&eacute; Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget m&ecirc; uw
+ gezondhad? Me dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van
+ Sinte Willebors, m&ecirc; het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer
+ <i>armoyeus</i> uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske zou u
+ deugd doen. Maer w&acirc; zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken deur uwen
+ buik zouwe valle'! want ge draegt 'en <i>gil&eacute;</i> die <i>&agrave; jour</i>
+ gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!</p>
+
+ <p>De geest die sprak nie; maer hij d&eacute; 'en teeke' m&ecirc; zijne' vinger,
+ als of hem zegge wilde: kom gij eens hier!</p>
+
+ <p>Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.</p>
+
+ <p>Aperopo, z&eacute; hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe
+ morge', d&acirc; kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik ging
+ wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel <i>roematiek</i> en ge moest zoo
+ eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat tael spreekte gij? Zeg! is
+ 't van <i>parl&eacute; frans&eacute; contre alle mense</i>! Ook al niet? Gaet dan
+ maer naer uw doodkist terug, droogzak!&mdash;Zijtde van God, sprekt; zijtde van
+ den duvel, vertrekt!&mdash;Maar de geest bleef staan en d&eacute; nie als
+ m&eacute; zijne' vinger wenken om d&acirc; Jan bij hem zou kome'.</p>
+
+ <p>Maer Jan ging gerust voort m&ecirc; eten, en hij zag naer 't spook nie meer
+ om.</p>
+
+ <p>Als d&acirc; zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de
+ geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer Jan gegaen en
+ hij wenkte-n-altijd m&ecirc; zene' vinger.</p>
+
+ <p>Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:</p>
+
+ <p>Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer &eacute;&eacute;n ding te zegge: ge meugt zoo
+ veul spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we weurre kwaei
+ vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u die fles eens op uw
+ leelijk gezicht kapot slage'.&mdash;Ge zoudt me geeren den nek breken, eh? 'k
+ weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge kent me nog nie, manneke'!</p>
+
+ <p>De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er m&ecirc; aen Jan zijn
+ hand;&mdash;maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.</p>
+
+ <p>Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis m&eacute; mij make'? Het schijnt
+ da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet getrouwd, 'k Zal ouw
+ d&acirc; wel afleeren.&mdash;Arr&ecirc;! dat is het eerste koofke!</p>
+
+ <p>En Jan sloeg het spook m&ecirc; 'en' lege fles vlak op het scheel van zijne'
+ kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak op de' wind.</p>
+
+ <p>Dan wierd Jan eerst voor go&ecirc; kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en op
+ de' grond slage', maer d&acirc; liep nie af; want als hem docht dat hem hem vast
+ had, dan vuelden hem niemendalle.</p>
+
+ <p>Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens gauw gaen
+ zegge' wat d&acirc; ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij hier ruzie
+ zueken, eh? 'k heb ommers m&ecirc; ouw of m&ecirc; uw heel familie geen affaire?
+ Laat me dan gerust en gaat aen.</p>
+
+ <p>Maer de geest d&eacute; nie a's wenken en naer de deur wijze'.</p>
+
+ <p>Jan pakte dan zijnen kandel&ecirc;r en z&eacute; tege' de' geest; allo! laet
+ zien wat d&acirc; g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.</p>
+
+ <p>Het spook d&eacute; de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel
+ slummer, en hij z&eacute; altijd: ga zelf veur&mdash;want had hem veur gegaen,
+ dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.</p>
+
+ <p>Ze kwamen dan te lange leste bene&euml;n, in de gank, en daer lag 'ene zark
+ m&eacute; enen ijzere' rink, die er in vast was.</p>
+
+ <p>Het spook wees aen Jan, dat hem di&euml; zark moest opheffe'; maer Jan die
+ begost te lachen en hij z&eacute;: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als ge
+ geene <i>nikanik</i><a id="FNanchor_28_28" name='FNanchor_28_28'></a><a
+ href='#Footnote_28_28'><sup>[28]</sup></a> in ouwe zak hebt, zulde nog al lank
+ moete' rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.</p>
+
+ <p>De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer drij
+ groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.</p>
+
+ <p>En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.</p>
+
+ <p>Ziede d&acirc; geld? vroeg het aen Jan.</p>
+
+ <p>Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou beginne' we
+ malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle', want 'k heb vijf jaer
+ gediend&mdash;en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al iet blinken d&acirc; sterk op
+ tienguldestukke' trekt.</p>
+
+ <p>De geest haelde de drij potten uit de' put en z&eacute; m&ecirc; 'en holle
+ stem:</p>
+
+ <p>Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.</p>
+
+ <p>Eer d&acirc; ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? D&acirc;
+ zoude nie zegge', 'k Geloof d&acirc; ge me wat opwindt.</p>
+
+ <p>Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij z&eacute;: Ik heb in d'hel
+ zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn&mdash;en gij hebt
+ me nou uit d'hel verlost.</p>
+
+ <p>Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge zijt dan
+ toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want mijn bloed kokt
+ al!</p>
+
+ <p>Nou brand ik nie meer, z&eacute; de geest, <i>arr&ecirc;</i>! daer is mijn
+ hand, voelt, nou is ze heel koud....</p>
+
+ <p>Bedankt veur de goedheid, z&eacute; Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer
+ stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik ken u, vogel,
+ gij zijt den duvel te plat, gij!</p>
+
+ <p>Zie, z&eacute; het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er eenen
+ aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur mijn' ziel te doen,
+ en....</p>
+
+ <p>Hola, riep Jan, d&acirc; verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge maekt
+ gij geen' slechte rekening! En w&acirc; zal ik dan hebbe'? Neen, maer als er
+ w&acirc; drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij ommers toch
+ rijk genoeg, al is 't d&acirc; ge zoo slecht gekleed gaet, en d&acirc; nog al in
+ de' Winter.&mdash;Ah wel, wa zegde?</p>
+
+ <p>Den derde pot, z&eacute; de geest, is veur ouw.</p>
+
+ <p>Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot van. Kom
+ hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.</p>
+
+ <p>En Jan sprong op van <i>arreusie</i>; maer hij strunkelde en hij viel in de
+ put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.</p>
+
+ <p>N&acirc; was Jan in den donkere'.</p>
+
+ <p>Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He, spookske lief,
+ kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt me nou ook wel uit deze put
+ verlosse'.</p>
+
+ <p>Maer het spook was weg.</p>
+
+ <p>Jan die kroop dan m&ecirc; veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers
+ op.</p>
+
+ <p>Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog twee
+ fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.</p>
+
+ <p>'s Anderen daegs d&eacute; Jan hetgeen dat de geest hem gez&eacute;ed had. Hij
+ gaf 'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot veur zijn
+ eige'.</p>
+
+ <p>En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.</p>
+
+ <p>En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en hij sliep
+ op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle dagen naer
+ d'herberg....</p>
+
+ <p>En daer kwam 'e' varke m&ecirc; 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!</p>
+ <br />
+
+
+ <h3>VOETNOTEN:</h3>
+
+ <p><a id="Footnote_2_2" name='Footnote_2_2'></a><a href='#FNanchor_2_2'>[2]</a>
+ Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te Antwerpen geene andere
+ verbuiging, dan dat men voor zekere letters welluidendheidshalve <i>de</i> of
+ <i>den</i> bezigt, zonder op het geval te letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R
+ en T, als ook voor alle klinkers, gebruikt men <i>den</i>, zoowel in nominativo
+ als in accusativo.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_3_3" name='Footnote_3_3'></a><a href='#FNanchor_3_3'>[3]</a>
+ Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters voor kinderen allerlei
+ vertelsels verbeeld worden, bij middel van <i>marionetten</i>, die zij
+ <i>poesjenellen</i> noemen. <i>Snoef</i> is een personage, die in alle stukken
+ voorkomt en die bijzonder belast is de aanschouwers te vermaken, evenals de
+ <i>Arlequin</i>. Het is gewoonlijk de geliefde <i>acteur</i> van het ge&euml;erd
+ publiek.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_4_4" name='Footnote_4_4'></a><a href='#FNanchor_4_4'>[4]</a>
+ De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het einde onfeilbaar met
+ eene <i>keuninksdochter</i>, eene <i>princers</i> van Turkije, Amerika of Spanje,
+ of wel zij vinden, indien het er spookt, eenen grooten ijzeren pot met geld.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_5_5" name='Footnote_5_5'></a><a href='#FNanchor_5_5'>[5]</a>
+ De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in Antwerpen <i>Ene, En E</i>, de
+ <i>e</i> hebbende den klank van <i>e</i>in het Fransche <i>le.</i> Voorbeeld: En
+ man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en voor de letter <i>H</i> zijn ze <i>Enen,
+ En, En</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_6_6" name='Footnote_6_6'></a><a href='#FNanchor_6_6'>[6]</a>
+ De uitgang <i>oude</i> wordt verzacht en veranderd in <i>ouwe</i>, als: wij
+ <i>zouden</i>, wij <i>zouwen, koude Winter, kouwe Winter.</i></p>
+
+ <p><a id="Footnote_7_7" name='Footnote_7_7'></a><a href='#FNanchor_7_7'>[7]</a>
+ Het woordje <i>niet</i>, zonder nadruk uitgesproken, verliest de <i>i</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_8_8" name='Footnote_8_8'></a><a href='#FNanchor_8_8'>[8]</a>
+ De l in <i>als</i> wordt niet uitgesproken; b.v. <i>as</i> ik het zag, zou ik het
+ gelooven.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_9_9" name='Footnote_9_9'></a><a href='#FNanchor_9_9'>[9]</a>
+ De <i>n</i> wordt nooit gehoord in de uitgangen der veelsilbige woorden, die op
+ <i>en</i> uitgaan. Men zegt <i>verbinde, honde, zinge</i>, voor <i>verbinden,
+ honden, zingen</i>. Voor de klinkers en de letter <i>H</i>, die hier nooit
+ <i>geaspireerd</i> is, heeft de verkorting geene plaats. Zelf stelt de
+ Antwerpenaar tusschen alle opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van
+ zelf versmelten eene <i>n</i> of andere letter om de <i>euphonie</i>. Hij zegt
+ dus: <i>ik wilden-u-iets, hy maelden-u-immers</i>!</p>
+
+ <p><a id="Footnote_10_10" name='Footnote_10_10'></a><a
+ href='#FNanchor_10_10'>[10]</a> Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden
+ persoons wordt gemaakt met het bijvoegen van <i>lie</i>, zijnde eene verkorting
+ van <i>lieden.</i> Men zegt <i>geulie</i> of <i>gylie</i> en <i>eulie</i> of
+ <i>ulie</i>; dit laatste voor <i>aan u</i>, als ook voor de bezittende voornaamw.
+ meervoud <i>uw, uwe, uwen</i>; b.v. <i>Geulie weet het. Ik zal eulie straks
+ euli&euml;n boek teruggeven</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_11_11" name='Footnote_11_11'></a><a
+ href='#FNanchor_11_11'>[11]</a> De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord
+ <i>zeggen</i> is als volgt:<br />
+ <br />
+ Ik z&eacute;, voor: ik zeide, enz.<br />
+ Gij z&egrave;<br />
+ Hij z&eacute;<br />
+ Wij z&eacute;&euml;n.<br />
+ Gijl. z&eacute;et<br />
+ Zij z&eacute;&euml;n.<br />
+ <br />
+ Het verleden deelwoord is <i>gez&egrave;ed</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_12_12" name='Footnote_12_12'></a><a
+ href='#FNanchor_12_12'>[12]</a> Het Fransche woord <i>pourtant</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_13_13" name='Footnote_13_13'></a><a
+ href='#FNanchor_13_13'>[13]</a> Hebt gijlieden onder Napoleon op de
+ scheepstimmerwerf of <i>Chantier</i> gewerkt? Is ulieder vader
+ <i>Garde-Chiourme</i> of slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het
+ werkwoord <i>zijn</i> altijd met het hulpwoord <i>hebben</i> vervoegd wordt.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_14_14" name='Footnote_14_14'></a><a
+ href='#FNanchor_14_14'>[14]</a> <i>Zullen</i> is een tusschenwerpsel, dat
+ overmatig in de Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekent <i>verstaat gij
+ het? Hoort gij het</i>?</p>
+
+ <p><a id="Footnote_15_15" name='Footnote_15_15'></a><a
+ href='#FNanchor_15_15'>[15]</a> <i>Nieuw, nieuwe, nieuwen</i> is in Antwerpen
+ <i>nief, nieve, nieven</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_16_16" name='Footnote_16_16'></a><a
+ href='#FNanchor_16_16'>[16]</a> De <i>g</i> na de <i>n</i> op het einde eener
+ silbe verandert meest altijd in <i>k</i>, als <i>gang, gank; ding, dink; hij
+ zong, hij zonk</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_17_17" name='Footnote_17_17'></a><a
+ href='#FNanchor_17_17'>[17]</a> De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord
+ <i>beginnen</i> is:<br />
+ <br />
+ Ik begost, voor: ik begon, enz.<br />
+ Gij begost<br />
+ Hij begost<br />
+ Wij begosten<br />
+ Gijl. begost<br />
+ Zij begosten.<br />
+ <br />
+ Het verleden deelwoord is <i>begost</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_18_18" name='Footnote_18_18'></a><a
+ href='#FNanchor_18_18'>[18]</a> De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord
+ <i>doen</i> is:<br />
+ <br />
+ Ik d&eacute;, voor: ik deed, enz.<br />
+ Gij d&eacute;<br />
+ Hij d&eacute;<br />
+ Wij d&eacute;&euml;n<br />
+ Gijl. d&eacute; of deed<br />
+ Zij d&eacute;&euml;n.<br />
+ <br />
+ </p>
+
+ <p><a id="Footnote_19_19" name='Footnote_19_19'></a><a
+ href='#FNanchor_19_19'>[19]</a> In de uitgangen <i>heid</i> en <i>lijk</i>
+ verandert de klank der <i>ij</i> in <i>a</i> en men spreekt, alsof er stond
+ <i>had, lak, gezondhad, gemakkelakhad</i>, voor <i>gezondheid,
+ gemakkelijkheid</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_20_20" name='Footnote_20_20'></a><a
+ href='#FNanchor_20_20'>[20]</a> De <i>o</i> in <i>or</i> wordt uitgesproken als
+ eene zachte <i>eu: zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij
+ weurdt</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_21_21" name='Footnote_21_21'></a><a
+ href='#FNanchor_21_21'>[21]</a> <i>Nu</i> spreekt men gewoonlijk uit <i>na</i>;
+ de <i>a</i> heeft den korten klank van a in <i>nat</i>. Met nadruk wordt <i>nu,
+ nouw</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_22_22" name='Footnote_22_22'></a><a
+ href='#FNanchor_22_22'>[22]</a> Het persoonlijk voornaamwoord <i>hij</i> wordt
+ alleen gebezigd onmiddellijk v&oacute;&oacute;r het werkwoord, anders zegt men
+ <i>hem. Zag hem dat hem sliep</i>? beteekent <i>zag hij dat hij sliep</i>. Deze
+ regel heeft uitzonderingen.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_23_23" name='Footnote_23_23'></a><a
+ href='#FNanchor_23_23'>[23]</a> Tegen den avond.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_24_24" name='Footnote_24_24'></a><a
+ href='#FNanchor_24_24'>[24]</a> Een stuk in den kraag krijgen: <i>dronken
+ worden</i>.&mdash;Van zijnen center zijn, <i>van zijn verstand zijn</i>.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_25_25" name='Footnote_25_25'></a><a
+ href='#FNanchor_25_25'>[25]</a> Honger krijgen.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_26_26" name='Footnote_26_26'></a><a
+ href='#FNanchor_26_26'>[26]</a> Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet
+ degene, die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige
+ zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den zieltjeskoek.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_27_27" name='Footnote_27_27'></a><a
+ href='#FNanchor_27_27'>[27]</a> De plaats waar de paarden begraven worden.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_28_28" name='Footnote_28_28'></a><a
+ href='#FNanchor_28_28'>[28]</a> M&eacute;canique.</p>
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="DE_SCHOOLMEESTER_TEN_TIJDE_VAN_MARIA_THERESIA"
+ name='DE_SCHOOLMEESTER_TEN_TIJDE_VAN_MARIA_THERESIA'></a>
+
+ <h2>DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>ZEDENSCHETS</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>(<i>Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en lange
+ lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en eene wereldkaart.
+ Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest tusschen acht en twaalf jaar oud.
+ De schoolmeester gaat heen en weer met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat;
+ hij houdt een pennemes in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is
+ zichtbaar, dat het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen,
+ en weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen, anderen
+ vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig met mannekens te
+ maken of okentrek te doen</i>.)</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met luider stem en langzaam</i>.&mdash;Past op dat gij de
+ buiken van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar
+ omhoog trekt!</p>
+
+ <p>GEROEP VAN ALLE KANTEN.&mdash;Meester, versnijd mijne pen
+ eens!&mdash;<i>Monsieur, ma plume</i> is te slap! De mijne is te stijf! <i>La
+ mienne est trop maigre</i>! De mijne is te vet!</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit</i>.&mdash;Ik heb
+ gedaan, eh na!</p>
+
+ <p>KAREL, <i>met zachte stem</i>.&mdash;Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen
+ krijgen. G'hebt weer altemaal <i>hanepooten</i> gemaakt, gelijk gisteren.</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>zijne stem, zonder het te weten, verheffende</i>.&mdash;Dan moeten
+ ze mijn' pen maar vermaken.&mdash;Karel, willen we wat <i>pennekepik</i> doen,
+ eh?</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;<i>Silence</i> daar, met dat<i>lawijd</i>!<a
+ id="FNanchor_29_29" name='FNanchor_29_29'></a><a
+ href='#Footnote_29_29'><sup>[29]</sup></a> Victor, pas op dat uw geschrift niet
+ goed is, gij zult het beklagen, vogel!</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>die nevens Victor zit</i>.&mdash;Mag ik me&ecirc;
+ <i>pennekepik</i><a id="FNanchor_30_30" name='FNanchor_30_30'></a><a
+ href='#Footnote_30_30'><sup>[30]</sup></a> doen? 'k Zal eene nieuwe pen
+ geven.</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>bitsig</i>.&mdash;Neen, gij moogt niet meedoen, <i>aarzak</i>!<a
+ id="FNanchor_31_31" name='FNanchor_31_31'></a><a
+ href='#Footnote_31_31'><sup>[31]</sup></a></p>
+
+ <p>EDWARD, <i>schreeuwende</i>.&mdash;Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester,
+ meester, Victor en Karel doen altijd <i>pennekepik</i>!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met gramschap</i>.&mdash;Ha, ze zijn weer bezig,&mdash;ik had
+ het gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen <i>pennekepikken</i>
+ meteen! (<i>Hij trekt Victor met zijn oor</i>.) 'k Zal u leeren, luie vlegel. Dat
+ ligt daar den heelen dag te spelen, in plaats van te leeren. Zijt ge niet
+ beschaamd, dat gij het geld uwer ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij
+ daarom alle maanden betalen, omdat ge hier <i>pennekepik</i> zoudt doen,
+ <i>bedorvendans</i>?</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de vingers
+ stopt</i>.&mdash;Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het aan mijn'
+ moeder zeggen&mdash;dan ga ik naar een ander' school, zie na!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>streelend</i>.&mdash;Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij
+ zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het is beter dan
+ gisteren,&mdash;dat verdient eenen <i>Bon</i><a id="FNanchor_32_32"
+ name='FNanchor_32_32'></a><a href='#Footnote_32_32'><sup>[32]</sup></a>. (<i>Hij
+ schrijft eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich</i>.)</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>mompelende</i>.&mdash;Met zijne <i>bons</i> altijd! Wat kan ik
+ daarmee doen? 'k Ben er vet mee, met zijne <i>bons</i>! Ai mij, mijn oor!</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>tot den meester</i>.&mdash;Meester, het is zijn geschrift van
+ gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten <i>Rubbens</i> in zijn
+ <i>cahier</i><a id="FNanchor_33_33" name='FNanchor_33_33'></a><a
+ href='#Footnote_33_33'><sup>[33]</sup></a> gemaakt.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>tot Edward</i>.&mdash;Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers
+ kan lijden. (<i>Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen</i>.) Geeft acht op het
+ <i>dict&eacute;</i>;&mdash;neemt uwe <i>cahiers</i>. Zijt gij er altemaal?</p>
+
+ <p>AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.&mdash;Ja, ja, meester!&mdash;ik
+ niet!&mdash;ik wel!&mdash;ik kan mijn <i>cahier</i> niet vinden,&mdash;mijn pen
+ schrijft niet,&mdash;ik heb geen papier!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>dicteerende met slepende stem</i>.&mdash;"De wederspannige
+ Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>Edward bij zijn haar trekkende</i>.&mdash;Daar nu,&mdash;ga, zeg nu
+ nog, dat wij <i>pennekepik</i> doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar
+ trek, schreeuwbakkes!</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er
+ daar wat uitscheiden?</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>weenende</i>.&mdash;Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd
+ met mijn haar!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met ongeduld en tegen den grond stampende</i>.&mdash;Zij zullen
+ mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (<i>Dicteerende</i>) "De
+ wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>roepende</i>.&mdash;Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>dicteerende</i>.&mdash;"Absolon trok op ... tegen...." Victor,
+ ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!... "trok op
+ tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet gij mij zoo, Piet?
+ Schrijf dan!</p>
+
+ <p>PIET.&mdash;Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met
+ <i>pennekepik</i> te doen.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>in gramschap</i>.&mdash;Hier gij! Op uwe knie&euml;n. Geef daar
+ eens twee kassen. Speel nu nog <i>pennekepik</i>, oudersverdriet, dat gij daar
+ zijt! (<i>Hij plaatst Piet op de knie&euml;n in het midden der school en doet hem
+ met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet weent en snikt; doch dit
+ belet hem niet, zijne tong uit de steken en alle soorten van spottende gezichten
+ te trekken</i>.)</p>
+
+ <p><i>Dicteerende</i>: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige God
+ ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van ..." Victor, wat
+ doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.</p>
+
+ <p>VICTOR.&mdash;Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met wanhoop</i>.&mdash;Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat
+ hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een <i>komplot</i> gemaakt
+ hebben om mij van de school te doen gaan loopen;&mdash;maar 't zal niet waar
+ zijn, <i>revolutionairs</i>! Gij zult mij niet verjagen....</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>schreeuwende</i>.&mdash;'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer
+ <i>okentrek</i><a id="FNanchor_34_34" name='FNanchor_34_34'></a><a
+ href='#Footnote_34_34'><sup>[34]</sup></a> gedaan, terwijl dat g'aan het
+ dicteeren waart.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met ongeduld</i>.&mdash;Ha, zijt gij weer <i>okentrek</i> aan
+ 't doen!&mdash;en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is om
+ iets van te krijgen!</p>
+
+ <p>(<i>Hij wendt zich om naar de andere zijde der school</i>.)</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>eenen luiden kaakslag aan Edward gevende</i>.&mdash;Daar nu! zeg
+ het nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u eens in de
+ goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar, labbekak! (<i>Zij
+ vatten elkander bij het haar en vechten met groot gerucht. De meester springt er
+ naar toe, grijpt hen bij den kraag en trekt ze van elkaar</i>.)</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met groote woede</i>.&mdash;Deugnieten! Schelmen! 't Is erger
+ dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang<a id="FNanchor_35_35"
+ name='FNanchor_35_35'></a><a href='#Footnote_35_35'><sup>[35]</sup></a>. Gij zult
+ mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het u: zijt
+ zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school afvliegt.... Past
+ op! (<i>Groote stilte in de school. Victor steekt zijne hand onder de tafel en
+ nijpt in de beenen van Edward; doch deze durft zich niet roeren. De pijn schetst
+ zich in belachelijke uitdrukkingen op zijn gelaat</i>.)</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>bedaard</i>.&mdash;Waar waren wij? Ha! (<i>dicteerende</i>) "De
+ boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon den veldslag
+ ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de vlucht...." Frans, gij let
+ er niet op. Gij zijt weer bezig met papier knauwen! Laat eens hooren wat ik het
+ laatst gezegd heb?</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;Heb!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>verbitterd en spijtig</i>.&mdash;Wat, heb, ezel? Op de vlucht,
+ heb ik gezegd, (<i>dicteerende</i>) "en reed onder eenen boom door ... doch zijn
+ lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ... van...." Frans, doe dat
+ <i>manneken</i> weg en schrijf ... "De takken van den boom ... boom, en Absolon
+ bleef er aan hangen."</p>
+
+ <p>(<i>Frans heeft gedurende het dict&eacute; eenen bal papier tusschen zijne
+ tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt het tegen
+ den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen</i>.)</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>blijde</i>.&mdash;Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang
+ haar!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>vergramd</i>.&mdash;Frans, gij zult <i>noenoveral</i><a
+ id="FNanchor_36_36" name='FNanchor_36_36'></a><a
+ href='#Footnote_36_36'><sup>[36]</sup></a> blijven bakken. 'k Zal u leeren papier
+ knauwen! Nu zult gij dezen noen niets te knauwen hebben. (<i>Tot al de
+ leerlingen</i>.) Het <i>dict&eacute;</i> is gedaan.&mdash;Victor! spel het
+ laatste woord eens.</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>tot Edward</i>.&mdash;Wat is het laatste woord? Gaat gij het
+ zeggen, of ik geef u eenen neep.</p>
+
+ <p>EDWARD.&mdash;Neen, nu zeg ik het niet, zie na!</p>
+
+ <p>VICTOR <i>nijpt hem in den rug</i>.&mdash;Zegt ge 't nog niet?</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>pijnlijk schreeuwende</i>.&mdash;Hangen! Hangen!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>tot Edward</i>.&mdash;Het wordt aan u niet gevraagd,
+ schreeuwer. Gij, Victor, spel het laatste woord.</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>onverstaanbaar en zeer gauw</i>.&mdash;<b>Abchg</b>&mdash;hang ...
+ chrstgen&mdash;gen&mdash;hangen.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>het hoofd schuddende</i>.&mdash;Genoeg, genoeg. Wij zullen het
+ namiddag spellen.&mdash;De kleine Catechismussen weg.&mdash;De eerste les!</p>
+
+ <p>(<i>Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne cahiers in
+ de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne catechismussen open op hunne
+ knie&euml;n om beter te kunnen antwoorden. Victor en Karel ziet men niet; zij
+ zitten onder de schrijtafel</i>.)</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;<i>Attention</i> op de eerste les! Edward, hoevele Goden
+ zijn er?</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>driftig en gauw</i>.&mdash;Drie,&mdash;'k wil zeggen
+ twee,&mdash;neen, maar &eacute;&eacute;n.</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>zijn hoofd onder de tafel uitstekende</i>.&mdash;Zeven:
+ hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....</p>
+
+ <p>De MEESTER.&mdash;Houd op, ketter! <i>Dat</i> weet nog niet, hoeveel Goden dat
+ er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?</p>
+
+ <p>EDWARD.&mdash;Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;Neen, wel, meester, ze doen <i>klontjen-trek</i> en
+ <i>witbier-zet</i> met krieksteenen!<a id="FNanchor_37_37"
+ name='FNanchor_37_37'></a><a href='#Footnote_37_37'><sup>[37]</sup></a></p>
+
+ <p>DE MEESTER <i>neemt een reglet en slaat in het wilde onder de
+ tafel</i>.&mdash;Schelmen, er uit!&mdash;gauw! of ik sla u armen en beenen
+ vaneen....</p>
+
+ <p>VICTOR en KAREL, <i>onder de tafel heen- en weer kruipende</i>&mdash;Ai mij!
+ 't is in mijn oog!&mdash;Ai ai, mijnen kop!&mdash;Och God, mijnen neus!</p>
+
+ <p>(<i>Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood en
+ schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben.</i>)</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>bij Victor gaande, streelend</i>.&mdash;Victor, Victor, nu ziet
+ gij wat er van komt. (<i>Hij neemt hem zoetjes bij de hand.</i>) Kom hier,
+ jongen; zit aan de groote tafel.&mdash;Ge moogt in de eerste klasse
+ gaan,&mdash;ik zal u een nieuw boek geven.</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>binnensmonds</i>.&mdash;Dief, dief, na.</p>
+
+ <p>(<i>Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open.</i>)</p>
+
+ <p>VROUW VAN LAER, <i>moeder van Victor</i>.&mdash;Goeden dag, meester Verdonck.
+ Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt geweest, om wat
+ selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al noodig heeft in zijn
+ huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, zeide ik, ik zal eens naar
+ mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er tevreden over?</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met fleemende stem</i>.&mdash;Ten uiterste, madam Van Laer.
+ Victor is wijs,&mdash;niet waar, Victor? Het is een mijner beste
+ leerlingen;&mdash;hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat hij in
+ <i>de Schat der kinderen</i><a id="FNanchor_38_38" name='FNanchor_38_38'></a><a
+ href='#Footnote_38_38'><sup>[38]</sup></a>.</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER.&mdash;Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo
+ rood!</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet aan
+ Victor,&mdash;zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (<i>Tot Edward</i>)
+ Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de school af, wees
+ zeker!</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>morrende</i>.&mdash;G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw
+ reglet in zijn oog geslagen.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>eenen gloeienden blik op Edward werpende</i>.&mdash;Zwijg,
+ franke ezel<a id="FNanchor_39_39" name='FNanchor_39_39'></a><a
+ href='#Footnote_39_39'><sup>[39]</sup></a>,&mdash;want er is toch niets goed van
+ u te maken. Doe gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>binnensmonds</i>.&mdash;Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's
+ niets, straks krijgt hij toch weer haver.</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER.&mdash;Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam
+ Laurier,&mdash;gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh wel,
+ die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, gelijk een philosoof.
+ Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;De <i>geographie</i>, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar
+ hangt ze! (<i>hij wijst op de landkaart</i>.) Uw Victor is daar al heel ver
+ in,&mdash;hij is zelfs een van mijn' besten.</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER.&mdash;Dat wilde ik wel eens zien.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>tot Victor</i>.&mdash;Kom hier voor de kaart, Victor, en laat
+ eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de <i>geographie</i> zijt! (<i>Victor
+ gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder</i>.) Hoevele winden zijn
+ er, Victor?</p>
+
+ <p>VICTOR.&mdash;Vier.</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij
+ gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens wijzen, waar de
+ vier winden zijn.</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER, <i>in verrukking</i>.&mdash;Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een
+ kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan hij het
+ onthouden!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>hij wijst met een stokje boven de kaart</i>.&mdash;Victor, waar
+ is het Noorden?</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>met stoutheid</i>.&mdash;Van boven.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>het stokje onder de kaart plaatsende</i>.&mdash;Waar is het
+ Zuiden?</p>
+
+ <p>VICTOR.&mdash;Van onder.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met het stokje de rechterzijde der kaart toonende</i>.&mdash;En
+ het Oosten?</p>
+
+ <p>VCTOR, <i>met koddigen ernst</i>.&mdash;Daar op zijde, waar gij met uw
+ stoksken wijst.</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER, <i>verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden
+ zag</i>.&mdash;Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus geef.
+ Gij zult nog minister worden, gij!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>tot Victor</i>.&mdash;Waar wonen wij? In welk land staat deze
+ school?</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>zeer ernstig</i>.&mdash;Op de Paardenmarkt.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>op zijne lippen bijtende en half beschaamd</i>.&mdash;Ja, ja,
+ op de Paardenmarkt, juist!&mdash;Maar in welk land zijn wij?&mdash;In Spanje, in
+ Turkije, in Lapland of in Belgenland?</p>
+
+ <p>VICTOR.&mdash;In Belgenland.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>vergenoegd</i>.&mdash;Ik wist wel, dat hij het niet vergeten
+ had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (<i>Victor, na lang zoeken,
+ wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop</i>.) Dat is mis,
+ Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren
+ gewezen. (<i>Tot vr. Van Laer</i>.) Madam, hij is beschaamd in uwe
+ tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen
+ toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.</p>
+
+ <p>KAREL, <i>tot Edward met zachte stem</i>.&mdash;Wat leelijke mouwstrijker dat
+ de meester is, eh?</p>
+
+ <p>EDWARD.&mdash;Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij
+ geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?</p>
+
+ <p>FRANS.&mdash;Ik heb er eenen: let op, hij gaat!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>roepende</i>.&mdash;<i>Silence</i>, daar in den hoek!</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER, <i>tot den meester</i>.&mdash;Ik heb het altijd gezegd, dat onze
+ Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid
+ hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te
+ leeren;&mdash;maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt
+ ... want het kind is er zeker toe geboren.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>zich buigende</i>.&mdash;Daarin hebt gij het grootste gelijk
+ van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen
+ schoolmeester van maken.</p>
+
+ <p>(<i>Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal
+ vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer</i>.)</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER, <i>verstoord</i>.&mdash;Wel wat afgrijselijke dingen!&mdash;Een
+ mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht
+ dat sommige kinderen zijn opgevoed!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met groote woede</i>.&mdash;Wie heeft dit gedaan? Wie durft die
+ achtbare madam Van Laer met papier werpen?</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>roepende</i>.&mdash;Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft
+ gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>Frans bij den kraag naar de deur slepende</i>.&mdash;Hier gij,
+ schelm! De deur uit, deugnietenkind! (<i>Hij werpt hem aan de deur</i>.)</p>
+
+ <p>FRANS, <i>buiten luidkeels schreeuwende</i>.&mdash;Ge meent, dat ik nog zal
+ weerkomen, eh?&mdash;maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!...
+ (<i>Stilte</i>.)</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER.&mdash;Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar
+ huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij
+ mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat
+ zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op
+ het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds
+ kan.</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>tot Karel</i>.&mdash;Ja, <i>pennekepik</i> kan hij beter, eh?</p>
+
+ <p>KAREL, <i>roepende</i>.&mdash;Meester, Edward lacht u uit!</p>
+
+ <p>EDWARD.&mdash;Neen wel, meester, hij is het zelf.&mdash;Hij zegt, dat Victor
+ beter <i>pennekepik</i> kan!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>dreigend</i>.&mdash;<i>Silence</i>, daar, zagemannen! of ik zet
+ u de school af.... (<i>Stilte</i>.) <i>Allons</i>, Victor, let wel op, ik zal het
+ u eens voordoen. (<i>Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend</i>:) Gij
+ neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt
+ gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij
+ ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....</p>
+
+ <p>PIET, <i>schreeuwende</i>.&mdash;Meester, meester! daar vliegt een
+ <i>meuldener</i><a id="FNanchor_40_40" name='FNanchor_40_40'></a><a
+ href='#Footnote_40_40'><sup>[40]</sup></a> in de school! Pst! Pst!</p>
+
+ <p>AL DE LEERLINGEN.&mdash;Hoera! Hoera!&mdash;Pakt hem!&mdash;Hoe na of ik had
+ hem! Hier, daar, pst! pst!</p>
+
+ <p>(<i>Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het
+ onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet,
+ waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het
+ haar.</i>)</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER, <i>met bange stem</i>.&mdash;Och! och! meester, verlos mij van
+ dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (<i>De meester
+ neemt den kever van haar hoofd</i>.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het
+ zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,&mdash;wat moet
+ gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders
+ leeren dansen.</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met gramschap rondziende</i>.&mdash;Ik zal u straks spreken!
+ (<i>Stilte</i>.) <i>Allons</i>, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren
+ rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (<i>Hij geeft eene pen en een
+ pennemes aan Victor</i>.)</p>
+
+ <p>VICTOR, <i>met ongeduld</i>.&mdash;Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar
+ buik?</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;Snijd er maar stoutelijk door, Victor.&mdash;Geef ze maar
+ eene goede snee.</p>
+
+ <p>(<i>Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden,
+ geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend
+ achterover vallen. Hij bloedt sterk.</i>)</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER, <i>bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare
+ armen</i>.&mdash;Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.&mdash;Ziet eens wat
+ snee. (<i>Zij beziet den verbaasden meester met woede</i>.) Meester Verdonck, ik
+ weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te
+ geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.&mdash;Dis is uwe schuld....</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>met spijt</i>.&mdash;Hij kon toch geene pen vermaken zonder
+ mes, madam.</p>
+
+ <p>VR. VAN LAER.&mdash;Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al
+ die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik!
+ Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij
+ zal naar eene andere school gaan. (<i>Zij heeft al sprekende haren zoon een
+ doeksken om den vinger gewonden</i>.) Kom aan, Victor.&mdash;Kom naar huis, mijn
+ kind.</p>
+
+ <p>DE MEESTER.&mdash;Maar, madam, gelief....</p>
+
+ <p>(<i>Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om
+ en steekt zijne tong spottend tot de meester uit</i>.)</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>pijnlijk en met diepe droefheid tot den
+ leerlingen</i>.&mdash;<i>Eh bien</i>,serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!
+ <i>Tr&ecirc;tert</i><a id="FNanchor_41_41" name='FNanchor_41_41'></a><a
+ href='#Footnote_41_41'><sup>[41]</sup></a> mij dood ... toe, spaart mij niet....
+ Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet
+ waar?&mdash;Geeft mij nu nog eene geraaktheid,&mdash;maakt mij lam aan armen en
+ beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh,
+ monsters? (<i>Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid</i>:) Hoe kunt
+ gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf
+ doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der
+ samenleving te maken?&mdash;Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die
+ zich ziek schreeuwt om u te leeren....</p>
+
+ <p>EDWARD, <i>schreeuwende</i>.&mdash;Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met
+ een strooiken aan heur gat!</p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>stampvoetend en met wanhoop</i>.&mdash;Ja, ja, ik weet het wel,
+ gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de
+ straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,&mdash;een hoop ezels,&mdash;zoo bot als
+ visschen. Nagels van mijne doodkist!... (<i>hij hoest twee of driemalen met
+ pijn</i>.) Ja, nagels van mijne doodkist;&mdash;want ik gevoel wel, dat gij mij
+ onder den grond zult krijgen, moordenaars! (<i>Hij haalt zijn uurwerk uit den
+ zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij
+ het op elf uren</i>!) Het is elf uren.&mdash;De school is uit!</p>
+
+ <p>(<i>De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen
+ gedruis</i>.)</p>
+
+ <p>DE LEERLINGEN, <i>van alle kanten roepende</i>.&mdash;Hoera! Hoera! De school
+ is uit!&mdash;Wie speelt er mee broekstavast?&mdash;Wie doet er mee in d'O? Wie
+ heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?<a id="FNanchor_42_42"
+ name='FNanchor_42_42'></a><a href='#Footnote_42_42'><sup>[42]</sup></a></p>
+
+ <p>DE MEESTER, <i>zijne deur toesluitende en het hoofd
+ schuddende</i>.&mdash;<i>Aures habent et non audient</i>! Alweer twee leerlingen
+ kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!</p>
+ <br />
+
+
+ <h3>VOETNOTEN:</h3>
+
+ <p><a id="Footnote_29_29" name='Footnote_29_29'></a><a
+ href='#FNanchor_29_29'>[29]</a> <i>Lawijd</i>. Gerucht.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_30_30" name='Footnote_30_30'></a><a
+ href='#FNanchor_30_30'>[30]</a> <i>Pennekepik</i>. Ieder brengt
+ &eacute;&eacute;ne of meer pennen in het spel; men steekt of pikt er beurteling
+ naar met een pennemes. Wie eene pen aanpikt, wint ze.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_31_31" name='Footnote_31_31'></a><a
+ href='#FNanchor_31_31'>[31]</a> <i>Aarzak</i>. Bedrieger, krakeelzoeker.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_32_32" name='Footnote_32_32'></a><a
+ href='#FNanchor_32_32'>[32]</a> Goedkeuring of goede noot.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_33_33" name='Footnote_33_33'></a><a
+ href='#FNanchor_33_33'>[33]</a> Schrijfboek.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_34_34" name='Footnote_34_34'></a><a
+ href='#FNanchor_34_34'>[34]</a> <i>Okentrek</i>. Men schrijft een getal okens
+ kegelwijs nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al de
+ O's met lini&euml;n verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie te mogen
+ raken.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_35_35" name='Footnote_35_35'></a><a
+ href='#FNanchor_35_35'>[35]</a> Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_36_36" name='Footnote_36_36'></a><a
+ href='#FNanchor_36_36'>[36]</a> Des middags niet mogen naar huis gaan.
+ <i>Bakken</i>, voor straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_37_37" name='Footnote_37_37'></a><a
+ href='#FNanchor_37_37'>[37]</a> Men klooft eenen krieksteen in twee&euml;n. Met
+ deze schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle zijde
+ naar boven, dan heeft men <i>klontjen-trek</i>, en men trekt een getal
+ krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle zijde naar boven,
+ dan heeft men <i>witbier-zet</i>, en men is verplicht een getal krieksteenen in
+ te zetten.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_38_38" name='Footnote_38_38'></a><a
+ href='#FNanchor_38_38'>[38]</a> Een oud schoolboek.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_39_39" name='Footnote_39_39'></a><a
+ href='#FNanchor_39_39'>[39]</a> <i>Frank</i>, Vrijpostig, stoutmoedig,
+ onbeschaamd.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_40_40" name='Footnote_40_40'></a><a
+ href='#FNanchor_40_40'>[40]</a> Een Meikever of Molenaar.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_41_41" name='Footnote_41_41'></a><a
+ href='#FNanchor_41_41'>[41]</a> Plagen, tergen.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_42_42" name='Footnote_42_42'></a><a
+ href='#FNanchor_42_42'>[42]</a> Verschillende kinderspelen.</p>
+ <br />
+
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="DE_KWADE_HAND" name='DE_KWADE_HAND'></a>
+
+ <h2>DE KWADE HAND</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>VERHAAL</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het
+ menschelijk verstand te boven gaan,&mdash;voorvallen, die alle wetenschappelijke
+ kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten
+ en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik
+ ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten
+ heeft.</p>
+
+ <p>In het jaar 1834 woonde te Borgerhout<a id="FNanchor_43_43"
+ name='FNanchor_43_43'></a><a href='#Footnote_43_43'><sup>[43]</sup></a> eene
+ weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard,
+ won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer.
+ Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar
+ eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij
+ zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht
+ onder de gelukkigsten der aarde.</p>
+
+ <p>Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje
+ een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer
+ voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem<a id="FNanchor_44_44"
+ name='FNanchor_44_44'></a><a href='#Footnote_44_44'><sup>[44]</sup></a> gegaan,
+ om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den
+ avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen
+ huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte
+ wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was
+ dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk
+ onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij
+ poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche
+ stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de
+ verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze
+ schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde
+ hare stappen.</p>
+
+ <p>Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder
+ schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid
+ de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich
+ eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje
+ liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat
+ lachend voor haar stond en weder vroeg:</p>
+
+ <p>"Welnu, dochter, wat uur is het?"</p>
+
+ <p>Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:</p>
+
+ <p>"Acht uren."</p>
+
+ <p>Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf
+ betrekken, en zij riep als met booze spotternij:</p>
+
+ <p>"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot
+ houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan.
+ Gij weet niet wat u kan overkomen!"</p>
+
+ <p>Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging
+ haren weg&mdash;Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje
+ ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en
+ haar hart als tusschen eenen band klemmen.</p>
+
+ <p>Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op
+ dezelfde plaats, v&oacute;&oacute;rdat haar de gedachte inviel het oude wijf op
+ het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het
+ wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te
+ volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in
+ stroomen over de velden stortte.</p>
+
+ <p>Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare
+ woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.</p>
+
+ <p>Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den
+ maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst,
+ of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te
+ midden van het huisgezin, roepende:</p>
+
+ <p>"Theresia is dood!"</p>
+
+ <p>Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en
+ klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te
+ zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te
+ twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo
+ slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel
+ doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel
+ afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen
+ wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig
+ daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande
+ het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een
+ onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich
+ verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen
+ hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep
+ en gevoelloos voor nijpen en schudden.</p>
+
+ <p>Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende
+ twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte
+ zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft,
+ bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo
+ overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit
+ medelijden weenden.</p>
+
+ <p>Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die
+ onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te
+ weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij
+ eindelijk met eenen snijdenden zucht:</p>
+
+ <p>"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"</p>
+
+ <p>Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze
+ woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer
+ ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve
+ aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.</p>
+
+ <p>Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te
+ bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen
+ even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene
+ altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat
+ de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om
+ zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting
+ met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste,
+ telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke
+ dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten
+ en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen
+ zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld
+ dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren
+ wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan
+ en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd
+ zijnde, op haar lichaam klom en haar tot &eacute;&eacute;n uur met de knie&euml;n
+ de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder
+ dat zij schreeuwen kon of opstaan.</p>
+
+ <p>Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de
+ stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen
+ de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare
+ blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een
+ onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten,
+ en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer
+ waren ontvlucht.</p>
+
+ <p>Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon
+ handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en
+ alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal
+ te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men
+ begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij
+ hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en
+ onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde
+ in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar
+ voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen
+ somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare
+ borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp
+ echter niets:&mdash;de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige
+ meisje onder hare knie&euml;n te pletten en te martelen.</p>
+
+ <p>Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat
+ zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen
+ zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare
+ wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange
+ vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.</p>
+
+ <p>Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen
+ Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht
+ had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen.
+ Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het
+ kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de
+ gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia
+ niet helpen kon.</p>
+
+ <p>Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang
+ praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle
+ zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep
+ gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets
+ slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn
+ gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.</p>
+
+ <p>Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige
+ oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst
+ van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij,
+ zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige
+ onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard,
+ legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar
+ eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met
+ zonderlinge stem:</p>
+
+ <p>"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"</p>
+
+ <p>"Ik weet het wel, man."</p>
+
+ <p>"Hebt gij niets op uwe <i>conscientie</i>?"</p>
+
+ <p>"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."</p>
+
+ <p>"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"</p>
+
+ <p>"Nog veel minder."</p>
+
+ <p>"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd
+ hebben?"</p>
+
+ <p>"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven."</p>
+
+ <p>"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"</p>
+
+ <p>"Neen."</p>
+
+ <p>"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"</p>
+
+ <p>"Nooit."</p>
+
+ <p>"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u
+ betooverd heeft."</p>
+
+ <p>"O, daar ben ik zeker van."</p>
+
+ <p>"Wilt gij verlost zijn?"</p>
+
+ <p>"Moet gij dit vragen?"</p>
+
+ <p>"Antwoord mij!"</p>
+
+ <p>"Ja, ik wil verlost zijn."</p>
+
+ <p>De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en
+ blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest
+ scheen te spreken.</p>
+
+ <p>Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af
+ te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met
+ ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer
+ verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende
+ kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover
+ onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme
+ wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet
+ te hoesten.</p>
+
+ <p>Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het
+ meisje komende, begon hij dit gesprek:</p>
+
+ <p>"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd
+ heeft."</p>
+
+ <p>"Is het de oude tooverheks, of niet?"</p>
+
+ <p>"Het is de oude tooverheks."</p>
+
+ <p>"O, ik weet het wel."</p>
+
+ <p>"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij,
+ indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten,
+ zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel
+ leggen?"</p>
+
+ <p>"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."</p>
+
+ <p>"Is dit uw goed woord?"</p>
+
+ <p>"Ja."</p>
+
+ <p>De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:</p>
+
+ <p>"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk
+ volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden
+ kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik
+ zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met
+ geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt."</p>
+
+ <p>"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte
+ kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet?
+ Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."</p>
+
+ <p>"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op
+ een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland
+ een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen
+ in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een
+ nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus,
+ wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te
+ betalen."</p>
+
+ <p>Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven.
+ Hij hernam:</p>
+
+ <p>"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie
+ onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet
+ belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en
+ pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft
+ mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij
+ moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de
+ deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene
+ erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster
+ uitvliegen.&mdash;Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen,
+ want zij heeft op de wakers geene macht."</p>
+
+ <p>Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen
+ gaanstok en sprak tot de zieke:</p>
+
+ <p>"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand
+ gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."</p>
+
+ <p>Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en
+ verliet de kamer.</p>
+
+ <p>In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar
+ den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat
+ men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.</p>
+
+ <p>Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in
+ de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee
+ aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op
+ voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.</p>
+
+ <p>Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad
+ geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen
+ den last mijner goede faam te dragen.</p>
+
+ <p>Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door
+ eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie
+ spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten,
+ zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met
+ stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch
+ brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen
+ rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met
+ gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij
+ niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze
+ gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze
+ vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf
+ tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat
+ wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen
+ waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze
+ oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur
+ op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der
+ tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te
+ branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende
+ sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....</p>
+
+ <p>Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze
+ ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien,
+ welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in
+ het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan
+ v&oacute;&oacute;r ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur,
+ niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht
+ eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene
+ ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te
+ geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te
+ werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te
+ pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met
+ zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:</p>
+
+ <p>"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!&mdash;O, neen, neen, scheur mijn hart
+ niet met uwe nagelen.&mdash;Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"</p>
+
+ <p>Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:</p>
+
+ <p>"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los,
+ trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil,
+ &mdash;ik zal den ouden man verjagen...."</p>
+
+ <p>Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij
+ waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg
+ tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte
+ eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons
+ nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare
+ oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te
+ voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last
+ volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten
+ verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen
+ stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat
+ zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over
+ hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of
+ liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en
+ kwam langzaam op ons aan.</p>
+
+ <p>&Eacute;&eacute;n onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen
+ nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen,
+ wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde,
+ bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas
+ eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.</p>
+
+ <p>Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en
+ met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.</p>
+
+ <p>Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan,
+ dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia
+ verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het
+ ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en
+ een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.</p>
+
+ <p>Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist
+ hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den
+ ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was
+ niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van
+ Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er
+ trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men,
+ dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man
+ begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van
+ ouderdom bijna niet meer voort kon.</p>
+
+ <p>Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het
+ huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige
+ verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de
+ schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet
+ verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.</p>
+
+ <p>Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene
+ kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware
+ breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met
+ ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne
+ hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een
+ touw gebonden, op wat stroo te slapen.</p>
+
+ <p>De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de
+ halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.</p>
+
+ <p>Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf
+ aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan
+ haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte
+ zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat
+ hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken
+ van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen
+ spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij
+ in den ziedenden ketel.</p>
+
+ <p>Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:</p>
+
+ <p>"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is
+ het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den
+ breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te
+ trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op
+ dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij
+ hooren of zien moogt!"</p>
+
+ <p>De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu
+ begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij
+ elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der
+ vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de
+ tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van
+ het uurwerk gevestigd.</p>
+
+ <p>Nog vijf minuten!</p>
+
+ <p>In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de
+ arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een
+ klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende
+ galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen
+ kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als
+ te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.</p>
+
+ <p>Nog twee minuten!</p>
+
+ <p>De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem
+ in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed
+ om te steken....</p>
+
+ <p>Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van
+ iemand, die met eenen stok gaat.</p>
+
+ <p>"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met
+ hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.</p>
+
+ <p>De deur ging open.&mdash;Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den
+ toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de
+ commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes
+ den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem
+ insgelijks den breipriem uit de hand.</p>
+
+ <p>Nog &eacute;&eacute;ne minuut!</p>
+
+ <p>"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.</p>
+
+ <p>"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.</p>
+
+ <p>"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde
+ uit. Dit is verboden."</p>
+
+ <p>De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging
+ slaan.</p>
+
+ <p>"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog &eacute;&eacute;n oogenblik,
+ &eacute;&eacute;n kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut!
+ Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!"</p>
+
+ <p>"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen,
+ of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn
+ veroorzaken.... Zoo, kom aan!"</p>
+
+ <p>Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij
+ worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de
+ tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag
+ van twaalf uur ging af!...</p>
+
+ <p>Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de
+ armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"</p>
+
+ <p>Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur
+ ingeloopen, roepende:</p>
+
+ <p>"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is
+ zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"</p>
+
+ <p>De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede
+ naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de
+ geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis
+ verwezen.</p>
+
+ <p>&mdash;Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot
+ louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de
+ Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het
+ nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van
+ de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia
+ bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer
+ aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle
+ geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde
+ uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal
+ men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan
+ tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?</p>
+ <br />
+
+
+ <h3>VOETNOTEN:</h3>
+
+ <p><a id="Footnote_43_43" name='Footnote_43_43'></a><a
+ href='#FNanchor_43_43'>[43]</a> Eene gemeente bij Antwerpen.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_44_44" name='Footnote_44_44'></a><a
+ href='#FNanchor_44_44'>[44]</a> Eene gemeente bij Antwerpen.</p>
+ <br />
+
+ <hr style='width: 65%;' />
+ <a id="STRIATA_FORMOSISSIMA" name='STRIATA_FORMOSISSIMA'></a>
+
+ <h2>STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS</h2>
+ <br />
+
+
+ <h3>ZEDENSCHETS</h3>
+ <br />
+
+
+ <p>Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem;
+ misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der
+ po&euml;tische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen
+ plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber
+ noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om
+ Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe
+ u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge
+ schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt
+ Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.</p>
+
+ <p>Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme
+ menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de
+ Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze
+ beschrijving.</p>
+
+ <p>Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte
+ des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden
+ verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des
+ nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd
+ Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een
+ andere Josu&eacute;, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis
+ nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het
+ bed, v&oacute;&oacute;rdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en
+ rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene
+ Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in
+ zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne
+ bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en
+ slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet
+ ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den
+ hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt
+ daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er
+ eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de
+ verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat
+ hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar
+ van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is,
+ gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in
+ tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij
+ reeds sedert eenige maanden van buiten kent,&mdash;en gaat eindelijk zeer vroeg
+ te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen
+ mijmeren.</p>
+
+ <p>Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over
+ gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij
+ zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh?
+ Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets
+ schooners op de wereld dan de Dahlia?"&mdash;Vruchteloos doet gij pogingen om hem
+ op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen<a
+ id="FNanchor_45_45" name='FNanchor_45_45'></a><a
+ href='#Footnote_45_45'><sup>[45]</sup></a> zijn aangenomen, hij beziet u als een
+ inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen
+ besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men
+ zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:&mdash;dit zou spijt
+ zijn!"&mdash;Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid,
+ hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen?
+ Onmogelijk! onmogelijk!"</p>
+
+ <p>&mdash;Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal
+ beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde
+ gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.</p>
+
+ <p>&mdash;En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den
+ ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia
+ aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de
+ geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia
+ oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts
+ <i>enkele</i> bloemen als starren geeft,&mdash;dat zij haren naam ontleent van
+ Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd
+ opgedragen,&mdash;dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje
+ werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen
+ kruidenhof,&mdash;dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802
+ verkreeg, enz.</p>
+
+ <p>Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber
+ te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij
+ zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, het
+ <i>goeden dag</i> weigeren.&mdash;Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij
+ zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten
+ en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit
+ met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet:
+ het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft
+ toegesteld.&mdash;Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder
+ zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier<a
+ id="FNanchor_46_46" name='FNanchor_46_46'></a><a
+ href='#Footnote_46_46'><sup>[46]</sup></a> vertrapt hij met voeten; de
+ overvloedige bloemende Wolroos<a id="FNanchor_47_47" name='FNanchor_47_47'></a><a
+ href='#Footnote_47_47'><sup>[47]</sup></a> geeft hij aan zijne geit; zijn
+ mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei, &mdash;Pioen,
+ &mdash;Tuiltje, &mdash;Vingerhoed, &mdash;Violier, &mdash;Beverken,
+ &mdash;Veldklok, &mdash;Knaptand, &mdash;Lelie, &mdash;Brikel<a
+ id="FNanchor_48_48" name='FNanchor_48_48'></a><a
+ href='#Footnote_48_48'><sup>[48]</sup></a> en uit andere lieve, zonderlinge of
+ glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den
+ Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.</p>
+
+ <p>Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne
+ alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit
+ verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat
+ de <i>Marmot</i> een dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en
+ zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt v&oacute;&oacute;rdat de zon de
+ aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan
+ dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in
+ den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven;
+ zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij
+ vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente.
+ Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens
+ zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en
+ kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en
+ verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo
+ onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is
+ de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen
+ langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den
+ verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een
+ floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke
+ afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde
+ Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij
+ voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene
+ natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt
+ zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het
+ venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf
+ de trap af, opent de deur en springt den hof in.</p>
+
+ <p>Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de
+ hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat
+ hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij
+ opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden
+ hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen
+ weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam
+ aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren
+ bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een
+ onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer
+ vriezen zal, en dat de plantenslaap ge&euml;indigd is. De Dahlia's-liefhebber
+ blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de
+ lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge
+ stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo
+ blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij
+ staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom.
+ D&aacute;&aacute;r, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken<a
+ id="FNanchor_49_49" name='FNanchor_49_49'></a><a
+ href='#Footnote_49_49'><sup>[49]</sup></a> met zes zilveren bellekens te pralen.
+ Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de
+ natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere
+ bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:</p>
+
+ <p>"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij
+ weer leven!"</p>
+
+ <p>De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog
+ ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten
+ schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens
+ voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er
+ de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het
+ hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en
+ gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.</p>
+
+ <p>De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en
+ woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger
+ van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van
+ inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.</p>
+
+ <p>U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt
+ verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit
+ gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.</p>
+
+ <p>M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine
+ boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat
+ er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot
+ tijd tot zich zelven als volgt:</p>
+
+ <p>"<i>Anna Maria</i> plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met
+ muizenoorkens en met purperen punten. <i>Buonaparte</i>, met haren stijven steel
+ en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens <i>Waterloo</i> met hare
+ fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik <i>D&eacute;fiance</i> nog planten? Die
+ Dahlia <i>doet het bijna nooit</i><a id="FNanchor_50_50"
+ name='FNanchor_50_50'></a><a href='#Footnote_50_50'><sup>[50]</sup></a>. Het is
+ anders nog al eene aardige: chocolade met melk.&mdash;Ik zal haar in het midden
+ zetten met <i>Englands pride</i>, <i>don Carlos</i>, <i>Formosa</i> en
+ <i>Hortense Knyff</i>. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar
+ zet ik mijne <i>Striata Formosissima?</i><a id="FNanchor_51_51"
+ name='FNanchor_51_51'></a><a href='#Footnote_51_51'><sup>[51]</sup></a> Ik mag
+ daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik
+ haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen
+ slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede
+ gezien, eer zij aan mijne <i>Striata Formosissima</i> komen. Dit mag ook niet
+ zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar
+ zal ik haar dan zetten?"</p>
+
+ <p>Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het
+ kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef
+ zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij
+ eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven
+ als iemand, die geslapen heeft.</p>
+
+ <p>"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne <i>Striata Formosissima</i>
+ planten?"</p>
+
+ <p>Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord.
+ Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te
+ slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak
+ zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:</p>
+
+ <p>"Dat zijn weerkens, eh?<a id="FNanchor_52_52" name='FNanchor_52_52'></a><a
+ href='#Footnote_52_52'><sup>[52]</sup></a>"</p>
+
+ <p>M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het
+ vertrek, plantte zich v&oacute;&oacute;r hem, zag hem strak in de oogen en
+ herhaalde als met gramschap zijne vraag:</p>
+
+ <p>"Waar zal ik mijne <i>Striata Formosissima</i> toch planten?"</p>
+
+ <p>M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te
+ lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:</p>
+
+ <p>BIELENS.&mdash;Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op &eacute;&eacute;nen
+ dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze
+ Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van
+ mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel
+ beslissen.</p>
+
+ <p>FRUYTS, <i>blijmoedig</i>.&mdash;Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet
+ wat bloemken mijne <i>Striata Formosissima</i> is. Niemand heeft haar in honderd
+ uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de
+ liefhebbers van Merxem<a id="FNanchor_53_53" name='FNanchor_53_53'></a><a
+ href='#Footnote_53_53'><sup>[53]</sup></a> ditmaal eens kloppen, dat zij uit
+ hunne oogen niet meer zullen zien.</p>
+
+ <p>BIELENS.&mdash;Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge
+ zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?</p>
+
+ <p>FRUYTS.&mdash;Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder
+ geweest.</p>
+
+ <p>BIELENS, <i>invallende</i>.&mdash;Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu
+ eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den
+ Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er
+ niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?</p>
+
+ <p>FRUYTS, <i>hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen</i>.&mdash;Zie,
+ Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche
+ lijsten altijd! Anders niet dan van deze &eacute;&eacute;ne Dahlia.</p>
+
+ <p>BIELENS, <i>in het boeksken lezende</i>.&mdash;"N&deg; 756, <i>British
+ Queen</i>, Well's.&mdash;Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond,
+ overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het
+ huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen.</p>
+
+ <p>FRUYTS, <i>in gedachte dwalende</i>.&mdash;Dit moet eene schoone bloem zijn,
+ eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt
+ gij mij hem te koopen?</p>
+
+ <p>BIELENS, <i>met ongeduld</i>.&mdash;Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen
+ Dahlia's meer, v&oacute;&oacute;rdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze
+ kinderen na Paschen, ja of neen?</p>
+
+ <p>FRUYTS, <i>hij schudt het hoofd met spijt</i>.&mdash;Wel ja, ja zeker. Zijt
+ gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de <i>British Queen</i>
+ nu koopen, zeg?</p>
+
+ <p>BIELENS.&mdash;Ja, maar z&oacute;&oacute; trouwen is de regel niet, dat weet
+ gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe
+ dochter wel een rond sommeken medegeven?</p>
+
+ <p>FRUYTS.&mdash;Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe
+ liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij
+ alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.&mdash;Maar zeg, hebt gij uwe
+ Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?</p>
+
+ <p>BIELENS.&mdash;Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien
+ gelegd.&mdash;Ik ga <i>boeturen</i><a id="FNanchor_54_54"
+ name='FNanchor_54_54'></a><a href='#Footnote_54_54'><sup>[54]</sup></a>.</p>
+
+ <p>FRUYTS.&mdash;De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt,
+ zal ik ze eens gaan bezoeken.</p>
+
+ <p>BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het
+ huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het
+ behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te
+ vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?</p>
+
+ <p>FRUYTS.&mdash;Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden dan
+ <i>ja</i>. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan
+ niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot
+ namiddag.</p>
+
+ <p>Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het
+ gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets
+ klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit
+ dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond
+ een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken
+ en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg
+ den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar
+ oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen.</p>
+
+ <p>"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal
+ het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd
+ bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat
+ staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"</p>
+
+ <p>De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met
+ bevende stem:</p>
+
+ <p>"Den sleutel, zeg ik!"</p>
+
+ <p>"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet.
+ D&aacute;&aacute;r is de sleutel."</p>
+
+ <p>M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch
+ gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk
+ en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs
+ de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een
+ getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber
+ gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en
+ voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.</p>
+
+ <p>Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding
+ werpen: zijn verrukte geest toovert v&oacute;&oacute;r hem, in zijnen
+ halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste
+ praal! Daar staat <i>Miss Colt</i>, de satijnen roos, daar <i>Conqueror</i>, het
+ fijn geplooid bruin fluweel; hier <i>Fireball</i>, de gloeiende vuurbol, en de
+ tweekleurige <i>Nonpareil</i>; verder de gulden <i>Topaas</i>, de zilveren
+ <i>Virgin Queen</i> en de zwarte <i>Sambo</i>. Duizende andere Dahlia's vertoonen
+ zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord
+ dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt
+ hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen
+ kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door
+ eenen verleidenden geur bewierooken. In &eacute;&eacute;n woord, een Paradijs van
+ ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont
+ gij uwen dienaar!</p>
+
+ <p>De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende
+ begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen
+ fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de
+ hoogste schab stond,&mdash;en sprak mompelend:</p>
+
+ <p>"D&aacute;&aacute;r, in dat houten baksken, ligt mijne <i>Striata
+ Formosissima</i> zoo gerust op een bed van zemelen te slapen. <i>Striata
+ Formosissima!</i> edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de <i>Striped
+ perfection</i> niet zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe
+ uwe bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij durven de
+ doffe vlekken van <i>Striped perfection</i> bij uwe anjelierische bestreping
+ vergelijken<a id="FNanchor_55_55" name='FNanchor_55_55'></a><a
+ href='#Footnote_55_55'><sup>[55]</sup></a>. O, zij dwalen: de nijd verblindt hen;
+ maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal wegrukken...."</p>
+
+ <p>Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen laten,
+ om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge verloofde van Bielens zoon
+ was juist uit de stad te huis gekomen. Daar zij voorbij de woning van haren
+ toekomenden man gegaan was, twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige
+ woorden van zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet,
+ of zij voegde er haastig bij:</p>
+
+ <p>"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen. Zult gij
+ hem wat helpen?"</p>
+
+ <p>De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer dochter en
+ antwoordde:</p>
+
+ <p>"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan komt het
+ er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig met zijne Dahlia's uit
+ den kelder te halen."</p>
+
+ <p>Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.</p>
+
+ <p>"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"</p>
+
+ <p>"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw glimlachend op.
+ "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,&mdash;wees daar niet bang voor. Ik zeg
+ toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een eerlijk burgerskind; hij past op
+ en heeft al eenen goeden trek op zijn kantoor.&mdash;Gij hebt u beiden altijd
+ braaf gedragen. Ja, ja, na Paschen."</p>
+
+ <p>Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich stil en
+ overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort eenig klein huiswerk te
+ verrichten. Weinig tijds daarna verscheen Frans Bielens, gekleed als een jong
+ heerken, tamelijk fraai van gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen.
+ Ternauwernood kon men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met
+ eenen lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder zeide:</p>
+
+ <p>"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn tevreden;
+ gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het hangt dus van M. Fruyts
+ alleen af, ons blijde en gelukkig te maken. Heb de goedheid hem voor mij een
+ oogenblik gehoor te verzoeken; ik zou hem gaarne alleen spreken."</p>
+
+ <p>"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder schertsend. "Ik zie
+ wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten worden. Gij hebt gelijk, het is dat
+ gij elkander bemint. Wacht een weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan
+ roepen."</p>
+
+ <p>Zij naderde de kelderdeur en riep:</p>
+
+ <p>"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"</p>
+
+ <p>Een gemor, dat wel op een <i>ja</i> geleek, antwoordde op haren roep. Zij
+ verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:</p>
+
+ <p>"Hij zal terstond komen."</p>
+
+ <p>Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de verschijning
+ van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder een groot gerucht: het
+ schijnt, dat men een paar ledige flesschen tegen den muur aan stukken slaat; de
+ schabben worden krakend van den muur gerukt, en van den eenen kant naar den
+ anderen geworpen. Het is er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de
+ stem van M. Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in
+ grievende galmen klinkt de naam van <i>Striata Formosissima</i> herhaalde malen
+ de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der bevende gelieven
+ klinken.</p>
+
+ <p>Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man over zijn
+ breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en hetgeen zij ziet, belet
+ haar te spreken.</p>
+
+ <p>Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van Fruyts. Zijn
+ haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn half hemd is uit zijn
+ ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe hij in zijne borst moet gewroet
+ hebben; zijne broek is bedekt met slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen
+ kleven nog de stukken der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft.
+ In de eene hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de
+ zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende kracht een
+ stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn gelaat getuigt van de
+ uiterste wanhoop:&mdash;de wenkbrauwen over de ogen gezonken, de hoeken van den
+ mond stuiptrekkend naar achter, en de bloote tanden opeengesloten als van iemand,
+ die bijten zal.... Met schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit
+ en stuurt zijn gezicht in het wilde rond.&mdash;De vrouwen staan verbaasd en
+ sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder met de
+ handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze is verbitterd over
+ den gekken toestand, in welken hij zich nu geplaatst ziet. Gewis kan hij de
+ oorzaak er van raden, want een grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht.
+ De vrouw begint de verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:</p>
+
+ <p>"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te
+ slokken?"</p>
+
+ <p>De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt niet.</p>
+
+ <p>DE MOEDER.&mdash;Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze
+ grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (<i>Zij verzacht hare
+ stem spottend</i>.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe hand gevallen? Och
+ arme!&mdash;Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor zulke vodden?</p>
+
+ <p>DE DOCHTER; <i>zij wil den arm haars vaders vatten</i>.&mdash;Och, vader, wat
+ is er gebeurd? Zeg het aan mij.</p>
+
+ <p>DE VADER; <i>hij stoot ze weg</i>.&mdash;Laat mij gerust! Spreek mij niet aan!
+ Uit mijne oogen! (<i>Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar zulken
+ geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt</i>.) Lomp, lui beest! Gij
+ tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen of gij krijgt eenen steen
+ aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost geven?</p>
+
+ <p>DE MOEDER, <i>met gramschap</i>.&mdash;Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot?
+ Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden te doen?
+ (<i>Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en snauwt hem toe</i>.)
+ Zijt gij van zin er uit te scheiden met die belachelijke komedie, of ik zal u
+ eens aan de deur zetten, hoort gij het?</p>
+
+ <p>Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde zijne
+ vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij sprakeloos door de
+ kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het oogenblik zijner verkoeling
+ afwachtten. De ongelukkige liefhebber sloeg zich van tijd tot tijd met de hand
+ voor het hoofd, en scheen aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd.
+ Dan, hij kon echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem
+ besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij uit:</p>
+
+ <p>"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker vermaak
+ scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar ik zal uwen lekkeren
+ vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia in zijn hof houden, al moest ik
+ dieven betalen om ze te gaan aan stukken stampen."</p>
+
+ <p>DE JONGELING, <i>met spijtige kalmte</i>.&mdash;Ik weet niet, Mijnheer Fruyts,
+ dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede vrienden!</p>
+
+ <p>DE VADER, <i>bitsig</i>.&mdash;Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke
+ verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet aandoen.</p>
+
+ <p>DE JONGELING.&mdash;Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan, Mijnheer
+ Fruyts?</p>
+
+ <p>DE VADER.&mdash;Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's niet
+ doen sterven&mdash;uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille, die hij won,
+ niet van mij gestolen, zeg?</p>
+
+ <p>DE JONGELING, <i>verwonderd</i>.&mdash;Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen
+ sterven? Dit wist ik niet.</p>
+
+ <p>DE VADER, <i>met klimmende woede</i>.&mdash;Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat
+ ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?&mdash;En is het zijne
+ schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?<a id="FNanchor_56_56"
+ name='FNanchor_56_56'></a><a href='#Footnote_56_56'><sup>[56]</sup></a></p>
+
+ <p>DE JONGELING.&mdash;Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen; maar
+ gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen hebben zijne
+ Dahlia's ook afgebeten.</p>
+
+ <p>DE VADER, <i>bulderend</i>.&mdash;Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij
+ dan de medaille gewonnen, zeg?&mdash;Valschheid en bedrog, ja! Maar dit was al
+ lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij mij duur betalen. En
+ zeg hem maar:&mdash;van nu af aan geene vriendschap meer; en gij, die den stille
+ en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar uit mijn huis blijven.&mdash;Als mijne
+ dochter u nog durft aanspreken, steek ik ze voor haar leven lang in een klooster.
+ (<i>De dochter begint te weenen</i>.)</p>
+
+ <p>DE MOEDER, <i>met spotternij</i>.&mdash;Maar hoe kan een mensch van
+ vijfenveertig jaar toch zoo zagen!&mdash;Wanneer zullen wij nu eens weten, wie er
+ dood is?</p>
+
+ <p>DE VADER.&mdash;Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet. Dat
+ weet <i>ik</i>, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten. Tien jaren
+ verkorting van mijn leven!</p>
+
+ <p>DE JONGELING.&mdash;Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw ongeluk
+ mijn vader u veroorzaakt heeft?</p>
+
+ <p>DE VADER, <i>in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne
+ oogen</i>.&mdash;Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er
+ geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat hij wel kon
+ denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar, o schelmerij! (<i>Hij
+ geeft aan zijne stem een fleemenden toon</i>.) Jan, zegt hij met eenen loozen
+ treek, Jan, leg uwe <i>Striata Formosissima</i> in eenen bak met zemelen; dan zal
+ zij goed droog blijven.&mdash;En wat is er geschied?&mdash;Zie, ik kan mijne
+ gramschap niet bedwingen....</p>
+
+ <p>DE VROUW.&mdash;Welnu, wat is er geschied, zageman?</p>
+
+ <p>DE MAN, <i>met droefheid</i>.&mdash;Wat er geschied is! Luister, wat
+ verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest opgegeten
+ waren, hebben zij mijne <i>Striata Formosissima</i> ook opgeknabbeld. Weet gij
+ het nu?</p>
+
+ <p>DE VROUW, <i>hem uitlachende</i>.&mdash;Wel, wel, is het anders niet? Blijven
+ er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo te werk gaan
+ en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk uwer dochter overgebeten
+ hebben?</p>
+
+ <p>DE VADER.&mdash;Anders niet, anders niet! (<i>Tot den jongeling</i>.) Mijn
+ huis uit, flierefluiter.&mdash;Gauw!</p>
+
+ <p>DE DOCHTER, <i>weenend</i>.&mdash;Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt
+ beloofd, dat wij mochten trouwen.</p>
+
+ <p>DE VADER.&mdash;Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,&mdash;met
+ den valschaard, die mijne <i>Striata Formosissima</i> aan de ratten overgeleverd
+ heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den bult van Okeren.</p>
+
+ <p>DE MOEDER.&mdash;Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens kort
+ spel mede maken. (<i>Zij vat haren man bij den schouder en zet hem ten huize uit.
+ Zij sluit de deur toe</i>.)</p>
+
+ <p>M. Fruyts bleef eenige oogenblikken v&oacute;&oacute;r de deur staan; doch
+ ziende, dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen naar
+ de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te planten. Hij hield
+ nog altijd het stuk wortel van zijne <i>Striata Formosissima</i> in de hand, en
+ wrong het stuiptrekkend tusschen zijne gespannen vingeren. Zijn hoofd hing
+ krachteloos op zijnen schouder; zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de
+ Dahlia's-plek gekomen, overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk
+ wortel, dat hij onder zijn gezicht bracht:</p>
+
+ <p>"<i>Striata Formosissima</i>! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie mijne
+ vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene medaille zal ik
+ hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de ratten geweten, dat iedere
+ beet, dien zij u toebrachten, een beet in mijn hart was! Hadde ik het kunnen
+ voorzien, ik hadde mijnen kelder opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende
+ dieren te verzadigen. Maar te laat is dit beklaagd,&mdash;gij zijt voor mij
+ verloren. O ramp!"</p>
+
+ <p>En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk wortel
+ over het wijde veld.</p>
+
+ <p>Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend, door de
+ paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien dag weigerde te
+ eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de gebeden zijner dochter, al de
+ berispingen zijner vrouw hadden geene macht genoeg om hem in huis en bij het vuur
+ te doen komen.</p>
+
+ <p>Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te midden van
+ zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne tanden klapperen. In
+ deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te gevoelen over de barschheid, met
+ welke hij zijne dochter en den jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte,
+ dat men hem onder de Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw
+ bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het hoofd
+ opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm tot zich zag
+ komen.</p>
+
+ <p>Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:&mdash;de deur
+ uit, gauw!&mdash;maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem een gevouwen
+ briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem aan en ontvouwde de
+ plooien met eenen spottenden grimlach.</p>
+
+ <p>Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M. Fruyts? Wat
+ roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht, die zijne borst
+ ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke tijding.&mdash;Hij
+ leest:</p>
+
+ <p>"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik heden aan
+ den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de echte <i>Striata
+ Formosissima</i>."</p>
+
+ <p>Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten
+ bloemenkweeker.</p>
+
+ <p>"Gij bezit eenen wortel van de <i>Striata Formosissima</i>!" riep M. Fruyts in
+ verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is waarheid! Laat zien
+ dien wortel!"</p>
+
+ <p>Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier en het
+ mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo zoeten glimlach,
+ dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze betasting vond.</p>
+
+ <p>"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene <i>Striata
+ Formosissima</i>."</p>
+
+ <p>Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.</p>
+
+ <p>"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia hebt, gij
+ kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."</p>
+
+ <p>"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer
+ V&mdash;&mdash; sedert vier dagen een wortel van de <i>Striata Formosissima</i>
+ gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden uitslag mijner
+ pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was. De heer V&mdash;&mdash;
+ heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand bezit hem nu in de omstreken,
+ misschien niet in Belgi&euml;, dan ik alleen. Zoudt gij hem van mij willen
+ aanvaarden, als een bewijs mijner mededeeling in uwe droefheid?"</p>
+
+ <p>Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts; hij deed
+ eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de eene hand tegen zijn
+ hart, terwijl hij met de andere den jongen Bielens naar het huis voorttrok. Hier
+ zat de dochter bij de stoof te weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden.
+ Vrouw Fruyts rustte met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van
+ aantrekkelijk te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:&mdash;"Zijt gij
+ daar, flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht gevende, hief
+ den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:</p>
+
+ <p>"Hoera! Hoera! Ik heb mijne <i>Striata Formosissima</i> weer! Toe, vrouw! laat
+ ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw eene goede
+ flesch uit den kelder,&mdash;van het patersvaatje! En gij, mijne lieve Trees,"
+ sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende, "vergeef mij ook, mijn kind, dat
+ ik zoo boos ben geweest.&mdash;Kom hier, Frans, mijn zoon!"</p>
+
+ <p>Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:</p>
+
+ <p>"Vivat <i>Striata Formosissima</i>! Leeft lang en trouwt na Paschen!"</p>
+ <br />
+
+
+ <h3>VOETNOTEN:</h3>
+
+ <p><a id="Footnote_45_45" name='Footnote_45_45'></a><a
+ href='#FNanchor_45_45'>[45]</a> Een gewichtig verdrag tusschen Belgi&euml; en
+ Holland.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_46_46" name='Footnote_46_46'></a><a
+ href='#FNanchor_46_46'>[46]</a> Dianthus Caryophyllus.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_47_47" name='Footnote_47_47'></a><a
+ href='#FNanchor_47_47'>[47]</a> Lychnis Dinica.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_48_48" name='Footnote_48_48'></a><a
+ href='#FNanchor_48_48'>[48]</a> Aquilegia&mdash;Paeonia&mdash;Dianthus
+ barbatus&mdash;Digitalis
+ pupurea&mdash;Cheiranthus&mdash;Astrantia&mdash;Campanula&mdash;Anthirrinum&mdash;Lilium&mdash;Primula
+ Auricula.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_49_49" name='Footnote_49_49'></a><a
+ href='#FNanchor_49_49'>[49]</a> Galanthus Nivalis.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_50_50" name='Footnote_50_50'></a><a
+ href='#FNanchor_50_50'>[50]</a> Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en
+ vele mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen komen,
+ zooals zij zijn moeten.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_51_51" name='Footnote_51_51'></a><a
+ href='#FNanchor_51_51'>[51]</a> Allerschoonste gestreepte.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_52_52" name='Footnote_52_52'></a><a
+ href='#FNanchor_52_52'>[52]</a> Dit is een fraai weder.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_53_53" name='Footnote_53_53'></a><a
+ href='#FNanchor_53_53'>[53]</a> Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk
+ Dahlia's-liefhebbers wonen.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_54_54" name='Footnote_54_54'></a><a
+ href='#FNanchor_54_54'>[54]</a> <i>Boeturen</i> beteekent: jonge Dahlia's kweeken
+ bij middel van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_55_55" name='Footnote_55_55'></a><a
+ href='#FNanchor_55_55'>[55]</a> Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus
+ of Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd.</p>
+
+ <p><a id="Footnote_56_56" name='Footnote_56_56'></a><a
+ href='#FNanchor_56_56'>[56]</a>Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol
+ (Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met paardenmest gevet
+ zijn.</p>
+ <br />
+
+
+ <h2>EINDE</h2>
+ </div>
+ </div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***
+
+***** This file should be named 13595-h.htm or 13595-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13595/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+ </body>
+</html>
+
+
+
diff --git a/old/13595-h/images/illustratie3.png b/old/13595-h/images/illustratie3.png
new file mode 100644
index 0000000..8d09c42
--- /dev/null
+++ b/old/13595-h/images/illustratie3.png
Binary files differ
diff --git a/old/13595-h/images/illustratie59.png b/old/13595-h/images/illustratie59.png
new file mode 100644
index 0000000..4088286
--- /dev/null
+++ b/old/13595-h/images/illustratie59.png
Binary files differ
diff --git a/old/13595-h/images/illustratie87.png b/old/13595-h/images/illustratie87.png
new file mode 100644
index 0000000..f798157
--- /dev/null
+++ b/old/13595-h/images/illustratie87.png
Binary files differ
diff --git a/old/13595-h/images/titelpagina.png b/old/13595-h/images/titelpagina.png
new file mode 100644
index 0000000..bcc1e03
--- /dev/null
+++ b/old/13595-h/images/titelpagina.png
Binary files differ
diff --git a/old/13595.txt b/old/13595.txt
new file mode 100644
index 0000000..807965d
--- /dev/null
+++ b/old/13595.txt
@@ -0,0 +1,6171 @@
+The Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Avondstonden
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***
+
+
+
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+HENDRIK CONSCIENCE
+
+Avondstonden
+
+
+
+INHOUD
+
+
+Quinten Massys
+
+De engel des goeds en de geest des kwaads
+
+De nieuwe Niobe
+
+Weetlust en geloof
+
+Het beulskind
+
+De geest
+
+De schoolmeester ten tijde van Maria Theresia
+
+De kwade hand
+
+Striata Formosissima of de Dahlia's-koorts
+
+
+
+
+[Illustratie: De abdisse nam het boek uit handen der non.]
+
+
+
+
+QUINTEN MASSYS
+
+
+Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen,
+eenige kleine huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden
+en aan geringe menschen werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond
+door ambachtsgezellen, die van hun arbeidsloon met moeite genoeg
+konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te betalen; of wel
+door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat
+zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven.
+
+In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene
+weduwe met haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de
+wereld bezat, hadden niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar
+dak gewoond; zij droeg hare armoede met het grootste geduld en zou
+niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren verruild hebben.
+Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de
+zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere
+moeder was en al het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon
+gekeerd had, was het haar een genoegzaam gelukzalig lot, zich door
+hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al hare zuchten was de
+naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had
+toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar
+zoon, die zijne moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en
+nacht om haar niets te laten ontbreken, en, wanneer hij maar gissen
+kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het zweet zijns aanschijns
+niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om zijne
+moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij
+zoodanig bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende,
+dat niemand hem in het smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven
+ging, en hij een ruim loon voor zijnen arbeid ontving. Dit was eene
+der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak versierd was
+en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter
+Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust
+vond, zong en was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten
+naam vergeten, om hem dien van _vroolijken smid_ te geven.
+
+Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit
+genoegen, al die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er
+vloeiden, zuchten die men er hoorde, en het zingen van den vroolijken
+smid was eene zaak, waaraan de geburen niet meer dachten, dan om zich
+gelukkige tijden te herinneren.
+
+Het was op eenen Maandag;--de weduwe zat met natbeschreide wangen bij
+het bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke
+zoovele jaren den voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die
+zooveel zweet voor zijne moeder had gestort, was nu als in een
+ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten hals
+gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne
+sleutelbeenderen lagen zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als
+met een doorschijnend lijnwaad waren overtrokken geweest: zijn gansch
+lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht droeg geen het
+minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op
+afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de
+flauwe oogen, die hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot
+tijd kwam er nog eene uitdrukking van zaligheid zijn mager aangezicht
+beglanzen: het was wel geen lach, maar iets onverstaanbaars, eene
+geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer van
+het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de
+bedrukte moeder, ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde
+en van doodende foltering in haren zoon omging, zijne beenige hand en
+zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde slechts van hare
+lippen, de naam van haren stervenden zoon:
+
+"Quinten! o, Quinten!..."
+
+Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe
+opnieuw overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe
+stemme:
+
+"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?"
+
+"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent
+gij om mij, en gij krenkt uwe gezondheid.--O, wat ben ik
+ongelukkig!--Ik zal sterven, dit voel ik; niet door de ziekte van
+mijn lichaam--dit zou mij misschien het leven sparen, maar er is
+iets, o God!--iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, iets,
+dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet
+wenschen.--O, moeder, moeder!"
+
+En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog
+veel vochts te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken
+over zijne dorre wangen.
+
+De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld
+verbergende, sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere
+drift in hare beide armen en zoende de tranen van zijn aangezicht.
+
+"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch
+aan uwe moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.--En
+dan, Quinten, dan zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit
+mogelijk!"
+
+Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog
+onbeweeglijker in de oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen
+ophielden van overvloediger op zijne wangen te rollen.
+
+"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw
+hart ligt. Ik bid u, in Gods naam, spreek!"
+
+Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten;
+hij bedekte zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem,
+die zulke geweldige ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen,
+dat zijn levensdraad ging breken:
+
+"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten.
+Denkt gij, dat ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;--ik
+zie u vergaan als eene schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind
+alleen!"
+
+"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde
+fierheid. "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet.
+Honger lijden voor u, mijn Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige,
+dat ik in voor mijn kind te lijden den eenigen troost vind, die mij
+nog op aarde overblijft."
+
+"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop,
+"naar den arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne
+moeder van honger vergaat, zonder haar een stuk zuur brood te kunnen
+bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade onwaardig, indien ik niet
+stierf!"
+
+Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat
+hij door drift had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met
+meer kalmte bij zijne eerste woorden:
+
+"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde
+heeft, niets, waarvoor men ons een brood geven zou?"
+
+"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb
+alles verkocht,--denk niet meer aan zulk middel."
+
+De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed,
+dat zijn gebeente onder het deksel kraakte.
+
+"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die
+reeds bij den dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O,
+neen, dit zal niet zijn.... Ho, ik zal opstaan en u doen zien, wat
+de liefde van eenen zoon tot zijne moeder vermag.--Geef mij mijne
+kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, niet gegeten
+hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder!
+de zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet
+vergramd.... Ik gevoel kracht! Ik leef!"
+
+Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne
+ziekte was opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot
+zwaren arbeid bereidt; en de bewegingen, welke hij deed, waren zoo
+los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet begrijpen kon wat dit
+beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van een
+mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem
+staren!
+
+Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen
+aangetogen; maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns
+lichaams te overwinnen, men kon echter genoeg zien, dat er weinig in
+zijnen toestand was veranderd; want zijne bewegingen werden
+allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij
+eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend
+omhelsde, en dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en
+riep:
+
+"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar--ik kan niet!"
+
+Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van
+het klooster van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad
+binnen.
+
+"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken
+Quinten.--Maar wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier
+gebeurd, dat gij beiden daar zit en weent?"
+
+De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk
+waren en nooit om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de
+schaamte hen, van over hunnen nood iets te kennen te geven.--Waar is
+toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn smeekend zal zeggen: ik
+heb honger?
+
+De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij
+plaatste den korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene
+flesch uit; dan schonk zij daaruit eene goede teug rooden wijn in
+eenen beker.
+
+"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u
+uitermate versterken: daar, drink het uit!"
+
+"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend
+gelaat, "beloof ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster
+Ursula!"
+
+"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker
+geven."
+
+"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan
+van vreugde in elk oog.
+
+Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug
+wijns genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens
+gezicht, zeggende:
+
+"Ho! ik heb nog al iets zie maar."
+
+Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief
+zijne armen ten hemel en riep:
+
+"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het
+toch zeggen, aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt
+laven en troosten. Zuster ... zuster, mijne oude moeder heeft in
+drie dagen niet gegeten."
+
+"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar,
+hier is een fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch."
+
+De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood
+nuttigen kon; hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde,
+want de gedronken wijn had haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de
+non bezig was met haar tot eten aan te manen, had Quinten
+ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich getrokken,
+zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte
+zij deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op
+gevoeld.
+
+"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?"
+
+"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op
+mij, indien ik uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van
+dankbaarheid en van eerbied!"
+
+De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van
+Quinten, dat alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene
+ongemeene kracht: men zou gezegd hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om
+zich uit die lastige gesteltenis te redden, begon zij eensklaps van
+wat anders te spreken.
+
+"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke
+menschen; hier in de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de
+wolwever Veken, de timmerman Balens en Hans de tapissier. Bij de twee
+eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens krijgen kan; maar
+de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...."
+
+"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig
+in de rede.
+
+"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der
+melaatschen," was het antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar
+omdat hij ziek is, zien wij daar niet nauw op.--Zie, daar zijn er,
+die ik juist bij hem heb afgehaald."
+
+Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten,
+die ze een voor een overzag.
+
+"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen."
+
+"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks
+beelden in zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar
+gij, die een smid zijt,--dit zou u niet gaan, geloof ik."
+
+Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid
+tot de non keerende, sprak hij:
+
+"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die
+eene pomp maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de
+Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het is waar, ik heb nooit met verven
+gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige beeldekens bederven;
+doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder
+arbeidt, geen gewoon werkman is.--Misschien zou ik kunnen gelukken;
+er is iets, dat mij het zegt."
+
+"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat
+gij kunt. Uwe moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven
+en penseelen medegeven."
+
+"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal
+ik kunnen werken,--en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik
+zeker, want gij zult om mij niet meer honger lijden. Ga gauw!"
+
+Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de
+beeldekens, het eene na het andere, door zijne handen gaan,
+overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood of groen maken zou. In
+die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat zijne
+magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij
+bewoog de vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij
+reeds aan het schilderen ware geweest. De beeltenissen, die hij onder
+het oog had, waren gebrekkelijk en slecht,--hij zag dit wel; want in
+zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst gemeen gemaakt, hetgeen
+genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer waren
+gesmeed.
+
+Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed,
+schikte een vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half
+zittende te schilderen. De oude weduwe was dermate nieuwsgierig, om
+te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, dat zij met angstige
+nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde.
+
+Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur
+tijds, eene print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten
+bedekt.
+
+Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij:
+
+"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,--het gaat mijne verwachting
+te boven!"
+
+De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel
+aanbood; doch zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en
+stond in bewondering en als verbaasd voor het geschilderd
+beeldeken.
+
+"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te
+laten zien!"
+
+"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit
+terug, opdat ik het voor mij legge."
+
+"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?"
+
+"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het
+bezien, om ze in het tweede te verbeteren."
+
+De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een
+onuitsprekelijk geluk overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de
+beeldekens wel geschilderd had, want daar wist zij in het geheel
+niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van eenige
+stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed
+aanvaard werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren
+zoon, die nu, door de drift des arbeids ondersteund, in veel beteren
+staat scheen te zijn en na het voltooien der derde print de eerste
+woorden van een zijner vergetene liedekens, bij wijze van uitroeping,
+had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte moeder het
+werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende
+bemerkte:
+
+"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!"
+
+De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren
+zoon aan, om ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er
+in toestemde; en moeder Massys liep, zou gauw zij kon, naar het
+klooster, dat op eenige boogschoten in de nabijheid der stad lag. Zij
+klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men haar kwame
+openen.
+
+Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het
+eene geringe burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam
+open en vroeg:
+
+"Wat moet gij hebben, vrouw?"
+
+"Is zuster Ursula in het klooster?"
+
+"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;--kom morgen weer."
+
+Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een
+teeken, alsof zij zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!"
+
+Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster
+Ursula, en kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap
+doen om het klooster te verlaten.
+
+"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non.
+
+"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare
+huik halende, "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster
+Ursula te toonen en te zeggen, dat Quinten Massys, de smid, die
+gemaakt heeft."
+
+De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van
+misprijzen. De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar
+gelaat gaf dit genoeg te kennen.
+
+"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men
+walgt van ze te zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn
+kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan zuster Ursula toonen."
+
+"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder.
+
+"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord,
+dat zij kreeg.--En hiermede kon zij vertrekken.
+
+Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar
+haren zoon. Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende
+wanhoop dompelen? Maar kon zij hare tranen wederhouden en hare
+gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet te verraden, wat
+loon zij bekomen had?
+
+Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der
+non; want die hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys
+er aan toekende. Om dit te verstaan, moet men weten, dat de printen,
+die door Quinten geschilderd waren, allerlei melaatschen,
+gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid had
+deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel
+nog overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en
+door de waarheid er van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom
+riep: "foei, foei, het is schande!"
+
+De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze,
+waarop de printen geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de
+non beoordeeld was geworden.
+
+Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar
+reeds toeriep:
+
+"Welnu, moeder, wat zegt men er van?"
+
+De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon,
+uit overgroote droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare
+tranen streelde zij met dolle drift haren armen Quinten, die zijn
+hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. Hoe grooter, hoe
+ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger
+hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden
+getoond, wat pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat
+blijdschap hen vervoerde; want zij gaven elkaar de hevigste blijken
+eener vurige teederheid. Een innig gevoel van martelpijn dreef hen om
+elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden beiden de
+uitgestrektheid hunner bittere ellende.
+
+Eindelijk zuchtte Quinten:
+
+"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen
+verstooten, o God!"
+
+"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn
+dierbaar kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u
+als eene slavin gewerkt, toen gij nog jong waart.--Gij hebt mij ook
+bemind en als een goed zoon en door uw dagelijksch arbeidszweet voor
+uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan toch zijn
+moet,--indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger
+mij in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene
+zalige zekerheid over:--wij sterven samen!"
+
+Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in
+de kamer, dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene
+boezems en soms nog eene stille stem, die suisde:
+
+"Moeder, o, lieve moeder."
+
+Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de
+armen gedrukt; want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde
+tot elkaar als verengeld en hadden wellicht deze wereld gansch
+vergeten,--toen zij eensklaps aan de deur eene stem hoorden, die
+vroeg:
+
+"Waar woont de smid Quinten Massys?"
+
+De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en
+wilde de deur gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had,
+drongen vier personen te gelijk in de kamer.
+
+De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het
+klooster ter Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde.
+Achter hen kwamen zuster Ursula en eene andere non, een groot boek
+onder den arm dragende. Al deze personen stuurden met verwondering
+het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en beschaamd en
+bang op een bitter vonnis wachtte.
+
+De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen
+toonende, vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde:
+
+"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?"
+
+"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik
+hoop, indien ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer
+bekwaamheid krijgen zou. Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze
+bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam mijner ongelukkige moeder!"
+
+
+"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel
+ootmoedig, jongeling. Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit
+schooner beeldekens gezien heeft dan die, welke gij geschildert
+hebt!"
+
+Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten;
+eene kleur als doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne
+leden beefden, alsof hij door eene schielijke kwaal ware getroffen
+geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij zijne armen
+naar zijne moeder uit en riep:
+
+"O, moeder! lieve moeder!"
+
+De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend
+tegen de borst van haren zoon.
+
+Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier
+personen, die het aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne
+oogen zich met glinsterend vocht vervulden.
+
+"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen
+doen?"
+
+Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de
+nauwe omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en
+bleef bij hem staan. Quinten antwoordde in verrukking:
+
+"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar."
+
+De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den
+jongeling toonende, vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes
+Heeren, welke er in stonden, voor haar wilde schilderen. Quinten gaf
+voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit vrees van het kostelijk
+missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de Abdisse en
+den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg
+om dit groote werk te aanvaarden.
+
+Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen
+zich bereid om te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij
+Quinten en suisde hem in het oor:
+
+"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste
+voldaan,--zij kan er niet van zwijgen."
+
+En met zachtere stem voegde zij er bij:
+
+"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!"
+
+Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men
+kan begrijpen; hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en
+zuchtte:
+
+"Voor u,--voor u zal ik altijd bidden,--en mijne moeder ook!"
+
+Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige
+vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn
+schilderbord, roepende:
+
+"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij
+zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te
+halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen,
+mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk
+leven!"
+
+"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder
+arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het
+zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt.
+Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!".
+
+ * * * * *
+
+Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen
+het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in
+bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij
+kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van
+iedereen afmaakte.--Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen
+te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en,
+alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de
+hinderpalen, welke de kunst hem aanbood.
+
+Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten
+huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te
+leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij,
+voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder
+werd begroet.
+
+Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een
+goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat
+zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met
+zaligen vrede in zijne armen het leven ontging.
+
+
+
+
+DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS
+
+
+
+
+MIJMERING
+
+
+I
+
+
+(_Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene
+zitbank_)
+
+DE BROEDER.--Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen
+kussen achter dijnen[1] rug leggen;--laat dijn hoofdeken ter zijde
+rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome
+verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren
+hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste
+liederen aan....
+
+Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang
+en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in
+prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier
+in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt?
+
+DE ZUSTER, _zittende_.--Broeder, de natuur is schoon, niet waar?
+Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op
+aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en
+gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als
+zij zegt, dat een beter oord mij wacht?
+
+DE BROEDER.--Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele
+gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit
+moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt
+dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich,
+dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.
+
+DE ZUSTER.--Zal ik haast vertrekken, broeder?
+
+DE BROEDER.--God alleen weet het, Rosa.
+
+DE ZUSTER, _mijmerend_.--Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij!
+Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe
+vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne
+jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet
+waar, broeder?
+
+DE BROEDER, _met vochtige oogen_.--O, zuster, spreek zoo niet! Komt
+de Engel vroeger, du zals met hem gaan.
+
+DE ZUSTER.--Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen....
+Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?
+
+DE BROEDER.--Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet
+overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is
+dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen
+geest.
+
+DE ZUSTER, _de bloem aanschouwende_.--Arme roze, waarom dij zoo vroeg
+van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme
+zijn?
+
+DE BROEDER.--Zij zal verwelken en sterven, Rosa.
+
+DE ZUSTER.--Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven
+moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!
+
+DE BROEDER.--De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij
+zal hij lachend en minnelijk schijnen.
+
+DE ZUSTER.--En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat
+zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?
+
+DE BROEDER.--Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien
+verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten
+in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele
+juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen
+hemel heeft voorbereid.
+
+DE ZUSTER, _na lang stilzwijgen_.--Broeder, ik voel mijne oogen
+verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou
+mij verkwikken.
+
+DE BROEDER.--Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken
+bij dijnen zoeten slaap.
+
+DE ZUSTER.--Niet zoo, broeder.... het kussen aan de rechterzijde.
+Daar moet immers des Heeren engel staan?--Zies du niets gelijk eene
+zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds daar misschien?
+
+DE BROEDER.--Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen.
+Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn
+vermoeid hoofd ter ruste.
+
+DE ZUSTER; _zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert
+gedachteloos de bloem op hare hand._--Ontwaak mij, broeder, als ik te
+lang mocht slapen.
+
+DE BROEDER; _hij zit neder voor zijne zuster en weent._--Twee
+bloemen, die verwelken!--Arme roze, daar liggen nu dijne roode
+bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (_De
+zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend
+beekje_.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo
+juist!--Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken
+der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren
+gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,--kranslooze bloem
+op gebroken stengel,--nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den
+levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare
+ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat
+waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte
+zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des
+hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der
+maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal
+dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (_Hij buigt het
+hoofd en zwijgt_.)
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 1: Oudtijds, in plaats van _gij_, _u_ en _uw_, schreef men
+in het enkelvoud _du, dij, dijn_. Het is te bejammeren dat deze
+schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met _gij_, _u_ en _uw_ onze
+denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te
+worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene _s_ zet
+achter het werkwoord, zoodat men schreef _du habs, du wils_, voor ons
+hedendaags _gij hebt, gij wilt_.
+
+Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer
+mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud
+langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in
+zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig
+stuk zelf zal kunnen opmerken.
+
+Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:
+
+ M. V. O.
+ 1. dijn, dijne, dijn,
+ 2. dijnen, dijne, dijn,
+ 1. van dijnen, van dijne, van dijn,
+ of dijns, of dijner, of dijns,
+ aan dijnen, aan dijne, aan dijn,
+ of dijnen, dijne, dijn,
+ of dijner, of dijnen.
+ 1. naamval du,
+ " dij,
+ " dij, van, aan dij.
+
+
+
+
+
+II
+
+
+DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE
+
+
+DE ENGEL.--Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?
+
+DE DUIVEL.--Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder
+strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der
+menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.
+
+DE ENGEL.--Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?
+
+DE DUIVEL.--Is zij geene dochter Eva's?
+
+DE ENGEL.--Zij is het.
+
+DE DUIVEL.--Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en
+eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen,
+neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig
+gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland
+geschonken.--En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang
+reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij
+deze ziele!
+
+DE ENGEL.--Zij is rein, du kans ze niet raken.
+
+DE DUIVEL.--Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude
+waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar?
+(_Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem;
+de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond
+de maagd; vogelen zingen op het geboomte_.)
+
+DE ENGEL, _met droefheid en stil_.--O, du almachtige, verleen aan
+mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te
+doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het
+vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het
+verlies betreuren van het zoete maagdelijn!
+
+
+
+
+III
+
+
+DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.
+
+
+HET MEISJE; _zij ontwaakt met eenen glimlach_.--O, God, wat is dit?
+Genezen! Wat zoete begoocheling!
+
+Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig;
+warm bloed stroomt mij door de aderen.--Waar ben ik toch? Alles is
+hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het
+bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de
+engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (_De
+duivel vaart in eene roze_.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel
+tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij
+niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!
+
+DE ROZE, _waaruit de duivel spreekt_.--Zuster, ik kom en rust op
+dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du
+schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als
+de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik
+dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde
+zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik
+morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is
+dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen
+schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als
+de jongste morgenstraal!
+
+HET MEISJE.--Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem
+het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?
+
+DE ROOS.--Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du!
+Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens
+wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik
+sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden
+met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer
+verlate!
+
+HET MEISJE: _zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst_.--Blijf
+op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo
+bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen
+boezem!... Roze, dijne doornen wonden mij! (_Zij werpt de bloem
+weg_.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (_De duivel verbergt zich
+in het beekje_.)
+
+HET BEEKJE, _waaruit de duivel spreekt_.--O, du allerschoonste maagd,
+bekoorlijke Rosa!
+
+HET MEISJE.--Wie sprak mijnen naam?
+
+HET BEEKJE.--Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche
+boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig
+dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.
+
+HET MEISJE; _zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld
+in den gladden waterspiegel_.--Hoe rozevervig zijn heden mijne
+wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de
+gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch
+niet blanker dan mijn voorhoofd..... (_De duivel komt uit het
+beekje_.)
+
+DE DUIVEL, _spottende tot den engel_.--Ha, ha, engel des lichts, du
+begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal?
+Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet
+in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen
+gemoed,--ijdelheid en liefde? Een sleutel heeft reeds den boezem der
+maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart!
+
+DE ENGEL.--Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene
+onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams
+heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet
+niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan
+de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de
+maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke
+foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.
+
+DE DUIVEL, _met woede_.--Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen
+boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon
+ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van
+mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;--ja, daar
+verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht....
+Let op, ik ga dij werks leveren! (_Hij keert terug in het beekje_.)
+
+HET MEISJE, _in de beek ziende_.--Lief beekje, heeft dijn zilveren
+plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?
+
+HET BEEKJE.--Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene
+enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar
+gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb
+gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne
+boorden,--voor haar knielden,--om eenen blik harer oogen smeekten en
+voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder
+dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"--En toch, engellijke
+Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam;
+nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie!
+(_Zij verlaat het beekje_.)
+
+HET MEISJE; _zij blijft lang in mijmering verzonken_.--De schoonste
+zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!... Maar, wat
+zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne
+krankheid;--zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....
+
+DE ENGEL, _met diepe droefheid_.--Rosa, hebs du gansch dijnen goeden
+vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft
+gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?
+
+HET MEISJE.--Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne
+stem nu zoo treurig?
+
+DE ENGEL.--Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne
+geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne
+wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens
+waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik
+bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de
+steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den
+mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde
+tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij
+wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten
+wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de
+hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du
+hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu,
+eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen
+hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.
+
+HET MEISJE.--Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch,
+wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?
+
+DE ENGEL.--Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.
+
+HET MEISJE.--Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?
+
+DE DUIVEL.--Ha, ha, wel gezegd!
+
+DE ENGEL.--Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe
+wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en
+snelle voeten,--den zwane den ranken hals,--den pauwe het gulden
+vederkleed,--der duive de zoete oogen,--den nachtegale het bekorend
+lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij
+heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich
+verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de
+dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven
+heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een
+ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk
+eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God
+miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?
+
+HET MEISJE.--Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de
+lichaamsschoonheid, door God mij verleend.
+
+DE DUIVEL, _tot den engel schertsend_.--Engel des lichts, eindig
+toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich
+vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?
+
+DE ENGEL, _tot het meisje_.--Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne
+woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en
+onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.
+
+HET MEISJE.--O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne
+droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal;
+anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik
+het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch
+mij ontbreekt de macht.
+
+DE ENGEL, _tot den duivel_.--Achteruit, du verleider, dijn looze
+strik gaat breken! (_Tot het meisje_.) Rosa, du hebs een gelaat, een
+lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd;
+maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden,
+rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft
+zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den
+Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts eene dezer twee
+schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds
+du kiezen?
+
+HET MEISJE.--O, ik behielde immer de zieleschoonheid.
+
+DE ENGEL.--Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne
+lichtkroon in den hemel blinken!
+
+DE DUIVEL.--Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts;
+maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende
+worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke
+liefde.
+
+
+
+
+
+IV
+
+
+DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.
+
+
+HET MEISJE.--O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt
+den goeden God zelven,--het lichaam alleen den mensche.... (_Er komen
+twee tortelduiven op een wilgetak zitten_.) Gij, lieve tortelkens, ik
+wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen
+broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.
+
+DE DUIVEL, _tot de duivinne_.--Tot wanneer, o wreede, zals du
+ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en
+droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van
+steen?
+
+DE DUIVINNE.--Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om
+een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om
+eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du
+goede, trouwe vriend en beschermer.
+
+DE DUIVEL.--Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn;
+het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem;
+een ander vuur verteert mijn ingewand. (_De duiven vliegen weg_.)
+
+HET MEISJE.--Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch
+broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo
+sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik
+begreep hem niet;--hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,--en dan
+is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet
+verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....
+
+DE ENGEL, _tot den duivel_.--Mislukt is dijn aanslag op het
+spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!
+
+DE DUIVEL.--Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde
+slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik
+bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen.
+Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien!
+(_Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan_.)
+
+HET MEISJE; _zij ziet eenen jongeling naderen_.--Wie komt daar? O,
+hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O
+vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!
+
+DE DUIVEL, _in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat_.--Rosa,
+hebs du wel eenmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?
+
+HET MEISJE.--O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke
+vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft
+gedeeld.--Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine
+gezellinne niet vergeten?
+
+DE DUIVEL.--Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.
+
+HET MEISJE.--Waarom toch?
+
+DE DUIVEL.--Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van
+hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling;
+ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In
+onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen
+naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het
+gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen
+langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer
+vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende
+oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens,
+des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs
+du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden
+met mij, of ik sterf? (_Hij vat hare handen driftig in de zijne_.)
+
+HET MEISJE, _verschrikt_.--Los, los! dijne handen branden als vuur,
+dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen
+zielevrede.
+
+DE DUIVEL.--Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du
+zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat
+mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen
+trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O
+erbarmen, erbarmen! (_Hij knielt voor haar_.)
+
+HET MEISJE, _medelijdend_.--Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten
+verlichten, ik deed het gaarne.
+
+DE DUIVEL.--Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat
+du niemand boven mij bemins.
+
+HET MEISJE.--Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.
+
+DE DUIVEL.--Het zij zoo, bemin dijne moeder.
+
+HET MEISJE.--Ik heb eenen broeder.
+
+DE DUIVEL.--Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils
+zijn, dat du niets anders boven mij bemins.
+
+HET MEISJE.--En zoo ik het zegge, Lodewijk?
+
+DE DUIVEL.--O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne
+liefde!
+
+DE ENGEL.--Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen
+God?
+
+HET MEISJE.--O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme
+vriend; zou ik hem niet troosten?
+
+DE DUIVEL.--Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken:
+reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.
+
+HET MEISJE.--Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te
+vergrammen.
+
+DE DUIVEL.--O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in
+mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie,
+mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!
+
+DE ENGEL.--Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!
+
+HET MEISJE.--Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?
+
+DE ENGEL, _haastig_.--Rosa, beslis over dijn lot; daar voor u ligt
+een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.--In
+den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne
+liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen
+voor dijne zaligheid heeft vergoten....
+
+De DUIVEL.--O medelijden, medelijden met mij!
+
+HET MEISJE.--Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!
+
+DE ENGEL, _met wanhoop_.--Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie
+mijne vlietende tranen! Daar, daar is de dood.... Haastig, spreek
+dijn vonnis of dijne verzaliging.--Behoors du den jongeling en der
+wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele.
+Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen
+jongeling? Spreek!
+
+DE DUIVEL.--Ja, Rosa, spreek.
+
+HET MEISJE.--Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne
+liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....
+
+DE ENGEL.--Eilaas, zij valt.
+
+DE DUIVEL.--Zege, zege, mij de ziele!
+
+HET MEISJE.--En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne
+liefde en mijne ziele eeuwig aan God!
+
+DE ENGEL.--Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in
+den hooge!
+
+DE DUIVEL, _in zijne echte gedaante_.--Doemenis, doemenis, zij heeft
+overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil....
+Gevloekt, du engel des lichts! (_Hij vliegt heen in de ruimte_.)
+
+
+
+
+V
+
+
+DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER
+
+
+(_De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en
+staat op_.)
+
+DE ENGEL.--Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn
+hoofdeken in mijnen arm.
+
+HET MEISJE, _zij ontwaakt als uit eenen droom_.--Broeder, broeder!
+
+DE BROEDER.--Wat verlangs du, Rosa?
+
+HET MEISJE.--Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor
+dij, en eenen voor moeder.
+
+DE BROEDER.--O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?
+
+HET MEISJE.--Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in
+zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het
+hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!
+
+DE BROEDER.--Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.
+
+DE ZUSTER.--Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en
+kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden
+zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon.
+Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,--ik stijg op met hem
+langs de baan des lichts!
+
+DE BROEDER.--Dood!
+
+
+
+
+
+DE NIEUWE NIOBE
+
+
+VERHAAL
+
+
+
+ Wat onder Godes hand niet buygen
+ wil, dat breekt. J. CATS.
+
+
+Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen
+eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend
+schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien
+spelenden geest, dien de Franschen _esprit_ noemen, had zij zich,
+volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend
+geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche
+vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de
+ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van
+een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor
+alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een
+ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo
+niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen,
+zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste
+uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet
+naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige
+Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame,
+en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat
+zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar
+overkomen ware.
+
+Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer
+prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood
+damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een
+boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede
+zedelessen bevatte. Las zij er in?--Misschien wel; doch wie haar zag
+en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette
+de oogen gansch te openen.--Alles in die plaats gaf getuigenis van
+den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de
+schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze
+voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een
+raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs
+verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der
+weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar
+het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene
+flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige
+en verleidende verf te geven.
+
+Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes
+allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste
+gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een
+groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten
+elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit;
+want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen
+oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het
+oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het
+jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens
+en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een
+zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne
+handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal
+zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen
+zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak
+voorstellen.... Ja, het was wel zoo:--die fijne kinderwezens, dit
+helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,--die blonde
+haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet
+gezengd,--die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of
+overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare
+frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste
+bloemen der Lente!
+
+En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer
+vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche
+verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet
+gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot
+de wereld.
+
+Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen,
+zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur
+geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich
+en sprak:
+
+"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal
+aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb
+ze altijd afgewezen;--zij schijnt eene gemeene burgerin."
+
+"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben
+_onzichtbaar_ voor zulke lieden. Maar indien Eugene De Valenge komt,
+laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge
+Franschman, die mij gisteren van het _concert_ naar huis geleidde?"
+
+De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:
+
+"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even
+sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart
+breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."
+
+Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of
+driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:
+
+"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is
+haar naam?"
+
+"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam
+van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."
+
+Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of
+eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het
+aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger
+vooruit en antwoordde met gramschap:
+
+"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat
+ik niet te huis ben. Ga!"
+
+Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken,
+of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,--een gerucht
+als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.--Eene nog jonge
+vrouw sprong er binnen en viel op hare knieen voor de voeten van
+mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte,
+misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met
+trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de
+handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare
+kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:
+
+"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt
+gij?"
+
+De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van
+mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:
+
+"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en
+totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp
+op hare knieen afbidt...."
+
+De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden
+van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde
+zij met eene gemaakte koelheid:
+
+"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij
+iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw
+doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer
+geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort
+mogelijk."
+
+Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der
+jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene
+geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan:
+want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren
+schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond
+op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:
+
+"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit
+bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons
+vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn.
+Maar heb nu toch eens medelijden met ons,--o, red ons van schande en
+armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam
+zegenen als dien van eenen engel!"
+
+Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en
+deed ze twee-of driemaal klinken.
+
+"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen,
+"men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"
+
+En zich tot de weenende vrouw wendende:
+
+"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet
+hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"
+
+Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij
+weerhield zich en sprak met haastige woorden:
+
+"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood,
+nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met
+weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot
+is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij
+hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd.
+Voor maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene
+goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons
+bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis
+om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het
+gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht,
+overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch
+spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer
+gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor
+mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met
+mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben
+zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe
+kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed
+zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene
+andere moeder ongetroost laten weggaan?"
+
+Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van
+maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.
+
+"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.
+
+"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de
+goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld
+verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het
+gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij
+over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende
+en schaamte zult hebben gered."
+
+Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van
+Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:
+
+"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw
+man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen
+toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de
+luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve
+uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij
+denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt
+gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Daar is de deur!"
+
+De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te
+storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte,
+ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor
+mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:
+
+"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe
+dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond
+den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als
+eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet
+meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom,
+dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel,
+hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij
+slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht
+heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"
+
+Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was
+neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:
+
+"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"
+
+"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van
+mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?--En
+hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij
+mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen
+voor den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in
+bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde,
+en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat
+kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt,
+edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken,
+en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet
+het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en
+verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij
+alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en
+dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."
+
+Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde
+zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende
+bedreigingen:
+
+"Wat gestolen?--Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis,
+dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de
+straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe
+lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel
+zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen."
+
+"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon,
+dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet.
+En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat
+gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij
+het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet
+willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe
+ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit
+genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele
+dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin,
+door laag bedrog, in ellende te dompelen...."
+
+Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen
+harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking
+harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de
+bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op
+hetgeen de jonge vrouw zeide:
+
+"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne
+erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij
+en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld
+verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde,
+uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."
+
+Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach
+en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak
+met klaardere stem:
+
+"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de
+hersens;--en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen.
+Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer
+zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet
+bij uw verstand...."
+
+"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt,
+kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke
+zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen
+te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!--Maar
+gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou,
+zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan
+alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen....
+Bemint gij ze dan niet?--Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo
+dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want
+ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een
+onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in
+mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare
+beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:
+
+"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor
+u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne
+kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij."
+
+"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster,
+zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke
+huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"
+
+De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van
+Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:
+
+"Welke plaag? Welke plaag?"
+
+"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel
+in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe
+armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den
+schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."
+
+Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van
+Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik
+daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare
+tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan
+naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:
+
+"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze
+lamentatien moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet
+wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te
+spreken, want de deur blijft voor u gesloten."
+
+"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende.
+"Vaarwel!"
+
+Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook
+daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren
+geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken een voor een terug
+in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige
+overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij
+geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den
+ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo
+bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van
+Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:
+
+"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"
+
+"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen,
+wat ongeluk ons nadert."
+
+"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.
+
+"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer
+Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,--en dezen morgen zeide
+hij mij nog goeden dag!"
+
+Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van
+mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te
+vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:
+
+"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij!
+Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!"
+
+"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe
+kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;--ik zal ze gaan halen.
+Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid
+hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn
+er eenen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn
+gevlucht."
+
+Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van
+mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke
+hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare
+kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte
+daaruit nog eenigen moed.
+
+De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij
+door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne
+liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt,
+dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo
+vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene
+nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag
+zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke
+bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar
+beven.
+
+"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.
+
+"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie
+altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in
+mijn lijf."
+
+Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare
+kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.
+
+"O, Pieter," huilde zij, "Eugene heeft de cholera. Gauw, loop om
+dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die
+gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene
+vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,--ik zal uwe
+moeite niet onbeloond laten!"
+
+De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar
+hare kinderen....
+
+Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare
+borst opsteeg! Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich
+rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner
+voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn
+hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.
+
+Ho!--hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was,
+bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen
+besproeide,--hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en
+geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te
+zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en
+met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het
+vervolgde, wilde ontvluchten;--en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij
+het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou
+gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene
+zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen
+onfeilbaar schild tegen den dood.--Het kind werd koud op de borst
+dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef;
+zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten
+ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water
+waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde
+en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand
+beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner
+moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem,
+die klonk als bevend glas:
+
+"Drinken, drinken! ik heb dorst!"
+
+De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het
+met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde
+zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.
+
+In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen
+niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar
+nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen
+haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de
+aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van
+schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met
+haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar
+roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij
+haar hoofd en sprak knielend....
+
+"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."
+
+Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik,
+sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en
+bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen.
+Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en
+schreiden met hartverscheurend snikken.
+
+Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon,
+wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit
+tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;--doch hij,
+die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee
+blinkende tranen uit zijne oogen.
+
+"Rampzaligen!" zuchtte hij.
+
+
+[Illustratie: Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.]
+
+
+Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van
+den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de
+knieen, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:
+
+"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods
+wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,--ik kus het stof uwer
+voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"
+
+De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne
+ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een
+teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden
+buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare
+oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,--en tot de lijdende
+kinderen gaande, sprak hij:
+
+"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik
+hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien
+niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar
+niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook
+schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over."
+
+De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal.
+De heer Schippers hernam:
+
+"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een
+vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw,
+die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid
+over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."
+
+Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan
+zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen,
+liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens
+huilend en riep met verpletterd wee:
+
+"Eugene! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit
+meer zien...."
+
+Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de
+knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier
+kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in
+eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede
+zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten,
+of hare kinderen nog omtrent haar waren.
+
+De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch
+na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer,
+waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent
+zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van
+ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten
+als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te
+worden;--maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen
+grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem
+het kind uit de armen.
+
+"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne
+Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,--gij, die den naam uwer moeder
+draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des
+doods!"
+
+Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden
+van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel
+gezonken waren.
+
+"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe
+moeder nog eens, mijn arm kind;--gij ook verlaat mij, gij, mijn
+evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste
+schat.... Vaarwel, vaarwel!"
+
+En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en
+deerlijk huilend vallen liet.--Na eenigen tijd met starende oogen,
+misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in
+haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in
+haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieen, met de
+handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was
+onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde
+lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen
+hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en
+stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die
+biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min
+hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme
+den knecht, die onmiddellijk verscheen.
+
+"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugene, met Virginia, met
+Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."
+
+De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.
+
+"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart.
+God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen
+almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne
+genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel,
+de beproeving is nog niet gedaan.--Pieter, mijn vriend, ik verzoek
+u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat
+hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen
+zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot
+vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen
+was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen.
+Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu
+ken ik ze!"
+
+De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk
+verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze
+beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat
+bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene
+uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou
+gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar
+hart vervangen had.--Maar die blijdschap moest van korten duur zijn.
+Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op
+hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds
+bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling
+viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond,
+en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing;
+zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden
+kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.
+
+U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware
+onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw
+zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan,
+indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht
+van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende
+eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de
+nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen
+steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk
+opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de
+geneesheeren zich bevonden.
+
+Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met
+haar kind op het tapijt.--Arme moeder! Zij had met een vluchtigen
+blik haren Eugene en hare Virginia gelijkt zien liggen.
+
+Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en
+in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer
+handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te
+roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek,
+en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij
+zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende
+kracht:
+
+"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens
+u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;--gij ziet het, ik
+ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in
+alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen
+op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het
+leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe
+vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg
+mij, vergeeft gij mijne misdaden?"
+
+De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:
+
+"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang
+vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en
+bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u
+niet verlaten, voordat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij
+zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne
+barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog
+moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven
+gij vreest."
+
+"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet,
+hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en
+onderbreek mij niet.--Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina.
+Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar,
+ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De
+opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den
+sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest
+ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam
+van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van
+God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot
+mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het
+ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner
+kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het
+onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van
+hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van
+heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...."
+
+"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.
+
+"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel,
+dat ik mij onrechtvaardig heb toegeeigend, niet meer aanraken zal! En
+ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart
+door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieen
+uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe
+afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?--Het
+kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik
+vraag u geen woord,--slechts eenen kus van verzoening en
+vergiffenis,--en dat de Heer ons zie!"
+
+De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven
+lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er
+in die verzoening!
+
+ * * * * *
+
+Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de
+Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed;
+de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte
+tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan
+zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van
+het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de
+voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen
+en sprak weemoedig:
+
+"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en
+zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten
+heeft."
+
+Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene
+godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:
+
+"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"
+
+
+
+
+WEETLUST EN GELOOF
+
+
+ZINNEBEELD
+
+
+Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.
+
+De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd;
+het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,--en alles
+bracht sombere gedachten in mijn hart op.
+
+Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht,
+vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.
+
+Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber
+nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.
+
+Het levend raadselwoord stond voor mij!
+
+Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam
+eens booms, door den storm ontworteld.
+
+De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude
+tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon
+schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij
+bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het
+smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen
+vinger vooruit en sprak:
+
+"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het
+geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.
+
+Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij
+verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.
+
+En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk
+_grondbeginsel_ gezocht.
+
+Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was
+zwaar om te dragen.
+
+Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner
+genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het
+troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem.
+
+Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de
+dienst Gods zelf.
+
+De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;--mijne
+wenkbrauwen zonken over mijne oogen;--twee breede rimpels
+verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende
+gepeinzen werden mijn aandeel.
+
+Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des
+Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben."
+
+ * * * * *
+
+Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:
+
+"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien
+de aarde uw hoofd tot zich trekt.
+
+Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere
+tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u
+niet verkwikken en ondersteunen,--dat gij weenend ten grave zinkt?"
+
+"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbitteren glimlach, "gij kent
+des menschens leven niet!"
+
+Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op
+mijne wangen,--en alles lachte mij toe in de gulle natuur.
+
+Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.
+
+En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde
+ik.--Ik kon bidden en danken.
+
+Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,--als het schitterend
+dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend
+verheft en uitdooft--om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te
+schijnen.
+
+Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om
+het lijden te kunnen vergeten.
+
+En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.
+
+Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met
+de zielen der menschen geschapen was.
+
+Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.
+
+Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,--en ik riep
+mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig
+liefde in 's menschen hart is.
+
+Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.
+
+Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.
+
+Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte
+water op mijne wangen.
+
+En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.
+
+Ho!--op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,--mijn boezem
+klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...
+
+Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;
+
+En het gapend graf ontving zijn lichaam,--en de koude aarde bedekte
+den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....
+
+En het was voor eeuwig!
+
+Dan zocht ik het geluk in de min.
+
+Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,--en het
+arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.
+
+Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.
+
+En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.
+
+Aan God dacht ik niet!
+
+Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de
+wereld.--De zeise des doods liep over de aarde;
+
+En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden
+geslagen.
+
+Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen
+boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieen zien
+liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.
+
+Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds
+tweemaal op zijne lippen was geweest,
+
+Dan bad ik den Heer om genade;
+
+Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;--want eene afgrijselijke
+stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den
+geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam.
+
+Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne
+zinneloosheid.
+
+De dooden hooren niet!...
+
+Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in
+mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!
+
+Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem
+geledigd....
+
+En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.
+
+Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.
+
+En ik bleef alleen in de wereld.
+
+Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de
+hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden.
+
+En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking
+met de droefheidsstonden--waren als 1 tot 1000!
+
+Ik riep spijtig en lasterend tot God:
+
+Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch
+hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen,
+opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...
+
+En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart
+werd koud:
+
+Geloof ontging mij gansch,--weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.
+
+En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de
+lippen houden;
+
+En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"
+
+ * * * * *
+
+De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.
+
+Zijn schedel helde zwaar voorover,--hij wandelde moeilijk en ging
+gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis.
+
+Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber
+aandenken.
+
+Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk
+mij te gemoet treden.
+
+Doch ik had nog betrouwen in God.
+
+Mijn oog ging smeekend ten hemel.
+
+En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking
+weg.
+
+Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking
+vroeg mijne ziel.
+
+Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.
+
+En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het
+beenderhuisje.
+
+Daar ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met
+angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.
+
+Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,--want
+eene magere en beenige hand raakte de mijne.
+
+En de grijsaard stond weder nevens mij.
+
+ * * * * *
+
+"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel
+raakte, "ziet gij daar dit hoofd?--Dit was mijn vader!..."
+
+En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne
+stem.
+
+En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.
+
+Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen
+kleineren schedel en sprak:
+
+"Ziet gij daar?--Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was
+hij,--en hij stierf toch.
+
+Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.--Dit mijn vriend!...
+
+Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk
+en mijne zaligheid!
+
+Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het
+leven over.
+
+Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.
+
+En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel
+ook wit maken en bederven...."
+
+Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen
+lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn
+antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene
+schaduw voorbij.
+
+Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en
+zoo beminnelijk als de hoop zelve.
+
+Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.
+
+Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen
+op de aarde.
+
+De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:
+
+"O, kind, verstaat gij het leven nu?--Begrijpt gij nu dit
+raadselwoord van alles--_vernietiging_?"
+
+"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"
+
+Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God
+verlicht:
+
+"Daar woont het eeuwige raadselwoord van alles,--van leven, van
+dood,--van geluk en rouw!...
+
+Ik ben ook door God bezocht geworden,--mij ook is een echtgenoot, een
+kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik
+nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:--God."
+
+Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.
+
+Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en
+verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.
+
+En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.
+
+Hij antwoordde: _Weetlust_!
+
+En de vrouw op deze vraag antwoordde: _Geloof_!
+
+Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte
+kon mij onder dat heilige scherm nog raken.
+
+Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.
+
+
+
+
+HET BEULSKIND
+
+
+VERHAAL
+
+
+I
+
+
+Den avond voor Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen
+zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand
+tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de
+stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis
+niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door
+eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms
+in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte
+heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich
+tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond
+was.
+
+Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden
+hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou
+bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den
+rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de
+armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag
+en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van
+tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle
+woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de
+sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof
+gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke
+zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende
+hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet
+dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft,
+maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste
+foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen
+vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk
+teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen,
+en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch
+zijner borst.
+
+O, ongelukkig,--duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel
+de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds
+twintig jaar de hel in zijn hart droeg?
+
+Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren
+liet,--dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het
+voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader
+gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om
+den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die
+vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.
+
+En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk
+opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht,
+bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel
+verried;--toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige
+teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde;
+alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon
+vergaderde.
+
+Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de
+spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht
+geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar
+uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging,
+waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich
+nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en
+hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene
+slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als
+een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het
+gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij
+biddend om troost en verlichting mocht smeeken.
+
+Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol
+zielepijn, daar tegen den populierboom rustte....
+
+En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel
+vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en
+mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik
+verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:
+
+"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen
+heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd
+brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en
+vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en
+uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem."
+
+Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar
+gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle
+schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide
+de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang,
+en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte;
+want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om
+beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.--Op
+eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een
+geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:
+
+"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,--ik moet drinken!"
+
+Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef
+eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht
+straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde
+stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om
+zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor
+eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle
+vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op
+zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:
+
+"Ha! daar is niemand in,--ik zal kunnen drinken!"
+
+De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij
+dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar
+hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was
+met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op
+iets schenen acht te geven.
+
+Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en
+was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren
+kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster
+luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht
+gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden
+zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker
+nagezien.
+
+De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen,
+en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch
+ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en
+vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene
+kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met
+wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van
+zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd
+dieper en ontging dus haar onderzoek.
+
+Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde
+bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling
+gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in
+gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien,
+dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield
+den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig
+bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel
+rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte,
+en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid
+had opgewekt.
+
+De jongeling dronk met haast en ledigde in eenen teug de kan tot op
+de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van
+twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde
+teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der
+kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat
+ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling.
+
+"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons
+gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals
+en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen
+aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!"
+
+De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige
+zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en
+hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk
+te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de
+haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde,
+geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap
+van burgeren dorst begeven.
+
+De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het
+bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen
+zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem
+alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de
+waardinne:
+
+"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan
+verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.--Gij zoudt
+ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!"
+
+"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en
+gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken
+wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken
+mans huis komt?"
+
+En zich tot Geeraart keerende:
+
+"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij
+nog niet, beulenras?"
+
+De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij
+al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart
+opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te
+vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar
+met koelheid:
+
+"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen
+evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen,
+omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen
+pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven.
+Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond
+behandelt!"
+
+De stem van den jongeling was zoo zoet en zoo treffend, dat de
+waardin zich er over verwonderde; zij kon niet begrijpen, hoe het
+mogelijk was, dat iemand zoo zachtmoedig bleve, nadat men hem zoo
+hard had behandeld. Een traan blonk in haar oog, en den Stooter van
+den toog opvattende, wierp zij hem Geeraart toe, zeggende:
+
+"Daar, ik wil uw geld niet: neem het en ga met vrede!"
+
+Degene, die het bier in Geeraarts aangezicht gesmeten had, raapte den
+Stooter van den grond, en, hem bezien hebbende, wierp hij hem met
+afschrik op eene tafel.
+
+"Ziet, ziet, er is bloed aan den Stooter," riep hij, "menschenbloed!"
+
+Al zijne makkers drongen rondom de tafel, en deinsden van schrik
+weder achteruit, alsof zij het lijk gezien hadden, waarvan zij dit
+bloed waanden voort te komen. Een algemeene schreeuw van smaad en
+afgrijzen werd tegen Geeraart uitgegalmd.
+
+De jongeling wist, dat dit verwijt valsch was; want hij had
+denzelfden Stooter nog dien avond, tijdens het lof, van eene
+stoelenzetster in de kerk ontvangen. De onrechtvaardigheid zijner
+vijanden vervoerden hem dermate tot gramschap, dat hij zijne koelheid
+gansch verloor, en van toorn zoo bleek werd als een linnen doek.
+Zijnen hoed dieper op het hoofd geplaatst hebbende, sprong hij in
+woede tot bij de tafel, waarop de Stooter lag, en borst als een dolle
+leeuw tegen zijne vijanden uit:
+
+"Boosaardigen! Wat raast gij van bloed? Ziet gij niet, dat dit stuk
+geld van eene slechte stof is, en dat het rood schijnt gelijk alle
+andere Stooters? Maar, neen, de lust tot kwaad verblindt u. Gij zegt,
+dat ik een beulskind ben,--ja, zoo wilde het God!--doch gij zijt
+verachtelijker dan ik, en ik ben trotsch en hoogmoedig, dat ik noch
+bij naam, noch bij daad aan zulke bedorvene menschen, als gij zijt,
+gelijk!"
+
+Even waren die woorden hem ontsnapt of vuistslagen en stampen vielen
+van alle kanten op hem; hij weerde zich dapper en dwong meer dan
+eenen vijand to zwichten; doch het getal was te groot voor zijne
+macht....
+
+Verwenschingen en smaadwoorden klonken verward in de kamer; kannen en
+glazen vielen tusschen de omgeworpene tafels en stoelen aan stukken;
+de waardin riep om hulp....
+
+Na eenigen tijd geworsteld te hebben, bevond Geeraart zich te midden
+der straat, nog gansch verdwelmd en bezeerd van de slagen, die hij
+had ontvangen. Hij schikte zijnen mantel, deed de blutsen uit zijnen
+hoed, en vervolgde zijnen weg op dezelfde wijs als hij hem had
+begonnen, zonder nog aan dien twist te denken. Veel schrikkelijker
+zaken spreidde zijn geest in de duisternis voor zijne oogen uit.
+
+
+[Illustratie: Hij weerde zich dapper en dwong meer dan eenen vijand
+tot zwichten.]
+
+
+Gedurende den tijd, dien Geeraart in dit krakeel versleten had, was
+er ergens eene maagd, wier hart hevig klopte, en die met benauwdheid
+op de komst van het beulskind wachtte, alsof een geheim voorgevoel
+haar zeide, dat iets hem moest miskomen. Zij alleen was een engel van
+troost en lafenis voor den ongelukkigen jongeling, en beminde hem
+uitermate,--omdat zij wist, dat hij van iedereen veracht en versmaad
+was. Hare liefde had aan de berispingen harer moeder, aan de
+verwijtingen harer geburen en aan de bespotting der andere meisjes
+wederstaan. Ja, wanneer men haar het ambt van Geeraarts vader als
+een scheldwoord toewierp, en dat men haar beulsvrouw of nog erger
+noemde, verblijdde zij zich, omdat zij dan den edelmoed en de
+zuiverheid harer liefde gevoelde en dacht, eene aan God aangename
+drift te voeden. Zij had gelijk, de goede maagd; want geen geld of
+goed hebbende om, volgens den wil des Heeren, hare ongelukkige
+evenmenschen bij te staan, schonk zij integendeel den kostelijksten
+schat haars harten, de vlam eener zuivere min, aan den ongelukkigste
+harer stadgenooten.
+
+Apolonia of Lina, zoo was haar naam, woonde in de Vliersteeg, op eene
+kleine kamer, met hare oude moeder en met haren broeder Frans.--een
+goeden jongen, die gedurende vijf dagen in de week zich zelven te
+zweet werkte, een halven dag in de kerk ging bidden en anderhalven
+dag in de herberg met drinken en zingen doorbracht, van waar hij
+zelden zonder blauwe oogen terugkwam. Gedurende de vijf dagen, die
+hij tot werken bestemd had, was er naarstiger, noch bekwamer
+timmerman; ook bracht hij des Zaterdags en zonder feilen altijd een
+goed deel gelds aan zijne oude moeder, welke hem daarom bijzonder
+liefhad.
+
+Terwijl Geeraart zich naar de Vliersteeg spoedde, zat Lina met hare
+moeder bij de schouw aan het kantwerken; daar zij uit spaarzaamheid
+slechts een licht branden wilden, hadden zij hare lichters dermate
+geschikt, dat zij met het aangezicht naar elkaar gekeerd zaten. Wat
+verder, aan de andere zijde der kamer, stond een timmermanswerkbank,
+waarbij de arbeidzame Frans bezig was met iets te timmeren. Wat de
+kamer zelve betreft, die was wel zuiver en met wit zand bestrooid,
+wel met een kruisbeeld en eenige beeldekens van heiligen versierd,
+doch niet prachtig; want de personen, welke ze bewoonden, wonnen niet
+veel met het dagelijksch werk hunner handen.
+
+Gewoonlijk kwam Geeraart om acht uren des avonds; nooit had hij dit
+nagelaten zonder Lina er van te verwittigen; nu was het reeds tien
+uren, en hij was nog niet verschenen. Het meisje wist niet wat te
+denken, en was zoo mistroostig en zoo verstrooid, dat zij op eene
+vraag, welke hare moeder haar deed, niet antwoordde.
+
+"Wel kind," riep de oude vrouw, "wat let u dan? Komt hij vandaag
+niet, dan komt hij morgen. Er zijn immers dagen genoeg in 't jaar?"
+
+"Ja, moeder, gij zegt wel; maar ik ben bang, dat hem iets kwaads zal
+gebeurd zijn: hij komt toch nooit zoo laat. De menschen zijn zoo
+boos op hem"
+
+"Ja maar, kind, hij is toch de zoon van den beul, en die hebben
+altijd in den haat gestaan. Men heeft immers den beul Harmen
+doodgeslagen en den beul Hansken aan den Kroonenburgtoren
+verdronken?"
+
+"En wat hadden die menschen gedaan, moeder?"
+
+"Dit weet ik niet,--niets, geloof ik. Maar dit is, omdat de beulen
+zoovele onnoozele menschen ophangen."
+
+"Wel, de beul moet doen wat de schout hem gebiedt, moeder; waarom
+verdrinken ze dan liever den schout niet?"
+
+"Ho! ho! Lina, dit is altijd zoo geweest; en er is een spreekwoord,
+dat zegt, dat in een nest, waarin vele honden zijn, de kleinste
+altijd het minst eten krijgt en het meest gebeten wordt."
+
+"Dat is een leelijk spreekwoord, moeder...."
+
+Nog lang redekavelden zij op dien toon, totdat de oude vrouw het
+waken moede werd en tot hare dochter geeuwend sprak:
+
+"Kind, sta op, wij zullen gaan slapen, want 't is al zoo laat!"
+
+Dit bevel behaagde het meisje niet, daar zij de hoop op Geeraarts
+komst nog niet verloren had; zij wist niet wat uit te vinden, om hare
+moeder op te houden. Zou zij liegen? Zich eenigen tijd daarover
+bepeinsd hebbende, waagde zij toch eene kleine leugen.
+
+"Moeder," sprak zij, "laat ons nog wat wachten: nog drie bloemen en
+dan is mijne kant afgewerkt."
+
+"Wel, spoed u dan wat, kind lief; want mijne oogen gaan toe."
+
+"Ik ga nog niet slapen!" riep Frans van zijne werkbank. "Ik moet dit
+naaikussen afmaken voor de waardin uit het _Paardeken_; zij zal het
+morgen vroeg komen halen."
+
+"Jongen, jongen," sprak de moeder met eenen berispenden glimlach,
+"gij zult gewis op Zondag meer in het _Paardeken_ gedronken hebben,
+dan uwe beurze kon lijden. Werk dan maar om uwe schuld te
+betalen.--Ik ga te bed. Vergeet niet te bidden, eer gij slapen gaat."
+
+Zij stond op en begaf zich in een ander, klein vertrek, onder het
+mompelen van een stil _goeden nacht_.
+
+Nauwelijks kon de moeder eenige stonden te bed zijn, toen Geeraart
+aan de deur klopte en door Frans werd binnengelaten.
+
+Hij was zeer bleek in het aangezicht en uitermate droef; doch dit
+verwonderde Lina niet, vermits zij zelden het voorhoofd haars
+minnaars zonder de rimpelen van smartelijke gepeinzen gezien had. Met
+langzamen tred ging de jongeling tot de maagd, vatte stilzwijgend
+hare hand en drukte ze even stilzwijgend op zijne borst. Dit was zijn
+gewoonlijke groet; maar bij gebrek aan woorden, die hij weinig
+gebruikte, spraken zijne oogen de diepste dankbaarheid en de innigste
+liefde.
+
+"Geeraart," riep Lina, "wat hebt gij? Uwe hand is koud als lood! God!
+er is bloed aan uwen hals...."
+
+"Het is niets, Lina; in de duisternis heb ik mij onvoorzichtiglijk
+bezeerd. Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik slechts aan het lichaam
+mocht lijden."
+
+Dit laatste gezegde was vergezeld van een diepen zucht, waarvan de
+holle toon Lina met angst en benauwdheid vervulde. De strakheid van
+Geeraarts scherpe blikken deed haar voor een vervaarlijk nieuws
+vreezen. Met liefderijken kommer reinigde zij zijn hoofd van het
+weinige bloed, dat uit eene geringe wonde gestort was, en vatte
+ondertusschen de hand van haren minnaar, deze drukkende als om hem
+moed in te boezemen en hem hare innige liefde tot troost te doen
+gevoelen.
+
+Geeraart bezag het meisje met beweeglooze oogen; men zou gezegd
+hebben, dat hij zijne ziel in haar wilde overzenden; want hij staarde
+met zulke kracht op haar, dat zij hem losliet en, op eenen stoel
+nederzinkende, hem toeriep:
+
+"O, Geeraart, bezie mij toch zoo niet! Het leven ontgaat mij onder uw
+gezicht...."
+
+De jongeling boog het hoofd en blikte ten gronde, doch haar weldra
+opnieuw beziende, nam zijne stem eenen toon aan, die eenen
+doodelijken angst verried en het hart van Lina wreedelijk
+verscheurde.
+
+Terwijl het meisje hem schier gevoelloos aanhoorde en hij op eenen
+stoel voor haar nederzat, sprak hij:
+
+"Vriendinne, luister, bid ik u, want ik zal lang spreken: mijne stem
+hoort gij voor de laatste maal."
+
+Zonder op de bleekheid der bevende Lina acht te geven, ging hij
+voort:
+
+"Nog kinderen zijnde, hebben wij samen gespeeld; iets, dat wij niet
+begrepen, en dat nu in de dwingende vlam der liefde is veranderd,
+trok ons tot malkaar. Dan wist gij niet, engel dat gij zijt, wat het
+is de eerstgeborene van eenen beul te zijn; gij wist niet, dat
+degene, die hangt en radbraakt en brandmerkt, met meer schande
+beladen wordt dan die, welke door hem gehangen of gebrandmerkt
+worden. Later hebt gij iets er van geweten; maar uwe zuivere ziel
+wilde in de onrechtvaardigheid der menschen niet deelen, en naarmate
+mijn ongeluk zich voor uwe oogen ontrolde, werd uwe liefde ook
+grooter, omdat gij wist, dat ik die liefde noodig had om niet te
+sterven. O, ja, zonder u zou die zielepijn mij lang gedood hebben,
+want ik geloofde aan niets meer dan aan de rechtvaardigheid van den
+God, die mij een beter leven bereidt en aan de onvergankelijkheid
+uwer min.--De menschen vervolgen mij als eenen gevloekte; het bloed,
+dat gij nog op mijnen hals ziet druipen, is gestort door hunnen
+boozen haat; maar dit ware niets, mijne lieve, o neen, ik zou geene
+enkele klacht voortbrengen, indien mijn lichaam tusschen twee steenen
+verpletterd werd,--maar de pijn,--de foltering zit daar!"
+
+Hij bracht den vinger op zijn bleek voorhoofd, terwijl hij dus
+voortging:
+
+"Weten, dat men het zuiverste leven, met de grootste goedhartigheid,
+door iedereen bespot, geslagen en gehaat moet worden,--zonder ooit,
+ooit, door welke edelmoedigheid het zij, iets anders dan slijk in het
+aangezicht te krijgen. O, engel van goedheid, verstaat gij, dat dit
+meer is dan ik kan dragen, en dat mijn hart droog wordt bij die
+pletterende overtuiging?"
+
+"Dit heb ik lang verstaan," zuchtte Lina door hare tranen. "Zijn uwe
+pijnen niet in mijn hart? Komt er droefheid op uw gelaat, zonder dat
+mijn oog zich met het bitter water der smart bevochtige?..."
+
+Geeraart hield een oogenblik op van spreken, om zijne vriendin te
+hooren, doch vervolgde zonder van zijne eerste rede af te wijken:
+
+"Wij hebben ons gevleid met de hoop, dat een onverwacht voorval mij
+van het beulsambt zou bevrijden, en dat wij dan gerust en onbekend in
+eene andere stad zouden hebben kunnen wonen; maar eilaas, lieve Lina,
+wij hebben gedroomd. Het noodlottig uur is gekomen,--morgen, ja reeds
+morgen zult gij uwen ongelukkigen Geeraart met het moordzwaard in de
+vuist op het schavot zien. Daarom is de hand, die den doodslag geven
+moet, koud als ijs.--Daar, voel!"
+
+En hij reikte eene lijkvervige hand aan zijne vriendin.
+
+"Mijn vader ligt ziek te bed," voegde hij er bij, "en de Schout heeft
+mij bevolen, morgen den schipper Herman te rechten!"
+
+Alsof de zielskracht van Geeraart waarlijk in Lina ware overgegaan,
+hielden hare tranen eensklaps op van vlieten, en hem beziende met
+blikken, die nog strakker dan de zijne waren, vroeg zij:
+
+"Welnu, wat eischt gij dan?"
+
+"Ik eisch, dat gij mij vergeet en mij alleen aan de smart en aan de
+verachting overlaat. O, Lina, geef mij dien troost!"
+
+"Weegt mijne liefde u zwaar, Geeraart? Zou uw hart voor dit gevoel
+ook droog geworden zijn?"
+
+"Neen, vriendinne; maar iets anders doet mij een eeuwig afscheid van
+u vragen;--gij hebt uw jong leven onder den smaad en de beschimping
+der andere menschen om mijnentwil versleten, en gij hebt den zoon van
+eenen beul met uwe liefde bedekt, om hem voor de schichten des haats
+te bevrijden; door u alleen heb ik het geluk gesmaakt, dat mij anders
+onbekend zou zijn. Ja, gij hebt u als eene martelaresse voor mij
+opgeofferd. Het gevoel, dat mij aan u verbond, heeft mij tot hiertoe
+verblind gehouden; maar gedenk, goede Lina, dat ik morgen niet meer
+een beulszoon, maar de beul zelf zal zijn. En gelooft gij, kunt gij
+denken, dat ik zooveel zelfopoffering van u zal vragen? dat ik lijden
+zal, dat men u verwijte, dat de beul zelf uw minnaar is?--Gelooft gij
+mij onedel genoeg om u, u, die de zuivere onnoozelheid zelve zijt, na
+morgen nog met mijne handen, aan te raken? met handen, die in
+menschenbloed zullen gedoopt zijn? O, zeg mij, dat gij ten minste mij
+nog groot van gemoed acht, dat gij mijne ziel kent, en dat gij weet,
+dat ik zulks niet doen zal, of doen kan!"
+
+Eene zonderlinge verandering deed zich op de wezenstrekken van het
+meisje bemerken; er was eene uitdrukking op gekomen, die zonder
+twijfel uit een gevoel van blijdschap voortsproot, want hare oogen
+blonken met een helder vuur, en een zoete glimlach bewoog hare
+lippen. Zonder den hartstocht, welke haar op dit oogenblik vervoerde,
+te begrijpen, gaf zij zich over aan de inspraak van haar hart, en
+gevoelde die innige vreugd, welke een edelmoedig besluit met zich
+brengt. Zij antwoordde zonder ontsteltenis:
+
+"Welnu, mijn vriend, ik begrijp ten volle, wat gij zeggen wilt, wat
+edel gemoed het uwe is; maar denkt gij, dat ik u niet eene gelijke
+liefde toedraag, of dat ik min edel van hart ben? O, ik blijf de uwe,
+morgen nog en voor eeuwig. Ik zal u beminnen, beul of niet,--hier of
+op het schavot. Geeraart, ik begrijp mijnen plicht: eens word ik uwe
+vrouw, ondanks den smaad der menschen, en ik zal over uw leven den
+balsem der genegenheid altijd doen vloeien."
+
+"Nooit,--nooit, Lina, wordt gij de vrouw van eenen beul. Indien ik
+misdadig genoeg ware om dit te lijden, verdiende ik den eeuwigen
+vloek. Zou ik met u mij in den poel van schande en verachting
+trekken? O, neen."
+
+"Nooit verlaat ik u, Geeraart: ik hecht mij onafscheidbaar aan uw
+lot, en gij zelf zijt niet machtig genoeg om mij van u te scheiden.
+Gelooft gij, dat ik u wil laten sterven? Vriend, indien gij wist hoe
+trotsch, hoe hoogmoedig ik ben op dezen stond! Ho, ik zal met
+betrouwen tot de heilige tafel gaan; want ik gevoel in mijnen geest,
+dat de rechtvaardige en goede God mij om die woorden zal beloonen."
+
+Zeggen wat de verwonderde jongeling gevoelde, is onmogelijk; hij zag
+met verdwaaldheid dit kind, dat zich zoo edelmoedig voor zijn welzijn
+opofferde en zich voor hem aan den smaad en de schande wilde ten
+prooi geven. Ditmaal schetste een waar geluk zich op zijn gelaat, en
+een zware zucht ontlastte zijne borst. Hij hief de oogen ten hemel en
+riep:
+
+"O, God, vergeef mij: ik dorst mij tegen U beklagen, en Gij hebt mij
+eenen uwer engelen geschonken."
+
+Lina voelde zich bij dit dankbaar gebed veredeld; men kon op haar
+voorhoofd het rood der zedigheid en in hare oogen het vuur der
+trotschheid zien blinken.
+
+Gedurende den tijd, welken de twee gelieven aan die samenspraak
+gesleten hadden, was Frans met werken voortgegaan, zonder veel acht
+op zijne zuster en Geeraart te geven; doch nu zijn naaikussen
+afgemaakt was, begon het waken hem schrikkelijk te vervelen. Met
+zijne lamp tot bij Lina komende, sprak hij:
+
+"Sa, Lina, ik heb grooten vaak en zou gaarne gaan slapen. Gij moest
+aan Geeraart zeggen, dat hij morgen wat vroeger kome."
+
+Ofschoon Geeraart nog veel aan zijne vriendin te zeggen had, wilde
+hij echter den goeden Frans zijne nachtrust niet ontrooven; hij nam
+zijnen hoed, en zich bereidende om uit te gaan, zeide hij:
+
+"Frans, ik moet morgen op het schavot een mensch het hoofd afslaan."
+
+"Pas maar op, Geeraart," antwoordde Frans met ongevoeligheid, "want
+zoo gij misslaat, wordt gij dood geworpen gelijk de beul Harmen; maar
+dan zal ik u bijstaan."
+
+De jonge scherprechter bezag Lina met diepe droefheid en ging naar de
+deur om het meisje te verlaten, eenen traan uit zijn oog vegende. Zij
+wierp zich om zijnen hals en sprak de volgende woorden op
+nadrukvollen toon:
+
+"Op het galgeveld zal ik bij het schavot staan ... bezie mij dan
+wel!"
+
+En zij hoorde, met weenende oogen en benepen hart, de stappen van
+haren minnaar in de straat galmen en vergaan.
+
+
+
+
+II
+
+
+Toen de slaapzieke Frans zoo onverwachts het gesprek der twee
+gelieven verbrak, had Geeraart aan zijne Lina het eeuwige vaarwel
+niet meer herhaald, willende haar meer pijnen sparen; desniettemin
+scheen dit vaarwel aan den jongen beul onwederroepelijk, want hij had
+het vast en onwrikbaar besluit gevormd, het zuiver en edelmoedig
+meisje nimmer aan zijn schandig lot te verbinden.
+
+Met onzekere, doch snelle stappen doorliep hij de straten, die van
+de Vlierstege naar zijne woning leidden, kwam eindelijk, eer hij het
+nog bemerkte, bij de Stadvest en klopte aan eene deur, die bij klaren
+dag, door hare bloedroode verf, het huis van den scherprechter
+aanduidde.
+
+Zoo haast de knecht opendeed, vroeg Geeraart:
+
+"Welnu, Jan, is de Schout hier geweest?"
+
+"Ja, hij gaat daareven weg.--Uw vader heeft mij bevolen, u te zeggen,
+dat hij u wacht."
+
+Geeraart klom de trappen op en trad in de kamer, waar zijn zieke
+vader op een bed lag uitgestrekt.
+
+De oude beul was bleek en mager; men kon zien, dat eene uitmergelende
+kwaal zijne wangen geploegd had en zijne verglaasde oogen in zijn
+hoofd had teruggetrokken.
+
+Alhoewel de terende ziekten het lichaam zoodanig uitdrogen, dat niets
+dan de beenderen en de huid daarvan overblijven, laten zij echter aan
+de ziel al hare krachten, ja, zelfs schijnt het, dat, naarmate het
+lichaam vergaat, het denkvermogen sterker wordt. Zoo was het ook met
+den ouden beul: ofschoon zwak en krank van leden, was zijn geest zoo
+vrij als van een gezond mensch. Toen zijn zoon binnentrad, keerde hij
+naar hem zijne blinkende oogen, doch sprak niet.
+
+Geeraart vatte met haast eenen stoel en plaatste hem bij het
+hoofdeinde van het bed: dan stak hij zijne hand onder het deksel, om
+de magere hand van zijn vader te zoeken, en ze drukkende, riep hij
+met bevende en dorre stem:
+
+"Vader, vader, de Schout is hier geweest! Zeg mij, wat is mijn
+vonnis?--Zal ik beul zijn?"
+
+"Mijn zoon," antwoordde de vader treurig, "ik heb bij den Schout alle
+pogingen uitgeput. Hij wil niet, dat onze knecht uwe plaats
+neme.--Geld noch gebeden kunnen hem vermurwen; gij zult beul zijn,
+mijn ongelukkige zoon."
+
+De droeve jongeling had dit vonnis wel vooruitgezien, en toch was die
+bevestiging hem een pijnlijke slag. De siddering der ontsteltenis
+liep over zijn gansche lichaam, en hij neep de hand zijns vaders met
+struiptrekkende kracht. Die beweging was slechts oogenblikkelijk; hij
+verviel welhaast in zijne gewone droefgeestigheid en zuchtte:
+
+"Het is dus morgen, morgen, vader,--dat de laatste hoop op geluk mij
+moet ontvallen. Morgen zal het bloed van een slachtoffer op mij
+terugspatten. Nu begint voor mij die schandelijke levensloop.....
+Betaalde moordenaar! Moordenaar!"
+
+"Mijn zoon," viel de vader met ontroering in zijne rede, "bereid u
+tot een leven van martelie en van pijn; ieder hoofd, dat gij zult
+afslaan, zal als een steen op uw hart terugvallen, en wanneer er
+steenen genoeg op uw hart zullen liggen, dan zult gij sterven gelijk
+ik nu sterf..... Maar er is hierboven een Rechter, die het lijden
+vergoedt."
+
+Geeraart eigende zich het pijnlijke deel uit de woorden zijns vaders
+toe, zonder het troostvolle vooruitzicht te hooren. Hij ging voort:
+
+"Ho! nu versta ik den haat der burgeren tegen mij. Kan ik niet alle
+dagen geroepen worden om eenen van hen te dooden, hetzij eenen
+onnoozele of eenen misdadige? En nochtans, indien zij zien konden,
+wat er op dit oogenblik in mijn hart omgaat, zij zouden mij niet
+haten. Zij denken, dat een beul behagen vindt in bloedvergieten; en
+wanneer hij, bij het zien van den blooten hals eens slachtoffers,
+bleek wordt en beeft, dat zijne handen het zwaard niet meer dragen
+kunnen, dan werpt men hem dood met steenen, omdat hij niet beul
+genoeg is en dat het medelijden hem verzwakt."
+
+"Ik heb dikwijls aan die tegenstrijdigheid gedacht, mijn zoon; doch
+nooit heb ik ze begrepen."
+
+"Ik wel, vader, ik heb ze lang begrepen: er behoort in elke
+verzameling van menschen een slachtoffer, een ongelukkige, op wien al
+de wreedheid, al de haat, die in de harten verborgen ligt, zich moge
+uitstorten--en dan wordt die lijder door de maatschappij met schande
+overladen, opdat men hem zonder berouw moge mishandelen en verachten;
+want het is door meer boosheid, dat de mensch zijne
+onrechtvaardigheid altijd billijken wil.... Maar is er dan toch geen
+enkel onbeproefd middel meer over, om mijn lot te ontgaan? Ik kan mij
+de gedachte van menschenmoord niet gemeen maken; het schijnt mij, dat
+ik morgen waarlijk een verachtelijk schepsel worden zal; ja, ik zal
+mij zelven verachten.--En geene hoop meer! Het moet zoo zijn."
+
+"Mijn zoon," sprak de vader, met zijne oogen naar de tafel wijzende,
+"neem dit boek, dat de Schout mij getoond heeft, en lees uw vonnis op
+de openliggende bladzijde."
+
+Geeraart las zijne onherroepelijke bestemming met diepen angst; hij
+wierp het boek met verontwaardiging en toorn ten gronde en riep:
+"Vervloekt zij de onrechtvaardige wet, die mij van voor mijne
+geboorte tot bloedvergieten en tot schande veroordeeld heeft! O,
+maatschappij! het is dan waar, gij hebt over mijne wieg geroepen: die
+vrucht hoort mij toe, want het is de eerstgeborene van eenen beul;
+men levere hem over aan den smaad der menigte; hij worde met bloed en
+laster overladen, en dat hij onder zijne broederen leve gelijk eene
+slang, welker gezicht men met afschrik ontvliedt.... Spotternij,
+terwijl men dit vonnis over mij uitsprak, lag ik in mijne wieg het
+blinkend zonnelicht toe te lachen! Vader, gelooven zij dan, dat ik
+zonder hart geboren ben, en dat het mij niets geeft, zoo onder het
+slijk der schande begraven te worden?"
+
+"Gij drijft de wanhoop te verre, Geeraart," antwoordde de vader
+zuchtend. "Ik versta uwe droefheid wel; zij heeft mij nu reeds
+zoolang aangekleefd; maar gedenk, dat de beul in eene gemeente
+volstrekt noodig is, en onderwerp u aan het lot, u door den Heer
+bestemd. Misschien zult gij dan nog eenige rust in uw bitter leven
+vinden."
+
+"Rust vinden? Hebt gij rust gevonden, mijn vader? Is het de rust, die
+u ten grave leidt? Zijn het tranen van vrede en van rust, waarmede
+gij het hoofd van uwen zoon twintig jaren bevochtigt? O, verberg mij
+de schrikkelijkheid van mijn lot niet; gij hebt den moed gehad om het
+uwe zoo lang te dragen, maar ik, vader, ik gevoel mij zoo sterk niet.
+En toch, sterven is sterven: indien de dood ons morgen te gelijk
+treft, zullen onze zielen even vrij en even vroolijk tot den
+rechterstoel des Heeren opklimmen en elkander wellicht in den hemel
+terugvinden."
+
+De oude beul hoorde met eenig genoegen, dat een straal van hoop in
+het hart van zijnen zoon drong; hij vermoedde het ten minste uit
+zijne woorden. Willende hem dan aandrijven om zich tot de rust te
+begeven, zeide hij:
+
+"Dit lang spreken heeft mijne borst uitermate vermoeid. Ik zal u nog
+eenen raad geven.--Wanneer gij morgen op het schavot klimt, bezie dan
+toch het volk niet; want al die oogen, welke door bloedzuchtige
+nieuwsgierigheid blinken, zouden u ontstellen, en gij zoudt beven.
+Beeld u in, dat gij alleen met den veroordeelde op het schavot zijt,
+en neem de maat van uwen slag wel waar; want zoo gij uw slachtoffer
+niet in eens doodt, zullen duizende stemmen zich tegen u
+verheffen;--en ik zou u wellicht niet levend wederzien. Ik zal God
+terwijl bidden, dat Hij u uit medelijden de macht geve om het
+noodlottig werk te volbrengen.--Ga, mijn zoon, mijn zegen zij over
+u."
+
+Reeds was het hart van Geeraart opgepropt met woorden, en gewis zou
+hij nog lange klachten uitgestort hebben, doch hij zag, dat zijne
+vader eenen traan zich uit het oog veegde, en besloot zijne
+smartelijke gepeinzen niet te staven. Hij meende te zeggen: "O, ik
+zal beven, ik zal niet kunnen slaan!" Nochtans weerhield hij zich uit
+liefde tot zijnen zieken vader, en hem teederlijk omhelzende, alsof
+hij eeuwig van hem ging scheiden, sprak hij met diepe ontroering:
+
+"Slaap gerust, mijn goede vader! o ja, slaap gerust!"
+
+In zijne kamer gekomen, sloot hij de deur vast, ging voor eene tafel
+zitten en legde het hoofd op de hand; dan stuurde hij zijnen blik
+naar de zijde van zijn bed, en zonder dit of iets anders te bezien,
+bleef hij met beweeglooze oogleden zitten.
+
+Als de zon des anderen daags de kamer met hare eerste stralen kwam
+verlichten, vond zij den ongelukkigen voor de tafel, met de strakke
+oogen op een bloot mes gehecht, dat hij tusschen zijne vingeren deed
+rollen, alsof hij zich in het herblikkeren van het glimmend staal
+hadde verlustigd.
+
+
+
+
+III
+
+
+Des anderen daags was het een schoone lentedag: de zon gloeide met
+een koesterend vuur aan den doorschijnenden hemel, welks azuur hier
+en daar door een gewaterd wolkje onderbroken was. De invloed der
+zuivere lucht werkte krachtig op de gemoederen der burgers van
+Antwerpen. Men zag overal niets dan wandelende personen, die de
+rijkgekleurde Paaschkleederen met kloppend hart ontvouwd en
+aangetogen hadden. De kinderen speelden huppelend in de straten, en
+eene menigte kleine gevleugelde kevertjes, die in de velden zich
+boven de stad verspreid hadden, kwamen aankondigen, dat de natuur,
+haren schoot ontsluitende, hun het leven had teruggeschonken.
+
+Om tien uren was al het volk bij de Lieve-Vrouwe-kerk vergaderd, om
+de Sinxen-Processie te zien uitgaan. Met ontdekte hoofden zagen allen
+de prachtige vanen en rijke standaarden voorbijdrijven, totdat het
+ALLERHEILIGSTE hen genaakte; dan spreidden zij hunne neusdoeken op de
+steenen der markt en knielden vol eerbied neder. Terwijl al het
+blikkerend goud der kazuifelen en stolen de oogen der aanschouwers
+deed schemeren, kwam een statig gezang van zware mannestemmen de
+ontroering vermeerderen, en op dit oogenblik was er onder de menigte
+geen enkele, die niet zijne aardsche woning vergat, om met zijne
+verbeelding tot den woon van God op te klimmen.
+
+Onmiddellijk na de processie volgden de gelederen der zes Gilden:
+eerst de broeders van het Schermersgilde, dan de Kolveniers, de jonge
+en oude Voetboog, en de jonge en oude Handboog, alle in sierlijk
+gewaad en met blinkende wapenen.--Dezen ook voorbij zijnde, kwam er
+eensklaps eene onstuimige beweging onder het volk; iedereen deed
+geweld om zich grooter te maken en het hoofd boven de anderen te
+kunnen verheffen; men klom op vensters en op palen, en een algemeene
+schreeuw, met handgeklap gemengd, gaf de vreugde der menigte te
+kennen:
+
+De omgang!--Daar is de omgang!
+
+En inderdaad, een wanstaltige visch, zwemmende in geschilderd water,
+dreef langzaam tusschen de aanschouwers over de Groote-Markt. Op den
+rug van het zeemonster zat Cupido, de kleine minnegod, die met een
+teeken zijner machtige hand de twee waterbronnen, welke de walvisch
+wel dertig voet hoog uit zijne neusgaten spoot, op de nieuwsgierigen
+sturen kon. Het was aardig om te zien, hoe de burgers lachend en
+gillend heenvluchtten, om uit het bereik van den vijandigen walvisch
+te geraken; echter konden zij door de dikke schare niet goed
+heenkomen, hoe zij ook drongen en duwden. Cupido, hunne vrees ziende,
+stuurde dan den natten straal tot hen en stortte emmers water over
+hunne hoofden. Men geloove niet, dat zij daarom bedroefd waren; neen,
+zij juichten heviger en gaven geene acht op de schade hunner
+kleederen, zoozeer vervoerde hen de blijdschap, welke dit spel hun
+baarde.
+
+Na den walvisch volgde de reus Druon-Antigoon, die zijn hoofd en
+oogen verschrikkelijk wendt en keert en in de zoldervensteren der
+hoogste huizen blikt. Dan nog volgden: de Dolfijnen, de Zeewagen van
+Neptunus, Europa op den stier, de Parnassusberg met de Zanggodinnen,
+de Maagdenwagen, de Fortuin op eenen olifant, het Koopvaardijschip,
+en meer andere schoone zinnebeelden.
+
+Iedermaal, dat er iets nieuws voorbijreed, herhaalden de burgers hun
+handgeklap, hetzij om de schoonheid van het zinnebeeld zelf; of wel
+om vrienden of magen, die de personen verbeelden, toe te juichen; en
+mits de omgang zeer lang was, klommen er vreugdekreten op uit alle
+bijzondere straten der stad. Onder den invloed van het zoete
+lenteweder vonden de burgers zich meer tot vroolijkheid genegen,
+hetgeen genoeg zichtbaar was aan den bestendigen glimlach, die op hun
+aangezicht blonk.
+
+Nochtans, terwijl de onbezonnen menigte zich met kindervermaken bezig
+hield en van vreugde met de voeten trappelde, alsof het ongeluk haar
+onbekend ware, was er ergens een mensch, wiens leven steeds vol
+bitterheid geweest was, en die nu, eilaas, in den poel der smart zoo
+diep verzonken lag, dat hij den grond er van gevoelde.
+
+De arme Geeraart zat weder bij het bed van zijnen vader, stilzwijgend
+met de armen op de borst gekruist, en ineengezonken als een mensch,
+wiens spieren hunne veerkracht verloren hebben; hij was niet meer die
+jongeling met de schoone zwarte haren, die aan zijn bleek gelaat
+zooveel mannelijkheid gaven; neen, nu was hij zoo oud geworden als
+zijn zieke vader. Diepe rimpels hadden zijne wezenstrekken in
+verschillende richtingen geploegd ... en iets anders,--schrikkelijk
+teeken! getuigde, hoe zijn hart den nacht te voren was gemarteld
+geworden: zijne haren waren wit als sneeuw! Door de foltering des
+gemoeds was zijn zenuwstel dermate gevoelig geworden, dat het minste
+gerucht hem deed beven; en telkens dat de klok van St.-Jacobs een uur
+meer uitriep, liep koud zweet hem van het aangezicht, en zijne witte
+haren rezen te berge op zijn hoofd.
+
+Het sloeg twee uren namiddag, toen zulke ontroering den lijdende
+Geeraert voor de zesde of zevende maal kwam treffen.
+
+"Mijn ongelukkige zoon," sprak de vader, "heb moed; deel mij uwen
+angst mede, misschien zullen mijne woorden u eenigen troost geven.
+Gij zit daar reeds zoo lang zonder spreken."
+
+Geeraart bracht de hand zijns vaders op zijn benepen hart en drukte
+ze bevende; hij hoorde aan den toon van zijns vaders woorden, dat dit
+stilzwijgen hem pijnigde. Met eene droge, doffe stem antwoordde hij:
+
+"Mijn vader, ik meet den afstand, die mij van de eeuwige schande
+scheidt. Nog vier uren, en ik zal een vloekbaar en een gevloekt
+schepsel zijn;--mijne handen zal ik in het bloed van mijnen
+evennaaste gedoopt hebben. O, ijselijke zekerheid! Dan is de weg des
+levens achter mij onherroepelijk gesloten.... Er is geen terugkeeren
+meer aan: ik moet voortgaan zonder omzien, in de baan der schande en
+der verfoeiing; en indien een medelijdend mensch,--eene vrouw, o,
+Lina, Lina!--indien een mensch mij de hand toereikt, zal ik weten,
+dat ik hem geene hand kan teruggeven dan eene, die met menschenbloed
+is besmet geweest!--Mijn vader, ik kan u niet uitdrukken wat ik
+gevoel; mijne zinnen zijn ontsteld. Zou ik het u zeggen? O, ja, gij
+moogt daarbij mijne pijnen afmeten: dezen nacht heb ik mijne hand
+naar een mes uitgestrekt om mij te dooden--doch het scheen mij, dat
+uwe hand de mijne met kracht wederhield. Ik dacht dan aan de
+droefheid, welke mijn dood u zou veroorzaakt hebben, en ik heb
+geweend totdat het mes mij ontvallen is."
+
+Gedurende die woorden had de schrik zich op het magere aangezicht van
+den ouden beul afgeschetst; twee tranen rolden op zijne wangen; en
+het was zichtbaar aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat een akelig
+vooruitzicht hem bedroefde. Met smeekende stem riep hij uit:
+
+"Mijn zoon, zie den weedom uws ouden vader aan; bepeins, hoe hij
+lijden moet bij uwe woorden. Weet gij wel, Geeraart, dat gij mij uwen
+gewissen dood aankondigt? en dat gij mij zegt: dezen avond zal mijn
+lichaam door eene razende menigte aan stukken getrokken worden, en
+gij, mijn vader, zult mijne verstrooide ledematen op het Galgeveld
+niet meer vinden; want men zal mij verpletteren en scheuren, en mijn
+lijk zal onder de voeten van het volk gemalen worden. Weet gij,
+wreede zoon, dat uwe woorden die schrikkelijke voorzeggingen
+behelzen?"
+
+"Ja, dit weet ik," antwoordde Geeraart met hardnekkige koelheid, die
+den ouden vader eene siddering over het gansch lichaam joeg.--Wat
+ijselijk geheim vond hij in het hart zijns zoons!
+
+Met pijnlijk geweld richtte hij zich half op in het bed en zijnen
+zoon tot zich trekkende, sloeg hij de twee armen hem om den hals en
+omhelsde hem onder eenen tranenvloed.
+
+"O, Geeraart!" riep hij, "ik versta u, gij wilt sterven! Gij neemt
+behagen in deze zondige gedachte, in dien afgrijselijken droom. Als
+een vrijwillig slachtoffer, gaat gij u aan de razernij der menigte
+ten beste geven ... en ik, die oud en krank ben, ik zal alleen op de
+wereld blijven? Gij zoudt mij aan de smart overlaten? Gij hebt gewis
+niet aan de wreede ondankbaarheid van uw voornemen gedacht, Geeraart?"
+
+De indruk, welken die klachten op den jongeling deden, was
+verwonderlijk: hij beefde als een beschuldigde, wien men te recht
+eene grove en schandige misdaad aantijgt. Ziende, hoever de
+streelende verbeelding eens spoedigen doods hem van het gevoel zijns
+plichts had doen verdwalen, en overwegende, wat pijn en droefheid
+zijnen vader treffen moesten, indien hij hem alleen op aarde liet,
+schrikte hij van zich zelven bij de overtuiging zijner wreedheid. De
+gedachte, dien dag te sterven, had hem den ganschen nacht
+toegelachen, en nu moest hij, uit liefde tot zijnen vader, alle
+pogingen aanwenden om een leven, dat hem lastig viel, te behouden.
+Hij sprak:
+
+"Vader, o, vergeef mij,--ik begrijp mijnen plicht. Ja, ik moet leven.
+Welaan! ik zal met moed het schavot beklimmen. Dat al de smaad, al de
+schande, welke een mensch dragen kan, op mij valle; ik zal opstaan
+tegen den haat en de verfoeiing! Nu vrees ik niets meer; bereid om
+den slag met onverschilligheid te geven, zal ik mijne hand in het
+bloed mijner broederen doopen, zonder dat een gevoel van afgrijzen in
+mij opkome. Het is gezegd, zij hebben het gewild! Ween niet meer,
+mijn vader, uw zoon zal beul zijn met een beulshart."
+
+Men zou kunnen gelooven, dat Geeraart eensklaps was veranderd en dat
+de afschrik van bloedvergieten in hem vergaan was, of wel, dat
+mannelijke moed hem de macht gegeven had om dien schrik te
+overwinnen; maar het was zoo niet. Geeraart bedroog zich zelven en
+zijnen vader, en zijne woorden waren slechts voortgesproten uit de
+innige razernij, die hem had bevangen, wanneer hij zich gedwongen zag
+te kiezen tusschen twee besluiten, welke hem even pijnlijk, even
+onmogelijk uit te voeren waren: of zich den dood ten prooi te geven
+en zijnen vader de grootste ondankbaarheid te bewijzen, of wel beul
+te zijn met hart en ziel. De foltering, voor hem uit die wisselkeus
+ontstaan, was genoeg zichtbaar aan zijne houding; want hij beefde
+sterker dan hij ooit gedaan had, en toen hij zeide: ween niet meer,
+vader! borsten overvloedige tranen uit zijne eigene oogen, en hij
+kwam met het hoofd tegen de borst zijns vaders te vallen.
+
+In dien toestand bleven zij langen tijd, elkander pogende te
+troosten, doch vruchteloos; want de oude beul vreesde niet zonder
+reden, dat zijn zoon geenen moed genoeg hebben zou; en Geeraart
+schrikte van een leven als hetgeen hem voorbereid was, indien hij die
+eerste vonnisuitvoering kon volbrengen.
+
+
+
+
+IV
+
+
+Het was te zeven uren des avonds, dat de veroordeelde schipper
+Herman moest gerecht worden;--men had het tot dit uur uitgesteld, uit
+hoofde der volksvermaken, welke er dien dag hadden plaats gehad.
+
+Langen tijd voor het bestemd oogenblik zag men reeds talrijke hoopen
+volks uit de St-Jorispoort naar het Galgeveld gaan om de wreede
+vertooning bij te wonen.--Er is niets, dat het volk meer aanlokt dan
+het beloofd gezicht van een hoofd, dat grimmend van het schavot
+afrolt, terwijl vergoten bloed den grond met dampend rood komt
+verven. Wat boos vermaak! Wat booze nieuwsgierigheid, die zich in het
+vernietigen van den mensch verlustigt!
+
+De mare der onthalzing deed er reeds velen op voorhand van ontroering
+trillen: zij zullen gaan zien! En daar gekomen, toonen zij droefheid
+en medelijden voor den veroordeelde.--Waarom? Om hunne hatelijke
+natuur voor zich zelven en voor anderen te verbergen; want zij
+gevoelen ook de wreedheid, die in hunne schandelijke nieuwsgierigheid
+verborgen ligt.
+
+Het Galgeveld zelf was overdekt met volk; vrouwen van allerlei stand
+en ouderdom bevonden zich daar met dochters en zonen; en de oude
+grijsaard, die anders niet uit den hoek der haardstede te jagen was,
+had zijne laatste krachten verspild, om nog eens zijne stijve leden
+tot onder het schavot te dragen, en het bloedig schouwspel eener
+onthoofding bij te wonen.--Het was een grievend vertoog te zien, hoe
+schaterend en hoe lachend de menigte daar wachtte, terwijl galgen,
+mikken, raderen boven hunne hoofden met geraamten en halfverteerde
+lichamen pronkten.
+
+Tusschen het ineengedrongen volk en dicht bij het schavot stond Lina;
+het hart klopte haar sterk in den bangen boezem, en wellicht zou zij
+daar geweend hebben niettegenstaande degenen, die haar omringden;
+maar zij was gekomen om Geeraart aan te moedigen, en zij gevoelde,
+hoe slecht zij door hare tranen dit doel kon bereiken. Haar broeder
+Frans bevond zich aan hare zijde, netjes opgekleed met eenen breeden
+hoed en eenen bruinen mantel op de schouders, gelijk meest alle
+burgers destijds droegen. Lina had hem den akeligen toestand van
+Geeraart uitgelegd, en hij, met wilde edelmoedigheid begaafd, had
+onwederroepelijk gezworen den kop in te slaan aan den eerste, die
+eenen steen naar den jongen beul werpen zou, indien dit moest
+gebeuren.
+
+Daar het reeds laat in den avond en half duister begon te worden,
+waren de beulsknechten werkzaam op het schavot om alles klaar te
+maken, en men wachtte niet lang meer; want op dit oogenblik drong de
+beulskar door het volk en werd door een algemeen geruisch
+aangekondigd. De veroordeelde Herman, in zwart lijnwaad gekleed, zat
+met eenen priester achter in het ruim van den wagen; Geeraart met het
+groote zwaard bevond zich nevens zijnen knecht op den voortrein.
+
+Zeggen wat er in het hart van den jongen beul omging, ware niet
+mogelijk, vermits zijn gelaat niets getuigde; hij hield zijne blikken
+nederwaarts gevestigd en bezag het volk niet. Voorwaar, indien het
+zwaard hem niet had doen herkennen, zou men niet hebben kunnen
+zeggen, wie van beiden, of hij, of Herman de veroordeelde was. Wat
+men als zeker mocht aanzien, was, dat Geeraart meer door schaamte en
+droefheid gepeinigd werd dan degene, dien hij rechten moest.
+Gelukkiglijk voor hem had zijn vader hem verplicht het grijze haar,
+dat hem een al te zonderling voorkomen gaf, te laten afsnijden,
+anders hadde de menigte hem reeds bij zijne komst bespot en met
+scheldwoorden bejegend.
+
+De verdwaalde jongeling klom op het schavot zonder het te weten, en
+was zoodanig door al wat hem omringde, verstomd, dat niets
+bescheiden, voor zijne oogen of zijnen geest zich opdeed; hij zag
+Lina ook niet, alhoewel deze hem door haren broeder meermalen teekens
+deed doen.
+
+De beulsknechten wilden den veroordeelde uit de kar op het schavot
+leiden; doch deze gaf voor, dat hij zijne biecht nog niet wel
+gesproken had en dat hij nu eerst zijn geweten gansch wilde zuiveren,
+daar hij wel zag, dat er geen uitkomen meer aan was. Misschien
+vestigde hij eenige hoop van verlossing op de aanstaande duisternis,
+die langs hoe meer aangroeide: reeds konden die, welke wat verre
+achteruit stonden, het schavot zelf niet wel meer zien. Het volk,
+vreezende, dat de donkerheid de schoone vertooning aan zijne oogen
+zou onttrekken, begon overluid om de uitvoering van het vonnis te
+roepen. Dan bracht men den veroordeelde met geweld op het schavot, en
+men deed hem vooraan op de knieen zitten; de knecht van den
+scherprechter ontblootte den hals van het slachtoffer en toonde dien
+met eenen beteekenenden blik aan Geeraart, alsof hij zeggen
+wilde:--Meester, daar moet gij slaan!
+
+Op het gezicht van het bloote vleesch, waarin hij hakken moest,
+schoot Geeraart op uit zijne gevoelloosheid; zijne beenen begonnen te
+trillen, dat het schavot er van beefde, en het zwaard viel hem uit de
+vuist; echter werd dit voor alsdan niet bemerkt, aangezien het teeken
+tot de uitvoering van het vonnis nog niet gegeven was. De knecht
+raapte het moordstaal op en gaf het terug aan zijnen meester, die het
+stuiptrekkend in de vuist wrong.
+
+De Roode-Roede of bediende van het halsgerecht gaf het teeken, doch
+Geeraart hoorde zijne stem, noch zag de roede nedergaan. Dan riep de
+knecht, terwijl er reeds een kwaadvoorspellend gemor onder het volk
+liep:
+
+"Gauw! Meester, gauw!"
+
+Al den moed, al de krachten, welke hem nog overbleven, vereenigende,
+hief Geeraart het zwaard boven den hals van den veroordeelde, met een
+waar voornemen om wreedelijk toe te slaan. Hij wist niet, de
+ongelukkige, waar hij zich bevond, wat hij deed, of wat hij dacht;
+gansch verloren van schaamte en schrik, was hij in razernij ontstoken
+en ging eenen slag geven zoo zwaar, als er ooit een op het schavot
+gegeven werd; maar op dit oogenblik draaide de veroordeelde het hoofd
+om, en, het dreigende zwaard ziende, liet hij eenen jammerlijken
+schreeuw. Dan verloor Geeraart in eens al zijnen bijeengeraapten
+moed, en hij liet het zwaard op het lichaam van Herman vallen, doch
+zonder kracht en zelfs zonder hem te wonden.
+
+De misdadige, die bij het voelen van den slag eene ijskoude over zijn
+gansch zenuwgestel had gevoeld, en gedacht had dood te zijn, sprong
+plotseling recht, en zijne armen tot het volk reikende, riep hij om
+hulp, schreeuwende, dat men hem moedwillig martelde.
+
+Er hoefde niets meer om de razernij der menigte te ontsteken; het
+medelijden gaf in zulk oogenblik eene verf van edelmoed aan de
+gewelddaden, die zij wilde plegen.
+
+"Slaat dood! Slaat dood den menschenpijniger!" was alles wat men
+hoorde. Steenen vlogen om het hoofd van Geeraart; doch niet
+menigvuldig, want steenen waren er weinig op het Galgeveld te vinden.
+
+De verstomde jongeling kwam vooraan op het schavot, kruiste de armen
+over elkaar, en, zich voorstellende als eenen martelaar, die wil
+sterven, riep hij met krachtige stem:
+
+"Daar, werp mij dood, bloeddorstig volk!"
+
+Dit bracht de woede ten top; vrouwen, kinderen en goede burgers
+vluchtten langs alle kanten van het Galgeveld, en er bleef niets meer
+op dan het schuim der stad, het kwaadwillig en razend grauw, dat met
+ongemeen geweld naar het schavot toedrong en den beul er wilde
+afhalen, ondanks den tegenstand der gerechtsdienaars. Het was een
+geschreeuw en een gewoel, dat men hoorde, noch zag; eene zee, welke
+hare schuimende baren ten hemel opwerpt, geeft geen zoo volmaakt
+denkbeeld van verwarring en woede.
+
+Rondom den beul op het schavot waren al de gerechtsdienaren
+vergaderd, met inzicht om hem te beschermen; maar nog meer om den
+veroordeelde vast te houden, die nu met geweld poogde uit de handen
+te geraken. Op dit oogenblik klom een geheime persoon zeer langzaam
+op het schavot, en, bij den beul gekomen zijnde, suisde hij hem de
+volgende woorden in het oor:
+
+"Geeraart, Lina bezweert u bij uwe liefde voor haar, dat gij haar nog
+eens komt spreken; zij staat daar beneden;--volg mij!"
+
+En dan sprong hij zelf langs de rechterzijde onder het volk, om
+Geeraart de plaats aan te duiden. De jonge beul gehoorzaamde aan eene
+liefdegedachte en besloot zijne goede minnares ten minste een laatst
+vaarwel te zeggen, eer hij nu sterven ging; hij liep van het schavot
+tot bij Lina, die daar dicht nevens stond te weenen. Frans, de
+geheime persoon, die hem geroepen had, smeet hem zijnen mantel op de
+schouders en zette hem zijnen hoed op het hoofd; dan den arm van Lina
+aan dien van haren minnaar voegende, sprak hij zachtjes tot haar:
+
+"Ga stil en onverschillig door het volk tot in het boschken, achter
+de tweede mik!"
+
+Ziende, dat Lina zijn bevel uitvoerde en dat Geeraart sprakeloos zich
+liet leiden, alsof hij van gevoel ware beroofd geweest, liep hij
+langs den tegenovergestelden kant van het schavot en begon daar zulk
+een geschreeuw en gerucht te maken, dat de menigte, geloovende dat
+hij den beul onder handen had, onstuimiglijk naar die zijde kwam
+gedrongen, en den weg vrij liet voor Lina en Geeraart. Met een listig
+inzicht deed Frans niet dan roepen:
+
+"Slaat dood! slaat dood! Hier den menschenpijniger! Zijn lichaam
+moeten wij hebben."
+
+En dan wierp hij met steenen naar de gerechtsdienaars en de
+duisternis, die nu reeds alles met een twijfelachtig grauw gekleurd
+had, lieten Lina toe haren minnaar uit het gedrang te leiden, zonder
+dat men hem herkende; want de mantel en de hoed van Frans bedekten
+genoegzaam zijn beulsgewaad. Nochtans, eer de twee gelieven het
+aangewezen boschken bereikt hadden, was het schavot door het grauw
+ingenomen geworden; men had den veroordeelde verlost en laten loopen,
+en men wilde nu met geweld den beul hebben. Terwijl men de
+gerechtsdienaren mishandelde, om hen te doen zeggen, waar de
+scherprechter zich bevond, was er een man die de daad van Frans
+bemerkt had, toen deze den mantel over Geeraarts schouder wierp: hij
+had gezien langs welken kant de vrouw met den verkleeden man
+verdwenen was, en dacht nu met recht, dat dit ongetwijfeld de beul
+moest zijn.
+
+Niets aanhoorende dan zijne woede, liep hij uit al zijne macht door
+de wegen van het Galgeveld en zag eindelijk Geeraart met Lina, een
+weinig verder, achter een boschken verdwijnen. Razende van vreugde en
+toorn, kwam hij op de bevende gelieven aanvallen; en Geeraarts mantel
+afrukkende, zag hij het beulsgewaad. Zonder meer scheldwoorden te
+uiten, hief hij zijnen zwaren gaanstok in de hoogte en gaf den
+ongelukkigen jongeling zulken harden slag op het hoofd, dat hij
+gevoelloos ten aarde stortte. De wreede moordenaar wilde zijne woede
+verder nog op het slachtoffer, dat voor hem lag, uitwerken; maar
+Lina, die nu eerst van hare verslagenheid was teruggekomen, wierp
+zich vooruit naar hem, en hare twee armen om zijn lichaam slaande,
+weerhield zij hem, niettegenstaande zijn geweld. De wanhoop en de
+wraakzucht hadden haar eene kracht bijgezet, welke haar anders niet
+behoorde; zij wrong hare teedere arme zoo stuiptrekkend om zijne
+lenden, dat zij hem in banden sloot, gelijk eene tengere slang, die
+eene machtige prooi in hare kronkels wil verworgen. Het gezicht van
+het lichaam haars minnaars, dat daar voor levenloos voor haar lag,
+had haar tot die ongemeene razernij vervoerd. Begrijpende, dat het
+beter was, met een eenigen vijand, dan met vele te doen te hebben,
+schreeuwde noch kermde zij, opdat geen mensch op hare stem zou komen
+toegeloopen. Gelukkig, dat het geraas der menigte, die op het midden
+van het Galgeveld nog even hardnekkig en even verward naar den beul
+zocht, het geschreeuw van Geeraarts moordenaar verdoofde; want anders
+ware Lina gewis in korten tijd van een aantal andere vijanden omringd
+geweest. Op het oogenblik, dat zij hare laatste krachten in eene
+geweldige poging verspilde, en voelde, dat zij niet langer tegenstand
+kon bieden, kwam Frans, haar broeder, juist achter het kreupelbosch
+uit, en zag zijne zuster vechtende tegen iemand, die hem onbekend
+was. Het lichaam van Geeraart gaf hem toch seffens het raadselwoord
+van hetgeen er omging.
+
+Een dolle schreeuw van wraakzucht ontvloog zijne borst. Eer Lina hem
+bemerkt had, sprong hij toe; en zijne twee zware handen op de
+schouders van den onbekende leggende, rukte hij hem achterover op den
+grond.
+
+"Lina!" riep hij, terwijl hij den neergevelden man bij de beenen naar
+het Galgeveld sleepte, "trek Geeraart tusschen het kreupelbosch;
+indien hij nog leeft, is hij voor altijd gered en verlost.--Spoed u!"
+
+Deze woorden gesproken hebbende, sleurde hij zijnen vijand met
+zooveel snelheid van daar weg, dat deze geenen tijd had om iets vast
+te grijpen en weinige klachten kon voortbrengen. Zoodra was Frans
+niet te midden van het volk geraakt, of hij begon overluid te roepen,
+altijd zijn slachtoffer voortsleepende:
+
+"Zege, zege, hier is de beul!"
+
+"Slaat dood! slaat dood!" was het schallend antwoord, dat als de
+schreeuw van dood en vernieling uit de scharen opklom; en allen
+liepen achter Frans om de slachting te mogen bijwonen. Wanneer de
+broeder van Lina zich van genoeg razend volk omringd zag, wierp hij
+den man, dien hij bij de beenen voorttrok, te midden onder hen, hun
+toeroepende:
+
+"Daar is de beul!"
+
+"Slaat dood! slaat dood!"
+
+En honderd slagen van allerlei wapens, van stokken, van steenen, van
+messen, van stukken hout, vielen in eens op het lijf van den
+huilenden man, die in de duisternis voor den echten beul aangezien
+werd; te meer daar de woorden van verschooning, welke hij uitgalmde,
+van niemand gehoord werden, maar in het algemeen geraas
+versmolten.--Hij leefde geen vierendeel uurs later; de kleederen
+werden hem van het lichaam gescheurd, en zijne leden zoodanig
+gepletterd en misvormd dat hij niets meer van de menschelijke
+gedaante behield, en dienvolgens op geene wijze te herkennen was.
+
+Frans liet het dwaze grauw in het onedel werk voortgaan en kwam na
+eenigen tijd terug bij zijne zuster, die nevens het roerlooze lichaam
+van haren minnaar geknield nederzat en den Heer om genade voor hem
+smeekte; hij, Geeraarts gesteltenis vluchtig onderzoekende, bevond,
+dat zijn hart nog klopte en dat slechts eene bedwelming hem van
+gevoel had beroofd. Zijne zuster verlatende, liep hij naar eene
+gracht en besproeide met het water, dat hij medebracht, het
+aangezicht en de borst van Geeraart, die dan ook allengskens tot zich
+zelven kwam. Het eerste, dat hij bij zijn ontwaken gevoelde, was de
+zoen van zijne lieve Lina, die nu schier van blijdschap verging en
+zelfs geene woorden zou gevonden hebben om haar gevoel uit te
+drukken, al ware het spreken haar niet door haren broeder verboden
+geworden.
+
+Zoodra Geeraart zijne krachten volledig herwonnen had, vertrokken zij
+geheimelijk van die plaats en keerden terug naar de stad, alwaar
+Geeraart zich in het huis van Lina tot den diepen nacht verborgen
+hield. Toen de klokken het gevreesde middernacht aankondigden, ging
+hij, van Frans vergezeld, naar de woning zijns vaders en trad
+onverwachts in zijne kamer.
+
+De oude beul, die weenend op het ziekbed den dood zijns zoons
+betreurde, gaf geen geloof aan hetgeen hij voor eenen bedrieglijken
+droom, eene begoocheling van zijnen geest aanzag; maar wanneer de
+driftige omhelzingen van Geeraart hem overtuigd hadden, en dat deze
+hem met bondige woorden zijne wonderbare verlossing had verklaard,
+scheen de oude en teedere vader door ontroering te bezwijken; zijne
+leden verroerden zich niet, zijne wezenstrekken getuigden kalmte;
+zijne oogen glinsterden wel van vreugde, doch bleven niet min
+beweegloos en met eene ongemeene scherpheid in de oogen van zijnen
+zoon gevestigd. Eindelijk ontwakende, richtte hij zich met geweld op
+en riep:
+
+"Mijn zoon, mijn zoon! gij begrijpt uw geluk niet. Niet alleen van
+martelie zijt gij gered, maar insgelijks van allen smaad, van alle
+schande. De vloek, die over ons geslacht hangt, eindigt bij den dood
+... gij zijt dood, mijn zoon!"
+
+"En ik heb geen bloed vergoten!" galmde Geeraart met opgetogenheid
+uit.
+
+"Ga en leef verre van uwe onrechtvaardige broederen," hernam de
+vader, "verlaat Antwerpen, trouw uwe goede Lina, bemin ze altijd;--de
+hemel verleene u een talrijk huisgezin. Uwe zonen zullen toch geene
+geborene beulen zijn, en gij zult over uwe kinderen niet weenen als
+ik over u geweend heb. De schatten onzer vaderen behoeden u voor
+altijd tegen armoede; gebruik ze wel en leef gelukkig...."
+
+Zijne stem brak allengskens en verdoofde zich ten eene male, doordien
+eene al te groote aandoening hem het harte schokte. Geeraart hield
+zich vastgeklemd aan het magere lichaam zijns ouden vaders en bracht
+slechts onderbrokene dankzeggingen voort; want hij kon, in dit
+oogenblik van verrukking en blijdschap, moeilijk woorden vinden om
+zijn gevoel uit te drukken.
+
+ * * * * *
+
+Lang nog na dien tijd leefde de beulszoon Geeraart te Brussel, onder
+eenen anderen naam, gelukkig met zijne vriendin en echtgenoote Lina,
+die hij even teeder bleef beminnen.--En wanneer hij, ook oud zijnde,
+op het doodbed eindelijk lag uitgestrekt, omringden talrijke en
+deugdzame kinderen de legerstede van hunnen vader.
+
+
+
+
+DE GEEST
+
+
+ZEDENSCHETS
+
+
+Geene stad is rijker aan plaatselijke vertellingen dan Antwerpen.
+Elke straat heeft er hare _sage_ of _legende_, doch het is uiterst
+moeilijk tot de kennis van een zeker getal daarvan te geraken, uit
+hoofde dat zij meest geweten en verteld worden onder de allerlaagste
+volksklasse, en zelfs niet tot den geringsten burgerstand opklimmen.
+Het is met dit vak der nationale overleveringen toegegaan als met
+vele andere: het kleine volk alleen heeft ze geheel bewaard.
+
+Dan, het komt aan weinige schrijvers als gepast of doenlijk voor,
+zich in de armste kwartieren der stad als vriend en gebuur te doen
+erkennen, om door dit middel eene volksvertelling of een nog
+onbekende mirakel uit den mond eener vischvrouw of eener
+asscheraapster te hooren. Een bijzonder geval nochtans
+verschafte mij de gelegenheid om eenige dier vertelsels af
+te luisteren, zonder dat men mijne tegenwoordigheid bemerken kon.
+De vertellers waren vier jongens, die bijna de mannenjaren bereikt
+hadden, en bij dag op eenen winkel als leergasten van timmerlieden of
+smeden arbeidden. Gewis, hunne wijze van verhalen was niet van de
+fraaiste, doch een van hen vertelde met eenen zekeren zwier, met eene
+losheid, die aan zijn verhaal een eigenaardig en kluchtig karakter
+gaf, en mij op de gedachte deed komen, zijne woorden als eene proef
+van den Antwerpschen tongval door den druk mede te deelen.
+
+Onder het afgeslotene venster van een burgerhuis en op eenen
+keldermond of val gezeten, maanden zij elkander aan om te vertellen;
+de eerste, die sprak, was:
+
+KOBE.--Zeg, Frans, kunde gij die historie, die ze Zondag in de'[2]
+poesjenellekelder gesp'eld hebben? Ge w'et wel, _Snoef_[3] die
+trouwtd op 't leste met de keunigin van Teurrekije[4].
+
+BALTE.--Die kan ekik.
+
+FRANS.--Is da die va Hanefroeike?
+
+Sus.--Och nee, we't het nie meer? Daar komtd'en[5] betooverd kornijn
+in, da dien brief op dien tore' draegt, aen de Princers van Amereka.
+Kunde gij het nie, Balte?
+
+BALTE.--Ik kan ekik alles! Ik kan Malegijs, ik kan Smidje Verholen,
+ik kan Guldentop, ik kan Sinte Peeter, ik kan Ouw[6] lampen veur
+nief, ik kan den Betooverden hond, en da van 't Steen, en Visserke
+visserke vangt me nie[7], en, och eer, ik kan er wel honderd ander,
+as[8] ik ze maar wilde vertellen.
+
+FRANS.--Ah wel, laet ons strooikentrek doen. (_Zij trekken, wie eerst
+zal beginnen_.)
+
+KOBE.--Hoera, viva! 't is Balte! Toe, van doctoor Faussius of van de'
+kelder onder de Vierschaer.
+
+Sus.--Nee, Balte, doe g' et nie. Vertelt liever van den duvel of van
+tooverhekse' of van spooke'[9].
+
+BALTE.--Ah wel, 'k zal eulie[10] 'e waerachtig vertelsel vertellen, da
+gebeurd is op de Kleinmarkt; een bitje verder a's de Kornijnepijp, in 't
+Fransch gezeed[11] _la pipe de lapin_.
+
+KOBE.--Lapin, dat is 'en kat; ge zeg het mis.
+
+BALTE.--Zie, da gauwke! Lapin is 'en kat, _pertang_![12] Neen, _poes_
+is 'en kat in 't Fransch. Ze riepen ommers altyd tege' dien ouwe'
+Franschman uit de Mannekestraet: _voleur de poes, de kattendief_! Da
+wilt tege' mij Fransch spreke'! Wel gij kastekindere', hebtde geulie
+op de Chantjie gewerkt? Heeft eulie vader _gardechou_ geweest, he?
+Onder den tijd van de Marriene'?[13] Zwijgt na, zulle[14], want ik
+begin op e' nief[15]. Na-w-in die straet daer stond eens 'en huis me
+vier _steugie_ zonder de zolder, zoo groot en zoo schoon a's het
+paleis van 'ne keunink[16].
+
+Maer in datd huis wilde-n-ommers in 't geheel niemand nie wonen, en
+het bleef jaren lank onnuttig leeg staen, want het spookte-n-er-in.
+
+Sus.--Ah! ah! da zal schoon zijn!
+
+BALTE, _gestoord_.--Stilans! houd u' gezicht. Ah wel: op slag van
+twelf ure dan kwam er iedere' keer 'ne geest die het huis van onder
+tot boven afliep, en a's dat dan lank geduerd had, dan kwam de geest
+tege'slag van den _eene'_ achter de straetpoort staen en begost[17]
+zoo jammerlijk t' huilen en te schreeuwen, dat er iedereen
+_compassie_ me kreeg.
+
+KOBE, _met bange stem_.--Zijt de gij da, Sus, die daer 'ne zucht
+gelaten hebt?
+
+FRANS.--Ee! hij is bang; hij beeft, ik vuel' het. Wel wa kieken!
+
+BALTE.--A's Kobe zijne' mond nie toehoudt, stamp ik hem van de
+keldermond.
+
+--Na, daer dierf toch niemand in datd huis gaen, al was 't dat de
+geest niet de[18] as roepen: verlost mijn' ziel! verlost mijn' ziel!
+
+Daer wierd dan gezeed, en 'k geloof ekik datd ook wel, dat het de
+ziel was van de' lesten heer, daer het huis van geweest was, en dat
+dien uit gierighad[19] ene groote schat had verbeurge. En ge we't
+wel, a's iemand sterft me' verbeurge' geld op zijn konsjentie, dat
+hij dan zoo lank in d'hel moet blijve' brande', tot datd het geld
+gevonde' weurd[20].
+
+A's da na[21] zoo al heel lank geduerd had, dan kwam er eens 'ene'
+keer enen ouwe soldaet van de' marmittenoorlog.
+
+Die soldaet heette sterke Jan, en dien had gezeed in 'en herberg, dat
+hem veur 'ene' niet en 'ne niemendalle, om zoo te zeggen veur ze
+plesier, 'ene' nacht in het leeg huis zou slapen, a's
+ze hem honderd gulden op veurhand wilde' geven.
+
+Den huisbaes die ze tege' Jan: Is da waer? Derfde gij in datd huis
+slapen!
+
+Ja, ze Jan zoo, want ik geef wa schoon de knoppen, ze hem, van alle
+spooken en duvels. Da God bewaert, is wel bewaerd!
+
+Ah wel, ze den huisbaes, geef me d'hand daer op, ze hem[22]; 't is
+gedaen. Wa moet ik u geven, vroeg hem.
+
+Hoort, ze Jan, geef me maer al om te beginnen, ene wis buekenhout in
+klompekes, 'en dozijn flesse' wijn, 'en fles kwak, 'ene koekpot vol
+spijs en 'en goei pan om mijn koeken in te bakke'.
+
+Da zulde gij hebbe', ze den huisbaes,--en a's hem da gegeven had,
+trok Jan tege' den aved[23] me zijn' _provisie_ in het huis.
+
+A's het na vier geslagen had, dan droeg hem zijn hout en zijne'
+koekpot me spijs in 'en kamer op d'eerste _steugie_, daer nog 'en
+tafel stond me twee stoele'.
+
+Hij begost daer 'e' vier te maken gelak om het huis af te branden, en
+hij zette zijne' koekpot daer neffe om de spijs te doen gaen.
+
+Terwijl dat de spijs nou aen't gaen was, begost Jan de flessen een
+voor een den hals af te bijten, en hij kreeg op den duer 'e' stuk in
+zijne' kraeg gelak 'enen' ouwe Zwitser;--maer hij was toch nie' van
+zijne' center[24] en hij wist heel goed wat hem ze of de.
+
+Da was me goed, maer a's hem na lank genoeg gedronken had, begost
+zijnen beer te danse'[25]. Hij zette dan zijn pan op 't vier en hij
+lapte daer 'ene' goeije pollepel spijs in.--Dan aen het kissen dat
+'e' pleizier was. Het rook er zoo lakker a's aen de deur van 't
+_Landswelvaren_:--zoo 'enen reuk gelak van 'en restoratie.
+
+Ah wel, da was me goed; de koek van Jan was langs den eene' kant
+schoon bruin gebakken en hij goeide hem omhoog in de schouw om hem om
+te draaije'.
+
+Maer gelijk hem nou weer op 't vier stond, valt er in eene' keer iet
+uit de schouw--en _pardoef_ in zijn' pan, en de koek in d'asse!
+
+Wel honderd duzed 'k weet nie' watte! riep Jan; zoude dat hier en
+daer nie' verwense? Bruin en zoo lakker! Daer le nou mene
+zieltjeskoek[26]. Maer wa wil ik er aen doen? zeet hem in zijn eige;
+'t is na toch zoo. 'k Zal maer 'ene' nieve pollepel spijs in de pan
+doen, op goe val hetd uit.
+
+Na, hij doet da, en weer aan 't kissen dat g'er de geeuwhonger zoudt
+van gekregen hebben al was 't da g'in geen drij dage' geten hadde.
+
+Maer Jan die laet de' steel van de pan los en hij pakt dat dink op,
+dat uit de schouw gevalle' was.
+
+Raed na toch eens wat datd het was?--Het was en doodsbeen uit 'enen
+arm!
+
+Jan die schiet in 'ene' lach en hij ze, zoo al lachende: Ja, denke'
+ze mij verveerd te make' of veur de zot t' houwe', dan zijn ze wel
+geleverd me hun' peerdebeenen! Al was 't dat ze den heele prospot[27]
+deur de schouw goeide', dan gaf ik er nog geen duit om; me hun'
+flauwzen!
+
+Maer da was me goed; a's Jan zijne koek nou half gebakke' was, zeet
+hem zoo in zijn eige': ge zult me deze' keer nie vast hebbe' vieze
+mannen! 'k Zal de' koek liever half rauw binne' spele'.... En hij
+steekt zijn hand uit om de koek te pakken, maer in eene' keer valt er
+'nen heelen reessel beenen uit de schouw, en pardoef in Jan zijn pan
+'en de koek in d' asse!
+
+Wel Seezeke van Maderitje! riep Jan; zal ik nou al mijn spijs naer de
+weerlicht zien gaen? Wat is da nou weer daer ze daer me gegoeid
+hebbe'? Dat is ge'ne kleine potternoster; het is zeker 'en ruggraet
+van 'e' veuleke. Hoe flauw dat die manne' toch zijn; ze kunne' ne'
+mensch nog nie' gerust laten ete'.
+
+Ja, maer hetgeen dat in zijne pan gevalle' was, ware zoo allemael
+beentjes aen 'en koor geregen en het was 'en ruggraet van ne' mensch.
+
+Jan die begost dan zoodanig kwaad te weurre', dat hem de beenen
+oppakte en gelijk tege' de' muer aen _garzelemente'_ vaneen sloeg.
+
+Hij gink gestoord bij zijne pan zitten en sloeg er van tijd tot tijd
+'ene' nieve' spijs in, maar iedere' keer dat hem de' koek wilde-n-uit
+de pan neme', viel er 't een of 't ander menschenbeen in--en dat
+duerde zoo lank tot dat er op 't leste 'nen doodskop in viel.
+
+Jan die schoot in 'ene' franse koleere en hij goeide den doodskop zoo
+ver als hem vliege' wou.
+
+Dan begost hem gerust te bakken en hij had al 'en schotel vol koeken
+op de tafel gezet om te gaen ete'.
+
+Als hem na goed bij de tafel zat en lakker aen 't knabbelen en aen 't
+zuige' was, komt er in eene' keer 'ne slag.--Jan telde, en 't was
+twelf ure!
+
+Maer Jan heft zijn' oogen op, en hij ziet daer in den hoek, daer hem
+de beene' gegoeid had, 'e' leelijk geremt staen.
+
+Want op slag van twelf ure ware' de beenen allemael aeneen gekropen,
+en daer stond na de geest me 'e' wit laken op zijne' rug.--En hij
+was, och arme, zoo mager geweurre' van dat eeuwig rondloope' da ge
+zijn ingewand door zijnen buik kost zien.
+
+Jan bezag het spook zoo 'ne' zekeren tijd en hij vreef aan zijn'
+oogen, want hij docht dat het nie waer was; maer als het spook hem
+verruerde, dan zag hem _pormentelak_ dat het 'ene geest was.
+
+Ha, ze Jan, goeien dag, Pietje de Dood! Hoe gaget me uw gezondhad? Me
+dunkt, ik heb ouw nog meer gezien. Staetde gij nie in de kerk van
+Sinte Willebors, me het Zielenoctaaf! Ge ziet er anders maer
+_armoyeus_ uit, Jan Stek! Zie, zoo 'ne koek of drij en zoo 'e' fleske
+zou u deugd doen. Maer wa zeg ik? 'k Geloof waerentig dat de koeken
+deur uwen buik zouwe valle'! want ge draegt 'en _gile_ die _a jour_
+gewerkt is. A's ge nochtans eens wilt drinke', zit maer bij!
+
+De geest die sprak nie; maer hij de 'en teeke' me zijne' vinger, als
+of hem zegge wilde: kom gij eens hier!
+
+Maer Jan die was slum genoeg om het niet te doen.
+
+Aperopo, ze hem, Pietje Krakelink, wilde gij daer blijve' staen toe
+morge', da kunde gij gerust doen. Maer a's ik gelak a's gij was, ik
+ging wat aen 't vier zitte'; want dien hoek is heel _roematiek_ en
+ge moest zoo eens een' valling pakke'. Ah sa, maar zeg m' eens, wat
+tael spreekte gij? Zeg! is 't van _parle franse contre alle mense_!
+Ook al niet? Gaet dan maer naer uw doodkist terug, droogzak!--Zijtde
+van God, sprekt; zijtde van den duvel, vertrekt!--Maar de geest bleef
+staan en de nie als me zijne' vinger wenken om da Jan bij hem zou
+kome'.
+
+Maer Jan ging gerust voort me eten, en hij zag naer 't spook nie meer
+om.
+
+Als da zoo ne'n heelen tijd geduerd had, sloeg het halver een, en de
+geest die hefte zijn' mager' beenen op en kwam zoo allengskens naer
+Jan gegaen en hij wenkte-n-altijd me zene' vinger.
+
+Maer Jan stond in eene' keer op en hij riep tege' den geest:
+
+Ah sa, Peerlala, 'k heb ouw maer een ding te zegge: ge meugt zoo veul
+spreken a's ge wilt, maer van me lijf te blijven, zulle', of we
+weurre kwaei vriende'! A's ge nog wat dichter derft kome', zal ik u
+die fles eens op uw leelijk gezicht kapot slage'.--Ge zoudt me geeren
+den nek breken, eh? 'k weet het wel; maer 't zal nie waer zijn; ge
+kent me nog nie, manneke'!
+
+De geest stak zijne' vinger uit en raekte-n-er me aen Jan zijn
+hand;--maer op d'hand van Jan was 'en heel blijn gebrand.
+
+Wel Nondekeu! riep Jan, wilde gij zoo kennis me mij make'? Het
+schijnt da ge warm handen hebt, gebuer? Maer zoo zijn we niet
+getrouwd, 'k Zal ouw da wel afleeren.--Arre! dat is het eerste
+koofke!
+
+En Jan sloeg het spook me 'en' lege fles vlak op het scheel van
+zijne' kop; maer hij raekte de' geest toch nie, want hij sloeg gelak
+op de' wind.
+
+Dan wierd Jan eerst voor goe kwaed. Hij wilde de' geest vastpakken en
+op de' grond slage', maer da liep nie af; want als hem docht dat hem
+hem vast had, dan vuelden hem niemendalle.
+
+Pas op, riep hem, dat duert nou al lank genoeg; ge kunt maer eens
+gauw gaen zegge' wat da ge van mij hebbe' moet. Waerom komde gij mij
+hier ruzie zueken, eh? 'k heb ommers me ouw of me uw heel familie
+geen affaire? Laat me dan gerust en gaat aen.
+
+Maer de geest de nie a's wenken en naer de deur wijze'.
+
+Jan pakte dan zijnen kandeler en ze tege' de' geest; allo! laet zien
+wat da g' hebbe' wilt. Ga veur, ik zal u volge'.
+
+Het spook de de deur open en wees Jan den trap af; maer Jan was wel
+slummer, en hij ze altijd: ga zelf veur--want had hem veur gegaen,
+dan had het spook hem zeker den nek gebroke'.
+
+Ze kwamen dan te lange leste beneen, in de gank, en daer lag 'ene
+zark me enen ijzere' rink, die er in vast was.
+
+Het spook wees aen Jan, dat hem die zark moest opheffe'; maer Jan die
+begost te lachen en hij ze: ja g'houd me wa veur de zot, brurke! Als
+ge geene _nikanik_[28] in ouwe zak hebt, zulde nog al lank moete'
+rondloopen. Heft gij de steen zelf op, want ik kan ekik het nie.
+
+De geest hefte de' steen op, en daeronder was 'ene groote put, daer
+drij groot' ijzere' potten in stonde' vol gouwe geld.
+
+En zou gauw als Jan het geld gezien had, begost het spook te spreke'.
+
+Ziede da geld? vroeg het aen Jan.
+
+Wel, gij vieze landsman, riep Jan, ge sprekt gelak Vlaemsch? Nou
+beginne' we malkandere' te verstaen. Fransch kan ik toch ook, zulle',
+want 'k heb vijf jaer gediend--en Vivan Apoleon! Ja, 'k zien zoo al
+iet blinken da sterk op tienguldestukke' trekt.
+
+De geest haelde de drij potten uit de' put en ze me 'en holle stem:
+
+Da zijn drij potte' geld, die ik had verbeurgen eer dat ik dood was.
+
+Eer da ge dood waert! riep Jan heel verwonderd. Zijde gij dood? Da
+zoude nie zegge', 'k Geloof da ge me wat opwindt.
+
+Maer de geest die luisterde daer nie naar, en hij ze: Ik heb in d'hel
+zoo lank moete' brande' tot dat die potte' zoude gevonde' zijn--en
+gij hebt me nou uit d'hel verlost.
+
+Heb ik ouw uit d'hel verlost? riep Jan; dat doe me groot spijt. Ge
+zijt dan toch 'ene' schoone jonge'! 'k Zal er maer van zwijge', want
+mijn bloed kokt al!
+
+Nou brand ik nie meer, ze de geest, _arre_! daer is mijn hand, voelt,
+nou is ze heel koud....
+
+Bedankt veur de goedheid, ze Jan, houdt uw pikkelbeentjes maer
+stillekes t' huis. Zoo weinig komplementen a's 't meugelijk is. Ik
+ken u, vogel, gij zijt den duvel te plat, gij!
+
+Zie, ze het spook, van die drij potte' goud verzoek ik u dat g'er
+eenen aen den arme' zoudt geven, eenen aen de kerk om missen veur
+mijn' ziel te doen, en....
+
+Hola, riep Jan, da verwensch ik 'en bitje. Ben ik ouwe knecht? Ge
+maekt gij geen' slechte rekening! En wa zal ik dan hebbe'? Neen, maer
+als er wa drinkgeld overschiet, dan zal ik het doen.... Ge zijt gij
+ommers toch rijk genoeg, al is 't da ge zoo slecht gekleed gaet, en
+da nog al in de' Winter.--Ah wel, wa zegde?
+
+Den derde pot, ze de geest, is veur ouw.
+
+Veur mij! riep Jan heel blij, wel Simenie! daer weur ik stapel zot
+van. Kom hier, 'k zal u eens kusse, op uw postelijne kaken.
+
+En Jan sprong op van _arreusie_; maer hij strunkelde en hij viel in
+de put en zijn licht uit! Het sloeg juist een uer.
+
+Na was Jan in den donkere'.
+
+Pietje de dood! riep hem zoo hard a's hem kost, waer zijde? He,
+spookske lief, kom eens hier! Heb ik ouw uit d'hel verlost, ge meugt
+me nou ook wel uit deze put verlosse'.
+
+Maer het spook was weg.
+
+Jan die kroop dan me veul moeite de' put uit en raepte zijn' keers
+op.
+
+Hij ging dan naer boven, en als hem zijn eige' wat gewarmd had en nog
+twee fleskes had gedronke', viel hem in 't slaep.
+
+'s Anderen daegs de Jan hetgeen dat de geest hem gezeed had. Hij gaf
+'ene' pot aen den arme, 'ene' pot aen de kerk en hij hiel 'ene' pot
+veur zijn eige'.
+
+En Jan was rijk, want in zijne pot ware' wel honderd duzed millioen.
+
+En Jan woonde dan in 'e' groot huis, en hij hiel sees en peerd, en
+hij sliep op 'e' fraweelen bed, en hij dronk wijn, en hij gink alle
+dagen naer d'herberg....
+
+En daer kwam 'e' varke me 'ene' lange snuit, en 't vertelsel is uit!
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 2: Het bepalend lidwoord, mannelijk enkelvoud, heeft te
+Antwerpen geene andere verbuiging, dan dat men voor zekere letters
+welluidendheidshalve _de_ of _den_ bezigt, zonder op het geval te
+letten. Voor de medeklinkers B, D, H, R en T, als ook voor alle
+klinkers, gebruikt men _den_, zoowel in nominativo als in
+accusativo.
+
+ 3: Men heeft te Antwerpen veel kelders, waar des Winters
+voor kinderen allerlei vertelsels verbeeld worden, bij middel van
+_marionetten_, die zij _poesjenellen_ noemen. _Snoef_ is een
+personage, die in alle stukken voorkomt en die bijzonder belast is de
+aanschouwers te vermaken, evenals de _Arlequin_. Het is gewoonlijk de
+geliefde _acteur_ van het geeerd publiek.
+
+ 4: De helden der Antwerpsche geschiedenissen trouwen op het
+einde onfeilbaar met eene _keuninksdochter_, eene _princers_ van
+Turkije, Amerika of Spanje, of wel zij vinden, indien het er spookt,
+eenen grooten ijzeren pot met geld.
+
+ 5: De onbepaalde lidwoorden Een, Eene, Een zijn in
+Antwerpen _Ene, En E_, de _e_ hebbende den klank van _e_ in het
+Fransche _le._ Voorbeeld: En man, En vrouw, E kind. Voor klinkers en
+voor de letter _H_ zijn ze _Enen, En, En_.
+
+ 6: De uitgang _oude_ wordt verzacht en veranderd in _ouwe_,
+als: wij _zouden_, wij _zouwen, koude Winter, kouwe Winter._
+
+ 7: Het woordje _niet_, zonder nadruk uitgesproken, verliest
+de _i_.
+
+ 8: De l in _als_ wordt niet uitgesproken; b.v. _as_ ik het
+zag, zou ik het gelooven.
+
+ 9: De _n_ wordt nooit gehoord in de uitgangen der
+veelsilbige woorden, die op _en_ uitgaan. Men zegt _verbinde, honde,
+zinge_, voor _verbinden, honden, zingen_. Voor de klinkers en de
+letter _H_, die hier nooit _geaspireerd_ is, heeft de verkorting
+geene plaats. Zelf stelt de Antwerpenaar tusschen alle
+opeenstootende klinkers, ook tusschen die, welke van zelf versmelten
+eene _n_ of andere letter om de _euphonie_. Hij zegt dus: _ik
+wilden-u-iets, hy maelden-u-immers_!
+
+ 10: Het meervoud van het voornaamwoord des tweeden persoons
+wordt gemaakt met het bijvoegen van _lie_, zijnde eene verkorting van
+_lieden._ Men zegt _geulie_ of _gylie_ en _eulie_ of _ulie_; dit
+laatste voor _aan u_, als ook voor de bezittende voornaamw. meervoud
+_uw, uwe, uwen_; b.v. _Geulie weet het. Ik zal eulie straks eulien
+boek teruggeven_.
+
+ 11: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _zeggen_
+is als volgt:
+
+Ik ze, voor: ik zeide, enz.
+
+ Gij ze
+ Hij ze
+ Wij zeen.
+ Gijl. zeet
+ Zij zeen.
+
+Het verleden deelwoord is _gezeed_.
+
+ 12: Het Fransche woord _pourtant_.
+
+ 13: Hebt gijlieden onder Napoleon op de scheepstimmerwerf
+of _Chantier_ gewerkt? Is ulieder vader _Garde-Chiourme_ of
+slavenwachter geweest? Men merke hierbij aan, dat het werkwoord
+_zijn_ altijd met het hulpwoord _hebben_ vervoegd wordt.
+
+ 14: _Zullen_ is een tusschenwerpsel, dat overmatig in de
+Antwerpsche straattaal voorkomt: het beteekent _verstaat gij het?
+Hoort gij het_?
+
+ 15: _Nieuw, nieuwe, nieuwen_ is in Antwerpen _nief, nieve,
+nieven_.
+
+ 16: De _g_ na de _n_ op het einde eener silbe verandert
+meest altijd in _k_, als _gang, gank; ding, dink; hij zong, hij
+zonk_.
+
+ 17: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord
+_beginnen_ is:
+
+Ik begost, voor: ik begon, enz.
+
+ Gij begost
+ Hij begost
+ Wij begosten
+ Gijl. begost
+ Zij begosten.
+
+Het verleden
+deelwoord is _begost_.
+
+ 18: De onvolmaakt verledene tijd van het werkwoord _doen_
+is:
+
+ Ik de, voor: ik deed, enz.
+ Gij de
+ Hij de
+ Wij deen
+ Gijl. de of deed
+ Zij deen.
+
+ 19: In de uitgangen _heid_ en _lijk_ verandert de klank der
+_ij_ in _a_ en men spreekt, alsof er stond _had, lak, gezondhad,
+gemakkelakhad_, voor _gezondheid, gemakkelijkheid_.
+
+ 20: De _o_ in _or_ wordt uitgesproken als eene zachte _eu:
+zorg, zeurg; verborgen, verbeurgen; hij wordt, hij weurdt_.
+
+ 21: _Nu_ spreekt men gewoonlijk uit _na_; de _a_ heeft den
+korten klank van a in _nat_. Met nadruk wordt _nu, nouw_.
+
+ 22: Het persoonlijk voornaamwoord _hij_ wordt alleen
+gebezigd onmiddellijk voor het werkwoord, anders zegt men _hem. Zag
+hem dat hem sliep_? beteekent _zag hij dat hij sliep_. Deze regel
+heeft uitzonderingen.
+
+ 23: Tegen den avond.
+
+ 24: Een stuk in den kraag krijgen: _dronken worden_.--Van
+zijnen center zijn, _van zijn verstand zijn_.
+
+ 25: Honger krijgen.
+
+ 26: Wanneer er ergens koeken gebakken worden, moet degene,
+die den eersten koek krijgt, een Vader-ons bidden voor de geloovige
+zielen in het vagevuur; daarom noemt men den eersten koek den
+zieltjeskoek.
+
+ 27: De plaats waar de paarden begraven worden.
+
+ 28: Mecanique.
+
+
+
+
+DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA
+
+
+ZEDENSCHETS
+
+
+(_Eene tamelijk ruime kamer, waarin eenige groote schrijftafels en
+lange lessenaars geschikt zijn. Aan den wand hangen een zwart bord en
+eene wereldkaart. Bij de tafels zitten vele schooljongens, meest
+tusschen acht en twaalf jaar oud. De schoolmeester gaat heen en weer
+met een ernstig, ja, bijna grammoedig gelaat; hij houdt een pennemes
+in de hand en is bezig met pennen te vermaken. Het is zichtbaar, dat
+het meerdere getal der leerlingen zich onledig houdt met spelen, en
+weinig aandacht op de woorden des meesters geeft; eenigen slapen,
+anderen vangen vliegen, sommigen schrijven, maar zijn wezenlijk bezig
+met mannekens te maken of okentrek te doen_.)
+
+DE MEESTER, _met luider stem en langzaam_.--Past op dat gij de buiken
+van uwe A's wel vol maakt, en dat gij de koppen van uwe B's wel naar
+omhoog trekt!
+
+GEROEP VAN ALLE KANTEN.--Meester, versnijd mijne pen
+eens!--_Monsieur, ma plume_ is te slap! De mijne is te stijf! _La
+mienne est trop maigre_! De mijne is te vet!
+
+VICTOR, _een der leerlingen, aan Karel, die nevens hem zit_.--Ik heb
+gedaan, eh na!
+
+KAREL, _met zachte stem_.--Ja, ge zult gij wel op uw' kneukelen
+krijgen. G'hebt weer altemaal _hanepooten_ gemaakt, gelijk gisteren.
+
+VICTOR, _zijne stem, zonder het te weten, verheffende_.--Dan moeten
+ze mijn' pen maar vermaken.--Karel, willen we wat _pennekepik_ doen,
+eh?
+
+DE MEESTER.--_Silence_ daar, met dat _lawijd_![29] Victor, pas op dat
+uw geschrift niet goed is, gij zult het beklagen, vogel!
+
+EDWARD, _die nevens Victor zit_.--Mag ik mee _pennekepik_[30] doen?
+'k Zal eene nieuwe pen geven.
+
+VICTOR, _bitsig_.--Neen, gij moogt niet meedoen, _aarzak_![31]
+
+EDWARD, _schreeuwende_.--Dan zal ik het zeggen, zie na! Meester,
+meester, Victor en Karel doen altijd _pennekepik_!
+
+DE MEESTER, _met gramschap_.--Ha, ze zijn weer bezig,--ik had het
+gelijk in 't oog. Wacht, luierikken, 'k zal u daar komen
+_pennekepikken_ meteen! (_Hij trekt Victor met zijn oor_.) 'k Zal u
+leeren, luie vlegel. Dat ligt daar den heelen dag te spelen, in
+plaats van te leeren. Zijt ge niet beschaamd, dat gij het geld uwer
+ouders zoo verkwist, deugniet? Moeten ze mij daarom alle maanden
+betalen, omdat ge hier _pennekepik_ zoudt doen, _bedorvendans_?
+
+VICTOR, _zoo sterk huilende, dat de meester zijne ooren met de
+vingers stopt_.--Ai mij! ai ai! hi hi! och Heer! mijn oor! 'k zal het
+aan mijn' moeder zeggen--dan ga ik naar een ander' school, zie na!
+
+DE MEESTER, _streelend_.--Wees wijs, Victor, wees wijs, jongen. Gij
+zult het niet meer doen, niet waar? Laat uw geschrift eens zien. Het
+is beter dan gisteren,--dat verdient eenen _Bon_[32]. (_Hij schrijft
+eenen bon op het papier van Victor en verwijdert zich_.)
+
+VICTOR, _mompelende_.--Met zijne _bons_ altijd! Wat kan ik daarmee
+doen? 'k Ben er vet mee, met zijne _bons_! Ai mij, mijn oor!
+
+EDWARD, _tot den meester_.--Meester, het is zijn geschrift van
+gisteren. Hij heeft daar straks eenen grooten _Rubbens_ in zijn
+_cahier_[33] gemaakt.
+
+DE MEESTER, _tot Edward_.--Zwijg! gij weet dat ik geene overdragers
+kan lijden. (_Na eene tusschenpoos tot al de leerlingen_.) Geeft acht
+op het _dicte_;--neemt uwe _cahiers_. Zijt gij er altemaal?
+
+AL DE LEERLINGEN TE GELIJK EN VERWARD.--Ja, ja, meester!--ik
+niet!--ik wel!--ik kan mijn _cahier_ niet vinden,--mijn pen schrijft
+niet,--ik heb geen papier!
+
+DE MEESTER, _dicteerende met slepende stem_.--"De wederspannige
+Absolon ... de we-der-span-ni-ge Ab-so-lon...."
+
+VICTOR, _Edward bij zijn haar trekkende_.--Daar nu,--ga, zeg nu nog,
+dat wij _pennekepik_ doen, overdrager. Roep nu, dat ik met uw haar
+trek, schreeuwbakkes!
+
+DE MEESTER.--"De wederspannige Absolon...." Lawijdmakers, gaat gij er
+daar wat uitscheiden?
+
+EDWARD, _weenende_.--Ai, ai! meester, meester, Victor trekt altijd
+met mijn haar!
+
+DE MEESTER, _met ongeduld en tegen den grond stampende_.--Zij zullen
+mij niet laten voortgaan; leert die barbaren dan al! (_Dicteerende_)
+"De wederspannige Absolon...." Silence! "Absolon trok op...."
+
+EDWARD, _roepende_.--Meester, nu nijpt hij weer in mijn' kaak!
+
+DE MEESTER, _dicteerende_.--"Absolon trok op ... tegen...." Victor,
+ik zet u meteen van de school, nijdige jongen dat gij daar zijt!...
+"trok op tegen het leger zijns vaders.... David ..." Waarom beziet
+gij mij zoo, Piet? Schrijf dan!
+
+PIET.--Frans heeft mijne pen weggenomen, meester.
+
+FRANS.--'t Is niet waar, meester, hij heeft ze verloren met
+_pennekepik_ te doen.
+
+DE MEESTER, _in gramschap_.--Hier gij! Op uwe knieen. Geef daar eens
+twee kassen. Speel nu nog _pennekepik_, oudersverdriet, dat gij daar
+zijt! (_Hij plaatst Piet op de knieen in het midden der school en
+doet hem met elke hand eene schrijfkas in de hoogte houden. Piet
+weent en snikt; doch dit belet hem niet, zijne tong uit de steken en
+alle soorten van spottende gezichten te trekken_.)
+
+_Dicteerende_: "tegen het leger zijns vaders ... maar de almachtige
+God ... almachtige God ... strafte de boosheid ... de boosheid van
+..." Victor, wat doet gij daar? Ik zie u niet schrijven.
+
+VICTOR.--Gij dicteert te gauw, meester. Ik kan u niet bijhouden.
+
+DE MEESTER, _met wanhoop_.--Wel, wel, 't is schrikkelijk zeggen, dat
+hij mij niet kan volgen! Ik geloof waarachtig, dat ze een _komplot_
+gemaakt hebben om mij van de school te doen gaan loopen;--maar 't zal
+niet waar zijn, _revolutionairs_! Gij zult mij niet verjagen....
+
+EDWARD, _schreeuwende_.--'t Is niet waar, meester; Victor heeft weer
+_okentrek_[34] gedaan, terwijl dat g'aan het dicteeren waart.
+
+DE MEESTER, _met ongeduld_.--Ha, zijt gij weer _okentrek_ aan 't
+doen!--en ik schreeuw mij te barsten voor zulke luie ezels.... 't is
+om iets van te krijgen!
+
+(_Hij wendt zich om naar de andere zijde der school_.)
+
+VICTOR, _eenen luiden kaakslag aan Edward gevende_.--Daar nu! zeg het
+nu nog. Kom straks naar buiten, als de school uit is, dan zal ik u
+eens in de goot slaan, en ga, roep dan uwen vader en uw' moeder maar,
+labbekak! (_Zij vatten elkander bij het haar en vechten met groot
+gerucht. De meester springt er naar toe, grijpt hen bij den kraag en
+trekt ze van elkaar_.)
+
+DE MEESTER, _met groote woede_.--Deugnieten! Schelmen! 't Is erger
+dan de kinderen van de Vliersteeg of uit den Zwanengang[35]. Gij zult
+mij weer doen bloedspuwen, slangen dat gij daar zijt. Maar ik zeg het
+u: zijt zeker, dat de eerste, die zich nog durft verroeren, de school
+afvliegt.... Past op! (_Groote stilte in de school. Victor steekt
+zijne hand onder de tafel en nijpt in de beenen van Edward; doch deze
+durft zich niet roeren. De pijn schetst zich in belachelijke
+uitdrukkingen op zijn gelaat_.)
+
+DE MEESTER, _bedaard_.--Waar waren wij? Ha! (_dicteerende_) "De
+boosheid van den ontaarden zoon.... Absolon den veldslag ... Absolon
+den veldslag ... verloren hebbende ... hebbende, begaf zich op de
+vlucht...." Frans, gij let er niet op. Gij zijt weer bezig met papier
+knauwen! Laat eens hooren wat ik het laatst gezegd heb?
+
+FRANS.--Heb!
+
+DE MEESTER, _verbitterd en spijtig_.--Wat, heb, ezel? Op de vlucht,
+heb ik gezegd, (_dicteerende_) "en reed onder eenen boom door ...
+doch zijn lang haar ... lang haar ... verwarde in de takken ...
+van...." Frans, doe dat _manneken_ weg en schrijf ... "De takken van
+den boom ... boom, en Absolon bleef er aan hangen."
+
+(_Frans heeft gedurende het dicte eenen bal papier tusschen zijne
+tanden gekneed, en een uitgesneden manneken er aan gevoegd. Hij werpt
+het tegen den balk van het verdiep; het blijft er aan hangen_.)
+
+VICTOR, _blijde_.--Ai, ai, daar hangt Absolon met zijn lang haar!
+
+DE MEESTER, _vergramd_.--Frans, gij zult _noenoveral_[36] blijven
+bakken. 'k Zal u leeren papier knauwen! Nu zult gij dezen noen niets
+te knauwen hebben. (_Tot al de leerlingen_.) Het _dicte_ is
+gedaan.--Victor! spel het laatste woord eens.
+
+VICTOR, _tot Edward_.--Wat is het laatste woord? Gaat gij het zeggen,
+of ik geef u eenen neep.
+
+EDWARD.--Neen, nu zeg ik het niet, zie na!
+
+VICTOR _nijpt hem in den rug_.--Zegt ge 't nog niet?
+
+EDWARD, _pijnlijk schreeuwende_.--Hangen! Hangen!
+
+DE MEESTER, _tot Edward_.--Het wordt aan u niet gevraagd, schreeuwer.
+Gij, Victor, spel het laatste woord.
+
+VICTOR, _onverstaanbaar en zeer gauw_.--*Abchg*--hang ...
+chrstgen--gen--hangen.
+
+DE MEESTER, _het hoofd schuddende_.--Genoeg, genoeg. Wij zullen het
+namiddag spellen.--De kleine Catechismussen weg.--De eerste les!
+
+(_Groot gerucht van kassen en banken. De leerlingen steken hunne
+cahiers in de laden der lessenaars; de meesten leggen hunne
+catechismussen open op hunne knieen om beter te kunnen antwoorden.
+Victor en Karel ziet men niet; zij zitten onder de schrijtafel_.)
+
+DE MEESTER.--_Attention_ op de eerste les! Edward, hoevele Goden zijn
+er?
+
+EDWARD, _driftig en gauw_.--Drie,--'k wil zeggen twee,--neen, maar
+een.
+
+DE MEESTER.--Wat! drie? bottekop! Gij, Victor, hoevele Goden zijn er?
+
+VICTOR, _zijn hoofd onder de tafel uitstekende_.--Zeven:
+hoovaardigheid, gulzigheid, luiheid, nijd....
+
+De MEESTER.--Houd op, ketter! _Dat_ weet nog niet, hoeveel Goden dat
+er zijn. Gaat gij van onder de tafel komen? Wat doet gij daar weer?
+
+EDWARD.--Zij spelen met de marbollen in de drie puttekens, meester!
+
+FRANS.--Neen, wel, meester, ze doen _klontjen-trek_ en _witbier-zet_
+met krieksteenen![37]
+
+DE MEESTER _neemt een reglet en slaat in het wilde onder de
+tafel_.--Schelmen, er uit!--gauw! of ik sla u armen en beenen
+vaneen....
+
+VICTOR en KAREL, _onder de tafel heen- en weer kruipende_--Ai mij! 't
+is in mijn oog!--Ai ai, mijnen kop!--Och God, mijnen neus!
+
+(_Zij komen huilend van onder de tafel. Een van Victors oogen is rood
+en schijnt eenen harden slag ontvangen te hebben._)
+
+DE MEESTER, _bij Victor gaande, streelend_.--Victor, Victor, nu ziet
+gij wat er van komt. (_Hij neemt hem zoetjes bij de hand._) Kom hier,
+jongen; zit aan de groote tafel.--Ge moogt in de eerste klasse
+gaan,--ik zal u een nieuw boek geven.
+
+VICTOR, _binnensmonds_.--Dief, dief, na.
+
+(_Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open._)
+
+VROUW VAN LAER, _moeder van Victor_.--Goeden dag, meester Verdonck.
+Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt
+geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al
+noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht,
+zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er
+tevreden over?
+
+DE MEESTER, _met fleemende stem_.--Ten uiterste, madam Van Laer.
+Victor is wijs,--niet waar, Victor? Het is een mijner beste
+leerlingen;--hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat
+hij in _de Schat der kinderen_[38].
+
+VR. VAN LAER.--Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo
+rood!
+
+DE MEESTER.--Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet
+aan Victor,--zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (_Tot Edward_)
+Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de
+school af, wees zeker!
+
+EDWARD, _morrende_.--G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw
+reglet in zijn oog geslagen.
+
+DE MEESTER, _eenen gloeienden blik op Edward werpende_.--Zwijg,
+franke ezel[39],--want er is toch niets goed van u te maken. Doe
+gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.
+
+EDWARD, _binnensmonds_.--Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's
+niets, straks krijgt hij toch weer haver.
+
+VR. VAN LAER.--Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam
+Laurier,--gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh
+wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen,
+gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?
+
+DE MEESTER.--De _geographie_, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar
+hangt ze! (_hij wijst op de landkaart_.) Uw Victor is daar al heel
+ver in,--hij is zelfs een van mijn' besten.
+
+VR. VAN LAER.--Dat wilde ik wel eens zien.
+
+DE MEESTER, _tot Victor_.--Kom hier voor de kaart, Victor, en laat
+eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in de _geographie_ zijt!
+(_Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder_.)
+Hoevele winden zijn er, Victor?
+
+VICTOR.--Vier.
+
+DE MEESTER.--Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij
+gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens
+wijzen, waar de vier winden zijn.
+
+VR. VAN LAER, _in verrukking_.--Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een
+kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan
+hij het onthouden!
+
+DE MEESTER, _hij wijst met een stokje boven de kaart_.--Victor, waar
+is het Noorden?
+
+VICTOR, _met stoutheid_.--Van boven.
+
+DE MEESTER, _het stokje onder de kaart plaatsende_.--Waar is het
+Zuiden?
+
+VICTOR.--Van onder.
+
+DE MEESTER, _met het stokje de rechterzijde der kaart toonende_.--En
+het Oosten?
+
+VCTOR, _met koddigen ernst_.--Daar op zijde, waar gij met uw stoksken
+wijst.
+
+VR. VAN LAER, _verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden
+zag_.--Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus
+geef. Gij zult nog minister worden, gij!
+
+DE MEESTER, _tot Victor_.--Waar wonen wij? In welk land staat deze
+school?
+
+VICTOR, _zeer ernstig_.--Op de Paardenmarkt.
+
+DE MEESTER, _op zijne lippen bijtende en half beschaamd_.--Ja, ja, op
+de Paardenmarkt, juist!--Maar in welk land zijn wij?--In Spanje, in
+Turkije, in Lapland of in Belgenland?
+
+VICTOR.--In Belgenland.
+
+DE MEESTER, _vergenoegd_.--Ik wist wel, dat hij het niet vergeten
+had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (_Victor, na lang
+zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop_.)
+Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel
+vijfentwintig keeren gewezen. (_Tot vr. Van Laer_.) Madam, hij is
+beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en
+steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel
+insteekt.
+
+KAREL, _tot Edward met zachte stem_.--Wat leelijke mouwstrijker dat
+de meester is, eh?
+
+EDWARD.--Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij
+geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?
+
+FRANS.--Ik heb er eenen: let op, hij gaat!
+
+DE MEESTER, _roepende_.--_Silence_, daar in den hoek!
+
+VR. VAN LAER, _tot den meester_.--Ik heb het altijd gezegd, dat onze
+Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne
+koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware
+hem eenen stiel te leeren;--maar ik zal wel maken, dat hij ten minste
+pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.
+
+DE MEESTER, _zich buigende_.--Daarin hebt gij het grootste gelijk van
+de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of
+eenen schoolmeester van maken.
+
+(_Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen.
+De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer_.)
+
+VR. VAN LAER, _verstoord_.--Wel wat afgrijselijke dingen!--Een mensch
+met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe
+slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!
+
+DE MEESTER, _met groote woede_.--Wie heeft dit gedaan? Wie durft die
+achtbare madam Van Laer met papier werpen?
+
+EDWARD, _roepende_.--Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft
+gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!
+
+DE MEESTER, _Frans bij den kraag naar de deur slepende_.--Hier gij,
+schelm! De deur uit, deugnietenkind! (_Hij werpt hem aan de deur_.)
+
+FRANS, _buiten luidkeels schreeuwende_.--Ge meent, dat ik nog zal
+weerkomen, eh?--maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!...
+(_Stilte_.)
+
+VR. VAN LAER.--Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw
+naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou
+gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij
+wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te
+mager zijn, volgens dat hij zegt.
+
+DE MEESTER.--Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem
+op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij
+het reeds kan.
+
+EDWARD, _tot Karel_.--Ja, _pennekepik_ kan hij beter, eh?
+
+KAREL, _roepende_.--Meester, Edward lacht u uit!
+
+EDWARD.--Neen wel, meester, hij is het zelf.--Hij zegt, dat Victor
+beter _pennekepik_ kan!
+
+DE MEESTER, _dreigend_.--_Silence_, daar, zagemannen! of ik zet u de
+school af.... (_Stilte_.) _Allons_, Victor, let wel op, ik zal het u
+eens voordoen. (_Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend_:)
+Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de
+linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met
+eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer
+eene snee....
+
+PIET, _schreeuwende_.--Meester, meester! daar vliegt een
+_meuldener_[40] in de school! Pst! Pst!
+
+AL DE LEERLINGEN.--Hoera! Hoera!--Pakt hem!--Hoe na of ik had hem!
+Hier, daar, pst! pst!
+
+(_Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het
+onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers
+schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk
+vliegt de kever haar in het haar._)
+
+VR. VAN LAER, _met bange stem_.--Och! och! meester, verlos mij van
+dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn!
+(_De meester neemt den kever van haar hoofd_.) Ai, mij! daar houd ik
+eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester,
+wat beklaag ik u,--wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat
+het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.
+
+DE MEESTER, _met gramschap rondziende_.--Ik zal u straks spreken!
+(_Stilte_.) _Allons_, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op
+haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (_Hij geeft
+eene pen en een pennemes aan Victor_.)
+
+VICTOR, _met ongeduld_.--Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar
+buik?
+
+DE MEESTER.--Snijd er maar stoutelijk door, Victor.--Geef ze maar
+eene goede snee.
+
+(_Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te
+snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat
+zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk._)
+
+VR. VAN LAER, _bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare
+armen_.--Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.--Ziet eens wat
+snee. (_Zij beziet den verbaasden meester met woede_.) Meester
+Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een
+mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.--Dis is
+uwe schuld....
+
+DE MEESTER, _met spijt_.--Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes,
+madam.
+
+VR. VAN LAER.--Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan
+al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen
+rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten
+bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (_Zij
+heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden_.)
+Kom aan, Victor.--Kom naar huis, mijn kind.
+
+DE MEESTER.--Maar, madam, gelief....
+
+(_Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog
+eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit_.)
+
+DE MEESTER, _pijnlijk en met diepe droefheid tot den
+leerlingen_.--_Eh bien_, serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!
+_Tretert_[41] mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie
+bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg,
+niet waar?--Geeft mij nu nog eene geraaktheid,--maakt mij lam aan
+armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult
+gij lachen, eh, monsters? (_Hij bedaart een weinig en zegt met
+neerslachtigheid_:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan
+dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen
+en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?--Hebt
+gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt
+om u te leeren....
+
+EDWARD, _schreeuwende_.--Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met
+een strooiken aan heur gat!
+
+DE MEESTER, _stampvoetend en met wanhoop_.--Ja, ja, ik weet het wel,
+gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de
+steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,--een hoop
+ezels,--zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (_hij
+hoest twee of driemalen met pijn_.) Ja, nagels van mijne
+doodkist;--want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult
+krijgen, moordenaars! (_Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst
+tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het
+op elf uren_!) Het is elf uren.--De school is uit!
+
+(_De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen
+gedruis_.)
+
+DE LEERLINGEN, _van alle kanten roepende_.--Hoera! Hoera! De school
+is uit!--Wie speelt er mee broekstavast?--Wie doet er mee in d'O? Wie
+heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]
+
+DE MEESTER, _zijne deur toesluitende en het hoofd
+schuddende_.--_Aures habent et non audient_! Alweer twee leerlingen
+kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 29: _Lawijd_. Gerucht.
+
+ 30: _Pennekepik_. Ieder brengt eene of meer pennen in het
+spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie
+eene pen aanpikt, wint ze.
+
+ 31: _Aarzak_. Bedrieger, krakeelzoeker.
+
+ 32: Goedkeuring of goede noot.
+
+ 33: Schrijfboek.
+
+ 34: _Okentrek_. Men schrijft een getal okens kegelwijs
+nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al
+de O's met linien verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie
+te mogen raken.
+
+ 35: Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.
+
+ 36: Des middags niet mogen naar huis gaan. _Bakken_, voor
+straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.
+
+ 37: Men klooft eenen krieksteen in tweeen. Met deze
+schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle
+zijde naar boven, dan heeft men _klontjen-trek_, en men trekt een
+getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle
+zijde naar boven, dan heeft men _witbier-zet_, en men is verplicht
+een getal krieksteenen in te zetten.
+
+ 38: Een oud schoolboek.
+
+ 39: _Frank_, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.
+
+ 40: Een Meikever of Molenaar.
+
+ 41: Plagen, tergen.
+
+ 42: Verschillende kinderspelen.
+
+
+
+DE KWADE HAND
+
+
+VERHAAL
+
+
+Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die
+het menschelijk verstand te boven gaan,--voorvallen, die alle
+wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen
+droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende
+macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat
+op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.
+
+In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43] eene weeze van omtrent
+achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won
+het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene
+gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid
+en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar
+van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen
+schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten
+der aarde.
+
+Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk
+meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij
+bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44] gegaan,
+om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen.
+Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om
+langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer;
+want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen
+onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet
+geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging
+losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij
+poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de
+doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik,
+dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder
+voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart
+angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.
+
+Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende
+donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de
+uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte
+nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die
+haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen
+en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor
+haar stond en weder vroeg:
+
+"Welnu, dochter, wat uur is het?"
+
+Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:
+
+"Acht uren."
+
+Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude
+wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:
+
+"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den
+zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs
+deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"
+
+Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia
+en ging haren weg--Onder de aanraking van het oude wijf werd het
+ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering
+over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band
+klemmen.
+
+Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd
+op dezelfde plaats, voordat haar de gedachte inviel het oude wijf op
+het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken;
+maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat
+Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag
+de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden
+stortte.
+
+Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in
+hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.
+
+Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om
+haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet
+in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw
+achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin,
+roepende:
+
+"Theresia is dood!"
+
+Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de
+tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij
+insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde,
+begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar,
+roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de
+bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas
+en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel
+afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der
+bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan,
+hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo
+onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia
+al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar
+gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich
+verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was;
+integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel
+zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en
+schudden.
+
+Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat
+gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het
+achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare
+oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer
+en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen
+te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden
+weenden.
+
+Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die
+onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog
+bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van
+den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:
+
+"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"
+
+Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte
+deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het
+verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle
+bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de
+overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.
+
+Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte
+te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even
+glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere
+verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende
+vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de
+dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en
+welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het
+uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene
+slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde.
+In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en
+lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden
+vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen
+zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar
+schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij
+vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op
+slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks
+zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde,
+op haar lichaam klom en haar tot een uur met de knieen de borst te
+pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder
+dat zij schreeuwen kon of opstaan.
+
+Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden,
+de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij
+sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren
+ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met
+een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op
+hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo
+akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de
+kamer waren ontvlucht.
+
+Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar
+gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar
+onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met
+geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve
+onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat
+alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier
+waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in
+bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was
+met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee
+doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar
+hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren
+worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst
+een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles
+hielp echter niets:--de tooverheks ging voort met alle nachten het
+ongelukkige meisje onder hare knieen te pletten en te martelen.
+
+Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en
+uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar
+laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen
+van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare
+glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken
+zoovele ratelende beentjes.
+
+Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er
+tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke
+woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en
+verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien
+onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had
+gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden
+besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet
+helpen kon.
+
+Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze
+kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij
+was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar,
+ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene
+zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen.
+Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht
+onophoudend ten gronde gevestigd.
+
+Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich
+daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde
+zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met
+onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging
+beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden
+mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze
+over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar
+eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende
+ondervragingen met zonderlinge stem:
+
+"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"
+
+"Ik weet het wel, man."
+
+"Hebt gij niets op uwe _conscientie_?"
+
+"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."
+
+"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"
+
+"Nog veel minder."
+
+"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of
+vermaledijd hebben?"
+
+"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg
+gestorven."
+
+"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"
+
+"Neen."
+
+"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"
+
+"Nooit."
+
+"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het
+oude wijf u betooverd heeft."
+
+"O, daar ben ik zeker van."
+
+"Wilt gij verlost zijn?"
+
+"Moet gij dit vragen?"
+
+"Antwoord mij!"
+
+"Ja, ik wil verlost zijn."
+
+De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken
+zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen
+onzichtbaren geest scheen te spreken.
+
+Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde
+vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen
+elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten
+zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben
+durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij
+wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt.
+Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven
+verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om
+niet te hoesten.
+
+Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder
+voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:
+
+"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u
+gelegd heeft."
+
+"Is het de oude tooverheks, of niet?"
+
+"Het is de oude tooverheks."
+
+"O, ik weet het wel."
+
+"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood.
+Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand
+van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten?
+Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?"
+
+"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."
+
+"Is dit uw goed woord?"
+
+"Ja."
+
+De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:
+
+"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit
+werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat
+ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van
+Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen
+doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor
+gegeven wordt."
+
+"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met
+zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat
+gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."
+
+"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid
+zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet
+in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en
+waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar
+moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan
+afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij
+een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis
+te betalen."
+
+Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man
+gegeven. Hij hernam:
+
+"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben,
+dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo
+zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit
+wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien
+voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe,
+dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen:
+een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de
+deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien
+er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend
+ten venster uitvliegen.--Men behoort dat daarom open te laten. Er is
+niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."
+
+Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam
+zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:
+
+"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de
+kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond
+worden."
+
+Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard
+en verliet de kamer.
+
+In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of
+driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat
+hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar
+elders zich begeven had.
+
+Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg
+waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had
+men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht
+te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.
+
+Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik
+inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik
+zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.
+
+Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en
+ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en
+omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene
+tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans
+kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het
+een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd
+ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook
+het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep
+met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest,
+zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene
+zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den
+tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en
+werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot
+middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot
+zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met
+onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte
+nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich
+met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op
+Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de
+komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op
+eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna
+niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der
+vlam....
+
+Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle
+klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten
+ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden
+onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten.
+Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan voor ons staan. Met
+opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de
+tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps
+op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene
+ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp
+los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat
+wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks
+bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan
+overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende
+stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:
+
+"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!--O, neen, neen, scheur mijn
+hart niet met uwe nagelen.--Geef mij den slag van gratie, dat ik
+sterve!"
+
+Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken
+had:
+
+"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat
+mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen,
+dat ik niet wil,--ik zal den ouden man verjagen...."
+
+Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons
+inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans
+had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te
+herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en
+wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een
+zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare
+oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep
+als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij
+achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de
+kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning
+moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons
+omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die
+met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over
+hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op
+het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel
+in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.
+
+Een onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen
+nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u
+wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het
+insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van
+ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en
+bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.
+
+Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat
+was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te
+verroeren.
+
+Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde
+ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen
+en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven
+worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende
+hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit
+rog of vloot gekookt was geworden.
+
+Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag
+juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in
+den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die
+kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven,
+vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest
+gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had
+om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men,
+dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken.
+Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen
+zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.
+
+Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven
+in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning.
+Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak
+der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend.
+Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te
+laten vinden.
+
+Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp
+brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een
+bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een
+groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in
+eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende
+tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw
+gebonden, op wat stroo te slapen.
+
+De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het
+vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende
+ledematen.
+
+Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half
+twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij
+de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak,
+deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk
+papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig
+doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere
+woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen
+spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het
+overige wierp hij in den ziedenden ketel.
+
+Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:
+
+"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar
+ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf
+uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en
+bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet
+doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal
+hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren
+of zien moogt!"
+
+De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd
+uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene
+doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel
+in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid
+om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere
+te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk
+gevestigd.
+
+Nog vijf minuten!
+
+In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu
+begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte,
+borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op
+sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder
+de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven
+ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren;
+de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.
+
+Nog twee minuten!
+
+De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den
+breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk
+gevestigd, stond hij gereed om te steken....
+
+Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen,
+als van iemand, die met eenen stok gaat.
+
+"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij
+elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek
+overhoop nedervielen.
+
+De deur ging open.--Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den
+toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes
+en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid
+klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met
+geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de
+hand.
+
+Nog eene minuut!
+
+"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.
+
+"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.
+
+"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de
+geneeskunde uit. Dit is verboden."
+
+De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf
+uren ging slaan.
+
+"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog een oogenblik, een kort
+oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of
+gij doodt iemand met uwe handen!"
+
+"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet
+volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote
+pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"
+
+Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren;
+hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich
+vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk
+nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...
+
+Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos
+in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is
+dood!"
+
+Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de
+deur ingeloopen, roepende:
+
+"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en
+ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"
+
+De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden
+man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd,
+als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later
+tot eenige maanden gevangenis verwezen.
+
+--Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles
+tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien
+het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe
+legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit?
+Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die
+onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij
+aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken;
+want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle
+geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een
+zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen
+beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat
+onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde
+betoovering?
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 43: Eene gemeente bij Antwerpen.
+
+ 44: Eene gemeente bij Antwerpen.
+
+
+
+STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS
+
+
+ZEDENSCHETS
+
+
+Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia
+bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de
+plaats der poetische en verleidende Roos, op den troon van het
+bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij
+u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe
+redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn,
+alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat
+gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het
+zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt
+Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.
+
+Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers
+en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de
+meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend
+een toets dienen in deze beschrijving.
+
+Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste
+gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin,
+zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van
+iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne
+bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het
+hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josue,
+de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer
+nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat
+het bed, voordat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en
+rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene
+Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en
+tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en
+begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt
+hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te
+weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne
+vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in.
+Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op,
+steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een
+blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door,
+totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht
+ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne
+huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet;
+en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is,
+gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij
+doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene
+Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van
+buiten kent,--en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen,
+maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.
+
+Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over
+gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en
+brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken:
+"Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van
+tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de
+Dahlia?"--Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp
+te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn
+aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene
+artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is
+afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal
+ze zeker onder den voet geloopen hebben:--dit zou spijt
+zijn!"--Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers
+voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia
+schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"
+
+--Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij
+zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling
+meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.
+
+--En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den
+ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren
+van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten.
+Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op
+een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in
+Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts _enkele_ bloemen als
+starren geeft,--dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen
+Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,--dat deze
+plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden
+door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen
+kruidenhof,--dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802
+verkreeg, enz.
+
+Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den
+liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de
+Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs,
+gedurende zijn gansche leven, het _goeden dag_ weigeren.--Hij, die
+anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij
+zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer
+het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een
+blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch
+niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft
+toegesteld.--Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen
+onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de
+geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige
+bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat
+uit de ontwortelde planten van Okulei,--Pioen,--Tuiltje,--Vingerhoed,--
+Violier,--Beverken,--Veldklok,--Knaptand,--Lelie,--Brikel[48]
+en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door
+onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid
+gehaat.
+
+Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in
+zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden
+lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen
+liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de _Marmot_ een dier is, dat
+gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te
+slapen, en niet ontwaakt voordat de zon de aarde met kruiden komt
+begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier:
+zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen
+in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone
+van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne
+bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des
+geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit
+levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne
+lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor
+vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne
+veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed
+mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den
+invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste
+maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen
+langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne
+oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en
+nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd
+gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die
+trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De
+Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds
+van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene
+natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt;
+hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken
+toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van
+eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en
+springt den hof in.
+
+Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat;
+hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de
+losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de
+verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de
+bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat
+de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen
+weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze,
+gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de
+lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond
+iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde
+overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de
+plantenslaap geeindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige
+oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de
+lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich
+met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt
+ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater
+spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne
+lippen stamelen een bevallig welkom. Daar, voor hem, staat het lieve
+Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft,
+als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de
+natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij
+de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:
+
+"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu
+gaan wij weer leven!"
+
+De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij
+een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich
+te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader
+geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit
+steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de
+andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders
+zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat
+in een ander vertrek, zonder nog te spreken.
+
+De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer
+Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een
+middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en
+vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de
+razernij der Dahlia's.
+
+U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met
+spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten
+bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.
+
+M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige
+kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood,
+benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens
+doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als
+volgt:
+
+"_Anna Maria_ plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem,
+met muizenoorkens en met purperen punten. _Buonaparte_, met haren
+stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens
+_Waterloo_ met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik _Defiance_
+nog planten? Die Dahlia _doet het bijna nooit_[50]. Het is anders nog
+al eene aardige: chocolade met melk.--Ik zal haar in het midden
+zetten met _Englands pride_, _don Carlos_, _Formosa_ en _Hortense
+Knyff_. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet
+ik mijne _Striata Formosissima?_[51] Ik mag daar niet losselijk over
+beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan
+in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen
+slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers
+moede gezien, eer zij aan mijne _Striata Formosissima_ komen. Dit mag
+ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre
+niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"
+
+Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd,
+dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de
+tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar
+vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering
+opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen
+heeft.
+
+"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne _Striata Formosissima_
+planten?"
+
+Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder
+antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer
+wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber,
+de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit,
+zeggende:
+
+"Dat zijn weerkens, eh?[52]"
+
+M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden
+van het vertrek, plantte zich voor hem, zag hem strak in de oogen en
+herhaalde als met gramschap zijne vraag:
+
+"Waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ toch planten?"
+
+M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen
+genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende
+gesprek:
+
+BIELENS.--Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op eenen dag niet
+moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij
+onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik
+zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit
+met rijp oordeel beslissen.
+
+FRUYTS, _blijmoedig_.--Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet
+wat bloemken mijne _Striata Formosissima_ is. Niemand heeft haar in
+honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes
+medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens
+kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.
+
+BIELENS.--Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge
+zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?
+
+FRUYTS.--Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder
+geweest.
+
+BIELENS, _invallende_.--Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu
+eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu
+niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang
+genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan
+nog meer met uitstel plagen?
+
+FRUYTS, _hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen_.--Zie,
+Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne
+Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze eene Dahlia.
+
+BIELENS, _in het boeksken lezende_.--"Nº 756, _British Queen_,
+Well's.--Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond,
+overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve
+steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu
+vastgesteld na Paschen."
+
+FRUYTS, _in gedachte dwalende_.--Dit moet eene schoone bloem zijn,
+eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken
+aan! Raadt gij mij hem te koopen?
+
+BIELENS, _met ongeduld_.--Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen
+Dahlia's meer, voordat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze
+kinderen na Paschen, ja of neen?
+
+FRUYTS, _hij schudt het hoofd met spijt_.--Wel ja, ja zeker. Zijt gij
+nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de _British
+Queen_ nu koopen, zeg?
+
+BIELENS.--Ja, maar zoo trouwen is de regel niet, dat weet gij ook
+wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe
+dochter wel een rond sommeken medegeven?
+
+FRUYTS.--Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe
+liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd
+vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand
+gegeven.--Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder
+gehaald, Bielens?
+
+BIELENS.--Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien
+gelegd.--Ik ga _boeturen_[54].
+
+FRUYTS.--De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg
+zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.
+
+BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand
+op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen,
+gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u
+zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?
+
+FRUYTS.--Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden
+dan _ja_. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb,
+dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus,
+wees gerust. Tot namiddag.
+
+Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking
+over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige
+haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door
+de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de
+schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord,
+daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en
+handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw
+en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote
+bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering
+deden gissen.
+
+"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag?
+Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu
+nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het
+zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte
+kramer. Ik zou beschaamd zijn!"
+
+De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak
+met bevende stem:
+
+"Den sleutel, zeg ik!"
+
+"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet.
+Daar is de sleutel."
+
+M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner
+vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf
+in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn
+oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen
+geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden
+plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij
+kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en
+voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen
+ouderdom.
+
+Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne
+verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert voor hem, in zijnen
+halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen
+bloei, in hoogste praal! Daar staat _Miss Colt_, de satijnen roos,
+daar _Conqueror_, het fijn geplooid bruin fluweel; hier _Fireball_,
+de gloeiende vuurbol, en de tweekleurige _Nonpareil_; verder de
+gulden _Topaas_, de zilveren _Virgin Queen_ en de zwarte _Sambo_.
+Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne
+veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt,
+doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem,
+dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen
+vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende
+lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In een
+woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O,
+Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!
+
+De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende
+begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij
+eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den
+kelder, op de hoogste schab stond,--en sprak mompelend:
+
+"Daar, in dat houten baksken, ligt mijne _Striata Formosissima_ zoo
+gerust op een bed van zemelen te slapen. _Striata Formosissima!_
+edele bloem! Zij hebben gezegd, dat gij de _Striped perfection_ niet
+zult overwinnen; maar zij kennen u niet. Zij weten niet, hoe uwe
+bruine purperstrepen uit uw wit hart glinsterend stralen. Ja, zij
+durven de doffe vlekken van _Striped perfection_ bij uwe
+anjelierische bestreping vergelijken[55]. O, zij dwalen: de nijd
+verblindt hen; maar gij zult u wreken, gij zult de medailles overal
+wegrukken...."
+
+Wij zullen M. Fruyts in zijnen kelder met zijne teergeliefde wortelen
+laten, om eens bij zijne vrouw in de keuken te gaan. De jonge
+verloofde van Bielens zoon was juist uit de stad te huis gekomen.
+Daar zij voorbij de woning van haren toekomenden man gegaan was,
+twijfelen wij niet, of hij had haar ter vlucht eenige woorden van
+zijne komst getoetst; want niet zoodra had zij hare moeder gegroet,
+of zij voegde er haastig bij:
+
+"Moeder, Frans zal meteen komen, om aan vader nu bescheid te vragen.
+Zult gij hem wat helpen?"
+
+De goede vrouw bracht de hand streelend op het voorhoofd harer
+dochter en antwoordde:
+
+"Ja, ja, kind, laat mij maar doen. Als het vandaag niet gelukt, dan
+komt het er nooit van. Uw vader is in eene goede luim: hij is bezig
+met zijne Dahlia's uit den kelder te halen."
+
+Dit nieuws scheen de dochter te verheugen.
+
+"Ha!" riep zij uit, "dan mag ik trouwen na Paschen, eh, moeder?"
+
+"Wel, kind, gij moogt zoo haastig niet zijn," merkte de vrouw
+glimlachend op. "Gij zult lang genoeg getrouwd blijven,--wees daar
+niet bang voor. Ik zeg toch niet, dat gij ongelijk hebt. Frans is een
+eerlijk burgerskind; hij past op en heeft al eenen goeden trek op
+zijn kantoor.--Gij hebt u beiden altijd braaf gedragen. Ja, ja, na
+Paschen."
+
+Een oogslag van dankbaarheid was 's meisjes antwoord. Zij zette zich
+stil en overdenkend bij het venster neder; hare moeder ging voort
+eenig klein huiswerk te verrichten. Weinig tijds daarna verscheen
+Frans Bielens, gekleed als een jong heerken, tamelijk fraai van
+gestalte en aangezicht en van een wakker voorkomen. Ternauwernood kon
+men in hem eene lichte ontsteltenis bemerken; ja, het was met eenen
+lossen zwier, dat hij de beide vrouwen groette en tot de moeder
+zeide:
+
+"Moeder Fruyts, gij weet wel, waarom ik hier kom. Mijne ouders zijn
+tevreden; gij wilt mij ook wel met den naam van zoon vereeren: het
+hangt dus van M. Fruyts alleen af, ons blijde en gelukkig te maken.
+Heb de goedheid hem voor mij een oogenblik gehoor te verzoeken; ik
+zou hem gaarne alleen spreken."
+
+"Maar hoe haastig zijt gij beiden vandaag!" riep de moeder
+schertsend. "Ik zie wel, dat gij het ijzer niet koud wilt laten
+worden. Gij hebt gelijk, het is dat gij elkander bemint. Wacht een
+weinig, ik zal M. Fruyts uit den kelder gaan roepen."
+
+Zij naderde de kelderdeur en riep:
+
+"Jan, gij moest eens boven komen: er is iemand om u te spreken!"
+
+Een gemor, dat wel op een _ja_ geleek, antwoordde op haren roep. Zij
+verstond het zoo en kwam terug bij hare kinderen, zeggende:
+
+"Hij zal terstond komen."
+
+Zij wachtten alle drie tamelijk lang, en niet zonder angst, op de
+verschijning van den heer Fruyts. Eindelijk hooren zij in den kelder
+een groot gerucht: het schijnt, dat men een paar ledige flesschen
+tegen den muur aan stukken slaat; de schabben worden krakend van den
+muur gerukt, en van den eenen kant naar den anderen geworpen. Het is
+er in den kelder als eene hel in het klein, uit welke de stem van M.
+Fruyts zich als de klagende stem eener gedoemde ziel doet hooren; in
+grievende galmen klinkt de naam van _Striata Formosissima_ herhaalde
+malen de keldertrap op, en komt als eene verwensching in de ooren der
+bevende gelieven klinken.
+
+Vrouw Fruyts wordt rood van toorn en springt vooruit, om haren man
+over zijn breken in het haar te vliegen; doch hij verschijnt, en
+hetgeen zij ziet, belet haar te spreken.
+
+Eene schrikkelijke wanorde heerscht in den ganschen persoon van
+Fruyts. Zijn haar staat in verwarring te berge op zijn hoofd; zijn
+half hemd is uit zijn ondervest gerukt, waaraan men beseffen kan, hoe
+hij in zijne borst moet gewroet hebben; zijne broek is bedekt met
+slijkachtige aarde, en aan zijne zwarte klompen kleven nog de stukken
+der Dahliawortelen, die hij in zijne woede vertrapt heeft. In de eene
+hand houdt hij een houten baksken, uit welks holte hij spottend de
+zemelen op den vloer stort; in de andere hand houdt hij met nijpende
+kracht een stuk wortel, dat gebroken schijnt. Zijn gelaat! o, zijn
+gelaat getuigt van de uiterste wanhoop:--de wenkbrauwen over de ogen
+gezonken, de hoeken van den mond stuiptrekkend naar achter, en de
+bloote tanden opeengesloten als van iemand, die bijten zal.... Met
+schokkende stappen, als een treurspeler, komt hij vooruit en stuurt
+zijn gezicht in het wilde rond.--De vrouwen staan verbaasd en
+sprakeloos; het meisje met de handen tot den vader gericht; de moeder
+met de handen dreigend in de lenden. Wat den jongeling betreft, deze
+is verbitterd over den gekken toestand, in welken hij zich nu
+geplaatst ziet. Gewis kan hij de oorzaak er van raden, want een
+grimlach van ongeloof zweeft op zijn aangezicht. De vrouw begint de
+verklaring van het voorgevallen ongeluk met deze snauw:
+
+"Welnu, wat zal het worden, zot getrek! Zijt gij van zin ons op te
+slokken?"
+
+De vader werpt een doodenden blik op zijne vrouw, doch antwoordt
+niet.
+
+DE MOEDER.--Wel, hebt gij het van uw leven gezien met al uwe dwaze
+grillen! Dat trekt een gezicht gelijk de kwade moordenaar. (_Zij
+verzacht hare stem spottend_.) Daar is zeker een Dahlia'sken uit uwe
+hand gevallen? Och arme!--Moet gij daar zoo een leven om maken? Voor
+zulke vodden?
+
+DE DOCHTER; _zij wil den arm haars vaders vatten_.--Och, vader, wat
+is er gebeurd? Zeg het aan mij.
+
+DE VADER; _hij stoot ze weg_.--Laat mij gerust! Spreek mij niet aan!
+Uit mijne oogen! (_Hij ziet de kat bij de stoof liggen, en geeft haar
+zulken geweldigen stamp, dat zij huilend de deur uitvliegt_.) Lomp,
+lui beest! Gij tooverheks, ik zal u vermoorden! Nog geene twee dagen
+of gij krijgt eenen steen aan uwen nek. Moet ik u daarom den kost
+geven?
+
+DE MOEDER, _met gramschap_.--Maar wat gaat u over, Dahlia's-zot?
+Denkt gij hier in mijn huis alles overhoop te zetten en baldadigheden
+te doen? (_Zij komt met de handen op de heupen voor hem staan en
+snauwt hem toe_.) Zijt gij van zin er uit te scheiden met die
+belachelijke komedie, of ik zal u eens aan de deur zetten, hoort gij
+het?
+
+Deze bedreiging stilde den heer Fruyts een weinig, want hij vreesde
+zijne vrouw uitermate. Met dezelfde kunstmatige stappen wandelde hij
+sprakeloos door de kamer, terwijl de twee vrouwen en de jongeling het
+oogenblik zijner verkoeling afwachtten. De ongelukkige liefhebber
+sloeg zich van tijd tot tijd met de hand voor het hoofd, en scheen
+aan de bitterste zielsfolteringen te zijn overgeleverd. Dan, hij kon
+echter zijne woede en zijn lijden niet langer in zijnen boezem
+besloten houden, en, den jongen Bielens dreigend beziende, viel hij
+uit:
+
+"En wat komt gij in mijn huis doen, pennelikker? Gij komt zeker
+vermaak scheppen in het leed dat uw vader mij aangedaan heeft? Maar
+ik zal uwen lekkeren vader wel vinden. Hij zal geenen enkelen Dahlia
+in zijn hof houden, al moest ik dieven betalen om ze te gaan aan
+stukken stampen."
+
+DE JONGELING, _met spijtige kalmte_.--Ik weet niet, Mijnheer Fruyts,
+dat mijn vader u ooit misdaan hebbe: gij waart gisteren nog goede
+vrienden!
+
+DE VADER, _bitsig_.--Vrienden? Ja, ik dank je voor zulke
+verraderlijke vrienden, die een mensch alle soorten van verdriet
+aandoen.
+
+DE JONGELING.--Maar wat groot kwaad heeft mijn vader u gedaan,
+Mijnheer Fruyts?
+
+DE VADER.--Wat? wat? Heeft hij verleden jaar al mijne beste Dahlia's
+niet doen sterven--uit nijd, uit afgunst? En heeft hij de medaille,
+die hij won, niet van mij gestolen, zeg?
+
+DE JONGELING, _verwonderd_.--Mijn vader heeft uwe Dahlia's doen
+sterven? Dit wist ik niet.
+
+DE VADER, _met klimmende woede_.--Ja: heeft hij mij niet gezegd, dat
+ik mijne beste Dahlia's op paardenmest moest planten?--En is het
+zijne schuld niet, dat de veenmollen ze hebben afgebeten?[56]
+
+DE JONGELING.--Als gij het zoo hebben wilt, dan zal ik ja zeggen;
+maar gij weet het, mijn vader is gevaren gelijk gij: de veenmollen
+hebben zijne Dahlia's ook afgebeten.
+
+DE VADER, _bulderend_.--Treken! Treken! Met welke Dahlia's heeft hij
+dan de medaille gewonnen, zeg?--Valschheid en bedrog, ja! Maar dit
+was al lang vergeten. Hetgeen mij heden is overgekomen, dat zal hij
+mij duur betalen. En zeg hem maar:--van nu af aan geene vriendschap
+meer; en gij, die den stille en den fijne zoo uithangt, kunt ook maar
+uit mijn huis blijven.--Als mijne dochter u nog durft aanspreken,
+steek ik ze voor haar leven lang in een klooster. (_De dochter begint
+te weenen_.)
+
+DE MOEDER, _met spotternij_.--Maar hoe kan een mensch van
+vijfenveertig jaar toch zoo zagen!--Wanneer zullen wij nu eens weten,
+wie er dood is?
+
+DE VADER.--Ja, gij venijnig wijf, gij spot altijd met mijn verdriet.
+Dat weet _ik_, wat er gebeurd is, en ik zal het niet gauw vergeten.
+Tien jaren verkorting van mijn leven!
+
+DE JONGELING.--Nu, Mijnheer Fruyts, zeg mij toch eens, wat nieuw
+ongeluk mijn vader u veroorzaakt heeft?
+
+DE VADER, _in den uiterste toorn. Er komt een traan in zijne
+oogen_.--Ja, uw valsche vader wist, dat ik eene Dahlia had, gelijk er
+geene in honderd uren in het rond is. Dit benijdde hij weer, omdat
+hij wel kon denken, dat ik dit jaar de medaille zou winnen.... Maar,
+o schelmerij! (_Hij geeft aan zijne stem een fleemenden toon_.) Jan,
+zegt hij met eenen loozen treek, Jan, leg uwe _Striata Formosissima_
+in eenen bak met zemelen; dan zal zij goed droog blijven.--En wat is
+er geschied?--Zie, ik kan mijne gramschap niet bedwingen....
+
+DE VROUW.--Welnu, wat is er geschied, zageman?
+
+DE MAN, _met droefheid_.--Wat er geschied is! Luister, wat
+verraderij! De ratten zijn naar de zemelen gekomen, en als die meest
+opgegeten waren, hebben zij mijne _Striata Formosissima_ ook
+opgeknabbeld. Weet gij het nu?
+
+DE VROUW, _hem uitlachende_.--Wel, wel, is het anders niet? Blijven
+er geene dooden? Geene armen of beenen gebroken? Moet gij daarom zoo
+te werk gaan en de geburen doen zeggen dat de ratten het huwelijk
+uwer dochter overgebeten hebben?
+
+DE VADER.--Anders niet, anders niet! (_Tot den jongeling_.) Mijn huis
+uit, flierefluiter.--Gauw!
+
+DE DOCHTER, _weenend_.--Och, vader lief, jaag hem niet weg! Gij hebt
+beloofd, dat wij mochten trouwen.
+
+DE VADER.--Trouwen? Met den zoon van mijnen grootsten vijand,--met
+den valschaard, die mijne _Striata Formosissima_ aan de ratten
+overgeleverd heeft? Trouwen? Nooit! Dan geef ik u nog liever aan den
+bult van Okeren.
+
+DE MOEDER.--Hoor, het heeft nu lang genoeg geduurd. Ik zal er eens
+kort spel mede maken. (_Zij vat haren man bij den schouder en zet hem
+ten huize uit. Zij sluit de deur toe_.)
+
+M. Fruyts bleef eenige oogenblikken voor de deur staan; doch ziende,
+dat ze voor goed gesloten was, begaf hij zich met wankelende stappen
+naar de plek gronds, waarop hij zijne Dahlia's voornemens was te
+planten. Hij hield nog altijd het stuk wortel van zijne _Striata
+Formosissima_ in de hand, en wrong het stuiptrekkend tusschen zijne
+gespannen vingeren. Zijn hoofd hing krachteloos op zijnen schouder;
+zware zuchten ontsnapten zijner borst. Bij de Dahlia's-plek gekomen,
+overstaarde hij nog eens dien grond en sprak tot het stuk wortel,
+dat hij onder zijn gezicht bracht:
+
+"_Striata Formosissima_! bloem der bloemen, ik ben u kwijt! Ik zie
+mijne vijanden lachen en met spotternij in de handen klappen. Geene
+medaille zal ik hebben; al mijne hoop is met u vergaan. O, hadden de
+ratten geweten, dat iedere beet, dien zij u toebrachten, een beet in
+mijn hart was! Hadde ik het kunnen voorzien, ik hadde mijnen kelder
+opgevuld met kaas en vleesch om de verslindende dieren te verzadigen.
+Maar te laat is dit beklaagd,--gij zijt voor mij verloren. O ramp!"
+
+En met eene hoekige beweging wierp hij, als eene maledictie, het stuk
+wortel over het wijde veld.
+
+Den ganschen dag wandelde de heer Fruyts, zonder hoop en lijdend,
+door de paden van zijnen hof; ja, zoover verdwaalde hij, dat hij dien
+dag weigerde te eten, iets, wat hem nog nooit was geschied. Al de
+gebeden zijner dochter, al de berispingen zijner vrouw hadden geene
+macht genoeg om hem in huis en bij het vuur te doen komen.
+
+Tegen het vallen van den avond zat M. Fruyts op eene houten bank te
+midden van zijnen hof. De koude deed zijne ledematen beven en zijne
+tanden klapperen. In deze gesteltenis begon hij eenig naberouw te
+gevoelen over de barschheid, met welke hij zijne dochter en den
+jongen Bielens behandeld had; doch de gedachte, dat men hem onder de
+Dahlia's-liefhebbers zou uitlachen, kwam hem telkens opnieuw
+bedroeven. Zijne woede ontvlamde met nieuwe kracht, toen hij, het
+hoofd opheffende, den jongen Bielens met een paksken onder den arm
+tot zich zag komen.
+
+Hij bracht de hand snokkend vooruit als iemand, die wil zeggen:--de
+deur uit, gauw!--maar de jongeling naderde stoutelijk en rijkte hem
+een gevouwen briefje toe. Ongeduldig nam de heer Fruyts dit van hem
+aan en ontvouwde de plooien met eenen spottenden grimlach.
+
+Maar, hemel! wat straal van licht verlevendigt het gelaat van M.
+Fruyts? Wat roode kleur verft zijne wangen? Waarom die blijde zucht,
+die zijne borst ontvliegt? Gewis, dit briefje behelst eene vroolijke
+tijding.--Hij leest:
+
+"Ik ondergeteekende, Bloemenkweeker bij Antwerpen, verklaar dat ik
+heden aan den heer Frans Bielens eenen wortel geleverd heb van de
+echte _Striata Formosissima_."
+
+Het handteeken was van den vermaardsten en geloofwaardigsten
+bloemenkweeker.
+
+"Gij bezit eenen wortel van de _Striata Formosissima_!" riep M.
+Fruyts in verrukking uit. "Bedriegt gij mij niet? Neen, neen, het is
+waarheid! Laat zien dien wortel!"
+
+Hij nam het paksken uit de handen van den jongeling, rukte het papier
+en het mos er af en betastte den wortel aan alle zijden met eenen zoo
+zoeten glimlach, dat het genoeg te zien was, wat vermaak hij in deze
+betasting vond.
+
+"O, het is een wortel," mompelde hij, "ja, eene _Striata
+Formosissima_."
+
+Eene invallende gedachte versomberde zijn gelaat.
+
+"Welnu," zuchtte hij, "gij zijt gelukkig, Frans, dat gij die Dahlia
+hebt, gij kunt er zoovele medailles mede winnen als gij begeert."
+
+"Ik?" sprak de jongeling. "Neen, Mijnheer Fruyts. Ik wist dat de heer
+V---- sedert vier dagen een wortel van de _Striata Formosissima_
+gekregen had. Daar hij mijn vriend is, heb ik niet over den goeden
+uitslag mijner pogingen gewanhoopt. En gij ziet hoe gelukkig ik was.
+De heer V---- heeft mij zijnen eenigen wortel afgestaan. Niemand
+bezit hem nu in de omstreken, misschien niet in Belgie, dan ik
+alleen. Zoudt gij hem van mij willen aanvaarden, als een bewijs
+mijner mededeeling in uwe droefheid?"
+
+Een zeldzame gil bonsde uit den lang benepen boezem van M. Fruyts;
+hij deed eenen stap vooruit, greep den wortel aan en hield hem met de
+eene hand tegen zijn hart, terwijl hij met de andere den jongen
+Bielens naar het huis voorttrok. Hier zat de dochter bij de stoof te
+weenen, dat de tranen van hare wangen biggelden. Vrouw Fruyts rustte
+met het hoofd op de hand; haar aangezicht was verre van aantrekkelijk
+te zijn en scheen tot haren man te willen zeggen:--"Zijt gij daar,
+flauw bescheid?" Maar hij, in zijne vreugde daarop geene acht
+gevende, hief den wortel boven zijn hoofd en riep zegepralend:
+
+"Hoera! Hoera! Ik heb mijne _Striata Formosissima_ weer! Toe, vrouw!
+laat ons alles vergeten, en zie toch zoo zuur niet meer. Haal al gauw
+eene goede flesch uit den kelder,--van het patersvaatje! En gij,
+mijne lieve Trees," sprak hij, zijne dochter bij de hand vattende,
+"vergeef mij ook, mijn kind, dat ik zoo boos ben geweest.--Kom hier,
+Frans, mijn zoon!"
+
+Hij legde de hand zijner dochter in die van Frans en riep:
+
+"Vivat _Striata Formosissima_! Leeft lang en trouwt na Paschen!"
+
+
+VOETNOTEN:
+
+ 45: Een gewichtig verdrag tusschen Belgie en Holland.
+
+ 46: Dianthus Caryophyllus.
+
+ 47: Lychnis Dinica.
+
+ 48: Aquilegia--Paeonia--Dianthus barbatus--Digitalis
+pupurea--Cheiranthus--Astrantia--Campanula--Anthirrinum--Lilium--Primula
+Auricula.
+
+ 49: Galanthus Nivalis.
+
+ 50: Dit beteekent, dat de plant onbestendig is en vele
+mismaakte bloemen geeft. ZIJ DOET HET wil zeggen, dat hare bloemen
+komen, zooals zij zijn moeten.
+
+ 51: Allerschoonste gestreepte.
+
+ 52: Dit is een fraai weder.
+
+ 53: Een dorp bij Antwerpen, waar talrijk
+Dahlia's-liefhebbers wonen.
+
+ 54: _Boeturen_ beteekent: jonge Dahlia's kweeken bij middel
+van scheuten, die men van de wortelen afsnijdt.
+
+ 55: Bij de bestreping van den Dianthus Caryophyllus of
+Anjelier, te Antwerpen GINOFFEL genaamd.
+
+ 56: Het is onder de hoveniers bekend, dat de veenmol
+(Grillotalpa) zich bij voorkeur nederzet in de gronden, die met
+paardenmest gevet zijn.
+
+
+
+EINDE
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***
+
+***** This file should be named 13595-8.txt or 13595-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/5/9/13595/
+
+Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
+Online Distributed Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/13595.zip b/old/13595.zip
new file mode 100644
index 0000000..6b2cbe8
--- /dev/null
+++ b/old/13595.zip
Binary files differ